Het instellen van wachttijden door de gemeente Assen om tekorten in het sociaal domein tegen te gaan |
|
René Peters (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u er kennis van genomen dat het college van burgemeester en wethouders in Assen tekorten op de jeugdzorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wil terugdringen door onder andere wachttijden in te stellen en budgetplafonds te hanteren voor zorgaanbieders?1
Ja. Het is mij bekend dat het college van burgemeester en wethouders in Assen een voorstel heeft verzonden aan de gemeenteraad, met maatregelen om de verwachte tekorten in het sociaal domein te beperken. Deze voorstellen zijn eerder besproken met de gemeenteraad. Op 18 oktober waren deze voorstellen ter besluitvorming geagendeerd in de gemeenteraad van Assen, waarbij het voorstel om wachttijden in te stellen uit het voorstel is gehaald. Op 5 november jl. is ingestemd met de voorstellen.
Wat is volgens u de oorzaak van de tekorten op de jeugdzorg en Wmo in de gemeente Assen?
Het is allereerst aan de gemeenteraad van Assen om het college te controleren als het gaat om de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeente heeft zelf in haar voorstel een analyse opgenomen van de oorzaak van de tekorten en stelt ook maatregelen voor.
De gemeente Assen heeft in een brief aan mij aangegeven mee te willen doen aan het onderzoek naar Jeugdhulp (in het bijzonder de benchmarkanalyse bij 30 gemeenten).
Klopt het dat er in Drenthe sprake is van een forse toename van het aantal (dure) jeugdhulptrajecten met verblijf van 885 (medio 2015) naar 1270 (eind 2017)? Is er sprake van een vergelijkbare stijging van dure jeugdhulptrajecten binnen de gemeente Assen? Wat is hiervan volgens u de oorzaak?2
Op basis van beleidsinformatie van het CBS is er in Drenthe inderdaad een toename van het aantal jeugdhulptrajecten met verblijf. Deze toename kent vooral een grote stijging tussen eind 2016 (975) en medio 2017 (1255). Deze toename is zichtbaar in alle gemeenten in Drenthe, met uitzondering van de gemeente Westerveld.
Bij het stijgend of dalend jeugdhulp gebruik kunnen veel factoren een rol spelen. In het onderzoek naar jeugdhulp dat ik dit najaar zal starten is één van de componenten een analyse van de volumeontwikkeling, die zichtbaar is in de beleidsinformatie Jeugd.
Daarnaast kan de gemeente Assen haar beleid vergelijken met overeenkomstige gemeenten met verschillende scores op jeugdhulpgebruik. Door een vergelijking krijgt een gemeente beter beeld en inzicht.
Deelt u de mening dat het versnipperen van jeugdzorgregio’s, zoals eerder in Drenthe het geval is geweest, uiteindelijk juist tot duurdere jeugdzorg kan leiden?3
Kinderen, gezinnen, jongeren, gemeenten en aanbieders zijn gebaat bij rust en orde rond regionale samenwerking. Om dit voor elkaar te krijgen, hebben we stabiele regio’s nodig die efficiënt samenwerken op regionaal en bovenregionaal niveau. Het ligt daarbij voor de hand dat regio’s eenzelfde samenstelling behouden.
Ik volg als stelselverantwoordelijke deze ontwikkelingen en houd een «vinger aan de pols». In het geval dat de gemeenten er toch gezamenlijk niet uitkomen, waardoor de beschikbaarheid van jeugdhulp in het gedrang komt, zal ik die stappen zetten die nodig zijn om alsnog de beschikbaarheid te borgen.
Deelt u de vrees dat de voorgenomen maatregelen kunnen leiden tot onverantwoorde wachtlijsten en mogelijk zelfs opnamestops? Zo nee, waarom niet?
De gemeenteraad van Assen heeft op 18 oktober jl. de voorstellen van het college besproken. De oorspronkelijke voorstellen zijn voor die tijd nog aangepast. Zo zijn de voorbeelden die genoemd waren bij «maatregelen aan de aanbodzijde» niet meer opgenomen, waaronder het instellen van wachttijden. Op 5 november jl. is ingestemd met de voorstellen.
Hoe verhoudt wat u betreft het voornemen van het college van Assen zich met de jeugdhulpplicht van de gemeente?
De Jeugdwet is volstrekt helder. Gemeenten hebben op grond van artikel 2.3 de plicht passende jeugdhulp te leveren voor alle kinderen en gezinnen die dat nodig hebben, de jeugdhulpplicht beperkt zich dus niet tot acute hulpvragen. Op grond van artikel 2.6 zijn gemeenten gehouden te voorzien in een kwalitatief en kwantitatief toereikend jeugdhulpaanbod. Het enkele feit dat het gemeentelijk budget voor jeugdhulp overschreden (dreigt) te worden doet niet af aan de jeugdhulpplicht.
Het artikel ‘Twitter, Facebook en Google gaan nepnieuws aanpakken’ |
|
Jan Middendorp (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Twitter, Facebook en Google gaan nepnieuws aanpakken»1 en «Facebook: in 2020 minder steun in verkiezingen VS»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichten dat tech-ondernemingen, met name social media en zoekmachine-bedrijven, in de Verenigde Staten een rol hebben gespeeld in de campagne en zo invloed kunnen hebben gehad op de verkiezingen2?
Het feit dat sociale mediabedrijven politieke partijen benaderen om hen bijvoorbeeld uit te leggen over de werking van de platforms of hun advertentiebeleid is aan de tech-ondernemingen zelf. Het is daarnaast ook aan de politieke partijen zelf of zij gebruik maken van de diensten van sociale mediabedrijven en op welke manier.
Hoe beoordeelt u de gedachte dat tech-ondernemingen invloed kunnen hebben op verkiezingen, (lokale) volksraadplegingen of andere nationale of lokale politiek processen?
Tech-ondernemingen met een groot bereik kunnen potentieel invloed hebben op verkiezingen. Dit kan zowel positief zijn als negatief.
Tech-ondernemingen kunnen een belangrijke rol spelen in de informatievoorziening over politieke partijen waarna kiezers hun politieke voorkeur kunnen bepalen en hun stem kunnen uitbrengen. Informatie over politieke partijen kan toegankelijker gemaakt worden en kandidaten en campagnes kunnen zich op meer manieren tot potentiële kiezers wenden.
Uit gesprekken met tech-ondernemingen is naar voren gekomen dat zij hun diensten aanwenden om opkomst bevorderende boodschappen te brengen door mensen eraan te herinneren op verkiezingsdagen hun stem uit te brengen. Ook heeft bijvoorbeeld Facebook de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen via verschillende kanalen een aantal tips voor het herkennen van desinformatie verspreid en gemeenteraden geïnformeerd over het veilig gebruik van hun Facebook-accounts. Dat vind ik positief.
Een negatief effect kan zijn dat de juistheid en betrouwbaarheid van informatie niet altijd duidelijk is. Tech-ondernemingen zouden individuen gericht kunnen sturen in hun meningsvorming door het aanbieden van eenzijdige of gekleurde informatie. Daarnaast kunnen persoonsgegevens worden misbruikt door op intransparante wijze via microtargeting op mensen in te spelen.
In Nederland lijkt microtargeting door politieke partijen zich te beperken tot vormen van profiling die selecties van potentiële kiezers opleveren aan wie op internet in banners verkiezingsboodschappen kunnen worden verstrekt.
Ik sluit niet uit dat ook in Nederland misbruik gemaakt zou kunnen worden van persoonsgegevens om verkiezingen te beïnvloeden. Er zijn mij hiervan echter geen voorbeelden bekend.
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat dergelijke beïnvloeding in Nederland plaatsvond of kan vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Beschikt u over informatie of onderzoeken over de effecten van sociale media, internet-zoekmachines en andere digitale diensten bij verkiezingen, (lokale) volksraadplegingen of andere nationale of lokale politieke processen in Nederland? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Nee, in mijn opdracht zijn er geen onderzoeken specifiek naar de effecten van sociale media, internet-zoekmachines en andere digitale diensten specifiek bij verkiezingen, (lokale) volksraadplegingen of andere nationale of lokale politieke processen in Nederland gedaan.
Zijn er specifieke regels in Nederland of Europa voor tech-ondernemingen, sociale media en zoekmachines bij verkiezingen, (lokale) volksraadplegingen of andere nationale of lokale politieke processen, zoals in de Verenigde Staten bij de presidentsverkiezingen in 2016? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Als voor het aanbieden van politieke advertenties persoonsgegevens worden verwerkt, is de AVG van toepassing. Daarin zijn regels neergelegd over de manier waarop gegevens worden verkregen en regels opgesteld over bijvoorbeeld transparantie. Daarnaast is politieke voorkeur als bijzonder persoonsgegeven aangemerkt, dat zonder expliciete toestemming van betrokkene niet mag worden verwerkt: de toestemming moet expliciet gevraagd én verkregen worden, en mag niet «verstopt» zitten in bijvoorbeeld de algemene voorwaarden.
Tevens is recentelijk door de Europese Commissie een pakket aan maatregelen voorgesteld omtrent veilige en eerlijke verkiezingen. Het BNC fiche daaromtrent wordt binnenkort aan uw Kamer gezonden.
Daarnaast is 26 september 2018 een «code of practice on disinformation», opgesteld door het Multi-stakeholder forum on online disinformation – hierin zitten bedrijven als Facebook, Google, Twitter, Wikipedia, journalisten en mediavertegenwoordigers – dat was samengesteld naar aanleiding van de mededeling van de Europese Commissie inzake de bestrijding van online desinformatie. De partijen die deze gedragscode (zullen) ondertekenen committeren zich aan het daarin afgesprokene, waaronder transparantie van gesponsorde content (met name politieke advertenties) en de beperking van mogelijkheden tot «targeting».
Ik vind het positief dat bedrijven zelf tot een vrijwillige gedragscode zijn gekomen omdat zij op die manier laten zien dat hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.
Hoe ziet u de verhouding in de regelgeving tussen de Europese Unie (EU) en Nederland? Welke bestuurslaag is primair verantwoordelijk voor het maken van regels? Hoe verhoudt zich de beschikbare kennis in Nederland tot die in de EU op dit nieuwe terrein?
De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van regels rond verkiezingen en politieke partijen. Op dit gebied is geen bevoegdheid overgedragen om regelgeving op te stellen aan de EU.
Wanneer sprake is van grensoverschrijdende problematiek zoals privacy kan het zijn dat afspraken op EU-niveau daartoe beter geschikt zijn.
Nederland is echter geen voorstander van Europese regelgeving op het gebied van de verspreiding van desinformatie. Actuele kennis over verspreiding van desinformatie is met name beschikbaar bij maatschappelijke organisaties, private partijen en andere actoren, Nederlands en internationaal.
Bent u voornemens verdere stappen te zetten om bij verkiezingen, (lokale) volksraadplegingen of andere nationale of lokale politieke processen beïnvloeding te voorkomen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp «regels voor digitale politieke campagnes» is onderdeel van hetgeen waarover de Staatscommissie Parlementair Stelsel zich buigt. In een tussenrapportage hebben zij hierover reeds een en ander geschreven. Het kabinet hecht er waarde aan om, wanneer de Staatscommissie haar eindrapport uitbrengt, dat rapport inclusief eventuele aanbevelingen goed te kunnen bestuderen en met een kabinetsreactie te komen.
Daarnaast zijn in de Wet financiering politieke partijen regels (Wfpp) gesteld om mogelijke financiële beïnvloedingsrelaties van politieke partijen openbaar te maken. In de evaluatie van de Wfpp, die dit voorjaar aan u is aangeboden, worden aanbevelingen gedaan om de wet op een aantal onderdelen aan te scherpen. In de kabinetsreactie op dit evaluatierapport, die ik later dit najaar naar de Kamer zal sturen, zal ik op deze aanbevelingen reageren.
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, zijn er in het kader van de Tweede Kamerverkiezingen in 2017 en de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 kwetsbaarheidsanalyses uitgevoerd en heeft het kabinet op basis daarvan concrete maatregelen getroffen. De betrokken departementen en diensten staan doorlopend in nauw contact om informatie en signalen van mogelijke inmengingsactiviteiten te delen en te duiden en daarop zo nodig te acteren. Dit zal ook in de aanloop naar de verschillende verkiezingen in 2019 het geval zijn.
Zou u de vragen voor de begrotingsbehandeling kunnen beantwoorden zodat deze bij de begrotingsbehandeling Binnenlandse Zaken kunnen worden betrokken?
Ja.
Doorvoer van militaire goederen via Schiphol en anderen Nederlandse havens |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de afgelopen anderhalf jaar vijf luchtvaartbedrijven op Schiphol zijn beboet voor het illegaal uit- en vervoeren van strategische goederen: van drones tot straaljageronderdelen? Zo ja, kunt een overzicht geven van deze gevallen? Zo nee, hoe zijn dan de feiten? Kunt u een overzicht geven van de veroordelingen sinds 2013 die tegen vervoerbedrijven zijn uitgesproken?1
Sinds 2013 heeft de rechtbank in een aantal strafzaken veroordelingen uitgesproken wegens het (medeplegen van) doorvoeren van militaire goederen zonder de vereiste doorvoervergunning en in dat kader heeft de rechtbank boetes opgelegd. Een drietal uitspraken is door de rechtbank gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.2 Het is niet mogelijk een overzicht te geven van veroordelingen per branche (zoals die van vervoersbedrijven) dan wel een overzicht van het aantal onderzoeken per jaar, omdat het illegaal doorvoeren van militaire goederen niet als zodanig wordt geregistreerd in de systemen van het OM.
Kunt u een overzicht geven per jaar van het aantal onderzoeken sinds 2013 dat voor de rechter is gebracht over doorvoer van strategische goederen (militaire en dual-use goederen) door het openbaar ministerie (OM)?
Zie antwoord vraag 1.
Hebt u cijfers, van de Douane of andere opsporingsdiensten, van het aantal militaire of dual-use goederen dat wel degelijk is doorgevoerd in Schiphol of andere (lucht- of zee) havens zonder de daarvoor benodigde vergunningen? Kunt u deze aan de Kamer sturen?
