Het bericht dat bezorgers van online supermarkt Picnic de noodklok luiden over de arbeidsomstandigheden |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bezorgers van online supermarkt Picnic de noodklok luiden over de arbeidsomstandigheden?1
Iedere werkgever dient ervoor te zorgen dat medewerkers veilig kunnen werken en aan het eind van de werkdag gezond en wel naar huis gaan. Indien er sprake is van slechte arbeidsomstandigheden is het verstandig dat medewerkers daarvan een melding maken. Dat kan bij de werkgever, de ondernemingsraad, vakbond of bij de Inspectie SZW. In alle gevallen geldt dat een klacht door de vakbond of ondernemingsraad bij de Inspectie SZW wordt onderzocht.
Wat is uw reactie op de problemen met de kenmerkende bezorgwagentjes waardoor onveilige situaties ontstaan, zoals ongelukken of onveilige werkomstandigheden?
Arbeidsmiddelen, zoals een bezorgwagentje, moeten voldoen aan de wettelijke regels en mogen geen gevaar veroorzaken voor de werknemers. Werkgevers zijn te allen tijde verantwoordelijk voor een veilige en gezonde werkomgeving. Verkeersongevallen op de openbare weg waarbij één of meerdere werknemers bij de uitoefening van hun werkzaamheden zijn betrokken worden, op basis van de Wegenverkeerswet, door de politie onderzocht. Het kan voorkomen dat de Inspectie SZW betrokken wordt bij het onderzoek. Ook kunnen deze verkeersongevallen aanleiding geven om achteraf onderzoek in te stellen. Dit onderzoek is gericht op het arbobeleid van de werkgever.
In verband met de beantwoording van deze Kamervragen is contact opgenomen met Picnic. Picnic heeft mij laten weten dat zij al veel verbeterd hebben aan de bezorgwagens en dat zij op dit moment aandacht geven aan trainingen en het rijgedrag van de bezorgers.
Deelt u de mening dat startende ondernemingen zich niet moeten verschuilen achter het feit dat ze nieuw zijn en net als ieder bedrijf moeten voldoen aan wet- en regelgeving?
Iedere werkgever, inclusief de startende ondernemingen, hoort te voldoen aan wet- en regelgeving. In het geval van de Arbeidsomstandighedenwet houdt dat in ieder geval in dat de werkgever gevaren en risico’s aanpakt bij de bron en daarmee zorg draagt voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers. Of het tijdpad van het invoeren van oplossingen als acceptabel kan worden beoordeeld is afhankelijk van de technische, economische en operationele haalbaarheid. Dit tijdpad mag echter geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van de werknemer.
Welke concrete maatregelen zijn er sinds het stellen van eerdere vragen door u en de Inspectie SZW genomen voor betere arbeidsomstandigheden bij Picnic?2 3
De werkgever is volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht te zorgen voor gezond en veilige arbeidsomstandigheden. De Inspectie SZW ziet daar op toe. Picnic heeft mij laten weten dat zij in samenwerking met de werknemers nadenken over innovatieve oplossingen om de fysieke belasting van medewerkers te verminderen. De Inspectie SZW volgt de nieuwe ontwikkelingen rond bezorging, horeca, detailhandel en platformen nauwlettend. Of bij een specifiek bedrijf wel of niet een onderzoek loopt, is geen openbare informatie.
Hoe zit het met het «breder uitrollen» van de pilot met elektrische karren? Is dat inmiddels doorgevoerd of sjouwen medewerkers nog altijd met onverantwoord zware karren?
Picnic heeft mij laten weten dat de uitrol van de pilot met elektrische karren in volle gang is en dat de eerste elektrische karren in gebruik zijn genomen. Picnic heeft aangegeven dat op korte termijn meer karren zullen volgen.
Heeft u en Inspectie SZW, naast aandacht voor de omstandigheden in de distributiecentra, ook oog voor de arbeidsomstandigheden voor bezorgers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb oog en aandacht voor de arbeidsomstandigheden van alle werkenden in Nederland, ongeacht welke sector of doelgroep. Daarbij zet ik de capaciteit en middelen zo effectief mogelijk in om dat te bereiken. De Inspectie SZW werkt risico gestuurd, programmatisch en effectgericht en analyseert continu of er nieuwe risico’s opspelen die tot mogelijke aanpassing van de geplande inzet van inspectie leiden. In dit geval is er via het programma Horeca & Detailhandel aandacht voor de arbeidsomstandigheden van bezorgers.
Wat is uw reactie op het feit dat in korte tijd vijf medewerkers, die contact hadden met vakbond FNV, zijn ontslagen bij Picnic? Gelooft u dat dit toeval is?
Een werkgever mag medewerkers alleen ontslaan indien daar een redelijke grond voor aanwezig is. Contact met een vakbond valt daar niet onder en is geen goede reden voor een ontslag.
Wat vindt u ervan dat Picnic vrijwel uitsluitend met uitzendkrachten werkt die hierdoor zo kwetsbaar zijn, dat ze alleen anoniem kritiek durven te leveren in de media?
Uitzendkrachten hebben net als de vaste werknemers het recht om gezond en veilig te werken. Het is aan de werkgever om zijn personeelsbeleid vorm te geven en al dan niet met uitzendkrachten te werken. Het beschermen van kwetsbare groepen werkenden op de arbeidsmarkt, zoals flexwerkers, is en blijft belangrijk.
Bent u nog steeds van mening dat, in tegenstelling tot wat Picnic beweert, de activiteiten van Picnic prima onder bestaande cao’s kunnen vallen, waaronder die van de supermarkten?4
Het is primair aan de cao partijen om te bepalen onder welke bedrijfstak-cao een werkgever valt. Cao-partijen gaan zelf ook over de handhaving van de naleving op de cao.
Hoe gaat u voorkomen dat het succes van Picnic ten koste gaat van werknemers die onder slechte arbeidsomstandigheden met onzekere contracten voor een te laag loon werken?
De werkgever is primair verantwoordelijk voor goede arbeidsomstandigheden. De Inspectie SZW houdt toezicht op de Arbeidsomstandighedenwet en werkt risico gestuurd, programmatisch en effectgericht en analyseert continu of er nieuwe risico’s opspelen die tot mogelijke aanpassing van de geplande inzet van inspectie leiden. Daarnaast zet ik via verschillende stimuleringsprogramma’s, zoals het Programma Eerlijk, Gezond en Veilig Werk, in op het bevorderen van eerlijk, gezond en veilig werk in Nederland.
Het rapport ‘Zorg voor kinderen bij aanhouding van ouders’ |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Zorg voor kinderen bij aanhouding van ouders»?1
Ja.
Kent u de aanbeveling van de Raad van Europa van 4 april 2018 waarin lidstaten mede op basis van kinder- en mensenrechten worden opgeroepen oog te hebben voor de positie van kinderen van verdachten bij aanhouding en in de verdere justitiële keten? Op welke wijze geeft de regering gevolg aan deze aanbeveling?2
Ik ben bekend met deze aanbeveling. Ik vind het van groot belang dat kinderen zo min mogelijk nadeel ondervinden van justitieel ingrijpen. De politie besteedt op verschillende manieren aandacht aan de positie van het kind tijdens een aanhouding. Zowel in het onderwijs, als in de eenheid is er kennis aanwezig om de positie van het kind tijdens een aanhouding te waarborgen. De politie bekijkt daarnaast momenteel welke aanbevelingen en procedures kunnen worden overgenomen en geformaliseerd. Ook in de verdere justitiële keten is aandacht voor de positie van kinderen, bijvoorbeeld bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).
Deelt u de mening dat naast de veiligheid van politie en een succesvolle aanhouding van een verdachte ook zorg voor (aanwezige) kinderen van belang is bij aanhouding?
Ja. Ik vind het van groot belang dat kinderen zo min mogelijk nadeel ondervinden van justitieel ingrijpen. Tijdens diverse opleidingen, zowel in de initiële als in de vervolgopleidingen van de politie, is er aandacht voor de zogeheten kindcheck. Uitgangspunt is dat bij zaken rond huiselijk geweld de veiligheid dient te worden gewaarborgd. Ook worden er handelingsperpectieven geschetst. Daarnaast is de kindcheck breed via de kennissystemen van de politie beschikbaar. Dit geldt ook voor het in vraag 1 genoemde onderzoek van Politie & Wetenschap, best-practices en documentatie als het gaat om samenwerking met verantwoordelijke instanties bij geplande en ongeplande aanhoudingen van ouders in bijzijn van kinderen. Als een aanhouding leidt tot langdurige emotionele problemen en een negatieve impact op het functioneren van het gezinsleven, zal passende zorg geleverd moeten worden door lokale jeugdhulpaanbieders.
Waar vindt u dat de verantwoordelijkheid ligt voor het terugdringen van onbedoelde neveneffecten van justitieel ingrijpen voor een kind en gezin?
Bij elke vorm van justitieel ingrijpen wordt er naar gestreefd onbedoelde neveneffecten tot een minimum te beperken. Dit geldt ook voor justitieel ingrijpen in de gezinssituatie. Bij het verrichten van een aanhouding heeft de politie een zorgplicht. Hiervoor is zoals eerder benoemd de kindcheck beschikbaar. Als blijkt dat de aangehouden persoon de zorg draagt voor minderjarige kinderen wordt dit door de inrichting binnen twee werkdagen na aanvang van de detentie aan de gemeentelijk coördinator nazorg gemeld. De daadwerkelijke zorg voor deze kinderen is met de invoering van de Jeugdwet een taak voor de gemeente.
Deelt u de noodzaak van passende zorg voor aanwezige kinderen tijdens en na de aanhouding, temeer daar uit internationaal onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de kinderen die een aanhouding meemaakte langdurige emotionele problemen ervaart en er ook een negatieve impact is op het functioneren van het gezinsleven?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u tevens de constatering dat een goede handelingswijze niet alleen beter is voor de kinderen (zowel ter voorkoming van onnodig trauma als ter preventie van crimineel gedrag bij deze risicokinderen) maar ook voor de veiligheid van politie en derden en indirect ook voor de samenleving als geheel, bijvoorbeeld doordat verdachten met een goed functionerend gezinsleven minder snel geneigd zullen te zijn te recidiveren?
Ja. Zoals gezegd vind ik het van groot belang dat kinderen zo min mogelijk nadeel ondervinden van justitieel ingrijpen. Hier is ook aandacht voor bij de re-integratie van gedetineerden. Op 1 juli 2019 is het bestuurlijk akkoord «Kansen bieden voor re-integratie» gesloten tussen DJI, gemeenten en de reclassering. Het sociaal netwerk wordt daarbij genoemd als randvoorwaarde voor de vijf basisvoorwaarden. Hieronder valt ook het gezinsleven. In het re-integratietraject is het versterken van het sociaalnetwerk, waaronder mogelijk het gezinsleven, een belangrijke pijler voor een veilige terugkeer in de samenleving.
Is inzichtelijk bij hoeveel procent van de aanhoudingen een kind aanwezig is? Valt hierin onderscheid te maken naar mannelijke of vrouwelijke verdachten, plaats van aanhouding, en heterdaad dan wel niet heterdaad? Zo nee, bent u bereid dit voortaan te gaan registreren?
Het is niet inzichtelijk bij hoeveel procent van de aanhoudingen een kind aanwezig is; de politie houdt daar geen registratie van bij. Het registreren van dergelijke cijfers is op dit moment niet aan de orde.
Klopt het dat er in Nederland geen formele politieprocedures zijn voor de omgang met kinderen van verdachten rondom de aanhouding? Zou een geformaliseerde politieprocedure van meerwaarde kunnen zijn? Zo ja, bent u bereid hiertoe over te gaan?
De politie houdt in haar optreden altijd zoveel mogelijk rekening met het belang van het kind, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de eerder genoemde kindcheck. Daarnaast is de factsheet «Kinderen bij een arrestatie; de zorg voor kinderen bij een arrestatie of detentie van een ouder» van de VNG voor politiemedewerkers beschikbaar. Hierin staan de voor politie gewenste stappen beschreven, inclusief stroomschema. Deze werkwijze is echter niet formeel overgenomen en geïmplementeerd. De politie onderzoekt momenteel de mogelijkheden voor het overnemen van deze geschetste werkwijze.
Welke mogelijkheden ziet u om de bewustwording onder de agenten op dit thema te verbeteren? Hoe staat u tegenover de aanbeveling om in elk basisteam een jeugdambassadeur aan te stellen, die actief werkt aan bewustwording onder de teamleden?
Vanuit de politie wordt ingezet op een kindvriendelijke bejegening. Aandacht voor kinderen bij een aanhouding en bewustwording van de zorg voor kinderen die mogelijk achterblijven na een aanhouding van de ouder, past daar bij. Naast de kindcheck, waar in het politie-onderwijs aandacht wordt gegeven, wordt in de opleiding Handelen in jeugdperspectief (HJP) het handelen in een gezagsvacuüm (een situatie waarin ouders of voogd niet beschikbaar zijn) besproken. In elk basisteam zijn daarnaast één of meer senior GGP-specialisten met werkterrein Jeugd werkzaam die de opleiding HJP gevolgd hebben.
De politie onderzoekt momenteel de mogelijkheden om de werkwijze zoals weergegeven in de bovengenoemde factsheet van de VNG in de Basis Politie Opleiding (BPO) op te nemen.
Op welke wijze wordt momenteel aan dit thema aandacht gegeven in onderwijs op de politieacademie? Ziet u aanleiding deze aandacht te intensiveren en ook te kijken naar mogelijkheden om (meer) trainingen tijdens de loopbaan aan te bieden?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is uw reactie op het gegeven dat bij 17 van de 21 geïnterviewde politiemensen de Kindcheck niet bekend is? Bent u bereid zich in te spannen voor een grotere bekendheid van deze Kindcheck?3
Ik onderschrijf het belang van de kindcheck. Het signaal dat deze bij een groot deel van deze politiemedewerkers niet bekend was, is zorgelijk en vormt aanleiding om binnen de politie stappen te ondernemen die leiden tot het vergroten van de bekendheid met de kindcheck binnen GGP en Opsporing.
Wat vindt u van de aanbeveling om bij alle aanhoudingen, op of buiten heterdaad, waarbij kinderen betrokken zijn een zorgmelding te doen? Bent u bereid dit in de standaard werkwijze van de politie op te nemen?
Indien sprake is van een zorgelijke situatie rond een minderjarige zal de politie een zorgmelding doen. Een melding leidt tot een beoordeling van Veilig Thuis en kan leiden tot het doorzetten naar de juiste hulpverlenende instantie of het bespreken in een casusoverleg. Momenteel doet de politie standaard een zorgmelding aan Veilig Thuis in geval van bemoeienis van politie naar aanleiding van (vermoedens van) huiselijk geweld of kindermishandeling. De aanbeveling om het opmaken van een dergelijke melding voor minderjarige kinderen bij de aanhouding van ouders op te nemen in de standaard werkwijze is waardevol en zal nader worden onderzocht.
De zorg voor kinderen is in het sociaal domein georganiseerd. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Kinderen van aangehouden ouders worden niet om die reden (aanhouding ouders) in politiesystemen geregistreerd. Wel kan de politie een taak hebben in het beschermen en waarborgen van een veilige situatie voor de betrokken kinderen. De politie werkt daarin nauw samen met andere instanties, zoals het OM en Jeugdzorg.
Wat gebeurt er momenteel al aan hulpverlening voor kinderen van verdachten die weliswaar niet aanwezig zijn bij de arrestatie van hun ouder(s), maar wel een ingrijpende verandering in het gezinsleven zullen doormaken als gevolg van de arrestatie? Is ook deze groep afdoende op het netvlies van politie en ketenpartners? Zo nee, hoe zou dit kunnen worden verbeterd?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Politie van 5 september?
Gezien de aard van de vragen en het feit dat informatie bij veel verschillende partijen moest worden opgehaald, heeft het beantwoorden van de vragen meer tijd in beslag genomen.
Leeftijdsontslag in het licht van het pensioenakkoord |
|
Jan Middendorp (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere mondelinge vragen en schriftelijke vragen van de leden Wiersma en Middendorp over functioneel leeftijdsontslag bij de rijksoverheid1 en de toezegging in het debat over de Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd om na de zomer inzicht te geven in cao-afspraken over functioneel leeftijdsontslag?
Ja. Hierbij wordt opgemerkt dat de vragen en antwoorden over het artikel «Rijksambtenaren met AOW mogen niet langer doorwerken» gaan over ontslag bij het bereiken van de AOW-leeftijd, zoals sociale partners binnen de sector Rijk in de cao hebben afgesproken.2
De Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd vloeit voort uit het pensioenakkoord dat het kabinet met sociale partners heeft gesloten. Iedere burger die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, krijgt te maken met de temporisering van de AOW-leeftijd. Daarnaast wordt met sociale partners in den brede gesproken over doorwerken tot de oude AOW-leeftijd. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het een uitdrukkelijke wens van de bonden was om de stijging van de AOW-leeftijd te temporiseren, waarbij geldt dat de meeste mensen tevreden zijn over die temporisering van de AOW-leeftijd.
Hoeveel ambtenaren die onder de cao rijksoverheid en de CAR-UWO2 vallen gaan de komende jaren eerder met pensioen door de minder snelle stijging van de AOW-leeftijd?
