Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Ik ben bekend met de beschrijving hierover in het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Het is aan de rechter om te beoordelen of er bij de handelwijze van incassobedrijven zoals Alektum sprake is van misbruik van procesrecht. Dit zal per individueel geval door de rechter moeten worden beoordeeld.
Hieronder benoem ik een aantal verschillende (wettelijke) waarborgen in het rechtssysteem die ervoor zorgen dat het incasseren van private vorderingen goed verloopt en er geen misbruik wordt gemaakt van het procesrecht. Deze waarborgen zien zowel op de buitengerechtelijke incassofase als op de gerechtelijke fase.
In het algemeen geldt dat een schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar dienen te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat geldt evenzeer voor incassodienstverleners.
Per 1 april 2024 geldt de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Deze stelt eisen aan incassodienstverleners, onder meer voor de communicatie met schuldenaren, de informatie die aan hen moet worden verstrekt, de administratie van dossiers en de deskundigheid van personeel. De Wki is van toepassing op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die worden verricht bij in Nederland woonachtige natuurlijke personen voor een derde of na overdracht van een vordering. Dit betekent dat wanneer een partij voor of als rechtsopvolger van de (oorspronkelijke) schuldeiser een vordering buitengerechtelijk probeert te incasseren bij een natuurlijk persoon, deze werkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki vallen.2 Onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wordt onder andere verstaan het bellen en/of schriftelijk aanmanen van de schuldenaar, ongeacht of hiervoor bij de schuldenaar kosten in rekening worden gebracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt toezicht op naleving van de eisen die de Wki aan deze ondernemingen stelt.
Als een vordering niet buitengerechtelijk wordt voldaan, kan de schuldeiser een gerechtelijke procedure starten. Het uitgangspunt is dat eenieder in beginsel toegang heeft tot de rechter, zolang diegene voldoende belang bij een rechtsvordering heeft.3 Het burgerlijk procesrecht bevat meerdere wettelijke waarborgen die moeten voorkomen dat partijen procederen zonder deugdelijke onderbouwing of wanneer zij daar, gelet op de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, in redelijkheid geen belang bij hebben («geen belang, geen actie»). Van misbruik van procesbevoegdheid is niet snel sprake. Het enkele feit dat een vordering weinig kans maakt, levert geen misbruik van procesrecht op. De rechter kan besluiten om een vordering af te wijzen indien wordt geconstateerd dat er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht.4 Hiervan kan sprake zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden en hij in redelijkheid niet tot het instellen van de rechtsvordering had kunnen komen.5 De rechter past dit principe terughoudend toe, gelet op het belang van de toegang tot de rechter.
Daarnaast kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Hierbij wordt een schuldenaar zonder voorafgaande mogelijkheid tot een buitengerechtelijke oplossing gedagvaard. Indien daarvan sprake is, kan dit aanleiding zijn voor een afwijkende proceskostenveroordeling, omdat van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij geen onnodige kosten veroorzaakt.
De rechter kan voorts een hardheidsclausule toepassen bijvoorbeeld wanneer enkel wordt geprocedeerd om een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een overeengekomen betalingsregeling niet zou worden nagekomen, of wanneer – zoals hiervoor toegelicht – sprake is van rauwelijks dagvaarden.6
Daar komt bij dat rechters in zaken ter bescherming van consumenten ambtshalve toetsen of personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (handelaren) hebben voldaan aan de dwingendrechtelijke verplichtingen van het consumentenrecht. Dit omvat onder meer de toetsing van algemene voorwaarden (oneerlijke bedingen) en de naleving van wettelijke informatieplichten, zoals onder andere de correcte toepassing van de wettelijke incassokosten en de onderbouwing van de gevorderde kosten. Indien deze verplichtingen niet zijn nageleefd, kan de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Schulden mogen geen verdienmodel zijn. Alle stappen binnen de keten zijn opzichzelfstaand gerechtvaardigd, maar kunnen als
optelsom soms tot excessen leiden. In de Kamerbrief Aanpak Civiele invordering Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798. zijn maatregelen aangekondigd, waaronder het collectief afbetalingsplan, de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders en de herziening van de financierings- en tariefstructuur van gerechtsdeurwaarders. Deze maatregelen zijn erop gericht om de kostenoploop voor de schuldenaar te beperken en onwenselijke verdienprikkels in het invorderingsproces tegen te gaan. In lijn met de toezegging aan uw Kamer is recent de wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) door het WODC gestart.7 De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van de maatregelen.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 29 maart 20248 uiteen is gezet, is de verkoop en overdracht van vorderingen een gebruikelijke handeling in het handelsverkeer die bijdraagt aan solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen. In die brief is uiteengezet dat de verkoop van vorderingen een breed palet aan varianten omvat en ook veel positieve effecten heeft. Daarbij komt dat de oploop van kosten in het traject van invordering geen verband houdt met de verkoop van de vorderingen, maar met de inning van een vordering. Verdere kostenoploop door invorderingsmaatregelen die niet meer bijdraagt aan het komen tot betaling van de hoofdsom kan leiden tot een ongewenst verdienmodel.9 De maatregelen zijn er dan ook op gericht deze kostenoploop aan te pakken.
Tevens verzocht de motie Ceder c.s. om concrete maatregelen uit te werken waarmee de te vorderen rente bij schulden jegens consumenten wordt gemaximeerd. Dit onderwerp is ook aan de orde gekomen tijdens het Commissiedebat armoede- en schuldenbeleid op 22 mei 2025.10 De voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft aan de Kamer toegezegd om te identificeren of er situaties zijn waarin sprake is van disproportionele renteoploop die in het individuele geval door het wettelijk kader onvoldoende geadresseerd kan worden. Hierbij is specifiek het veld (evenals uw Kamer) uitgenodigd om casuïstiek aan te reiken. Tot dusver zijn er nog geen concrete casussen gemeld.
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Ik ben bekend met het feit dat Klarna verschillende sets algemene voorwaarden hanteert voor de uiteenlopende betaalmethoden die zij aanbiedt.12 Een van die betaalmethoden betreft Buy Now Pay Later (hierna: BNPL). Hierbij gaat Klarna als BNPL-aanbieder een kredietovereenkomst aan met de consument én neemt daarbij de vordering over uit de consumentenovereenkomst (een koopovereenkomst of overeenkomst tot het verrichten van diensten) van de handelaar (derde partij) waarmee de consument de consumentenovereenkomst is aangegaan.13
Doordat sprake is van overdracht van een vordering vallen eventuele door Klarna verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voortvloeien uit BNPL-overeenkomsten onder de reikwijdte van de Wki en rust op Klarna in beginsel een registratieplicht. Klarna staat op het moment dat deze vragen worden beantwoord niet in het register van incassodienstverlening.14 Ik hecht eraan te benadrukken dat het oordeel of het bedrijf voldoet aan de verplichtingen die de Wki stelt bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid ligt en niet bij mij.
De toezichthouder kan op grond van artikel 3 Wki (de registratieplicht) handhavend optreden. Verder is de registratieplicht strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten.
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, ik ben bekend met het versturen van dergelijke betalingsherinneringen en aanmaningen. In de door vier BNPL-aanbieders opgestelde Gedragscode BNPL is onder meer afgesproken dat consumenten kosteloos minimaal één betalingsherinnering ontvangen. Zoals in antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, vallen het opnemen van contact en het sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen voor een derde of na overdracht van een vordering onder de Wki.15
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Ja, de Wki heeft betrekking op de uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden met betrekking tot voldoening door in Nederland woonachtige natuurlijke personen (zie vraag 6). De enige structurele uitzondering betreft publiekrechtelijke incassanten zoals het CJIB en de zogenoemde zelfincassanten. Dit zijn de primaire schuldeisers die de eigen vorderingen zelf innen in plaats van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden uitbesteden aan een geregistreerde incassodienstverlener. Dat wil zeggen dat op deze partijen geen registratieplicht rust. Deze schuldeisers dienen zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Nee, dat klopt niet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is niet in gesprek met Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Dat acht ik ook niet wenselijk. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb benadrukt, is dit ook niet aan mij. Wel heeft mijn ministerie een toelichting gegeven aan onder andere Klarna over de civielrechtelijke gevolgen en wat in de memorie van toelichting bij de Wki is opgenomen over de definitie van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, ongeacht of voor deze werkzaamheden kosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar. Dit nadat in een regulier overleg met de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) was aangegeven dat schuldeisers een belangrijke rol hebben in het naleven van de wet door enkel incassowerkzaamheden te laten verrichten door geregistreerde partijen. Ook omdat hier vanaf 1 oktober 2026 civielrechtelijke gevolgen aan verbonden zijn die ook impact hebben op de schuldeisers zelf.
Omdat het gesprek een toelichtend karakter had en niet zag op een beoordeling van de werkwijze van Klarna, is ervoor gekozen de Inspectie niet bij het gesprek te betrekken.
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 9 en 10 heb ik geen overleg gehad met Klarna over haar naleving van de Wki.
Op grond van artikel 4 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), is het verboden voor incassodienstverleners zonder geldige registratie buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten of aan te bieden. Dit wordt eveneens benadrukt in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In dit kader wil ik toevoegen dat het van groot belang is dat ook BNPL- partijen (waaronder Klarna) zich alsnog inschrijven als zij hun incassowerkzaamheden in de toekomst willen continueren.
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Ja, het overtreden van de registratieplicht is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten.17 Het Openbaar Ministerie (hierna OM) is bevoegd hiertegen op te treden. Iedereen die een vermoeden heeft van het niet naleven door een incassobedrijf van de registratieplicht in de zin van de Wki kan daarvan aangifte doen bij de politie.
De Inspectie JenV ziet erop toe dat de incassosector de registratieplicht naleeft en heeft eveneens een meldpunt Wki, zodat burgers met individuele problemen met een incassodienstverlener hiervan melding kunnen maken.18
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
De Inspectie JenV beschikt over verschillende handhavingsinstrumenten, waaronder de last onder dwangsom, bestuurlijke boete en doorhaling en/of schorsing van een registratie. Naast dit formele handhavingsinstrumentarium beschikt de Inspectie JenV ook over informele instrumenten zoals het voeren van een normoverdragend gesprek met een onderneming en het uitdelen van waarschuwingen. In het geval het geboden is om strafrechtelijk op te treden, is het OM aan zet.
De Inspectie heeft in 2025 tot op heden vijftien keer geïntervenieerd naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. In elf gevallen betrof het de inzet van een informeel handhavingsinstrument (waarschuwingsbrief en/of normoverdragend gesprek) en in vier gevallen de inzet van een formeel handhavingsinstrument (last onder dwangsom of bestuurlijke boete).
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
De Inspectie JenV heeft bij het ministerie kenbaar gemaakt dat zij voor een effectieve uitvoering van haar toezichtstaak aanvullende instrumenten en capaciteit wenselijk acht. In 2026 heb ik, net als vorig jaar, met het oog op een effectieve uitvoering extra middelen beschikbaar gesteld voor de Inspectie JenV ter ondersteuning van haar toezichttaak, waaronder voor uitbreiding van capaciteit en het Meldpunt Wki van de Inspectie JenV.
Ook herkent de Inspectie JenV dat de reikwijdte van de Wki in de praktijk tot vragen en knelpunten leidt. In dat kader wil ik benoemen dat de Invoeringstoets Wki waarin de knelpunten uit de uitvoeringspraktijk zijn geïnventariseerd nagenoeg af is en dat ik momenteel werk aan de kabinetsreactie daarop. De reikwijdte van de wet vormt een expliciet onderdeel van deze toets. Ik verwacht de resultaten dit voorjaar aan uw Kamer te sturen. Ik wil hier nog niet op vooruitlopen. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wetgeving voldoende instrumentarium biedt om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zal de opgedane ervaring in de praktijk met het toezicht de komende periode moeten uitwijzen of deze instrumenten in de uitvoering toereikend zijn.
Op basis van deze bevindingen kan bij de evaluatie van de wet worden beoordeeld of aanvullende regelgeving en toezicht noodzakelijk is. Bovendien treedt het laatste onderdeel van de wet – de civielrechtelijke gevolgen – pas op 1 oktober 2026 in werking.
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Zie antwoord vraag 14.
De inspectierapporten van Jeugdbescherming Noord, Gelderland en West en het functioneren van het Keurmerkinstituut (KMI) |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over Jeugdbescherming Gelderland(JBG), Jeugdbescherming West (JBw) en het eerdere rapport over Jeugdbescherming Noord (JBN)?1, 2, 3
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat de IGJ bij alle drie de instellingen tot nagenoeg dezelfde structurele tekortkomingen komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid (in het vervolg: de inspecties) hebben op basis van risicoselectie bij vijf instellingen (waaronder de drie door u aangehaalde instellingen) verdiepend onderzoek uitgevoerd. De Inspecties hebben deze GI’s geselecteerd op basis van de bij hen beschikbare toezichtinformatie en op basis van het beeld uit de GI-monitor van 1 oktober 2024 van het Ministerie van JenV over wachttijden, personeelsbezetting en tijdige inzet van passende hulp. Het is gezien de selectie op basis van deze risico’s voorstelbaar dat bij deze instellingen vergelijkbare problemen zijn geconstateerd, zoals «geen vaste jeugdbeschermer», krapte in de personeelsbezetting en onvoldoende passende hulp. In totaal hebben de inspecties bij vijf van de dertien GI’s verdiepend onderzoek uitgevoerd. Bij deze GI’s deden zich ruim 70% van alle wachtlijsten voor op 1 oktober 2024.
De inspecties geven aan dat de belangrijkste oorzaken van de problemen gelegen zijn in arbeidsmarkttekorten en in tekorten bij de jeugdhulp die noodzakelijk is bij het uitvoeren van jeugdbescherming. De inspecties geven aan dat hierbij sprake is van stelselproblematiek, in de zin dat oplossingen veelal buiten de invloedssfeer van de individuele instellingen liggen. De inspecties geven daarnaast aan dat GI’s wel aan de slag moeten met oplossingen die wel binnen hun invloedssfeer liggen en die te maken kunnen hebben met de wijze van organiseren van de betreffende GI.
Naast de meer bedrijfsmatige aspecten waarin verbetering mogelijk is, is er een structurele verandering van de gezamenlijke werkwijze in de jeugdbeschermingsketen nodig om tot verbeteringen te komen. Hieraan werken we via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming, de Hervormingsagenda Jeugd en de verbetering van de rechtsbescherming. De inspecties roepen het Rijk op om de implementatie van het Toekomstscenario voortvarend ter hand te nemen zodat de opbrengsten van deze aanpak zo snel mogelijk ten goede komen aan de gezinnen. De werkwijze die hierin beoogd wordt, is om al in een vroeg stadium kinderen én gezinnen te helpen met hun problemen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor kinderbescherming noodzakelijk wordt. Met deze aanpak wordt ook beoogd de druk op de jeugdbescherming te verminderen waardoor er meer ruimte komt om de kinderen waarvoor nog wel een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, adequaat te kunnen helpen en beschermen.
Welke lessen trekt u uit het gegeven dat het hierbij gaat om verschillende regio’s, maar telkens dezelfde patronen zichtbaar worden (geen vaste jeugdbeschermer bij start, wachttijden, gebrekkige analyse en planvorming, onvoldoende passende hulp)?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze tekortkomingen volgens u vooral te maken hebben met capaciteitstekorten of/en in hoeverre deze ook met cultuur, organisatie en bestuurlijke keuzes binnen de gecertificeerde instellingen (GI’s) zelf te maken hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de analyse dat er een bredere systemische/culturele oorzaak speelt die verder reikt dan alleen personele onderbezetting?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht is gesteld, terwijl Jeugdbescherming Gelderland en Jeugdbescherming West, waar dezelfde tekortkomingen spelen, dat (nog) niet zijn?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij afgewogen hebben wat effectieve interventies zijn om de normafwijkingen te verhelpen. Het uitgangspunt is dat handhaving bij een instelling niet effectief is als de oorzaken van de normafwijkingen buiten de invloedssfeer van de instelling liggen. De inspecties hebben daarom afgewogen welke oorzaken van de normafwijkingen binnen de invloedssfeer van de instellingen zijn en welke daarbuiten liggen. Bij vier van de vijf bezochte instellingen komen de inspecties tot de conclusie dat de oorzaken van de normafwijkingen grotendeels buiten de invloedssfeer van de instelling liggen (zoals de arbeidsmarktproblematiek en het ontbreken van een toereikend hulpaanbod).
