Het bericht ‘Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal Nederlandse studenten op de conservatoria de afgelopen jaren fors is afgenomen en wat is uw reactie op deze ontwikkeling?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De indruk dat het aantal Nederlandse studenten dat begint aan een opleiding op een conservatorium afneemt, was een van de aanleidingen voor een onderzoek dat in opdracht van OCW is uitgevoerd door onderzoeksbureau Blueyard dat heeft geresulteerd in het rapport «Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland». Ik stuur het rapport als bijlage mee met deze beantwoording.
Is het aandeel Nederlandse studenten alleen in relatieve zin of ook in absolute zin gedaald en zo ja, met hoeveel en wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?
Het NOS-artikel gaat alleen in op de masteropleidingen, maar de bacheloropleidingen zijn ook relevant. In de cijfers zijn ook de opleidingen Docent Muziek niet meegenomen. Deze studenten worden opgeleid tot muziekdocent in het funderend onderwijs en daarbuiten, bijvoorbeeld als zzp’er of bij een cultureel centrum.
Hieronder vindt u een overzicht van de cijfers van Nederlandse en internationale studenten van de bachelor- en mastermuziekopleidingen tussen 2006 en heden, inclusief de absolute aantallen:
Op grond van bovenstaande data constateer ik dat de berichtgeving over terugval van het percentage Nederlandse studenten enige nuancering nodig heeft. Uit de cijfers blijkt dat het percentage Nederlandse bachelorstudenten in de loop van de tijd niet is gedaald, maar het percentage Nederlandse masterstudenten wel. NOS geeft over de masterstudenten aan dat het percentage tussen 2006/2007 en 2025/2026 is teruggevallen van 52% naar 22%. Ik constateer een afname van 43% naar 22%.
De verdeling tussen Nederlandse en internationale studenten loopt per conservatorium wel uiteen; sommige conservatoria hebben een meer internationaal profiel dan andere. Daarbij gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Het is duidelijk dat het kunstonderwijs in Nederland relatief veel internationale studenten aantrekt. De commissie Bussemaker constateert in «ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs» dat Nederlandse kunstopleidingen internationaal worden erkend als toonaangevend.2 Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» geeft aan dat het Sectorplan HBO-kunstonderwijs 2011 «Focus op toptalent» hier mogelijk een rol in heeft gespeeld.3 In lijn met de focus destijds op (internationaal) toptalent in het hbo en wo als geheel, was het doel van dit sectorplan om het Nederlandse kunstonderwijs zijn vooraanstaande internationale positie verder te laten versterken. Kunstopleidingen zijn zich gaan ontwikkelen vanuit een bewuste onderwijsvisie met een internationaal en intercultureel karakter. Deze internationale uitwisseling draagt bij aan het Nederlandse culturele en creatieve werkveld en cultuuraanbod. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat indertijd al is gewaarschuwd dat Nederland de eigen voedingsbodem voor talent dan ook moest onderhouden4. Er bestaat zo mogelijk een spanningsveld tussen de focus op excellentie en internationaal toonaangevend onderwijs en voldoende ruimte behouden voor de toegankelijkheid en het opleiden van het Nederlands talent.
Deelt u de zorg dat de afnemende instroom van Nederlandse studenten aan conservatoria mede het gevolg is van een afgenomen aanbod van toegankelijk en betaalbaar buitenschools muziekonderwijs in gemeenten, onder meer door het verdwijnen van muziekscholen? Zo nee, waarom niet?
Een van de conclusies in het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is dat talentontwikkeling bestaat uit een ecosysteem van verschillende elementen die elkaar beïnvloeden en gelijktijdig met elkaar samenwerken. Het bestaan van buitenschools muziekonderwijs is daarin één van die elementen, maar zeker niet het enige. Ik vind het wenselijk dat dit gehele ecosysteem goed werkt en dat alle talenten binnen het ecosysteem voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.
Onderschrijft u dat cultuureducatie en muziekonderwijs bijdragen aan de brede ontwikkeling van kinderen, onder meer op het gebied van concentratie, taalontwikkeling, sociale vaardigheden, creativiteit en welzijn en welke plaats geeft het kabinet deze maatschappelijke waarde in het cultuur- en onderwijsbeleid?
Ik onderschrijf dat cultuureducatie (waaronder muziekonderwijs) bijdraagt aan de brede ontwikkeling van kinderen. Cultuureducatie leert kritisch en creatief denken, zorgt voor de ontwikkeling van sociale en culturele vaardigheden en draagt bij aan creatieve ontplooiing en talentontwikkeling. Vanwege deze maatschappelijke waarde zet het kabinet zich in om kinderen en jongeren in contact te laten komen met kunst en cultuur op school en daarbuiten. Cultuureducatie is onderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs via de kerndoelen kunst en cultuur. Muziek is hierbinnen een verplichte discipline. Voor het gehele leergebied kunst en cultuur zijn geactualiseerde kerndoelen opgesteld die naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking zullen treden. Naast deze wettelijke taak voor scholen stimuleert het Ministerie van OCW, gezamenlijk met onder andere provincies en gemeenten, cultuureducatie in den brede op school en daarbuiten met programma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit, de Cultuurkaart in het vo en mbo, het programma Méér Kunst en Cultuur in School en Omgeving, en de cultuurcoaches.
Heeft het kabinet inzicht in de verschillen tussen gemeenten en regio’s in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen en in de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen en beleidskeuzes?
In het recent opgeleverde onderzoeksrapport «Geografische spreiding van cultuur» zijn acht verschillende sectoren onderzocht, waaronder cultuurbeoefening. Voor de sector cultuurbeoefening is gekeken naar organisaties gericht op cultuureducatie en cultuurparticipatie. In dit onderzoek is muziekonderwijs meegenomen onder de brede noemer cultuurbeoefening. Het rapport laat zien dat basisvoorzieningen, zoals cultuurbeoefening, relatief gelijkmatig over het land verspreid en toegankelijk zijn.5
Het rapport biedt ook inzicht in de overheidsuitgaven aan cultuur. Wat betreft de totale uitgaven aan cultuurbeoefening komt het grootste deel vanuit gemeenten. Op gemeentelijk niveau zijn verschillen in de uitgaven aan cultuurbeoefening zichtbaar: er is sprake van enkele uitschieters en van een groep gemeenten met relatief lage uitgaven per inwoner aan cultuurbeoefening ten opzichte van het gemiddelde. Gemeenten die dit betreft kennen geen duidelijke overeenkomsten, waardoor aannemelijk is dat de verschillen samenhangen met lokale beleidskeuzes.6
De «Monitor gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026» laat ook zien dat het grootste gedeelte van de gemeenten (88%) beleid heeft voor cultuurbeoefening, meestal voor zowel school als de vrije tijd. Van deze gemeenten richt 60% zich met diverse beleidsinstrumenten op centra voor de kunsten en muziekscholen.7
Deelt u de opvatting dat de mogelijkheid om een instrument te leren bespelen niet afhankelijk mag zijn van de gemeente waarin een kind woont? Zo ja, welke rol ziet u voor het Rijk om deze verschillen te verkleinen?
Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de lokale infrastructuur voor cultuurbeoefening ondersteunen en wat, zoals bijvoorbeeld muziekscholen. Wel zijn er tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 afgesloten. Hierin is een van de ambities dat wordt ingezet op een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening, waarin iedereen de mogelijkheid heeft een leven lang cultuur te beoefenen. Onder deze ambitie valt onder andere de afspraak dat de ondertekenende partijen vanuit de eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en – participatie, amateurkunst en talentontwikkeling in stad, dorp, landelijk gebied en het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Hoe kijkt u naar de rol van muziekscholen en Lokaal Muziekles, waar muzikaal talent begint, als onderdeel van het culturele ecosysteem van Nederland en welke rol ziet u hierin voor het kabinet?
Muziekscholen hebben een belangrijke functie als kweekvijver voor muzikaal talent. Naast gemeentelijk gesubsidieerde muziekscholen en kunstcentra waar ook muziekles wordt gegeven, zijn er ook particuliere instellingen – zoals Lokaal Muziekles – en zzp’ers die muzieklessen aanbieden en die een belangrijke rol hebben bij talentontwikkeling. Zoals ik bij antwoord 6 aangaf, heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met IPO en VNG om te werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en talentontwikkeling, het is hierbij aan gemeenten om te bepalen hoe zij dit ondersteunen.
In hoeverre verwacht u dat het eerder ingezette beleid voor de versterking van amateurkunst, bijvoorbeeld via de Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst, voldoende effect heeft om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen te verbeteren?
Dit jaar is de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst opengesteld voor de periode 2026–2028. De focus van deze regeling ligt op het versterken van de landelijke infrastructuur amateurkunst door bijvoorbeeld samenwerkingen tussen provinciale steuninstellingen, amateurkunstinstellingen en amateurkunstgroepen. Ik verwacht dat dit positief effect gaat hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en ondersteuning van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen. Daarnaast ziet het beleid op cultuureducatie erop toe dat kinderen via school in aanraking komen met kunst en cultuur, waaronder muziek. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak om het beleidsinstrumentarium voor cultuureducatie en de infrastructuur die daarmee de afgelopen jaren is opgebouwd te verankeren, samenhangender en steviger te maken voor de periode na 2029. Ook daarvan verwacht ik dat cultuureducatie – waaronder muziek – toegankelijker wordt voor kinderen in heel Nederland.
Welke gevolgen verwacht u van de afnemende instroom van Nederlandse conservatoriumstudenten voor de toekomstige beschikbaarheid van professionele musici, muziekdocenten en orkestleden?
In de professionele Nederlandse orkesten zijn al veel internationale musici werkzaam en dat is op zich geen bezwaar; de klassieke muzieksector is nu eenmaal een internationale sector. Ik ben wel van mening dat de infrastructuur in Nederland zodanig moet zijn dat in Nederland opgroeiende toptalenten een kans hebben om een opleiding te volgen aan het conservatorium en uiteindelijk door te stromen naar professionele orkesten. Zoals in «Toegang tot de top» wordt beschreven is de sector bovendien circulair: toptalenten worden zelf docent, dirigent of rolmodel en houden daarmee de ontwikkeling van nieuwe generaties talent in stand. Internationale studenten gaan dit naar verwachting minder vaak doen: er zijn duidelijke signalen dat zij de kennis van het Nederlands ontberen die nodig is om aan te sluiten op de Nederlandstalige arbeidsmarkt en ze zijn vaker georiënteerd op de internationale arbeidsmarkt. Dat kan het ecosysteem onder druk zetten.
Vindt u dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen voor een duurzame voedingsbodem voor eigen muzikaal talent? Zo ja, hoe geeft u daar invulling aan samen met provincies en gemeenten?
Ik vind het wenselijk dat er een rijk muziekleven is in Nederland, met voldoende mogelijkheden voor in Nederland opgegroeide kinderen om op het hoogste niveau mee te doen. Ook onderzoeksrapport «Toegang tot de top» constateert dat er gaten lijken te zitten in het ecosysteem. Ik zet me er daarom voor in dat de voorwaarden hiervoor verbeteren. In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 is talentontwikkeling onderwerp van gesprek met de provincies en gemeenten. Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is aanleiding om hierover het gesprek voort te zetten.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet uitvoering geeft aan het voornemen uit het coalitieakkoord om extra aandacht te hebben voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen?