Vanaf 1 januari 2014 tot heden is ten aanzien van twee zendingen militaire goederen bekend dat zij via een Nederlandse lucht- dan wel zeehaven zijn doorgevoerd, zonder dat de daarvoor benodigde vergunning aanwezig was. Het betrof hier in beide gevallen zendingen naar Saoedi-Arabië. Deze zendingen zijn naar aanleiding van een fysieke controle niet vrijgegeven voor doorvoer omdat de benodigde vergunning ontbrak. Daarna zijn deze zendingen toch zonder toestemming van de Douane weggevoerd voor de exporteurs. Tegen beide exporteurs is de Douane daarna opgetreden (voor een van deze twee zaken, zie vraag3.
De Douane houdt toezicht op het (EU) grensoverschrijdende goederenverkeer. Met haar toezichthoudende en controlerende taak handhaaft ze de voor dit verkeer geldende wet- en regelgeving, waaronder die voor strategische goederen (militaire of dual-use goederen). De Douane handhaaft risicogericht. Dat wil zeggen dat niet iedere zending fysiek wordt gecontroleerd, maar alleen die zendingen die op basis van risicoanalyse voor een dergelijke controle zijn geselecteerd. Bij een controle op strategische goederen kan de Douane constateren dat het verboden is om de goederen in- uit of door te voeren of dat er een vergunning ontbreekt of een verplichte melding niet heeft plaatsgevonden. In dat geval worden de goederen niet vrijgegeven door de Douane.
«Niet vrijgeven» betekent dat de goederen niet mogen worden weggevoerd, in afwachting van de resultaten van een onderzoek. Dit wil niet zeggen dat de Douane de goederen onder haar beheer neemt; het betekent dat het verantwoordelijk bedrijf geen toestemming krijgt tot wegvoering van de goederen. Het verantwoordelijk bedrijf is verplicht ervoor zorg te dragen dat de goederen niet worden weggevoerd zo lang de Douane hier geen toestemming heeft gegeven.
Wanneer er ernstige vermoedens of aanwijzingen zijn dat de goederen mogelijk worden onttrokken aan de stopzetting bestaat de mogelijkheid voor een strafrechtelijk beslag op de goederen. In dit geval wordt gezorgd dat de goederen aan de macht van de exporteur/aangever worden onttrokken. Dit is een maatregel die slechts zelden wordt genomen.
Klopt het dat het OM heeft gekozen voor een hardere aanpak? Wanneer is dat beleid ingezet, wat was de directe aanleiding? Wat zijn de gevolgen van deze aanpak? Welk doel hebt u hiermee gesteld?
Het is niet zo dat het OM recentelijk heeft gekozen voor een hardere aanpak. De huidige aanpak is staand beleid sinds 2013. In 2017 zijn de afspraken nog eens bevestigd. Handhaving van de wetgeving op het gebied van strategische goederen en sancties bestaat enerzijds uit toezicht door de Douane en anderzijds uit strafrechtelijk optreden. Bij toezicht door de Douane staat het bevorderen van de naleving in beginsel voorop. In een aantal gevallen kan de Douane bij geconstateerde onregelmatigheden volstaan met een schriftelijke waarschuwing namens het OM, bijvoorbeeld in het geval dat er geen vergunning is aangevraagd, maar wel zou zijn verleend als een aanvraag zou zijn gedaan. Als sprake is van recidive of opzettelijke overtredingen, wordt het OM betrokken en volgt in principe een strafrechtelijk onderzoek.
Kunt u bevestigen dat op 16 juli 2017 militaire goederen, namelijk onderdelen van het Dagaie-raketafweersysteem, naar Saoedi-Arabië zijn doorgevoerd? Zo ja, hebt u daarover nog stappen genomen? Zo ja, welke? Hoeveel zendingen aan Saoedi-Arabië zijn onderschept sinds 2013?
Ja dit klopt, dit betrof één van de in vraag 3 bedoelde zendingen. Voor wat betreft de stappen die vervolgens zijn genomen: na de vaststelling dat deze goederen toch waren verzonden heeft de betrokken onderneming (in overleg met de Douane) stappen ondernomen om de goederen vanuit Saoedi-Arabië terug te halen naar Nederland. Vervolgens zijn deze goederen met een Nederlandse uitvoervergunning geretourneerd naar de exporteur in Frankrijk. Voor nadere informatie verwijs ik naar de gepubliceerde uitspraak in de betreffende zaak.4.
Vanaf 1 januari 2014 tot heden zijn negentien zendingen van militaire goederen naar Saoedi-Arabië in Nederland door de Douane gestopt. In onderstaand overzicht is het totaal aantal van deze stopzettingen van doorvoerzendingen militaire goederen naar Saoedi-Arabië weergegeven met daarbij de wijze van afhandeling.
Jaar
Aantal stopzettingen doorvoer
Alsnog vergunning
Niet-vergunning-plichtig
Retour afzender
Wegvoering zonder toestemming
2014
1
0
0
0
1
2015
2
2
0
0
0
2016
6
0
0
6
0
2017
4
0
0
3
1
2018
6
0
3
3
0
In twee gevallen was het mogelijk alsnog een vergunning aan te vragen. In drie gevallen bleek het niet om militaire goederen te gaan en was er dus achteraf gezien geen sprake van een vergunningplicht. In de meeste gevallen is desbetreffende zending retour afzender gegaan.
Uit het overzicht valt aan de stijging van het aantal stopzettingen af te leiden dat met ingang van 9 juli 2016 het Nederlandse beleid ten aanzien van doorvoer van militaire goederen van bondgenoten naar Saoedi-Arabië is aangepast. Tot dat moment konden zendingen van militaire goederen van bondgenoten onder een algemene vergunning worden doorgevoerd. Voor de eindbestemmingen Saoedi-Arabië, Jemen, Qatar en V.A.E. moet sindsdien een individuele doorvoervergunning worden aangevraagd. Op deze wijze is het Ministerie van Buitenlandse Zaken in staat om ook doorvoerzendingen van bondgenoten naar Saoedi-Arabië zorgvuldig op individuele basis te toetsen en, wanneer strijdig met het strikte Nederlandse exportcontrolebeleid ten aanzien het conflict in Jemen, de aanvraag voor een doorvoervergunning af te wijzen.
Beschikken het OM, de douane dan wel andere relevante diensten over voldoende capaciteit om illegale doorvoer te voorkomen? Zo nee, wat hebt u nodig?
De Douane handhaaft de wet- en regelgeving inzake strategische goederen in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Douane maken jaarlijks afspraken over de handhaving. De Douane voert deze handhaving samen met al haar andere taken uit met de aan haar toegekende middelen op de begroting van het Ministerie van Financiën.
Het OM beschikt over voldoende capaciteit om in voorkomende gevallen verdachten te vervolgen. Er is gerichte aandacht en prioriteit voor de problematiek.
Wat zijn de formele afspraken die de douane heeft met overslagbedrijven?
Voor dit soort bedrijven gelden onverkort de formaliteiten van het Douane Wetboek van de Unie (DWU). De hier bedoelde bedrijven, zoals luchtvaartmaatschappijen, vrachtafhandelaars (luchtvracht), cargadoors en (container)terminals (zeevracht), zijn «direct of indirect betrokken bij het vervullen van douaneformaliteiten of douanecontroles», als bedoeld in artikel 15 DWU. Op grond van dit artikel zijn zij verplicht om, onder andere alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van die formaliteiten en controles.
Dit betekent dat als de Douane een zending wil controleren, desbetreffend bedrijf verplicht is ervoor zorg te dragen dat deze controle verricht kan worden. En ook in situaties, waarin de Douane geen toestemming geeft tot wegvoeren van de goederen, is het desbetreffend bedrijf verplicht ervoor zorg te dragen dat de respectievelijke zending niet weggevoerd wordt.
Deelt u de vrees van een bevoegde officier van justitie dat het van kwaad tot erger gaat, uitgedrukt als «straks zitten we hier over een half jaar weer omdat er chemicaliën naar Syrië zijn uitgevoerd»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u om de taken die bedrijven hebben bij het opsporen van illegale doorvoer te verbeteren? Kunt u dat toelichten?
Nee, deze vrees wordt niet gedeeld. In het artikel in de Groene Amsterdammer wordt geciteerd uit een requisitoir van de desbetreffende officier van justitie. Deze officier van justitie heeft in het requisitoir de rechtbank voorgehouden dat als vervoerders de ladingen niet goed controleren, het risico bestaat dat situaties ontstaan die de wetgever juist heeft willen voorkomen, zoals het hypothetische voorbeeld van uitvoer van chemicaliën naar Syrië.
Om het bedrijfsleven op de hoogte te houden van de exportcontroleregelingen geven het Ministerie van Buitenlandse zaken en de Douane in aanvulling op de officiële bekendmakingen, regelmatig voorlichting aan bedrijven over hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om illegale export en doorvoer tegen te gaan. Deze voorlichting wordt onder meer gegeven tijdens reguliere controle-onderzoeken, exportcontroleseminars die voor het bedrijfsleven worden georganiseerd, tijdens symposia voor de defensie-industrie, via trainingen voor bedrijven in samenwerking met Fenex-TLN (Nederlandse organisatie voor expeditie- en logistiek) en door beantwoording van specifieke vragen van bedrijven of personen over de van toepassing zijnde wetgeving.
Hongerlonen en schendingen van arbeidsrechten in H&M’s productieketen |
|
Joël Voordewind (CU), Chris Stoffer (SGP), Esther Ouwehand (PvdD), Isabelle Diks (GL), Kirsten van den Hul (PvdA), Achraf Bouali (D66) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van de Schone Kleren Campagne over «Hongerlonen en schendingen van arbeidsrechten in H&M’s productieketen»?1
Ja.
Wat vindt u van het bericht? Vindt u het ook ernstig dat in Bulgarije werknemers minder dan 10% krijgen van een leefbaar loon? Bent u bereid om H&M Nederland op de uitkomsten van dit onderzoek aan spreken?
Leefbaar loon is een mensenrecht en het kabinet zet zich hiervoor in. Ik ben daarom van mening dat leefbare lonen met kracht bevorderd moeten worden. Overheden hebben de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor lonen waarmee mensen in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Modemerken hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de bevordering van leefbare lonen in hun productieketen, conform de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.
H&M heeft aangegeven dat uit hun audits niet is gebleken dat een aantal fabrieken die produceren voor de H&M-groep geen minimumloon betalen. Indien de lonen in de onderzochte kledingfabriek in Bulgarije toch zo laag zijn als in het rapport van de Schone Kleren Campagne vermeld, zou dit voor H&M reden moeten zijn voor onmiddellijke actie. Op zijn minst moet het minimumloon gerespecteerd worden. Tevens zou H&M zich moeten inspannen om stappen naar een leefbaar loon in Bulgarije te bevorderen. Ik ben bereid hierover in gesprek te gaan met H&M.
Bent u ervan op de hoogte dat H&M sinds 2013 bezig is met leefbare lonen voor arbeiders en de doelstellingen beoogde te bereiken in 2018?2 Erkent u dat met de tegenvallende resultaten van H&M de doelen van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) verder uit zicht raken? Bent u voornemens om deze resultaten te bespreken met de ondertekenaars van het IMVO-convenant textiel? Bent u bereid de resultaten van het gesprek met de Kamer te delen?
Ja, ik ben op de hoogte van de belofte van H&M. H&M is geen lid van het Nederlandse convenant en heeft daarmee geen invloed op specifieke doelen van het convenant. Het zou goed zijn als internationale merken zoals H&M en de Nederlandse convenantspartijen zoveel mogelijk samen optrekken om een leefbaar loon in de textielsector te realiseren.
Binnen het Convenant Duurzame Kleding en Textiel wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan het stimuleren van een leefbaar loon voor textielarbeiders. Zo zal in 2019 een trainingsprogramma over leefbaar loon, sociale dialoog en inkooppraktijken van start gaan voor aangesloten bedrijven en hun producenten. Tevens vormt leefbaar loon een vast onderdeel van het jaarlijkse gesprek tussen deelnemende bedrijven aan het Convenant en het SER-secretariaat over de plannen van aanpak. Tot slot hebben de convenantspartijen recentelijk, samen met de Fair Wear Foundation, een brief gestuurd aan de premier van Bangladesh om een verhoging van het minimumloon voor kledingarbeiders aan te moedigen. Hiermee wenden partijen hun gezamenlijke invloed aan om bij te dragen aan een nationale context ten behoeve van het realiseren van een leefbaar loon in productielanden. Over de voortgang op het gebied van leefbaar loon wordt uw Kamer middels de jaarlijkse publieke rapportage van het Convenant geïnformeerd.
Vindt u het ook ernstig dat veel arbeiders zich niet durven aan te sluiten bij een onafhankelijke vakbond? Ziet u het belang van de vrijheid van vereniging en vergadering, bijvoorbeeld via de vakbonden, voor het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en het onderhandelen over lonen?
Het is belangrijk dat werknemers zich kunnen aansluiten bij vakbonden. Vrijheid van vakvereniging en collectieve onderhandeling behoren tot de fundamentele arbeidsnormen en dragen bij aan het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het bewerkstelligen van een leefbaar loon. Partijen binnen het Convenant Duurzame Kleding en Textiel hebben samen vakbondsvrijheid vastgesteld als een van de negen thema’s binnen het Convenant. Hier wordt op diverse manieren aandacht aan besteed. Vakbonden FNV en CNV geven aangesloten bedrijven concreet advies over hoe zij een positieve rol kunnen spelen bij de bevordering van vakbondsvrijheid in de toeleveringsketen. Zo heeft in november een bijeenkomst plaatsgevonden met vakbondsvertegenwoordigers uit Bangladesh, Cambodja en Indonesië waarin ervaringen uit betreffende landen werden gedeeld. Ook de vakbondsvrijheid staat als vast onderdeel op de agenda van het jaarlijkse gesprek tussen deelnemende bedrijven aan het Convenant en het SER-secretariaat over de plannen van aanpak. Over de voortgang op het gebied van vakbondsvrijheid wordt uw Kamer middels de jaarlijkse publieke rapportage van het convenant geïnformeerd.