Bij Jeugdbescherming Noord geven de inspecties daarnaast aan ook interne oorzaken te zien. Vanwege de ernst en de hoeveelheid van de tekortkomingen en de opgave die het bestuur heeft om verbeteringen door te voeren die binnen de eigen invloedssfeer van de organisatie liggen, vonden de inspecties het noodzakelijk om Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht te stellen.
De inspecties geven tot slot aan in alle rapporten te hebben benoemd dat zij er geen vertrouwen in hebben dat de GI’s erin slagen om alle geconstateerde normafwijkingen op korte termijn weg te nemen. Onderliggende oorzaken liggen deels buiten de invloedssfeer van de GI’s en zijn het gevolg van problemen in het jeugdbeschermingsstelsel. De oorzaken waar het bestuur wel invloed op heeft, moeten snel aangepakt worden.
Welke criteria hanteert de IGJ bij het bepalen of verscherpt toezicht nodig is?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de aard en de ernst van de normafwijking en het vertrouwen in de verbeterkracht van de instelling meewegen. De verbeterkracht hangt niet alleen samen met «goed bestuur», maar ook met de (on)mogelijkheid te verbeteren als gevolg van externe factoren.
Ziet u verschillen in bestuurscultuur tussen de instellingen en welke rol speelt dit bij het verschil in oordeel?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de bestuurscultuur beoordeeld hebben onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen hebben in de rapporten. Zij beoordelen dit in hun rapport (van 24 juli 2025) bij Jeugdbescherming Noord als grotendeels onvoldoende, bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat voor jeugdbescherming en jeugdreclassering opnieuw heeft verleend aan Jeugdbescherming Noord (JBN)?4
Ja
Hoe kan het dat instellingen als JBN, JBG en JBw, ondanks certificering door het KMI, zulke ernstige tekortkomingen kennen? Kunt u verklaren waarom de tekortkomingen bij JBw en JBG wel door de IGJ zijn geconstateerd en niet door het KMI, terwijl het KMI regelmatig audits doet en de IGJ minder vaak toetst?
Beide instanties hebben andere rollen en bevoegdheden. De certificerende instelling (CI), in dit geval het Keurmerkinstituut (KMI), toetst aan de normen die zijn vastgelegd in het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagement-systeem van GI’s5. De inspecties houden toezicht op de uitvoering van de GI’s volgens de wettelijke eisen. Het KMI toetst het kwaliteitsmanagementsysteem (KMS) van een GI en toetst of die GI voldoende «in control» is om haar wettelijke taken voldoende uit te kunnen voeren. Hierbij kan de volgende vergelijking worden gemaakt: het KMI is als het ware het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen die toetst of iemand rijvaardig is en de IGJ is dan als het ware de politie, die zicht heeft op het feitelijke rijgedrag en ingrijpt bij een overtreding.
In het concrete geval van JBN hebben de inspecties begin maart 2025 bij JBN toezicht uitgevoerd. Het KMI heeft begin september 2025 een audit uitgevoerd. Op dat moment had JBN al negen maanden gewerkt aan de noodzakelijke verbeteringen ten behoeve van het certificaat.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit en waarde van de certificering door het KMI, gezien deze discrepantie? Deelt u de mening dat als het KMI deze tekortkomingen niet ziet er iets mis kan zijn met het toezicht en de audits? Kunt u zich indenken dat ouders en gemeenten zich ongerust maken als blijkt dat het toezicht dergelijke belangrijke zaken niet signaleert en toch certificeringen afgeeft?
Ik deel niet de mening dat er sprake is van een discrepantie. Het KMI en de inspecties kijken naar andere aspecten van kwaliteit; zie ook het antwoord op vraag 10. Door verschillende doelstellingen van de inspecties en het KMI, is het dus mogelijk dat KMI en inspectie tot verschillende conclusies komen. De hercertificering bij JBN is volgens de geldende procedures voor certificering verlopen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit niet op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, en ook niet dat «men bij andere GI’s misstanden over hoofd ziet». Ik begrijp dat het voor ouders en andere betrokkenen verwarrend kan zijn dat beide vormen van toezicht naast elkaar bestaan maar ze dienen een ander doel.
Kunt u zich voorstellen dat ouders die te maken hebben met JBN zich zorgen maken over de juistheid van de hercertificering als blijkt dat men bij andere GI’s dezelfde misstanden over het hoofd zien? In hoeverre kunnen ouders, gemeenten en andere toezichthouders erop aan dat het bij JBN nu allemaal klopt terwijl de zelfde misstanden elders gemist zijn?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u uitleggen hoe het toezicht op het KMI zelf is ingericht en hoe de onafhankelijkheid van dat toezicht wordt geborgd?
Het KMI is een zelfstanding bestuursorgaan (zbo) en voert haar wettelijke taak onafhankelijk uit. De IGJ houdt toezicht op het functioneren van het KMI. Hiernaast is het KMI als certificerende instelling geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze accreditatie borgt dat het KMI voldoet aan de internationale normen voor deskundigheid en onpartijdigheid op gebied van certificering. De RvA – die ook een zelfstandig bestuursorgaan is – beoordeelt periodiek of het KMI aan deze eisen voldoet.
Hoe weegt u het IGJ-rapport van oktober 2023, waarin werd gesteld dat het KMI onvoldoende transparant is in zijn afwegingen en gevoelig lijkt voor politieke en bestuurlijke druk?5
Voor dit antwoord verwijs ik naar de beleidsreactie op het genoemde rapport van de inspectie die is opgenomen in de brief over jeugdzorg van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 oktober 20237.
Bent u het eens met de constatering van de IGJ dat hierdoor de onafhankelijkheid en navolgbaarheid van de certificeringsbesluiten in het geding zijn? Graag een inhoudelijke reactie.
Ik deel die constatering niet. De bevindingen van de IGJ laten zien dat er verbetering nodig was in transparantie en motivering, maar dat betekent niet dat de onafhankelijkheid en de navolgbaarheid van certificeringsbesluiten in het geding zijn geweest. De aanbevelingen van de IGJ zijn betrokken bij de aanbesteding van de certificerende instantie om daarmee tot een betere transparantie en motivering van besluiten van de certificerende instelling te komen.
In hoeverre herkent u signalen dat bestuurlijke druk een rol speelt bij certificeringsbesluiten van het KMI? Kunt u uw antwoord motiveren?
Ik herken die signalen niet. Certificeringsbesluiten dienen plaats te vinden op basis van het vastgestelde normenkader. Het KMI dient haar taak onafhankelijk uit te voeren volgens de accreditatie-eisen en wettelijke kaders waaraan het KMI is gebonden. De Raad voor Accreditatie houdt toezicht op de uitvoering volgens die accreditatie-eisen.
Kunt u concreet aangeven of en hoe bewindspersonen, ministeries of koepelorganisaties druk hebben uitgeoefend op het KMI in de afgelopen jaren? Zo ja, waar is dat gebeurd? Zo nee, kunt dit duidelijk maken?
Er is geen sprake van dat bewindspersonen of ministeries druk hebben uitgevoerd op het KMI. Het KMI voert haar taak als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) onafhankelijk uit.
Acht u het wenselijk dat een privaatrechtelijk instituut met een monopoliepositie als het KMI zo’n cruciale rol vervult in de jeugdbeschermingsketen? Deelt u de mening dat het afgeven van dergelijke certificeringen feitelijk een overheidstaak moet zijn die niet aan marktpartijen kan worden overgelaten gezien het feit dat een kinderbeschermingsmaatregel een zeer ernstige ingreep is die allen met toestemming van een rechter mag worden uitgesproken en uitgevoerd?
Ik deel die mening niet. Het KMI vervult deze taak als privaatrechtelijke zbo met een wettelijk toegekende taak. De certificering vindt plaats volgens wettelijk vastgestelde eisen en onder accreditatie. Daarmee is de onafhankelijkheid, de legitimiteit en de kwaliteit van de certificering geborgd. Er is door de wetgever gekozen voor één certificerende instantie om zorg te dragen dat elke GI op dezelfde wijze wordt beoordeeld. Ik wijs erop dat certificatie een breed toegepaste methode is om publieke belangen te borgen (bijv. bij veiligheid van producten en diensten).
Bent u op de hoogte van het feit dat toezichthouders, gemeenten, cliëntenraden en media geen inzicht krijgen, ook niet desgevraagd, in de resultaten van de audits?
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. De conclusie van het certificeringsbesluit wordt openbaar gemaakt. Volgens het Aanwijzingsbesluit certificerende instelling jeugdwet 2024 publiceert het KMI op zijn website welke GI’s zijn gecertificeerd en welke een aanvraag voor een certificering hebben ingediend. De auditrapporten worden niet openbaar gemaakt; deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Het is bij toezicht op individuele bedrijven en organisaties overigens gebruikelijk dat er geen individuele informatie openbaar wordt gemaakt. De Wet open overheid biedt hiervoor een weigeringsgrond. GI’s zijn privaatrechtelijke organisaties en openbaarmaking van deze informatie kan hun concurrentie en onderhandelingspositie schaden. Toezichthouders, zoals de inspecties en de Raad voor Accreditatie, hebben uiteraard wel de bevoegdheid om auditrapporten bij het KMI op te vragen in het kader van het door hen uit te voeren toezicht.
Acht u het wenselijk dat de onderbouwing van deze certificeringsbeslissing geheim wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 19.
Erkent u dat het ongewenst is dat zowel toezichthouders als de inspecties, gemeenten (als opdrachtgevers), als cliëntenraden en ouders niet kunnen inzien op basis waarvan een certificering is afgegeven? Kunt u dit toelichten?
Certificeringsbesluiten worden genomen op basis van het door de Minister vastgestelde normenkader. Het auditrapport is een individuele beoordeling over een instelling en kan bedrijfsgevoelige informatie bevatten (zie antwoord op vraag 19 en8 en wordt daarom niet openbaar gemaakt. Dit doet niets af aan de kwaliteit en de legitimiteit van het certificeringsbesluit. Het KMI toetst niet alleen of een GI aan het normenkader voldoet, maar ziet ook toe via vervolg-audits of eerder geconstateerde afwijkingen zijn opgelost. Een certificaat kan bijvoorbeeld niet worden toegekend als kritische constateringen niet adequaat zijn opgepakt.
Transparantie is van belang voor het vertrouwen in het stelsel. Ik deel de conclusie niet dat het gebrek aan openbaarmaking van de onderliggende auditinformatie leidt tot wantrouwen richting de GI’s of het certificeringsstelsel. De werking van de certificering wordt getoetst door de Raad voor Accreditatie.
Deelt u de mening dat het gebrek aan transparantie bijdraagt aan wantrouwen richting de GI’s als het certificeringssysteem in zijn geheel? Zo, nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u toelichten op welke wijze GI’s momenteel worden beoordeeld op de individuele punten van het normenkader en waarom deze scores niet openbaar beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 21.
Is het volgens u wenselijk dat onbekend blijft welke verbeterpunten het KMI heeft vastgesteld en of deze inmiddels aantoonbaar zijn opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u aangeven om welke inhoudelijke redenen het KMI eind 2024 heeft besloten om het volledige certificaat van JBN in te trekken en te vervangen door een overbruggingscertificaat? Waarom heeft men dat niet gedaan bij JBG en JBw? Of heeft het KMI deze misstanden niet geconstateerd bij de audits? Kunt u verklaren hoe deze ernstige misstanden eventueel gemist zijn door het KMI?
Uit de audit van het KMI kwam naar voren dat JBN een aantal kritische afwijkingen (van het normenkader) had. Het KMI heeft destijds besloten om een overbruggingscertificaat af te geven. Het KMI geeft alleen een overbruggingscertificaat af als zij de verwachting heeft dat de betreffende organisatie, binnen de gestelde termijn, de situatie kan verbeteren. Bij de laatste audit is gebleken dat JBN door de door hen doorgevoerde verbeteringen binnen de gestelde termijn weer voldeed aan de normen van het normenkader.
Bij andere GI’s heeft het KMI geen vergelijkbare afwijkingen van het normenkader geconstateerd die aanleiding gaven tot de afgifte van een overbruggingscertificaat. Zie ook het antwoord op vraag 10 voor de toelichting op het verschil tussen certificering door het KMI en het toezicht door de inspecties.
Wat zijn concreet de redenen dat het KMI nu, minder dan een jaar later, opnieuw een volledig certificaat aan JBN heeft toegekend?
Zie antwoord vraag 25.
Kunt u bevestigen dat de schemabeheerder voor het certificeringssysteem Jeugdzorg Nederland is? Zo nee, wie is dan de schemabeheerder?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt het normenkader vast. Daaraan voorafgaand wordt advies gevraagd aan de Commissie van Belanghebbenden9 en de Raad voor Accreditatie. Het normenkader is onderdeel van het certificatieschema. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is hiervan de eigenaar en is schemabeheerder van het normenkader.
Deelt u de zorg dat de schemabeheerder, als vertegenwoordiger van de sector zelf, hiermee in feite de regie heeft over het certificeringssysteem? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 27.
Deelt u de mening dat dit een ongewenste situatie oplevert waarin Jeugdzorg Nederland toezicht uitoefent op zichzelf? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 27.
Wat vindt u van de afspraak dat auditrapporten en onderliggende bevindingen niet openbaar mogen worden gemaakt, zelfs niet aan toezichthouders, gemeenten of cliëntenraden?
Zie antwoord vraag 21.
Deelt u de mening dat het KMI nooit met een dergelijke afspraak had mogen instemmen, juist gezien de publieke verantwoordelijkheid die zij namens de overheid vervult? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Erkent u dat hiermee feitelijk het certificeringssysteem in handen is gekomen van de sector zelf, en dat daarmee de samenleving en toezichthouders op afstand worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 27.
Bent u bereid om een aanwijzing te geven aan het KMI en de GI’s om per direct en met terugwerkende kracht vanaf de instelling van het certificeringssysteem in 2015 alle auditrapporten openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Indien nee, welke alternatieve maatregelen gaat u nemen om alsnog te zorgen voor transparantie en publieke verantwoording?
Zie het antwoord op vraag 11.
Hoe beoordeelt u de opstelling van het KMI, dat aangeeft naar mensen die op transparantie vragen wel «meer openheid te willen bieden», maar dit voorlopig niet te doen vanwege «beleidsregels»? Bent u op de hoogte van deze beleidsregels en wat is uw mening over deze beleidsregels?
Ja, ik ben op de hoogte van de beleidsregels van het KMI. Deze beleidsregels vallen binnen de normen waarbinnen het KMI als privaatrechtelijke zbo, haar taak onafhankelijk uitvoert. Het is niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over de wijze waarop het KMI haar beoordelingskader invult, zolang het binnen de kaders van de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt. Het KMI heeft aangegeven de komende periode, samen met de commissie van belanghebbenden, de mogelijkheden te onderzoeken om meer transparantie te kunnen bieden over de uitkomsten van de audits.
Deelt u de mening dat bij een publieke taak die zo ingrijpend is als jeugdbescherming, volledige transparantie de norm moet zijn en geheimhouding onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Transparantie is belangrijk, maar als het om auditrapporten gaat niet altijd. Deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Zie ook het antwoord op vraag 19 en 20.
Bent u bereid per direct op te treden tegen de huidige praktijk waarbij auditrapporten geheim blijven, en te zorgen dat betrokken ouders, cliëntenraden, gemeenten en inspecties toegang krijgen tot deze informatie?
Zie antwoord vraag 21.
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat certificering in de jeugdzorg een papieren exercitie blijft, terwijl in de praktijk ouders en kinderen nog steeds ernstige schade ondervinden van het handelen van gecertificeerde instellingen?
Zowel het KMI als de IGJ heeft een eigen rol in het toezicht op de GI’s. Het KMI toetst of een organisatie voldoet aan het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van gecertificeerde instellingen10. De IGJ ziet toe op de uitvoering van het handelen van de gecertificeerde instellingen volgens wettelijke vereisten en kan ingrijpen bij signalen of tekortkomingen wanneer de situatie erom vraagt. In het kader van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming laat ik onderzoeken welke alternatieven er voor het huidige certificeringsstelsel mogelijk zijn.
Welke alternatieven ziet u om het certificerings- en toezichtproces onafhankelijker, transparanter en minder manipuleerbaar in te richten?