In onderstaande tabellen voor respectievelijk de sector Rijk en de sector Gemeenten is achtereenvolgens weergegeven wat de pensioenuitstroom bij de oude AOW-leeftijd zou zijn geweest en wat de pensioenuitstroom met de nieuwe AOW-leeftijd is.4 Hierbij is er geen rekening mee gehouden dat deze ambtenaren er ook voor kunnen kiezen om al vóór de AOW-leeftijd met pensioen te gaan. Vervolgens is het verschil tussen beide opgenomen. Samengevat geldt dat er in de jaren 2020 t/m 2022 sprake is van een verhoogde uitstroom als gevolg van pensionering en in de jaren 2023 en 2024 van een verlaagde uitstroom. Deze mensen hebben immers al eerder de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Het gemiddelde aantal maanden dat werknemers eerder uittreden, is opgenomen in de laatste kolom.
617
617
0
0,0
1.532
2.435
903
5,5
1.863
3.129
1.266
10,1
2.459
2.674
215
8,0
3.615
2.763
– 852
5,0
3.974
3.458
– 516
3,0
Bron: ABP-data (2019)
1.193
1.193
0
0,0
2.741
4.260
1.519
5,4
3.081
4.968
1.887
10,1
3.858
4.066
208
8,0
5.490
4.240
– 1.250
5,0
6.084
5.196
– 888
3,0
Bron: ABP-data (2019)
Welke gevolgen heeft het eerder stoppen met werken voor de pensioenopbouw bij het ABP van deze groep ambtenaren?
Eerder stoppen met werken leidt tot twee effecten op de pensioenopbouw. Ten eerste betekent eerder stoppen met werken dat ook de pensioenopbouw eerder stopt. Daardoor bouwt deze groep ambtenaren een aantal maanden minder pensioen op dan verwacht. De hoogte van het ouderdomspensioen wordt daardoor lager. Hoeveel lager hangt af van het aantal maanden dat de AOW eerder ingaat en de hoogte van het pensioengevend inkomen. De hoogte van het nabestaandenpensioen is gekoppeld aan het ouderdomspensioen. Doordat er minder ouderdomspensioen wordt opgebouwd, wordt ook het nabestaandenpensioen lager. Ten tweede gaat het ouderdomspensioen bij de nieuwe AOW-leeftijd eerder in. De hoogte van de jaarlijkse uitkering wordt daardoor lager. Daar staat tegenover dat het ouderdomspensioen over een langere periode wordt uitgekeerd. Deze verlaging is in die zin «actuarieel neutraal». De duur van de pensioenopbouw en de duur van het ouderdomspensioen is overigens niet anders voor ambtenaren die in 2020 en 2021 de AOW-leeftijd bereiken dan voor degenen die in 2019 de AOW-leeftijd bereikt hebben.
Wij willen hier nog op drie aspecten wijzen. Allereerst zijn werknemers die voor hen met pensioen zijn gegaan, op een lagere AOW-leeftijd met pensioen gegaan. Ten opzichte van deze werknemers bouwen de werknemers waar wij het nu over hebben dus langer pensioen op. Ten tweede levert de verlaging van de AOW-leeftijd een belangrijk fiscaal voordeel op, omdat na het bereiken van de AOW-leeftijd geen AOW-premie meer verschuldigd is. Ten slotte is de pensioenopbouw voor deze groepen werknemers gedurende het grootste deel van hun werkzame leven gericht geweest op een pensioendatum van 65 jaar. De AOW-leeftijd voor deze groepen werknemers ligt boven de 65 jaar, waardoor men dus al extra pensioen opbouwt.
Hoe informeert het ABP de betreffende deelnemers over de gevolgen van deze maatregel? Worden de deelnemers hierbij ook op mogelijkheden gewezen om de gemiste pensioenopbouw te compenseren?
ABP heeft informatie opgenomen op de website, www.abp.nl, en wijst deelnemers ook in MijnABP op de toepassing van de nieuwe AOW-leeftijd in de berekening van het ABP-pensioen. MijnABP gaat er standaard vanuit dat de werknemer doorwerkt tot de AOW-leeftijd en op dat moment volledig stopt met werken en zijn pensioen laat ingaan. De deelnemer kan in MijnABP zien welk pensioen hij kan verwachten uitgaande van de nieuwe AOW-leeftijd.
Verder informeert ABP onder andere deelnemers die in 2020 met pensioen gaan en al een opgave hebben ontvangen die nog uitging van de oude AOW-leeftijd.
In het uniform pensioenoverzicht (UPO) van 2020 zal ABP het pensioen laten zien uitgaande van de nieuwe AOW-leeftijd. Hierover wordt een toelichting opgenomen in de aanbiedingsbrief bij het UPO.
Er is geen mogelijkheid om de gemiste pensioenopbouw in de pensioenregeling van ABP te compenseren. Pensioenopbouw is alleen mogelijk als er sprake is van een dienstverband.
In hoeverre kan deze groep ambtenaren – als ze besluiten om langer door te werken – nog aanvullend pensioen opbouwen? Welke eventuele belemmeringen spelen hierbij een rol?
Werknemers bij de rijksoverheid worden vanaf 1 januari 2020 ontslagen bij het bereiken van de AOW-leeftijd. De werknemer die mag doorwerken, krijgt een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze werknemer is dan geen overheidswerknemer meer in de zin van de Wet privatisering ABP. De ambtenaar kan dan wel vrijwillig en voor eigen rekening deelnemen aan de pensioenregeling van ABP tot maximaal 5 jaar na de AOW-leeftijd. Ook bij de Gemeenten worden werknemers op de AOW-leeftijd ontslagen. De werkgever kan hier in bijzondere gevallen van afzien, als de werknemer hiermee instemt. Indien van ontslag wordt afgezien, blijft de pensioenopbouw op dezelfde wijze doorlopen als voor het bereiken van de AOW-leeftijd tot maximaal 5 jaar na de AOW-leeftijd.
In hoeverre zijn de omstandigheden van de betreffende groep ambtenaren uniek voor de regelingen die bij het ABP zijn afgesloten? Zijn vergelijkbare gevallen bij u bekend in andere sectoren?
Uw vraag is als volgt geïnterpreteerd: U wilt weten welke afspraken er in andere pensioenregelingen zijn gemaakt over doorwerken na de AOW-leeftijd. Eerder is hier via een steekproef onderzoek naar gedaan. Daarbij is onderzocht of het mogelijk is voor werknemers die na de AOW-leeftijd door willen werken, zelf te beslissen om aanvullend pensioen te blijven opbouwen en/of het mogelijk is het ingaan van het aanvullend pensioen uit te stellen.5 Over het algemeen wordt bij doorwerken na de AOW-leeftijd aanvullend pensioen opgebouwd tot de pensioenrichtleeftijd van de betreffende pensioenregeling. Bij veel pensioenregelingen is dit 68 jaar, waardoor na de (huidige) AOW-leeftijd nog een periode pensioen opgebouwd kan worden. Sociale partners kunnen een andere pensioenrichtleeftijd hanteren, rekening houdend met de fiscale ruimte. Na het bereiken van de pensioenrichtleeftijd stopt de opbouw van aanvullend pensioen.
Bij ongeveer 88% van de onderzochte pensioenregelingen is het mogelijk om het aanvullend pensioen in te laten gaan na de AOW-gerechtigde leeftijd. Het gaat om 44 van de 50 onderzochte fondsen. Bij 32 van de 44 fondsen waarbij dit kan, is uitstel van de pensioenuitkering bij doorwerken mogelijk tot 5 jaar na de pensioenrichtleeftijd. Bij de andere 12 fondsen kan de eerste pensioenuitkering uitgesteld worden tot de pensioenrichtleeftijd, die na de huidige AOW-gerechtigde leeftijd ligt. Ook kwam uit het onderzoek naar voren dat in vrijwel alle cao’s de ontslagleeftijd gekoppeld is aan de AOW-leeftijd.
Beschouwt u de gewijzigde AOW-leeftijd als een specifiek geval op basis waarvan langer doorwerken na de AOW-leeftijd mogelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Het wel of niet langer doorwerken na de AOW-leeftijd is een beslissing van werkgever en werknemer. Met de Wet werken na de AOW-leeftijd zijn belangrijke belemmeringen hiervoor weggenomen, zodat werkgevers en werknemers de ruimte krijgen om hiertoe afspraken te maken. Overigens is in 2020 en 2021 de AOW-leeftijd gelijk aan de AOW-leeftijd in 2019.
Beschouwt u de gewijzigde AOW-leeftijd als «persoonlijke en financiële omstandigheden van de medewerker» waarvan u eerder heeft aangegeven die nadrukkelijk mee te wegen? Zo ja, hoe weegt u die mee? Zo nee, waarom niet?
In de cao Rijk 2018–2020 is afgesproken dat leidinggevende en medewerker over eventueel doorwerken na AOW-leeftijd overeenstemming moeten bereiken. Om niet alleen het werkgeversbelang te laten prevaleren, is daarbij afgesproken dat ook het belang van de medewerker moet worden meegewogen bij de beslissing over doorwerken na AOW-leeftijd. De leidinggevende kent de medewerker en voert personeelsgesprekken met de medewerker. Het meewegen van de belangen van de medewerker -in het bijzonder de persoonlijke en financiële omstandigheden- kunnen in deze gesprekken aan de orde komen. Eén en ander moet leiden tot de juiste afweging. Er zal altijd sprake zijn van maatwerk.
Bent u bekend met artikel 8:2 van het CAR-UWO, waarin is opgenomen dat standaard ontslag plaatsvindt bij het bereiken van de AOW-leeftijd en het college hiervan in «bijzondere omstandigheden» kan afwijken?
Ja.
Vindt u het nog van deze tijd dat een dergelijk artikel is opgenomen in een cao? In hoeverre heeft u hier contact over met de VNG?
Gemeenten zijn autonoom in hun werkgeversrol. Dat maakt dat hierover geen contact met de VNG is geweest. Zoals wij hebben aangegeven in de antwoorden op de vragen die gesteld zijn n.a.v. het artikel «Rijksambtenaren met AOW mogen niet langer doorwerken»6 sluit de beleidsmaatregel waarmee een einde wordt gemaakt aan het beleid om werknemers niet automatisch te ontslaan bij het bereiken van de AOW-leeftijd aan bij zowel de uitgangspunten van het Strategisch Personeelsbeleid Rijk (SPB 2025) als bij de modernisering van arbeidsvoorwaarden. In die zin is een dergelijk artikel passend.
Daarnaast willen wij u nog het volgende meegeven. De arbeidsverhoudingen bij overheid en onderwijs worden genormaliseerd met de Wnra. Het initiatief om dit wettelijk te regelen is destijds door D66 en CDA genomen, en werd breed door de Kamer gesteund. Per 1 januari aanstaande worden de rechtspositieregelingen bij overheid en onderwijs omgezet in cao’s, zoals dat ook in de markt gebruikelijk is. Deze normalisering betekent ook dat overheidswerkgevers primair als werkgever over de arbeidsvoorwaarden met bonden onderhandelen. Normalisering betekent daarmee ook dat verdere politieke terughoudendheid over de inhoud van deze cao’s past.
Bent u van mening dat de gewijzigde AOW-leeftijd aan te merken is als een bijzondere omstandigheid? Zo nee, waarom niet?
Of het minder snel verhogen van de AOW-leeftijd een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in het artikel waar u naar verwijst, is van verschillende factoren afhankelijk en betreft een individuele afweging. Bovendien is die afweging aan de werkgever met instemming van de betreffende ambtenaar, en niet aan ons.
In hoeverre heeft u met gemeenten gesproken over de wenselijkheid om maatwerk toe te passen?
Gemeenten zijn, zoals aangegeven, autonoom in hun werkgeversrol. Dat maakt dat hierover geen contact is opgenomen met de VNG.
Kunt u deze vragen begin september 2019 ofwel separaat beantwoorden, ofwel expliciet beantwoorden in uw brief over cao-afspraken over functioneel leeftijdsontslag indien u deze brief eerder of gelijktijdig toestuurt?
Ja, deze vragen worden hierbij separaat beantwoord zodat de brief over de cao-afspraken zich daar specifiek op kan richten.
Het bericht ‘Tientallen foute agenten geschorst’ |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tientallen foute agenten geschorst»?1
Ja.
Deelt u de mening dat corruptie onder politiemedewerkers het vertrouwen in de politie ernstig ondermijnt, zowel binnen als buiten de organisatie?
Ik wil vooropstellen dat het rapport waaraan het artikel refereert geen betrekking heeft op corruptie bij de politie. In zijn algemeenheid ben ik van mening dat vormen van corruptie bij de politie ondermijnend zijn voor het vertrouwen in de politie en dat hier tegen opgetreden moet worden.
Sinds wanneer beschikt u over het rapport «Wie praat, die gaat»?
Het rapport: «Wie praat, die gaat» is een actieplan tegen ondermijnende drugscriminaliteit in Midden-Nederland en heeft geen relatie met schorsingen bij de politie om integriteitszaken. In tegenstelling tot wat in het artikel wordt gesuggereerd, is dit rapport openbaar. U kunt het vinden op: https://veiligheidscoalitie.nl/apothekerskast/georganiseerde-ondermijnende-crim/. Middels een aanbiedingsbrief bied ik uw Kamer graag het rapport aan, gelijktijdig met deze beantwoording.
Kunt u dit rapport per omgaande naar de Kamer sturen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarop baseren de onderzoekers de conclusie dat alleen al in de regio Midden-Nederland criminelen de beschikking hebben over negentien corrupte contacten binnen de overheid en dat dit waarschijnlijk het topje van de ijsberg is?
Het rapport waarop dit artikel gebaseerd is, betreft een actieplan tegen ondermijnende drugscriminaliteit in Midden-Nederland. Het rapport geeft, onder andere in de passage waarop het Algemeen Dagblad zich baseert, een weergave van de omvang van het probleem van ondermijnende drugscriminaliteit. De onderzoekers hebben niet geconcludeerd dat het hier gaat om corrupte contacten binnen de overheid. De passage in het rapport luidt: «Zo zijn in Midden-Nederland negentien criminele netwerken met corruptieve contacten in beeld, waarschijnlijk slechts een topje van de ijsberg».
Hoe ziet dit beeld er bij de andere regionale eenheden uit?
Een vergelijking met andere Eenheden is niet aan de orde omdat dit rapport specifiek is geschreven op criminele netwerken in Midden-Nederland. De aanpak van ondermijning is één van de geprioriteerde onderwerpen uit de Veiligheidsagenda voor de komende jaren. De politie, tezamen met andere veiligheidspartners, hebben de aanpak van ondermijning inmiddels geïntensiveerd.
Wat doet u om te achterhalen hoe diepgeworteld dit probleem is?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel politiemedewerkers zijn er per jaar in de periode 2010–2019 op non-actief gesteld, geschorst, ontslagen of op een andere manier bestraft vanwege integriteitsschendingen? Hoeveel van deze medewerkers zijn ook strafrechtelijk vervolgd?
Ik heb uw Kamer aangegeven dat de politie ernaar streeft om met ingang van 2019 jaarlijks een geanonimiseerd overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen te publiceren. Op dit moment is het nog te arbeidsintensief om het totaal aantal voor specifieke disciplinaire maatregelen te genereren. Op verzoek van de korpsleiding is een landelijk systeem in ontwikkeling dat de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) en HRM processen koppelt en deze cijfers beter inzichtelijk zal maken. Het overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen zal vanaf 2020 in de jaarverantwoording worden opgenomen. Uit de jaarverantwoording van voorgaande jaren van de politie kan ik onderstaande ongespecificeerde cijfers met u delen.
(Voorwaardelijk) ontslag
Totaal
2013
176
2014
176
2015
111
2016
126
2017
121
2018
119
Voor zowel (reguliere) strafrechtelijke onderzoeken als voor onderzoeken die Rijksrecherche uitvoert (zie vraag 10) naar politiemedewerkers, geldt dat in de registratiesystemen van het Openbaar Ministerie niet wordt bijgehouden of een verdachte al dan niet een politiemedewerker betreft. Het is niet mogelijk om binnen de registratiesystemen van het OM te filteren op onderzoeken die zich richten op verdachte politiemedewerkers. Hierdoor is het niet mogelijk een antwoord te geven op de vraag hoeveel van de (politie)medewerkers die in de periode 2010–2019 op non-actief zijn gesteld, dan wel zijn geschorst, ontslagen of op een andere manier zijn bestraft vanwege integriteitsschendingen, ook strafrechtelijk zijn vervolgd.
Hoeveel meldingen van of oriënterende onderzoeken naar integriteitsschendingen bij de politie hebben in de periode 2015–2019 geleid tot aanknopingspunten voor een onderzoek door de Rijksrecherche?
Er is geen directe koppeling mogelijk tussen de politieregistratie en registratie door de Rijksrecherche (RR). De RR registreert integriteitschendingen van ambtenaren en bestuurders, waarbij minder specifiek gedifferentieerd wordt tussen integriteitsschendingen door politie en (overige) ambtenaren. Het is dus niet mogelijk om een koppeling te maken tussen het aantal meldingen van oriënterende onderzoeken naar integriteitsschendingen bij de politie, die aanknopingspunten voor een onderzoek door RR vormen (onder verwijzing naar de vraagstelling van vraag 9) en het aantal onderzoeken dat RR in die gevallen gestart is.
In hoeveel gevallen is de Rijksrecherche vervolgens een onderzoek gestart?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat een groot aantal meldingen niet wordt onderzocht vanwege capaciteitsproblemen bij de Rijksrecherche? Wat gaat u doen om te zorgen dat alle meldingen op korte termijn worden onderzocht?
