Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
Het bericht: "Merwedebrug dicht voor vrachtwagens, brugconstructie niet veilig" |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer een actueel overzicht geven van alle rijkskunstwerken waarvan de veiligheid (mogelijk) onder druk staat?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld1. De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.2
In de ProRail-rapportage is aangegeven dat de algemene staat van de Nederlandse spoorweginfrastructuur gemiddeld genomen wordt beoordeeld als «ruim voldoende». De technische prestaties zijn beheersbaar, de betrouwbaarheid is goed en de veiligheid van de assets blijft geborgd. Ondanks de beoordeling «ruim voldoende» laat de ontwikkeling over de afgelopen vijf jaar een neerwaartse trend zien. Daarnaast verwacht ProRail dat de opgave in de komende tien tot vijftien jaar verder zal toenemen, met name voor (beweegbare) bruggen, bovenleidingsystemen, tunneltechnische installaties en beveiligingssystemen (in samenhang met ERTMS-programma).
Hoeveel bruggen verkeren in een vergelijkbare situatie als de Merwedebrug?1
Zie beantwoording vraag 1. In juli 2025 waren er 80 kunstwerken (waarvan 72 bruggen en viaducten) met (gewichts- of doorvaart)beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwegen. In de beleidsbrief van 24 april jl. is aan de Kamer daarbij onder meer aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken.
In het afweegproces4 vormen constructieve en waterveiligheid het vertrekpunt voor de verdere prioritering van de instandhoudingsopgaven en de ontwikkelingsopgaven binnen het MIRT.
Is het geld dat van nieuwe aanleg naar onderhoud is verschoven voldoende om alle noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren?
Nee, ondanks de schuif van middelen van aanleg naar instandhouding en de investeringen van het huidige en vorige kabinetten zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen. In totaal is er sprake van een tekort van € 80 miljard tot 2040. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken. Daarin zijn scherpe, maar noodzakelijke keuzes nodig. Over het afweegproces is de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd.
Heeft u volledig en voldoende inzicht in de technische staat van alle rijksbruggen en -viaducten? Zo nee, hoe gaat u dit verbeteren?
Naast de objecten die al onder een verhoogd inspectieregime staan, worden alle kunstwerken periodiek geïnspecteerd (regulier inspectieprogramma) en er vinden tijdens regulier onderhoud schouwen plaats. Indien nodig worden aanvullende technische inspecties en herberekeningen uitgevoerd. Dit inspectieprogramma van Rijkswaterstaat voldoet aan gangbare eisen die gesteld worden aan een inspectieprogramma en is zeer vergelijkbaar met inspectieprogramma's van andere beheerders. Volledigheid is niet te garanderen, maar door het uitvoeren van het inspectieprogramma is er voldoende inzicht in de staat van het areaal.
Hoeveel bruggen en viaducten worden op dit moment extra gecontroleerd vanwege mogelijke veiligheidsproblemen?
Zie beantwoording vraag 2. In de jaarlijkse rapportage over de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat is aangegeven dat er 104 objecten zijn die onder een verhoogd inspectieregime staan, waarvan 72 bruggen en viaducten.
Kunt u uitsluiten dat de komende jaren meer bruggen onverwacht moeten worden afgesloten of beperkt?
Nee, zie beantwoording vraag 2 en 4.
Welke economische schade ontstaat als belangrijke bruggen tijdelijk dicht moeten voor vrachtverkeer of ander verkeer?
De economische schade hangt af van vele factoren, zoals de beschikbaarheid van economische alternatieven, de waarde van de getroffen economische activiteiten, etc. Reistijdverlies is een belangrijke indicator waarover jaarlijks wordt gerapporteerd, zie daarvoor de rapportage rijkswegennet 2025.5
Daarnaast heeft het Kennisinstituut Mobiliteit van IenW in 2023 onderzoek gedaan naar de maatschappelijke kosten als gevolg van files. Deze zijn voor het hoofdwegennet berekend op circa € 2,7–3,5 miljard euro per jaar6. Een meer gedetailleerd inzicht van de economische schade als gevolg van de andere gevraagde factoren valt niet te geven.
Is er genoeg personeel en capaciteit bij Rijkswaterstaat en bouwbedrijven om alle noodzakelijke onderhouds- en vervangingsprojecten op tijd uit te voeren?
De instandhoudingsopgave is groter dan de beschikbare capaciteit bij Rijkswaterstaat en aannemers. Zoals in het meerjarenplan instandhouding 1 juli 2025 is gemeld ziet Rijkswaterstaat kansen om de productie verder te verhogen.7
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit in de uitvoering en markt (door onder andere schaarse arbeidskrachten) zijn helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen en uit te voeren. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl. is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om die scherpe keuzes te maken: enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Welke maatregelen zijn noodzakelijk (conform moties Heutink) om sneller, makkelijker en goedkoper te kunnen aanbesteden om te zorgen dat we sneller meters kunnen maken?2
Rijkswaterstaat werkt met een portfolioaanpak waarmee gelijksoortige objecten gebundeld naar de markt worden gebracht. Hiermee wordt het aantal aanbestedingen verminderd (makkelijker), worden tenderkosten en planvoorbereidingskosten bespaard (goedkoper) en worden leren en innoveren tijdens de looptijd van het portfolio gestimuleerd (beter). Rijkswaterstaat maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheden die de aanbestedingswet biedt en werkt met de best passende contractvormen om de samenwerking met de markt en daarmee het tempo in de uitvoering hoog te houden. Mogelijk biedt de herziening van de Europese aanbestedingsregels hiervoor aanvullende aanknopingspunten.
Waarom beschikt de Kamer nog altijd niet over een openbaar overzicht van de technische staat en de risico’s van alle rijksbruggen, zodat zij samen met u kan beoordelen waar de grootste veiligheids- en bereikbaarheidsrisico’s liggen?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Dit wordt ook altijd aan de Kamer toegezonden.
Gaat het kabinet nu eindelijk zorgen dat onze infrastructuur niet nog verder achteruit holt en eens flink investeren in infrastructuur?
Ja, dat is wat we aan het doen zijn met de basis weer op orde brengen. Hierover is de Kamer 19 juni jl. geïnformeerd9.