Zie antwoord vraag 38.
Hoe reflecteert u op de bredere bestuurscultuur in de jeugdbescherming, waarin organisaties ondanks herhaalde waarschuwingen structureel tekortschieten maar tegelijkertijd bestuurlijk overeind blijven?
De jeugdbescherming kampt met grote uitdagingen. Het inspectierapport «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» benoemt de grootste tekortkomingen in de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Kinderen en hun ouders moeten vaak wachten op een vaste jeugdbeschermer, er is onvoldoende betekenisvol contact met jeugdigen en gezinnen en passende jeugdhulp wordt niet of niet tijdig ingezet. De inspecties geven daarbij ook aan dat de oorzaak hiervan niet bij de jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ligt. Tegelijkertijd worden de instellingen ook aangesproken op onderdelen die beter moeten en dan constateer ik dat deze bestuurders zich inzetten om dat te verbeteren. De inspecties geven ook aan dat enkele oorzaken niet binnen de beïnvloedingsmogelijkheden van de GI’s zelf liggen.
De inspecties hebben de bestuurscultuur beoordeeld onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen in de rapporten. Zij beoordelen dit bij JB Noord als grotendeels onvoldoende en bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Welke verantwoordelijkheid neemt u als kabinet voor het feit dat deze structurele tekortkomingen al jarenlang bekend zijn maar zich blijven herhalen?
De jeugdbescherming kampt met grote en complexe uitdagingen en daar voelen we ons ook verantwoordelijk voor. Die verantwoordelijkheid vullen we in met de inzet op de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de verbetering van de rechtsbescherming.
Hoe verklaart u dat jeugdigen en gezinnen nog steeds slachtoffer worden van dezelfde systeemfouten, ondanks eerdere toezeggingen van verbeteringen?
Het eerlijke antwoord is dat er geen maatregelen zijn die op korte termijn deze complexe tekortkomingen kunnen oplossen. Dat betekent dat het risico bestaat er onvoldoende zicht is op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen.
Wat zijn volgens u de belangrijkste drie systeemingrepen die noodzakelijk zijn om daadwerkelijk verbetering te realiseren?
De belangrijkste ingrepen zijn het versterken van de lokale teams, het verbeteren van de beschikbaarheid van jeugdhulp en hulp voor het hele gezin en (daarmee) het terugbrengen van de vraag naar jeugdbescherming.
Kunt u toezeggen dat de Kamer jaarlijks een overzicht ontvangt van gecertificeerde instellingen met daarbij de bevindingen van IGJ en KMI, zodat de Kamer kan toetsen of certificering en inspectie in de pas lopen?
Wanneer er een aanleiding voor is, zoals bij rapporten van de inspecties, zal ik de Kamer informeren volgens de gebruikelijke wijze.
Bent u bereid in uw antwoord een inhoudelijke reflectie te geven op de vraag of de huidige bestuurscultuur in de jeugdbescherming toereikend is om echte verandering te realiseren, of dat een meer fundamentele herziening nodig is?
Met de programma’s Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zijn we een beweging begonnen waarin we met elkaar, ieder vanuit zijn/haar verantwoordelijkheid, de situatie in de jeugdzorg (waaronder de jeugdbescherming) structureel willen verbeteren. We hebben daarbij alle betrokkenen nodig en ik volg de inspecties die oproepen tot stevig leiderschap van GI’s, gemeenten en Rijk om samen tot duurzame oplossingen te komen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken.
De pilot ‘gratis advocaat’ bij uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Proef met betere rechtsbijstand in jeugdzorg werkt averechts: vertrouwde advocaat uit beeld» van 9 juni 2023 in het Algemeen Dagblad? Zo nee, kunt u dit lezen?1
Ja.
Kunt u de Kamer nogmaals kort uitleggen wat het beoogde doel is van de pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders bij (spoed)uithuisplaatsingen en gezagsbeëindigingen en hoe de «verbeterde rechtsbescherming» daarin concreet wordt gemeten?
Het beoogde doel van de pilot was om te onderzoeken in hoeverre kosteloze rechtsbijstand van een advocaat ouders de benodigde juridische ondersteuning en rechtsbescherming biedt en met welke kosten, uitvoeringslasten en neveneffecten dit gepaard gaat. Uit de evaluatie van Pro Facto blijkt dat rechtsbijstand meerwaarde heeft vóór, tijdens en na de zitting bij de kinderrechter. Voorafgaand aan de zitting zijn ouders dankzij de advocaat beter geïnformeerd en weten zij duidelijker wat hen te wachten staat. Tijdens de zitting zorgt rechtsbijstand ervoor dat de standpunten en belangen van ouders duidelijker worden verwoord. Met de ondersteuning van een advocaat hebben ouders een evenwichtiger positie ten opzichte van de RvdK of GI en ze voelen zich beter gehoord en hun zienswijze bij instanties verwoord. Het draagt daardoor bij aan een meer gelijkwaardige positie op zitting. Na afloop van de zitting heeft rechtsbijstand waarde omdat de advocaat de uitspraak van de kinderrechter kan uitleggen en ouders kan informeren en adviseren over mogelijke vervolgstappen. Hierdoor draagt rechtsbijstand in belangrijke mate bij aan procedurele rechtvaardigheid.2
Kunt u leggen hoe de pilot moet worden uitgevoerd/toegepast?
Bij de start van de pilot is met de rechtspraak, advocatuur, Gecertificeerde Instellingen (GI), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Raad voor Rechtsbijstand een werkproces opgesteld rond gegevensuitwisseling. Dat werkproces bevat twaalf stappen: vanaf dat de RvdK of een GI een verzoekschrift indient tot het opvragen van de stukken door de advocaat die is toegewezen. Als ouders een voorkeursadvocaat hebben, wordt dit opgenomen op het bijzonderhedenformulier van de RvdK of de GI. De griffie van de rechtbank controleert of de voorkeursadvocaat staat opgenomen op de verwijzingslijsten van de Raad voor Rechtsbijstand (en daarmee voldoet aan de specialisatie vereisten) en of de advocaat de ouder wil bijstaan. Als de ouder geen voorkeursadvocaat heeft, wordt «willekeurig» bij toerbeurt een advocaat toegewezen op basis van de actuele verwijzingslijsten met daarop de namen van advocaten met de specialisaties civiel jeugdrecht en/of personen- en familierecht. De advocaat neemt vervolgens contact op met de ouder om te vragen of hij/zij de ouder rechtsbijstand mag geven. Nadat de ouder aan de advocaat heeft aangegeven bijstand te willen, deelt de rechtbank het dossier met de advocaat.
Klopt het dat rechtbanken in het kader van de pilot zelf een advocaat aanwijzen voor ouders «die zo snel mogelijk contact opneemt»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het recht op vrije advocaatkeuze?
Ja, tenzij sprake is van een voorkeursadvocaat (zie ook de beantwoording van vraag 3). Met deze werkwijze wordt beoogd dat als de ouder al een (voorkeurs)advocaat heeft, deze ook wordt toegewezen. Bovendien staat het de ouder te allen tijde vrij een toegewezen advocaat op voorhand te weigeren, of de opdracht met de advocaat te beëindigen, om zelf een andere advocaat voor te dragen (die wel moet voldoen aan de specialisatie vereisten).
Hoe is geborgd dat de pilot niet leidt tot verdringing van reeds betrokken of door ouders gekozen advocaten? Welke instructies zijn hierover aan de rechtbanken verstrekt? Kunt u deze instructies delen met de Kamer?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Het werkproces rond gegevensuitwisseling is als bijlage bij de beantwoording bijgevoegd.
Herkent u de signalen dat ouders zich overvallen voelen door een aangewezen advocaat en ervaren dat hun voorkeursadvocaat buitenspel komt te staan? Wat is daarop uw reactie?
Dit signaal hebben mr. Krol en mr. Korver met mij gedeeld op 26 november (zie beantwoording vraag 21). Naar aanleiding hiervan gaan we in gesprek met de rechtspraak, Jeugdzorg Nederland (voor de GI’s) en de RvdK om zorg te dragen dat beter geborgd wordt dat de voorkeursadvocaat van ouders wordt doorgegeven aan de griffie van de rechtbanken.
Welke waarborgen bestaan er dat – zodra een ouder een voorkeursadvocaat meldt – de rechtbank die keuze honoreert, ook binnen de pilot?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Kan het zijn dat de uitvoering van de pilot, zoals wordt gemeld, in de verschillende arrondissementen anders of verschillend geïnterpreteerd of uitgevoerd worden? Zo ja, kunt u per arrondissement de werkwijze schetsen en verschillen duiden? Kunt u de Kamer hier een overzichtstabel van toesturen?
Ja, dat kan. Uit de eindevaluatie van de regeling blijkt dat de pilot grotendeels wordt uitgevoerd zoals beoogd, maar dat er in de praktijk ook verschillen bestaan tussen arrondissementen in de wijze waarop de werkwijze wordt toegepast. Voor de rechtspraak is uniformiteit het uitgangspunt, maar lokale verschillen in de administratieve werkprocessen die onder de landelijke kaders liggen zijn niet uit te sluiten.
Er is geen gedetailleerd inzicht beschikbaar in de uitvoering per afzonderlijk arrondissement. Daardoor kan ik uw Kamer geen overzichtstabel per arrondissement toesturen.
Deelt u de mening dat als de arrondissementen de pilot inderdaad verschillend toepassen dat dit impact op heeft op rechtsgelijkheid?
Het uitgangspunt van de pilot is dat iedere ouder die hiervoor in aanmerking komt kosteloos wordt bijgestaan door een advocaat. In die zin is er sprake van gelijke toegang tot rechtsbijstand. Dat arrondissementen de pilot op onderdelen verschillend uitvoeren, betekent niet automatisch dat ouders ongelijk worden behandeld of dat hun rechtspositie verschilt.
Deelt u de mening dat ouders zelf capabel genoeg zijn om een keuze te maken voor een advocaat? En deelt u de mening dat ouders eerst zelf akkoord moeten geven voordat de advocaat definitief gekoppeld wordt?
De werkwijze is dat de griffie een gespecialiseerde advocaat aanwijst, waarmee ouders moeten instemmen, tenzij een voorkeursadvocaat bekend is of alsnog wordt aangedragen. Het in beginsel volledig aan de ouder overlaten om zelf een advocaat te benaderen of te zoeken verdraagt zich niet met het spoedkarakter en de korte termijnen die in procedures van uithuisplaatsing gelden en kan ertoe leiden dat ouders niet tijdig worden bijgestaan door een advocaat.
Hoe wordt in alle communicatie aan ouders zichtbaar en begrijpelijk gemaakt dat zij zelf een advocaat mogen kiezen en hoe zij dat praktisch regelen binnen de pilot? Kunt u de Kamer inzicht geven in hoe dit nu gecommuniceerd aan ouders?
Voor de RvdK en de GI’s zijn visuals ontwikkeld, die aan ouders overhandigd worden en waarmee ouders geïnformeerd worden over de pilot kosteloze rechtsbijstand. In de visual wordt ook toegelicht dat ouders een eigen advocaat kunnen aandragen. Ook in de brief vanuit de rechtspraak, waarin de ouder wordt opgeroepen voor een zitting, wordt uitgelegd hoe de voorkeursadvocaat van de ouder zich kenbaar kan maken bij de rechtbank.
Hoe waarborgt u dat bij spoed (art. 800 Rv) de aanwijzing/toegang tot eigen advocaat niet illusoir wordt? Welke termijnvereisten en praktische voorzieningen (bijvoorbeeld de piketregeling jeugdrecht) gelden hiervoor?
Voor toewijzing van een advocaat bij een spoedmachtiging uithuisplaatsing geldt dezelfde werkwijze als bij een reguliere uithuisplaatsing. De ouder kan indien nodig bij de hem toegewezen advocaat aangeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft.
Deelt u de mening dat het een goed voorstel is om ouders eerst zelf de tijd te geven een voorkeursadvocaat te kiezen en als dat als er bijvoorbeeld 10 dagen voor de zitting nog geen advocaat is, de rechtbank alsnog een advocaat aanwijst?
Dit voorstel is nader verkend in overleg met de Rechtspraak en met vertegenwoordigers van de vFAS en de VNJA. Daarbij is geconcludeerd dat een werkwijze waarbij ouders, nadat zij door de Rechtspraak zijn opgeroepen voor een zitting, eerst zelf een voorkeursadvocaat kunnen doorgeven en de rechtbank pas kort voor de zitting een advocaat aanwijst als zich geen advocaat heeft gemeld, in de praktijk niet haalbaar is. De korte termijnen in deze procedures en het gegeven dat communicatie per post verloopt, maken dat onvoldoende kan worden gewaarborgd dat ouders tijdig van rechtsbijstand zijn voorzien, en voor zover dat wel het geval is, er niet voldoende voorbereidingstijd is tussen advocaat en ouders vanwege de korte termijnen.
Bent u bekend met het feit dat als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen, de aangewezen advocaat vaak al in bezit is van het dossier en vervolgens overnamepunten vraagt voor overname van het dossier? Wat is uw mening hierover en vindt u dit wenselijk? Deelt u de mening dat hierdoor de kosten onnodig verhoogd worden?
Voor dergelijke situaties hanteert de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) een specifiek beleid.
Ontvangt de RvR een overnameverzoek binnen twee kalenderweken na afgifte van de eerste last/aanwijzing van het gerecht, dan neemt de RvR aan dat de eerst toegewezen advocaat geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht. Dat houdt in dat de Raad de opvolgingstoeslag van 2 punten niet toekent. Blijkt dat de eerste advocaat wel inhoudelijk werkzaamheden heeft verricht, dan beoordeelt de RvR of de toeslag alsnog wordt toegekend.
Als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen dan is het aannemelijk dat de overname van de zaak vaak binnen 2 weken plaatsvindt.
De twee weken termijn is in algemene zin bij alle lasten een check op onnodig uitkeren van een opvolgingstoeslag. Tegen deze achtergrond deel ik niet de mening dat de kosten door het aanwijzen van een advocaat en een eventuele latere overstap onnodig worden verhoogd.
Bent u bekend met het feit dat de rechtbanken de dossiers al versturen aan de toegewezen advocaten nog voordat ouders akkoord gaan met de gekoppelde advocaat? Wat is hiervoor de juridische grondslag volgens u? En hoe verhoudt dit zich tot bijvoorbeeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Vindt u het überhaupt wenselijk dat rechtbanken dossiers vol vertrouwelijk informatie delen met een advocaat zonder dat ouders daar toestemming voor hebben verleend? En deelt u de mening dat als een dossier verzonden wordt aan een advocaat zonder toestemming van de ouders er sprake is van een datalek en dat hiervan melding gemaakt moet worden bij de AVG?
In de beantwoording op vraag 3 is het werkproces rondom het delen van dossiers toegelicht. Hieruit volgt dat de rechtbank pas het dossier deelt op het moment dat de ouder toestemming heeft gegeven aan de advocaat. Mij zijn signalen bekend dat in de praktijk in enkele gevallen al stukken worden verstrekt aan de advocaat voordat de ouder toestemming heeft gegeven. Dat is niet wenselijk. Ik zal hierover navraag doen bij de rechtspraak en hierover in gesprek gaan. Indien persoonsgegevens worden verwerkt, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de AVG. Of in een concreet geval sprake is van een datalek in de zin van de AVG hangt af van de omstandigheden van het geval en kan niet in algemene zin worden vastgesteld.
Acht u het proportioneel en noodzakelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming dossiers aan een niet-gekozen advocaat te verstrekken, gelet op het minimale-gegevens-principe en het vertrouwensbeginsel? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
In de werkprocesbeschrijving is opgenomen dat met de advocaat uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens, te weten contactgegevens, wordt gedeeld. Door uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens te delen wordt invulling gegeven aan het «minimale gegevens principe» en is sprake van een redelijke verhouding tussen het beoogde doel en het ingezette middel.
Mocht het onverhoopt toch gebeuren dat een dossier gedeeld wordt met de advocaat, zonder voorafgaande toestemming van de ouder, is de advocaat gebonden aan geheimhouding volgens de advocatenwet.
Herkent u de signalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voor zitting met betrekking tot een verzoek voor een kinderbeschermingsmaatregel de dossiers of (delen van) informatie deelt met een gecertificeerde instelling (GI)? Past dit binnen de AVG/het wettelijk kader? Kunt u dit duiden met een verwijzing naar de juridische grondslagen?