Voor dit antwoord verwijs ik u naar de antwoorden die ik uw Kamer eerder heb toegezonden2. De ontwikkelingen in de criminaliteit hebben geleid tot een toenemende complexiteit van strafrechtelijke corruptieonderzoeken en een verdere stijging in het werkaanbod van de Rijksrecherche. Er wordt door de Rijksrecherche met man en macht gewerkt om bij dit toegenomen werkaanbod een gelijke productie neer te zetten. Dit gebeurt door het zoeken naar oplossingen door bijvoorbeeld samen te werken met de politie, de FIOD en de KMAR of door zaken in onderling overleg over te dragen aan andere opsporingsdiensten.
Op welke wijze worden agenten getraind om weerbaar te zijn tegen benadering door criminelen?
De politie heeft diverse maatregelen genomen om de kennis en weerbaarheid van medewerkers te vergroten, de zogeheten morele weerbaarheid. Zo is integriteit onderdeel van het basis politieonderwijs en het voortgezette en vakspecialistische politieonderwijs, wordt geleerd van het delen van ervaringen, wordt geleerd om elkaar aan te spreken en wordt het goede gesprek gestimuleerd. Ter ondersteuning van deze ontwikkelingen is een toolbox ontwikkeld. Daarnaast gaan, naast de teamchefs, nu ook 4500 Operationeel Experts op leiderschapstraining. De politie heeft de theatervoorstelling «Rauw» ontwikkeld als een belangrijk element in de bewustwordingscampagne. Ook heeft iedere Eenheid een preventiemedewerker integriteit bij VIK onder gebracht. En binnenkort gaat de pilot A-typisch signaleren van start, deze heeft als doel om afwijkende zoekacties in politiesystemen te detecteren.
Herkent u het signaal van de vakbonden NPB en ACP dat er onvoldoende aandacht is voor preventie tegen corruptie, dat het vaak voor agenten niet veilig is om toenadering door criminelen te melden en dat een cultuuromslag nodig is? Wat gaat u doen om te zorgen dat deze cultuuromslag er komt?
Nee, dat signaal herken ik niet. De politie heeft veel preventieve en repressieve maatregelen op het terrein van integriteitsbeleid, informatiebeveiligingsbeleid en screeningsbeleid genomen met als doel integriteitsschendingen zoveel mogelijk te voorkomen. Leidinggevenden vervullen een centrale rol in het realiseren van cultuur- en gedragsveranderingen. Zij kunnen zorgen voor een veilig en inclusief werkklimaat, waarin medewerkers elkaar aanspreken en integriteitsrisico’s kunnen aankaarten. De beroepscode kan ingezet worden om de dialoog over de invulling van professioneel en integer gedrag te stimuleren. Ook hebben de leidinggevenden een voorbeeldfunctie. Verder worden de medewerkersonderzoeken onder politiemedewerkers door de politie benut om te zien wat er leeft en hoe er over de cultuur wordt gedacht. In de teams wordt vervolgens met de resultaten aan de slag gegaan. Daarnaast speelt de Politieacademie een belangrijke rol bij het realiseren van cultuurveranderingen. Onderwijs, kennis en onderzoek zijn immers belangrijke instrumenten om de nieuwe cultuur aan medewerkers uit te dragen.
Op welke manier wordt de interne registratie van integriteitsschendingen verbeterd, zoals aangekondigd in uw reactie op het rapport «het lekken van vertrouwelijke politie-informatie»?2
Inmiddels hanteren alle afdelingen VIK eenzelfde registratiesysteem. De korpschef heeft mij laten weten naar aanleiding van het rapport de onderzoekers te hebben gevraagd op welke punten de interne registratie nog verder verbeterd kan worden. Daarnaast heeft de korpschef opdracht gegeven voor een review op het proces van interne onderzoeken als geheel. Hierin wordt de registratie van de onderzoeken meegenomen.
Moslimfobie en intimidatie bij de politie |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Moslimfobie, intimidatie bij de politie – en de top kijkt weg»?1
Ja.
Bent u geschrokken van de inhoud en strekking van genoemd artikel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voor ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag zoals intimidatie, discriminatie en pesten is binnen de politie geen plaats. De ervaringen van politiemedewerkers over de afhandeling van signalen en meldingen van grensoverschrijdend gedrag neem ik zeer serieus. De korpschef deelt dit gevoel ten zeerste, mede vanuit de verantwoordelijkheid die de korpsleiding en politiechefs voelen om vanuit haar werkgeverschap te zorgen voor een veilig werkklimaat. Iedere politiemedewerker moet zich vrij en door de leidinggevende gesteund voelen om een melding te maken wanneer hij of zij grensoverschrijdend gedrag signaleert. Daarom bevordert de leiding van de politie een werkcultuur waarin het gesprek wordt aangegaan over gedragingen die als grensoverschrijdend worden ervaren.
Kunt u bevestigen dat, voornamelijk in het afgelopen half jaar, diverse «grove misstanden in de top van de politie», inclusief aanranding en intimidatie zijn gemeld bij de korpsleiding?
Van de korpsleiding heb ik begrepen dat er meldingen en signalen van deze vormen van normoverschrijdend gedrag bij hen zijn binnengekomen.
Verder betreft het individuele casuïstiek waarvoor vertrouwelijkheid geldt. De korpsleiding heeft mij verzekerd deze meldingen altijd serieus te nemen en zorg te dragen voor een passende aanpak.
Kunt u een overzicht geven van alle meldingen van discriminatie, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag bij de politie, inclusief de manier waarop met deze meldingen is omgegaan?
Dat korpsleiding heeft mij verzekerd dat iedere melding van grensoverschrijdend gedrag door de politieorganisatie serieus wordt genomen. Het bevoegd gezag moet een signaal altijd oppakken en in reactie hierop de beslissing nemen of een onderzoek wordt ingesteld naar het vermoedelijke plichtsverzuim.
Op verzoek van de korpsleiding is een landelijk systeem in ontwikkeling dat de Veiligheid, Integriteit en Klacht (VIK)- en HRM-processen koppelt en deze cijfers beter inzichtelijk zal maken. Het overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen zal vanaf 2020 in de jaarverantwoording worden opgenomen.
Wanneer bent u geïnformeerd over deze meldingen? Kunt u een overzicht geven van de misstanden waarover u in het afgelopen jaar op de hoogte bent gesteld en het moment waarop u hierover bent geïnformeerd?
De korpschef is verantwoordelijk voor het onderzoeken en aanpakken van meldingen over grensoverschrijdend gedrag. Ik voer regelmatig overleg met hem over de ontwikkelingen binnen de politieorganisatie, waarin onderwerpen als discriminatie, seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag ook aan bod komen. De korpschef bespreekt niet elke melding afzonderlijk met mij. De korpschef heeft mij verzekerd dat de politieorganisatie iedere melding van grensoverschrijdend gedrag serieus neemt en aanpakt.
Kunt u per melding toelichten wat u hiermee heeft gedaan?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u deze aantijgingen besproken met de korpschef van de politie? Zo ja, welke afspraken heeft u met de korpschef gemaakt over de behandeling van de politiemedewerkers die hiervan de oorzaak zijn?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat in politie-appgroepen letterlijk wordt gesproken over «kankermongolen, kankerlijers, pauper-allochtonen, kankervolk, kutvolk en kutafrikanen»?
Ik heb geen inzicht in politie-appgroepen. Mocht het gebeuren dat in politie-appgroepen dergelijke bewoordingen worden gebruikt, dan keur ik, en de korpschef met mij, dat ten zeerste af. Dergelijke aanstootgevende en kwetsende woorden zijn niet acceptabel. Discriminatie, door wie dan ook, is ontoelaatbaar. Een ieder die zich daar schuldig aan maakt moet daar op aangesproken worden.
Deelt u de mening dat discriminatie van burgers door de politie ontoelaatbaar is, en dat politiemensen daarop aangesproken dienen te worden?
Zie antwoord vraag 8.
Krijgen politiemensen een disciplinaire maatregel opgelegd indien zij zich over burgers uitlaten in grove, kwetsende, discriminerende, bedreigende en gewelddadige bewoordingen, zoals opgetekend in het NRC-artikel? Zo ja, hoe vaak per jaar wordt een dergelijke maatregel opgelegd? Welke disciplinaire maatregelen worden opgelegd? Zijn recent politiemedewerkers geschorst of ontslagen wegens discriminatie van burgers? Zijn de schorsingen in Limburg gerelateerd aan soortgelijke kwesties?
Ja. Wanneer uit een disciplinair of oriënterend onderzoek volgt dat een medewerker plichtsverzuim heeft gepleegd, dan wordt de strafmaat in een strafmaatoverleg besproken. De op te leggen maatregel is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de functie van de politiemedewerker, de aard van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het plichtsverzuim heeft plaatsgevonden. Dit betreft telkens een individuele afweging. Disciplinaire maatregelen variëren van een schriftelijke berisping tot ontslag, conform het Barp (Besluit algemene rechtspositie politie).
Ik heb uw Kamer aangegeven dat de politie ernaar streeft om met ingang van 2019 jaarlijks een geanonimiseerd overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen te publiceren. Op dit moment is het nog te arbeidsintensief om het totaal aantal voor specifieke disciplinaire maatregelen te genereren. Op verzoek van de korpsleiding is een landelijk systeem in ontwikkeling dat de Veiligheid, Integriteit en Klacht (VIK)- en HRM-processen koppelt en deze cijfers beter inzichtelijk zal maken. Het overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen zal vanaf 2020 in de jaarverantwoording worden opgenomen.
Zoals u bekend is kan ik geen uitspraken doen over individuele casus(sen). Ik kan daarom niet ingaan op de buitenfunctiestelling van de politiemedewerkers van de regionale eenheid Limburg en ook niet ingaan op de vraag of deze buitenfunctiestellingen te maken hebben met discriminatie van burgers.
Bent u het eens met de stelling dat de top van de politie zich heeft teruggetrokken in een «ministerieel fort» dat vervreemd is van de werkvloer? Zo ja, hoe gaat u samen met de korpschef zorgen dat de top van de politie nauw contact houdt met de politiemedewerkers op de werkvloer? Zo nee, waarom niet?
In iedere grote organisatie is een goede verbinding tussen de werkvloer en de top van de organisatie een continu aandachtspunt, zo ook bij de politie, een organisatie met meer dan 60.000 medewerkers. De werkoverleggen, briefings en reguliere operationele contacten worden, naast werkbezoeken, ingezet om de verbinding met de werkvloer te onderhouden en in gesprek te gaan over wat speelt.
Maakt u zich zorgen over de stelling dat politiemedewerkers die zich beklagen over discriminatie en intimidatie op de werkvloer worden doorverwezen naar hun eigen directe chefs, met als gevolg dat zij geen gehoor krijgen?
Iedere politiemedewerker moet zich vrij en door de leidinggevende gesteund voelen om een melding te maken wanneer hij of zij normoverschrijdend gedrag signaleert. Daarom bevordert de leiding van de politie een werkcultuur waarin het gesprek wordt aangegaan over gedragingen die als normoverschrijdend worden ervaren. Het is niet ongebruikelijk dat dit gesprek met de directe leidinggevende wordt aangegaan. Mocht de medewerker het gevoel hebben niet gehoord te voelen of niet bij de leidinggevende terecht te kunnen, dan zijn er verschillende andere mogelijkheden om (signalen van) normoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken. Dit zijn bijvoorbeeld het vertrouwenswerk, de afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten, het Landelijk Meldpunt Misstanden en programma’s als de Kracht van het Verschil. Daarnaast beschikt de politie over de regeling klachten grensoverschrijdende omgangsvormen voor formele klachten over deze specifieke ervaringen; deze klachten worden onderzocht door de klachtencommissie grensoverschrijdende omgangsvormen. Deze commissie wordt per klacht samengesteld en bestaat uit interne medewerkers en externe personen met passende expertise. Naar de leidinggevende wordt slechts terugverwezen als het gelet op de inhoud van de klacht gepast is om dit met de leidinggevende te bespreken.
Herkent u de stelling dat het hier vooral gaat om een groep «blanke, mannelijke, oudere heteromannen» «met de grootste mond» die het voor het zeggen hebben? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Nee. De politie werkt hard aan het verbeteren van een werkklimaat waarbij integriteit, een inclusieve werksfeer en elkaar aanspreken belangrijke pijlers zijn. Daarin is iedereen gelijkwaardig en is geen plaats voor één specifieke groep die de boventoon voert.
De aanpak ziet op het creëren van een veilig werkklimaat, het voeren van de dialoog en het geven van professionele ruimte. Leidinggevenden vervullen een centrale rol in het realiseren van een veilige en inclusief werkklimaat.
Is het waar dat de korpschef «bevriende blanke 55-plussers aan de top» blijft benoemen terwijl er veel divers leiderschapstalent voorradig is?
Het korps heeft de afgelopen jaren juist geïnvesteerd in diversiteit in achtergrond en gender op leidinggevende posities. Het uitgangspunt bij de selectie is een objectieve, geïndividualiseerde beoordeling van de kandidaten. De politie maakt daarbij steeds meer gebruik van competentiegericht werven en selecteren. Gekeken wordt welke aanvullende competenties in een team nodig zijn, zoals culturele sensitiviteit, het spreken van een taal of beschikken over een netwerk binnen bepaalde groepen in de samenleving. Daar wordt dan concreet op geworven.
Kunt u helderheid verschaffen over de mate van diversiteit in de samenstelling van de top van de politie, met inbegrip van de leiderschapstop van de tien regionale eenheden, de Politieacademie en de basisteams?
Het korps heeft de afgelopen jaren met een talentprogramma geïnvesteerd in diversiteit in achtergrond en gender op leidinggevende posities. De korpschef heeft extra ontwikkelplekken toegevoegd aan de strategische top voor divers talent. Er is geen wettelijke basis grondslag voor het registreren van de migratieachtergrond van personen. Dientengevolge zal er ook geen overzicht kunnen worden gegenereerd van het percentage in de strategische top met een migratieachtergrond. Wel kan een beeld gegeven worden van de genderdiversiteit in de strategische top: het percentage vrouwen is gestegen van 33% in 2016 naar 42% in 2019.
Heeft u onderzoek gedaan naar de cultuur op de werkvloer bij de politie en/of bent u bereid een onderzoek te laten uitvoeren op reguliere basis? Bent u bereid dientengevolge maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat de #Me Too beweging volledig voorbijgaat aan de politie en dat vrouwelijke politiemedewerkers zich geregeld extreem onveilig voelen in hun eigen organisatie? Welke concrete maatregelen neemt u om een inclusieve cultuur op de werkvloer te bewerkstelligen waar voor seksisme geen plaats is?
Deelt u de mening dat een inclusieve werkcultuur een noodzakelijke voorwaarde is om de politie kwalitatief en kwantitatief op peil te houden en aan te laten sluiten op de huidige maatschappij?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ontoelaatbare gedragingen zoals discriminatie, intimidatie en seksisme van politiemedewerkers worden voorkomen, zowel onder elkaar als naar de burgers?
Hoe beschouwt u in dit licht de constatering uit eerder onderzoek dat medewerkers met een niet-Nederlandse achternaam eerder ten onrechte van vertrouwelijk politie-informatie worden verdacht?2
Deelt u de mening dat een plan van aanpak urgent is? Zo ja, kunt u de Kamer onverwijld verwittigen over de maatregelen die u neemt?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Het handelen van de NVWA met ondeugdelijk pootgoed en opvolging van meldingen door keuringsdiensten |
|
Maurits von Martels (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opschudding: grootschalige fraude met aardappelen in Kruisland»?1
Ja.
Welke maatregelen zijn tot nu toe in Nederland genomen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) tegen de fraudeur? Worden in Nederland de met frauduleus pootgoed beplantte akkers geruimd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten hoe u bent omgegaan met het handhavingsverzoek van Breederstrust?
Breederstrust heeft een verzoek bij de NVWA ingediend tot het doen van onderzoek. Het verzoek is in behandeling bij de NVWA-IOD. De NVWA-IOD onderzoekt de informatie en beoordeelt in overleg met het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM) of er aanleiding is om een strafrechtelijk onderzoek te starten.
Kunt u toelichten in hoeverre in deze zaak grensoverschrijdende aspecten spelen?
In deze zaak gaat het om afzet van Nederlandse pootaardappelen door een handelsbedrijf, dat zowel in Nederland als in België een vestiging heeft. Het handelsbedrijf heeft de pootaardappelen geleverd aan meerdere Belgische telers. Twee van de telers hebben deze aardappelen voor een deel gepoot in Nederland.
Is er een strafrechtelijk onderzoek ingesteld in België en Nederland naar de betreffende fraudeur? Tussen welke autoriteiten in België en Nederland wordt nu samengewerkt?
De NVWA en de NAK hebben contact met de Belgische autoriteiten in deze zaak. Over de exacte activiteiten van de Belgische autoriteiten heb ik geen zeggenschap en kan ik geen mededelingen doen. Zie het antwoord op vraag 2 voor het onderzoek in Nederland.
Welk besluit hebben de Belgische autoriteiten tot nu toe genomen en welke besluit de Nederlandse autoriteiten?
In België heeft het FAVV besloten dat de teelt beëindigd moet worden op percelen waar het onder vals label afgeleverde pootaardappelen zijn uitgeplant.
In Nederland heeft de NAK de keuring en certificering van pootaardappelen bij de betrokken pootaardappelteler voor minimaal drie jaar opgeschort. De NAK heeft de betrokken handelaar aansprakelijk gesteld voor de schade door gebruik van de valse labels en het maken van inbreuk op het NAK-beeldmerk.
In Nederland zijn twee percelen (totaal 17,5 ha) uitgeplant met het betrokken pootgoed. De NVWA heeft op deze percelen fytosanitaire maatregelen opgelegd, te weten een aanvullende veldinspectie en toetsing van geoogste partijen op quarantaineziekten.
