Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
De gevolgen van de overgangsregeling voor het invoedingstarief voor de subsidietenders IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aangekondigde overgangsregeling voor het invoedingstarief?1
Ja.
Klopt het dat het verplichtingenbudget voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B is verhoogd vanwege de mogelijke invoering van een invoedingstarief?
Ja.
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over het voornemen van de ACM om een invoedingstarief in te voeren en wanneer heeft u besloten het verplichtingenbudget te verhogen?
In oktober 2024 heeft de ACM op haar website aangekondigd onderzoek te doen naar de invoering van een invoedingstarief. De hoogte, vormgeving, overgangsperiode en eventuele uitzonderingen van het beoogde invoedingstarief waren toen (ook) nog niet duidelijk. Deze aankondiging was een stap in een langer durend proces waarin ACM zelfstandig onderzoek uitvoert en regelmatig belanghebbenden, waaronder EZK, consulteert. De ACM neemt later in het besluitvormingsproces definitieve keuzes over het invoedingstarief. Die zijn nog niet genomen.
Naar aanleiding van gesprekken met de ACM en de zorgen van de sector wind op zee ten tijde van de marktconsultatie van de ontwerpregeling van IJmuiden Ver Gamma is in het voorjaar van 2026 besloten om het verplichtingenbudget te verhogen.
Welke gevolgen heeft de aangekondigde overgangstermijn van twintig jaar voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B?
De ACM heeft een overgangstermijn van 20 jaar aangekondigd waarvoor het invoedingstarief niet zal gelden. De termijn van 20 jaar begint te lopen op het moment dat de investering in gebruik wordt genomen. Projecten waarvoor een definitieve investeringsbeslissing is genomen vóór de ingangsdatum van het invoedingstarief – op dit moment voorzien op 1 januari 2032 – komen in aanmerking voor deze overgangstermijn.
De vergunninghouders van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B kunnen een definitieve investeringsbeslissing nemen voor de inwerkingtreding van het invoedingstarief en vallen dan onder de aangekondigde overgangstermijn. Omdat de windparken voorzien om in gebruik te worden genomen in 2032 zijn ze tot en met 2052 uitgezonderd van het betalen van een invoedingstarief.
Vergunningen voor windparken op zee worden echter afgegeven voor een periode van veertig jaar. Dit betekent dat IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B slechts gedeeltelijk zullen worden vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen daarom ook het risico van de periode na de vrijstelling meenemen in de berekeningen van de businesscase wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Daarnaast heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De overgangsperiode van 20 jaar is positief ontvangen door de sector. Windparkontwikkelaars hebben aangegeven dat de overgangstermijn een deel van de zorgen over het invoedingstarief wegneemt, maar zeker niet alle zorgen.
Kunt u bevestigen dat deze windparken onder het overgangsrecht vallen wanneer vóór de voorziene invoering van het invoedingstarief op 1 januari 2032 een definitieve investeringsbeslissing wordt genomen en dat zij daardoor gedurende hun volledige subsidieperiode van vijftien jaar geen invoedingstarief hoeven te betalen?
Ja, op basis van de informatie die de ACM heeft gecommuniceerd.
Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen worden windparken op zee vergund voor een periode van veertig jaar. IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn dus slechts gedeeltelijk vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars kunnen daarom ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag, wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Deelt u de conclusie dat de onderbouwing voor de verhoging van de maximale tenderbedragen door de twintigjarige overgangstermijn grotendeels is komen te vervallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen is een vergunninghouder van het windpark Gamma-A en Gamma-B slechts een gedeelte van de veertigjarige vergunningsduur vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag dat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Ook heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De markt moet de ruimte hebben het risico in te kunnen prijzen passend binnen hun businesscase. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Welk deel van de verhoging van de maximale tenderbedragen met € 13 per MWh en de daarmee samenhangende verhoging van het verplichtingenbudget met € 1,56 miljard was bedoeld om het risico van het invoedingstarief op te vangen?
In de Kamerbrief over de definitieve tenderregelingen van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn daarvoor de volgende tabellen opgenomen. Daarin is te lezen dat het leidt tot een verhoogd verplichtingenbudget van € 780 miljoen per kavel. Dit bedrag kan lager uitvallen als het winnend tenderdrag lager is:
IJmuiden Ver Gamma- A
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 104/MWh
€ 2,379 mld
€ 3,978 mld
Bij € 117/MWh
€ 3,159 mld
€ 4,758 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
IJmuiden Ver Gamma- B
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 103/MWh
€ 2,271 mld
€ 3,918 mld
Bij € 116/MWh
€ 3,051 mld
€ 4,698 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
Bent u bereid het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vóór de openstelling van de tenders opnieuw te laten berekenen welke maximale tenderbedragen nodig zijn, rekening houdend met de aangekondigde overgangsregeling?
Nee, omdat ik niet van plan ben om het maximale tenderbedrag nog aan te passen. Op basis van het budget en voorwaarden in de definitieve tenderregeling besluit een windparkontwikkelaar wel of geen vergunningsaanvraag voor te bereiden. De kosten van het voorbereiden van een aanvraag zijn aanzienlijk. Een definitieve tenderregeling moet dus voldoende zekerheid bieden voor windparkontwikkelaars om een aanvraag voor te willen bereiden en in te kunnen dienen. Als er ná publicatie van de definitieve tenderregeling wel wijzigingen worden aangebracht (lees: verlaagd), dan leidt dit tot een afbreukrisico voor deze en toekomstige tenders van windparken op zee. Dit omdat de definitieve tenderregeling windparkontwikkelaars dan onvoldoende zekerheid biedt over de robuustheid van de kaders die nodig zijn om een vergunningsaanvraag voor te kunnen bereiden en in te dienen die past binnen hun businesscase.
Wel zal in de voorbereiding van volgende tenders voor windparken op zee zoveel als mogelijk de ervaring met deze tender en de meest recente informatie van de ACM over het invoedingstarief worden betrokken.
Bent u bereid de maximale tenderbedragen en subsidieplafonds vóór de openstelling van de tenders te verlagen wanneer uit deze berekening blijkt dat de huidige bedragen niet langer noodzakelijk zijn?
Nee. Zie het antwoord onder 8.
Hoe voorkomt u dat windparkontwikkelaars subsidie ontvangen voor kosten die zij vanwege het overgangsrecht tijdens de subsidieperiode niet hoeven te maken?
Omdat het een tender in competitie is zal een windparkontwikkelaar voor een grotere winkans een lager tenderbedrag willen bieden als de businesscase daartoe ruimte biedt. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
De ontvangen aanbiedingsbrief van vertrouwelijke stukken inzake Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die ziet op de Regeling vertrouwelijke stukken?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity pas gedurende het zomerreces worden gedeeld?
Ik achtte het wenselijk om de Kamer dezelfde informatiepositie te geven als de bij het verzoek om voorlopige voorziening inzake Solvinity betrokken stichtingen. De betreffende stukken zijn kort voorafgaand aan de zitting op maandag 6 juli jl. vertrouwelijk beschikbaar gesteld, daarmee samenvallend met de start van het zomerreces.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity slechts kunnen worden ingezien tot en met 31 juli 2026, aangezien het stellen van een dergelijke termijn zeer ongebruikelijk is?
Het stellen van een termijn aan de ter inzagelegging van vertrouwelijke stukken is verplicht onder artikel 4b van de regeling vertrouwelijke stukken.
Kunt u beamen dat indien de vertrouwelijke stukken gedurende het zomerreces worden gedeeld en anderzijds slechts inzichtelijk zijn tot en met 31 juli 2026 (midden in het zomerreces), dit negatieve invloed heeft op de informatiepositie van de Kamerleden gezien de afwezigheid van de vele Kamerleden?
De voorgestelde ter inzagelegging was gebaseerd op de dan beschikbare informatie t.a.v. de voorlopige voorzieningszitting op 6 juli. Ik hecht eraan de kamer zo ruim mogelijke inzage te geven binnen de kaders die er zijn. Om uw Kamer tegemoet te komen en te voorzien van een betere informatiepositie, heb ik de termijn van ter inzagelegging verlengd tot 31 augustus. Dit heb ik ook opgenomen met de griffie van de Kamer.
Kunt u toelichten waarom de door u gekozen termijn voor inzage van 31 juli 2026, niet is onderbouwd in de aanbiedingsbrief? Volgens Artikel 4b van de Regeling vertrouwelijke stukken, moet namelijk duidelijk gemotiveerd worden waarom het stuk slechts tijdelijk ter inzage wordt gebracht.
Deze onderbouwing is abusievelijk niet meegenomen in de aanbiedingsbrief. Zie voor de onderbouwing van deze termijn het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze Kamervragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het spoedeisende belang van het feit dat Kamerleden gedurende deze resterende periode met zomerreces zijn, en de informatiepositie van de Kamerleden niet ondermijnd mag worden?
Ja.
Kunt u de Kamervragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Herinnert u zich uw antwoord tijdens het vragenuur op 1 september 2026 aan het lid Van den Berg over een strenge winter in combinatie met langdurige verstoring van LNG-aanvoer of pijpleidinggas, waarin u verwees naar het Nationaal Crisisplan Gas en voldoende gas voor huishoudens, ziekenhuizen en bejaardentehuizen? Kent u tevens de Gasunie-verklaring van 26 augustus en de beoordeling van de Europese Commissie van 3 september 2026?
Op welke actuele berekeningen berust uw verzekering dat deze afnemers komende winter gas blijven ontvangen? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?
Kunt u per gasopslag de actuele voorraad weergeven? Kunt u hierbij aangeven welk deel van is bestemd voor achtereenvolgens reguliere seizoensvraag, contractuele uitvoor en noodinzet? Hoe verwacht u dat dit er op 1 november, aan het einde van het vulseizoen uit zal zien?
Zijn in de berekeningen grootschalige en/of langdurige aanvoeronderbrekingen buiten het systeem gelaten? Heeft u een berekening of analyse die laat zien dat ook in een dergelijke scenario het Nederlandse gassysteem voldoende robuust is? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, hoe kunt u garanderen dat huishoudens niet zonder gas komen te zitten?
Bent u bereid verschillende scenario’s door te laten rekenen van onderbreking van de gasaanvoer waarbij op zijn minst scenario’s als sabotage van een LNG-terminal of internationale pijpleiding gecombineerd met uitzonderlijke koude wordt meegenomen?
Hoe verhoudt de beoogde 5 terawattuur (TWh) tot het nationale vuldoel? Gaat een verlaging van het nationale vuldoel ook (gedeeltelijk) ten koste van deze noodvoorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gegeven aan het advies van Gasunie Transport Services B.V. (GTS) in maart 2026 over het aanleggen van een strategische voorraad?
Kunt u duiden welke opvolging er is gekomen na de aangenomen motie over Kussengas van Van den Berg (Kamerstuk 29 023, nr. 634)? In hoeverre is deze motie überhaupt uitgevoerd? In het geval dat onvolledig is, waarom voert u moties van de Kamer niet uit?
Welke concrete Europese voorstellen zijn gedaan ter uitvoering van motie (Kamerstuk 29 023, nr. 633) over kostendeling naar gasconsumptie of -import? Hoe worden kosten en aanspraken verdeeld tussen Nederlandse afnemers en andere lidstaten, welke invloed heeft dit op de energierekening en hoe verhouden inzetafspraken zich tot solidariteitsverplichtingen?
Welke actuele afschakelvolgorde, bevoegdheden en voorbereide uitvoeringsmaatregelen gelden bij een tekort, en welke categorieën zijn juridisch beschermd en respectievelijk door solidariteit beschermd? Hoe verhoudt uw verzekering van 1 september zich tot de uiterste maatregelen C.8 en C.9 in het gepubliceerde Bescherm- en Herstelplan Gas? Welke informatie krijgen bedrijven vooraf over veilige stillegging en herstart?
Wilt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk vóór 1 oktober 2026 beantwoorden en de onderliggende scenario’s, berekeningen en analyses meesturen? Mocht een volledige doorrekening bij een vraag niet haalbaar zijn, kunt u dan een schatting meesturen en een volledige doorrekening nasturen?
Overlast, extra gemeentelijke kosten en herziening van het statiegeldsysteem. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de in het G4-onderzoek beschreven problemen waarbij statiegeldzoekers afvalbakken openbreken en vuilniszakken opentrekken, waardoor eerder ingezameld afval alsnog op straat belandt?1
Deelt u de opvatting dat het onaanvaardbaar is wanneer een maatregel tegen zwerfafval ertoe leidt dat netjes weggegooid afval opnieuw op straat terechtkomt en bewoners opdraaien voor extra opruimkosten en vernielingen?
Wordt bij de beoordeling van het statiegeldsysteem, naast de afname van flesjes en blikjes in het zwerfafval, ook gemeten hoeveel ander afval door het doorzoeken van bakken en zakken op straat belandt? Kunt u het netto-effect op de totale hoeveelheid zwerfafval in stedelijke probleemgebieden laten vaststellen, rekening houdend met extra schoonmaakinzet?
Deelt u de mening dat wanneer statiegeld op blikjes en kleine flesjes per saldo leidt tot méér zwerfafval, milieuverontreiniging en plastic in het milieu en de zee, dit een goede aanleiding is om het huidige statiegeldbeleid fundamenteel te herzien? Hoe verhoudt het vasthouden aan dat beleid zich in dat geval tot de doelstelling om juist zwerfafval en plastic in het milieu en de zee terug te dringen?
Wordt bij de beoordeling van Verpact uitsluitend gekeken naar inzamel- en recyclingpercentages of ook naar neveneffecten, zoals zwerfafval, opengebroken afvalbakken, gemeentelijke kosten, openbare orde en overlast? Bent u bereid deze factoren als formele prestatie-indicatoren in de beoordeling op te nemen?
Is sinds de invoering van statiegeld op kleine flesjes en blikjes ooit een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd waarin niet alleen recycling en zwerfafvalreductie, maar ook reinigingskosten, vernielingen, handhaving, openbare orde, uitvoeringskosten en sociale effecten zijn meegenomen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze vóór verdere uitbreiding uit te voeren?
Kunt u voor Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht afzonderlijk de actuele extra kosten voor reiniging, schadeherstel, aanpassing van afvalbakken en handhaving in kaart brengen? Hoe beoordeelt u daarbij de opgave van Amsterdam van minimaal 11 miljoen euro per jaar, naast 8 miljoen euro voor aanpassing van de belangrijkste afvalbakken, en welk deel van deze kosten is onafhankelijk vastgesteld?
Hoeveel van de in november 2025 aangekondigde minimaal 5 miljoen euro van Verpact voor de aanpak van opengebroken afvalbakken is inmiddels daadwerkelijk besteed, waaraan en in welke gemeenten? Welke meetbare vermindering van vernielingen en zwerfafval heeft dit opgeleverd, en acht u het budget toereikend?
Bent u bereid te zorgen voor volledige compensatie van aantoonbare extra gemeentelijke kosten door deze statiegeldproblematiek, met verrekening van reeds ontvangen vergoedingen? Welke bijdrage verlangt u daarbij van Verpact en producenten, en welke verantwoordelijkheid neemt het Rijk als die bijdrage tekortschiet?
Kunt u, aansluitend op uw mededeling dat jaarlijks ongeveer 130 miljoen euro aan statiegeld niet wordt opgeëist, inzicht geven in de opgebouwde middelen, bestedingen en nog beschikbare reserves? Welk bedrag kan worden ingezet voor het oplossen van de stedelijke overlast en het vergoeden van extra gemeentelijke kosten, en welke belemmeringen bestaan daarbij?
Welke maatregelen, waaronder donatieringen, aparte inzamelvoorzieningen, aangepaste afvalbakken en extra innamepunten, verminderen aantoonbaar het zwerfafval en de overlast? Kunt u de evaluaties met de Kamer delen en daarbij aangeven of problemen zich verplaatsen naar omliggende straten, andere afvalbakken of huishoudelijke afvalzakken?
Bent u bekend met de noodkreet van burgemeester Halsema over de groeiende groep dakloze crackgebruikers in Amsterdam, en met berichtgeving van Het Parool dat het verzamelen van statiegeld voor dakloze mensen een inkomstenbron vormt? Deelt u de zorg dat dit de daklozen- en crackproblematiek kan versterken en daarmee de openbare orde, leefbaarheid en het veiligheidsgevoel in de stad aantast?2 3
Deelt u de zorg dat mensen met een crackverslaving afvalbakken openbreken op zoek naar statiegeld om hun volgende dosis te betalen, daarmee hun verslaving financieren en de verloedering van het straatbeeld versterken? Wat gaat u doen om deze vernielingen, vervuiling en overlast tegen te gaan?
Bent u bereid op korte termijn met de G4, andere getroffen gemeenten en Verpact bindende afspraken te maken over vermindering van overlast, financiering en uitvoering? Welke resultaten moeten uiterlijk binnen zes maanden worden bereikt, wie is daarvoor verantwoordelijk en hoe grijpt u in als die resultaten uitblijven?
Welk effect verwacht u van de op 4 september aangekondigde uitbreiding van het statiegeldsysteem op de problemen in grote steden, en waarop baseert u die verwachting? Zijn de gevolgen voor afval op straat, vernielingen, hygiëne en uitvoeringskosten voor gemeenten en ondernemers vooraf onderzocht, en kunt u die onderzoeken openbaar maken?
Klopt het dat Artikel 50, vierde lid, onderdeel d, van de Verordening (EU) 2025/40 betreffende verpakkingen en verpakkingsafval de daarin genoemde melk- en zuivelproducten uitzondert van de Europese statiegeldplicht? Waarom kiest u toch voor uitbreiding naar deze verpakkingen, en welke alternatieven heeft u onderzocht om aan de inzamelverplichtingen te voldoen?
Bent u bereid verdere uitbreiding waarvoor Nederland beleidsruimte heeft uit te stellen totdat aantoonbaar is dat de stedelijke overlast structureel afneemt en de innamecapaciteit en hygiëne op orde zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een fundamentele herziening van het statiegeldsysteem te onderzoeken en daarbij ook alternatieve inzamel- en beloningssystemen en gehele of gedeeltelijke opschorting of afschaffing van statiegeld op kleine drankverpakkingen te betrekken? Wilt u deze opties vergelijken op zwerfafval, recycling, overlast, kosten en uitvoerbaarheid?
Welke nationale en Europese juridische ruimte bestaat voor de in de vorige vraag genoemde opties, zowel vóór als vanaf 2029? Kunt u per optie de toepasselijke bepalingen en voorwaarden benoemen, waaronder de vrijstellingsmogelijkheid van Artikel 50, vijfde lid, en aangeven welke wetswijzigingen of Europese stappen eventueel nodig zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De gevolgen van de overgangsregeling voor het invoedingstarief voor de subsidietenders IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) aangekondigde overgangsregeling voor het invoedingstarief?1
Ja.
Klopt het dat het verplichtingenbudget voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B is verhoogd vanwege de mogelijke invoering van een invoedingstarief?
Ja.
