Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Isolatiebedrijven in nood’ |
|
Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Isolatiebedrijven in nood» van de Telegraaf1 en «Isolatiebedrijven in zwaar weer» van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?2
Ja.
Herkent u de signalen uit de isolatiesector over de gevolgen van versnipperd lokaal, regionaal en nationaal beleid?
Ja.
Herkent u tevens signalen over de gevolgen van de uit 2 augustus 2023 stammende uitspraak van de Raad van State inzake toepassing van de Wet natuurbescherming, en de zorgplicht?
Ja.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de delegatie van de voor het Nationaal Isolatieprogramma beschikbare subsidies naar gemeentelijk niveau op de voortgang van het Nationaal Isolatieoffensief?
Versnelde isolatie van woningen is voor mij een zeer belangrijke inzet. Met de middelen uit het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) die beschikbaar zijn op gemeentelijk niveau kan er gericht ondersteuning worden gegeven, tot achter de voordeur. Het gaat in totaal om 1,6 miljard euro, waarmee 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben worden geïsoleerd.
Gerichte, pro-actieve ondersteuning is voor veel doelgroepen met energiearmoede of een risico daarop van belang om tot verduurzamingsmaatregelen te komen en de energierekening omlaag te brengen.
Gemeenten weten het beste wat er in de wijk speelt en kunnen hun isolatieaanpak zo vormgeven dat de juiste ondersteuning geboden wordt die nodig is voor de bewoners. De ondersteuning gaat dan ook verder dan alleen subsidie en behelst ook advies en ondersteuning in het proces. Zo is er in de lokale isolatieaanpak 120.000 keer een energieadvies afgegeven, 6.000 keer financieel advies gegeven en is 13.000 keer ondersteund bij het aanvragen van landelijke subsidies.
Er zijn gemeenten die zo al bijna hun volledige isolatieopgave hebben voltooid3, maar er zijn ook gemeenten waar de aanpak minder snel op gang komt en versnelling nodig is. Via het Nationaal Isolatieoffensief, waar ik bij het antwoord op vraag 8 verder op in ga, zetten we in op versnelling in de wijken die achterlopen en waar de urgentie het grootst is.
Welke impact heeft de maximering van prijzen, zoals vastgelegd in de maatregelencatalogus binnen het programma Nij Begun op de mogelijkheid om maatwerk te leveren dat nodig is in verschillende situaties?
Binnen de isolatieaanpak van Nij Begun is ervoor gekozen om het beproefde model van de Nationaal Coördinator Groningen bij de versterking toe te passen en een maatregelencatalogus op te stellen met een prijzenoverzicht van alle isolatie- en ventilatiemaatregelen. Al meer dan 1.000 bedrijven in de regio en daarbuiten hebben zich bij het bedrijvennetwerk van de isolatieaanpak aangesloten en zich aan deze maatregelencatalogus gecommitteerd. Het doel is om er voor te zorgen dat uniforme prijzen gehanteerd worden en verschillen tussen woningeigenaren in de kosten van maatregelen en de uitvoering voorkomen worden. De prijzen uit de catalogus worden in nauwe samenwerking vastgesteld met verschillende belanghebbenden zoals (vertegenwoordigers van) marktpartijen. De verschillende partijen praten en denken mee over de prijzen. Zo hanteren we voor de verschillende maatregelen marktconforme prijzen.
Binnen de isolatieaanpak is het mogelijk om via de maatregelencatalogus maatwerk te leveren als dat nodig is. Er zijn verschillende categorieën, zoals de bijkomende kosten welke afhankelijk zijn van de situatie. Dit is bijvoorbeeld het plaatsen van een steiger maar ook het natuurvriendelijk werken als er spouwmuurisolatie toegepast wordt. Daarnaast is maatwerk via een offerte mogelijk als dit noodzakelijk is om de isolatie- of ventilatiemaatregel uit te voeren en de kosten niet onder de reguliere bijkomende kosten uit de maatregelencatalogus vallen. Het is en blijft dus altijd mogelijk om maatwerk te leveren.
Wat is de huidige stand van zaken in de uitvoering van de doelstelling om tot 2030 2,5 miljoen woningen te verduurzamen?
Via het NIP zijn al veel huishoudens geholpen aan een lagere energierekening dankzij isolatiemaatregelen. Een grove inschatting is dat op dit moment circa 800.000 woningen van de 2,5 miljoen woningen zijn geïsoleerd in het Nationaal Isolatieprogramma.