Talentontwikkeling heeft vele verschillende aspecten en spelers. Naast de inzet met provincies en gemeenten via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 (zie de antwoorden op vragen 6, 7 en8 zie ik ook een rol voor de Rijkscultuurfondsen in het kader van hun opdracht voor het cultuurbestel 2029 en verder. Mijn ambitie is om zowel met de andere overheden als de Rijkscultuurfondsen stappen te zetten om lacunes waar mogelijk op te vullen.
Bent u bekend met het bericht «Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet nu hun sociale huurwoning uit: «Dit is het enige dat aan haar herinnert»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat kinderen die hun ouder(s) verliezen, maar ouder zijn dan 27 jaar, gedwongen worden hun woning te verlaten of maar heel kort in de (sociale) huurwoning mogen blijven wonen waar zij op dat moment wonen of zelfs zijn opgegroeid en een sociaal netwerk hebben?
Het is ontzettend verdrietig om een ouder te verliezen. Ik begrijp dat het in een dergelijke situatie nodig is om enige tijd en rust voor rouwverwerking te hebben, waarbij het niet wenselijk is om tegelijkertijd ook per direct op zoek te moeten gaan naar een andere woning.
In de wet zijn voor dergelijke situaties enkele zaken geregeld. Sinds 1 januari 2024 geldt Wet huurbescherming weeskinderen, naar aanleiding van het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Koerhuis (VVD), Van der Plas (BBB), Grinwis (ChristenUnie) en Westerveld (GroenLinks)2. Dit initiatiefwetsvoorstel is ingediend om de huurbescherming van jongvolwassen wezen in huurwoningen van woningcorporaties wettelijk te verankeren. Deze wet biedt huurbescherming aan bij hun hurende overleden ouder(s) inwonende wezen tussen de 16 en 28 jaar in huurwoningen van woningcorporaties (toegelaten instellingen).
Tijdens de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer is een motie van het lid Ceder c.s.3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om te zorgen dat alle weeskinderen van 18 jaar en ouder het recht krijgen om een bepaalde tijd, bijvoorbeeld twee jaar, in de ouderlijke huurwoning te blijven wonen en niet uitgezet kunnen worden, ook wanneer de overleden ouder(s) bij een particuliere verhuurder huurde(n). Daarom werk ik in samenwerking met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel, dat aan alle bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen huurbescherming voor een bepaalde periode biedt, ongeacht hun leeftijd en ongeacht wie de verhuurder is. Het voornemen voor dit ontwerpwetsvoorstel is door een eerder kabinet reeds aangekondigd4.
Zolang dat wetsvoorstel nog niet als wet in werking is getreden, kunnen verhuurders bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met die ouder(s) voerden helpen door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden. Bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen behoren tot de specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst5.
Hoe vaak komt deze situatie voor, zowel de situatie dat een kind onder de 27 jaar is als de situatie dat een kind 27 jaar of ouder is?
Ik beschik niet over precieze gegevens van wezen die de leeftijd «onder de 27 jaar» hadden toen zij wees werden, wel over wezen in de leeftijd van 16 tot en met 30 jaar en over wezen van 28 jaar en ouder.
Over wezen die de leeftijd van 16–30 jaar hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20216. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 80–90 personen per jaar, waarvan ca. 70–80 personen (ca. 60–70 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 5–20 personen (ca. 5–15 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ca. 130 personen (ca. 105 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 115 personen (96 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 14 personen (11 huishoudens) in een andere huurwoning.
Over wezen die de leeftijd van 28 jaar of ouder hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20237. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 850–950 personen per jaar, waarvan ca. 650–750 personen (ca. 600–840 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 135–250 personen (ca. 125–230 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ruim 1.000 personen (ca. 960 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 903 personen (837 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 127 personen (124 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2023 was dat iets gedaald naar bijna 1.000 personen (ca. 930 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 865 personen (800 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 131 personen (128 huishoudens) in een andere huurwoning.
In hoeverre is het handelen van de verhuurder in lijn met de gedragscode voor verhuurders, waar in ieder geval in staat dat de verhuurder altijd een persoonlijke aanpak moet hanteren?
Ik kan niet oordelen over individuele gevallen. In de gedragscode is afgesproken dat verhuurders (in gevallen die buiten de geldende Wet huurbescherming weeskinderen vallen) individueel maatwerk zullen toepassen. Dat maatwerk is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verhuurder kan zulk maatwerk toepassen door een andere passende woning aan te bieden, maar ook door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden waarmee de wees tijd en rust krijgt voor rouwverwerking en voor het zoeken naar een andere woning.
Maar wanneer de (inwonende) wees kan aantonen dat hij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde – niet een gebruikelijke ouder-kindrelatie in de huurwoning van de ouder(s) – kan de verhuurder de wees de positie van medehuurder geven waarna de wees de huurovereenkomst van de overleden ouder(s) van rechtswege voor onbepaalde tijd als huurder voortzet. Indien de verhuurder de wees desgevraagd niet de positie van medehuurder verschaft, kan de wees de rechter vragen hem die positie te verschaffen. De rechter zal bij het oordeel of de (inwonende) wees de positie van medehuurder krijgt, alle omstandigheden in het geval in die beoordeling betrekken.
Wat vindt u ervan dat ouder-kindrelaties in rechterlijke uitspraken meestal niet aangemerkt worden als een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat er bij inwonende kinderen vanuit wordt gegaan dat zij ongeacht hun leeftijd altijd op een gegeven moment op zichzelf gaan wonen? Acht u deze uitleg nog passend bij de huidige woningmarkt? En deelt u de mening dat in dergelijke situaties wel degelijk sprake kan zijn van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden gebaseerd op de relatie wanneer het kind na het 27ste levensjaar nog niet op zichzelf is gaan wonen of teruggekeerd is zonder intentie tot vertrek?
Ouder-kindrelaties worden niet per definitie aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, doordat van inwonende kinderen verwacht wordt dat zij op enig moment een eigen huishouden gaan vormen. Er kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de ouder(s) met een inwonend volwassen, bijvoorbeeld wanneer een volwassene (weer) bij zijn of haar ouder(s) is ingetrokken om mantelzorg aan die ouder(s) te verlenen en zij gezamenlijk activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen. Ook wanneer een volwassen kind van de (overleden) huurder nog bij de huurder inwoont – en dus niet het spreekwoordelijke nest heeft verlaten – kan er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, bijvoorbeeld als zij veel gezamenlijke activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen.
Bij een geschil over de vraag of het inwonende kind van de overleden huurder(s) aangemerkt wordt als medehuurder (en die dan na het overlijden van de huurder van rechtswege de huur voortzet), kan de inwonende wees de rechter vragen om als medehuurder aangemerkt te worden. De rechter zal bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval betrekken.
Wanneer ouder-kindrelaties wel per definitie zouden worden aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, en inwonende volwassen kinderen van huurders per definitie aangemerkt zouden worden als medehuurder, zou het huurrecht in de praktijk een overerfbaar recht worden: de huur zou dan van generatie op generatie overgaan. Bij DAEB-woningen van woningcorporaties zou dat bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een eenmaal verhuurde DAEB-woning in feite niet meer vrij zou komen voor de doelgroep. Voor commerciële en particuliere verhuurders zou het betekenen dat een eenmaal (voor onbepaalde tijd) verhuurde woning mogelijk niet meer vrijkomt om tegen leegwaarde te kunnen verkopen of tegen een meer marktconforme huurprijs opnieuw te kunnen verhuren; dat zou een nadelig effect hebben op het rendement voor verhuurders, waardoor beleggers mogelijk uit de verhuur van woningen stappen of alleen tijdelijke huurcontracten van maximaal twee jaar (aan de daarvoor aangewezen specifieke groepen) aanbieden.
Om een evenwicht te vinden tussen de belangen van volwassenen die bij hun overleden hurende ouder(s) inwonen/inwoonden en van verhuurders die ervan op aan willen kunnen gaan dat de huurwoning op termijn weer vrijkomt voor nieuwe verhuring of voor verkoop tegen leegwaarde, werk ik zoals gezegd in het antwoord op vraag 2 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat dergelijke inwonende wezen huurbescherming biedt voor een bepaalde periode. Op dit moment kunnen verhuurders aan inwonende kinderen van overleden huurders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden om hen tijd en rust te bieden voor rouwverwerking en het zoeken naar een andere woning (zie ook het antwoord op vraag 2).
Dat laat onverlet dat een volwassen kind dat inwoont/inwoonde bij zijn of haar (overleden) hurende ouder(s), kan vragen om aangemerkt te worden als medehuurder omdat hij/zij meent een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de hurende ouder(s) te voeren of met de overleden hurende ouder(s) te hebben gevoerd. Bij een geschil daarover tussen inwonende en de verhuurder is het oordeel aan de rechter.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat kinderen die hun ouder(s) verliezen tenminste voor een voldoende lange periode in de woning moeten kunnen blijven wonen, vanuit sociaal oogpunt maar ook om verlies van sociaal vangnet en dakloosheid met alle gevolgen van dien te voorkomen?
Ja, die mening deel ik. Daarom werk ik zoals gezegd in het antwoord op de vragen 2 en 5 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de inwonende wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Klopt het dat verhuurders momenteel de vrijheid hebben om te kiezen of zij wezen die inwoonden bij hun overleden hurende ouders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden? Zo ja, zou u inzichtelijk willen maken hoe vaak hier wel of niet voor wordt gekozen door verhuurders?
Ja, dat klopt. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5. Ik beschik niet over gegevens over hoe vaak verhuurders van die mogelijkheid gebruik maken.
Deelt u de opvatting dat het beter zou zijn als verhuurders in deze gevallen voortzetting van het huurcontract voor een afgebakende periode, bijvoorbeeld twee jaar, moeten accepteren? Zo ja, bent u bereid wet- en regelgeving hierop aan te passen?
Ja, ik deel die opvatting. En zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2, 5 en 6 werk ik met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Bent u bereid te onderzoeken of het begrip «duurzame gemeenschappelijke huishouding» in het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt moet worden, zodat langdurig inwonende kinderen beter beschermd worden tegen gedwongen dakloosheid na overlijden van hun ouder(s)?
Wanneer het hierboven genoemde nog uit te werken ontwerpwetsvoorstel door de Kamers wordt aangenomen en als wet in werking treedt, krijgen (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende kinderen bij het overlijden van die hurende ouder(s) per definitie het recht om een bepaalde periode in de woning te blijven wonen. Zij hoeven dan niet aan te tonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.