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over het voornemen van de ACM om een invoedingstarief in te voeren en wanneer heeft u besloten het verplichtingenbudget te verhogen?
In oktober 2024 heeft de ACM op haar website aangekondigd onderzoek te doen naar de invoering van een invoedingstarief. De hoogte, vormgeving, overgangsperiode en eventuele uitzonderingen van het beoogde invoedingstarief waren toen (ook) nog niet duidelijk. Deze aankondiging was een stap in een langer durend proces waarin ACM zelfstandig onderzoek uitvoert en regelmatig belanghebbenden, waaronder EZK, consulteert. De ACM neemt later in het besluitvormingsproces definitieve keuzes over het invoedingstarief. Die zijn nog niet genomen.
Naar aanleiding van gesprekken met de ACM en de zorgen van de sector wind op zee ten tijde van de marktconsultatie van de ontwerpregeling van IJmuiden Ver Gamma is in het voorjaar van 2026 besloten om het verplichtingenbudget te verhogen.
Welke gevolgen heeft de aangekondigde overgangstermijn van twintig jaar voor de subsidietenders voor IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B?
De ACM heeft een overgangstermijn van 20 jaar aangekondigd waarvoor het invoedingstarief niet zal gelden. De termijn van 20 jaar begint te lopen op het moment dat de investering in gebruik wordt genomen. Projecten waarvoor een definitieve investeringsbeslissing is genomen vóór de ingangsdatum van het invoedingstarief – op dit moment voorzien op 1 januari 2032 – komen in aanmerking voor deze overgangstermijn.
De vergunninghouders van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B kunnen een definitieve investeringsbeslissing nemen voor de inwerkingtreding van het invoedingstarief en vallen dan onder de aangekondigde overgangstermijn. Omdat de windparken voorzien om in gebruik te worden genomen in 2032 zijn ze tot en met 2052 uitgezonderd van het betalen van een invoedingstarief.
Vergunningen voor windparken op zee worden echter afgegeven voor een periode van veertig jaar. Dit betekent dat IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B slechts gedeeltelijk zullen worden vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen daarom ook het risico van de periode na de vrijstelling meenemen in de berekeningen van de businesscase wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Daarnaast heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De overgangsperiode van 20 jaar is positief ontvangen door de sector. Windparkontwikkelaars hebben aangegeven dat de overgangstermijn een deel van de zorgen over het invoedingstarief wegneemt, maar zeker niet alle zorgen.
Kunt u bevestigen dat deze windparken onder het overgangsrecht vallen wanneer vóór de voorziene invoering van het invoedingstarief op 1 januari 2032 een definitieve investeringsbeslissing wordt genomen en dat zij daardoor gedurende hun volledige subsidieperiode van vijftien jaar geen invoedingstarief hoeven te betalen?
Ja, op basis van de informatie die de ACM heeft gecommuniceerd.
Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen worden windparken op zee vergund voor een periode van veertig jaar. IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn dus slechts gedeeltelijk vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars kunnen daarom ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag, wat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Deelt u de conclusie dat de onderbouwing voor de verhoging van de maximale tenderbedragen door de twintigjarige overgangstermijn grotendeels is komen te vervallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Zoals in het antwoord onder 4 is te lezen is een vergunninghouder van het windpark Gamma-A en Gamma-B slechts een gedeelte van de veertigjarige vergunningsduur vrijgesteld van het invoedingstarief. Windparkontwikkelaars zullen ook die periode meenemen in de berekeningen van de businesscase voor het doen van een aanvraag dat doorwerkt in het te bieden tenderbedrag.
Ook heeft de ACM nog geen duidelijkheid gegeven over een tariefhoogte of de vormgeving na de overgangstermijn.
De markt moet de ruimte hebben het risico in te kunnen prijzen passend binnen hun businesscase. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
Welk deel van de verhoging van de maximale tenderbedragen met € 13 per MWh en de daarmee samenhangende verhoging van het verplichtingenbudget met € 1,56 miljard was bedoeld om het risico van het invoedingstarief op te vangen?
In de Kamerbrief over de definitieve tenderregelingen van IJmuiden Ver Gamma-A en Gamma-B zijn daarvoor de volgende tabellen opgenomen. Daarin is te lezen dat het leidt tot een verhoogd verplichtingenbudget van € 780 miljoen per kavel. Dit bedrag kan lager uitvallen als het winnend tenderdrag lager is:
IJmuiden Ver Gamma- A
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 104/MWh
€ 2,379 mld
€ 3,978 mld
Bij € 117/MWh
€ 3,159 mld
€ 4,758 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
IJmuiden Ver Gamma- B
Kasreservering incl 10% prijsrisicobuffer
Subsidieplafond
Bij € 103/MWh
€ 2,271 mld
€ 3,918 mld
Bij € 116/MWh
€ 3,051 mld
€ 4,698 mld
Verschil
+ € 0,780 mld
+ € 0,780 mld
Bent u bereid het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) vóór de openstelling van de tenders opnieuw te laten berekenen welke maximale tenderbedragen nodig zijn, rekening houdend met de aangekondigde overgangsregeling?
Nee, omdat ik niet van plan ben om het maximale tenderbedrag nog aan te passen. Op basis van het budget en voorwaarden in de definitieve tenderregeling besluit een windparkontwikkelaar wel of geen vergunningsaanvraag voor te bereiden. De kosten van het voorbereiden van een aanvraag zijn aanzienlijk. Een definitieve tenderregeling moet dus voldoende zekerheid bieden voor windparkontwikkelaars om een aanvraag voor te willen bereiden en in te kunnen dienen. Als er ná publicatie van de definitieve tenderregeling wel wijzigingen worden aangebracht (lees: verlaagd), dan leidt dit tot een afbreukrisico voor deze en toekomstige tenders van windparken op zee. Dit omdat de definitieve tenderregeling windparkontwikkelaars dan onvoldoende zekerheid biedt over de robuustheid van de kaders die nodig zijn om een vergunningsaanvraag voor te kunnen bereiden en in te dienen die past binnen hun businesscase.
Wel zal in de voorbereiding van volgende tenders voor windparken op zee zoveel als mogelijk de ervaring met deze tender en de meest recente informatie van de ACM over het invoedingstarief worden betrokken.
Bent u bereid de maximale tenderbedragen en subsidieplafonds vóór de openstelling van de tenders te verlagen wanneer uit deze berekening blijkt dat de huidige bedragen niet langer noodzakelijk zijn?
Nee. Zie het antwoord onder 8.
Hoe voorkomt u dat windparkontwikkelaars subsidie ontvangen voor kosten die zij vanwege het overgangsrecht tijdens de subsidieperiode niet hoeven te maken?
Omdat het een tender in competitie is zal een windparkontwikkelaar voor een grotere winkans een lager tenderbedrag willen bieden als de businesscase daartoe ruimte biedt. Het PBL bevestigt in het adviesrapport dat voldoende budgettaire ruimte naar verwachting bijdraagt aan een toenemende competitie, wat kan bijdragen aan een lager winnend tenderbedrag en daarmee lagere kosten voor de Rijksoverheid. Zoveel als mogelijk informatie en zekerheid van de ACM ná de definitieve tenderregeling en vóór het sluiten van de tender, waaronder de informatie over de overgangstermijn, draagt bij aan het beter kunnen inprijzen door de windparkontwikkelaars van het risico van het invoedingstarief en kan leiden tot een lager tenderbedrag en daarmee lagere subsidiekosten voor de overheid.
De ontvangen aanbiedingsbrief van vertrouwelijke stukken inzake Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die ziet op de Regeling vertrouwelijke stukken?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity pas gedurende het zomerreces worden gedeeld?
Ik achtte het wenselijk om de Kamer dezelfde informatiepositie te geven als de bij het verzoek om voorlopige voorziening inzake Solvinity betrokken stichtingen. De betreffende stukken zijn kort voorafgaand aan de zitting op maandag 6 juli jl. vertrouwelijk beschikbaar gesteld, daarmee samenvallend met de start van het zomerreces.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity slechts kunnen worden ingezien tot en met 31 juli 2026, aangezien het stellen van een dergelijke termijn zeer ongebruikelijk is?
Het stellen van een termijn aan de ter inzagelegging van vertrouwelijke stukken is verplicht onder artikel 4b van de regeling vertrouwelijke stukken.
Kunt u beamen dat indien de vertrouwelijke stukken gedurende het zomerreces worden gedeeld en anderzijds slechts inzichtelijk zijn tot en met 31 juli 2026 (midden in het zomerreces), dit negatieve invloed heeft op de informatiepositie van de Kamerleden gezien de afwezigheid van de vele Kamerleden?
De voorgestelde ter inzagelegging was gebaseerd op de dan beschikbare informatie t.a.v. de voorlopige voorzieningszitting op 6 juli. Ik hecht eraan de kamer zo ruim mogelijke inzage te geven binnen de kaders die er zijn. Om uw Kamer tegemoet te komen en te voorzien van een betere informatiepositie, heb ik de termijn van ter inzagelegging verlengd tot 31 augustus. Dit heb ik ook opgenomen met de griffie van de Kamer.
Kunt u toelichten waarom de door u gekozen termijn voor inzage van 31 juli 2026, niet is onderbouwd in de aanbiedingsbrief? Volgens Artikel 4b van de Regeling vertrouwelijke stukken, moet namelijk duidelijk gemotiveerd worden waarom het stuk slechts tijdelijk ter inzage wordt gebracht.
Deze onderbouwing is abusievelijk niet meegenomen in de aanbiedingsbrief. Zie voor de onderbouwing van deze termijn het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze Kamervragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het spoedeisende belang van het feit dat Kamerleden gedurende deze resterende periode met zomerreces zijn, en de informatiepositie van de Kamerleden niet ondermijnd mag worden?
Ja.
Kunt u de Kamervragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.
Kunt u toelichten waarom de voor DigiD benodigde digitale infrastructuur en diensten niet rijksbreed zijn georganiseerd, maar via afzonderlijke aanbestedingen en contracten worden ingekocht? Welke afwegingen liggen hieraan ten grondslag?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius is rijksbreed verantwoordelijk voor het beheer en de doorontwikkeling van voorzieningen als DigiD. De verschillende leveranciers die hierbij zijn betrokken zijn geselecteerd via verschillende Europese aanbestedingen. Logius maakt hierbij gebruik van geldende regels rondom aanbestedingen en van rijksbrede kaders ten aanzien van digitalisering, zoals bijvoorbeeld het Rijkscloudbeleid.
Bij het vormgeven van deze aanbestedingen stond de ondersteuning van de continuïteit van de dienstverlening, digitale weerbaarheid en efficiënt gebruik van IT-diensten centraal.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters. Hiervoor is het van essentieel belang dat de overheidscloud klaar is om de continuïteit en veiligheid van Logius dienstverlening te waarborgen.
Wanneer gaat het kabinet kritieke digitale overheidsvoorzieningen, zoals DigiD, MijnOverheid, Digipoort en vergelijkbare voorzieningen, wél rijksbreed organiseren of ten minste rijksbreed normeren?
De genoemde voorzieningen zijn rijksbreed georganiseerd. Logius voert het beheer uit van deze overheidsvoorzieningen ten behoeve van andere overheidsdienstverleners. De normering voor risicomanagement en cybersecurity volgt uit de Cyberbeveiligingswet (Cbw).
Hoe en wanneer geeft het kabinet uitvoering aan de aangenomen motie-Van den Berg c.s. over een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid (Kamerstuk 26 643, nr. 1482)?
De motie verzoekt het opstellen en uitrollen van een rijksbreed dataclassificatie- en datalocatiebeleid. Een rijksbreed dataclassificatiebeleid is reeds vastgesteld in het VIR-BI 2025. Daarbij geldt dat voor de zwaarste categorieën (Staatsgeheim, of Te Beschermen Belangen 1–3) het gebruik van publieke cloud niet toegestaan is. Wanneer voor de opslag en verwerking van dergelijk gerubriceerde data een externe leverancier wordt overwogen, moet deze leverancier voldoen aan de eisen van de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). De ABRO stelt onder andere eisen aan sleutelbeheer voor encryptie. Controle of de leverancier hieraan voldoet, bij zowel aanvang als tijdens de looptijd van de overeenkomst wordt gecontroleerd door het Nationaal Bureau Industrie Veiligheid (NBIV). De ABRO is in december 2025 goedgekeurd, organisaties krijgen twee jaar de tijd om de ABRO in te voeren, daarom verschilt de ingangsdatum per organisatie. Andere overheidsonderdelen en leveranciers die onder de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten vallen, kunnen in de toekomst verplicht worden de ABRO te gebruiken.
Daarnaast stelt het huidige rijksbreed cloudbeleid dat de data bij gebruik van publieke clouddiensten moet worden verwerkt binnen de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), in landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, of in landen die anderszins voldoen aan de eisen van art. 46, AVG. De uit te voeren risicoanalyse, onderdeel van het beleid, geeft de organisatie ook inzichten in de vraag of het land van de cloudprovider via extraterritoriale wetgeving toegang kan krijgen tot de data. Daarnaast moeten er plannen ter schadebeperking worden overwogen. Dit is een vorm van het door u voorgestelde te implementeren localisatiebeleid.
Later dit jaar wordt het herziene rijksbrede cloudbeleid met uw Kamer gedeeld. De werking van het cloudbeleid wordt verbreed van de rijksdienst naar de Rijksoverheid. Ook is er in dit beleid meer aandacht voor geopolitieke risico’s in situaties waarin een leverancier (mede) onder een niet-Europese jurisdictie valt. Voor bepaalde toepassingen wordt het gebruik van dergelijke leveranciers of van de publieke cloud niet langer toegestaan. Op deze manier zijn wij voornemens om de motie uit te voeren.
Welke concrete stappen zijn sinds aanneming van deze motie gezet, welke bewindspersoon is eerstverantwoordelijk en wanneer ontvangt de Kamer een voortgangsrapportage?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 ontvangt de Kamer dit jaar het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026. Daarnaast stelt de Rijksoverheid voor gevoelige overheidsdata en processen beveiligingseisen verplicht op basis van de BIO2 via de Cyberbeveiligingswet (Cbw). Verder wordt het belang van «veilig inkopen» en de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging in toenemende mate erkend. De ABRO stelt eisen aan de veiligheid bij de leverancier. Waar uit de risicoanalyses blijkt dat het risico van statelijke actoren reëel is, bieden de BIO2, de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (ADV) en ABRO (de laatste twee in het kader van inkoop), middelen om de risico’s goed te beheren. Op basis van deze beleidskaders en wettelijke verplichtingen worden overheidsorganisaties geholpen bij het maximaal beschermen van data en beveiligingsmaatregelen. Aan de hand van deze kaders, zoals het uitvoeren van een risicoanalyse, kunnen organisaties zelf vaststellen hoe en waar zij data veilig kunnen opslaan en bewerken.
Daarnaast wordt op dit moment, in het kader van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie, gewerkt aan de verkenning naar de realisatie van een soevereine overheidscloud. Dit zal hand in hand gaan met de verdere ontwikkeling van het daarmee samenhangende beleid.
De Rijksoverheid versterkt continu haar integrale weerbaarheid. Binnen dit verband, zoals toegelicht in deze brief, zijn de afgelopen jaren verschillende beveiligingskaders, -normen en wetten aangepast zoals VIR-BI2025, BIO2, de ABRO. Ook bereiden we ons voor op aankomende wetgeving zoals de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) en de Cbw. De effectieve toepassing van deze wetten verhoogt de basisbeveiliging, zoals ook het beheer en opslag van data van overheidsorganisaties. Gezien het feit dat een deel van deze regelgeving pas recent is ingegaan of op korte termijn ingaat, en gelet op de nadere verwachte EU wet- en regelgeving op dit gebied, kies ik er vooralsnog voor nu geen aanvullend beleid te maken, maar eerst te bezien of de nieuwe wet- en regelgeving ook de beoogde verbetering van weerbaarheid bereikt.
Welke voorzieningen kwalificeert het kabinet, naast DigiD, als kritieke digitale overheidsinfrastructuur?
Op dit moment ligt dat besloten in de «Aanpak Vitaal». Deze wordt later dit jaar vervangen door de Wet weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke). De betrokken vakministers bepalen welke overheidsvoorzieningen onder deze wet zullen vallen.
Bestaat er inmiddels een rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen en de daarbij betrokken niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat geen rijksbreed overzicht van kritieke digitale overheidsvoorzieningen.
Het Besluit beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Bbni) stelt eisen aan aanbieders ten aanzien van de beveiliging van ICT-systemen. De later dit jaar van kracht wordende Cyberbeveiligingswet stelt eisen aan risico- en ketenmanagement. Daarmee zullen overheidsorganisaties die kritieke digitale overheidsvoorzieningen beheren, inzage moeten hebben in welke niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers in de keten een rol spelen. De mogelijke risico’s daarvan moeten worden beoordeeld en worden gemitigeerd of geaccepteerd.
Er bestaat geen centraal register van dergelijke leveranciers per kritieke overheidsvoorziening. Als reactie op het onderzoek «Van Kwetsbaar naar weerbaar», dat is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wordt door de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening een pilot uitgevoerd voor het monitoren van belangrijke leveranciers voor de overheid.
Wanneer komt er een dergelijk overzicht, inclusief inzicht in cloud, hosting, beheer, datatoegang, encryptiesleutels, operationele zeggenschap, onderaannemers, ketenafhankelijkheden en exittermijnen?
Een dergelijk overzicht is er niet. Het is in het kader van veiligheid ook niet wenselijk dat er een dergelijk overzicht komt. Dergelijke data op één plaats vastleggen zou namelijk een operationeel veiligheidsrisico vormen.
Wat is het doel van het kabinet ten aanzien van de toekomstige inrichting van DigiD? Is het streven gericht op andere technologie, een andere leverancier, Europese of Nederlandse zeggenschap, publiek beheer of een combinatie daarvan?
Het streven is met name gericht op het vormgeven van het nieuwe aanbestedingstraject op basis van de aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV), zoals vermeld in de Kamerbrief van 4 juni jl.1 Deze aanbesteding ziet op het opnieuw aanbesteden van het beheer van het huidige platform. De ADV biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Zodra een nieuwe leverancier is geworven, zal er een overdracht moeten plaatsvinden. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. Hiervoor wordt een periode van 6–12 maanden gehanteerd.
De voorkeur is om op langere termijn gebruik te maken van de soevereine overheidscloud voor de levering van het platform, infrastructuur en datacenters.
Welke rol speelt digitale soevereiniteit precies bij de toekomstige inrichting van DigiD? Welke concrete risico’s worden hiermee beoogd te verminderen?
Zoals hiervoor aangegeven biedt een ADV-aanbesteding meer mogelijkheden dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding.
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot landen die eveneens streven naar digitale autonomie, maar daarbij gebruikmaken van technologie van niet-Europese aanbieders?