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en de Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) zijn sinds 2022 t/m nu in circa 550.000 woningen isolatiemaatregelen toegepast. Ruim 80.000 woningen zijn via gemeenten geholpen met isoleren. Omdat de subsidies uit de lokale aanpak en de landelijke subsidies kunnen worden gecombineerd zal er overlap tussen deze cijfers zitten. Hoeveel unieke woningen precies zijn geïsoleerd, is na de zomer bekend, wanneer de gegevens over de lokale aanpak zijn opgenomen in het dashboard energiesubsidies woningen van het CBS4.
Voor de huursector is geen volledig beeld beschikbaar van het aantal woningen dat is geïsoleerd sinds de start van het NIP in 2022. Wel blijkt uit de jaarlijkse benchmark van Aedes dat tussen medio 2023 en medio 2025 er 331.000 isolatiemaatregelen zijn genomen in de corporatiesector.5 Op energielabelniveau zien we ook dat corporaties goed op weg zijn: het aantal EFG labels bij corporaties is tussen 2022 en 2025 gedaald van ca 247.000 tot 115.000.
Voor de private huursector ontbreekt een vergelijkbare registratie van uitgevoerde maatregelen. We baseren ons daarom op de energielabels. ABF heeft tweemaal een onderzoek gedaan naar de stand van zaken van de energielabels in de private huursector. We zien daarin dat het aantal huurwoningen met een EFG-label is gedaald van circa 292.000 in 2023 naar circa 244.000 in 2025. Volgens ABF zal het aantal private huurwoningen met een E-, F- of G-label richting 2029 naar verwachting met circa 202.000 afnemen. Daarmee is de verwachting dat het grootste deel van de huidige EFG-opgave in de private huursector de komende jaren wordt uitgefaseerd.
Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk om deze doelstelling te halen?
Ja, versnelling blijft nodig om het doel van 2,5 miljoen woningen van het NIP voor 2031 te behalen. Met name in wijken waar de urgentie het grootst is, is versnelling het meest belangrijk. Via het recent aangekondigde isolatieoffensief wil ik deze versnelling creëren.
Zo ja, welke maatregelen overweegt u?
Met het Nationaal Isolatieoffensief zet ik in op versnelling van de isolatieaanpak, zoals aangekondigd in mijn brief van 22 juni 20266. Met onder andere standaardisatie en toepassing van geleerde lessen, een versnellingsteam voor wijken die achterlopen en extra inzet in de NPLV-wijken pakken we door in de isolatieaanpak en zetten we een belangrijke stap van leren en ontdekken, naar concluderen en toepassen.
Om meer eenduidigheid en handelingsperspectief te creëren rond natuurvriendelijk isoleren werkt het Rijk samen met het IPO, de provincies, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche aan een landelijke, tijdelijke gedragscode als overbrugging naar de Soorten Management Plannen (SMP’s), zoals aangegeven in de brief. De gedragscode geeft vrijstelling van de vergunningplicht bij een positieve eDNA-test voor de twee meest voorkomende vleermuissoorten indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de gedragscode. Bij een negatieve eDNA-test kan spouwmuurisolatie direct plaatsvinden. Het Rijk zet zich in om de nieuwe gedragscode dit jaar nog te consulteren.
Ziet u daarbij kansen voor het uniformeren van voorwaarden voor subsidieverstrekking binnen het Nationaal Isolatieprogramma?
Ja. Via het eerste spoor van het isolatieoffensief wordt onder andere ingezet op standaardisatie waar dat de isolatieopgave kan helpen versnellen. Met het Energiehuis zorgen we voor uniforme ondersteuning en een centraal punt voor de verduurzaming, ook op de langere termijn.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Felix Klos (D66), Robin van Leijen (D66) |
|
Bertram , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
Het bericht ‘Isolatiebedrijven in nood’ |
|
Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Isolatiebedrijven in nood» van de Telegraaf1 en «Isolatiebedrijven in zwaar weer» van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?2
Ja.
Herkent u de signalen uit de isolatiesector over de gevolgen van versnipperd lokaal, regionaal en nationaal beleid?
Ja.
Herkent u tevens signalen over de gevolgen van de uit 2 augustus 2023 stammende uitspraak van de Raad van State inzake toepassing van de Wet natuurbescherming, en de zorgplicht?
