Het bericht ‘Zelenskyy threatens Israelis with sanctions over stolen grain’ |
|
Maes van Lanschot (CDA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Israëlische autoriteiten om tot tweemaal toe door de Europese Unie (EU) gesanctioneerde schepen uit de Russische schaduwvloot aan te laten meren en hen toe te staan graan uit door Rusland bezette delen van Oekraïne te exporteren?1
Ja.
Heeft u signalen dat Israël de afgelopen jaren vaker graan uit door Rusland bezette gebieden heeft geïmporteerd?
Het kabinet heeft deze signalen niet eerder ontvangen.
Hoe beoordeelt u deze stappen van de Israëlische regering en welk effect hebben die op de handhaving van sancties jegens Rusland?
Het kabinet veroordeelt stappen die bijdragen aan de illegale Russische agressieoorlog, ongeacht door wie deze worden begaan. Dat geldt ook voor de export van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne. Daarom heeft de EU extra sancties opgelegd tegen de Russische schaduwvloot, die betrokken is bij het transporteren daarvan.
Daarnaast heeft de Israëlische regering heeft op 30 april jl. ingegrepen toen bleek dat een schip met voornoemd Oekraïens graan wilde lossen in Israël. Nederland heeft richting Israël steun uitgesproken voor dit optreden.
Hoe beoordeelt u het financieren van de Russische oorlogskas in relatie tot het associatieakkoord tussen de EU en Israël, in het bijzonder artikel 2?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het aankopen van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne bijdraagt aan de financiering van de Russische agressieoorlog op het Europese continent, en daarmee indruist tegen zowel Europese veiligheidsbelangen als het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen overweegt u richting de Israëlische regering om de import van dergelijk illegaal verkregen graan te stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, in navolging van Oekraïne, te streven naar aanvullende sancties tegen de bedrijven, entiteiten en functionarissen die op deze wijze bijdragen aan export uit bezet gebied? Zo ja, maakt u dit een inzet bij het 21ste sanctiepakket? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft tot nu toe sancties ingesteld tegen vijf personen, vier bedrijven en negen schepen die betrokken zijn bij de export van graan uit de door Rusland bezette gebieden in Oekraïne. Deze sancties hebben ten doel om dit graan en daarbij betrokken personen, bedrijven en schepen van de Europese markt te weren, zonder de voedselzekerheid in derde landen te raken. Het kabinet steunt deze sanctie-inzet en draag hier actief aan bij.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, een voor een, beantwoorden?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording. Waar relevant is de beantwoording gebundeld.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Ja.
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Het totaal aantal Syrische asielzoekers per 1 april is 17.310.
Het totaal aantal Syrische statushouders per 1 april is 76.200.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Het gaat om 70.840 personen, per 1 april 2026.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Dit betreft 5.360 personen per 1 april 20262.
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Een asielaanvraag wordt op basis van de individuele merites van de zaak beoordeeld. In het geval van Syrië wordt daarbij gebruik gemaakt van het landgebonden asielbeleid. Landgebonden asielbeleid komt zorgvuldig tot stand op basis van actuele, feitelijke informatie over een land van herkomst. Op 22 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over enkele wijzigingen in het landenbeleid Syrië. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie van artikel 15c aangewezen. Voor druzen heb ik een risicoprofiel aangewezen, naast de al aangewezen risicoprofielen voor LHBTIQ+ en alawieten. Het algemene uitgangspunt dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief, is komen te vervallen.
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Ook in bovengenoemde brief van 22 april jl. en bijbehorende nota ga ik daarop in. Daar verwijs ik dan ook naar.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de vanaf 12 juni in werking tredende Kwalificatieverordening en jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds werden ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren op de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw worden bezien of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Reeds direct na de val van het Assad-regime meldden zich Syriërs bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor ondersteuning bij terugkeer naar Syrië. De DTenV heeft deze ondersteuning ook direct geboden. In de eerste maanden ging het daarbij met name om het organiseren van de daadwerkelijke terugkeer door het boeken en financieren van vliegtickets en ondersteuning bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht van vorig jaar konden Syriërs ook weer gebruik maken van de reguliere herintegratieondersteuning. Sinds de val van Assad zijn inmiddels meer dan 1400 personen3 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Onder de personen die vrijwillig zijn teruggekeerd zitten zowel personen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun asielaanvraag, personen zonder verblijfsrecht en personen in bezit van een vergunning voor (on)bepaalde tijd. Gedwongen terugkeer heeft nog niet plaatsgevonden. Wel blijven we in gesprek met de Syrische autoriteiten over het mogelijk maken van terugkeer, zowel gedwongen als vrijwillig. Nederland heeft hier in Damascus reeds op politiek en hoogambtelijk niveau gesprekken over gevoerd met de Syrische autoriteiten. Daarnaast draagt Nederland bij aan het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden en de veiligheidssituatie in Syrië zodat Syriërs die terugkeren ook duurzaam kunnen re-integreren.