De afsluiting van de Merwedebrug voor vrachtverkeer |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug op de A27 per direct wordt gesloten voor vrachtverkeer, omdat de constructieve veiligheid voor zwaar verkeer niet langer kan worden gegarandeerd?1
Ja.
Op welk moment heeft Rijkswaterstaat voor het eerst signalen ontvangen dat de sterkte van de boogconstructie mogelijk onvoldoende was? Kunt u een tijdlijn geven van de onderzoeken, bevindingen en besluitvorming?
Bij de voorbereiding van de werkzaamheden voor het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO aan Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug te herbeoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli 17.30 een vrachtwagenverbod ingesteld.
Waren er eerder signalen bekend die aanleiding hadden kunnen zijn om maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is er pas op dit moment besloten tot een verbod voor vrachtverkeer en niet eerder gekozen voor maatregelen?
Nee, zie beantwoording van vraag 2: op 16 juli 2026 is uit onderzoek gebleken dat de constructieve sterkte van de brug beneden de toelaatbare norm kwam.
Hoe kan het dat nu blijkt dat het staal van de brug minder sterk is dan eerder werd aangenomen? Is sprake van nieuwe onderzoeksmethoden, nieuwe inzichten of eerdere mogelijke onjuiste aannames?
Bij de Merwedebrug was i.v.m. de voorbereiding voor de werkzaamheden van de bouw van de nieuwe Merwedebrug materiaalonderzoek nodig. Uit dit materiaalonderzoek is gebleken dat de sterkte van het staal van de brug aanmerkelijk minder is dan verwacht en waarmee dus ook geen rekening gehouden was.
Welke lessen zijn er getrokken toen de Merwedebrug in 2016 moest worden afgesloten voor vrachtverkeer vanwege haarscheurtjes in de constructie? En hoe kan het dat die maatregelen kennelijk onvoldoende waren om een nieuwe ingrijpende maatregel te voorkomen?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug waardoor scheurtjes waren ontstaan en daar zijn toen ook passende maatregelen op getroffen, zoals het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties. Uit het hiervoor genoemde onderzoek blijkt dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan verwacht en waarmee dus ook geen rekening mee gehouden was.
Welke gevolgen van deze afsluiting verwacht u voor de bereikbaarheid van Midden- en Zuid-Nederland, de logistieke sector, de economie en ondernemers?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat het effect op de bereikbaarheid van Midden- en Zuid-Nederland als geheel beperkt zal zijn, hoewel dit voor ondernemingen in de nabije omgeving van de brug een groter effect kan hebben. Voor het vrachtverkeer is de inschatting dat de extra reistijd als gevolg van de afsluiting op rustige momenten 30–45 minuten zal bedragen en de extra reistijd tijdens drukke momenten kan oplopen tot 45 tot 60 minuten voor 7.000 tot 8.000 vrachtwagens per dag per rijrichting over de brug.
Bent u het met eens met de stelling dat er aanvullende maatregelen moeten worden genomen om de hinder voor weggebruikers, omwonenden en transportbedrijven en de economische schade te beperken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden hiervoor genomen? Welke alternatieve routes zijn er beschikbaar en zijn die voldoende toegerust voor de extra verkeersdruk?
Door het vrachtwagenverbod moet vrachtverkeer gebruikmaken van alternatieve routes. Personenauto's en ander verkeer kunnen de brug blijven gebruiken. Lijnbussen en hulpdiensten vallen niet onder het verbod voor vrachtverkeer. Deze uitzondering is noodzakelijk om de bereikbaarheid van de regio te waarborgen. Met het weren van vrachtverkeer wordt de verkeersdruk van zware voertuigen sterk verminderd, terwijl het openbaar vervoer beschikbaar blijft voor reizigers en de hulpverlening op peil blijft.
Vrachtverkeer wordt omgeleid via de A15, A16 en A59 of via de A15, A2 en A59. Het vervoer van gevaarlijke stoffen maakt gebruik van de A2. De alternatieve routes zullen naar verwachting het extra aanbod aankunnen. Door werkzaamheden onder andere aan de Papendrechtsebrug en omleidingen voor het vrachtverkeer moeten weggebruikers rekening houden met drukte op de Nederlandse wegen, waardoor de reistijd kan oplopen. We monitoren de verkeerssituatie en nemen waar nodig aanvullende verkeersmaatregelen. Ondernemers kunnen eventueel een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Welke verkeersmaatregelen worden getroffen om sluipverkeer en overbelasting van omliggende wegen en bruggen te voorkomen?
Zie beantwoording van vraag 7. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege de grote rivieren die dat niet toestaan, waardoor sluipverkeer naar verwachting beperkt zal blijven.
Is onderzocht of tijdelijke versterkingsmaatregelen of tussentijdse reparaties mogelijk zijn om (een deel van) het vrachtverkeer eerder weer veilig over de Merwedebrug te laten rijden? Zo ja, welke mogelijkheden zijn onderzocht en waarom zijn deze wel of niet uitvoerbaar? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheid van tijdelijke versterkingsmaatregelen of tussentijdse reparatie te verkennen?
Met de constatering dat de staalkwaliteit van de brug minder sterk is dan eerder werd aangenomen, is een eenvoudige versterking of reparatie vrijwel zeker niet genoeg: de brug als geheel is te zwak. Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Hoe vaak zal de Merwedebrug de komende periode worden geïnspecteerd en welke criteria worden gehanteerd om te beoordelen of aanvullende beperkingen noodzakelijk of juist versoepelingen mogelijk zijn?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij.
Welke bruggen kunnen met vergelijkbare problemen te maken krijgen vanwege constructie of materiaal? Bent u bereid dit in kaart te brengen en kun u hiervan een overzicht geven, inclusief de eventuele verkeersbeperkingen die worden voorzien?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.2 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat er gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten (waarvan 72 bruggen en viaducten) met een gebruiksbeperking en 104 objecten (waarvan 72 bruggen en viaducten) die onder een verhoogd inspectieregime staan.3
Zijn de huidige inspectie- en monitoringsprogramma's van Rijkswaterstaat voldoende om dit soort problemen tijdig te signaleren? Zo ja, hoe verklaart u dat deze maatregel nu alsnog onverwacht noodzakelijk blijkt?