Welke maatregelen worden getroffen door de NVWA opdat er een betere internationale afstemming is van maatregelen en besluiten tussen de verschillende lidstaten, waarbij voorkomen wordt dat twee of meer lidstaten in dezelfde casus verschillende besluiten nemen, wat tot ongewenste spanningen leidt tussen lidstaten en het internationale bedrijfsleven?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om tot maatregelen te komen voor een betere internationale afstemming. De NVWA neemt de gang van zaken bij de behandeling van deze vermoedelijke fraude mee in het overleg met de FAVV.
Deelt u de mening van de indieners dat het voor de pootgoedsector, maar zeker ook voor andere sectoren, heel belangrijk is dat fraude snel en doeltreffend wordt aangepakt om imagoschade en toekomstige fraude te voorkomen?
Ja.
Welke maatregelen kunnen door de plantaardige keuringsdiensten, zoals de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed (NAK) en Skal biocontrole, en door de NVWA genomen worden tegen fraude?
De genoemde organisaties kunnen maatregelen nemen om fraude te voorkomen, in een vroeg stadium te signaleren en daar opvolging aan geven door gebruik te maken van hun bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden op grond van de Landbouwkwaliteitswet of, Zaaizaad-en Plantgoedwet 2005 (en voor Skal eventueel ook nog de Wet Dieren) en/of Plantenziektenwet. Hierbij kan gedacht worden aan risicogericht toezicht bij bedrijven met een verhoogde kans op overtredingen, de mogelijkheid om ondeugdelijk teeltmateriaal uit de handel te halen, maar ook besluiten tot een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. De NVWA-IOD kan gebruik maken van de aan haar toegekende opsporingsbevoegdheden.
Het wetsvoorstel Plantgezondheidswet (Kamerstuk 35 083, nr. 2) introduceert de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete door de NVWA naast het bestaande strafrechtelijke handhavingsinstrument (duale handhaving). De NVWA bepaalt op basis van haar interventiebeleid welk handhavingsinstrument passend is bij de gemaakte overtreding. Het instrument van de bestuurlijke boete kan op basis van deze afweging ook worden ingezet bij overtredingen ten aanzien van plantenpaspoorten (opgenomen op het NAK-label).
Kunt u aangeven hoe meldingen van fraude door de plantaardige keuringsdiensten door de NVWA worden opgevolgd?
De NVWA hanteert een vaste procedure voor het opvolgen van vermoedens van overtredingen, die door keuringsdiensten worden gemeld. De procedure voorziet in het afwegen van alle mogelijke juridische vervolgstappen: bestuursrechtelijke maatregelen, het opschorten van erkenningen en vergunningen en strafrechtelijk onderzoek. Bij vermoedens van fraude wordt de NVWA-IOD ingeschakeld (zie ook vraag 3). De NVWA-IOD onderzoekt de informatie en beoordeelt in overleg met het Functioneel Parket van het OM of er aanleiding is om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Daarbij merk ik op dat de vraag of een overtreding aangemerkt dient te worden als fraude (waarbij sprake is van opzettelijk illegaal handelen en bedrog), pas na afronding van het onderzoek goed beantwoord kan worden.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van fraude door de plantaardige keuringsdiensten bij de NVWA zijn binnen gekomen, hoeveel bedrijven dit betreft en hoe deze meldingen zijn opgevolgd?
In 2019 zijn er tot nu toe vijf gevallen van vermoedelijke fraude met betrekking tot fytosanitaire wet- en regelgeving behandeld door de NVWA naar aanleiding van een melding door een plantaardige keuringsdienst. Hierbij waren vijf bedrijven betrokken. De meldingen zijn opgevolgd zoals genoemd bij vraag 10.
Bent u bereid om het gesprek aan te gaan met de plantaardige keuringsdiensten om gezamenlijk te bekijken op welke wijze opvolging van meldingen en handhaving van fraude structureel verbeterd kan worden?
Ja.
Zijn er mogelijkheden om de plantaardige keuringsdiensten meer bevoegdheden te geven om op te treden tegen gecertificeerde en niet-gecertificeerde bedrijven? Zo ja, welke mogelijkheden zijn er en wordt hierover nagedacht? Bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de sectoren?
Mijn uitgangspunt is dat de plantaarde keuringsdiensten op dit moment voldoende bestuursrechtelijke bevoegdheden hebben om op te treden tegen gecertificeerde en niet-gecertificeerde bedrijven. Op grond van de Landbouwkwaliteitswet bestaat daarnaast ook de mogelijkheid tot het nemen van tuchtrechtelijke maatregelen (waaronder een geldboete), naast strafrechtelijke handhaving. Uiteraard is het mogelijk om de plantaardige keuringsdiensten aanvullende bevoegdheden te geven, zoals het opleggen van een bestuurlijke boete, maar dit acht ik op dit moment niet opportuun. Ik zie dan ook op dit moment geen aanleiding om hierover verder het gesprek met de sector aan te gaan.
Verboden staatssteun aan Nike |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over onterechte belastingvoordelen voor Nike?1
Ja, ik ben op de hoogte van deze berichtgeving.
Waarom bent u akkoord gegaan met een ruling, die een groot deel van de winst naar commanditaire vennootschappen (cv's) («lege hulzen») schuift, die geen vennootschapsbelasting (VPB) betalen?
In een ruling geeft het College Internationale Fiscale Zekerheid van de Belastingdienst zekerheid over de fiscale behandeling van een voorgelegd geval op basis van de geldende fiscale wet- en regelgeving. De hoogte van de te betalen belasting is gelijk met of zonder ruling. In een ruling die ziet op de vaststelling van verrekenprijzen door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel (arm’s-lengthbeginsel) wordt voor de bepaling van de Nederlandse winst een zakelijke beloning vastgesteld voor door een vennootschap in Nederland uitgeoefende functies, gebruikte activa en gelopen risico’s.
Waarom betalen deze commanditaire vennootschappen geen vennootschapsbelasting?
Voor fiscale doeleinden dient onderscheid te worden gemaakt tussen een zogenoemde open en besloten commanditaire vennootschap. Er is sprake van een open commanditaire vennootschap indien voor de toetreding of vervanging van de commanditaire vennoten niet de toestemming van alle vennoten noodzakelijk is. Is daarvoor de toestemming van alle vennoten noodzakelijk, dan is sprake van een besloten commanditaire vennootschap. Een open commanditaire vennootschap is zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Een besloten commanditaire vennootschap daarentegen is niet zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In Nederland woonachtige of gevestigde vennoten zijn in dat geval – afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval – belastingplichtig in de inkomsten- of vennootschapsbelasting voor de winst van de besloten commanditaire vennootschap die aan hen toekomt. In een aantal andere landen, zoals de Verenigde Staten, worden de aldaar woonachtige of gevestigde vennoten in een commanditaire vennootschap echter niet in alle gevallen in de heffing betrokken. Daardoor kan een mismatch ontstaan als gevolg waarvan de resultaten van een commanditaire vennootschap in zowel Nederland als het andere land niet in de heffing worden betrokken. Het recent door mij ingediende wetsvoorstel Wet implementatie tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking voorkomt dat internationaal opererende ondernemingen kunnen inspelen op dergelijke verschillen tussen nationale vennootschapsbelastingstelsels.2
Kunt u ervoor zorgen dat bij Nike zo spoedig mogelijk een blauwe envelop in de brievenbus valt, met daarin een naheffing over de te weinig betaalde belasting?
Het staat niet vast dat te weinig belasting betaald is. De Europese Commissie heeft twijfels over sommige aspecten van de rulings en is de rulings op dit moment verder aan het onderzoeken op mogelijke staatssteun. Ik heb uw Kamer aangeboden in een vertrouwelijke en besloten technische briefing informatie te verstrekken over de onderzoeksprocedure, de afgesloten rulings en het standpunt van Nederland. Tijdens de technische briefing kan eventueel ook nader ingegaan worden op vraag 2.
Hoeveel bedraagt deze te weinig betaalde belasting?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat u van zins bent om alle nieuwe rulings, die alleen maar belastingontwijking beogen, niet meer toe te staan?
In het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter is opgenomen dat de inspecteur geen vooroverleg voert ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter als het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende beweegredenen voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transactie(s) is.3 Het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter is in werking getreden op 1 juli 2019. De voorwaarden voor het aangaan van vooroverleg gelden vanaf die datum. Voor situaties vóór 1 juli 2019 gold overigens ook al de voorwaarde dat er geen vooroverleg werd aangegaan als het besparen van Nederlandse belasting de enige dan wel doorslaggevende beweegreden was voor het verrichten van de (rechts)handeling(en).4
Geldt dit ook voor reeds bestaande rulings? Of is dit alleen zo als de Europese Commissie u op het matje roept?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Europese Commissie vragen om alle bestaande rulings van Nederland door te lichten en, indien nodig, bij te stellen?
Rulings hebben al de volle aandacht van de Europese Commissie. Sinds juni 2013 is de Commissie individuele fiscale rulings van lidstaten aan het doorlichten aan de hand van de EU-staatssteunregels. De Europese Commissie heeft haar verzoek om informatie uitgebreid tot alle lidstaten in december 2014, waarbij lijsten met afgegeven rulings werden verstrekt op basis waarvan de Europese Commissie individuele rulings heeft opgevraagd.5 Nederland werkt aan deze onderzoeken volledig mee en spant zich in om niet in strijd te handelen met de staatssteunregels. Bij de opening van de formele onderzoeksprocedure inzake Starbucks heeft de Europese Commissie overigens aangegeven dat zij van mening is dat Nederland in het algemeen een uitvoerige beoordeling maakt op basis van uitgebreide informatie van de belastingplichtige. De Europese Commissie verwachtte dan ook geen systematische onregelmatigheden aan te treffen in de rulings. Bij de opening van de formele onderzoeksprocedure inzake Nike heeft de Europese Commissie vervolgens aandacht besteed aan de recente inspanningen van Nederland ter bestrijding van belastingontwijking, aanpassingen van de praktijk rondom rulings met internationaal karakter en plannen om een bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan vennootschappen in belastingparadijzen in te voeren.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de op 3 april 2018 aangenomen motie-Azarkan over de substance eisen voor brievenbusfirma’s?
In het Besluit vooroverleg met een internationaal karakter dat per 1 juli jl. in werking is getreden is de term «economische nexus» geïntroduceerd. Hierdoor wordt door de Belastingdienst geen vooroverleg gevoerd en derhalve geen ruling tot stand zal komen indien geen sprake is van economische nexus. Hiermee doe ik recht aan de door uw Kamer aangenomen motie waarin wordt gevraagd om de substance-eis afhankelijk te maken van de omvang en inhoud van de activiteiten van de onderneming die om een ruling vraagt.
Wanneer en hoe zullen deze substance eisen ingevoerd worden?
Zie antwoord vraag 9.
Miljoenentekorten bij de grootste zorginstelling van Nederland |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de miljoenentekorten bij de Parnassia Groep, de grootste zorginstelling van Nederland?1
Het is niet goed wanneer een grote zorgaanbieder verlies lijdt. Voor mij is van belang dat de kwaliteit en continuïteit van zorg geborgd is. De Parnassia Groep zelf heeft aangegeven dat het een gezonde organisatie is met een behoorlijk weerstandsvermogen, dat het het huidige verlies kan dragen en dat de Parnassia Groep de afgelopen jaren steeds positieve financiële resultaten heeft gerealiseerd. Desgevraagd wordt dit beeld bevestigd door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die de ontwikkelingen volgt vanuit haar toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en zorgkantoren.
Het miljoenentekort zou ontstaan zijn doordat verzekeringsmaatschappijen en gemeenten rekeningen van geleverde zorg niet betaald hebben en vanwege het grote personeelstekort; kunt u (laten) uitzoeken waarom verzekeringsmaatschappijen en gemeenten rekeningen van geleverde zorg niet betaald zouden hebben? Zo neen, waarom niet?
Verzekeraars, gemeenten en aanbieders maken afspraken met elkaar over de te leveren zorg en de betalingen die daarbij horen. Die afspraken worden vastgelegd in contracten die zij met elkaar sluiten. Ik heb geen inzicht in de inhoud van die contracten. Partijen kunnen een eventueel conflict aan de rechter voorleggen. Voor de afspraken tussen verzekeraars en aanbieders geldt dat als een van beide partijen de indruk heeft dat de afspraken niet nagekomen worden, zij daarvoor terecht kunnen bij een onafhankelijke instantie: de geschillencommissie zorgcontractering.
Hoe komt het dat het ziekteverzuim binnen Parnassia met 8,4% zo hoog is? Wilt u dit navragen?
Voor de gehele sector zorg en welzijn geldt dat het ziekteverzuimpercentage relatief hoog ligt vergeleken met het landelijke gemiddelde: in 2018 respectievelijk 5,7% voor zorg en welzijn en 4,3% economie breed (bron: CBS). Ook is het ziekteverzuimpercentage in de zorgsector gestegen sinds 2015. Naast de algemene oorzaken zoals uitval vanwege griep of persoonlijke omstandigheden, speelt hierbij een relatief hoge fysieke en mentale belasting van de medewerkers in zorg en welzijn. Niet alleen worden er veel avond-, nacht- en weekenddiensten gewerkt, ook de aard van het werk geeft meer psychosociale arbeidsbelasting voor het personeel. Dat geldt ook zeker in de ggz. Het ziekteverzuimpercentage voor de branche ggz ligt hoger dan gemiddeld voor zorg en welzijn, namelijk 6,0% in 2018 (bron: CBS).
Volgens het jaarverslag van de Parnassia Groep is het ziekteverzuim over 2018 6,3% en is sprake van een stijging sinds 2016 (in 2016 was dit 5,1% en in 2017 was dit 5,8%). Daarmee ligt het ziekteverzuim voor de Parnassia Groep iets hoger dan het landelijke percentage voor de branche ggz. Het ziekteverzuimpercentage van 8,4% heeft betrekking op één van de zorgonderdelen van Parnassia Groep dat zich richt op specialistische behandeling aan patiënten die kampen met ernstige psychiatrische aandoeningen. Bij dit zorgonderdeel wordt naast de inzet van verzuimcoaches en aanvullende trainingen van leidinggevenden door Parnassia extra ingezet op gezondheidsbevorderende activiteiten.
Parnassia Groep geeft desgevraagd aan dat de stijging van het ziekteverzuim is opgebouwd uit een hogere meldingsfrequentie en een toename van langdurend verzuim in 2018, als gevolg van werkomstandigheden met name bij de cliëntgroepen met ernstige psychische aandoeningen in combinatie met personele krapte.
Vindt u het acceptabel dat door de druk op het personeel bij Parnassia er langere wachtlijsten zijn en kortere behandelingen worden ingezet, waardoor mensen (met verward gedrag) sneller op straat terechtkomen? Is dit wel verantwoord? Kunt u uw antwoord toelichten?
Parnassia heeft bij mij aangegeven dat zij een aantal dingen doet om meer patiënten te kunnen behandelen en op die manier de wachtlijsten te verminderen. Zo wordt bijvoorbeeld behandeling in groepen ingezet als dat mogelijk is. Patiënten kunnen op die manier ervaringen delen en een netwerk opbouwen, en er kunnen meer mensen tegelijk geholpen worden. Ook maakt Parnassia gebruik van digitale behandeling waarbij patiënten met bijvoorbeeld een angststoornis ter plekke hulp krijgen via face-time en chat als ze in angstige situaties terecht komen. Bij de digitale behandeling kunnen twee keer zoveel patiënten behandeld worden als bij enkel face to face behandeling.
Uiteraard moet Parnassia net als elke andere instelling voldoen aan de geldende kwaliteitsstandaarden. De IGJ ziet daarop toe.
Is de zorg aan patiënten bij Parnassia op dit moment goed geborgd? Is de Inspectie Volksgezondheid en Jeugd hierbij betrokken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de door de Parnassia Groep geboden zorg en betrekt daarbij ook de financiële situatie. De inspectie heeft geen signalen of meldingen ontvangen van of over de Parnassia Groep dat de zorg aan patiënten niet voldoende geborgd zou zijn vanwege financiële problemen.
Hoe beoordeelt u de plannen van Parnassia om opleidingen van personeel te beperken en minder personeel in te huren? Begrijpt u dat vast personeel vreest voor nog meer druk op hun werk?
Om personeelstekorten terug te dringen is het noodzakelijk om in te zetten op instroom van personeel, behoud van personeel en anders werken. Parnassia Groep geeft aan te kiezen om het personeelsbeleid op een duurzame wijze vorm te geven, rekening houdend met de huidige financiële positie. De organisatie geeft daarbij aan om in plaats van externe inhuur meer in te zetten op instroom van personeel in loondienst en het behoud van zittend personeel. Parnassia Groep heeft mij verder laten weten dat het opleiden en bijscholen van zittend personeel nog steeds mogelijk is, maar dat er strikter wordt gekeken of dit past binnen de werkzaamheden en of de opleiding noodzakelijk is voor de uitvoering van de functie. Deze overwegingen om tot duurzame oplossingen te komen op een wijze die past bij de financiële positie, kan ik begrijpen. Het blijft de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder om de kwaliteit van zorg te garanderen. De IGJ ziet hier nauwgezet op toe.