Tijdens het IMRF heeft Nederland samen met Syrië een bijeenkomst georganiseerd over de vraag hoe terugkeer de wederopbouw kan ondersteunen en hoe reconstructie-inspanningen op hun beurt duurzame terugkeer mogelijk maken. De komende tijd zal de dialoog met Syrië worden voortgezet om samen tot concrete mogelijkheden voor samenwerking te komen.
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief d.d. 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid Syrië. In deze brief heb ik u laten weten dat het de inzet van het Kabinet is om tot herbeoordelen over te gaan zodra dat kan maar dat dit op dit moment nog niet aan de orde is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht opnieuw onderzoek te verrichten naar de situatie in Syrië en daarover eind dit jaar een nieuw ambtsbericht te publiceren. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien of de situatie in Syrië dermate is ontwikkeld dat er tot herbeoordelen overgegaan kan worden.
Nederland onderschrijft het door Duitsland benoemde belang van terugkeer van Syriërs. Daarbij ziet Nederland dat het investeren in wederopbouw een positieve bijdrage kan leveren aan (vrijwillige) terugkeer. Verder onderkent Nederland, net als Duitsland, dat de terugkeer van Syriërs een gunstige invloed kan hebben op het realiseren van wederopbouw. Het kabinet zet daarom in op het vrijwillig laten terugkeren van grote aantallen Syriërs, zoals ook nader toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl4.
Overlastgevend gedrag van asielzoekers is per definitie onaanvaardbaar. Daarom geven we in algemene zin ook prioriteit aan overlastgevers in het terugkeerproces. Nederland zet in dat verband ook in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10, zet het kabinet in op het laten vertrekken van zoveel mogelijk Syriërs. Het hanteert daarbij geen streefgetallen of -percentages.
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 7 en 8 zijn er reeds mogelijkheden voor ondersteuning bij vrijwillige terugkeer naar Syrië. Deze ondersteuning staat ook open voor personen met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Samen met Buitenlandse Zaken, andere EU-lidstaten en internationale organisaties wordt gekeken hoe Syrië verder kan worden ondersteund bij de wederopbouw. Daarin zal ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het bedrijfsleven in Nederland en de EU worden meegenomen alsmede de inzet van de Syrische diaspora.
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Het 'Oranje Boekje' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer het zogenaamde «Oranje Boekje» met werkinstructies voor medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) toegestuurd krijgen (of in vertrouwen inzien)?
Ja. Het «Oranje Boekje» (21 maart 2025) is als bijlage bij dit antwoord gevoegd. In het «Oranje Boekje» zijn bepalingen in de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid en het Besluit coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid uitgewerkt in beleidsregels en instructies voor de uitvoering. Het doel van het Oranje Boekje is medewerkers van de NCTV een handreiking te bieden voor een juiste en consistente uitvoering van de bij wet vastgelegde coördinatietaak. Voorbeelden met betrekking tot het interne administratieve proces, alsmede voorbeelden van producten en taakvelden die inzicht geven in aandachtsgebieden van de NCTV worden in het belang van het goed functioneren van de Staat niet aan eenieder openbaar gemaakt. Deze passages kunnen door uw Kamer vertrouwelijk worden ingezien.
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Het IMF schrijft in het rapport dat het conflict in het Midden-Oosten aanzienlijke onzekerheid creëert rondom het toekomstige ontwikkeling van de economie. Dit geldt voor de Nederlandse economie en de wereldeconomie in den brede. Toonaangevende instituten als CPB, DNB, de grootbanken en de OESO onderschrijven deze conclusies, en zo ook het kabinet.2
De energieschok die het gevolg is van het Midden-Oosten conflict zet bovendien druk op de (wereld)economie. Volgens de ramingen van het CPB komt de bbp-groei van de Nederlandse economie in 2026 uit tussen de 0,3% en 1,0%, afhankelijk van het verdere verloop van het conflict. Deze bandbreedte is in lijn met de raming van het IMF uit het rapport.
Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen structurele economische groei en conjuncturele schommelingen. De verwachte vertraging van de bbp-groei in 2026 is het gevolg van een naar verwachting tijdelijke energieschok, die los staat van de structurele economische groei. In het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 raamde het CPB een bbp-groei van 1,4% voor 2026. Dit is lager dan in 2025 (1,8%) maar hoger dan in 2024 (1,1%) en 2023 (-0,6%).
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Het coalitieakkoord3 onderschrijft dat er uitdagingen bestaan rondom het verdienvermogen van Nederland, conform het rapport-Wennink. Denk hierbij aan krapte op de arbeidsmarkt, netcongestie en bedrijfsfinanciering. Het is belangrijk dat bedrijven meer kunnen en willen investeren in de economie van de toekomst. Het kabinet heeft als ambitie dat Nederland het best investeringsklimaat van Europa heeft. U kunt meer lezen over de aanpak van het kabinet onder de vragen 12, 20, 26, 31, 34, en 35.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
De problematiek rondom netcongestie belemmert noodzakelijke investeringen voor de energietransitie. Nieuwe bedrijven of bedrijven die willen verduurzamen moeten in sommige regio’s lang wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet. Het kabinet zet met het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in op een versnelde aanpak om de problematiek terug te dringen, aan de hand van vier trajecten: 1) sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet door o.a. versnellen van vergunningen en betere regionale samenwerking, 2) betere benutting van het elektriciteitsnet door grootverbruikers door o.a. in te zetten op flexcontracten en afspraken met grote stroomverbruikers, 3) betere benutting door kleinverbruikers door het stimuleren van gebruik buiten piekuren en slimmer laden van elektrische auto’s, en 4) slimmer inzicht in beschikbare netcapaciteit door het ontwikkelen van landelijke dataproducten op beter zicht te krijgen op ruimte in het net.