Bij instandhouding spelen altijd onzekerheden. Er is veel in beeld, maar niet alles is voorspelbaar. Alle kunstwerken worden periodiek geïnspecteerd (regulier inspectieprogramma) en er vinden tijdens regulier onderhoud schouwen plaats. Indien nodig zullen aanvullende technische inspecties en herberekeningen worden uitgevoerd of monitoring plaatsvinden. Uitkomst van een inspectie of herberekening kan, zoals bij de Merwedebrug, onverwacht slechter zijn dan verwacht en dan zijn acute maatregelen noodzakelijk. Bij de Merwedebrug is dit aan het licht gekomen na materiaalonderzoek bij de voorbereiding voor de werkzaamheden van de bouw van de nieuwe Merwedebrug, zie ook beantwoording vraag 2.
Welke gevolgen heeft deze situatie voor de planning van de vervanging van de Merwedebrug? Is versnelling in uw ogen mogelijk en wenselijk?
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20314.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen). Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Verwacht u dat vergelijkbare acute verkeersbeperkingen de komende jaren vaker zullen voorkomen vanwege de verouderde staat van Nederlandse bruggen en viaducten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dergelijke situaties zoveel mogelijk te voorkomen en welke invloed heeft dit op het net vastgestelde afweegkader?
Ja. In de beleidsbrief van 24 april jl. is aan de Kamer onder meer gemeld dat in juli 2025 er 80 kunstwerken waren met (gewichts- of doorvaart-) beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwegen. Daarbij is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de negatieve trend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolg van achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode te doorbreken.
In het afweegproces5 vormen constructieve en waterveiligheid het vertrekpunt voor de verdere prioritering van de instandhoudingsopgaven en de ontwikkelingsopgaven binnen het MIRT.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de uitkomsten van het aanvullende onderzoek, de voortgang van eventuele tijdelijke maatregelen en de gevolgen voor de bereikbaarheid en de planning van de vervanging van de Merwedebrug?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer over de uitkomsten geïnformeerd.
Bent u bekend met de berichtgeving1 dat Defensie na uitgebreid overleg heeft geoordeeld dat vijf windturbines van circa 250 meter hoog bij Windpark Buitenpolders geen belemmering vormen voor de militaire vliegveiligheid, terwijl vier van de vijf turbines binnen het beperkingengebied van 15 kilometer rond Vliegbasis Gilze-Rijen liggen? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, wanneer is dit oordeel afgegeven, betreft dit een voorlopig of definitief oordeel, welke concrete onderzoeken, risicoanalyses en militaire adviezen liggen hieraan ten grondslag en bent u bereid deze met de Kamer te delen?
Ja, Defensie is bekend met de berichtgeving. De veronderstelling dat Defensie heeft ingestemd met een uitgewerkt windparkproject is niet terecht.
Defensie is, daarbij ondersteund door het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen jaren als belanghebbende uitgebreid betrokken geweest bij de studies voor het vaststellen van het zoekgebied voor het plaatsen van windmolens in de gemeente Waalwijk. Defensie heeft in dit gebied haar relevante belangen nadrukkelijk ingebracht. De gemeente heeft de belangen van Defensie betrokken in de besluitvorming.
Defensie blijft ook in de volgende fasen van de ruimtelijke procedure als belanghebbende betrokken om te beoordelen of het defensiebelang niet wordt geschaad. Deze beoordeling is mogelijk zodra vanuit de gemeente en/ of de zonneparkbeheerder met Defensie wordt gedeeld waar welke turbines worden gepland.
Welke veiligheidsrisico's brengen de vijf windturbines van circa 250 meter hoog volgens Defensie met zich mee voor militairen, militaire luchtvaartuigen en de operationele inzet vanaf Vliegbasis Gilze-Rijen, gelet op het feit dat deze windturbines ongeveer 100 meter hoger zijn dan de hoogte waarbij binnen het beperkingengebied een afzonderlijke vliegveiligheidsbeoordeling door Defensie is vereist? Welke gevolgen heeft dit oordeel voor de huidige en toekomstige militaire inzet, waaronder laagvliegoefeningen, helikopteroperaties en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, en zijn aan dit oordeel voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte, exacte locatie of operationele beperkingen? Zo ja, welke?
Defensie beoordeelt ruimtelijke projecten, zoals een windpark, zowel op veiligheidsaspecten, als op de mate waarin operationele- en oefenmogelijkheden daardoor worden beïnvloed.
In relatie tot deze ontwikkeling is voor Defensie vooral de vliegroute van en naar het helikopter laagvlieggebied «Maas/Waal» voor de helikopters van Gilze-Rijen van belang. In dit gebied heeft de gemeente Waalwijk geen windturbines gepland.
De aanwezigheid van het genoemde 15 km beperkingengebied (de zgn. «Outer Horizontal Surface») betekent niet op voorhand dat er geen windprojecten mogelijk zijn. Nadere beoordeling van het definitieve plan zal dit moeten uitwijzen. Tevens moet standaard elk windproject worden beoordeeld op de mate waarin radarbeelden worden verstoord.
Is Defensie bij de beoordeling van Windpark Buitenpolders volledig zelfstandig en uitsluitend op basis van militaire en vliegveiligheidskundige overwegingen tot haar oordeel gekomen, of hebben andere ministeries, provinciale of gemeentelijke overheden of initiatiefnemers invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Door medeoverheden of andere partijen is geen invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van onze militairen altijd zwaarder moet wegen dan klimaat- en duurzaamheidsbeleid? Kunt u bevestigen dat Defensie nooit concessies zal doen aan de veiligheid van militairen of de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht om de realisatie van windturbines of andere duurzame energieprojecten mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie hebben operationele inzetbaarheid en veiligheid van personeel, zowel militair als burger, prioriteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom beoordeeld of deze de operationele gereedstelling raken van de krijgsmacht of een risico vormen voor de veiligheid van het defensiepersoneel. Waar mogelijk werkt Defensie zoveel mogelijk mee aan het vinden van duurzame oplossingen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
De PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian over contrabande in Justitieel Complex Zaanstad |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian, waarin hij spreekt over zijn detentieperiode in Justitieel Complex Zaanstad?1
Ik ben bekend met de aflevering.