Er is geen overzicht van keuzes die andere Europese landen maken voor het inrichten van hun digitale infrastructuur. In de «Verkenning naar de soevereine overheidscloud» in het kader van de NDS wordt een eerste set keuzes voor de vormgeving van een soevereine overheidscloud gepubliceerd. Deze wordt naar verwachting vóór het zomerreces nog aan uw Kamer verstuurd.
De Europese Commissie heeft recent het voorstel voor de Cloud and AI Development Act (CADA) gepubliceerd. Deze verwoordt de ambitie van de Commissie om te komen tot sterkere en uniforme eisen aan de soevereiniteit van door overheden gebruikte cloudoplossingen. Het Nederlandse beleid zal in de toekomst hier verder op afgestemd worden. De verwachting is dat overheden in lidstaten als gevolg van de CADA op een uniforme manier risicobeoordelingen maken voor het gebruik van public clouddiensten en gebruik zullen maken van passende, erkende soevereine clouddiensten. Een BNC-fiche over het wetsvoorstel voor de CADA wordt op korte termijn met de Tweede Kamer gedeeld.
In de kabinetsreactie van 23 mei 2025 op de motie-Koekkoek (Kamerstuk 26 643, nr. 1338) werd gesteld dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten beschikbaar zijn. Op welke concrete marktverkenning, technische toets of aanbestedingservaring was die conclusie gebaseerd? Zag die conclusie bovendien op generieke clouddiensten, of ook op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?
In de genoemde Kamerbrief2 wordt gesteld dat deze conclusie gebaseerd is op een quickscan onderzoek naar de verschillen in technische, juridische en organisatorische aspecten van het dienstenaanbod van Nederlandse en Europese aanbieders van clouddiensten ten opzichte van de drie grootste aanbieders van buiten de EU. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd door KPMG.3 Dit onderzoek zag op de gehele markt voor clouddiensten en had geen specifieke focus op kritieke digitale identiteitsinfrastructuur.
Welke concrete stappen zijn tussen 23 mei 2025 en 2 juni 2026 gezet om Nederlandse of Europese alternatieven daadwerkelijk geschikt te maken voor het beheer van DigiD of vergelijkbare kritieke voorzieningen?
De ADV-aanbesteding biedt meer mogelijkheden dan een reguliere Europese aanbesteding om risico’s voor nationale veiligheid te beperken. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal. Op dit moment treft Logius de voorbereidingen voor het uitvoeren van de aanbesteding onder de ADV.
In eerdere beantwoording heeft u gesteld dat sprake is van gelijkwaardige technologieën van Europese en Nederlandse aanbieders. Wat verstaat het kabinet precies onder een «gelijkwaardig alternatief» voor de huidige DigiD-dienstverlening?
Onder een gelijkwaardig alternatief verstaat het kabinet andere Nederlandse en Europese IT-dienstverleners die in staat zijn om diensten te leveren die functioneel, kwalitatief en beveiligingstechnisch vergelijkbaar zijn met de dienstverlening die Solvinity momenteel aan Logius levert, namelijk de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. Het gaat daarbij om aanbieders die aantoonbaar kunnen voldoen aan de eisen voor continuïteit, beveiliging, compliance en schaalbaarheid van de DigiD-dienstverlening.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of een alternatief gelijkwaardig is? Wordt daarbij gekeken naar functionaliteit, schaalbaarheid, beveiliging, beschikbaarheid, betrouwbaarheid, certificeringen, prestaties, migratierisico’s, operationele ervaring, continuïteit en bewezen beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal?
Criteria worden verwoord en van weging voorzien gedurende het proces om te gaan aanbesteden, bij het uitvragen van een behoefte naar de algehele markt en conform processen die voortvloeien uit diverse kaders (financieel, juridisch, technisch, etc.). Een opdrachtgever is hiervoor verantwoordelijk en zal daarbij ondersteund worden door een multidisciplinair team. Het wisselt dus per opdrachtgever en per opdracht welke criteria gehanteerd worden (dan wel hoe zwaar die wegen). De hele gedachte van een aanbestedingsproces is om de pluraliteit van de markt te benutten en een te grote afhankelijkheid te vermijden.
Deelt u de opvatting dat DigiD vanwege zijn unieke en kritieke rol moeilijk één-op-één vergelijkbaar is met generieke cloud-, hosting- of authenticatiediensten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze unieke rol van DigiD zich verhoudt tot de conclusie van de ACM dat er voldoende concurrentie overblijft omdat er andere IT-dienstverleners zijn die soortgelijke diensten leveren?
Zoals in het antwoord op vraag 8 aangegeven betreft de technische inrichting van DigiD maatwerk. Omdat het maatwerk betreft, is kennis van en ervaring met het platform noodzakelijk om de Logius-voorzieningen goed te laten draaien. In de overdrachtsperiode van 6–12 maanden kan een nieuwe contractant deze ervaring opbouwen.
Wat verstaat het kabinet in dit verband onder «soortgelijke diensten»? Gaat het daarbij om algemene IT-dienstverlening, of specifiek om bewezen beheer van kritieke digitale identiteitsinfrastructuur op nationale schaal?
In het geval van DigiD en andere Logius-voorzieningen verstaat het kabinet onder «soortgelijke» diensten het overnemen van de beheerwerkzaamheden van het PICARD-platform. In de aanbestedingsfase worden de (beveiligings)technische en operationele eisen gesteld waaraan een leverancier moet voldoen om in aanmerking te komen. Deze eisen zijn specifiek toegesneden op het beheer van kritieke digitale infrastructuur op nationale schaal.
Welke minimale eisen gelden voor cloud, hosting, beheer, encryptiesleutels, toegangsbeheer, logging, monitoring, incidentrespons, onderaannemers en operationele zeggenschap bij DigiD?
DigiD voldoet aan strenge eisen en regelgeving rondom veiligheid en privacy. Daarvoor worden verschillende vormen van toegangsbeveiliging en versleuteling toegepast.
Alle informatie over de werking van DigiD is terug te vinden op de website van Logius. Op de website is alle documentatie terug te vinden ten aanzien van het aansluiten op DigiD door afnemers, de functionele beschrijvingen van DigiD (inclusief verwerking persoonsgegevens), en de technische documentatie over de werking van DigiD.
U kunt de informatie terugvinden via de volgende link: https://www.logius.nl/onze-dienstverlening/toegang/digid/documentatie
Hoe wordt geborgd dat encryptiesleutels, beheerrechten en operationele toegang tot DigiD niet onder zeggenschap vallen van niet-Europese moederbedrijven of buitenlandse wettelijke bevoegdheden?
Op 21 mei jl. bent u middels een vertrouwelijke technische briefing geïnformeerd over de situatie bij Logius. Daarnaast biedt een aanbesteding via de ADV mogelijkheden om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken.
Heeft iedere kritieke digitale overheidsvoorziening een actueel exitplan? Zo ja, hoe vaak worden deze exitplannen getest?
Het, nog vast te stellen, herziene rijksbrede cloudbeleid scherpt de eis van een exitstrategie aan naar het hebben van een exitplan. Dat exitplan moet jaarlijks op actualiteit worden beoordeeld. Exitplannen zijn contractuele afspraken over de (geplande of plotselinge) afronding van een contract. Het is wel van belang dat hierin realistische afspraken worden opgenomen afhankelijk van de situatie en context van de specifieke voorziening.
De aanstaande Wet weerbaarheid kritieke entiteiten stelt eisen aan de weerbaarheid en continuïteit van de dienstverlening voor organisaties die daaronder vallen. Dit geldt eveneens als er geen gebruik van clouddiensten wordt gemaakt.
Welke kritieke digitale voorzieningen hebben een verwachte migratietermijn van meer dan zes maanden, en welke continuïteitsrisico’s levert dat op?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast is – gezien de aanbestedingsverplichtingen waar overheidsorganisaties aan dienen te voldoen – zes maanden überhaupt een zeer korte termijn. Het herziene rijksbrede cloudbeleid geeft aan dat de Rijksoverheid organisaties beschikken over een exitplan waarin ook rekening wordt gehouden met het onverwacht niet-beschikbaar zijn van de gebruikte clouddienst. De organisatie moet een plan maken hoe de betrokken overheidsdienst binnen acceptabele termijn kan worden hersteld. De meeste migraties nemen meer tijd in beslag. Migratietermijnen kunnen vanuit technisch oogpunt jaren duren, afhankelijk van de type dienstverlening en kenmerken.
Welke onderdelen van de TFEV- of BTI-analyse rond Solvinity/Kyndryl kunnen openbaar met de Kamer worden gedeeld, en welke onderdelen kunnen vertrouwelijk worden verstrekt?
Wat betreft de analyse van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) maakt het kabinet de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan een advies niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Wat betreft de bespreking in de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV) geldt dat ook deze vertrouwelijk is en informatie bevat die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in de vertrouwelijke technische briefing van 10 juni jl. te worden geïnformeerd over de analyse en toetsing onder de Wet ongewenste zeggenschap Telecommunicatie die door BTI is verricht en met advies aan de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit is voorgelegd.
Kunt u de vragen afzonderlijk en voor het commissiedebat inzake Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken van 25 juni aanstaande beantwoorden?
Ja
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De negatieve BTI-toets in het kader van de overname van het bedrijf Solvinity (Platform DigiD) |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Wat betekent een negatief BTI-oordeel concreet voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van het bedrijf Solvinity en daarmee voor DigiD?
Op dit moment is er geen indicatie dat het besluit inzake Solvinity leidt tot een gevaar voor de continuïteit, stabiliteit en beschikbaarheid van DigiD en andere Logius voorzieningen. Logius heeft strenge contractuele afspraken met Solvinity dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen.
Een besluit in het kader van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet ziet op de risico’s van een voorgenomen investering of overname voor het publiek belang. Een dergelijk besluit vormt geen oordeel over de operationele continuïteit, stabiliteit of financiële positie van een onderneming, dus ook in dit geval niet over Solvinity. Het kabinet blijft in contact met Solvinity over de verdere ontwikkelingen. Over de bedrijfseconomische situatie van individuele ondernemingen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u uiteenzetten welke risico’s er bestaan voor burgers alsmede voor de overheidsdienstverlening als de huidige situatie langer voortduurt?
Logius actualiseert het risicoprofiel naar aanleiding van het verbod van de overname. Indien nodig zal het kabinet stappen nemen om de continuïteit van DigiD, en alle overige overheidsdienstverlening in afstemming met andere overheden te kunnen blijven garanderen.
Welke exitstrategie is er richting 2028, zeker omdat Logius/BZK zelf meldt dat het Solvinity-contract op 27 maart 2026 met twee jaar is verlengd omdat een overstap vóór augustus 2026 niet veilig werd geacht?
De huidige overeenkomst met Solvinity is op 6 mei 2026 verlengd en loopt uiterlijk af in augustus 2028. Op dit moment worden voor de aanbesteding vanaf 2028 voorbereidingen getroffen via de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV). De reden hiervoor is dat de ADV meer mogelijkheden biedt dan een reguliere Europese Aanbesteding om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken. Na het selecteren van een contractant geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden. Voor augustus 2026 had Logius niet de mogelijkheid om zowel het aanbestedingstraject als de overdrachtsperiode te voltooien.
Kunt u in het licht van de in de vorige vraag benoemde risico’s, de eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen omtrent de overname van Solvinity deze week beantwoorden, zodat de risico’s duidelijk in kaart kunnen worden gebracht?
De eerdere namens de JA21-fractie gestelde Kamervragen zijn inmiddels beantwoord.
Kunt u toelichten op basis van welke criteria, risicoanalyses en wettelijke kaders het BTI-advies tot stand is gekomen?
Het BTI heeft de voorgenomen overname van Solvinity door Kyndryl getoetst op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Tw) en het Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie.
De Tw biedt de bevoegdheid tot het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verbieden indien het verkrijgen of houden van deze zeggenschap leidt tot een risico op een bedreiging van het publiek belang. Daarbij worden de omstandigheden van het specifieke geval beoordeeld aan de hand van de criteria die in de WOZT (artikel 14a.4) zijn vastgelegd. Hierbij wordt gekeken naar de combinatie van de kenmerken van de voorgenomen koper, de vormgeving van de transactie en de kenmerken van de activiteiten van de doelonderneming, in dit geval Solvinity.
Over de inhoud van de beoordeling en de daaraan ten grondslag liggende analyses in individuele gevallen worden geen nadere mededelingen gedaan.
Welke specifieke veiligheids-, afhankelijkheids-, governance- of soevereiniteitsrisico’s lagen ten grondslag aan het negatieve oordeel en speelt digitale autonomie hierin ook een rol?
Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5. Het kabinet doet geen uitspraken over de specifieke risico’s, analyses of afwegingen die ten grondslag liggen aan de beoordeling van individuele zaken op grond van de Telecommunicatiewet.
Digitale autonomie is geen afzonderlijk wettelijk criterium binnen de WOZT. Voor zover aspecten die onder de noemer digitale autonomie worden geschaard relevant zijn voor de beoordeling van risico’s voor het publiek belang, kunnen deze worden betrokken in de integrale afweging. Over de toepassing daarvan in individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Kunt u het volledige BTI-advies, inclusief de onderliggende overwegingen en risicoanalyses met de Kamer delen?
Nee. Het kabinet maakt de onderliggende adviezen, risicoanalyses en vertrouwelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan beoordelingen op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet niet openbaar. Deze stukken bevatten vertrouwelijke bedrijfsinformatie, toezichtvertrouwelijke informatie en informatie die raakt aan de bescherming van de nationale veiligheid. Openbaarmaking zou afbreuk kunnen doen aan de belangen die de wet juist beoogt te beschermen. Het kabinet hecht tegelijkertijd aan een goede informatievoorziening van de Kamer. Daarom is de Kamer in de gelegenheid gesteld om in vertrouwelijke technische briefing te worden geïnformeerd over de BTI-procedure.
Op welke exacte grondslag wordt de overname tegengehouden: Wet Vifo, hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet, beide, of andere gronden? Zo ja, welke specifieke gronden?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief «Besluit investeringstoetsing Solvinity» van 26 mei is de voorgenomen overname beoordeeld op grond van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie, WOZT).
Kunt u toelichten welke Europese of nationale technologische alternatieven zijn onderzocht voor de overname van IT-dienst van DigiD? Kunt u tevens uitleggen of deze alternatieven van gelijkwaardige technologie zijn als die van Kyndryl, aangezien blijkt dat Europa en Nederland, de Verenigde Staten niet kunnen bijbenen op het gebied van technologische innovatie op vele gebieden?
In 2020 is door Logius een Europese aanbesteding uitgezet in de markt voor het leveren van IT-diensten. Deze aanbesteding is uitgezet onder strenge voorwaarden zodat de continuïteit en veiligheid van voorzieningen gewaarborgd blijft. Solvinity is destijds geselecteerd als contractant en met Solvinity zijn contractuele afspraken gemaakt. De diensten die Solvinity levert aan Logius zijn niet uniek en kunnen bij meerdere leveranciers worden afgenomen. Het voorbereiden van een aanbesteding en de overdracht kost echter tijd. Zoals in de beantwoording op vraag 3 aangegeven bereidt Logius nu de aanbesteding voor 2028 voor. Dit betekent niet dat we inleveren op kwaliteit van de dienstverlening en veiligheid van burgers.
Kunt u uitleggen dat indien het alternatief niet van gelijkwaardige technologische kwaliteit is, er voldoende rekening is gehouden met het verhoogde risico op cyberaanvallen en daarmee met de veiligheid van burgers?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke gevolgen verwacht het kabinet dat dit oordeel heeft voor het investerings- en vestigingsklimaat voor internationale technologiebedrijven in Nederland?
Nederland heeft een open economie en een aantrekkelijk investerings- en vestigingsklimaat voor nationale en internationale ondernemingen. Het kabinet hecht grote waarde aan buitenlandse investeringen, die bijdragen aan innovatie, werkgelegenheid en economische groei.
Tegelijkertijd is het van belang dat de nationale veiligheid en andere zwaarwegende publieke belangen adequaat worden beschermd. Instrumenten zoals de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie zijn bedoeld voor situaties waarin dergelijke belangen in het geding kunnen zijn. Deze instrumenten worden indien nodig toegepast en de beoordeling vindt zorgvuldig plaats op basis van de wettelijke criteria en de specifieke omstandigheden van het geval.
Uit een evaluatie van de investeringstoetsen (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie en Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames) van najaar 2025 komt naar voren dat de impact op het investeringsklimaat door deze toetsen te overzien lijkt, mede door de gerichte aanpak. Het kabinet is van oordeel dat een helder, voorspelbaar en wettelijk verankerd toetsingskader bijdraagt aan een stabiel investeringsklimaat. Het is niet mogelijk om vast te stellen welke concrete gevolgen een individueel besluit heeft voor toekomstige investerings- of vestigingsbeslissingen van ondernemingen.
Binnen welke termijn verwacht het kabinet duidelijkheid te kunnen geven over een definitieve oplossing?
Met het besluit op grond van de WOZT vindt er thans geen wijziging van de zeggenschap van Solvinity plaats. Het is aan de betrokken marktpartijen te beoordelen welke vervolgstappen zij willen zetten. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren zodat de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening van Solvinity geborgd blijft.
Kunt u uitleggen waarom betrokkenheid van internationale technologiepartijen binnen het GRIP-IT-project van Defensie wel verenigbaar werd geacht met nationale veiligheidsbelangen, nota bene bij de hervorming van de Defensie-ICT, terwijl in de onderhavige casus een negatief BTI-oordeel is afgegeven?
Deze situaties zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Een contractuele samenwerking verschilt wezenlijk van een wijziging van zeggenschap over een onderneming. Iedere casus onder investeringstoetsing wordt beoordeeld op basis van de specifieke feiten en omstandigheden en het toepasselijke wettelijke kader. Over de onderliggende risicoanalyses in individuele dossiers doet het kabinet geen uitspraken. Voor de precieze inrichting en afweging ten aanzien van het GRIT project bij Defensie, verwijs ik u door naar de Minister en/of Staatssecretaris van Defensie.
Welke lessen worden getrokken voor toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur?
Wat betreft toekomstige aanbestedingen van vitale digitale infrastructuur bouwt het kabinet voort op het ABDTOPConsult rapport «Van kwetsbaar naar weerbaar. Geleerde lessen uit dreigende acute en langdurige uitval van uitbestede ICT-dienstverlening bij overheidsorganisaties» dat vorig jaar met de Kamer is gedeeld [29 362 nr.388]. Dit rapport verwoordt lessen en geeft concrete en bruikbare aanbevelingen om risico’s stapsgewijs te mitigeren, de eerste stappen daartoe zijn inmiddels gezet.
Wat wordt aan burgers verteld behalve «DigiD blijft werken»?
Gebruikers kunnen hun DigiD blijven gebruiken zoals altijd. Zoals in de beantwoording van vraag 1 beschreven zijn er strenge contractuele afspraken met Solvinity waarin staat vastgelegd dat zij de beschikbaarheid en veiligheid van DigiD moet garanderen. Logius communiceert actief op de DigiD website wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn rondom Solvinity.