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
BCG heeft in haar rapport «Klink uit de kabel» berekeningen gemaakt van de economische schade door netcongestie. Op basis van onderzoek van Ecorys (in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en data van Netbeheer Nederland heeft BCG berekend dat het oplossen van netcongestie op het laag- en middenspanningsnet zo’n 10 tot 40 miljard euro per jaar op kan leveren, verdeeld over economie, duurzaamheid en infrastructuur. Dit is gebaseerd op de bruto kostprijs, die geen rekening houdt met substitutie of adaptatie. Die bedragen kunnen nog verder oplopen als netcongestie in de komende jaren blijft toenemen en bedrijven daardoor minder investeren. Het kabinet vindt het daarom ook belangrijk om zoveel als mogelijk belemmeringen weg te nemen.
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Zie vraag 8.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Het antwoord op vraag 6 is aanleiding om deze economische baten te realiseren door maximaal in te zetten op het aanpakken van de netcongestieproblematiek en zo de belemmeren in de energietransitie weg te nemen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Het kabinet deelt met het IMF dat de stikstofproblematiek de ontwikkeling van onze economie belemmert. Mede daarom werkt het in de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof nu aan een brede en samenhangende aanpak van deze problematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
De stikstofproblematiek leidt ertoe dat vergunningsverlening grotendeels tot stilstand is gekomen. Dit is een van de oorzaken waardoor projecten in hun ontwikkeling worden belemmerd. SEO (2025) concludeerde dat stikstofbeperkingen leiden tot uitstel en afstel van investeringen en berekende een bruto effect van stikstofbeperkingen op de omzet van bedrijven van gemiddeld 4,2 miljard per jaar. Dit onderstreept de urgentie om te komen tot een aanpak waarmee de natuur wordt hersteld en Nederland weer van het slot komt. In de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan een brede en samenhangende aanpak voor de stikstofproblematiek waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Het kabinet werkt in de Taskforce Landbouw Natuur en Stikstof aan een aanpak van de stikstofproblematiek. De doelstelling hiervan is om de natuur te herstellen en stikstofemissies te verminderen waardoor op termijn er weer stap voor stap ruimte komt voor vergunningsverlening. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de verdere uitwerking van deze aanpak.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Het kabinet deelt met het IMF dat het woningtekort vraagt om een ambitieuze aanpak. Mede daarom werk het kabinet al een tijd middels de Taskforce Versnellen Woningbouw aan een Actieplan Versnelling Woningbouw, met daarin de koers richting de realisatie van 100.000 woningen per jaar en de vertaling naar een operationeel plan. In september stuurt het kabinet uw Kamer het Actieplan Versnelling Woningbouw.
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Migratie speelt, naast andere ontwikkelingen zoals kleinere huishoudens, toenemende mobiliteit en de klimaattransitie, een rol bij de druk op de woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen. Tegelijkertijd stelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat een gematigde bevolkingsgroei door migratie, gegeven de negatieve natuurlijke bevolkingsgroei als gevolg van geboortes en sterftes, van belang is in verband met de stagnerende beroepsbevolking en toenemende vergrijzing. Het kabinet zet zich in voor meer woningbouw én meer grip op alle vormen van migratie.
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Het onderzoek Primos-prognose 2025 van ABF Research stelt dat van de verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad voor de periode 2025–2039 ongeveer 45% nodig is voor de accommodatie van de bevolkingsgroei, dat voor 95% wordt gedreven door het migratiesaldo. Dat komt neer op 42,75% van de bouwopgave voor deze periode.
Daarbij geldt dat een dergelijke demografische toerekening slechts een beperkt beeld geeft van de werkelijke woningbehoefte. De behoefte aan woningen hangt niet alleen samen met de omvang van de bevolkingsgroei, maar ook met factoren als huishoudensvorming, inkomen, verblijfsduur en woonvoorkeuren. Daarnaast geldt dat de vraag naar woningen van migranten afhankelijk is van persoonlijke kenmerken, zoals o.a. verblijfsduur, en daarom niet één-op-één vergelijkbaar is met die van Nederlands ingezetenen. Laagbetaalde arbeidsmigranten delen bijvoorbeeld vaker woningen.
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Het Centraal Planbureau (CPB)4 geeft aan dat de economische effecten van migratie afhangen van individuele kenmerken zoals arbeidsparticipatie, opleidingsniveau en (complementaire) vaardigheden. Deze kenmerken verschillen per migratiemotief en per migrant, en zijn ook niet altijd zichtbaar.
Voor arbeidsmigratie concludeert het IBO Arbeidsmigratie5 op basis van het CPB-onderzoek6 aan dat de huidige samenstelling een licht positief effect heeft op de economie. Op de lange termijn is dit effect minder duidelijk omdat arbeidsmigranten en de economie zich over tijd kunnen aanpassen.
