Het bericht dat de FNV met stakingen dreigt op Schiphol. |
|
Cem Laçin |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de FNV met stakingen dreigt op Schiphol?1
Op grond van het Europees Sociaal Handvest (ESH) hebben werkgevers en werknemers in Nederland in geval van een belangengeschil het recht om collectief op te treden. Zo kunnen vakbonden werkonderbrekingen inzetten om op te komen voor de belangen van werknemers.
Wat vindt u van het feit dat op Schiphol inmiddels acht afhandelaars van bagage actief zijn? Beschouwt u dit als een gezonde situatie?
Met Aviapartner, Dnata, KLM, Menzies, Swissport en sinds kort Viggo zijn er op Schiphol zes bedrijven actief in de afhandeling van bagage. WFS vervoert goederen over het platform, maar geen bagage van passagiers. De werkzaamheden van Axxicom beperken zich tot het begeleiden van zogeheten Passengers with Reduced Mobility (PRM).
Tijdens het debat over vliegveiligheid eind vorig jaar heb ik aangegeven dat het grote aantal afhandelaren een opmerkelijke situatie is. Daarbij heb ik ook aangegeven dat iedere nieuwe afhandelaar aan alle geldende eisen en regels moet voldoen die aan afhandelaars worden gesteld, waaronder de regels met betrekking tot veiligheid.
Naar aanleiding van een motie van de leden Laçin en Kuiken2, ben ik een onderzoek gestart naar de noodzaak en mogelijkheid om sociale vestigingseisen te stellen aan grondafhandelaren die werkzaam zijn op airside op Schiphol. Daarbij zal in kaart worden gebracht hoe de (veiligheids)situatie is en wordt bekeken in hoeverre het stellen van sociale vestigingseisen die situatie kan verbeteren. Dit met als doel een mogelijk positief effect op de vliegveiligheid waar ik als Minister van Infrastructuur en Waterstaat voor verantwoordelijk ben.
De onderzoeksresultaten worden in het voorjaar verwacht. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt bezien of wijzigingen in beleid en/of met betrekking tot de verantwoordelijkheidsverdeling noodzakelijk en wenselijk zijn.
Hoe komt het dat op andere grote Europese luchthavens veel minder afhandelaars actief zijn, terwijl Schiphol stelt dat Europese regels ervoor zorgen dat ze met elke nieuwe afhandelaar in zee moeten gaan?
De situatie op andere, vergelijkbare internationale airports in Europa, zal ook worden meegenomen in voornoemd onderzoek.
Erkent u dat Schiphol in haar reactie aangeeft dat het maximeren van het aantal afhandelaars of andere aanbestede diensten een keuze is die door het kabinet gemaakt moet worden, terwijl u steevast in debatten naar de luchthaven verwijst? Bent u bereid om alsnog de handschoen op te pakken en een maximum te stellen aan het aantal bedrijven dat gecontracteerd kan worden voor diensten op Schiphol? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Voor grondafhandelingsdiensten is er binnen de EU een vrije markt op basis van de Europese Richtlijn 1996/67/EG3. Momenteel loopt in EU verband een evaluatietraject van deze richtlijn waarbij ook consultatie van belanghebbenden plaatsvindt.
Inmiddels heb ik, zoals hierboven aangegeven, opdracht gegeven voor een onderzoek naar de mogelijkheden voor het instellen van sociale vestigingseisen voor grondafhandelaren, waaronder ook het beperken van het aantal afhandelaren. In het onderzoek wordt betrokken of er gerede aanleiding bestaat tot het beperken van aantal afhandelaren op het terrein van de vliegveiligheid. Ik wacht de uitkomsten van het onderzoek af.
Wat vindt u van het feit dat werknemers die van het ene naar het andere beveiligingsbedrijf moeten overstappen, erop achteruitgaan in loon?
In het algemeen geldt dat wanneer een opdrachtgever werkzaamheden uitbesteedt aan een andere opdrachtnemer, het deze nieuwe opdrachtnemer vrijstaat om de betreffende werknemers een arbeidsovereenkomst aan te bieden met andere arbeidsvoorwaarden (rekening houdend met de eventueel van toepassing zijnde cao). Dat kan anders zijn wanneer de overgang van de werkzaamheden van de ene naar de andere opdrachtnemer te kwalificeren zijn als «overgang van onderneming». In dat geval bepaalt de wet dat de werknemers in dienst treden bij de nieuwe opdrachtnemer met behoud van arbeidsvoorwaarden. Of er sprake is van overgang van onderneming wordt bepaald door de specifieke omstandigheden van het geval. Het is niet aan mij om dat te beoordelen. Als partijen daarover van mening verschillen is het aan de rechter om daar een uitspraak over te doen.
Bent u het eens met de stelling dat dergelijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden ervoor zorgt dat de rekening van zaken als spotgoedkope vliegtickets maar ook de coronacrisis bij de werknemers komt te liggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gelet op het voorgaande is het de vraag of sprake is van de genoemde concurrentie op arbeidsvoorwaarden. In het algemeen is het de verantwoordelijkheid van ondernemingen en werkgevers om samen met hun opdrachtnemers en werknemers de arbeidsvoorwaarden binnen een bedrijf of sector vorm te geven. Zij zullen zich daarbij uiteraard moeten houden aan de wet en de eventueel van toepassing zijnde cao. Het is daarnaast aan de betrokken werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties om te bepalen welke factoren en in welke mate die factoren meespelen bij het maken van afspraken over arbeidsvoorwaarden. Welk verband er zou zijn tussen de afspraken over arbeidsvoorwaarden en de prijs van vliegtickets en de coronacrisis kan ik niet beoordelen.
Welke gevolgen heeft deze race naar beneden voor de veiligheid van de luchthaven?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat werknemers een leefbaar loon van € 14 per uur moeten verdienen en uitzicht moeten hebben op een vast contract? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit op Schiphol geregeld wordt? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor goede arbeidsvoorwaarden ligt primair bij de bedrijven. Daarnaast kunnen werkgevers(organisaties) en vakbonden in collectieve arbeidsovereenkomsten afspraken maken over onder andere het loon en contractvormen, zowel op ondernemings- als op bedrijfstakniveau. De overheid kan daar niet in treden.
Hoever staat het met de uitwerking van de aangenomen motie-Laçin/Kuiken (Kamerstuk 31 936, nr. 767) over het in kaart brengen van de mogelijkheden om sociale vestigingseisen in te voeren? Ziet u in deze situatie een kans om de mogelijkheden die er zijn in de praktijk te brengen?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Het bericht dat Maersk 24 Nederlandse werknemers op straat zet |
|
Bart van Kent (SP), Cem Laçin |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Radeloze Nederlandse Maersk-crew vraagt hulp aandeelhouders»?1
Ik betreur dat Maersk deze schepen uit het Nederlandse register heeft gehaald. Nederlandse zeevarenden zijn van belang voor het maritieme cluster. Ik heb begrepen dat het interne overwegingen van Maersk waren, die tot het omvlaggen hebben geleid. Maersk heeft het aantal vlaggen teruggebracht en als Deens bedrijf daarbij gekozen voor één Europese vlag (de Deense «moeder» vlag) en één of twee niet Europese vlaggen. Aangezien het hier om individueel bedrijfsbeleid gaat, is het niet aan mij om een oordeel over deze keuze te vormen.
Wat vindt u ervan dat 24 Nederlandse werknemers van Maersk hun werk kwijtraken omdat het voor het bedrijf blijkbaar lucratiever is om voor een Liberiaanse vlag te kiezen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het bedrijf deze 24 arbeidsplaatsen niet schrapt, maar de Nederlandse werknemers vervangt door goedkopere werknemers uit andere landen wanneer deze Nederlandse werknemers een deel van hun arbeidsomstandigheden niet willen opgeven?
Uit het artikel maak ik op dat deze groep zeevarenden wel werk is geboden, maar tegen slechtere arbeidsvoorwaarden. Vakbond Nautilus International, die deze groep Nederlandse zeevarenden steunt, heeft daarbij aangegeven dat deze slechtere arbeidsvoorwaarden onmogelijk kunnen worden geaccepteerd.
In de zeevaart is het een gegeven dat de vlaggenstaat maatgevend is voor de arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden van de zeevarenden aan boord van de schepen.
Met welke veranderingen in arbeidsvoorwaarden zullen deze medewerkers akkoord moeten gaan als zij onder Liberiaanse arbeidsvoorwaarden in dienst zouden blijven?
Daar ben ik niet van op de hoogte. Het is aan de zeevarenden om daar een oordeel over te vormen. Op Nederlands gevlagde schepen geldt dat de arbeidsvoorwaarden bij CAO (Handelsvaart) zijn geregeld. Andere vlaggenstaten hebben andere arbeidsvoorwaarden.
Bent u het eens dat het getuigt van slecht werkgeverschap wanneer een bedrijf werknemers op straat zet om goedkopere werknemers aan te nemen?
In de context van het bericht waar de vragen over gesteld worden kan ik alleen vaststellen dat Maersk de keuze maakt om deze schepen niet meer onder de Nederlandse vlag te laten varen. Dat is een interne bedrijfsaangelegenheid en het is niet aan mij om individueel bedrijfsbeleid te beoordelen.
Zonder te willen suggereren dat in het onderhavige geval hiervan sprake zou zijn, wil ik in algemene zin opmerken dat, indien gekozen wordt voor een vlag met als enig doel te besparen op arbeidskosten en sociale lasten en daarmee internationale regels te ontduiken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik dit zien als een vorm van «social dumping». Er is internationale regelgeving op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden voor zeevarenden, zoals vastgelegd in het Maritiem Arbeidsverdrag (MAV) 2006. Het is de verantwoordelijkheid van de verdragspartijen om het verdrag te implementeren in nationale wetgeving en hierop toezicht uit te oefenen en te handhaven ten aanzien van de schepen die onder hun rechtsbevoegdheid vallen.
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde gentlemen’s agreement uit 2011 die de arbeidsplaatsen van deze werknemers zou moeten beschermen? Kunt u aangeven hoe bindend deze overeenkomst is?
Voor zover ik begrijp betreft dit een agreement tussen vakbond Nautilus International en Maersk. Over de status en het juridische bindend zijn van de afspraak kan ik geen uitspraak doen.
Bent u, of iemand anders in het kabinet, bereid contact op te nemen met Maersk om te kijken of er een oplossing kan worden gevonden voor de 24 Nederlandse werknemers? Is het bijvoorbeeld een optie dat de boten van Maersk verder varen onder een Europese vlag?
Het is niet aan mij, mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of één van onze collega’s om in deze interne aangelegenheden van Maersk te treden. Vakbond Nautilus International steunt deze zeevarenden in hun verzoek aan de aandeelhouders van dit Deense bedrijf. Het is aan werkgever en werknemer om tot een oplossing te komen.
De berichten dat mensen die niet thuis werken zich onveilig voelen op de werkvloer |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «CNV-onderzoek: Nederlanders met vitaal beroep voelen zich onveilig op de werkvloer»1 en «Niet-thuiswerkers ervaren steeds meer stress en zijn bang voor besmetting»?2
Ja, beide berichten zijn bij mij bekend.
Wat vindt u ervan dat zoveel mensen bang zijn om besmet te raken en daar stress van ondervinden?
Werkenden moeten hun werk gezond en veilig kunnen uitvoeren. Angst om besmet te raken op de werkplek en daar stress van ondervinden is geen gezonde arbeidssituatie.
De werkgever heeft een verantwoordelijkheid en zorgplicht richting zijn werknemer. Zo ook wat betreft het risico op besmetting met het coronavirus. In die gevallen dat mensen bang zijn om besmet te raken en stress ondervinden, omdat de werkgever niet zorgt voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, is het van belang dat zij hierover het gesprek aangaan met hun werkgever, eventueel via de personeelsvertegenwoordiging of de ondernemingsraad. Indien dit niet tot verbetering leidt, kan een melding worden gedaan bij Inspectie SZW. De Inspectie SZW kan in dat geval interventies inzetten richting de werkgever, zodat deze alsnog maatregelen neemt.
Wat vindt u ervan dat ruim 40% van de mensen die niet thuis werken, te weinig bescherming ondervindt tegen het coronavirus op de werkvloer?
Er zijn de afgelopen tijd diverse onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen van corona op het werk. Naast de onderzoeken van FNV en CNV, heeft ook TNO gedurende de Corona-crisis drie zogenaamde NEACOVID metingen gedaan naar de gevolgen en naleving van de maatregelen op het werk. Net als de onderzoeken van CNV en FNV geven de TNO-metingen een beeld van de naleving op de werkvloer volgens werknemers. Uw Kamer is via een brief over de stand van zaken rondom thuiswerken op 30 april j.l. over de uitkomsten van de laatste TNO-meting geïnformeerd3.
Ondanks de verschillen in de uitkomsten van verschillende onderzoeken is duidelijk dat de werkomgeving een bron van mogelijke besmetting is. Uit het epidemiologisch rapport van het RIVM van 20 april bleek dat bij gemiddeld 15,2% van alle positief geteste mensen bij wie de besmettingsbron kan worden achterhaald, er een relatie is met de werkomgeving. Het blijft van belang dat werkgevers, samen met werknemers, aandacht houden voor gezond en veilig werken en maatregelen nemen om besmetting met het coronavirus te voorkomen.
Indien werknemers toch van mening zijn dat er ongezond en onveilig moet worden gewerkt, dan kunnen ze dit melden bij Inspectie SZW. Naast de actieve inspecties kan door middel van meldingen ook reactief worden opgetreden tegen werkgevers.
Vindt u ook dat iedereen veilig moet kunnen werken en dit in deze tijden extra belangrijk is? Hoe gaat u ervoor zorgen dat iedereen veilig kan werken?
Bedrijfsbelang kan en mag niet zwaarder wegen dan de veiligheid van werknemers. De Arbeidsomstandighedenwet is er om dit te garanderen. Het niet naleven van de Arbowet kan leiden tot bestuurlijke boetes of bestuursdwang.
Door het risico op besmetting met het coronavirus is het belang van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden nog duidelijker geworden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij werkgevers en werknemers. De overheid faciliteert en licht voor en vormt het sluitstuk met toezicht en handhaving. Ik ben hierover continue in gesprek met zowel vertegenwoordigers van werkgevers als werknemers.
Wat vindt u ervan dat er werkgevers zijn die bedrijfsbelang zwaarder lijken te wegen dan de veiligheid van hun werknemers? Bent u bereid werkgeverskoepels dan wel individuele werkgevers hier op aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de Inspectie SZW nu voldoende mogelijkheden en capaciteit om hier flink op te controleren en te handhaven?
Op grond van de Arbowet heeft de werkgever een zorgplicht die inhoudt dat de werkgever de werknemer in staat stelt zijn werk veilig en gezond te doen. Dat houdt in dat de werkgever ook maatregelen moet nemen om het risico op besmetting met het coronavirus te voorkomen of te beperken. Als de Inspectie SZW constateert dat een werkgever onvoldoende maatregelen treft in verband met het coronavirus, heeft zij op basis van de Arbowet de bevoegdheid werkgevers aan te spreken op hun zorgplicht. Er wordt dan bijvoorbeeld een waarschuwing of eis tot naleving gegeven.
Met de Wet tijdelijke maatregelen COVID-19 heeft de Inspectie SZW meer bevoegdheden gekregen om te handhaven. De inzet van de Inspectie is primair gericht op het verbeteren van gedrag en van de feitelijke werksituatie, zodat werkgevers een gezonde en veilige werkomgeving voor hun werknemers mogelijk maken. Het opleggen van een boete vormt het sluitstuk van deze interventies.
In 2021 draagt de extra capaciteit vanuit de ICF-middelen verder bij aan het herstellen van de balans tussen enerzijds ongevalsonderzoeken, klachten en meldingen en anderzijds preventieve inspecties op het domein van gezond en veilig werk. 4 Over de ingezette capaciteit, resultaten en effecten van de inzet van de Inspectie SZW zal de Kamer nader worden geïnformeerd in het jaarverslag 2020 (mei 2021).
Kan de Inspectie SZW meer controles gaan uitvoeren? Kan de inspectiecapaciteit tijdelijk worden opgeschroefd? In hoeverre heeft de Inspectie SZW de mogelijkheid om te handhaven op de RIVM-richtlijnen? Zou het de handhaving helpen als deze worden opgenomen in de Arbowet?
De Inspectie SZW houdt risicogericht en programmatisch toezicht. Met de extra bevoegdheden in de Wet tijdelijke maatregelen COVID-19 kan de Inspectie SZW de werkzaamheden stilleggen wanneer een werkgever in ernstige mate niet de noodzakelijke maatregelen treft om de kans op besmetting met het coronavirus te voorkomen of te beperken. Aanvullend hierop is een tijdelijke aanvulling geregeld in het Arbobesluit. Deze aanvulling brengt verplichtingen met zich mee voor werkgevers die erop gericht zijn om een veilige arbeidsplaats te creëren voor werknemers. Het niet naleven van de verplichtingen in het Arbobesluit is direct beboetbaar.
Wanneer een werkgever onvoldoende maatregelen neemt om besmetting met het coronavirus te beperken of te voorkomen, kan er een melding worden gedaan bij de Inspectie SZW. De meldingen kunnen leiden tot opvolging en waar nodig tot een interventie. Recent is een tussenrapportage over de meldingen naar de Kamer gestuurd.5 Gelet op het grote maatschappelijke belang heeft de Inspectie SZW besloten tot aanpassing van de werkprocessen om de registratie, triage en follow up van meldingen met de juiste interventie in te regelen. Hierover is de Kamer eerder geïnformeerd.6 De afhandeling van coronameldingen heeft nog steeds prioriteit.
Ook in het Jaarplan 2021 van de Inspectie SZW is er rekening gehouden met de gevolgen van het coronavirus in de programmering.
Wat vindt u van de suggestie van FNV-bestuurder Kitty Jong om wat minder productie te draaien, zodat mensen in de distributiecentra veilig kunnen werken? Bent u bereid om hierover met de sector in gesprek te gaan, zoals eerder ook is toegezegd rondom het thema nachtwerk?
Indien er niet gezond en veilig kan worden gewerkt door een te hoge productie, is het aan de werkgever om het werk zo te organiseren dat dit wordt opgelost. Ieder distributiecentrum is echter anders waardoor per situatie zal moeten worden beoordeeld wat en of een lagere productie inderdaad bijdraagt aan gezondere en veiligere arbeidsomstandigheden. Een productiesnelheid waarop het ene distributiecentrum goed functioneert, kan bij een ander distributiecentrum tot problemen leiden. Ik verwacht dat werkgevers en werknemers hierover onderling het gesprek met elkaar zullen voeren.
Hoe ziet u de rol van personeelsvertegenwoordiging omtrent veilig werken? Worden deze gesprekken op de werkvloer voldoende gevoerd? Hebben bijvoorbeeld ondernemingsraden voldoende invloed op protocollen die worden ingesteld en maatregelen die door bedrijven worden genomen?
Het is van belang dat het gesprek over gezond en veilig werken tussen de werkgever en werknemer gevoerd wordt. Dat kan eventueel via medezeggenschapsorganen als de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
In de brief van 6 mei 20207 is uw Kamer geïnformeerd over de status van protocollen. Protocollen zijn van de werkgevers en werknemers zelf en gaan over veilig werken binnen een bedrijf of organisatie. Protocollen zijn van en voor sectoren en worden veelal opgesteld door de brancheorganisatie horend bij de sector.
Daarbij worden zij in veel gevallen ondersteund door de werkgeverskoepels VNO-NCW en MKB Nederland. Werknemers in de sector moeten worden betrokken, bijvoorbeeld via de vakbond(en), maar ook medezeggenschapsorganen zouden hier mogelijk een rol in kunnen spelen. Een door sectoren vastgesteld protocol is echter geen vervanging van de geldende weten regelgeving. Dit betekent dat een protocol niet in de plaats komt van Arbowetgeving; die blijft onverminderd geldig. Voor meer informatie over de protocollen verwijs ik u ook naar de website van de rijksoverheid8.
Ziet u nog andere mogelijkheden om gevoelens van onveiligheid bij werknemers weg te nemen?
Het is aan de werkgevers om hun zorgplicht op dit punt te vervullen en aan werknemers om bij gevoelens van onveiligheid hierover in gesprek te gaan met de werkgever. Indien dit het gevoel van onveiligheid bij werknemers niet wegneemt, dan kunnen zij te allen tijde een melding doen bij Inspectie SZW.
Blootstelling van werknemers aan vervuilde en schadelijke lucht op luchthaven Schiphol |
|
Cem Laçin , Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de door 1125 luchthavenmedewerkers beantwoorde enquête «Werken op Schiphol»,1 welke ook aangehaald is in diverse mediaberichten?2
Ja.
Bent u geschrokken van de melding dat Schipholmedewerkers regelmatig werken in de jetblast (uitlaatgassen) van opstartende en taxiënde voertuigen? Zo nee, hoe beoordeelt u dit?
Het is onvermijdelijk dat mensen die op het platform van een luchthaven werken tot op zekere hoogte aan de uitlaatgassen van een vliegtuig worden blootgesteld. Er worden op Schiphol diverse maatregelen genomen om de blootstelling te beperken. Kortheidshalve verwijs ik u aanvullend naar de antwoorden op de vragen 3, 6, 11 en 12.
Deelt u de overtuiging dat blootstelling van werknemers aan vliegtuigmotoremissie net als blootstelling aan dieselmotoremissie zeer ongewenst is?
Voor iedereen geldt dat het ongewenst is dat men wordt blootgesteld aan stoffen die de gezondheid kunnen schaden. Daarom is in de arbeidsomstandighedenwetgeving opgenomen dat de werkgever de plicht heeft om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers.
Bent u op de hoogte van het feit dat op vliegveld Kopenhagen elektrisch slepen (push-back) van vliegtuigen de eerste keuze is?3
We zijn op de hoogte van het document waarnaar in de vraag wordt verwezen en waarin is opgenomen dat push-back een maatregel is om lokale emissies te reduceren.