En (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende volwassenen die langer dan die bepaalde periode na het overlijden van de hurende ouder(s) in de woning willen blijven wonen, kunnen de verhuurder – en bij een geschil hierover de rechter – binnen die periode vragen om aangemerkt te worden als medehuurder om de huur voor onbepaalde tijd te kunnen voortzetten; in dat geval zullen zij moeten aantonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, dus verdergaand dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie. De bestaande jurisprudentie hierover blijft dan ook relevant. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 zie ik geen verdere aanleiding om te onderzoeken of een ouder-kindrelatie per definitie aangemerkt moet worden als duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat daarmee in feite een overerfbaar huurrecht gecreëerd zou worden.
Het bericht ‘Al vijf weken geen gasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: 'Anders is het voorbij'’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het hospice in Dedemsvaart de deuren dreigt te moeten sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht over de situatie van het hospice in Dedemsvaart. Ik vind het belangrijk dat mensen ook in de laatste levensfase kunnen rekenen op passende en liefdevolle zorg. Hospices voorzien daarbij in een behoefte. Zij bieden een omgeving waarin zorg en ondersteuning worden afgestemd op de wensen van mensen in de laatste levensfase. Het zou teleurstellend zijn wanneer een hospice zijn deuren moet sluiten.
Om de achtergrond van de situatie in kaart te brengen is contact opgenomen met de voorzitter van het hospice, thuiszorgorganisatie Carinova, de betrokken regionale netwerkcoördinator en de Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ).
In het nieuwsbericht kwam naar voren dat een tekort aan vrijwilligers een knelpunt vormde voor het openhouden van het hospice. Uit de gesprekken die hebben plaatsgevonden blijkt dat deze zorg inmiddels (deels) is weggenomen. Ik heb vernomen dat, naar aanleiding van de oproep van het hospice in de krant en de georganiseerde informatieavond en open dag zich 47 potentiële nieuwe vrijwilligers hebben gemeld die zich in de nacht willen inzetten. Het hospice verwacht met deze nieuwe vrijwilligers in mei a.s. een doorstart te kunnen maken. Dat is goed nieuws. De dreigende sluiting zou overigens niet direct een probleem opgeleverd hebben voor het aanbod van palliatieve terminale zorg in de regio. Het hospice is een bijna-thuis-huis met twee bedden en in deze regio zijn er relatief veel hospices. Er is volgens de betrokkenen die ik heb gesproken dus voldoende (alternatief) aanbod en ook de continuïteit van 24/7 verpleegkundige zorg is geborgd.
Deelt u de mening dat de kracht van hospices juist ligt in lokale verankering en dat de inzet van vrijwilligers van groot belang is? Hoe beoordeelt u in dit kader het risico dat centralisatie van hospices leidt tot een afname van vrijwilligers, gezien hun sterke lokale binding?
Een bijna-thuis-huis is in beginsel een burgerinitiatief met vrijwilligers. Vrijwilligers zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Als hospices zouden fuseren is het begrijpelijk dat een deel van de vrijwilligers zich bij een nieuwe locatie minder verbonden voelt of de reisafstand te groot vindt. Tegelijkertijd zijn er bij een «centralisatie» bij één voorziening met meer bedden niet hetzelfde aantal vrijwilligers nodig als bij twee kleine voorzieningen opgeteld.
Goede afstemming in de regio is van groot belang en het is daarbij belangrijk dat in een regio rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen, maar ook met de beschikbaarheid van mensen en middelen. Binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) is eind 2023 samen met hospicekoepels het project Versterken Hospicezorg gestart om de hospicezorg toekomstbestendig te maken. In dit kader zijn binnen verschillende regio’s afspraken gemaakt over capaciteit om de zorg beter te laten aansluiten op de groeiende zorgvraag, zodat een cliënt ook in de toekomst de juiste zorg ontvangt.
Welke wijzigingen in de bekostiging van hospices zijn doorgevoerd of voorzien, en wat zijn de gevolgen hiervan voor kleinschalige hospices en bijna-thuis-huizen, mede in relatie tot versnipperde financiering en personeelstekorten?
Zorgverzekeraars betalen vanaf 2025 een dagtarief voor de wijkverpleegkundige zorg. In overleg tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en bijna-thuis-huizen, onder leiding van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), is afgesproken om dit dagtarief te gaan hanteren. Een wijkverpleegkundige levert namelijk aan meerdere cliënten zorg in hetzelfde huis. Een dagtarief is dan passender en zorgt voor minder administratieve lasten voor de wijkverpleegkundige. Het dagtarief is een gemiddelde prijs waarbij rekening kan worden gehouden met variatie tussen cliënten en variatie per dag. Daarnaast is het gebaseerd op alle dagen zorg die de wijkverpleegkundigen aan alle cliënten in het huis hebben geleverd. In een brief van 29 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over deze nieuwe bekostiging en de daarmee samenhangende aandachtspunten.2
Voor het hospice zelf zijn belangrijke bronnen van inkomsten een eigen bijdrage van gasten, fondsen en de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Deze subsidie is bedoeld voor de coördinatie van de inzet en de opleiding van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg.
Ik herken signalen dat het huidige tarief voor wijkverpleegkundige zorg, in combinatie met personeelstekorten, uitdagingen kunnen opleveren. Dit geldt in het bijzonder voor kleine hospices met een beperkt aantal bedden (twee tot drie bedden) of bij een lage bezettingsgraad.
Kunt u ingaan op de specifieke situatie in de regio Salland, waar niet alleen het hospice in Dedemsvaart, maar bijvoorbeeld ook in Hardenberg onder druk staat? Is de toegankelijkheid van hospicezorg in de regio Salland voldoende geborgd?
In de regio waar de hospices Dedemsvaart en Hardenberg onder vallen is een bovengemiddeld aanbod van hospicezorg beschikbaar. Het hospice in Hardenberg heeft drie bedden en ervaart daardoor iets minder knelpunten, maar is ook een relatief klein bijna-thuis-huis met risico op lagere bezetting.
Bij een lage bezetting lopen voorzieningen risico’s. Afgelopen jaren zijn nieuwe initiatieven gestart in deze regio en er zijn her en der plannen om uit te breiden. Zo is in Dalfsen een hospice bezig met een uitbreiding van twee naar vijf bedden. Ook in Ommen wordt mogelijk een nieuw hospice geopend. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft aan dat er geen continuïteitsprobleem is in de nacht. Gedurende 24 uur per dag is er zorg op afroep beschikbaar en hierover zijn goede afspraken gemaakt met de hospices. De toegankelijkheid van hospicezorg is volgens betrokkenen dus voldoende geborgd in de regio. Het is voor deze regio eerder een risico dat er veel nieuwe initiatieven willen starten wat mogelijk kan leiden tot een lagere bezetting bij de bestaande voorzieningen. In dat kader is het van belang dat regio’s afspraken maken over capaciteit om de zorg goed te laten aansluiten op de zorgvraag. Daar is mijn beleid dan ook op gericht.
Hoe kijkt u naar het voorbestaan van de hospices in Dedemsvaart en Hardenberg in het licht van de vergrijzing?
De vergrijzing leidt tot een toenemende vraag naar palliatieve zorg. Dit vraagt om een toekomstbestendige inrichting van hospicezorg, waarbij samenwerking tussen formele en informele zorg centraal staat. Momenteel werk ik samen met alle betrokken partijen aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Kunt u toelichten hoe binnen het beleid rekening wordt gehouden met regionale verschillen, zoals bevolkingsdichtheid en reisafstanden tot hospices?
Gelet op onder andere deze regionale verschillen is het belangrijk dat afspraken over capaciteit worden gemaakt in de regio. Hierbij dient rekening gehouden te worden met demografische ontwikkelingen en beschikbare mensen en middelen.
Klopt het dat thuiszorgorganisaties de nachtzorg in kleinschalige hospices steeds lastiger rond krijgen vanwege een tekort aan personeel? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u om het tekort aan zorgpersoneel in de nachtzorg te verlichten?
Net zoals andere zorgsectoren heeft ook de wijkverpleging te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dat betekent dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars goede afspraken moeten maken om het beschikbare personeel zo goed mogelijk in te zetten. Het beleid in de wijkverpleging is erop gericht dat deze afspraken binnen een regio worden gemaakt door betrokken zorgverzekeraars en zorgaanbieders, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken over onplanbare nachtzorg en herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging waarmee partijen samenwerken om de zorg toegankelijk te houden. Voor de nachtzorg in kleinschalige hospices kan dat tot dilemma’s leiden, omdat het zowel vanwege personele als financiële redenen niet altijd rendabel is om een zorgverlener de hele nacht op de locatie aanwezig te hebben. Tegelijkertijd blijkt uit een door V&VN, VPTZ en ActiZ opgestelde leidraad over de samenwerking tussen formele en informele zorg in bijna-thuis-huizen dat daar wel belang aan wordt gehecht, onder meer door de vrijwilligers die in deze huizen aanwezig zijn. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft specifiek voor de locatie in Dedemsvaart, waar twee bedden zijn, aan dat er 24/7 verpleegkundige zorg op afroep beschikbaar is. Er is in die zin dus geen continuïteitsprobleem. Dit is ook in lijn met de landelijke afspraken die in de wijkverpleging zijn gemaakt om onplanbare nachtzorg in elke regio effectief te organiseren. Tegelijkertijd is duidelijk dat een optimale inzet van het beschikbare personeel in de regio en de behoefte aan de aanwezigheid van een zorgverlener in de nacht soms op gespannen voet met elkaar staan. Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars om daar goede afspraken over te maken.
Deelt u de mening dat de inzet van vrijwilligers in kleinschalige hospices cruciaal is? Zo ja, hoe neemt u dit mee in de verbetering van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis en in de Toekomstagenda?
De inzet van vrijwilligers is van onschatbare waarde binnen de palliatieve zorg. Vrijwilligers leveren een belangrijke bijdrage aan kwaliteit van leven en sterven van patiënten en hun naasten. Het kabinet onderkent dat belang en ondersteunt dit onder meer via de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd naar de subsidieregeling. De evaluatie is erop gericht inzicht te geven in de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoering van de subsidieregeling. Tevens wordt onderzocht hoe de regeling toekomstbestendig kan worden ingericht. De komende maanden wordt samen met alle betrokken partijen ook verder gewerkt aan de Toekomstagenda palliatieve zorg en ondersteuning 2027–2031. Voor wat betreft het capaciteitsvraagstuk van hospices wordt momenteel samen met alle betrokken partijen gewerkt aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Hoe geeft u concreet uitvoering aan uw uitspraak in het schriftelijk overleg over het rapport «Hospices in Nederland» dat het van belang is om de ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen?
De ondersteuning en inzet van vrijwilligers wordt structureel geborgd via de bestaande subsidieregeling en door samenwerking binnen regionale netwerken palliatieve zorg. De rol van vrijwilligers wordt nadrukkelijk meegenomen bij de verdere inrichting van de hospicezorg en palliatieve terminale zorg.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bekend met het ESB-artikel «Onze arbeidsmarkt kan gezonder en veel inclusiever» van Anthony Stigter, Lidewij Renaud, Iris de Vries en Ton Wilthagen?1
Welk deel van de door TNO geschatte 415.000 fte aan onbenut arbeidspotentieel onder mensen met chronische gezondheidsproblemen acht u realistisch te benutten door betere preventie en begeleiding naar werk?
