De door een prediker gedane uitspraak in een online cursus van de As Soenah moskee te Den Haag, te weten: ‘Vrouwenbesnijdenis is niet verplicht maar wel aanbevolen’ |
|
Fleur Agema (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van een prediker gedaan in een online cursus van de As Soenah moskee te Den Haag en getoond in de uitzending van Nieuwe Maan1 te weten: «Vrouwenbesnijdenis is niet verplicht maar wel aanbevolen»?
Ja.
Hoeveel meisjes zijn in de afgelopen jaren (2013–2018) in Nederland besneden? Hoeveel rechtszaken werden er gevoerd? Hoeveel daders zijn berecht? Hoeveel daders zijn na het uitzitten van hun straf uitgezet?
In 2012 heeft expertisecentrum Pharos met financiering van het Ministerie van VWS onderzoek verricht naar het totaal aantal in Nederland woonachtige vrouwen dat in 2012 besneden is (prevalentie) en het aantal meisjes in Nederland dat in 2012 het risico liep om besneden te worden (incidentie). Uit het onderzoek van Pharos dat begin 2013 is gepubliceerd blijkt dat destijds 29.000 vrouwen in Nederland woonden die besneden zijn. Daarnaast liepen jaarlijks naar schatting 40 tot 50 in Nederland woonachtige meisjes een reëel risico om besneden te worden. Dit risico is gebaseerd op basis van leeftijd en land van herkomst. Eind 2017 is Pharos in opdracht van VWS gestart met een nieuw prevalentie- en incidentieonderzoek. De resultaten van de studie worden medio 2019 verwacht.
Voor meisjesbesnijdenis, ook wel vrouwelijke genitale verminking (VGV) genoemd, bestaat geen specifieke strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Genitale verminking is strafbaar als vorm van (zware) mishandeling (art. 300–303 WvSr). Het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Rechtspraak registeren enkel op delicten zoals deze in het Wetboek van Strafrecht zijn omschreven. Het is daarom niet uit de registers te halen om hoeveel rechtszaken van genitale verminking het gaat.
Bent u bereid, net als in België, het exacte aantal meisjes dat risico op meisjesbesnijdenis loopt in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen we meer informatie ontvangen? Gaat u de daders actief opsporen en passend straffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer kunnen we de eerste rechtszaken verwachten?
Voor zover bekend is in het Belgische onderzoek waar u naar verwijst gebruik gemaakt van de extrapolatiemethode. De extrapolatiemethode is de meest gebruikte methode in Europa om het aantal meisjes dat risico loopt op besnijdenis in te schatten. De cijfers die met deze methode worden gegenereerd zijn onderbouwd, maar het blijven schattingen.
Het prevalentie- en incidentieonderzoek in Nederland dat Pharos momenteel uitvoert, maakt ook gebruik van de extrapolatiemethode en is gebaseerd op methodologische ontwikkelingen en wetenschappelijke voortschrijdende inzichten van de afgelopen jaren. Met dit onderzoek komen goed onderbouwde cijfers beschikbaar over het aantal in Nederland woonachtige vrouwen dat besneden is en het aantal meisjes in Nederland dat risico loopt om besneden te worden. Zoals hierboven vermeld worden de resultaten van dit onderzoek medio 2019 verwacht.
Zoals onder het antwoord op vraag 2 vermeld, is meisjesbesnijdenis strafbaar als vorm van (zware) mishandeling. Net als andere gekwalificeerde geweldsdelicten, wordt dit binnen de strafrechtketen opgepakt. Binnen de politie is hiervoor ook het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld. Het is op voorhand niet aan te geven wanneer hierover een rechtszaak zal komen.
Hoeveel hersteloperaties van meisjesbesnijdenis werden in de jaren 2013–2018 in ons land uitgevoerd?
Het aantal hersteloperaties wordt niet systematisch geregistreerd. Er zijn dan ook geen landelijke cijfers bekend.
Hoeveel en welke organisaties ontvangen subsidies om meisjesbesnijdenis te bestrijden? Hoeveel meisjes worden door deze inspanningen minder besneden? Hoeveel en welke subsidieontvangende organisatie vinden meisjesbesnijdenis acceptabel? Hoeveel dragen dat uit?
In Nederland is de afgelopen jaren ingezet op een integrale ketenaanpak van meisjesbesnijdenis. Verschillende organisaties, zoals Pharos, de Federatie van Somalische Associaties Nederland (FSAN), GGD GHOR Nederland, de Jeugdgezondheidszorg, Veilig Thuis, Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) en partijen uit de justitiële keten zoals de Raad voor de kinderbescherming en politie hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan het vormgeven van deze aanpak. De Nederlandse ketenaanpak is gericht op preventie van VGV, zorg voor vrouwen die besneden zijn en wetshandhaving in geval van uitgevoerde VGV.
Momenteel ontvangen een aantal organisaties subsidie voor hun bijdrage aan het bestrijden van meisjesbesnijdenis. In de eerste plaats wordt subsidie beschikbaar gesteld aan FSAN voor het onderhouden van een netwerk van sleutelpersonen voor meisjesbesnijdenis. De sleutelfiguren uit dit netwerk bespreken «achter de voordeur» met de doelgroep (migranten uit risicolanden) de gezondheidsrisico’s van meisjesbesnijdenis en dat het uitvoeren van VGV in Nederland strafbaar is. Daarnaast ontvangt GGD GHOR Nederland momenteel subsidie voor onder meer het organiseren van deskundigheidsbevordering over meisjesbesnijdenis bij medewerkers van de GGD’en en ook andere professionals, het inrichten van extra spreekuren voor vrouwen die besneden zijn en het bevorderen van de samenwerking tussen professionals en sleutelpersonen. Tenslotte ontvangt Pharos subsidie voor het uitvoeren van het prevalentie- en incidentieonderzoek, voor haar activiteiten als landelijk Focal Point VGV en de kennisontwikkeling en -deling op dit onderwerp. De genoemde organisaties en de gesubsidieerde activiteiten zetten in op het voorkomen en bestrijden van meisjesbesnijdenis. Het valt niet te achterhalen hoeveel minder meisjes besneden worden als gevolg van de inspanning die met deze subsidies worden uitgevoerd.
Ik heb samen met mijn collega bewindspersonen een expertsessie (met onder meer Veilig Thuis, de politie, Movisie, GGD GHOR en FSAN) georganiseerd over schadelijke traditionele praktijken (eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en vrouwelijke genitale verminking). Het doel van deze expertsessie was om de aanpak per thema verder aan te scherpen en waar nodig vervolgacties te formuleren. Over de uitkomsten van de expertsessie alsmede de mogelijke vervolgacties informeer ik uw Kamer in de voortgangsrapportage van het actieprogramma geweld hoort nergens thuis.
De reactie van Bonaire op het ‘onderzoek ijkpunt sociaal minimum Caribisch Nederland en kabinetsreactie’ |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de brief van het openbaar lichaam Bonaire, waarin gereageerd wordt op het «Onderzoek ijkpunt sociaal minimum Caribisch Nederland en kabinetsreactie»? Zo ja, klopt het dat het bestuurscollege van Bonaire niet vooraf is gevraagd om een reactie op het bedoelde rapport en dat hiermee de afgesproken bestuurlijke consultatie niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, waarom is Bonaire niet vooraf geconsulteerd?
De brief waarin het openbaar lichaam Bonaire reageert op de kabinetsreactie onderzoek ijkpunt bestaanszekerheid Caribisch Nederland is bekend. Zoals de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft aangegeven in haar brief van 11 juni 2018 aan de Eerste Kamer, was Regioplan nog bezig de opmerkingen van de openbare lichamen te verwerken1. Dit illustreert dat het onderzoeksproces zorgvuldig is doorlopen en dat de opmerkingen van de openbare lichamen bij het rapport door de onderzoekers zijn gewogen en betrokken bij het onderzoek.
Gezien de belangstelling en urgentie van het rapport, ook bij beide Kamers, is ervoor gekozen om het rapport met kabinetsreactie, zoals aan de Kamers toegezegd, voor 1 juli 2018 naar beide Kamers te sturen. Op bestuurlijk niveau heeft de Staatssecretaris van SZW voorafgaand aan de verzending van de kabinetsreactie de maatregelen telefonisch besproken met de inhoudelijk verantwoordelijke. Daarnaast heeft de Staatssecretaris van SZW het bestuurscollege van Bonaire, het bestuurscollege van Saba en de regeringscommissaris van St. Eustatius per brief geïnformeerd over de kabinetsreactie. In deze brieven is benadrukt dat het afronden van het rapport het startpunt is voor het uitwerken van de in de kabinetsreactie aangekondigde maatregelen. Daarbij is van wezenlijk belang dat het Rijk en de openbare lichamen er samen de schouders onder zetten. Deze gezamenlijkheid komt ook terug in de uitwerking van de verschillende maatregelen.
Wat is er waar van de stelling van het bestuurscollege van Bonaire dat inbreng op het onderzoek van Regioplan niet of nauwelijks is teruggekomen in de uiteindelijke resultaten? En wat is er waar van de bewering dat hiermee een te rooskleurig beeld van de sociale leefomstandigheden op Bonaire is geschetst?
Het onderzoek is in opdracht van SZW uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau. De opzet van het onderzoek, invulling van de onderzoeksactiviteiten en de weergave van de onderzoeksresultaten zijn tot stand gekomen in samenspraak met een klankbordgroep met daarin vertegenwoordigers van de drie openbaar lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba en de ministeries van SZW en BZK. De inbreng van de leden van de klankbordgroep is door de onderzoekers gewogen en betrokken bij het onderzoek. Zo heeft Regioplan naar aanleiding van discussie in de klankbordgroep gecorrigeerd voor mogelijke ongewenste bezuinigingsstrategieën van mensen met een laag inkomen. Een voorbeeld hiervan is dat Regioplan bij het berekenen van de kosten van eten en drinken is uitgegaan van een situatie waarin een ongezond of eenzijdig voedingspatroon wordt vermeden, terwijl de praktijk is dat mensen wel eenzijdiger en minder gezond eten, om geld te besparen. Een ander voorbeeld is de situatie van het met meerdere generaties in hetzelfde (te) kleine huis wonen. Dit fenomeen is door Regioplan waargenomen, maar is niet het uitgangspunt bij de berekening van de uitgaven geweest. Regioplan is bij het berekenen van de woonkosten uitgegaan van zelfstandig wonen.
Hoe waardeert u de inbreng van de wettelijke vertegenwoordigers van Caribisch Nederland op kabinetsvoornemens? Hebben zij daadwerkelijk inspraak en mogelijkheden om voorgenomen beleid bij te sturen of komt het uiteindelijk neer op het aanhoren en eenzijdig opleggen van de door het kabinet genomen beslissingen?
De inbreng van de besturen van de openbare lichamen ervaart het kabinet als zeer waardevol bij de beleidsvorming. De specifieke omstandigheden in Caribisch Nederland vragen hier ook nadrukkelijk om. In de Wet Openbare Lichamen Bonaire, St. Eustatius en Saba is vastgelegd wanneer de openbare lichamen geconsulteerd dienen te worden. Consultatie is verplicht voor voorgenomen regelgeving die regeling of bestuur vorderen van het openbaar lichaam of die in betekenende mate wijzing brengen in de taken en bevoegdheden van het eilandsbestuur. Dat geldt ook als het gaat om ingrijpende beleidsvoornemens, die uitsluitend op de openbare lichamen betrekking hebben en beleidsvoornemens ten aanzien van de openbare lichamen om op ingrijpende wijze af te wijken van regelgeving die van toepassing is in het Europese deel van Nederland. In uw vragen wordt ingegaan op de kabinetsreactie inzake het ijkpunt bestaanszekerheid. Daar waar deze kabinetsreactie leidt tot voorgenomen wijziging van regelgeving zal er dan ook conform beschreven procedure consultatie plaatsvinden.
Waarom hecht u eraan dat het bestuurscollege van Bonaire eerst verklaart waarom de toon in de brief een andere is dan in de met u gevoerde gesprekken, voordat u inhoudelijk ingaat op de door Bonaire geformuleerde bezwaren tegen het onderzoek en de daaropvolgende kabinetsreactie? Wat is precies uw inhoudelijke reactie op de door Bonaire geformuleerde bezwaren?