Op dit moment buig ik me over het dilemma dat zich voordoet bij het delen van informatie tussen RvdK en GI voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Het is in het belang van het kind en diens ouders dat een GI in staat wordt gesteld voortvarend uitvoering te kunnen geven aan een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is het belangrijk dat gegevens vroegtijdig worden gedeeld, zodat de GI zich kan voorbereiden en aan de termijnen die wettelijk zijn bepaald kan voldoen. Ook is de bescherming van persoonsgegevens van belang; dat wordt voldaan aan de privacywetgeving en dat informatiedeling plaatsvindt op basis van een juridische grondslag. Ik ben met betrokken partijen en deskundigen in beraad over passende oplossingen en de risico’s en impact daarvan. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang hiervan.
Hoe borgen u en de RvdK dat in verzoeken die met de GI gedeeld worden geen gevoelige persoonsgegevens bevatten (art. 9 AVG) en dat betreft niet alleen over NAW-gegevens en BSN-nummers, maar ook persoonskenmerken die toezien op gedragingen of informatie uit het verleden waarvan niet vaststaat of die relevant is om te delen? Hoe borgt u dat kwaliteitskaders en werkprocessen van RvdK conform de AVG zijn en niet feitelijk (prejudiciële) dossierdeling normaliseren? Wat vindt u van het feit dat de kwaliteitskaders van de RvdK al voorzien in het feit dat zij op voorhand al informatie naar de GI sturen, terwijl de GI nog geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op de gegevens maar wel al die kennis heeft? En is het geen risico dat als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er toch persoonlijke en vertrouwelijke informatie die onder de AVG valt al gedeeld is met andere procespartijen? Bent u van mening dat hier dan sprake is van een datalek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid om – indien nodig – het kwaliteitskader van de RvdK te (laten) herzien wanneer bepalingen/werkpraktijken de AVG of het procesrecht doorkruisen? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Zie antwoord vraag 17.
Kunt u een landelijke uitvoeringsinstructie publiceren met heldere normen over vrije advocaatkeuze, toestemming voor dossierdeling en communicatie aan ouders – en toezien op naleving door rechtbanken en ketenpartners? Tegen welke datum?
Het werkproces is bij de beantwoording van deze Kamervragen als bijlage gevoegd.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met o.a. jeugdrechtadvocaten Mieke Krol en Richard Korver, die herhaaldelijk publiekelijk op knelpunten hebben gewezen (vrije keuze, dossierdeling, procedurele waarborgen)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer informeren over de uitkomst van dat gesprek en welke procesaanpassingen u daaruit laat volgen?
Ja, op woensdag 26 november heeft mijn ministerie gesproken met mr. Krol en mr. Korver over de door hen gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de regeling kosteloze rechtsbijstand. Daarbij is onder meer gesproken over de vrije advocaatkeuze, de dossierdeling en verschillen in de uitvoering tussen rechtbanken. Ten aanzien van de vrije advocaatkeuze signaleren zij dat ouders zich niet altijd vrij voelen zelf een advocaat te kiezen wanneer de rechtbank een advocaat aanwijst. Het knelpunt bij dossierdeling is dat het dossier met de toegewezen advocaat wordt gedeeld voordat ouders toestemming hebben gegeven. De signalen uit dit gesprek worden betrokken bij het verbeteren en verduidelijken van de huidige werkwijze.
Indien blijkt dat dossiers onrechtmatig zijn gedeeld, bent u dan bereid ouders te informeren, incidenten te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en – waar passend – herstelmaatregelen (inclusief vernietiging/herstel van procespositie) te treffen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 15 ga ik in gesprek met de rechtspraak om na te gaan in hoeverre in de praktijk wordt afgeweken van de afgesproken werkwijze. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken zal worden beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Bent u bekend met het feit dat ook minderjarige kinderen vaak volledige procesdossiers ontvangen vanuit de rechtbank? Vindt u het wenselijk dat het kind het gehele procesdossier krijgt en zo bijvoorbeeld de gehele strijd tussen ouders kan lezen? En indien u van mening dat kinderen het volledige dossier moeten ontvangen, zou het dan niet wenselijker zijn dit in een meer kindvriendelijke vorm te doen?
Nee, dat is bij mij niet bekend. Volgens artikel 2.2 van het procesreglement civiel jeugdrecht ontvangen belanghebbenden per procedure twee kopieën van het verzoekschrift met bijlagen. Zijn belanghebbenden woonachtig op eenzelfde adres, dan kan worden volstaan met twee kopieën gezamenlijk. Een minderjarige van twaalf jaar of ouder ontvangt een eigen kopie van het verzoekschrift, maar zonder bijlagen. Hieruit volgt dat minderjarigen niet het volledige procesdossier ontvangen.
Het bericht ‘Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens’ |
|
Jeltje Straatman (CDA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens (AP)»?1
Ja.
Wanneer raakte u op de hoogte van de klacht van de AP over het register voor het notariaat in de zin van artikel 5 van de Wet op het notarisambt en artikel 8 van het Besluit op het notarisambt? En wat is er namens u besloten nadat de klacht gegrond werd verklaard?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft op 28 januari 2025 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gemeld een brief van de AP te hebben ontvangen, waarna een dag later contact is geweest tussen het ministerie en de KNB over de inhoud van die brief. Vervolgens is in contact tussen JenV en de KNB op 3 februari 2025 besproken dat het niet in strijd met de wet zou zijn als de KNB (voorlopig) de mogelijkheid zou stopzetten om het register online te raadplegen. Ook is besproken dat het verstandig zou zijn te wachten op publicatie van de uitkomsten van het destijds nog lopende Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-onderzoek naar gegevensbescherming in openbare registers vóórdat de KNB verdere beslissingen zou nemen over het register. De KNB heeft daarna besloten de online toegang tot het register (voorlopig) te beëindigen en feitelijk uitvoering gegeven aan dat besluit.
Bent u van mening dat op dit moment in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt? Zo ja of nee, waarom?
Ja, op dit moment wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Een register blijft openbaar, ook wanneer de manier van toegang geven tot gegevens wijzigt of verschilt per doelgroep.2 Het niet online kunnen raadplegen van een register, maar het moeten aanvragen van gegevens door het invullen van een webformulier of per telefoon of post, is geen zodanige hindernis dat effectief de openbaarheid wordt belemmerd.3 Op de website waar voorheen de openbare gegevens van het register voor het notariaat online raadpleegbaar waren, vinden bezoekers nu informatie hoe zij die openbare gegevens kunnen verkrijgen.
Kunt u toelichten waarom namens u is besloten niet in beroep te gaan, waardoor de facto de Wet op het notarisambt niet correct wordt uitgevoerd en het voor mensen niet effectief mogelijk is de integriteit van notarissen te controleren?
De brief van de AP bevat een constatering en geen handhavingsbesluit, zodat een beroep niet aan de orde was. Overigens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Hoe kan volgens u effectief worden gecontroleerd of notarissen inmiddels wel voldoen aan hun wettelijke verplichting hun nevenbetrekkingen openbaar te maken, nadat in 2024 bleek dat driekwart van de notarissen hun nevenbetrekkingen niet of niet juist heeft doorgegeven?
De controle op het nakomen door notarissen van hun wettelijke verplichtingen is een taak van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Sinds 2022 heeft het BFT de naleving van de verplichting van de notarissen om nevenbetrekkingen op te geven ook nadrukkelijk opgenomen in de reguliere toezichtonderzoeken. Ook wordt door het BFT op reguliere basis aan de hand van het handelsregister gecontroleerd of de inschrijvingen in het register notariaat overeenkomen met de registraties in het handelsregister.
Kunt u bevorderen dat het register zo snel mogelijk weer online komt te staan? Zo ja, welke stappen bent u voornemens hiertoe te zetten?
Voor een aantal wettelijke openbare registers in het domein van JenV is onderzoek uitgevoerd door het WODC4 naar de bescherming van persoonsgegevens. Het register voor het notariaat behoort niet tot de onderzochte registers, maar het in het WODC-onderzoek opgenomen kader voor het toetsen van de gegevensbescherming en de aanbevelingen voor verbetering zijn volgens de onderzoekers toepasbaar op alle openbare registers met persoonsgegevens.
De KNB is vanuit het JenV gewezen op de relevantie van dat WODC-onderzoek voor het beheer van het register voor het notariaat. Dit onderzoek biedt handvatten aan de registerhouder om een goede belangenafweging te kunnen maken tussen gegevensbescherming en de wijze van openbaarheid. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 zullen door JenV geen stappen worden gezet om te bevorderen dat het register (geheel of gedeeltelijk) online te raadplegen is.
Bent u bereid een overzicht te verstrekken van alle overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP al dan niet tijdelijk offline zijn gehaald? Zo nee, waarom niet en kunt u in contact treden met de AP om een overzicht op te stellen?
JenV beschikt niet over een overzicht van alle overheidsregisters die offline zijn gehaald en kan daarom deze gegevens niet aan uw Kamer verstrekken. Voor de openbaarheid van een register is online toegankelijkheid geen noodzakelijke voorwaarde. Daarmee is er voor mij geen reden alsnog een overzicht te laten maken van overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP offline zijn gehaald.
Bent u bereid te bevorderen dat klachten die de AP verstuurt naar bestuursorganen zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt, zodat tijdig een weging van belangen kan plaatsvinden en bestuursorganen ook van elkaar kunnen leren? Zo nee, waarom niet?
Voor dit antwoord wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op klachten die de AP ontvangt, omdat het in de onderhavige zaak ging om een klacht van een betrokkene bij de AP en omdat de AP zelf geen «klachten» indient. Op grond van artikel 77 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan iedere betrokkene een klacht indienen bij de AP over niet-naleving van de AVG. Volgens de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie moet een dergelijke klacht worden geduid als «verzoek tot handhaving» aan de AP.5 Een verzoek tot handhaving kan leiden tot een handhavingsbesluit. Openbaarmaking van handhavingsbesluiten is nu in beginsel verplicht op basis van artikel 3.1 Wet open overheid, tenzij de voorzieningenrechter ernstige twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit. Volgens haar eigen beleidsregels over openbaarmaking publiceert de AP in beginsel alle handhavingsbesluiten, met uitzondering van berispingen.6
Vrijheidsbeperkende maatregelen en hulpmiddelen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er vrijheidsbeperkende hulpmiddelen bestaan voor kwetsbare doelgroepen met moeilijk verstaanbaar gedrag, waaronder gedetineerden, ggz-patiënten, personen met autisme en personen met een verstandelijke beperking, zoals bijvoorbeeld een veiligheidshelm met een slot om te voorkomen dat de patiënt zelfstandig de helm kan afzetten?1 Kunt u omstandigheden of situaties noemen waarin het gebruik van deze hulpmiddelen gerechtvaardigd is?
Is het gebruik van dergelijke hulpmiddelen toegestaan? Welke wetten, regelgeving en richtlijnen gelden voor de inzet van dergelijke hulpmiddelen zoals een veiligheidshelm met een slot? Kunt u dit per doelgroep uiteenzetten? Welke eisen worden gesteld aan personeel dat deze hulpmiddelen inzet? Hoe is het toezicht erop geregeld?
Welke andere hulpmiddelen worden in de praktijk ingezet, in het bijzonder bij de eerder genoemde doelgroepen? Waar worden deze hulpmiddelen ingezet?
Hoe verhouden dergelijke hulpmiddelen zich tot mensenrechtenverdragen en het VN-Verdrag Handicap?
Worden vrijheidsbeperkende hulpmiddelen ook bij kinderen en jongeren ingezet? Gebeurt dit in praktijk en zo ja, bij welk type instelling en onder welke voorwaarden?
Op welke manier worden de rechten van patiënten en cliënten geborgd bij het voornemen om deze hulpmiddelen te gebruiken of het inzetten van dergelijke hulpmiddelen? Hoe worden patiëntenrechten in de praktijk gewaarborgd, aangezien het hier gaat over patiënten en cliënten die al in een afhankelijkheidsrelatie zitten? Hoe worden rechten geborgd van patiënten die zich niet verbaal kunnen uiten, bijvoorbeeld omdat zij niet kunnen praten?
Deelt u de mening dat personeelstekort geen reden mag zijn om dergelijke vrijheidsbeperkende hulpmiddelen toe te passen?
Bestaan er onderzoeken naar de inzet van dergelijke hulpmiddelen, in het bijzonder de wenselijkheid en effectiviteit ervan?
Bestaan er onderzoeken naar de (psychische) gevolgen voor cliënten, gedetineerden en bewoners van zorginstellingen waar deze hulpmiddelen worden ingezet? Zo ja, kunt u deze onderzoeken delen met de Kamer? Zo nee, bent u bereid met onmiddellijke ingang productie en gebruik van deze hulpmiddelen te verbieden, zeker totdat hier duidelijkheid over is?
Deelt u onze zorgen dat de inzet van zulke middelen als zeer traumatiserend en ingrijpend worden ervaren door cliënten en gedetineerden? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het vermeende doel van dergelijke middelen (namelijk het tegengaan van zelfbeschadiging)?
Welke eisen worden er gesteld aan fabrikanten van dergelijke hulpmiddelen bij het ontwerp, verkoop en de acquisitie? Is hier actief toezicht op?
Wat vindt u ervan dat deze vrijheidsbeperkende hulpmiddelen via een webshop gekocht kunnen worden? Wat vindt u van teksten die deze producten aanprijzen als «De universele helm kan gebruikt worden voor allerlei doelgroepen: gedetineerden, psychiatrische patiënten, cliënten met borderline, personen met autisme en ga zo maar door.»? Deelt u de mening dat dergelijk teksten stigmatiserend zijn, het gebruik van deze hulpmiddelen onterecht normaliseren en geen recht doen aan het aspect van mensenrechten?
Het bericht 'Jongeren maken (onbewust) reclame voor illegale goksite op TikTok' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS waaruit blijkt dat jongeren via TikTok, soms onbewust, reclame maken voor illegale goksites?1
Deelt u de mening dat het inzetten van jongeren, mogelijk minderjarigen, voor de promotie van illegale goksites een ernstige schending vormt van de bescherming van minderjarigen en ingaat tegen de doelstellingen van de Wet kansspelen op afstand?
Kunt u aangeven in welke mate de Kansspelautoriteit signalen ontvangt over illegale gokreclame via sociale-mediaplatforms als TikTok, en hoe vaak hier in 2024 en 2025 daadwerkelijk handhavend tegen is opgetreden? Hoeveel illegale online gokwebsites zijn offline gehaald door de Kansspelautoriteit?
Welke concrete handhavingsmaatregelen zijn door de Kansspelautoriteit ingezet tegen illegale gokaanbieders die via TikTok opereren, en waarom blijken deze praktijken desondanks nog steeds plaats te vinden?
Kunt u aangeven in hoeverre bij de via TikTok verspreide gokreclame sprake is van minderjarigen, en hoe wordt vastgesteld of illegale gokcontent jongeren daadwerkelijk bereikt of door hen wordt verspreid?
In hoeverre acht u sociale-mediaplatforms als TikTok zelf verantwoordelijk voor het actief opsporen en verwijderen van content die illegale gokreclame bevat, in het bijzonder wanneer deze zichtbaar is voor jongeren?
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de overheid, de Kansspelautoriteit en sociale-mediaplatforms over het tegengaan van illegale gokreclame, en hoe wordt gecontroleerd of platforms deze afspraken daadwerkelijk naleven?
Kunt u aangeven welke maatregelen u in samenspraak met de Kansspelautoriteit gaat nemen tegen sociale-mediaplatforms die structureel onvoldoende optreden tegen illegale gokreclame, en of deze middelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden toegepast?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat legale gokaanbieders aan strenge reclamebeperkingen zijn gebonden, terwijl illegale aanbieders via sociale media jongeren kunnen blijven bereiken, en hoe gaat u ervoor zorgen dat de websites van deze aanbieders direct offline worden gehaald?
Het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen' |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arno Rutte (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen, straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
Kent u de fair shareafspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen? Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting (PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten? Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra mensen zal moeten huisvesten?
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos raken?
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting?