Deelt u de opvatting dat passend werk kan bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van mensen, doordat het structuur biedt en mensen helpt sociale contacten te onderhouden en mee te blijven doen in de samenleving?
Welke mogelijkheden ziet u om werkgevers te motiveren om mensen met een chronische ziekte aan te nemen? Denkt u daarbij ook aan het uitbreiden van de no-risk polis of het beter communiceren hierover richting werkgevers?
Hoe kan ervoor worden gezorgd dat huisartsen en medisch specialisten bij de behandeling van mensen met chronische aandoeningen eerder aandacht besteden aan de mogelijkheden om te (blijven) werken?
Welke belemmeringen staan een betere samenwerking tussen de reguliere gezondheidszorg en de bedrijfsgezondheidszorg momenteel in de weg?
Hoe kunnen de op re-integratie gerichte activiteiten van UWV en gemeenten mensen met een chronische aandoening die willen en kunnen werken, maar momenteel geen baan hebben, beter bereiken en ondersteunen bij het vinden van passend werk?
Deelt u daarnaast de opvatting dat personen zonder werkgever tijdens ziekte minder ondersteuning richting werk ontvangen dan werknemers met een vast dienstverband? Welke maatregelen zijn nodig om dit verschil te verkleinen?
Wat kan Nederland leren van de nauwere samenwerking tussen de gezondheidszorg en instanties die mensen naar werk begeleiden in landen als Zweden en Noorwegen?
Kunt u indicatief berekenen wat het voor de overheidsfinanciën zou betekenen als de in het artikel geschatte 183.000 fte aan arbeidspotentieel wordt benut bij niet-werkenden met chronische gezondheidsproblemen die aangeven niet of slechts licht belemmerd te worden bij het uitvoeren van werkzaamheden? Kunt u daarbij ook rekening houden met de investeringen die hiervoor nodig zijn?
Hoe wordt de investering in preventie betrokken bij de uitwerking van het te bereiken sociaal akkoord? Wordt daarbij ook gekeken naar de bijdrage die preventie kan leveren aan gezondheidsdoelen? Worden hierbij ook andere ministeries, zoals het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, betrokken, zodat de effecten op arbeidsparticipatie, gezondheid en sociale zekerheid in samenhang kunnen worden bezien?
Bent u bereid om een gezamenlijke agenda op te stellen voor gezondheid en werk, met meetbare doelen voor onder andere extra arbeidsdeelname, minder langdurig verzuim en hogere productiviteit? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze agenda ontvangen?
Herindicaties en de continuïteit van medische kindzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66), Eveline Tijmstra (CDA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat zorgverzekeraars bij kinderen die intensieve verpleegkundige zorg ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) aandringen op een aanvraag voor de Wet langdurige zorg (Wlz), ook wanneer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eerder geen Wlz-indicatie heeft afgegeven?
Deelt u de mening dat ouders van ernstig zieke kinderen hun tijd en energie moeten kunnen besteden aan hun kind, in plaats van telkens te moeten bewijzen dat noodzakelijke zorg nog steeds nodig is of vast te lopen door gedoe met instanties over wie deze zorg betaalt? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen?
Deelt u de mening dat het voor ouders die laaggeletterd zijn, een licht verstandelijke beperking hebben of de Nederlandse taal minder goed beheersen, niet te doen is om alle regels en instanties te kennen? Hoe zorgt u ervoor dat de kinderen van deze ouders ook de zorg krijgen die nodig is?
Welke verantwoordelijkheid heeft een zorgverzekeraar wanneer deze van mening is dat een kind onder de Wlz zou moeten vallen, terwijl het CIZ geen Wlz-indicatie heeft afgegeven? Kan uitsluitend dit verschil van inzicht aanleiding zijn om noodzakelijke Zvw-zorg te weigeren, te verminderen of niet te verlengen? Kunt u de juridische grondslag van uw antwoord toelichten?
Onder welke omstandigheden mag een zorgverzekeraar na een eerdere afwijzing door het CIZ opnieuw aandringen op een Wlz-aanvraag? Welke nieuwe feiten of veranderingen in de zorgbehoefte moeten daarvoor aanwezig zijn en wie beoordeelt dit?
Hoe wordt bij deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen een intensieve verpleegkundige zorgbehoefte in een geneeskundige context en een zorgbehoefte die toegang geeft tot de Wlz? Hoe worden de ouders, indicerend kinderverpleegkundige en hoofdbehandelaar hierbij betrokken?
Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheden over het toepasselijke wettelijke kader, beoordeling of geschillen over een Wlz-aanvraag, leiden tot een onderbreking van de zorg? Wie is verantwoordelijk voor het voorkomen van een onderbreking?
Hoeveel signalen over dergelijke geschillen zijn de afgelopen twee jaar ontvangen door uw ministerie, Het Juiste Loket en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Hoe vaak ging dit gepaard met vertraging, vermindering of onderbreking van zorg? Bent u bereid dit uit te zoeken wanneer deze gegevens ontbreken?
Hoe geeft u voor kinderen met een chronische ziekte of blijvende beperking uitvoering aan door ons eerder ingediende moties en de afspraak uit het coalitieakkoord dat zij hun aandoening niet telkens opnieuw hoeven aan te tonen? Welke maatregelen gelden daarbij voor medische kindzorg vanuit de Zvw, zowel bij zorg in natura als bij een persoonsgebonden budget (pgb)?
Deelt u de mening dat het evalueren van de ontwikkeling en actuele zorgbehoefte van een kind iets anders is dan het opnieuw moeten aantonen dat een aandoening blijvend is? Hoe wordt dit onderscheid in het herindicatieproces toegepast?
Hoe verhoudt het slechts bij uitzondering toestaan van tweejarige indicaties en toekenningen zich tot de aangenomen motie-Mohandis/Werner1 en motie-Beckerman c.s.2 die vragen om indicaties van minstens twee jaar als standaard en de aangenomen motie-Westerveld/Krul3 die vraagt om het uitgangspunt dat in alle zorgwetten langjarige indicaties worden afgegeven. Bent u bereid de uitvoering hiervan opnieuw te bezien in het licht van het coalitieakkoord? Bent u bereid een vereenvoudigde verlenging mogelijk te maken wanneer de indicerend kinderverpleegkundige en het gezin vaststellen dat de zorgbehoefte niet wezenlijk is veranderd?
Hoeveel kinderen hebben sinds de landelijke afspraak uit juli 2025 een tweejarige Zvw-pgb-toekenning gekregen, uitgesplitst naar zorgverzekeraar? Hoe wordt gecontroleerd of alle verzekeraars deze mogelijkheid daadwerkelijk toepassen en ouders hierover informeren?
Wat is de stand van zaken van de aangekondigde opname van deze afspraak in de Bestuurlijke afspraken Zvw-pgb en van de evaluatie van de Handreiking Indicatieproces Kindzorg en de Toolbox? Welke verbeteringen zijn doorgevoerd in de betrokkenheid van de hoofdbehandelaar?
Hoe wordt nagegaan of bij herindicaties bestaande informatie wordt hergebruikt en medische documentatie door de indicerend verpleegkundige wordt opgevraagd, zoals eerder afgesproken? Hoe voorkomt u dat ouders alsnog telkens dezelfde stukken moeten verzamelen en aanleveren?
Welke eisen gelden voor de zorginhoudelijke onderbouwing wanneer een zorgverzekeraar afwijkt van de verpleegkundige indicatie of een lager budget toekent? Hoe wordt gezorgd dat ouders een schriftelijke uitleg ontvangen in begrijpelijke taal? Hoe wordt gezorgd dat er overleg is met de indicerend kinderverpleegkundige voordat noodzakelijke zorg wordt verminderd?
Welke laagdrempelige, onafhankelijke ondersteuning krijgen gezinnen bij een geschil over een herindicatie of de afbakening tussen de Zvw en Wlz? Wie neemt de regie wanneer bestaande ondersteuningsroutes geen tijdige oplossing bieden en de zorgcontinuïteit in gevaar komt?
Hoe voorkomt u dat vertraging of vermindering van professionele zorg ertoe leidt dat ouders noodgedwongen extra verpleegkundige zorg overnemen, minder gaan werken of overbelast raken? Hoe wordt bij herindicaties rekening gehouden met de draagkracht van het gehele gezin, waaronder eventuele broers en zussen?
Bent u bereid de knelpunten bij herindicaties en de afbakening tussen Zvw en Wlz expliciet mee te nemen in de toekomstvisie op integrale medische kindzorg waarom de aangenomen motie-Westerveld c.s. vraagt?4 Wanneer ontvangt de Kamer deze visie en welke concrete verbeteringen kunnen gezinnen al eerder verwachten?
Het bericht ‘Aantal Nederlandse muziekstudenten op conservatoria fors gedaald’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het aantal Nederlandse studenten op de conservatoria de afgelopen jaren fors is afgenomen en wat is uw reactie op deze ontwikkeling?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De indruk dat het aantal Nederlandse studenten dat begint aan een opleiding op een conservatorium afneemt, was een van de aanleidingen voor een onderzoek dat in opdracht van OCW is uitgevoerd door onderzoeksbureau Blueyard dat heeft geresulteerd in het rapport «Toegang tot de top. Strategische verkenning naar toptalentontwikkeling in klassieke muziek en dans in Nederland». Ik stuur het rapport als bijlage mee met deze beantwoording.
Is het aandeel Nederlandse studenten alleen in relatieve zin of ook in absolute zin gedaald en zo ja, met hoeveel en wat zijn hiervan volgens u de oorzaken?
Het NOS-artikel gaat alleen in op de masteropleidingen, maar de bacheloropleidingen zijn ook relevant. In de cijfers zijn ook de opleidingen Docent Muziek niet meegenomen. Deze studenten worden opgeleid tot muziekdocent in het funderend onderwijs en daarbuiten, bijvoorbeeld als zzp’er of bij een cultureel centrum.
Hieronder vindt u een overzicht van de cijfers van Nederlandse en internationale studenten van de bachelor- en mastermuziekopleidingen tussen 2006 en heden, inclusief de absolute aantallen:
Op grond van bovenstaande data constateer ik dat de berichtgeving over terugval van het percentage Nederlandse studenten enige nuancering nodig heeft. Uit de cijfers blijkt dat het percentage Nederlandse bachelorstudenten in de loop van de tijd niet is gedaald, maar het percentage Nederlandse masterstudenten wel. NOS geeft over de masterstudenten aan dat het percentage tussen 2006/2007 en 2025/2026 is teruggevallen van 52% naar 22%. Ik constateer een afname van 43% naar 22%.