Zoals ik in mijn brief aan het bestuurscollege van Bonaire heb aangegeven, heb ik in de afgelopen periode diverse gesprekken met (de leden van) het bestuurscollege en de eilandsraad van Bonaire gevoerd. In deze gesprekken kwam ook het onderwerp van de kabinetsreactie op het onderzoek ijkpunt bestaanszekerheid aan de orde. Er is toen in goede sfeer vanuit de zijde van Bonaire uitgesproken en benadrukt dat de kabinetsreactie als positieve stap gezien wordt, maar dat er meer nodig is. Ook tijdens het gesprek dat ik op 5 september voerde, en waarin de brief van het bestuurscollege van Bonaire met dagtekening van 5 september werd aangekondigd, is deze lijn zijdens de verantwoordelijk gedeputeerde herhaald. Ook is tijdens dat gesprek in goede sfeer en met vertrouwen naar elkaar gesproken over het te sluiten bestuursakkoord. De brief van 5 september weerspiegelt niet de positieve toon van de gesprekken. Om die reden heb ik om nadere duiding gevraagd. Het bestuurscollege van Bonaire heeft per brief van 28 september daarop gereageerd. Het bestuurscollege geeft daarin aan de argumenten van het kabinet niet te delen om niet nu een ijkpunt bestaanszekerheid vast te stellen. In de brief van 28 september geeft het bestuurscollege ook aan zich te blijven inspannen om in samenwerking aan de ontwikkelpunten van Bonaire en haar inwoners te werken. Het bestuurscollege herhaalt dat zij graag met mij een bestuursakkoord sluit. Samen met het bestuurscollege richt ik me de komende periode dan ook op de totstandkoming van een bestuursakkoord met Bonaire en het verder verbeteren van de sociaaleconomische ontwikkeling van het eiland. Daarvoor stelt dit kabinet ook middelen beschikbaar vanuit de regio-envelop en het infrastructuurfonds.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voorafgaande aan de plenaire behandeling van de Begroting Koninkrijksrelaties voor 2019? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Eén loket voor alle klachten |
|
Sadet Karabulut |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
Klopt het dat het externe meldpunt van de commissie-Giebels per 1 oktober 2018 is gesloten? Zo nee, tot hoe lang is het nog beschikbaar?1
Ja.
Is het juist dat er «binnenkort» een loket voor personeel van Defensie wordt ingericht waar «iedereen binnen de organisatie terecht kan met vragen en klachten»? Wanneer opent dit loket?2
Het onder vraag 2 genoemde loket is primair bedoeld voor vragen en klachten met betrekking tot praktische problemen met de personele uitrusting en/of in de woon-, werk- en leefomgeving. Defensie vindt het van essentieel belang dat haar medewerkers beschikken over adequate uitrustingen en materieel. Door het instellen van dit loket kunnen medewerkers hun vragen daarover stellen. Op basis daarvan kan Defensie met gerichte interventies eventuele stagnaties oplossen. Het loket heeft daarbij een makelaarsfunctie tussen vragen van de medewerkers en oplossingen die de Defensieorganisatie kan bieden. Dit staat los van het onderzoek van de commissie Giebels naar ongewenst gedrag.
Voor de wijze waarop Defensie één centraal en onafhankelijk meldpunt inricht voor alle klachten over ongewenst gedrag, integriteitsmeldingen en meldingen van vermoedelijke misstanden, verwijs ik naar mijn brief van 15 oktober jl. (Kamerstuk 35 000 X, nr. 13).
Klopt het dat dit aangekondigde loket ook het soort klachten gaat verwerken die de commissie-Giebels zal gaan verwerken? Zo nee, wanneer wordt daarover beslist? Zo ja, waarom wordt niet gewacht op de aanbevelingen van de commissie Giebels?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich aangenomen motie-Karabulut/Ploumen, waarin de Kamer de regering verzoekt het tijdelijke externe meldpunt open te houden tot de behandeling van de definitieve aanbevelingen van de commissie-Giebels door de Tweede Kamer? Kunt u aangeven hoe u deze motie uitvoert?3
Ik verwijs voor de uitvoering van de motie naar mijn Kamerbrief (Kamerstuk 34 775 X, nr. 130) van 22 juni jl. waarin ik u heb geïnformeerd dat de commissie-Giebels bereid is het externe meldpunt van de commissie open te houden gedurende het onderzoek.
Toename van werkende armen |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) «Als werk weinig opbrengt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat cijfers (absoluut en relatief) over het hoge aantal en de verdere toename van werkende armen zorgwekkend is?
De bestaande armoede onder werkenden is een bron van zorg. De voornaamste oorzaak van armoede onder werkenden ligt bij het werken van weinig uren per week of het maken van weinig winst als zelfstandige. Tegelijkertijd laat het SCP-rapport zien dat werk de grootste kans biedt om uit de armoede te komen. Werk is dus een goede manier om uit de armoede te komen, mits je voldoende uren werkt als werknemers of voldoende winst maakt als zelfstandige.
De toename schrijft het SCP toe aan verschillende ontwikkelingen sinds het begin van de jaren »90 tot 2014. Zo heeft de gestegen welvaart door de toename van het aantal hoogopgeleide tweeverdiener gezinnen geleid tot een hogere armoedegrens. Ook noemt het SCP de achterblijvende lonen, dalende winsten onder zzp’ers en een toename van de werkloosheid. Het is moeilijk precies de vinger te leggen op een oorzaak. Deels heeft de crisis dus een groot effect gehad op de werkloosheid en de inkomens van huishoudens, maar anderzijds is de gemiddelde welvaart ook gestegen in de periode daarvoor, waardoor de armoedegrens ook omhoog is gegaan.
De inzet van dit kabinet is dat iedereen voelt dat het nu beter gaat met de economie. De meest recente koopkrachtcijfers bevestigen dat beeld. Zo gaat 96% van de huishoudens er in 2019 op vooruit. Verder is van belang dat mensen met een laag inkomen weten dat er gemeentelijke regelingen zijn waar ze mogelijk recht op hebben. Zoals bijzondere bijstand en schuldhulpverlening, maar ook zaken als een stadspas of een kindpakket. Daarom gaat het kabinet met gemeenten in gesprek over dit rapport.
Bent u van mening dat de grote groep zelfstandigen, die als werkende armen worden beschouwd, geen echte zelfstandigen zijn? Deelt u de mening van het SCP dat dit komt vanwege het ontbreken van minimumtarieven voor zelfstandigen? Welke maatregelen gaat u op de korte termijn nemen om de groep zelfstandigen die als werkende armen worden beschouwd te ondersteunen?
Het SCP laat in haar onderzoek zien dat er een omvangrijke groep zelfstandigen is met een laag inkomen, wat volgens het SCP wordt verklaard door lage uurtarieven waartegen zij werken. Het kabinet ziet ook dat er op de arbeidsmarkt een groeiende groep kwetsbare zelfstandigen tegen een laag uurtarief actief is, waarbij soms sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarover maakt het kabinet zich zorgen. Daarom zijn er in het regeerakkoord maatregelen aangekondigd waarmee, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden, wordt tegengegaan. Met betrekking tot deze groep gaat het om de aangekondigde invoering van de Arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT) als er bij zelfstandigen sprake is van een laag tarief en activiteiten met een lange duur of als reguliere activiteiten worden uitgevoerd. In de brief van 22 juni jl.2 bent u geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van deze maatregelen. Dit najaar wordt u opnieuw hierover geïnformeerd.
Hoe kijkt u verder aan tegen de toename van het aantal opgeknipte flexibele banen? Ziet u deze opgeknipte banen, maar ook oproep- en nulurencontracten, ook als één van de redenen dat gezinnen onder de armoedegrens komen? Bent u bereid om maatregelen te nemen, zoals het verbieden van nulurencontracten, om het aantal kleine baantjes terug te dringen? Kunt u tevens aangeven hoeveel kleine baantjes er bij de overheid waren?
Het Sociaal en Cultureel Planbureau constateert inderdaad dat mensen met een atypische arbeidsrelatie, zoals bijvoorbeeld mensen die op oproepbasis met een nulurencontract werken, een verhoogd armoederisico hebben. De regering vindt dat oproepcontracten mogelijk moeten blijven waar dit past bij de noodzakelijke flexibiliteit. De helft van de mensen die op oproepbasis werkzaam zijn geeft aan scholier of student te zijn. Voor scholieren kunnen oproepcontracten goed te combineren zijn met studie of opleiding. Dat er een correlatie is tussen atypische contracten en armoede betekent in de ogen van het kabinet niet noodzakelijkerwijs dat er ook een causaal verband is. Deze relatie is complex. Het kabinet ziet echter dat de onzekerheid over werktijden en aantal uren bij oproepbanen voor sommige groepen werkenden knelt, wat ook in het rapport wordt geconstateerd.
Daarom is in het regeerakkoord afgesproken dat bij oproepbanen voorkomen moet worden dat er sprake is van permanente beschikbaarheid van werkenden daar waar de aard van de werkzaamheden dat niet vereist. Het wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans bevat daarom voorstellen die regelen dat werknemers die op een korte termijn worden opgeroepen niet zijn gehouden gehoor te geven aan een oproep en dat, bij een te late afzegging door de werkgever, recht op loon ontstaat. Ook dient een werkgever na 12 maanden een aanbod te doen voor een arbeidsovereenkomst met een vast aantal uren, waardoor meer werkzekerheid ontstaat. Dit wetsvoorstel wordt naar verwachting dit najaar bij uw Kamer ingediend. Daarnaast zal in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Deeltijdwerk worden gekeken of er belemmeringen zijn die weggenomen kunnen worden, zodat deeltijders meer uren kunnen werken.
Om een beeld te geven hoe vaak kleine baantjes voorkomen bij de overheid is hieronder een tabel opgenomen van de sectoren Rijk, Gemeenten, Provincies en Waterschappen met daarin het percentage dienstverbanden met een arbeidsduur van 12 uur of minder over de jaren 2016/2017. De personen die in deeltijd werken hoeven niet de kritische groep te behoren die het SCP in haar onderzoek noemt. Ondanks het kleine aantal uren werk per week kunnen deze mensen namelijk wel economisch zelfstandig zijn omdat hun eigen inkomens hoog genoeg is, of is er een bewuste keuze voor deeltijdwerk omdat de partner voldoende inkomen heeft.
2016
2017
Rijk
0,52%
0,62%
Gemeenten
1,05%
0,94%
Provincies
0,38%
0,37%
Waterschappen
0,28%
0,31%
Hoe kijkt u aan tegen de signalering van het SCP dat veel gemeenten werkende armen niet in beeld hebben? Bent u bereid om samen met gemeenten een actieplan te starten om deze werkende armen te bereiken en zodoende ook te ondersteunen? Bent u tevens bereid gemeenten, en de Waddeneilanden vanwege de specifieke kenmerken van seizoensarbeid door toerisme en de langere reistijd voor meer en beter betaalde werkgelegenheid, te ondersteunen om het probleem van werkende armen op te lossen?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het armoede- en schuldenbeleid en voor het bieden van hulp en ondersteuning aan kwetsbare burgers. De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheid om ook aan werkenden met een laag inkomen ondersteuning te bieden, zodat zij op of boven de bijstandsnorm uit kunnen komen. Gemeenten kunnen deze mensen ondersteunen bij het zoeken naar een baan met voldoende uren en door het aanvullen van het inkomen tot bijstandsniveau. Tevens kunnen gemeenten op basis van individueel maatwerk ondersteuning bieden via de bijzondere bijstand. De invulling van dit beleid binnen de wettelijke kaders is gedecentraliseerd naar gemeenten. Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten eenieder die tot de doelgroep behoort weten te bereiken en gepaste ondersteuning kunnen bieden en dat mensen met een laag inkomen weten dat er gemeentelijke regelingen zijn, waar ze mogelijk recht op hebben. Nu blijkt uit dit onderzoek dat gemeenten werkenden met een laag inkomen zonder bijstandsverleden niet goed op de radar hebben en niet weten hoe ze bereikt kunnen worden. Tevens blijkt dat deze mensen zelf niet snel de weg naar de gemeente weten te vinden, wegens onbekendheid met het bestaan van gemeentelijke regelingen of angst voor een stigma. Beide situaties zijn onwenselijk. Het kabinet gaat met de VNG over het rapport in gesprek, om te bezien hoe gemeenten werkenden met een laag inkomen beter kunnen bereiken en ondersteunen.
Verblijf op vakantieparken |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de brief van BelangenVereniging Vrij Wonen te Beekbergen aan de Kamer?
Ja.