Bent u op de hoogte van het feit dat op vliegveld Kopenhagen een vliegtuig alleen weg mag taxiën met één draaiende motor wanneer slepen (push-back) onmogelijk is, zodat de blootstelling van werknemers aan uitlaatgassen vermindert?4
We zijn op de hoogte van het document waarnaar in de vraag wordt verwezen en waarin sprake is van regels voor het taxiën met één draaiende motor.
Deelt u de mening dat dit voorbeeld van bronaanpak ook op een vergelijkbaar vliegveld als luchthaven Schiphol de regel zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Ook op Schiphol is sprake van bronaanpak. Zo wordt aan de pieren push-back toegepast. Push-back is noodzakelijk, omdat de vliegtuigen aan de pieren met de neus naar de terminal staan geparkeerd en niet zelfstandig achteruit kunnen rijden. Als een vliegtuig door een push-back-truck op de rijbaan is geduwd, wordt het vliegtuig losgekoppeld en zal het zelfstandig vooruit naar de startbaan taxiën.
De motoren van de vliegtuigen worden pas tijdens of na de push-back opgestart, dus niet op de opstelplaats. Hierdoor wordt de blootstelling van werknemers bij de opstelplaatsen aan uitlaatgassen van de vliegtuigen verminderd. De meeste vliegtuigen worden op Schiphol aan pieren afgehandeld, dus de bronaanpak met push-back-trucks wordt op Schiphol op de meeste vliegtuigen toegepast.
Slepen, dat in vraag 5 wordt genoemd, is iets anders dan push-back. Bij slepen wordt een extern voertuig aan het vliegtuig gekoppeld, waarna het vliegtuig over langere afstand vooruit wordt voortgetrokken. In april 2020 is op Schiphol een programma gestart om duurzaam taxiën mogelijk te maken. Onderdeel van dit programma is een proefproject met de zogeheten Taxibot. De Taxibot lijkt op een normale push-back-truck. De Taxibot blijft echter na het achteruit duwen aan het vliegtuig gekoppeld en sleept het vliegtuig vervolgens vooruit naar het begin van de startbaan. Op die manier hoeft het vliegtuig de eigen motoren niet te gebruiken om van de rijbaan bij de gate naar de startbaan te rijden en hoeft het de eigen motoren pas in te schakelen vlak voor de start. Een taxibot kan ook worden ingeschakeld om een vliegtuig na de landing van de landingsbaan naar de gate te slepen.
Het programma Duurzaam Taxiën5 van Schiphol voorziet in een haalbaarheidsstudie naar de inpassing van duurzaam taxiën in de dagelijkse operatie, waarbij onder meer aandacht wordt besteed aan veiligheid, de reductie van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen, de schaal waarop taxibots kunnen worden ingezet en consequenties voor de verkeersleiding en piloten. Een reductie van de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zal naar verwachting leiden tot een vermindering van de blootstelling van werknemers aan die stoffen.
In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB, Artikel 3.2.1) is voorgeschreven dat een drie- of viermotorig vliegtuig na het landen met één uitgeschakelde motor van de landingsbaan naar de afhandelingsplaats moet taxiën. Veruit het grootste deel van de vliegtuigvloot op Schiphol zijn tweemotorige toestellen. Het is niet mogelijk om in zijn algemeenheid voor die vliegtuigen voor te schrijven dat ze één motor moeten uitschakelen als ze gaan taxiën, zoals in vraag 5 wordt genoemd, omdat niet alle tweemotorige toestellen op één motor kunnen taxiën. Daarom zijn er vliegtuigfabrikanten die nadrukkelijk aangeven dat het taxiën van hun tweemotorige toestellen op één motor niet is toegestaan. Overigens taxiën tweemotorige vliegtuigen op Schiphol, waarbij het wel mogelijk is om één motor uit te schakelen, daadwerkelijk veelvuldig op één motor van of naar de gate.
Deelt u de overtuiging dat wanneer Schiphol en daar opererende luchtvaartmaatschappijen deze genoemde regel niet toepassen, zij eerst moeten aantonen met metingen waarom deze voorzorg niet noodzakelijk is?
Zoals hiervoor aangegeven is in de arbeidsomstandighedenwetgeving opgenomen dat de werkgever de plicht heeft om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers. Het is aan de werkgever om te besluiten welke maatregelen in dat kader worden genomen.
Op de platforms van de luchthaven zijn niet alleen werknemers van Schiphol actief, maar ook werknemers die in dienst zijn van diverse externe bedrijven die door de luchtvaartmaatschappijen worden ingeschakeld. Daarom is het in dit geval aan alle verschillende werkgevers, inclusief Schiphol, om te beoordelen welke maatregelen doeltreffend kunnen zijn.
Bent u bereid om de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid te laten inventariseren of de maatregelen op Schiphol voldoende zijn om blootstelling aan jetblast te voorkomen?
De verschillende werkgevers op de luchthaven, inclusief Schiphol zelf, zijn verantwoordelijk voor het nemen van afdoende maatregelen om blootstelling aan schadelijke stoffen te beperken. Het meetprogramma dat in opdracht van Schiphol door TNO zal worden uitgevoerd, zal inzicht geven in de niveaus van ultrafijn stof waaraan werknemers bloot kunnen staan. Op basis daarvan zullen de werkgevers moeten bezien of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
De Inspectie SZW wacht de uitkomsten hiervan af en betrekt dit bij het toezicht op de naleving van de arbeidsomstandigheden op Schiphol.
Kunt u de Kamer verder informeren over de voortgang van het meetprogramma ultrafijnstof op Schiphol?
Het meetprogramma ultrafijn stof6 op het luchthaventerrein wordt in opdracht van Schiphol Group door TNO opgesteld en uitgevoerd. Het programma stond gepland in de eerste helft van 2020, maar is toen niet uitgevoerd vanwege het sterk verminderd vliegverkeer als gevolg van de Covid-19-crisis7.
De huidige verwachting is dat het meetprogramma begint in het tweede kwartaal van 2021.
Bent u op de hoogte van het feit dat Deense onderzoekers in tegenstelling tot het voornemen van TNO5 wél persoonsgebonden metingen uitgevoerd hebben met draagbare ultrafijnstofmeters, omdat dit volgens hen nodig is voor een betrouwbaar beeld van de blootstelling op werkdagen per persoon en per functie?6
Het is bekend dat in Denemarken metingen zijn uitgevoerd met draagbare meetapparatuur.
Waarom wordt deze persoonsgebonden aanpak niet gevolgd in aanvulling op metingen met vaste installaties op Schiphol?7
Het meetprogramma van Schiphol heeft tot doel om inzicht te verkrijgen in de verspreiding en concentratieniveaus van ultrafijn stof op het terrein van Schiphol. Hierdoor wordt een beeld verkregen van de mogelijke concentraties aan ultrafijn stof waaraan medewerkers kunnen worden blootgesteld en de belangrijkste bronbijdragen van ultrafijn stof op het terrein van Schiphol.
Er wordt gemeten met grote, geavanceerde meetapparatuur, zoals ook is gebruikt bij de meeste metingen in het RIVM-onderzoekprogramma van ultrafijn stof rond Schiphol, dus buiten het luchthaventerrein. De meetapparatuur wordt in het meetprogramma van Schiphol in auto’s ingebouwd, zodat metingen op elke plaats op het luchthaventerrein kunnen worden uitgevoerd.
Kleine meetapparatuur die is geschikt voor persoonsgebonden metingen, zoals is gebruikt in de Deense studie, is nog niet uitvoerig getest voor ultrafijnstofmetingen op luchthavens. Het is daarom nog de vraag hoe deze kleine meetapparatuur presteert in het meten van specifiek ultrafijn stof van vliegtuigen.
Om daarin inzicht te verkrijgen, wordt in het meetprogramma op Schiphol de kleine meetapparatuur wel gebruikt, maar dan wel op dezelfde plaats en op hetzelfde moment als waar de grote, geavanceerde meetapparatuur wordt ingezet. Hierdoor meet de kleine meetapparatuur het ultrafijn stof op dezelfde plaats en tegelijkertijd met de grote apparatuur. Door de meetresultaten van de grote en kleine meetapparatuur te vergelijken, wordt inzicht verkregen in de meetprestatie van de kleine meetapparatuur.
De hiervoor beschreven aanpak in het meetprogramma op Schiphol borduurt op deze manier verder op de resultaten van de Deense studie. In die studie is namelijk een aantal vragen opgeworpen, zoals de vraag of de kleine meetapparatuur voor ultrafijn stof betrouwbaar genoeg is om concentraties ultrafijn stof op een luchthaven te meten en wat de bijdragen/effecten van bepaalde bronnen op de concentraties ultrafijn stof zijn.
Herinnert u zich de toezegging dat Schiphol onder andere interne en externe vertegenwoordigers van werknemers en werknemersorganisaties zal betrekken bij het opzetten van een meetprogramma voor ultrafijnstof?8
Ja. Daarom heeft Schiphol begin 2020 een klankbordgroep met vertegenwoordigers van werknemers en werknemersorganisaties geformeerd. De samenstelling van deze klankbordgroep is zodanig dat zowel de werknemers die in dienst zijn van Schiphol zijn vertegenwoordigd als de werknemers die in dienst zijn van de diverse externe bedrijven die op de platforms van de luchthaven actief zijn, bijvoorbeeld voor bagageafhandeling en tanken.
In het eerste kwartaal van 2020 stond een bespreking van deze klankbordgroep over het meetprogramma ultrafijn stof gepland, omdat het meetprogramma in het tweede kwartaal van 2020 zou worden uitgevoerd. Het meetprogramma is toen echter niet uitgevoerd vanwege het sterk verminderd vliegverkeer als gevolg van de Covid-19-crisis. De geplande vergadering van de klankbordgroep in het eerste kwartaal van 2020 is daarom niet doorgegaan.
Schiphol is van plan het meetprogramma ultrafijn stof in het tweede kwartaal van 2021 te starten. Voorafgaand daaraan zal een bespreking met de klankbordgroep worden gepland.
Bent u op de hoogte van het feit dat de arbeidsomstandighedenwet en goede praktijken voorschrijven dat belanghebbende werkenden vanaf het begin betrokken worden bij het arbeidsomstandighedenbeleid en op zijn minst gehoord moeten worden voordat er een besluit valt? Zo ja, waarom voldoet u hier niet aan?
Volgens de arbeidsomstandighedenwet voert de werkgever overleg met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging over aangelegenheden die het arbeidsomstandighedenbeleid betreffen, alsmede over de uitvoering van dit beleid. In het geval van de luchthaven Schiphol zijn de belanghebbende werknemers vaak niet in dienst van Schiphol, maar werken voor externe bedrijven, zoals bagageafhandeling- en schoonmaakbedrijven die worden ingehuurd door luchtvaartmaatschappijen. Daarom heeft Schiphol een arboplatform georganiseerd, waarin de werknemers van Schiphol en van de externe bedrijven zijn vertegenwoordigd. In dit platform heeft onder meer de FNV zitting.
Specifiek voor het meetprogramma ultrafijn stof is, zoals aangegeven, een aparte klankbordgroep geformeerd. Het meetprogramma dat TNO in overleg met het RIVM op basis van wetenschappelijke inzichten en afwegingen heeft geformuleerd, wordt vóór de metingen uitgevoerd in deze klankbordgroep gepresenteerd en besproken. Op basis van die bespreking kunnen nog bepaalde wijzigingen in het programma worden aangebracht. Hiermee wordt voldaan aan het tijdig horen van belanghebbende werknemers.
Deelt u de mening dat de inbreng van werkenden en werknemersorganisaties noodzakelijk is om tot doeltreffende oplossingen te komen die recht doen aan de praktijk? Zo nee, waarom niet?
Ja. Schiphol geeft hier uitvoering aan door in een klankbordgroep met werknemers en werknemersorganisaties het voorgestelde meetprogramma voor ultrafijn stof te bespreken.
Waarom schrijft u in een schriftelijk overleg vervolgens dat TNO in overleg met het RIVM reeds beslist heeft over de opzet van een meetprogramma zonder inbreng van belanghebbende werknemers en hun werknemersorganisaties?9
In het schriftelijk overleg is aangegeven dat TNO in overleg met het RIVM de onderzoeksaanpak heeft bepaald. Die aanpak houdt in dat gebruik wordt gemaakt van nauwkeurige meetapparatuur die door plaatsing op een voertuig mobiel wordt gemaakt en dat geen gebruik wordt gemaakt van persoonsgebonden meetapparatuur. Deze aanpak is door de betreffende deskundigen van TNO en RIVM op basis van wetenschappelijke inzichten en afwegingen geformuleerd en staat daarom niet ter discussie. In het antwoord op vraag 11 is een toelichting gegeven op de aanpak.
Verder is in het schriftelijk overleg aangegeven dat voor medewerkers van Schiphol een klankbordgroep wordt georganiseerd. Dit is in de antwoorden op de vragen 12 tot en met 14 bevestigd. Dit kan leiden tot aanpassing van het meetprogramma als het gaat om waar en wanneer wordt gemeten.
Het meetprogramma voorziet in een actieve betrokkenheid van de medewerkers op Schiphol. Zij worden ook zelf in staat gesteld om metingen op door hen gekozen locaties uit te voeren, uiteraard onder begeleiding van TNO om te waarborgen dat de metingen op de juiste manier worden uitgevoerd.
Er is dus voorzien in de in de vraag genoemde inbreng van werknemers.
Beschouwt u de eerder gepresenteerde gezamenlijke werkwijze van overheid, onderzoeksinstituten en sociale partners op vliegveld Kopenhagen10 nog steeds als een voorbeeld van een goede praktijk?
Een werkwijze waarin alle betrokkenen op een constructieve wijze met elkaar samenwerken om dingen op te pakken, is uiteraard een goede praktijk.
Daarom is het belangrijk dat Schiphol werknemers en werknemersorganisaties betrekt bij het meetprogramma, zoals in de antwoorden op de vragen 12 tot en met 15 is aangegeven.
Deelt u de overtuiging dat coördinatie noodzakelijk is om blootstelling van werkenden aan schadelijke en kankerverwekkende uitlaatgassen te verminderen op de door meerdere bedrijven gedeelde werkvloer van Schiphol? Zo ja, welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Om inzicht te krijgen in de gezondheidseffecten van het ultrafijn stof in de uitlaatgassen van vliegtuigen wordt momenteel door het RIVM een uitgebreid onderzoekprogramma uitgevoerd. Daarom kan nog geen oordeel worden gegeven over de kwalificatie van de effecten die in de vraag is opgenomen.
Zoals in het antwoord op vraag 13 is aangegeven, heeft Schiphol een arboplatform georganiseerd, waarin de werknemers van Schiphol en van de externe bedrijven zijn vertegenwoordigd.
Waarom volgt u dit voorbeeld van samenwerking tussen onderzoeksinstituten, overheidsinstanties en sociale partners niet, maar kiest u voor een gefragmenteerde aanpak waarbij de werknemers om wier gezondheid het gaat nauwelijks inspraak hebben?
Zoals in de antwoorden op de vragen 12 tot en met 16 is aangegeven, is er voor het meetprogramma ultrafijn stof op het luchthaventerrein Schiphol juist sprake van de samenwerking die in de vraag wordt bedoeld. De werknemers worden betrokken bij de opzet en uitvoering van het meetprogramma.
Gaat u dit voorbeeld opvolgen door als mede-eigenaar en belast met de bescherming van de arbeidsomstandigheden het initiatief te nemen tot gezamenlijk overleg tussen sociale partners om de blootstelling van werkenden aan schadelijke en kankerverwekkende uitlaatgassen op luchthaven Schiphol te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Kortheidshalve wordt verwezen naar de voorgaande beantwoording.
Verder wijzen we nog op het feit dat, in reactie op de motie Lacin14, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het RIVM heeft gevraagd om te adviseren over een gezondheidsonderzoek voor platformmedewerkers op Schiphol.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De crisissteunmaatregelen voor amateursportverenigingen |
|
Bart van Kent (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat van honderden voetbalclubs, die in aanmerking zouden komen voor loonsteun via de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) 3.0, compensatie wordt afgewezen door een bureaucratische regel (de referentiemaand juni die precies in de zomerstop valt) en de zorgen van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) hierover?1
Ja.
Waarom kan bij verenigingen die geen aangifte hebben gedaan in juni vanwege het ontbreken van loonkosten in verband met de zomerstop wel automatisch naar april als peilmaand worden gekeken, maar kan dit kennelijk niet bij de honderden amateurverenigingen die een nihilaangifte hebben gedaan, waardoor zij géén NOW-compensatie krijgen? Wat is hier logisch en redelijk aan? Realiseert u zich dat hierdoor honderden amateursportverenigingen langdurig hard worden getroffen?
Hoewel het mogelijk is dat er een verschil is tussen amateurclubs die geen aangifte hebben gedaan en amateurclubs die een nihilaangifte hebben gedaan, is er geen sprake van een onterechte afwijzing van de NOW-aanvragen. Werkgevers zijn wettelijk verplicht om binnen 4 weken hun aangifte loonheffingen te doen, ook in het geval er sprake is van geen loonkosten. Het is niet zo dat werkgevers die geen loonkosten hebben gemaakt de keuze hebben tussen een nihilaangifte of geen aangifte. Dat er een terugvalmaand in de regeling is opgenomen, komt omdat werkgevers, die niet een fiscaal dienstverlener of marktsoftware inzetten om aangifte te doen, vanaf begin 2020 een eHerkenningsmiddel nodig hebben om aangifte loonheffingen over 2020 via het portaal van de Belastingdienst te doen. Sommige werkgevers hebben om die reden meer tijd gekregen om een eHerkenningsmiddel te verkrijgen en aangifte loonheffingen te doen. Voor dergelijke gevallen was het bij het opstellen van de NOW 1 en NOW 2 nodig dat er een terugvalmaand in de regeling werd opgenomen. De terugvalmaand is bedoeld voor die situaties waarin de werkgever geen loonaangifte kón doen in 2020 vanwege het ontbreken van eHerkenning. In de NOW 1 en 2 is daarom gekozen voor een terugvalmaand in 2019 (november2). Zonder terugvalmaand in 2019 hadden werkgevers die nog geen aangifte hadden gedaan in 2020 geen steun kunnen ontvangen uit de NOW-regeling vanwege het ontbreken van loongegevens in 2020.
Ook in de NOW 3 regeling, die opengegaan is in oktober 2020, is een terugvalmaand opgenomen (april 2020). Deze terugvalmaand zou voor het mogelijk nog ontbreken van toegang tot een eHerkenningsmiddel door een werkgever niet behulpzaam zijn: in 2020 kan immers geen aangifte loonheffingen meer worden gedaan via het portaal van de Belastingdienst zonder gebruikmaking van een eHerkenningsmiddel. Als in de terugvalmaand april 2020 wél aangifte is gedaan, dan was het dus ook mogelijk om aangifte in juni 2020 te doen. Zou in beide maanden geen aangifte zijn gedaan als gevolg van het ontbreken van eHerkenning (en dus door de Belastingdienst uitstel van aangifte zijn verleend), dan zou een terugvalmaand in november 2019 meerwaarde hebben. In de derde en vierde NOW tranches zijn er vooralsnog overigens geen signalen ontvangen van werkgevers die als gevolg van het geen toegang hebben tot eHerkenning in 2020 nog geen loonaangifte hebben kunnen doen en daardoor geen aanspraak hebben kunnen maken op de NOW.
Zoals gezegd, werkgevers zijn wettelijk verplicht om loonaangifte te doen, ook als dit slechts een laag bedrag of nihil is. Wel geldt dat de aangifte loonheffingen over juni 2020 al was vastgesteld voor bekendmaking van de NOW 3 regeling, waardoor er niet met voorbedachten rade geen aangifte loonheffingen gedaan kan zijn. In een klein aantal gevallen is er binnen de NOW 3 teruggevallen op de maand april zoals deze in de regeling is opgenomen. Het is niet bekend of dit amateurclubs zijn.
Het is inderdaad mogelijk dat er amateurvoetbalverenigingen zijn die geen NOW 3 ontvangen door het hanteren van juni 2020 als referentiemaand. Hoewel het kabinet betreurt dat hierdoor werkgevers mogelijk NOW-subsidie mislopen, ziet het kabinet binnen de NOW-regelingen geen oplossing voor dit probleem zonder dat dit te grote risico’s betekent voor de huidige uitvoering van de regelingen. Wel kunnen de amateurclubs waarbij de NOW-regeling niet toepasbaar is, aanspraak maken op de Tegemoetkomingsregeling Amateursportorganisaties (TASO). Op deze manier kunnen zij een vergoeding krijgen voor personeelslasten die niet via andere regelingen zijn gecompenseerd. Daarmee kunnen ook de loonkosten van deze amateurclubs deels vergoed worden. Het kabinet hoopt hiermee de amateurclubs tegemoet te komen. Daarnaast wordt onderzocht of de TASO-regeling voor het eerste en tweede kwartaal van 2021 kan worden verruimd om sportverenigingen zo passend mogelijk te ondersteunen in de loonkosten.
Bent u ermee bekend dat de Tegemoetkoming Amateursportorganisaties (TASO) voor veel verenigingen geen oplossing biedt omdat deze een lager bedrag compenseert en bijvoorbeeld niet aan te vragen is wanneer een vereniging gebruik maakt van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)?
Er is een mogelijkheid gecreëerd in de TASO-regeling om amateurverenigingen met personeel in loondienst een compensatie te bieden voor loonkosten, wanneer zij hiervoor geen vergoeding krijgen vanuit de NOW-regeling. Op deze wijze kan een vereniging toch loonsteun ontvangen als dit via de NOW niet mogelijk blijkt. Via de TASO-regeling voor het vierde kwartaal van 2020 is al circa € 4 miljoen aan steun verleend voor loonkosten van amateursportverenigingen. Zoals al aangegeven wordt onderzocht of de TASO-regeling kan worden verruimd om amateurverenigingen nog beter te ondersteunen.
De TASO-regeling sluit uit dat een TASO-tegemoetkoming voor vaste lasten wordt verleend als een vereniging ook gebruik maakt van de TVL. Daarop is de uitzondering gemaakt dat een vereniging die TVL ontvangt, ook een tegemoetkoming uit de TASO kan aanvragen voor loonkosten die niet op grond van de NOW of Tozo zijn gecompenseerd. Die uitzondering is ingebouwd in de TASO-regeling voor het vierde kwartaal van 2020. Een vereniging die al voor haar doorlopende lasten een TVL-subsidie ontvangt, maar nog wel loonkosten heeft waar geen NOW over is verleend, kan voor die loonkosten dus wel een TASO-tegemoetkoming aanvragen.