Het bericht dat de kinderrechter Jeugdbescherming Noord ontslaat in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde. |
|
Bente Becker (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kritische kinderrechter ontslaat Jeugdbescherming Noord in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde» in het Dagblad van het Noorden d.d. 16 januari 2026 inzake de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:78)?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een rechter op deze wijze de voogdij van een gecertificeerde instelling (GI) beëindigt?
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van het verscherpte toezicht vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op Jeugdbescherming Noord?
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van de kritische rapporten «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» en «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid? Kunt u in antwoord op deze vraag ook toelichten of en zo ja welke systeemverantwoordelijkheid u ziet wanneer een rechter ook in deze casus zo expliciet concludeert dat «geen verantwoorde hulp» is geleverd?
Deelt u de mening dat het belang van het kind bij partnerdoding altijd voorop zou moeten staan? Klopt het dat bij partnerdoding zonder strafrechtelijke vervolging (bijvoorbeeld door overlijden van de verdachte) in de praktijk soms terughoudendheid ontstaat om de feiten als uitgangspunt te nemen? Hoe voorkomt u dat kinderen hierdoor in onzekerheid blijven?
Vindt u het wenselijk dat er door een GI kan worden afgeweken van het «Handelingsprotocol gezag, contact/omgang en hulp na partnerdoding» wanneer sprake is van partnerdoding? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat hier in de toekomst sprake van kan zijn?
Is er momenteel sprake van een zekere vorm van prioritering binnen de hulpverlening die wordt geboden door de GI’s, bijvoorbeeld op basis van de ernst van een casus? Zo ja, op welke wijze is dit ingericht? En leidt partnerdoding tot een prioritering van hulpverlening aan kinderen die onder voogdij geplaatst worden bij een GI?
Kunt u de Kamer informeren welke concrete maatregelen u neemt om te voorkomen dat kinderen na partnerdoding/femicide opnieuw schade oplopen door gebrek aan regie, expertise of tijdige hulp vanuit de GI of een andere instantie?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg Jeugd d.d. 2 februari 2026?
Het bericht ‘Staking bij vrouwengevangenis Nieuwersluis om uitblijven loonsverhoging’ |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat medewerkers van de vrouwengevangenis in Nieuwersluis staken vanwege ontevredenheid over een achterblijvende loonsverhoging1? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Wat vindt u van de kwalificatie van FNV dat het «Code zwart» is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)?
Kunt u aangeven hoe groot het huidige personeelstekort is in het gevangeniswezen? Kunt u een indicatie geven van de algemene tevredenheid van DJI-medewerkers over de omstandigheden waaronder zij hun werk moeten verrichten? En in hoeverre is het hanteren van de nullijn dienstbaar aan het werven van nieuwe DJI-collega’s?
Bent u bereid om te bezien in hoeverre medewerkers van DJI, met het oog op de moeilijke omstandigheden waaronder zij hun zware werk moeten verrichten, kunnen worden uitgezonderd van de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om te onderzoeken of voor DJI-medewerkers een afzonderlijke CAO kan worden gesloten om te voorkomen dat de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn ertoe leidt dat het huidige personeelstekort bij DJI nóg groter wordt? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om deze vragen voorafgaand aan het komende commissiedebat over het Gevangeniswezen te beantwoorden?
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Het bericht dat de IND de komende jaren 70.000 naturalisaties per jaar verwacht |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verwacht dat er de komende jaren bijna 70.000 Nederlandse paspoorten worden weggeven aan vreemdelingen?1
Bent u het eens met de stelling dat het massaal uitgeven van Nederlandse paspoorten aan vreemdelingen die vaak een cultuur aanhangen die haaks staat op de Nederlandse, leidt tot onomkeerbare demografische veranderingen en extra druk op onze samenleving?
Deelt u de mening dat Syrië veilig is en Syriërs terug naar huis moeten in plaats van dat zij een Nederlands paspoort krijgen? Zo ja, gaat u per direct alle tijdelijke statussen van Syriërs intrekken?
Hoeveel Syriërs zijn er sinds 2020 genaturaliseerd en hoeveel hebben hierbij geen paspoort of geboorteakte overlegd?
Bent u bereid om absolute prioriteit te geven aan het intrekken van verblijfsvergunningen van vreemdelingen uit landen waar de situatie is verbeterd, en aan het stimuleren van vertrek, in plaats van het massaal uitdelen van Nederlandse paspoorten?
Kunt u nog voor het einde van dit jaar een wetsvoorstel naar de Kamer sturen om de naturalisatietermijn te verhogen naar ten minste tien jaar? Bent u ook bereid om, totdat deze wet is aangenomen, een moratorium in te stellen op naturalisaties van asielstatushouders uit landen die als veilig worden beschouwd of waar de situatie aanzienlijk is verbeterd, zoals Syrië? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens’ |
|
Jeltje Straatman (CDA), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens (AP)»?1
Ja.
Wanneer raakte u op de hoogte van de klacht van de AP over het register voor het notariaat in de zin van artikel 5 van de Wet op het notarisambt en artikel 8 van het Besluit op het notarisambt? En wat is er namens u besloten nadat de klacht gegrond werd verklaard?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft op 28 januari 2025 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gemeld een brief van de AP te hebben ontvangen, waarna een dag later contact is geweest tussen het ministerie en de KNB over de inhoud van die brief. Vervolgens is in contact tussen JenV en de KNB op 3 februari 2025 besproken dat het niet in strijd met de wet zou zijn als de KNB (voorlopig) de mogelijkheid zou stopzetten om het register online te raadplegen. Ook is besproken dat het verstandig zou zijn te wachten op publicatie van de uitkomsten van het destijds nog lopende Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-onderzoek naar gegevensbescherming in openbare registers vóórdat de KNB verdere beslissingen zou nemen over het register. De KNB heeft daarna besloten de online toegang tot het register (voorlopig) te beëindigen en feitelijk uitvoering gegeven aan dat besluit.
Bent u van mening dat op dit moment in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt? Zo ja of nee, waarom?
Ja, op dit moment wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Een register blijft openbaar, ook wanneer de manier van toegang geven tot gegevens wijzigt of verschilt per doelgroep.2 Het niet online kunnen raadplegen van een register, maar het moeten aanvragen van gegevens door het invullen van een webformulier of per telefoon of post, is geen zodanige hindernis dat effectief de openbaarheid wordt belemmerd.3 Op de website waar voorheen de openbare gegevens van het register voor het notariaat online raadpleegbaar waren, vinden bezoekers nu informatie hoe zij die openbare gegevens kunnen verkrijgen.
Kunt u toelichten waarom namens u is besloten niet in beroep te gaan, waardoor de facto de Wet op het notarisambt niet correct wordt uitgevoerd en het voor mensen niet effectief mogelijk is de integriteit van notarissen te controleren?
De brief van de AP bevat een constatering en geen handhavingsbesluit, zodat een beroep niet aan de orde was. Overigens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Hoe kan volgens u effectief worden gecontroleerd of notarissen inmiddels wel voldoen aan hun wettelijke verplichting hun nevenbetrekkingen openbaar te maken, nadat in 2024 bleek dat driekwart van de notarissen hun nevenbetrekkingen niet of niet juist heeft doorgegeven?
De controle op het nakomen door notarissen van hun wettelijke verplichtingen is een taak van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Sinds 2022 heeft het BFT de naleving van de verplichting van de notarissen om nevenbetrekkingen op te geven ook nadrukkelijk opgenomen in de reguliere toezichtonderzoeken. Ook wordt door het BFT op reguliere basis aan de hand van het handelsregister gecontroleerd of de inschrijvingen in het register notariaat overeenkomen met de registraties in het handelsregister.
Kunt u bevorderen dat het register zo snel mogelijk weer online komt te staan? Zo ja, welke stappen bent u voornemens hiertoe te zetten?
Voor een aantal wettelijke openbare registers in het domein van JenV is onderzoek uitgevoerd door het WODC4 naar de bescherming van persoonsgegevens. Het register voor het notariaat behoort niet tot de onderzochte registers, maar het in het WODC-onderzoek opgenomen kader voor het toetsen van de gegevensbescherming en de aanbevelingen voor verbetering zijn volgens de onderzoekers toepasbaar op alle openbare registers met persoonsgegevens.
De KNB is vanuit het JenV gewezen op de relevantie van dat WODC-onderzoek voor het beheer van het register voor het notariaat. Dit onderzoek biedt handvatten aan de registerhouder om een goede belangenafweging te kunnen maken tussen gegevensbescherming en de wijze van openbaarheid. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 zullen door JenV geen stappen worden gezet om te bevorderen dat het register (geheel of gedeeltelijk) online te raadplegen is.
Bent u bereid een overzicht te verstrekken van alle overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP al dan niet tijdelijk offline zijn gehaald? Zo nee, waarom niet en kunt u in contact treden met de AP om een overzicht op te stellen?
JenV beschikt niet over een overzicht van alle overheidsregisters die offline zijn gehaald en kan daarom deze gegevens niet aan uw Kamer verstrekken. Voor de openbaarheid van een register is online toegankelijkheid geen noodzakelijke voorwaarde. Daarmee is er voor mij geen reden alsnog een overzicht te laten maken van overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP offline zijn gehaald.
Bent u bereid te bevorderen dat klachten die de AP verstuurt naar bestuursorganen zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt, zodat tijdig een weging van belangen kan plaatsvinden en bestuursorganen ook van elkaar kunnen leren? Zo nee, waarom niet?
Voor dit antwoord wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op klachten die de AP ontvangt, omdat het in de onderhavige zaak ging om een klacht van een betrokkene bij de AP en omdat de AP zelf geen «klachten» indient. Op grond van artikel 77 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan iedere betrokkene een klacht indienen bij de AP over niet-naleving van de AVG. Volgens de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie moet een dergelijke klacht worden geduid als «verzoek tot handhaving» aan de AP.5 Een verzoek tot handhaving kan leiden tot een handhavingsbesluit. Openbaarmaking van handhavingsbesluiten is nu in beginsel verplicht op basis van artikel 3.1 Wet open overheid, tenzij de voorzieningenrechter ernstige twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit. Volgens haar eigen beleidsregels over openbaarmaking publiceert de AP in beginsel alle handhavingsbesluiten, met uitzondering van berispingen.6
Het bericht dat steeds meer tbs’ers wachten op plek in een kliniek en hiervoor schadevergoeding ontvangen |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer tbs’ers wachten op plek in kliniek en krijgen schadevergoeding» van de NOS van 6 december 2025?1
Ja.
Hoe lang blijft u nog vasthouden aan het falende tbs-stelsel dat inmiddels structureel vastgelopen is, terwijl de samenleving wél opdraait voor de fors oplopende kosten, wachttijden, capaciteitstekorten en bureaucratische chaos? Erkent u dat dit stelsel niet meer te verdedigen is en dat we het gewoon moeten afschaffen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het behandelen van ter beschikking gestelden in een hoog beveiligde kliniek draagt bij aan een veilige samenleving. Na een tbs-behandeling ligt de zeer ernstige recidive laag, op 3% na twee jaar en op 9% na tien jaar (tbs-gestelden uitgestroomd met voorwaardelijke beëindiging tussen 2008 en 2021).2 Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) heeft dit onderzocht. Het afschaffen van tbs zou leiden tot meer recidive omdat deze groep justitiabelen dan onbehandeld vrij komt na een gevangenisstraf, met mogelijk nieuwe strafbare feiten met nieuwe slachtoffers tot gevolg. Kortom, ik sta achter het tbs-stelsel en wil het juist versterken zodat het ook op de lange termijn goed blijft functioneren (zie mijn antwoord op vraag 6).
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze de huidige krankzinnige schadevergoedingen aan tbs-veroordeelden, die bij het grote publiek volstrekt onbegrijpelijk zijn, in zijn geheel kunnen worden afgeschaft?
Nee. Het betalen van een passantenvergoeding is verplicht volgens jurisprudentie van de Hoge Raad en van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Het Europese Hof stelt dat de wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek niet te lang mag zijn, omdat het een serieuze uitholling zou zijn van het recht op vrijheid (artikel 5, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Op basis van deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verblijf in een gevangenis langer dan vier maanden in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek, onrechtmatig is. De norm van vier maanden is daarna bij wet bepaald in artikel 6.3. Wet Forensische Zorg. Indien plaatsing binnen vier maanden niet lukt, kan de tbs-gestelde aanspraak maken op een passantenvergoeding. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming stelt de hoogte van de vergoeding vast.3
Deelt u de mening dat het tijd wordt te erkennen dat het onhoudbaar is dat daders zich kunnen onttrekken aan een gewone gevangenisstraf door een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid en dat het hoog tijd is om deze schulduitsluitingsgrond af te schaffen zodat ook deze daders simpelweg worden gestraft in plaats van te worden beloond met een tbs-maatregel?
Nee, deze mening deel ik niet. De tbs-maatregel is een combinatie van straf en zorg voor daders met complexe problematiek, die door de rechter geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. Met de tbs-maatregel onttrekken daders zich niet aan een gewone gevangenisstraf, maar kunnen zij intensief voor hun stoornis worden behandeld. Bovendien hebben rechters de mogelijkheid om een combinatievonnis op te leggen, waarbij een gevangenisstraf en een tbs-maatregel worden gecombineerd.
Deelt u de mening dat de tbs-maatregel in de praktijk is verworden tot een strategisch instrument van tbs-advocaten, dat wordt ingezet wanneer vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet binnen bereik ligt en dat dit strategisch gebruik ertoe bijdraagt dat rechters de tbs-maatregel steeds vaker opleggen?
Nee, deze mening deel ik niet. Ik heb veel vertrouwen in het vermogen van rechters om zich eigenstandig een oordeel te vormen, op basis van objectieve deskundigenadviezen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) over een mogelijke ernstige stoornis of gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte.
Wat bent u op korte termijn van plan om te voorkomen dat de kosten fors blijven oplopen?
De huidige situatie waarin ruim 260 tbs-gestelden in een gevangenis wachten op een plek in een tbs kliniek en een passantenvergoeding ontvangen is onwenselijk. Het aantal passanten is het afgelopen jaar toegenomen, evenals de wachttijd. Hierdoor is ook de hoogte van de schadevergoedingen gestegen omdat passanten langer moeten wachten op een plek in een tbs kliniek. Voor de veiligheid van de samenleving en een goede behandeling is het van belang dat tbs-gestelden tijdig in een tbs kliniek worden geplaatst.
Hiermee worden rechterlijke uitspraken adequaat uitgevoerd, en kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk worden behandeld.
Om de capaciteitsdruk binnen de tbs het hoofd te bieden, wordt de komende jaren ingezet op uitbreiden van circa 200 extra plekken op het hoogste beveiligingsniveau. Hiervoor zijn de benodigde middelen gereserveerd.4 De realisatie van deze uitbreidingen is wel afhankelijk van onder meer vergunningen, maatschappelijk draagvlak, en voldoende personeel. Daarnaast zet ik in op het verbeteren van de doorstroom zodat dat tbs-gestelden niet langer dan nodig op de hoog beveiligde plekken verblijven. Ondanks deze inspanningen zal de capaciteitsdruk in de tbs niet op korte termijn worden opgelost.
Geheime detentiefaciliteiten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 over de mysterieuze gevangenhouding van een strafadvocaat? Zo ja, klopt dit bericht?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Justitie en Veiligheid als toezichthouder op het gevangeniswezen geen weet had van een detentielocatie, die pas «na héél lang aandringen» bezocht kon worden, waarvan onduidelijk is wie de eindverantwoordelijke locatiedirecteur is en waarvan niet helder is wie uitvoering aan de bewaring geeft?
