De Rapportage vreemdelingenketen 2018 |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een feitenrelaas aan de Kamer toesturen over de totstandkoming van de Rapportage vreemdelingenketen 2018? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten waarom, nadat bleek dat ernstige misdrijven onder het kopje «overig» waren gezet, het Ministerie van Justitie en Veiligheid in eerste instantie aangaf dat de politie de incidentencijfers had samengesteld? Hoe reflecteert u achteraf op deze communicatie?1
Waarom werd besloten de politie en het openbaar ministerie (OM) een spreekverbod op te leggen? In samenspraak met wie werd dit besproken en besloten? Vindt u dit achteraf een verstandige beslissing geweest?2
Welke afwegingen zijn er gemaakt bij de totstandkoming van de gekozen wijze van rapporteren? Kunt u elke afweging afzonderlijk benoemen en toelichten? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre was er ruimte voor een tegengeluid in de discussie over de wijze van rapporteren en hoe werd hiermee omgegaan? Op basis van welke argumenten is uiteindelijk besloten, ondanks de gemaakte bezwaren, toch de rapportage in haar huidige vorm naar de Kamer te sturen?
Wat is er tijdens het besluit over de wijze van rapporteren verstaan onder «volledige openheid»?3
Hoe verhoudt uw definitie van «volledige openheid» zich tot de verhouding tussen een duizendtal geregistreerde incidenten onder het kopje «overig» en het gemiddelde van 418 geregistreerde incidenten per andere categorie?
Hoe en op basis waarvan is de beslissing tot stand gekomen om categorieën als moord, doodslag, aanranding en verkrachting onder «overig» te plaatsen? Hoe verhoudt uw antwoord zich tot uw definitie van «volledige openheid» en ook de verhouding zoals in de vorige vraag omschreven?
Hoe verklaart u dat er ondanks dat er geconstateerd werd dat de manier van rapporteren vragen en opmerkingen zou opleveren, toch niet besloten de wijze van rapporteren te wijzigen?
Hoe verhouden de uitspraken van de Minister-President en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid dat «er geen aanwijzing is dat het bewust is gebeurd» zich tot het doel «volledige openheid en transparantie»? Hoe verhouden deze uitspraken zich tot de signalering van de tekortkomingen? Hoe verhouden die uitspraken zich tot het uiteindelijke resultaat?
Deelt u de mening dat als vanaf begin af aan duidelijk was gemaakt wat er achter de politieregistraties schuil gaat, het beeld over de cijfers van criminele asielzoekers een stuk genuanceerder zou zijn geweest?4
Ik onderschrijf dat het belangrijk is dat registraties van gebeurtenissen met betrekking tot asielzoekers die als mogelijke verdachte van een strafbaar feit worden beschouwd, worden voorzien van een goede toelichting om eventuele onduidelijkheden over de interpretatie ervan te voorkómen. Voor een uitvoeriger uiteenzetting hierover verwijs ik naar mijn brief aan uw Kamer van 1 juli 2019.
Deelt u voorts de mening dat de nuances achter politieregistraties op het Ministerie van Justitie en Veiligheid bekend mogen worden verondersteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is er dan niet voor gekozen de cijfers en de toelichting transparant op te nemen in de Rapportage Vreemdelingenketen 2018?
Ik onderschrijf dat het belangrijk is dat registraties van gebeurtenissen met betrekking tot asielzoekers die als mogelijke verdachte van een strafbaar feit worden beschouwd, worden voorzien van een goede toelichting om eventuele onduidelijkheden over de interpretatie ervan te voorkómen. Ik wijs er hierbij op dat de interpretatie van registraties complexer wordt indien gegevens over meerdere ketens heen (in dit geval de migratieketen en de strafrechtsketen) worden gecombineerd in één samengestelde analyse. Voor een uitvoeriger uiteenzetting hierover verwijs ik naar mijn brief van 1 juli 2019.
Hoe beoordeelt u de waarde van politieregistraties, zonder nadere toelichting, voor het geven van een accuraat beeld van strafbare feiten waarbij asielzoekers betrokken zijn geweest? Deelt u de mening dat het beter is bij deze cijfers ook te betrekken hoe registraties strafrechtelijk zijn afgedaan en welke ruis erin kan zitten?
Bij brief van 1 juli 2019 heb ik de Kamer geïnformeerd over de nadere duiding die politie en OM hebben verricht op de registraties van gebeurtenissen van asielzoekers die als mogelijke verdachte van een misdrijf worden beschouwd. Ik ben daarbij ook ingegaan op de totstandkoming van dit soort registraties en de kanttekeningen die geplaatst kunnen worden bij de interpretatie ervan. Ik benadruk daarbij dat het uitvoeren van een dergelijke nadere analyse slechts mogelijk is via een zeer arbeidsintensieve handmatige zoekslag die ten koste gaat van de reguliere operationele taken van de analisten van politie en OM.
Deelt u de mening dat de wijze waarop nu is omgegaan met de registraties niet bijdraagt aan het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen? Wat gaat u doen teneinde dit in de toekomst te verbeteren?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 1 juli 2019 vind ik openheid en transparantie essentieel voor het maatschappelijk draagvlak voor het asielbeleid. Mede daarom vind ik het van groot belang dat incidenten rond asielzoekers zo duidelijk mogelijk in beeld worden gebracht en dat uw Kamer daarover adequaat wordt geïnformeerd. Dit is voor mijn ambtsvoorganger juist ook de reden geweest voor een verbreding van het incidentenoverzicht. Het incidentenoverzicht zoals opgenomen in de RVK 2018 geeft voor het eerst – naast de registraties op en rond COA-locaties – een landelijk beeld van de geregistreerde incidenten, waarbij asielzoekers als verdachte bij de politie in de systemen voorkomen of als verdachte bij het OM instromen. De ontstane onduidelijkheid rondom deze nieuwe opzet van het incidentenoverzicht is voor mij wel aanleiding geweest opdracht te geven te bezien hoe de gewenste verbetering van de informatievoorziening aan uw Kamer kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening dat de nuance tussen een registratie als verdachte en een strafrechtelijke veroordeling essentieel is binnen onze rechtsstaat? Bent u bereid in de toekomst te waken dat deze nuance wel duidelijk wordt gemaakt?
Ik onderschrijf dat er een essentieel verschil is tussen een registratie als verdachte en een strafrechtelijke veroordeling. Zonder vooruit te lopen op hoe de informatievoorziening aan uw Kamer op dit punt vorm gegeven zal worden, zeg ik in algemene zin toe dat bij de presentatie van cijfers deze nuance zal worden benoemd.
Wordt deze casus geëvalueerd op het Ministerie van Justitie en Veiligheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en door wie?
In combinatie met antwoorden op vragen 1 t/m 10.
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 1 juli 2019 vindt op dit moment een evaluatie plaats van het proces van voorbereiding en besluitvorming dat heeft geleid tot incidentenoverzicht in de Rapportage Vreemdelingenketen 2018. Nadat deze evaluatie is afgerond zal ik uw Kamer informeren.
Welke lering trekt u uit deze kwestie?
Zie antwoord vraag 16.
In hoeverre heeft u het idee dat het programma JenV Verandert daadwerkelijk een succesvolle verandering in uw ministerie teweeg brengt en waaruit blijkt dat? Welke verbeterpunten ziet u? Hoe verhoudt uw antwoord zich tot deze kwestie?
In 2016 startte het ministerie met een ambitieus veranderprogramma dat ertoe moet leiden dat JenV een betrouwbare partner is en blijft in een veranderende samenleving. De afgelopen jaren is hier duidelijk voortgang mee geboekt. Voor een uitvoerige beschrijving daarvan verwijs ik naar de voortgangsrapportage over de verandering die als bijlage is gevoegd bij het jaarverslag van het Ministerie van JenV over 20185. Dat betekent niet dat we er al zijn, het blijft noodzakelijk om vol te blijven inzetten op openheid, transparantie en betrouwbaarheid van JenV en op de zes hoofddoelstellingen die daaruit voortvloeien:
Het ministerie informeert en communiceert meer, proactief en transparant, zodat politiek en samenleving vroegtijdig weten wat er speelt op het terrein van justitie en veiligheid;
Het ministerie is een continue lerende organisatie, zodat waar mogelijk verbeteringen in het werk worden aangebracht;
Het ministerie investeert in mensen en gedrag, zodat professionals ruimte kunnen nemen en aangesproken worden op resultaat;
Het ministerie heeft een lange termijn visie en strategie, zodat er een leidraad is op basis waarvan keuzes worden gemaakt;
Het ministerie zorgt voor regie en een sterk intern netwerk, zodat complexe maatschappelijke vraagstukken worden aangepakt over bestaande organisatieonderdelen en structuren heen;
Het ministerie werkt in nauwe verbinding met «buiten», zodat maatschappelijk resultaat wordt vergroot en snel kan worden ingespeeld op nieuwe maatschappelijke vragen
Ik heb er vertrouwen in dat dit continue verbeterproces zijn vruchten zal afwerpen.
Wat doet u teneinde ervoor te zorgen dat het programma JenV Verandert succesvol wordt uitgevoerd en de cultuur van het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt verbeterd?
Zie antwoord vraag 18.
Het bericht dat er nieuw bewijs is van China's missie om de moskeeën in Xinjiang te verwoesten |
|
Tunahan Kuzu (DENK), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Revealed: new evidence of China's mission to raze the mosques of Xinjiang»?1
Ja.
Bent u het eens dat het hierbij gaat om schendingen van universele mensenrechten?
Het afbreken van moskeeën en heiligdommen (al dan niet onder het mom van veiligheidsvoorschriften) past in een breder beeld van beperkingen op fundamentele vrijheden in Xinjiang – de vrijheid van religie en levensovertuiging in het bijzonder. De Chinese autoriteiten dragen de strijd tegen het terrorisme aan als rechtvaardiging voor het repressieve beleid in Xinjiang. Het gaat hierbij niet alleen om het assimileren van Oeigoeren, maar ook om andere minderheden zoals etnische Kazakken, Kirgiezen en andere moslimminderheden, en de «sinificatie» van de islam in China in zijn algemeenheid.
Op basis van beschikbare informatie en analyses, alsook de observaties van diplomaten die de regio hebben bezocht, acht dit kabinet het zeer waarschijnlijk dat de manier waarop de Chinese autoriteiten deze doelen in Xinjiang verwezenlijken (o.a. door middel van politieke heropvoedingskampen, etnisch profileren door de politie, hoogtechnologische surveillance en het afbreken van moskeeën en heiligdommen) in strijd is met internationale mensenrechtennormen, zoals neergelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (door China getekend, maar nog niet geratificeerd), het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing.
Het kabinet vindt de ontwikkelingen in Xinjiang zeer zorgelijk en blijft zich inspannen om de mensenrechtensituatie in die regio te verbeteren.
Baart de berichtgeving u zorgen? Zo ja, bent u voornemens om naar aanleiding van van deze zorgwekkende berichten actie te ondernemen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u redenen om te twijfelen aan de echtheid van de in het artikel aangehaalde satellietbeelden?
Nee.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat de vernietiging van Oeigoerse heiligdommen een nieuwe aanval is op de cultuur van de Oeigoeren? Zo ja, bent u het eens dat het gaat om schending van universele mensenrechten? Zo ja, bent u bereid om de Verenigde Naties ertoe te bewegen meer druk uit te oefenen op de Chinese autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om zich in te zetten voor de totstandkoming van een internationaal onafhankelijk onderzoek naar de Chinese schending van mensenrechten van Oeigoerse moslims? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft pleiten voor betekenisvolle toegang tot Xinjiang voor (mensenrechten)experts van de VN, waaronder de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten. Onder betekenisvolle toegang verstaat dit kabinet vrije toegang tot verschillende regio’s, locaties en personen, zonder toezicht of interventie van de Chinese autoriteiten, conform de standaard VN-procedures.
Deelt u de in het artikel genoemde theorie dat door het vernietigen van Oeigoerse heiligdommen de Chinese autoriteiten pogen de volgende generatie Oeigoeren te assimileren? Wat vindt u van deze theorie?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe leest u de reactie van een woordvoerder van het Chinese Ministerie van Buitenlandse Zaken dat hij niet bekend is met de situatie en dat China vrijheid van godsdienst betracht? Hoe vindt u het dat een woordvoerder van het Chinese ministerie de situatie bagatelliseert? Wat zegt dit volgens u over de intenties van de Chinese autoriteiten ten aanzien van de Oeigoeren? Baart u dit zorgen?
Het officiële Chinese standpunt luidt dat er in Xinjiang sprake is van noodzakelijke en succesvolle de-radicaliseringsmaatregelen. Dit standpunt is niet verenigbaar met de afwijzende houding van de Chinese autoriteiten ten aanzien van toegang tot Xinjiang voor VN-mensenrechtenexperts. Dit kabinet vindt deze opstelling zorgelijk en blijft dit zowel bilateraal als in EU- en VN-verband aan de orde stellen.
Zijn Nederlandse diplomaten reeds geïnstrueerd hoe zij met de schendingen van de mensenrechten van de Oeigoerse minderheid dienen om te gaan? Zo ja, wanneer zijn zij hierover geinstrueerd? En kunt u deze instructie delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade in Peking volgt de ontwikkelingen in Xinjiang nauwgezet. Het postennetwerk en de relevante beleidsdirecties zijn aangesloten op de berichtgeving uit Peking. Van een algemene instructie over de mensenrechtensituatie in Xinjiang is geen sprake. Posten worden in specifieke gevallen geïnstrueerd om bepaalde acties te ondernemen. Een overzicht van die acties vindt u in het antwoord op vraag 13.
Doen de Chinese autoriteiten naar uw mening genoeg om de positie van de Oeigoeren te verbeteren? Zo ja, kunt u een toelichting geven? Zo nee, bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de Chinese regering?
Het kabinet besteedt zowel bilateraal als in EU- en VN-verband aandacht aan de mensenrechtensituatie in Xinjiang. Het onderhouden van een bilaterale dialoog met China is erop gericht om de Chinese autoriteiten ertoe te bewegen de mensenrechtensituatie in Xinjiang te verbeteren. De motie Kuzu (35 000 V, nr. 42) roept het kabinet op om in VN-verband draagvlak te vinden voor het per direct sluiten van de Chinese heropvoedingskampen in Xinjiang. Dit kabinet geeft uitvoering aan die motie door consistent te blijven pleiten voor toegang voor VN-mensenrechtenexperts tot Xinjiang.
Een overzicht van recente acties en inspanningen:
Wat heeft de Nederlandse regering sinds haar beantwoording van mijn eerdere vragen over de situatie van de Oeigoeren concreet gedaan om de situatie van de Oeigoeren te verbeteren? Kunt u hier een gespecificeerd overzicht van geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe effectief is de Nederlandse druk in EU-verband op de Chinese autoriteiten gebleken met betrekking tot van de onderdrukking van de Oeigoeren?
Tot een jaar geleden werd het bestaan van politieke heropvoedingskampen door de Chinese autoriteiten ontkend. Als gevolg van aanhoudende druk van de EU en andere landen veranderde de Chinese opstelling en werd er door de autoriteiten gesproken van vrijwillige beroepsopleidingen («vocational education and training»). Sinds begin dit jaar communiceren de Chinese autoriteiten proactief over Xinjiang met als hoofdboodschap dat er sprake is van een succesvol de-radicaliseringsbeleid. Deze boodschap vindt zijn weg naar buiten onder andere door middel van officiële mediaberichtgeving, het organiseren van reizen naar Xinjiang voor het corps diplomatique en de organisatie van een informatiebijeenkomst en tentoonstelling en marge van de 40e VN-Mensenrechtenraad.
Deze veranderende opstelling toont aan dat de druk van Nederland, de EU en andere gelijkgezinde landen effect sorteert. In ieder geval voelt China zich aangesproken om zich te verantwoorden. Het beoogde resultaat (het sluiten van de heropvoedingskampen en een einde aan de mensenrechtenschendingen in Xinjiang) is echter nog niet bereikt. Om die reden zet dit kabinet in op zowel voortzetting van de bilaterale dialoog met China als het verhogen van de internationale druk op China om VN-mensenrechtenexperts toe te laten tot Xinjiang.
Hebt u er bij uw EU-collega’s op aangedrongen om gezamenlijk bij de Chinese autoriteiten aan te dringen op een verbetering van de omstandigheden van Oeigoeren? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de keren dat u in EU-verband aandacht hebt gevraagd voor de situatie van de Oeigoerse minderheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
De dood van een Nederlands echtpaar in de Caribische zee |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Werden Nederlandse zeezeilers door de Colombiaanse kustwacht geramd?» en «Dood zeezeilers in de doofpot»?1 2
Ja, ik ken de berichten.
Op welke wijze en hoe frequent worden de nabestaanden van de omgekomen Nederlandse slachtoffers op de hoogte gehouden van de stand van het strafrechtelijk onderzoek?
Het onderzoeksteam houdt de nabestaanden regelmatig en doorlopend op de hoogte van de stand van zaken van het strafrechtelijke onderzoek.
Wat doen de Nederlandse justitiële autoriteiten en mogelijk diplomatieke vertegenwoordigers om het onderzoek in deze zaak te bevorderen?