De verdeling tussen Nederlandse en internationale studenten loopt per conservatorium wel uiteen; sommige conservatoria hebben een meer internationaal profiel dan andere. Daarbij gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Het is duidelijk dat het kunstonderwijs in Nederland relatief veel internationale studenten aantrekt. De commissie Bussemaker constateert in «ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunstonderwijs» dat Nederlandse kunstopleidingen internationaal worden erkend als toonaangevend.2 Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» geeft aan dat het Sectorplan HBO-kunstonderwijs 2011 «Focus op toptalent» hier mogelijk een rol in heeft gespeeld.3 In lijn met de focus destijds op (internationaal) toptalent in het hbo en wo als geheel, was het doel van dit sectorplan om het Nederlandse kunstonderwijs zijn vooraanstaande internationale positie verder te laten versterken. Kunstopleidingen zijn zich gaan ontwikkelen vanuit een bewuste onderwijsvisie met een internationaal en intercultureel karakter. Deze internationale uitwisseling draagt bij aan het Nederlandse culturele en creatieve werkveld en cultuuraanbod. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat indertijd al is gewaarschuwd dat Nederland de eigen voedingsbodem voor talent dan ook moest onderhouden4. Er bestaat zo mogelijk een spanningsveld tussen de focus op excellentie en internationaal toonaangevend onderwijs en voldoende ruimte behouden voor de toegankelijkheid en het opleiden van het Nederlands talent.
Deelt u de zorg dat de afnemende instroom van Nederlandse studenten aan conservatoria mede het gevolg is van een afgenomen aanbod van toegankelijk en betaalbaar buitenschools muziekonderwijs in gemeenten, onder meer door het verdwijnen van muziekscholen? Zo nee, waarom niet?
Een van de conclusies in het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is dat talentontwikkeling bestaat uit een ecosysteem van verschillende elementen die elkaar beïnvloeden en gelijktijdig met elkaar samenwerken. Het bestaan van buitenschools muziekonderwijs is daarin één van die elementen, maar zeker niet het enige. Ik vind het wenselijk dat dit gehele ecosysteem goed werkt en dat alle talenten binnen het ecosysteem voldoende mogelijkheden hebben om zich te ontwikkelen.
Onderschrijft u dat cultuureducatie en muziekonderwijs bijdragen aan de brede ontwikkeling van kinderen, onder meer op het gebied van concentratie, taalontwikkeling, sociale vaardigheden, creativiteit en welzijn en welke plaats geeft het kabinet deze maatschappelijke waarde in het cultuur- en onderwijsbeleid?
Ik onderschrijf dat cultuureducatie (waaronder muziekonderwijs) bijdraagt aan de brede ontwikkeling van kinderen. Cultuureducatie leert kritisch en creatief denken, zorgt voor de ontwikkeling van sociale en culturele vaardigheden en draagt bij aan creatieve ontplooiing en talentontwikkeling. Vanwege deze maatschappelijke waarde zet het kabinet zich in om kinderen en jongeren in contact te laten komen met kunst en cultuur op school en daarbuiten. Cultuureducatie is onderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs via de kerndoelen kunst en cultuur. Muziek is hierbinnen een verplichte discipline. Voor het gehele leergebied kunst en cultuur zijn geactualiseerde kerndoelen opgesteld die naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking zullen treden. Naast deze wettelijke taak voor scholen stimuleert het Ministerie van OCW, gezamenlijk met onder andere provincies en gemeenten, cultuureducatie in den brede op school en daarbuiten met programma’s zoals Cultuureducatie met Kwaliteit, de Cultuurkaart in het vo en mbo, het programma Méér Kunst en Cultuur in School en Omgeving, en de cultuurcoaches.
Heeft het kabinet inzicht in de verschillen tussen gemeenten en regio’s in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen en in de gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen en beleidskeuzes?
In het recent opgeleverde onderzoeksrapport «Geografische spreiding van cultuur» zijn acht verschillende sectoren onderzocht, waaronder cultuurbeoefening. Voor de sector cultuurbeoefening is gekeken naar organisaties gericht op cultuureducatie en cultuurparticipatie. In dit onderzoek is muziekonderwijs meegenomen onder de brede noemer cultuurbeoefening. Het rapport laat zien dat basisvoorzieningen, zoals cultuurbeoefening, relatief gelijkmatig over het land verspreid en toegankelijk zijn.5
Het rapport biedt ook inzicht in de overheidsuitgaven aan cultuur. Wat betreft de totale uitgaven aan cultuurbeoefening komt het grootste deel vanuit gemeenten. Op gemeentelijk niveau zijn verschillen in de uitgaven aan cultuurbeoefening zichtbaar: er is sprake van enkele uitschieters en van een groep gemeenten met relatief lage uitgaven per inwoner aan cultuurbeoefening ten opzichte van het gemiddelde. Gemeenten die dit betreft kennen geen duidelijke overeenkomsten, waardoor aannemelijk is dat de verschillen samenhangen met lokale beleidskeuzes.6
De «Monitor gemeentelijk beleid voor cultuurbeoefening op school en in de vrije tijd 2026» laat ook zien dat het grootste gedeelte van de gemeenten (88%) beleid heeft voor cultuurbeoefening, meestal voor zowel school als de vrije tijd. Van deze gemeenten richt 60% zich met diverse beleidsinstrumenten op centra voor de kunsten en muziekscholen.7
Deelt u de opvatting dat de mogelijkheid om een instrument te leren bespelen niet afhankelijk mag zijn van de gemeente waarin een kind woont? Zo ja, welke rol ziet u voor het Rijk om deze verschillen te verkleinen?
Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de lokale infrastructuur voor cultuurbeoefening ondersteunen en wat, zoals bijvoorbeeld muziekscholen. Wel zijn er tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 afgesloten. Hierin is een van de ambities dat wordt ingezet op een sterk ecosysteem voor cultuurbeoefening, waarin iedereen de mogelijkheid heeft een leven lang cultuur te beoefenen. Onder deze ambitie valt onder andere de afspraak dat de ondertekenende partijen vanuit de eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en – participatie, amateurkunst en talentontwikkeling in stad, dorp, landelijk gebied en het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Hoe kijkt u naar de rol van muziekscholen en Lokaal Muziekles, waar muzikaal talent begint, als onderdeel van het culturele ecosysteem van Nederland en welke rol ziet u hierin voor het kabinet?
Muziekscholen hebben een belangrijke functie als kweekvijver voor muzikaal talent. Naast gemeentelijk gesubsidieerde muziekscholen en kunstcentra waar ook muziekles wordt gegeven, zijn er ook particuliere instellingen – zoals Lokaal Muziekles – en zzp’ers die muzieklessen aanbieden en die een belangrijke rol hebben bij talentontwikkeling. Zoals ik bij antwoord 6 aangaf, heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met IPO en VNG om te werken aan basisvoorzieningen voor onder andere cultuureducatie en talentontwikkeling, het is hierbij aan gemeenten om te bepalen hoe zij dit ondersteunen.
In hoeverre verwacht u dat het eerder ingezette beleid voor de versterking van amateurkunst, bijvoorbeeld via de Regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst, voldoende effect heeft om de beschikbaarheid en toegankelijkheid van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen te verbeteren?
Dit jaar is de regeling Versterking landelijke infrastructuur amateurkunst opengesteld voor de periode 2026–2028. De focus van deze regeling ligt op het versterken van de landelijke infrastructuur amateurkunst door bijvoorbeeld samenwerkingen tussen provinciale steuninstellingen, amateurkunstinstellingen en amateurkunstgroepen. Ik verwacht dat dit positief effect gaat hebben op de beschikbaarheid, toegankelijkheid en ondersteuning van muziekonderwijs en cultuureducatie voor kinderen. Daarnaast ziet het beleid op cultuureducatie erop toe dat kinderen via school in aanraking komen met kunst en cultuur, waaronder muziek. Momenteel wordt gewerkt aan een aanpak om het beleidsinstrumentarium voor cultuureducatie en de infrastructuur die daarmee de afgelopen jaren is opgebouwd te verankeren, samenhangender en steviger te maken voor de periode na 2029. Ook daarvan verwacht ik dat cultuureducatie – waaronder muziek – toegankelijker wordt voor kinderen in heel Nederland.
Welke gevolgen verwacht u van de afnemende instroom van Nederlandse conservatoriumstudenten voor de toekomstige beschikbaarheid van professionele musici, muziekdocenten en orkestleden?
In de professionele Nederlandse orkesten zijn al veel internationale musici werkzaam en dat is op zich geen bezwaar; de klassieke muzieksector is nu eenmaal een internationale sector. Ik ben wel van mening dat de infrastructuur in Nederland zodanig moet zijn dat in Nederland opgroeiende toptalenten een kans hebben om een opleiding te volgen aan het conservatorium en uiteindelijk door te stromen naar professionele orkesten. Zoals in «Toegang tot de top» wordt beschreven is de sector bovendien circulair: toptalenten worden zelf docent, dirigent of rolmodel en houden daarmee de ontwikkeling van nieuwe generaties talent in stand. Internationale studenten gaan dit naar verwachting minder vaak doen: er zijn duidelijke signalen dat zij de kennis van het Nederlands ontberen die nodig is om aan te sluiten op de Nederlandstalige arbeidsmarkt en ze zijn vaker georiënteerd op de internationale arbeidsmarkt. Dat kan het ecosysteem onder druk zetten.
Vindt u dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om te zorgen voor een duurzame voedingsbodem voor eigen muzikaal talent? Zo ja, hoe geeft u daar invulling aan samen met provincies en gemeenten?
Ik vind het wenselijk dat er een rijk muziekleven is in Nederland, met voldoende mogelijkheden voor in Nederland opgegroeide kinderen om op het hoogste niveau mee te doen. Ook onderzoeksrapport «Toegang tot de top» constateert dat er gaten lijken te zitten in het ecosysteem. Ik zet me er daarom voor in dat de voorwaarden hiervoor verbeteren. In de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 is talentontwikkeling onderwerp van gesprek met de provincies en gemeenten. Het onderzoeksrapport «Toegang tot de top» is aanleiding om hierover het gesprek voort te zetten.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet uitvoering geeft aan het voornemen uit het coalitieakkoord om extra aandacht te hebben voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen?
Talentontwikkeling heeft vele verschillende aspecten en spelers. Naast de inzet met provincies en gemeenten via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 (zie de antwoorden op vragen 6, 7 en8 zie ik ook een rol voor de Rijkscultuurfondsen in het kader van hun opdracht voor het cultuurbestel 2029 en verder. Mijn ambitie is om zowel met de andere overheden als de Rijkscultuurfondsen stappen te zetten om lacunes waar mogelijk op te vullen.
Bent u bekend met het bericht «Angelo (34) verliest onverwacht zijn moeder en moet nu hun sociale huurwoning uit: «Dit is het enige dat aan haar herinnert»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat kinderen die hun ouder(s) verliezen, maar ouder zijn dan 27 jaar, gedwongen worden hun woning te verlaten of maar heel kort in de (sociale) huurwoning mogen blijven wonen waar zij op dat moment wonen of zelfs zijn opgegroeid en een sociaal netwerk hebben?
Het is ontzettend verdrietig om een ouder te verliezen. Ik begrijp dat het in een dergelijke situatie nodig is om enige tijd en rust voor rouwverwerking te hebben, waarbij het niet wenselijk is om tegelijkertijd ook per direct op zoek te moeten gaan naar een andere woning.