Bent u bereid met NOC*NSF en de KNVB te onderzoeken hoe groot dit probleem en de gevolgen precies zijn?
Het kabinet is continu in gesprek met NOC*NSF, de ondernemende sport en de sportbonden over de gevolgen van de coronacrisis. Ook dit onderwerp staat daar op de agenda.
Erkent u het grote belang dat onze sportinfrastructuur overeind blijft in deze crisis, omdat het belang van sporten, ontspanning en blijven bewegen juist nu erg groot is?
Ja. Daarom blijft het kabinet zich inzetten om de sportsector te ondersteunen, zowel via het generieke steun- en herstelpakket, als via het aanvullend steunpakket voor de amateursportorganisaties. Het generieke steun -en herstelpakket is op 21 januari jl. fors uitgebreid3.
Bent u bereid hier een oplossing voor te vinden, bijvoorbeeld door nihilaangiftes bij de NOW-compensatie toe te staan of de peildatum in dit soort gevallen (automatisch) te wijzigen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, biedt de TASO-regeling al een compensatieroute voor sportverenigingen die hun loonkosten niet via de NOW kunnen compenseren. In veel gevallen lijkt die compensatieroute ook toereikend te zijn. Om ook de verenigingen te ondersteunen voor wie de TASO-compensatie mogelijk te laag uitpakt, wordt onderzocht of de TASO-regelingen voor het eerste en tweede kwartaal kunnen worden verruimd om een meer passende compensatie voor hun financiële schade te bieden.
Door NOW gratis overwerken |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat werknemers die vanwege corona minder kunnen werken min-uren opbouwen, zoals in de detailhandel, waardoor zij later in het jaar gratis moeten overwerken?
Ja.
Deelt u de mening dat aan werknemers die vanwege de coronacrisis niet kunnen werken, niet gevraagd kan worden om deze uren op een later moment in te halen?
De werkgever heeft een loondoorbetalingsverplichting, ook als de arbeid geheel of gedeeltelijk niet is verricht. Dat betekent dat de werkgever in principe de werknemer niet kan verplichten niet-gewerkte uren in een andere maand in te halen. Dat tijdens de sluiting van het bedrijf de werknemers wel beschikbaar waren voor het uitvoeren van de werkzaamheden, maar niet konden werken door de corona-maatregelen, is een risico dat voor rekening van de werkgever komt. Dit betekent dat een werknemer in beginsel niet kan worden verplicht om niet-gewerkte uren in te halen, tenzij sprake is van een uitzondering doordat dit bijvoorbeeld in de cao of individuele arbeidsovereenkomst is opgenomen. Jaarurensystematiek wordt altijd met vakbonden afgesproken.
Het is aan cao-partijen, of werkgevers en werknemers samen om af te spreken hoe eerder gemaakte afspraken zich verhouden tot de corona-crisis, bijvoorbeeld in het geval van een jaarurennorm. Eerder is er in een bestuurlijk overleg met de sociale partners aandacht gevraagd voor dit onderwerp.
Als partijen er niet uitkomen, of als buiten de gemaakte afspraken om niet-gewerkte uren moeten worden ingehaald, kunnen partijen dit aan de rechter voorleggen.
Bent u tevens van mening dat minuren de verantwoordelijkheid van de werkgever en zeker niet van de werknemer zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de grote zorgen dat er bij de FNV concrete voorbeelden binnenkomen van werkgevers in de detailhandel die nu al bij hun werknemers aangeven dat zij die min-uren later dienen in te halen dan wel worden gekort op hun vakantie-uren?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat als een werknemer buiten zijn schuld niet kan werken het niet geoorloofd is dat de werkgever deze werknemer dwingt om deze uren later in te halen dan wel te verrekenen met vakantie-uren?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u er voor zorgen dat werknemers, die vanwege de sluiting van de winkels thuis zitten, niet gedwongen worden hun uren in te halen oftewel coronacorvee moeten doen? Op welke manier gaat u dit realiseren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereind om de Inspectie SZW op deze bedrijven af te sturen?
De Inspectie SZW houdt toezicht op de naleving van arbeidswetten zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) de Arbeidstijdenwet (Atw) en de Arbeidsomstandighedenwet. De Inspectie kan bij overtreding daarvan verschillende bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten inzetten, zoals een waarschuwing, eis, boete of last onder dwangsom, met als doel om een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bereiken. In deze aangelegenheid is het echter, zoals bij vraag 2 tot en met 6 verwoord, aan de cao-partijen of aan de werkgever en werknemers om hier gezamenlijk afspraken over te maken.
Ziet u ook een mogelijk verdienmodel als bedrijven nu NOW-steun ontvangen en later hun medewerkers laten overwerken?
De NOW is een subsidie en treedt niet in het arbeidsrecht. De werkgever handelt vanuit de NOW bezien correct, want hij heeft het salaris doorbetaald. Het is aan cao-partijen, werkgevers en werknemers om afspraken te maken over min-uren. Indien cao-bepalingen niet worden nageleefd door partijen, kan dit aan de rechter worden voorgelegd. Het is aan de rechter om hierover een oordeel te vellen.
Vindt u dat de uren die worden betaald met NOW-steun juridisch kunnen worden gezien als werkuren?
Voor de NOW maakt het geen verschil of uren daadwerkelijk gewerkt zijn of niet. Dat is inherent aan de regeling: de regeling is erop gericht om werkgevers te ondersteunen bij het in dienst houden van personeel als er sprake is van omzetverlies. Dit geldt voor bedrijven die volledig gesloten zijn als gevolg van de maatregelen tegen het Corona-virus, maar ook voor bedrijven die gewoon open zijn maar als gevolg van Corona een verminderde omzet hebben. Om alle ondernemers die te maken hebben met omzetverlies te steunen, wordt in de NOW geen onderscheid gemaakt naar of de uren wel of niet gewerkt worden.
Betekent dit dan ook als een bedrijf NOW krijgt, dat de uren waarvoor NOW wordt ontvangen niet als min-uren mogen worden aangemerkt? Zo ja, bent u bereid, indien werkgevers dit doen, maatregelen te treffen tegen deze werkgevers, zoals het invorderen van de NOW over de ingediende minuren, immers dit zijn dan ook geen gewerkte uren? Zo nee, deelt u de mening dat de NOW bedoeld is om banen, en daaraan gekoppelde gewerkte uren, overeind te houden?
Het doel van de NOW is behoud van werkgelegenheid. Binnen de NOW regeling staan voorwaarden waaraan een werkgever moet voldoen. In de NOW zijn geen voorwaarden opgenomen over niet-gewerkte uren. Het is niet mogelijk en niet wenselijk om de regeling op dit punt met terugwerkende kracht aan te scherpen.
Bent u daarom bereid om de NOW met terugwerkende kracht zo aan te passen dat het niet mogelijk is voor een bedrijf die NOW krijgt werknemers minuren te laten inhalen?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht dat een directeur zijn eigen journalisten wil volgen met een geheime camera |
|
Peter Kwint |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
Is het toegestaan om medewerkers op de manier te volgen met verborgen camera's, zoals beschreven in het bericht van de Volkskrant «Directeur Limburgse omroep L1 wil eigen personeel kunnen volgen met camera's»?1
Heimelijk cameratoezicht is in beginsel niet toegestaan, omdat het een grote inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer. Slechts in bijzondere gevallen en onder strikte voorwaarden is verborgen cameratoezicht toegestaan. Zo kan de inzet daarvan gerechtvaardigd zijn bij een redelijk vermoeden van diefstal of fraude. Dan geldt onder meer als voorwaarde dat andere genomen maatregelen hieraan geen einde hebben kunnen maken en dat de inzet daarvan tijdelijk is. Ook zal de ondernemingsraad hiermee moeten instemmen.
Is het toegestaan om e-mails van medewerkers te lezen met alleen instemming van de leidinggevende zelf?
Een werkgever mag onder bepaalde voorwaarden zakelijke e-mails van medewerkers lezen. Uit de Algemene verordening gegevensbescherming volgt onder meer dat een werkgever een gerechtvaardigd belang moet hebben om zakelijke e-mails van medewerkers te lezen dat zwaarder weegt dan het privacybelang van de medewerker. Als er minder vergaande maatregelen voorhanden zijn om het doel van de werkgever te bereiken, dan is het niet toegestaan. Ook zal de werkgever medewerkers voorafgaand aan het lezen van zakelijke e-mails hierover moeten informeren. Het is aan de werkgever om te bepalen welke functionaris binnen het bedrijf toestemming verleent om zakelijke e-mails te kunnen lezen. Ook dit is een onderwerp waar de ondernemingsraad instemmingsrecht heeft.
Deelt u de mening dat de maatregelen die deze directeur wil nemen de grenzen van goed werkgeverschap en een veilige journalistieke omgeving ver overschrijden? Zo nee, waarom niet?
De berichtgeving gaf aanleiding tot zorg. Vanwege alle commotie heeft de directeur zijn plannen inmiddels weer ingetrokken. Ik heb begrepen dat de Raad van Commissarissen een verzoek tot onderzoek bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam aanhangig heeft gemaakt, in welk kader kan worden vastgesteld of al dan niet van wanbeleid sprake is.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar deze gang van zaken en waar nodig zelf in te grijpen? Zo nee, waarom niet?
In beginsel betreft dit een interne aangelegenheid van L1. Zoals op de vorige vraag gemeld, heeft de Raad van Commissarissen een verzoek tot onderzoek bij de Ondernemingskamer aanhangig gemaakt. Een uitspraak van de Ondernemingskamer is uiteindelijk bindend.
Instroom in de WIA van mensen met ME/CVS |
|
Steven van Weyenberg (D66), Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat mensen die overduidelijk in het geheel niet kunnen werken door Myalgische Encefalomyelitis/Chronisch Vermoeidheid Syndroom (ME/CVS) op dit moment niet worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt?
Nee. UWV moet bij de WIA-claimbeoordeling vaststellen of en zo ja, in welke mate betrokkene verdienvermogen heeft, gegeven de door UWV vastgestelde arbeidsbeperkingen als gevolg van een achterliggende ziekte of gebrek. Dit geldt ook voor verzekerde werknemers met de ziekte ME/CVS met een aanvraag voor een WIA-claimbeoordeling. Als UWV vaststelt dat betrokkene verdienmogelijkheden heeft op een niveau lager dan 20% van zijn maatmaninkomen, dan is betrokkene volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA.
Klopt het dat een aantal mensen die vanuit de ziektewet op dit moment de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in stromen, niet opnieuw gezien worden door een verzekeringsarts? Klop het dat op basis van een beoordeling van meer dan een jaar geleden wordt gekeken naar het arbeidsvermogen, wat bepalend is voor de hoogte van de uitkering?
Nee, dat is niet juist. Voor elke Ziektewetgerechtigde geldt dat hij of zij de mogelijkheid heeft om bij einde WIA-wachttijd (twee jaar) een aanvraag voor een WIA-claimbeoordeling in te dienen bij UWV. UWV verricht vervolgens de WIA-claimbeoordeling op exact dezelfde wijze als voor verzekerden die tijdens de twee ziektejaren vielen onder de verplichte loondoorbetaling bij ziekte op grond van het Burgerlijk Wetboek. Bij de WIA-claimbeoordeling is altijd een verzekeringsarts betrokken voor het verrichten van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.
Wordt er bij deze beoordeling ook informatie uitgevraagd bij de medisch specialist als deze wel de patiënt nog fysiek heeft gezien?
UWV betrekt alle informatie die men nodig acht voor het kunnen verrichten van het verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Als de benodigde informatie van de medisch specialist niet is meegestuurd en als de verzekeringsarts bij UWV van mening is dat deze informatie relevant is of kan zijn voor de beoordeling, dan heeft UWV de mogelijkheid om, met toestemming van de verzekerde, deze informatie bij de medisch specialist op te vragen. Dit conform de richtlijn «Beheer gegevens vallend onder het medisch beroepsgeheim van de verzekeringsarts» (2010).
Deelt u de mening dat het niet juist worden beoordeeld op arbeidsvermogen veel stress kan veroorzaken bij mensen?
Dat kan ik mij voorstellen. Daarom is er een zorgvuldig proces waarin UWV uitvoering geeft aan zijn wettelijke taak om claimbeoordelingen te verrichten in lijn met alle voor dat doel opgestelde richtlijnen en standaarden. Daarnaast staat voor elke verzekerde de mogelijkheid open van bezwaar en beroep in die situaties waarin de verzekerde van mening is dat de beslissing onjuist en/of op onjuiste gronden is getroffen.
Ik realiseer mij dat een perceptie van een door UWV onjuist getroffen beslissing en/of het bewandelen van een bezwaar- en/of beroepstraject voor betrokkene stressvol kan zijn.
Kunt u aangeven wat er is gebeurd met de motie-Raemakers c.s. die vraagt om ME/CVS-patiënten bij wie de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is afgewezen, actief te informeren over hun mogelijkheden om zich opnieuw bij het UWV te laten beoordelen?1
De motie Raemakers stelt dat klanten met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (ME/CVS) zich in bepaalde gevallen opnieuw bij UWV moeten kunnen melden voor een sociaal-medische beoordeling. Het betreft hier ME/CVS-patiënten bij wie de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is afgewezen vanwege het feit dat zij geen cognitieve gedragstherapie (CGT) dan wel graded exercise therapie (GET) hadden gevolgd.
UWV voert op dit moment de motie Raemakers uit. Concreet betekent dit dat elke verzekerde die door een verzekeringsarts van UWV is beoordeeld voor een WIA-, Wajong-, WAZ- of WAO-uitkering vanwege ME/CVS, zich kan melden bij UWV aan de hand van een voor dat doel opgesteld formulier. Dat formulier is te vinden op de website van UWV.2 Een verzekerde met ME/CVS komt mogelijk in aanmerking voor een herbeoordeling indien de verzekeringsarts bij de vorige beoordeling heeft vastgesteld dat de verzekerde niet voldoende gedaan had aan zijn herstel, met de door de verzekeringsarts opgevoerde reden dat de verzekerde geen CGT of GET had gevolgd.
Kunt u aangeven hoe vaak mensen in bezwaar gaan tegen een beoordeling van een verzekeringsarts bij een WIA-aanvraag?
In 2020 zijn bijna 82.500 beslissingen genomen door UWV op een WIA-aanvraag of herbeoordeling en zijn 12.637 verzekerden in bezwaar gegaan tegen een beslissing van UWV op een WIA-beoordeling. Deze bezwaren richten zich tegen het besluit van UWV betreffende de uitkeringsclaim; de verzekeringsgeneeskundige beoordeling en de arbeidsdeskundige beoordeling maken hier onderdeel van uit.
Kunt u aangeven hoe vaak dat tot een andere uitkomst leidt en hoe vaak het bezwaar tot een beroepszaak leidt?
Van de hierboven genoemde 12.637 bezwaren hebben 3.577 zaken geleid tot een wijziging van een beslissing van UWV.
In 2020 hebben 2.083 verzekerden beroep aangetekend tegen een beslissing WIA-bezwaar. Gezien de termijnen voor het indienen van een beroepszaak (6 weken), kunnen deze aantallen niet exact gerelateerd worden aan de 12.637 bezwaarbeslissingen in 2020, maar geven ze een goede indicatie van de verhouding.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van bezwaar en beroep bij een WIA-beoordeling?
De gemiddelde doorlooptijd van een bezwaarzaak bij een WIA-beoordeling is 129 dagen.
Wat is het aandeel mensen per regio dat instroomt in de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) en het aandeel mensen dat instroomt in de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) 80–100 en WGA 35–80?
Onderstaand is een verdeling van de instroom WIA in 2019 naar provincie weergegeven3. De totale instroom bedroeg 45.810 mensen, waarvan 10.132 mensen een WGA 35–80 uitkering, 23.945 mensen een WGA 80–100 uitkering en 11.733 een IVA-uitkering kregen. Een uitsplitsing van de instroom naar WGA 35–80, WGA 80–100 en IVA per provincie of gemeente is op korte termijn niet voorhanden. Wel is in de Atlas SV (2019)4 een uitsplitsing van het lopende bestand naar gedeeltelijk arbeidsgeschikt (WGA 35–80) en volledig arbeidsongeschikt (WGA 80–100 en IVA) per gemeente terug te vinden.
In de tabel is de totale WIA-instroom per provincie weergegeven, het percentage van de totale instroom in de WIA per provincie en het percentage van de beroepsbevolking in een bepaalde provincie dat de WIA in is gestroomd in 2019. In de rij met het totaal is ook het gemiddelde instroompercentage van de beroepsbevolking in de WIA weergegeven voor Nederland.
Instroom WIA
% van instroom
% van beroepsbevolking
Groningen
1.506
3,3%
0,39%
Friesland
1.270
2,8%
0,31%
Drenthe
1.366
3,0%
0,45%
Overijssel
3.040
6,6%
0,41%
Gelderland
5.257
11,5%
0,40%
Utrecht
3.361
7,3%
0,38%
Noord-Holland
7.039
15,4%
0,37%
Zuid-Holland
8.621
18,8%
0,36%
Zeeland
962
2,1%
0,41%
Noord-Brabant
6.635
14,5%
0,40%
Limburg
3.940
8,6%
0,55%
Flevoland
1.208
2,6%
0,43%
Onbekend
1.605
3,5%
Totaal
45.810
0,41%
Als deze cijfers verschillen laten zien, hoe zou dat kunnen worden verklaard?
Het is niet eenvoudig om verschillen in instroompercentages te verklaren. Verschillen kunnen te maken hebben met een veelvoud aan redenen. Factoren die een rol kunnen spelen zijn demografische factoren (leeftijdsopbouw en geslacht), opleidingsniveau van de beroepsbevolking en de soorten arbeid die in een regio veel voorkomen (bijvoorbeeld kenniswerk of fysieke arbeid).
Sociale ondernemingen die niet alle coronasteun ontvangen |
|
William Moorlag (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sociale onderneming De Oude Keuken tussen wal en schip met coronasteun»?1
Ja.
Bent u ook van mening dat sociale ondernemingen, zoals De Oude Keuken, een enorm belangrijke rol en functie hebben in de samenleving, bijvoorbeeld bij het aan het werk helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt?
Sociale of maatschappelijke ondernemingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken op het terrein van bijvoorbeeld de arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, maar ook op andere terreinen zoals energie en klimaat, zorg en onderwijs. In beginsel kunnen alle ondernemingen een bijdrage hieraan leveren, maar vanwege hun focus op maatschappelijke impact nemen sociale ondernemingen hierbij een bijzondere positie in2.
Maakt u zich ook grote zorgen, gezien sociale ondernemingen vaak weinig buffers hebben, dat er door deze coronacrisis veel sociale ondernemingen op omvallen staan?
De coronacrisis hakt er bij iedereen in en dat is voelbaar in alle sectoren, bij werkenden, burgers en bij alle ondernemingen waaronder de sociale ondernemingen. Het kabinet spant zich daarom in om zo goed als kan baanbehoud en bedrijvigheid te ondersteunen. Het kabinet zet zich hier vanaf de start van de crisis voor in door middel van de omvangrijke steun- en herstelpakketten, waaronder de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de Tegemoetkoming in de Vaste Lasten (TVL) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Het generieke steun- en herstelpakket ademt mee en leidt daarmee automatisch tot meer steun voor ondernemers die langer dicht moeten.
Bent u van mening dat het hebben van een «verkeerde» SBI-code, hetgeen het geval is bij De Oude Keuken en bij andere sociale ondernemingen met een horecafunctie, er niet toe mag leiden dat zij geen aanspraak kunnen maken op alle noodzakelijke overheidssteun, zoals de Eenmalige opslag Horeca Voorraad en Aanpassingen (HVA)?
Vanaf het vierde kwartaal 2020 kunnen alle sectoren gebruik maken van de TVL (met uitzondering van de financiële instellingen) ongeacht de SBI-code. Dat geldt dus ook voor sociale ondernemingen zoals De Oude Keuken. De TVL-tegemoetkoming wordt berekend met behulp van de SBI-code waarmee per sector het vastelastenpercentage kan worden vastgesteld. Een onderneming kan TVL alleen op basis van de SBI-code van de hoofdactiviteit aanvragen. De TVL-subsidie wordt op basis van het hele omzetverlies berekend, inclusief het omzetverlies van de nevenactiviteit3.
De opslag HVA is gericht op bedrijven met een hoofdactiviteit SBI-code 56 eet- en drinkgelegenheden en geldt dus niet voor andere ondernemingen met ook een horecafunctie.4 Indien een onderneming kan aantonen dat bij de activiteiten waarmee de onderneming op 15 maart 2020 was ingeschreven in het handelsregister een andere SBI-code voor hoofdactiviteit passend zou zijn, dan kan deze onderneming daar binnen de gestelde termijnen beroep op doen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Om voor de HVA in aanmerking te komen moet dit dus om de hoofdactiviteit met SBI-code 56 eet- en drinkgelegenheid gaan.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat sociale ondernemingen met een verkeerde SBI-code toch de hoognodige overheidssteun krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid, omdat de problemen bij sociale ondernemingen breder spelen dan alleen een verkeerde SBI-code, in overleg met Social Enterprise Nederland extra steun aan sociale ondernemingen te bieden zodat zij deze coronacrisis doorkomen?
In de brief van 21 januari jl. heeft het kabinet het economische steun- en herstelpakket vanaf Q1 2021 fors uitgebreid.5 Het kabinet heeft blijvend oog voor de impact van de crisis en de beperkende maatregelen. De afgelopen maanden is er vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat veelvuldig contact geweest met het bedrijfsleven en verschillende branche- en belangenorganisaties, waaronder met Social Enterprise Nederland. Deze gesprekken zet het kabinet de komende tijd voort.
De onderbetaling van medewerkers bij de coronacallcenters |
|
Paul Smeulders (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FNV vindt «onderbetaling» medewerkers coronacallcenters «oneerlijk en gênant»«?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Waarom is opnieuw gekozen voor Teleperformance? Welke eisen zijn gesteld bij de aanbesteding en vielen fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en het opbouwen van pensioen ook onder die eisen? Zo nee, waarom niet?