Wat is het landelijke beleid rondom het permanent wonen op vakantieparken?
Het beleid ten aanzien van ruimtelijke ordening en gebruik van recreatiewoningen is gedecentraliseerd. Of recreatiewoningen permanent bewoond mogen worden wordt dus lokaal vastgesteld. Zo bepaalt het gemeentelijke bestemmingsplan de gebruiksmogelijkheden van gronden en bebouwing.
In dit bestemmingsplan kan de gemeenteraad bijvoorbeeld de bestemming wonen, recreatie of beide functies aan in het plan begrepen gronden of bebouwing toekennen. Van belang is dat bestemming en gebruik met elkaar overeenkomen. Wanneer een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan permanent wordt bewoond, is de gemeente in beginsel gehouden om daar handhavend tegen op te treden. Indien er aanleiding voor is kan de gemeente permanente bewoning ook toestaan door in het bestemmingsplan alsnog een woonbestemming toe te kennen, of een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik te verlenen, mits dat niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en daar geen regels van de provincie en het Rijk aan in de weg staan. Daarnaast kan de gemeente onder omstandigheden besluiten om permanente bewoning (tijdelijk) toe te staan door, onder voorwaarden, een persoonsgebonden omgevingsvergunning te verlenen of een gedoogbeschikking af te geven.
Deze verschillende opties geven ruimte om handhavend op te treden om problematische bewoning tegen te gaan, maar ook gebruik te maken van vakantieparken als (tijdelijke) aanvulling op de woningmarkt.
Wat is de bestuurlijke definitie van het begrip «wonen»? Wat is het verschil met de begrippen «verblijven» en «recreëren»?
Het toegestane gebruik van gronden en bebouwing wordt geregeld in bestemmingsplannen. Gemeenten bepalen zelf welke invulling zij daarbij aan de begrippen «wonen», «verblijven» en «recreëren» geven.
Op welke manier wordt er gehandhaafd op permanente bewoning op vakantieparken?
De handhaving van overtredingen van ruimtelijke ordeningsregelgeving betreft een discretionaire bevoegdheid waar de gemeente zelf invulling aan geeft. Handhaving kan op verschillende manieren plaatsvinden. Gemeenten kunnen daarbij bijvoorbeeld gebruik maken van last onder dwangsom, bestuursdwang en het strafrecht.
Welke feiten zijn doorslaggevend bij het opleggen van bestuursrechtelijke sancties vanwege permanente bewoning op vakantieparken? In hoeverre mogen gemeenten voor deze controles gebruikmaken van externe (private) bedrijven?
In algemene zin kan slechts een bestuursrechtelijke sanctie worden opgelegd wanneer bij of krachtens de wet gestelde normen worden overtreden. Wanneer het gemeentebestuur belast is met de bestuursrechtelijke handhaving van die normen, kunnen ook bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen worden getroffen.
Wanneer het wettelijke regime dat niet uitsluit, kan (een deel van) de handhaving ook bij een niet-ondergeschikte, bijvoorbeeld een externe (private) partij worden belegd, die dan onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur handelt.
Bent u ervan op de hoogte dat op vakantiepark Buitenplaats Horsterwold te Zeewolde contractueel is overeengekomen dat de eigenaren maximaal 40 weken per jaar mogen recreëren in hun vakantiewoning – om permanente bewoning te ontmoedigen – en dat de aard van het gebruik van de recreatiewoning doorslaggevend is voor het aanmerken van de woning als hoofdverblijf? Deelt u de mening dat het op deze manier voor de bewoners volstrekt onduidelijk is hoelang zij op het park mogen verblijven?
In de brief van de Belangenvereniging Vrij Wonen aan de Tweede Kamer uit maart 2018 is geen melding gemaakt over Buitenplaats Horsterwold. Verder betreft het hier een privaatrechtelijke overeenkomst tussen twee partijen, waarbij ik geen inzicht heb in de zaken die daarin zijn overeengekomen. Het staat partijen vrij om daar zelf afspraken in te maken, zolang zij zich aan geldende wet- en regelgeving houden.
Zoals ik ook in eerdere antwoorden aangaf, is zowel het beleid ten aanzien van ruimtelijke ordening als ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen gedecentraliseerd. Gemeenten kunnen zelf invullen hoe zij beleid op dit punt vorm geven. Ik doe daarom geen uitspraak over uitingen van wethouders.
Hoe oordeelt u over de uitspraak van VVD-wethouder Van der Es van Zeewolde «dat de eigenaren volgens het contract weliswaar 40 weken per jaar in hun woning mogen recreëren, maar dat dit tegelijkertijd ook wordt gezien als permanente bewoning»? Hoe legt u deze tegenstrijdigheid aan de eigenaren uit, die door deze gemeentelijke wanorde ten einde raad zijn?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre mag bij het vaststellen van permanente bewoning rekening worden gehouden met absurde omstandigheden als de aanwezigheid van bloemen op tafel, een auto op de oprit, gemaaid gras, schone ramen etc.?
De bevoegdheden voor de toezichthouder staan in de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 5.13 van de Awb bepaalt dat een toezichthouder slechts gebruik maakt van zijn bevoegdheden voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak nodig is.
Deelt u de mening dat het bizar is dat controleurs door de ramen van de woning naar binnen kijken om vast te stellen of de bloemen op tafel vers zijn en of de woning schoon en opgeruimd is – om vervolgens te oordelen of er sprake is van permanente bewoning?
Zie antwoord vraag 8.
Is deze controle de normale gang van zaken? Op hoeveel – en welke – andere vakantieparken wordt er zo met de eigenaren van vakantiewoningen omgegaan?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid permanente bewoning op vakantieparken mogelijk te maken – ook in verband met het woningtekort?
Zoals genoemd beschikken gemeenten over diverse mogelijkheden om permanente bewoning op vakantieparken onder omstandigheden (tijdelijk) toe te staan. Dit vergt maatwerk op decentraal niveau van gemeenten en provincies. In algemene zin kan ik aangeven dat het van verschillende factoren afhangt of een recreatiepark geschikt is voor permanente bewoning. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de kwaliteit van de woningen, het niveau van de algemene voorzieningen, bereikbaarheid en de rol die het recreatiepark speelt of kan spelen in de toeristische sector in de regio.
Op 29 november a.s. zal de actie-agenda vakantieparken worden gepresenteerd op de Vakantieparkentop. Daarin wordt aandacht besteed aan het verbeteren van het inzicht in aard en omvang van vakantieparken en de bewoning. Bovendien is er ook aandacht voor het recreatieve perspectief van de parken.
Pensioenvlucht naar België |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Belgische toezichthouder op pensioenen waaruit blijkt dat het balanstotaal van IBP’s (zeg pensioenfondsen) met grensoverschrijdende activiteiten is toegenomen met meer dan 50% in 2017 tot 8.9 miljard euro?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel pensioenvermogen er in 2016, 2017 en 2018 (tot nu toe) is verhuisd uit Nederland middels een grensoverschrijdende waardeoverdracht?
Tussen 1 januari 2016 en 4 oktober 2018 heeft DNB 5 grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten beoordeeld, vier naar België en één naar Luxemburg. In geen van deze gevallen was er reden een verbod op te leggen op de aangevraagde grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht. In totaal ging het daarbij om een bedrag van ongeveer 4,3 miljard euro aan beheerd vermogen.
Kunt u aangeven voor hoeveel grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten De Nederlandse Bank (DNB) toestemming heeft gegeven in 2016, 2017 en 2018, wat voor een omvang die waardeoverdrachten hebben en welk land ze naartoe gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen voor maandag 8 oktober beantwoorden in verband met de tweede termijn van de implementatiewet IORP2 (Kamerstuk 34 934)?
U ontvangt deze antwoorden maandag 8 oktober.
Het bericht dat het materiaal van de commando's niet voldoet |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht materiaal van de commando's niet voldoe?1
Ja.
Kunt u aangeven welk Defensieonderdeel in 2016 een advies/memo heeft geschreven over de helmen en vesten van de commandotroepen? Kunt u uiteenzetten hoe er vervolgens gehandeld is tot op de dag van vandaag? Zo nee, waarom niet?
Dit onderdeel is de Defensie Materieel Organisatie. Zie tevens de kamerbrief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 (Kamerstuk 27 830, nr. 270)
Kunt u uiteenzetten hoe normaal gezien wordt omgegaan met klachten en adviezen van de commandotroepen en op welke punten van die procedure in dit geval is afgeweken? Zo nee, waarom niet?
De meest gangbare weg om klachten en adviezen kenbaar te maken is via de commandantenlijn. In dit geval is dat ook gebeurd, waarbij staf KCT, CLAS en DMO met succes samen hebben gewerkt om het probleem te onderzoeken en verhelpen.
Deelt u de mening dat commando's veeleisend en vaak levensgevaarlijk werk doen en derhalve altijd moeten kunnen vertrouwen op hun materieel? Zo ja, erkent u dan dat dergelijke incidenten het moraal van de manschappen ernstig kunnen aantasten? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds gemeld in o.a. de inzetbaarheidsrapportage is de (materiële) gereedheid van eenheden, waaronder eenheden van het KCT, niet volledig op orde. Het spreekt voor zich dat dit een onwenselijke situatie is. Voor iedereen, inclusief de operators van het KCT. Zie kamerbrief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 waarin maatregelen worden uiteengezet om dergelijke incidenten zoveel mogelijk te voorkomen.
Deelt u de mening dat het bericht over de helmen en het bericht van de jassen onderdeel zijn van de erbarmelijke staat waarin Defensie zich nu bevindt?2 Zo nee, waarom niet?
Zie kamerbrief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 (Kamerstuk 27 830, nr. 270). Na een tijd waarin de voorraden zeer beperkt waren, investeert Defensie nu om de voorraden niveau te brengen. Deze voorraden betreffen onder anderen kleding en uitrusting. Daarbij is nog veel achterstand in te lopen. Deze investeringen omzetten in tastbaar materieel vergt nog een flinke inspanning, maar betekent structurele verbeteringen op de lange termijn. Zie hiervoor ook Kamerstuk 27 830, nr. 268)
Het bericht 'Berispte ambtenaar blijft actief in vrouwenrechten' |
|
Nevin Özütok (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Berispte ambtenaar blijft actief in vrouwenrechten»?1
Ja.
Klopt het bericht dat een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die als coördinator werkte voor een internationaal project om vrouwenrechten te beschermen, zich schuldig heeft gemaakt aan (seksuele) intimidatie, financieel machtsmisbruik en pesten?
Er zijn klachten over ongewenste omgangsvormen ingediend tegen een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze zijn onderzocht door een speciale klachtencommissie. Zes van de klachten zijn gegrond verklaard.
Klopt het bericht dat zes klachten tegen hem gegrond zijn verklaard? Zo ja, onder welke categorie vielen de gegronde klachten (seksuele intimidatie, financieel machtsmisbruik en pesten)?
Zie antwoord vraag 2.
Wat voor gevolgen heeft dit gehad voor de desbetreffende ambtenaar?
De ambtenaar heeft een disciplinaire maatregel opgelegd gekregen.
Klopt het bericht dat de desbetreffende ambtenaar is overgeplaatst naar een andere afdeling, in een gelijkwaardige functie, waar hij nog steeds werkt op het gebied van vrouwenrechten? Zo ja, bent u voornemens de desbetreffende ambtenaar te laten werken in die functie?
Nadat klachten waren binnengekomen is de betrokken ambtenaar onmiddellijk overgeplaatst. In het functieprofiel van de huidige functie staan vrouwenrechten niet benoemd. In verband met de privacy van betrokkene kan ik geen verdere uitspraken doen over de precieze invulling van deze functie.
Vindt u dat de desbetreffende ambtenaar hiermee is gestraft voor zijn gedrag?
Ja, er is een disciplinaire maatregel opgelegd.
Kunt u zich voorstellen dat het voor slachtoffers van wie de klachten gegrond zijn verklaard, onbegrijpelijk is dat hij op het gebied van vrouwenrechten en in een gelijkwaardige functie kan blijven werken?
Na oplegging van de disciplinaire maatregel, moet de betrokken ambtenaar verder werkzaam kunnen zijn binnen de verschillende beleidsterreinen van het ministerie.
In het profiel van de huidige functie van de betrokken ambtenaar staan vrouwenrechten niet benoemd, al blijven vrouwenrechten natuurlijk wel intrinsiek onderdeel van het Nederlandse buitenlandse beleid.