Het onderzoeksteam heeft regelmatig overleg met de liaison officier van de Nederlandse politie in Bogota over de voortgang van de rechtshulpverzoeken.
De Nederlandse liaison heeft vooraf, tijdens en na het indienen van de rechtshulpverzoeken, regelmatig en doorlopend contact onderhouden met de centrale justitiële autoriteit en de behandelende Colombiaanse officieren van justitie ten behoeve van het opstellen en de uitvoering van het rechtshulpverzoek. Dit contact bestond uit toezien op de voortgang van de uitvoering, planning van de uitvoering en hulp bij het zoeken naar de op te roepen getuigen ten behoeve van het verhoor.
Is er afdoende capaciteit in Nederland beschikbaar ten behoeve van het onderzoek in deze zaak? Zo ja, waar bestaat die capaciteit uit? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Ja, de omvang van het onderzoeksteam is voldoende en in overeenstemming met de vraag naar en de behoefte aan capaciteit. Mocht in de verdere loop van het onderzoek blijken dat uitbreiding noodzakelijk is, dan is de daartoe benodigde capaciteit voorhanden.
Klopt het dat de medewerking door de Colombiaanse autoriteiten ten aanzien van het reageren op rechtshulpverzoeken vanuit Nederland traag verloopt, zoals in de berichten wordt gesteld? Zo ja, wat kunt u doen om dit proces daar waar mogelijk te versnellen? Zo nee, waarom niet?
De uitvoeringstermijnen in deze zaak zijn niet uitzonderlijk lang. De uitvoeringstermijn van rechtshulpverzoeken verschilt per zaak. In deze zaak zijn tot nu toe twee rechtshulpverzoeken naar de Colombiaanse autoriteiten verzonden. Op het eerste rechtshulpverzoek van 4 november 2016 hebben we op 27 februari 2017 de uitvoeringsstukken uit Colombia ontvangen. Het tweede verzoek is op 23 mei 2018 naar Colombia verzonden en begin april 2019 uitgevoerd.
Welke rol kan de liaison officer van de Nederlandse politie in Colombia spelen om de samenwerking met de Colombiaanse autoriteiten in deze zaak daar waar nodig te verbeteren?
De samenwerking tussen de Nederlandse en Colombiaanse justitiële autoriteiten is van goed niveau en kenmerkt zich door de wederzijde wil en bereidheid tot medewerking aan- en uitvoering van rechtshulpverzoeken. De uitvoering is van goed niveau. Ik verwijs voor het overige naar het antwoord op vraag 3.
De humanitaire noodsituatie waarin vluchtelingen in Libië verkeren |
|
Attje Kuiken (PvdA), Joël Voordewind (CU), Bram van Ojik (GL), Jasper van Dijk (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «They sprayed the room with bullets»: migrants in Libyan detention centres living in fear»?1
Ja.
Klopt het dat er ongeveer 3.000 migranten verspreid over vijf detentiecentra binnen of rond Tripoli vastzitten, waar nu hevig gevochten wordt? Klopt het voorts dat meerdere detentiecentra slechts enkele kilometers van de frontlinie van het conflict in Libië gevestigd zijn?
Momenteel bevinden zich circa 3.100 migranten en vluchtelingen in detentiecentra vlakbij conflictzones.2 Het detentiecentrum in Tajoura is op 7 mei jl. gebombardeerd. In de nacht van dinsdag 2 juli jl., is het detentiecentrum in Tajoura opnieuw geraakt door een luchtaanval. Ditmaal zijn de verblijfsvertrekken van de migranten wel getroffen. Volgens berichten van UNHCR zijn hierbij 53 personen om het leven gekomen. De overige personen in het betreffende detentiecentrum zijn inmiddels ondergebracht in het Gathering and Departure Facility(GDF) in Tripoli.
Zoals is gebleken, kan de veiligheid van migranten in Libische detentiecentra niet worden gegarandeerd. In eerdere beantwoording,3 heeft het kabinet u geïnformeerd over de inzet van Nederland in internationaal en Europees verband, en heeft hierbij de noodzaak voor effectieve samenwerking binnen de internationale gemeenschap onderstreept om deze zorgen aan de orde te blijven stellen. In dit kader heeft Nederland zich binnen een groep van verschillende landen, en samen met internationale organisaties en de Libische autoriteiten, ingezet voor de sluiting van detentiecentra en het zoeken naar alternatieve vormen van opvang. Deze inspanning heeft o.a. geleid tot het besluit van de regering van het Nationale Akkoord (GNA) – op 1 augustus jl. – om drie detentiecentra, waaronder die in Tajoura, te sluiten. Het kabinet zal de implementatie van dit besluit nauwlettend volgen.
Tevens is de Nederlandse inzet gericht op het, onder leiding van IOM en UNHCR, evacueren van vluchtelingen en migranten uit detentiecentra die in de gevechtszone liggen en het ondersteunen van vrijwillige terugkeer van migranten naar het land van herkomst. In het kader van de Nederlandse steun heeft in mei jl. een selectiemissie plaatsgevonden in Niger om een vijftigtal kandidaten te selecteren voor versnelde hervestiging vanuit het Emergency Transit Mechanisme (ETM) in Niger om zodoende ruimte te creëren voor verdere evacuaties vanuit Libië.
Kunt u het bericht bevestigen dat vastgezette vluchtelingen in het detentiecentrum in Tajoura worden gedwongen militaire voertuigen te repareren en wapens te laden c.q. schoon te maken?
Deze berichten zijn tot op heden niet bevestigd. Zoals eerder gemeld in de beantwoording op vragen van uw Kamer over het bericht «VN: 1.500 migranten in levensgevaar in Libië», is de gedwongen inzet van burgers in gevechten te allen tijde een schending van het internationaal humanitair recht. Het kabinet vraagt samen met haar partners blijvend aandacht voor respect voor het internationaal humanitair recht en het afleggen van verantwoording, zodat dergelijke misdaden niet ongestraft blijven.
Klopt het dat op 7 mei 2019 een luchtaanval het detentiecentrum in Tajoura heeft geraakt?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u signalen dat ook andere detentiecentra voor vluchtelingen in Libië recent zijn blootgesteld aan (extern) gevaar? Zo ja, kunt u deze omschrijven?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven in welke mate migranten die nu door de Libische kustwacht naar detentiecentra in Libië worden gebracht daar in uw ogen veilig zijn, laat staan op een menselijke wijze behandeld worden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, in navolging van Italië, migranten van Libië naar Nederland te evacueren en hier de mogelijkheid te bieden asiel aan te vragen, of ondersteunde terugkeer naar het land van herkomst te bieden, en andere EU-lidstaten aan te sporen hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?2
Nederland kent geen toegang op humanitaire gronden, zoals Italië. Directe evacuatie vanuit Libië naar Nederland behoort dan ook niet tot de mogelijkheden. Zoals uw Kamer bekend, draagt Nederland bij aan de evacuatie van vluchtelingen via het Emergency Transit Mechanisme (ETM) in Niger door middel van hervestiging en steunt Nederland IOM bij de vrijwillige terugkeer van migranten in Libië naar hun landen van herkomst. Daarnaast zal het kabinet bij belangrijke herkomstlanden blijven aandringen op de (consulaire) evacuatie van hun onderdanen vanuit Libië zoals vaak gebruikelijk is in conflictsituaties. Waar nodig zal Nederland deze landen hierbij steunen conform uitgangspunten uit de Integrale Migratie Agenda.
Het bericht dat het leger van Myanmar opnieuw mensenrechten schendt |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Amnesty: leger Myanmar schendt mensenrechten opnieuw»?1
Ja, het kabinet is eveneens bekend met het rapport van Amnesty International «No one can protect us» – War crimes and abuses in Myanmar’s Rakhine State» van 29 mei jl.
Baart de berichtgeving u zorgen? Zo ja, bent u voornemens om naar aanleiding van deze zorgwekkende berichten actie te ondernemen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
De bevindingen in het Amnesty International rapport onderstrepen dat het Myanmarese leger zich wederom schuldig maakt aan mensenrechtenschendingen in zijn operatie tegen etnische gewapende groepen, ditmaal als reactie op aanvallen begin 2019 van Arakan Army (AA), een etnisch Rakhine boeddhistische gewapende groep. Ten eerste toont het Amnesty-rapport aan dat het Myanmarese leger nog steeds geweld gebruikt, ook tegen de burgerbevolking. Ten tweede laat het zien dat het conflict en de operaties van het Myanmarese leger ertoe leiden dat het voorlopig niet veilig is voor de Rohingya-vluchtelingen in Bangladesh om terug te keren naar Rakhine State.
Het kabinet veroordeelt het disproportionele geweld van het Myanmarese leger en het kabinet maakt zich zorgen over deze ontwikkelingen. Nederland gebruikt iedere relevante mogelijkheid om de situatie in Myanmar, en specifiek de misdrijven van het leger te agenderen en bespreken, zij het in internationale fora of in bilaterale gesprekken. Op de dag dat het Amnesty-rapport uitkwam, heeft de Nederlandse ambassadeur in Myanmar de autoriteiten ook op de bevindingen uit het Amnesty International rapport aangesproken. Minister Blok heeft op 17 juni in de RBZ nogmaals zorgen uitgesproken over de voortdurende mensenrechtenschendingen in Myanmar.
Conform de aanbevelingen van eerdere rapporten, zet Nederland zich blijvend in voor een doorverwijzing naar het Internationaal Strafhof (ICC) door de VN-Veiligheidsraad. Hier heeft Nederland op 23 april jl. nog toe opgeroepen tijdens het open debat over sexual violence in conflict.
Deelt u de stelling van mensenrechtenorganisatie Amnesty International dat het leger van Myanmar zich schuldig heeft gemaakt aan zeven nieuwe onwettige aanvallen, waarbij 14 burgers omkwamen en zeker 29 gewonden vielen? Zo ja, wat gaat u doen om de VN Veiligheidsraad tot meer actie te bewegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat volgens het nieuwe rapport van Amnesty International, het leger van Myanmar in april vanuit een helikopter het vuur opende op arbeiders die bamboe aan het snijden waren?
In één woord: gruwelijk.
Kunt u een analyse geven van de oorzaak van het toegenomen geweld en kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de ontbrekende internationale verontwaardiging over de massaschendingen? Zo nee, waarom niet?
Het huidige conflict met de AA is vergelijkbaar met de andere etnische conflicten in Myanmar. Het Myanmarese leger heeft Myanmar decennialang geregeerd met als doel het bouwen van een natiestaat op basis van Bamar (etnische meerderheid) dominantie en superioriteit. Daarbij werd disproportioneel geweld gebruikt om de etnische minderheden in de grensgebieden te onderdrukken. Het conflict met deze minderheden wordt gezien als een van de langstlopende burgeroorlogen in de wereld. Het Myanmarese leger hanteert in zijn operaties tegen alle etnische minderheden een strategie waarbij ook geweld tegen burgers wordt gebruikt, met als doel om steun en bevoorrading van etnische gewapende groepen af te snijden.
De huidige escalatie van geweld in de staat Rakhine is veroorzaakt door een aanval van de AA op politieposten op 4 januari 2019. De AA strijdt tegen de overheersing van de Bamar meerderheid van de bevolking en voor meer zelfbeschikking in Rakhine State. Het Myanmarese leger heeft op de aanval van de AA gereageerd met fors geweld, waarbij ook burgerslachtoffers zijn gevallen.
Het rapport van Amnesty International is het eerste internationale rapport dat dit recente geweld in Rakhine tussen het leger en de AA documenteert. Nederland veroordeelt in Europees verband het gebruik van geweld door zowel de AA als door het Myanmarese leger2. Sinds augustus 2017 is er tevens veel aandacht en verontwaardiging van de internationale gemeenschap voor het geweld tegen de Rohingya.
Het kabinet is van mening dat beëindiging van de interne etnische conflicten via het lopende vredesproces, en verdere democratische transitie, de sleutel vormen voor structurele verbetering van de mensenrechtensituatie in Myanmar. Nederland zet zich daar voor in door middel van het tweesporenbeleid ten aanzien van Myanmar. Enerzijds is dit een inzet op het gebied van accountability en bevordering van mensenrechten in Myanmar, anderzijds steun voor de democratische transitie en bevordering van duurzame economische groei en ontwikkeling.
Doet de VN Veiligheidsraad naar uw mening genoeg om de positie van de Rohingya te verbeteren? Zo ja, hoe? Zo nee, hoe gaat u duidelijk maken dat er serieuze stappen gezet moeten worden?
Deze nieuwe geweldsgolf staat los van het geweld dat eerder tegen de Rohingya is gebruikt. Het oplaaiende geweld heeft wel tot gevolg dat de omstandigheden voor terugkeer van Rohingya-vluchtelingen nog moeilijker zijn geworden.
Zoals bekend zet het kabinet zich in internationaal verband in om terugkeer van de Rohingya mogelijk te maken. Daarnaast loopt Nederland internationaal voorop waar het de roep om verantwoording betreft, zowel door te pleiten voor een doorverwijzing van de situatie naar het ICC door de VN-Veiligheidsraad als bij het opzetten van een mechanisme om bewijsmateriaal zeker te stellen via het International Investigation Mechanism for Myanmar (IIMM). Daarbij onderstreept Nederland het belang van samenwerking van het bewijsverzamelingsmechanisme met het ICC. Tevens blijft het kabinet bij zowel permanente leden als nieuwe niet-permanente leden van de VN-Veiligheidsraad het belang benadrukken van agendering van deze crisis. Door interne verdeeldheid wordt actie door de VNVR echter tegengehouden, net zoals dat bij andere dossiers het geval is.
Bent u bereid om zich ervoor in te zetten dat er een onafhankelijk internationaal onderzoek komt naar het doden en verwonden van burgers bij willekeurige aanvallen, executies zonder proces en marteling door het leger van Myanmar? Zo nee, waarom niet?
Mede door actieve inzet van Nederland, conform toezegging aan de Kamer, werd op 27 september 2018 een gezamenlijke EU-OIC-resolutie aangenomen in de VN-Mensenrechtenraad in Genève. Deze maakte het opzetten van een internationaal bewijsverzamelingsmechanisme mogelijk en verlengde en verbreedde het mandaat van de Independent International Fact-Finding mission on Myanmar. Het betreft hier een uniek voorbeeld van goede samenwerking van EU en de landen van de Organisatie voor Islamitische Samenwerking (OIC). De VN heeft voor het bewijsverzamelingsmechanisme de middelen beschikbaar gesteld en is begonnen met het werven van personeel. Het hoofd van het mechanisme is inmiddels aangesteld.
Hoe beoordeelt u de oproep door de mensenorganisatie Amnesty International, in het bijzonder de stappen met betrekking tot een wapenembargo tegen Myanmar in te stellen?
Het kabinet deelt de mening van Amnesty International dat een internationaal wapenembargo kan bijdragen aan vermindering van het geweld. Nederland blijft zich daarom hiervoor inzetten conform motie Kuzu (5 oktober 2017), ondanks dat dit tot nu toe onhaalbaar is gebleken. Hierbij dient overigens opgemerkt te worden dat er op EU-niveau wel sinds 26 april 2018 een verscherpt wapenembargo tegen Myanmar van kracht is.
Hoe beoordeelt u de oproep door de mensenorganisatie Amnesty International om de plegers van de misdaden te vervolgen door het Internationaal Strafhof in Den Haag?
Zie antwoord op vraag 6.
Bent u bereid alle mogelijke drukmiddelen aan te wenden om te helpen voorkomen dat het leger van Myanmar zich opnieuw schuldig maakt aan oorlogsmisdaden en andere mensenrechtenschendingen? Hoe beoordeelt u hierbij de positie van de VN Veiligheidsraad?
De strijd tegen straffeloosheid is een beleidsprioriteit voor Nederland, niet alleen om verantwoording te waarborgen maar juist ook ter voorkoming van misdrijven. Zie verder antwoord op vraag 2, 3, 6 en 7.
Bent u bereid, gezien de laatste ontwikkelingen, het initiatief te nemen om de voltallige legerleiding op de EU-sanctielijst te plaatsen?
Het sanctieregime dat mede op initiatief van Nederland tot stand kwam, bestaande uit o.a. het EU-wapenembargo en de persoonsgerichte sancties tegen Myanmarese militairen, is in april van dit jaar nog verlengd. Tot nu toe is ervoor gekozen om de top van het Myanmarese leger niet op de sanctielijst te plaatsten om de mogelijkheid van een dialoog open te houden. Het plaatsen van personen op de sanctielijsten van de EU vereist unanimiteit in de Raad. Die unanimiteit is er niet. Minister Blok heeft op 17 juni in de RBZ nogmaals opgeroepen tot aanvullende sancties tegen de verantwoordelijken voor de mensenrechtenschendingen.
Kunt u een lijst geven van alle organisaties in Myanmar waarmee de Nederlandse regering in het kader van ontwikkelingsbeleid mee samenwerkt en kunt u per organisatie aangeven of de rol en houding van deze organisaties met betrekking tot de Rohingya door de Nederlandse regering zijn onderzocht?