Ja.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de delegatie van de voor het Nationaal Isolatieprogramma beschikbare subsidies naar gemeentelijk niveau op de voortgang van het Nationaal Isolatieoffensief?
Versnelde isolatie van woningen is voor mij een zeer belangrijke inzet. Met de middelen uit het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) die beschikbaar zijn op gemeentelijk niveau kan er gericht ondersteuning worden gegeven, tot achter de voordeur. Het gaat in totaal om 1,6 miljard euro, waarmee 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben worden geïsoleerd.
Gerichte, pro-actieve ondersteuning is voor veel doelgroepen met energiearmoede of een risico daarop van belang om tot verduurzamingsmaatregelen te komen en de energierekening omlaag te brengen.
Gemeenten weten het beste wat er in de wijk speelt en kunnen hun isolatieaanpak zo vormgeven dat de juiste ondersteuning geboden wordt die nodig is voor de bewoners. De ondersteuning gaat dan ook verder dan alleen subsidie en behelst ook advies en ondersteuning in het proces. Zo is er in de lokale isolatieaanpak 120.000 keer een energieadvies afgegeven, 6.000 keer financieel advies gegeven en is 13.000 keer ondersteund bij het aanvragen van landelijke subsidies.
Er zijn gemeenten die zo al bijna hun volledige isolatieopgave hebben voltooid3, maar er zijn ook gemeenten waar de aanpak minder snel op gang komt en versnelling nodig is. Via het Nationaal Isolatieoffensief, waar ik bij het antwoord op vraag 8 verder op in ga, zetten we in op versnelling in de wijken die achterlopen en waar de urgentie het grootst is.
Welke impact heeft de maximering van prijzen, zoals vastgelegd in de maatregelencatalogus binnen het programma Nij Begun op de mogelijkheid om maatwerk te leveren dat nodig is in verschillende situaties?
Binnen de isolatieaanpak van Nij Begun is ervoor gekozen om het beproefde model van de Nationaal Coördinator Groningen bij de versterking toe te passen en een maatregelencatalogus op te stellen met een prijzenoverzicht van alle isolatie- en ventilatiemaatregelen. Al meer dan 1.000 bedrijven in de regio en daarbuiten hebben zich bij het bedrijvennetwerk van de isolatieaanpak aangesloten en zich aan deze maatregelencatalogus gecommitteerd. Het doel is om er voor te zorgen dat uniforme prijzen gehanteerd worden en verschillen tussen woningeigenaren in de kosten van maatregelen en de uitvoering voorkomen worden. De prijzen uit de catalogus worden in nauwe samenwerking vastgesteld met verschillende belanghebbenden zoals (vertegenwoordigers van) marktpartijen. De verschillende partijen praten en denken mee over de prijzen. Zo hanteren we voor de verschillende maatregelen marktconforme prijzen.
Binnen de isolatieaanpak is het mogelijk om via de maatregelencatalogus maatwerk te leveren als dat nodig is. Er zijn verschillende categorieën, zoals de bijkomende kosten welke afhankelijk zijn van de situatie. Dit is bijvoorbeeld het plaatsen van een steiger maar ook het natuurvriendelijk werken als er spouwmuurisolatie toegepast wordt. Daarnaast is maatwerk via een offerte mogelijk als dit noodzakelijk is om de isolatie- of ventilatiemaatregel uit te voeren en de kosten niet onder de reguliere bijkomende kosten uit de maatregelencatalogus vallen. Het is en blijft dus altijd mogelijk om maatwerk te leveren.
Wat is de huidige stand van zaken in de uitvoering van de doelstelling om tot 2030 2,5 miljoen woningen te verduurzamen?
Via het NIP zijn al veel huishoudens geholpen aan een lagere energierekening dankzij isolatiemaatregelen. Een grove inschatting is dat op dit moment circa 800.000 woningen van de 2,5 miljoen woningen zijn geïsoleerd in het Nationaal Isolatieprogramma.
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en de Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) zijn sinds 2022 t/m nu in circa 550.000 woningen isolatiemaatregelen toegepast. Ruim 80.000 woningen zijn via gemeenten geholpen met isoleren. Omdat de subsidies uit de lokale aanpak en de landelijke subsidies kunnen worden gecombineerd zal er overlap tussen deze cijfers zitten. Hoeveel unieke woningen precies zijn geïsoleerd, is na de zomer bekend, wanneer de gegevens over de lokale aanpak zijn opgenomen in het dashboard energiesubsidies woningen van het CBS4.