Binnen een zeer korte tijd moest er een partij worden gevonden die een callcenter kon opzetten om burgers te woord te staan m.b.t. vaccinaties. GGD GHOR Nederland heeft voor Teleperformance gekozen omdat geen andere partij was die een callcenter voor vaccinatie tijdig operationeel kon krijgen. De enige oplossing was om medewerkers die al werkzaam waren bij het callcenter over testen in te zetten voor het nieuw op te zetten callcenter dat zich bezig ging houden met vaccineren.
De volgende eisen zijn gesteld door VWS aan GGD GHOR bij het opzetten van het callcenter:
Bij de aanbesteding, vanwege dwingende spoed een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging (ofwel, een onderhandse aanbesteding), is als eis gesteld dat de opdrachtnemer op de hoogte dient te zijn van én de diensten dient te verrichten in overeenstemming met arbeidsrechtelijke kaders die bij of krachtens de wet van toepassing zijn.
Vindt u ook dat het feit dat deze medewerkers geen pensioen opbouwen in strijd is met de ambitie om het aantal mensen zonder pensioen terug te dringen?
Door diverse onderdelen van de rijksoverheid wordt personeel ingehuurd. Wanneer dit gebeurt is het betreffende onderdeel van de rijksoverheid formeel geen werkgever van deze gedetacheerden en heeft in die zin geen directe invloed op de arbeidsvoorwaarden. Ook bij de callcenters van Teleperformance doet zich deze situatie voor. Wel is in artikel 27 van de Algemene Rijksvoorwaarden voor Diensten (ARVODI) bepaald dat de partij die die de opdracht aanneemt en daarmee de formele werkgever is, zich als goed werkgever dient te gedragen en zich te houden heeft aan alle relevante wet- en regelgeving op het gebied van de inhuur van personeel evenals de eventueel geldende cao. Overigens zijn cao-partijen, waaronder FNV en CNV, in de cao voor de call-centra geen pensioenregeling overeengekomen. Wel hebben zij afgesproken een onderzoek te doen naar de wenselijkheid om een pensioenregeling voor alle medewerkers in de cao op te nemen.
Vindt u ook dat de overheid ten minste het goede voorbeeld zou moeten geven om ervoor te zorgen dat elke werknemer pensioen opbouwt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is de overheid geen formeel werkgever en heeft daardoor geen directe invloed op de arbeidsvoorwaarden. Teleperformance wordt geacht zich aan de geldende wet-en regelgeving te houden en een eventueel geldende cao toe te passen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Teleperformance om betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover mij bekend zijn er geen signalen dat Teleperformance niet voldoet aan de geldende wet-en regelgeving en een eventueel geldende cao niet toepast. Daarnaast is het maken van afspraken over arbeidsvoorwaarden een zaak van werkgevers en werknemers waar de overheid zich in beginsel niet in mengt. Ik zie daarom geen aanleiding tot een gesprek.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat arbeidsvoorwaarden nauwelijks een rol spelen bij grote aanbestedingen zoals deze?
Zoals aangegeven in bovenstaande beantwoording is de overheid formeel geen werkgever waardoor er geen directe invloed is op de arbeidsvoorwaarden. Opdrachtnemers worden geacht zich aan de geldende wet-en regelgeving te houden en een eventueel geldende cao toe te passen. Betrokken partijen die menen dat de geldende wet-en regelgeving of een geldende cao niet is nagekomen, kunnen via de rechtbank een civiele procedure starten dan wel de Inspectie SZW verzoeken om een onderzoek te doen. Ook is er de mogelijkheid om via civiele ketenaansprakelijkheid zoals geregeld in artikel 7:616a BW e.v. het geldende (cao) loon te vorderen.
Experimenten met pensioenregelingen voor zelfstandigen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het risico dat een groeiende groep zelfstandigen niet verzekerd is bij overlijden en niet spaart voor de oude dag? Deelt u de mening dat hier een maatschappelijk probleem dreigt en dat het urgent is om dit probleem aan te pakken? Deelt u de mening dat het daarom van essentieel belang is dat niet opnieuw jaren verloren gaan, maar we nu doorpakken met een uitgebreide wettelijke experimenteerruimte, opdat passende structurele oplossingen dichterbij komen?
Zelfstandigen hebben diverse mogelijkheden om te sparen voor een inkomensvoorziening voor na hun pensioneren. De praktijk leert evenwel dat daarvan slechts beperkt gebruik wordt gemaakt. Hierdoor loopt een grote groep zelfstandigen het risico van een grote inkomensterugval als zij stoppen met werken.1 Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. Het is belangrijk dat ook zelfstandigen voldoende sparen voor de oude dag. Het wordt daarom wenselijk geacht om te bezien hoe de pensioenopbouw onder zelfstandigen kan worden gestimuleerd. In de zoektocht naar een structurele oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen worden verschillende oplossingsrichtingen uitgewerkt.
Als eerste oplossingsrichting wordt in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen voorzien in het harmoniseren van de tweede en derde pijler. Deze voorgenomen maatregel vloeit voort uit de afspraken uit het Pensioenakkoord. Zoals bij vraag 13 beschreven wordt met deze maatregel onder meer de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler vergroot ten opzichte van de huidige situatie.
Een andere maatregel die bij kan dragen aan het stimuleren van pensioensparen en wordt uitgewerkt, is het experimenteren met het (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen. Zelfstandigen hebben naar huidig recht slechts zeer beperkt toegang tot de tweede pijler. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen introduceert daarom een experimenteerbepaling die ruimte biedt om bij algemene maatregel van bestuur experimenten met vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler mogelijk te maken. Door vrijwillige aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenregeling in de tweede pijler bij wijze van experiment mogelijk te maken, wordt zelfstandigen een aanvullende – en mogelijk goed passende – vorm van pensioensparen aangeboden. Met de experimenten wordt beoogd te bezien in hoeverre een dergelijke aanvullende mogelijkheid de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Deze inzichten zijn relevant in de zoektocht naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. Dit wetsvoorstel heeft van december 2020 tot medio februari 2021 open gestaan voor openbare internetconsultatie. De reacties op de consultatie worden op dit moment nader bestudeerd.
Bent u bekend met signalen van verschillende aanbieders van pensioenregelingen over de beperkte experimenteerruimte voor pensioenregelingen voor zelfstandigen?1 Wat is uw reactie hierop?
Het wetsvoorstel toekomst pensioenen beoogt een experimenteerbepaling te introduceren die ruimte biedt om vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler mogelijk te maken. Het doel hiervan is te bezien in hoeverre een dergelijke aanvullende mogelijkheid de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Het streven is dat pensioenuitvoerders die interesse hebben in het uitvoeren van een experiment, gebruikmaken van de experimenteerruimte die geboden wordt. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt geregeld dat in het kader van de beoogde experimenten op een aantal onderdelen afgeweken mag worden van de Pensioenwet. Bij algemene maatregel van bestuur zal de experimenteerwetgeving verder worden ingevuld.
In het kader van de internetconsultatie van het wetsvoorstel toekomst pensioenen hebben een aantal pensioenuitvoerders, advies- en zelfstandigenorganisaties, FNV Zelfstandigen, het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie gereageerd op de voorgestelde experimenteerbepaling. De inbreng op de internetconsultatie illustreert dat verschillend wordt gedacht over de gewenste en juridisch mogelijke ruimte voor vrijwillige aansluiting door zelfstandigen in de tweede pijler, waarbij in verschillende reacties wordt gewezen op de consequenties van experimenten met vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler voor de taakafbakening en marktordening.
De reacties op de internetconsultatie worden op dit moment nader bestudeerd. De verdere uitwerking van de beoogde experimenteerwetgeving dient zorgvuldig te gebeuren, waarbij verschillende belangen dienen te worden afgewogen. Enerzijds het belang van de zelfstandige om toegang te hebben tot goede en passende pensioenvoorzieningen en anderzijds de houdbaarheid van de verplichtstelling door behoud van voldoende solidariteit en collectiviteit in de tweede pijler, het voorkomen van strijdigheid met (Europese) mededingings- en gelijke behandelingswetgeving en de uitvoerbaarheid van de experimenten voor pensioenuitvoerders en de Belastingdienst.
Ten behoeve van de nadere uitwerking van de experimenten ben ik in gesprek met pensioenuitvoerders, zelfstandigenorganisaties, het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie.
Hoe gaat u voorkomen dat aanbieders van pensioenregelingen niet van de experimenteerruimte gebruik gaan maken omdat deze hen niet genoeg mogelijkheden biedt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Waarom heeft u ervoor gekozen de experimenten een maximale looptijd van vier jaar te geven, en niet een aantal jaren langer? Waarop is de verwachting gebaseerd dat deze vier jaar voldoende tijd geeft om de effecten in kaart te brengen?
Door het opnemen van een experimenteerbepaling in de Pensioenwet wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur op enkele onderdelen af te wijken van de Pensioenwet. Gelet op de uitzonderlijke omstandigheid dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van hogere regelgeving, dienen de experimenten conform de vaste uitgangspunten bij experimenteerwetgeving per definitie een tijdelijk karakter te hebben met een beperkte looptijd. Bij het vaststellen van de looptijd van de beoogde experimenten met pensioenopbouw door zelfstandigen is het evenwel ook van belang om te borgen dat er voldoende tijd beschikbaar is om conclusies te trekken over de effecten van de experimenten en de wenselijkheid van een eventuele bredere toepassing daarvan. Met het oog hierop wordt voorgesteld uit te gaan van een periode van ten hoogste vier jaar en met de voorwaarde dat een experiment dient te starten binnen een jaar na inwerkingtreding van de experimenteerbepaling. De verwachting is dat een looptijd van vier jaar een passende periode is om te kunnen experimenteren met de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler en de effecten hiervan te evalueren. De periode van vier jaar sluit aan bij de maximale experimenteerperiode die in andere experimenteerwetgeving wordt gehanteerd, vgl. bijvoorbeeld artikel 83 van de Participatiewet (drie jaar), artikel 130 van de Werkloosheidswet (vier jaar), artikel 3:65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (vier jaar) en artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (vijf jaar).
Is het een vereiste van de experimenten dat ze na afloop, mochten ze niet structureel voortgezet worden, een mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting aan zelfstandigen aanbiedt, of is dit slechts een mogelijkheid?
Met de experimenten wordt onderzocht of het (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Als de experimenten inderdaad succesvol blijken te zijn, dient (onder meer) de Pensioenwet te worden aangepast om de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler op structurele basis mogelijk te maken. Mocht onverhoopt blijken dat dit instrument onvoldoende soelaas biedt, dan kan beslist worden de experimenten niet structureel voort te zetten. Als dit het geval is, kunnen pensioenuitvoerders die gedurende de looptijd van de experimenten pensioenopbouw voor zelfstandigen hebben gefaciliteerd, deze zelfstandigen de mogelijkheid bieden hun pensioenopbouw voor een bepaalde duur op vrijwillige basis voort te zetten.
Pensioenuitvoerders hebben op basis van de huidige wetgeving de bevoegdheid om zelf te bepalen of zij de optie van vrijwillige voortzetting willen aanbieden. Uit onderzoek over de vrijwillige voortzetting3 blijkt dat vrijwel alle bedrijfstakpensioenfondsen een regeling van vrijwillige voortzetting kennen. Ik wil aan het principe van de eigen bevoegdheid voor pensioenuitvoerders om vrijwillige voortzetting aan te bieden, vasthouden. De beoogde experimentwetgeving zal dan ook geen verplichting opleggen aan pensioenuitvoerders om de optie tot vrijwillige voortzetting aan te bieden. Het wel opnemen van een wettelijke eis hiertoe, kan mogelijk een belemmering opwerpen voor het uitvoeren van een experiment door pensioenuitvoerders. Bovendien zou hierdoor de complexiteit toe kunnen nemen, als de betreffende pensioenuitvoerder deze mogelijkheid nog niet aanbiedt voor de huidige deelnemers. Het introduceren van complexiteit op dit punt is vanuit het oogpunt van ruimte bieden om te experimenteren ongewenst. Ik ga er bovendien vanuit dat de pensioenuitvoerders die (gewezen) deelnemers nu reeds de mogelijkheid bieden hun pensioenopbouw vrijwillig voort te zetten, zelfstandigen die deelnamen aan een experiment ook deze mogelijkheid zullen bieden.
Wat is uw overweging geweest om met de experimenteerruimte voor pensioenregelingen voor zelfstandigen enkel experimenten mogelijk te maken met vrijwillige pensioenregelingen – de zogenaamde vrijwillige «opt in»? Hoe verhoudt dit zich tot de aangenomen motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12), waarin de regering verzocht wordt de experimenten zo goed mogelijk te faciliteren?
Enkele partijen hebben de wens geuit om automatische aansluiting van zelfstandigen bij een pensioenregeling mogelijk te maken. De wens tot automatische aansluiting leeft met name bij enkele (verplichtgestelde) bedrijfstakpensioenfondsen. Het voorstel van de betreffende pensioenfondsen is dat het pensioenfonds gewezen deelnemers – die als zelfstandigen actief zijn in de betreffende sector – in principe aansluiten, maar tegelijkertijd de mogelijkheid bieden om niet mee te doen (opt-out).
Qua gedragseffecten is de verwachting dat automatische aansluiting een krachtig middel is. Op deze manier wordt de «default»-optie pensioensparen, waar deze voor zelfstandigen nu vaak niet-sparen is. Uit onderzoek blijkt dat als er een default voorhanden is, mensen geneigd zijn om daarvoor te kiezen c.q. geen actieve keuze maken waarmee wordt afgeweken van de default.
Toch verdient het faciliteren van automatische aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler zorgvuldige overweging. De ruimte om te experimenteren wordt geboden in de zoektocht naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen. Het is daarom van belang dat bij de vormgeving van de experimenten met verschillende randvoorwaarden rekening wordt gehouden. Zo dienen de experimenten te voorzien in een behoefte van zelfstandigen. Ook is het uitgangspunt dat door de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler de houdbaarheid van de verplichtstelling niet onder druk komt te staan. Kenmerken als collectiviteit en solidariteit dienen behouden te blijven als voorwaarden voor de verplichtstelling. Ook zal strijdigheid met het (Europees) mededingingsrecht en gelijke behandelingswetgeving moeten worden voorkomen. De aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler moet tevens uitvoerbaar zijn, zowel voor de pensioenuitvoerders als de Belastingdienst.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. De reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel worden op dit moment nader bestudeerd, waaronder de reacties op de beoogde experimenteerbepaling en de wens tot automatische aansluiting van zelfstandigen die bepaalde partijen hebben geuit. Op dit moment wordt gewerkt aan een analyse van de mogelijkheid en wenselijkheid tot het faciliteren van de wens tot automatische aansluiting van zelfstandigen, mede in het licht van de hierboven genoemde randvoorwaarden. In reactie op de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) zal ik uw Kamer hierover informeren.
Heeft u kennisgenomen van het wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat zelfstandigen meer pensioen gaan sparen bij een vrijwillige opt outin plaats van vrijwillige «opt in»?2 Bent u op de hoogte van het onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten naar de drempels voor pensioensparen?3 Met welke drempels krijgen mensen allemaal te maken? Erkent u dat automatische deelname met een vrijwillige «opt out» een oplossing is om deze drempels weg te nemen? Kun u dit toelichten voor de verschillende drempels voor pensioensparen?
Ik heb kennisgenomen van de aangehaalde onderzoeken van Netspar en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Het voorstel zoals besproken in het onderzoek van Netspar behelst dat zelfstandigen, bij het invullen van hun belastingaangifte, geconfronteerd worden met een zogenoemde pensioenspaarmodule. Op het voorstel om een pensioenspaarmodule in de belastingaangifte in te bouwen ga ik bij vraag 9 in. Verder laat het onderzoek van Netspar6 zien dat het aannemelijk is dat de beperkte pensioenopbouw door zelfstandigen onder andere veroorzaakt wordt door uitstelgedrag. De optimale route voor pensioensparen lijkt volgens dit onderzoek het stimuleren van sparen, zonder daarbij de keuzevrijheid te beperken. Het inrichten van een duidelijke keuzearchitectuur, zoals de pensioenspaarmodule, zou volgens het onderzoek een goede manier kunnen zijn om zelfstandigen meer pensioen te laten sparen.
Uit het onderzoek van de AFM7 blijkt dat veel Nederlanders een beperkt pensioenbewustzijn hebben. Dit wordt gezien als een van de redenen waarom zelfstandigen beperkt gebruikmaken van de huidige mogelijkheden om voor de oude dag te sparen. Pensioenbewustzijn is de mate waarin men op de hoogte is van pensioeninkomen bij ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid, weet of dat in de eigen situatie voldoende is, weet (indien gewenst) welke oplossingen er zijn en daar een afweging in maakt.8 Het doel van het vergroten van het pensioenbewustzijn is het aanzetten tot actie. Het ontbreken van pensioenbewustzijn komt bij alle werkenden voor, zowel bij werknemers als zelfstandigen.
Automatische deelname met vrijwillige opt out draagt niet direct bij aan het vergroten van het pensioenbewustzijn als zodanig. Het besef wat een goed pensioen is en weten wat in de eigen situatie nodig is voor een goed pensioen wordt hiermee niet vergroot. Automatische deelname met vrijwillige opt out kan wel bijdragen aan het doel van het bereiken van een toereikend pensioen voor de oude dag. Met automatische deelname wordt namelijk pensioensparen de «default»-optie en is een actieve handeling vereist om niet te sparen. Op die manier kan uitstelgedrag voorkomen worden.
Automatische deelname met vrijwillige opt out kan een aanvullend middel zijn om bij te dragen aan het doel om pensioenopbouw door zelfstandigen te stimuleren. Toch verdient het faciliteren van automatische deelname van zelfstandigen in de tweede pijler zorgvuldige overweging. Zie in dit kader mijn antwoord op vraag 6.
Bent u gegeven het feit dat dit bij kan dragen aan meer pensioensparen door zelfstandigen, bereid de experimenteerruimte te verruimen om zo experimenten mogelijk te maken die uitgaan van deelname met een vrijwillige «opt out»?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of de presentatie van een pensioenspaarmodule in de belastingaangifte van zelfstandigen er in de praktijk aan bijdraagt dat de deelname van zelfstandigen verhoogd wordt overeenkomstig met in wetenschappelijke onderzoek gedane suggesties?
De voorgestelde pensioenspaarmodule voor zelfstandigen komt er in het kort op neer dat er een aanvullende module wordt toegevoegd aan de belastingaangifte. De belastingadviseur van de zelfstandige wordt verplicht om deze module samen met de zelfstandige door te nemen. De zelfstandige wordt in de module gevraagd om de maximale jaarruimte te benutten en dit bedrag in leggen voor pensioen. Als een zelfstandige dit niet wil, zijn er mogelijkheden om voor een lager bedrag te kiezen. Er kan dan ook gekozen worden voor een spaarplan van vijf jaar. Naast een keuze voor een in te leggen bedrag dient ook een fondskeuze gemaakt te worden waarnaar de inleg wordt overgeboekt.
Een «pensioenspaarmodule» kan mogelijk bijdragen aan het vergroten van het pensioenbewustzijn onder zelfstandigen. De meerwaarde van het vergroten van het pensioenbewustzijn is groot. Tegelijkertijd is het de vraag of een verplicht in te vullen pensioenspaarmodule bij de belastingaangifte van zelfstandigen de juiste route hiervoor is. De voorgestelde pensioenspaarmodule als verplicht onderdeel van de belastingaangifte kent juridische en uitvoeringstechnische vragen. Op het juridische vlak gaat dit onder meer om de regels die gelden voor het adviseren over pensioenproducten. Een belastingadviseur kan alleen adviseren over de opbouw van een pensioen en een daarbij passend pensioenproduct indien hij een vergunning heeft op grond van de Wet op het financieel toezicht en aan bepaalde vakbekwaamheidseisen voldoet. Belastingadviseurs kunnen wel zonder vergunning zzp’ers erop wijzen dat het belangrijk is te sparen voor hun pensioen en wat de mogelijkheden zijn zonder een advies te geven over een specifiek pensioenproduct. Daarnaast heeft de belastingaangifte de wettelijke functie om opgave van gegevens te doen waarvan de kennisneming voor de heffing van belasting van belang kan zijn. De aangifte kan op basis van de huidige wet- en regelgeving niet worden gebruikt om belastingplichtigen te verplichten een pensioenmodule in te vullen. Een dergelijke verplichting past ook niet in uitgangspunten van het huidige belastingstelsel.
Niet onbelangrijk zijn bovendien uitvoeringstechnische knelpunten. Het proces voor het doen van belastingaangifte laat zich moeilijk verhouden tot een koppeling met een verplicht pensioenadvies. Het toevoegen van een verplichte pensioenspaarmodule aan de belastingaangifte verzwaart het proces rondom het doen van belastingaangifte en brengt de nodige uitvoeringstechnische consequenties met zich mee.
Het kabinet acht het dan ook niet opportuun om een onderzoek te starten naar het toevoegen van een pensioenspaarmodule aan de belastingaangifte van zelfstandigen. Het kabinet zet wel in op maatregelen om pensioensparen door zelfstandigen te stimuleren. Enerzijds door experimenten in de tweede pijler te faciliteren en hierover richting zelfstandigen actief te communiceren en anderzijds door de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler te vergroten.
Bent u bereid het onder de experimenteerruimte mogelijk te maken dat zelfstandigen de mogelijkheid geboden krijgen om nog tijdens hun werkzame periode geld te onttrekken aan hun pensioenbesparingen, omdat dit met het oog op inkomensfluctuaties pensioensparen aantrekkelijker kan maken?
Het doel van de experimenten is zelfstandigen te stimuleren pensioen op te bouwen. Zelfstandigen kunnen vaker dan werknemers te maken hebben met fluctuaties in het inkomen, waardoor zelfstandigen over het algemeen meer behoefte hebben aan flexibiliteit in de premie-inleg dan werknemers. Hier heb ik oog voor bij het nader uitwerken van de beoogde experimenteerbepaling.