De rijksoverheid publiceert iedere maand actuele gegevens over ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten, o.a. over uitvoerende organisaties in het ontvangende land. Deze gegevens zijn beschikbaar in de open data-opmaak van het International Aid Transparency Initiative (IATI)3.
Nederland werkt op verschillende terreinen samen met internationale en nationale organisaties in Myanmar, met als doel steun te geven aan de democratische transitie, aan bevordering voor respect van mensenrechten en aan duurzame economische groei en ontwikkeling. De regering beoordeelt aanvragen voor financiering niet alleen beleidsinhoudelijk, maar ook op basis van een risicoanalyse met betrekking tot de doelstellingen, structuur en bewezen prestaties van de betrokken organisatie(s). In deze afweging wordt ook gekeken naar de reputatie van de organisatie in het algemeen. Er wordt in de afweging niet specifiek getoetst wat de rol en houding van de organisatie is tot de Rohingya, tenzij het een project betreft dat wordt uitgevoerd in een gebied waar ook Rohingya wonen.
Bent u voornemens het geweld van Myanmar te bespreken tijdens de Raad Buitenlandse Zaken? Zo ja, bent u bereid de Kamer, voor zover mogelijk, over de uitkomsten te informeren?
Ja. Zoals in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 juni jl. aan uw Kamer gemeld, heeft Minister Blok naar aanleiding van het rapport van Amnesty International de situatie in Myanmar daar opnieuw opgebracht, zorgen uitgesproken over de voortdurende mensenrechtenschendingen en opgeroepen tot aanvullende sancties tegen de verantwoordelijken voor de mensenrechtenschendingen.
Wat heeft de Nederlandse regering sinds de vele schendingen die begaan zijn tegen de Rohingya-bevolking door het leger van Myanmar concreet gedaan om de situatie van de Rohingya te verbeteren? Kunt u hier een gespecificeerd overzicht van geven? Zo nee, waarom niet?
Sinds de aanvang van de nieuwe geweldsgolf tegen de Rohingya op 25 augustus 2017, en in de nasleep daarvan, roept Nederland steevast in bilaterale contacten, via de EU en via VN-mensenrechtenfora, Myanmar en de facto staatshoofd Aung San Suu Kyi op om:
Het bericht ‘Huurders betalen hoge prijs in overspannen vrije sector’ |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Huurders betalen hoge prijs in overspannen vrije sector»?1
Ja.
Erkent u dat verhuurders misbruik maken van hun machtspositie gezien de woningnood en te weinig onderhoud plegen, te hoge huurprijzen vragen en te hoge servicekosten in rekening brengen? Zo ja, wanneer gaat u daar eindelijk wat aan doen? Zo nee, hoe is dat mogelijk?
Ik begrijp heel goed wat de negatieve gevolgen kunnen zijn van de schaarste op de woningmarkt. Sommige kwaadwillenden zullen misbruik willen maken van die schaarste. Dat neem ik zeer serieus. De afgelopen periode heb ik met verschillende partijen op de woningmarkt en met de medeoverheden veel acties in gang gezet tegen het woningtekort en de excessen op de woningmarkt. Ik zal twee voorbeelden noemen.
In de woondeals die ik sluit met de regio’s waar het woningtekort en de gevolgen daarvan het meest urgent zijn, maak ik ten eerste afspraken om samen te werken aan de bouwproductie. Doel is om juist in deze regio’s zo snel mogelijk de woningtekorten terug te dringen. Omdat meer bouwen altijd tijd kost maak ik in de woondeals aanvullend ook afspraken over de aanpak van excessen die het gevolg zijn van de tekorten waar we meteen mee aan de slag kunnen. Ik heb u inmiddels geïnformeerd over de woondeals die ik heb gesloten met de stad Groningen, het Stedelijk Gebied Eindhoven, de zuidelijke Randstad en de regio Utrecht.
In de brief aan uw Kamer van 9 november 2018 leest u hoe ik samen met de betrokken partijen de aanpak Goed Verhuurderschap ben gestart om de misstanden in de huursector tegen te gaan, zoals huisjesmelkerij, discriminatie en het rekenen van onterechte bemiddelingskosten. De partijen en ik zijn nu gezamenlijk bezig met het uitvoeren van de afgesproken actiepunten, die ik in voornoemde brief heb vermeld.
Ik informeer u halfjaarlijks via de voortgangsrapportage Nationale Woonagenda.
Onderschrijft u de uitspraak dat «huurders in de vrije sector volledig vogelvrij» zijn door het tekort aan woningen?
De huurders in Nederland zijn beschermd door de wet. De verhuurder is verantwoordelijk voor het onderhoud van de woning en de verhuurder kan de huur niet zomaar beëindigen. Verder is in de wet duidelijk vastgelegd welke kosten voor rekening van de huurder en welke kosten voor rekening van de verhuurder zijn. Zoals ook blijkt uit het genoemde krantenartikel kunnen huurders zich tot de rechter wenden.
Wat vindt u ervan dat grote verhuurders onterecht kosten in rekening brengen bij huurders voor onderhoud, terwijl de gebreken blijven bestaan? Deelt u de analyse dat deze praktijken kunnen voortbestaan door het gebrek aan regulering en de woningnood? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen?
Vesteda bevestigt dat zij geen onderhoudskosten in rekening brengt bij huurders. Wettelijk gezien mag dat ook niet. Ten aanzien van bijkomende diensten geldt dat de verhuurder verplicht is zijn contractuele verplichtingen na te komen. Voor de daarvoor in rekening te brengen servicekosten, geldt dat de verhuurder alleen de werkelijk gemaakte servicekosten mag doorbelasten aan de huurder.
Deelt u de mening dat de grote misstanden in het artikel illustreren dat ook huurders in de vrije sector meer bescherming verdienen? Wanneer is voor u het moment aangebroken dat u niet langer vertrouwt op zelfregulering, nu steeds blijkt dat verhuurders zich almachtig wanen door het grote tekort aan woningen?
Naar aanleiding van dit artikel is ambtelijk contact geweest tussen het Ministerie van BZK en Vesteda. Zij vermeldt dat er geen sprake is van gevaren voor de gezondheid en veiligheid in het complex Detroit. Vesteda hecht waarde aan betaalbare, kwalitatief hoogwaardige woningen in stedelijke gebieden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van o.a. de gemiddelde huurverhoging voor de huurwoningen van Vesteda in Nederland.
* Noot: Onderhoudskosten zijn geen servicekosten, deze kosten worden niet doorbelast aan de huurder.
Vesteda erkent dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Mede naar aanleiding van dit artikel is Vesteda direct gestart met het uitvoeren van achterstallige werkzaamheden. Het geschil tussen Vesteda en de huurdersbelangenvereniging (HBV) van het betreffende pand (in het genoemde artikel) over de servicekostenafrekening over 2016 betreft hier één geschil met één van de 85 HBV’s.
Ten aanzien van de huurprijsbescherming voor geliberaliseerde huurovereenkomsten in het algemeen verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6 en 7.
Bent u bereid huurders in de vrije sector alsnog toegang te geven tot de Huurcommissie?
Er wordt ten aanzien van de huurbescherming geen onderscheid gemaakt tussen geliberaliseerde – en gereguleerde huurovereenkomsten.
Ten aanzien van de huurprijsbescherming is er wel een onderscheid. Daar waar bij de gereguleerde huurovereenkomsten alle procedures op basis van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bij de Huurcommissie mogelijk zijn, is dit bij de geliberaliseerde huurovereenkomsten niet het geval. Met procedures over de aanvangshuurprijs (binnen zes maanden na aanvang van de huurovereenkomst) is het mogelijk dat de Huurcommissie oordeelt dat de huurprijs alsnog in het gereguleerde segment valt. Ten aanzien van alle overige procedures bij de Huurcommissie geldt dat indien beide partijen hiermee instemmen, een geschil aan de Huurcommissie kan worden voorgelegd. De Huurcommissie brengt alsdan een advies uit. Ik heb mij aangesloten bij de aanbevelingen van de voorzitter van de samenwerkingstafel middenhuur en moedig verhuurders aan om in de huurcontracten op te nemen dat de Huurcommissie advies kan geven bij huurprijs- en servicekostengeschillen. Hierdoor hoeven huurders niet langer toestemming te vragen aan de verhuurder als zij naar de Huurcommissie willen stappen met een geschil. Mede in het kader van Goed Verhuurderschap wordt met betrokken partijen gesproken hoe de toegang van de geliberaliseerde huurovereenkomsten tot de Huurcommissie kan worden bevorderd. Verhuurders in het geliberaliseerde segment, klein en groot, hebben hiermee de mogelijkheid om zich, in de zin van goed verhuurderschap, positief te onderscheiden. Uiteraard blijft het van belang om als huurder en verhuurder bij een geschil eerst samen tot een oplossing te komen. De Huurcommissie heeft de kennis in huis om, mocht men er onderling niet uitkomen, een advies te geven. Afgaande op de laatste signalen ben ik optimistisch over de resultaten van dit overleg.
Daarnaast is de rechtsgang in het huurrecht neergelegd bij de kantonrechter vanwege de laagdrempeligheid. Daarmee is de stap naar de rechter bij huurprijsgeschillen niet zo groot.
Bent u het eens met het uitgangspunt dat een gang naar de rechter slechts een laatste redmiddel is waar bovendien heel veel mensen -zeker huurders die in een afhankelijke situatie verkeren- niet snel naar zullen grijpen? Moeten er niet veel toegankelijker methoden zijn voor huurders om hun recht te halen?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn er gevaren voor de volksgezondheid of onveiligheid door bijvoorbeeld gladde vloeren, liften die ineens naar beneden vallen of abominabele schoonmaak? Wat doet u eraan om te voorkomen dat er ernstige ongelukken gebeuren vanwege slecht onderhoud en/of nalatige hygiëne?
Zoals u weet kan ik individuele zaken niet beoordelen. Een verhuurder is verplicht een verhuurde woning in goede staat te houden. In alle gevallen ligt dan ook in eerste instantie de verantwoordelijkheid bij de verhuurder om regelmatig onderhoud te verrichten. Ook dient de verhuurder door de huurder gemelde onderhoudsgebreken binnen redelijke tijd te verhelpen. Indien de verhuurder deze verplichting niet nakomt dan:
Het artikel ‘Energie voor elektrische auto superduur, rijden toch het goedkoopst’ |
|
Matthijs Sienot (D66), Rutger Schonis (D66) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Energie voor elektrische auto superduur, rijden toch het goedkoopst»?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de onderzoeker dat het laden van een elektrische auto duurder is dan tanken? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet de (eind)conclusie van de onderzoeker. In het artikel wordt in stappen uiteengezet dat de prijs per kWh voor elektriciteit weliswaar hoger is dan voor bijvoorbeeld benzine of diesel, maar dat een elektrische auto circa drie keer efficiënter omgaat met die energie. Dit principe is eerder door mijn ambtsvoorganger bij het wetgevingsoverleg van het Belastingplan 2016 uitgelegd2.
Door deze twee zaken – de prijs per kWh en de efficiëntie van een elektrische auto, oftewel het aantal kilometers per kWh – te combineren komt de onderzoeker tot de volgende conclusie: «Zelfs de decadentste elektromobilist, die consequent te veel betaalt bij een snellader langs de snelweg, is per kilometer minder kwijt dan de gemiddelde benzinerijder. Wie op eigen oprit kan laden, verslaat ook aardgasrijder met gemak.»
Deelt u de mening dat het een ongewenste prikkel is dat de elektrische rijder meer betaalt voor energie dan bijvoorbeeld de dieselrijder? Zo nee, waarom niet?
Gezien het antwoord op vraag 2 deel ik deze mening niet.
Deelt u de conclusie dat de zakelijke dieselrijder in de meeste gevallen het goedkoopst uit is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die conclusie niet. In vergelijking met een elektrische automobilist die enkel en alleen aan een snellader – dit komt in de praktijk niet tot nauwelijks voor – oplaadt komt een dieselrijder wel wat kilometers verder per euro, maar als geladen wordt bij publieke laadpalen of thuis dan komt de elektrische automobilist verder. In vergelijking met een elektrische automobilist is de zakelijke dieselrijder dus eigenlijk niet goedkoper uit.
Wat onderneemt u om de financiële prikkel te verplaatsen van diesel naar zero-emissie rijden voor de zakelijke rijder?
In het kader van het klimaatakkoord zijn keuzes gemaakt over de versnelling van de ingroei van het elektrisch rijden, inclusief fiscale en financiële prijsprikkels voor zowel de consumenten als de zakelijke rijder.
Welke mogelijkheden ziet u om de prijs van elektrisch laden (prijs per kWh) te verlagen, zodat deze qua prijs per kWh vergelijkbaar wordt met die voor fossiele brandstoffen?
Bij de vormgeving van stimulering van elektrisch rijden dient niet alleen te worden gekeken naar afzonderlijke kostencomponenten, zoals de prijs van de energie.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat het tarief van de eerste schijf van de Energiebelasting op elektriciteit per 2021 wordt verlaagd, waardoor ook laden van elektrische auto’s goedkoper wordt. Voorts is in het Klimaatakkoord afgesproken dat de accijns op diesel wordt verhoogd met op termijn 2 cent per liter, hetgeen elektrisch rijden ten opzichte van vandaag naar verhouding goedkoper maakt ten opzichte van rijden op diesel.
Het bericht dat Broshuis een miljoenenorder in de wacht sleept van de Amerikaanse Defensie |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Broshuis scoort grote order voor Amerikaanse Defensie»?1
Ja.
Waarom moet de Kamer hiervan via de media kennisnemen, terwijl u belooft de Nederlandse defensie-industrie te promoten? Zo nee, waarom niet?
Ik kan me voorstellen dat de Firma Broshuis trots is op de opdracht die hij op eigen kracht heeft gewonnen en daarom een persbericht heeft verstuurd. Ook ik vind dat een mooie prestatie. Dat laat onverlet dat Defensie de Kamer alleen informeert over materieelprojecten volgens het Defensie Materieelproces zoals met de Kamer overeengekomen.
Voor elk verwervingstraject maakt Defensie een afweging voor de meest passende verwervingsstrategie, waarbij het uitgangspunt is om het beste product voor de beste prijs te verwerven en waarbij de Defensie Industrie Strategie (DIS) wordt gehanteerd om nationale veiligheidsbelangen te beschermen.
Het kabinet ondersteunt in algemene zin Nederlandse bedrijven om deel te nemen aan internationale beurzen en ondersteunt het bedrijfsleven met handelsmissies. Zie tevens het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven of, en zo ja op welke wijze, u Broshuis hebt ondersteund bij het in de wacht slepen van deze order? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf Broshuis heeft zonder directe hulp van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) of Defensie deze order gekregen.
Kunt u aangeven waarom de Verenigde Staten, als werelds sterkste defensieorganisatie, wel kiest voor onze defensie-industrie, terwijl u liever kiest voor onveilig buitenlands materieel? Bewijst dit dat uw materieelaanschafbeleid faliekant tekortschiet? Zo nee, waarom niet?
Waarom het Amerikaanse Ministerie van Defensie kiest voor Broshuis is mij niet bekend, aangezien ik geen inzicht heb in de criteria die zij hanteerde voor het gunnen van deze order. De Nederlandse Defensie gebruikt op dit moment ook producten van de firma Broshuis voor het vervoeren van zware wapensystemen. Defensie heeft als uitgangspunt dat materieel veilig moet zijn ongeacht of dit uit binnen- of buitenland afkomstig is.
Kunt u aangeven waarom u niet intensief samenwerkt met de Nederlandse defensie-industrie om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen en materieelleveranties mogelijk te maken?
Bij het starten van een materieelproject is de behoefte van Defensie leidend en wordt gebruik gemaakt van informatie uit de markt om de mogelijkheden te verkennen. Daarnaast bespreekt Defensie ook regelmatig de toekomstige behoeften aan materieel met de Stichting Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) en is ook de DIS in gezamenlijkheid tot stand gekomen.
Met de DIS is het belang van specifieke industriële-, kennis- en technologie capaciteiten in Nederland voor de bescherming van nationale veiligheidsbelangen verder beschreven. Daarvoor wordt op basis van de DIS een aantal instrumenten gedefinieerd die de Nederlandse Defensie industrie en kennisinstellingen kunnen helpen positioneren op de internationale markt.
Een voorbeeld is industrieel participatiebeleid, zodat Nederlandse bedrijven structureel blijven meedraaien in de internationale ontwikkeling, productie en instandhoudingsketens van defensiematerieel. De overwegingen voor inzet van dit instrumentarium zijn geënt op het nationaal veiligheidsbelang. In de tweejaarlijkse rapportage over het Industrieel Participatiebeleid van EZK wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd.
Voor elk verwervingstraject maakt Defensie een afweging voor de meest passende verwervingsstrategie, waarbij het uitgangspunt is om het beste product voor de beste prijs te verwerven en waarbij de Defensie Industrie Strategie (DIS) wordt gehanteerd om nationale veiligheidsbelangen te beschermen. Het toepassen van artikel 346 VWEU, zoals bijvoorbeeld is gedaan bij de vervanging M-fregatten, kan deel uitmaken van de verwervingsstrategie.