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Ik verwijs graag naar het antwoord op vraag 16.
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de analyse van het IMF. Door de maatregelen uit het coalitieakkoord stijgen de lasten op arbeid, vooral vanwege de bijdrage die van burgers en bedrijven wordt gevraagd voor extra defensie-uitgaven. Dit zorgt ervoor dat de begroting op orde blijft.
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Niet van toepassing.
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Het kabinet neemt maatregelen om de economie structureel te versterken, zoals het oprichten van een nationale investeringsinstelling en investeringen in het onderwijs. Dergelijke maatregelen leiden op termijn tot hogere productiviteit en meer werkgelegenheid, en hebben een positief effect op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal zoals gebruikelijk de effecten van beleidsmaatregelen in de gaten houden. Het kabinet blijft zich inzetten voor een goedwerkende arbeidsmarkt.
Ook zet het kabinet zich in voor de positie van werknemers en het wegnemen van belemmeringen die mensen kunnen ervaren om (meer uren) te gaan werken (zie ook het antwoord op vraag 22).
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Het kabinet heeft bij de uitwerking van het akkoord keuzes moeten maken ten aanzien van de verdeling van de lasten, rekening houdend met maatschappelijke opgaven zoals defensie. De vrijheidsbijdrage is onderdeel van deze bredere afweging. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, waarbij één van de uitgangspunten is dat werken moet lonen.
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Het kabinet blijft het uitgangspunt hanteren dat werken moet lonen. Dit betekent dat het beleid erop is gericht dat werkenden een positieve financiële prikkel ondervinden om (meer) te werken. Zo onderzoekt het kabinet maatregelen om meer uren werken lonender te maken.
Naast de hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel, blijft het kabinet zich inzetten om belemmeringen weg te nemen die mensen ervaren om (meer uren) te gaan werken en het stelsel te vereenvoudigen. Zo wordt in het Nationaal Groeifonds programma Meer Uren Werk! samen met de Universiteit van Utrecht onderzocht hoe belemmeringen om te kiezen voor meer uren werken kunnen worden weggenomen. Verder zal het kabinet zoals opgeschreven in het coalitieakkoord specifieke maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur.
Naast bovenstaande zet het kabinet de herziening van de arbeidsmarktinfrastructuur door, waarmee er in iedere arbeidsmarktregio één Werkcentrum beschikbaar komt met alle informatie rond werk en scholing voor werkenden, werkzoekenden en werkgevers. Ook lanceert het kabinet het actieprogramma «NL Werkt». Dit programma is een brede aanpak gericht op het aan het werk helpen van mensen die nu nog langs de kant staan, en op het gezond en duurzaam aan het werk houden van werkenden. In het najaar informeert de Minister van Werk en Participatie uw Kamer over de contouren van dit actieprogramma. Aanvullend hierop zal de Minister van Werk en Participatie voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers met de Kamer delen.
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Ja.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
In 2026 wordt naar verwachting 23 mld. uitgegeven aan toeslagen. Het percentage bbp wat wordt uitgegeven aan toeslagen is daarmee circa 2%. Toeslagen zorgen ervoor dat vitale voorzieningen voor miljoenen mensen in Nederland betaalbaar en toegankelijk worden gemaakt. Tegelijkertijd ben ik het met het lid Schenk eens dat het belasting- en toeslagenstelsel complex is. Door de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen is het ondoorzichtig en onvoorspelbaar geworden voor belastingplichtigen en ontvangers van toeslagen. Daarnaast vindt het kabinet de terugvorderingen die ontstaan problematisch. Dit heeft niet direct te maken met de hoogte van de toeslagen en belastingkortingen, maar met de inkomensafhankelijkheid en andere voorwaarden en definities. Het kabinet werkt daarom aan een stapsgewijze vereenvoudiging in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel en meer eenvoud in de uitvoering. Dit wil het kabinet bereiken onder meer door stapsgewijs de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit te beperken.
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Door de inkomensafhankelijkheid van belastingen en toeslagen kunnen onverwachtse veranderingen in het inkomen gedurende het jaar leiden tot meer of minder recht op bijvoorbeeld toeslagen wat kan leiden tot terugvorderingen of nabetalingen. Dit draagt niet bij aan de voorspelbaarheid van onder meer toeslagen waardoor er een onwenselijke situaties kunnen ontstaan. Mensen weten niet goed waar ze aan toe zijn waardoor zij bijvoorbeeld minder gaan werken. Datzelfde geldt voor een onoverzichtelijk belastingstelsel. Door de complexiteit van het stelsel weten belastingplichtigen niet goed wat het oplevert om meer te gaan werken.
Een van de argumenten bij de totstandkoming van het toeslagenstelsel was juist efficiëntie in de uitvoering en lagere bijbehorende kosten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de uitvoering door Dienst Toeslagen even efficiënt lijkt als de uitvoering van andere vergelijkbare uitvoeringsinstellingen. Het toeslagenstelsel gaat uit van een hoge zelfredzaamheid, maar in de praktijk is er een groep mensen die hulp nodig heeft van maatschappelijke partners om te krijgen waar ze recht op hebben en niet geconfronteerd worden met terugvorderingen.