Ik acht het van belang dat er onafhankelijk toezicht moet kunnen worden uitgeoefend op alle vormen van detentie, ook wanneer het om zeer uitzonderlijke situaties gaat en er sprake is van afgeschermde detentie. Ik vind dan ook dat de Inspectie van Justitie en Veiligheid (IJenV) op de hoogte had moeten zijn van het bestaan van de afgeschermde detentielocatie en van het moment dat deze in gebruik werd genomen. Bij andere vormen van detentie wordt de IJenV niet over een individuele plaatsing geïnformeerd. Gelet op de uitzonderlijkheid van het gebruik van de afgeschermde locatie had het voor de hand gelegen om de IJenV daarvan proactief op de hoogte te stellen. Gezien het feit dat het vanuit veiligheidsoverwegingen een afgeschermde locatie betreft, hadden hier aanvullende afspraken over gemaakt moeten worden tussen de partijen. Door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de IJenV zijn eind 2024 werkafspraken gemaakt die onder andere zien op de wijze waarop een afgeschermde detentielocatie bezocht kan worden door de IJenV. Dergelijke afspraken lagen er op het moment dat de IJenV DJI verzocht de locatie te bezoeken nog niet. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik u naar de eerdere Kamerbrieven van 7 april 2025 en 9 december 2025 en de beantwoording van de vragen van het lid van Nispen.2
Klopt het dat er meermaals van alles aan gedaan is om informatie over deze mysterieuze geheime detentiefaciliteiten buiten de openbaarheid te houden? Zo nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, waarom? Klopt het dat Dienst Justitiële Inrichtingen heeft geweigerd om vragen van de Inspectie Justitie en Veiligheid schriftelijk te beantwoorden? Zo ja, wat was hiervoor de reden en is dat een gebruikelijke gang van zaken?
De ingebruikname van een afgeschermde detentielocatie vindt enkel plaats in uitzonderlijke situaties. Voorbeelden hiervan zijn situaties waarbij het met het oog op de veiligheid en/of het welzijn van de gedetineerden, de veiligheid van de maatschappij, andere gedetineerden en/of DJI-medewerkers het niet gewenst is dat in de openbaarheid bekend is waar de gedetineerde zich in detentie bevindt. Voorafgaand aan de plaatsing in afgeschermde detentie vindt er een afweging door DJI plaats, op basis van de op dat moment beschikbare informatie van bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie of de politie, omtrent de mate van afscherming. Ook gedurende de detentie wordt doorlopend bezien of plaatsing in afgeschermde detentie noodzakelijk is. Indien mogelijk wordt er afgeschaald.
Er gaat een groot belang uit van het niet bekend worden van locaties waar de afgeschermde detentie zich bevindt. Als dergelijke locaties van de afgeschermde detentie bekend raken, zijn deze locaties in beginsel niet meer inzetbaar als afgeschermde detentielocatie. Om deze reden heeft DJI de locatie voor afgeschermde detentie niet schriftelijk met andere partijen, waaronder de IJenV, gedeeld. Dit is een uitzondering, andere detentielocaties worden wel schriftelijk met de IJenV gedeeld. Door DJI is volledige medewerking verleend aan de IJenV. Indien vragen van de IJenV niet schriftelijke konden worden beantwoord heeft beantwoording mondeling plaatsgevonden. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven zijn er werkafspraken gemaakt tussen de IJenV en DJI.
Hoeveel tijd zat tussen het verzoek van de Inspectie ustitie en Veiligheid om de gewraakte locatie te bezoeken en het daadwerkelijke inspectieverzoek? Waarom wordt informatie daarover in de geopenbaarde documenten weggelakt? En waarom wordt geheimzinnig gedaan over wie precies de vestigingsdirecteur is?
Er zaten 17 dagen tussen het eerste gesprek dat heeft plaatsgevonden tussen de IJenV en DJI omtrent de afgeschermde detentie en het eerste fysieke bezoek aan de locatie. Omdat er op het moment van het eerste fysieke bezoek nog geen werkafspraken lagen tussen de IJenV en DJI dienden er aanvullende veiligheidsmaatregelen te worden getroffen. Aangezien er nu er werkafspraken liggen, is de verwachting dat een fysiek bezoek van de IJenV aan een afgeschermde detentielocatie in het vervolg binnen een korter tijdsbestek kan plaatsvinden. De veiligheid staat in alle gevallen voorop, voor gedetineerden, voor personeel en ook voor de inspecteurs. Dat kan er in resulteren dat bij verzoeken van de IJenV maatwerk wordt toegepast vanwege veiligheidsrisico’s. Zoals reeds aangegeven bij de beantwoording van vraag 3 wordt er enkel van afgeschermde detentie gebruik gemaakt in uitzonderlijke situaties wanneer er een veiligheidsbelang is dat niet op andere wijze gewaarborgd kan worden. In het kader van de veiligheid van de betrokken DJI-medewerkers (waaronder de vestigingsdirecteur) is het van belang dat niet bekend wordt waar de afgeschermde detentie daadwerkelijk plaatsvindt en wie daarbij zijn betrokken.
Vindt u dat in dit geval voldaan wordt aan alle wettelijke en verdragsrechtelijke eisen die aan detentie moeten worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om een nauwgezette weergave hoe deze detentierechten precies geëerbiedigd zijn? Zijn er andere gevallen waarin geheime detentie is toegepast?
Ook in de situatie van afgeschermde detentie moeten en kunnen gedetineerden erop vertrouwen dat hun detentie veilig, zorgvuldig en humaan ten uitvoer wordt gelegd met toepassing van geldende wet- en regelgeving. Zoals aangegeven in de brief van 9 december 2025 zijn inmiddels alle aanbevelingen van de IJenV omtrent afgeschermde detentie opgevolgd en wordt hiermee naar mijn oordeel voldaan aan de vereisten uit de Penitentiaire beginselenwet en het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning. Zo zijn er sinds eind 2024 werkafspraken met de IJenV zodat er onafhankelijk toezicht door hen kan worden gehouden op deze vorm van detentie. Naast deze werkafspraken is er ook een Commissie van Toezicht ingesteld voor afgeschermde detentie. Ook door hen kan onafhankelijk toezicht worden uitgeoefend. Tot slot zijn per 1 januari 2026 huisregels in werking getreden voor afgeschermde detentie. Hierdoor is het voor een gedetineerde in deze vorm van detentie inzichtelijk wat diens rechten en plichten zijn en op welke wijze er bijvoorbeeld een klacht kan worden ingediend. Afgeschermde detentie vindt enkel in uitzonderlijke situaties plaats. In de afgelopen decennia is er slechts een enkele keer sprake geweest van een dergelijke plaatsing.
Bent u het met mij eens dat detentie in beginsel niet onder staatsgeheim geschaard mag worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hiervan de reden en hoe wordt voorzien in onafhankelijk toezicht om misbruik en excessen te voorkomen?
In beginsel dient detentie niet onder staatsgeheim geschaard te worden. Het kan in het kader van de nationale veiligheid echter noodzakelijk zijn dat informatie gerubriceerd kan worden als staatsgeheim. Dit kan in uitzonderlijke gevallen ook gelden voor informatie met betrekking tot detentie. Hiermee wordt gewaarborgd dat een locatie waar afgeschermde detentie plaats kan vinden geheim blijft, evenals degene die bij deze vorm van detentie betrokken zijn. Dit mag echter nooit ertoe leiden dat personen volledig afgesloten van de buitenwereld in detentie worden gehouden.
Ten aanzien van het toezicht dat gehouden wordt op afgeschermde detentie verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
Het bericht ‘Opmars illegaleaanbieders bedreigt Nederlands gokbeleid’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opmars illegale aanbiedersbedreigt Nederlands gokbeleid»1 en zo ja, wat is uw eerste reactie op deze stijging?
Ik ben bekend met het bericht «Opmars illegale aanbieders bedreigt Nederlands gokbeleid». De groei van de illegale markt voor online kansspelen vind ik zorgelijk.2 Een van de doelstellingen van het kansspelbeleid is het verhinderen van deelname aan illegaal gokken en bestrijding van illegaal aanbod om zo kansspelgerelateerde schade en criminaliteit te voorkomen. De stijging van de uitgaven bij aanbieders van online kansspelen zonder vergunning kan duiden op een hoger risico op schade voor mensen die daar gokken en een hoger risico op kansspelgerelateerde criminaliteit en fraude. Dat is wat ik juist wil voorkomen en daar is mijn beleid op gericht.
Hoe verklaart u dat ondanks regulering en strengere regels voor legale aanbieders de omzet naar illegale aanbieders stijgt, juist op het moment dat de legale sector het zwaar heeft?
Maatregelen binnen het vergunde aanbod kunnen ervoor zorgen dat voor een deel van de gokkers het legaal aanbod niet meer aantrekkelijk genoeg is. Voorbeelden zijn speellimieten, interventies vanuit zorgplicht of belastingen. Een deel van de spelers kijkt hoe (financieel) aantrekkelijk een spel is en wijkt dan uit naar illegaal aanbod. De Ksa ziet in dit kader dat momenteel een beperkt percentage van de spelers bij illegale aanbieders speelt, maar daar wel veel geld verliest.3 Dit onderstreept de noodzaak om naast het reguleren van het vergunde aanbod ook effectiever de illegale aanbieders te bestrijden.
Deelt u de mening dat websites waarop geadverteerd wordt met teksten als «Beste casino’s zonder Cruks», direct offline moeten worden gehaald?
Om illegaal aanbod effectief bestrijden kijkt de Ksa enerzijds naar het aanpakken van de aanbieders zelf en anderzijds naar derde partijen die illegaal gokken faciliteren en/of bevorderen, zoals betaaldienstverleners, internetserviceproviders en marketingpartijen. Het (laten) verwijderen van de websites waar in bovenstaande vragen aan wordt gerefereerd hoort hier bij. De Ksa spant zich hier binnen het huidige instrumentarium voor in, onder andere met de in 2025 opgerichte Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen.4 Als het gaat om websites met een «.nl» adres zijn er mogelijkheden. Zo kan Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) domeinnamen ontkoppelen als websites in strijd met haar reglementen handelen. Daarvan is sprake wanneer een website Nederlandse wet- en regelgeving overtreedt. Hiervoor geldt dat SIDN de overtreding zelfstandig moet kunnen vaststellen. In de praktijk betreft dit vooral affiliatewebsites. Voor websites met een andere extensie dan.nl is het moeilijker om effectief op te treden.
Hoe kunt u, in samenwerking met de Kansspelautoriteit (Ksa), strenger handhaven op illegale casino’s die gebruik maken van het omkatten van een oude website naar een plek voor verwijzingen naar illegaal gokken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat een wetsvoorstel in voorbereiding is om de Ksa de bevoegdheid te geven om illegaal materiaal binnen een dag te verwijderen en zo ja, wanneer kan de Kamer de contouren hiervan verwachten?
In het eerste kwartaal van dit jaar informeer ik uw Kamer over de contouren van de beoogde wetswijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand en de nieuwe visie op kansspelen, zoals aangekondigd in de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 14 februari 2025.5 Verbeteringen op het gebied van handhaving op illegaal aanbod zijn hier een onderdeel van. Zoals vermeld in mijn antwoord op vragen 3 en 4 zijn de mogelijkheden om illegale websites uit de lucht te halen momenteel beperkt effectief. Ik onderzoek daarom hoe de Ksa effectiever kan ingrijpen om illegale websites ontoegankelijk te maken voor mensen in Nederland. Het doel is om dit snel en efficiënt te maken, zodat de Ksa veel websites in een korte tijd aan kan pakken.
Zijn er in de tussentijd, voordat het wetsvoorstel klaar is, maatregelen die genomen kunnen worden om illegale goksites zo snel mogelijk offline te halen en de Ksa hier een grote rol in te laten spelen?
Het ontoegankelijk maken van websites door de Ksa vergt in de meeste gevallen een nadere wettelijke basis dus hier kan niet mee gestart worden voordat een eventuele nieuwe wet in werking is getreden. Ondertussen blijft de Ksa inzetten op bestrijding van het illegaal aanbod met haar huidige instrumentarium. Zie hiervoor mijn antwoord op vragen 3 en 4.
Is de daling van het brutospelresultaat (BSR) bij legale aanbieders (met name in 2025) volgens u een teken van effectiviteit van het beleid, of juist van verdringing naar illegaal aanbod?
Op basis van alleen een daling of stijging van het brutospelresultaat kunnen geen conclusies worden getrokken over de effectiviteit van beleid. De afname van het brutospelresultaat in de legale markt komt onder meer door de positieve effecten van maatregelen die in oktober 2024 zijn ingevoerd om spelers te beschermen. Ik verwijs hierbij naar de monitoringsrapoprtage van de Ksa die ik 13 oktober 2025 met uw Kamer heb gedeeld.6 Zo is het verlies per maand van de gemiddelde speler sinds de invoering van de beschermende maatregelen substantieel gedaald. In zoverre beoordeel ik het beleid als effectief. Wel is het zorgelijk dat het brutospelresultaat op de illegale markt is toegenomen.
Deelt u de inschatting van de Ksa dat met name «zware gokkers» weglopen naar het illegale aanbod? En zo ja, wat is het beleid om deze groep te bereiken en te beschermen?
Ik deel de inschatting van de Ksa dat het veelal spelers die met hoge bedragen spelen zijn, die naar het illegaal aanbod overstappen. Mijn beleid is erop gericht om mensen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen. Naast het tegengaan van illegaal aanbod is het verbeteren van de bescherming binnen het vergunde aanbod belangrijk.
Daarnaast is het van belang om in te zetten op preventie en doorgeleiding naar passende hulp en ondersteuning bij gokproblematiek. Bijvoorbeeld door (potentiële) spelers te informeren over de extra grote risico’s op schade bij het spelen bij illegaal aanbod. In dat kader werk ik aan een strategische meerjarenagenda, samen met de Ksa en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik zal uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van dit jaar nader informeren.
Hoe garandeert u dat de handhaving tegen illegale aanbieders effectief is, gezien de vaak complexe buitenlandse constructies en de geringe inning van boetes zoals regelmatig door de Ksa wordt gemeld?
Complexe buitenlandse constructies en het feit dat buitenlandse organisaties doorgaans niet reageren op Nederlandse bestuursrechtelijke maatregelen maken de aanpak inderdaad complex en weerbarstig.7 Daarom kijk ik niet alleen naar de traditionele instrumenten in de bestuursrechtelijke aanpak, zoals het opleggen van boetes, maar vooral ook naar instrumenten om het netwerk aan faciliteerders en bevorderaars rondom illegaal aanbod te verstoren.
Hoe waarborgt u dat minderjarigen en kwetsbare groepen niet (meer) terechtkomen bij illegale gokaanbieders, gegeven de onderzoeksuitkomsten dat dergelijke sites nauwelijks identiteits- of leeftijdscontroles kennen?
Ik wil zo veel mogelijk voorkomen dat minderjarige en kwetsbare groepen terechtkomen bij illegale aanbieders. Daarom is mijn doel om dit aanbod en de toegang daartoe zoveel als mogelijk te beperken.8
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke en publieke gezondheidsrisico’s van de groei van illegaal gokken, onder andere wat betreft gokverslaving, fraude, datamisbruik en ontmoediging van verantwoord spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om, al dan niet Europees, regels te versterken om de toegang tot illegale aanbieders structureel te voorkomen?
Ik ben daartoe bereid en onderzoek nu ook de mogelijkheden daartoe. Zie ook mijn beantwoording van Kamervragen van het lid Boswijk van 4 september 2025.9
Het bericht ‘Broers vermoorde Ryan voor de rechter, eergerelateerd geweld lijkt toe te nemen’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Zijn er cijfers, gespecificeerd naar achtergrond, rondom eerwraak? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, bent u bereid om dit in de toekomst wél bij te houden teneinde hier scherp beleid op te kunnen voeren?1
Ja, het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) publiceert jaarlijks cijfers, ook over de achtergrond van betrokkenen, in zijn jaarverslag.2
Onderzoekt u de correlatie tussen de komst van (met name) islamitische migranten uit diverse landen uit het Midden-Oosten en Afrika van de afgelopen tien/vijftien jaar en de ontwikkeling van eerwraak van de afgelopen tien/vijftien jaar? Zo ja, wat zijn de resultaten? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Nee, dat wordt niet onderzocht. Uit het onderzoeksrapport «De rol van religie bij het afbakenen, verklaren en aanpakken van eergerelateerd geweld» van J.H.L.J. Janssen blijkt dat eer en geweld met verschillende thema’s in verband kan worden gebracht zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie, en dat alle thema’s nuttige informatie opleveren omtrent het ontstaan en de aanpak van zaken die draaien om eer. Het bij elkaar brengen van al die thema’s is niet eenvoudig, maar wel noodzakelijk. De context van eergerelateerd geweld is namelijk complex. Bij het uitlichten van enkel één van die thema’s, zoals religie, schuilt het gevaar dat het eerprobleem eenzijdig in beeld wordt gebracht en sterk wordt vereenvoudigd. Dat moet worden voorkomen, omdat dat een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld in de weg staat.