Voor de huursector is geen volledig beeld beschikbaar van het aantal woningen dat is geïsoleerd sinds de start van het NIP in 2022. Wel blijkt uit de jaarlijkse benchmark van Aedes dat tussen medio 2023 en medio 2025 er 331.000 isolatiemaatregelen zijn genomen in de corporatiesector.5 Op energielabelniveau zien we ook dat corporaties goed op weg zijn: het aantal EFG labels bij corporaties is tussen 2022 en 2025 gedaald van ca 247.000 tot 115.000.
Voor de private huursector ontbreekt een vergelijkbare registratie van uitgevoerde maatregelen. We baseren ons daarom op de energielabels. ABF heeft tweemaal een onderzoek gedaan naar de stand van zaken van de energielabels in de private huursector. We zien daarin dat het aantal huurwoningen met een EFG-label is gedaald van circa 292.000 in 2023 naar circa 244.000 in 2025. Volgens ABF zal het aantal private huurwoningen met een E-, F- of G-label richting 2029 naar verwachting met circa 202.000 afnemen. Daarmee is de verwachting dat het grootste deel van de huidige EFG-opgave in de private huursector de komende jaren wordt uitgefaseerd.
Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk om deze doelstelling te halen?
Ja, versnelling blijft nodig om het doel van 2,5 miljoen woningen van het NIP voor 2031 te behalen. Met name in wijken waar de urgentie het grootst is, is versnelling het meest belangrijk. Via het recent aangekondigde isolatieoffensief wil ik deze versnelling creëren.
Zo ja, welke maatregelen overweegt u?
Met het Nationaal Isolatieoffensief zet ik in op versnelling van de isolatieaanpak, zoals aangekondigd in mijn brief van 22 juni 20266. Met onder andere standaardisatie en toepassing van geleerde lessen, een versnellingsteam voor wijken die achterlopen en extra inzet in de NPLV-wijken pakken we door in de isolatieaanpak en zetten we een belangrijke stap van leren en ontdekken, naar concluderen en toepassen.
Om meer eenduidigheid en handelingsperspectief te creëren rond natuurvriendelijk isoleren werkt het Rijk samen met het IPO, de provincies, de VNG, soortenorganisaties en de isolatiebranche aan een landelijke, tijdelijke gedragscode als overbrugging naar de Soorten Management Plannen (SMP’s), zoals aangegeven in de brief. De gedragscode geeft vrijstelling van de vergunningplicht bij een positieve eDNA-test voor de twee meest voorkomende vleermuissoorten indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de gedragscode. Bij een negatieve eDNA-test kan spouwmuurisolatie direct plaatsvinden. Het Rijk zet zich in om de nieuwe gedragscode dit jaar nog te consulteren.
Ziet u daarbij kansen voor het uniformeren van voorwaarden voor subsidieverstrekking binnen het Nationaal Isolatieprogramma?
Ja. Via het eerste spoor van het isolatieoffensief wordt onder andere ingezet op standaardisatie waar dat de isolatieopgave kan helpen versnellen. Met het Energiehuis zorgen we voor uniforme ondersteuning en een centraal punt voor de verduurzaming, ook op de langere termijn.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), David van Weel (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Het bericht dat de Hongaarse Minister van Buitenlandse zaken toegeeft dat hij tijdens belangrijke EU-meetings belt met de Russische Minister van Buitenlandse zaken |
|
Felix Klos (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Hongaarse Minister tijdens lopende Europese Unie (EU)-bijeenkomsten contact onderhoudt met de Russische Minister?
Ja, ik ben bekend met berichtgeving in verschillende media over het contact dat de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó lijkt te onderhouden met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken tijdens en rondom officiële EU overleggen.
Hoe kwalificeert u dit gedrag, in het licht van het feit dat Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne en de EU juist inzet op maximale eensgezindheid en vertrouwelijkheid?
Het kabinet is niet naïef over de mogelijkheid dat de huidige regering van Hongarije informatie deelt met de Russische Federatie. Mocht het inderdaad gaan om vertrouwelijke informatie, dan schaadt dat de Unie en ondermijnt dat het vertrouwen tussen EU-lidstaten.