Wat vindt u ervan dat in deze aflevering het beeld wordt geschetst van Justitieel Complex Zaanstad als een «feestbajes», waar gedetineerden volgens betrokkene konden beschikken over telefoons, drugs en andere verboden spullen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat gedetineerden in een penitentiaire inrichting zouden kunnen beschikken over binnengesmokkelde telefoons, drugs en andere verboden goederen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich dan ook hard in om invoer van contrabande tegen te gaan, door toepassing van verscherpte techniek en controles. De Taskforce «penitentiaire inrichtingen (PI) schoonvegen» die, naar aanleiding van motie van het Kamerlid Ellian (24 587, nr. 1077), op 11 februari jl. is gestart, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken. De Kamer zal, overeenkomstig deze motie, in september 2026 worden geïnformeerd over de resultaten van deze Taskforce.
Kunt u per genoemde categorie aangeven of bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) bekend is of dit in Justitieel Complex Zaanstad heeft plaatsgevonden: het binnensmokkelen van contrabande zoals mobiele telefoons op cel, cocaïne of andere drugs, het voor handen krijgen van kostbaar vlees tijdens kerst dat niet door DJI beschikbaar is gesteld, het verstoppen van drugs in het washok door het verkrijgen van privileges als wasmeester en prostitutiebezoek door middel van bezoek zonder toezicht?
Voor wat betreft de aangetroffen contrabande kan ik stellen dat er in 2025 359 stuks aan verboden goederen zijn aangetroffen in Justitieel Complex Zaanstad. Voor een verdere uitsplitsing verwijs ik naar eerder beantwoordde Kamervragen welke een overzicht bieden van de aangetroffen contrabande per PI in 2023, 2024 en 2025.2 Voor wat betreft de overige punten geldt dat DJI bekend is met de volgende incidenten in het JC Zaanstad:
In 2023 is in het JC Zaanstad een medewerker de toegang tot de inrichting ontzegd omdat hij etenswaren, waaronder vlees, mee naar binnen had gebracht voor gedetineerden. Na onderzoek door het Bureau Integriteit is deze medewerker ontslagen.
Er zijn in 2022 in een washok meerdere mobiele telefoons gevonden bij een bijzondere spitactie, in een periode waarin het JC Zaanstad veel last had van drones. Het JC Zaanstad heeft toen passende maatregelen getroffen, onder meer door het intensiveren van dergelijke zoekacties. Overigens was het JC Zaanstad een van de eerste inrichtingen in Nederland met dronedetectie.
Het verstoppen van drugs in een washok is in het JC Zaanstad niet bekend.
Prostitutiebezoek is in het JC Zaanstad niet vastgesteld.
Bent u het ermee eens dat deze praktijken afbreuk doen aan de strafdoelen van detentie en er sprake is van een afbreuk van de rechtsstaat wanneer criminelen in detentie door kunnen gaan met het ondermijnen van het gezag?
Ik ben het ermee eens dat het binnensmokkelen van verboden goederen afbreuk doet aan de strafdoelen van detentie en dat er sprake is van afbreuk van de rechtstaat wanneer criminelen in detentie het gezag ondermijnen. Zoals in de beantwoording bij vraag 2 gesteld zet DJI zich hard in om invoer van contrabande tegen te gaan door toepassing van verscherpte techniek en controles. De genoemde Taskforce PI schoonvegen, die naar aanleiding van motie Ellian is ingesteld, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken.
Welke lessen trekt u uit het verhaal dat een gedetineerde volgens eigen zeggen als wasmeester over extra privileges beschikte, waaronder toegang tot een washok en daar kennelijk contrabande kon verstoppen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat DJI een samenstel aan maatregelen treft ter voorkoming van het verbergen van contrabande in het washok. Zo wordt de wasmeester geselecteerd uit het plusprogramma voor goed gedrag en wordt, gelet op de aard van deze functie en de bijhorende toegang tot ruimtes, voortdurend gemonitord. Daarnaast is het washok een van de ruimtes die standaard gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van contrabande. Op basis van signalen en risicoanalyses worden deze controles geïntensiveerd en spitacties uitgevoerd.
Welke controles gelden voor gedetineerden met interne functies, zoals wasmeester, schoonmaker of andere werkzaamheden waarbij zij toegang hebben tot ruimtes of materialen die andere gedetineerden niet hebben?
Functies zoals wasmeester, schoonmaker of anderszins worden toegekend aan gedetineerden die wegens goed gedrag in het plusprogramma verblijven, en pas nadat de voordracht voor deze werkzaamheden is besproken in het Multidisciplinair Overleg. Vanaf het moment dat deze speciale functies zijn toegekend, wordt de gedetineerde doorlopend gemonitord. Desgewenst worden er inlichtingen ingewonnen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid, een bureau dat in elke inrichting voorhanden is, juist om ondermijning en ander ongewenst c.q. ongeoorloofd gedrag tegen te gaan.
Welke voorschriften gelden er voor bezoek zonder toezicht en hoe kan het dat door middel van bezoek zonder toezicht prostitutiebezoek plaats heeft kunnen vinden? Kunt u hierop reflecteren?
Bezoek van prostituees is niet toegestaan. Het is voor gedetineerden mogelijk om in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Dit geldt alleen voor gedetineerden waarvan geen veiligheidsrisico’s uitgaan, in normaal beveiligde inrichtingen. Aan dit bezoek zonder toezicht zijn, zoals in de beantwoording van vraag 3 weergegeven, voorwaarden gesteld. Er dient sprake te zijn van een duurzame relatie, wat aangetoond dient te worden door bijvoorbeeld het overleggen van een huwelijksakte of samenlevingscontract.3 Bezoek van prostituees is daarmee niet toegestaan.