Bij de uitvoering van de functie van de betrokken ambtenaar hoort ook contact met externe partijen, waaronder ngo’s, aangezien dit een onlosmakelijk onderdeel van het werken bij dit ministerie is.
Het spreekt voor zich dat contact tussen de ambtenaar en betrokken ngo-medewerkers vermeden zal worden.
Vindt u het verstandig dat de desbetreffende medewerker nog steeds een rol heeft waarbij hij contact heeft met niet-gouvernementele organisaties (ngo's)?
Zie antwoord vraag 7.
Denkt u dat iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan (seksuele) intimidatie jegens vrouwen, de beste persoon is om de Nederlandse inzet op het gebied van vrouwenrechten te vertegenwoordigen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat als het klopt dat klachten op het gebied van seksuele intimidatie, financieel machtsmisbruik en pesten gegrond zijn verklaard, het niet houdbaar is dat deze ambtenaar op een dergelijke positie blijft werken?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid maatregelen te nemen om te zorgen dat ambtenaren die zich schuldig hebben gemaakt aan seksuele intimidatie en financieel machtsmisbruik, niet kunnen werken op een plek waar zij vrouwenrechten moeten versterken respectievelijk gaan over subsidies van de Nederlandse overheid?
Elke casus moet individueel worden beoordeeld. Disciplinaire maatregelen worden gebaseerd op een zorgvuldige weging van de feiten en omstandigheden.
Hoe is de klachtenprocedure binnen de ministerie vormgegeven?
De behandeling van klachten van ongewenste omgangsvormen vindt plaats door een klachtencommissie, samengesteld uit ambtenaren van het ministerie, eventueel aangevuld met externe experts. De commissie hoort partijen en getuigen en concludeert op basis daarvan of, en zo ja, in welke mate klachten gegrond zijn. Daarna beslist het ministerie over een eventuele disciplinaire maatregel. Indien klagers niet tevreden zijn met de gevolgde procedure kunnen zij zich wenden tot de Nationale ombudsman.
Is er bij het ministerie, dan wel de rijksoverheid, een onafhankelijke vertrouwenspersoon die bij grensoverschrijdend gedrag advies en bijstand kan bieden? Zo ja, in hoeverre is de vertrouwenspersoon zelf beschermd om zaken onafhankelijk te kunnen op te pakken en te onderzoeken?
Net als de meeste andere werkgevers in de sector Rijk, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken naast een Centrale Coördinator Integriteit een aantal vertrouwenspersonen, zowel op het departement als op de vertegenwoordigingen in het buitenland. Tevens heeft het ministerie een externe vertrouwenspersoon. Medewerkers kunnen zich voor advies tot deze vertrouwenspersonen wenden bijvoorbeeld als zij ongewenst gedrag in hun werkomgeving ervaren. De vertrouwenspersonen kunnen gevraagd en ongevraagd de ambtelijke leiding adviseren over zaken die het welbevinden van medewerkers betreffen. Ik heb geen reden om aan te nemen dat zij niet veilig en onafhankelijk kunnen opereren.
Tot welke aanscherpingen inzake klachten over grensoverschrijdend gedrag gaat het ministerie over, zodat de sociale veiligheid van vrouwen en mannen op de werkvloer gewaarborgd is?
Ik neem maatregelen om het melden laagdrempeliger te maken, zowel voor mijn eigen ambtenaren als voor externe partijen. Zo komt er een meldpunt waar externen grensoverschrijdend gedrag door BZ-ambtenaren kunnen melden. Tot slot maak ik nog meer werk van nazorg voor melders en gaan we na hoe we transparantie over meldingen kunnen vergroten. We maken de werkomgeving samen veiliger door het gesprek op de werkvloer te blijven voeren over zaken als integriteit, diversiteit en inclusiviteit.
Voedingskosten van militairen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten vanuit alle hoeken van de landmacht dat militairen nu ook hun eigen voedingskosten moeten registreren?
Militairen hebben onder bepaalde voorwaarden aanspraak op gratis huisvesting en een tegemoetkoming in de voedingskosten. De voorwaarden staan beschreven in de nieuwe Regeling Huisvesting en Voeding Militairen 2018 (RHVM2018). De noodzaak tot aanpassing zat in een aantal redenen.
In de vorige Regeling Huisvesting en Voeding Militairen kwam een militair die geen eigen huishouding voerde niet in aanmerking voor de regeling. Deze regeling was door een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep onrechtmatig geworden. In overleg met de sociale partners is, in het Arbeidsvoor-waardenakkoord 2017 – 2018, de regeling aangepast. In de RHVM2018 komt de voorwaarde van het voeren van een eigen huishouding niet meer voor. Daarnaast willen we met de RHVM2018 misbruik of onrechtmatig gebruik van de regeling voorkomen.
Daarom is in het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2017 – 2018 onder meer opgenomen dat de RHVM2018 wordt gekenmerkt door het criterium van «daadwerkelijk gebruik» en een declaratieregeling. Tevens is er met de sociale partners afgesproken om, met een overgangsregeling, het onrechtmatig gebruik van de regeling aan te pakken.
Klopt het dat militairen de eigen voedingskosten niet langer gestort krijgen op hun persoonlijke rekening courant? Zo ja, waarom?
Nee. De militairen krijgen de voedingskosten gestort op dezelfde rekening waarop zij ook het salaris gestort krijgen.
Klopt het dat militairen elke dag moeten inklokken op vaak trage en schaars voorhanden computers die op de kazerne aanwezig zijn om die voedingskosten vergoed te krijgen?
Militairen hoeven niet dagelijks in te klokken. Een militair die aanspraak maakt op de RHVM2018 heeft in sommige omstandigheden geen recht op een tegemoetkoming in de voedingskosten. Zo krijgt een militair bijvoorbeeld tijdens oefeningen gratis voeding van Defensie. De militair kan deze maaltijden dan niet declareren. De militair kan één keer per maand, op een zelfgekozen tijdstip, de reeds voor hem ingevulde declaratie op juistheid controleren. Deze controle kan de militair binnen tien minuten uitvoeren.
Het invullen van de declaraties is daarbij niet meer gebonden aan de computers op de werkplekken maar kan ook via de telestick op een eigen computer of met gebruik van de DIDO-app die op iedere smartdevice kan worden gedownload.
Klopt het dat ze elke dag zelf moeten bijhouden of ze aanwezig zijn bij oefeningen of niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u zich voorstellen dat onze militairen moe worden van de opstapeling van onzinnige regels en dat de arbeidsvreugde bij Defensie inmiddels tot een dieptepunt is gedaald?
Defensie wil dat haar militairen zich kunnen richten op hun primaire taak en streeft daarom naar het verminderen van de regeldruk. We zoeken daarbij naar een juiste balans. In deze balans worden nu de bestaande interne regels opgeschoond en eenvoudiger opgeschreven. Daarnaast worden, daar waar dit kan, bevoegdheden die eerder centraal waren belegd gemandateerd aan ondercommandanten waardoor er sneller kan worden ingespeeld op zaken die spelen op de werkvloer. Denk hierbij aan de vereenvoudigde bestelprocedure voor producten en diensten tot 15.000 Euro (excl. BTW).
Bent u bekend met de berichten dat sommige militairen zo moe zeggen te zijn van alle bureaucratie en stompzinnige regeldruk dat ze zeggen te willen stoppen bij Defensie na het afmaken van hun nog lopende contract?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat militairen – die letterlijk hun leven op het spel zetten voor ons land – het werk niet onnodig moeilijk moet worden gemaakt? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de situatie van onze militairen te verbeteren?
Zie antwoord vraag 5.
Het onderzoek van de Consumentenbond dat veel winkels zich schuldig maken aan nepaanbiedingen |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Winkels hardleers met nepaanbiedingen»?1
Ja.
Kunt u de conclusies uit het onderzoek bevestigen en daarbij aangeven hoe vaak dergelijke nepaanbiedingen voorkomen?
Ik heb geen gegevens over hoe vaak dergelijke nepaanbiedingen voorkomen. Zie verder het antwoord op vraag drie van het lid Moorlag (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr.379).
Deelt u de mening dat een groot deel van de winkels hun gedrag niet heeft verbeterd na eerder onderzoek in 2014?
Op basis van het onderzoek van de Consumentenbond kan ik dat niet concluderen. In het artikel schrijft de Consumentenbond dat er enkele partijen zijn die hun gedrag niet hebben aangepast naar aanleiding van het vorige onderzoek van de Consumentenbond, maar ook dat er winkels zijn die wel hun gedrag hebben aangepast. Overigens constateert de Consumentenbond ook dat er bij bouwmarkten en supermarkten geen sprake is van nep-prijzen. Zie verder ook de antwoorden op vraag vier van het lid Moorlag (2018Z16903).
Kunt u aangeven of aanvullende maatregelen nodig zijn om prijsmisleiding in de toekomst te voorkomen en een impuls te geven aan de consumentenbescherming?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat een aanzienlijk deel van de winkels niet op de hoogte is van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken?2
Ik vind het goed dat de Consumentenbond dergelijk onderzoek doet, hierdoor blijven de ACM en ik scherp op structurele overtredingen van de consumentenregelgeving. Het onderzoek van de Consumentenbond is gedaan bij veertig webwinkels en in de fysieke winkels in drie sectoren (drogisterijen, bouwmarkten en supermarkten). Op basis daarvan kunnen geen algemene conclusies worden getrokken over in hoeverre de regels worden nageleefd.
Kunt u aangeven waarom voorlichting op dit gebied tekort schiet?
Zie antwoord vraag 5.
Het verspreiden van een filmpje over een commerciële verzekeraar |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen over het verspreiden van een filmpje over een commerciële verzekeraar?1
Ja.
Kunt u het zich op z’n minst voorstellen dat een filmpje over het door u aangeprezen werk van deze rechtsbijstandsverzekeraar bij anderen over zou kunnen komen als reclame? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht groot belang aan het mij breed laten informeren op diverse terreinen door verschillende partijen. In het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand gaat het om oplossingen voor problemen met juridische consequenties. Mijn bezoek aan Stichting Achmea Rechtsbijstand was één van de vele werkbezoeken die ik de afgelopen periode heb afgelegd aan verschillende organisaties en professionals, waaronder bijvoorbeeld ook aan het juridisch loket, de raad voor rechtsbijstand, kantoren van sociale advocaten, het Nationaal Programma Rotterdam Zuid en de Sociaal Raadslieden. Het is ook relevant om te horen wat een juridische dienstverlener zoals Stichting Achmea Rechtsbijstand daar aan kan bijdragen. Dit zie ik inderdaad niet als reclame voor een bepaalde verzekeringsmaatschappij.
Over de door u genoemde situatie met KPN is de Kamer op 13 juni 2016 door middel van een brief van toenmalig Minister van der Steur al geïnformeerd.3 Er is wat mij betreft geen verband of gelijkenis tussen die situatie en het nu gemaakte filmpje.
Kunt u alsnog ingaan op de vraag door wie dit idee voor een filmpje is bedacht? Hoeveel voorlichters hebben zich hiermee beziggehouden? Waarom vond u dit een goed idee? Indien u hier niet op in wilt gaan, kan dan worden toegelicht waarom niet?
Dit bezoek is door mijn ambtenaren in overleg met medewerkers van Stichting Achmea Rechtsbijstand voorbereid en door een medewerker van de directie communicatie van mijn ministerie in beeld gebracht. Ook in de toekomst blijf ik werkbezoeken afleggen, waarvan ik in voorkomende gevallen beeldmateriaal zal delen via social media. Zoals eerder aangegeven maak ik daarmee inzichtelijk hoe ik als Minister door onder meer werkbezoeken de praktijk beter leer kennen, in gesprek ga en inspiratie opdoe.
Maakt u een soortgelijk filmpje van al uw werkbezoeken? Zo nee, waarom niet en wat is dan de afweging geweest een uitgesproken filmpje te maken over uw werkbezoek aan deze rechtsbijstandsverzekeraar?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is een dergelijk filmpje in lijn met het Handboek voor aantredende bewindspersonen waarin wordt aangegeven dat terughoudendheid dient te worden betracht bij het accepteren van uitnodigingen die verband houden met commerciële activiteiten?2
Gangbaar uitgangspunt is, zo stelt het Handboek, dat de activiteit passend is bij het ambt van bewindspersoon en past bij de inhoudelijke politieke verantwoordelijkheid. Terughoudendheid dient te worden betracht bij het accepteren van uitnodigingen die direct verband houden met commerciële activiteiten. In mijn beleving zijn deze richtsnoeren volledig nageleefd bij de vormgeving van mijn werkbezoek aan de Stichting Achmea Rechtsbijstand.