Flexibiliteit bij de premie-inleg bestaat in de praktijk reeds voor zelfstandigen die in het kader van de verplichtstelling of een vrijwillige voortzetting deelnemen aan een pensioenregeling. De flexibele premie-inleg is gerealiseerd doordat zelfstandigen een flexibel pensioenkeuzeloon kunnen opgeven (met een bepaald minimum en maximum). Op grond hiervan kunnen zelfstandigen periodiek zelf bepalen over hoeveel procent van het inkomen zij pensioen willen opbouwen. Over dat gedeelte van het inkomen wordt vervolgens de pensioenpremie berekend. Op het moment dat een zelfstandige een periode minder inkomsten vergaard kan er via het aanpassen van de pensioengrondslag minder premie worden ingelegd. De mogelijkheid om zelfstandigen in een pensioenregeling vrijheid te bieden bij het opgeven van het pensioenkeuzeloon is ook in het kader van de beoogde experimenten mogelijk.
De vraag kan opkomen of het aanvullend hierop nodig is de mogelijkheid tot tussentijdse onttrekking van premie-inleg of pensioenvermogen te faciliteren voor de beoogde experimenten. Aan de vraag of het tussentijds onttrekken van premie-inleg of pensioenvermogen mogelijk moet worden gemaakt tijdens de experimentperiode liggen een aantal overwegingen ten grondslag. Allereerst kunnen er (financiële) nadelen aan kleven in het kader van solidariteit en collectiviteit, zeker als alleen zelfstandigen deze mogelijkheid hebben. Ook is het de vraag in hoeverre het een taak is die thuis hoort bij een pensioenuitvoerder en past bij de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de opbouw van pensioenvermogen in de tweede pijler en het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat opgebouwd pensioen de pensioenbestemming verliest.
In de reacties op de internetconsultatie is ook aandacht gevraagd voor het faciliteren van de mogelijkheid tot tussentijdse onttrekking van premie-inleg. Dit onderwerp wordt op dit moment nader bezien, mede in het licht van de hierboven geschetst overwegingen.
Hoe gaat, indachtig de aangenomen motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12), geborgd worden dat aanbieders van pensioenregelingen inkomensgegevens van zelfstandigen op een eenvoudige manier aangeleverd krijgen? Bent u bereid een wettelijke grondslag te creëren voor gegevensdeling tussen aanbieders van pensioenregelingen en bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel?
Naar huidig recht kunnen pensioenuitvoerders reeds gebruikmaken van zogeheten mutatie-overzichten van de Kamer van Koophandel (KvK). Deze mutatie-overzichten kunnen bijvoorbeeld inzicht bieden in de zelfstandigen die actief zijn in een bepaalde sector. De overzichten worden onder andere benut om zelfstandigen die onder de verplichtstelling vallen bij het pensioenfonds aan te sluiten. Hierbij is geen sprake van informatie-uitwisseling op basis van het burgerservicenummer (BSN). Voor de experimenten is een dergelijke bredere gegevensdeling tussen pensioenuitvoerder en de KvK gewenst bevonden door enkele pensioenuitvoerders.
Voor informatieverstrekking op basis van het BSN in het kader van de beoogde experimenten zal een wettelijke voorziening moeten worden getroffen. De Pensioenwet en de Handelsregisterwet bieden naar huidig recht namelijk geen grondslag voor verstrekking van het BSN door de KvK of inzage in het BSN in het Handelsregister door pensioenuitvoerders. Identificatienummers zoals het BSN kunnen de koppeling van verschillende bestanden aanzienlijk vergemakkelijken en daarmee een bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer vormen (frauderisico’s). Een terughoudende houding bij het toestaan van informatie-uitwisseling op basis van het BSN is hiermee evident. Het gebruik van het BSN en het toestaan van informatie-uitwisseling tussen verschillende organisaties op basis van het BSN dient in dat licht derhalve altijd dragend gemotiveerd te worden, waarbij duidelijk wordt gemaakt waarom de informatie-uitwisseling noodzakelijk is en voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. In mijn appreciatie bij de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) heb ik eveneens aangegeven dat bij de overweging om bredere informatie-uitwisseling in het kader van de beoogde experimenten mogelijk te maken ook de privacywetgeving betrokken dient te worden.
In diverse reacties op de internetconsultatie van de experimenteerbepaling wordt ook aandacht gevraagd voor de bredere mogelijkheid tot informatie-uitwisseling. Op dit moment wordt een nadere analyse gemaakt. In reactie op de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) zal ik uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat de fiscale aantrekkelijkheid van pensioensparen voor zelfstandigen van invloed is op de mate waarin zij bereid zijn deel te nemen? Erkent u dat zelfstandigen die economische schade lijden door de coronacrisis nauwelijks voor hun pensioen kunnen sparen als het fiscale inkomensbegrip wordt gebaseerd op het verleden? Bent u daarom bereid als onderdeel van de experimenten een fiscaal bedrag forfaitair vrij te stellen?
Ik deel de mening dat de fiscale aantrekkelijkheid van pensioensparen van invloed kan zijn op de mate waarin het voor zelfstandigen aantrekkelijk is om te sparen voor hun pensioen. Het kabinet is dan ook met partijen betrokken bij het pensioenakkoord overeengekomen om stappen te zetten naar een meer arbeidsvormneutraal pensioenkader waardoor zelfstandigen, net als werknemers, ruimere mogelijkheden krijgen voor pensioenopbouw.
Voor zelfstandigen die economische schade lijden door de coronacrisis en daardoor bepaalde jaren een laag inkomen hebben geldt inderdaad dat er een periode minder fiscale ruimte kan zijn om voor pensioen te sparen. Het pensioengevende inkomen voor pensioenopbouw door zelfstandigen in de tweede pijler wordt bepaald op het inkomen drie jaar voorafgaand aan het jaar van pensioenopbouw. Hiervoor is gekozen vanwege administratieve redenen ten gunste van zelfstandigen.9
Een bedrag forfaitair vrijstellen ligt echter niet voor de hand. Het doorkruist de huidige systematiek waarbij de fiscale ruimte afhankelijk is van het daadwerkelijk gerealiseerde inkomen en creëert daarmee ongelijke opbouwmogelijkheden ten opzichte van werknemers terwijl het streven juist is om mogelijkheden van pensioenopbouw voor werknemers en zelfstandigen te harmoniseren.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. De reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel worden op dit moment nader bestudeerd, waaronder de reacties op de beoogde experimenteerbepaling en de wens een fiscaal bedrag forfaitair vrij te stellen.
Welke andere sporen bewandelt u, naast de experimenteerruimte, om te onderzoeken hoe het pensioensparen bij zelfstandigen bevorderd kan worden?
Het kabinet is voornemens om met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen onder andere het verschil in fiscale premieruimte tussen de tweede en de derde pijler weg te nemen ten aanzien van oudedagsvoorzieningen. Hierdoor wordt het percentage van het pensioengevend inkomen dat fiscaal gefaciliteerd kan worden ingelegd in de derde pijler verhoogd naar het niveau dat zal gelden in de tweede pijler. Het gelijktrekken van de premiegrens leidt er toe dat zelfstandigen meer kunnen sparen voor de oude dag in de derde pijler.
Tot slot heb ik de Stichting van de Arbeid in juni 2020 gevraagd onderzoek te doen naar de pensioenopbouw door zelfstandigen. Eind december 2020 heb ik de uitkomsten van het onderzoek van de Stichting van de Arbeid ontvangen. Het onderzoek brengt de bestaande mogelijkheden voor zelfstandigen om binnen de tweede en derde pijler pensioen op te bouwen in kaart. Ook gaat de Stichting op hoofdlijnen in op de knelpunten die pensioensparen door zelfstandigen in de weg staan. De Stichting constateert dat zelfstandigen beperkt gebruikmaken van de mogelijkheden (zowel binnen de tweede als derde pijler) en dat zelfstandigen binnen de huidige wettelijke kaders beperkte toegang hebben tot de tweede pijler. De Stichting concludeert dat het vergroten van de toegankelijkheid van de tweede pijler voor zelfstandigen voordelen met zich meebrengt. Tegelijkertijd ziet de Stichting dat het binnen dezelfde kring brengen van werknemers en zelfstandigen niet eenvoudig is en een aantal risico’s kent. De Stichting heeft aangegeven voornemens te zijn een vervolg te geven aan het onderzoek. Zij wil een inventarisatie maken van aanvullende mogelijkheden om zelfstandigen meer toegang te verlenen tot de tweede pijler en vooral hoe die aanvullende mogelijkheden vormgegeven zouden kunnen worden in het nieuwe pensioenstelsel. Ik heb de Stichting laten weten graag bereid zijn om daaraan mee te werken.
Kunt u voorgaande vragen één voor één binnen drie weken te beantwoorden?
Ik heb uw Kamer 12 februari jl. geïnformeerd dat het binnen drie weken beantwoorden van de Kamervragen van het lid Smeulders (GroenLinks) over «experimenten met pensioenregelingen voor zelfstandigen» helaas niet haalbaar was. Hierbij ontvangt u de beantwoording op de gestelde Kamervragen.
Het bericht 'Schuifdakenfabrikant Inalfa Venray zet zeker 190 mensen op straat' |
|
Hilde Palland (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schuifdakenfabrikant Inalfa Venray zet zeker 190 mensen op straat»?1
Ja.
Vanaf welk moment was u op de hoogte van het voornemen van Inalfa om productie naar Polen en Slowakije te verplaatsen en banen in Venray te schrappen? Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over deze aanzienlijke hoeveelheid ontslagen? Is er contact geweest tussen u en Inalfa over de ontstane situatie en het voornemen om banen te schrappen? Wanneer is dit geweest? Welke acties hebt u ondernomen om (te proberen) dit ontslag te voorkomen?
Er is tot op heden geen direct contact geweest tussen de rijksoverheid en Inalfa over de op handen zijnde reorganisatie bij het bedrijf. LIOF (de regionale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie Limburg) heeft in 2020 drie gesprekken gevoerd met Inalfa over de uitdagende omstandigheden als gevolg van de coronacrisis. Hierover is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) op 4 juni 2020 geïnformeerd door LIOF. Op dat moment waren er geen concrete signalen over baanverlies of andere ingrijpende maatregelen bij Inalfa.
Naast het informeren over relevante generieke COVID-ondersteuningsmaatregelen heeft LIOF aangeboden om provincie Limburg te betrekken en met hen in gesprek te gaan, en is een direct EZK- en NFIA/RVO-contact aangereikt om gezamenlijk met Inalfa de mogelijkheden te verkennen. Inalfa heeft hier voor zover ons bekend geen vervolg aan gegeven; een en ander heeft niet tot concrete acties geleid.
Inalfa heeft wel een melding bij het UWV gedaan in het kader van de Wet melding collectief ontslag voor twee bedrijven, te weten Inalfa Roof Systems BV en Inalfa development & Support Systems. Deze meldingen zijn nog in behandeling.
Kunt u kwantificeren wat Inalfa betekent voor de regionale werkgelegenheid? Voor hoeveel directe en indirecte banen zorgt het bedrijf? In welke mate heeft het beëindigen van de fabricage in Venray ook effecten voor de werkgelegenheid bij andere ondernemingen in de regio, zoals toeleveranciers en het midden- en kleinbedrijf? Wat is de toegevoegde waarde van Inalfa voor Noord-Limburg, bijvoorbeeld als het gaat om leefbaarheid?
Het verlies van minimaal 190 van de 550 arbeidsplaatsen bij Inalfa is voor het bedrijf substantieel te noemen. Tegelijkertijd vestigen in Limburg volgens het UWV regelmatig nieuwe werkgevers uit de maakindustrie, waartoe Inalfa behoort, met een substantiële vraag naar werknemers. Daarnaast zijn de werknemers van Inalfa goed gekwalificeerd en opgeleid. Wel hebben deze werknemers door hun leeftijd een minder goede arbeidspositie. De verwachting is dat er voor medewerkers die hun baan verliezen – hoe vervelend dat altijd blijft voor de direct betrokkenen – het perspectief goed is. Inalfa bood naast werkgelegenheid ook stageplekken aan voor de mensen in de regio. Dit zal ook een (tijdelijk) verlies zijn voor de regio.
Het effect op de werkgelegenheid bij andere ondernemingen in de regio is onbekend.
Bent u op dit moment met Inalfa, de gemeente Venray, de provincie Limburg en partners als de regionale ontwikkelingsmaatschappij voor Limburg (LIOF) en MKB-Limburg in gesprek over de gevolgen voor de regio, zoals langdurige werkloosheid, en hoe deze op te vangen? Welke mogelijkheden ziet u?
Alhoewel de situatie bij Inalfa op zichzelf staat, is in algemene zin de verwachting dat als gevolg van de coronacrisis de komende jaren veel mensen op zoek moeten naar een nieuwe baan. Om die reden heeft het kabinet in 2020 1,4 miljard euro vrijgemaakt voor het sociaal pakket2. Dit bestaat uit maatregelen om mensen zo snel mogelijk weer aan het werk te helpen. Een deel van deze mensen heeft daarbij behoefte aan extra ondersteuning. Hiervoor kunnen ze terecht bij regionale mobiliteitsteams, waarin werkgeversorganisaties, vakbonden, gemeenten en UWV samenwerken. Zij zetten hun specifieke expertise in en zoeken aansluiting bij bestaande regionale publieke dienstverlening van o.a. het werkgeversservicepunt (WSP) en leerwerkloket. De arbeidsmarktregio Noord-Limburg, waar Venray onder valt, kan een belangrijke rol spelen bij het weer aan het werk helpen van de ontslagen medewerkers van Inalfa. Daarbij kan het eigen WSP mensen helpen die extra ondersteuning nodig hebben om weer aan het werk te komen. Het WSP kent de regionale arbeidsmarkt, de werkzoekenden en de branches die mensen zoeken. Ook kan het WSP adviseren over beschikbare subsidies en instrumenten en het passend maken van het werk indien nodig.
Hoezeer kan de nieuwe subsidieregeling voor bedrijven in de automotive, luchtvaart en maritieme sectoren, bedoeld om «de teruggang in R&D-investeringen als gevolg van de coronacrisis te mitigeren» (Zaaknummer 2021Z01131), Inalfa Venray en de regio Noord-Limburg helpen met bijvoorbeeld een doorontwikkeling, het ontwikkelen van duurzame verdienmodellen en/of het aantrekken van nieuwe werkgelegenheid?
In algemene zin geldt dat wanneer een bedrijf meedoet in een ecosysteem versterkend project met een hoog R&D-gehalte en indien het voorstel als goed wordt beoordeeld, dat er dan rond de zomer subsidie beschikbaar zou kunnen worden gesteld.
Wanneer gaat deze subsidieregeling open? Ziet u mogelijkheden om openstelling te versnellen gelet op de urgentie maakindustrie voor Nederland te behouden? Acht u openstelling vóór 1 april 2021 mogelijk en reëel?
De planning is om de regeling uiterlijk 15 mei 2021 open te stellen (conform de aangenomen motie Amhaouch, Kamerstuk 35 669, nr. 21), zodat ook een aanzienlijk deel van 2021 kan worden benut voor de uitvoering van de R&D-projecten. De hightech Top regeling uit 2009 moet nog worden aangepast aan de huidige staatssteunkaders en de actuele thematiek in de drie mobiliteitssectoren. Daarnaast spreekt het Ministerie van EZK met deze sectoren om ervoor te zorgen dat er kwalitatief goede voorstellen worden ingediend. Daarmee is 15 mei al een betrekkelijke korte termijn en is openstelling voor 1 april 2021 niet reëel.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat er door het beëindigen van de fabricage in Venray door Inalfa wederom maakindustrie uit Nederland verdwijnt, waar afgelopen jaar ook bedrijven als Apollo Vredestein in Enschede en Eaton in Hengelo aankondigden banen te schrappen en productie te verplaatsen naar lagelonenlanden aan de randen van Europa?
Ik ben het eens dat het verdwijnen van productiewerk in beginsel zoveel mogelijk voorkomen zou moeten worden. Dit is echter niet altijd te voorkomen, omdat Nederland niet kan concurreren met lagelonenlanden wat betreft loonkosten. Deze beslissing is een strategische overweging van het bedrijf in antwoord op tegenvallende bedrijfsresultaten als gevolg van moeilijke marktomstandigheden. Het is niet aan de overheid om op de stoel van de ondernemer te zitten. Waar het kabinet zich samen met onder andere de NFIA en de regionale ontwikkelmaatschappijen wel voor inzet is om hoogwaardige industriële bedrijven zoveel mogelijk te binden aan de regio door het scheppen van de juiste voorwaarden. Bijvoorbeeld het verbeteren van het vestigingsklimaat, samenwerking met kennisinstellingen en clustervorming.
In hoeverre biedt de op 30 oktober 2020 gepresenteerde Visie op de toekomst van de industrie in Nederland (Kamerstuk 29 826, nr. 124) volgens u een oplossing voor de glijdende schaal waarop Nederland zich bevindt omdat steeds meer maakindustrie naar het buitenland verdwijnt?
Hoewel de voorbeelden die u noemt de indruk kunnen wekken dat in grote getalen Nederlandse banen in de maakindustrie verdwijnen naar het buitenland, ziet het Centraal Planbureau (CPB) over de gehele linie geen toename van offshoring3. Ook heeft DNB erop gewezen dat de gevonden effecten van offshoring op de werkgelegenheid in Nederland over het algemeen bescheiden of onduidelijk zijn4.
Wel is het zo dat door de laagconjunctuur de industrie – waaronder de automotive sector – onder vraaguitval lijdt. Het kabinet heeft zich uitgesproken voor een sterke industrie in Nederland vanwege de groeiambitie van het kabinet en passend bij de eerdere visie op de duurzame basisindustrie. Goed industriebeleid draagt bij aan een sterke maakindustrie en daarmee aan werkgelegenheid. Geforceerde inzet op behoud van de werkgelegenheid bij alle bedrijven is niet mogelijk, maar de inzet van het kabinet is om over het geheel voldoende werkgelegenheid in de industrie te houden. Gelukkig is de werkgelegenheid in de industrie de afgelopen jaren wat gestegen, en de hoop is dat dit via stijgende arbeidsproductiviteit kan worden voortgezet.
Deelt u de mening dat de nieuwe industrievisie zo snel mogelijk moet worden vertaald naar een actieplan om maakindustrie voor Nederland te behouden dan wel naar Nederland terug te halen, aangezien het vijf voor twaalf is voor de maakindustrie in Nederland? Wordt hier aan gewerkt?
Het kabinet werkt volop – zowel nationaal als in EU-verband – aan het versterken van de industrie in Nederland. Het kabinet heeft zich in de brief «visie op de maakindustrie» (Kamerstuk 29 826, nr. 124) uitgesproken voor een sterke industrie in Nederland. De Nederlandse industrie zal nog innovatiever moeten worden. Dit vraagt slimme productieprocessen, nieuwe technologieën, digitalisering en robotisering en verduurzaming (circulaire maakindustrie). Deze creëren andere groeimogelijkheden van de maakindustrie. Uitvoering van het industriebeleid verloopt via bijvoorbeeld het missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid en het Smart Industry programma waarbij het kabinet met partners uit de regio’s inzet om de concurrentiekracht van de maakindustrie te verbeteren.
Zoals in de brief «visie op de maakindustrie» geduid en inmiddels in een SER-briefadvies is bevestigd5, dienen geen hoge verwachtingen te worden gemaakt van een inzet op reshoring (productie naar Nederland terughalen waar deze eerder naar een buitenland was verplaatst). De overheid kan bedrijven die besluiten hun productie naar Nederland terug te halen, ondersteunen met een voorwaardenscheppend klimaat. Naar verwachting adviseert de SER in het voorjaar van 2021 over de bredere inzet op industrieversterking. Het kabinet zal op basis van dit advies beoordelen of aanvullende acties nodig zijn en daarover in gesprek gaan met de regionale overheden.
Ook in het EU industriebeleid weerklinkt ambitie als het gaat om positieversterking voor de industrie, om Europa sterker en weerbaarder te maken. Het kabinet zet erop in om de industrie te steunen bij het aangrijpen van kansen voor meer samenwerkingen binnen Europa: bilateraal of met meerdere Europese partners. Bijvoorbeeld in de IndustrieAllianties die de EU voorstelt.
Bent u bereid om samen met provincies een sterkte-zwakteanalyse (SWOT-analyse) per provincie te maken en hierbij de topsectoren te betrekken?
De provincies zijn primair verantwoordelijk voor regionaal economisch beleid. Het kabinet zet samen met topsectoren, ontwikkelingsmaatschappijen en partners in de regio, waaronder provincies, in op missiegedreven topsectoren- en innovatiebeleid en het Smart Industry programma om de concurrentiekracht van de maakindustrie te verbeteren. Ik acht het niet nodig om aanvullend hierop een aparte SWOT-analyse per provincie te maken.
Het maximum SV-loonbedrag van de NOW |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om de voorgenomen verlaging van het maximum sociale verzekeringsloon (SV-loon) naar 4.845 euro terug te draaien?
Door de verlenging van de lockdown is het niet wenselijk om de voorgenomen afbouw van de NOW-regeling voort te zetten. Zo ook de verlaging van de maximale subsidie per werknemer naar éénmaal het dagloon. Werkgevers hebben het al zwaar, en een verlaging kan rauw op het dak vallen.
Hoe rijmt u dit maximale SV-loon met bijvoorbeeld een pakket waarin zelfstandigen zonder personeel worden geconfronteerd met een partnertoets waardoor zij met een minimaal bedrag rond moeten komen?
De NOW-regeling is bedoeld voor werkgevers met personeel in dienst. Dit is een ander deel van het steunpakket dan de Tozo, en vraagt daarom ook om andere maatregelen. Er is gekozen voor tweemaal het maximale SV-dagloon omdat in deze crisis sectoren in alle hoeken van de samenleving worden geraakt; het gaat om lonen in het hoge én in het lage segment. Op deze manier kunnen zo veel mogelijk werkgevers worden ondersteund in het betalen van hun loonsom. Het doel van de NOW is om zo veel mogelijk banen te behouden, dus óók banen met een relatief hoog loon.
In welke sectoren worden er lonen ter hoogte van het maximale dagloon betaald? Kunt u dit uitsplitsen in bedrijven?