Kunt u begrijpen dat deze gang van zaken, tezamen met de vele materiaalblunders en het niet inroepen van artikel 346 VWEU, bij de Nederlandse defensie-industrie het vermoeden doet ontstaan dat dat u een marionet bent van de buitenlandse wapenlobby? Zo nee, waarom niet?
Voor elk verwervingstraject maakt Defensie een afweging voor de meest passende verwervingsstrategie, waarbij het uitgangspunt is om het beste product voor de beste prijs te verwerven.
De DIS geeft aan welke kennis, technologie en industriële capaciteiten zoveel als mogelijk nationaal moeten worden verankerd om de wezenlijke belangen van nationale veiligheid te kunnen beschermen. Deze basis is daarnaast van belang om een rol van betekenis te kunnen spelen in de samenwerking met andere landen, en een waardevolle bijdrage te leveren aan de veiligheid in Europa.
Bij de verwerving van defensiematerieel kan een EU-lidstaat voor de bescherming van de wezenlijke belangen van nationale veiligheid een beroep doen op artikel 346, lid 1, VWEU. In lijn met het regeerakkoord en de Defensienota 2018 interpreteert Defensie, met inachtneming van de (aanbestedings)regelgeving, artikel 346 VWEU ruimhartig.
Omdat niet alles wat Defensie nodig heeft in Nederland geproduceerd kan worden, werken we ook intensief samen met andere landen.
Hebt u Broshuis al uitgenodigd voor een gesprek om te praten over het leveren van materieel, zoals bijvoorbeeld veilige marechausseevoertuigen? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk gesprek vindt plaatst als dat passend is binnen de verwervingsstrategie en aanbestedingsprocedure van een materieelproject. Bedrijven kunnen altijd interesse tonen in aanbestedingen die op de daartoe bestemde kanalen worden gepubliceerd. Defensie heeft regulier contact met de firma Broshuis vanwege de instandhouding van de producten die Defensie in gebruik heeft.
Kunt u bovenstaande vragen apart beantwoorden?
Ja.
Het feit dat Nederland tegen openheid over ontwikkelkosten van geneesmiddelen heeft gestemd |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de tweet van Ellen t Hoen, patentrechtdeskundige, gezien over de opstelling van Nederland tijdens de 72e vergadering van de World Health Association in Genève?1
Ja.
Waarom heeft Nederland voor transparante prijzen en uitkomsten van trials gestemd, maar tegen transparantie ten aanzien van de kosten van trials, die de ontwikkelkosten van geneesmiddelen voor een groot deel bepalen?2
Nederland heeft tijdens de onderhandelingen over de resolutie geen uitspraken gedaan die indruisen tegen transparantie van kosten van trials en ontwikkelingskosten. Bovendien is de resolutie niet in stemming gebracht. De resolutie is bij consensus aangenomen. Het tweetbericht van mevrouw ’t Hoen is onjuist.
Was u tevoren op de hoogte van deze inbreng van Nederland? Zo nee waarom niet? Zo ja, wat zijn precies uw argumenten om tegen openheid ten aanzien van de kosten van trials te zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit een gemiste kans is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Per wanneer bent u van plan de prijzen na onderhandelingen met de farmaceutische industrie openbaar te maken? Voor welke geneesmiddelen waarover u nu prijsonderhandelingen voert geldt dat de uiteindelijke prijs openbaar gemaakt zal worden?
Zoals eerder gewisseld met uw Kamer3 is het altijd en iedere keer weer mijn inzet om te komen tot transparante prijsafspraken met geneesmiddelfabrikanten. Echter, in de praktijk zijn deze bedrijven alleen bereid tot substantiële kortingen en afspraken indien de vertrouwelijkheid van deze afspraken geborgd is. Ik heb uw Kamer eerder laten weten dat ik dan voor de keuze sta om of niet in te stemmen met deze vertrouwelijkheid of deze voorwaarde wel te aanvaarden. In het eerste geval kan ik het geneesmiddel opnemen in het basispakket voor de vraagprijs van de fabrikant of het middel niet opnemen in het basispakket omdat er geen redelijke prijs wordt gevraagd. In het tweede geval kan ik het middel beschikbaar maken voor de patiënt tegen een aanvaardbare prijs.
Ik kies voor het tweede, in het belang van alle patiënten en premiebetalers in Nederland. Maar ik zie dit niet als een duurzaam model. Op termijn zullen we naar een model moeten waar deze prijzen wel openbaar zijn. Dit is bij uitstek een gezamenlijke opgave van landen die hier samen willen optrekken en daar wil ik mij voor inzetten, mede in Beneluxa verband. En daarom sta ik ook achter de resolutie. Dit is ook een proces van lange adem. Maar deze resolutie is een bouwsteen op weg naar transparantie van prijzen, wellicht als eerste stap tussen landen onderling.
In hoeverre is de afspraak in de resolutie dat prijzen openbaar worden haalbaar? Wat kunt en gaat u doen als een fabrikant geheimhouding over de prijsonderhandelingen en uiteindelijke prijs eist?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is de paragraaf in de resolutie over de vereiste openheid van de farmaceutische industrie over de ontwikkelingskosten van geneesmiddelen afgezwakt tot een nauwelijks leesbare paragraaf die vooral de farmaceutische industrie geruststelt? Welke rol heeft Nederland precies in de onderhandelingen op dit punt gespeeld?
Resoluties bij de World Health Assembly zijn altijd een samenstel van visies, belangen en opvattingen van een groot aantal landen verspreid over de wereld. Dat leidt onvermijdelijk tot teksten die op compromissen zijn gebaseerd. Binnen haar beleid om de toegang tot geneesmiddelen en vaccins te vergroten, is Nederland actief voorstander van een zo groot mogelijke transparantie.
Door welke belangengroeperingen bent u (of de Nederlandse vertegenwoordigers) voor de WHO-vergadering benaderd en met welke boodschap?
Vooraf aan de World Health Assembly is VWS benaderd door diverse partijen die zich actief inzetten voor het verruimen van de toegang tot betaalbare geneesmiddelen, zoals Artsen zonder Grenzen, GARDP, KWF, Medicines Patent Pool en Wemos. Met een enkele partij is ook gesproken.
Wat is uw mening over de uitspraak van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen dat openheid over nettoprijzen zal leiden tot nog hogere prijzen omdat de vertrouwelijkheid over de bedongen kortingen wegvalt en dat patiënten daar niet bij gebaat zijn?
Deze uitspraken zonder enige onderbouwing vind ik niet overtuigend en het is wat mij betreft een weinig constructieve bijdrage aan deze discussie. Een betere verantwoording van prijzen door de industrie is een gerechtvaardigde en begrijpelijke verwachting van de samenleving die verwacht ik alleen maar verder zal aanzwellen. Deze uitspraken van de VIG getuigen niet van groot besef van de internationaal groeiende onrust en zorgen over de prijsvorming van de industrie ten aanzien van innovatieve geneesmiddelen. Ik ben van mening dat zowel patiënten maar ook de industrie zelf belang hebben bij meer transparantie over prijzen als het gaat om het duurzaam toegankelijk en betaalbaar houden van nieuwe geneesmiddelen. De industrie mag haar «license to operate» niet verliezen.
Bent u het eens met de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen dat patiënten niet gebaat zijn bij openheid over prijzen van geneesmiddelen of bent u met mij van mening dat patiënten niet gebaat zijn bij een dergelijke uitspraak waarmee hen angst voor het minder beschikbaar en toegankelijk worden van geneesmiddelen wordt aangepraat?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat met een dergelijke uitspraak op zijn minst de suggestie wordt gewekt dat de netto prijzen dus niet gebaseerd zijn op werkelijke (ontwikkel)kosten maar alleen zijn gebaseerd op de maximaal mogelijke winstmarge? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al vaker heb aangegeven4 vormen de daadwerkelijk R&D kosten voor de industrie mijns inziens slechts één aspect bij de prijsvorming van nieuwe geneesmiddelen. Zeker bij nieuwe unieke geneesmiddelen zijn de prijzen mijns inziens veelal met name ingegeven door aannames van bedrijven over wat landen of samenlevingen bereid zijn te betalen, waarbij vaak gezondheid economische argumenten worden ingezet («value based pricing»).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Geneesmiddelenbeleid van 6 juni a.s?
Dat is mij helaas niet gelukt, maar ik heb deze vragen wel zo snel mogelijk beantwoord.
De motivering van automatisch genomen besluiten |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «motivering van automatisch genomen besluiten» van Matthijs van Kempen?1
Ja, ik heb van het artikel kennisgenomen.
Wat vindt u van de bevindingen van Van Kempen dat de algoritmes die u in uw brief2 aanhaalt vaak helemaal geen één-op-één vertalingen zijn van wetgeving en beleidsregels, maar dat regelanalisten een ordening aanbrengen en andere ontwerpkeuzes maken die van invloed zijn op de uitkomst van een besluitvormingstraject? Deelt u het standpunt van Van Kempen dat de ordening die een regelanalist in beslisregels maakt, een «gemaakte keuze» is die conform de verscherpte motiveringseisen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gepubliceerd dient te worden? Zo nee, waarom niet? Hoe valt uw zienswijze dat algoritmen veelal een één-op-één vertaling van de regels in wet- en regelgeving zijn te rijmen met het standpunt van de Afdeling advisering van de Raad van State dat «regels in natuurlijke taal lang niet altijd één-op-één kunnen worden vertaald in een algoritme»?3
In mijn brief4 heb ik erop gewezen dat algoritmes in de vorm van eenvoudige beslisbomen door de overheid al enige tientallen jaren worden gebruikt en dat het hierbij veelal om simpele algoritmes lijkt te gaan die een één-op-één vertaling vormen van wetgeving en beleidsregels, die gepubliceerd zijn. Daarbij kan het gaan om algoritmes die de Belastingdienst gebruikt in haar digitale aangifteprogramma’s voor bijvoorbeeld de inkomstenbelasting of de Dienst Justis bij het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.5 Dat het veelal om dergelijke simpele algoritmes lijkt te gaan, is geen vastgesteld feit, maar een veronderstelling. Voor zover het algoritmes betreft die geen één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels zijn, maar nadere keuzes en aannames bevatten die van invloed zijn op (deels) geautomatiseerde besluitvorming, deel ik het standpunt van Van Kempen dat het om keuzes gaat die conform de verscherpte motiveringseisen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State «volledig, tijdig en adequaat» ter beschikking moeten worden gesteld. Daar zal elke individuele overheidsorganisatie rekening mee moeten houden.
Als het echter om algoritmes gaat die een één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen en ordening door een regelanalist daaraan niets toevoegt, zou openbaarmaking van de beslisregels van het algoritme, zoals ik ook in mijn brief heb verwoord, weinig tot niets aan de gewenste transparantie toevoegen. Het besluit kan dan worden gemotiveerd met een verwijzing naar de desbetreffende wetgeving en beleidsregels, zoals gebeurt bij een snelheidsboete met vermelding van de gemeten snelheid en een verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit de verkeerswetgeving en beleidsregels waaruit de snelheidsboete en de hoogte daarvan één op één voortvloeien. Openbaarmaking van de beslisregels die het CJIB in het volautomatische proces rond de oplegging van snelheidsboetes hanteert, zou hieraan weinig toevoegen.
Deelt u de mening dat het van belang is voor de informatiepositie van burgers dat zij weet kunnen hebben van de verbanden tussen beslisregels onderling en tussen beslisregels en gegevens en uitkomsten, omdat dan duidelijk wordt welke gegevens in een beslisregel zijn gebruikt en tot welke uitkomst dit heeft geleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik, voor zover het om algoritmes gaat waarbij nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen.
Op welke wijze is uw standpunt dat openbaarmaking van beslisregels niets toevoegen aan transparantie in lijn met de bevindingen van de afdeling Advisering van de Raad van State dat het voor burgers van belang is om na te gaan welke beslisregels zijn toegepast en of beslisregels ook werkelijk doen waarvoor ze bedoeld zijn? Wat staat aan onmiddellijke openbaarmaking van beslisregels in de weg, zoals door Van Kempen beschreven, in geheel automatisch genomen besluiten met een individuele burger als belanghebbende?
Uit de antwoorden op de voorgaande vragen blijkt dat ik openbaarmaking van beslisregels niets aan transparantie vind toevoegen, als deze een één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen. Openbaarmaking is wel op haar plaats, als nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen. Ik acht dat standpunt in lijn met de bevindingen van de afdeling Advisering van de Raad van State dat het voor burgers van belang is om na te gaan welke beslisregels zijn toegepast. Dat belang is echter afwezig, als burgers de beslissing al uit wetgeving of beleidsregels kunnen afleiden. Dat beslisregels ook werkelijk doen waarvoor ze bedoeld zijn, is vooral een kwestie die controle vergt, bijvoorbeeld door auditing.
Aan onmiddellijke openbaarmaking van beslisregels die één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen, staat in de weg dat dit onnodig uitvoeringslasten meebrengt. Het besluit is dan immers direct uit die wetgeving en eventueel beleidsregels af te leiden, zodat de motivering van het besluit daarop kan worden gebaseerd.
Deelt u de mening dat het beter motiveren van (deels) geautomatiseerde besluitvorming kansen biedt om herzieningen, bezwaar en beroep effectiever te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, vooral met het oog op beslisregels waarbij nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Bescherming persoonsgegevens op 13 juni 2019?
Ja.
Het artikel ‘Kan ik meer verdienen met hetzelfde werk in het PO?’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kan ik meer verdienen met hetzelfde werk in het PO»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel dat gepubliceerd is in het ledenblad van de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO).
Deelt u de mening dat leerlingen gebaat zijn bij een docententeam op school met vaste aanstellingen en zo min mogelijk wisselingen gedurende een schooljaar?
In algemene zin deel ik de mening dat leerlingen gebaat zijn bij een stabiele invulling van de lessen.
Hoeveel van het totaal aantal vakleerkrachten lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs hebben geen vaste aanstelling op de school waar ze werken, maar werken voor een organisatie zoals bijvoorbeeld de gemeente, een sportservicebureau of een uitzendbureau? Kunt u dit uitsplitsen per organisatie?
Met de informatie die mij bekend is, is het niet mogelijk om algemene uitspraken te doen over de verdeling van de verschillende typen aanstellingen die scholen aangaan met hun leerkrachten. Ook is niet bekend hoeveel leerkrachten exact in dienst zijn bij een sportservicebureau, de gemeente of een uitzendbureau.
Wel is gebleken uit de monitor van de Brede Regeling Combinatiefunctionarissen2 (voorheen Brede Impuls Combinatiefunctionarissen) dat 29 procent van de bijna 3000 formatieplaatsen van combinatiefunctionarissen / buurtsportcoaches in 2018 (deels) werkzaam was in het primair onderwijs. Van de totale groep combinatiefunctionarissen / buurtsportcoaches is bekend bij wie het formele werkgeverschap ligt. De meest voorkomende werkgevers zijn de door de gemeente gesubsidieerde organisaties voor sport (19 procent) en de welzijnsorganisaties (16 procent), gevolgd door gemeenten (11 procent). Vier procent is in dienst bij een commerciële sportorganisatie. Om het werkgeverschap beter in beeld te brengen zal in de monitor brede impuls combinatiefuncties over 2019 ook in kaart worden gebracht onder welke cao de sportfunctionarissen werkzaam zijn.
Klopt het dat juist de aanstelling bij een sportservicebureau ervoor zorgt dat docenten lichamelijke opvoeding minder verdienen dan wanneer ze in dienst zijn bij een school[bestuur]?
In artikel 3:23 van de cao PO en in artikel 8 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs is vastgelegd dat wanneer een ingehuurde werknemer hetzelfde werk doet, deze ook recht heeft op hetzelfde loon, arbeidsvoorwaarden en overige vergoedingen. Pas wanneer het takenpakket dusdanig verschilt van een vakleerkracht is een andere beloning gerechtvaardigd.
Mij zijn geen gegevens bekend op landelijk niveau over de verdiensten van vakleerkrachten die in dienst zijn bij een sportservicebureau.
Klopt het ook dat juist deze groep docenten meer dan gemiddeld gedurende het schooljaar van school verandert, waardoor leerlingen vaker een nieuw gezicht voor de klas zien?
Ik heb hier geen informatie over.
Wat is de reden dat schoolbesturen de vakleerkrachten lichamelijke opvoeding geen vaste aanstelling aanbieden en de voorkeur lijken te hebben voor inhuurconstructies?
Met de informatie die mij bekend is, is het niet mogelijk om algemene uitspraken te doen over de voorkeuren van schoolbesturen. Dit zal afhangen van het beleid en de omstandigheden van de school, waaronder de lokale beschikbaarheid van (vak)leerkrachten.
Klopt het dat een school uiteindelijk duurder uit is als een vakleerkracht lichamelijke opvoeding via een inhuurconstructie ingehuurd wordt, terwijl de vakleerkracht minder verdient? Bij wie komt het verschil tussen salaris en werkelijke inhuurkosten terecht? Kunt u aangeven om welke bedragen dit gaat? Hoeveel winst maken sportservicebureaus met deze verhuurconstructie?