Aangezien de partijen van het convenant zich reeds goed bewust zijn van het belang van vakbondsvrijheid en dit ook oppakken in concrete activiteiten, zie ik geen meerwaarde in een apart gesprek over dit onderwerp.
Bent u voornemens om met de ondertekenaars van het IMVO-convenant textiel in gesprek te gaan over de vrijheid van vereniging en vergadering en het belang van vakbonden? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe ver bent u met het maken van een roadmap voor een internationale uitbreiding van de convenanten?
Ter bevordering van een gelijk speelveld voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen zet het kabinet stappen om nationale initiatieven op te schalen. Zo vindt er verkennende coalitievorming plaats met gelijkgestemde landen en heb ik de Europese Commissie deze zomer in een brief gevraagd te sturen op gebundelde Europese IMVO-initiatieven. Tevens nam ik 30 oktober jl. als key note speaker deel aan een conferentie die het Ministerie van Buitenlandse Zaken samen met het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en de Sociaal Economische Raad (SER) organiseerde, ter ondersteuning van verdere stappen op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen binnen de EU. Tijdens deze conferentie werd ook opvolging gegeven aan de kick-off bijeenkomst van een Europese Roadshow op 4 juni jl., ter promotie van de Nederlands-Duitse multistakeholder aanpak op het gebied van textiel. Bij het natuursteenconvenant in wording wordt samenwerking gezocht met de Vlaamse overheid.
Het bericht 'Jassenblunder gevolg van ‘inschattingsfout’' |
|
Salima Belhaj (D66), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Jassenblunder gevolg van inschattingsfout»?1
Ja.
Welke koudeletsels kunnen militairen krijgen als zij niet over de juiste kleding en persoonsgebonden uitrusting beschikken?
Militairen kunnen een diversiteit aan koudeletsel oplopen waaronder onderkoeling, verweekte voeten, frostbite en sneeuwblindheid.
Hebben militairen bij de oefening Bison Drawsko in Polen koudeletsel opgelopen? Om hoeveel militairen gaat het en om welke vormen van letsel? Welke voorbereidingen waren er getroffen met betrekking tot het koude weer?
Vanuit de brigade die deelnam aan Bison Drawsko zijn bij de ongeveer 3.500 deelnemende militairen ongeveer 35 gevallen van koudeletsel gemeld, voornamelijk verweekte voeten. De oefening is uitgevoerd met de standaarduitrusting. Vooraf en tijdens de oefening is aandacht besteed aan militair optreden en persoonlijke verzorging onder koude omstandigheden. Het programma van de oefening is aangepast aan de omstandigheden.
Hoeveel koudeletsel hebben militairen sinds het begin van de Enhanced Forward Presence van de NAVO in Litouwen opgelopen? Om welke vormen van koudeletsel gaat het?
Van de 1.887 personen die in het kader van eFP in Rukla geplaatst zijn geweest, zijn 35 personen geregistreerd met koudegerelateerde diagnoses. Het gaat daarbij voornamelijk om voet- en teenklachten, in 9 gevallen gaat het om frostnip/frostbite. De beschouwde periode betreft anderhalf jaar.
Beschikken de militairen voor de komende rotatie van Litouwen over alle benodigde kleding (persoonsgebonden uitrusting) voor de winterse omstandigheden? Zo nee, waarom niet?
Ja, eFP 2018/2 en eFP 2019/1 zullen alle benodigde koudweeruitrusting verstrekt krijgen door zorg van Defensie. De uitlevering is gestart en kan naar verwachting zonder problemen verlopen.
Wanneer was het bekend welke Nederlandse eenheden zullen gaan deelnemen aan de desbetreffende NAVO-oefening Trident Juncture in Noorwegen?
In 2015 is gestart met de planning van de oefening. In oktober 2017 stond de deelname van de Nederlandse eenheden vast.
Welke aanvullende veiligheidsanalyse is gemaakt? Wat is het karakter van een dergelijke aanvullende veiligheidsanalyse? Op basis van welke gegevens en omstandigheden vindt een dergelijke afweging plaats?
Naar aanleiding van ervaringen bij Bison Drawsko (2017) en zoals bevestigd werd bij eFP (2018), waarbij het veel kouder werd dan verwacht, is eind 2017 door het CLAS als decentraal werkgever besloten winterkleding voor de oefening Trident Juncture beschikbaar te stellen.
Wanneer is besloten dat de militairen aanvullende winterkleding nodig hadden? Wanneer was duidelijk dat een aanbesteding niet zou gaan lukken?
In 2017 is besloten om militairen aanvullende koudweeruitrusting te verstrekken naar aanleiding van de evaluatie van oefening Bison Drawsko. Er is geen sprake geweest van het niet lukken van de aanbesteding, wel werd in september 2018 duidelijk dat voor een aantal artikelen niet kon worden gegarandeerd dat deze voor aanvang van Trident Juncture geleverd konden worden.
Welke mogelijkheden heeft het KPU-bedrijf om vanwege dringende en onverwachte omstandigheden af te wijken van de geldende aanbestedingsregels (een noodprocedure), omdat anders de veiligheid van militairen in gevaar komt? Indien zij deze mogelijkheden niet hebben, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie, inclusief het KPU-bedrijf, beschikt bij aanbestedingen over alle mogelijkheden, die in de Aanbestedingswet 2012 en de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied zijn opgenomen. Het uitgangspunt is dat Defensie zich houdt aan de aanbestedingsregels, die de wetgever heeft vastgesteld. In geval van dwingende en onverwachte omstandigheden bieden beide wetten echter de mogelijkheid om af te wijken van de aanbestedingsplicht. In de brief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 ben ik ingegaan op het gebruik van raamcontracten om de verwerving te versnellen en op het toepassen van de escalatieprocedure.(Kamerstuk 27 830, nr. 270)
Mocht het KPU-bedrijf niet over mogelijkheden beschikken om van geldende aanbestedingsregels af te wijken als de veiligheid en gezondheid van militairen in gevaar komen, welke mogelijkheden ziet u om zaken te versnellen of makkelijker te maken? Bent u bereid een voorbeeld te nemen aan «fast-track-procurement» bij materieel dat benodigd is voor missies?
Zie antwoord vraag 9.
Op welke wijze heeft het KPU-bedrijf de verwerving van de winterkleding voor Litouwen geregeld?
Het KPU-bedrijf is begin 2018 gestart met de verwerving van artikelen voor het koudweer pakket. Een deel van de artikelen voor dit pakket is reeds op voorraad bij het KPU-bedrijf. Daarnaast zijn separate bestellingen geplaatst om, voor het deel van de artikelen dat niet voldoende op voorraad is, voldoende voorraad te verkrijgen. De uitlevering van deze artikelen aan de eenheden in Litouwen is al gestart en verloopt verder dit kwartaal.
Welke kledingstukken en overige persoonsgebonden uitrusting dienen de militairen voor de oefening TridentJuncture aan te schaffen? Wilt u een uitputtende lijst sturen met de kledingstukken en overige persoonsgebonden uitrusting?
Omdat momenteel in centrale verwerving is voorzien is het niet meer nodig om zelfstandig uitrusting te verwerven. Bijlage 1 bij deze brief geeft de lijst met artikelen weer die deel uitmaken van de koudweeruitrusting.
Hoe controleert u of de duizend militairen de juiste kledingstukken en overige persoonsgebonden uitrusting aangeschaft hebben?
De (decentrale) werkgever is verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de juiste uitrusting aan militairen. Als de centrale verwerving hierin niet voorziet kan een commandant een beroep doen op de escalatieprocedure of toestemming geven voor zelfstandige aanschaf. In dat laatste geval ziet de commandant ook toe op de kwaliteit. Zie tevens mijn brief van 8 oktober jl. (Kamerstuk 27 830, nr. 269).
Wat doet u als blijkt dat militairen niet over de juiste kledingstukken en overige persoonsgebonden uitrusting beschikken? Welke verantwoordelijkheid hebben commandanten hiervoor?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen voor 25 oktober 2018 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Facebook telefoonnummers gebruikt voor advertentiedoeleinden. |
|
Mahir Alkaya (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Facebook telefoonnummers gebruikt voor advertentiedoeleinden terwijl gebruikers die telefoonnummers hebben opgegeven om hun account te beveiligen?1
Ja.
Weet u of Facebook ook in Nederland telefoonnummers die door gebruikers zijn aangeleverd om hun account extra te beveiligen, gebruikt voor advertentiedoeleinden? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik beschik niet over degelijke gegevens. Het is aan de Autoriteit persoonsgegevens (AP) om als onafhankelijke toezichthouder eventueel onderzoek te doen en een oordeel te vellen over de rechtmatigheid van het handelen van Facebook. De AP bepaalt zelf of een dergelijk onderzoek wordt gestart, aangezien zij als onafhankelijke toezichthouder zelf haar prioriteiten stelt. Overigens zal, omdat het Europese hoofdkantoor van Facebook in Ierland is gevestigd, mogelijk de Ierse Data Protection Commission de eerst aangewezen toezichthouder zijn om eventueel onderzoek naar de gang van zaken uit te voeren.
Is het handelen van Facebook aangaande het gebruik van telefoonnummers voor advertentiedoeleinden, zoals uiteengezet in het artikel, in lijn met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)? Zo ja, kunt u dit uiteenzetten?
Het gebruik van persoonsgegevens zoals telefoonnummers voor advertentiedoeleinden is aan regels gebonden die de AVG en de Uitvoeringswet AVG aan de verwerkingen van persoonsgegevens stelt. Facebook mag alleen persoonsgegevens verwerken voor advertentiedoeleinden als de gebruiker daar helder en volledig over is geïnformeerd en daar toestemming voor heeft gegeven. Bij een gebrek aan deze heldere en volledige informatie kan een gebruiker geen rechtsgeldige toestemming geven voor het verwerken van zijn persoonsgegevens.
Gegevens die verstrekt zijn voor beveiligingsdoeleinden mogen daarom niet zonder toestemming van de gebruiker voor andere doeleinden (advertenties) gebruikt worden of met derden worden gedeeld. Dit geldt ook voor het gebruik van contactgegevens van zowel gebruikers als niet-gebruikers van Facebook.
De AVG is van toepassing voor het gebruik van zowel de gegevens van gebruikers van Facebook als niet-gebruikers. Wanneer Facebook gegevens niet rechtstreeks verkrijgt van de niet-gebruiker geldt dat Facebook bij het verzamelen van deze gegevens de betreffende niet-gebruiker moet informeren over het gebruik en de herkomst van de gegevens. Ook moet Facebook toestemming vragen voor deze persoonsgegevensverwerking. Wanneer van de niet-gebruiker gegevens ongevraagd zijn geüpload en wanneer Facebook de niet-gebruiker niet op de hoogte stelt van de manieren om persoonlijke rechten uit te oefenen die onder de AVG gelden, kan de gebruiker deze rechten onder de AVG ook niet uitoefenen.
Als er zonder toestemming persoonsgegevens waaronder telefoonnummers van gebruikers en niet-gebruikers van Facebook (bewust of onbewust) verstrekt worden aan advertentiebureaus, is er sprake van een datalek. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 2.
Wat vindt u van de onthulling dat adverteerders Facebook-gebruikers kunnen benaderen op basis van informatie die door een andere gebruiker is geüpload? Is dit in lijn met de regels van de AVG?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het wenselijk dat de gebruiker wiens informatie wordt geüpload door een andere gebruiker die gegevens niet kan bekijken of laten verwijderen op Facebook? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hier tegen doen?
Zie antwoord vraag 3.
Het nieuws dat de bescherming van defensiepersoneel tegen chroom-6 nog steeds onvoldoende is |
|
Sadet Karabulut (SP), Salima Belhaj (D66) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bescherming Defensiepersoneel tegen chroom-6 onvoldoende»?1
Ja.
Is de maximaal toegestane hoeveelheid chroom-6 van 1 µg/m3, waaraan defensiepersoneel mag worden blootgesteld, overschreden?2 Welke norm gold voor 1 maart 2017?
Klopt het dat metingen hebben uitgewezen dat deze waardes van chroom-6 waaraan defensiepersoneel mag worden blootgesteld worden overschreden? Zo ja, hoe is dat mogelijk? Wat gaat u er aan doen om dit in de toekomst te voorkomen? Zo nee, hoe verklaart u de in het bericht aangehaalde bevindingen van de toxicoloog?
Klopt het dat medewerkers die nu het onderhoud van vliegtuigonderdelen uitvoeren – zoals verf spuiten, lassen en schuren – nog steeds in hogere mate blootstaan aan chroom-6 dan wettelijk is toegestaan? Zo ja, hoe duidt u dat?
Is in de gemelde gevallen gewerkt met de aangekondigde maatregelen, zoals de detectiepen, en zijn trilproeven op de munitie uitgevoerd?3 Klopt het dat deze beschermingsmaatregelen niet altijd goed worden uitgevoerd, waardoor de bescherming tekortschiet?
De introductie van de detectiepen voor chroom-6 heeft er toe bijgedragen dat het personeel met de detectiepen de aanwezigheid van chroom-6 kan aantonen alvorens er sprake is van daadwerkelijke blootstelling aan chroom-6.
Zoals ik in mijn brief van 7 september jl. op eerdere vragen heb geantwoord (Kamerstuk 34 775 X, nr.139) voert het munitiebedrijf testen uit op munitie. Een van die testvormen is de trilproef. Omdat bekend is dat met name op de oudere munitiesoorten chroom-6 voorkomt in de verflaag, wordt munitie waarvoor dat van toepassing is, met behulp van de detectiepen getest op chroom-6 alvorens een trilproef of andere beproeving wordt uitgevoerd. Dit is geheel volgens de voorgeschreven handelwijze voor het veilig werken met chroom-6.
Zoals ik in mijn brief van 7 september jl. heb gemeld kunnen er ondanks alle preventieve voorzorgsmaatregelen, instructies, toezicht etc. altijd onvoorziene incidenten met gevaarlijke stoffen optreden, bijvoorbeeld door een technisch defect of door de manier waarop het spuitwerk kan worden uitgevoerd (bijvoorbeeld op moeilijk te bereiken plaatsen). Dit heeft niet zozeer iets te maken met de beschermingsmaatregelen op zich, maar met de kans op een technisch defect of menselijk handelen. De menselijke factor blijft immers een belangrijke rol spelen bij het functioneren van het veiligheidssysteem. Bij adequaat gebruik en onderhoud van de persoonlijke beschermingsmiddelen ligt de blootstelling (in het ademmasker) onder de grenswaarde, zo heeft het CEAG in haar rapport vastgesteld (zie Kamerstuk 34 775 X, nr. 126).