Aangezien het hoofd van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) stelt dat verandering in gesloten gemeenschappen van binnenuit moet komen en dat we moeten «meegeven hoe we met elkaar omgaan»: in hoeverre denkt u dat het in het belang van de goedwillende Nederlandse samenleving is dat we mensen in ons land verwelkomen die bepaalde cultureel gedreven gedragingen hebben, zoals eerwraak, die zó ontzettend haaks staan op onze verworvenheden die gebaseerd zijn op de moderniteit en de verlichting?
De beoordeling van het recht op een verblijfstatus is niet gekoppeld aan het bestaan van culturele waarden binnen bepaalde gemeenschappen in het land van herkomst. Wel kan een verblijfsvergunning worden geweigerd wanneer de aanvrager een gevaar vormt voor de openbare orde.
Dit kabinet streeft naar het versterken van het recht op zelfbeschikking binnen alle gesloten gemeenschappen. Deze inzet is gericht op mentaliteitsverandering richting acceptatie van gendergelijkheid en het respecteren van individuele vrijheid, onder andere door de inzet van voortrekkers uit die gemeenschappen zelf. Dit is een effectieve methode die ook bijdraagt aan het voorkomen van schadelijke praktijken waaronder eergerelateerd geweld. Naast deze brede preventieve aanpak zetten onder ander het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich in voor het verbeteren van de signalering van schadelijke praktijken door onder andere scholing van professionals in het zorg- en sociale domein.
Wat is de stand van zaken van de aangenomen motie Eerdmans, waarin het kabinet wordt verzocht in geval van eerwraak altijd de verblijfsvergunning in te trekken?2 Wanneer kunnen we concreet beleid hierop verwachten?
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar de brief van 9 december 20254 betreffende diverse onderwerpen op het gebied van migratie waarin uw Kamer is geïnformeerd over de afdoening van deze motie.
In hoeverre is bij de inburgering inmiddels ingebed dat er expliciet aandacht wordt besteed aan eergerelateerd geweld, conform de motie Eerdmans?3 Hoe ziet deze expliciete aandacht tijdens de inburgering er in de praktijk uit?
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland vrij is om zichzelf te zijn. Vrij is in het maken van eigen keuzes met respect voor de keuzes van een ander. Er is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige.
In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en LHBTIQI+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. De eindtermen zijn recent aangepast. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst.
In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober jl. heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk.Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die de werken met inburgeraars. Via de Actieagenda Integratie zet de Staatssecretaris in op het versterken van kennis over ongewenste praktijken en de meldcode in het sociaal domein met name gericht op wijkteams. Pharos ontwikkelt in het meerjarenplan Versterken preventie een regionale ketenaanpak schadelijke praktijken. Aan Pharos is gevraagd om ook inburgeringsconsulenten aan te haken in de keten.
Hoe verklaart u het dat in een 303 pagina’s tellend rapport «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021»4 over inburgering en integratie het woord «eerwraak» slechts een keer voorkomt, terwijl er door de Kamer meermaals moties aangenomen zijn over het belang hiervan bij de inburgering en omdat de praktijk inmiddels heeft bewezen hoe ingrijpend de gevolgen van eerwraak kunnen zijn?
Het «Kwalitatief onderzoek tweede fase Wet inburgering 2021» betrof een breed onderzoek over de werking van de wet en is gebaseerd op casestudies bij zeven gemeenten. Het doel van dit onderzoek was potentiële verbeteringen in wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan in beeld te brengen en lessen voor gemeenten op te doen voor de uitvoering van de Wi2021. Het onderzoek gaat over de fase vanaf de aanmelding van de inburgeraars bij een taalschool en omvat de invulling van de drie leerroutes, de Module Arbeidsmarkt Participatie (MAP) en het participatieverklaringstraject (PVT). Ondanks dat het onderwerp eerwraak nauwelijks terugkomt in het rapport, wil dat niet zeggen dat er geen aandacht voor is. Iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en de kennis van de inburgeraar hierover wordt getoetst.
In ditzelfde rapport lezen we dat eerwraak enkel wordt genoemd in de context van de Z-route; hoeveel inburgeraars krijgen op dit moment jaarlijks voorlichtingen over eerwraak?
Zie het antwoord op vraag 5.
In hoeverre toetsen we hoe inburgeraars aankijken tegen de Nederlandse normen en waarden als het gaat om de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw en het gebruiken/toestaan van geweld?
Zie het antwoord op vraag 5.
Gelden deze voorlichtingen over eerwraak enkel voor de Z-route of breder? Indien breder, hoe zijn de verhoudingen tussen de diverse trajecten en de desbetreffende voorlichting?
Zie het antwoord op vraag 5.
Houdt men bij het beleid rondom voorlichting over eerwraak bij inburgeraars ook specifieke rekening met de correlatie tussen culturen met een verhoogd risico op eerwraak? Zo ja, hoe ziet dit in de praktijk eruit? Zo nee, waarom niet?
Nee, iedere inburgeringsplichtige volgt KNM, waar eerwraak als onderwerp behandeld wordt en ondertekent de Participatieverklaring waarmee zij verklaren kennis genomen te hebben van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving.
Het bericht 'Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Italië erkent femicide als misdrijf en bestraft het met levenslang»?1
Bent u bekend met de Italiaanse wet waarin femicide officieel wordt erkend als misdrijf en wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf?
Welke juridische criteria worden gebruikt om femicide te onderscheiden van andere vormen van moord in de Italiaanse wet? Hoe verhoudt zich dit tot de bewijslast dat moet worden kunnen bewezen dat het slachtoffer is vermoord omdat zij vrouw is?
Op basis van welke motivatie wordt aan femicide een strafverzwarend kenmerk toegevoegd in de Italiaanse wet?
Is de redenering in de Italiaanse wet ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Hoe ziet u een Nederlandse versie van de Italiaanse wet? Welke voordelen en nadelen ziet u? Welke implicaties heeft het erkennen van femicide als apart misdrijf voor de opsporing en vervolging van de dader, de hulp en bescherming van de slachtoffers en prioritering bij het Openbaar Ministerie?
Zijn de rode vlaggen van femicide zoals onder andere stalking, (poging tot) verwurging, huiselijk geweld en dwingende controle opgenomen in deze Italiaanse wet? Zo ja, op welke manier is dit gebeurd en is dit ook toepasbaar op de Nederlandse situatie?
Welke elementen uit de Italiaanse wet zouden wel en niet toepasbaar zijn binnen de Nederlandse kaders?
Bent u op de hoogte of er andere landen zijn die vergelijkbare wetgeving hebben ingevoerd of voornemens zijn dit te doen? Zo ja, zou u per land kunnen aangeven welke mogelijkheden u ziet om hun wetgeving toe te passen op Nederland? Heeft u bijvoorbeeld over dit onderwerp al eens contact gehad met uw Belgische counterpart over hun «femicinide wet»? Bent u bereid deze vragen één voor één en voor het kerstreces te beantwoorden?
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
Het artikel 'Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten' |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten»?1
Ja
Bent u bekend met de bij deze zaak behorende beschikkingen van de rechtbank Noord Nederland?2, 3
Ja
Hoe kan het volgens u dat kinderen drie jaar lang ernstig fysiek zijn mishandeld, waaronder geslagen, aan de oren getrokken worden en door een hond gebeten worden, terwijl zij in dit gezinshuis geplaatst zijn door de Gecertificeerde Instelling (GI), deze GI de voogdij had en deze als gevolg hiervan ook toezicht diende te houden op het wel en wee en de veiligheid van de kinderen?
GI’s zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en hebben daarmee een belangrijke taak in het bewaken van de veiligheid van kinderen. Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig) passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Hoe deze verantwoordelijkheid in deze specifieke casus is ingevuld, kunnen we op dit moment niet beoordelen. Hiervoor zijn we in afwachting van het onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid en mogelijk met de Inspectie van het Onderwijs, gaat doen naar de feiten en omstandigheden in deze casus.
Bent u bekend met het persbericht van de GI waarin gesteld wordt dat de jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogisch klimaat in het gezinshuis?4
Ja
Wat zegt het u dat ondanks dat jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over het pedagogische klimaat in het gezinshuis, de kinderen er pas werden weggehaald na een specifieke melding? Hoe reflecteert u in dat licht op het functioneren en de daadkracht van de GI en de interne controlemechanismen, zeker gezien de duur, de herhaling en de ernst van de mishandelingen?
Omdat er volgens de GI sprake was van acute onveiligheid zijn de kinderen onmiddellijk overgeplaatst naar een ander gezinshuis en heeft de GI melding gedaan bij de IGJ. Er waren volgens de GI eerder geen concrete signalen van (fysieke) mishandeling opgevangen, ondanks regelmatige gesprekken met de kinderen door de jeugdbeschermers. De vraag óf er wel signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, wordt onderzocht.
De GI heeft aangegeven dat er eerder wel zorgen waren over de opvoedvaardigheden in het gezinshuis en de verzorging. Hier is destijds actie op ondernomen door de GI. De hoofdaannemer van het gezinshuis heeft daarop een traject gestart gericht op het verbeteren van de (pedagogische) vaardigheden van de gezinshuisouder. Pas nadat dit succesvol was afgerond, zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst.
Erkent u dat drie jaar mishandeling niet past bij het uitgangspunt dat een GI kinderen nauwlettend moet volgen en beschermen? Zo nee, hoe verklaart u dan dat dit toch is gebeurd?
Zoals ook bij vraag 3 is aangegeven, zijn we in afwachting van het onderzoek van de inspecties over de feiten en omstandigheden. Hoewel jeugdbeschermers kinderen regelmatig zien, blijft het herkennen van signalen van mishandeling bijzonder complex. Ieder contactmoment geeft slechts een beperkte inkijk in het dagelijks leven. Hierdoor blijft altijd een risico bestaan dat zorgwekkende situaties niet volledig zichtbaar zijn. Zoals ook bij vraag 5 is aangegeven, onderzoekt de GI óf er eerder wel signalen waren die zij hebben gemist. De GI zal de uitkomsten van dit intern onderzoek ook met de inspecties delen.
Hoe kan het dat nu blijkt dat er kinderen in een gezinshuis al jaren werden behandeld, terwijl de betrokken GI, die ook in de Vlaardingen-zaak betrokken was, heeft verklaard dat alle dossiers waren nagekeken en getoetst?
De GI heeft naar aanleiding van casus Vlaardingen alle dossiers getoetst op risicofactoren. Op basis hiervan is de situatie in dit gezinshuis ook opnieuw multidisciplinair besproken. Daaruit kwam naar voren dat er op dat moment geen signalen van acute onveiligheid waren.
Deelt u de analyse dat er in deze casus zowel sprake is van het verwijtbaar gedrag van de gezinshuisouders, als falen van de GI die signalen had moeten opmerken, controleren en melden?
Op dit moment kunnen we geen conclusies trekken over eventuele verwijtbaarheid of tekortkomingen van betrokken partijen. De inspecties voeren een calamiteitenonderzoek uit om de feiten en omstandigheden vast te stellen en conclusies te trekken over het handelen van de betrokken organisaties.
Hoe is het toezicht op gezinshuizen georganiseerd? Welke formele rechtspositie hebben de gezinshuisouders in het stelsel?
Bij gezinshuizen krijgen kinderen professionele jeugdhulp wanneer zij – om verschillende redenen – (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. De gezinshuisouders bieden 24 uur per dag professionele begeleiding, structuur en zor in een huiselijke setting. De gezinshuiskinderen maken daarbij deel uit van het gezin van de gezinshuisouder(s). De gezinshuisouders zijn hiervoor opgeleid en werken als jeugdhulpverleners.
Gezinshuisouders werken nauw samen met andere professionals zoals jeugdzorgwerkers, voogden van gecertificeerde instellingen en de leerkrachten op de school van de (gezinshuis)kinderen. Meestal zijn er vanuit de betrokken zorgorganisatie ook gedragsdeskundigen betrokken waaraan de gezinshuisouders bijzonderheden over de kinderen kunnen rapporteren en die meedenken over een zorgplan en de inschakeling van jeugdhulp of b.v. traumatherapie kunnen voorstellen.
Gezinshuisouders moeten voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Deze norm stelt dat aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming er zorg voor dragen dat de taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een SKJ-(kwaliteitsregister Jeugd) of BIG- geregistreerde professional. Een SKJ-registratie toont aan dat voldaan wordt aan de eisen van vakbekwaamheid (o.a. relevante HBO-opleiding) en dat gewerkt wordt volgens de professionele standaarden van de beroepsgroep. Belanghebbenden kunnen een klacht indienen bij het SKJ en het register kan maatregelen opleggen en publiceren.
Gezinshuizen zijn aanbieders van jeugdhulp. Daarom vallen zij onder de Jeugdwet en onder het toezicht van de IGJ en IJenV. Ook gemeenten spelen een grote rol onder andere door inkopen van kwalitatief goede jeugdhulp. Zij kopen jeugdhulp in bij gezinshuizen, rechtstreeks of via een organisatie. Gemeenten bepalen vooraf aan welke eisen de jeugdhulp moet voldoen. Zij betalen voor deze jeugdhulp. Gemeenten moeten zich er bij de inkoop en betaling van vergewissen dat de aanbieder passende en kwalitatief goede en veilige hulp biedt.
Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor de IGJ een belangrijke bron van informatie. Iedereen kan een signaal afgeven bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Daarnaast moeten zorg- en jeugdhulpaanbieders, waaronder ook gezinshuizen, bepaalde incidenten (zoals calamiteiten en geweld) verplicht bij de inspecties melden. Signalen en meldingen worden bekeken en beoordeeld. Op basis van deze signalen en meldingen voert de inspectie risicogestuurd toezicht uit.
Zijn bij inspecties, meldpunten of vertrouwenspersonen meer meldingen bekend over structurele onveiligheid, geweld, misstanden of gebrek aan kwaliteit in gezinshuizen? Hoeveel sinds 2020?
De IGJ registreert meldingen die ze ontvangen op naam van de jeugdhulpaanbieder. Meldingen specifiek over het type jeugdhulpaanbieder «gezinshuis» hebben zij niet voorhanden.
In maart 2025 heeft de inspectie een overkoepelend rapport gepubliceerd over het toezicht naar de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp in gezinshuizen5. Hiervoor analyseerde de inspectie handmatig 139 signalen en meldingen over gezinshuizen in 2023 en 2024.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over onderzoeken in hoeverre de bestaande bestuurdersaansprakelijkheid beter onder de aandacht gebracht kan worden bij slachtoffers (Kamerstuk 31 015, nr. 289)?
Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem terecht voor informatie, advies of ondersteuning. Jeugdstem kan advies geven over de mogelijke stappen die gezet kunnen worden, bijvoorbeeld bij het indienen van een klacht. In deze communicatie nemen zij ook de mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid mee. Jeugdstem draagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop te wijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege de complexe juridische aard. Gezien de complexiteit van deze trajecten, zien we op dit moment geen andere realistische mogelijkheid om dit ook nog op andere manieren verder onder de aandacht te brengen van slachtoffers.
Klopt het dat kinderen waarvan het gezag bij ouders is weggenomen, als gevolg van een besluit op basis van artikel 1:266 lid 1 BW, door de uitwerking van de maatregel en de uitvoering door de GI, vaak volledig aan het zicht onttrokken worden van de rechtbank? Klopt het en vindt u het wenselijk dat ouders vrijwel niet worden geïnformeerd of betrokken bij het toezicht op hun kind?
Bij een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling blijft de kinderrechter op vaste momenten betrokken, omdat de maatregel periodiek moet worden verlengd. Bij een voogdijmaatregel is dat inderdaad anders: deze loopt in beginsel door tot de meerderjarigheid van het kind en wordt niet periodiek door de kinderrechter getoetst.
De GI is (wettelijk) verantwoordelijk voor zicht op de veiligheid en ontwikkeling van een minderjarige onder voogdij. Daarnaast hebben ouders, ook na gezagsbeëindiging, op grond van artikel 377c BW recht op informatie over hun kind.
We herkennen dat het ontbreken van onafhankelijk toezicht op het welzijn en de positie van minderjarigen onder voogdij als een tekortkoming. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» de Raad voor de Kinderbescherming belast met een jaarlijkse evaluatie van het welzijn en de veiligheid van deze kinderen. De RvdK spreekt daarbij met de minderjarige, de ouders, de eventuele pleegouders en degene die een vertrouwensband met de minderjarige heeft.