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een ernstige ondermijning van het onderlinge vertrouwen binnen de EU, en mogelijk zelfs van het lekken van vertrouwelijke informatie naar een vijandige mogendheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op de vorige vraag, is het kabinet van mening dat directe uitwisseling tussen de huidige regering van Hongarije en de Russische Federatie van mogelijk vertrouwelijke informatie de Unie schaadt en het vertrouwen tussen lidstaten ondermijnt. Deze zorgen heeft Nederland ook uitgesproken via de geëigende kanalen.
Heeft deze ontwikkeling ertoe geleid dat Nederland zelf terughoudender is geworden in het delen van informatie, standpunten of strategieën binnen EU-verband, uit vrees dat deze indirect bij Rusland terecht kunnen komen? Zo ja, op welke wijze?
Effectieve en eensgezinde besluitvorming in de EU vergt dat lidstaten informatie en standpunten met elkaar delen. Dit zal Nederland blijven doen zonder naïef te zijn, en conform de geldende regels over geheimhouding binnen de Raad.
Deelt u de opvatting dat het delen van informatie met Rusland over besloten EU-bijeenkomsten in strijd is met artikel 4.3 van het Verdrag van de Europese Unie over «loyale samenwerking»?
Mocht er inderdaad sprake zijn geweest van het delen van vertrouwelijke informatie, zou dat een schending van de geheimhoudingsplicht opleveren, zoals onder andere neergelegd in artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad, Artikel 11, Reglement van Orde van de Europese Raad en artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU). Het is dan aannemelijk dat er eveneens sprake is van een schending van het beginsel van loyale samenwerking in de zin van artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. Als lidstaten het Unierecht schenden en daarvoor voldoende bewijs bestaat, kan de Commissie handhavend optreden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Acht u het wenselijk en noodzakelijk om op korte termijn binnen de EU opheldering en consequenties te eisen richting Hongarije? Bent u bereid hierin het voortouw te nemen?
De Commissie heeft haar zorgen over deze kwestie uitgesproken.1 De voorzitter van de Commissie zal dit verder bespreken op het niveau van de regeringsleiders. Ook is in de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is daarbij gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad en artikel 339 VWEU, en het beginsel van loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (schending van fundamentele waarden)? Zo nee, waarom niet?
Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door de huidige regering van Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie, dan zou de Commissie een inbreukprocedure onder artikel 258 VWEU kunnen starten wegens niet nakoming van EU-rechtelijke verplichtingen.
Met de artikel 7-procedure kan actie worden ondernomen als een EU-lidstaat de fundamentele waarden (incl. rechtsstaat) uit art. 2 van het EU-verdrag schendt of als er een duidelijk gevaar bestaat dat deze EU-waarden zullen worden geschonden. In 2018 startte het Europees Parlement al een artikel 7-procedure tegen Hongarije. Die richt zich op de zorgen over onder meer de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie en belangenverstrengeling, ruimte voor het maatschappelijk middenveld, gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Zorgen over het delen van vertrouwelijke informatie valt hier niet onder. Een (duidelijk gevaar op) schending van de waarden van artikel 2 van het EU-Verdrag kan vanwege de ontstane zorgen nu nog niet worden aangenomen. Het starten van een nieuwe procedure onder artikel 7 ligt daarmee dan ook niet in de rede.
Het kabinet acht het evenmin opportuun een statenklachtprocedure conform artikel 259 VWEU in te zetten. Dit is binnen het Unierecht een ultimum remedium om geschillen over de naleving van het Unierecht op te lossen en bedoeld voor die gevallen waarin de Commissie niet optreedt of een lidstaat het niet eens is met de handelwijze of beoordeling van de Commissie. Daar is in dit geval geen sprake van.
Alleen als de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat het financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie serieus dreigen aan te tasten, kan het financiële instrumentarium worden ingezet, zoals eind 2022 is gebeurd tegen Hongarije. Het kabinet heeft er voortdurend voor gepleit dat de Commissie snel en effectief optreedt om terugval van Hongarije op rechtsstatelijk vlak te voorkomen en aan te pakken, en daarbij gebruik maakt van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiële instrumentarium.