Kunt u de vragen los van elkaar en op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
De gasprijzen zijn momenteel hoger dan de prijs voor gas in de komende winter. Het verschil tussen de prijs voor gas die in de zomer moet worden betaald, en de prijs voor aankomende winter (de zogenoemde «spread») is een belangrijke prikkel voor het opslaan van gas. Op dit moment is er sprake van een negatieve spread (een hogere zomerprijs ten opzichte van de prijs in de aankomende winter). In eerdere jaren kon een positieve spread de kosten van het opslaan van gas (deels) dekken.
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door import van LNG, gas via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Ik kan niet aangeven of en zo ja hoeveel méér kosten leveranciers zullen maken als gevolg van het vullen van gasopslagen, omdat commerciële informatie voor mij onbekend is.
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Nederland heeft een nationaal vuldoel gesteld van 115 TWh voor de Nederlandse seizoensopslagen op 1 november 2026. Dat doel komt overeen met een vulgraad van 80%. Dit doel houdt rekening met een koude winter die zich eens in de 30 jaar voordoet, waarbij tegelijkertijd de grootste bron van aanvoer uitvalt, waarbij wordt aangenomen dat de LNG-terminals in Europa geen extra gas leveren in de winter (wat zij doorgaans wel kunnen) én waarbij de vraag uit buurlanden als constant wordt aangenomen. Het nationale vuldoel is hoger vastgesteld dan waar Europa ons toe verplicht.
Voor Nederland zijn de belangrijkste gasopslagen Norg, Grijpskerk, Bergermeer en de PGI Alkmaar. Voor de meest actuele cijfers verwijs ik naar de Aggregated Gas Storage Inventory.1 Zoals bekend heeft EBN de opdracht om 80 TWh gas op te slaan, voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast is 5 TWh opgeslagen in de PGI Alkmaar als tijdelijke noodvoorraad.
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Het financiële risico hangt af van het verschil tussen zomer- en winterprijzen, hoe die prijzen zich ontwikkelen en de volumes die tegen bepaalde prijsverschillen gekocht en al dan niet opgeslagen worden.
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Het is niet mogelijk om aan te geven waar het gas uit de Nederlandse gasopslagen uiteindelijk voor bestemd is. Internationale gastromen zijn een integraal en onmisbaar onderdeel van de normale werking van een goed functionerende Europese interne markt.
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
De netto-kosten die EBN maakt in het uitvoeren van opslagactiviteiten (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten), worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas van GTS volgens het principe «de gebruiker betaalt».
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief2 van 28 mei 2026, zoek ik samen met EBN de balans tussen het borgen van de leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring, en het zo laag mogelijk houden van de kosten.
Ik acht het niet onredelijk dat de kosten voor het opslaan van gas worden verhaald op buitenlandse gebruikers voor zover zij gebruik maken van de Nederlandse opslagen. Temeer omdat Nederland ten opzichte van andere landen relatief veel opslagcapaciteit heeft. Het exclusief bestemmen of reserveren van bepaald gas voor Nederlandse afnemers met uitsluiting van afnemers in andere lidstaten is op grond van Europese regelgeving daarbij niet toegestaan.
Dit kabinet zet zich in de Raad van de Europese Unie in om een eerlijke kostendeling te bewerkstelligen.
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Uit cijfers van het CBS blijkt dat de laatste jaren gemiddeld ca. 45 TWh elektriciteit per jaar uit gas is opgewekt3 en hiervoor gemiddeld circa 12 bcm gas per jaar is ingezet. Er is geen specificatie mogelijk welk deel van het gasgebruik voor elektriciteitsproductie nodig is om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen.
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Nee, dit is niet mogelijk. Het valt niet te voorspellen welke gascentrale in Nederland en welke gas- of kolencentrale in het buitenland in dat geval zou uitgaan en welke besparing dat zou opleveren.
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Er zijn op dit moment geen belemmeringen voor kolencentrales in Nederland tot en met 31 december 2029, volgens de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. De markt bepaalt autonoom via de prijs wanneer welke centrales aan en uit gaan.
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Nee, de kolencentrales in Nederland mogen nog steeds produceren en de markt bepaalt autonoom welke centrales aan en uit gaan op basis van de prijs.
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
De kolencentrales zijn vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ook kunnen kolencentrales vrij ingezet worden voor netstabiliteit als dat nodig en concurrerend is met alternatieven. De elektriciteitsprijs komt tot stand op de Europese markt, waardoor het effect van drie kolencentrales uit Nederland beperkt is op de Europese prijsvorming.
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
De kolencentrales zijn, zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 8 t/m 11, vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ik zie geen risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van LNG.
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
In de afgelopen jaren heeft Nederland de volgende LNG-volumes geïmporteerd:
Verenigde Staten
17,5
14,4
19,9
Noorwegen
1,4
1,4
0,9
Rusland2
1,1
2
2,4
Afrika
2,5
1
2,2
Azië
0,8
0
0
Amerika excl. de VS
1,2
2,3
1,2
Overig/onbekend
0,2
0
0
Bron: CBS (update 21 mei 2026).
(Nader) voorlopige cijfers
Vanaf 1 januari 2027 is import van Russische LNG onder REPowerEU en het 19e sanctiepakket volledig verboden (zie Kamerstukken II, 2025/2026 29 023, nr. 664). Eerdere volumeontwikkelingen zijn toegelicht in onder meer aanhangsel van de Handelingen 2023–2024, nr. 2515 en aanhangsel van de Handelingen 2024–2025, nr. 136.
Nederland produceert ongeveer 1/3e van ons gas zelf, importeert ongeveer 1/3e via pijpleidingen en importeert ongeveer 1/3e aan LNG. Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat van die LNG-import sinds 2023 gemiddeld 71% van de LNG afkomstig is uit de Verenigde Staten. Het overgrote deel van de totale gasproductie in de Verenigde Staten wordt gewonnen uit schaliegasvelden (78% in 2023 (IEA))4. Het is niet mogelijk om precies te bepalen hoeveel van de geïmporteerde Amerikaanse LNG afkomstig is uit schaliegasvelden. De reden is dat in de VS het schaliegas gemengd wordt op het gasnet met conventioneel gas.
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Het IEA stelt dat de klimaatimpact van steenkool aanzienlijk hoger ligt dan van aardgas. Bij aardgas speelt het type gas een rol: geïmporteerd LNG heeft een grotere klimaatimpact dan in Nederland gewonnen aardgas of aardgas dat via pijpleidingen afkomstig is uit bijvoorbeeld Noorwegen. Over het algemeen is de klimaatimpact van LNG echter nog altijd aanzienlijk lager dan die van steenkool. Uit onderzoek van het IEA bleek dat in 2024 99% van het geconsumeerde LNG een lagere klimaatimpact had dan steenkool. Er mag dan ook redelijkerwijs worden verondersteld dat dit ook voor de Nederlandse centrales geldt. Ook stelt het IEA dat wereldwijd de gemiddelde levenscyclusuitstoot van broeikasgassen per eenheid elektriciteit uit LNG ongeveer 40% lager is dan die van elektriciteit uit steenkool. Dit komt doordat gascentrales over het algemeen efficiënter elektriciteit opwekken dan kolencentrales (de wereldwijde gemiddelde efficiëntie van gascentrales is 48%, tegen 37% voor kolencentrales) (Bron IEA5). Met dit antwoord wil ik ook mijn toezegging aan het lid Boomsma6 (JA21) tijdens het Commissiedebat van 15 april over Hernieuwbare Energie gestand doen.
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Enkel de vragen 14 & 15 heb ik gezamenlijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant «IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog «maar» 3,5 graden in 2100»1 en met het recent gepubliceerde peer-reviewed artikel van Van Vuuren et al., The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7 (ScenarioMIP-CMIP7), in Geoscientific Model Development2?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de auteurs stellen dat de hoge emissieniveaus uit CMIP6, gekwantificeerd als SSP5-8.5, voor de 21e eeuw niet langer plausibel zijn, mede door kostentrends voor hernieuwbare energie, de opmars van kernenergie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends?
De auteurs stellen inderdaad dat de hoge emissieniveaus behorend bij SSP5-8.5 niet meer plausibel zijn door de kostentrends in hernieuwbare energie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends. Kernenergie wordt in het artikel niet genoemd.
Kunt u bevestigen dat de temperatuurprojecties in het artikel voor de voorgestelde CMIP7-scenarioset uitkomen op een bandbreedte van ongeveer 1,5 graden tot bijna 3,5 graden opwarming in 2100 ten opzichte van 1850–1900, terwijl IPCC AR6 voor SSP5-8.5 voor 2081–2100 een schatting van 4,4 graden rapporteerde, met een zeer waarschijnlijke bandbreedte van 3,3 tot 5,7 graden?
In de vraag worden twee verschillende bandbreedtes met elkaar vergeleken: de spreiding in de centrale waarden voor de verwachte opwarming voor de nieuwe set emissiescenario’s en de spreiding in opwarming voor het huidige hoogste scenario.
Het IPCC bereidt nu het zevende Assessment Report (AR7) voor. Als input daarvoor zijn door verschillende onderzoeksgroepen met geïntegreerde mondiale modellen nieuwe emissiescenario’s ontwikkeld (CMIP7). Deze zijn recent gepubliceerd. De berekende temperatuurprojecties voor de nieuwe emissiescenario’s hebben nog een voorlopig karakter. Hoe de klimaatscenario’s op basis van CMIP7 emissiescenario’s eruit zullen zien, is pas duidelijk wanneer de deze zijn doorgerekend en verwerkt door het IPCC.
Kunt u bevestigen dat de recente scenarioherijking niet alleen de bovenkant van de scenariobandbreedte raakt, maar dat de auteurs ook aangeven dat meerdere zeer lage CMIP6-emissietrajecten inmiddels niet meer consistent zijn met waargenomen trends in de periode 2020–2030?
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling vraagt om een scherper onderscheid tussen scenario’s, prognoses, plausibiliteit, waarschijnlijkheid, stresstests en beleidsreferenties in kabinetsstukken en publieke communicatie?
Scenario’s zijn inderdaad geen prognoses of toekomstvoorspellingen, maar samenhangende projecties van mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Ze zijn nodig om bandbreedtes van mogelijke klimaateffecten te kunnen doorrekenen. Wij zijn het eens dat het belangrijk is in publieke communicatie deze begrippen op duidelijke wijze te gebruiken.
Deelt u de opvatting dat klimaatbeleid moet worden gebaseerd op realistische scenario’s en niet mag worden gedomineerd door scenario’s die niet langer als realistische beleidsbasis gelden?
De emissiescenario’s zijn altijd bedoeld geweest om een bandbreedte van mogelijkheden aan te geven, met het genoemde (SSP5-8.5) scenario als worst-case. Tegenover het worst-case scenario stond ook een best-case scenario dat volgens de onderzoekers helaas buiten bereik is gekomen. Met de scenario’s wordt Nederland in staat gesteld zich voor te bereiden op de mogelijke klimaatomstandigheden die ons te wachten kunnen staan. Daarvoor is het ook belangrijk een realistisch worst case scenario te hebben.
Bent u bereid voortaan bij grote klimaat- en energiebesluiten expliciet te vermelden op welk klimaatscenario of welke scenariobandbreedte het besluit is gebaseerd, welk zichtjaar wordt gebruikt, of het gaat om een centrale beleidsreferentie of om een stresstest, en wat dit betekent voor de inschatting van kosten, baten en risico’s?
Ja, waar dat mogelijk is. Bij beleidsdoorrekeningen wordt reeds gekeken naar de mate waarin de gebruikte scenario’s robuust en plausibel zijn en dat zal ook in de toekomst het geval blijven. Het kabinet neemt de laatste wetenschappelijke inzichten als uitgangspunt en kijkt in het klimaatbeleid beleidsmatig welke ontwikkeling het meest realistisch wordt geacht, tegen welke risico’s bescherming nodig is en welke risico’s we bereid zijn te accepteren. Op basis daarvan wordt dan bepaald welke maatregelen worden genomen om klimaatbestendigheid te vergroten. Het gebruik van scenario’s verschilt niet per besluit en er is dus geen reden dat te specificeren per besluit. Waar dat wel het geval is, bijvoorbeeld ten behoeve van een stresstest, zal de Kamer daar expliciet op worden gewezen.
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle Nederlandse klimaatbeleidsstukken, PBL-, CPB-, KNMI- en RIVM-doorrekeningen, adaptatiestrategieën, maatschappelijke kosten-batenanalyses (mkba’s), schadeanalyses, risicokaarten, kabinetscommunicatie en processtukken sinds 2019 waarin RCP8.5, SSP5-8.5, SSP3-7.0 of vergelijkbare high-endscenario’s zijn gebruikt?
Rapporten van PBL, CPB, KNMI en RIVM worden in beginsel openbaar gemaakt en zijn in te zien via de websites van de verschillende organisaties. Daarnaast geeft de Kamerbrief «KNMI ’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid» van 8 mei 2024 een uitgebreid overzicht. Op basis van de IPCC klimaatscenario’s worden specifieke klimaatscenario’s voor Nederland gemaakt; de meest recente versie komt uit 2023. Die scenario’s vormen de basis voor het beleid gericht op aanpassing aan klimaatverandering in Nederland. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in het Nationaal Klimaatadaptatieplan, de Nationale Risicokaart, en de PBL-studie «Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving». Op basis van de nieuwe scenario’s zal het KNMI in 2030/2031 komen met een nieuwe set klimaatscenario’s voor Nederland, waarin dan ook de nieuwe IPCC-inzichten in de gevolgen van klimaatverandering wereldwijd worden meegenomen (bijvoorbeeld de mate van zeespiegelstijging).
Welke Nederlandse klimaatmaatregelen, normen, investeringsbeslissingen of financiële onderbouwingen zouden materieel anders worden beoordeeld als SSP5-8.5 niet langer als realistische beleidsreferentie wordt gebruikt, maar uitsluitend als historisch vergelijkingspunt of extreme stresstest?
Geen, omdat SSP5-8.5 al niet als «realistische beleidsreferentie» werd gebruikt, maar als onderdeel van de volledige bandbreedte (zie ook het antwoord op vraag 15).
Welke gevolgen heeft deze wetenschappelijke herijking volgens u voor de proportionaliteit en betaalbaarheid van klimaatbeleid voor huishoudens, het midden- en kleinbedrijf (mkb), de industrie, mobiliteit en landbouw, in het bijzonder waar het gaat om energieprijzen, nationale koppen op Europees beleid, netverzwaring, subsidies en verplichtingen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid de komende Klimaatnota, Energienota en relevante begrotingsstukken te voorzien van een scenarioparagraaf waarin per hoofdmaatregel wordt aangegeven op welk klimaatscenario, emissiepad en welke kosten-batenveronderstellingen de maatregel berust?
Het Nederlandse adaptatiebeleid is geijkt op de KNMI klimaatscenario’s voor Nederland. Voor de doorwerking van deze scenario’s in Rijksbeleid, zie het antwoord op vraag 8. Het mitigatiebeleid is gericht op het beperken van de emissies om de 1,5 graad doelstelling binnen bereik te houden. Dit is gebaseerd op de inzichten van het IPCC en het PBL. De beleidsimplicaties van IPCC-rapporten worden door het kabinet in de appreciaties van deze rapporten aangegeven.
Bent u bereid PBL, CPB, KNMI en RIVM te vragen bij toekomstige beleidsdoorrekeningen expliciet aan te geven of uitkomsten robuust zijn onder centrale scenario’s, plausibele high-endscenario’s en extreme stresstestscenario’s, en waar conclusies afhankelijk zijn van een inmiddels minder plausibel high-endscenario?
Zoals al aangeven wordt bij beleidsdoorrekeningen reeds gekeken naar de mate waarin de gebruikte scenario’s robuust en plausibel zijn en dat zal ook in de toekomst het geval blijven.
Bent u bekend met het VU/IVM-onderzoek The Impacts of Climate Change on Bonaire, uitgevoerd in opdracht van Greenpeace Nederland, en kunt u bevestigen dat daarin onder meer SSP5-8.5 en een «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant zijn gebruikt?
Ja.
Kunt u de Kamer een analyse sturen van welke onderdelen van de Bonaire-zaak en de onderliggende rapporten afhankelijk zijn van SSP5-8.5 of van de «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant?
Het Ministerie van het IenW heeft het rapport «Risicoprofielen voor overstromingen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba» van het bureau HKV-Lijn in water op 12 november 2024 met de Kamer gedeeld.3 Voor het opstellen van risicoprofielen uit het rapport, het kaartmateriaal en de redeneerlijnen is gebruik gemaakt van het SSP 5-8.5 scenario. Dit scenario is vergelijkbaar met het hoge uitstootscenario van de KNMI’23 scenario’s. Het SSP 5-8.5 LC is daarbij gebruikt voor het uitvoeren van gevoeligheidsanalyses en niet als uitgangspunt voor de risicoprofielen zelf.
De inbreng van Greenpeace in de rechtszaak is gebaseerd op het VU/IVM onderzoek en daarin is het SSP 5-8.5 LC scenario wel meegenomen. Het VU/IVM-rapport laat zien dat de impact van zeespiegelstijging sterk scenario-afhankelijk is. Bij beperkt klimaatbeleid en hoge mondiale uitstoot in combinatie met instabiele ijskappen (scenario SSP 5-8.5 LC) wordt berekend dat zeespiegelstijging op lange termijn zonder maatregelen delen van Kralendijk kan raken. Bij alle andere klimaatscenario’s blijft de berekende directe kustinundatie aanzienlijk meer beperkt. Dit beeld komt overeen met het rapport van HKV-Lijn in water.
Acht u het wetenschappelijk en bestuurlijk verantwoord wanneer beleidsmakers, belangenorganisaties of procespartijen effecten voor Bonaire presenteren op basis van SSP5-8.5 of «SSP5-8.5 Low Confidence», zonder duidelijk te vermelden dat SSP5-8.5 in de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-literatuur niet langer als plausibel high-endemissieniveau voor de 21e eeuw wordt beschouwd?
Bij wetenschappelijke onderzoeken en analyses wordt gebruik gemaakt van een reeks aan scenario’s. Zo wordt een bandbreedte geschetst waarbinnen klimaatverandering zich voor kan doen en welke gevolgen daar bij kunnen horen. Het kabinet kan enkel primair voor zichzelf spreken. Het kabinet neemt de laatste wetenschappelijke inzichten als uitgangspunt en kijkt in het klimaatbeleid beleidsmatig welke ontwikkeling het meest realistisch wordt geacht, tegen welke risico’s bescherming nodig is en welke risico’s we bereid zijn te accepteren. Op basis daarvan wordt dan bepaald welke maatregelen worden genomen om klimaatbestendigheid te vergroten.
Bent u bereid de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-inzichten expliciet te betrekken bij de onderbouwing van dat hoger beroep, nu het kabinet heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan in de Klimaatzaak Greenpeace Bonaire en schorsing van de uitspraak te vragen?