Hoe wordt omgegaan met de grote druk die personeel nu ervaart? Hoe verhoudt dit zich tot de ontslagen die Parnassia wil doorvoeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De personele opgave is groot in geheel zorg en welzijn, dat geldt ook voor de ggz. Het vraagt om alle zeilen bij te zetten waarbij een structurele, gezamenlijke inspanning noodzakelijk is van landelijke en regionale partners. Dat stimuleer ik samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Medische Zorg en Sport via het actieprogramma Werken in de Zorg. Hierbij is een focus op alleen meer instroom van nieuw personeel niet voldoende, ook behoud van personeel en anders werken is noodzakelijk om de personeelstekorten terug te dringen. Het terugdringen van administratieve lasten en ervaren regeldruk is een belangrijke stap om ervoor te zorgen dat medewerkers tevreden zijn en dat zij kunnen doen waarvoor zij zijn opgeleid. Voor de maatregelen hieromtrent verwijs ik u naar het antwoord op vraag 9.
Parnassia Groep heeft mij laten weten dat er geen sprake zal zijn van ontslag van zorgpersoneel. Door de samenvoeging van de ggz-instelling Antes uit Rotterdam met de Parnassia Groep, wil Parnassia Groep in vier jaar tijd 300 fte besparen op centrale ondersteuning. Deze plannen zijn al grotendeels uitgevoerd en lopen door in 2019 met een laatste deel in 2020. Parnassia Groep geeft aan de besparing die dit oplevert in te willen zetten voor de verbetering van de zorg. Parnassia Groep zet hierbij zoveel mogelijk in op natuurlijk verloop van personeel en herplaatsingen (van werk naar werk) en het zoveel mogelijk terugdringen van externe inhuur. Tevens is er een doorlopend sociaal plan met de vakbonden overeengekomen.
Personeel dat uitstroomt bij Parnassia Groep en een baan in zorg en welzijn overweegt, kan via het contactpunt van de regionale werkgeversorganisatie advies op maat krijgen over mogelijkheden in de eigen woonomgeving. Ik breng dit onder de aandacht bij de Parnassia Groep. Op de website www.ontdekdezorg.nl is daarnaast uitgebreide informatie beschikbaar over de diversiteit aan mogelijkheden binnen zorg en welzijn.
Wilt u de Kamer informeren als bekend is hoeveel personeel bij Parnassia wordt ontslagen? Wat gaat u doen om deze medewerkers te behouden voor de zorg? Krijgen zij allemaal een overgangsregeling naar een andere baan in de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u van de uitspraak van bestuursvoorzitter Stephan Valk die schat dat tussen de 40 en 50 miljoen euro in onnodige administratieve lasten zit? Kunt u laten navragen waarin deze kosten voor onnodige bureaucratie precies zitten?
De Parnassia Groep heeft mij aangegeven dat de kosten voor onnodige bureaucratie voortkomen uit de verschillende regels c.q. administratieve eisen die financierders (zorgverzekeraars, gemeenten etc.) hanteren. Het is complex om de verschillende registratie-eisen te uniformeren. Dit komt mede doordat de registratie-eisen een verschillende wetgevingsbasis (Wet langdurige zorg, Wmo, Wet Forensische zorg en Zorgverzekeringswet) en dus een verschillende financierder kennen.
Op 23 mei 2018 lanceerden wij het programma (Ont)Regel de Zorg, met als doel het merkbaar verminderen van de regeldruk die zorgprofessionals en patiënten/cliënten ervaren. Het is een urgent en belangrijk vraagstuk, zeker in het licht van de krappe arbeidsmarkt in zorg en welzijn. Ik onderschrijf dan ook de uitspraak van de bestuursvoorzitter, de heer Valk, dat de regeldruk onnodig hoog is en merkbaar verminderd moet worden. Mede door de implementatie van de actiepunten uit het Actieplan (Ont)Regel wordt beoogd de regeldruk merkbaar te verminderen voor zorgprofessionals. Voor een actuele stand van zaken verwijs ik u naar www.ordz.nl. Na de zomer zullen wij de leden van de Tweede Kamer informeren over de voortgang van het Actieplan (Ont)Regel de zorg en of de genomen acties tot een daadwerkelijke daling van de ervaren regeldruk leiden. Naast de uitvoering van het Actieplan is Rita Verdonk als speciaal adviseur aan de slag gegaan om de regeldruk bij professionals in de Wmo en jeugdhulp aan te pakken. Zij organiseert sessies met werkgevers, professionals, gemeenten, toezichthouders en andere betrokkenen om in beeld te brengen welke onnodige regels er zijn en wat er moet gebeuren om deze af te schaffen. Daarnaast zal vanaf het einde van de zomer de (Ont)Regelbus door het land rijden om het komende jaar zo’n 30 zorginstellingen te bezoeken en op lokaal niveau te helpen meer ruimte in de regels te creëren. Zowel mevrouw Verdonk als de (Ont)Regelbus zullen de Parnassia Groep bezoeken om de regeldruk binnen de Parnassia Groep te helpen verminderen.
Andere initiatieven, zoals het experiment van Arkin in samenwerking met Zilveren Kruis, de NZa en VWS, kunnen de Parnassia Groep aanknopingspunten bieden om tot lastenvermindering te komen. Dit experiment (actiepunt 19 Actieplan (Ont)Regel de zorg/ sectorplan ggz) is 1 januari 2019 gestart en houdt in dat binnen de bestaande systematiek in de Zorgverzekeringswet gekozen is voor een andere manier van vastleggen, met name ten aanzien van de registratie van indirecte tijd. In plaats van én inhoudelijke verslaglegging én contactregistratie door de behandelaren, volstaat alleen de inhoudelijke verslaglegging van de directe cliëntgesprekken. De vertaling naar rechtmatige declaraties aan de achterkant wordt administratief afgehandeld. Er is een verschuiving van focus op registratie en verantwoording naar zinnige dossiervoering en behandeluitkomsten. Zorgverleners bij Arkin beogen hiermee circa 45 minuten per zorgverlener per dag minder registratielast. Deze tijd wordt nu ingezet voor direct cliëntcontact. Dit zorgt voor meer arbeidsvreugde en een aantrekkelijke arbeidsmarktpositie van deze teams.
Hoe oordeelt u over het exorbitante salaris van bestuursvoorzitter Stephan Valk dat in 2018, 205.025 euro bedroeg, in het licht van de grote druk op het personeel en dreigende ontslagen?2
In algemene zin wil het kabinet maatschappelijk verantwoorde inkomens en ontslagvergoedingen voor topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Wat daarbij aanvaardbaar is, is vastgelegd in Wet Normering Topinkomens (WNT). Ook het salaris van de bestuursvoorzitter van Parnassia wordt begrensd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De WNT kent echter overgangsrecht, waardoor topfunctionarissen gedurende een vastgestelde periode meer kunnen verdienen dan de WNT-norm, zonder dat sprake is van overtreding van de WNT. Volgens het jaarverslag van Parnassia is er sprake van overgangsrecht, waardoor de bezoldiging van de bestuurdersvoorzitter boven de WNT-norm ligt. Ik heb het CIBG, de onafhankelijk toezichthouder op de WNT in de zorgsector, gevraagd te onderzoeken of het overgangsrecht bij Parnassia juist is toegepast.
Hoe oordeelt u over de vele BV-constructies die de Parnassia Groep gebruikt om de zorg te organiseren? Heeft de samenleving er in uw ogen op deze wijze voldoende zicht op hoe het zorggeld binnen deze organisatie besteed wordt? Bent u bereid de BV-constructies van de Parnassia Groep te laten onderzoeken op goed bestuur? Zo neen, waarom niet?
De Parnassia Groep is een omvangrijke organisatie met veel medewerkers die in verschillende regio’s op meerdere locaties zorg leveren aan patiënten in verschillende specialismen. De structuur van de Parnassia Groep is opgebouwd uit een stichting met daaronder verschillende BV’s. De verschillende BV’s zijn opgebouwd rondom bepaalde doelgroepen, activiteiten en regio’s. Parnassia geeft desgevraagd aan dat dit een manier is om relatief kleinschalig te blijven werken dichtbij patiënten en andere stakeholders en dat het daarvoor voor deze groepen duidelijk is met welke organisatie ze te maken hebben. De Parnassia Groep geeft bovendien aan dat alleen die zaken gezamenlijk organiseert die een overstijgende taak hebben zoals opleiding en onderzoek of waardoor schaalvoordelen te behalen zijn zoals de (financiële) administratie. Ook met een structuur bestaande uit verschillende BV’s kan onder meer door middel van adequate jaarverantwoording en jaarrekeningen transparantie worden gerealiseerd. Op basis van de Regeling verslaggeving WTZi en Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de financiële verslaglegging vastgesteld door een onafhankelijk accountant.
Een onderzoek naar BV-constructies bezien in het licht van goed bestuur vergt aanzienlijke investeringen van tijd en capaciteit van externe toezichthouders. In deze casus zie ik op dit moment geen aanleiding die een dergelijk onderzoek rechtvaardigt.
Het advies van de AIVD over de nationale veiligheid en veiling 5G |
|
Kathalijne Buitenweg (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat de brief van de AIVD over nationale veiligheid en 5G, van 4 februari 2019, niet al in februari is doorgestuurd naar de Tweede Kamer?
De brief van de AIVD en de MIVD betreft een eerste duiding ten aanzien van de veiligheidsvraagstukken rond de 5G telecominfrastructuur. De brief is meegenomen en meegewogen bij de nadere analyses die zijn uitgevoerd in het kader van de risicoanalyse van de Taskforce. Op basis van deze risicoanalyse is de Taskforce tot haar advies gekomen dat mede door de AIVD en de MIVD, als leden van de Taskforce, is opgesteld.
Omdat de brief van de AIVD en de MIVD één onderdeel is van het analyseproces van de Taskforce is er voor gekozen de brief niet los en buiten de context van de rapportage aan de Kamer te sturen. Begin juli 2019 is de brief van de AIVD en de MIVD als bijlage toegevoegd aan de rapportage van de Taskforce en onderdeel geweest van de vertrouwelijke briefing aan uw Kamer. Voorafgaand aan de briefing en het plenair debat over 5G is leden van de vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid en van Economische Zaken en Klimaat de mogelijkheid geboden de rapportage van de Taskforce en de brief vertrouwelijk in te zien. Op 8 juli jl. is de brief, naar aanleiding van berichtgeving in de Volkskrant, (ditmaal separaat) aan uw Kamer aangeboden.2
Wat is de reden dat de brief van de AIVD niet werd toegezonden als bijlage bij uw brief aan de Tweede Kamer van 1 juli 2019 over maatregelen ter bescherming van telecomnetwerken en 5G?1
Zie antwoord vraag 1.
Wat is het beleid met betrekking tot het doorgeleiden van AIVD-adviezen? Wie neemt de beslissing een advies al dan niet aan de Tweede Kamer toe te zenden?
Bij de grondwetswijziging in 1983 is door de regering betoogd dat bewindspersonen het parlement uit eigen beweging moeten informeren wanneer «dat in het belang van een goede en democratische bestuursvoering wenselijk is».3 De bewindspersonen die het advies hebben ontvangen hebben in dit geval besloten dat het wenselijk is uw Kamer te informeren. Hoe en in welke context de Kamer geïnformeerd is over de brief van de AIVD en MIVD leest u terug onder de beantwoording van vraag 1 en 2.
Herinnert u zich de brief Beveiliging nieuwe infrastructuur mobiele communicatie (C2000) (Kamerstuk 25 124, nr. 96)? Deelt u de constatering dat deze brief expliciet ingaat op de adviezen van de AIVD inzake C2000, zoals verwoord in de brief van de AIVD van 17 januari 2019?2
Ja deze brief herinner ik mij. In de brief wordt expliciet verwezen naar de adviezen van de AIVD inzake C2000 zoals verwoord in de bijlage ««Beantwoording adviesopdracht C2000»»5 van de AIVD van 17 januari 2019.
Waarom gaat de brief van 1 juli over 5G niet expliciet in op de aanbevelingen van de AIVD zoals verwoord in de brief van 4 februari 2019?
De Taskforce heeft een eigenstandige risicoanalyse uitgevoerd waarbij alle deelnemers betrokken zijn geweest en hun expertise hebben geleverd. Er is daarbij rekening gehouden met zowel veiligheids- als economische belangen. De brief van de AIVD en de MIVD is meegenomen en meegewogen bij de risicoanalyse van de Taskforce. De Taskforce heeft een eigenstandig advies opgesteld. De AIVD en de MIVD zijn deelnemers van de Taskforce en onderschrijven, net als de andere taskforce-leden, de voorgestelde aanpak.
Hoe beoordeelt u het advies van de AIVD (nummer 3 in de brief) om «een aanpak te formuleren voor het uitfaseren van bepaalde hard- en software binnen de kritieke belangen in de bestaande telecom infrastructuur (2G, 3G, 4G) afkomstig van dienstverleners uit landen met een offensief cyberprogramma»? Bent u van plan deze aanbeveling op te volgen?
De brief van de AIVD en de MIVD van februari 2019, is meegenomen en meegewogen bij de risicoanalyse van de Taskforce. Op basis van deze risicoanalyse worden verschillende maatregelen genomen, zoals ook gemeld aan uw kamer.6 De AIVD en MIVD zijn deelnemers van de Taskforce en onderschrijven, net als de andere Taskforce-leden, de voorgestelde aanpak. Deze maatregelen geven een adequaat antwoord op de dreiging en zijn van toepassing op de huidige en toekomstige netwerken. De noodzakelijke aanscherpingen van de eisen die worden gesteld aan de veiligheid en integriteit van de mobiele telecommunicatienetwerken zullen in nadere regelgeving worden vastgelegd en zal dit najaar worden gepubliceerd.
De aanpak van het kabinet is landenneutraal. Dit betekent dat elke leverancier – ongeacht land van herkomst – moet voldoen aan de extra hoge eisen die worden gesteld aan leveranciers van diensten en producten in de kritieke onderdelen van de telecomnetwerken.
De AIVD adviseert inzake C2000 om parallel aan de migratie te starten met een vervangingstraject waarbij de afhankelijkheid van landen met een offensief cyberprogramma gericht tegen Nederlandse belangen is geminimaliseerd. Ik neem dit advies over zoals aangegeven in mijn brief van 26 april jl.7 en heb onmiddellijk opdracht gegeven tot een verkenning naar een dergelijke oplossing. Ik zal uw Kamer hierover na de zomer informeren, dit heb ik tijdens het AO Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van 20 juni jl. bevestigd. Hierbij hecht ik er aan om uw Kamer er op te wijzen dat de veiligheid van C2000 en 5G andersoortige vraagstukken zijn die om andersoortige oplossingen vragen en derhalve is een ander proces doorlopen.8
Hoe beoordeelt u het advies van de AIVD (nummer 4 in de brief) om nieuwe afhankelijkheden in de 5G infrastructuur te voorkomen, «door bepaalde hard- en software van dienstverleners uit landen met een offensief cyberprogramma selectief te weren»? Hoe verhoudt dit advies zich tot uw uitspraken in het plenaire debat over de uitrol van 5G dat u kiest voor een landenneutraal uitgangspunt?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat u in uw brief van 26 april 2019 over C2000 schrijft dat u het advies van de AIVD om zo snel mogelijk over te gaan teneinde te komen tot een oplossing waarbij de afhankelijkheid van ICT-systemen uit landen waarvan is vastgesteld dat ze een offensief cyberprogramma voeren tegen Nederlandse belangen overneemt? Neemt u alle 8 de adviezen van de AIVD over 5G ook over, zo nee, welke niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u het advies van Professor Bart Jacobs van de Radboud Universiteit Nijmegen om met betrekking tot 5G van alle leveranciers open source software te verlangen, zoals verwoord in zijn brief van 2 april 2019 over de vernieuwing C2000?3 Bent u van plan dat advies op te volgen?
Professor Bart Jacobs heeft in zijn advies de vrijblijvende suggestie gedaan dat Nederland en Europa er goed aan zouden doen om collectief met betrekking tot 5G open source software van (alle) leveranciers te verlangen. Een dergelijke oplossingsrichting is er een van de lange termijn en zou indien wenselijk vorm moeten krijgen binnen een bredere Europese aanpak. Zoals u weet steunt het kabinet een Europese aanpak waar risicoanalyses en oplossingsrichtingen tussen lidstaten worden gedeeld. Het Europese traject naar aanleiding van de aanbeveling «»Cyberbeveiliging van 5G-netwerken»» moet resulteren in een instrumentarium dat maatregelen bevat om (nationaal) geïdentificeerde risico’s te kunnen aanpakken. Het instrumentarium wordt momenteel door de Lidstaten en de Commissie ontwikkeld.
Het journalistiek onderzoek naar kleine gasvelden in het Noordoosten van Nederland |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel van de journalisten over het strafrechtelijk onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM)?1 Wat is hierop uw reactie?
Ja, ik ken het artikel en ik heb uw Kamer reeds in 2017 respectievelijk 2018 op de hoogte gesteld van de in het artikel genoemde strafrechtelijk onderzoeken2.
Welke gevolgen heeft het voor de gaswinner als inderdaad blijkt dat dit bedrijf te veel, soms drie keer de toegestane hoeveelheid, geproduceerd heeft?
Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) is als onafhankelijk toezichthouder het bevoegde gezag voor het toezicht op de mijnbouwinrichtingen en locaties. De landelijke inspecties, waaronder SodM, hebben als vaste werkwijze dat wanneer zij handhavend optreden, zij een afschrift hiervan toesturen aan het OM. SodM noch ik zijn inhoudelijk op de hoogte van de genoemde strafrechtelijk onderzoeken. Het is gebruikelijk dat de onderzoeken in stilte worden gedaan.