In de wet zijn voor dergelijke situaties enkele zaken geregeld. Sinds 1 januari 2024 geldt Wet huurbescherming weeskinderen, naar aanleiding van het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden Koerhuis (VVD), Van der Plas (BBB), Grinwis (ChristenUnie) en Westerveld (GroenLinks)2. Dit initiatiefwetsvoorstel is ingediend om de huurbescherming van jongvolwassen wezen in huurwoningen van woningcorporaties wettelijk te verankeren. Deze wet biedt huurbescherming aan bij hun hurende overleden ouder(s) inwonende wezen tussen de 16 en 28 jaar in huurwoningen van woningcorporaties (toegelaten instellingen).
Tijdens de behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer is een motie van het lid Ceder c.s.3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om te zorgen dat alle weeskinderen van 18 jaar en ouder het recht krijgen om een bepaalde tijd, bijvoorbeeld twee jaar, in de ouderlijke huurwoning te blijven wonen en niet uitgezet kunnen worden, ook wanneer de overleden ouder(s) bij een particuliere verhuurder huurde(n). Daarom werk ik in samenwerking met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel, dat aan alle bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen huurbescherming voor een bepaalde periode biedt, ongeacht hun leeftijd en ongeacht wie de verhuurder is. Het voornemen voor dit ontwerpwetsvoorstel is door een eerder kabinet reeds aangekondigd4.
Zolang dat wetsvoorstel nog niet als wet in werking is getreden, kunnen verhuurders bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met die ouder(s) voerden helpen door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden. Bij hun overleden hurende ouder(s) inwonende wezen behoren tot de specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst5.
Hoe vaak komt deze situatie voor, zowel de situatie dat een kind onder de 27 jaar is als de situatie dat een kind 27 jaar of ouder is?
Ik beschik niet over precieze gegevens van wezen die de leeftijd «onder de 27 jaar» hadden toen zij wees werden, wel over wezen in de leeftijd van 16 tot en met 30 jaar en over wezen van 28 jaar en ouder.
Over wezen die de leeftijd van 16–30 jaar hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20216. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 80–90 personen per jaar, waarvan ca. 70–80 personen (ca. 60–70 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 5–20 personen (ca. 5–15 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ca. 130 personen (ca. 105 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 115 personen (96 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 14 personen (11 huishoudens) in een andere huurwoning.
Over wezen die de leeftijd van 28 jaar of ouder hadden op het moment dat zij wees werden en in een huurwoning woonden, beschik ik over gegevens tot en met 20237. In de jaren 2015 tot en met 2019 ging het om ca. 850–950 personen per jaar, waarvan ca. 650–750 personen (ca. 600–840 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en ca. 135–250 personen (ca. 125–230 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2021 was dat opgelopen naar ruim 1.000 personen (ca. 960 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 903 personen (837 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 127 personen (124 huishoudens) in een andere huurwoning. In 2023 was dat iets gedaald naar bijna 1.000 personen (ca. 930 huishoudens) in een huurwoning, waarvan 865 personen (800 huishoudens) in een huurwoning van een woningcorporatie en 131 personen (128 huishoudens) in een andere huurwoning.
In hoeverre is het handelen van de verhuurder in lijn met de gedragscode voor verhuurders, waar in ieder geval in staat dat de verhuurder altijd een persoonlijke aanpak moet hanteren?
Ik kan niet oordelen over individuele gevallen. In de gedragscode is afgesproken dat verhuurders (in gevallen die buiten de geldende Wet huurbescherming weeskinderen vallen) individueel maatwerk zullen toepassen. Dat maatwerk is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verhuurder kan zulk maatwerk toepassen door een andere passende woning aan te bieden, maar ook door een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aan te bieden waarmee de wees tijd en rust krijgt voor rouwverwerking en voor het zoeken naar een andere woning.
Maar wanneer de (inwonende) wees kan aantonen dat hij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde – niet een gebruikelijke ouder-kindrelatie in de huurwoning van de ouder(s) – kan de verhuurder de wees de positie van medehuurder geven waarna de wees de huurovereenkomst van de overleden ouder(s) van rechtswege voor onbepaalde tijd als huurder voortzet. Indien de verhuurder de wees desgevraagd niet de positie van medehuurder verschaft, kan de wees de rechter vragen hem die positie te verschaffen. De rechter zal bij het oordeel of de (inwonende) wees de positie van medehuurder krijgt, alle omstandigheden in het geval in die beoordeling betrekken.
Wat vindt u ervan dat ouder-kindrelaties in rechterlijke uitspraken meestal niet aangemerkt worden als een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat er bij inwonende kinderen vanuit wordt gegaan dat zij ongeacht hun leeftijd altijd op een gegeven moment op zichzelf gaan wonen? Acht u deze uitleg nog passend bij de huidige woningmarkt? En deelt u de mening dat in dergelijke situaties wel degelijk sprake kan zijn van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden gebaseerd op de relatie wanneer het kind na het 27ste levensjaar nog niet op zichzelf is gaan wonen of teruggekeerd is zonder intentie tot vertrek?
Ouder-kindrelaties worden niet per definitie aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, doordat van inwonende kinderen verwacht wordt dat zij op enig moment een eigen huishouden gaan vormen. Er kan in individuele gevallen wel sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de ouder(s) met een inwonend volwassen, bijvoorbeeld wanneer een volwassene (weer) bij zijn of haar ouder(s) is ingetrokken om mantelzorg aan die ouder(s) te verlenen en zij gezamenlijk activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen. Ook wanneer een volwassen kind van de (overleden) huurder nog bij de huurder inwoont – en dus niet het spreekwoordelijke nest heeft verlaten – kan er sprake zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, bijvoorbeeld als zij veel gezamenlijke activiteiten ondernemen en gezamenlijk de huishoudkosten, inclusief de huur, betalen.
Bij een geschil over de vraag of het inwonende kind van de overleden huurder(s) aangemerkt wordt als medehuurder (en die dan na het overlijden van de huurder van rechtswege de huur voortzet), kan de inwonende wees de rechter vragen om als medehuurder aangemerkt te worden. De rechter zal bij de beoordeling alle omstandigheden van het geval betrekken.
Wanneer ouder-kindrelaties wel per definitie zouden worden aangemerkt als duurzame gemeenschappelijke huishouding, en inwonende volwassen kinderen van huurders per definitie aangemerkt zouden worden als medehuurder, zou het huurrecht in de praktijk een overerfbaar recht worden: de huur zou dan van generatie op generatie overgaan. Bij DAEB-woningen van woningcorporaties zou dat bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat een eenmaal verhuurde DAEB-woning in feite niet meer vrij zou komen voor de doelgroep. Voor commerciële en particuliere verhuurders zou het betekenen dat een eenmaal (voor onbepaalde tijd) verhuurde woning mogelijk niet meer vrijkomt om tegen leegwaarde te kunnen verkopen of tegen een meer marktconforme huurprijs opnieuw te kunnen verhuren; dat zou een nadelig effect hebben op het rendement voor verhuurders, waardoor beleggers mogelijk uit de verhuur van woningen stappen of alleen tijdelijke huurcontracten van maximaal twee jaar (aan de daarvoor aangewezen specifieke groepen) aanbieden.
Om een evenwicht te vinden tussen de belangen van volwassenen die bij hun overleden hurende ouder(s) inwonen/inwoonden en van verhuurders die ervan op aan willen kunnen gaan dat de huurwoning op termijn weer vrijkomt voor nieuwe verhuring of voor verkoop tegen leegwaarde, werk ik zoals gezegd in het antwoord op vraag 2 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat dergelijke inwonende wezen huurbescherming biedt voor een bepaalde periode. Op dit moment kunnen verhuurders aan inwonende kinderen van overleden huurders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden om hen tijd en rust te bieden voor rouwverwerking en het zoeken naar een andere woning (zie ook het antwoord op vraag 2).
Dat laat onverlet dat een volwassen kind dat inwoont/inwoonde bij zijn of haar (overleden) hurende ouder(s), kan vragen om aangemerkt te worden als medehuurder omdat hij/zij meent een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de hurende ouder(s) te voeren of met de overleden hurende ouder(s) te hebben gevoerd. Bij een geschil daarover tussen inwonende en de verhuurder is het oordeel aan de rechter.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat kinderen die hun ouder(s) verliezen tenminste voor een voldoende lange periode in de woning moeten kunnen blijven wonen, vanuit sociaal oogpunt maar ook om verlies van sociaal vangnet en dakloosheid met alle gevolgen van dien te voorkomen?
Ja, die mening deel ik. Daarom werk ik zoals gezegd in het antwoord op de vragen 2 en 5 met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de inwonende wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Klopt het dat verhuurders momenteel de vrijheid hebben om te kiezen of zij wezen die inwoonden bij hun overleden hurende ouders een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar aanbieden? Zo ja, zou u inzichtelijk willen maken hoe vaak hier wel of niet voor wordt gekozen door verhuurders?
Ja, dat klopt. Zie ook het antwoord op vragen 2 en 5. Ik beschik niet over gegevens over hoe vaak verhuurders van die mogelijkheid gebruik maken.
Deelt u de opvatting dat het beter zou zijn als verhuurders in deze gevallen voortzetting van het huurcontract voor een afgebakende periode, bijvoorbeeld twee jaar, moeten accepteren? Zo ja, bent u bereid wet- en regelgeving hierop aan te passen?
Ja, ik deel die opvatting. En zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2, 5 en 6 werk ik met de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan een wetsvoorstel dat aan inwonende (volwassen) kinderen van overleden huurders huurbescherming biedt voor een bepaalde periode, ongeacht de leeftijd van de wees en ongeacht wie de woning verhuurt.
Bent u bereid te onderzoeken of het begrip «duurzame gemeenschappelijke huishouding» in het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt moet worden, zodat langdurig inwonende kinderen beter beschermd worden tegen gedwongen dakloosheid na overlijden van hun ouder(s)?
Wanneer het hierboven genoemde nog uit te werken ontwerpwetsvoorstel door de Kamers wordt aangenomen en als wet in werking treedt, krijgen (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende kinderen bij het overlijden van die hurende ouder(s) per definitie het recht om een bepaalde periode in de woning te blijven wonen. Zij hoeven dan niet aan te tonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.
En (langdurig) bij hun hurende ouder(s) inwonende volwassenen die langer dan die bepaalde periode na het overlijden van de hurende ouder(s) in de woning willen blijven wonen, kunnen de verhuurder – en bij een geschil hierover de rechter – binnen die periode vragen om aangemerkt te worden als medehuurder om de huur voor onbepaalde tijd te kunnen voortzetten; in dat geval zullen zij moeten aantonen dat zij met de overleden hurende ouder(s) een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, dus verdergaand dan de gebruikelijke ouder-kindrelatie. De bestaande jurisprudentie hierover blijft dan ook relevant. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 zie ik geen verdere aanleiding om te onderzoeken of een ouder-kindrelatie per definitie aangemerkt moet worden als duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat daarmee in feite een overerfbaar huurrecht gecreëerd zou worden.