Het kabinet neemt altijd nieuwe wetenschappelijke inzichten mee in wat het voorneemt en doet.
Zal de Staat in hoger beroep betogen dat rechterlijke verplichtingen tot nationale, bindende emissiedoelen niet mogen worden gebaseerd op scenario’s die wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden, maar hooguit als extreme stresstest kunnen dienen?
Op 10 april jl. heeft het kabinet aangekondigd hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. De Kamer is hierover geïnformeerd. In hoger beroep beoordeelt het gerechtshof Den Haag de onderdelen van de uitspraak van de rechtbank waartegen argumenten (grieven) worden gericht. Het kabinet zal de precieze argumenten van het hoger beroep nog nader bepalen en uitwerken. Het rechterlijk bevel dat de Staat gehouden is absolute emissiereductiedoelen in nationale regelgeving op te nemen, berust overigens niet op scenario’s waarvan wordt gesteld dat deze wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden.
Kunt u voor Bonaire aangeven welke middelen inmiddels zijn gereserveerd of beschikbaar komen voor klimaatadaptatie, per maatregel uitgesplitst naar budget, verantwoordelijke partij, planning, onderliggend scenario en verwacht risicoreducerend effect?
Het kabinet zet in op het vaststellen van een klimaatadaptatieplan om ervoor te zorgen dat Caribisch Nederland klimaatbestendig is, nu en in de toekomst. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals reeds aangegeven in het coalitieakkoord. Deze plannen zullen aan de Kamer worden aangeboden, inclusief de financiële onderbouwing ervan.
Deelt u de opvatting dat inwoners van Bonaire het meest geholpen zijn met concrete, lokale adaptatiemaatregelen tegen hitte en wateroverlast en dat eventuele nationale emissiedoelen afzonderlijk en aantoonbaar proportioneel moeten worden onderbouwd?
Het klopt dat Bonaire het meest gebaat is bij concrete maatregelen en dit Kabinet zet zich ook in om die snel te realiseren. Het kabinet streeft in algemene zin naar doelen, dus ook eventuele nationale emissiedoelen, zorgvuldig te onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat inwoners van Bonaire niet worden gebruikt als juridisch argument voor steeds zwaardere nationale klimaatdoelen, maar daadwerkelijk worden geholpen met concrete maatregelen die hun veiligheid, leefbaarheid en weerbaarheid vergroten?
Het beleid op Bonaire is bedoeld om de weerbaarheid van inwoners van Bonaire te vergroten ten aanzien van de gevolgen van klimaatverandering. De noodzaak om maatregelen te treffen zal groter worden naarmate de gevolgen van klimaatverandering groter worden, bijv. indien de lage emissiescenario’s verder uit zicht raken.
Deelt u de opvatting dat de nieuwe scenario’s nopen tot klimaatrealisme: minder alarmistische communicatie, meer transparantie over onzekerheden, meer aandacht voor betaalbaarheid en meer focus op adaptatie die aantoonbaar werkt?
De nieuwe scenario’s reflecteren dat de mondiale emissies door ingezet klimaatbeleid en technologische ontwikkelingen minder sterk zullen stijgen dan eerder werd verondersteld. Dat toont aan dat klimaatbeleid werkt. Tegelijkertijd laten ze zien dat door onvoldoende klimaatbeleid het beperken van de mondiale opwarming tot 1,5 graad alleen mogelijk is na een tijdelijke overschrijding van dat niveau, wat meer klimaateffecten met zich meebrengt. Daarom, en gezien de al zichtbare effecten van klimaatverandering en wetenschappelijke berichten dat de risico’s van klimaatverandering mogelijk groter zijn dan eerder gedacht, ziet het kabinet in de nieuwe CMIP7-scenario’s juist bevestiging van de noodzaak van ambitieus klimaatbeleid.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Hogere CO₂-uitstoot door de export van Nederlandse elektriciteit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland exporteert voor miljard euro naar buren dankzij zonnepanelen en gascentrales»1?
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 voor het vierde jaar op rij netto-exporteur van elektriciteit was?
Ja. Dit blijkt uit de recent gepubliceerde Annual Market Update 2025 door TenneT.2
Klopt het dat de netto-export van elektriciteit in 2025 circa 14 TWh bedroeg en een waarde vertegenwoordigde van meer dan één miljard euro? Zo nee, welke cijfers hanteert het kabinet?
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van de in 2025 geëxporteerde elektriciteit is opgewekt met welke energiebron?
Nee, dat onderscheid is niet te maken.
Kunt u uitsplitsen hoe de kosten en baten van elektriciteitsexport zijn verdeeld over de verschillende stakeholders, waaronder netbeheerders, producenten, de industrie, huishoudens en de Staat? Kortom, wat is de totale (maatschappelijke) balans van de export van elektriciteit?
Nee, een dergelijke uitsplitsing en het geven van een totale (maatschappelijke) balans is niet mogelijk. Voor zover de elektriciteitsexport opwek uit gas- of kolencentrales zou betreffen, staan in de totale (maatschappelijke) balans voor de producent tegenover de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit, ook de kosten van de inkoop van gas of kolen voor die opwek en de kosten van de benodigde emissierechten. Die totale kosten worden bij export doorberekend aan de klanten in het buitenland.
Klopt het dat de toegenomen elektriciteitsexport niet alleen samenhangt met extra zonneproductie, maar juist ook met extra productie uit gascentrales en kolencentrales?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is het onderscheid naar energiebron van de export niet te maken. Wel weten we dat de toename van de gehele productie ten opzichte van 2024 bestaat uit opwekking via gascentrales (+4.7 TWh), zonne-energie (+3.7 TWh) en kolencentrales (+2.4 TWh).
Klopt het dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse stroomproductie is gestegen van circa 23 megaton naar circa 25 megaton? Zo ja, welk deel van deze stijging is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export?
Ja, dat klopt. De in het antwoord op vraag 2 genoemde Annual Market Update van TenneT verklaart de toename in CO2-uitstoot vooral door meer opwek uit kolen. Tegelijk is, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, het onderscheid naar energiebron van de geëxporteerde elektriciteit en daarmee naar CO2-uitstoot niet te maken. Het is daarmee niet duidelijk welk deel van de stijging in CO2-uitstoot is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export
Telt de CO2-uitstoot van in Nederland opgewekte elektriciteit die vervolgens wordt geëxporteerd volledig mee in de Nederlandse emissiecijfers en bij de Nederlandse klimaatdoelen?
Ja.
Acht u het wenselijk dat Nederland de CO2-uitstoot draagt van elektriciteitsproductie die uiteindelijk in het buitenland wordt verbruikt?
Dit is een inherent onderdeel van het Europese systeem en de wijze waarop de elektriciteitsmarkt is ingericht. Deze geïntegreerde elektriciteitsmarkt zorgt voor meer zekerheid op energievoorziening, lagere prijzen voor consumenten en bedrijven, en efficiënter gebruik van infrastructuur en investeringen. In dit geval kan het ook zorgen voor uiteindelijk minder CO2-uitstoot in Europa als geheel, omdat hierbij geldt dat de Nederlandse centrales over het algemeen minder uitstoten dan de inefficiëntere kolen- of gascentrales uit andere Europese landen.
Wie betaalt uiteindelijk de extra kosten van de CO2-uitstoot die ontstaat doordat Nederlandse gas- en kolencentrales elektriciteit produceren voor export naar het buitenland?
Alle gas- en kolencentrales in de EU betalen zelf voor hun CO2-uitstoot. Omdat gas- en kolencentrales dit doorberekenen in de prijs waartegen zij elektriciteit verkopen, betalen dus uiteindelijk de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de CO2 van de productie die wordt geëxporteerd.
Klopt het dat de gemiddelde Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen naar circa 87 euro per MWh, mede door hogere CO2-prijzen en hogere gasprijzen? Welk aandeel van deze prijsstijging is toe te rekenen aan CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit?
Ja, het klopt dat de Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen tot ca. 87 euro per MWh. Omdat de elektriciteitsprijzen in Nederland op een Europese elektriciteitsmarkt tot stand komen, zijn de CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit niet specifiek aan deze prijsstijging toe te rekenen. De CO2-prijs varieert door het jaar heen, maar was gemiddeld in 2025 € 74 per ton CO2. Deze gemiddelde CO2-prijs verhoogt de elektriciteitsprijs op de Europese elektriciteitsmarkt met circa € 30 per MWh als gascentrales de prijs zetten en met circa € 60 per ton als kolencentrales dit doen. Zoals in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, betalen de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de ETS-kosten van elektriciteit die wordt geëxporteerd naar hun land.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse huishoudens en bedrijven via hogere elektriciteitsprijzen, nettarieven, belastingen, heffingen of indirecte ETS-kosten meebetalen aan de productie van elektriciteit die naar het buitenland wordt geëxporteerd?
Via de SDE++ is subsidie beschikbaar voor de opwek van elektriciteit. Hier betalen Nederlandse gebruikers via belastingen aan mee. Een deel van deze elektriciteit kan ook worden geëxporteerd. Daartegenover staat dat Nederland op veel momenten ook stroom uit andere landen importeert die soms daar gesubsidieerd is. Het systeem werkt dus beide kanten op. Voor de ETS kosten op het gebruik van fossiele brandstoffen geldt dat die, zoals hierboven in het antwoord op vraag 10 is geschetst, worden doorberekend aan de gebruiker, waar die zich ook bevindt.
Kunt u inzichtelijk maken hoe de ETS-kosten bij elektriciteitsproductie voor export precies worden doorberekend?
Gas- en kolencentrales zullen de ETS-kosten meenemen bij de prijs waarvoor zij bereid zijn elektriciteit te verkopen. Bij verkoop op de beurs van de zogenoemde day ahead market weten deze producenten niet aan wie zij de elektriciteit verkopen en dus ook niet of de elektriciteit in Nederland of daarbuiten verbruikt wordt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Ja. Ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Er vinden regelmatig gesprekken plaats tussen het Rijk, de genoemde gemeenten, en andere betrokken partijen over de verduurzaming van de gebouwde omgeving en de kansen en uitdagingen rondom de ontwikkeling van warmtenetten. Daarbij wordt in algemene zin ook over financieringsvraagstukken gesproken, echter is er geen formeel subsidieverzoek ingediend ter ondersteuning van het Amsterdamse transitiebeleid.
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
De inschatting van de gemeente gaat over de totale investeringsopgave voor warmtenetten in haar wijken tot 2050 op basis van het eerste concept-warmteprogramma. Dit bedrag omvat zowel rendabele investeringen die zichzelf terugverdienen en daarom geen subsidie nodig hebben, als investeringen met een onrendabele top waarvoor subsidie nodig is. De daadwerkelijke subsidie- en financieringsbehoefte van de gemeente is niet bekend, maar gezien het bovenstaande ga ik ervan uit dat een eventueel subsidieverzoek (flink) lager zal liggen dan het genoemde bedrag.
Er is tot 2030 nog ca. 900 miljoen euro beschikbaar voor de landelijke Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) regeling, waarmee minimaal 2,7 miljard euro aan onrendabele investeringen in warmtenetten gestimuleerd kan worden.
Daarnaast is er 174,5 miljoen euro beschikbaar voor de Garantieregeling Warmtenetten (GRW) en 224 miljoen euro toegekend en gereserveerd voor de Nationale Deelneming Warmte (NDW). Gezamenlijk ondersteunen de GRW en de NDW de financierbaarheid van warmtenetten doordat dit toegang tot vreemd vermogen biedt en minder publiek kapitaal nodig is om de investeringsopgave te financieren.
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
De middelen voor de WIS, de NDW en de GRW komen uit het Klimaatfonds op de KGG begroting. De WIS regeling wordt door de RVO uitgevoerd. De GRW regeling wordt momenteel nader uitgewerkt; er is nog geen uitvoerende partij aangewezen, maar gesprekken hierover lopen met de RVO. Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van Wet collectieve warmte is de NDW als zelfstandige beleidsdeelneming ondergebracht bij EBN.
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2025 de Actualisatie van de Startanalyse gepubliceerd. Dit is bedoeld als onafhankelijk startpunt voor gemeenten om inzicht te krijgen in de nationale meerkosten voor verschillende technische mogelijkheden om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Dit document fungeert daarmee als een onafhankelijke doorrekening van de nationale kosten van verschillende verduurzamingsopties op wijk- en buurtniveau. Onder andere op basis van deze onafhankelijke doorrekening zal de gemeente Amsterdam uiterlijk eind 2027 in haar warmteprogramma aankondigen welke keuzes gemaakt worden. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven in haar Warmteprogramma te sturen op de warmteoplossing met de laagste maatschappelijk kosten.2 Daarbij is het ook van belang om mee te wegen dat collectieve warmtesystemen kunnen voorkomen dat de druk op het elektriciteitsnet verder toeneemt en in sommige gevallen zelfs actief bijdragen aan het verminderen van netcongestie. De nationale kostenbesparing die collectieve warmtesystemen opleveren doordat er minder in de verzwaring van het elektriciteitsnet geïnvesteerd hoeft te worden kan oplopen tot ca. 1,6 miljard euro in 2040.3
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een nationale opgave die voortvloeit uit nationale en internationale klimaatdoelstellingen, zoals onder andere het Klimaatakkoord en het Verdrag van Parijs. Daarbij is afgesproken dat gemeenten een regierol vervullen in de lokale warmtetransitie in de wijk, omdat zij dichter bij de praktijk staan en een betere afweging kunnen maken voor iedere wijk wat de beste route naar klimaatneutraal is. Daarbij zijn vanuit het Rijk met onder andere de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (Wcw) kaders afgesproken waarbinnen gemeenten de regie kunnen voeren op de vormgeving van de lokale warmtetransitie. Onderdeel daarvan zijn afspraken om te sturen op de meest efficiënte verduurzamingsopties, zodat we de warmtetransitie tegen de laagste kosten voor zowel de lokale inwoners als de maatschappij realiseren. In het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam wordt ingezet op de verduurzamingsoptie met de laagste maatschappelijke kosten, echter leidt deze optie nog vaak niet tot lagere kosten voor de gebouweigenaar of de bewoner ten opzichte van het huidige fossiele alternatief. Dit geldt voor de meeste gemeenten, daarom draagt het Rijk met verschillende veelal generieke subsidie-instrumenten bij aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Subsidieverzoeken die voortvloeien uit gemeentelijk transitiebeleid worden getoetst aan de hand van de landelijke kaders en voorwaarden zoals die vastgelegd worden door het kabinet in subsidieregelingen.
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Ondanks dat de gemeente Amsterdam haar ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn heeft losgelaten, steun ik dergelijke lokale doelen ten zeerste wanneer ze bijdragen aan een efficiënte en effectieve transitie in de wijk. Hoewel het landelijk beleid gericht is op nationale doelen voor 2030 en 2050 staat het individuele gemeenten vrij om vanuit hun regierol een eigen tijdspad te kiezen dat binnen de nationale doelen past. Het kabinet gaat over de vormgeving van subsidieregelingen en voorziet in de toetsing op een doelmatige en doeltreffende inzet van beschikbare middelen. Indien de versnelde gemeentelijke aanpak daarbinnen past, dan is dit een efficiënte aanpak en bijdrage aan de nationale doelen.
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Het kabinet zet middelen in voor verduurzaming in heel Nederland. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen regio's, woningtypen en beschikbare warmteoplossingen. Het beleid is erop gericht alle huishoudens toegang te bieden tot betaalbare verduurzamingsopties, ongeacht woonplaats. Voor wat betreft de gemeente Amsterdam, hecht ik eraan nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave te komen.
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bestuurlijke keuzes om tot de beste verduurzamingsstrategie te komen, indien een gemeentelijk warmtebedrijf daar onderdeel van is dan is het ook aan de gemeente om dat te onderbouwen en daar zelf een gepaste financiële bijdrage aan te leveren. Omdat er met de Wcw gekozen is voor een transitie van een private naar een publieke warmtesector, onder andere om de publieke belangen van de aanleg van duurzame energie-infrastructuur te borgen, is het van belang om deze overgang te faciliteren zodat de warmtesector de benodigde opschaling kan realiseren. Daarom ziet het Rijk dit als een gedeelde verantwoordelijkheid met medeoverheden en eventueel andere partijen zoals netbeheerders en zijn verschillende maatregelen in gang gezet, zoals de NDW, de GRW en de verkenning van de overname van private warmtebedrijven.
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Gemeenten zijn verplicht om de maatschappelijke en eindgebruikerskosten van verschillende verduurzamingstechnieken in de wijk tegen elkaar af te wegen en een gedragen onderbouwing te bieden indien afgeweken wordt van het goedkoopste alternatief. Zo wordt juist gewaarborgd dat er een gelijk speelveld gerealiseerd wordt en verschillende warmtebronnen in de wijk met elkaar kunnen concurreren op basis van onder andere de kosten.
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Het kabinet onderschrijft het belang van een zorgvuldige afweging van alternatieven. Binnen het beleid voor de gebouwde omgeving is reeds voorzien dat gemeenten verschillende warmteopties vergelijken op basis van onder andere de kosten en onderbouwen voordat keuzes worden gemaakt. Dit is onderdeel van het warmteprogramma dat de gemeenten Amsterdam eind 2027 uiterlijk opstelt.
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
De gemeente presenteert uiterlijk eind 2027 het warmteprogramma met de verduurzamingsplannen voor de komende 10 jaar, waarbij gestuurd wordt op de meest efficiënte technieken voor iedere wijk. Dat betekent dat in sommige wijken geëlektrificeerd wordt en in andere wijken ingezet wordt op een warmtenet om de maatschappelijke kosten zo laag als mogelijk te houden. Omdat het Warmteprogramma iedere 5 jaar geactualiseerd wordt, worden toekomstige (kosten)ontwikkelingen meegenomen en kunnen keuzes aangepast worden waar nodig. Ook hier hecht ik eraan om nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt van de gemeente Amsterdam en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave te komen.
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Omdat ik geen inzage heb in de specifieke onderbouwing van het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam, noch in de verhouding tussen rendabele en niet rendabele investeringen, kan ik geen inschatting geven van de specifieke aannames en gevolgen voor Amsterdamse inwoners en de Nederlandse belastingbetaler.
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Ik heb geen inzage in de onderbouwing van dit bedrag van de gemeente Amsterdam en het is niet mijn rol maar die van de gemeenteraad om deze op waarde te schatten en hierop democratische controle uit te oefenen. Ik vertrouw erop dat het college en de gemeenteraad hun taken in dezen goed uitoefenen.
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Nee, er is geen formeel vastgelegd maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie. Maar voor individuele regelingen wordt in principe wel een maximumbedrag opgenomen. Het is niet eenduidig hoe dit in de praktijk uitwerkt per woning, aangezien sommige regeling een maximumbedrag per aansluiting of project kennen (bv. WIS) terwijl andere regelingen een maximale subsidie per energie-eenheid (SDE++), het type maatregel (ISDE) of het inkomen (Nationaal Warmtefonds). Zo is het maximumbedrag in de WIS regeling 7.000 euro per aansluiting, voor de subsidieregeling aardgasvrije woningen (SAH) was dat in de laatste openstellingsronde maximaal 6.000 euro en voor de ISDE is de maximale subsidie voor een warmtenetaansluiting 3.775 euro.