Voor de voorschotbetalingen van NOW 1 is uitgezocht in welke sectoren percentueel de meeste lonen ter hoogte van twee keer het maximale dagloon zijn betaald. Er is gekeken naar de maand november 2020. De vijf sectoren waar dit het meeste voorkomt zijn het bank- en verzekeringswezen (40 BSN-nummers, 2,82% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020), chemische industrie (645 BSN-nummers, 2,2% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020), vervoer en logistiek (3.758 BSN-nummers, 1,96% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020), overheid (384 BSN-nummers, 1,78% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020) en groothandel (3.140 BSN nummers, 1,4% van de totale BSN-nummers in deze sector in november 2020).
Het uitsplitsen in bedrijven is zeer arbeidsintensief en gezien de werkdruk heb ik UWV dit niet gevraagd. In het online NOW-register staan alle bedrijven die NOW-steun ontvangen.
Past het in standhouden van dit maximale SV-loon bij een steunpakket dat ervoor moet zorgen dat bedrijven en ondernemers die amper het hoofd boven water kunnen houden de crisis doorkomen?
Ja. De lockdown is verlengd en daardoor is het niet wenselijk om het maximaal te vergoeden loon te verlagen. De NOW-regeling is bedoeld voor bedrijven met personeel in dienst. Het doel van de NOW is om zo veel mogelijk banen te behouden, dus óók banen met een relatief hoog loon. Op deze manier kunnen zo veel mogelijk werkgevers worden ondersteund in het betalen van hun loonsom. Geraakte ondernemers die niet in aanmerking komen voor de NOW-regeling, komen wellicht wel in aanmerking voor andere regelingen uit het steunpakket (bijvoorbeeld de Tozo of de TVL).
Bent u bereid dit maximale SV-loon alsnog te verlagen?
Nee.
Het IMVB-convenant Pensioenfondsen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen?
Ja.
Wat is uw reactie op de Voortgangsmeting? Deelt u de mening dat het uitermate zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat de implementatie van het Convenant op alle hoofdindicatoren achterblijft bij de tussentijdse doelstellingen?
In de appreciatie door de stuurgroep van het IMVB-convenant Pensioenfondsen (hierna: convenant) concludeert de stuurgroep dat terwijl de eerste stappen zijn gezet, de implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren achterblijft bij de doelstellingen. Deze voortgangsmeting over 2019 geeft weer dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen. Hoewel de monitoringscommissie concludeert dat er nagenoeg op alle subindicatoren van hoofdindicator »Beleid» voortgang is geboekt, blijkt uit het monitoringsrapport ook dat nog geen enkel pensioenfonds op alle subindicatoren positief scoort. Dit is een punt van aandacht, omdat de convenantdoelstelling voor eind 2020 was dat alle pensioenfondsen positief scoren op hoofdindicator «Beleid». De voortgangsmeting over 2020 wordt in het vierde kwartaal van 2021 verwacht.
Niet alle effecten van de convenantsactiviteiten zijn meegenomen in deze monitoring. Zo is vlak voor de peildatum van deze voortgangsmeting onder andere het instrumentarium gepubliceerd.1 Dit instrumentarium is een hulpmiddel voor de pensioenfondsen om de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) te implementeren. Ook zijn er verschillende webinars en een kennissessie over de implementatie van de OESO-richtlijnen en UNGP’s georganiseerd, waarin het instrumentarium bij pensioenfondsen onder de aandacht is gebracht. Aangezien de implementatie van de OESO-richtlijnen in het beleggingsbeleid de basis vormt voor de verdere due diligence stappen, is het belangrijk dat de pensioenfondsen het beleid zo snel mogelijk op orde krijgen conform afspraken in het convenant. In de stuurgroep en verschillende werkgroepen wordt momenteel een actieplan hiervoor opgesteld.
Hoe kan het dat geen enkele van de deelnemende pensioenfondsen alle subindicatoren voor «Beleid» volledig heeft kunnen realiseren? Hoe verklaart u dat slechts vijf procent van de pensioenfondsen alle stappen van due diligence doorlopen? Hoe verklaart u dat 39 deelnemende pensioenfondsen nog altijd niet het instrumentarium hebben toegepast, hoewel dit slechts gaat om het opnemen van (gesuggereerde) teksten in beleid, contracten en monitoring? Heeft u zicht op waarom de tussendoelstellingen over de gehele breedte gemist zijn?
De «Eerste Voortgangsmeting Monitoringscommissie IMVB Convenant Pensioenfondsen» gaat over eerste jaar (2019) van het convenant. Voor de hoofdindicator «Beleid» is in het convenant vastgelegd dat alle deelnemende pensioenfondsen hieraan moeten voldoen aan het einde van jaar twee.
Het is voor veel deelnemende pensioenfondsen, die bijvoorbeeld kleiner van omvang zijn, een veelomvattende taak om alle stappen van due diligence te doorlopen en om te beschrijven hoe dit ingevuld en verankerd wordt in beleid, contracten en monitoring. Daarom werd van hen verwacht dat zij dit aan het einde van het tweede jaar van het convenant op orde zouden hebben. In de aanstaande monitoring over 2020 zal blijken of de deelnemende pensioenfondsen deze doelstelling hebben behaald. Voor een groot deel van de fondsen is het instrumentarium een noodzakelijk hulpmiddel hierbij. Dit instrumentarium werd aan het einde van het eerste jaar (december 2019) opgeleverd. Dit verklaart mede waarom een deel van de pensioenfondsen dit instrumentarium nog niet volledig heeft kunnen toepassen. Dit heeft bijgedragen aan een lagere realisatie op de tussendoelstellingen voor 2019 dan eerder werd verwacht.
Wat zegt volgens u de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant over de mate waarin pensioenfondsen hun duurzaamheidsrisico’s, zoals fysieke risico’s als waterschaarste, gedegen beheersen?
Bij de implementatie van het convenant draaide het voor de deelnemende pensioenfondsen in het eerste jaar om het starten met het vastleggen van de OESO-richtlijnen in hun beleid voor uitbesteding, monitoring en rapportage (stap één van gepaste zorgvuldigheid onder de OESO-richtlijnen). In lijn met de OESO-richtlijnen is het maken van een risicoanalyse de tweede stap van due diligence. Deze stap moet gezamenlijk met de andere stappen op basis van de afspraken in het convenant aan het einde van jaar twee vastgelegd zijn in het beleid van de pensioenfondsen. Veel pensioenfondsen beleggen wereldwijd en zijn met hun beleggingsportefeuille aan verschillende duurzaamheidsrisico’s blootgesteld. Volgens de OESO-richtlijnen moeten ondernemingen de meest urgente risico’s prioriteren en deze mitigeren of voorkomen. De afspraken in het convenant zien op de implementatie van de zes de stappen voor gepaste zorgvuldigheid. De pensioenfondsen kunnen daarmee op termijn hun duurzaamheidsrisico’s beter gaan beheersen. In de monitoring wordt gekeken of pensioenfondsen de OESO-richtlijnen hebben geïmplementeerd in hun beleid. Op basis van de huidige voortgang van de implementatie kan ik geen conclusies trekken over de beheersing van specifieke duurzaamheidsrisico’s, omdat deze geen onderdeel van de monitoring binnen het convenant vormen.
Deelt u de mening dat aan de geloofwaardigheid van intenties ten aanzien van engagement afbreuk wordt gedaan, nu blijkt dat pensioenfondsen zeer matig scoren op de mate waarin ze invloed aanwenden om de negatieve impact van beleggingen te voorkomen of te mitigeren (indicator 2c)?
Subindicator 2c is onderdeel van de hoofdindicator «Uitbesteding». In het convenant is afgesproken dat de deelnemende pensioenfondsen voor zover dat nog niet het geval is, de afspraken voor uitbesteding zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het convenant in rapportagevereisten met externe dienstverleners opnemen. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3 is de naleving van de OESO-richtlijnen een veelomvattende taak voor veel pensioenfondsen. Er is bij het vastleggen van de afspraken daarom bewust voor drie jaar gekozen om de deelnemende pensioenfondsen de tijd te geven de uitbesteding goed in te richten. Ik vind het voorbarig om na één van de drie jaren al de geloofwaardigheid van de intenties hierop in twijfel te trekken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waterroof: mede mogelijk gemaakt met ons pensioengeld» dat 19 januari jl. op Follow the Money verscheen?
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het in de vorige vraag genoemde artikel laat zien dat verscheidene Nederlandse pensioenfondsen medefinancier zijn van gezondheids- en milieurampen in ten minste de Verenigde Staten en Mexico?
Het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, met inachtneming van de toepassing van de OESO-richtlijnen, is een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Het kabinet vindt het belangrijk dat het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en de toepassing hiervan verantwoord is en vindt daarbij de fondsen zelf aan zijn zijde. Daarom heeft de overheid samen met pensioenfondsen, vakbonden en maatschappelijke organisaties het IMVB-convenant Pensioenfondsen gesloten. Het convenant richt zich op de inbedding van de OESO-richtlijnen en UNGP’s in het beleid en due diligence van pensioenfondsen.
Wat zegt het volgens u dat er door verschillende Nederlandse pensioenfondsen geen engagement toegepast wordt op een bedrijf als Coca Cola Femsa?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 7 is het beleggingsbeleid van pensioenfondsen een verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen zelf. Hieronder vallen ook besluiten over met welke bedrijven een pensioenfonds (of de uitvoeringsorganisatie) een engagementtraject start. Vanuit de afspraken in het convenant is de verwachting dat pensioenfondsen conform de OESO-richtlijnen een risicoanalyse maken en prioriteren welke risico’s zij in hun beleggingsportefeuille willen aanpakken en met welke vorm van beïnvloeding. Dit kan op verschillende manieren, onder andere via stemmen op aandeelhoudersvergaderingen. Een engagementtraject is een andere manier van beïnvloeding en vraagt vaak een lange adem en meer middelen. Pensioenfondsen maken hierin zelf de afweging. Het kabinet kan geen oordeel geven over het al dan niet voeren van engagement met individuele bedrijven door één of meerdere pensioenfondsen.
Vindt u ook dat vanuit het Convenant een verplichting voortkomt voor pensioenfondsen om investeringen individueel te beoordelen en niet slechts via een benchmark?
In het convenant zijn afspraken vastgelegd volgens de stappen van gepaste zorgvuldigheid die de OESO-richtlijnen voorschrijven. Deze richtlijnen en specifiek het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers dat als leidraad wordt gebruikt door pensioenfondsen schrijft niet voor hoe om te gaan met directe beleggingen ten opzichte van het beleggen via een benchmark of index. Uit het convenant volgt geen verplichting voor het individueel beoordelen van investeringen. Wel wordt van pensioenfondsen verwacht dat zij, waar mogelijk, hun invloed aanwenden wanneer negatieve effecten worden vastgesteld bij bedrijven waarin zij investeren. Dit kan eventueel in een gesprek met de index-samensteller.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat de monitoringscommissie constateert dat veel deelnemende pensioenfondsen due diligence niet van toepassing verklaren op passieve beleggingen? Hoe kijkt u er met terugwerkende kracht op terug dat de inzet ten aanzien van passieve beleggingen in de tekst van het Convenant niet geëxpliciteerd is?
Uit de monitoringsrapportage komt naar voren dat veel pensioenfondsen in de hoor- en wederhoor met de monitoringscommissie hebben aangegeven gepaste zorgvuldigheid (due diligence) niet van toepassing te verklaren op passief beleggen. De appreciatie van de stuurgroep van het convenant is niet specifiek op dit punt ingegaan, maar neemt wel de aanbeveling over van de monitoringscommissie dat het eerder opgestelde instrumentarium geoptimaliseerd en beter toepasbaar gemaakt moet worden. De werkgroep Monitoring werkt momenteel een actieplan uit dat invulling geeft aan de verschillende aanbevelingen.
De convenantafspraken hebben betrekking op doelstelling, inzet en reikwijdte van het convenant. Zij zijn de uitkomst van een langdurige onderhandeling met alle betrokken partijen bij het convenant. Passieve beleggingen zijn daarin niet geëxpliciteerd, maar het huidige instrumentarium benoemt al dat er rekening wordt gehouden met de karakteristieken en beïnvloedingsmogelijkheden van verschillende pensioenfondsen. Te denken valt aan de grootte, de beleggingsstrategieën en de verschillende beleggingscategorieën. Met de voorgestelde optimalisatie van het instrumentarium kan pensioenfondsen een verdere handreiking worden geboden met betrekking tot hun handelingsperspectief voor wat betreft gepaste zorgvuldigheid.
Zet u zich er onverkort voor in dat passieve beleggingen daar, waar het gaat om het uitsluiten van sociale en milieugerelateerde misstanden, aan precies dezelfde doelstellingen onderworpen worden als actieve beleggingen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 10 zijn passieve beleggingen niet geëxpliciteerd in het convenant. Desalniettemin verwacht het kabinet dat pensioenfondsen voor al hun beleggingen (actief en passief) de stappen van gepaste zorgvuldigheid implementeren in hun beleggingsbeleid en gaan toepassen. Wanneer sociale- en milieu gerelateerde misstanden worden geconstateerd en pensioenfondsen hieraan gelinkt zijn, wordt vanuit de OESO-richtlijnen verwacht dat zij hun invloed aanwenden om deze te mitigeren of waar mogelijk te stoppen en in de toekomst te voorkomen. Hoe pensioenfondsen hun invloed aanwenden en in welke mate kan verschillen bij actieve en passieve beleggingen. Het OESO-richtsnoer voor institutionele beleggers2 geeft aan dat de mate van invloed onder andere bepaald wordt door de karakteristieken van de institutionele belegger, de beleggingsstrategie (actief of passief), en geldende wet- en regelgeving. Ook bij passieve beleggingen heeft een pensioenfonds een aantal opties om invloed aan te wenden om betrokkenheid bij misstanden te mitigeren en/of voorkomen.
Deelt u de mening dat er een verband bestaat tussen het gebrekkige optreden van Nederlandse pensioenfondsen in specifieke casussen, zoals uiteengezet in het Follow the Money-artikel, en de gebrekkige voortgang van de implementatie van het convenant? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het FTM-artikel spreekt over de vijf grootste pensioenfondsen en heeft van vier reacties opgenomen (ABP, PFZW, PMT en PME). Daarbij kan opgemerkt worden dat het FTM-artikel ook vermeldt dat bijvoorbeeld PMT en PME één van de genoemde bedrijven uitsluiten. De voortgang van individuele pensioenfondsen in naleving van het convenant is enkel inzichtelijk voor de leden van de monitoringscommissie en het SER-secretariaat dat de commissie ondersteunt bij de verwerking van alle antwoorden die aangeleverd worden in de monitoringtool. Op basis van de geaggregeerde voortgangsrapportage kan daarom niet geconcludeerd worden welke voortgang de vijf grootste pensioenfondsen hebben geboekt in het eerste jaar van het convenant.
Komen de resultaten van de monitoringscommissie voor u als een verrassing? Op welke momenten in het afgelopen jaar heeft u met pensioenfondsen over de voortgang van het Convenant gesproken? Heeft u op enig moment voor de verschijning van de publicatie van de voortgangsrapportage signalen gehad dat de voortgang van de implementatie zeer gebrekkig is? Wat heeft u met deze signalen gedaan?
Binnen de stuurgroep en de verschillende werkgroepen wordt continu het gesprek gevoerd met de Pensioenfederatie en dat deel van de pensioenfondsen dat deelneemt aan de stuurgroep en werkgroepen. In deze gesprekken gaat het over hoe de pensioenfondsen ondersteund kunnen worden bij het implementeren van de OESO-richtlijnen en welke producten er ontwikkeld kunnen worden om dit voor elkaar te krijgen. De monitoringcommissie monitort jaarlijks de voortgang die de partijen boeken op de convenantafspraken en houdt toezicht op de kwaliteit en de kwantiteit van de input van de partijen. Pas uit het jaarlijkse monitoringsrapport wordt daarom volledig inzichtelijk wat de voortgang is van het convenant ten opzichte van de afspraken. Deze eerste voortgangsmeting laat zien dat er nog extra stappen moeten worden gezet om de convenantdoelstelling te behalen.
Deelt u de zienswijze van de monitoringscommissie dat de vertraging op de hoofdindicator beleid consequenties heeft voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren?
De achterblijvende voortgang op de hoofdindicator «Beleid» vormt een risico voor de voortgang op de andere hoofdindicatoren, omdat het vastleggen van de due diligence stappen in het beleid volgens de due diligence methodiek een voorwaarde vormt voor de verdere uitrol hiervan in uitbesteding, monitoring en rapportage. Deze eerste voortgangsrapportage laat echter ook zien dat een deel van de pensioenfondsen in de praktijk al meer voortgang heeft geboekt op de andere hoofindicatoren, terwijl nog niet alle subindicatoren onder de hoofdindicator «Beleid» zijn behaald.
Betekent de gebrekkige voortgang van de implementatie van het Convenant dat het dit kabinet onvoldoende gelukt is via het postennetwerk en economische diplomatie de partijen in het convenant te ondersteunen bij het implementeren van hun IMVB-beleid? Zo nee, waar baseert u dit op? Wat is er op dit punt het afgelopen jaar goed gegaan, en wat kan er beter?
Volgens afspraak hebben het postennetwerk en de economische diplomatie het convenant ondersteund, primair in het zogenaamde «diepe spoor» van het convenant waarin de partijen samenwerken aan engagementcasussen. Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 3 betreft dit de voortgang van het eerste jaar van het convenant. Hierin zijn volgens afspraak de eerste twee casussen gestart, te weten een mijnbouwcasus in Peru en een casus in de palmolieketen in Indonesië en Liberia. Vanaf het begin zijn de posten in de desbetreffende landen en/of landenmedewerkers op het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag betrokken bij de casussen om duiding te geven aan de lokale context van de sector in het land of andere specifieke vragen die uit het samenwerkingsverband kwamen te beantwoorden.
In het afgelopen jaar, het tweede jaar van het convenant, is dat voortgezet en is er onder andere in de mijnbouwcasus een geslaagd virtueel veldbezoek georganiseerd in samenwerking met de ambassade in Lima. De ambassade heeft zijn netwerk van lokale contacten ingezet, hierdoor hebben meerdere bijeenkomsten tijdens het veldbezoek voor de casuswerkgroep plaatsgehad. De post heeft ook aangeboden om, indien gewenst door de werkgroep, een vervolgbezoek te organiseren voor organisaties waarmee tijdens dit eerste bezoek niet gesproken is.
Heeft u er, wijzende op het gegeven dat de resterende tijd voor realisatie van het convenant afneemt en er meer voortgang gemaakt moet worden dan als de tussendoelstellingen gehaald zijn, nog wel vertrouwen in dat de doelstellingen van het convenant gehaald gaan worden? Zo ja, waarop baseert u dat vertrouwen?
Ja. Deze voortgangsrapportage betreft het eerste jaar van de looptijd van dit convenant. De in het convenant vastgelegde afspraken voor het eerste jaar zijn behaald. Zo is er onder andere een monitoringstool ontwikkeld. Deze wordt door de pensioenfondsen als zeer gebruiksvriendelijk ervaren. Ook is het instrumentarium ontwikkeld en gepubliceerd en zijn de eerste twee casussen geselecteerd en gestart. Hierover is onder andere gecommuniceerd via nieuwsbrieven en een jaarbijeenkomst. De tussendoelstellingen voor de hoofdindicatoren zijn, zoals eerder benoemd in het antwoord van vraag 1, geen vastgelegde afspraak in het convenant, maar opgesteld om de voortgang op de hoofdindicatoren te volgen. De deelnemende pensioenfondsen hebben de eerste stappen gezet. De implementatie van het convenant voor alle hoofdindicatoren blijft echter achter bij de tussendoelstellingen. Het is daarom voor alle betrokken partijen duidelijk dat er nog extra stappen gezet moeten worden om de gemaakte afspraken in het convenant waar te maken. Als deze gezet worden acht het kabinet, samen met de andere partijen bij het convenant, de volledige implementatie van het convenant nog steeds haalbaar.
Wat zou de juridische consequentie zijn als het scenario zich materialiseert waarin de Pensioenfondsen de doelstellingen van het Convenant niet halen, gegeven dat het behalen van deze doelstellingen een verplichting is?
De bestuurlijke opzet van het convenant beschikt over een stuurgroep waarin alle geledingen zitting hebben. Wanneer de afspraken uit het convenant niet gehaald worden of er onvoldoende voortgang is, dan is de stuurgroep het aangewezen orgaan om een actieplan op te stellen of deelnemende pensioenfondsen aan te spreken op de verplichtingen die voortvloeien uit de ondertekening van het convenant. Dit kan zelfs bij een compleet doorlopen geschillenprocedure die niet succesvol is leiden tot het opzeggen van het convenant jegens de tekortschietende partij. De IMVO-convenanten zijn een vrijwillig instrument binnen het IMVO-beleid van het kabinet. Het niet halen van vastgelegde afspraken heeft geen juridische consequenties.
Op 16 oktober 2020 heeft het kabinet de nieuwe IMVO-beleidsnota (Kamerstuk 26 485, nr. 337) gedeeld met de Tweede Kamer. In de nota geeft het kabinet aan in te zetten op een brede gepaste zorgvuldigheidsverplichting naast vrijwillige instrumenten, zoals de huidige convenanten en toekomstige sectorale samenwerking. Hierbij heeft het kabinet de voorkeur voor een verplichting op Europees niveau.
Hoe verhoudt zich de constatering dat pensioenfondsen in toenemende mate hun eigen ESG-beleid formuleren, met de noodzaak tot harmonisatie van ESG-doelstellingen en -methoden zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet? Vraagt de noodzaak tot harmonisatie te komen om een actievere, meer interveniërende rol van de ministeries op dit specifieke punt? Hoe gaat u daar invulling aan geven?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen, waaronder financiële instellingen, dat zij de OESO-richtlijnen en UNGP’s naleven. Binnen het convenant zijn er verschillende afspraken opgenomen over de naleving van de OESO-richtlijnen. De aan het convenant gecommitteerde pensioenfondsen moeten onder meer inzichtelijk maken hoe hun ESG-beleid wordt meegenomen bij beleggingsbeslissingen en dienen te rapporteren over de resultaten van het ESG-beleid. Van pensioenfondsen wordt verwacht dat dat zij ESG-beleid opstellen volgens de OESO-richtlijnen. De daadwerkelijke invulling van het ESG-beleid is aan de pensioenfondsen zelf.