Over de tariefstelling bij inhuurconstructies tegenover vaste aanstellingen zijn geen algemene uitspraken te doen, dat hangt af van specifieke omstandigheden.
Het verschil tussen het uitgekeerde salaris en de inhuurkosten voor scholen zal terechtkomen bij de organisatie die de verantwoordelijkheid en het formele werkgeverschap draagt. Over de bedragen waar het hier om gaat, zijn mij evenmin gegevens bekend, en hetzelfde geldt voor de eventuele winst die sportservicebureaus zouden kunnen maken. Tegenover de mogelijke winst staan overigens financiële risico’s, bijvoorbeeld van eventuele verzuimkosten, die een formele werkgever draagt. In de regel kan gesteld worden dat dergelijke bureaus vaak organisaties zijn zonder winstoogmerk.
Kunt u in overleg treden met de PO Raad om uw bezorgdheid te uiten over het grote aantal vakleerkrachten lichamelijke opvoeding dat onnodig ingehuurd wordt in plaats van een vaste aanstelling te krijgen en daarbij aangeven dat een sterke docententeam baat heeft bij vaste aanstellingen, waardoor docenten zich ook meer verbonden aan en betrokken bij school voelen?
Ik ben in overleg met de PO-Raad en de KVLO om dit onderwerp onder de aandacht van hun leden te brengen.
Het bericht ‘Bijkleuren van tonijn brengt risico voor de volksgezondheid met zich mee’ en de uitzending van het televisieprogramma Kassa |
|
Arno Rutte (VVD), Helma Lodders (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bijkleuren van tonijn brengt risico voor de volksgezondheid met zich mee»?1
Ja.
Bent u bekend met de inhoud van het televisieprogramma Kassa van 25 mei 2091?2
Ja.
Is het bijkleuren van geelvintonijn in Nederland verboden? Zo ja, op basis van welke regelgeving is dit verboden?
Bijkleuren van levensmiddelen kan middels kleurstoffen (additieven) of middels kleurende levensmiddelen. In zijn algemeenheid geldt dat indien tonijn wordt bijgekleurd om bederf te maskeren, er sprake is van risico’s voor de gezondheid en misleiding of zelfs fraude. Dit is verboden op basis van algemene levensmiddelenwetgeving met betrekking tot voedselveiligheid en de voedselinformatiewetgeving. Daarnaast is het bijkleuren van tonijn ook verboden op basis van specifieke EU wetgeving, richtsnoeren en «statements» van de Europese Commissie en de lidstaten.
Volgens Europese wetgeving over additieven, Verordening (EG) Nr. 1333/2008, is het toevoegen van kleurstoffen aan verse tonijn verboden. Als vervanging van kleurstoffen worden soms kleurende levensmiddelen gebruikt (bijvoorbeeld bietenconcentraat), waarvoor geen specifieke wetgeving is opgesteld. Wel is door de Europese Commissie een richtsnoer opgesteld. In dit richtsnoer wordt het onderscheid tussen kleurstoffen en kleurende levensmiddelen uitgelegd. Daarnaast wordt expliciet aangegeven dat het gebruik van kleurende levensmiddelen de consument niet mag misleiden. Omdat verse tonijn niet met kleurstoffen bijgekleurd mogen worden, wordt het bijkleuren van verse tonijn met kleurende levensmiddelen gezien als misleiding.
Ook door behandeling met koolmonoxide (CO) kan de kleur van tonijn worden beïnvloed. Het toevoegen van CO aan tonijn is niet toegestaan, omdat dit wordt gezien als niet-toegestaan additief gebruik. Ook het behandelen van verse tonijn door het proces «light smoking/licht roken» is niet toegestaan. Deze behandeling van verse tonijn is geen vorm van roken. Conform artikel 8 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen mag alleen met «echte» rook, verkregen uit hout of houtachtige gewassen, gerookt worden, waarbij het levensmiddel de kenmerkende kleur- geur-, en smaakeffecten van het rookproces heeft gekregen. Een behandeling met koolmonoxide voldoet hier niet aan. Bovendien zou er na het roken geen sprake meer zijn van verse tonijn maar van gerookte tonijn.
Ook het toevoegen van groente-extracten aan tonijn, met de bedoeling om een technologische functie in de tonijn te vervullen (bijvoorbeeld conservering vanwege het aanwezige nitraat en nitriet), is niet toegestaan. Dergelijke groente-extracten worden feitelijk gebruikt als additief (in dit geval als vervanger van nitraat/nitriet en/of kleurstoffen), maar voldoen niet aan de zuiverheidseisen en specificaties van de toegelaten additieven. Bovendien zijn de additieven die ze vervangen (nitraat/nitriet en/of kleurstoffen) niet toegestaan in verse tonijn. Feitelijk worden dus niet toegelaten additieven gebruikt. Deze interpretatie is vastgelegd in een «statement» van het Permanent Comité voor de voedsel- en diervoederketen van de Europese Commissie. Dit is geen wetgeving, maar een gezamenlijke verklaring van de lidstaten hoe de wetgeving dient te worden geïnterpreteerd.
Een dergelijk «statement» is ook opgesteld over het gebruik van anti-oxidanten, waarin is aangegeven hoeveel anti-oxidant maximaal nodig is om de functie als anti-oxidant goed te kunnen vervullen. Als meer dan deze hoeveelheid wordt toegevoegd, dan wordt dat gezien als overmatig gebruik dat niet is toegelaten. Het gebruik van het anti-oxidant is dan bedoeld om conserveermiddelen te vermijden en toch de houdbaarheid te verlengen en de tonijn verser te doen lijken dan hij is.
Deelt u de zorgen van voedingsmiddelenexperts, visserijbiologen en visimporteurs met betrekking tot het bijkleuren van geelvintonijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de zorgen van de voedingsmiddelenexperts, visserijbiologen en visimporteurs met betrekking tot het bijkleuren van geelvintonijn.
Hoe kunnen de additieven die de tonijn bijkleuren worden herkend of opgespoord door inkopers en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Bedrijven zijn er zelf verantwoordelijk voor dat levensmiddelen die zijn verhandelen voldoen aan de wettelijke eisen. Bedrijven moeten de mogelijke voedselveiligheidsrisico’s erkennen en opnemen in hun HACCP plan. Ook moeten ze zorgen dat ze die risico’s beheersen. Het risico op het bijkleuren van tonijn is een bekend risico, en inkopers moeten hier dus rekening mee houden in hun voedselveiligheidsplan. Tonijn die bestemd is voor inblikken maar verkocht wordt als verse tonijn (wat overigens verboden is), of tonijn die bedorven is of van inferieure kwaliteit, en die is bijgekleurd om dit te maskeren, wordt vaak voor een lagere prijs verkocht. Inkopers dienen hier scherp op te zijn, en niet te gaan voor de laagste prijs maar voor kwaliteit. Verder kunnen inkopers eisen stellen aan datgene wat zij inkopen, navraag doen bij leveranciers over hoe zij de tonijn behandelen, werken met vaste en betrouwbare leveranciers, audits uitvoeren bij leveranciers, et cetera. Ook monsterneming en analyse is een manier om controles uit te voeren.
De NVWA voert controles uit op de naleving van de additievenwetgeving door middel van inspecties. De inspecteur kijkt naar de receptuur, de specificaties van de ingrediënten en het etiket. Op basis hiervan wordt vastgesteld of de toegevoegde additieven wettelijk zijn toegestaan, en of ze juist worden geëtiketteerd. Indien nodig wordt het bedrijf verzocht informatie na te vragen bij haar leveranciers, of voert de NVWA zelf een inspectie uit bij leveranciers. Ook neemt de NVWA monsters van tonijn in de markt, en analyseert op verschillende parameters, waaronder histamine.
Controleert de NVWA op additieven die tonijn kunnen bijkleuren?
De NVWA is al een aantal jaren bezig met inspecties gericht op additieven. Per jaar wordt een andere doelgroep gekozen voor de inspecties. Dit najaar zal de NVWA bij visverwerkende bedrijven gaan controleren of de additieven wetgeving wordt nageleefd, volgens de werkwijze die bij vraag 5 beschreven is. Hoewel de inspecties zich richten op verschillende vissoorten en verschillende bedrijven, zal er speciale aandacht zijn voor bedrijven die tonijn verhandelen.
Ook zal de NVWA doorgaan met monsters nemen en analyseren op histamine, CO, nitraten en nitrieten.
Daarnaast is de NVWA bezig met het maken van een webdossier met uitleg over de additievenwetgeving. Dit dossier bevat informatie en uitleg over de additievenwetgeving, en uitleg van bepaalde standpunten van de NVWA. Er zal ook aandacht zijn voor het bijkleuren van levensmiddelen met kleurende ingrediënten, in het bijzonder tonijn. Bedrijven kunnen de informatie gebruiken om te zorgen dat zij de wet naleven. In het webdossier wordt aangegeven dat het bijkleuren van tonijn niet is toegestaan. Het webdossier wordt in juni 2019 gepubliceerd op de website van de NVWA.
De NVWA zal het webdossier toelichten in diverse bijeenkomsten met stakeholders.
Kan er goed onderscheid gemaakt worden tussen conserveringsmethodes of bijkleuren om kleur te versterken/behouden?
Ja, over het algemeen kan dat. Dit neemt niet weg dat er altijd «grijze gebieden» zijn waar de lidstaten in de EU verschillend mee om kunnen gaan. In vergaderingen van de werkgroep additieven in Brussel heeft dit onderwerp de aandacht en wordt gewerkt aan verdere verduidelijking van de voorwaarden/hoeveelheden van het gebruik van additieven in tonijn.
Tot welke ziektes kan de stof histamine (die in bedorven tonijn te vinden is) leiden?
Histamine kan verschijnselen geven zoals misselijkheid, braken, darmkrampen, diarree, hartkloppingen, verhitte rode huid en hoofdpijn.
Zijn er gevallen bekend in Nederland waarbij de inname van histamine tot de dood heeft geleid? Zo ja, in hoeveel gevallen was hier sprake van en kunt u een overzicht hiervan voor de afgelopen vijf jaar verstrekken?
Er zijn mij geen histamine vergiftigingen met dodelijke afloop bekend. Voor de afgelopen vijf jaar rapporteert het RIVM op basis van gegevens van NVWA en GGD 1 uitbraak in 2015, 3 uitbraken in 2016 en 2 uitbraken in 2017. Daarbij zijn respectievelijk 2, 31 en 9 mensen ziek geworden.
Klopt het dat de NVWA jaarlijks onderzoek doet naar het histaminegehalte in tonijn? Zo ja, wanneer worden de resultaten over het jaar 2018 verwacht en welke onderzoeksvragen worden bij dit onderzoek gebruikt?
Ja, dat klopt.
In 2018 is naar aanleiding van de problematiek over het kleuren van tonijn en niet correct gebruik van additieven een specifiek project ondernomen waarin 78 monsters zijn onderzocht op histamine, CO en nitraat/nitriet.
De resultaten van dit onderzoek zijn:
In 2 monsters is een te hoog gehalte aan histamine gevonden, in 6 monsters is CO geconstateerd, in geen van de monsters is nitraat/nitriet gevonden.
Naast dit specifiek project zijn in 2017 middels een aselecte steekproef 48 monsters tonijn (vers en diepvries) onderzocht op histamine, waarbij in 3 monsters een overschrijding van het procescriterium is geconstateerd.
In 2018 zijn middels een aselecte steekproef 20 monsters tonijn (vers, bevroren of blik) onderzocht op histamine, er zijn geen overschrijdingen van het procescriterium geconstateerd.
Klopt het dat in de laatste jaren minder wordt gecontroleerd op tonijn en het gehalte histamine in dit product? Zo ja, wat is hier de reden voor?
Dit beeld herken ik niet. Er is juist meer aandacht voor het probleem van bijkleuren in tonijn, in Nederland maar ook in de EU. Al sinds 2016 is er in de EU aandacht voor en in 2018 is er in de EU een gecoördineerde actie geweest over fraude met tonijn. Op de website van het Europese Food Fraud Network (https://ec.europa.eu/food/safety/food-fraud/coord-act_en) kunt u meer informatie vinden hierover in de vorm van rapportgages, infographics, question & answers en video’s.
Is het wat u betreft nodig om extra te controleren op de kwaliteit van tonijn naar aanleiding van de recent geuite zorgen?
Er is de afgelopen jaren al meer aandacht geweest en het is van belang dat we dit continueren.
Zijn er Europese regels om ervoor te zorgen dat de controle en handhaving binnen Europa op eenduidige manier verloopt?
De handhaving van Europese wetgeving is de competentie van de lidstaten. Afhankelijk van het consumptiepatroon, de marktsituatie en de nationale belangen in een bepaalde lidstaat, kunnen lidstaten verschillende prioriteiten stellen in het toezicht en handhaving. Van belang is wel dat de interpretatie van de wetgeving eenduidig is in alle lidstaten. De Europese Commissie en de lidstaten werken hier continu aan. Ook Nederland spant zich hiervoor in.
De Europese Commissie controleert via audits op verschillende onderwerpen of de lidstaten de wetgeving handhaven en of zij de wettelijke eisen juist interpreteren. Verslagen van deze auditmissies zijn openbaar en worden gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.
Het bericht ‘Zonnepanelen in Den Haag blijken stoorzender en moeten uit tijdens bezoek Ivanka Trump’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zonnepanelen in Den Haag blijken stoorzender en moeten uit tijdens bezoek Ivanka Trump»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat eigenaren van zonnepanelen, in dit geval nota bene een coöperatie van omwonenden, buiten hun schuld om gedupeerd worden en dat dit de energietransitie tegenwerkt?
Het is van belang dat zonne-energie systemen voldoen aan de gestelde regelgeving en op de juiste wijze geïnstalleerd worden om storingen aan elektrische apparatuur in de omgeving te voorkomen. Het is primair een zaak van producenten en installateurs om hier zorg voor te dragen, zodat eigenaren ervan op aan kunnen dat hun systemen in orde zijn en daarmee bijdragen aan de energietransitie.
Waarom moeten de zonnepanelen drie weken uit worden geschakeld terwijl het evenement slechts drie dagen duurt?
Om in dit geval een adequaat bereik van C2000 ter plaatse te kunnen hebben, is het netwerk aangepast met een extra richtantenne. Deze antenne stond gericht op het dak van het Worldforum en daardoor ook op de zonnepaneelinstallatie. Een dergelijke lokale aanpassing van het C2000-netwerk is vrij ingrijpend, vergt technische aanpassingen in het netwerk en moet goed getest kunnen worden. Ook het afschakelen van deze aanpassing moet zorgvuldig gebeuren om verstoringen in het C2000-netwerk te voorkomen. De opbouw en de afbouw van de extra antenne vergt daarbij de nodige technische hulpmiddelen en inzet van gespecialiseerd personeel. Om geen risico’s te lopen met betrekking tot onderbrekingen in het reguliere C2000-netwerk in Den Haag is daarom een zorgvuldige planning en uitvoering met fallback-mogelijkheden gehanteerd.
Wie zal de misgelopen inkomsten betalen aan de energiecoöperatie? Kunt u er zorg voor dragen dat de eigenaren van de zonnepanelen op een nette wijze worden gecompenseerd?
In het algemeen is de vergoeding van de schade die wordt veroorzaakt door het buitenwerking stellen van een installatie die niet aan de wettelijke vereisten voldoet een zaak tussen de fabrikant, de installateur en de eigenaar. In dit specifieke geval heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verantwoordelijk voor de organisatie van de Global Entrepreneurship Summit, besloten de energiecoöperatie uit coulance te compenseren voor de mogelijk gederfde inkomsten. Dit omdat men de omwonenden zo min mogelijk gevolgen wilde laten ondervinden van de ondernemerstop.
Klopt het dat onvoldoende kennis van installateurs de oorzaak is van mogelijke storingen, zoals Brancheorganisatie HollandSolar aangeeft? Zo ja, kunt u er zorg voor dragen dat de juiste kennis over de installatie van zonnepanelen wordt verspreid onder installateurs? Mocht u niet met zekerheid weten wat de oorzaak van de storingen is, kunt u dit dan laten onderzoeken?
Agentschap Telecom is in 2019 een dialoog gestart met de zonne-energie branche met als doel het creëren van bewustzijn en het delen van kennis over de onderliggende oorzaken van deze storing. Daarnaast hebben zij tips 2 voor een storingsvrije zonne-energie-installatie breed onder de aandacht gebracht. Naast uitrusting die niet aan de gestelde eisen voldoet is onvoldoende kennis over de installatie van zonnepanelen één van de oorzaken van storingen. Certificering van apparatuur en installatie kan bijdragen aan het voorkomen van storingen. De eisen voor (vrijwillige) certificaten zoals het certificaat «Zonnekeur» vallen onder de verantwoordelijkheid van de sector. Het is daarom primair aan de sector om te bezien of deze casus aanleiding geeft om betreffende certificaten aan te scherpen. Agentschap Telecom ondersteunt dit proces daar waar mogelijk.