Het CEAG concludeert in datzelfde rapport dat de genomen maatregelen afdoende zijn om veilig te kunnen werken met chroom-6. Waar de luchtconcentratie bij bepaalde werkzaamheden nog incidenteel boven de grenswaardes komt, geldt dat men persoonlijke beschermingsmiddelen moet dragen. De meetresultaten van de biologische monitoring («chroom-totaal» in de urine) bevestigen de effectiviteit van de toegepaste maatregelen. Defensie voert de hoofdaanbeveling van het CEAG uit door de structurele bron- en technische gerichte maatregelen uit het plan van aanpak chroom-6 op te pakken zodat persoonlijke beschermingsmiddelen niet of steeds minder nodig zijn.
Klopt het dat al in 2015 door onderzoek werd vastgesteld dat de maximale blootstelling aan chroom-6 werd overschreden in de spuitcabines van Defensie? Klopt het dat op vliegbasis Volkel, ook na het onderzoek naar de spuitcabines in 2015, een marginaal presterende cabine in bedrijf is gehouden? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
In 2015 is vastgesteld dat in een aantal spuitcabines van Defensie de luchtconcentratie boven de grenswaarde lag. Dit betrof echter de luchtconcentratie in de spuitcabine en dus niet de luchtconcentratie die de medewerker inademt. In de spuitcabines gebruikt het personeel namelijk een ademmasker, waarbij schone ademlucht van buiten in de spuitcabine wordt aangevoerd. Defensie heeft vervolgens een aantal maatregelen genomen om de risico’s tijdens spuitwerkzaamheden te verlagen, waaronder het streven te voldoen aan de «stand der techniek». Omdat de «stand der techniek» voortschrijdt, verbetert Defensie de spuitcabines. Dit is de reden, waarom de beide spuitcabines van Volkel worden vervangen voor een nieuwe spuitcabine. Op de vliegbasis Volkel wordt sinds 2015 een van de twee spuitcabines – die moderner is dan de andere – alleen gebruikt voor beperkte spuitwerkzaamheden met chroom-6. De spuitwerkzaamheden zijn beperkt in omvang en duur, waardoor er veilig kan worden gewerkt. Uit metingen van het Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) is gebleken dat het personeel bij de uitvoering van deze kleinschalige spuitwerkzaamheden in die cabine niet wordt blootgesteld aan chroom-6 boven de grenswaarde, want het personeel draagt – volgens de werkinstructies – een ademmasker, waarbij schone lucht van buiten de spuitcabine wordt aangevoerd. De grotere spuitopdrachten worden uitgevoerd op andere locaties van Defensie.
Klopt het dat de filterbussen van het type AMF-12 (gasmaskers) chroom-6 bevatten? Klopt het dat deze filterbussen nog steeds worden gebruikt tijdens oefeningen en missies? Zo ja, waarom zijn deze nog niet vervangen? Is dit wat u bedoelt met uw personeel op één zetten?
Proqares en TNO hebben de filters van de AMF-12 filterbus in 2016 onderzocht, maar namen geen sporen van chroom-6 waar. Het is onwaarschijnlijk dat personeel gevaar heeft gelopen. De AMF-12 filterbus wordt overigens uit voorzorg niet meer gebruikt sinds 2017, maar is nog wel op voorraad. Reden is dat deze bus nodig kan zijn bij een grootschalige verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied.
Ondanks dat het onderzoek geen reden tot zorg gaf, vond de arbodienst van Defensie het onwenselijk de filterbussen met chroom-6 nog te gebruiken. Daarom zijn er versneld chroom-6-vrije exemplaren aangeschaft. De eerste 6.400 nieuwe bussen (de MILFCF50) zijn sinds 2017 in gebruik in het missiegebied. Verder krijgen uit te zenden militairen deze bussen, worden ze gebruikt bij kleinschalige specifieke trainingen en liggen ze op voorraad voor nationale bijstand. Voor gebruik tijdens oefeningen is er de standaard-oefenbus, zonder chroom6.
Door problemen bij de leverancier, arriveerde een bestelling van 1.100 filterbussen pas op 2 oktober, in plaats van 24 augustus. Omdat de voorraad nieuwe bussen bij het kledingbedrijf inmiddels was opgeraakt, zijn 170 militairen op uitzending gegaan met luchtdicht verpakte oude bussen van het type AMF-12. Daarbij is een risico-afweging gemaakt: het verstrekken van een gesealde filterbus voor gebruik bij een eventuele aanval met chemisch strijdgas of geen verstrekking. Gezien de gesealde verpakking, de zeer geringe kans op gebruik van de filterbus en de zeer beperkte kans op blootstelling aan chroom-6 is hiervoor gekozen.
Aangezien er sinds begin deze maand weer voldoende bussen van het type MILFCF50 bij het kledingbedrijf zijn, ruilt Defensie de 170 oude exemplaren nu om. Het personeel dat een AMF-12 filterbus heeft, krijgt dus een nieuwe. Deze gaan ook naar de missiegebieden. De voorraad van AMF-12 filterbussen is geblokkeerd voor uitgifte.
Mogelijk nog dit jaar, anders begin 2019 wordt een nieuw gasmasker voor Defensie gekozen. Met de invoer hiervan wordt ook een voorraad van 30.000 nieuwe filterbussen aangeschaft.
Klopt het dat het Defensie investeringsplan, waaronder ook de aanschaf van nieuwe maskers valt, is uitgesteld tot 2023? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak naar aanleiding van.de conclusies van de commissie-Van der Veer dat »(v)eiligheid brengen is onze core business, hier en elders in de wereld. En dat begint bij de veiligheid van onze eigen mannen en vrouwen»?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ook van mening dat elk risico, hoe klein ook, uitgesloten moet worden? Zo ja, bent u van mening dat in de hierboven omschreven gevallen een compromis op de veiligheid van de militairen wordt getroffen? Zo nee, zegt u daarmee dat er geen risico’s worden genomen met de manier waarop defensiepersoneel werkt met chroom-6?
Met het nemen van maatregelen zoals het maken van regelgeving/werkinstructies, het invoeren van een detectiepen of het voorzien in juiste bescherming tracht Defensie elk risico, hoe klein ook, voor het personeel zoveel mogelijk te beperken. Hierbij is Defensie afhankelijk van de stand der techniek. Alle risico’s volledig uitsluiten is niet mogelijk.
Defensie streeft er uiteraard naar om de werksituaties zodanig te verbeteren dat het dragen van adembescherming niet meer nodig is. Daartoe wordt met het betrokken defensiepersoneel verder onderzoek gedaan. Het onderzoek richt zich op veilige werkwijzen, betere installaties en robotisering zodat het personeel buiten een spuitcabine kan opereren.
Zoals hiervoor aangegeven is het niet mogelijk om chroom-6 op dit moment helemaal uit te bannen. Aanpakken van de structurele bron en technisch gerichte maatregelen (zoals het vervangen van chroom-6 in het materieel, het plaatsen van spuitcabines die voldoen aan de stand der techniek en het aanschaffen van beter gereedschap om het vrijkomen van stof te reduceren) heeft de volle aandacht, maar de uitvoering vergt naast tijd een betere belegging en prioritering van de acties bij betrokkenen lijnfunctionaris (eigenaarschap), het beschikbaar stellen van (financiële) middelen en strakkere aansturing vanuit de lijn. De verbeteracties hiervoor zijn al opgestart met als achterliggend oogmerk dat we de toepassing van chroom-6 houdende producten zo veel mogelijk trachten uit te bannen of te reduceren en dat eventuele nieuwe instroom aan chroom-6 houdende producten alleen gebeurt indien het niet anders kan. Omdat Defensie hierbij afhankelijk is van onder andere buitenlandse leveranciers van materieel wordt bezien of gezamenlijk met bondgenoten naar oplossingen kan worden gezocht. Daar waar vervanging in bestaand materieel niet mogelijk is (bijvoorbeeld bij luchtvaartsystemen) of dat het pas op termijn mogelijk is, zijn risico mitigerende maatregelen getroffen om tot die tijd veilig te kunnen werken met chroom-6.
De interne documenten laten zien dat de voortgang van bepaalde maatregelen niet snel genoeg gaat. Echter ook dat commandanten de naleving van de regels controleren, de werkzaamheden inventariseren en de blootstelling beoordelen (de Risico, Inventarisatie & Evaluatie) en maatregelen nemen. De ADR heeft de aanbeveling gedaan om strikter te sturen op de maatregelen. De planning is dat eind 2020 de maatregelen – op een enkele na – zijn gerealiseerd.
Internet langs de grens in Schinveld (Onderbanken) |
|
Martijn van Helvert (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het nieuwsbericht over de afsluiting van internet door de Nederlandse overheid in huizen langs de Duitse grens in Schinveld (Onderbanken)?1
Ja
Deelt u de mening dat ook inwoners en bedrijven in de grensstreek toegang tot internet moeten kunnen hebben?
Ik deel de mening dat inwoners en bedrijven in de grensstreek over internettoegang moeten kunnen beschikken. Dit past ook in het beleid van het kabinet, zoals onder meer geformuleerd in het Actieplan Digitale Connectiviteit.2 Die toegang is nu wel beschikbaar, maar wat de snelheid betreft niet toereikend.
Kunt u aangeven waarom de Nederlandse overheid, ondanks verleende vergunningen, zonder overleg met gemeente of inwoners, ervoor heeft gekozen om de verbinding met internet te verbreken?
Omdat het in dit geval een Duitse aanbieder betreft, is het op basis van Nederlandse wetgeving niet zomaar mogelijk om het internet- en telefoonverkeer af te tappen. De lokale media hebben hieruit begrepen dat de internetverbinding op initiatief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid zou worden verbroken.
Van het verbreken van de (bestaande) verbinding met internet door de Nederlandse overheid is echter geen sprake geweest, evenmin van een intentie daartoe.
In het kader van het tot stand brengen van een internetverbinding tussen Nederland en Duitsland heeft het Agentschap Telecom, vanuit zijn rol als toezichthouder op de Telecommunicatiewetgeving, voorlichting gegeven en gewezen op de voorwaarden waaraan een nieuw netwerk moet voldoen. Zo dienen er voorzieningen te worden getroffen om in de betreffende veiligheidsregio een ononderbroken toegang tot 112 te waarborgen. Daarnaast moet de verbinding in verband met de opsporing van strafbare feiten en de nationale veiligheid aftapbaar zijn.3
In hoeverre ondersteunt het kabinet het principe van de grensoverschrijdende oplossing die was aangedragen in deze casus?
Ik ben van mening dat de mogelijkheden die oplossingen bieden voor bewoners in de grensregio zoveel mogelijk benut zouden moeten kunnen worden, zoals ook de oplossing die in deze casus was aangedragen, binnen de geldende wettelijke kaders.
Deelt u de mening dat voor dit probleem een oplossing moet komen in het licht van de grensoverschrijdende samenwerking binnen Europa?
Dit kabinet is voorstander van grensoverschrijdende samenwerking en het pakken van kansen ten aanzien van economische ontwikkeling en leefbaarheid in de grensregio’s, ook op het gebied van de telecommunicatie. Verschillen tussen landen, bijvoorbeeld op het gebied van taal, cultuur, maar ook in wet- en regelgeving en technische systemen, zorgen er echter voor dat grensoverschrijdende oplossingen niet altijd makkelijk te realiseren zijn. Ik zet mij binnen het kabinet, waar mogelijk, in voor het wegnemen van dergelijke grensbelemmeringen.
Bent u bereid om met betrokken partijen in overleg te gaan om een oplossing te vinden voor deze ontstane situatie, met het doel dat de inwoners van Schinveld allemaal toegang krijgen tot internet?
Er vindt reeds overleg plaats tussen het Agentschap Telecom en de betrokkenen in Schinveld waarbij de mogelijke oplossingen worden verkend. Indien nodig voor het vinden van een oplossing zullen ook de Ministeries van JenV en BZK daarbij worden betrokken.
Zou u de Kamer over de voortgang willen informeren?
Ik zal in mijn eerstvolgende voortgangsbrief over Grensoverschrijdende Samenwerking die ik in januari zal versturen, ook op dit punt uw Kamer informeren over de voortgang.
Signalen dat het registratieproces van gediplomeerde jeugdhulpwerkers bij SKJ te traag is |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Krijgt u ook signalen dat de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) de registratie van gediplomeerde jeugdhulpwerkers, met name die van specifieke specialisaties, pas na 4 à 9 maanden voltooit?
SKJ geeft aan dat het grootste deel van de aanvragen binnen de termijn van 6 weken beoordeeld is.
Het SKJ heeft sinds de opening van de nieuwe kamer Jeugd- en gezinsprofessionals (op 1 januari 2018) duizenden aanvragen ontvangen van jeugdprofessionals voor registratie als jeugd- en gezinsprofessionals. De gemiddelde doorlooptijd van registratie tot jeugd- en gezinsprofessional, berekend op basis van beoordeelde registratieaanvragen in de periode 1 januari 2018 tot 1 oktober 2018, is 5 weken.
Volgens het registratiereglement van SKJ heeft de registratiecommissie 6 weken de tijd om een registratieaanvraag te beoordelen. Bij een niet complete registratieaanvraag heeft de professional 6 weken de tijd om een aanvulling aan te leveren. De registratiecommissie beslist vervolgens binnen 6 weken na ontvangst van de complete aanvraag. In enkele gevallen van een niet complete registratieaanvraag heeft het totale registratieproces maximaal 24 weken geduurd.
Verbaast het u ook dat deze signalen sterk afwijken van de in de jaarverslagen gerapporteerde gemiddelde doorlooptijden van het SKJ-registratieproces? Heeft u een verklaring voor deze discrepantie?