Het bericht ‘Al vijf weken geen gasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: 'Anders is het voorbij'’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het hospice in Dedemsvaart de deuren dreigt te moeten sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht over de situatie van het hospice in Dedemsvaart. Ik vind het belangrijk dat mensen ook in de laatste levensfase kunnen rekenen op passende en liefdevolle zorg. Hospices voorzien daarbij in een behoefte. Zij bieden een omgeving waarin zorg en ondersteuning worden afgestemd op de wensen van mensen in de laatste levensfase. Het zou teleurstellend zijn wanneer een hospice zijn deuren moet sluiten.
Om de achtergrond van de situatie in kaart te brengen is contact opgenomen met de voorzitter van het hospice, thuiszorgorganisatie Carinova, de betrokken regionale netwerkcoördinator en de Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ).
In het nieuwsbericht kwam naar voren dat een tekort aan vrijwilligers een knelpunt vormde voor het openhouden van het hospice. Uit de gesprekken die hebben plaatsgevonden blijkt dat deze zorg inmiddels (deels) is weggenomen. Ik heb vernomen dat, naar aanleiding van de oproep van het hospice in de krant en de georganiseerde informatieavond en open dag zich 47 potentiële nieuwe vrijwilligers hebben gemeld die zich in de nacht willen inzetten. Het hospice verwacht met deze nieuwe vrijwilligers in mei a.s. een doorstart te kunnen maken. Dat is goed nieuws. De dreigende sluiting zou overigens niet direct een probleem opgeleverd hebben voor het aanbod van palliatieve terminale zorg in de regio. Het hospice is een bijna-thuis-huis met twee bedden en in deze regio zijn er relatief veel hospices. Er is volgens de betrokkenen die ik heb gesproken dus voldoende (alternatief) aanbod en ook de continuïteit van 24/7 verpleegkundige zorg is geborgd.
Deelt u de mening dat de kracht van hospices juist ligt in lokale verankering en dat de inzet van vrijwilligers van groot belang is? Hoe beoordeelt u in dit kader het risico dat centralisatie van hospices leidt tot een afname van vrijwilligers, gezien hun sterke lokale binding?
Een bijna-thuis-huis is in beginsel een burgerinitiatief met vrijwilligers. Vrijwilligers zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Als hospices zouden fuseren is het begrijpelijk dat een deel van de vrijwilligers zich bij een nieuwe locatie minder verbonden voelt of de reisafstand te groot vindt. Tegelijkertijd zijn er bij een «centralisatie» bij één voorziening met meer bedden niet hetzelfde aantal vrijwilligers nodig als bij twee kleine voorzieningen opgeteld.
Goede afstemming in de regio is van groot belang en het is daarbij belangrijk dat in een regio rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen, maar ook met de beschikbaarheid van mensen en middelen. Binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) is eind 2023 samen met hospicekoepels het project Versterken Hospicezorg gestart om de hospicezorg toekomstbestendig te maken. In dit kader zijn binnen verschillende regio’s afspraken gemaakt over capaciteit om de zorg beter te laten aansluiten op de groeiende zorgvraag, zodat een cliënt ook in de toekomst de juiste zorg ontvangt.
Welke wijzigingen in de bekostiging van hospices zijn doorgevoerd of voorzien, en wat zijn de gevolgen hiervan voor kleinschalige hospices en bijna-thuis-huizen, mede in relatie tot versnipperde financiering en personeelstekorten?
Zorgverzekeraars betalen vanaf 2025 een dagtarief voor de wijkverpleegkundige zorg. In overleg tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en bijna-thuis-huizen, onder leiding van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), is afgesproken om dit dagtarief te gaan hanteren. Een wijkverpleegkundige levert namelijk aan meerdere cliënten zorg in hetzelfde huis. Een dagtarief is dan passender en zorgt voor minder administratieve lasten voor de wijkverpleegkundige. Het dagtarief is een gemiddelde prijs waarbij rekening kan worden gehouden met variatie tussen cliënten en variatie per dag. Daarnaast is het gebaseerd op alle dagen zorg die de wijkverpleegkundigen aan alle cliënten in het huis hebben geleverd. In een brief van 29 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over deze nieuwe bekostiging en de daarmee samenhangende aandachtspunten.2
Voor het hospice zelf zijn belangrijke bronnen van inkomsten een eigen bijdrage van gasten, fondsen en de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Deze subsidie is bedoeld voor de coördinatie van de inzet en de opleiding van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg.
Ik herken signalen dat het huidige tarief voor wijkverpleegkundige zorg, in combinatie met personeelstekorten, uitdagingen kunnen opleveren. Dit geldt in het bijzonder voor kleine hospices met een beperkt aantal bedden (twee tot drie bedden) of bij een lage bezettingsgraad.
Kunt u ingaan op de specifieke situatie in de regio Salland, waar niet alleen het hospice in Dedemsvaart, maar bijvoorbeeld ook in Hardenberg onder druk staat? Is de toegankelijkheid van hospicezorg in de regio Salland voldoende geborgd?
In de regio waar de hospices Dedemsvaart en Hardenberg onder vallen is een bovengemiddeld aanbod van hospicezorg beschikbaar. Het hospice in Hardenberg heeft drie bedden en ervaart daardoor iets minder knelpunten, maar is ook een relatief klein bijna-thuis-huis met risico op lagere bezetting.
Bij een lage bezetting lopen voorzieningen risico’s. Afgelopen jaren zijn nieuwe initiatieven gestart in deze regio en er zijn her en der plannen om uit te breiden. Zo is in Dalfsen een hospice bezig met een uitbreiding van twee naar vijf bedden. Ook in Ommen wordt mogelijk een nieuw hospice geopend. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft aan dat er geen continuïteitsprobleem is in de nacht. Gedurende 24 uur per dag is er zorg op afroep beschikbaar en hierover zijn goede afspraken gemaakt met de hospices. De toegankelijkheid van hospicezorg is volgens betrokkenen dus voldoende geborgd in de regio. Het is voor deze regio eerder een risico dat er veel nieuwe initiatieven willen starten wat mogelijk kan leiden tot een lagere bezetting bij de bestaande voorzieningen. In dat kader is het van belang dat regio’s afspraken maken over capaciteit om de zorg goed te laten aansluiten op de zorgvraag. Daar is mijn beleid dan ook op gericht.
Hoe kijkt u naar het voorbestaan van de hospices in Dedemsvaart en Hardenberg in het licht van de vergrijzing?
De vergrijzing leidt tot een toenemende vraag naar palliatieve zorg. Dit vraagt om een toekomstbestendige inrichting van hospicezorg, waarbij samenwerking tussen formele en informele zorg centraal staat. Momenteel werk ik samen met alle betrokken partijen aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Kunt u toelichten hoe binnen het beleid rekening wordt gehouden met regionale verschillen, zoals bevolkingsdichtheid en reisafstanden tot hospices?
Gelet op onder andere deze regionale verschillen is het belangrijk dat afspraken over capaciteit worden gemaakt in de regio. Hierbij dient rekening gehouden te worden met demografische ontwikkelingen en beschikbare mensen en middelen.
Klopt het dat thuiszorgorganisaties de nachtzorg in kleinschalige hospices steeds lastiger rond krijgen vanwege een tekort aan personeel? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u om het tekort aan zorgpersoneel in de nachtzorg te verlichten?
Net zoals andere zorgsectoren heeft ook de wijkverpleging te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dat betekent dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars goede afspraken moeten maken om het beschikbare personeel zo goed mogelijk in te zetten. Het beleid in de wijkverpleging is erop gericht dat deze afspraken binnen een regio worden gemaakt door betrokken zorgverzekeraars en zorgaanbieders, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken over onplanbare nachtzorg en herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging waarmee partijen samenwerken om de zorg toegankelijk te houden. Voor de nachtzorg in kleinschalige hospices kan dat tot dilemma’s leiden, omdat het zowel vanwege personele als financiële redenen niet altijd rendabel is om een zorgverlener de hele nacht op de locatie aanwezig te hebben. Tegelijkertijd blijkt uit een door V&VN, VPTZ en ActiZ opgestelde leidraad over de samenwerking tussen formele en informele zorg in bijna-thuis-huizen dat daar wel belang aan wordt gehecht, onder meer door de vrijwilligers die in deze huizen aanwezig zijn. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft specifiek voor de locatie in Dedemsvaart, waar twee bedden zijn, aan dat er 24/7 verpleegkundige zorg op afroep beschikbaar is. Er is in die zin dus geen continuïteitsprobleem. Dit is ook in lijn met de landelijke afspraken die in de wijkverpleging zijn gemaakt om onplanbare nachtzorg in elke regio effectief te organiseren. Tegelijkertijd is duidelijk dat een optimale inzet van het beschikbare personeel in de regio en de behoefte aan de aanwezigheid van een zorgverlener in de nacht soms op gespannen voet met elkaar staan. Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars om daar goede afspraken over te maken.
Deelt u de mening dat de inzet van vrijwilligers in kleinschalige hospices cruciaal is? Zo ja, hoe neemt u dit mee in de verbetering van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis en in de Toekomstagenda?
De inzet van vrijwilligers is van onschatbare waarde binnen de palliatieve zorg. Vrijwilligers leveren een belangrijke bijdrage aan kwaliteit van leven en sterven van patiënten en hun naasten. Het kabinet onderkent dat belang en ondersteunt dit onder meer via de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd naar de subsidieregeling. De evaluatie is erop gericht inzicht te geven in de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoering van de subsidieregeling. Tevens wordt onderzocht hoe de regeling toekomstbestendig kan worden ingericht. De komende maanden wordt samen met alle betrokken partijen ook verder gewerkt aan de Toekomstagenda palliatieve zorg en ondersteuning 2027–2031. Voor wat betreft het capaciteitsvraagstuk van hospices wordt momenteel samen met alle betrokken partijen gewerkt aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Hoe geeft u concreet uitvoering aan uw uitspraak in het schriftelijk overleg over het rapport «Hospices in Nederland» dat het van belang is om de ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen?
De ondersteuning en inzet van vrijwilligers wordt structureel geborgd via de bestaande subsidieregeling en door samenwerking binnen regionale netwerken palliatieve zorg. De rol van vrijwilligers wordt nadrukkelijk meegenomen bij de verdere inrichting van de hospicezorg en palliatieve terminale zorg.