Wat is volgens u het verschil met de ongeoorloofde reclame die uw voorganger ooit maakte voor KPN?3
Zie antwoord vraag 2.
Het Onderzoek: ‘Redenen waarom eigenaren aanbod schade-afhandeling niet hebben geaccepteerd’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Wat vindt u van het feit dat ruim 70% van de 235 woningeigenaren uit het onderzoek het aanbod van de NAM (veel) te laag vindt? Vindt u deze mensen onterecht ontevreden? Kunt u dat toelichten?1
Ik heb in het debat van 5 juli jl. aan uw Kamer toegezegd dat ik vanuit mijn monitorende rol zou uitzoeken wat beweegredenen zijn voor bewoners om niet akkoord te gaan met het aanbod van NAM. Het betreft dus een onderzoek onder degenen die het aanbod van NAM hebben afgewezen. Deze groep is niet representatief voor alle bewoners die een aanbod hebben gehad voor de afhandeling van «oude» schade.
De beweegredenen die in het onderzoek naar voren komen, wijzen erop dat bewoners zich om uiteenlopende redenen niet kunnen verenigen met het aanbod van NAM. Zij stellen prijs op een extern oordeel van de Arbiter Bodembeweging over het aanbod van NAM, omdat zij bijvoorbeeld NAM niet meer vertrouwen, omdat zij het aanbod van NAM onvoldoende vinden of om andere redenen. De bewoners die aan NAM hebben laten weten het aanbod van NAM niet te accepteren, hebben hun schademelding voorgelegd aan de Arbiter Bodembeweging. Dit is een laagdrempelige route om een onafhankelijk oordeel te krijgen over hun schademelding.
Wat vindt u van het feit dat de ruime meerderheid, namelijk 77%, onvoldoende informatie heeft gekregen om een juiste afweging te maken? Denkt u dat de NAM te weinig informatie heeft verstrekt? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het feit dat 82% van de respondenten vindt dat de NAM zich niet (voldoende) constructief heeft opgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het verschil in opvatting over de oorzaak van de schade bij 86% van de huiseigenaren? Denkt u dat deze mensen teveel willen?
Zie antwoord vraag 1.
Gelooft u oprecht dat de NAM de 5138 gevallen die wel het bod accepteerden wel een toereikend bod heeft gedaan? Kunt u zich voorstellen dat mensen een bod accepteren om er maar van af te zijn? Kent u de voorbeelden uit het Zwartboek dat ik u heb aangeboden nog, waarin mensen aangeven de strijd niet meer aan te kunnen? Weet u nog dat juist deze strijd zorgt voor vele gezondheidsrisico’s in de provincie Groningen?
In het debat met uw Kamer op 5 juli 2018 heb ik het zwartboek van het lid Beckerman ontvangen. Ik heb in dat debat aangegeven zelf ook signalen te hebben ontvangen van individuele schademelders. Alle signalen heb ik samen met de commissaris van de Koning bij NAM onder de aandacht gebracht, waarbij NAM het aanbod van deze bewoners opnieuw heeft bekeken. Dit heeft in een aantal gevallen tot een herzien aanbod geleid van NAM aan de schademelder. Daarnaast heeft NAM acties ondernomen naar aanleiding van dit zwartboek. Zie ook de bijlage bij de Kamerbrief «afhandeling schade door gaswinning in Groningen» van 1 oktober 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 526, bijlage «Eindrapportage afhandeling «oude» schade»).
Alle 6.199 bewoners die bij NAM op de lijst van oude schadegevallen stonden, zijn door NAM voorzien van een aanbod. Uiteindelijk heeft 84 procent van de schademelders het aanbod van NAM geaccepteerd. Ik kan mij voorstellen dat sommige mensen, na een langdurige procedure die hen tijd en energie heeft gekost, het aanbod van NAM wellicht schoorvoetend hebben geaccepteerd. Voor de mensen die het aanbod van NAM niet hebben geaccepteerd, is er de Arbiter Bodembodembeweging om een onafhankelijk oordeel te krijgen over hun schademelding.
Een aanvullend onderzoek naar de beweegredenen waarom mensen wel het aanbod hebben geaccepteerd, heeft geen meerwaarde meer voor de aanpak van «oude» schade. Deze aanpak is inmiddels in de afrondende fase beland, zonder een actieve rol van NAM, met een onafhankelijk oordeel van de Arbiter Bodembeweging. De commissaris van de Koning en ik houden ook hier de vinger aan de pols. Aan de hand van de reeds uitgevoerde onderzoeken kunnen verschillende lessen worden getrokken voor de toekomstige behandeling van schademeldingen die niet meer in het private domein, maar in het publieke domein plaatsvindt.
Waarom is er geen onderzoek gedaan naar de beweegredenen van de mensen die het bod wel hebben geaccepteerd? Bent u bereid daar alsnog een onderzoek naar in te stellen?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u dat het onderzoek duidelijk maakt of de NAM het goed heeft gedaan? Zo ja, op welke feiten baseert u die mening?
Het betreft een onderzoek naar de beweegredenen van bewoners om het aanbod van NAM af te wijzen. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 1 tot en met 4 ben ik van oordeel dat zij er goed aan doen hun zaak voor te leggen aan de Arbiter Bodembeweging. Het onderzoek geeft geen inhoudelijk oordeel over het functioneren van NAM. Ik stel vast dat het aanbod van NAM voor ruim 84% van de gevallen tot een uitkomst heeft geleid en zal met interesse de uitspraken van de Arbiter Bodembeweging over de overige gevallen volgen.
In hoeveel van de door de arbiters behandelde casus heeft de NAM in de afgelopen jaren gelijk gekregen? Hoe vaak kregen huiseigenaren van de arbiters een beter bod? Bent u bereid om ook bij deze 235 huiseigenaren te kijken welk percentage een beter bod krijgt om zo beter inzicht te krijgen in de kwaliteit van het bod van de NAM? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen overzicht van het aantal gevallen waarin arbitrage heeft geleid tot een hoger aanbod van NAM. De gegevens waarnaar gevraagd wordt, worden door de Arbiter Bodembeweging niet op deze manier vastgelegd. De Arbiter Bodembeweging behandelt het geschil over de schade op basis van de beschikbare informatie. Het is hierbij lang niet altijd mogelijk één partij in het gelijk te stellen. Een voorbeeld hiervan is dat de Arbiter kan adviseren dat een deel van, maar niet alle, door de bewoner gemelde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Zoals gezegd zullen de commissaris van de Koning en ik de afwikkeling van de oude schadegevallen bij de Arbiter Bodembeweging in de gaten houden.
Wat gaat u doen om te zorgen dat iedereen met een «oude schade» krijgt waar hij of zij recht op heeft?
Ik heb in januari van dit jaar geconstateerd dat vanwege discussies over aansprakelijkheid zo’n zesduizend bewoners met openstaande schademeldingen van vóór 31 maart 2017 lang op afhandeling van deze schademeldingen hebben moeten wachten, wat tot veel onzekerheid leidde. Ik heb daarom destijds met NAM afgesproken dat zij voor deze «oude» schadegevallen een ultieme poging zouden doen om deze schadegevallen voor 1 juli naar tevredenheid van bewoners af te handelen. Deze schademeldingen zijn conform het gedane aanbod afgehandeld.
Ongeveer 16 procent van de bewoners heeft het aanbod van NAM niet geaccepteerd. Uit het onderzoek naar de beweegredenen blijkt dat veel schademelders die het aanbod van NAM hebben afgewezen, het aanbod van NAM niet toereikend vinden. Deze bewoners zijn bij de Arbiter Bodembeweging aan het juiste adres om hier een extern oordeel op te vragen. NAM geeft uitvoering aan de uitspraken van de Arbiter Bodembeweging. De inspanningen van de Arbiter Bodembeweging zijn er op gericht om in september 2019 tot afronding te komen. Ik zal deze afwikkeling nauwlettend volgen en heb zoals ik de Kamer heb medegedeeld (Kamerstuk 33 529, nr. 526) verzoeken van de Arbiter Bodembeweging om extra capaciteit welwillend in behandeling nemen.
Wat vindt u een acceptabele termijn waarbinnen de schade moet worden afgehandeld? Deelt u de mening dat alle schadegevallen binnen zes maanden afgehandeld zouden moeten worden? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit zal gebeuren?
De inspanningen van de Arbiters zijn er op gericht om in september 2019 tot afronding te komen van de aangemelde «oude» schadegevallen. De Arbiter Bodembeweging heeft ingezet op een verdubbeling van de afhandelsnelheid onder andere door capaciteitsuitbreiding. Zodra de Arbiters aangeven hoeveel extra capaciteit noodzakelijk is, zal ik dit verzoek welwillend in behandeling nemen.
Het bericht ‘Staat wil deal met Volkert van der Graaf’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom onderhandelt het openbaar ministerie (OM) met de gewetenloze moordenaar van Pim Fortuyn?1 Waarom probeert het OM te verdoezelen dat zij met deze moordenaar onderhandelt?
De voorzieningenrechter in Den Haag heeft op 29 mei 2018 de meldplicht van Van der G. geschorst. Op 10 september 2018 vond een zitting plaats in het kader van het door het OM ingestelde hoger beroep tegen deze schorsing. Het Gerechtshof te Den Haag heeft tijdens deze zitting het voorstel gedaan om zonder rechterlijke tussenkomst tot overeenstemming te komen over het voortzetten van de meldplicht in een andere vorm. Partijen (het OM en de betrokkene) hebben deze voorzet opgepakt en zijn, zoals gebruikelijk is bij dit soort juridische procedures, – buiten aanwezigheid van anderen – met elkaar in gesprek gegaan.
Kent u de verkiezingsbeloften van de Minister-President dat Volkert van der Graaf nooit op proefverlof zou gaan?2 Waarom heeft u (en uw voorganger) dit en de vervroegde vrijlating dan toch laten gebeuren? Deelt u de mening dat die laffe, slappe rechters Volkert van der Graaf destijds gewoon levenslang hadden moeten opleggen?
Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) achterwege moet worden gelaten. In deze zaak heeft de rechter hier geen grond voor geacht.
Het past mij niet een oordeel te vellen over een rechterlijke uitspraak. Welke beslissing passend is, is aan de rechter. Hij heeft daarbij oog voor alle omstandigheden van het individuele geval en weegt, zoals ook in mijn brief benoemd, alle betrokken belangen – inbegrepen die van de maatschappij en de nabestaanden – mee om tot een oordeel te komen.
Waarom werd door u of uw diensten gesuggereerd dat deze moordenaar naar het buitenland zou emigreren terwijl hij gewoon in Nederland verblijft? Beseft u dat Volkert van der Graaf wederom een aanslag op onze democratie pleegt door ons rechtssysteem te tarten en u, die laffe rechters en dat slappe OM keihard uitlacht?
Voorop staat dat pas aan de hand van een concreet voornemen om te verhuizen naar het buitenland kan worden beoordeeld of dit binnen een v.i.-traject mogelijk is. Ten aanzien van de eventuele wens van Van der G. om te emigreren kan ik zeggen dat voor hem gelden dezelfde regels gelden, met de daarbij behorende onmogelijkheden, als voor andere ondertoezichtgestelden. Ik heb evenwel begrepen dat bij het OM (nog) geen concreet voornemen bekend is.
Deelt u de mening dat het een extra klap in het gezicht is van de samenleving in het algemeen en de nabestaanden in het bijzonder dat Volkert van der Graaf, die leeft van een uitkering, proces na proces start en dat de belastingbetaler dit allemaal bekostigt?
Voor de Van der G gelden dezelfde rechten als voor iedere andere Nederlander in een vergelijkbare situatie.
Klopt het bericht dat Volkert van der Graaf zich niet meer fysiek hoeft te melden maar slechts een keer in de acht weken de Reclassering een verslagje moet sturen?3 Onderkent u dat u met dit akkoord met deze koelbloedige moordenaar de rechtstaat ondermijnt?