Indien het OM tot de conclusie komt dat er strafrechtelijke vervolging gaat plaatsvinden, is het aan de strafrechter om te bepalen wat de gevolgen daarvan zijn.
SodM heeft aangegeven dat er op dit moment geen situaties zijn waar bij de winning van aardgas het winningsplan wordt overschreden.
Hebben de gaswinners een gewijzigd winningsplan ingediend? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor zover uw vraag betrekking heeft op de gaswinning uit het gasveld Diever, is het juist dat ik een gewijzigd winningsplan in procedure heb. Het ontwerpinstemmingsbesluit heeft voor de zomer van 2019 ter inzage gelegen en momenteel buig ik mij over de ontvangen zienswijzen.
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek van het OM en het onderzoek naar de NAM vanwege meerdere verontreinigingen? Gaat u de Kamer direct informeren?
Het is gebruikelijk dat het OM de strafrechtelijke onderzoeken in stilte uitvoert. Ik ben dan ook niet op de hoogte van de voortgang van het onderzoek. De resultaten van een strafrechtelijk onderzoek worden door het OM gecommuniceerd.
Wat gaat u voor omwonenden doen die rondom deze locaties wonen en zich zorgen maken?
Een mijnbouwmaatschappij krijgt alleen toestemming om gas te winnen als dit veilig kan. Aan deze toestemming worden altijd voorwaarden en beperkingen verbonden waarop SodM toeziet. Het onderzoek dat door het OM is gestart naar aanleiding van de door SodM geconstateerde overtreding is in eerste aanleg gericht op het al dan niet sanctioneren van de geconstateerde overtreding door SodM. Het is een instrument naast de bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten die SodM tot zijn beschikking heeft om tegen overtredingen op te treden. De bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten hebben niet tot doel om overtredingen te sanctioneren maar bedrijven te dwingen overtredingen of onveilige situaties te doen beëindigen. Ik stel hierbij vast dat er door SodM is opgetreden en de overtreding inmiddels is beëindigd.
Ik besef dat de gaswinning in Nederland zeer gevoelig ligt, ook uit de kleine velden. Hierbij is veiligheid de belangrijkste factor. Ik begrijp deze zorgen over hoe een onderzoek door het OM moet worden begrepen heel goed. Het onderzoek van het OM naar de door het SodM geconstateerde overtredingen is een voorbeeld van hoe verschillende instanties elkaar aanvullen om eenzelfde doel na te streven.
Door het verbeteren van de vindbaarheid van informatie op de websites van TNO en KNMI streef ik ernaar om alle beschikbare informatie toegankelijk te maken. Dit geeft omwonenden een beter inzicht waardoor zorgen kunnen worden weg genomen.
Klopt het dat u maandelijks de productiecijfers per veld ontvangt? Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze kwestie?
Op basis van de Mijnbouwregelgeving dienen de mijnbouwmaatschappijen maandelijks deze gegevens te overleggen. Deze gegevens zijn openbaar. De hoeveelheid aardgas die maandelijks per gasveld gewonnen wordt, wordt sinds 2003 gepubliceerd op www.nlog.nl. Het mijnbouwbedrijf moet uiterlijk vier weken na iedere kalendermaand deze gegevens verstrekken. TNO zorgt dat deze gegevens uiterlijk vier weken daarna worden gepubliceerd. Deze gegevens zijn te vinden onder het tabblad data/productie- en injectiedata.
In hoeverre wordt bij overige velden het winningsplan overschreden? Kunt een volledig overzicht geven?
SodM houdt toezicht op de gaswinning in Nederland. SodM heeft aangegeven op dit moment geen situaties te kennen waar bij de winning van aardgas het winningsplan wordt overschreden.
Welke effecten hebben de geconstateerde overschrijdingen, voor zowel mens als milieu?
Op dit moment zijn mij geen overschrijdingen van winningsplannen bekend.
Naast instemming met een winningsplan heeft een bovengrondse locatie een omgevingsvergunning, waarin doorgaans ook een maximum winningsvolume per dag is bepaald. Dit is een snelheid (gemeten in volume per dag) per winningslocatie. De overtreding die is geconstateerd, betrof een overschrijding van dit maximaal winningsvolume per dag. Overschrijding hiervan kan leiden tot het overtreden van de geluidsnorm in de vergunning.
Bent u bereid vooraf consequenties te stellen, zodat duidelijk is dat gaswinners zich daadwerkelijk aan het winningsplan moeten houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Aan mijn instemming met het winningsplan kan ik voorwaarden stellen. Een mijnbouwmaatschappij moet binnen deze instemming opereren. Het toezicht hierop ligt in handen van SodM. SodM houdt zowel toezicht op de verloop van de winning conform het winningsplan als ook toezicht op naleving van de omgevingsvergunningen van locaties.
SodM heeft aangegeven op dit moment geen situaties te kennen waar bij de winning van gas het winningsplan wordt overschreden. Wanneer overschrijdingen bij SodM bekend zijn, kan de inspecteur-generaal der mijnen (IGM) ingrijpen. Indien nodig kan een last onder dwangsom worden opgelegd om de overtreding ongedaan te maken. Voor het geval de overtreding in het verleden heeft plaatsgevonden, kan het Openbaar Ministerie worden ingelicht. Ik acht deze instrumenten afdoende om tegen te gaan dat gaswinning afwijkt van hetgeen vergund is of waarmee door mij is ingestemd. Of in bepaalde situaties overgegaan moet worden tot het verscherpen van het toezicht is ter beoordeling van SodM.
Stijgende nieuwbouwprijzen door klimaatregeltjes |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nieuwbouw wordt onbetaalbaar door regels»?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat u in antwoord op eerdere Kamervragen2 hebt geantwoord dat «... het versnellen van de woningbouw [...] uiteindelijk de beste oplossing [is] om tekorten terug te dringen en prijsstijging te beteugelen»? Waarom komt hier, na bijna twee jaar ministerschap, nog altijd bar weinig van terecht? Deelt u de mening dat uw aanpak van pappen en nathouden heeft gefaald?
In de Nationale Woonagenda heb ik met medeoverheden en marktpartijen de ambitie uitgesproken om jaarlijks 75 duizend woningen bij te bouwen. In 2018 is dit aantal bijna gehaald. Om het woningtekort terug te kunnen dringen is het van belang dat we de bouwproductie ook de komende jaren op niveau houden.
Daarvoor is het belangrijk dat er voldoende nieuwe plannen klaarliggen die op korte termijn te realiseren zijn. Maximale inzet van alle partijen is hiervoor nodig. Middels de woondeals die ik onlangs heb gesloten, heb ik hier concrete afspraken over gemaakt met de regio’s die de grootste tekorten kennen.
Hoe kan het dat er momenteel 17% méér voor een nieuwbouwwoning moet worden neergeteld dan een jaar eerder? Hoe gaat u deze prijsstijging «beteugelen»? Hoe gaat u voorkomen dat er louter onbetaalbare nieuwbouwwoningen worden gerealiseerd?
In de berichtgeving worden verschillende oorzaken genoemd voor de stijgende nieuwbouwprijzen, zoals de stijgende bouwkosten, de ontwikkeling van grondprijzen en de kosten van duurzaamheidsmaatregelen. Daarnaast kan de relatief hogere prijsstijging ten opzichte van bestaande woningen samenhangen met een verschil in locatie en kwaliteit van de woning, bijvoorbeeld een groter oppervlak of energiezuinigheid. In hoeverre deze factoren bijdragen en in welke mate is onbekend.
De berichtgeving is voor mij aanleiding om nader onderzoek te laten doen naar de oorzaken van stijgende nieuwbouwprijzen. Daarbij wil ik ook de kosten en baten van aardgasvrije nieuwbouw in kaart laten brengen. Ik verwacht u begin 2020 over de eerste uitkomsten te kunnen informeren.
Bent u ervan op de hoogte dat uw eigen klimaatbeleid, zoals gasloos bouwen, leidt tot extra, onnodige kosten bij nieuwbouwprojecten? Hoeveel van de gemiddeld € 80.000 hogere prijs van een nieuwbouwwoning (ten opzichte van een bestaande woning) is het gevolg van het vervallen van de gasaansluitplicht, waardoor men is aangewezen op peperdure warmtepompen e.d.?
Ik ben ervan op de hoogte dat het klimaatbeleid, zoals aardgasvrij bouwen, leidt tot hogere investeringskosten aan nieuwbouwwoningen. Het prijsverschil tussen nieuwbouwwoningen en bestaande woningen laat zich niet goed uitsplitsen. Wel zijn er cijfers bekend over de meerinvestering om nieuwbouw aardgasvrij uit te voeren.
Onderzoeksbureau DWA heeft in 2018 de investeringskosten bij een standaard tussenwoning van verschillende alternatieven voor aardgas in kaart gebracht3. Die investeringen lopen uiteen van ongeveer 5.000 euro tot ongeveer 15.000 euro exclusief BTW en subsidie. De Vereniging van Nederlandse Projectontwikkeling Maatschappijen (NEPROM) gaf bij haar inbreng bij het rondetafelgesprek Warmtewet met de Commissie EZK van de Tweede Kamer op 7 december 2017 aan dat de meerkosten aan de woning ongeveer 15.000 euro zijn4.
In het genoemde artikel van het FD5 wordt volgens de NVM-voorzitter het afgelopen jaar een woning met een warmtepomp voor gemiddeld € 30.000 meer te koop gezet dan eenzelfde woning met een cv-ketel.
De NVM-voorzitter heeft het echter over de meerprijs bij verkoop, die is niet perse gelijk aan de hogere investeringskosten. Niet alleen de bouwkosten hebben invloed op de prijs, deze wordt ook mede bepaald door de vraag en het aanbod van nieuwbouwwoningen.
Welke overige klimaat-, milieu en energieregeltjes, opgelegd door regionale overheden, werken prijsopdrijvend?
De eisen die vanuit het oogpunt van duurzaamheid aan gebouwen worden gesteld zijn landelijk uniform. Dwingende lokale afwijking, dus een lokaal strengere energieprestatiecoëfficiënt (EPC), is alleen mogelijk als het rijk dit expliciet toestaat. Dit is op verzoek van gemeenten op een aantal locaties mogelijk op grond van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Deze experimenten lopen vooruit op de lokale afwegingsruimte die gemeenten vanaf 2021 krijgen onder het Besluit bouwwerken leefomgeving, de opvolger van het Bouwbesluit 2012.
Of, en zo ja, in welke mate een lokaal strengere EPC een additionele investering aan een woning vereist is volledig afhankelijk van de wijze waarop de bouwer of projectontwikkelaar deze lagere EPC realiseert. Als de woning bijvoorbeeld op een relatief duurzaam warmtenet wordt aangesloten kan dat ook een lagere EPC opleveren. Afhankelijk van de wijze waarop de lagere EPC wordt gerealiseerd kan er een lagere energierekening voor de bewoner tegenover een eventuele hogere investering staan, bijvoorbeeld door betere isolatie of de toepassing van meer zonnepanelen.
Deelt u de mening dat uw klimaatbeleid niet alleen onbetaalbaar en onzinnig, maar óók funest voor de woningmarkt is? Bent u ertoe bereid het vervallen van de gasaansluitplicht terug te draaien en alle andere GroenLinksachtige klimaatregels te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Uw Kamer heeft per amendement de aansluitplicht voor nieuwbouw in de gaswet geschrapt. Ik ben niet bereid dit terug te draaien. Ik acht het duurzaamheids- en energiebeleid van dit kabinet verstandig.
Het landgebonden asielbeleid |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de verslechterde veiligheidsomstandigheden in Soedan? Heeft u al een verzoek gedaan bij de Minister van Buitenlandse Zaken voor een nieuw ambtsbericht voor Soedan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de recente ontwikkelingen in Sudan. Reeds voorafgaand aan deze ontwikkelingen was bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken verzocht om een nieuw ambtsbericht over Sudan. De verwachting is dat het nieuwe ambtsbericht in oktober 2019 zal worden gepubliceerd. De recente ontwikkelingen zullen in dit ambtsbericht worden meegenomen
Acht u het binnen de huidige situatie in Soedan mogelijk voor terugkerende asielzoekers, bescherming te vragen en te krijgen van de regering, voor zover van een regering sprake is?
Wanneer bij een individuele beoordeling geconcludeerd wordt dat een asielzoeker asielrechtelijke bescherming behoeft, wordt deze bescherming geboden in de vorm van een verblijfsvergunning asiel. Als uit die individuele beoordeling blijkt dat er geen vrees is voor vervolging of onmenselijke behandeling dan is het voor terugkeer ook niet noodzakelijk dat de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden.
Kunt u motiveren waarom u voldoende bewezen acht dat Iran niet langer homoseksuelen vervolgt? Bent u bekend met de arrestatie van 30 mannen op verdenking van sodomie in 2017?1
Ik ben bekend met genoemde berichtgeving. De beschreven gebeurtenis vond plaats tijdens de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Iran dat werd gepubliceerd in 2017. Het meest recente ambtsbericht schetst ten opzichte van de vorige verslagperiode een voorzichtig positieve ontwikkeling ten aanzien van de positie van lhbti’s. Het ambtsbericht geeft aan dat er geen sprake is van een actieve en systematische opsporing van lhbti’s. Op basis van de beschrijving van de positie van lhbti’s in het huidige ambtsbericht heb ik besloten lhb’s te benoemen tot risicogroep 2 Het ambtsbericht geeft geen aanleiding tot het formuleren van bijzonder beleid voor transgenders en interseksuelen. Het benoemen tot risicogroep betekent dat vreemdelingen die geloofwaardig tot deze groep behoren met geringe indicaties aannemelijk kunnen maken dat hun problemen een gegronde vrees voor vervolging vormen. Ook voorafgaand aan deze beleidswijziging was er sprake van een individuele toets.
Kent u het feit dat, hoewel homoseksualiteit an sich niet meer strafbaar is in Iran, homoseksuele handelingen dat wel degelijk zijn, en daar zelfs de doodstraf op staat? Zo ja, waarom vindt dat feit geen weerklank in uw landenbeleid?2
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 3 heb ik op basis van de informatie in het ambtsbericht besloten lhb-asielzoekers afkomstig uit Iran te benoemen tot risicogroep. De situatie van deze groep in Iran vindt hiermee weerklank in het landenbeleid. Lhb’s kunnen met geringe indicaties aannemelijk maken dat hun problemen een gegronde vrees voor vervolging vormen.
Verwacht u van homoseksuelen die terugkeren naar Iran dat zij geen homoseksuele handelingen verrichten om zo strafvervolging te ontlopen?
Nee. Er mag niet verlangd worden dat terughoudendheid wordt betracht ten aanzien van het uiten van de seksuele gerichtheid. Een homoseksueel zal een verblijfsvergunning krijgen als hij/zij de gerichtheid in het land van herkomst niet kan uiten op een manier die niet wezenlijk anders is dan wordt geaccepteerd van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst, zonder dat hij/zij een risico loopt op vervolging.
Waarom gaat u in het door u gewijzigde landenbeleid ten aanzien van Afghanistan niet in op de positie van minderjarigen?3
Kunt u ingaan op het feit dat in het algemene ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 maart 2019 staat dat onder 29% van de kinderen in Afghanistan kinderarbeid voorkomt? Hoe heeft u dit meegewogen in uw herziene landenbeleid ten aanzien van Afghanistan?
Kunt u ingaan op het feit dat in het algemene ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 maart 2019 staat dat scholen in Afghanistan vaak militair worden gebruikt door zowel de Taliban als de Afghaanse veiligheidsdienst, scholen ook worden aangevallen, en dat 43,7% van de kinderen met een leeftijd voor primair onderwijs niet naar school gaat? Hoe heeft u dit meegewogen in uw herziene landenbeleid ten aanzien van Afghanistan?
Kunt u ingaan op het feit dat in het algemene ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 maart 2019 staat dat Bacha Bazi, het seksueel misbruiken van jongens, door het hele land voorkomt, en dat door de Afghaanse overheid niet of nauwelijks wordt opgetreden tegen de daders? Hoe heeft u dit meegewogen in uw herziene landenbeleid ten aanzien van Afghanistan?
Hoe beoordeelt u het feit dat in het algemene ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 maart 2019 wordt geconcludeerd dat in Afghanistan in 42% van de huishoudens in elk geval één kind onder de achttien jaar getrouwd is? Heeft u het risico op kindhuwelijken meegewogen in uw herziene landenbeleid ten aanzien van Afghanistan? Zo ja, hoe?
Hoe zijn de in vragen 7 t/m 10 genoemde zaken meegewogen in de beslissing een gezin met vier kinderen uit te zetten naar Afghanistan?4
Voor welke delen van Rusland geldt volgens u dat zij mogelijk gelden als vestigingsalternatief voor LHBTI’s? Waarop baseert u dat LHBTI’s in deze gebieden op geloofwaardige bescherming van de Russische overheid kunnen rekenen?
Een beschermingsalternatief wordt zeer terughoudend toegepast. In het landenbeleid ten aanzien van de Russische Federatie wordt, naast de bepalingen uit de Vreemdelingencirculaire omtrent het beschermingsalternatief, aangenomen dat er voor lhbti’s uitsluitend een beschermingsalternatief is als uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij/zij langere tijd zonder problemen elders in de Russische Federatie heeft verbleven en daar ook thans een goed sociaal netwerk heeft.
Verwacht u van Russische LHBTI’s, die u een vestigingsalternatief tegenwerpt, dat zij geen uiting geven aan hun geaardheid/identiteit om gevaar te ontlopen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Nederlandse burgers die de dupe zijn van Amerikaanse regelgeving |
|
Steven van Weyenberg (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gevolgen van de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) voor Nederlandse burgers?