Wat vindt u van de uitspraak dat een gedetineerde die «de jongens rustig houdt» en ervoor zorgt dat personeel veilig kan werken, in ruil daarvoor «van alles» kan regelen? Herkent u dit risico van het afnemen van penitentiaire scherpte wanneer een gedetineerde zich ogenschijnlijk voorbeeldig gedraagt? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Detentie kent het systeem van promoveren en degraderen waarbij ongewenst gedrag wordt bestraft en gewenst gedrag juist wordt beloond met meer interne vrijheden. Een besluit tot promotie tot een plusprogramma is voorbehouden aan de vestigingsdirecteur, en wordt niet op de werkvloer genomen. Het behouden van penitentiaire scherpte vind ik uiterst belangrijk. Dit geldt voor alle regimes en alle gedetineerden, ongeacht hun status. DJI investeert dan ook structureel in de opleiding en weerbaarheid van hun medewerkers zodat de orde en veiligheid in detentie op correcte wijze gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen of is onderzocht of er in dit geval sprake is geweest van ongeoorloofde contacten, privileges of een relatie tussen een gedetineerde en een penitentiair inrichtingswerker? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Mochten dergelijke incidenten zich voordoen, dan wordt dit door DJI onderzocht en worden er passende maatregelen getroffen. Voor een uitgebreidere toelichting hierop verwijs ik naar de beantwoording van vraag 10.
Uit de voorvallenlijst van DJI blijkt dat relaties tussen gevangenispersoneel en gedetineerden vaker voorkomen. Wat doet u eraan om dit te voorkomen?
Iedereen die voor DJI komt werken, ongeacht de werkrelatie, wordt bij de start van de werkzaamheden over de gedragscode geïnformeerd. DJI-medewerkers worden getraind in de omgang met justitiabelen. De gedragscode en de kernwaarden komen aan de orde bij de centrale onboarding en integriteit is een belangrijke leerlijn die in alle (basis)opleidingen terugkomt en waar nadrukkelijk aandacht aan wordt besteed. Niet alleen tijdens de opleiding maar ook bij de beëdiging van nieuwe collega’s en op de werkvloer wordt hier aandacht en invulling aan gegeven.
Het is van belang dat medewerkers zich kunnen uitspreken in situaties betreffende afstand/nabijheid tussen medewerker en justitiabele. Hiervoor is een sociaal veilig werkklimaat nodig. Met de aanpak van DJI gericht op sociale veiligheid wordt bevorderd dat medewerkers signalen kunnen herkennen en zich veilig kunnen uitspreken. Hierdoor wordt het lerend vermogen van DJI als organisatie gestimuleerd: niet alleen via onboarding en opleiding, maar ook door reflectie op situaties die zich in het werk voordoen.
In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een PI. Het is vastgelegd in de gedragscode DJI dat een relatie tussen een medewerker en een justitiabele niet is toegestaan. Als daarvan toch sprake blijkt te zijn, en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen worden zorgvuldig genomen door de directie van de penitentiaire inrichting, op basis van de beschikbare informatie op dat moment. Deze moeten juridisch standhouden. Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat resocialisatie en vrijheden binnen detentie ertoe leiden dat gedetineerden over telefoons, drugs of andere contrabande kunnen beschikken en daarmee de veiligheid van personeel, medegedetineerden en de samenleving in gevaar brengen?
Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van externe vrijheden in het kader van de re-integratie, wordt een afweging gemaakt tussen het gedrag gedurende de detentie, risico's en slachtofferbelangen. Dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Rtvi. Ook worden adviezen van ketenpartners meegenomen in de beslissing. Per individuele casus wordt bepaald of maatregelen nodig zijn om het verlof zo veilig mogelijk te kunnen realiseren. Bijvoorbeeld door begeleid verlof of elektronisch toezicht. Daarnaast wordt een urinecontrole afgenomen zodra een gedetineerde terugkeert van verlof.
Zoals in de beantwoording van vraag 8 gesteld vind ik het behouden van penitentiaire scherpte uiterst belangrijk, ook wanneer het aankomt op vrijheden voor bepaalde gedetineerden met oog op hun re-integratie.
Welke maatregelen neemt u om, zoals in het coalitieakkoord omschreven staat, de handhaving op contrabande te verscherpen?
DJI zet zich hard in om contrabande tegen te gaan. Door middel van een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basiscontroles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
Daarbij wordt ingezet op de verscherpte handhaving onder meer door de Taskforce «PI Schoonvegen». Verder is per 1 juli jl. via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen voor DJI-medewerkers de bevoegdheid gecreëerd om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Dit zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om drones met contrabanden te weren.
Heeft u kennisgenomen van de conclusie van het Duitse Openbaar Ministerie dat de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen volgens de Duitse aanklagers plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten en deelt u de opvatting dat, indien deze conclusie juist blijkt te zijn, sprake is van een ongekende aanval op vitale Europese infrastructuur door een land dat Nederland al jaren politiek, financieel en militair steunt? Zo nee, waarom niet?1
Het kabinet volgt de berichten over het onderzoek van het Duitse Openbaar Ministerie nauwgezet. Sabotage van energie-infrastructuur is onaanvaardbaar en dreigingen ten aanzien hiervan worden serieus genomen. Juist daarom is zorgvuldigheid geboden. Het kabinet wacht de uitkomsten van de Duitse rechtsgang af.
Deelt u de mening dat voormalig Minister-President Rutte de Nederlandse bevolking en de Tweede Kamer op het verkeerde been heeft gezet door de suggestie dat Oekraïne of de Verenigde Staten betrokken konden zijn bij het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen als «echt onzin» af te doen, terwijl de Duitse federale aanklagers nu tot de conclusie zijn gekomen dat de sabotage volgens hun onderzoek plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Oekraïne, indien de conclusie van de Duitse federale aanklagers standhoudt dat Oekraïense staatsautoriteiten opdracht hebben gegeven tot de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, niet zonder politieke gevolgen aanspraak kan blijven maken op Nederlandse politieke, financiële en militaire steun? Zo nee, waarom niet? Welke concrete politieke gevolgen verbindt het kabinet hieraan?
De Russische agressie tegen Oekraïne raakt de veiligheid van heel Europa. Oekraïne verdedigt zich tegen een illegale invasie en strijdt ook voor onze veiligheid en normen en waarden. De Nederlandse politieke, financiële en militaire steun aan Oekraïne is onderdeel van het bredere beleid om de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit te ondersteunen. Deze steun sluit aan bij de gezamenlijke inzet van een groot aantal landen om de illegale Russische agressie tegen te gaan.