Professionals die werkzaamheden verrichten waarvoor een geregistreerde professional moet worden ingezet en die zich niet vóór 1 januari 2019 laten registreren, mogen deze werkzaamheden vanaf 1 januari 2019 niet meer verrichten. Dat de gemiddelde doorlooptijd van registratie tot jeugd- en gezinsprofessional op dit moment hoger ligt dan de gemiddelde doorlooptijden zoals opgenomen in het SKJ- jaarverslag van 2017 zie ik in het licht hiervan. De gemiddelde doorlooptijden lagen in 2017 rond de 5 à 6 dagen.
Ter bevordering van een zo soepel mogelijk registratieproces hebben professionals zich van 1 juli 2015 tot en met 31 december 2017 al kunnen vooraanmelden. Een grote groep van bijna negenduizend vooraangemelde professionals is reeds overgestapt naar de kamer Jeugd- en gezinsprofessionals en heeft de registratie als jeugd- en gezinsprofessional afgerond. Tevens heeft SKJ, om de spreiding over het jaar 2018 te stimuleren, jeugd- en gezinsprofessionals in vier groepen actief opgeroepen om zich te registreren.
Deelt u de mening dat, nu alle zorgprofessionals zich voor 1 januari 2019 geregistreerd moeten hebben, het van groot belang is dat het registratieproces eenvoudig is en snel verloopt, zodat de zorgprofessionals geregistreerd hun werk kunnen doen?
Vanaf 1 januari 2019 mogen niet-geregistreerde professionals niet meer worden ingezet voor werkzaamheden die op grond van de norm van de verantwoorde werktoedeling toebedeeld moeten worden aan een geregistreerde professional. Tot die datum mogen jeugd- en gezinsprofessionals die op 1 januari 2018 al in dienst waren nog worden ingezet zonder dat zij geregistreerd zijn. Op 1 oktober 2018 hebben bijna negentienduizend professionals de registratie als jeugd- en gezinsprofessional afgerond en er zijn op deze datum iets meer dan tweeduizend professionals die een aanvraag hebben ingediend. Ik deel met u dat het van groot belang is dat het registratieproces eenvoudig en snel verloopt. Het dient ook zorgvuldig te verlopen.
Klopt het dat jeugdhulpwerkers momenteel ongeregistreerd werken als gevolg van de trage doorlooptijd bij registraties? Zo ja, hoeveel van hen werken naar schatting ongeregistreerd? Zo nee, hoe verklaart u de signalen?
Zie antwoord vraag 3.
Welk effect heeft het traag verlopen van registratie op het realiseren van de doelstelling om iedere professional met minimaal een hbo-diploma voor 1 januari 2019 te registreren in het Kwaliteitsregister Jeugd?
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat de doorlooptijd van registratie tot jeugd- en gezinsprofessional een knelpunt is om te realiseren dat alle professionals die werkzaamheden verrichten waarvoor een geregistreerde professional moet worden ingezet, daadwerkelijk geregistreerd zijn vóór 1 januari 2019. Als de inzet van SKJ zoals beschreven bij het antwoord op vraag 2 om het registratieproces zo soepel mogelijk te laten verlopen niet voldoende is, zal ik hierover in gesprek gaan met het SKJ.
Welke risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp zijn er verbonden aan het ongeregistreerd uitvoeren van jeugdhulp? Wat gaat u doen om deze risico’s te voorkomen?
In de jeugdhulp is de inzet van geregistreerde en niet-geregistreerde professionals mogelijk. Aan de hand van cliënt gerelateerde parameters en professional gerelateerde parameters kan worden bepaald welke handeling, situatie, doelgroep, verantwoordelijkheid om de inzet van een geregistreerde of niet-geregistreerde professional vraagt. Dit staat beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd. De professionals die worden ingezet (niet-geregistreerd of geregistreerd) moeten altijd vakbekwame professionals zijn. Geregistreerde en niet-geregistreerde professionals moeten voldoende toegerust zijn voor de taak waarmee ze belast worden. Ze moeten beschikken over de
voor de werkzaamheden benodigde competenties, kennis en vaardigheden.
Is bekend of zorgprofessionals op dit moment afhaken doordat het registratieproces traag verloopt? Zo ja, deelt u de mening dat een soepele registratie essentieel is voor het behouden van voldoende zorgprofessionals in deze sector gezien de uitdagingen op de huidige arbeidsmarkt?
Nee, daar heb ik geen signalen over ontvangen.
Wat gaat u doen ter verbetering van het SKJ-registratieproces om te zorgen dat gediplomeerde jeugdhulpwerkers zonder belemmeringen geregistreerd hun werk kunnen doen?
Zie antwoord vraag 5.
Het gebrek aan toezicht op legionella afkomstig van afvalwaterzuiveringsinstallaties |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwsberichten «Gerard Smits (77) lag kantje boord door legionella uit waterzuiveringen» en1 «Brandbrief na heftige ziektegevallen in Brabant: niemand controleert waterzuivering op legionella»?2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat afgelopen jaar alleen al in Brabant een recordaantal van 123 mensen besmet raakte met legionella en er daarvan 11 zijn overleden?3
Ja. Deze ziektegevallen zijn echter niet allemaal toe te schrijven aan besmetting door de afvalwaterzuivering. Zie hiervoor ook de bijgevoegde brief aan uw Kamer.
Bent u bekend met het feit dat zeker vijf personen ziek werden na besmetting door de afvalwaterzuivering van vleesverwerker Vion te Boxtel? Bent u ook bekend met het feit dat zeker acht mensen ziek werden, waarvan er één overleed, na besmetting door de afvalwaterzuivering van vleesdestructiebedrijf Rendac te Son en Breugel?
Ja, het ministerie is hierover door de bevoegde gezagen geïnformeerd. De GGD heeft nader onderzoek gedaan naar deze besmettingen. De uitkomst daarvan vindt u in mijn brief hierover aan uw Kamer.
Deelt u de mening dat het absoluut onacceptabel is dat de afvalwaterzuivering van Vion en Rendac tot ziekte, permanente gezondheidsschade en zelfs sterfte leidt?
Een afvalwaterzuivering hoort niet te zorgen voor gezondheidsschade voor omwonenden. Het was tot voor kort niet bekend dat afvalwaterzuiveringen onder bepaalde omstandigheden kunnen zorgen voor directe verspreiding van de Legionella-bacterie. Zoals in mijn brief aan uw Kamer al aangegeven, bestaan biologische waterzuiveringsinstallaties al vele tientallen jaren. Directe verspreiding over grotere afstand vanuit een afvalwaterzuiveringsinstallatie was nog niet eerder aangetoond. Het is nog niet precies duidelijk onder welke omstandigheden deze verspreiding kon plaatsvinden. Hiernaar vindt nader onderzoek plaats. Pas dan is er meer te zeggen over het verband tussen afvalwaterzuiveringen en de verspreiding van Legionella. In de tussentijd moet het bevoegde gezag – meestal via de omgevingsdiensten – zorgen voor maatregelen bij afvalwaterzuiveringen om gezondheidsschade, en zeker sterfte, te voorkomen.
Kunt u aangeven hoe deze situatie heeft kunnen ontstaan en bestaan?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn uitgebreidere brief hierover aan uw Kamer.
Bent u bekend met de toename in de afgelopen jaren van het aantal in Nederland opgelopen legionellabesmettingen en sterfgevallen?4
Ja, die informatie is openbaar. Het RIVM publiceert hierover maandelijks op haar website. Voor een toelichting op deze toename verwijs ik u naar mijn brief.
Is er onderzoek gedaan naar de oorzaak van de recente toename van het aantal in Nederland opgelopen legionellabesmettingen en sterfgevallen? Zo nee, waarom niet?
Ja, er vindt doorlopend onderzoek plaats bij groepen van patiënten met legionellose. Als resultaat hiervan werden de afvalwaterzuiveringen als bron gevonden. Deze kennis wordt nu meegenomen in brononderzoek bij nieuwe patiënten. Verder zijn in de afgelopen jaren diverse onderzoeken gedaan naar de relatie met het weer, waaronder onderzoek naar het voorkomen van Legionella in regenwaterplassen en in grond en weergerelateerde analyses. Onderzoek naar alternatieve bronnen van legionellose werd gedaan in een promotie-onderzoek.
Bent u van plan daar onderzoek naar te doen? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie hiervoor ook mijn brief aan uw Kamer.
Kunt u aangeven waarom veel installaties, die bekend zijn als bron van legionellabesmetting, risico-analyses en beheersplannen moeten maken terwijl afvalwaterzuiveraars, waarvan nu vaststaat dat ze een bron van legionellabesmettingen zijn, dat niet hoeven? Gaat u afvalwaterzuiveraars onder hetzelfde toezicht brengen?
Eerste belang is dat afvalwaterzuiveraars waar dit risico zich voordoet, maatregelen nemen om verdere verspreiding te voorkomen. Dit wordt opgepakt door de bevoegde gezagen, via de betreffende omgevingsdiensten. Zij staan in nauw contact met de GGD. Ik ben hierbij goed aangesloten. Omdat afvalwaterzuivering niet bekend was als bron voor Legionellaverspreiding, zijn er geen eisen aan deze zuiveringen, waar het gaat om Legionella. De korte termijn maatregelen worden nu genomen door de bevoegde gezagen. Daarnaast laat ik in kaart brengen welke mogelijkheden er zijn om ook voor afvalwaterzuivering eisen op te nemen met betrekking tot Legionella. Daarvoor is specifiek wetenschappelijk vervolgonderzoek nodig om de risicofactoren goed in beeld te krijgen. Zonder dit inzicht is het niet mogelijk normen op te stellen en structurele maatregelen te nemen om besmetting te voorkomen.
Is er in het verleden onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van afvalwaterzuiveringsinstallaties voor het milieu en de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ja, er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van afvalwaterzuiveringsinstallaties, waaronder water- en luchtkwaliteitsonderzoek, waarbij ook is gekeken naar de relatie met verschillende infectieziekten.
Is er onderzoek gedaan naar de relatie tussen afvalwaterzuiveringsinstallaties en legionellabesmettingen? Zo nee, bent u voornemens zulke onderzoeken in te stellen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer ga ik op deze vraag dieper in.
Is onderzocht of de genomen maatregelen bij Vion en Rendac afdoende zijn om legionellabesmettingen in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het effect van de tijdelijke maatregelen is onderzocht en is als tijdelijke maatregel afdoende om de verdere verspreiding naar de omgeving te voorkomen. Permanente maatregelen zijn in voorbereiding. Hiervoor is meer wetenschappelijk onderzoek nodig naar de risicofactoren voor legionellaverspreiding vanuit afvalwaterzuiveringsinstallaties.
Klopt het dat beide afvalwaterzuiveringsinstallaties relatief nieuw waren?
Ja, de waterzuivering in Boxtel dateert van 2015, en de waterzuivering in Son werd verbouwd tot de huidige installatie in 2012.
Is bij het ontwerp voldoende rekening gehouden met legionella? Zo nee, waarom niet?
Bij het ontwerp van de oorspronkelijke opstelling was niet bekend dat dit type afvalwaterzuivering onder bepaalde omstandigheden een potentieel risico kan zijn voor verspreiding van Legionella.
Zijn er bij andere waterzuiveringsinstallaties toereikende maatregelen genomen om legionellabesmettingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor mijn uitgebreidere brief aan uw Kamer.
Bent u bekend met het feit dat ook de eerste (bekende) uitbraak van legionella in Austin, Minnesota in 1957 plaatsvond bij een vleesverwerker?5
Ja. Het artikel waar u naar verwijst beschrijft een uitbraak van longontsteking twintig jaar voor de ontdekking van de legionellabacterie. De studie onderzoekt of deze uitbraak mogelijk veroorzaakt kan zijn door Legionella door met behulp van serologisch onderzoek te kijken naar afweerstoffen in het bloed. De studie beschrijft niet wat mogelijke bronnen waren en of er bij de vleesverwerker een afvalwaterzuivering of koeltoren aanwezig was. Ook moet worden opgemerkt dat serologisch onderzoek een weinig nauwkeurige diagnostische methode is om een besmetting met Legionella aan te tonen, zeker wanneer dit pas jaren na de mogelijke besmetting gebeurt.
Is er een reden dat bedrijven die vlees verwerken, zoals Vion en Rendac, gevoeliger zijn voor legionella dan andere bedrijven? Zo ja, wat is die reden?
Vleesverwerkende bedrijven lijken hier inderdaad gevoeliger voor omdat het hier gaat om voedselrijk afvalwater en water met hogere temperaturen. Zie voor meer toelichting hierop mijn brief aan uw Kamer.
Bent u, gegeven het feit dat er nu weer sterfgevallen te betreuren zijn, bereid om, mede ook gezien bijvoorbeeld de Q-koorts, een breed onderzoek te doen naar de risico’s voor de volksgezondheid in de hele productieketen van de vee-industrie? Zo nee, waarom niet?
Er wordt op diverse punten in de productieketen onderzoek gedaan naar effecten op de volksgezondheid van de veehouderij. Zo wordt binnen het VGO (veehouderij en gezondheid omwonenden onderzoek) gekeken naar de effecten van de veehouderij op de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijbedrijven wonen. Er wordt veel onderzoek gedaan naar zoönosen die door voedsel overgedragen worden. Ook is in de afgelopen periode veel onderzoek gedaan naar antibioticaresistentie in relatie tot de veehouderij.
Kunt u aangeven welke reden de bevoegde gezagen (te weten gemeenten en provincies) hebben om de omgevingsdienst(en) nog niet opdracht te hebben gegeven afvalwaterzuiveringsinstallaties te controleren op legionella? Bent u voornemens hen daartoe aan te sporen of te dwingen?
Ik ga hierop in mijn brief aan uw Kamer uitgebreid op in.
Hebben de decentrale overheden naar uw mening juist gehandeld in het geval van de voorbeelden bij Vion en Rendac? Waaruit blijkt dat?
Ja, zij hebben gehandeld volgens de voorschriften en zijn transparant geweest over de ziektegevallen en mogelijk relevante omgevingsfactoren. Nadat het verband met de afvalwaterzuiveringen was gelegd, hebben zij adequaat gehandeld door het bedrijf maatregelen op te leggen om het risico voor de omgeving weg te halen.