Ja.
Bent u bekend met de beantwoording van schriftelijke vragen die eerder zijn gesteld, onder andere over het bericht «Fiscaal verdrag drijft Amerikanen in Nederland tot wanhoop»1, vragen over «de uitwerking van FATCA»2 en vragen over «Amerikaanse belastinghervorming»3?
Ja.
Bent u, in het verlengde van bijvoorbeeld de inzet van president Macron, bereid het gesprek met president Trump van 19 juli a.s. te gebruiken om het belang van een oplossing voor deze groep, eventueel door middel van een brief, over te brengen?
Voor de problematiek van deze groep Nederlandse burgers die tevens Amerikaan zijn is tijdens het bezoek van de Minister-President aan Washington, D.C. door Nederland aandacht gevraagd. Ik heb zelf in mei van dit jaar tijdens mijn bezoek aan het Department of Treasury deze problematiek ook opgebracht. Het kabinet zal zich blijven inzetten voor deze groep mensen.
Welke vooruitgang is sinds mei geboekt bij het werken aan een oplossing voor de duizenden gedupeerden?
In de antwoorden op de Kamervragen gesteld op 19 juni jl. en beantwoord op 4 juli is reeds een terugkoppeling gegeven van de door hem in de VS gevoerde gesprekken.4 Vlak na het verzenden van die antwoorden is het onderwerp weer besproken tijdens een raadsvergadering in Brussel. Daarbij is vanuit Nederlandse zijde terugkoppeling gegeven van mijn recente bezoek aan de VS. Daarbij heeft Nederland ook nieuwe oproep gedaan voor een gecoördineerde actie in Europees verband richting de VS. De komende weken zal daar verder aan worden gewerkt.
Bent u bereid om net als de Staatssecretaris van Financiën in gesprek te gaan met belangenorganisaties van Nederlanders die ook de Amerikaanse nationaliteit hebben?
De problematiek staat reeds scherp op het netvlies van het kabinet. Vanuit het Ministerie van Financiën is er frequent contact met belangenorganisaties van Nederlanders die ook de Amerikaanse nationaliteit hebben. Daarbij heeft de Staatssecretaris van Financiën als vertegenwoordiger van het kabinet ook persoonlijk met betrokkenen gesproken.
Bent u bekend met het feit dat het kabinet heeft aangegeven dat de afwezigheid van het Social Security Number (SSN) geen weigeringsgrond kan zijn voor banken om een betaalrekening aan te vragen of te behouden?
Het kabinet is bekend met de verplichtingen die financiële instellingen hebben op het gebied van basisbetaalrekeningen (op grond van een geïmplementeerde Europese richtlijn). Op grond hiervan zijn banken in Nederland – kort samengevat – verplicht om een basisbetaalrekening aan te bieden, tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is. Een basisbetaalrekening is – kort gezegd – een betaalrekening waarbij geen debetstand mogelijk is. Het enkel ontbreken van een US TIN/SSN vormt voor de toepassing van deze wetgeving geen weigeringsgrond en kan daarmee geen aanleiding zijn om een basisbetaalrekening te weigeren of op te zeggen. Ik verwijs voor een nadere duiding naar de antwoorden op de Kamervragen van 18 maart jl.5 en de hiervoor genoemde antwoorden op de Kamervragen van 4 juli jl.
Wat vindt u van de signalen dat banken zich daar nog over beraden en op dit moment aanvragen van klanten met een Amerikaanse nationaliteit zonder SSN niet honoreren?
Ik kan mij voorstellen dat Nederlandse banken zich zorgen maken over de mogelijke gevolgen van het niet voldoen aan Amerikaanse regelgeving, zoals FATCA. Tegelijkertijd deelt het kabinet de angst dat onverwijld forse Amerikaanse sancties op grond van FATCA worden opgelegd niet. Het kabinet vindt het echter onwenselijk – zoals ik ook aangaf in beantwoording van de Kamervragen van 4 juli jl. – als er in strijd wordt gehandeld met de Europese betaalrekeningenrichtlijn en de Nederlandse implementatie daarvan. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Welke stappen neemt u tegen banken om te voorkomen dat betaalrekeningen van Nederlandse inwoners worden geblokkeerd?
In eerdere antwoorden op Kamervragen heb ik de visie van het kabinet over de toepassing van de Europese richtlijn over basisbetaalrekeningen uiteengezet. Deze uitleg is gecommuniceerd met de NVB. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om passende maatregelen te nemen als er wordt gehandeld in strijd met de Europese richtlijn over toegang tot een basisbetaalrekening.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse inwoners met een Amerikaanse nationaliteit altijd toegang moeten hebben tot een betaalrekening?
Alle inwoners van Nederland hebben – binnen de kaders van de Nederlandse implementatie van de Europese richtlijn over basisbetaalrekeningen – recht op toegang tot een basisbetaalrekening. Zie ook de antwoorden op de vragen 6, 7 en 8.
Herinnert u zich dat het kabinet heeft aangegeven dat in juli in Brussel in een raadsvergadering weer wordt gesproken over de problemen als gevolg van FATCA?
Ja.
Is het gelukt om te komen tot een gecoördineerde actie in Europees verband? Zo ja, op welke wijze wordt deze actie nu uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp is besproken tijdens een raadsvergadering waarbij Nederland landen heeft opgeroepen voor een gecoördineerde actie in Europees verband. Ik verwacht uw Kamer na de zomer nader te informeren over het vervolg.
Bent u voornemens om bijvoorbeeld samen met president Macron, die voor zover bekend in zijn gesprekken met president Trump aandacht heeft gevraagd voor de zogenaamde Accidental Americans, op te trekken om tot een oplossing voor deze groep te komen?
Het kabinet denkt dat een gecoördineerd signaal in Europees verband het sterkst is, waarbij naast Nederland en Frankrijk ook andere Europese landen zich aansluiten.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor uw bezoek van 19 juli 2019 aan president Trump?
Het is niet gelukt deze vragen te beantwoorden voor het bezoek van de Minister-President aan president Trump.
Het artikel ‘Canadees bedrijf zou veel meer gas winnen uit veld Diever dan toegestaan‘ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Canadees bedrijf zou veel meer gas winnen uit veld Diever dan toegestaan«?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat een bedrijf drie keer meer gas uit de grond haalde dan toegestaan? Zo ja, sinds wanneer?
Ik ben ermee bekend dat SodM handhavend heeft opgetreden tegen een bedrijf vanwege overschrijding van de vergunde dagvolume. Ik heb eerdere vragen van uw Kamer hierover reeds in 2017 beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 2016–2017, nr. 2637).
Kent u de aanleiding van het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar dit bedrijf? Zo ja, wat was de aanleiding voor het instellen van dit onderzoek?
De landelijke inspecties, waaronder het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), hebben als vaste werkwijze dat wanneer zij handhavend optreden, zij een afschrift hiervan toesturen aan het OM. Dit was aanleiding voor het OM om een strafrechtelijk onderzoek te beginnen. SodM noch ik zijn inhoudelijk op de hoogte van de genoemde strafrechtelijk onderzoeken. Het is gebruikelijk dat de onderzoeken in stilte worden gedaan. Indien het OM tot de conclusie komt dat er strafrechtelijke vervolging gaat plaatsvinden, is het aan de strafrechter om te bepalen wat de gevolgen daarvan zijn.
Hoe beoordeelt u de kans op veiligheidsrisico’s, zoals bodemdaling en mogelijke bevingen, bij versnelde gaswinning in kleine gasvelden?
De snelheid van winnen voor kleine velden heeft geen verband met de grootte van de risico’s. De snelheid van winnen is geen onderdeel van de berekeningen in een winningsplan. De parameters waarop een winningsplan voor kleine gasvelden wordt beoordeeld – de bodemdaling, de maximale sterkte van een mogelijke aardbeving, en de effecten daarvan op de omgeving – zijn namelijk onafhankelijk van de snelheid van winnen. In een winningsplan staat een aantal scenario’s van mogelijke productievolumes, en een verwachting van wat het hoge productiescenario aan bodembeweging kan veroorzaken. De bodembeweging – zowel bodemdaling als seismiciteit – wordt beoordeeld op basis van de totale drukdaling in het veld. Het is niet toegestaan meer te winnen dan het winningsplan vermeldt.
Het mijnbouwbedrijf kan een gewijzigd winningsplan indienen om de maximaal te winnen hoeveelheid gas te verhogen. Hierop dient door mij een instemmingsbesluit te worden afgegeven. De verhoging van de maximale hoeveelheid te winnen gas kan betekenen dat er een grotere drukdaling optreedt in het veld. De risico’s en effecten van de winning worden daarom opnieuw beoordeeld in deze procedure. SodM houdt toezicht op het totaal gewonnen volume.
Naast de instemming met een winningsplan is dus ook een omgevingsvergunning nodig voor de bovengrondse locatie. In deze omgevingsvergunning wordt doorgaans een maximum winningsvolume per dag bepaald. Dit is een snelheid (gemeten in volume per dag) per winningslocatie.
Zijn er vermoedens van meer overschrijdingen van vergunningen voor gaswinning? Zo ja, om hoeveel bedrijven gaat het? Bent u bereid verscherpt toezicht te houden op naleving van vergunningen voor gaswinning in de kleinere velden?
Het toezicht op de gaswinning ligt in handen van SodM. SodM heeft aangegeven op dit moment geen situaties te kennen waar bij de winning van gas, het winningsplan of de omgevingsvergunning wordt overschreden. Wanneer overschrijdingen bij SodM bekend zijn, kan de Inspecteur-Generaal der Mijnen (IGM) ingrijpen. Of in bepaalde situaties overgegaan moet worden tot het verscherpen van het toezicht is eveneens ter beoordeling van de IGM.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er versneld gas gewonnen wordt uit kleinere gasvelden, gezien het broze draagvlak voor gaswinning door de ervaringen in Groningen en de mogelijke veiligheidsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Het is niet toegestaan dat de grenzen van een vergunning worden overschreden. De snelheid van winnen die is vastgelegd in een omgevingsvergunning mag niet worden overschreden. SodM houdt zowel toezicht op de verloop van de winning conform het winningsplan als ook toezicht op naleving van de omgevingsvergunningen. SodM heeft aangegeven op dit moment geen situaties te kennen waar bij de winning van gas het winningsplan of de omgevingsvergunning wordt overschreden.
Wat gaat u doen om versnelde gaswinning, voorbij de toegestane productiehoeveelheid, tegen te gaan?
Het toezicht op de gaswinning ligt in handen van SodM. SodM heeft aangegeven op dit moment geen situaties te kennen waar bij de winning van gas, het winningsplan of de omgevingsvergunning wordt overschreden. Wanneer overschrijdingen bij SodM bekend zijn, kan de Inspecteur-Generaal der Mijnen (IGM) ingrijpen. Indien nodig kan een last onder dwangsom worden opgelegd om de overtreding ongedaan te maken. Voor het geval de overtreding in het verleden heeft plaatsgevonden, kan het Openbaar Ministerie worden ingelicht. Ik acht deze instrumenten afdoende om tegen te gaan dat gaswinning afwijkt van hetgeen vergund is of waarmee door mij is ingestemd. Of in bepaalde situaties overgegaan moet worden tot het verscherpen van het toezicht is ter beoordeling van de IGM.
Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven in de toekomst afspraken uit vergunningen overschrijden? Overweegt u een gesprek met de winningsbedrijven en handhaving en toezicht te intensiveren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het bezoek aan de Verenigde Staten en de hoogopgelopen spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat u volgende week een ontmoeting heeft met de Amerikaanse president Trump?
Ja, ik kan bevestigen dat Minister-President Rutte en president Trump elkaar spraken op 18 juli jl.
Welke zaken bent u voornemens dan te bespreken?
Er is onder meer gesproken over de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten, ontwikkelingen op het gebied van internationale handel en samenwerking op het gebied van defensie en veiligheid. Ook de situatie met betrekking tot Iran is ook aan bod gekomen. De Minister-President heeft aangegeven dat het Nederlandse kabinet het verzoek van de VS over een bijdrage aan de veiligheid in de Straat van Hormuz momenteel bestudeert.
Deelt u de zorgen over de hoogopgelopen spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran?
Zoals ik op verschillende momenten al heb uitgesproken, waaronder tijdens het recente Algemeen Overleg over de Raad Buitenlande Zaken op 3 juli jl., maak ik me zorgen over spanningen in de Golf. Nederland roept met regelmaat alle betrokken partijen, zowel in bilaterale als in multilaterale gelegenheden, op tot de-escalatie van spanningen in de Golf en rond het nucleaire akkoord. In alle gevallen dient de vrije en veilige doorvaart van koopvaardijschepen in de regio te worden gegarandeerd.
Ik blijft Iran aanspreken op de verplichtingen die het land is aangegaan onder het nucleaire akkoord en het belang dat Iran zich hieraan houdt. Tevens spreek ik Iran aan op onverkwikkelijk gedrag in de regio (m.n. hun rol in conflicten in Jemen en Syrië en het steunen van terroristische organisaties als Hezbollah). Ook blijf ik mijn zorgen rond het Iraanse ballistische raketprogramma uitspreken.
Bent u bereid in de Verenigde Staten op deze zorgen te wijzen en te waarschuwen voor een nieuwe oorlog? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden om in internationaal verband, mogelijk via de Verenigde Naties, tot een initiatief te komen tot de-escalatie van de spanningen? Zo nee, waarom niet?
Zowel zelfstandig als in EU-verband werkt Nederland aan de-escalatie van spanningen, o.a. door het inzetten op het behoud van de nucleaire deal met Iran. In dat kader steunt Nederland de diplomatieke inspanningen van de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, nog voor uw vertrek naar de Verenigde Staten, te beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de door u gestelde termijn te beantwoorden.
Deelt u de mening dat het niet aanpakken van grensoverschrijdend gedrag het functioneren van de politieorganisatie ernstig aantast? Zo nee, waarom niet?1
Er is geen ruimte voor grensoverschrijdend gedrag binnen de politie. Dit ondermijnt het functioneren van de organisatie en draagt niet bij aan een veilige werkomgeving waar verschillen juist erkend en gewaardeerd worden.
Herkent u de signalen dat de politietop te ver van de werkvloer staat, zoals ook bleek uit SP-onderzoek uit 2017? Waarom is het niet gelukt om dat te verbeteren?2
In iedere grote organisatie is een goede verbinding tussen de werkvloer en de top van de organisatie een continu aandachtspunt, zo ook bij de politie, een organisatie met meer dan 60.000 medewerkers. De werkoverleggen, de briefings en de reguliere operationele contacten worden, naast werkbezoeken, ingezet om de verbinding met de werkvloer te onderhouden en in gesprek te gaan over wat speelt.
Hoeveel agenten zijn de afgelopen twee jaar berispt vanwege discriminatie, intimidatie en ander ongewenst gedrag?
Ik heb uw Kamer aangegeven dat de politie ernaar streeft om met ingang van 2019 jaarlijks een geanonimiseerd overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen te publiceren. Op dit moment is het nog te arbeidsintensief om het totaal aantal voor specifieke disciplinaire maatregelen te genereren. Op verzoek van de korpsleiding is een landelijk systeem in ontwikkeling dat de Veiligheid, Integriteit en Klacht (VIK)- en HRM-processen koppelt en deze cijfers beter inzichtelijk zal maken. Het overzicht van opgelegde disciplinaire maatregelen zal vanaf 2020 in de jaarverantwoording worden opgenomen.
Klopt het dat een teamchef van de politie een spreekverbod kreeg opgelegd door de eenheidsleiding? Zo ja, deelt u de mening dat dit ongehoord is?
De teamchef, op wie de vraag betrekking heeft, is gewezen op het social-media-beleid dat interne richtlijnen geeft op welke wijze de medewerker zich tot de sociale media dient te verhouden en op welke wijze hij of zij daarop actief kan zijn. Dit beleid geldt voor alle medewerkers3. In het algemeen is het zo dat politiemedewerkers zich veilig moeten voelen om dilemma’s, risico’s, signalen, ervaringen en mogelijke misstanden met elkaar te kunnen en te durven bespreken. In dat kader heeft de korpschef aangegeven dat hij te allen tijde bereid is collega’s te spreken die worstelen met ontoelaatbaar en grensoverschrijdend gedrag.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de veiligheid op de werkvloer bij de politie?
Er zijn voldoende instrumenten waarin getoetst wordt in hoeverre veiligheid op de werkvloer wordt ervaren. Het belangrijkste instrument is het gesprek tussen de medewerker en de leidinggevende. Daarnaast kent de politie de MedewerkersMonitor, een anonieme uitvraag onder politiemedewerkers, onder meer over de sociale veiligheid en inclusiviteit op de werkvloer, die elke drie jaar plaatsvindt. Ik zie daarom voor een onafhankelijk onderzoek geen aanleiding.
Het bericht dat er tientallen schorsingen zijn bij de politie om integriteitszaken |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de tientallen schorsingszaken bij de politie vanwege integriteitskwesties nog maar het topje van de ijsberg zijn?1
Het rapport waarop dit artikel gebaseerd is, betreft een actieplan tegen ondermijnende drugscriminaliteit in Midden-Nederland. Het rapport geeft, onder andere in de passage waarop het Algemeen Dagblad zich baseert, een weergave van de omvang van het probleem van ondermijnende drugscriminaliteit. Deze weergave heeft geen relatie met schorsingen bij de politie om integriteitszaken. De onderzoekers hebben ook niet geconcludeerd dat het hier gaat om corrupte contacten binnen de overheid. De passage in het rapport luidt: «Zo zijn in Midden-Nederland negentien criminele netwerken met corruptieve contacten in beeld, waarschijnlijk slechts een topje van de ijsberg».