De noodzaak tot harmonisatie waaraan gerefereerd wordt in de duurzame financieringsstrategie heeft betrekking op harmonisatie van rapportagestandaarden. Om voortgang te kunnen vergelijken en de beschikbaarheid van data te verhogen is het belangrijk dat bedrijven op een uniforme wijze rapporteren, bij voorkeur op een Europese uniforme wijze. Dit is ook de inzet van het kabinet zoals beschreven in de consultatiereacties op de Europese Commissie consultaties van de Hernieuwde Duurzame Financieringsstrategie en de herziening van de richtlijn niet-financiële rapportage.
Ziet u vanuit uw inzet voor gedegen rapportages over ESG-impact en -risico’s, zoals geëxpliciteerd in de duurzame financieringsstrategie van het kabinet, een speciale verantwoordelijkheid om u er actief tegenaan te bemoeien dat pensioenfondsen beter over voorgenoemde zaken gaan rapporteren, gegeven de slechte resultaten op de vierde hoofdindicator? Op welke manier gaat u hier invulling aan geven?
Rapporteren en transparantie bieden over de genomen beslissingen is een belangrijk onderdeel van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid volgens de OESO-richtlijnen. Ook in het convenant zijn verschillende afspraken opgenomen over transparantie en rapportage. Zo wordt er van de deelnemende pensioenfondsen verwacht dat aan het eind van het vierde jaar het convenant verwerkt is in de rapportages. De monitoringscommissie observeert in het monitoringsrapport over 2019 dat er over het algemeen voortgang is geboekt op deze doelstelling, maar dat daar ook meer tijd voor is vergeleken met de andere doelstellingen, conform het convenant.
Om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen aan het einde van het vierde jaar voldoen aan de afspraken, is er in het tweede jaar van het convenant al een brede kennissessie georganiseerd waarin rapportage ook aan bod kwam als één van de zes stappen van gepaste zorgvuldigheid. Voor het komende jaar worden er aanvullende webinars georganiseerd; gepland wordt dat daarin ook de verwachtingen op rapportage en transparantie behandeld zullen worden als onderdeel van het actieplan om de implementatie te versnellen.
Deelt u de mening van de monitoringscommissie dat een versnelling van de implementatie meer bestuurlijke aandacht, tijd en middelen vraagt? Wat is de implicatie daarvan voor uw rol?
Ja. De stuurgroep van het convenant, waar alle partijen zitting in hebben, heeft een appreciatie opgesteld van de voortgangsrapportage van de monitoringscommissie. Deze appreciatie onderschrijft de noodzaak van een versnelling. De stuurgroep deelt de mening van de monitoringscommissie dat de implementatie in de toekomst bij de pensioenfondsen meer bestuurlijke aandacht, en waar mogelijk tijd en middelen vergt. De overheid zal, als partij in het convenant, de pensioenfondsen hierin ondersteunen door naast haar inzet in de werkgroepen, expertise beschikbaar te stellen voor kennissessies en webinars. Ook heeft de overheid als partij deelgenomen aan een directeurenoverleg op 4 februari jl. gericht op de noodzakelijke vervolgacties voor deze versnelling.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en binnen drie weken retour zenden aan de Kamer?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Gezien het voorjaarreces was het niet mogelijk de beantwoording binnen drie weken retour te zenden aan uw Kamer.
Het bericht dat er mogelijk bezuinigd gaat worden op de kinderbijslag |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Uitkeringsorganisaties maken meer kosten, en ouders mogen het betalen»?1
Ja.
Waarom moeten gezinnen met kinderen de rekening betalen van de extra kosten bij het UWV en de Sociale Verzekeringsbank?
Het kabinet zet in op een versterking van de uitvoering. Met het traject «Werk aan uitvoering» worden voorstellen gedaan om de dienstverlening aan burgers, bedrijven en instellingen te versterken en om de wendbaarheid, continuïteit en toekomstbestendigheid van diverse uitvoeringsorganisaties te vergroten. Dit is hard nodig om het vertrouwen van burgers in de overheid te houden en te versterken.
Het kabinet heeft binnen de begroting van SZW gezocht naar dekking voor deze investering. Het kabinet stelt voor om een deel van deze investering te dekken door de kinderbijslag in 2022 en 2023 niet, en in 2024 deels niet te indexeren. Omdat dit over ruim 1,9 miljoen gezinnen wordt gespreid, zijn de inkomens-effecten relatief beperkt en acht het kabinet dit aanvaardbaar. Ter illustratie: het cumulatieve, mediane inkomenseffect over de gehele periode 2022–2024 van de groep huishoudens met kinderen is -0,1%.
Overigens vindt het kabinet het belangrijk dat alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders, zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Daarom heeft het kabinet deze kabinetsperiode fors, zo’n € 900 miljoen extra, geïnvesteerd in de ondersteuning van gezinnen. Veel ouders zijn er daardoor structureel op vooruit gegaan.
Om welke extra kosten bij de uitvoeringsorganisaties gaat het en waarom kan het budget hiervoor niet op een andere wijze worden ingevuld?
Met de uitvoering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) worden miljoenen burgers in ons land ondersteund. De uitvoering van de sociale zekerheid is echter kwetsbaar. De continuïteit in het verlenen van de juiste dienstverlening staat onder grote druk. Sluipenderwijs is achterstallig onderhoud ontstaan en is de kwaliteit onder druk komen te staan.
Via de Ministeriële Commissie Uitvoering en de daarbij horende «Werkagenda voor de uitvoering» werkt het kabinet hard aan het toekomstbestendig maken van de uitvoering. In het rapport «Werk aan uitvoering fase II – handelingsperspectieven en samenvatting probleemanalyse» zijn concrete handelingsperspectieven opgenomen voor verbetering van de dienstverlening, wendbaarheid en toekomstbestendigheid die zijn in te zetten voor de korte en langere termijn.
Vooruitlopend op de kabinetsreactie op het traject «Werk aan de Uitvoering» (WAU) investeert het kabinet € 100 miljoen in UWV, de SVB en het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) vanaf 2022. De middelen worden ingezet voor onderhoud en modernisering van ICT, het verbeteren van en maatwerk bieden in de dienstverlening en voor artsen- en handhavingscapaciteit. Voor BKWI wordt structureel extra ontwikkelcapaciteit beschikbaar gesteld. Voor deze investering is dekking nodig binnen de Begroting SZW.
Omdat het inkomenseffect relatief beperkt is, acht het kabinet de voorgestelde dekkingsmaatregel aanvaardbaar.
Hoe beoordeelt u het dat juist in deze crisistijd de kinderbijslag mogelijk ruim twee jaar lang niet geïndexeerd wordt, terwijl op grond van de Wet koppeling en afwijkingsbevoegdheid (WKA) halfjaarlijks een indexering moet plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het ongepast is om in deze crisistijd, waarin gezinnen het al erg zwaar te verduren hebben, met dergelijke bezuinigingsvoorstellen te komen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het kabinet in 2019 ook al voornemens was een kindregeling (het kindgebonden budget) niet te indexeren, om een budgettaire tegenvaller te dekken?
Ja. Als gevolg van het herstellen van een omissie in de uitvoeringspraktijk bij de Belastingdienst/Toeslagen nam het niet-gebruik van het kindgebonden budget sterk af, waardoor veel extra gezinnen recht op kindgebonden budget kregen. Gevolg hiervan was dat de structurele uitgaven aan kindgebonden budget naar verwachting hoger uitvielen dan in de SZW-begroting was voorzien. Het kabinet heeft op dat moment eveneens de afweging gemaakt de budgettaire gevolgen van dekking te voorzien door geen indexering van het kindgebonden budget voor te stellen.2 Het kabinet heeft echter met het oog op het koopkrachtbeeld de maatregel later ongedaan gemaakt, waardoor indexering van het kindgebonden budget wel heeft plaatsgevonden.3
Bent u het eens met de stelling dat ouders moeten kunnen rekenen op een betrouwbare overheid en dat dit jojobeleid ten aanzien van het wel of niet indexeren van kindregelingen daar niet bij past? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Algemene Kinderbijslagwet wordt het basiskinderbijslagbedrag twee keer per jaar aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex zodat deze de algemene prijsontwikkeling volgt en daarmee zijn waarde behoudt.4 Het wetvoorstel dat van 13 januari tot en met 10 februari in internetconsultatie is geweest, stelt voor daar voor de jaren 2022, 2023, en deels in 2024 vanaf te zien.
Ouders moeten kunnen rekenen op een betrouwbare overheid. De kinderbijslag inclusief indexering maakt onderdeel uit van het geheel aan instrumenten waarover het kabinet beschikt om ouders financieel te ondersteunen. Dit kabinet vindt het belangrijk dat alle kinderen, ongeacht de financiële situatie van hun ouders, zich kunnen ontplooien en ontwikkelen. Dit kabinet heeft deze kabinetsperiode daarom fors extra geïnvesteerd in gezinnen en kinderen. De kinderbijslag is verhoogd met € 250 mln, het kindgebonden budget voor paren met € 500 mln en recent het kindgebonden budget vanaf het derde kind met € 150 mln. Daarnaast ontvangen werkende ouders kinderopvangtoeslag en ondersteunt het kabinet via gemeenten kinderen die in armoede opgroeien.
Door bovengenoemde maatregelen zijn ouders er structureel op vooruit gegaan. De voorgenomen niet-indexering doet daar niet aan af. Per saldo is er van bezuinigingen geen sprake. Door de relatief beperkte inkomenseffecten van de voorgenomen niet-indexering en de versterking van de uitvoering waaraan deze intensivering bijdraagt, vindt het kabinet het (deels) niet-indexeren binnen dit totaalpakket aan structurele intensiveringen aanvaardbaar.
Deelt u de mening dat de reflex om te bezuinigen op gezinnen met kinderen door middel van bezuinigingen op het kindgebonden budget en de kinderbijslag onwenselijk is en dat de gezinnen niet langer als het kind van de rekening moeten worden gezien?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'DNB slaat negatief advies over renteverlaging in de wind' |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «DNB slaat negatief advies over renteverlaging in de wind»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Heeft u, zoals PensioenPro meldt, aan De Nederlandsche Bank (DNB) gevraagd de rente in deze scenariosets aan te passen? Zo ja, wanneer heeft u dit aan DNB gevraagd?
Mijn ministerie heeft vorig jaar signalen ontvangen van verschillende pensioenuitvoerders (zie verder vraag2 over de toepasselijkheid van de scenariosets. Deze signalen heb ik op 30 september 2020 onder de aandacht gebracht bij DNB. Daarbij heb ik aan DNB gevraagd zo nodig maatregelen te nemen binnen de bevoegdheden die DNB daarvoor heeft, waarbij als uitgangspunt het advies van de Commissie Parameters 2019 geldt. De aanpassing van de scenarioset is geen verzoek geweest van mij als Minister. DNB heeft als onafhankelijk toezichthouder het besluit genomen dat het een gepaste maatregel is, na beoordeling van de praktijksignalen.
Welke signalen uit de pensioensector heeft u gekregen die aanleiding waren voor het verlagen van de rente in de scenariosets?
Het betreffen signalen van verschillende pensioenuitvoerders dat de (gemiddelde) rente op lange termijn in de uniforme scenario-set te hoog lag, met als gevolg dat voor communicatie over verwachte pensioenuitkomsten naar deelnemers en voor de haalbaarheidstoets te optimistische verwachte pensioenuitkomsten kunnen ontstaan.
Was u ervan op de hoogte dat de drie genoemde hoogleraren negatief geadviseerd hebben over deze aanpassing? Zo ja, wanneer bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Ik heb aan DNB bovengenoemde signalen onder de aandacht gebracht. Het is vervolgens aan DNB om, binnen de bevoegdheden die DNB daarvoor heeft, eventueel commentaar af te wegen en indien nodig maatregelen te nemen. Ik ben door DNB in kennis gesteld van het voorgenomen besluit en de afwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.
Wat zijn de precieze gevolgen van de aanpassingen in de scenariosets voor het Uniform Pensioenoverzicht van een deelnemer van 25 jaar, 35 jaar, 45 jaar, 55 jaar, 65 jaar en 75 jaar?
Het neerwaarts effect op de URM-uitkomsten van de aanpassing van de scenarioset per 1 januari 2021 is grofweg van vergelijkbare omvang als het opwaartse effect op de URM-uitkomsten van de aanpassing per 1 januari 2020 van de scenario-set door het advies van de Commissie Parameters 2019. De effecten verschillen echter per pensioenuitvoerder en per persoon. Bij een vergelijking van URM-uitkomsten met een jaar geleden spelen natuurlijk ook andere factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de dekkingsgraad en de rente.
Welke gevolgen heeft de aanpassing in de scenariosets voor het beleggings- en risicobeleid van fondsen?
De uniforme scenarioset wordt gepubliceerd ten behoeve van de wettelijk verplichte communicatie over verwachte pensioenuitkomsten naar deelnemers (URM) en voor de wettelijk verplichte haalbaarheidstoets. De scenarioset is gebaseerd op het KNW-model. Dit model is niet ontworpen voor het bepalen van de invulling van het beleggingsbeleid. Hiervoor blijven eigen, fondsspecifieke ALM-analyses noodzakelijk. De aanpassing heeft daarom geen directe gevolgen voor het beleggings- en risicobeleid van pensioenfondsen.
Welk probleem wordt door de aanpassing in de scenariosets opgelost? Bent u van mening dat dit probleem zo urgent is dat het noodzakelijk is een negatief wetenschappelijk advies te negeren en een tijdelijke maatregel te treffen?
Aanleiding voor de aanpassing van de scenarioset waren signalen van verschillende pensioenuitvoerders dat de (gemiddelde) rente op lange termijn in de uniforme scenario-set te hoog lag, met als gevolg dat voor communicatie over verwachte pensioenuitkomsten naar deelnemers en voor de haalbaarheidstoets te optimistische verwachte pensioenuitkomsten kunnen ontstaan. Na het ontvangen van deze signalen heb ik deze signalen bij DNB onder de aandacht gebracht, waarbij ik heb gevraagd zo nodig maatregelen te nemen binnen de bevoegdheden die DNB daarvoor heeft.
DNB heeft als onafhankelijk toezichthouder besloten dat ingrijpen nodig was, na beoordeling van de praktijksignalen en het inwinnen van wetenschappelijk advies. Ik ben door DNB in kennis gesteld van het voorgenomen besluit en de afwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Op basis daarvan is mijn indruk dat aan het besluit van DNB een gedegen proces ten grondslag heeft gelegen. Zo heb ik begrepen dat DNB de input van verschillende pensioenuitvoerders heeft meegewogen.
Van DNB heb ik hierover vernomen dat DNB de grote waarde van het wetenschappelijk commentaar ziet. Echter, DNB geeft aan dat de aandachtspunten van de wetenschappers niet zo zeer betrekking hebben op de huidige aanpassing als wel op keuzes gemaakt door de Commissie Parameters. Ze wijzen op het mogelijke risico dat de door DNB voorgestelde aanpassing ook een rol gaat spelen bij de stelselwijziging. DNB geeft aan dat dit niet het geval is, aangezien de door DNB voorgestelde aanpassing daar los van staat. Vanwege signalen uit de sector en het belang van representatieve pensioencommunicatie heeft DNB gekozen voor doorvoeren van de aanpassing, waarbij DNB expliciet benadrukt dat de aanpassing bedoeld is als tijdelijke oplossing en dat deze scenarioset niet ontworpen is om er conclusies aan te verbinden met betrekking tot het voorgenomen nieuwe pensioenstelsel.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde aanpassing doorwerkt in de scenario’s (Q-set) die gebruikt worden bij de overgang naar het nieuwe stelsel? Zo nee, hoe zijn deze effecten in beeld gebracht?
De aanpassing heeft alleen betrekking op de scenario-set die met ingang van 1 januari 2021 gehanteerd wordt in het huidige pensioenstelsel (bij de communicatie over verwachte pensioenuitkomsten en voor de haalbaarheidstoets). Hier speelt een Q-set geen rol.
Bent u bekend met het advies van prof. dr. Bas Werker die verwacht dat de aanpassing aanzienlijke effecten heeft op de netto profijt berekeningen en de compensatie van werkenden voor de afschaffing van de doorsneepremie? Wat is de omvang van dit effect?
Ja, het advies dat door de wetenschappers uitgebracht is aan DNB is mij bekend. Zoals te lezen in het antwoord op vraag 8, heeft de aanpassing betrekking op de scenario-set in het huidige pensioenstelsel. Hier speelt netto profijt en compensatie geen rol.
Bent u ervan op de hoogte dat alle betrokken hoogleraren aanbevelen om de wijziging in deze vorm en zonder nader onderzoek niet door te voeren? Waarom is deze aanpassing toch doorgezet?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe verhoudt deze aanpassing zich tot het «onafhankelijk, technisch advies» over de scenariosets dat u in uw brief van 16 december 2020 heeft aangekondigd?2
De aanpassing is niet ontworpen om er conclusies aan te verbinden met betrekking tot het voorgenomen nieuwe pensioenstelsel. Op basis van het onderzoek van DNB naar de aanpassing en het daarbij ingewonnen commentaar uit de wetenschap concludeert DNB dat voor een oplossing voor de langere termijn een grondig onderzoek naar het optimale model en daarbij behorende modelparameters voor de uniforme scenarioset gewenst is. Dit onderzoek zal uitgevoerd worden, zoals aangekondigd in mijn kamerbrief d.d. 16 december 2020.
Wanneer is het in vraag 11 bedoelde onafhankelijk, technisch advies naar de scenariosets afgerond?
Gegeven de rol die de scenariosets gaan spelen in het nieuwe stelsel en de transitie daarnaartoe, alsmede in het daarbij behorende arbeidsvoorwaardelijke proces, streven wij ernaar dat de scenariosets beschikbaar zijn uiterlijk op het moment dat het transitieproces start.
De afgebroken CAO-onderhandelingen bij de supermarkten |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Overleg supermarkt-cao weer afgebroken: «Geld klotst tegen de plinten»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht. Het is jammer dat cao-partijen bij de supermarkt-cao nog niet tot overeenstemming zijn gekomen. Het proces van onderhandelingen verloopt soms vlot, maar heeft soms ook wat meer tijd nodig om tot een goed einde te worden gebracht. Ik hoop dat partijen er uiteindelijk samen uit gaan komen en een evenwichtig onderhandelingsresultaat weten te bereiken.
Deelt u de mening dat supermarkten in 2020 een recordomzet hebben geboekt van 45 miljard euro, een stijging van 11 procent ten opzichte van 2019?
Uit het aangehaalde artikel begrijp ik dat uit onderzoek van marktonderzoeker IRI volgt dat supermarkten 45 miljard euro hebben omgezet in 2020, hetgeen een stijging van 11 procent zou betekenen ten opzichte van 2019. Dat is inderdaad fors.
Hebt u gezien dat in het nieuwe jaar de klinkende cijfers gewoon doorzetten, met in de eerste week van 2021 alweer een groei van negen procent?
In hetzelfde artikel heb ik gelezen dat in de eerste week van 2021 sprake zou zijn van een groei van 9 procent.
Bent u het eens met de stelling dat deze cijfers een loonsverhoging rechtvaardigen voor de circa 300.000 supermarktmedewerkers, in lijn met de eis van de vakbonden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat de coronacrisis veel vraagt van Nederland en dat ook supermarktmedewerkers hard hebben gewerkt om de supermarkten draaiende te houden. Het is echter niet aan mij om me te mengen in de cao-onderhandelingen in een specifieke sector en te oordelen over de rechtvaardiging van een structurele en/of incidentele loonsverhoging. Het is aan de betrokken werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om te onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden en een cao af te sluiten. Cao-partijen weten bovendien het beste welke afspraken in een specifieke sector passend zijn.
Is een (extra) loonsverhoging ook niet logisch vanwege de hoge werkdruk als gevolg van corona?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een moreel appel te doen op de werkgevers vanwege het feit «dat het geld tegen de plinten klotst»? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is het aan werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen en een cao af te sluiten. Het onderhandelingsproces in een specifieke sector is dan ook geen zaak waar ik mij in kan mengen.
Hebt u gezien dat een Kamermeerderheid voorstander is van een hoger minimumloon? Bent u bereid het minimumloon met tien procent te verhogen als een eerste stap richting 14 euro per uur? Zo nee, waarom niet?
Ik ben ervan op de hoogte dat meerdere partijen voor een hoger wettelijk minimumloon (WML) pleiten in hun verkiezingsprogramma’s. De wijze waarop partijen dit invullen is echter verschillend. Zoals eerder aangegeven in mijn brief van januari vorig jaar,2 ben ik niet voornemens het WML in de resterende kabinetsperiode te verhogen. Overigens is het WML niet het enige dat bepalend is voor het inkomen van werknemers. Ook het bredere stelsel van inkomensondersteuning via de fiscaliteit en toeslagen speelt een rol. Goede weging van een verhoging van het WML dient dan ook in een bredere samenhang met deze instrumenten te worden bezien.
Het herleven van een studieschuld na afronding van een WSNP |
|
Renske Leijten (SP), Frank Futselaar (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom mensen met een door een wettelijke schuldsanering (WSNP) traject stopgezette studieschuld per brief te horen krijgen dat ze weer moeten gaan aflossen?1
De terugbetaling van de reguliere studieschuld wordt gedurende een Wsnp-traject bevroren. De inning van de reguliere termijnen wordt stopgezet en debiteuren hoeven geen afbetalingen te doen. Eventuele achterstallige schuld wordt wel in het Wsnp-traject gesaneerd.
Op het moment dat mensen uit een Wsnp-traject komen wordt de terugbetaling van de reguliere studieschuld weer opgestart. Zij worden hier op dat moment per brief van op de hoogte gesteld. Ik begrijp echter dat een dergelijke brief onverwachts kan komen en als zeer vervelend kan worden ervaren door de mensen die net een heel Wsnp-traject hebben doorlopen.
