| Ingediend | 19 januari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 4 maart 2026 (na 44 dagen) |
| Indiener | Jeltje Straatman (CDA) |
| Beantwoord door | Foort van Oosten (VVD) |
| Onderwerpen | organisatie en beleid recht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z00787.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1214.html |
Ja.
Ja, dit beeld herken ik. Uit de praktijk herken ik signalen dat notariskantoren te maken hebben met toenemende drukte en personeelstekort. Ik wil benadrukken dat een aantal producten in het notariaat een sterke conjuncturele fluctuatie kennen. De voorzienbare gevolgen van de structurele drukte, in combinatie met personeelstekorten, zijn dat burgers en ondernemers te maken zullen krijgen met langere wachttijden. Recent is het WODC-onderzoek «Staat van het Notariaat II» uitgevoerd. Dit rapport bied ik in Q1 aan uw Kamer aan. Een inhoudelijke reactie hierop zal op een later moment aan uw Kamer worden aangeboden.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zal het WODC-onderzoek naar de staat van het notariaat op korte termijn aan uw Kamer worden aangeboden. In dit rapport wordt gekeken naar de ontwikkelingen van het aanbod in de notariële dienstverlening. Op basis van deze informatie kan beter worden bezien in welke mate er sprake is van risico’s voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de notariële diensten. In algemene zin heb ik geen reden om aan te nemen dat de kern van de notariële dienstverlening en rechtszekerheid onder druk staat. Het is niet ondenkbaar dat, mede afhankelijk van de conjuncturele ontwikkelingen in het werkveld, de wachttijd in individuele gevallen op kan lopen. Dit kan met name gebeuren in verband met de eindejaarsdrukte die zich jaarlijks in de notariële praktijk voordoet. Ten aanzien van de betaalbaarheid van de notariële diensten, blijft de marktwerking leidend. Voor particulieren met een lage draagkracht bestaat tot slot ook de optie tot een wettelijke financiële tegemoetkoming.2
Deze opvatting deel ik gedeeltelijk. Enerzijds dient het notariaat, net zoals iedere beroepsgroep, mee te gaan met het digitaliseren van werkprocessen. Anderzijds blijft de dienstverlening van het notariaat gericht op het bieden van rechtszekerheid en wordt de werkwijze grotendeels bepaald door regelgeving. Dat stelt hoge eisen aan de digitale systemen die het notariaat gebruikt, zodat mensen met vertrouwen hun zaken bij de notaris kunnen blijven regelen. Voor dossierbehandeling maken notariskantoren volop gebruik van de mogelijkheid digitaal gegevens te verifiëren («rechercheren») en digitaal gegevens uit te wisselen met onder meer het Kadaster en het Handelsregister. Tegelijkertijd blijft het ook belangrijk voor notariskantoren dat tijdens een persoonlijk gesprek met cliënten advies en uitleg wordt gegeven. Een persoonlijke afspraak vormt een drempel ter voorkoming van identiteitsfraude en stelt de notaris beter in staat de poortwachtersrol uit te voeren. Ook kan de notaris tijdens een fysieke afspraak de wilsbekwaamheid van cliënten beter beoordelen dan tijdens online contact.
Digitalisering kan, indien dit de werkprocessen effectiever maakt, inderdaad bijdragen aan het verhogen van de arbeidsproductiviteit en dat kan de druk op notariskantoren doen afnemen. De wijze waarop notarissen dit doen verschilt door de ondernemerskeuzes die zij maken en hun kantoor vormgeven, naar gelang hun mogelijkheden, de behoefte van hun cliënten en de marktomstandigheden. Niet ieder kantoor hoeft op dezelfde wijze te digitaliseren. Zo blijft er een divers aanbod van notariële dienstverlening voor verschillende groepen cliënten.
De afgelopen periode zijn met de KNB de wensen verkend op het gebied van digitalisering en is besproken welke lessen wij kunnen leren van de reeds opgedane ervaringen. Nu wordt verkend op welke wijze het aantal digitale akten uit te breiden is. In de beleidsreactie op het voormelde WODC-rapport zal nader worden ingegaan op de ambities die er ten aanzien van het notariaat zijn voor de komende jaren.
Op dit moment kan die toelichting nog niet worden gegeven. Met het notariaat wordt zoals reeds aangegeven verkend voor welke soorten notariële akten het digitaal passeren geschikt zou zijn. Daarbij staat voorop, dat het notariaat kan blijven voldoen aan de hoge eisen die nu worden gesteld aan de rechtszekerheid, integriteit en betrouwbaarheid.
De akte van oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.) kan op grond van de wet al digitaal worden opgericht. Als uit voormeld beleidstraject blijkt dat het wenselijk is voor méér of alle soorten akten het digitaal passeren mogelijk te maken, is wijziging van de Wet op het notarisambt noodzakelijk. Daarnaast zal ook andere wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Verdere digitalisering van het notariaat moet worden beschouwd in samenhang met de digitaliseringstrajecten van andere organisaties binnen het juridische domein en de implementatie van Europese regelgeving, met name de Digitaliseringsverordening en de verordening «eIDAS 2.0»4. Uw Kamer is door middel van de BNC-fiches hierover reeds geïnformeerd en wordt daarvan op de hoogte gehouden. Bij een beleidsreactie op het voornoemde WODC-rapport zal ook nader worden ingegaan op de ontwikkelingen in het notariaat. De aanbieding van deze reactie kan naar verwachting nog in het tweede kwartaal plaatsvinden.
Uiteraard is er vanuit het ministerie regulier contact met de KNB als publiekrechtelijke beroepsorganisatie voor het notariaat. Hierin wordt onder meer stilgestaan bij de wensen voor verdere digitalisering en vormen de werkdruk en behoud van vertrouwen belangrijke aandachtspunten. Ook is er, zoals onder 9 vermeld, contact met meerdere organisaties in het juridische domein over digitalisering in het licht van kwaliteit en vertrouwen in het rechtsverkeer.
Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Straatman (CDA), van uw Kamer aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het artikel «Grote drukte bij notariskantoren: meer akten met minder notarissen», de berichtgeving hierover in het Achtuurjournaal (11 januari 2026) en op NPO Radio 1 (ingezonden 19 januari 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.