Erkent u dat ouders na een gezagsbeëindiging nauwelijks meer zicht hebben op hun kinderen en dat dit ertoe kan leiden dat zij als enige in staat zijn misstanden te signaleren maar juridisch niet gehoord worden? Hoe beoordeelt u dat in zowel de Vlaardingen-zaak als deze zaak de ouders de enige waren die de misstanden zagen, maar door hun rechtspositie genegeerd werden?
We erkennen dat ouders na een gezagsbeëindiging een beperkte formele positie hebben en dat dit kan betekenen dat zij minder zicht hebben op de dagelijkse situatie van hun kind. Tegelijk blijven ouders ook na gezagsbeëindiging op grond van artikel 377c BW recht houden op informatie over hun kind. In de praktijk wordt echter ervaren dat dit recht niet altijd voldoende invulling krijgt, waardoor ouders zich onvoldoende gehoord kunnen voelen wanneer zij zorgen hebben.
De gebeurtenis in Vlaardingen laat zien dat signalen over mogelijke misstanden altijd serieus moeten worden genomen, ongeacht van wie deze afkomstig zijn. Het is onwenselijk als zorgen van ouders – of van anderen die dicht bij het kind staan – niet worden opgepakt. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» voorzien in onafhankelijk toezicht op kinderen onder voogdij door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit toezicht omvat onder meer een periodiek gesprek met de ouders, zodat hun signalen jaarlijks worden meegenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat ook na gezagsbeëindiging signalen van ouders kunnen leiden tot onderzoek en eventuele vervolgstappen wanneer daar aanleiding toe is.
Klopt het dat door het inzetten van de gezagsbeëindigende maatregel deze kinderen ook buiten beeld komen van de rechter, waardoor een toetsing of het goed gaat met het kind in de nieuwe setting niet meer plaatsvindt? Vindt u dat wenselijk?
Zie het antwoord op vraag 12.
Wat vindt u van het feit het dat ouders, bij wie problemen zijn met het opvoeden van hun kinderen, het gezag ontnomen kan worden? Wat vindt u van het creëren van een tussenliggende maatregel waarbij de beslissingsbevoegdheid, al dan niet tijdelijk, ontnomen wordt?
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een zeer ingrijpende maatregel. Soms is het helaas noodzakelijk voor de veiligheid en ontwikkeling van een kind. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag gezagsbeëindiging alleen plaatsvinden als duidelijk is dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor het kind.
Om hierbij beter aan te sluiten, wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» het noodzakelijkheidscriterium toegevoegd: gezagsbeëindiging kan alleen als dit écht onvermijdelijk is. Daarnaast introduceert het wetsvoorstel, via het wettelijk vastleggen van het perspectiefbesluit, een minder vergaande maatregel. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen voor onbepaalde tijd worden voortgezet wanneer dat in het belang van het kind is. Daarmee ontstaat een alternatief voor gezagsbeëindiging, waarbij ouders niet volledig hun beslissingsbevoegdheid verliezen.
Bent u bereid te onderzoeken of de rechtspositie van ouders na gezagsbeëindiging moet worden herzien, zodat hun signalen over mishandeling van hun eigen kinderen in situaties van pleegzorg, gezinshuizen of instellingen niet langer structureel kunnen worden genegeerd, mede gezien het risico dat kinderen van de radar verdwijnen binnen deze vormen van jeugdzorg?
We herkennen de zorg dat signalen over het welzijn van minderjarigen onder voogdij serieus moeten worden genomen. Het ontbreken van onafhankelijk toezicht op deze groep is inderdaad een tekortkoming in de huidige praktijk. Daarom wordt in het wetsvoorstel onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij wettelijk geborgd, zodat problemen in bijvoorbeeld een pleeggezin of gezinshuis niet buiten beeld kunnen blijven en kinderen niet van de radar verdwijnen. Met de ouder(s) wordt door de RvdK – in het kader van de evaluatie – een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de rapporten «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd en «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» van de Inspectie Justitie en Veiligheid?
Ja.
Misstanden in de pleegzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten»?1
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat nogmaals kinderen die voor hun veiligheid uit huis zijn geplaatst, jarenlang ernstig konden worden mishandeld zonder dat toezichthoudende instanties ingrepen? Erkent u dat het hier niet gaat om een eenmalig incident, maar dat er sprake is van breder en vaker gesignaleerde problemen binnen de jeugdbeschermingsketen?
Kinderen die om welke reden dan ook niet meer thuis kunnen wonen, moeten kunnen rekenen op veiligheid, zorg en liefde op een andere plek. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. De gebeurtenissen in het pleeggezin in Vlaardingen en de recente berichten over de kinderen in het gezinshuis in Noord-Nederland raken ons zeer. Wat er precies is voorgevallen in het gezinshuis, is aan de inspecties om te onderzoeken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) doet momenteel onderzoek naar de veiligheid en de kwaliteit van de jeugdhulp. Daarbij betrekt de IGJ ook de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV), en wordt verkend of er ook een rol is voor de Onderwijsinspectie. We zullen dit onderzoek moeten afwachten om te beoordelen of er een relatie is met vaker gesignaleerde problemen in de jeugdbeschermingsketen.
Dat de jeugdbeschermingsketen onder druk staat en dat er onvoldoende tijdige en passende jeugdhulp is, is iets waar de inspecties al langere tijd aandacht voor vragen. Wij erkennen dat er in de jeugdbescherming en jeugdhulp verbeteringen nodig zijn en zetten ons hier ten volle voor in.
Kunt u reflecteren op de kwaliteit van screening en monitoring van gezinshuizen, zorgboerderijen en pleeggezinnen en hoe het komt dat kinderen herhaaldelijk worden geplaatst in onveilige situaties waarin kindermishandeling, verwaarlozing of zelfs kinderarbeid plaatsvindt?
De kwaliteitscriteria gezinshuizen gaan onder meer in op kwaliteit van jeugdhulp in gezinshuizen, de kennis en vaardigheden van gezinshuisouders en de samenwerking met andere professionals. Daarin is opgenomen dat screening moet plaatsvinden op kennis en vaardigheden voor professioneel opvoederschap. Het toetsen van de competenties en geschiktheid gebeurt in principe door de zorgaanbieder of de franchiseorganisatie (afhankelijk van loondienst of franchise).
Voor vrijgevestigde aanbieders draagt de gemeente – volgens de kwaliteitscriteria gezinshuizen – zorg voor competentiegerichte toetsing van de gezinshuisouders voor de start van een gezinshuis. De kerntaak van gezinshuisouders vergt hbo werk- en denkniveau uitgaande van het Kwaliteitskader Jeugd (uitwerking van de norm verantwoorde werktoedeling), en dus een SKJ-registratie of werken onder de verantwoordelijkheid van iemand met een SKJ-registratie. Daarnaast is een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) vereist.
Zorgboerderijen die zijn aangesloten bij de branchevereniging Federatie Landbouw en Zorg hebben zich aan kwaliteitseisen, zoals opgenomen in het kwaliteitskader voor de zorglandbouw gecommitteerd. Gemeenten kunnen bij de inkoop (aanvullende) kwaliteitseisenstellen.
Voor pleeggezinnen geldt dat aspirant-pleegouders een intensief voorbereidings- en screeningstraject doorlopen dat door de pleegzorgaanbieder wordt uitgevoerd, om te beoordelen of een pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden. Daarnaast moeten pleegouders in het bezit zijn van een door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) afgegeven Verklaring van geen bezwaar (VGB) om formeel pleegouder te kunnen worden.
Om de kwaliteit van screening voor pleegouders te waarborgen, wordt het Kwaliteitskader Voorbereiding en screening geëvalueerd. Daarnaast verkennen wij op dit moment de wenselijkheid van verplichte periodieke of continue (justitiële) screening. Via de reguliere voortgangsrapportages jeugd informeren we uw Kamer over de voortgang.
Screening is altijd een momentopname. Het is vooral belangrijk dat er goed zicht is en blijft op de kwaliteit van zorg en veiligheid van kinderen die in pleeggezinnen, gezinshuizen of in zorgboerderijen verblijven.
Hoe verklaart u dat signalen van verwaarlozing, mishandeling en/of twijfels over de pedagogische vaardigheden van opvoeders – die ook in deze zaak weer langere tijd bekend waren – nog steeds niet of nauwelijks consequent worden opgepakt? Waarom is het signaleringssysteem in de keten (zorg, onderwijs, voogdij) in de praktijk nog steeds niet sluitend? Welke stappen zijn hier de afgelopen periode in genomen?
Professionals uit de sectoren onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg, kinderopvang en justitie zijn verplicht met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te werken.
De vijf stappen van de meldcode bieden handelingsperspectief voor professionals als zij huiselijk geweld of kindermishandeling vermoeden. Naast toepassen van de meldcode heeft een aantal organisaties een specifieke rol en verantwoordelijkheid in het beoordelen en onderzoeken van signalen over onveiligheid en het nemen en uitvoeren van maatregelen. In de bijlage bij de Kamerbrief van 30 januari 2025 met de kabinetsreactie op de rapporten van de inspecties over de hulp aan het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen, wordt hier uitgebreid op ingegaan.
Wat er precies is voorgevallen in het gezinshuis, is aan de inspectie om te onderzoeken. Wij kunnen momenteel niet beoordelen of er juist gehandeld is op de aanwezige signalen. Wel weten we dat er een melding over het gezinshuis is gedaan en dat de kinderen uit het gezinshuis zijn gehaald.
Welke maatregelen neemt u, en heeft u genomen, om de zorgen van de (biologische) ouders serieuzer te nemen bij uithuisplaatsingen? Welke stappen zijn hier de afgelopen periode in genomen en welke veranderingen binnen de jeugdbeschermingsketen zijn daardoor tot stand gekomen? Ziet u voldoende ontwikkeling?
In het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» wordt onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij van de GI wettelijk geborgd. Het beoogde doel van deze regeling is beter toezicht te houden op het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van de minderjarige. Ook met de ouder(s) wordt door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) – in het kader van de evaluatie – periodiek een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter.
In hoeverre is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) met de huidige capaciteit, instrumenten en werkwijze daadwerkelijk in staat om te monitoren of de veiligheid van kinderen in de pleegzorg gewaarborgd blijft?
In algemene zin geldt dat GI’s verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en daarmee een belangrijke taak hebben in het bewaken van de veiligheid van kinderen. Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig) passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Ook de pleegzorgaanbieders hebben hierin een verantwoordelijkheid. Hiervoor is de Richtlijn Pleegzorg opgesteld waarin aanbevelingen over onder andere de veiligheid in pleeggezinnen is opgenomen.
Bij de IGJ zijn 44 fte inspecteurs werkzaam die toezien op de jeugdhulpaanbieders. Dat maakt dat de IGJ weloverwogen keuzes moet maken over wat de IGJ wel en niet kan doen. Dat noemen zij risico gestuurd toezicht. Om risico’s in beeld te brengen verzamelen, analyseren en interpreteren ze informatie over zorgaanbieders. Hiervoor is de inspectie afhankelijk van meldingen en signalen die zij ontvangt over pleegzorgaanbieders.
Kunt u aangeven welke maatregelen volgens u nodig zijn om zowel het systeem op lange termijn als de veiligheid voor kinderen in de jeugdbescherming op korte termijn aanzienlijk te verbeteren?
We werken op verschillende manieren aan de verbetering van de jeugdbescherming. Zo is er de afgelopen jaren geïnvesteerd in het verlagen van de gemiddelde workload bij GI’s van 17 naar 12 kinderen, waardoor jeugdbeschermers meer tijd en aandacht hebben voor de kinderen en gezinnen die zij begeleiden. Daarnaast wordt, zoals eerder aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, gewerkt aan het versterken van de rechtsbescherming van ouders en kinderen.
Voor de lange termijn werken we in het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming aan het verbeteren van het systeem van jeugdbescherming vanuit de basisprincipes: gezinsgericht, eenvoudig, lerend, rechtsbeschermend en transparant. Met het Toekomstscenario wordt een werkwijze ontwikkeld om gezinnen waar veiligheidsproblemen spelen eerder en betere hulp en bescherming te bieden, gericht op samenwerking en gelijkwaardigheid en met minder organisaties rond het gezin. Een werkwijze die er toe leidt dat de juiste hulp aan kinderen én betrokken volwassenen wordt geboden, die beter beschermt en waardoor minder gedwongen maatregelen nodig zijn.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat het systeem van jeugdbescherming, dat bedoeld is om veiligheid te bieden, zelf een bron van onveiligheid en trauma wordt voor kwetsbare kinderen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen binnen afzienbare tijd – uiterlijk voorafgaand aan het volgende debat over jeugdbeleid – beantwoorden?
Ja
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.
Het aanpakplan ‘kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het aanpakplan: «kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers»?
Ja. Op 25 november 2025 heb ik dit plan overhandigd gekregen door Barbara Godwaldt, die dit plan in samenwerking met de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (hierna: FNG) en de Blijf Groep heeft opgesteld.
Deelt u de mening dat het van belang is om zo snel mogelijk een coördinator aan te stellen die aan de slag gaat met de problemen omtrent harmonisatie en regie binnen de jeugdbeschermingsketen zoals in het aanpakplan wordt omschreven?
Het aanpakplan beveelt een expertiseteam aan bij zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de gecertificeerde instellingen. Dit expertiseteam kan op basis van kennis en ervaring advies en begeleiding bieden bij het verrichten van het raadsonderzoek en vervolgens de uitvoering daarvan. Deze aanbeveling neem ik ter harte en zal ik meenemen in de gesprekken die ik op dit moment voer met de betrokken organisaties, zoals onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, en andere betrokken professionals.
Bent u bereid te onderzoeken of de behandeling van zaken over geweld in huiselijke kring in combizittingen breder uitgerold kan worden?
Naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt door het Verwey-Jonker Instituut is een verbetertraject gestart met als doel dat wordt gewaarborgd dat wanneer huiselijk geweld en/of kindermishandeling speelt, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure.1 Het versterken van de verbinding tussen het straf- en civielrecht is onderdeel van dit traject. Het is namelijk zinvol als er een betere informatie-uitwisseling tussen de familierechter en strafrechter plaatsvindt. Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. De behandeling van zaken over huiselijk geweld in combizittingen zoals bij de rechtbank Rotterdam wordt gedaan, is daarvan een concreet voorbeeld. Deze werkwijze zal om die reden worden meegenomen in de gesprekken die ik in het kader van het verbetertraject voer met onder meer de Rechtspraak.
Bent u bereid spoed te zetten achter het wetsvoorstel om het erfrecht aan te passen zodat nabestaanden niet langer op basis van artikel 6:2 lid 2 BW een juridische procedure moeten starten om de dader uit te sluiten van de erfenis aangezien de motie Becker c.s.1 door de Kamer unaniem is aangenomen en uit het aanpakplan kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers dit een dringende wens van nabestaanden blijkt?
De motie Becker c.s. sluit aan op een dringende wens van nabestaanden van slachtoffers van femicide. Deze motie wil ik uitvoeren door de gronden voor automatische onwaardigheid in het erfrecht uit te breiden, zodat deze beter aansluiten op de problemen die slachtoffers van partnermoord, inclusief femicide ervaren.
Ik streef ernaar een concept van dit wetsvoorstel in 2026 vóór de zomer in internetconsultatie te brengen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de ketenpartners in de jeugdbeschermingsketen, nabestaanden en slachtoffers over de aanbevelingen uit het aanpakplan?
Ja, met de FNG zijn over deze problematiek dit jaar al gesprekken gevoerd. Hierin zijn de meeste aanbevelingen uit het aanpakplan al naar voren gebracht. Ik ga hierover graag verder met de FNG in gesprek, en, zoals met de FNG is afgesproken, betrek ik daar ook de betrokken uitvoeringsorganisaties en experts bij.
Kunt u voor het kerstreces een kabinetsreactie op het aanpakplan naar de Kamer sturen waarin u één voor één ingaat op alle aanbevelingen?
Ik bezie dit aanpakplan in samenhang met het plan van aanpak «Stop Femicide!» en het in antwoord 3 genoemde verbetertraject over het meewegen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in familierechtelijke procedures. Daarom volgt een bredere reactie op het aanpakplan in de eerste helft van 2026 als ik uw Kamer informeer over het genoemde verbetertraject.