Dit geldt des te meer wanneer nog geen rekening is gehouden met het inkomen van de debiteur en de termijnbetalingen nog erg hoog kunnen zijn. Doordat de inning van de reguliere studieschuld een periode is bevroren, is de periode waarin nog betaald dient te worden verkort. De schuld is echter op hetzelfde niveau blijven staan, waardoor het bedrag per maand om die schuld af te betalen hoger uitvalt. Of iemand dat bedrag daadwerkelijk kan betalen, hangt af van zijn inkomen.
Bij een deel van de debiteuren wordt automatisch de draagkracht berekend en in dit bedrag meegenomen. Bij debiteuren die vóór 2009 voor het eerst studiefinanciering ontvingen wordt dit echter niet automatisch berekend, maar moet de draagkrachtmeting worden aangevraagd. Daardoor kan het zijn dat er in eerste instantie een veel hoger bedrag wordt gecommuniceerd dan uiteindelijk betaald dient te worden als de draagkracht is vastgesteld. In de brief wordt naar de draagkrachtmeting verwezen, maar dit zal in het vervolg nog duidelijker worden aangegeven.
Na overleg met DUO is dan ook besloten om niet langer uitsluitend per brief aan te kondigen dat de inning wordt herstart. Als de draagkracht nog niet kan worden vastgesteld, omdat er geen inkomensgegevens beschikbaar zijn of kunnen worden opgevraagd door DUO, zal DUO voor het versturen van de brief persoonlijk contact opnemen met de debiteur. Ook zal DUO de brief aanpassen zodat het voor debiteuren duidelijker wordt wat de gevolgen zijn van de herstart van de terugbetalingsverplichting. In de brief wordt het daardoor duidelijker dat als er na het Wsnp-traject nog een (hoge) schuld bij DUO openstaat, de debiteur nooit méér terug hoeft te betalen dan hij op basis van zijn inkomen kan dragen.
Erkent u dat mensen die in een schuldsanering traject hebben gezeten meerdere jaren op een totaal minimum hebben moeten leven? Zo ja, kunt u zich voorstellen dat een brief met hervatting van afbetaling als een bom inslaat?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om met de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) afspraken te maken hoe om te gaan met het herleven van oude schulden als mensen uit een WSNP-traject komen om de menselijke maat te hanteren en mensen bijvoorbeeld te bellen voordat ze een brief krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u verklaren hoe DUO een maandbedrag aankondigt dat voor een normaal inkomen totaal onhaalbaar is om te betalen? Wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitleggen hoe het werkt met een studieschuld en een WSNP-traject? Waarom zitten studieschulden niet in het traject voor een «schone lei»?
De Wsnp kan een oplossing bieden voor achterstallige, direct opeisbare schulden. Nog niet opeisbare studieschulden worden niet meegenomen in de sanering (Faillisementswet artikel 299a).
De reden hiervoor is dat de aard van de studieschulden anders is. Het gaat bij studieschulden om een lening die over een looptijd van 15 tot 35 jaar mag worden afbetaald en alleen als het inkomen daarvoor toereikend is. Ook wordt de resterende studieschuld na afloop van deze termijn kwijtgescholden. De Wsnp ziet alleen toe op de sanering van achterstallige termijnen.
Het is goed om op te merken dat de brief die via Twitter werd gedeeld nog los stond van de hersteloperatie naar aanleiding van de toeslagenaffaire, waarin – na verzending van die brief – ook is besloten om over te gaan tot kwijtschelding van publieke schulden van gedupeerden. Voor de laatste stand van zaken over de hersteloperatie verwijs ik u naar de Kamerbrief2 en verdere correspondentie van uw Kamer met de Staatssecretaris van Financiën.
Ziet u mogelijkheden om de gevolgen van het niet kunnen aflossen tijdens een WNSP-traject te verzachten voor mensen die na het traject weer moeten aflossen? Is het bijvoorbeeld mogelijk om het doorlopen van rente stop te zetten gedurende een WSNP-traject? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rente-opbouw gedurende de looptijd van het Wsnp-traject wordt al opgeschort. Daarnaast zijn er nog andere stappen ingebouwd om de gevolgen van het niet kunnen aflossen van de studieschuld te verzachten. Zo wordt de tijd die mensen in een Wsnp-traject zitten niet opgeteld bij de totale loopduur van de lening. Wanneer mensen het Wsnp-traject afronden is er dus een korte looptijd voor dezelfde schuld. Door de draagkrachtregeling hoeft de oud-student nooit meer te betalen dan op basis van zijn inkomen mogelijk is. De kans is daardoor groot dat een deel van de schuld aan het einde van de looptijd wordt kwijtgescholden.
Het bericht ‘Zzp’ers verbaasd over minieme betalingskorting Belastingdienst’. |
|
Judith Tielen (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zzp’ers verbaasd over minieme betalingskorting Belastingdienst»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel mensen (zzp'ers en anderen) een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2021 hebben gekregen? En kunt u aangeven hoeveel mensen in 2018, 2019 en 2020 gebruik hebben gemaakt van de betalingskorting?
In 2018 hebben in totaal 1.584.497 mensen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting met het aanbod van een betalingskorting gekregen. In 839.976 gevallen (53%) is hiervan gebruikgemaakt.
In 2019 hebben in totaal 1.581.391 mensen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting met het aanbod van een betalingskorting gekregen. In 846.368 gevallen (54%) is hiervan gebruikgemaakt.
In 2020 hebben in totaal 1.549.163 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting met het aanbod van een betalingskorting gekregen. In 885.365 gevallen (57%) is hiervan gebruikgemaakt.
In 2021 hebben tot nu toe 1.245.551 mensen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting met het aanbod van een betalingskorting gekregen. Op dit moment is nog niet duidelijk in hoeveel gevallen hiervan gebruik wordt gemaakt.
Klopt het dat al deze Nederlanders de volgende passage in de brief «voorlopige aanslag 2021» hebben staan: «Betaling in één keer. Bij betaling in één keer van de totale aanslag krijgt u een betalingskorting van (PM). Deze korting mag u aftrekken van het te betalen bedrag volgens de aanslag. Maar alleen als u ons op tijd betaalt. Zorg er dus voor dat het te betalen bedrag min de korting op 28 februari 2021 op ons rekeningnummer staat.»?
Dat klopt, met uitzondering van het woord «ons» in de zin «Maar alleen als u ons op tijd betaalt». De berekening van het bedrag aan betalingskorting dat bij «PM» wordt ingevuld, volgt uit een berekening waar het percentage van de invorderingsrente deel van uitmaakt.
In de loop der jaren is de tekst op hoofdlijnen gelijk gebleven. Wel wordt er tegenwoordig meer uitgelegd. Sinds 2019 is de geciteerde passage opgenomen in de bijlage «betaalinformatie» bij de brief Voorlopige aanslag.
Klopt het dat de verlaging van de betalingskorting verband houdt met het verlagen van de invorderingsrente als een van de «coronamaatregelen»? Zo ja, waarom heeft u ervoor gekozen dit niet toe te lichten in de brief «voorlopige aanslag 2021»?
Het klopt dat de verlaging van de betalingskorting verband houdt met het verlagen van de invorderingsrente. Vanwege de COVID-19-crisis heeft het kabinet het rentepercentage van de in rekening te brengen invorderingsrente van 23 maart 2020 tot en met 31 december 2021 verlaagd naar 0,01%. Dit om uitstel van betaling van belastingschulden voor ondernemers mogelijk te maken zonder dat deze ondernemers hierbij worden geconfronteerd met hoge rentelasten. Het kabinet acht de maatregel van uitstel van betaling van belastingschulden en de daaraan gekoppelde verlaagde invorderingsrente van groot belang voor het tijdelijk wegnemen van extra lasten voor ondernemers.
Bij de brief «Voorlopige aanslag 2021» zit een bijsluiter waarin onder andere is aangegeven dat het wettelijk percentage van de betalingskorting door de maatregelen die ingevolge de COVID-19-crisis zijn genomen, is teruggebracht van 4% naar 0,01%. Dit is inherent aan het verlaagde percentage invorderingsrente (zie ook het antwoord op vraag 6). Voor meer informatie op dit punt verwijst de bijsluiter naar de website van de Belastingdienst.2 Daarmee is de verlaagde betalingskorting voor de ontvangers van de brief wel toegelicht, maar ik kan me voorstellen dat niet iedereen de bijsluiter van de brief leest, waardoor het lage bedrag aan betalingskorting verbazing heeft gewekt. Zeker in die gevallen waar de betalingskorting nog maar 1 euro betrof. Het was beter geweest meteen in de tekst, na de zin «Bij betaling in één keer van de totale aanslag krijgt u een betalingskorting van (PM)» aan te geven waarom de betalingskorting dit jaar lager is dan normaal. We nemen deze les mee bij volgende brieven over dit onderwerp. Meer in het algemeen geldt dat we blijven kijken hoe we (de communicatie rond) de voorlopige aanslag kunnen verbeteren.
Herkent u de signalen dat eerdergenoemde passage zonder nadere toelichting bij onder anderen ondernemers of gepensioneerden irritatie opwekt? Deelt u, achteraf bezien, de opvatting dat de Belastingdienst met een korte toelichting over de oorsprong van de betalingskorting al enige irritatie had kunnen wegnemen?
Ja, ik deel de opvatting dat een korte toelichting in de brief zelf, naast de bijsluiter, beter was geweest. Zie voor een verdere uitleg het antwoord op vraag 4.
Waarom wordt voor het berekenen van de betalingskorting het percentage gebruikt dat geldt voor de invorderingsrente? Is dit wettelijk vastgelegd? Zo ja, waarom en in welke wet? Zo nee, welke ruimte bestaat er voor de Belastingdienst om de berekeningsmethode van de betalingskorting los te koppelen van de berekeningsmethode van de invorderingsrente? Waarom wordt dit wel of niet wenselijk geacht? Welke stappen zijn nodig om de betalingskorting te verhogen naar een vergelijkbaar percentage als de vorige jaren?
Belastingschuldigen die een voorlopige aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting in termijnen mogen betalen maar kiezen voor betaling in één keer (vóór de eerste betaaldatum), hebben recht op een betalingskorting. De hoogte van de betalingskorting is gekoppeld aan het rentepercentage van de in rekening te brengen invorderingsrente. Deze koppeling is wettelijk geregeld in artikel 27a, derde lid, van de Invorderingswet 1990.
Omdat de koppeling tussen de betalingskorting en het percentage in rekening te brengen invorderingsrente wettelijk is vastgelegd, heeft de Belastingdienst geen ruimte om de berekeningsmethode van de betalingskorting hiervan los te koppelen. Bij het realiseren van de tijdelijke verlaging van de invorderingsrente naar 0,01% is in de memorie van toelichting gewezen op deze koppeling en de consequentie van het verlagen van de invorderingsrente voor de betalingskorting.3 Hierbij is erkend dat de verlaging van de invorderingsrente een ongunstig effect heeft voor het bedrag dat aan betalingskorting kan worden ontvangen. Uitvoeringstechnisch was het niet mogelijk het percentage betalingskorting níet te laten meebewegen met het percentage voor de te rekenen invorderingsrente. De huidige wijze van het berekenen van de betalingskorting is in de systemen opgenomen en aanpassing hiervan vergt dan ook een systeemwijziging. Een dergelijke systeemwijziging zou niet eerder mogelijk zijn dan per 1 januari 2023. Het belang om ondernemers in deze crisis in staat te stellen zonder hoge rentelasten gebruik te maken van de mogelijkheid van uitstel van betaling van belastingschulden werd door het kabinet dermate groot geacht dat tot de verlaging van het percentage invorderingsrente is overgegaan.
Vooralsnog is besloten dat per 1 januari 2022 het percentage invorderingsrente, en daarmee ook de betalingskorting, teruggaat naar 4%.
Wat is de reden dat het percentage betalingskorting gekoppeld is aan de invorderingsrente en niet aan de belastingrente? Wat zijn de (financiële) gevolgen als de betalingskorting inderdaad gekoppeld wordt aan de belastingrente? Welke voor- en nadelen heeft dit voor de Belastingdienst? Welke voor- en nadelen heeft dit voor de belastingbetaler?
Sinds de inwerkingtreding van de betalingskorting maakt men gebruik van de invorderingsrente voor het berekenen van de hoogte van de betalingskorting.4 De betalingskorting is een (door de Belastingdienst) uit te betalen bedrag dat direct kan worden verrekend met de te betalen belasting op de belastingaanslag waarop de korting betrekking heeft.5 De betalingskorting hangt dus, net als de invorderingsrente, samen met de inning (of «incasso») van belasting. De belastingrente daarentegen hangt samen met de heffing (of «het opleggen van aanslagen») van belasting. Gelet op het voorgaande ligt het voor de hand dat de betalingskorting aansluit bij het percentage voor de invorderingsrente en niet bij het percentage voor de belastingrente. Los van het voorgaande zal het ook uitvoeringstechnisch niet mogelijk zijn om de betalingskorting op korte termijn te koppelen aan het percentage belastingrente. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Het bericht 'Pensioenfondsen vrezen verlaging van pensioenen in de komende jaren' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen vrezen verlaging van pensioenen in de komende jaren»?1
Ja.
Deelt u de vrees van de grote pensioenfondsen, voor verlaging van pensioenen na 2021? Zo nee, waarom niet?
Mijn belangrijkste uitgangspunt bij het transitie-ftk is de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit betekent dat geen maatregelen genomen hoeven te worden als dat vanuit de overstap naar het nieuwe stelsel niet nodig is. Daartoe is mijn voornemen bijvoorbeeld om de huidige eisen aan het (minimaal) vereist eigen vermogen voor pensioenfondsen buiten werking te stellen. Heel concreet betekent dit bijvoorbeeld dat niet gekort hoeft te worden om een dekkingsgraad van 104% te realiseren.
Ik wil ook voorkomen dat het nieuwe stelsel belast wordt met een erfenis uit het huidige stelsel, waardoor het bijvoorbeeld lastiger kan worden het gewenste indexatieperspectief te realiseren. Als het voor de overstap naar het nieuwe stelsel nodig is maatregelen te nemen, moeten die daarom ook genomen worden. De financiële positie van veel pensioenfondsen is dusdanig dat niet uit te sluiten valt dat in de transitieperiode pensioenverlagingen nodig zijn om fit aan de start van het nieuwe stelsel te verschijnen.
Zoals ik in mijn brief van 16 december jl. aangaf, heb ik met de Pensioenakkoordpartijen afgesproken de gevolgen van het transitie-ftk op premie, opbouw en uitkeringen nader te bekijken in het licht van dit uitgangspunt en daarbij de inbreng uit de wetsconsultatie te betrekken.2
Is een scenario waarbij de pensioenen tot en met de invoering van het beoogde nieuwe pensioenstelsel elk jaar worden bevroren of verlaagd, een reëel scenario? Is het mogelijk dat dit gebeurt terwijl het totale pensioenkapitaal blijft toenemen, zoals in de periode 2010 – 2020? Is een dergelijk scenario voor het kabinet acceptabel?
Een dergelijke uitspraak kan in zijn algemeenheid niet worden gedaan. Net zoals de afgelopen jaren blijft de financieel-economische ontwikkeling en de financiële positie van pensioenfondsen leidend voor de vraag of pensioenen verlaagd moeten of verhoogd kunnen worden. Daarbij bestaan forse verschillen tussen pensioenfondsen. Ik kan wel bevestigen dat het verlichtende regime van het transitie-ftk ten opzichte van het reguliere ftk forse kortingen kan voorkomen en het indexatieperspectief de komende jaren al vergroot. Gelet op de verschillende uitgangsposities, fondsspecifieke keuzes en kenmerken zal dit per fonds verschillen. Voor de pensioenfondsen díe moeten korten, zullen de kortingen naar verwachting kleiner zijn. Het transitie-ftk biedt daarnaast een ruimere mogelijkheid om de pensioenen te verhogen. Door het transitie-ftk kan het pensioenfonds een evenwichtiger, uitlegbaarder en verantwoorder overstap uitvoeren.
Welke voorbeelden kunt u noemen van geïndustrialiseerde landen die een lagere rekenrente hanteren dan in Nederland het geval is?
De laatst beschikbare vergelijking is te vinden in het EIOPA Stress Test rapport uit 2019.3 Uit de vergelijking in figuur 2.3 op pagina 18 blijkt dat Denemarken een lagere rekenrente hanteert dan Nederland.
Welke voorbeelden kunt u noemen van geïndustrialiseerde landen met een groter collectief gespaard pensioenvermogen dan Nederland, uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (BBP)?
Er zijn mij geen landen bekend met een groter collectief gespaard pensioenvermogen dan Nederland.
Klopt het dat monetaire autoriteiten streven naar een hogere prijsinflatie dan thans het geval is? Erkent u dat de Nederlandse rekenregels voor pensioenfondsen dit streven rechtstreeks ondermijnen?
De ECB stelt haar monetaire beleid in onafhankelijkheid vast. Het klopt dat de Europese Centrale Bank (ECB) naar een hogere prijsinflatie streeft dan thans het geval is. Het Nederlandse toezichtkader voor pensioenfondsen is er niet op gericht het streven van de ECB naar een bepaalde prijsinflatie te ondersteunen.
Erkent u dat het gevoerde monetaire beleid de marktrente omlaag drukt terwijl de rendementen op het pensioenvermogen daar juist fors van profiteren?
Ik erken dat.
Waarom wordt het zuur van de gemanipuleerde rentestand wel volledig met gepensioneerden gedeeld maar het zoet van het extra rendement op het kapitaal totaal niet?
De financiële positie van veel pensioenfondsen is niet zodanig dat zij behaalde rendementen direct kunnen vertalen in pensioenverhogingen. Als die financiële positie wel zodanig was, zouden deelnemers en gepensioneerden ook directer profiteren van behaalde rendementen. Met het transitie-ftk heb ik met het zicht op en indachtig het nieuwe stelsel naar ruimte binnen het huidige ftk gezocht om de indexatiemogelijkheden te vergroten. Het transitie-ftk biedt daarom een ruimere mogelijkheid om de pensioenen te verhogen.
Waarom beschouwt u het structureel hanteren van een veel hogere rekenrente voor het vaststellen van de premies als noodzaak terwijl u tegelijkertijd een hogere rekenrente voor het vaststellen van de verplichtingen blijft afwijzen?
Het is aan decentrale sociale partners om te bepalen of zij de premie bij een fonds willen dempen met een wettelijk gemaximeerd rendement. Het is dus niet zo dat de wetgever dit als een noodzakelijke methode voor de premievaststelling voorschrijft. Er zijn ook fondsen waarbij de premie niet wordt gedempt en wordt vastgesteld op basis van de risicovrije rente. Een gedempte premie leidt op het moment van inkoop van nieuwe pensioenaanspraken tot een vergroting van een dekkingstekort. Een belangrijk verschil met een hogere rekenrente voor de vaststelling van de verplichtingen is echter dat die premie nog jarenlang belegd blijft worden binnen het fonds en daar in verwachting nog een rendement op gemaakt kan worden. Een hogere rekenrente voor de vaststelling van de verplichtingen, leidt er echter direct toe dat er meer geld het fonds uitstroomt. Over dat extra uitgekeerde geld kan geen beleggingsrendement meer worden gemaakt, waardoor een eventueel tekort voor de actieve deelnemers en slapers in het fonds met zekerheid verder wordt vergroot.
Erkent u dat zelfs de gedempte premiesystematiek eigenlijk al niet meer voldoet om de premies beperkt te houden? Zo ja, waarom beschouwt u dit dan niet als het failliet van de rekenrente systematiek volgens het geldende Financieel Toetsingskader (FTK)?
De lage rente betekent dat sparen voor later duur is. Zo blijkt ook uit het onderzoek van het CPB waarover ik u op 22 september jl. heb geïnformeerd.4 Dat zie je terug op diverse plekken in het pensioenstelsel, waaronder bij het vaststellen van de premie. Om de impact op de loonkosten te beperken, mag de premie gedempt worden. Sociale partners en pensioenfondsbesturen kozen hier de afgelopen jaren in toenemende mate voor. Een andere premiedempingssystematiek verandert niet dat bij de huidige premies een pensioenuitkering onder de «kostprijs» wordt toegezegd. In het nieuwe stelsel zijn premies per definitie kostendekkend, omdat geen aanspraken worden toegezegd.
Deelt u de mening dat gepensioneerden in Nederland een waardevolle economische motor kunnen zijn in moeilijke tijden, juist dankzij ons wereldwijd ongeëvenaarde pensioenkapitaal? Waarom gebruikt het kabinet de unieke kracht van ons pensioenstelsel niet om het consumentenvertrouwen en de economie te helpen stabiliseren? Beseft u dat u in feite het tegenovergestelde doet?
Gepensioneerden, maar ook andere huishoudens, zijn in Nederland een belangrijke motor voor de ontwikkeling van de economie. Te doen zoals de vraagsteller suggereert, betekent dat vermogen dat is gereserveerd voor een langetermijntoezegging op korte termijn wordt uitgekeerd. Het toezichtkader is er juist voor om te zorgen voor een adequaat pensioen voor alle generaties. Bij de huidige precaire financiële posities van de pensioenfondsen vind ik een dergelijke aanpassing extra kwetsbaar en juist ondermijnend voor het vertrouwen in het pensioenstelsel.
Klopt het dat het algehele rendement van pensioenfondsen in 2020 volgens de rekenregels van het beoogde nieuwe pensioenstelsel juist zou leiden tot een (gespreide) verhoging van de pensioenen?
Per saldo valt niet vast te stellen of de pensioenen in het nieuwe contract hoger of lager zouden zijn geweest dan in het huidige contract. Dat zal per fonds en per gekozen invulling van de toedelingsregels en rente-afdekkingsbeleid verschillend zijn. In algemene zin geldt dat in het nieuwe contract positieve overrendementen sneller aan de deelnemers en gepensioneerden ten goede komen, omdat geen buffers meer opgebouwd hoeven te worden. Hierdoor zullen pensioenen ook sneller naar beneden bijgesteld moeten worden bij tegenvallers. Datzelfde geldt voor fondsen waarbij sprake is van een tekortsituatie. Naar verwachting zal er vaker een positief overrendement worden behaald waarmee de pensioenen kunnen worden verhoogd.