Het kabinet blijft zich waar mogelijk inzetten, maar ziet juridische procedures niet als oplossing voor de korte termijn voor een EU-lidstaat die de EU actief ondermijnt. Politieke en diplomatieke druk is kansrijker.
Op 12 april jl. vonden in Hongarije verkiezingen plaats. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering en hoopt op een positieve koers van Hongarije binnen de EU. Magyar heeft ook aangegeven de rechtsstaat te gaan hervormen. Het is duidelijk dat er hervormingen moeten plaatsvinden voordat EU fondsen kunnen worden vrijgegeven. Het kabinet zal zich daarvoor inzetten en deze boodschap ook bij de Commissie afgeven. Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) (inbreukprocedure tussen lidstaten) in reactie op de contacten met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om zo snel mogelijk in kaart te brengen welke Europese financiële steun richting Hongarije nog stopgezet kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke concrete sancties of maatregelen zijn er nog meer mogelijk wanneer een lidstaat vertrouwelijke EU-informatie deelt met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de analyse dat het Hongaarse optreden past in een breder patroon waarin Viktor Orbán het EU-besluitvormingsproces frustreert en ondermijnt, onder meer via het inzetten van veto’s?
Zoals vastgelegd in het regeerakkoord ziet het kabinet Hongarije als een voorbeeld van een land dat de EU actief ondermijnt, en het frustreren van besluitvorming valt binnen dit patroon. Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie schaadt ook dat het onderlinge vertrouwen binnen de Unie.
Het kabinet pleit – samen met gelijkgezinde landen en binnen de kaders van het EU verdrag – actief voor betere besluitvorming binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). In lijn met motie-Klos2 zet het kabinet zich in voor het afschaffen van het vetorecht en voor de invoering van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming (QMV) binnen het GBVB, zolang dit de nationale bevoegdheid om wel of niet aan militaire missies bij te dragen, respecteert. Het is mogelijk om QMV besluitvorming binnen het GBVB uit te breiden middels zogenaamde passerelle-clausules. Daar is echter unanimiteit voor nodig en tot nu toe bestaat hiervoor onvoldoende draagvlak onder lidstaten. Ook zet het kabinet zich in voor het gebruik van QMV voor GBVB-besluiten waar het EU-verdrag deze mogelijkheid nu reeds biedt. Zo blijft Nederland voorstander van het gebruik van QMV voor het aanpassen van de listings van sanctieregimes.
Bent u bereid om onmiddellijk op pad te gaan en steun te verzamelen voor hervorming van de EU-besluitvorming op het terrein van buitenlands beleid, in het bijzonder het afschaffen van het vetorecht, juist om misbruik zoals in dit geval tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u toezeggen dat u zich vanaf nu in iedere Raad zal uitspreken tegen de aanwezigheid van Hongarije op het moment dat vertrouwelijke informatie besproken wordt, en zo nodig zal verzoeken om de vergadering te staken tot Hongarije niet meer aanwezig is?
Zoals geantwoord op vraag 6, heeft de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, RvO van de Raad en artikel 339 VWEU en loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU-instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd. Zoals gesteld in beantwoording van vraag 5 kan de Commissie handhavend optreden als lidstaten het Unierecht schenden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen. Daarnaast kijkt het kabinet uit naar een nieuwe afvaardiging van Hongarije naar de verschillende Raadsformaties als gevolg van de verkiezingsuitslag van 12 april jl.
Bent u bereid manieren te onderzoeken om Hongaarse toegang tot vertrouwelijke EU-documenten te ontzeggen zolang niet kan worden vastgesteld dat deze informatie niet wordt doorgespeeld aan Rusland?
Zie antwoord vraag 13.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Felix Klos (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden, middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt, maar dat welalle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken, werken overheden veel samen met netbeheerders. Netbeheerders hebben namelijk data over en inzicht in het energieverbruik van hun klanten. Daarbij is ook geaggregeerde data beschikbaar. De samenwerking met netbeheerders en de geaggregeerde data bieden op dit moment voldoende inzicht voor beleidsvorming voor energie-infrastructuur.
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Overheden werken, zoals hierboven aangegeven, samen met netbeheerders voor inzicht te krijgen in het energieverbruik van datacenters om de beleidsvorming rondom digitalisering vorm te geven.
Daarbij zijn de verbruiksgegevens van elektriciteit van alle bedrijven bedrijfsvertrouwelijk en worden deze alleen verstrekt aan de toezichthouders ten behoeve van toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht.