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangegeven om drie sporen parallel uit te werken om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen, te beginnen met een stapsgewijze vereenvoudiging van het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Dit wil het kabinet bereiken door bijvoorbeeld te onderzoeken hoe begrippen en voorwaarden van inkomensondersteunende maatregelen geharmoniseerd kunnen worden, door de kinderopvangtoeslag af te schaffen en te vervangen door directe financiering van de kinderopvang en de kinderbijslag en kindgebonden budget samen te voegen in één-kindregeling. Het tweede spoor is gericht op het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen. Dit moet bijdragen aan het kunnen uitvoeren van een mogelijke hervorming. Tot slot komt het kabinet voor het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd voor verschillende onderdelen. Uitgangspunten hierbij zijn op eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid en werken moet lonen.
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoeveel Rijksmiddelen er tussen 2030 en 2050 nodig zijn, is uiteindelijk afhankelijk van de beleidsmix van normerend, beprijzend en subsidiërend beleid. In het rapport Routes naar Realisatie (Aanbiedingsbrief rapport «Routes naar realisatie» | Rijksoverheid.nl) zijn illustratieve beleidspakketten uitgewerkt, die variëren in ambitie, uitgaven en lastenontwikkeling voor de klimaat en energietransitie richting 2050. Scenario’s lopen uiteen van budgetneutraal tot € 6 miljard aan additionele jaarlijkse uitgaven.
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Internationaal concurrerende bedrijven en met name de energie-intensieve industrie kennen uitdagingen. Hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen verzwakken de internationale concurrentiepositie. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene transitie en nieuw verdienvermogen om ook op de lange termijn concurrerend te kunnen zijn, en minder afhankelijk te worden van de import van fossiele brandstoffen van buiten Europa. Het kabinet kiest voor een industriebeleid waarin concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid juist hand in hand gaan. Daarvoor is het ook belangrijk om de Europese markt effectief te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken of een ongelijk speelveld.
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten dragen bij aan een verslechtering van het vestigings- en investeringsklimaat als deze hoger zijn dan in andere landen. Het kabinet zet daarom in op een gelijk speelveld met buurlanden en aansluiting bij Europees beleid. Daarbij komt dat veel klimaatgerelateerde uitgaven noodzakelijke investeringen in de toekomstige energievoorziening zijn. Door de energietransitie zorgen we ervoor dat er in de toekomst veel hernieuwbare energie van eigen bodem beschikbaar is voor bedrijven. Dit houdt Nederland ook op de lange termijn juist een aantrekkelijk vestigings- en investeringsland. Ook zorgen we voor de ontwikkeling van voor Europa strategische kennis en sectoren. Op dit moment geeft Europa jaarlijks tegen de 300 miljard uit aan de import van fossiele brandstoffen. Door meer te investeren in energie van eigen bodem, kan een deel van deze middelen ook een impuls vormen voor de Europese economie en ons tegelijkertijd weerbaarder maken tegen geopolitieke spanningen.
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
n.v.t.
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoge energieprijzen zijn inderdaad één van de factoren waardoor de concurrentiepositie van energie-intensieve bedrijven in Nederland is verslechterd. Daarom blijft het kabinet inzetten op het verduurzamen van de industrie, om onze afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen.
In het coalitieakkoord neemt het kabinet een aantal maatregelen om in te zetten op een concurrerende en duurzame industrie in Nederland. Zo verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken. Daarnaast worden de bestaande maatwerkafspraken voortgezet en worden nieuwe maatwerkafspraken gericht op industrieclusters en regio’s. Tot slot wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft.
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Het kabinet herkent het beeld niet dat er op grote schaal sprake is van vertrek van bedrijven uit Nederland.8 Het ondernemingsklimaat is de afgelopen jaren gestabiliseerd, en bij dergelijke beslissingen is het vestigingsklimaat niet altijd de aanleiding, maar spelen vaak ook bedrijfsspecifieke redenen.
Het kabinet herkent echter wel dat bedrijven tegen hoge energiekosten en regeldruk aan lopen, en onderneemt daar daarom ook actie op. Denk bijvoorbeeld aan de Aanpak Regeldruk en aan tegemoetkoming in de indirecte kostencompensatie.
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Het kabinetsbeleid richt zich op het versterken van het verdienvermogen, innovatie en het vestigingsklimaat, binnen een context van toenemende geopolitieke concurrentie. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet dat Nederland open handel wil behouden, maar afhankelijkheden wil verkleinen. Daarmee gaat het eerder om weerbaarheid en brede economische kracht dan om een directe concurrentiestrategie tegenover specifieke landen.
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Zoals afgesproken in het Coalitieakkoord kiest het kabinet ervoor om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken door het verbeteren van het verdienvermogen van de economie. De nadruk ligt op een aantrekkelijker ondernemingsklimaat, met minder regeldruk, snellere besluitvorming en meer ruimte voor bedrijven om te investeren en te groeien. Daarbij wordt expliciet ingezet op het versterken van productiviteit en het stimuleren van ondernemerschap, zodat Nederland ook op lange termijn een concurrerende en innovatieve economie blijft.