Het bericht ‘Onduidelijkheid over blokkeermoslims’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onduidelijkheid over blokkeermoslims»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het recht van demonstratie geldt voor iedereen en als blijkt dat dit door geweld wordt opgeschort, zowel politie als openbaar ministerie (OM) hier keihard tegen op moeten treden teneinde een duidelijk signaal af te geven dat Nederland een vrij land is waar iedereen mag demonstreren? Zo nee, waarom staat u aan de kant van de blokkeermoslims?
Het recht tot vergaderen en betogen is een erkend en belangrijk recht neergelegd in de Grondwet. Dit recht is nader uitgewerkt in de Wet openbare manifestaties. De burgemeester is belast met het handhaven van de openbare orde en de uitvoering van de Wet openbare manifestaties. Het belang om een demonstratie in goede orde te laten verlopen blijkt tevens uit artikel 143 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het verstoren van een demonstratie expliciet strafbaar is gesteld. Indien er sprake is van strafbare feiten dan kan het Openbaar ministerie (OM) overgaan tot vervolging van die strafbare feiten.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de voortvarendheid waarmee het OM aan het werk is gegaan teneinde de Blokkeerfriezen te vervolgen in schril contrast staat met het slappe optreden van het OM tegen dit Turkengeweld?
Er is sprake van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Lopende dit onderzoek kan ik geen uitlatingen doen over deze strafzaak.
Ik merk daarbij op dat de vraagstelling lijkt te veronderstellen dat het OM een onderscheid maakt tussen verschillende groepen (anti-)demonstranten. Dat is niet het geval.
Bent u bereid het OM, waar u als Minister verantwoordelijkheid voor bent, te instrueren de betreffende blokkeermoslims stuk voor stuk op te sporen, te vervolgen en keihard te straffen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Afwegingen in individuele zaken omtrent opsporing, vervolging en bestraffing zijn aan het OM en de rechter.
Kunt u garanderen dat vanaf nu het Nederlandse recht op demonstratie nooit en te nimmer meer aangetast zal worden door stenengooiende islamitische hordes? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde in zijn gemeente en verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet openbare manifestaties. Daarmee heeft de burgemeester de taak om demonstraties -ongeacht de inhoud daarvan – doorgang te laten vinden en in goede banen te leiden. Burgemeesters kunnen een demonstratie verbieden of beëindigen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De burgemeester beschikt – teneinde een demonstratie doorgang te laten vinden- over de onder zijn gezag staande politie. De burgemeester maakt met de politie afspraken over het borgen van een goede doorgang van demonstraties.
Ongewenste post |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Geadresseerde reclamepost ongewenst, irritant en milieubelastend»1 en herinnert u zich uw antwoorden op de vragen van het lid Moorlag (PvdA)2?
Ja.
Deelt u de mening dat het artikel een duidelijk signaal geeft van de ervaren overlast van ongewenste post? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het artikel laat zien dat veel ondervraagden niet positief staan tegenover ongevraagde reclamepost. Aan de andere kant heeft, afhankelijk het soort post, slechts 16% of minder van de geënquêteerden geprobeerd om zich hiervoor af te melden.
Consumenten hebben door de «Nee-Nee»-sticker of de «Nee-Ja»-sticker, door zich in te schrijven bij Postfilter.nl of door een brief te sturen aan de organisatie waarvan zij klant waren, drie eenvoudige mogelijkheden om zich te vrijwaren van ongewenst drukwerk. Als bedrijven zich niet hieraan houden, kan de consument een klacht indienen bij de Reclame Code Commissie en bij Consuwijzer, het consumentenloket van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Het huidige systeem is wat mij betreft op dit moment het effectiefst in het bereiken van een evenwicht tussen (1) het belang van bedrijven, goede doelen en (maatschappelijke) organisaties om consumenten schriftelijk te kunnen benaderen, (2) eenvoudige mogelijkheden voor consumenten om zich van ongewenste post te vrijwaren en (3) efficiënt en effectief toezicht op de regels.
Waarom zouden consumenten die overlast ervaren van ongewenst drukwerk zelf de moeite moeten doen om via Postfilter.nl af te komen van die post dan wel een brief moeten sturen naar de organisatie waar zij klant van waren? Zijn er naar uw oordeel effectievere methodes om ongewenste post te weren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke zijn dat naar uw oordeel?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gezien het feit een overgroot deel van de consumenten geen ongewenste post meer wil ontvangen, dat de normale gang van zaken zou moeten zijn dat zij alleen op eigen verzoek, of met verleende instemming, post van bijvoorbeeld loterijen of organisaties waar zij klant van waren mogen ontvangen en dat het afmelden daarvoor niet nodig zou moeten zijn? Zo ja, welke gevolgen gaat u hier concreet aan verbinden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat post met als adres «aan de bewoners van dit pand» of gelijkaardige bewoordingen als ongeadresseerde post zou moeten worden gezien waarbij een «nee-ja» sticker ter wering afdoende zou moeten zijn? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Een aanzienlijk deel van de post geadresseerd «aan de bewoners van» (of vergelijkbare bewoordingen) betreft persoonlijke aanbiedingen aan klanten, zoals een boekje met aanbiedingen van een winkel waar de consument een klantenkaart heeft, of informatie op verzoek zoals een informatiebrochure voor een keuken. Daarnaast gaat het vaak om informatieve post, zoals van kabelaars (over onderhoud in de wijk), (lokale) overheden of bijvoorbeeld een mailing van Schiphol aan alle omwonenden.
Door post die is geadresseerd «aan de bewoners van» (of vergelijkbare bewoordingen) hetzelfde te behandelen als ongeadresseerde reclamepost, lopen consumenten mogelijk relevante informatie mis. Daarnaast vind ik het zowel uit oogpunt van administratieve lasten als de bescherming van persoonsgegevens niet wenselijk dat organisaties als hierboven genoemd genoodzaakt worden om voor het versturen van dergelijke, soms eenmalige mailings gegevensbestanden aan te leggen met de NAW-gegevens van alle ontvangers.
Deelt u tevens de mening dat het versturen van papieren post die mensen niet willen een aanslag op natuur en milieu oplevert en ook om die reden gestopt zou moeten worden, tenzij consumenten zelf instemming hebben verleend om post te (blijven) ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals gesteld in mijn antwoord op de vragen 2 en 3, kunnen consumenten zich eenvoudig vrijwaren van ongewenste post. Daarmee kunnen zij hun steentje bijdragen aan de bescherming van natuur en milieu. Voor bedrijven is het uit economisch oogpunt van belang dat zij geen post versturen aan consumenten die daarin niet geïnteresseerd zijn, of geen prijs stellen op reclamepost. Consumenten en bedrijven hebben daarmee de instrumenten in handen om de hoeveelheid papieren post tot een wenselijke hoeveelheid te beperken.
Ziet u naar aanleiding van dit onderzoek van de Consumentenbond aanleiding om uw eerdere standpunt ten aanzien van een opt-insysteem voor reclamepost te heroverwegen of tenminste in gesprek te gaan met de Consumentenbond, Postfilter.nl en andere belanghebbende organisaties over dit onderwerp? Zo ja, kunt u de Kamer hierover voor oktober van dit jaar daarover berichten? Zo nee, waarom nog steeds niet?
Telemarketing is al jaren één van de grootste veroorzakers van problemen, verwarring en irritatie onder consumenten en dat is de reden om daarvoor een opt-in systeem te introduceren. Zoals ik in mijn antwoord eerdere vragen van het lid Moorlag3 heb aangegeven, heb ik geen signalen gekregen dat de omvang van de problematiek van reclamepost vergelijkbaar is met telemarketing.
De Consumentenbond roept in het artikel het bedrijfsleven op om de overlast door ongewenste reclamepost zoveel mogelijk in te dammen. Daarnaast geeft de Consumentenbond heldere tips aan consumenten om zich voor dergelijke post af te melden. Ik ondersteun die lijn.
Stichting Postfilter heeft aangegeven graag met de Consumentenbond in gesprek te willen naar aanleiding van het artikel, om te bezien op welke manieren de overlast voor consumenten verder verkleind kan worden. Ik heb er vertrouwen in dat deze gesprekken resultaat zullen opleveren en zie op dit moment dan ook geen reden om mijn standpunt te heroverwegen.
Het misbruiken van subsidie voor duurzame energie voor het wegwerken van het mestoverschot |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Een aan alle kanten stinkende affaire» over de zwaar gesubsidieerde mestvergisters, die omgeven zijn door overlast en fraude?1
Ja.
Erkent u dat de miljoenensubsidies die de overheid geeft aan mestvergisters afkomstig zijn uit de subsidiepot voor duurzame energie (SDE+) en zouden moeten bijdragen aan een vergroot aandeel duurzame energieproductie en het behalen van klimaatdoelen?
Wat vindt u ervan dat de advocaat van de provincie Gelderland echter heeft gesteld dat de gigantische mestfabriek in Groenlo er niet komt voor duurzame energie, maar voor het wegwerken van het mestoverschot?
Wat vindt u van zijn uitspraak «Zelfs als er meer energie in gaat dan er uit komt, blijft het een goed project»?
Wat vindt u ervan dat, naast verschillende deskundigen, nu ook provincies openlijk uitspreken dat mestvergisters mogelijk een negatief effect hebben op de energietransitie?
Erkent u dat de mestvergisters vooral een uitweg bieden aan regiobestuurders om hun mestoverschot weg te werken, waardoor ze de veestapel niet hoeven in te krimpen? Erkent u daarmee dat mestvergisters een uitweg bieden om de intensieve veehouderij in stand te houden?
Deelt u de mening dat het misleidend is dat er miljoenensubsidies gaan naar mestvergisters onder het mom van duurzame energie, maar dat deze in feite vooral benut worden om de intensieve veehouderij in stand te houden? Zijn de SDE+-subsidies daarvoor bedoeld?
Deelt u de mening dat de miljoenensubsidies die naar mestvergisters gaan beter besteed kunnen worden aan werkelijke duurzame energiebronnen zoals wind- of zonne-energie?
Bent u bereid om de subsidie op mestvergisters te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de subsidies op bestaande mest(co)vergisters zal ik niet beëindigen.
Wel is vanaf 2019 co-vergisting (50% mest 50% co-producten) niet meer als aparte categorie opgenomen in de SDE+-regeling. Co-vergisters kunnen nu een aanvraag indienen onder de categorie allesvergisting.
Het bericht ‘Extra uitstoot door afscheid kernenergie’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Extra uitstoot door afscheid kernenergie»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Klopt het dat kernenergie de op een na grootste energiebron ter wereld is waarbij geen gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen?
Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) geeft inderdaad aan dat in 2018 kernenergie, na waterkracht, de op één na grootste energiebron ter wereld is, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen (zie onderstaande figuur).
Deelt u de waarschuwing van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) dat het afbouwen van kernenergie in veel landen kan leiden tot miljarden tonnen extra uitstoot van broeikasgassen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Wanneer kernenergie wordt afgebouwd en het afbouwen van deze energiebron niet wordt opgevangen door andere energiebronnen die geen CO2 uitstoten, dan wel door besparingen in energiegebruik van gelijke omvang zal de uitstoot van CO2 toenemen.
Welke andere schone, kostenefficiënte en constante energiebronnen naast kernenergie kunnen zorgen voor voldoende leveringszekerheid als kerncentrales worden gesloten?
De elektriciteitsvraag kan, naast kernenergie, op een aantal andere manieren worden ingevuld met CO2-vrije en regelbare elektriciteit, bijvoorbeeld met behulp van biomassa of hernieuwbare gassen zoals onder andere biogas, energie uit fossiele bronnen waarbij CO2 wordt afgevangen of met CO2-vrije waterstof. Andere schone en kostenefficiënte energiebronnen zijn windenergie, zonne-energie, geothermie met warmtewisselaars en waterkrachtcentrales. De eerste twee leveren niet constant en kunnen dus geen bijdrage leveren aan de leveringszekerheid wanneer het niet waait of de zon niet schijnt. Geothermie en waterkracht kunnen dat wel, mits bijvoorbeeld bij toepassen van waterkracht de stuwmeren voldoende op peil worden gehouden.
Kunt u aangeven waar en hoeveel kerncentrales de komende jaren wereldwijd gesloten worden?
Exacte aantallen zijn moeilijk te geven maar er kan wel een beeld van de verwachte afname van de totale mondiale nucleaire capaciteit worden geschetst. Volgens het nieuwe rapport Nuclear Power in a Clean Energy System van het IEA uit 2019 zouden tegen het jaar 2025 zonder beleidswijzigingen geavanceerde economieën 25% van hun nucleaire capaciteit kunnen verliezen en liefst 2/3 van de capaciteit tegen 2040 (zie onderstaande grafiek).
Kunt u aangeven waar en hoeveel kerncentrales er de komende jaren wereldwijd worden gebouwd en hoeveel kerncentrales de komende jaren in gebruik worden genomen?
Het IAEA meldt dat er nu 55 gebouwd worden en 81 gepland zijn (Nuclear Power Reactors in the World, 2019 Edition). Het IAEA beschouwt een reactor als gepland vanaf de datum waarop een bouwvergunningaanvraag bij de relevante nationale regelgevende instanties is ingediend tot de startdatum van de bouw.
Klopt de stelling dat het gemis van de te sluiten kerncentrales waarschijnlijk niet zomaar door windmolens en zonnepanelen kan worden opgevangen? Zo nee, wat betekent het opvangen door middel van windmolens en zonnepanelen voor de energieprijs?
Omdat energiebronnen zoals windmolens en zonnepanelen niet constant produceren, zijn opslagsystemen voor energie of is een grote overmaat aan opgesteld elektriciteitsproductievermogen nodig, of een combinatie daarvan. Bij opslagsystemen voor energie moet men denken aan waterkracht, batterijen, waterstof of synthetische brandstoffen om pieken, dag-nachtvariaties en seizoensgebonden variaties te kunnen opvangen.
Het opvangen van het sluiten van de kerncentrale in Borssele door middel van windmolens en zonnepanelen zal in Nederland echter een marginaal effect hebben op de energieprijs, omdat de kerncentrale maar voorziet in 3–4% van de totale elektriciteitsproductie in Nederland.
Internationaal ligt dat anders. Wat het opvangen door middel van windmolens en zonnepanelen voor de energieprijs betekent, zal afhangen van het aandeel dat kernenergie heeft. In een land als Frankrijk, waar de stroom momenteel goedkoop is door het grote aantal kerncentrales, zal de energieprijs ongetwijfeld stijgen.
Bent u het met het IEA eens dat de overgang naar duurzame energie veel makkelijker is als kernenergie voorlopig in gebruik blijft? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
De inzet van kernenergie leidt, net als zon- en windenergie, indirect tot CO2-reductie. Als kernenergie voorlopig in gebruik blijft, kan de overgang naar een duurzame energievoorziening plaatsvinden zonder dat de CO2 uitstoot gedurende die periode nationaal toeneemt.
De overgang naar een duurzame energieproductie wordt internationaal een grote opgave, als naast het vermogen van conventionele centrales, zoals voor gas of kolen, ook het vermogen van kernreactoren moet worden vervangen door andere duurzame productiemethoden. Scenariostudies voor Europa laten zien dat zonder kernenergie het opgestelde elektriciteitsproductievermogen moet verdubbelen. Dat betekent voor Europa dat in een nog hoger tempo energiebesparing en duurzame energieproductiesystemen moeten worden geïntroduceerd dan nu is voorzien.
De productie door een kerncentrale moet wel veilig blijven. De looptijd van de vergunning en andere overwegingen, zoals eventueel benodigde investeringen om langer veilig operationeel te blijven, kan de eigenaar (of vergunningverlener) doen besluiten de kerncentrale buiten gebruik te stellen.
Deelt u de mening dat andere constante energiebronnen dan kernenergie, zoals energie opgewekt uit kolencentrales en gascentrales, zorgen voor meer CO2-uitstoot dan kernenergie?
Als CO2 uit fossiele bronnen niet wordt afgevangen, zorgen zij inderdaad voor meer CO2 uitstoot dan kernenergie.
Welke mogelijkheden bestaan er in nationaal en internationaal verband om het in gebruik nemen van nieuwe kerncentrales te stimuleren?
Nationaal is het aan de markt om initiatieven te nemen om nieuwe kerncentrales te bouwen. Marktpartijen die aan alle randvoorwaarden voldoen kunnen in aanmerking komen voor een vergunning voor de bouw van een kerncentrale (zie hiervoor ook de «randvoorwaardenbrief», Kamerstuk 32 645, nr. 1).
In haar Nuclear Illustrative Programme (PINC, 2016) benoemt de Europese Commissie internationale mogelijkheden als het verbeteren van de samenwerking tussen regelgevers bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe reactoren en het bevorderen van standaardisatie van kernreactorontwerpen door de industrie. Naast kostenefficiëntie zou dit ertoe bijdragen dat nieuwe kerncentrales veiliger worden.
De kosten van een kernenergiecentrale worden vooral bepaald door de constructiekosten en kosten voor financiering. Volgens het Nuclear Illustrative Programme van de Europese Commissie uit 2016 kunnen de laatste kosten variëren tussen 8 en 80% van de constructiekosten afhankelijk van de bouwtijd. Volgens dat rapport kunnen samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en standaardisatie van kernreactoren het in gebruik nemen van nieuwe kerncentrales stimuleren, omdat daardoor mogelijk de tijd tussen vergunningaanvraag en exploitatie kan worden verkort en de kosten kunnen dalen.