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
In zowel de EED5 als de gedelegeerde verordening6 is opgenomen dat informatie van datacentra die onder het nationaalrecht ter bescherming van bedrijfsgeheimen en vertrouwelijkheid valt, niet openbaar wordt gemaakt.
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
In het kader van de EED zijn datacentra aanvankelijk gevraagd om informatie aan te leveren met de mogelijkheid om bedrijfsvertrouwelijke gegevens weg te laten. Inmiddels worden zij gevraagd om alle gegevens aan te leveren, maar aan te geven welke daarvan bedrijfsvertrouwelijk zijn. Wanneer een leeg formulier wordt ingeleverd, zal dit worden gezien als niet voldoen aan de EED-rapportage voor datacentra. In beide situaties worden de bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet openbaar gemaakt.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
De datacentra in kwestie hebben aangeleverd wat de Nederlandse overheid aan hen heeft gevraagd. De communicatie vanuit de Nederlandse overheid, via de RVO website en de in te vullen formulieren, over de verplichting tot het rapporteren van informatie is in lijn gebracht met de gedelegeerde verordening7. Dit betekent dat vanaf 2026 datacentra worden geacht alle informatie aan te leveren. Hierbij geldt dat bedrijfsvertrouwelijke informatie wordt aangeleverd, maar niet openbaar gemaakt zal worden. Mochten datacentra hier niet aan voldoen, dan wordt een waarschuwingsbrief verzonden met een termijn om alsnog alle informatie te rapporteren. Bij het niet voldoen aan die termijn volgt een voornemen tot last onder dwangsom.
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Het kabinet ziet, gelet op de hierboven geschetste aanpassing van de regelgeving en de aangepaste communicatie naar datacentra, op dit moment geen noodzaak om aanvullende strengere nationale eisen te stellen.
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Ja.
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Datacentra hebben gedaan wat van hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Daarbij komt dat de Europese Commissie de rapporten voor 2024 en 2025 al heeft vormgegeven. Tevens is de communicatie naar datacentra aangepast en zullen alle gegevens vanaf 2026 worden aangeleverd. Het kabinet is daarom niet voornemens om deze gegevens alsnog op te eisen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Henk Jumelet (CDA), Derk Boswijk (CDA), Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
In reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne heeft de Europese Unie tot op heden negentien omvangrijke sanctiepakketten aangenomen, waarbij Nederland steeds een voortrekkersrol gespeeld heeft. Als gevolg van deze sancties is in het derde kwartaal van 2025 de totale import van de EU uit Rusland met 89% afgenomen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2021. Hiermee loopt Rusland reeds zeer veel inkomsten mis. Op bepaalde producten, zoals nikkel en koper, gelden inderdaad nog geen EU-sancties. Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid van sanctie-uitbreiding waarbij in principe alle opties op tafel liggen. Hiervoor is wel steeds voldoende draagvlak binnen de EU vereist.
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Het kabinet twijfelt niet aan de geloofwaardigheid van de zeer substantiële inzet van Nederland en de Europese Unie ter ondersteuning van Oekraïne.
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Harmonisatie van sancties met G7-partners als VS en VK hebben hierbij bijzondere aandacht van het kabinet. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Het kabinet acht het onwenselijk wanneer handel plaatsvindt via ondoorzichtige eigendomsstructuren, mede omdat dit risico’s op sanctie-ontwijking, witwassen en fraude kan vergroten. Waar er signalen zijn van mogelijke overtredingen is het aan de bevoegde autoriteiten om onderzoek te doen en zo nodig handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Het kabinet deelt de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven bijdragen aan waardeketens die inkomsten genereren voor Rusland. Daarom spant het kabinet zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU-sancties tegen Rusland, opdat dergelijke activiteiten verboden worden. Voor wat betreft ongesanctioneerde handel met Rusland geldt dat deze weliswaar legaal is, maar dat het kabinet deze niet stimuleert doordat het alle handelsbevordering met Rusland gestaakt heeft. Daarnaast roept het kabinet bedrijven op zich waar mogelijk terug te trekken uit Rusland.
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Het kabinet doet geen uitspraken over contacten met individuele bedrijven. Wel wordt in brede zin met sectoren en relevante partijen gesproken over sanctienaleving, risico’s op ontwijking en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen.
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.