Daarnaast legt het kabinet een sterke focus op toekomstgerichte investeringen, met name in innovatie, technologie en infrastructuur. Door extra inzet op R&D, sleuteltechnologieën en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie en arbeidsmarktkrapte, moet Nederland aantrekkelijk blijven als vestigingsland voor hoogwaardige bedrijvigheid. Het geheel is minder gericht op directe concurrentie met specifieke landen, en meer op het versterken van de structurele economische kracht van Nederland binnen een open Europese economie.
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Het kabinet zet zich in voor een groeidoelstelling van 1,5%, die breed wordt gedragen in het kabinetsbeleid en verder worden uitgewerkt in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Daarin richt het kabinet zich onder andere op het aanjagen van investeringen, via de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling en Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Ook werkt het kabinet een Talenstrategie uit, gericht op beter en gerichter opleiden, het waar nodig gericht aantrekken van internationaal talent, en het sterk verankeren van up- en reskilling op de arbeidsmarkt. Verder neemt het kabinet maatregelen voor het verbeteren van economische randvoorwaarden, zoals het versnellen van vergunningverlening voor strategische projecten, structurele investeringen in regionale innovatieclusters en het versterken van de digitale infrastructuur. Daarnaast worden regeldruk en administratieve lasten verminderd via onder andere jaarlijkse vereenvoudigingswetgeving. Ook buiten deze taskforce om richt het kabinetsbeleid zich ook op belangrijke randvoorwaarden, zoals het tegengaan van netcongestie met het Wetgevingsprogramma Stroomlijnen energieprojecten en gerichte tegemoetkomingen aan de industrie, en een aanpak voor de stikstofcrisis via de taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Om valorisatie te bevorderen worden de technology transfer offices van onderwijsinstellingen gebundeld in één nationale TTO, verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitrol van best practices. In het onderwijs investeert het kabinet in basisvaardigheden. Zo wordt er geïnvesteerd in bewezen aanpakken zoals de rijke schooldag en voor- en vroegschoolse educatie via gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Leraren krijgen aantoonbaar meer tijd voor professionele ontwikkeling en werken met bewezen effectieve kennis om de basisvaardigheden duurzaam te verbeteren.
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Het IMF spreekt in het rapport niet van structurele stagnatie van de Nederlandse economie. Het IMF spreekt wel over enkele structurele economische uitdagingen, zoals netcongestie, arbeidsmarktkrapte, het woningtekort en druk op de investeringen. Het IMF schrijft dat het coalitieakkoord terecht deze uitdagingen prioriteert en spoort het kabinet aan navolging te geven de plannen uit het coalitieakkoord.
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Niet van toepassing.
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Het IMF is een internationaal gerenommeerd instituut met hoogwaardige onderzoeken. Het kabinet leest IMF-rapporten, waar ze raken aan beleid in Nederland, en weegt haar adviezen mee in de besluitvorming.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
Het besluit van DOVA om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het samenwerkingsverband Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA) om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen?
Waarom is ervoor gekozen deze landelijke korting voor ouderen te beëindigen?
U noemde de nieuwe regeling voor kinderen «fantastisch», kunt u aangeven hoe deze reactie zich verhoudt tot het wegvallen van de landelijke ov-korting voor 65-plussers?
Welke democratische controle bestaat er op een besluit van DOVA met zulke grote gevolgen voor ouderen?
Acht u het wenselijk dat DOVA kan besluiten een landelijke regeling voor ouderen af te schaffen?
Hoeveel 65-plussers maken momenteel gebruik van de landelijke ov-korting?
Hoeveel gaan deze reizigers gemiddeld extra betalen?
Heeft u in kaart gebracht welke gevolgen dit heeft voor de mobiliteit van ouderen?
Verwacht u dat ouderen hierdoor minder gebruik zullen maken van het openbaar vervoer?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot meer eenzaamheid en minder participatie van ouderen?
Welke gevolgen verwacht u voor ouderen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer voor zaken zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk of ziekenhuisbezoek?
Wat vindt u ervan dat DOVA verwijst naar gemeenten voor gerichte maatregelen, terwijl gemeenten nu al financiële tekorten hebben?
Acht u het wenselijk dat de toegang tot een ov-tegemoetkoming straks afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont?
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot veel regionale ongelijkheden?
Heeft u voor uw enthousiaste reactie nog overleg gevoerd met de Minister van VWS en de Minister van BZK over de gevolgen van het afschaffen van de landelijke ov-korting voor ouderen op hun portefeuilles, zoals eenzaamheid, toegang tot zorg en financiële druk op gemeenten?
Heeft u zich georiënteerd op de kosten die terechtkomen bij gemeenten als zij deze korting zelf moeten regelen?
Bent u zich ervan bewust dat een grote groep ouderen die niet door de herkeuring van hun rijbewijs komen volledig aangewezen is op openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel zowel voor jong als voor oud ook terechtkomt bij mensen die dit wel kunnen betalen?