Deze steun staat niet ter discussie en wordt breed gedragen in kabinet en parlement. Het kabinet acht het niet passend om vooruit te lopen op mogelijke uitkomsten van een lopende juridische procedure.
Bent u bereid, indien komt vast te staan dat Oekraïense staatsautoriteiten verantwoordelijk zijn voor de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, Oekraïne aansprakelijk te stellen voor alle directe en indirecte schade die Nederland en de Nederlandse samenleving hierdoor hebben geleden en deze schade volledig op Oekraïne te verhalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel ‘Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig»1
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dat het door u overgenomen advies van het Capaciteitsorgaan om het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 met elf te verhogen lang niet genoeg is om de tekorten op te vangen en geen oplossing vormt op de korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS onderkent het belang van het opleiden van voldoende medisch specialisten om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgvraag. Tegelijkertijd streven we naar het voorkomen van tekorten of overschotten op de langere termijn. Daartoe zijn de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan over de benodigde instroom in (medische) vervolgopleidingen leidend.
Het Ministerie van VWS volgt de raming van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische vervolgopleidingen, waarin wordt aangegeven dat het aantal opleidingsplaatsen voor neurologen moet toenemen. In lijn met deze raming wordt het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie in 2027 met elf verhoogd. Het Capaciteitsorgaan maakt bij het opstellen van de raming gebruik van de input van beroepsgroepen, opleidingsinstellingen, zorgverzekeraars en werkgevers die vertegenwoordigd zijn in de zogenoemde «kamers». De kamers en werkgroepen komen tot een inhoudelijk oordeel over de benodigde instroom in de opleidingen. Daarbij wordt rekening gehouden met ontwikkelingen, zoals de vergrijzing van de beroepsgroep, veranderingen in de deeltijdfactor en verschuivingen in de zorgvraag (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing of nieuwe behandelmethoden). Het Capaciteitsorgaan richt zich op structurele ontwikkelingen op de lange termijn, waarbij varkenscycli worden voorkomen ten behoeve van een stabiele opleidingsinfrastructuur. Varkenscycli kunnen ontstaan wanneer er teveel wordt gestuurd op ontwikkelingen op de korte termijn. De Capaciteitsplannen zijn gericht op een stabiele opleidingsinfrastructuur voor de lange termijn. We gaan daarom uit van de raming van het Capaciteitsorgaan.
Over drie jaar wordt een nieuwe raming verwacht. Vanwege de duur van de opleiding kan een verhoging van het aantal opleidingsplaatsen echter niet direct bijdragen aan het oplossen van knelpunten op de korte termijn. Voor het aanpakken van de knelpunten op de korte termijn is het daarom ook van belang om de bestaande capaciteit zo goed mogelijk te benutten en te behouden. Voor de maatregelen die hierop zijn gericht, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 en/of de jaren erna verder te verhogen? Zo ja, naar hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS weegt de ramingen van het Capaciteitsorgaan in een driejaarlijkse cyclus. Tegelijkertijd is er in het coalitieakkoord vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 miljoen. Het streven is om begin 2027 een beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen en wat dit betekent voor het aantal opleidingsplekken die beschikbaar zijn gesteld voor medisch specialisten in 2028 en 2029.
Welke maatregelen gaat u nemen om tot oplossingen op de korte termijn te komen?
Voor oplossingen op de korte- en middellange termijn wordt, naast het verhogen van de opleidingscapaciteit, ingezet op het zo goed mogelijk benutten en behouden van de bestaande capaciteit door anders te werken. Het kabinet werkt hier samen met de sector aan via de zorgakkoorden. Zo kan onder meer gedacht worden aan het verminderen van de administratieve lasten, regionale samenwerking en de inzet van digitale ondersteuning en slimme zorglogistiek. De vertaling naar specifieke maatregelen op regionaal en lokaal niveau vraagt om inzet van alle betrokken partijen, waaronder zorgaanbieders en (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep.
SG-beraad |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de secretarissen-generaal (SG) van de ministeries op structurele basis bijeenkomen in het SG-beraad en dat daar interdepartementale afstemming plaatsvindt over lopende beleidsdossiers? Zo nee, hoe kwalificeert u de feitelijke werkzaamheden van dit overleg?
Hoe vaak vindt het SG-beraad gemiddeld plaats, hoeveel bijeenkomsten waren er het afgelopen jaar?
Welke functionaris is eindverantwoordelijk voor het bijeenroepen en structureren van het SG-beraad en wie stelt de agenda vast?
Op basis van welke concrete criteria worden onderwerpen wel of niet geagendeerd voor het SG-beraad en wie kan besluiten een onderwerp eventueel niet te behandelen?
Kunt u de gebruikelijke volgorde schetsen waarin beleidsdossiers ambtelijk worden afgestemd – inclusief gremia zoals het SG-beraad – voordat deze aan bewindspersonen of de ministerraad ter besluitvorming worden voorgelegd?
Welke rol speelt ambtelijke afstemming, inclusief het SG-beraad, bij het bepalen welke beleidsopties of varianten uiteindelijk aan bewindspersonen worden voorgelegd?
In welke vorm worden uitkomsten van het SG-beraad verwerkt in stukken richting bewindspersonen (bijvoorbeeld via beslisnota’s, annotaties of afgestemde varianten)?
Kan het SG-beraad, naast een coördinerende en informerende rol, soms ook een besluitvormende invloed uitoefenen op beleidsdossiers? Zo ja, hoe is deze rol staatsrechtelijk en bestuursrechtelijk verankerd, mede gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid en het uitgangspunt dat politieke besluitvorming plaatsvindt door bewindspersonen en de ministerraad?
Kunt u, bij benadering, aangeven of het aantal dossiers dat jaarlijks via ambtelijke gremia zoals het SG-beraad wordt afgestemd, enkele tientallen, honderden of het merendeel van de beleidsdossiers betreft?
Klopt het dat in het ambtelijke voortraject keuzes worden gemaakt welke beleidsopties wel en niet worden uitgewerkt of aan bewindspersonen worden voorgelegd? Zo ja, op basis van welke overwegingen vindt deze selectie plaats? Speelt de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierbij nog een rol?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders, ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar stellen als «doorstroomlocatie»?
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces 263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk voor het zomerreces gerealiseerd?