Blijkt uit de beschreven voorbeelden naar uw mening dat gemeenten en provincies voldoende toegerust zijn qua kennis en middelen om adequaat toezicht te houden? Waaruit blijkt dat?
Zoals in eerdere antwoorden aangegeven was er nog geen kennis beschikbaar over de risicofactoren voor de verspreiding van Legionella naar de omgeving door afvalwaterzuiveringen. Nu meer duidelijk wordt over de risicofactoren, moeten de bevoegde gezagen hiermee rekening houden bij het uitoefenen van hun verantwoordelijkheid. Daartoe zijn zij voldoende toegerust, zeker omdat zij ondersteund worden door de GGD en het RIVM.
Wat gaat u doen om het aantal besmettingen in Nederland zo snel mogelijk weer omlaag te brengen?
Zie hiervoor het antwoord in mijn brief aan uw Kamer.
Het verzet van VNO-NCW tegen ambitieus klimaatbeleid |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraken van de VNO-NCW-voorzitter dat, in tegenstelling tot de adviezen van o.a. het PBL, in Nederland schonere producten niet rendabeler gemaakt zouden moeten worden door vervuilende productie meer te belasten omdat bedrijven dan naar een andere landen zouden verhuizen?1 2
Ja.
Erkent u dat de voorzitter van VNO-NCW hiermee gebruik maakt van exact het type argument dat in de recent uitgelekte lobbystrategie van Business Europe werd geadviseerd als te gebruiken frame om klimaatambitie tegen te werken?3 Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt, zoals benoemd in de kabinetsappreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen van een klimaatakkoord, een aanpak voor uitstootvermindering in de industrie langs drie sporen: kostenreductie, borging en maatwerk. Ik constateer dat VNO-NCW aandacht vraagt voor de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven en weglekeffecten van CO2-uitstoot. Dit zijn ook voor het kabinet belangrijke aandachtspunten.
De investeringen die nodig zijn om een transitie te kunnen maken, vergen dat de Nederlandse industrie als internationale koploper, zijn concurrentiepositie op (middel)lange termijn duurzaam versterkt. Bovenstaande rechtvaardigt dat overheid en industrie gezamenlijk bijdragen aan de benodigde investeringen.
Deelt u de mening dat VNO-NCW zich met deze stellingname openlijk heeft gepositioneerd als een van de tegenkrachten in het realiseren van ambitieus klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook beantwoord op vraag 2, ik constateer dat VNO-NCW aandachtspunten uit die ook de aandacht hebben van het kabinet.
Kent u de berichten «Het Klimaatakkoord wordt gesaboteerd» en «Klimaatplannen te vaag voor doorrekening»?4 5
Ja.
Deelt u de mening dat de tegenvallende resultaten aan de klimaattafels niet los vallen te zien van de weinig constructieve houding van, in dit geval, VNO-NCW? Zo nee, waarom niet? Quotes uit de strategische lobbynotitie van Business Europe:
Nee. Het voorstel voor hoofdlijnen van een Klimaatakkoord is het resultaat van de inbreng van een groot aantal partijen. Uit de analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving en het Centraal Planbureau blijkt dat partijen met het voorstel voor hoofdlijnen op koers liggen en de reductiedoelstelling van 49% in 2030 binnen bereik is. Daarvoor is wel een nadere uitwerking nodig van het voorstel op hoofdlijnen in concrete instrumenten en acties. Op 5 oktober jl. heeft het kabinet met de kabinetsappreciatie van het voorstel voor hoofdlijnen (Kamerstuk 32 813, nr. 220) richting gegeven voor het vervolg.
Omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Transparency International: «Nederland doet nog steeds te weinig tegen omkoping in buitenland»?1
Ja.
Deelt u de conclusie uit het voortgangsrapport 2018 «Exporting Corruption» van het Transparency Institute Nederland (TIN) dat Nederland beperkt handhaaft tegen omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?2
Het voortgangsrapport van TIN ziet op de jaren 2014–2017. In deze periode is in Nederland een extra investering gedaan in de bestrijding van corruptie. Zo is in september 2016 een anti-corruptie centrum bij de FIOD opgericht en is in 2017 een themateam corruptie bij het OM opgericht. Het aantal zaken op het gebied van buitenlandse corruptie dat strafrechtelijk is onderzocht is sinds 2013 dan ook toegenomen. Op dit moment loopt een aantal (nieuwe) strafrechtelijke onderzoeken. Strafrechtelijk onderzoek naar buitenlandse corruptie is per definitie arbeids- en tijdsintensief; het resultaat van de verhoogde inspanningen zal op termijn zichtbaar worden. Het OM verwacht dat de stijgende trend zich door zal zetten.
In de voor het voortgangsrapport gehanteerde methodiek is het aantal strafrechtelijke onderzoeken afgezet tegen de omvang van de Nederlandse export. Van belang is hierbij op te merken dat het leeuwendeel van de Nederlandse export naar landen gaat waar het corruptierisico relatief laag is. Dit gegeven is niet meegewogen bij het beoordelen van de verhouding van het aantal buitenlandse omkopingszaken tot het aandeel in de wereldexport.
Hoe beoordeelt u de kritiek van het TIN over het gebrek aan transparantie en onafhankelijke rechterlijke toetsing van schikkingen getroffen met het openbaar ministerie (OM) in het kader van omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland? Kunt u uw beoordeling onderbouwen?
De in deze vraag genoemde schikking betreft de wettelijke afdoeningsmogelijkheid van artikel 74 Wetboek van Strafrecht, waarbij het OM een transactie aan de verdachte kan aanbieden ter voorkoming van rechtsvervolging. Een hoge transactie gaat sinds enige tijd vergezeld van een persbericht met uitgebreid feitenrelaas, waarmee zoveel mogelijk transparantie wordt beoogd.
In de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties is de toetsingsprocedure vastgelegd voor de desbetreffende categorieën transacties. Het betreft een zware toetsingsprocedure binnen het Openbaar Ministerie (via de parketleiding en de hoofdadvocaat-generaal en het College van Procureurs-Generaal). De aanwijzing schrijft voor dat het College een hoge transactie vooraf schriftelijk aan de Minister van Justitie en Veiligheid ter goedkeuring voorlegt.
De toetsingsprocedure behelst volgens de Aanwijzing een toetsing van de juridische aspecten van de zaak door de Hoofd Advocaat-generaal en een integrale toetsing van de voorgenomen transactie door het College. Centraal staat daarbij de vraag of de voorgenomen transactie, gezien de feiten en omstandigheden van het geval – en het te bereikten maatschappelijk effect –, een passende afdoening is.
De toets van de Minister van Justitie en Veiligheid beperkt zich tot het oordeel of het Openbaar Ministerie in redelijkheid kon komen tot het standpunt dat de zaak met een transactie kon worden afgedaan. De Minister past immers terughoudendheid bij bemoeienis met individuele strafzaken.
Zoals ik eerder in antwoord op Kamervragen4 heb aangegeven, neem ik de kritieken van TIN en de Raad van de Rechtspraak ten aanzien van de hoge transactie zeer serieus. Op dit moment wordt de huidige praktijk tegen het licht gehouden. De inzichten hieruit worden meegenomen in het kader van de evaluatie Wet OM-afdoening. Daarop vooruitlopend zal de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties in lijn worden gebracht met de staande praktijk op het gebied van transparantie.
Deelt u de mening dat onafhankelijke rechterlijke toetsing van deze schikkingen op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering alleen kan als de klager belanghebbende is en hij actief schriftelijk beklag moet indienen bij het gerechtshof en dat dit daarmee beperkend is ten aanzien van het voorstel van de Raad voor de rechtspraak begin dit jaar?3
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden de beslissing een schikking te treffen transparanter te maken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kosten van de klimaatmaatregelen en de energietransitie |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de totale kosten van alle klimaat- en energie-gerelateerde maatregelen – inclusief maar niet beperkt tot subsidies, belastingkortingen, overheidsprojecten, onderzoek en ontwikkelingssubsidies, staatsgaranties voor financieringen, kosten voor de belastingbetaler verbandhoudende met staatsdeelnemingen (zoals in TenneT) en personele kosten voor overheden – die het kabinet dit jaar heeft genomen? Hoeveel is er nog begroot voor de rest van 2018? Kunt u dit in een overzicht aan de Kamer doen toekomen?
Een totaalbedrag voor alle kosten van klimaat- en energiegerelateerde maatregelen is niet zomaar te geven. Dit komt mede doordat klimaat- en energiegerelateerde maatregelen niet zonder meer te scheiden zijn van andere maatregelen, zoals maatregelen gericht op innovatie of duurzaamheid.
Wel treft u hieronder een indicatie van het kasbudget voor een aantal clusters van maatregelen, die een substantieel deel uitmaken van deze kosten voor 2018:
De bedragen in de jaren 2019–2021 zullen hiermee vergelijkbaar zijn met uitzondering van de kapitaalinjectie voor Tennet. Deze bedraagt in 2019 nog € 280 miljoen, in 2020 en 2021 € 0.
Hoeveel heeft het kabinet begroot voor alle maatregelen zoals bedoeld in vraag 1 voor de rest van de kabinetsperiode? Kunt u dit uitsplitsen per jaar (2019, 2020 en 2021)?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel mensen en hoeveel fulltime-equivalent (fte) zijn binnen uw ministerie en binnen andere delen van de overheid – zowel op rijksniveau als op overige niveaus – werkzaam aan projecten verbandhoudende met de energietransitie? Hoeveel externen en hoeveel consultants worden hiervoor ingehuurd? En wat zijn de kosten hiervan per jaar?
Er wordt geen centrale registratie bijgehouden van medewerkers die zijn betrokken bij de energietransitie.
Hoeveel betaalt een gemiddeld Nederlands huishouden extra als gevolg van deze maatregelen, uitgesplitst in kosten per jaar, voor de jaren 2019 tot en met 2030?
De precieze kosten liggen nog niet vast. Deze zijn afhankelijk van de keuzes die kabinet en alle betrokken partijen maken bij de uitwerking van het voorstel voor hoofdlijnen van het Klimaatakkoord. Uw Kamer is hier nauw bij betrokken.
Uit de voorlopige analyse van PBL en CPB van dit voorstel blijkt dat de meerkosten ten opzichte van het huidige beleid in 2030 circa € 3 tot 4 miljard per jaar zullen bedragen. Dit betreft de nationale kosten voor de Nederlandse samenleving als geheel, ongeacht wie deze draagt. De kosten zijn niet constant in de tijd maar hangen af van de toekomstige kosten van technologieën en toekomstige brandstofprijzen, die veelal weer afhangen van internationale ontwikkelingen.
De kosten voor de overheid en de kosten voor eindgebruikers zoals huishoudens of bedrijven verschillen van de nationale kosten, onder andere vanwege heffingen, subsidies en verschillen in rentevoeten en afschrijvingstermijnen die door eindverbruikers worden gehanteerd.
Na de doorrekening van het concept-Klimaatakkoord kan er meer gezegd worden over de kosten voor een gemiddeld Nederlands huishouden.
Hoeveel graden minder globale opwarming denkt u te kunnen bewerkstelligen aan het eind van uw regeerperiode door middel van deze maatregelen?
Nederland levert een kleine maar zeker niet te verwaarlozen bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering. Het klimaatprobleem is bij uitstek een probleem waarvan de oplossing alleen dichterbij komt wanneer alle landen, inclusief Nederland, hieraan bijdragen. Internationale samenwerking en het nakomen van de internationale afspraken zoals afgesproken in het Parijs-akkoord zijn daarom van groot belang. Nederland zet om die reden nadrukkelijk in om gezamenlijk met andere landen dit probleem aan te pakken.
Hoeveel denkt u het globale CO2 gehalte (in ppm) te hebben beïnvloed aan het eind van uw regeerperiode als gevolg van deze maatregelen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel denkt u vanuit Nederland aan globale temperatuurdaling te gaan bijdragen als landen als China, India, de Verenigde Staten, Rusland, Iran en Turkije daar niet aan mee doen, aangezien het Nederlandse landoppervlakte slechts 0,008% van het wereldoppervlakte bedraagt en de Nederlandse bevolking niet meer dan 0,22% van de wereldbevolking uitmaakt?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel honderden miljarden euro’s is het u waard om deze doelstellingen te bereiken?
Zoals al vermeld in het antwoord op vraag 4 liggen de keuzes voor de komende periode, en dus ook de kosten, nog niet vast. Uit de eerste analyse van PBL en SCP blijkt dat de nationale kosten in 2030 op circa € 3 à 4 miljard per jaar worden ingeschat.
In de komende periode zal met alle partijen, en ook met de Tweede Kamer, het gesprek worden gevoerd over de verdere invulling van de maatregelen. Daarbij spelen de kostenefficiëntie van de voorgestelde maatregelen en de verdeling van de lasten uiteraard een belangrijke rol.
Hoeveel kosten vindt u dat er maximaal per huishouden (cumulatief over de periode 2019–2030) gevergd kan worden om uw doelstellingen te realiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'VVD onder vuur om Wmo-advies' |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VVD onder vuur om Wmo-advies»?1
Ja, ik ken het bericht.
Klopt het dat VVD-senator Anne-Wil Duthler voor een wetsvoorstel stemde waarin adviezen van haar eigen bedrijf waren opgenomen?
Bureau Duthler Associates (Bureau DA) heeft het Ministerie van VWS in de zomer 2013 geadviseerd in het proces van totstandkoming van de Wmo 2015. De regering had in deze fase behoefte aan gespecialiseerde kennis op het terrein van gegevensverwerking en privacyregelgeving. Hieraan vooraf ging een advies van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP, tegenwoordig Autoriteit Persoonsgegevens) van 29 juli 20132. Het CBP kon zich nog «geen volledig beeld vormen van alle afwegingen inzake de bescherming van persoonsgegevens» omdat het wetsvoorstel en de memorie van toelichting ten tijde van de advisering nog in bewerking waren. Het CBP adviseerde om het wetsvoorstel niet aldus in te dienen en achtte aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk. Tevens achtte het CBP een privacy impact assessment (pia) noodzakelijk «waarmee in kaart wordt gebracht welke gegevens, voor welk doel, zullen worden verwerkt en welke waarborgen moeten worden getroffen om deze verwerking(en) in overeenstemming te brengen met de eisen van de Wbp».