Met ingang van 2 oktober jl. is weer sprake van een meldplicht waaraan Van der G. zich moet houden. De meldplicht houdt in dat betrokkene zich elke acht weken moet melden bij de reclassering door middel van het indienen van een schriftelijk verslag. Afhankelijk van de inhoud van het verslag vindt hierna een gesprek plaats. Het eerder opgelegde contact- en mediaverbod blijft onverminderd van kracht en ook het evaluatiegesprek met het OM, dat iedere zes maanden plaatsvindt, blijft gehandhaafd. Zoals ik in mijn brief schrijf, is het OM – dat belast is met het toezicht op het nakomen van voorwaarden – positief gestemd over dit resultaat.
Bent u bereid vandaag nog Volkert van der Graaf op te pakken zodat hij zijn straf volledig in de cel zal uitzitten? Bent u bereid ervoor te zorgen dat Volkert van der Graaf na het uitzitten van zijn straf Nederland verlaat en nooit meer terugkeert?
Nee.
Het bericht ‘Militairen zonder handschoenen in ijskoud Polen’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Militairen zonder handschoenen in ijskoud Polen»?1
Ja.
Klopt het dat militairen het moeten doen met kogelwerende vesten waarvan de beschermende delen al jaren over datum zijn? Klopt het dat daar zelfs vesten bijzitten van negen jaar oud? Klopt het dat de Verenigde Staten deze vesten direct weggooit na het bereiken van de houdbaarheidsdatum?
Het Nederlandse Ministerie van Defensie hanteert geen vaste houdbaarheidstermijn voor kogelwerende vesten. Vesten die in omloop zijn worden vervangen wanneer ze zijn beschadigd, technisch verouderd of niet meer aan de eisen van de gebruikers voldoen. Zie tevens kamerbrief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 (Kamerstuk 27 830, nr. 270). Navraag door het KCT leert dat de Verenigde Staten geen eenduidig beleid voeren in dezen.
Wat zijn de veiligheidsvoorschriften wanneer het gaat om kogelwerende vesten? Aan welke normen en standaarden moeten kogelwerende vesten voldoen?
De vesten moeten voldoen aan de eisen die vastgelegd zijn in het programma van eisen. Ballistische artikelen die door Defensie zijn verworven, worden getest voorafgaand aan de afname van de eerste serie, de zogenaamde validatieserie. Ook worden daaropvolgende leveringen gekeurd. Ten slotte worden de ballistische artikelen voorafgaand aan opslag en verstrekking steekproefsgewijs getest door TNO. Deze testen omvatten ook fysieke ballistische testen. Dit betreft de algemene situatie voor de standaard scherfvesten binnen Defensie. Zie, voor de specifieke situatie bij het KCT, tevens de kamerbrief inzake «Antwoord op kamervragen over kleding en uitrusting» d.d. 26 oktober 2018 (Kamerstuk 27 830, nr. 270).
Waarom worden kogelwerende vesten waarvan de garantiedatum is vervallen niet direct vervangen? Hoe waarborgt u de veiligheid van Nederlandse militairen wanneer de fabrikant niet meer garant staat voor de werking van kogelwerende vesten?
Kunt u de fabrikant aansprakelijk stellen wanneer er onverhoopt slachtoffers vallen door ondeugdelijke kogelwerende vesten waarvan de garantiedatum is vervallen?
Zijn er orders geplaatst om de eerder genoemde vesten te vervangen? Zo ja, wanneer worden deze verwacht en wat wordt er in de tussentijd gedaan met de vesten die over de datum zijn?
Klopt het dat alle kogelwerende vesten met vervallen garantiedatum vóór een uitzending worden getest door TNO?
Hoe waarborgt u de veiligheid van militairen tijdens oefeningen wanneer zij verplicht kogelwerende vesten moeten dragen? Test TNO ook alle kogelwerende vesten voorafgaand aan een oefening?
Wat zijn de voorschriften wat betreft het dragen van brandwerend ondergoed tijdens oefeningen en missies?
Er zijn geen algemene voorschriften die het dragen van brandwerende kleding voorschrijven bij oefeningen en missies. Wel kan een Defensieonderdeel dit specifiek aangeven. CLSK heeft bijvoorbeeld voor vliegers en brandweerpersoneel deze aanvullende eis gesteld.
Klopt het dat militairen van de Luchtmobiele Brigade begin dit jaar tijdens een oefening een brandende barricade over moesten zonder brandwerend ondergoed? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de veiligheidsvoorschriften? En waarom is dit brandwerend ondergoed niet beschikbaar gesteld?
Biedt een gevechtspak te allen tijde voldoende bescherming tegen brand tijdens een oefening of missie bij vuur?
De bescherming die kleding kan bieden tegen vlammen en vuur is beperkt. Kleding kan de gebruiker enige tijd afschermen van de directe inwerking van vlammen en vuur op de huid. Deze tijdsduur is afhankelijk van de intensiteit van de vuurhaard, het aantal kledinglagen en de samenstelling van die lagen. Bij de aanschaf van kleding wordt een afweging gemaakt tussen het risico van brand, de mogelijkheden die kleding biedt de gebruiker hiertegen te beschermen, draagcomfort en duurzaamheid. Deze afweging zal per gebruikersgroep en operatie verschillen.
Wat zijn de voorschriften binnen Defensie voor wat betreft het verschaffen van (winter)jassen en handschoenen op oefeningen en missies? Klopt het dat dit pas wordt verstrekt bij temperaturen van min 5 en kouder? Wat als de temperaturen toch kouder oplopen?
Er zijn geen specifieke voorschriften voor het verstrekken van winterjassen en handschoenen bij oefeningen en missies. Het Defensieonderdeel bepaalt de kledingpakketten van militairen. De werkgever heeft wel een verantwoordelijkheid om te voorzien in voldoende juiste kleding en uitrusting.
Klopt het dat tijdens oefening Bison Drawsko in Polen eenheden het zonder jassen en handschoenen moesten doen? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Hoeveel meldingen van bevriezingsverschijnselen zijn er gemeld bij Defensie in het jaar 2017? Hoeveel van deze meldingen betreffen de oefening Bison Drawsko?
Hadden de bevriezingsverschijnselen en verwondingen voorkomen kunnen worden met het juiste materieel (jassen en handschoenen)? Waarom zijn eenheden die meededen aan Bison Drawsko niet voorzien van deugdelijk materieel?
Klopt het dat militairen zelf handschoenen hebben moeten kopen bij de oefening Bison Drawsko? Zo ja, hoe duidt u dat en zijn deze militairen gecompenseerd voor de extra kosten?
Klopt het dat eenheden die werken met de minimi-mitrailleur brandwonden kunnen oplopen door het ontbreken van de juiste standaard?
Onze militairen krijgen voldoende beschermende kleding uitgereikt om zichzelf te beschermen tegen rondvliegende hulzen. Het kan een enkele keer voorkomen dat een huls ergens tussen huid en kleding land. Dat is een geaccepteerd risico, wanneer regelmatig schietoefeningen worden gehouden.
Zijn de minimi-mitrailleurs, die in gebruik zijn bij Defensie, voorzien van juiste standaarden? Zo nee, waarom niet? Geldt dit ook voor ander materieel? Kunt u dit nader toelichten?
De Minimi mitrailleur is door de fabrikant voorzien van een geïntegreerde voorsteun. Deze is normaal gesproken ingeklapt, maar kan worden uitgeklapt om als voorsteun van het wapen te dienen. Deze voorsteun heeft geen invloed op het risico dat de schutter geraakt zou kunnen worden door uitgeworpen hulzen.
Kunt u de gestelde vragen zo spoedig als mogelijk beantwoorden, in ieder geval vóór het plenaire debat over militairen die hun eigen kleding moeten aanschaffen?
Ja.
Klopt het dat belastinginspecteurs de afgelopen maanden verschillende aanhangende supportersverenigingen van amateurmuziekverenigingen een belastingaanslag heeft opgelegd, in sommige gevallen zelfs met terugwerkende kracht?
De Belastingdienst heeft de afgelopen maanden bij twee supportersverenigingen en zes steunstichtingen van amateurmuziekverenigingen naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. De naheffingsaanslagen hebben in minimaal vier gevallen betrekking op meerdere jaren.
Heeft er een wijziging van besluit of uitvoeringsregel plaatsgevonden die deze belastingaanslag rechtvaardigt? Zo ja, welke? Klopt het dat voor de maatregel terugwerkende kracht geldt?
In het besluit Fondswerving en kantines van 20 december 2011 (BLKB2011–2594M) is een tweetal btw-goedkeuringen voor bepaalde fondswervende organisaties (waaronder steunstichtingen, stichtingen «vrienden van...» e.d.) ingetrokken per 1 januari 2012. Voor een aantal situaties is toen een overgangsregeling getroffen die inhield dat bepaalde organisaties de goedkeuring konden blijven toepassen tot 1 juli 2012.
Aanleiding voor de intrekking van de goedkeuringen was de ontvangst eind 2009 van een met redenen omkleed advies van de Europese Commissie. In dit advies werd aangegeven dat de Europese Commissie van mening was dat voornoemde goedkeuringen niet richtlijnconform waren.
Als het gevolg van het intrekken van de goedkeuringen vallen fondswervende organisaties vanaf 1 januari 2012 of 1 juli 2012 onder de normale btw-regels.
Hoeveel amateurmuziekverenigingen en/of aanhangende supportersverenigingen zijn de afgelopen jaren btw-plichtig bevonden? Wat is de reden dat deze verenigingen btw-plichtig zijn bevonden terwijl amateurmuziekverenigingen bij wet gevrijwaard zijn van het betalen van btw?
In de afgelopen jaren zijn één muziekvereniging, twee supportersverenigingen van muziekverenigingen en zeven steunstichtingen van muziekverenigingen btw-plichtig bevonden.
Amateurmuziekverenigingen zijn in beginsel btw-vrijgesteld. Dit volgt uit artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de omzetbelasting 1968 juncto post b35 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Uit die bepalingen volgt dat de btw-vrijstelling alleen van toepassing is voor zover de vereniging prestaties verricht die karakteristiek zijn voor amateurmuziekverenigingen.
De btw-vrijstelling voor amateurmuziekverenigingen is niet van toepassing als een muziekvereniging winst beoogt en in concurrentie treedt met ondernemers die winst beogen. Dit volgt uit de hiervoor genoemde bepalingen uit de Wet op de omzetbelasting 1968. In een dergelijk geval zijn de activiteiten van de muziekvereniging btw-belast.
Een supportersvereniging of steunstichting kan geen gebruik maken van de hiervoor beschreven btw-vrijstelling voor amateurmuziekverenigingen. Dit betekent dat de activiteiten van deze verenigingen in beginsel btw-belast zijn.
Hoeveel amateurverenigingen hebben een aanhangende supportersvereniging?
Het is mij niet bekend hoeveel amateurverenigingen een aanhangende supportersvereniging hebben.
Kunt u de Kamer ook informeren over aanhangende supportersverenigingen bij amateurverenigingen anders dan muziekverenigingen? Hoe ziet de regelgeving omtrent de btw-plicht van aanhangende supportsverenigingen in andere amateursectoren eruit? Kunt u ook deze regelgeving op de website van de Belastingdienst plaatsen? Zo nee, waarom niet?
Op aanhangende supportersverenigingen zijn de normale btw-regels van toepassing. Een toelichting op deze btw-regels staat op de website van de Belastingdienst. Deze website geeft ook informatie over fondswerving in relatie tot btw.
Wat betekent de voorgestelde wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet modernisering kleine ondernemersregeling) die met ingang van 1 januari 2019 wordt gewijzigd voor deze verenigingen?
De Wet modernisering kleine ondernemersregeling regelt (kort samengevat) dat een ondernemer die in Nederland is gevestigd of aldaar een vaste inrichting heeft en van wie de omzet in een kalenderjaar in Nederland niet meer bedraagt dan € 20.000 kan kiezen voor toepassing van vrijstelling van belasting ter zake van door hem in dat en volgende kalenderjaren te verrichten leveringen van goederen en diensten. Dit gaat ook gelden voor aanhangende supportersverenigingen.
Erkent u dat de belastingaanslagen (met terugwerkende kracht) grote gevolgen hebben voor de financiële ruimte binnen een amateurmuziekvereniging en soms zelfs voor het voortbestaan van de vereniging? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik onderken in het algemeen dat naheffingsaanslagen grote financiële gevolgen kunnen hebben. De eventuele verschuldigdheid van btw vloeit echter voort uit de wet. Daar kan niet van worden afgeweken. Omdat de btw een aangiftebelasting is, berekent en betaalt de ondernemer de btw op eigen initiatief. Een naheffingsaanslag wordt opgelegd als bijvoorbeeld bij controle blijkt dat er te weinig btw op aangifte is afgedragen. Als een opgelegde naheffingsaanslag niet direct kan worden betaald, kan de ondernemer in overleg treden met de ontvanger over de mogelijkheden voor een betalingsregeling.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja
Het gestegen aantal zelfmoorden van jongeren die Jeugdhulp krijgen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u het item «Grote zorgen over suïcidepogingen jongeren in gesloten jeugdzorg» in Nieuwsuur, gezien?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling in het item dat veel jongeren in de jeugdhulp niet tijdig de juiste hulp krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen?