Welke mogelijkheden ziet u voor kernenergie in Nederland in het kader van regelbaar vermogen tot zowel 2030 als daarna?
In het verleden zijn er locaties aangewezen waar mogelijk een nieuwe kerncentrale kan worden gevestigd. De markt kan daartoe initiatieven nemen.
Voor 2030 wordt er in Nederland naar verwachting geen nieuwe kerncentrale operationeel. De kerncentrale in Borssele heeft een vergunning tot 2034.
Het bericht ‘WhatsApp Rushes to Fix Security Flaw Exposed in Hacking of Lawyer’s Phone’. |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «WhatsApp Rushes to Fix Security Flaw Exposed in Hacking of Lawyer’s Phone?1
Ja.
Bent u bekend met de hacksoftware van NSO Group? Wat is uw mening over de wenselijkheid van het bestaan van een markt in hacktools die apparaten en software die gebruikt worden door honderden miljoenen mensen, onveilig houden door gevonden onbekende kwetsbaarheden niet te laten dichten, maar open te houden om te kunnen hacken?
Ik ben er mee bekend dat de NSO Group software produceert die kan worden gebruikt om geautomatiseerde werken binnen te dringen.
Het is onwenselijk dat apparaten of software die door miljoenen mensen worden gebruikt kwetsbaar zijn. De omvang en complexiteit van software voor maatschappelijk gebruik is fors toegenomen. Veel gebruikte applicaties hebben tegenwoordig tientallen miljoenen regels broncode. Kwetsbaarheden zijn daarom talloos en wijdverbreid.2 Het beleid van de regering is gericht op een open, vrij en veilig internet en daarmee op vermindering van het aantal onbekende kwetsbaarheden.3 Uitgangspunt is dat onbekende kwetsbaarheden aan de leverancier of fabrikant worden gemeld.4 De overheid stimuleert het melden van kwetsbaarheden, onder meer met het beleid voor responsible disclosure. Het is aan de producent om deze kwetsbaarheid te verhelpen door herstel van zijn software aan te bieden door een patch of update en het is vervolgens aan de gebruiker om zijn software te updaten.5
De verkoop van binnendringsoftware aan bepaalde partijen, waaronder regimes die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht, is onwenselijk. De regering wil bovendien de markt voor onbekende kwetsbaarheden niet bevorderen, dat zou negatieve gevolgen voor de veiligheid van het internet kunnen hebben.6 Nederland spant zich internationaal in om cybersurveillancegoederen in relatie tot mensenrechtenschendingen onder exportcontrole te brengen. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat wereldwijd hacksoftware, waaronder hacksoftware gemaakt door NSO Group, gebruikt wordt om dissidenten, journalisten en mensenrechtenactivisten af te luisteren? Wat is uw mening over deze ontwikkeling? Kunt u daarbij ook ingaan op het onderzoek van de Electronic Frontier Foundation en Citizen Lab over het gebruik van hacksoftware van NSO Group in Mexico?
Het onderzoek van de Electronic Frontier en Citizen lab schrijft over het gebruik van binnendringsoftware bij het schenden van de mensenrechten van mensenrechtenverdedigers en journalisten. Het kabinet wijst dergelijke schendingen af, ongeacht of hierbij gebruik wordt gemaakt van binnendringsoftware of niet.
Kunt u uitsluiten dat NSO Group hacksoftware verkoopt aan dubieuze regimes? Kunt u een lijst geven van landen waarvan u zeker weet dat zij hacksoftware hebben gekocht van NSO Group?
Ik heb geen inzicht in het klantenbestand van de NSO Group en kan dus geen uitspraken doen over het verkoopbeleid van de NSO Group.
Aan welke regelgeving omtrent de export van hacksoftware moeten Europese bedrijven die dergelijke software maken voldoen? Bent u van mening dat deze regelgeving voldoende is om misstanden te voorkomen, zoals het misbruik van hacksoftware om dissidenten, journalisten of mensenrechtenactivisten af te luisteren?
Bepaalde cybersurveillancegoederen en -technologieën staan ingevolge het potentiele gebruik in civiele of militaire toepassingen onder exportcontrole. Dit geldt ook voor goederen voor het maken en besturen van binnendringsoftware. Verder is de verkoop van technologie voor de ontwikkeling van «intrusion software», software die gebruik maakt van kwetsbaarheden, onderhevig aan exportcontrole op grond van afspraken in het Wassenaar Arrangement. Deze goederen zijn hierdoor opgenomen in de controlelijst van de Europese Dual-use verordening. Een bedrijf dat binnen de EU gevestigd is, is verplicht voor het exporteren van deze goederen en technologie buiten de EU een vergunning aan te vragen. Vergunningen kunnen worden afgewezen indien er zorgen bestaan ten aanzien van het eindgebruik in relatie tot mensenrechtenschendingen. Nederland spant zich internationaal in om aanvullend cybersurveillancegoederen in relatie tot mensenrechtenschendingen onder exportcontrole te brengen. In het Wassenaar Arrangement vergt dit consensus van alle deelnemende landen.
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse overheid geen hacksoftware zou moeten kopen die tevens gebruikt wordt door dubieuze regimes of voor het afluisteren van journalisten, dissidenten of mensenrechtenactivisten?
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik mij alleen uitlaten over de Nederlandse opsporing. Voor de opsporing van strafbare feiten zijn in het huidige Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» afspraken gemaakt voor de aanschaf van binnendringsoftware. Voor de uitvoering van de Wet Computercriminaliteit III komt 10 miljoen euro extra beschikbaar. Daarbij zal slechts in een specifieke zaak hacksoftware worden ingekocht door opsporingsdiensten. Leveranciers van dergelijke software worden gescreend door de AIVD en leveren niet aan dubieuze regimes. 7 Het gaat dan om landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht.8 Om deze reden voert de politie een toets uit voordat over wordt gegaan tot de aanschaf van binnendringsoftware. In deze toets wordt de leverancier gevraagd niet te hebben geleverd aan landen waartegen vanuit de EU of de VN restrictieve sancties bestaan en wordt gecontroleerd of in het land waar de leverancier is gevestigd een exportcontroleregime bestaat waar mensenrechten een onderdeel is in de beoordeling voor het verstrekken van een exportvergunning.
De impact van het eenzijdig aangescherpte wapenexportbeleid voor de concurrentiepositie van de Nederlandse defensie-industrie |
|
Wybren van Haga (VVD), André Bosman (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw besluit om de export van militaire goederen naar de Verenigde Arabische Emiraten, Egypte en Saoedi-Arabië aan te scherpen, herinneren?1 Kunt u zich tevens uw bewering herinneren dat geen sprake zou zijn van een eenzijdige aanscherping, aangezien ook Finland, Oostenrijk en Duitsland deze aanscherping zouden hebben toegepast?2
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Germany exporting weapons to Saudi Arabia and UAE»?3
Ja.
Bent u tevens bekend met het bericht «German parliament approves sale of 6 heavy frigates to Egypt»?4
Ja.
Hoe verhouden de berichten over de Duitse export van militaire goederen aan respectievelijk Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten zich tot uw bewering dat Duitsland dezelfde aanscherping zou hebben toegepast als Nederland? Klopt het dat Duitsland – anders dan Nederland, dat volgens de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een «presumption of denial» hanteert waarbij geen goederen worden geëxporteerd, tenzij onomstotelijk vaststaat dat ze niet worden ingezet in de strijd bij Jemen5 – geen «presumption of denial» hanteert en vergunningen pas weigert als deze (waarschijnlijk) zullen worden ingezet in het kader van de oorlog in Jemen?
Sinds oktober 2018 verstrekt Duitsland geen vergunningen voor de rechtstreekse uitvoer van Duits militair materieel naar Saoedi-Arabië. Duitsland hanteert daarmee een restrictiever beleid dan Nederland, aangezien Nederland geen volledige wapenexportstop heeft afgekondigd maar vergunningaanvragen op individueel niveau toetst aan de «presumption of denial». De Duitse wapenexportstop voor leveranties van Duitse bedrijven aan Saoedi-Arabië is op 28 maart 2019 met zes maanden verlengd, tot 30 september 2019 en geldt voor nieuwe en bestaande aanvragen, als ook voor producten waarvoor reeds een vergunning was verleend, maar die nog niet geëxporteerd zijn.
Voor producten uit gemeenschappelijke programma’s (met andere landen) en die Saoedi-Arabië of de Verenigde Arabische Emiraten als eindbestemming hebben, is vergunningverlening verlengd tot 31 december 2019. Het is daarbij de intentie van de Bondsregering dat samenwerkingspartners in die periode geen (definitief) afgemonteerde goederen aan deze twee landen uitvoeren en dat de betreffende producten uit gemeenschappelijke programma’s niet in de oorlog in Jemen tot inzet komen.6
Wat betreft rechtstreekse uitvoer van Duits materieel aan de Verenigde Arabische Emiraten geldt dat de toetsing van wapenexportaanvragen zeer restrictief is. Individuele aanvragen worden beoordeeld op de mogelijkheid of de betreffende goederen in de Jemen-oorlog tot inzet kunnen komen. De Duitse toetsing is daarmee restrictiever dan de reguliere toetsing aan de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport.
Kunt u beschrijven hoe het in november 2018 aan de Kamer medegedeelde besluit tot aanscherping van het beleid richting de drie eerder genoemde landen tot stand is gekomen? Kunt u daarbij in elk geval benoemen:
De aanscherping van het wapenexportbeleid ten aanzien van de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte berust op de constatering door de Group of Independent Eminent International and Regional Experts on Yemen (GoEE) dat de strijdkrachten van de genoemde landen in strijd met het humanitair oorlogsrecht handelen.
Bij het vormgeven van het aangescherpte beleid is met verschillende aspecten rekening gehouden. Zo is onder andere gekeken naar internationale verplichtingen inzake wapenexportbeleid (bijv. voortkomend uit het VN Wapenhandelverdrag en het EU Gemeenschappelijk Standpunt), gevolgen voor de diplomatieke en economische relaties met andere landen, economische gevolgen voor het bedrijfsleven en de verwachte impact op het conflict in Jemen.
Ten eerste is gekeken naar de internationale verplichtingen van Nederland. Nederland is – naast het EU Gemeenschappelijk Standpunt – ook gebonden aan het Wapenhandelverdrag. Dit verdrag schrijft onder andere voor dat lidstaten geen vergunning mogen afgeven wanneer de goederen gebruikt worden voor schendingen van humanitair oorlogsrecht of in aanvallen tegen burgerdoelen of burgers. De afgifte van vergunningen volgend op de constateringen van de GoEE lijkt daarmee moeilijk te verenigen met de verplichtingen uit het Wapenhandelverdrag.
Ten tweede is bij de totstandkoming van het aangescherpte beleid onderzocht in hoeverre andere EU-lidstaten vergelijkbare restricties hanteren. Zo is onder andere in de EU-verband een uitvraag gedaan hoe andere landen hun wapenexportbeleid richting landen die betrokken zijn in het Jemen-conflict vormgegeven. Daarbij heeft het kabinet geprobeerd andere landen ertoe te bewegen een vergelijkbaar restrictief beleid te hanteren als Nederland. De Minister-President riep daartoe op tijdens de Europese Raad van 18 oktober 2018 (conform motie-Van Ojik c.s. van 17 oktober 2018, Kamerstuk 21 501-20, nr. 1368) en zo ook de Minister van Buitenlandse Zaken in november 2018 tijdens een zitting van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (conform motie-Sjoerdsma van 14 november 2018, Kamerstuk 21 501-02, nr. 1924). Wapenexportcontrolebeleid is echter een nationale bevoegdheid. Landen maken hierin een eigen afweging. Beleid van EU-partners is dan ook wel meegewogen, maar niet doorslaggevend geweest in de besluitvorming over de aanscherping van het Nederlandse beleid.
Ten derde zijn tijdens het besluitvormingsproces de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven meegewogen. Daarbij is in het bijzonder gekeken naar reeds afgesloten contracten waarvoor levering door de aanscherping van het beleid niet kan plaatsvinden. Dit kan naast de directe verliezen van contractbreuk ook leiden tot reputatieschade voor Nederlandse bedrijven en het mislopen van toekomstige contracten. Het vooraf bepalen van die toekomstige impact is echter moeilijk. Naast het Nederlandse wapenexportcontrolebeleid spelen veel andere factoren een rol bij eventuele (gemiste) opdrachten voor het bedrijfsleven.
Ten slotte heeft het kabinet ook gekeken naar het effect van het aangescherpte beleid op de situatie ter plaatse. Nederland is verantwoordelijk voor een bescheiden deel van de totale exporten van militaire goederen naar de landen betrokken in het conflict. De Nederlandse beleidswijziging heeft daarmee individueel wellicht een beperkte impact. Met de aanscherping heeft het kabinet willen voorkomen dat uit Nederland afkomstige militaire goederen aan de genoemde schendingen bijdragen. Dat is een doel op zich. Daarnaast heeft Nederland met de beleidswijziging een signaal afgegeven dat schendingen van humanitair oorlogsrecht niet zonder consequenties blijven. Nederland had daarbij liever een gezamenlijke antwoord gezien vanuit de Europese Unie en zal zich daarvoor ook blijven inzetten.
Zijn de potentiële gevolgen van de beleidswijziging onderzocht door ambtenaren, of zijn er ook externen bij betrokken? Zo ja, welke?
Bij de beleidsaanscherping zijn geen externe partijen betrokken geweest.
Bent u bekend met het bericht «Saudi Arabia signs warship construction deal with France's Naval Group»?6
Ja.
Bent u tevens bekend met het bericht «Saudi Arabia in joint venture with Spain's Navantia to build navy vessels»?7
Ja.
Kunt u zich tot slot uw recente verwijzing naar de Tsjechische vergunningen voor voor de Verenigde Arabische Emiraten bestemde militaire goederen herinneren?8
Ja.
Toetsen de Franse, Spaanse, Tsjechische en Duitse regeringen wel of niet aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport?9 Bent u, indien dit volgens u nog wel het geval is, van mening dat deze regeringen verkeerd toetsen, of zelfs bijdragen aan mensenrechtenschendingen?
Alle EU-lidstaten zijn gehouden aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. De beoordeling van wapenexportvergunningaanvragen is een nationale bevoegdheid. EU-lidstaten beoordelen deze aan de hand van de informatie – waaronder bedrijfsvertrouwelijke informatie – waar zij op dat moment over beschikken. Het kabinet heeft geen inzage in deze gegevens en kan daardoor geen duidelijk oordeel vellen over de manier waarop bepaalde transacties door andere landen zijn getoetst.
Bovendien is Nederland voortdurend in overleg met andere EU-lidstaten over afgewezen vergunningaanvragen. Als EU-lidstaten een vergelijkbare aanvraag in behandeling hebben die eerder door Nederland is afgewezen, is die lidstaat verplicht om Nederland daarover te consulteren. Het kabinet grijpt dergelijke consultaties aan om afwijzingsgronden bij alle EU-partners te benadrukken. Nederland doet dit steevast zeer uitgebreid en transparant, en benadrukt in EU-verband het belang hiervan regelmatig. Op deze wijze draagt Nederland bij aan een zorgvuldige en consequente toepassing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Overigens is Nederland niet het enige land dat vergunningaanvragen richting de Verenigde Arabische Emiraten afwijst. In 2017 zijn er door alle EU-lidstaten in totaal 19 aanvragen richting de Verenigde Arabische Emiraten afgewezen. Drie daarvan waren van Nederland.
Deelt u de analyse dat er weliswaar sprake is van een EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport, maar geenszins sprake is van een gemeenschappelijke interpretatie, met als gevolg dat zowel het gemeenschappelijk standpunt als een gelijk speelveld worden uitgehold?
Wapenexportcontrole is een nationale bevoegdheid. EU-lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor de toetsing van wapenexportaanvragen aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Omdat toetsing aan de acht criteria berust op een risico-inschatting bestaat er inderdaad ruimte voor interpretatie. Dit komt het gelijke speelveld niet ten goede. Daarom blijft het kabinet onverminderd inzetten op verdere harmonisatie van het EU-beleid en een gezamenlijk speelveld. De insteek daarbij is dat de gezamenlijke lat omhoog wordt gebracht. Zo is bijvoorbeeld op Nederlands initiatief het EU consultatiemechanisme ingericht dat «undercutting» moet tegenaan. Als een EU-lidstaat een nagenoeg identieke aanvraag in behandeling heeft welke eerder door een andere lidstaat is afgewezen, moet de behandelende lidstaat de afwijzende lidstaat consulteren.
Verschillen ontstaan ook doordat landen vanuit nationale overwegingen aanvullende maatregelen – bovenop de acht EU-criteria – instellen. De aanscherping van het Nederlandse wapenexportcontrolebeleid ten aanzien van de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte is een voorbeeld van een dergelijke nationale maatregel bovenop de EU-criteria. Ook het restrictieve beleid van Duitsland, Finland en Zweden ten aanzien van de genoemde landen behoort tot deze categorie. Aangezien het een nationale maatregel betreft, zijn andere EU-lidstaten niet verplicht om deze aanscherping na te leven. Ook andere EU-lidstaten stellen regelmatig aanvullende nationale maatregelen in die leiden tot een restrictiever wapenexportcontrolebeleid bovenop de acht EU-criteria. Nederland is uiteraard niet gebonden aan restrictief nationaal beleid van andere EU-lidstaten.