Deelt u de mening dat een generieke maatregel eenvoudig en transparant is en dat een overgang naar 342 verschillende regelingen dat niet is?
Bent u bereid met DOVA in gesprek te gaan om de landelijke ov-korting voor 65-plussers alsnog te behouden?
De dood van Karin in Nieuw-Vennep en de gevaren van open grenzen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de gewelddadige dood van Karin (59), medewerkster van ABN AMRO, die op 30 maart jl. is omgekomen op een parkeerplaats bij het station in Nieuw-Vennep?1
Klopt het dat de verdachte, Adil Q. (36), de Italiaanse nationaliteit heeft, dat hij al eerder – rond 12 maart – is aangehouden voor winkeldiefstal, en dat hij ook betrokken was bij een mishandelingszaak in Amsterdam?
Deelt u de mening dat het volstrekt onbegrijpelijk is dat iemand die al meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen en kampt met ernstige psychiatrische problematiek, gewoon vrij door Nederland kon blijven rondlopen totdat hij een vrouw het leven benam? Zo nee, waarom niet?
Was bij de Nederlandse autoriteiten bekend dat de verdachte in zijn land van herkomst behandeling voor zijn psychiatrische problematiek heeft geweigerd? Zo ja, waarom is hier destijds niets mee gedaan? Zo nee, hoe kan het dat zulke cruciale informatie niet beschikbaar was?
Is naar aanleiding van de aanhouding voor winkeldiefstal begin maart een risico-inschatting gemaakt over mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid? Zo ja, wat was de uitkomst en waarom is deze man dan niet direct aangepakt? Zo nee, deelt u de mening dat dit een ernstig gebrek aan alertheid van politie en justitie blootlegt?
Deelt u de conclusie dat dit drama een zoveelste voorbeeld is van hoe het vrije verkeer van personen binnen de EU – zonder verplichte, uniforme uitwisseling van strafrechtelijke en psychiatrische gegevens – de veiligheid van Nederlanders in gevaar brengt? Zo nee, hoe verklaart u dan dat deze man ondanks een strafblad gewoon in Nederland kon wonen en werken?
Bent u bereid zich in Brussel hard te maken voor een verplichte uitwisseling van strafrechtelijke gegevens tussen EU-lidstaten, zodat dit soort zaken niet buiten beeld blijven van de Nederlandse autoriteiten? Zo nee, hoe lang moeten Nederlandse vrouwen als Karin nog de prijs betalen voor dit gebrek aan grip op onze grenzen?
Deelt u de mening dat politie en Openbaar Ministerie in hun eigen berichtgeving open en duidelijk moeten zijn over relevante achtergrondkenmerken van verdachten, zoals nationaliteit en strafrechtelijk verleden, in plaats van dit te verhullen achter algemene termen als «arbeidsmigrant»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om buitenlanders, inclusief EU-burgers, met criminele antecedenten direct na hun (laatste) veroordeling of aanhouding ons land uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geweldsmisdrijven in de afgelopen vijf jaar waarbij EU-arbeidsmigranten met een strafblad en/of bekende psychiatrische problematiek betrokken waren? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Op welke termijn kunt u de Kamer nader informeren over deze zaak en over concrete maatregelen om herhaling te voorkomen?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Piloot Pascal heeft baan gevonden, maar mag door extreme vertraging vliegbrevetten niet vliegen: «Kosten van mijn opleiding exorbitant hoog geweest»»?1
Herkent u het beeld dat de ILT-Luchtvaartautoriteit kampt met ernstige achterstanden bij de afgifte van vliegbrevetten, bevoegdverklaringen en andere luchtvaartdocumenten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Hoe groot zijn de huidige achterstanden bij de ILT-Luchtvaartautoriteit? Kunt u deze uitsplitsen naar eerste brevetaanvragen, bijschrijvingen (ratings), verlengingen, medische certificaten en overige luchtvaartdocumenten? Wat zijn daarbij de gemiddelde en maximale doorlooptijden per categorie?
Klopt het dat aanvragers in individuele gevallen is meegedeeld dat aanvragen pas uiterlijk op of rond 1 maart 2027 worden afgehandeld? Zo ja, hoe vaak is dit voorgekomen en hoe verhoudt zich dit tot de wettelijke beslistermijnen uit de Algemene wet bestuursrecht?
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de ontstane achterstanden? Kunt u aangeven in welke mate deze worden veroorzaakt door personele capaciteit, ICT-systemen, organisatorische veranderingen of andere factoren?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat piloten die hun opleiding succesvol hebben afgerond of een aanvullende bevoegdheid (rating) hebben behaald, uitsluitend door administratieve vertragingen bij de overheid niet aan het werk kunnen of hun werkzaamheden niet mogen uitvoeren? Welke gevolgen heeft dit volgens u voor de arbeidsmarkt, de luchtvaartsector en de concurrentiepositie van Nederland?
Klopt het dat de tijdelijke bevoegdheid die na een succesvol praktijkexamen kan worden afgegeven, bedoeld is om de periode tot afgifte van het definitieve brevet of de definitieve bijschrijving door de ILT te overbruggen? Wat is de beoogde maximale overbruggingsperiode van deze regeling?