Het doen van een pia voor wetsontwerpen waarbij sprake is van een beperking op het grondrecht van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer was tevens als uitgangspunt opgenomen in het Regeerakkoord van het vorige kabinet.3
In de zomer 2013 werd gewerkt aan de totstandkoming van de Wmo 2015; er was tijdsdruk om het wetsvoorstel 2015 op planning te houden en gemeenten – bij aanvaarding van het wetsvoorstel – de benodigde tijd voor implementatie te kunnen verschaffen. Bureau DA stond bekend als een in de Wet bescherming persoonsgegevens gespecialiseerd bureau en was in de gelegenheid in de zomermaanden door te werken aan de pia. Bureau Duthler is aangezocht om deze pia te doen. De pia heeft bijgedragen aan het opstellen van een gedegen toelichting
op de in het wetsvoorstel gemaakte keuzes aangaande gegevensverwerking. Dat wetsvoorstel is vervolgens, in november 2013, voor advies naar de Raad van State gezonden.
Niet het advies van Bureau DA maar het wetsvoorstel is later in stemming gebracht in het parlement. De uitgevoerde pia beoogde het parlement in de te maken afweging te ondersteunen.
Voor wat betreft de aanbesteding en de met de opdracht gemoeide kosten, kan ik u het volgende mededelen. Het bureau heeft een offerte uitgebracht voor een bedrag van € 33.000,–. Het Ministerie van VWS heeft als opdrachtgever vervolgens enkelvoudig onderhands gegund, dat wil zeggen, voor deze opdracht is alleen deze offerte uitgevraagd. Dit is in overeenstemming met de in 2013 vigerende regels voor gunningen tot € 50.000,–.
Gaandeweg de werkzaamheden bleek dat meer uren nodig waren om de opdracht tot een goed einde te brengen. Vervolgens is een aanvullende meerwerkopdracht verstrekt. Het totale bedrag dat met de opdracht was gemoeid, kwam hiermee uit op een bedrag van € 78.400,–.
Klopt het dat met haar stem, zij feitelijk voor het advies van haar eigen bedrijf stemde? Zo ja, hoeveel werk heeft het aangenomen wetsvoorstel het bedrijf van mevrouw Duthler opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Welke van de door Duthler Associates gegeven adviezen zijn overgenomen in het wetsvoorstel?
Het advies (de pia) is gegeven in het stadium waarin de wet en de toelichting nog in de ontwerpfase waren en voorafgaand aan advisering door de Raad van State. Het advies doet voornamelijk voorstellen voor aanpassing van de memorie van toelichting. Die voorstellen zijn gedeeltelijk overgenomen.
Bent u bereid de Kamer te informeren hoe deze aanbesteding is gegaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het uitzonderen van Nederlanders in het buitenland bij het kiezen van de Eerste Kamer |
|
Monica den Boer (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het feit dat in het buitenland woonachtige Nederlanders op dit moment geen invloed hebben op de samenstelling van de Eerste Kamer? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is?
In het regeerakkoord staat dat het stemproces wordt aangepast zodat Nederlanders op Bonaire, St. Eustatius, Saba en in het buitenland eenvoudiger hun kiesrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen. In mijn brief van 15 oktober 2018 heb ik uw Kamer meegedeeld dat ik in de komende maanden de opties in kaart ga brengen om Nederlanders die in het buitenland wonen invloed te geven op de samenstelling van de Eerste Kamer. Ik zal daarbij gebruik maken van eerder, in het kader van de regeling voor de openbare lichamen, gemaakte analyses en adviezen. Mijn planning is erop gericht om in het voorjaar van 2019 de Kamer de opties voor te leggen, inclusief de mogelijke (juridische) consequenties daarvan.
Bent u het eens dat actief kiesrecht één van de belangrijkste rechten is die verbonden is aan het staatsburgerschap? Bent u het aldus eens dat elke Nederlander via verkiezingen invloed zou moeten hebben op de samenstelling van de landelijke wetgever, dat wil zeggen de Tweede én de Eerste Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat de oorzaak van het feit dat Nederlanders in het buitenland geen invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer, namelijk het getrapte systeem via provinciale staten (Nederlanders in het buitenland wonen immers niet in een provincie), een gegronde reden is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de volgende zin uit het Regeerakkoord: «het stemproces wordt aangepast zodat Nederlanders op Bonaire, St. Eustatius, Saba en in het buitenland eenvoudiger hun kiesrecht, ook in relatie tot de verkiezing van de Eerste Kamer, kunnen uitoefenen»?
Zie antwoord vraag 1.
Is het wetgevende traject voor een eigen Kiescollege van de BES-eilanden inmiddels afgerond?
Ja. Bij wet van 1 november 2017 (Stb. 2017, 426) is de Grondwet gewijzigd en bij Wet van 14 februari 2018 (Stb. 2018, 58), die op 1 augustus jl. in werking is getreden (Stb. 2018, 235), zijn de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Kieswet gewijzigd, waardoor de kiezers die woonachtig zijn in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 20 maart 2019 voor het eerst kunnen stemmen voor de leden van een kiescollege voor de Eerste Kamer.
Bent u bereid om gevolg te geven aan de eerder genoemde zin in het Regeerakkoord, en u in te zetten voor het optuigen van een «Kiescollege Buitenland» voor het verkiezen van de Eerste Kamer voor Nederlanders in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De verwachte prijsstijging voor kinderopvang |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderdagverblijven verwachten flinke prijsstijging voor opvang»?1
Ja, ik heb het artikel gelezen.
Herkent u de kritiek dat eerdere onderzoeken naar de gevolgen van de nieuwe beroepskracht-kindratio (BKR) geen rekening hebben gehouden met praktische zaken als groepsindelingen, de grootte van de ruimtes, de regel om vaste gezichten op een groep te hebben, het aantal leidsters, et cetera?2 Zo nee, waarom niet?
Ik ken de discussie. Met de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) zijn en worden verschillende maatregelen ingevoerd in de kinderopvang met als doel de kwaliteit in de kinderopvang te verhogen. Eén van deze maatregelen is de aanscherping van de beroepskracht-kindratio (BKR) voor baby’s van 1 beroepskracht op 4 baby’s naar 1 beroepskracht op 3 baby’s. Door deze kwaliteitsmaatregel is er meer ruimte voor beroepskrachten om baby’s de gewenste verzorging en (individuele) aandacht te geven. Dit is belangrijk voor de ontwikkeling van baby’s.
Natuurlijk ben ik mij ervan bewust dat een verhoging van kwaliteit investeringen vergt. Daarom wordt de maximum uurprijs voor de dagopvang in 2019 verhoogd. Ik heb er vertrouwen in dat deze aanpassing van de maximum uurprijs voor dagopvang gemiddeld genomen voldoende is om de kostenstijging als gevolg van de kwaliteitsmaatregelen te compenseren. Naast verhoging van de maximum uurprijs als gevolg van kwaliteitsverhoging vindt ook indexatie plaats, waardoor de totale maximum uurprijs voor de dagopvang wordt verhoogd met 7,65% naar 8,02 euro.
Omdat ik de toegankelijkheid van kinderopvang belangrijk vind, zal ik de daadwerkelijke prijsontwikkeling in 2019 en de ontwikkelingen in de praktijk aandachtig volgen en monitoren.
Klopt het dat voor elke kinderopvangorganisatie de gevolgen van de nieuwe BKR voor de babygroepen anders kan uitpakken en dat het risico bestaat dat vooral kleinere kinderopvangorganisaties hier last van hebben? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn brief van maart dit jaar3heb aangegeven, kunnen de kosteneffecten als gevolg van de aangepaste BKR voor nul-jarigen per organisatie verschillen. Kinderopvangorganisaties kunnen verschillende keuzes maken om aan de gewijzigde BKR voor baby’s te voldoen. Zo kunnen zij er bijvoorbeeld voor kiezen om meer personeel in te zetten, de groepsindeling aan te passen of met kleinere groepen te werken. Sommige kleine organisaties zullen minder mogelijkheden hebben om hun groepsindelingen op korte termijn aan te passen, waardoor vooral binnen deze groep een brede spreiding is in de kosten als gevolg van de aangepaste BKR.
In mijn brief van september dit jaar4heeft u kunnen lezen dat het Waarborgfonds Kinderopvang heeft aangegeven ondernemers in de sector te kunnen ondersteunen bij het schrijven van een ondernemingsplan en het verkrijgen van een overbruggingskrediet.
Op welke manier gaat u een vinger aan de pols houden en de kosten monitoren?
Het Ministerie van SZW monitort periodiek de ontwikkeling van de uurtarieven via data over de kinderopvangtoeslag die beschikbaar worden gesteld door de Belastingdienst. Hierover publiceert zij elk kwartaal cijfers over de kinderopvang op de website van de rijksoverheid. Ook in 2019 zal de ontwikkeling van de uurtarieven gemonitord worden. Halverwege 2019 kan een indicatief beeld worden gegeven van de uurtarieven die ouders opgeven bij de Belastingdienst5. Uiteraard zal uw Kamer hierover geïnformeerd worden.
Deelt u de mening dat als de uurprijzen meer stijgen dan waar rekening mee wordt gehouden, dit onevenredig hard neerslaat bij gezinnen met een laag inkomen? Zo nee, waarom niet?
Ouders ontvangen middels de kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang tot de maximum uurprijs. De ouders in de laagste inkomensgroepen krijgen vanaf 2019 96% van de kosten van kinderopvang tot de maximum uurprijs vergoed, dit is nu nog 94%. Hierdoor betalen ouders met de laagste inkomens in 2019 nog maar € 0,32 per uur voor dagopvang, bij een uurtarief gelijk aan de maximum uurprijs van € 8,02. Dit komt neer op ongeveer € 3,50 voor een volledige dag van elf uur opvang. In 2018 betaalden zij nog € 0,45 per uur tot de maximum uurprijs van € 7,45 (bijna € 5,00 per dag van elf uur opvang).
Wanneer de uurtarieven van de kinderopvang uitstijgen boven de maximum uurprijs van € 8,02, krijgen ouders over het deel boven de maximum uurprijs geen kinderopvangtoeslag. Dit betekent dat zij deze kosten zelf betalen.
Wat kunt u doen als blijkt dat de uurprijzen toch hoger liggen dan nu wordt aangenomen? Heeft u verschillende scenario’s klaarliggen en bent u bereid in te grijpen als de kosten veel harder stijgen dan verwacht? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in reactie op vraag 4, zal ik de ontwikkeling van de uurtarieven nauwgezet volgen en de Tweede Kamer daarover halverwege 2019 informeren.
Het ministerie verwacht dat de kosten als gevolg van de BKR-verhoging voor baby’s in 2019 gemiddeld met 4,6% zullen stijgen. Bij verhoging van de maximum uurprijs in de dagopvang is voor de BKR-aanscherping voor baby’s uitgegaan van een kostenstijging met 4,9%. Naar verwachting is er hiermee gemiddeld genomen voldoende ruimte voor stijging van tarieven als gevolg van de aangescherpte BKR voor baby’s. De totale maximum uurprijs voor de dagopvang wordt verhoogd met 7,65% en bedraagt in 2019 8,02 euro.
Sommige organisaties zullen in 2019 een uurtarief boven de maximum uurprijs hanteren. Dit komt echter nu ook al voor en is afhankelijk van bedrijfsvoering en loon- en prijsontwikkelingen op de markt. Daarnaast kan het zijn dat de opvangorganisatie extra diensten aanbiedt, waarvoor zij extra kosten maakt. Tevens hebben oudercommissies adviesrecht op tariefwijzigingen.
Vrijwilligerswerk met gedetineerden en ex-gedetineerden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van belangenorganisatie BONJO over de subsidiesystematiek voor het vrijwilligerswerk met gedetineerden en ex-gedetineerden?1
Ja.
Erkent u het belang van vrijwilligerswerk met gedetineerden en ex-gedetineerden?
Ja. Vrijwilligers steunen gedetineerden tijdens detentie en helpen hen bij de voorbereiding op hun terugkeer in de samenleving. Ook na detentie spelen zij een belangrijke rol bij de re-integratie en resocialisatie van ex-gedetineerden.
Wat is uw reactie op de zorg dat de administratieve lasten voor vrijwilligersorganisaties zullen stijgen met de nieuwe subsidiesystematiek waaraan gewerkt wordt?
In de Visie op gevangenisstraffen «Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen», heb ik aangekondigd dat in penitentiaire inrichtingen het vrijwilligerswerk wordt uitgebreid en meer dan voorheen wordt gericht op de re-integratie van (ex-)gedetineerden.2 Vrijwilligersorganisaties worden niet meer gesubsidieerd op basis van het aantal vrijwilligers, maar op basis van de bijdrage die zij leveren aan de resocialisatie en re-integratie van de gedetineerde. De behoefte aan activiteiten vanuit de penitentiaire inrichtingen staat hierbij centraal. Vrijwilligersorganisaties moeten in hun subsidieverzoek dus meer dan nu motiveren hoe hun aanbod aansluit bij de re-integratiebehoefte. Dit gemotiveerde subsidieverzoek kan leiden tot meer administratieve lasten, vooral in de periode waarin wordt overgegaan naar de nieuwe subsidieregeling. Ik streef ernaar deze lasten tot een minimum te beperken. Daartoe is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) een implementatiemanager aangesteld die de vrijwilligersorganisaties ondersteunt bij het aanvragen en verantwoorden van subsidie.
Kunt u inhoudelijk reageren op de kanttekeningen van BONJO zoals die in deze brief opgenomen zijn?