Kunt u zich de volgende uitspraak herinneren: «Indien uiteenlopende zorgvuldigheid van de toepassing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport ertoe leidt dat de ene EU-lidstaat een vergunningaanvraag toekent welke eerder door een andere EU-lidstaat is afgewezen, heeft dat een negatieve uitwerking op het gelijke speelveld»?10 Zo ja, kan hieruit worden opgemaakt, dat indien Nederland vergunningaanvragen afwijst zonder de verplichting hiertoe vanuit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport, het Nederlandse beleid een negatieve uitwerking heeft op het gelijke speelveld?
Ja. Wanneer EU-lidstaten vanwege aanvullend nationaal exportcontrolebeleid restrictiever toetsen dan andere lidstaten, heeft dat een negatieve uitwerking op het gelijke speelveld. Dat geldt ook voor het restrictieve beleid dat een beperkt aantal lidstaten, waaronder Nederland, hanteert ten aanzien van Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte. Het kabinet acht dit onwenselijk en streeft daarom naar harmonisatie in EU-verband. De insteek is hierbij dat de gezamenlijke lat omhoog wordt gebracht. Verdere harmonisatie moet niet leiden tot een minder strikte toetsing, zoals ook werd benadrukt door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tijdens het VAO Wapenexport op 20 februari 2019.
Welke impact heeft de Nederlandse regering volgens u op de internationale vrede en veiligheid wanneer de Nederlandse defensie-industrie geen goederen kan exporteren naar landen als de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte, als andere EU-landen vervolgens wel een vergunning verlenen aan in hun land gevestigde producenten van militaire goederen?
Het kabinet heeft niet de illusie dat het eigenhandig alle uitvoer van militaire goederen naar onveilige gebieden kan tegenhouden. Wapenexportcontrole dient te voorkomen dat uit Nederland afkomstige militaire goederen afbreuk doen aan de internationale vrede en veiligheid. Wel probeert het kabinet met behulp van de aangescherpte wapenexportcontrole andere landen ertoe te bewegen om een vergelijkbaar restrictief beleid te hanteren als Nederland. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 5 riepen zowel de Minister-President (tijdens de Europese Raad van 18 oktober 2018) en de Minister van Buitenlandse Zaken (november 2018 tijdens een zitting van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties alsmede tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 18 maart 2019) daartoe op. Ook daarmee heeft het Nederlandse wapenexportbeleid ook een uitwerking op de internationale vrede en veiligheid.
Bent en blijft u voorstander van een alleingang van Nederland op het gebied van export van militaire goederen als andere Europese exporterende landen blijven exporteren naar de landen die onder het aangescherpte beleid vallen, en de enige impact een impact op de concurrentiepositie van de Nederlandse defensieindustrie is? Zo ja, wat gaat u hier aan doen met het oog op de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven?
Het kabinet wil voorkomen dat uit Nederland afkomstige militaire goederen op negatieve wijze bijdragen aan internationale vrede en veiligheid. Nederland neemt hierin zijn verantwoordelijkheid, ongeacht de houding die andere landen innemen. Het aangescherpte wapenexportcontrolebeleid ziet daarop toe en heeft daarmee een bredere impact dan op de Nederlandse defensie-industrie alleen. Bovendien is Nederland niet het enige land dat een restrictief beleid hanteert ten opzichte van de genoemde landen. Zo hebben bijvoorbeeld ook Duitsland en Finland aanvullende maatregelen afgekondigd. Van een alleingang is dan ook geen sprake. Dit neemt niet weg dat het kabinet de nadelige uitwerking van het aangescherpte wapenexportbeleid op de belangen van de Nederlandse defensie-industrie (h)erkent en de negatieve gevolgen die daaruit voortvloeien betreurt.
Tegelijkertijd spreekt het kabinet in zijn Defensie Industrie Strategie de ambitie uit om, bijvoorbeeld met behulp van ons diplomatieke netwerk, Nederlandse defensiebedrijven te helpen om zich te positioneren op díe markten waar we de export van hun producten mogelijk (d.w.z. een gerede kans op een wapenexportvergunning) èn politiek wenselijk achten.
Kunt u, desnoods in een bijlage, een overzicht verschaffen van alle lopende behoeftestellingen of orders vanuit de Verenigde Arabische Emiraten, Egypte en Saoedi-Arabië waar Europese bedrijven bij betrokken zijn, of – blijkens openbare bronnen – met het land in kwestie over in gesprek zijn?
Het kabinet beschikt niet over een dergelijk overzicht.
Klopt het dat Defensie op dit moment aanwezig is in de Verenigde Arabische Emiraten met een Forward Support Element, dat onder meer ondersteuning biedt aan beveiligingsteams van mariniers voor de antipiraterijmissie bij Somalië?11 Maakt Defensie nog anderszins gebruik van faciliteiten in de Verenigde Arabische Emiraten, bijvoorbeeld landingsfaciliteiten waar vliegtuigen van de Koninklijke Luchtmacht gebruik van maken? Zo ja, welke?
Ja, Defensie is in de Verenigde Arabische Emiraten aanwezig met een Forward Support Element dat onder meer ondersteuning biedt aan beveiligingsteams van mariniers voor de antipiraterijmissie. Daarnaast maakt Defensie gebruik van de Al-Minhad luchtmachtbasis in de Verenigde Arabische Emiraten en heeft hier landingsrechten.
Hoe heeft de regering van de Verenigde Arabische Emiraten gereageerd op het in november 2018 gecommuniceerde besluit, in het bijzonder gezien de relatie die Nederland en de Verenigde Arabische Emiraten onderhouden op defensiegebied?
De regering van de VAE heeft zich niet specifiek uitgelaten over dit besluit.
Op basis van welke overeenkomst is Defensie op dit moment aanwezig in de Verenigde Arabische Emiraten? Welke overeenkomst vormt hier de juridische basis voor? Kunt u toelichten tot welke datum deze overeenkomst loopt en welke verwachtingen u, gezien de beleidswijziging ten aanzien van de export van militaire goederen, hebt omtrent eventuele verlenging?
Defensie is aanwezig op basis van een met de Verenigde Arabische Emiraten afgesloten Memorandum of Understanding (MoU) voor operaties vanuit de Al-Minhad luchtmachtbasis. Dit MoU is gesloten op 20 november 2012 en tot op heden is het jaarlijks verlengd. Het huidige MoU loopt tot november dit jaar.
Klopt het, in aanvulling op eerdere vragen12, dat bedrijven voor wie de productie van defensiegerelateerde goederen een substantieel deel vormen van de primaire bedrijfsactiviteiten – lees: het grootste deel van de defensie-industrie – niet alleen worden uitgesloten van exportfinanciering via het Dutch Trade and Investment Fund, maar, blijkens de recente brief van de Minister over handelsmissies13, ook worden uitgesloten van deelname aan handelsmissies?
Tot voor kort klopte dat. In het licht van de nieuwe Defensie Industrie Strategie (DIS) zijn generieke handelsbevorderende instrumenten, zoals handelsmissies en het Partners In Business (PIB) programma, echter open gesteld voor ook díe bedrijven uit de defensie-gerelateerde sector, waarvan de handel in of productie van wapens of munitie meer dan 10% uitmaakt van hun primaire bedrijfsactiviteiten.
Het kabinet heeft de uitvoerders van zijn generieke handelsbevorderende instrumenten opgedragen om deze aanpassing door te voeren. Uiteraard zal de overheid bij het inzetten van dergelijke instrumenten ter bevordering van export door de Nederlandse defensie-industrie toetsen op IMVO-gronden en rekening houden met geldende wapenexportrestricties. De komende tijd beziet het kabinet of ook andere aspecten van de handelsinzet (zoals het Dutch Trade and Investment Fund) voor de defensiesector in het licht van de DIS zouden kunnen worden aangepast op een manier die recht doet aan internationale afspraken op het terrein van financiering en geldende wapenexportrestricties.
Welke andere landen sluiten deelname van hun eigen defensie-industrie – bijvoorbeeld fabrikanten van (onderdelen van) jachtvliegtuigen, marineschepen en nachtkijkers – aan handelsmissies uit? Kunt u per land van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) aangeven of ze hun eigen defensie-industrie ook per definitie uitsluiten?
Een dergelijk overzicht is niet voorhanden van landen die hun defensie-industrie uitsluiten van deelname aan handelsmissies. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 19, is inmiddels besloten om het beleid voor deelname aan handelsmissies aan te passen.
Hoe verhoudt het verhinderen van deelname van de defensie-industrie aan handelsmissies zich tot het recente bezoek van de Staatssecretaris van Defensie aan de Verenigde Staten, dat volgens het Ministerie van Defensie bedoeld was om Nederlandse bedrijven te laten meegroeien in militaire kennis en technologie en deze bedrijven en hun kennis te «pitchen» in de VS?14
De Defensie Industrie Strategie spreekt de ambitie uit om, bijvoorbeeld met behulp ons diplomatieke netwerk, Nederlandse defensiebedrijven te helpen om zich te positioneren op díe markten waar we de export van hun producten mogelijk (dat wil zeggen, een gerede kans op een wapenexportvergunning) èn politiek wenselijk achten. In navolging van die ambitie sprak de Staatssecretaris van Defensie op 25 mei jl. in Wassenaar met bestuursleden van grote Amerikaanse bedrijven in Nederland en Nederlandse ondernemingen met belangen in de Verenigde Staten.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het dreigende faillissement van Utrechts Centrum voor de Kunsten en gevolgen voor diens medewerkers |
|
Lodewijk Asscher (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat medewerkers van het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) de gemeente Utrecht voor de rechter dagen omdat de gemeente volgens hen ten onrechte aanstuurt op een faillissement van de organisatie?1
Ja het is ons, Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bekend dat het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) heeft aangekondigd dat zij en haar medewerkers voornemens zijn enkele gerechtelijke procedures tegen de gemeente te starten.
Bent u bekend met het lot van de 200 medewerkers van het UCK, waarvan 60 in vaste dienst? Hoe vindt u het dat het college de subsidie in zulk kort tijdsbestek beëindigt, dat het personeel zonder transitievergoeding op straat komt te staan?
De gemeente Utrecht heeft de bevoegdheid subsidies te beëindigen. Het is niet aan ons als Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te oordelen over praktijksituaties als deze. Wij zijn ons er van bewust dat een reorganisatieontslag of onverhoopt een ontslag wegens faillissement zonder transitievergoeding een grote impact op de betrokken werknemers zal hebben. Wij onderschrijven dat de belangen van de werknemers in dergelijke situaties niet uit het oog verloren mogen worden. Het is echter de taak van de werkgever en in geval van faillissement van de curator om daarop toe te zien.
Hoe vindt u het dat de medewerkers van het UCK van de gemeente het perspectief krijgen om als zzp'er in een schijnzelfstandigheid door te gaan vanaf 1 september 2019? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat gedupeerde medewerkers op deze manier in een ondernemersrol worden gedwongen met een zeer onzeker toekomstperspectief terwijl zij in een klap al hun opgebouwde rechten kwijt zijn? Hoe kwalificeert u deze zzp-constructie? Bent u bereid de Belastingdienst deze constructie te laten onderzoeken of er sprake is van «kwaadwillendheid»?
Het kabinet vindt schijnzelfstandigheid onwenselijk. Daarbij wordt opgemerkt dat het aan de rechter is om zich over de kwalificatie van een specifieke arbeidsrelatie uit te laten. In algemene zin wordt in dat kader opgemerkt dat als een werknemer zijn werkzaamheden na een eventueel ontslag onveranderd voortzet als zzp’er en er ten aanzien van de uitvoering van het werk in de betreffende organisatie geen enkel verschil is tussen werknemers en zzp’ers, er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen en bestreden. Dat laat onverlet dat werknemers die hun baan verliezen en nadien als zelfstandige aan het werk gaan niet per definitie als schijnzelfstandige kunnen worden gekwalificeerd. Zij zijn geen werknemer meer als er bijvoorbeeld geen sprake (meer) is van een gezagsrelatie of als er geen verplichting (meer) is om het werk persoonlijk te verrichten. Afhankelijk van de feitelijke situatie kan de arbeidsrelatie gekwalificeerd worden. Indien er bij partijen twijfel is over deze kwalificatievraag dan kunnen zij hun zaak voorleggen aan de rechter die in de beoordeling alle feiten en omstandigheden zal meenemen. Gegeven het voorgaande is het niet opportuun de Belastingdienst in te schakelen om eventuele kwaadwillendheid te laten onderzoeken. Los daarvan geldt het volgende. De Belastingdienst bepaalt aan de hand van risicoselectie op welke bedrijven hij zijn toezicht en handhaving richt. Deze risicoselectie wordt onder meer gevoed door signalen uit de praktijk. De Belastingdienst doet over onderzoeken bij individuele belastingplichtigen geen mededelingen op grond van zijn geheimhoudingsplicht (art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Hoe oordeelt u over de aanname van het UCK en haar medewerkers dat er sprake is van een «vooropgezet faillisement», waarbij de gemeente bewust aanstuurt op een faillissement van het UCK en gelijktijdig nieuw beleid heeft ontwikkeld, waarin vrijwel hetzelfde wordt gevraagd (in hetzelfde pand) als waar het UCK nu in voorziet en dus overzetting van de activiteiten in een uitgeklede vorm faciliteert te koste van medewerkers en het UWV?
Zoals aangegeven bij vraag 2 heeft de gemeente de bevoegdheid haar beleid te wijzigen en subsidies te beëindigen. Het is het niet aan ons om te oordelen of er in deze specifieke situatie als gevolg van deze subsidie beëindiging sprake is van bewust aansturen en van een «vooropgezet faillissement». Deze taak is voorbehouden aan de curator. Indien daarom gevraagd kan de rechter daarover oordelen.
Vindt u dat u een rol heeft om de gemeente hierop aan te spreken, of is dit een zaak voor de Inspectie SZW of de Belastingdienst?
De gemeente Utrecht heeft een eigen bevoegdheid te besluiten tot financieringswijziging. Voor zover het UCK van mening is dat de gemeente jegens het UCK een constructie toepast die in strijd is met de wet, dan kan zij ervoor kiezen dat aan de rechter voor te leggen. Het is vervolgens aan de rechter daarover te oordelen.
In algemene zin merk ik op dat bij een reorganisatieontslag de werkgever, na verkregen toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst kan opzeggen. In dat geval heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. In geval van een onverhoopt faillissement kan de curator het dienstverband opzeggen zonder dat de werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Als de werknemer wel recht heeft op een transitievergoeding bestaat die aanspraak jegens de werkgever. Deze aanspraak heeft de werknemer niet ten opzichte van een derde bij de onderneming van de werkgever betrokken partij. In deze situatie is er geen sprake van een werkgever- werknemer relatie tussen de gemeente en betrokken werknemers van het UCK, derhalve heeft de gemeente geen wettelijke verplichting om wegens beëindiging van het dienstverband aan de betrokken werknemers een transitievergoeding te betalen. Het is niet aan ons om vast te stellen of de gemeente op andere gronden een verantwoordelijkheid heeft de betrokken werknemers te compenseren voor eventueel ontslag zonder transitievergoeding.
Het is in zijn algemeenheid niet aan de Belastingdienst om een partij aan te spreken op hetgeen u in vraag 4 stelt. De taak van de Belastingdienst is om op basis van relevante belastingwet- en regelgeving toezicht te houden. Hierbij geldt dat de Belastingdienst geen mededelingen doet over individuele belastingplichtigen op grond van zijn geheimhoudingsplicht.
Vindt u dat een dergelijke constructie past bij de voorbeeldfunctie van de overheid nu de afgelopen jaren het bedrijfsleven door rechters en de overheid op de vingers wordt getikt als het dergelijke constructies toepast? Zo nee, bent u bereid om maatregelen te nemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat de gemeente – zeker gelet het feit dat ze aanstuurt op een grootschalige stelselwijziging binnen de gemeente waar ze haar eigen opgerichte stichting failliet laat gaan – dan ook haar verantwoordelijkheid moet nemen en medewerkers van een compensatie moet voorzien voor de wettelijke ontslagvergoeding? Zo ja, bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de gemeente Utrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u het dat de gemeente Utrecht hiermee ingaat tegen de principes van de «Fair practice code»? Zo ja, bent u bereid om hierover met de gemeente Utrecht in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het is voor ons niet te beoordelen in hoeverre de principes van de Fair Practice Code zijn toegepast door de gemeente Utrecht of door het UCK. De Minister van OCW zal wel afspraken maken met gemeenten en provincies over eerlijke beloning in de culturele sector, zoals aangekondigd in de uitgangspuntenbrief Cultuurbeleid 2021–2024.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Uitgangspuntennotitie Cultuurbeleid 2021–2024 op 27 juni 2019?
Ja.