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
De volatiliteit op internationale energiemarkten is de afgelopen maanden aanzienlijk toegenomen als gevolg van geopolitieke spanningen. De hoge kosten voor energie waar we mee geconfronteerd worden onderstrepen de urgentie om onze maatschappij en economie weerbaarder te maken en onze afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen af te bouwen. Hoewel dergelijke infrastructuur komende winter nog geen verlichting zal bieden, is het van belang om nu wel deze ontwikkeling in gang te zetten en de komende decennia onze eigen lokale energiebronnen te bouwen en onze energievoorziening te diversifiëren.
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Het is op basis van de berichtgeving niet duidelijk welke steun en hoeveel de gemeente nodig heeft van het Rijk en in hoeverre eventuele toekomstige subsidieverzoeken passen binnen de landelijke subsidiekaders en beschikbare budgetten.
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
In het coalitieakkoord heeft het kabinet zich gecommitteerd aan behoedzaam begrotingsbeleid. Tevens stelt het akkoord dat het kabinet vol blijft inzetten op het realiseren van warmtenetten en bereid is om via een staatsdeelneming binnen de huidige financiële kaders private warmtebedrijven over te nemen en te participeren in nieuwe ontwikkelingen.
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Isolatiemaatregelen zijn ook van belang, maar met isolatie alleen kunnen we niet van het gas af. Daarom is het van belang om ook duurzame energieopwekking en installaties zoals warmtenetten te stimuleren. Daarnaast werken we ook aan het betaalbaar maken van warmte. De huidige tariefregulering koppelt de warmtetarieven aan de gastarieven, maar met de implementatie van de Wcw wordt toegewerkt naar kostengebaseerde tarieven waardoor warmteafnemers alleen nog betalen voor de kosten van het eigen warmtenet. Hierdoor zal in de toekomst een toename in de gasprijs niet terug te zien zijn in de kosten van afnemers van een duurzaam warmtenet. Hierdoor is het de verwachting dat in wijken waar een warmtenet de duurzame optie met de laagste maatschappelijke kosten is op termijn zal kunnen concurreren met het fossiele alternatief.
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Eventuele financiële ondersteuning aan het gemeentelijke transitiebeleid zal via de gebruikelijke procedures met uw Kamer gedeeld worden. In principe verloopt financiële ondersteuning door het Rijk via de openstelling van generieke subsidieregelingen met een specifiek doel en worden subsidieaanvragen getoetst aan de voorwaarden en criteria van de specifieke regeling om te waarborgen dat de beschikbare middelen op doelmatige en doeltreffende wijze besteed worden binnen de geldende nationale en Europese juridische (staatssteun)kaders. Een onafhankelijke audit van de doelmatigheid van het eerdere verduurzamingsbeleid van specifiek de gemeente Amsterdam is niet aan de orde, omdat de Wgiw vastlegt aan welke verplichtingen gemeenten moeten voldoen bij de planning en onderbouwing van het transitiebeleid. Daarmee heeft de gemeente de regie over de lokale beleidsafweging met betrekking tot de warmtetransitie en borgt de Wgiw de kwaliteit van het beleidsproces.
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van Nederland, zoals ik ook tijdens het vragenuur op dinsdag 26 mei heb benadrukt: «de Verenigde Staten zijn een belangrijke NAVO-partner, handelspartner en bondgenoot».
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Het kabinet hecht grote waarde aan de aanwezigheid van buitenlandse, waaronder nadrukkelijk ook Amerikaanse, technologiebedrijven. Het kabinet waardeert hun bijdrage aan de Nederlandse economie en digitale infrastructuur.
Een afhankelijkheid van informatie en diensten uit derde landen, ongeacht welk land het is en of het een NAVO-bondgenoot is, kan onzekerheden met zich meebrengen. Dit blijkt ook uit het Cybersecuritybeeld Nederland Nederland 20251. Het is vervolgens aan de overheid om op een objectieve, risicogebaseerde, landenneutrale en proportionele manier risico’s te wegen. De gevraagde onderbouwing kan niet als generiek standpunt aangeleverd worden. Daarvoor is dit te situationeel afhankelijk en kan het alleen op case-by-case basis worden ingeschat.
Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar digitale overheidsinfrastructuur en het afwegen van de risico’s van de verschillende schakels binnen die infrastructuur.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
De CLOUD Act is een amendement op de Stored Communications Act (SCA). De CLOUD Act maakt het mogelijk voor Amerikaanse autoriteiten om ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden toegang te verkrijgen tot elektronische communicatie en daaraan gerelateerde gegevens. Bevoegde autoriteiten die een verzoek kunnen indienen zijn bijvoorbeeld de FBI en het Department of Justice. De CLOUD Act kan worden ingezet voor het opvragen van elektronische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het gaat daarbij in beginsel om de opsporing en vervolging van zware criminaliteit, zoals terrorisme of drugshandel.
Op grond van de CLOUD Act kunnen ondernemingen die onder de Amerikaanse rechtsmacht vallen verplicht worden gegevens te verstrekken, ook wanneer deze gegevens zich (op servers) buiten de Verenigde Staten bevinden. Daarbij is bepalend of de onderneming «possession, custody or control» heeft over de gegevens. Het gaat hierbij onder meer om aanbieders van elektronische communicatie- en clouddiensten.
Voor verzoeken die betrekking hebben op de inhoud van elektronische communicatie of bestanden is in beginsel toestemming van een Amerikaanse rechter vereist. Voor bepaalde verzoeken tot verstrekking van metadata, zoals gegevens over gebruikers of toegangsgegevens, kan onder omstandigheden geen voorafgaande rechterlijke toestemming vereist zijn.
Een dienstverlener die een bevel tot gegevensverstrekking ontvangt, hoeft daaraan niet mee te werken indien de gegevens versleuteld zijn en de dienstverlener niet beschikt over de encryptiesleutel. De CLOUD Act verplicht ondernemingen namelijk niet om gegevens te ontsleutelen. Indien een onderneming feitelijk geen toegang heeft tot de gegevens vanwege encryptie, bestaat in beginsel dus ook geen verplichting om deze gegevens te verstrekken.
Daarnaast kan een dienstverlener de rechter verzoeken het bevel te vernietigen of te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de naleving daarvan strijd oplevert met de wetgeving van het land waar de gegevens zich bevinden of indien de persoon op wie het verzoek betrekking heeft geen Amerikaans staatsburger is.
FISA Section 702 is in 2008 ingevoerd en maakt onderdeel uit van de Foreign Intelligence Surveillance Act 1978. FISA Section 702 maakt het Amerikaanse inlichtingendiensten, zoals de NSA, CIA en FBI, mogelijk zonder gerechtelijk bevel informatie te verzamelen over niet-Amerikaanse staatsburgers waarvan wordt aangenomen dat zij zich buiten de Verenigde Staten bevinden en die mogelijk betrokken zijn bij terrorisme, spionage, massavernietigingswapens, beïnvloedingsactiviteiten in opdracht van een vijandige buitenlandse mogendheid of cybercriminaliteit. Kennisgeving aan de betrokkene is geen vereiste.
Onder het toepassingsbereik van deze wetgeving vallen alle Amerikaanse entiteiten die toegang hebben tot apparaten waarop communicatie wordt opgeslagen of via welke communicatie wordt verzonden, zoals telecommunicatiebedrijven, internet- en e-maildienstverleners, aanbieders van remote computing services. Zij kunnen worden verplicht toegang te geven tot gegevens, zoals e-mails, elektronische berichten en bestanden. Het kan zowel om de inhoud als metadata gaan.
Executive Order 12333 heeft het meest verstrekkende bereik. Deze regelgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen. Daarvoor is geen toestemming van een rechter vereist, mits het gaat om gegevens van niet-Amerikaanse personen. De regelgeving is primair gericht op buitenlandse inlichtingenvergaring ten behoeve van de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.
Op grond van Executive Order 12333 kunnen Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen via uiteenlopende middelen, waaronder interceptie van communicatie, radiosignalen en andere elektromagnetische communicatie, maar ook via satellieten, camerasystemen, menselijke bronnen en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten. Vereist is echter wel dat de verzamelde informatie uitsluitend voor rechtmatige doeleinden onder Amerikaanse wetgeving wordt gebruikt.
Kyndryl Inc. valt als Amerikaanse onderneming binnen het bereik van de bovengenoemde wetten. Kyndryl rapporteert periodiek hoeveel verzoeken om inlichtingen zij heeft ontvangen.2
Kyndryl’s US zeggenschap over haar buitenlandse dochters, Kyndryl Nederland B.V. en eventueel overgenomen partijen, heeft tot gevolg dat deze ook binnen het bereik vallen van de bovengenoemde wetten.
De verstrekking van persoonsgegevens door Nederlandse dochter(s) op basis van een bevel van een Amerikaanse rechter kan in strijd zijn met de AVG. Daarnaast houdt de Nederlandse dochter zich in dat geval ook niet aan de overeenkomst, inclusief de verwerkingsovereenkomst, met de Nederlandse opdrachtgever.
Kyndryl US heeft wel juridische mogelijkheden om zich te verzetten tegen verzoeken tot verstrekking van persoonsgegevens die worden beheerd door haar Nederlandse dochter(s) op grond van het feit dat voldoen aan een dergelijk verzoek in strijd is met de AVG en de gemaakte contractuele afspraken (o.a. in de verwerkersovereenkomst). Daarover moet de Amerikaanse rechter zich dan uitlaten.
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Ja, dat klopt. De Amerikaanse wetgeving als bedoeld bij vraag 5 heeft betrekking op het verzamelen van bewijs c.q. inlichtingen. Deze wetgeving maakt het niet mogelijk om een opdracht te geven tot uitschakeling van infrastructuur.
De Amerikaanse overheid kan sancties tegen personen, organisaties of landen uitvaardigen, waarna Amerikaanse bedrijven de dienstverlening moeten staken. Dat gebeurt echter niet op grond van de bovengenoemde wetgeving.
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Medewerkers van Solvinity hebben bij het uitvoeren van reguliere beheerwerkzaamheden geen toegang tot de database waarin gegevens van burgers en gegevens over waar burgers inloggen staan opgeslagen. Dit sluit niet uit dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot deze databases. Het zal hierbij dan gaan om (on)geautoriseerde toegang. Mogelijk is daarmee de medewerker strafbaar.
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Het kabinet is van mening dat er momenteel wel gelijkwaardige technologieën zijn van Nederlandse en Europese aanbieders. In een Kamerbrief in reactie op de motie van het lid Koekkoek (Volt) over «in EU verband pleiten voor versnelde investeringen in Europese cloudalternatieven en digitale infrastructuur» heeft het kabinet de Kamer vorig jaar geïnformeerd dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten op de markt beschikbaar zijn.
Specifiek ten aanzien van de dienstverlening die door de Rijksoverheid bij Solvinity wordt afgenomen, concludeerde de ACM in haar concentratiebesluit dat er ook na een eventuele overname voldoende concurrentie over zou blijven. Uit het onderzoek blijkt dat afnemers uit de publieke sector op het moment van een (her)aanbesteding voldoende keuze houden uit andere IT-dienstverleners die soortgelijke diensten leveren, waaronder zowel Nederlandse als Europese aanbieders.
Wel kan het versneld onderbrengen van de dienstverlening van Solvinity bij een andere beheerorganisatie leiden tot risico’s. In het geval van Logius geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden wanneer de dienstverlening die Solvinity levert, ondergebracht wordt bij een andere beheerorganisatie. Deze periode is nodig om een andere beheerorganisatie kennis en ervaring te laten opdoen met het beheer van het platform om zo de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen te garanderen. Deze overdrachtsperiode kan pas ingaan wanneer een nieuwe contractant is geworven.
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Het kabinet ziet dat de EU erg afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese tech-aanbieders, waarbij het kabinet de bijdragen van deze aanbieders aan de Europese en Nederlandse economie waardeert en in algemene zin openstaat voor zakendoen met buitenlandse partijen. Afhankelijkheden kunnen echter ook risico’s met zich meedragen, bijvoorbeeld als er geen alternatieven beschikbaar zijn of er risico’s zijn voor ongewenste toegang tot data. Voor risicovolle strategische afhankelijkheden zet het kabinet in op mitigatie van de risico’s, bijvoorbeeld door het versterken van de Europese markt.
De gevolgen van voortzetting van het huidige eigenaarschap en andere scenario’s zijn onderdeel van de analyses die vallen binnen het TFEV-onderzoek van deze casus.
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Er wordt niet centraal bijgehouden welke overheidsorganisaties gebruik maken van diensten van niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers.
De Nederlandse overheid wil haar digitale autonomie en digitale soevereiniteit versterken om publieke waarden, veiligheid en continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van data bij niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers, kan in specifieke gevallen strategische, juridische en geopolitieke risico’s met zich meebrengen. Daarom kiest de overheid voor een risicogebaseerde, strategisch gecoördineerde aanpak.3
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Ik kan in deze openbare beantwoording niet ingaan op risico’s die er mogelijk zouden kunnen zijn ten aanzien van gegevensvergaring en stopzetting van dienstverlening. Ik verwijs u door naar de vertrouwelijke technische briefing van BTI. Inmiddels heeft de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit het besluit genomen om de overname te verbieden.
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland' |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland»?1?
Ja.
Hoe kwalificeert u het naar buiten treden van de Centrale Privacy Officer (CPO) van Logius in deze casus als het buiten de eigen rol treden door via media en procedures politieke druk uit te oefenen?
De berichtgeving in verschillende media is op persoonlijke titel gedaan en de mediaoptredens en de inhoud daarvan zijn niet afgestemd met het departement. Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Ten aanzien van de inhoud kan ik melden dat, zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer, het niet mogelijk is om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening van Logius in gevaar komt. Een dergelijk traject is langdurig en vraagt een overdracht en een zorgvuldige voorbereiding en uitvoering. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 het besluit genomen dat Logius haar contract met Solvinity mag verlengen met twee jaar. De ondertekening van deze verlenging zal begin mei 2026 plaatsvinden. Op dit moment wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden Logius haar IT-fundament zo snel mogelijk opnieuw kan gaan aanbesteden. De Landsadvocaat is nauw bij dit proces betrokken. In juni zullen wij uw Kamer in meer detail informeren.
Welke formele interne escalatiekanalen stonden voor deze functionaris open, welke van deze kanalen zijn feitelijk benut en klopt de bewering dat toegang tot de bewindspersoon of de politieke leiding is geweigerd?
In het algemeen geldt dat voor het afgeven van een signaal of het doen van een melding over een vermoeden van een integriteitsschending of misstand de meldregeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties drie mogelijkheden beschrijft. In beginsel worden signalen of meldingen gedaan bij de direct leidinggevende van een medewerker. Een medewerker kan er ook voor kiezen een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit. Tot slot kan een medewerker – desgewenst anoniem – een melding doen bij een vertrouwenspersoon. Meldingen worden vertrouwelijk in ontvangst genomen en behandeld. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het benutten van de genoemde kanalen of mogelijke acties die in individuele casuïstiek zijn genomen.
Is in deze casus formeel een melding gedaan op grond van de Wet bescherming klokkenluiders en, zo ja, onder welke kwalificatie of categorie is die melding gedaan?
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of in deze casus onderzoek wordt gedaan naar mogelijke ongeoorloofde openbaarmaking van interne informatie en, zo nee, waarom niet? Indien daarvan wel sprake is, op basis van welke normen, procedures en mogelijke disciplinaire of strafrechtelijke kaders vindt dat onderzoek plaats?
Op dit moment wordt geen onderzoek gedaan. Het stuk waaruit geciteerd lijkt, is breder binnen het departement beschikbaar is. Het is niet duidelijk hoe de informatie openbaar is geworden. Er wordt aangifte gedaan van het vermoeden van een schending van de geheimhoudingsplicht. In artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017 is vastgelegd dat ambtenaren verplicht zijn tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie, waarvan zij het geheime karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Een schending van deze verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. De aangifte is niet gericht tegen specifieke personen.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de voor ambtenaren geldende regels over contacten met de media, het in het artikel opgenomen citaat van een bron met jarenlange ervaring in de top van ministeries die volgens het artikel niet officieel met de media mocht spreken?2
Ik kan geen uitspraken doen over zaken betreffende individuele medewerkers en individuele casuïstiek. Onder andere de Gedragscode Integriteit Rijk geeft concrete kaders voor externe contacten en meningsuitingen. In algemene zin geldt dat van ambtenaren wordt verwacht dat zij zich in contacten met derden, zoals de media, horen te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. In de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren is hierover bepaald dat een ambtenaar in functionele contacten met derden, zich er rekenschap van moet geven dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de Minister. Ambtenaren handelen of spreken niet voor zichzelf, maar met het oog op het door de Minister of ministerraad vastgesteld beleid. Een ambtenaar heeft overigens wel het recht op vrijheid van meningsuiting tenzij de goede vervulling van zijn functie of de het goede functioneren van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd (artikel 10 Ambtenarenwet 2017). Wanneer daar sprake van is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Deelt u de opvatting dat politiek wordt bedreven in de Tweede Kamer der Staten-Generaal en in het kabinet, en niet vanuit de ambtelijke organisatie via mediaoptredens en rechtszaken tegen de Staat?
In onze democratische rechtsstaat hebben ambtenaren een adviserende rol en besluit uiteindelijk de politiek. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Welke disciplinaire, integriteitsrechtelijke of rechtspositionele kaders gelden wanneer een ambtenaar vertrouwelijke of interne informatie gebruikt om lopende politieke besluitvorming publiekelijk te beïnvloeden?
Onder andere Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Ambtenarenwet 2017, de Cao Rijk en de Gedragscode Integriteit Rijk bieden onder meer integriteitsrechtelijke, rechtspositionele en disciplinaire kaders voor ambtenaren. Welke kaders van toepassing zijn en hoe deze worden ingezet, is afhankelijk van de omstandigheden in een specifieke zaak.
Acht u het, gelet op deze casus, verdedigbaar dat het kabinet de regie in dit dossier heeft, wanneer ambtenaren op deze wijze naar buiten treden, de Staat aanklagen en zich daarover ook openlijk uitlaten op sociale media?3
Verwezen wordt naar de antwoorden op vraag 6, 7, 8 en 10.
Is het kabinet bereid onomwonden uit te spreken dat ambtenaren mogen waarschuwen, adviseren en, waar de wet dat toestaat, melden, maar dat zij geen parallel politiek strijdtoneel via media en procedures mogen organiseren tegen het eigen kabinetsbeleid?
Rijksbreed wordt een werkklimaat bevorderd waarbij medewerkers op de werkvloer hun vragen en dilemma’s- bij collega’s en leidinggevenden kunnen uitspreken en samen met hen kunnen onderzoeken hoe hier het beste mee om te gaan. Het bieden van ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer behoort volgens het kabinet niet alleen tot goed werkgeverschap, maar is juist ook noodzakelijk om als rijksdienst effectief te kunnen functioneren en de neutraliteit te behouden.
Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. De politieke weging kan tot een ander besluit leiden dan ambtelijk werd geadviseerd. De bewindspersoon legt daarover verantwoording af aan het parlement. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen. Ook dan besluit uiteindelijk de politiek.
Verder wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 6.
Zou u de vragen afzonderlijk van elkaar willen beantwoorden?
Ja.
Het TNO-rapport 'Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk' |
|
Daniël van den Berg (JA21), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit rapport dat de robotiseringsgraad van de Nederlandse maakindustrie achterblijft ten opzichte van internationale koplopers?
Ik deel de constatering dat Nederland wat betreft robotisering van de industrie achterblijft ten opzichte van de internationale koplopers zoals Zuid-Korea, China en Duitsland. Nederland staat wereldwijd op de twaalfde plek qua robotdichtheid, aldus het rapport. Maar de mate van robotisering moet ook worden bezien in de context van de samenstelling van de Nederlandse industrie die in vergelijking met andere landen bijvoorbeeld een betrekkelijk kleine auto-industrie heeft terwijl in deze sector wereldwijd veel robots geïnstalleerd zijn.2
Kunt u de Kamer een actuele, sectorale uitsplitsing sturen van robotadoptie in de Nederlandse maakindustrie, inclusief een onderscheid tussen het mkb en het grootbedrijf?
Deze exacte cijfers worden niet jaarlijks bijgehouden door de regering of het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2023 heeft het CBS hier een enquête over uitgestuurd. De CBS Internationaliseringsmonitor Digitalisering 2023 – III laat zien dat medium- en medium-hoog technologische bedrijven (respectievelijk 38% en 35% van de bedrijven) in Nederland vaker robots in het productieproces gebruiken dan laag- en hoogtechnologische bedrijven (respectievelijk 25% en 20% van de bedrijven). De categorie medium- en medium-hoogtechnologische sectoren omvat sectoren zoals de chemische industrie, de metaalindustrie en de elektronische industrie. Ook maken bedrijven met boven de 100 werkzame personen vaker gebruik van robots dan bedrijven met minder dan 100 werkzame personen.3 Daarnaast laat een dataset van het CBS uit 2025 over ICT-gebruik bij kleine bedrijven zien dat bedrijven met meer dan 250 werkzame personen vaker gebruik maken van robotondersteunde procesautomatisering en servicerobots of autonome voertuigen (respectievelijk 25% en 15% van de bedrijven) dan bedrijven met minder dan 250 werkzame personen (respectievelijk 2% en 1% van de bedrijven).4
Welke belemmeringen voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie wegen volgens u op dit moment het zwaarst?
Over het algemeen spelen verschillende macro-economische factoren zoals handelsbarrières, loonkosten en conjunctuur een rol. Daarnaast zijn onder meer de vaardigheden van personeel, digitale gereedheid en acceptatie van het bedrijf en de hoge investeringen met lange terugverdienkosten belemmeringen voor adoptie van robotisering. Het is lastig om aan te geven welke van deze factoren het zwaarste weegt. De mate waarin deze factoren de adoptie van robotisering verhinderen kan namelijk per bedrijf verschillen. Een bedrijf met een lagere liquiditeit zal bijvoorbeeld minder snel in robots investeren dan een kapitaalkrachtiger bedrijf.
Op welke Nederlandse evaluaties, studies of modelanalyses baseert het kabinet zijn oordeel over het effect van robotisering op arbeidsproductiviteit, leveringszekerheid en concurrentiekracht?
Er is in het recente verleden veel onderzoek gedaan naar automatisering en robotisering. Bijvoorbeeld door het Centraal Planbureau (CPB),5 het Joint Research Center (JRC) van de Europese Commissie,6 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),7 de Internationale Federatie van Robotica (IFR)8 en wetenschappelijke studies.9 In algemene zin laten deze studies zien dat robotisering in de korte termijn kan bijdragen aan gematigde productiviteitsverhoging via een hogere benuttingsgraad van productielocaties, een vermindering van fouten en snellere doorlooptijden. Effecten op productiviteitsverhoging zijn vaak vertraagd zichtbaar door implementatiekosten, organisatorische aanpassingen en leercurves van werknemers.
Op middellange termijn kan robotisering een bijdrage leveren aan het concurrentievermogen van de maakindustrie via een verbetering van de kwaliteit, schaalbaarheid en kostenefficiëntie van productie.
Op de lange termijn kan robotisering ook een bijdrage leveren aan de leveringszekerheid. Zo kunnen kostenvoordelen en hogere kwaliteit leiden tot reshoring van productie vanuit het buitenland naar Nederland en maakt robotisering ons minder afhankelijk van schaars technisch personeel. Voor leveringszekerheid is het van belang om naast robotadoptie ook enige vorm van controle te hebben over relevante software, hardware, technische (onderhouds-) skills en componenten. Een risico is namelijk dat Nederland met een hogere mate van robotisering ook meer afhankelijk wordt van de benodigde besturingssystemen, grondstoffen en onderdelen, zoals batterijen en chips.
Deze studies geven een vergelijkbaar beeld als het TNO-rapport Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk.
Welke bestaande rijksinstrumenten kunnen mkb-maakbedrijven momenteel benutten voor automatisering, digitalisering en robotisering? Kunt u ook aangeven hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt?
Het kabinet heeft, samen met de EU en de provincies de Europese Digitale Innovatiehubs (EDIH’s) verlengd tot en met 2028. De vijf EDIH’s hebben tot doel om de digitalisering van het innovatieve- en innovatievolgend mkb in vooral de maakindustrie te versnellen. Daarbij gaat het er om dat mkb-bedrijven daadwerkelijk de stap zetten naar toepassing van digitalisering, inclusief automatisering en robotisering. Hiertoe krijgen ze ondersteuning bij het in kaart brengen van hun digitaliseringsvraag, het berekenen van hun business-case en testen van technologie vóór investering, het trainen van medewerkers en management en het vinden van passende partners en financiering. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Dit is een agenda van en voor de maakindustrie om de digitalisering van het mkb te versnellen. Hiertoe worden mkb-ondernemers geactiveerd, bijvoorbeeld via bijeenkomsten, en methodieken ontwikkeld. Bewezen methodieken worden vervolgens op grotere schaal uitgerold door de EDIH’s. Een voorbeeld is de ontwikkeling van een standaard stappenplan om de digitale fabriek te realiseren. Over het bereik van de EDIH’s in de eerste periode (2023–2025) zijn voorlopige cijfers beschikbaar: Ruim 10.000 mkb-bedrijven hebben gebruik gemaakt van de diensten van de EDIH’s. De definitieve cijfers voor alle EDIH’s zijn in juli beschikbaar.
Zijn er fiscale prikkels, vereenvoudigingen van procedures en/of maatregelen die de regeldruk verlagen om robotinvesteringen te versnellen? Zoja, welke zijn het kansrijkst?
Ja, er bestaan belangrijke fiscale prikkels die innovatie en investeringen van bedrijven en ondernemers stimuleren, waaronder die in robotica, zoals bijvoorbeeld de WBSO10 en de Innovatiebox11. Daarnaast zijn er Fieldlabs zoals Robo-house die specifiek gericht zijn op robotisering.
Ten aanzien van regeldruk/administratieve lastenverlichting wordt er scherp gekeken naar mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen en onnodige regels te schrappen. Ook voor de WBSO en de Innovatiebox wordt gekeken naar hoe de aanvraag makkelijker kan. Of daarmee het investeringsproces echt versnelt is de vraag, omdat dit ook van andere factoren afhangt.
Het kabinet zet daarnaast in op structurele vermindering van regeldruk voor ondernemers. Zo is de ambitie om voor de zomer voor 500 regels de regeldruk te verminderen voor ondernemers, waarbij uw Kamer in juli over de tussenstand wordt geïnformeerd. Hierna is de kabinetsambitie om jaarlijks 500 regels voor burgers en ondernemers te schrappen of vereenvoudigen.
In de Prinsjesdagbrief (september 2026) over de WBSO wordt u verder geïnformeerd over de WBSO en de Innovatiebox, en in het bijzonder over administratieve lastenverlaging voor deze regelingen.
In hoeverre vormen energiekosten, netcongestie en langdurige vergunningsprocedures momenteel een belemmering voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie?
De energiekostenstijging heeft een beperkt effect voor sectoren die veel robots inzetten zoals de auto en elektronische industrie. In algemene zin geldt dat een kostenstijging ertoe kan leiden dat bedrijven bepaalde investeringsbeslissingen uitstellen.
De gevolgen van netcongestie worden breed gevoeld in de samenleving en de economie. Bedrijven lopen aan tegen oplopende wachtrijen voor een nieuwe of zwaardere aansluiting. Dat geldt ook voor bedrijven die een bestaande productiefaciliteit willen uitbreiden of een nieuwe faciliteit willen bouwen waarin met behulp van robotica wordt geproduceerd.
Ten aanzien van vergunningsverlening behoeft de inzet van robots in het productieproces over het algemeen geen aparte vergunning, zo lang deze aan de bestaande regels voor o.a. machines en arbeidsveiligheid voldoet. Bij de bouw van een nieuwe productiefaciliteit of een aanpassing van een fabriekshal moet een ondernemer soms wel een vergunning aanvragen, bijvoorbeeld onder de Omgevingswet.
Kunt u in kaart brengen in welke mate Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten?
Het kabinet houdt niet centraal bij in welke mate individuele Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten.
Wel brengt de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) risicovolle strategische afhankelijkheden (RSAs) in kaart op nationaal niveau. In de kabinetsaanpak en voortgangsbrieven Strategische Afhankelijkheden en de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) geeft het kabinet aan dat op basis van deze (RSA) analyses handelingsopties worden ontwikkeld om risico’s te mitigeren, zoals diversificatie van leveranciers, versterking van Europese productiecapaciteit, versterking van publiek-private samenwerking en strategische voorraden.
Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden, onder meer via Europese risicobeoordelingen van kritieke technologieën. Daarbij is ook aandacht voor risico’s van extraterritoriale wetgeving, en voor het versterken van de Europese digitale en technologische weerbaarheid.
De specifieke uitkomsten van de RSA-analyses zijn vanwege gevoeligheden niet openbaar.
Welke inzet pleegt het kabinet op het gebied van standaardisatie en interoperabiliteit bij industriële robotica en hoe wordt vendor lock-in daarbij voorkomen?
Er is geen specifieke kabinetsinzet ten aanzien van standaardisatie voor industriële robotica. In bredere zin sluit de inzet van het kabinet rondom standaardisatie aan op het Europese beleid, zoals de Europese Normalisatiestrategie.12 Zo zet het kabinet bij herziening van de Normalisatieverordening in 2026 in op het sneller ontwikkelen van Europees geharmoniseerde standaarden. Daarnaast zet het kabinet in op het vergroten van de Nederlandse en Europese invloed binnen internationale standaardisatieorganisaties om zo invloedrijk te blijven op internationaal toneel.
Hoe beoordeelt het kabinet de rol van open-sourcecomponenten in industriële robotica, mede in het licht van beheerkosten, aansprakelijkheid en cybersecurity?
Open source is een concept dat vooral een rol speelt bij de ontwikkeling en distributie van software, inclusief robotica software. Het kabinet staat in beginsel positief tegenover open source software omdat dit de mededinging, leveringszekerheid en innovatie ten goede kan komen. Tegelijkertijd kan ook commerciële software, waarbij de broncode van software proprietary is, een bijdrage leveren aan het borgen van deze publieke belangen, dus ook in de ontwikkeling van robotica software. In de praktijk zal de toepassing van open source componenten case-by-case bepaald moeten worden op zijn merites. De veiligheid en daarmee de kosten van de ontwikkeling van (open source) software worden uiteindelijk bepaald door de kwaliteit van de ontwikkelings- en onderhoudsprocessen.
Welke ondersteuning is of wordt beschikbaar gesteld aan maakbedrijven, in het bijzonder mkb-bedrijven, om verbonden robots en andere operationele technologie-systemen cyberveilig in te richten en te beheren?
Het is in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om hun bedrijfsprocessen cyberveilig te houden, als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid voor hun eigen bedrijfsvoering. Daarnaast is er ook een rol voor de overheid in het ondersteunen van bedrijven in cyberveiligheid en weerbaarheid. Nationaal Cybersecuritycentrum (NCSC)13 biedt één loket voor bedrijven met een breed scala aan bronnen om de digitale weerbaarheid van alle bedrijven in Nederland te versterken. Op grond van de subsidieregeling «Mijn Cyberweerbare Zaak» kunnen kleinere mkb-er tot 50 medewerkers subsidie krijgen voor het nemen van cybersecuritymaatregelen. Daarnaast onderzoekt het kabinet een passend vervolg op de subsidieregeling «Versterken Cyberweerbaarheid», die was gericht op het creëren van samenwerkingsverbanden en het stimuleren van uitwisseling van kennis en kunde over cyberweerbaarheid.
Daarbij moeten aanbieders van producten met digitale componenten (alle hardware, software en componenten) die na 11 december 2027 op de markt komen in het kader van de Europese Cyber Resilience Act aan essentiële cybersecurityvereisten gaan voldoen en actief informatie over incidenten en kwetsbaarheden gaan delen. De uitvoeringswet van de verordening die dit gaat regelen is aangeboden aan Staten-Generaal. Het aannemen van deze wet maakt het onder andere mogelijk voor de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) om markttoezicht te houden op fabrikanten, importeurs en distributeurs van digitale producten en voor het NCSC om een meldpunt in te richten voor incidenten en geëxploiteerde kwetsbaarheden.
Beschikt het kabinet over een actuele raming van de behoefte aan personeel met kennis van robotica, systeemintegratie, onderhoud, data en operationele technologie-cybersecurity in de maakindustrie? En sluiten de huidige mbo-, hbo- en wo-opleidingen en bestaande om- en bijscholingsinstrumenten daarop aan?
Nee. Het kabinet monitort het tekort aan technisch geschoold personeel via het Actieplan Groene en Digitale Banen. Er is met name een kwantitatieve mismatch tussen het aanbod van technisch geschoolden en de vraag op de arbeidsmarkt. Dat komt onder meer door de vergrijzing, toenemende vraag naar technisch geschoold personeel en minder leerlingen en studenten die kiezen voor een bèta- of techniekopleiding. In 2023 was 18,6% van de studenten ingeschreven in bèta- of technische opleiding, aanzienlijk minder dan het EU gemiddelde 26,9%.14
Het tekort aan talent, waaronder bètatechnici, is een belangrijke belemmering voor het Nederlandse verdienvermogen. Dit constateert ook het rapport Wennink. Alleen meer leerlingen en studenten opleiden voor technische beroepen is onvoldoende om het tekort terug te dringen. Het kabinet werkt daarom aan een nationale talentstrategie. Binnen deze strategie worden instrumenten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, gerichte migratie en fiscaliteit nadrukkelijker gericht op sectoren die cruciaal zijn voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Uw kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de Talentstrategie.
Hoe verbindt het kabinet civiele robotisering in de maakindustrie met dual-use toepassingen en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Robotisering in de civiele maakindustrie kan worden toegepast in de defensie- en dual-use industrie door relevante best practices uit het civiele domein toe te passen voor defensieproductie. Voorbeelden die al eerder publiekelijk zijn gedeeld, zijn o.a. de productie van defensiematerieel door VDL en de samenstelling en productie van onderdelen van militaire satellietcapaciteit door de bestaande toeleveringsketen van hoogwaardige productiemethoden uit de semicon industrie in te zetten.
Bent u bereid de Kamer een integrale kabinetsreactie op dit rapport van TNO te sturen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op het aspect of een nationale robotiseringsagenda noodzakelijk is?
Ik zie geen aanleiding voor een integrale reactie, te meer daar ik in onderhavige antwoorden al ben ingegaan op diverse aspecten die in dit rapport aan bod komen. Wat betreft een nationale robotiseringagenda wordt robotisering in ieder geval meegenomen in de gerichte programma’s van het industriebeleid met focus, in het bijzonder in de programma’s machinebouw en digitale diensten en AI. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Ik geef de voorkeur aan een gefocuste integrale aanpak boven een veelvoud aan aparte agenda’s.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
van Bruggen , Aerdts |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) doet geen mededelingen over eventuele lopende onderzoeken. Haar onafhankelijkheid brengt bovendien mee dat het aan de AP zelf moet worden gelaten in welke gevallen een onderzoek noodzakelijk en wenselijk is.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Over die informatie beschik ik niet. Mocht het inderdaad zo zijn dat de AP onderzoek doet, dan informeert zij het kabinet daar niet over, ook niet desgevraagd. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van externe invloed en vragen.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont, mede gezien de brede werkingssfeer van de AVG. Het komt eerder aan op naleving van de regelgeving; dat deze in voorkomende gevallen tekort schiet, is eerder toe te schrijven aan verschillende andere factoren dan aan de bepalingen in de AVG zelf.
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Omdat de NIS2-richtlijn streeft naar harmonisatie tussen de lidstaten, is in de NIS2-richtlijn bewust bepaald alleen essentiële en belangrijke entiteiten uit specifieke kritieke sectoren, subsectoren en soorten entiteiten onder het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn te brengen die zeer belangrijk zijn voor het functioneren van de economie en maatschappij. Incidenten bij deze entiteiten kunnen leiden tot verstoring of compromittering van hun dienstverlening. Deze kunnen grote economische schade veroorzaken of in sommige gevallen ook tot ontwrichting van de samenleving leiden. Bij de omzetting van de NIS2-richtlijn heeft het kabinet ervoor gekozen om niet meer te regelen dan op grond van de Europese regelgeving noodzakelijk is. Dit zou een nationale kop zijn en het kabinetsbeleid is dat er geen nationale koppen komen op Europese regelgeving.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Op grond van de zorgplicht in de Cyberbeveiligingswet moeten essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Zorgplichtmaatregelen dragen bij aan het voorkomen van een incident, het beperken van de impact van een incident, het efficiënt en effectief reageren op een incident en het zo snel mogelijk herstellen van een incident. Het risico op een datalek blijft echter altijd aanwezig en kan daarom nooit geheel worden voorkomen.
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Blauwe waterstof, CO2-opslag en publiek risico |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Kamerbrief van 14 juli 2025 over waterstof, groen gas en andere energiedragers en met de Klimaat- en Energienota 2025?1, 2, 3
Ja
Klopt het dat het kabinet nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas met Carbon Capture and Storage (CCS) wel mogelijk en in bepaalde gevallen kansrijk acht, maar daarvoor op dit moment geen aanvullend financieel instrumentarium inzet vanwege onzekere vraag, hoge kosten en een pas na circa 2035 realistisch geachte substantiële afzetmarkt?