Uit de Eerste evaluatie van de Jeugdwet bleek dat de hulpverlening eerder en beter moet aansluiten bij wat kinderen en gezinnen nodig hebben. Het hoofddoel van het programma Zorg voor de jeugd is om dit te realiseren. Gezamenlijk met de gemeenten, de aanbieders en de cliëntenorganisaties werken we de komende jaren aan de uitvoering ervan. Vóór het Wetgevingsoverleg van 12 november 2018 ontvangt u de eerste voortgangsrapportage, waarin ik inga op de ondernomen acties.
Wat zijn volgens u de oorzaken dat het aantal jongeren in de jeugdhulp dat zelfmoord pleegt, is gestegen in de afgelopen jaren?
Op deze vraag kan ik nu geen antwoord geven. Op 24 september heeft de staatsecretaris van VWS u mede namens mij een eerste duiding gezonden van de suïcidecijfers van jongeren in 2017.2 Daaruit bleek dat van 81 jongeren die in 2017 suïcide hebben gepleegd er tien in een instelling verbleven. In december 2018 komt er een verdiepende rapportage waarin de onderzoekers zoveel als mogelijk de 81 casussen nader in beeld brengen, onder andere over de ontvangen jeugdhulp. Ook vindt een vergelijking met voorgaande jaren plaats.
Daarna volgt nog een verdiepend onderzoek naar de specifieke context van de 81 jongeren. De eindrapportage daarvan verschijnt september 2019.
Deelt u de mening dat ook het aantal zelfmoordpogingen beter bijgehouden moet worden? Bent u bereid hierover afspraken te maken met de jeugdhulpinstellingen en de Inspectie en hen hierin te ondersteunen?
Wanneer een jeugdige binnen een instelling een suïcidepoging doet met ernstig schadelijk gevolg, dienen de instellingen dit te registreren en te analyseren. Zij hoeven niet iedere poging aan de inspectie te melden. De inspectie beziet dan of er sprake is van een calamiteit die nader moet worden onderzocht.
Ik zie geen aanleiding om hierover andere afspraken te maken.
Bent u bereid om in het door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangekondigde onderzoek naar het gestegen aantal suïcides, ook onderzoek te doen naar de context van suïcides in de jeugdhulp?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe kan het dat een groep kwetsbare kinderen, zoals (depressieve) seksueel misbruikte en/of uitgebuite meisjes, geen adequate zorg krijgen?
De meeste jongeren die jeugdhulp nodig hebben, krijgen tijdig passende hulp. Maar als er sprake is van jongeren met ernstige meervoudige complexe problematiek is dat helaas niet altijd het geval. Dat kunnen we teruglezen in rapportages van de IGJ als sprake geweest is van een calamiteit. Ook ontvang ik signalen vanuit de gespecialiseerde jeugdhulp dat het vaak ingewikkeld is om meteen de juiste diagnose te stellen, en de beste behandelplek te vinden. Ik neem deze signalen uiterst serieus, want de gevolgen van onvoldoende en te late hulp kunnen zeer schadelijk zijn voor de ontwikkeling van deze kinderen.
De IGJ neemt passende zorg op in haar werkplan voor 2019. Zij zal onder andere de voortgang (van de uitvoering) van de afspraken in het kader van het programma Zorg voor de Jeugd volgen.
Hoe beoordeelt u het dat jeugdhulpinstellingen ervaren dat ze deze kinderen niet naar geschiktere plekken kunnen doorplaatsen vanwege financieringsafspraken in het stelsel? Herkent u dit? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Kinderen moeten op tijd de passende hulp krijgen. Financieringsafspraken mogen daarvoor geen belemmering vormen. Als die toch een probleem vormen, kan een instelling een beroep doen op het regionale expertteam om ervoor te zorgen dat het kind de hulp krijgt die nodig is.
Welke acties heeft u ondernomen naar aanleiding van de stelling van de Nationaal rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen dat het belangrijk is dat kwetsbare meisjes direct de juiste zorg krijgen en ze niet in gesloten inrichtingen thuishoren? Wat gaat u op korte en middellange termijn doen?
Zoals ik heb aangegeven in het programma Zorg voor de Jeugd heeft elk kind recht op een liefdevolle en stabiele omgeving om in op te groeien. Langdurig verblijf in een grote instelling is voor geen enkel kind goed. Daarom gaan we het aantal gesloten plaatsingen terugdringen en ook de duur van plaatsingen verkorten. De Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen deed onderzoek naar de slachtoffers die de verschillende vormen van jeugdhulp ontvingen met als aanleiding seksueel geweld. Als het gaat om slachtoffers van seksueel geweld waartoe ook slachtoffers van loverboys in het rapport van de Nationaal rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen speelt veiligheid een belangrijke rol. Als kinderen zich onttrekken of onttrokken worden aan de zorg, kan door tussenkomst van de rechter een kind gesloten worden geplaatst.
Bij het ontwikkelen van alternatieven spelen deze risico’s een grote rol. We hebben het hier over een grote verandering die niet van de ene op de andere dag gerealiseerd is en vraagt om inzet van alle partners in de jeugdhulp. Met aanbieders en gemeenten ben ik hierover in overleg en in de voortgangsrapportage van het programma Zorg voor de Jeugd zal ik u informeren over de laatste stand van zaken.
Het bericht ‘Schrik bij hoogbejaarde: Leiden halveert huishoudelijke hulp’ |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «schrik bij hoogbejaarde: Leiden halveert huishoudelijke hulp»?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat gemeenten zonder overleg, keukentafelgesprek of persoonlijk contact regelingen gaan aanpassingen die een halvering van het budget tot gevolg hebben? Zo nee, hoe gaat u dit oplossen?
Voor de beantwoording van deze vragen is navraag gedaan bij de gemeente Leiden. Uit deze navraag blijkt dat de gemeente per 1 januari 2018 een nieuwe regeling heeft ingevoerd voor huishoudelijke ondersteuning. Op basis van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft de gemeente besloten om opnieuw te kijken naar het stelsel van huishoudelijke ondersteuning en is de algemene voorziening voor huishoudelijke ondersteuning komen te vervallen en worden nu maatwerkvoorzieningen verstrekt aan degenen waarvan is vastgesteld dat zij daarop zijn aangewezen.
In het oude stelsel kregen alle cliënten met een persoonsgebonden budget (pgb), waaronder de mevrouw in kwestie, voor dezelfde vorm van huishoudelijke ondersteuning allemaal hetzelfde bedrag. Dit stelsel kwam naar de mening van de gemeente onvoldoende tegemoet aan het uitgangspunt van maatwerk; er werd immers geen onderscheid gemaakt voor cliënten die vanwege bijzondere verzwarende omstandigheden meer en/of vaker huishoudelijke ondersteuning per week nodig hadden ten opzichte van andere cliënten. Volgens de nieuwe regeling krijgen cliënten die bijzondere verzwarende omstandigheden hebben een hoger budget en cliënten zonder deze bijzondere omstandigheden vaak een lager budget dan voorheen. Daarnaast heeft de gemeente per 1-1-2018 een driedeling in de hoogte van de pgb-tarieven aangebracht; naast een tarief voor het inhuren van iemand uit sociaal netwerk, kan een cliënt een tarief krijgen voor iemand die dit bedrijfsmatig doet als zelfstandige of vanuit een professionele instelling.
De gemeente heeft op basis van alle beschikbare informatie van de cliënten (hun dossier en gegevens over hun huidige gebruik van hun pgb) de herbeoordeling gedaan om de cliënten per 1 januari 2019 in te delen in met of zonder bijzondere verzwarende omstandigheden. Bij onvoldoende (actuele) informatie is (telefonisch) contact opgenomen met cliënten. Cliënten met een relatief grote achteruitgang in hun budget zijn door de gemeente gebeld met een uitleg, voordat de beschikking is verstuurd. In de beschikking heeft de gemeente, aanvullend op de formele mogelijkheid van bezwaar, de mogelijkheid om contact op te nemen indien betrokkene nog vragen heeft of van mening is dat de nieuwe voorziening onvoldoende aansluit op de eigen situatie.
De gemeente Leiden heeft in het kader van de herbeoordeling persoonlijk contact opgenomen met de 90-jarige Leidse mevrouw. In dit contact is niet gebleken dat er inmiddels sprake was van gewijzigde omstandigheden. Om die reden en vanwege de driedeling in tarifering is haar vervolgens een beschikking toegezonden met een aankondiging van een verlaging van het pgb per 1 januari 2019.
Waarom is het persoonsgebonden budget van deze 90-jarige mevrouw gehalveerd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te bewerkstelligen dat het persoonsgebonden budget van deze 90-jarige Leidse niet wordt gehalveerd? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Leiden is naar aanleiding van het bovenstaand bericht in gesprek gegaan met de betrokken mevrouw, bijgestaan door een familielid. Er is op basis van nieuwe aanvullende informatie geconstateerd dat er sprake is van bijzondere verzwarende omstandigheden – als bedoeld in de nieuwe regeling – in haar situatie. Dit resulteert voor haar een verhoging van het pgb voor huishoudelijke ondersteuning ten opzichte van het in de beschikking van september jl. aangekondigde bedrag.
Doorvoer van militaire goederen via Schiphol en anderen Nederlandse havens |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan de Kamer over de herziening van de Europese dual use verordening waarin de Minister onderschrijft dat robuuste «due diligence» («gepaste zorgvuldigheid») van groot belang is bij de exportcontrole van dual use goederen?1
Ja.
Wat verwacht Nederland van bedrijven die dergelijke goederen uit- dan wel doorvoeren? Omvat dit ook de verplichting om de autoriteiten te informeren over de mensenrechtenrisico’s die de uitvoer of doorvoer met zich meebrengt?
Voor de uitvoer van strategische goederen is een exportvergunning altijd noodzakelijk. In sommige gevallen is dit ook het geval bij doorvoer, afhankelijk van het feit of het militaire of dual usegoederen betreft.
Bij een aanvraag voor vergunningen wordt getoetst of het aannemelijk is dat de goederen worden ingezet voor militair eindgebruik, proliferatiedoeleinden of mensenrechtenschendingen. Indien bedrijven beschikken over een globale vergunning dienen zij bovendien in het bezit te zijn van een door de overheid goedgekeurd Internal Compliance Program (ICP). Een toets op mensenrechten-schendingen is een van de criteria op basis waarvan een ICP wordt goedgekeurd.
Indien een exporteur er kennis van draagt dat niet-vergunningplichtige goederen ingezet zullen worden ten behoeve van militair eindgebruik of proliferatie dan is hij verplicht om dit te melden bij de overheid. Daarnaast zijn er momenteel enkele regelingen van kracht in Nederland op basis waarvan uit mensenrechtenoverwegingen een verbod of een vergunningplicht is ingesteld voor de export van niet-vergunningplichtige goederen.
Exporteurs zijn daarnaast verplicht alle informatie aan te leveren, die relevant is voor de beoordeling van een aanvraag voor een exportvergunning, waaronder mogelijke risico’s op mensenrechtenschendingen.
Tevens verwacht het kabinet van exporteurs dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen naleven. Exporteurs worden hier sinds kort ook schriftelijk op gewezen wanneer zij een exportvergunning ontvangen. Een algemene verplichting om autoriteiten over mogelijke mensenrechtenschendingen te informeren bestaat als zodanig niet.