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te sturen?
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting» heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft, kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel waaruit blijkt dat de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar verwachting zal opschalen naar feitelijk watertekort |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van het artikel?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte.
Hoe beoordeelt u de ernst van de huidige droogte, mede gelet op het uitzonderlijke lage waterpeil en de zeer lage afvoer van de Rijn? Kunt u een actueel overzicht van het neerslagtekort en de grondwaterstanden van de Rijn en de Maas toevoegen aan uw antwoord?
Op 16 juli is besloten op te schalen van een dreigend (niveau 1) naar een feitelijk watertekort (niveau 2). De omstandigheden van de huidige droogte wordt uitgebreid beschreven in de Kamerbrief2 die op 16 juli is verstuurd om de Kamer te informeren over de opschaling.
De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. De rivierafvoeren zijn historisch laag. Zo is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s welke afkomstig is uit 1976 onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op, en is vergelijkbaar met het droge jaar 2018. Actuele informatie over afvoeren, (grond)waterstanden en (regionale) maatregelen is te vinden op de online droogtemonitor3.
Op basis van welke criteria schaalt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) op naar «feitelijk watertekort» en wat zijn hiervan de directe en indirecte gevolgen voor de samenleving?
De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek waterverdeling en droogte4. De huidige situatie (feitelijk watertekort) vraagt om besluiten die over regio’s, watersysteemfuncties en belanghebbenden heen gaan en die bestuurlijk goed afgestemd moeten worden. Deze afstemming is de rol van het Management Team Watertekorten (MTW). Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Voorbeelden van directe gevolgen van de watertekorten zijn dat de scheepvaart op verschillende locaties te maken heeft met dieptebeperkingen, met langere wachttijden (doordat in een aantal sluizen waterbesparend wordt geschut) of stremmingen (door een te laag waterpeil of te grote zoutindringing). Ook ondervinden natuur en landbouw verdergaande effecten van de droogte, omdat niet alleen de beschikbaarheid van oppervlaktewater beperkt is maar ook de grondwaterstanden steeds verder zakken. Voor de landbouw heeft de droogte invloed op de gewasgroei, met name in gebieden waar geen wateraanvoer mogelijk is, en daar waar onttrekkingsverboden van kracht zijn. De drinkwater- en energievoorziening staan voorlopig niet onder druk.
Voorbeelden van indirecte effecten zijn dat door de beperkingen voor de scheepvaart bedrijven moeite krijgen met de bevoorrading omdat grondstoffen of producten later binnenkomen. Daarnaast kunnen bedrijven tijdelijk kiezen voor vrachtwagens in plaats van schepen, wat zorgt voor extra drukte op de weg.
Verder neemt bij lagere afvoeren de vervuiling van het water toe (door minder verdunning) en stijgt de watertemperatuur. Het risico op bijvoorbeeld vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden neemt daarbij toe, sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Bij aanhoudend hoge watertemperatuur is er risico dat het lozen van koelwater op de rivieren sterk moet worden beperkt of gestaakt.
Welke criteria en omstandigheden zorgen voor nog verdere opschaling, als dat mogelijk is, en wat zijn dan de gevolgen? Wilt u elke mogelijke overtreffende trap van deze ladder in het antwoord betrekken?
De criteria voor ieder niveau van opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek waterverdeling en droogte5.
Op 16 juli is een Kamerbrief gestuurd om u te informeren dat op 1 juli Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar het huidige niveau van een «feitelijk watertekort» (niveau 2). Verdere opschaling kan plaatsvinden wanneer sprake is van een dreigend nationaal watertekort met maatschappelijke gevolgen. In algemene zin betreft het:
Dit leidt tot (het hoogste) niveau 3: «(dreigende) crisis watertekort». De Minister van IenW besluit tot opschaling naar niveau 3, op advies van de dgRWS (in de rol van portefeuillehouder crisisbeheersing van het Ministerie van IenW c.q. voorzitter MTW). De laatste keer dat dit gebeurde was in 2003. Er is dan sprake van grote maatschappelijke gevolgen en mogelijke, daarmee samenhangende, politiek-bestuurlijke gevoeligheden. Bijvoorbeeld als de leveringszekerheid van de energie- of drinkwatervoorziening in het geding komt. Hiermee wordt ook de nationale interdepartementale crisisorganisatie actief onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Besluitvorming vindt dan ook plaats op het hoogste ambtelijke of zelfs ministerieel niveau. De LCW en MTW leveren in dit geval advies aan de nationale crisisorganisatie.
Kunt u per regio aangeven welke onttrekkings-, beregenings- en sproeiverboden momenteel gelden of worden voorbereid en welke gevolgen deze maatregelen (zullen) hebben voor boeren, tuinders en overige ondernemers?
In de online droogtemonitor6 zijn de actieve maatregelen voor elke regio weergegeven; ook voor onttrekkingsverboden van grond- en oppervlaktewater. De waterschappen en Regionale Droogte Overleggen (RDO) leveren deze informatie zelf aan bij Rijkswaterstaat voor de droogtemonitor.
De gevolgen van de onttrekkingsbeperkingen zijn gebiedsafhankelijk. Bijvoorbeeld door eventuele lokale verschillen in neerslag, de mate waarin wateraanvoer mogelijk is en de mate waarin ondernemers zelf waterbesparende maatregelen hebben getroffen.
Welke preventieve maatregelen zijn er genomen om droogte in 2026 zoveel als mogelijk het hoofd te bieden, dan wel af te wenden?
In de Kamerbrief van 16 juli zijn enkele van de genomen maatregelen opgenomen. Zo hebben waterbeheerders vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Bij bekende knelpunten zoals de sluis Eefde in het Twentekanaal zijn tijdelijke pompinstallaties geplaatst en is er preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren.
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte. Zo is bijvoorbeeld de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA) uitgebreid. De KWA is een voorziening om zoetwater naar West-Nederland te leiden, op het moment dat de aanvoer van zoetwater vanuit de Rijn door droogte te beperkt is. Deze KWA is nu ook in werking. Daarnaast zijn er maatregelen genomen om te zorgen dat als er water is, dit in de bodem kan infiltreren en niet of minder snel wordt afgevoerd. Vooral in gebieden waar geen water aanvoer is, is dit van belang.