In de beleidsverkenning koolstofarme waterstof, als onderdeel van de Kamerbrief «Voortgang waterstofbeleid» waaraan u refereert, is dit beeld geschetst. De markt voor deze projecten lijkt op korte termijn beperkt. Bestaande grijze waterstofgebruikers zetten namelijk vooral in op het toepassen van CCS op hun eigen productie-installaties. Wel zijn er potentiële nieuwe toepassingen voor koolstofarme waterstof, zoals partijen die kijken naar inzet hiervan voor het vervangen van aardgasgebruik in gascentrales, of voor hoge-temperatuur warmte in cluster 6 op plekken waar elektrificatie zeer uitdagend of niet mogelijk is. Het vervangen van aardgas voor deze toepassingen met koolstofarme waterstof kent vooralsnog relatief hoge kosten, waardoor dit alleen met significante subsidies uit kan. Op dit moment lijkt aanvullende interventie niet doelmatig. Mogelijk ontstaat op langere termijn een kosteneffectieve businesscase voor deze toepassingen van waterstof. De noodzaak hiervoor zal ook afhangen van de beschikbaarheid en kostenontwikkeling van alternatieven, zoals groen gas.
Hoe verhoudt deze terughoudendheid zich tot de forse publieke betrokkenheid bij CO2-infrastructuur, waaronder het afdekken van vollooprisico’s en de deelname van Energie Beheer Nederland (EBN) in CCS-projecten?
Zonder CCS worden de CO2-reductiedoelstellingen voor de industrie niet gehaald. Voor diverse industriële sectoren is CCS de enige manier om op korte manier te verduurzamen. Bovendien is CCS nodig voor koolstofverwijdering om klimaatneutraal te worden. Het belang van CO2-infrastructuur is daarmee breder dan alleen koolstofarme waterstof. De Staat zet daarom met diverse maatregelen in op het tijdig op gang brengen van de CCS-markt, zodat projecten kunnen bijdragen aan de CO2-reductiedoelen voor 2030.
Kunt u een integraal overzicht geven van alle directe en indirecte publieke middelen, garanties, leningen, kapitaalstortingen, Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-beschikkingen (SDE++) en overige risico’s die samenhangen met CCS-infrastructuur en projecten die voor blauwe waterstof relevant zijn?
Hieronder vindt uw Kamer een integraal overzicht van alle publieke middelen die beschikbaar zijn gesteld voor activiteiten die samenhangen met CCS.
SDE++
Voor de SDE++ is in enkele jaren subsidie toegekend aan CCS-projecten. De daadwerkelijke uitgekeerde subsidie hangt af van de ETS-prijs in het betreffende subsidiejaar. Tot nu toe is nog geen SDE++-subsidie uitgekeerd aan CCS, omdat subsidie wordt uitbetaald op basis van daadwerkelijk gerealiseerde CO2-reductie en er nog geen CCS-projecten zijn gerealiseerd die SDE++ toegekend hebben gekregen. Hieronder staat een uitsplitsing van de CCS-projecten uit de verschillende SDE++-openstellingen die op dit moment in beheer zijn. De getoonde bedragen zijn de maximale subsidieverplichtingen. De uiteindelijke kasuitgaven zullen fluctueren en naar verwachting aanzienlijk lager uitvallen. Niet alle CCS-projecten zijn automatisch relevant voor koolstofarme waterstof.
2020
€ 2,1 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2022
€ 0,2 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2023
€ 0,3 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2024
€ 1 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2025
n.t.b.
Aanvragen in behandeling
€ 8 mld. in totaal beschikbaar voor de 2025-ronde
Leningen EBN
In 2021 is een marktconforme lening verstrekt aan EBN van € 53,4 miljoen voor ontwikkeling en realisatie van het Porthos-project. In 2023 is een marktconforme lening verstrekt aan EBN van € 32 miljoen voor deelname aan de FEED-fase van de ontwikkeling van de opslaglocaties aan het Aramis-project.
Subsidies EBN
EBN heeft in 2019 € 9,8 miljoen subsidie ontvangen voor deelname aan de FEED-fase van het Porthos-project.
EBN heeft in 2021 € 8,25 miljoen subsidie ontvangen voor deelname aan de pre-FEED fase van het Aramis-project.
EBN heeft in 2023 € 6,24 miljoen, in 2024 € 24,6 miljoen en in 2025 € 10,15 miljoen subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van opslaglocaties in de Noordzee.
Kapitaalstorting EBN grotere deelname Aramis
Er is € 639,2 miljoen gereserveerd op de begroting van het Klimaatfonds voor een kapitaalstorting aan EBN om verder deel te kunnen nemen aan de Aramis-buisleiding. De middelen worden pas overgemaakt op het moment dat het investeringsbesluit voor Aramis is genomen.
Incidentiele maatwerksubsidie
Yara Sluiskil heeft een maatwerksubsidie gekregen van € 30 miljoen voor CO2-transport en -opslag (0,8 Mt/j) in Northern Lights (Kamerstuk 29 826, nr. 199).
Energie-investeringsaftrek (EIA)
Sinds 2019 hebben ca. 10 bedrijven voor 116 CCS-investeringen EIA aangevraagd. Van deze aanvragen wordt een aantal momenteel nog beoordeeld. Tot nu toe is voor deze investeringen € 65 miljoen aan EIA «uitgekeerd». Als de overige aanvragen positief worden beoordeeld, kan dit oplopen tot € 83 miljoen. Het is niet mogelijk voor een bedrijf om tegelijk van de SDE++ en de EIA gebruik te maken.
R&D-subsidie CCS internationale
samenwerkings-verbanden
Tot 2022 gold de ACT-regeling (Accelerating CCS Technologies) waarvoor per twee jaar € 4 miljoen beschikbaar was. Vanuit deze regeling is aan projecten die zijn gestart vanaf 2020 in totaal € 6,6 miljoen aan subsidie verstrekt.
Sinds 2022 geldt de CETP-regeling (Clean Energy Technology Partnerships) waarvoor jaarlijks € 3 miljoen beschikbaar is. Vanuit deze regeling is tot op heden voor € 7 miljoen aan subsidie verstrekt.
Algemene innovatiesubsidie-regelingen
Er zijn vier verschillende generieke innovatiesubsidie-regelingen die openstaan voor veel technieken, waaronder CCS. Dit betreft de TSE, EKOO, DEI+ en de HER-regeling. Er is vanuit deze regelingen € 28 miljoen aan subsidie verstrekt voor CCS-projecten met startdatum vanaf 2020.
Diverse onderzoeks-opdrachten
Sinds 2025 is in totaal € 18,45 miljoen subsidie verleend aan onderzoeken naar diverse aspecten van CCS. De opdrachtnemers hiervan zijn (samenwerkingen tussen) TNO, DNV, RIVM en KNMI.
Volloopsubsidie Aramis
In 2025 heeft het kabinet besloten om middelen vrij te maken om het vollooprisico van de Aramis-zeeleiding en de terminal CO2next gedeeltelijk af te dekken. Hiervoor is € 662 miljoen gereserveerd op de begroting van het Klimaatfonds.
Garantieregeling Porthos
In 2022 heeft het kabinet een garantie van maximaal € 175,6 miljoen verstrekt aan de initiatiefnemers van het CCS-project Porthos (EBN, Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam) om vertraging van het project en in het uiterste geval zelfs mogelijk afstel te voorkomen. Hiervoor hebben de initiatiefnemers een marktconforme premie van € 21,9 miljoen betaald in 2023. De garantieregeling is in 2023 vervallen en kan niet meer worden ingeroepen door de partijen.
Connecting Europe Facility (CEF) (Europese gelden)
In 2022 en 2023 heeft de Europese Commissie CEF-subsidies toegekend aan Aramis (€ 124 miljoen, 2023) voor de realisatie van een open-toegang CO2-transportleiding, CO2next (€ 33 miljoen, 2022) voor de ontwikkeling van een CO2-importterminal, en het Eni L10-project (€ 55 miljoen, 2023) voor de ontwikkeling van CO2-opslagcapaciteit in lege gasvelden op zee.
Innovation Fund (Europese gelden)
In 2023 heeft de Europese Commissie via het Innovation Fund € 118 miljoen aan subsidies toegekend voor de ontwikkeling van de opslagvelden op zee van Shell (K14) en TotalEnergies (L4A). Deze projecten zijn gericht op het demonstreren van veilige en schaalbare permanente CO2-opslag als onderdeel van de Europese CCS-keten.
Welke exacte definitie hanteert u voor «koolstofarme» of «blauwe» waterstof in termen van maximale ketenemissies per kilogram waterstof?
De Europese Unie heeft een geharmoniseerd EU-raamwerk opgesteld voor het definiëren van koolstofarme brandstoffen waaronder «koolstofarme waterstof» (gedelegeerde verordening (EU) 2025/2359). Kernpunt hierin is dat ten minste 70% broeikasgasemissiereductie in de productieketen moet worden gerealiseerd.
Met de term «blauwe waterstof» wordt over het algemeen gerefereerd aan waterstof geproduceerd uit fossiele grondstoffen (aardgas of anders) met toepassing van CCS. Deze term is niet specifiek gedefinieerd. Om deze reden spreekt het kabinet over koolstofarme waterstof in plaats van blauwe waterstof.
Op welke wijze worden methaanemissies in de aardgasketen, emissies uit compressie en transport en verschillen tussen binnenlands en geïmporteerd gas in die definitie en toetsing meegenomen?
De voornoemde gedelegeerde verordening neemt methaanemissies in de keten expliciet mee in de berekening van de totale broeikasgasemissies van koolstofarme waterstof. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aardgas geproduceerd in de EU en aardgas geïmporteerd van buiten de EU. Daarnaast kent de verordening een onderscheid tussen productie van koolstofarme waterstof in een geïntegreerd productieproces («incorporated process») en andere productie. In de verordening zijn standaardwaarden vastgesteld voor emissies van broeikasgassen in de keten. Voor een deel moeten deze worden toegepast, voor een deel is er ook ruimte voor het gebruik van eigen meetgegevens. Voor LNG geldt dat de emissies van vervloeiing, transport en hervergassing expliciet zijn uitgesloten van deze standaardwaarden en afzonderlijk moeten worden bepaald. De verordening verwijst voor de bepaling van methaanemissies bij productie en transport van buiten de EU naar de Methaanverordening. Als onderdeel daarvan wordt naar verwachting in 2027 een database uitgebracht met methaanemissies bij transport. Producenten mogen in de tussentijd terugvallen op literatuurwaarden. De verwachting is echter dat eventuele investeringsbeslissingen pas volgen wanneer de uiteindelijke database is vastgesteld.
Hanteert u bij CO2-afvang als maatstaf de totale emissiereductie op installatieniveau, of volstaat afvang op afzonderlijke deelstromen? Kunt u dit precies toelichten?
De SDE++, het belangrijkste instrument voor het stimuleren van grootschalige CO2-reductie, verleent subsidie aan de projecten die het meest kosteneffectief CO2 reduceren. Het Planbureau voor de Leefomgeving, dat over de belangrijkste parameters van de SDE++ adviseert, kijkt hiervoor naar de scope 1 en scope 2 emissies van de verschillende technologieën die voor SDE++-subsidie in aanmerking komen. Voor CO2-afvang betekent dit dat ook de emissies van de energie die nodig is voor het afvangen en eventueel comprimeren of vervloeien van CO2 wordt meegenomen bij de berekening van de CO2-reductie per opgeslagen ton CO2.
Welke eisen gelden voor permanente opslag, monitoring, aansprakelijkheid, eventuele lekkages en langjarige nazorg van opgeslagen CO2?
Dergelijke eisen zijn vastgelegd in onder andere de Mijnbouwwet en de EU-ETS-richtlijn (Richtlijn 2003/87/EG). Deze wet- en regelgeving bepaalt bijvoorbeeld dat vergunningen voor CO2-opslag alleen worden verleend indien de risico's van CO2-opslag – zoals het weglekken van CO2 – voldoende zijn geborgd. Vervolgens zijn de exploitant van het transportsysteem en de opslagvergunninghouder verantwoordelijk voor respectievelijk de CO2 die wordt getransporteerd en opgeslagen. Nadat het opslagveld gevuld is, wordt deze door de vergunninghouder afgesloten en gemonitord gedurende een periode van (in beginsel) 20 jaar. Daarna, en pas als genoegzaam is aangetoond dat de CO2 goed is opgeslagen, wordt de vergunning ingetrokken en gaat het beheer en de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie over op de Staat. De voormalig vergunninghouder is verplicht te voorzien in de kosten voor het beheer gedurende een periode van 30 jaar. Daarnaast gelden de aansprakelijkheidsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat de Staat kosten op de voormalig vergunninghouder kan verhalen indien er onzorgvuldig is gehandeld voorafgaand aan de intrekking van vergunning.
Kunt u per industriecluster aangeven waar u blauwe waterstof nog als reële transitieroute ziet, met welke orde van grootte aan volumes, voor welke periode en onder welke afbouwvoorwaarden?
Koolstofarme waterstof vormt een reële transitieroute met een aanzienlijk emissiereductiepotentieel bij het verduurzamen van onvermijdelijke reststromen overeenkomstig de voornoemde beleidsverkenning4. Vanwege de lage ketenemissies, de bijdrage aan strategische onafhankelijkheid en de rol in een circulaire economie, blijven deze stromen op de lange termijn relevanter dan aardgasroutes. Om deze ontwikkeling te stimuleren, wordt de SDE++-ronde 2026 uitgebreid voor productie van koolstofarme waterstof uit restgassen en restafval.
De totale potentiële CO2-reductie via koolstofarme waterstof bij bestaande installaties en via reststromen wordt geschat op ruwweg 15 megaton. Het grootste deel van dit potentieel bevindt zich in de clusters Rotterdam-Moerdijk en Zeeland, met gezamenlijk circa 700 kiloton waterstofproductie uit restgassen. Daarnaast is er een initiatief op Chemelot voor de productie van 55 kiloton koolstofarme waterstof uit restafval. De potentiële vraag in de clusters Noord-Nederland, Noordzeekanaalgebied en cluster 6 wordt lager ingeschat. Het betreft hier met name processen op hoge temperatuur die uitdagend of niet te elektrificeren zijn. De omvang hiervan is onzeker, mede omdat groen gas of hybride technologieën alternatieven kunnen zijn. Aangezien volumes op clusterniveau herleidbaar kunnen zijn tot individuele bedrijven en projecten, worden deze niet gedeeld.
Er zijn inmiddels al investeringsbeslissingen genomen voor verduurzaming van productie-installaties voor grijze waterstof, die ruim 3 megaton CO2-reductie opleveren. Hierbij wordt 50–60% van de CO2-emissies afgevangen, waardoor de geproduceerde waterstof doorgaans niet voldoet aan de Europese definitie van koolstofarme waterstof (zie beantwoording vraag 5). De Europese Commissie stelt dit echter niet als voorwaarde voor subsidie, aangezien alleen de CCS-component wordt vergoed. Dit geldt ook voor koolstofarme waterstof uit reststromen. Voor eventuele steun aan nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas is de verwachting dat wel aan deze definitie moet worden voldaan.
Klopt het dat het kabinet in februari 2025 voor ammoniakproductie een uitzonderingspercentage van 60% consulteerde, mede rekening houdend met CCS en andere vormen van koolstofarme waterstof? Op basis van welke aannames over kosten, volumes en beschikbaarheid is dat percentage gekozen?
Op 29 april jl. is het wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie bij de Kamer ingediend. Hierin is opgenomen dat het kabinet voornemens is om de ammoniaksector voor 60% uit te zonderen van deze voorgenomen jaarverplichting. In de achterliggende periode heeft het kabinet de Kamer verscheidene keren geïnformeerd over deze ammoniakuitzondering met inbegrip van de overweging van het percentage van 60% en het niet kunnen uitvoeren van de aangenomen motie om de ammoniaksector volledig vrij te stellen. Hiervoor verwijs ik naar de Kamerbrief «Voortgang waterstofbeleid» d.d. 14 juli 20255 die onder meer ingaat op de motie van Flach c.s. over de volledige vrijstelling van de ammoniaksector6. Reden voor het gedeeltelijk uitzonderen is gelegen in de beperkte technische haalbaarheid om over te stappen op hernieuwbare waterstof, zoals nader onderbouwd in de memorie van toelichting bij het voornoemd wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie. Ammoniakproducenten kunnen op andere wijze hun productieprocessen verduurzamen. Yara Sluiskil gaat jaarlijks 0,8 megaton CO2 afvangen voor opslag in Noorwegen, ondersteund door een maatwerksubsidie van € 30 miljoen. OCI verkent de inzet van koolstofarme waterstof uit afvalvergassing via het FUREC-project van RWE. Over nadere financiële gegevens worden geen uitspraken gedaan gezien het om bedrijfsgevoelige gegevens gaat.
Hoe voorkomt u dat tijdelijke inzet op blauwe waterstof feitelijk leidt tot langdurige fossiele lock-in, verdringing van elektrificatie of vertraging van groene waterstof?
Het kabinet ziet koolstofarme waterstof als een transitietechnologie voor emissiereductie. Voor de routes waarop het kabinet zich richt, is het risico op fossiele lock-in beperkt. De grootste potentie ligt in de verduurzaming van onvermijdelijke restgassen in de petrochemie. Omdat deze stromen inherent zijn aan het productieproces en in de toekomst ook een biogene oorsprong kunnen krijgen, leiden zij niet tot nieuwe fossiele afhankelijkheden. Ook voor de productie van waterstof uit restafval kan er een rol op lange termijn blijven. Bestaande waterstoffabrieken (smr-installaties) die op aardgas draaien worden ondertussen geleidelijk uitgefaseerd, gedreven door de opschaling van hernieuwbare waterstof, de resterende emissies bij toepassing van CCS en de krimp van de fossiele raffinagesector waar zij nu aan leveren. De door het kabinet voorgestelde toenemende verplichtingen voor hernieuwbare waterstof in de industrie en het vervoer versterken deze beweging weg van productie op basis van fossiel.
Het kabinet beschouwt elektrificatie als de voorkeursroute waar dat technisch en economisch haalbaar is en verwacht dat koolstofarme waterstof zich zal concentreren in sectoren zonder reëel elektrisch alternatief. Het ligt niet voor de hand om in sectoren waar elektrificatie op termijn de logische oplossing is alternatieve transitiepaden te volgen.
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks te informeren over de kosten, emissiereductie, capture rate, benuttingsgraad van CO2-infrastructuur en het publieke risicoprofiel van projecten die samenhangen met blauwe waterstof?
Deze informatie is al grotendeels via openbare rapporten beschikbaar. De jaarlijkse rapportage van de interviews met de Top-60 uitstoters, het dashboard Klimaatbeleid en de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) geven inzicht in de (verwachte) emissiereductie en capture rate, en daarmee ook de verwachte benuttingsgraad van Nederlandse infrastructuurprojecten als Porthos en Aramis. De kosten van de CCS- en koolstofarme waterstofprojecten zijn doorgaans vertrouwelijk; publieke kosten en risico’s kunnen worden gedeeld met uw Kamer.
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.