Het artikel 'Verpleeghuisbewoners opsluiten mag niet meer: ook mensen met dementie zijn bovenal vrije burgers' |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? zo ja wat vindt u hiervan?1
Ja. Het bericht geeft een juiste weergave van de bedoeling van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) met betrekking tot het openen van deuren en het inzetten van vormen van gedwongen zorg. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel (ultimum remedium) worden verleend als er sprake is van ernstig nadeel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Daarbij geeft het artikel de emotie weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt. Tegelijkertijd hebben cliënten het recht op de vrijheid om te gaan en staan waar zij willen. Ik zie ook dat cliënten en hun familie en naasten steeds vaker aangeven dat risico’s bij het leven horen en het volledig proberen risico’s uit te sluiten (bijvoorbeeld door deuren gesloten te houden) niet bijdraagt aan de kwaliteit van leven van de cliënt. En iemand insluiten raakt cliënten, maar óók zorgverleners. Daarom moeten de zorgprofessionals altijd onderzoeken of er vrijwillige of minder ingrijpende oplossingen zijn. Indien er écht geen andere oplossing is dan de deur sluiten, dan moet dit zo kort mogelijk, zorgvuldig en in nabijheid van een zorgprofessional plaatsvinden. En altijd op basis van een wettelijke grondslag, in dit geval de Wzd. Het is belangrijk dat zorgprofessionals goed in gesprek blijven met cliënten, familie en naasten over dit onderwerp en de afwegingen die daarbij worden gemaakt delen.
Kunt u een actueel beeld geven van het aantal verpleeghuizen dat sinds 2020 met een opendeurenbeleid werkt en het aantal verpleeghuizen waar dat nog niet het geval is?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd open deurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wzd.
Kunt u de geest van de beweging achter het opendeurenbeleid schetsen en welke verandering vraagt dit van bestuurlijk Nederland in de langdurige zorg?
Ieder mens heeft het recht om in vrijheid te leven en eigen keuzes te maken: zelf beslissen hoe je de dag doorbrengt en waar je woont. Dit recht geldt ook voor mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie, die (langdurige) zorg ontvangen. Van zorgorganisaties mag worden verwacht dat zij zich maximaal inzetten om mensen in staat te stellen het leven naar eigen inzicht in te richten. Het gedeelde beeld2 is dat een duidelijke focus op het openen van deuren zal helpen in het vergroten van eigen regie en vrijheid. De ervaring is dat wanneer de cliënt zijn of haar leven zoveel mogelijk naar eigen inzicht kan inrichten en daarbij wordt aangesloten bij de behoeften en (vroegere) gewoonten van de cliënt er meer vrijheid wordt ervaren. Het nauw betrekken van familie en naasten is hierbij van groot belang. Het streven naar meer vrijheid is een van de pijlers van de Wzd. Steeds meer zorgaanbieders zijn daarom al aan de slag om deuren te openen. Het meer openen van deuren is één van de manieren om vrijheid te vergroten.
Tegelijkertijd wordt ook niet gevraagd van zorgorganisaties om alle deuren zonder meer te openen. Als er bij mensen met dementie ernstig nadeel optreedt als zij de veilige setting van een afdeling of locatie verlaten, mag deze deur gesloten blijven. De Wzd vraagt om een zorgvuldige en individuele afweging.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023) afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»3 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025.
Welke factoren helpen volgens u om de invoering van het opendeurenbeleid te versnellen, en waar liggen nog kansen voor ondersteuning van de VVT-sector en het voeren van de maatschappelijke dialoog hierover?
Vilans heeft met het programma «Een deur kan op veel manier open» zorgorganisaties geholpen bij het openen van deuren, inclusief de daarbij horende afwegingen. Ook heeft Vilans in 2025 de week van de passende vrijheid georganiseerd. In deze week stond het verminderen van gedwongen zorg door teamleren, praktijkvoorbeelden en het openen van deuren centraal. Het programma heeft een belangrijke stimulans gegeven aan het bieden van vrijheid door het openen van afdelingen en aan meer persoonsgerichte zorg. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans4.
Welke goede voorbeelden zijn er die laten zien hoe de Wet zorg en dwang nageleefd kan worden in de context van VVT-organisaties en het niet hebben van de gesloten afdeling?
Vanuit de praktijk zijn in de afgelopen jaren diverse methodieken en kennisproducten ontwikkeld die zorgverleners helpen bij het zoeken naar alternatieven voor gedwongen zorg. Zo zijn er goede voorbeelden van aanbieders die de komst van de Wzd hebben aangegrepen om te starten met «opendeurenbeleid», waardoor bewoners met dementie meer vrijheid hebben gekregen om naar buiten te gaan voor een wandeling. Een goed voorbeeld hiervan is De Vijverhof5, maar ook zorgaanbieder Aafje heeft een stappenplan ontwikkeld om het opendeurenbeleid in de dagelijkse praktijk te laten werken6. Op de website van Vilans zijn meer goede voorbeelden te vinden7.
Hoe zet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) haar toezicht momenteel in om instellingen te helpen tempo te maken, en welke lessen komen daaruit naar voren?
In 2024 zag de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat het insluiten van cliënten of patiënten in alle zorgsectoren nog vaak voorkomt. Het aantal registraties van afgesloten deuren stijgt elk jaar8. De IGJ maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en besloot thematisch toezicht9 uit te voeren op de gesloten deuren. In 2025 bezocht de IGJ ruim 100 instellingen in de gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en jeugdhulp. De inspecteurs zijn zonder aankondiging bij instellingen langsgegaan, om te kijken of zij de deuren hebben geopend. En als de deuren toch dicht zijn of de besluitvorming en uitvoering wel zorgvuldig verlopen. Eind maart 2026 publiceert de IGJ vanuit het thematisch toezicht een Infographic met de succesfactoren en knelpunten voor het openen van de deuren. Daarnaast organiseert de IGJ eind maart drie webinars om de bevindingen vanuit de bezoeken te delen met zorgaanbieders. Ook vertellen enkele zorgaanbieders tijdens deze webinars over hun ervaringen met het openen van de deuren.
Is bekend hoe mensen met dementie, familieleden en medewerkers het opendeurenbeleid na verloop van tijd ervaren?
Vanuit het Ministerie van VWS wordt veelvuldig gesproken met cliëntenorganisaties, cliëntenvertegenwoordigers, ervaringsdeskundigen, naasten en de organisatie voor cliëntenvertrouwenspersonen (Stemgever) over gedwongen zorg. Het is bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en soms ook in situaties terechtkomen waarin zij regelmatig dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Het is van belang dat zorgprofessionals in overleg met de familie en naasten van een cliënt een goede afweging maken. Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking10 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Hoe verhoudt de beweging in de langdurige zorg zich tot de geest van de Wet zorg en dwang in de context van het ziekenhuis (en de geslotenheid van bijvoorbeeld geriatrieafdelingen)?
Het uitgangspunt van de Wzd is dat gedwongen zorg alleen wordt toegepast als uiterste middel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Dit uitgangspunt geldt ook in het ziekenhuis.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen met een zorgplan waarin gedwongen zorg, zoals bepaald in de Wzd, is opgenomen, dan mag het ziekenhuis de in het zorgplan opgenomen gedwongen zorg verlenen. De zorgverlening vindt dan plaats op basis van dat plan dat een andere zorgaanbieder dan het ziekenhuis heeft gemaakt.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen zonder een zorgplan met gedwongen zorg, maar er toch gedwongen zorg moet worden verleend, kan worden teruggevallen op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo). Een voorbeeld is het beperken van de bewegingsvrijheid, waarbij de cliënt de afdeling niet mag verlaten. Het gaat in deze situaties namelijk altijd om een korte opname in een ziekenhuis, gericht op geneeskundige behandeling. Een arts in het ziekenhuis en een cliënt die wordt opgenomen, sluiten – juridisch gezien – een «behandelingsovereenkomst.» Een oudere cliënt met bijvoorbeeld dementie kan veelal zelf geen toestemming geven voor verrichtingen ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst, ook niet als zijn bewegingsvrijheid moet worden beperkt. De zorgverlener heeft dan toestemming nodig van de vertegenwoordiger van de cliënt, tenzij onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt te voorkomen.
Hoe kunt u vanuit de systeemverantwoordelijkheid ruimte creëren richting zorgorganisaties om meer te kijken naar de individuele levenskwaliteit? En wat is de rol van het zorgkantoor in het faciliteren en toetsen hiervan?
De Wzd gaat juist over beslissingen per individu: de inzet van gedwongen zorg is dan ook per cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. Ook bespreekt de IGJ, als toezichthouder, met een zorgaanbieder of er een individuele afweging gemaakt is en of aantoonbaar is waarom een cliënt op een gesloten afdeling moet verblijven. Mocht blijken dat deze individuele afweging niet is gemaakt en/of niet aantoonbaar in het zorgdossier van de cliënt is vastgelegd, vraagt de IGJ om een verbetermaatregel bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder moet dan binnen een gegeven termijn aantonen dat hierover het gesprek is gevoerd met de cliënt(vertegenwoordiger), alle bij de cliënt betrokken disciplines en deze afweging is vastgelegd in het zorgdossier.
Een zorgkantoor en een zorgverzekeraar hebben een zorgplicht. Dit houdt in dat zij zich moeten inspannen en zoveel mogelijk moeten doen om het recht van de cliënt (de verzekerde) op passende (gedwongen) zorg te realiseren. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van goede en passende zorg aan de cliënt. Dit kan ook, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, een vorm van gedwongen zorg betreffen.
Hoe ziet u de rol van de Specialist Ouderengeneeskunde in deze ontwikkeling en hoe kunnen zij hier nog beter in ondersteunen? En wat kunt u doen om hen hierin te faciliteren?
Ook de beroepsvereniging Verenso heeft de Bestuurlijke Afspraken Uitvoering Wzd ondertekend en zich daarmee gecommitteerd aan de afspraken over het openen van deuren. De kennisproducten en opleidingspagina11 van Vilans bieden ook voor specialisten ouderengeneeskunde handvatten bij het implementeren van het opendeurenbeleid. Specialisten ouderengeneeskunde hebben in het besluitvormingsproces ten aanzien van gedwongen zorg voor een cliënt vaak de rol van deskundige of Wzd-functionaris. Vanuit deze rollen kunnen zij het opendeurenbeleid bij hun zorgorganisatie stimuleren, waarborgen en het belang daarvan uitleggen.
Wat is uw rol als bewindspersoon in het voorkomen dat we terugvallen op het systeem van de gesloten afdeling en/of op zoek gaan naar een nieuwe vorm voor een soortgelijk systeem van collectieve veiligheid boven individuele levenskwaliteit bij toekomstige incidenten?
Terecht wordt gesteld dat voorkomen moet worden dat bij toekomstige incidenten teruggevallen wordt op het systeem van de gesloten afdeling of andere vormen van collectieve veiligheid die een onevenredige inbreuk maken op de individuele levenskwaliteit. Daarmee wil ik niet zeggen dat een gesloten afdeling per definitie verkeerd is, maar dat in alle gevallen sprake moet zijn van een zorgvuldige individuele afweging om ernstig nadeel te voorkomen. Plaatsing op een gesloten afdeling mag nooit een automatisme zijn, de Wzd biedt het wettelijk kader om cliënten hiertegen te beschermen. Ik zie het als mijn rol om deze belangrijke waarborgen te bewaken, ook bij aanpassing van de wetgeving12. Hierbij handel ik conform de Grondwet en de voor Nederland geldende internationale mensenrechtenverdragen. De bescherming van fundamentele rechten, waaronder het recht op persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit, is daarbij leidend.
Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat het wettelijk kader zo is ingericht dat rechtsbescherming en veiligheid duurzaam met elkaar in balans blijven.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.