Ook is na de droogte van 2003 door de Rijksoverheid (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, nu Infrastructuur en Waterstaat) in samenwerking met waterbeheerders de Verdringingsreeks ontwikkeld en vastgelegd in artikel 3.14 van het Bkl. Deze verdelingsvolgorde bepaalt welke functies het beschikbare oppervlaktewater krijgen als er watertekorten optreden. De leveringszekerheid van drinkwater en energie staan hoog in deze verdringingsreeks, net zoals het behoud van de stabiliteit van keringen en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur.
Deelt u de mening dat het kabinet opnieuw vooral lijkt te reageren wanneer de droogte al is opgetreden, terwijl al maanden bekend was dat de uitgangspositie door lage grondwaterstanden, beperkte sneeuwval en droogte in de stroomgebieden ongunstig was? Zo ja, waarom is er dan niet voldoende preventief gehandeld? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals bij vraag 6 aangegeven wordt door het Rijk al jaren gewerkt om Nederland voor te bereiden op zoetwaterschaarste. Dit doen we zowel uitvoeringsmaatregelen in het watersysteem, als door onderzoek naar de ontwikkeling van de duur en frequentie van droogte en watertekorten. In de droge jaren 2018 en 2022 hebben de genomen maatregelen (zoals de KWA) effect gehad, en bewijzen ook nu weer hun nut. Verder monitoren Rijkswaterstaat en het KNMI de voorspellingen in het gehele stroomgebied van de rivieren continu. Onder andere hierom is tijdig besloten de buffer van het IJssel- en Markermeer te vergroten en hebben waterschappen hun peilen opgezet ter voorbereiding op mogelijke droogte.
Op 31 mei 2024 is de Kamer geïnformeerd7 over de nieuwe inzichten rondom zoetwaterbeschikbaarheid. Daaruit blijkt dat de zoetwateropgave de komende jaren flink toeneemt. Tot nu toe hebben we in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. De inzet op optimalisatie van het watersysteem en zoveel mogelijk faciliteren van de watervraag wordt voortgezet. Op 22 juni 2026 heb ik de Kamer geïnformeerd8 over welke maatregelen ik wil nemen in het hoofdwatersysteem, mede om de zoetwaterbeschikbaarheid te verbeteren. Dit is echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden via het aanpassen en transformeren van de ruimtelijke inrichting aan de waterbeschikbaarheid. Denk aan het voortzetten van het beter vasthouden van water (en verhogen van grondwaterstanden), maar ook aan veranderingen in bedrijfsvoering en locatiekeuze van watervragende activiteiten.
Kunt u ondubbelzinnig garanderen dat de beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater deze zomer én in de komende jaren nergens in Nederland in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel, al blijft het belangrijk om (het hele jaar door) bewust en zuinig met drinkwater om te gaan.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening de komende jaren steeds meer onder druk staat. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt grotendeels bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Voor de lange termijn kijkt het Rijk samen met de drinkwatersector hoe zij zich het best kan ontwikkelen om toekomstbestendig te zijn en ook op lange termijn voldoende, kwalitatief goed drinkwater kan leveren in Nederland. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
De berichten over de situatie in de straat van Hormuz |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u een duidelijk beeld van de gevolgen van de crisis in de straat van Hormuz voor de kosten en beschikbaarheid van inputs voor de Nederlandse landbouw (zoals diervoeding en kunstmest)?
Het kabinet heeft Wageningen Social & Economic Research gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van een afsluiting van de Straat van Hormuz voor de Nederlandse voedselvoorziening, waaronder de beschikbaarheid en kosten van landbouwinputs zoals diervoeder en kunstmest. De resultaten van deze analyse zijn begin juli met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd monitort het kabinet de ontwikkelingen in en rond de Straat van Hormuz nauwlettend en onderhoudt het ministerie hierover nauw contact met sectorpartijen.
Heeft u ook breder de afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw in beeld van inputs van buiten de EU en de gevolgen voor de landbouw en de Nederlandse strategische autonomie en economie wanneer dit soort inputs tijdelijk of langdurig zouden wegvallen?
Het kabinet heeft de belangrijkste strategische afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw van inputs uit derde landen in beeld en monitort deze. Het verminderen van deze strategische afhankelijkheden vormt de tweede pijler van de aangekondigde Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd kunnen, afhankelijk van de aard en duur van een verstoring, ook bij andere producten en grondstoffen knelpunten ontstaan. Een onderbreking van de aanvoer kan leiden tot schaarste en prijsstijgingen van strategische inputs zoals energie en kunstmeststoffen, met mogelijke gevolgen voor de kosten en continuïteit van de landbouwproductie. De uiteindelijke impact is afhankelijk van de duur van de verstoring en de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers of producten.
Op welke wijze bereidt u zich voor op dit soort scenario’s?
Het kabinet bereidt zich op dergelijke scenario's voor door analyses uit te voeren, strategische afhankelijkheden in kaart te brengen, ontwikkelingen in internationale toeleveringsketens nauwlettend te volgen en contact te onderhouden met sectorpartijen. Op basis daarvan kan het kabinet, indien nodig, tijdig maatregelen treffen om de gevolgen voor de voedselvoorziening en de landbouwproductie zoveel mogelijk te beperken.
Bovendien werkt het kabinet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en relevante (publieke) stakeholders aan een Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid, dat naar verwachting begin 2027 aan u zal worden aangeboden. Dit is het overkoepelende kader voor het handelen in crisissituaties rondom voedselzekerheid en beschrijft de rol, taken en verantwoordelijkheden.
Hoe voorziet u dat Nederland de komende tijd meer onafhankelijk kan worden van dit soort inputs en hoe past dit binnen de verdere stappen die op het terrein van LVVN worden gezet, zoals de stikstofplannen, het nieuwe achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de eiwitstrategie?
Begin juli heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer geïnformeerd over de contouren van zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Het structureel verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden vormt één van de drie pijlers waarop deze agenda is gebaseerd. De agenda zal integraal worden bezien in relatie tot de genoemde LVVN-terreinen, waarbij aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende beleidsopgaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Voedselzekerheid op 23 september 2026?
Ja.
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Eerenberg , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?