De Nederlandse verantwoordelijkheid voor offshore in het Koninkrijk |
|
Ronald van Raak |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
Deelt u de mening van de voormalige Staatssecretaris van Financiën in 1995 dat offshore een Koninkrijksbelang is? Zo nee, waarom niet?1
De implementatie en uitvoering van fiscale wetgeving en overige financiële regelgeving die van belang is voor financieel dienstverleners vallen binnen de autonome bevoegdheid van de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Vóór 10 oktober 2010 betrof dit een autonome aangelegenheid van het land de Nederlandse Antillen. Uit het krantenartikel maak ik op dat de toenmalige Staatssecretaris het van belang achtte om misbruik van fiscale regelingen van landen van het Koninkrijk tegen te gaan. Deze opmerking onderschrijf ik. Het krantenbericht gaat in op overleg dat in januari 1995 met de Nederlandse Antillen is gevoerd. Uit dat overleg is een wijziging van de Belastingregeling voor het Koninkrijk voortgekomen.2 Deze wijziging zag erop om misbruik en oneigenlijk gebruik van de Belastingregeling voor het Koninkrijk tegen te gaan, waaronder emigratie tussen de landen van het Koninkrijk waarbij het behalen van fiscale voordelen voorop staat. Verder werd de procedure voor het verkrijgen van de vermindering van de bronbelasting op deelnemingsdividenden voorzien van meer waarborgen ter verzekering van een juiste toepassing van de Belastingregeling.
Daarnaast maak ik het uit krantenartikel op dat er op de toenmalige Staatssecretaris waarde hechtte aan een solide financiële sector met echte financiële dienstverlening op de toenmalige Nederlandse Antillen. Ook deze opmerking onderschrijf ik.
Wat is er gebeurd met het voorgestelde Nieuw Fiscaal Raamwerk van de Vereniging Offshore Belangen? Is dit in de één of andere vorm, onder één of andere naam, in de praktijk gebracht? Welke regelingen betreft het hier? Hoe lang zijn deze regelingen in werking geweest of zijn deze regelingen nog altijd in werking? Zijn in deze regelingen anti-misbruikbepalingen opgenomen? Zo ja, welke? Hoe en door wie wordt hier toezicht op gehouden?2
In 1999 is, naar aanleiding van de wens van de regering van de Nederlandse Antillen om mee te bewegen met de internationaal geldende fiscale normen en het streven om de internationale financiële dienstverlening in de Nederlandse Antillen bestendig verder te ontwikkelen, het Nieuw Fiscaal Raamwerk (hierna: NFR) geïntroduceerd. Het NFR is op 1 januari 2000 in werking getreden en bracht belangrijke wijzigingen met zich in de Landsverordening op inkomstenbelasting 1943 en de Landsverordening op de winstbelasting 1940. Met de wijziging in de Landsverordening op de winstbelasting 1940 zijn verschillende offshorebepalingen komen te vervallen. Bij de implementatie van het NFR zijn hiervoor overgangsregelingen getroffen die uiterlijk op 31 december 2019 aflopen.
Vóór 10 oktober 2010 hield de belastingdienst van de Nederlandse Antillen toezicht op de geldende fiscale wet- en regelgeving. Op dit moment houden de belastingdiensten van de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten toezicht op de aldaar geldende wet- en regelgeving, inclusief de daarin opgenomen antimisbruikbepalingen.
Welke rol heeft het Ministerie van Financiën of een andere Nederlandse overheidsorganisatie of een commercieel bedrijf in opdracht van een Nederlandse overheidsorganisatie gespeeld bij het ontwerpen en/of beheren van deze Nederlands-Antilliaanse financiële offshore dienstverlening?
Ik ga er bij het beantwoorden van de vraag van uit dat wordt bedoeld welke rol Nederland heeft gespeeld bij de totstandkoming van het NFR. Het ontwerpen en vaststellen van fiscale wetgeving was destijds voorbehouden aan het parlement van het land de Nederlandse Antillen.
Een ingrijpende wijziging van het regime van de winstbelasting in de Nederlandse Antillen had destijds gevolgen voor de verhouding tussen de landen van het Koninkrijk zoals die was neergelegd in de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Nederland heeft tijdens het overleg in januari 1995 de bereidheid uitgesproken te komen tot een aanpassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk die complementair is aan het overeen te komen Nieuw Fiscaal Raamwerk. Uitgangspunt bij die aanpassing was enerzijds de totstandkoming van een aantrekkelijk fiscaal stelsel voor economische activiteiten (in het bijzonder de internationale financiële dienstverlening) op de Nederlandse Antillen. Anderzijds waren daarbij ook bepalingen in de Belastingregeling voor het Koninkrijk opgenomen teneinde te waarborgen dat het overeen te komen stelsel voldoet aan de vereisten om te voorkomen dat de belastingheffing in de landen van het Koninkrijk zou kunnen worden ontgaan. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de Rijkswet van 13 december 1996, houdende wijziging van de Belastingregeling voor het Koninkrijk in verband met maatregelen met het oog op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik alsmede in verband met enige technische aanpassingen.4
Deelt u de constatering dat sprake is van gedeelde financiële offshore dienstverlening tussen Nederland en de andere landen in het Koninkrijk? Zo nee, waarom niet? Waarom noemt u de afspraken tussen het Ministerie van Financiën, de Vereniging Offshore Belangen en het Ministerie van Financiën van de Nederlandse Antillen en Curaçao geheim en onbekend?3
Die constatering deel ik niet. De implementatie en uitvoering van fiscale wetgeving en overige financiële regelgeving die van belang is voor financieel dienstverleners vallen binnen de autonome bevoegdheid van de landen van het Koninkrijk. Wel kan het zo zijn dat internationaal opererende ondernemingen in meerdere landen van het Koninkrijk actief zijn. Zij moeten daarbij voldoen aan de lokaal geldende regelgeving. Voor de fiscale afspraken tussen Nederland en de Nederlandse Antillen verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Voor zover er wordt gevraagd naar afspraken met individuele belastingplichtigen, zijn deze gemaakt in het kader van de uitvoering van de belastingwet. De fiscale geheimhoudingsplicht zoals vastgelegd in artikel 67 van de Algemene wet rijksbelastingen staat er aan in de weg dat ik op verzoek van derden informatie over de persoon of zaken van een ander openbaar maak die is verkregen bij de uitvoering van de belastingwet.
Welke Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense e-gaminglicentiehouders bezitten tevens bedrijven in Nederland? Welke Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense e-gaminglicentiehouders verrichten ook financiële dienstverlening in Nederland?
Net als de financiële offshore dienstverlening is ook (het toezicht op) het aanbod van e-gaming (online kansspelen) vanuit Curaçao, Aruba en Sint Maarten een verantwoordelijkheid van de landen zelf. Er wordt niet door een Nederlandse overheidsinstantie geadministreerd welke bedrijven in Nederland, die al dan niet financiële dienstverlening verrichten, tevens e-gaminglicenties bezitten in de genoemde landen. Hetzelfde geldt voor het aantal Arubaanse of Sint Maartense online gokbedrijven en websites, of deze bestuurd worden vanuit financiële offshore dienstverlening aldaar en wat het aandeel van deze gokbedrijven is in de financiële offshore dienstverlening aldaar.
Hoeveel Curaçaose online- en virtual private network (VPN-)gokbedrijven en hoeveel online websites bevinden zich thans binnen de Nederlands-Antilliaanse financiële offshore dienstverlening? Hoeveel Arubaanse online- (en VPN-)gokbedrijven en websites bestaan er thans? Worden deze ook vanuit de Nederlands-Antilliaanse financiële offshore dienstverlening bestuurd (en/ of vanuit Curaçaose datacenters gerund)? Hoeveel Sint Maartense online- (en VPN-)gokbedrijven en websites bestaan er thans? Worden deze ook vanuit de Nederlands-Antilliaanse financiële offshore dienstverlening bestuurt?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u deopvatting dat als binnen de Nederlands-Antilliaanse financiële offshore dienstverlening ongereguleerde en illegale online gokactiviteiten worden ondernomen waarbij gebruik wordt gemaakt van Nederlandse fiscale afspraken, dit niet alleen een zaak kan zijn van het land Curaçao?
Waar sprake is van criminele activiteiten is een rol weggelegd voor de Openbaar Ministeries van Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Daarin ondersteunt Nederland de landen ook door middel van het financieren en het leveren van capaciteit voor het Recherche Samenwerkingsteam (RST) en het Team Bestrijding Ondermijning (TBO), die lokale opsporingsbevoegdheid hebben op het gebied van o.a. grensoverschrijdende criminaliteit, fraude, witwassen en ondermijning.
Waar sprake is van misbruik van bilaterale fiscale afspraken6 tussen landen van het Koninkrijk is er een rol weggelegd voor beide landen.
Deelt u de constatering dat de International Financial Group (IFG) een opvolger is van de Vereniging Offshore Belangen? Deelt u mijn constatering dat de IFG tevens een vereniging is van e-gaminglicentiehouders?
Uit openbare bronnen kan ik niet opmaken of de International Financial Group (IFG) een opvolger is van de Vereniging Offshore Belangen en wat de achterban is van de IFG.
Welke rol heeft Nederland gespeeld om van Malta een «hub» te maken voor Curaçaose licentiehouders om de Europese markt te kunnen bedienen? Welke Nederlandse, Arubaanse, Curaçaose en Sint Maartense e-gaminglicentiehouders verrichten eveneens financiële dienstverlening in Malta?4
Door Nederlandse overheidsinstellingen wordt niet geadministreerd welke Arubaanse, Curaçaose of Sint Maartense licentiehouders financiële dienstverlening verrichten in Malta. In Nederland worden geen e-gaminglicenties of vergunningen voor het aanbieden van online kansspelen verstrekt. Er zijn derhalve geen Nederlandse vergunninghouders die financiële dienstverlening in Malta verrichten. Nederland heeft geen specifiek beleid ontwikkeld om van Malta een hub te maken voor Curaçaose licentiehouders om de Europese markt te kunnen bedienen.
Kunt u aangeven hoe groot het aandeel van online gokbedrijven is in de Nederlands-Antilliaanse financiële offshore dienstverlening, gespecificeerd per jaar, vanaf de start van deze online gokindustrie vanaf 1995 tot heden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Iran dat met ballistische raketten doelen heeft bestookt in Syrië |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Iran meerdere ballistische raketten heeft afgevuurd op doelen in Syrië?1
Ja.
Is de internationale coalitie die strijdt tegen IS vooraf door Iran geïnformeerd over deze raketaanval?
Nee, de aanval was niet aangekondigd.
Is het vliegverkeer boven Irak en omgeving, waaronder het in dat gebied opererende Nederlandse F-16 detachement, op enig moment in gevaar gebracht door de raketlanceringen?
Er zijn geen indicaties dat het vliegverkeer op enig moment in gevaar is gebracht door de raketlanceringen. Ook de Nederlandse F-16’s zijn niet in gevaar geweest.
In hoeverre hebben de Iraanse ballistische raketten hun doelen geraakt en wat is het schadebeeld op de grond?
Kort na lancering van de raketten zijn meerdere explosies gemeld in door ISIS gecontroleerd gebied langs de Eufraat in Oost-Syrië. De precieze schade is het kabinet onbekend.
Vallen de door Iran gelanceerde ballistische raketten binnen de «Categorie 1 Systemen», wat betekent dat deze raketten in theorie in staat zijn om massavernietigingswapens te vervoeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de gelanceerde ballistische raketten vallen binnen de Missile Technology Control Regime (MTCR) Category 1 systemen. Op basis van deze richtlijnen kan worden gesteld dat zulke «Categorie 1 Systemen» in theorie in staat zijn om massavernietigingswapens te vervoeren.
Bent u van mening dat de Iraanse raketaanval een schending is van VN-resolutie 2231? Zo ja, bent u bereid om te pleiten voor extra strafmaatregelen tegen het regime in Teheran?
Het afvuren van dit soort raketten is juridisch gezien geen schending van VNVR-Resolutie 2231 (2015), maar wel inconsistent met paragraaf 3 van Annex B van die resolutie, waarin Iran wordt opgeroepen «geen activiteiten te ondernemen met betrekking tot ballistische raketten die ontworpen zijn om in staat te zijn kernwapens te vervoeren».
Het kabinet blijft ernstige zorgen houden ten aanzien van het Iraans ballistische raketprogramma en kaart dit onderwerp consequent aan, zowel in Europees verband als in bilaterale contacten met Iran. Zo denkt Nederland actief mee met de E3 over oplossingsrichtingen voor het Iraanse ballistische raketprogramma.
Er zijn onder de nucleaire overeenkomst met Iran (het Joint Comprehensive Plan of Action, oftewel JCPOA) en binnen de Europese Unie reeds maatregelen van kracht om het Iraanse ballistische raketprogramma in te perken. Zo zijn er handelsrestricties, is een wapenembargo op Iran van kracht, en gelden sancties voor 23 personen en 61 entiteiten.