Herkent u het beeld dat de tijdelijke bevoegdheid in een toenemend aantal gevallen verloopt voordat de ILT de aanvraag heeft afgehandeld? Hoe vaak is dit het afgelopen jaar voorgekomen?
Klopt het dat hierdoor vliegers in sommige gevallen opnieuw een praktijkexamen moeten afleggen of een nieuwe tijdelijke bevoegdheid moeten aanvragen, uitsluitend doordat de administratieve afhandeling langer duurt dan de geldigheidsduur van de tijdelijke bevoegdheid? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Welke extra administratieve lasten en kosten brengt deze situatie volgens u met zich mee voor piloten, vliegscholen, examinatoren en luchtvaartmaatschappijen?
Welke maatregelen heeft u sinds het ontstaan van de achterstanden genomen om de dienstverlening van de ILT-Luchtvaartautoriteit te verbeteren? Welke resultaten hebben deze maatregelen tot nu toe opgeleverd?
Welke aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om de achterstanden weg te werken en ervoor te zorgen dat de ILT weer binnen de wettelijke beslistermijnen opereert?
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, te bezien welke mogelijkheden er zijn om te voorkomen dat volledig gekwalificeerde piloten en vlieginstructeurs onnodig aan de grond blijven staan als uitsluitend de administratieve afhandeling door de ILT nog niet is afgerond? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer vóór het einde van het zomerreces informeren over de omvang van de achterstanden, de getroffen maatregelen en een planning waaruit blijkt wanneer de ILT weer aan de wettelijke beslistermijnen zal voldoen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Taxifraude met handremmethode |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse taxibranche luidt noodklok om fraude: chauffeurs hanteren »handremmethode» om exorbitante prijs te kunnen rekenen»?
Klopt het dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de opstapmarkt van het consumententaxivervoer, terwijl de bestelmarkt grotendeels onder het landelijke toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) valt? Zo ja, acht u deze verdeling van verantwoordelijkheden nog passend, mede in het licht van effectiviteit van toezicht en handhaving?
Hoeveel meldingen van taxigerelateerde fraude zijn de afgelopen vijf jaar ontvangen door de ILT? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar jaar en, voor zover mogelijk, naar het opstapmarkt- en bestelmarktsegment?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de bestelmarkt? Welke instrumenten en bevoegdheden heeft de ILT daarbij tot haar beschikking en gaat daar voldoende afschrikkende werking vanuit?
Zijn er aanwijzingen dat de huidige verdeling van toezicht tussen gemeenten en de ILT in de resp. marktsegmenten leidt tot lacunes in toezicht, handhaving of informatie-uitwisseling? Deelt u de opvatting dat fraudeurs geen misbruik mogen kunnen maken van verschillen in toezicht tussen beide marktsegmenten?
Deelt u de opvatting dat consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de ritprijs eerlijk tot stand komt en dat taxiondernemers die zich aan de regels houden niet mogen worden weggeconcurreerd door collega's die dat niet doen?
Herkent u dat de aanbevelingen uit het evaluatierapport dat in januari 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, nog niet zijn opgepakt?
Klopt het dat op 30 september 2025 een groot aantal gemeenten een brief hebben gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, waarin zij hun zorgen uiten over de huidige Wet Personenvervoer 2000 en hebben verzocht om een wetswijziging?
Klopt het dat zij aangeven dat er de facto nog maar één straattaximarkt is? En dat de meeste chauffeurs zowel rijden via een standplaats (als onderdeel van de opstapmarkt) als via een app of centrale (de «match» voor de bestelmarkt), bijvoorbeeld door de lichtbak achter in de kofferbak te leggen?
Is het wettelijke onderscheid tussen opstap- en bestelvervoer nog van deze tijd?
In hoeverre is dat verschil zichtbaar en voor toezichthouders van ILT, gemeenten en politie mede door deze wisseltruc werkbaar?
Herkent u dat het onderscheid tot een grijs gebied leidt waarin chauffeurs zich kunnen onttrekken aan toezicht en kwaliteitseisen? Met misstanden als ritweigering, opstoppingen, omrijden, prijsmanipulatie via apps, afwezigheid van bonnen of klachtenprocedures, niet op de meter rijden tot gevolg?
Herkent u dit als bevestiging dat de bestaande regelgeving niet langer goed aansluit bij de praktijk van de hedendaagse taximarkt?
Wat is uw inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van deze gemeenten?
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, zodat de pakkans wordt vergroot, fraudeurs sneller worden opgespoord en een gelijk speelveld voor taxiondernemers op zowel de opstapmarkt als de bestelmarkt wordt gewaarborgd? Bijvoorbeeld een wetswijziging?
Bent u daarnaast bereid te bezien of de huidige verdeling van toezichtstaken tussen gemeenten en de ILT nog aansluit bij de huidige taximarkt en, indien dat niet het geval is, met voorstellen te komen om toezicht en handhaving effectiever te organiseren?
Zou het laten vervallen van het onderscheid tussen opstap- en besteld vervoer, zodat voor dezelfde dienst dezelfde wettelijke uitgangspunten gelden een goede maatregel zijn?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van dinsdag 13 oktober 2026?