Vrijwilligerswerk zal, zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, meer dan voorheen ingezet worden ten dienste van een goede re-integratie. Daarvoor is een nieuwe subsidieregeling nodig. Ik ben het eens met BONJO dat niemand gebaat is bij een ingewikkelde systematiek. Om tot een breed gedragen en werkbare nieuwe subsidieregeling te komen zijn de vrijwilligersorganisaties vanaf het begin van dit transitieproces betrokken. De vrijwilligersorganisaties, waaronder BONJO, zijn geconsulteerd over de nieuwe subsidieregeling. Op 9 juli 2018 is een bijeenkomst georganiseerd waarin de contouren van de nieuwe subsidieregeling met hen zijn gedeeld. Voor een goede invoering van de nieuwe subsidieregeling is, zoals al aangegeven in het antwoord op vraag 3, bij DJI een implementatiemanager aangesteld. Om de subsidieverzoeken inhoudelijk te beoordelen stel ik een commissie in die mij moet adviseren over de toekenning van subsidie. Deze commissie moet toetsen of en in hoeverre de aangeboden vrijwilligersactiviteiten bijdragen aan de re-integratie van gedetineerden. De nieuwe subsidiesystematiek zal worden geëvalueerd, met specifieke aandacht voor het functioneren van de aanvraagprocedure, de adviescommissie en het verantwoordingsproces.
Tot slot onderschrijf ik de stellingname van BONJO dat de activiteiten van de vrijwilligersorganisaties de werkzaamheden van vaste medewerkers in de penitentiaire inrichtingen niet mogen overlappen of verdringen. Deze notie is één van de uitgangspunten van de nieuwe subsidieregeling.
Het artikel ‘Akkers vervuild door plastic in compost: “Te veel rotzooi in de gft-bak”’ |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Akkers vervuild door plastic in compost: «Te veel rotzooi in de gft-bak»»?1
Ja.
Klopt het dat compost dat gemaakt wordt van groente-, fruit-, en tuinafval (GFT) vaak vol zit met plastic deeltjes?
Door Rijkswaterstaat is een verkenning uitgevoerd naar de kwaliteit van verschillende afvalstromen, waaronder GFT en naar de uit GFT geproduceerde compost. De voorlopige, nog niet gepubliceerde, resultaten geven een wisselend beeld van de mate waarin compost plastic deeltjes bevat. Dit hangt namelijk af van herkomst en inzamelsysteem van GFT en van de verwerkingsmethode. Overigens vormt het verbeteren van de kwaliteit van de verschillende afvalstromen, waaronder GFT, een belangrijk aandachtspunt bij het scheiden van afval door huishoudens. Schonere GFT leidt tot schonere compost.
Klopt het dat het strengere afvalbeleid van gemeenten met betrekking tot het aanbieden van restafval ertoe heeft geleid dat de hoeveelheid restafval in de GFT-bak is toegenomen? Deelt u de mening dat dit een problematische ontwikkeling is?
Naast de veranderingen in het beleid van gemeenten zijn ook de eisen aan compost (met name vanuit de akkerbouwers) toegenomen. Daardoor wordt er meer vervuiling uitgezeefd. Vanuit de beschikbare gegevens is een direct verband zoals gesteld in de vraag, dan ook niet te leggen.
Klopt het dat er in Nederland geen norm bestaat voor de hoeveelheid plastic in compost? Zo ja, waarom niet? Klopt het dat er alleen een norm van 0,5 procent bestaat voor de algemene vervuiling van compost?
Het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet stelt dat compost niet meer dan 0,5 gewichtsprocent aan bodemvreemde niet-biologisch afbreekbare delen mag bevatten. Dit is de maximale norm voor plastic en andere vervuilingen, zoals metalen, glas of bouwmaterialen samen.
Klopt het dat de industrie zelf keurmerken hanteert voor de toegestane hoeveelheid plastic in compost, waarbij normen variëren van 0,05 tot 0,2 procent? Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat de industrie erop aangewezen is om zélf dit soort normen vast te stellen? Zo nee, waarom niet?
Kwaliteitseisen aan meststoffen zijn vastgelegd in EU-regelgeving. In EU-kader speelt een herziening van de Meststoffenverordening. Deze beoogt de eisen voor het verhandelen van o.a. meststoffen en bodemverbeteraars tussen EU-lidstaten te harmoniseren. Daarbij zijn ook normen voor onzuiverheden in compost aan de orde.
In aanvulling op de wet- en regelgeving eist een groot deel van de voedings- en levensmiddelenindustrie in Nederland dat bij de productie van gewassen uitsluitend gebruik gemaakt wordt van compost waaraan strengere eisen worden gesteld ten aanzien van onzuiverheden: Keurcompost klasse A (max. toegestane hoeveelheid bodemvreemd materiaal 0,05%) of Keurcompost klasse B (max. toegestane hoeveelheid bodemvreemd materiaal 0,1%).
Ik vind het positief dat er private partijen zijn die zichzelf strengere eisen opleggen dan die in de wetgeving zijn opgelegd. Zeker als dergelijke eisen door een groot deel van de sector worden opgepakt. Keurcompost verwerkt ongeveer 60% van alle compost in Nederland.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat compost – een product dat een milieuvriendelijk alternatief voor mest zou moeten zijn en de basis vormt voor het duurzaam bewerken van landbouwgrond – ernstig vervuild blijkt te zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen aanwijzingen dat compost in Nederland op grote schaal ernstig verontreinigd is. Ik ben van mening dat de huidige kwaliteitseisen in de private keurmerken de afnemer de mogelijkheid geven een schoon product te kopen.
Wat zijn de mogelijke gezondheidsrisico’s van voedsel die geteeld zijn op vervuilde compost? Wat zijn de mogelijke milieurisico’s van vervuilde compost?
Gezondheidsrisico’s van voedsel geteeld op vervuilde compost liggen in fysieke verontreiniging van het voedsel door bijvoorbeeld glas of blik. Daarnaast zijn er risico’s voor opname van verontreinigingen door planten, zoals zware metalen. Tenslotte zijn er risico’s voor de uitspoeling van verontreinigingen naar het grond- of oppervlaktewater waardoor elders milieurisico’s kunnen ontstaan.
Om deze mogelijke gezondheids- en milieurisico’s van het gebruik van compost in de landbouw te beperken zijn de volgende eisen opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet:
Met deze normen wordt de belasting van bodem door verontreinigde stoffen beperkt.
Heeft u zicht op de omvang van dit probleem? Zo niet, bent u bereid om een onderzoek in werking te stellen? Zo nee, waarom niet?
Door Rijkswaterstaat is een verkenning uitgevoerd naar de kwaliteit van verschillende afvalstromen, waaronder GFT en de uit GFT geproduceerde compost. De voorlopige resultaten geven een wisselend beeld van de verontreiniging, dit verschilt per gehanteerd inzamelsysteem en verwerkingsmethode.
Zoals uit bovenstaande beantwoording blijkt zijn er diverse aspecten een rol kunnen spelen bij de aanwezigheid van plastic deeltjes in compost.
Momenteel wordt er gewerkt aan een plan waarin al deze aspecten in beschouwing worden genomen en waarin in overleg met alle betrokken stakeholders gewerkt wordt aan verdere kwaliteitsverbetering van compost.
Zijn er praktische manieren om vervuiling van compost te voorkomen? Moet dit gebeuren aan de kant van het inzamelen van GFT, nascheiden GFT of na verwerking tot compost? Wie in de keten is hiervoor verantwoordelijk, de inzamelende gemeenten of de verwerker van het afval?
Over het algemeen kan gesteld worden: hoe schoner het ingezamelde GFT, des te schoner de compost.
Gemeenten kunnen bijdragen aan schonere compost door met verwerkers af te spreken dat er weinig vervuiling mag zitten in GFT dat zij aanbieden. Dit vraagt van gemeenten dat zij actief naar hun burgers communiceren wat er wel en niet in de GFT-bak mag.
Plannen van het Bureau Krediet Registratie (BKR) om studieschulden van studenten officieel te gaan registreren |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat klopt er van het bericht dat uit correspondentie tussen het Bureau Krediet Registratie (BKR) en kredietverstrekkers zou blijken dat er plannen worden gemaakt om studieschulden van studenten officieel te gaan registreren?1
Zowel het Bureau Krediet Registratie als (sommige brancheverenigingen van) kredietverstrekkers zijn sinds jaar en dag voorstander van kredietregistratie. Zij kunnen dit echter niet eenzijdig afdwingen of opleggen. De regering is niet voornemens om tot registratie over te gaan, omdat studieschulden al geregistreerd staan bij DUO en hier eenvoudig toegankelijk zijn voor oud-studenten. Ook dat standpunt is ongewijzigd.
Deelt u de mening dat elke jongere met de juiste vooropleiding zeker moet zijn dat hij of zij kan deelnemen aan een studie in het hoger onderwijs, ongeacht het ouderlijk inkomen?
Ja, die mening deel ik volmondig. Daarom is de aanvullende beurs ook blijven bestaan en met de wet studievoorschot verhoogd met ruim € 100 per maand. Daarnaast is het daarom van cruciaal belang dat studenten zich realiseren dat lenen voor de studie een heel ander type lening is dan een consumptief krediet. Bij terugbetaling wordt immers niet alleen gekeken naar de hoogte van de schuld, maar ook naar het inkomen. Onder bepaalde inkomensniveaus hoeft de oud-student nog niet terug te betalen of niet het volledige bedrag dat bij de schuld hoort. En aan het einde van de terugbetaaltermijn wordt de restschuld kwijtgescholden. Bovendien is lenen voor de studie, lenen voor een investering in jezelf die zich later terugverdient.
Wat betekent officiële kredietregistratie van studieschulden voor het beoogde sociale karakter van het leenstelsel, waarbij studieschulden worden beschouwd als een geheel ander soort schuld dan consumptief krediet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat klopt er van de vrees dat banken hiermee nog meer voer krijgen om ex-studenten slechts een „halfbakken hypotheek» te verstrekken?
Studieschulden moeten sowieso worden meegewogen bij hypotheekverstrekking, ook al zijn ze niet BKR-geregistreerd. Bij het verstrekken van een hypothecair krediet dient de kredietverstrekker op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) informatie over de financiële positie van de consument in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de financiële verplichtingen die een consument heeft. Hier vallen ook studieschulden onder. Klanten met een studieschuld dienen de kredietverstrekker te informeren over deze financiële verplichting. Kredietverstrekkers en hypotheekadviseurs kunnen ook vragen naar een uitdraai van DUO. Dit heeft als voordeel dat het actueel is en ook vervroegde aflossingen worden weergeven, zodat een kredietverstrekker daar rekening mee kan houden. Indien een consument een studieschuld niet meldt (en daardoor een te hoog krediet heeft gekregen), kan dit leiden tot betalingsproblemen en kan er wellicht geen beroep worden gedaan op de Nationale Hypotheek Garantie.
Welke mogelijkheden ziet u om te verhinderen dat het BKR op een bepaald moment zijn naar eigen zeggen nu nog niet vergevorderde plannen wèl uitvoert en gevolg geeft aan zijn pleidooi voor de registratie van studieschulden?
BKR kan niet eigenstandig tot registratie van studieschulden overgaan. Zij hebben daarvoor immers informatie over de studieschulden nodig en zouden daartoe informatie-uitwisseling met DUO moeten organiseren. De regering is niet voornemens om tot registratie over te gaan.
Het voortgezet onderwijs in met name Groningse en Drentse krimpregio’s dat bij de nieuwe rijksbekostiging op het hakblok gaat |
|
Lisa Westerveld (GL), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat krimpregio’s, maar ook andere gebieden in het Noorden, door het nieuwe bekostigingsmodel te maken krijgen met sluiting van vestigingen?1
Nee. De vraag impliceert dat de vereenvoudiging van de bekostiging in het voortgezet onderwijs er de primaire oorzaak van is dat vestigingen in krimpregio’s zouden worden gesloten. Dat beeld klopt niet. De vereenvoudiging van de bekostiging leidt tot beperkte herverdeeleffecten tussen schoolbesturen. Of het Groningse en Drentse onderwijsaanbod dekkend, toekomstbestendig en bereikbaar blijft, hangt niet af van de vereenvoudiging van de bekostiging, maar van de gezamenlijke inspanning van schoolbesturen om goed te anticiperen op de leerlingendaling. Dat vormt de primaire uitdaging voor schoolbesturen in de komende jaren en vraagt nu al om actie. Besturen zijn genoodzaakt om in samenspraak met elkaar het regionale onderwijsaanbod kwalitatief goed, dekkend en bereikbaar te houden. Het vormgeven daarvan kan in sommige situaties leiden tot het sluiten van losse vestigingen en scholen. Het open houden van vestigingen en scholen is echter geen doel op zich. De toegankelijkheid van het onderwijsaanbod voor leerlingen, ook in krimpregio’s, is dat wel.
Klopt het dat de herverdeling van het geld betekent dat het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) minder krijgt en de veelal brede scholen in krimpregio’s met veel vmbo-leerlingen daardoor moeten beknibbelen op begeleiding en ondersteuning?
Nee. In het vereenvoudigde bekostigingsmodel is bewust onderscheid gemaakt tussen leerlingen in het algemeen vormend en in het beroepsgericht onderwijs. Leerlingen in de bovenbouw van het vbo krijgen in de nieuwe bekostiging een fors hoger bedrag dan leerlingen die bijvoorbeeld havo volgen. Dit geldt straks voor alle soorten besturen, zowel smalle vmbo-scholen als brede scholengemeenschappen. Op die manier ontvangen schoolbesturen voor vmbo-leerlingen hetzelfde bedrag. Scholen hebben vrijheid om de bekostiging naar eigen inzichten te besteden. Ik laat mij niet uit over waar scholen hun bekostiging aan moeten uitgeven.
In hoeverre speelt dit ook in de andere krimpgebieden?
De in het antwoord op vraag 1 geschetste uitdaging voor schoolbesturen om in tijden van leerlingendaling het regionale onderwijsaanbod kwalitatief goed, dekkend en bereikbaar te houden, geldt voor het gehele land.
Wat is uw reactie op het pleidooi van de drie noordelijke provinciebesturen voor een krimpcheck?2
In mijn brief van 1 oktober 2018 aan uw Kamer over de gevolgen van de nieuwe bekostigingssystematiek in het voortgezet onderwijs in relatie tot leerlingendaling ben ik reeds op de brief van de Provincie Friesland in gegaan.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg van 3 oktober a.s?
Ja.