Kan het rapport «Wie praat die gaat» naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?
Het rapport: «Wie praat, die gaat» is een actieplan tegen ondermijnende drugscriminaliteit in Midden-Nederland en ziet niet toe op schorsingen bij de politie om integriteitszaken. In tegenstelling tot wat in het artikel wordt gesuggereerd, is dit rapport openbaar. U kunt het vinden op: https://veiligheidscoalitie.nl/apothekerskast/georganiseerde-ondermijnende-crim/. Middels een aanbiedingsbrief bied ik uw Kamer graag het rapport aan, gelijktijdig met deze beantwoording.
Klopt het dat de Rijksrecherche vanwege capaciteitsgebrek te weinig aan integriteitszaken toekomt en dat veel zaken op de plank blijven liggen? Zo ja, wat gaat u hierop ondernemen?
Voor dit antwoord verwijs ik u naar de antwoorden die ik uw Kamer eerder heb toegezonden2. De ontwikkelingen in de criminaliteit hebben geleid tot een toenemende complexiteit van strafrechtelijke corruptieonderzoeken en een verdere stijging in het werkaanbod van de Rijksrecherche. Er wordt door de Rijksrecherche met man en macht gewerkt om bij dit toegenomen werkaanbod gelijke productie neer te zetten. Dit gebeurt door het zoeken naar oplossingen door bijvoorbeeld samen te werken met de politie, de FIOD en de KMAR of door zaken in onderling overleg over te dragen aan andere opsporingsdiensten.
Wat gaat u ondernemen om agenten en leidinggevenden beter te trainen zodat meer weerstand kan worden geboden aan beïnvloeding door criminelen?
De politie heeft diverse maatregelen genomen om de kennis en weerbaarheid van medewerkers te vergroten, de zogeheten morele weerbaarheid. Zo is integriteit onderdeel van het basis politieonderwijs en het voortgezette en vakspecialistische politieonderwijs, wordt geleerd van het delen van ervaringen, wordt geleerd om elkaar aan te spreken en wordt het goede gesprek gestimuleerd. Ter ondersteuning van deze ontwikkelingen is een toolbox ontwikkeld. Daarnaast gaan, naast de teamchefs, dit jaar ook 4.500 Operationeel Experts op leiderschapstraining. De politie heeft de theatervoorstelling «Rauw» ontwikkeld als een belangrijk element in de bewustwordingscampagne. Ruim 16.000 collega’s (waaronder de docenten van de Politieacademie) hebben deze voorstelling gezien en ook in 2019 loopt deze voorstelling nog door. Ook heeft iedere Eenheid een preventiemedewerker integriteit bij de afdeling VIK onder gebracht. En binnenkort gaat de pilot A-typisch signaleren van start, deze heeft als doel om afwijkende zoekacties in politiesystemen te detecteren.
Het bericht dat er minder festivals georganiseerd moeten worden om drugsgebruik tegen te gaan |
|
Monica den Boer (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Meer nodig tegen drugscriminaliteit»?1
Ja.
Staat u nog steeds achter de uitspraak dat er minder festivals georganiseerd moeten worden om drugsgebruik tegen te gaan?
Ik pleit niet voor een afname van het aantal festivals als zodanig. In het artikel heb ik gezegd dat we met elkaar kritisch moeten zijn op de vraag of we de handhaving van het verbod op het bezit van harddrugs tijdens festivals aan kunnen. Daar sta ik nog steeds volledig achter. Veel festivals kennen een «zero tolerance» beleid ten aanzien van harddrugs. Dit kan vooralsnog niet verhinderen dat het gebruik van harddrugs op festivals hoog is. De mate waarin politiecapaciteit kan worden ingezet om strafrechtelijk op te treden tegen bezoekers die meer dan de gebruikershoeveelheid bij zich hebben verschilt per festival, maar is niet onbegrensd. Voorafgaand aan het organiseren van een festival zou daarom nadrukkelijker de vraag kunnen worden gesteld of het verbod op bezit van harddrugs en de handel daarin effectief zal kunnen worden gehandhaafd. Dit is echter een afweging die lokaal moet worden gemaakt. Afhankelijk van de beantwoording van die vraag zou het gevolg kunnen zijn dat het aantal festivals afneemt.
Deelt u de mening dat het organiseren van festivals een gemeentelijke aangelegenheid is waar het Rijk niets over te zeggen heeft?
Het is aan de lokale driehoek om afspraken te maken over de benodigde politie-inzet bij evenementen. Ook bepalen gemeenten zelf welke eisen zij stellen aan de organisatoren van festivals. Ik ga met al deze partijen het gesprek voeren over de wijze waarop tot een meer eenduidig en effectief beleid ten aanzien van de aanpak van drugs op festivals kan worden gekomen, zoals ik uw Kamer in mijn brief van 9 juli jl. heb geschreven.2
Deelt u voorts de mening dat festivals positieve en gezellige uitingen van cultuur zijn, waar mensen naartoe komen om van hun favoriete muziek te genieten en te ontspannen met gelijkgestemden? Zo nee, waarom niet?
Dat kunnen festivals zijn, waarbij ik opmerk dat het gebruik van illegale drugs geen voorwaarde is om van een festival te kunnen genieten.
Kunt u ingaan op het inzicht van experts dat het organiseren van minder festivals kan leiden tot een grotere underground scene waar nog minder controle is op het gebruik van drugs en op de gezondheid van aanwezigen?
Als gezegd pleit ik niet voor een afname van het aantal festivals. Wel zou, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, voorafgaand aan het organiseren van een festival de vraag moeten worden gesteld of het verbod op bezit van harddrugs en de handel daarin effectief zal kunnen worden gehandhaafd op een festival.
Deelt u de mening dat het minder organiseren van festivals om drugsgebruik te voorkomen zijn doel voorbij schiet, net zoals wij mensen ook niet oproepen minder de weg op te gaan om inzet van de verkeerspolitie te beperken?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ’Dutchbat-veteraan: ‘Excuses zouden ons enorm goed doen’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutchbat-veteraan: «Excuses zouden ons enorm goed doen»?1
Ja.
Kunt u toelichten wanneer de resultaten van de werkgroep en de onafhankelijke onderzoekscommissie verwacht kunnen worden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in de Veteranennota 2018–2019 (Kamerstuk 30 139, nr. 218, 11 juni 2019) heeft Stichting ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum op 27 mei jl. de opdracht gekregen tot uitvoering van het onderzoek naar de problemen die een deel van de Dutchbat-III veteranen nog steeds ondervindt in hun dagelijks leven. Het onderzoek duurt naar verwachting tot medio 2020. Een onafhankelijke commissie begeleidt het onderzoek en stelt op basis van de bevindingen, aanbevelingen voor Defensie op. In die commissie heeft een vertegenwoordiging van Dutchbat-III zitting.
Bent u van mening dat, 24 jaar na dato en drie jaar na de uitspraak «De missie in Srebrenica was eigenlijk onuitvoerbaar», het nu de hoogste tijd is om recht te doen aan de gevoelens waar veel Dutchbat-veteranen nog elke dag mee worstelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete stappen gaat u ondernemen en welk tijdpad verbindt u daar aan?
Om een goed beeld te krijgen van wat er leeft onder de Dutchbat-III veteranen, is het hierboven vermelde onderzoek gestart. Dit is een belangrijke eerste stap. De concrete vervolgstappen zijn nadrukkelijk verbonden aan de uitkomsten van het onderzoek, zoals ik het ook met een vertegenwoordiging van Dutchbat-III veteranen heb besproken.
Heeft u zelf contact gehad met de groep van meer dan tweehonderd Dutchbat-veteranen die in het artikel worden genoemd? Zo ja, wat was de inzet van uw contact? Zo nee, waarom niet?
Ik heb contact gehad met een vertegenwoordiging van Dutchbat-III veteranen. Inmiddels is de Vereniging Dutchbat-III opgericht. Met het bestuur van deze vereniging vindt regelmatig overleg plaats op ambtelijk niveau. In oktober spreek ik zelf met het bestuur.
Op welke wijze gaat u deze groep veteranen informeren over de stappen die tussentijds gezet worden en over de voortgang en ontwikkelingen in deze zaak?
Door het contact met de Vereniging Dutchbat-III vindt informatie-uitwisseling plaats over diverse onderwerpen. Bij de uitvoering van bovengenoemd onderzoek krijgen alle Dutchbat-III veteranen het verzoek om deel te nemen. Ik realiseer me terdege dat dit onderzoek veel kan losmaken bij de veteranen van Dutchbat-III. Om die reden gaat de onderzoeksinstantie een laagdrempelig contactpunt inrichten waar de veteranen en hun relaties terecht kunnen met vragen en verhalen.
Het energielabel voor woningen |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Stiekem duur energielabel»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Ik heb kennisgenomen van de gezichtspunten die de heer Eg in zijn artikel uiteenzet.
Kunt u nader aangeven waarom u in uw brief van 28 juni jl.2 aangeeft dat de gewenste functie van het energielabel in de afgelopen jaren is veranderd en op basis waarvan concludeert u dat sprake is van een steeds sterkere vraag naar een nauwkeurigere bepalingsmethode en indicator?
Bij de introductie van het vereenvoudigd energielabel (VEL) in 2015 was bewustwording een belangrijk doel. Hier is het VEL ook goed in geslaagd, zo blijkt onder meer uit onderzoek van Kantar3. De laatste jaren groeit echter de kritiek op het VEL 2015 en de systematiek voor energielabels. Ten opzichte van het opstellen van een energie-index (EI) is het VEL een minder nauwkeurige methode. Ook voldoet het VEL niet aan de recent herziene eisen die Europese regelgeving4 aan het energielabel stelt. Het VEL bevat namelijk niet de verplichte numerieke indicator van het primaire energiegebruik in kWh/m2 per jaar.
De kabinetsambitie om in 2050 een aardgasvrije gebouwde omgeving te realiseren vergroot het belang van de energieprestatie voor woningen. Bijvoorbeeld omdat consumenten zich oriënteren op het overstappen naar duurzame warmtebronnen en willen weten of de energieprestatie van de woning van voldoende niveau is of omdat banken de energieprestatie betrekken bij het vaststellen van de voorwaarden van de hypotheek. In die context is de nauwkeurigheid van het energielabel van steeds grotere waarde.
Hoe verhoudt uw conclusie over de veranderde behoefte ten aanzien van het energielabel zich tot het onderzoek van Kantar public3 uit 2017, uitgevoerd in opdracht van uw ministerie, waarin het volgende geconcludeerd wordt: «Het is onrealistisch om te veronderstellen dat de effecten van het definitieve energielabel zijn te isoleren. Er spelen namelijk ook veel andere factoren een rol die woningeigenaren stimuleren om over het onderwerp energiebesparing na te denken (.).»?
Het klopt dat meerdere factoren een rol spelen bij de beslissing van de woningeigenaar om de woning te verduurzamen. Het energielabel geeft woningeigenaren inzicht in de energieprestatie en informeert hen bovendien over maatregelen die zij kunnen nemen om de energieprestatie te verbeteren. Het label is vanuit Europese regelgeving verplicht bij verkoop, verhuur en oplevering van de woning6.
Welk beleid hanteert u ten aanzien van het testen van bijvoorbeeld een herziene aanvraagprocedure? Hoeveel testpersonen worden er normaliter gebruikt?
Er zijn twee onderzoeken uitgevoerd. De conclusies in de Kamerbrief van 28 juni zijn gebaseerd op het uitgebreide onderzoek van adviesbureau DGMR8. Daarnaast heeft MetrixLab onder een kleine testgroep een ander type onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van MetrixLab versterken de conclusies van DGMR.
Eén van de uitgangspunten bij deze onderzoeken was te onderzoeken of met het hanteren van kWh/m2 per jaar als indicator, het nieuwe energielabel tenminste even nauwkeurig kan zijn als het huidige VEL, en indien mogelijk nauwkeuriger.
Uit het onderzoek van DGMR blijkt dat de geometrie van een woning veel invloed heeft op de einduitkomst en daarmee op de labelletter. De geometrie is de vorm van de woning: is de woning compact gebouwd of heeft deze bijvoorbeeld een uitbouw. Om de geometrie vast te stellen moeten delen van de plattegrond en gevel nauwkeurig opgemeten worden. Een kleine meetfout kan hierdoor al voor zorgen voor een verkeerde labelletter. Naast de geometrie moeten energetische kenmerken van de woning ingevoerd worden, zoals isolatie en installaties. Er is in de nieuwe bepalingsmethode meer invoer nodig dan bij de huidige methode. DGMR komt daarom in haar onderzoek tot de conclusie dat het niet mogelijk is om het energielabel in kWh/m2 per jaar met het VEL-systeem even nauwkeurig te krijgen als het huidige VEL.
Een belangrijk aspect aan een VEL is dat de woningeigenaren zelf, zonder een adviseur langs te laten komen, het energielabel kunnen aanvragen. Parallel met het onderzoek van DGMR heeft MetrixLab een kwalitatief onderzoek9 gedaan bij 8 woningeigenaren thuis, om een inschatting te maken in hoeverre de woningeigenaren de woningkenmerken, waaronder het opmeten van delen van de woning en meer gedetailleerde uitvraag van energetische kenmerken begrijpen, herkennen en kunnen bewijzen. Dit onderzoek van Metrixlab geeft een beeld voor de wijze waarop de ontwikkeling van vragenlijsten voor een eventueel VEL 2019 vorm zou kunnen krijgen. In functie had het kwalitatieve onderzoek daarmee het karakter van een quickscan. Het onderzoek laat zien dat het zelf opmeten van de woning als lastig en tijdrovend wordt ervaren door de woningeigenaren. Het herkennen van algemene woningkenmerken levert weinig problemen op, maar met specifieke energetische kenmerken hebben de deelnemers aan het onderzoek wel veel moeite. Omdat uit het onderzoek van DGMR volgde dat een vereenvoudigde versie niet te verenigen is met de gewenste mate van nauwkeurigheid, is de ontwikkeling van vragenlijsten niet doorgezet.
Wat vindt u ervan dat de testgegevens waarop de conclusie in uw eerder genoemde brief is gebaseerd, afkomstig zijn van een praktijktest met een vragenlijst op slechts zes testpersonen4?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre is bij het onderzoek meegewogen dat er allerlei smartphone apps bestaan en verder ontwikkeld worden die in staat zijn afstanden te meten en/of bijvoorbeeld geometrische vormen te herkennen? Indien dit is meegenomen, waar blijkt dit uit de rapportage die u aan de Kamer gezonden heeft?
Op pagina 43 van de rapportage10 van DGMR worden drie alternatieve methoden voor het vaststellen van de geometrie besproken. Bij de alternatieven waarbij de woningeigenaar zelf moet meten, kunnen smartphone apps behulpzaam zijn, maar nauwkeurig meten blijft lastig. Bovendien neemt het niet alle bezwaren weg. Het gaat er niet alleen om dat de bewoner nauwkeurig kan meten, maar ook dat hij de juiste onderdelen meet. De woningeigenaar moet zelf aangeven welke delen van de woning niet meedoen, zoals het trappenhuis, garages en onverwarmde serres. Daarnaast moet bij het meten rekening worden gehouden met de 1,5 meter lijn bij schuine kappen. Kortom, de woningeigenaar moet even nauwkeurig meten als een EPA-adviseur. Een kleine meetfout heeft grote consequenties en controle van deze meetgegevens op afstand door een erkend deskundige, zoals nu van toepassing bij het VEL, is niet mogelijk.
Welke andere vervangende methoden voor een vragenlijst om op een doe-het-zelf-manier een betrouwbaar beeld te genereren van de energieprestatie van een gebouw zijn onderzocht? Is bijvoorbeeld meegenomen dat gegevens uit een monitoringssysteem voor zonnepanelen een vervangende bron van informatie voor bepaalde vragen kan zijn?
Als eerste stap in het onderzoek is bepaald welke parameters uit de NTA 8800 de grootste invloed hebben op de berekende energieprestatie. Om tot een voldoende nauwkeurige bepaling van de energieprestatie te komen, moeten ten minste deze gegevens van de woning ingevoerd worden. Sommige van deze gegevens zijn uit (openbare) bronnen te halen, maar voor de meeste gegevens zijn geen geschikte bronnen voorhanden. Het hanteren van een vorm van een vragenlijst blijft dus noodzakelijk. Zonnepanelen zijn vrij eenvoudig door de gebouweigenaar zelf te herkennen en bewijzen, daarvoor zijn de monitoringsgegevens niet nodig.
In hoeverre zijn de onderzoeksresultaten, op zes respondenten, een uitkomst van de voorgelegde vragenlijst? Deelt u de verwachting dat een andere vragenlijst, met daarin de door de onderzoekers voorgestelde verduidelijkingen, tot een andere uitkomst leidt?
Het onderzoek van DGMR laat zien dat door de overstap naar de indicator kWh/m2 per jaar de geometrie van de woning een groot effect op het eindresultaat heeft gekregen. Hieruit volgt de conclusie dat vereenvoudiging van de invoer zorgt voor een label dat minder nauwkeurig is dan het huidige VEL. Met een aangepaste vragenlijst kan het een en ander verduidelijkt worden, maar het bepalen en controleren van gebruiks- en verliesoppervlak en het herkennen van specifieke energetische kenmerken zal problematisch blijven. Een andere vragenlijst verandert dit gegeven niet, omdat het een gevolg is van het overstappen van de index EI naar het uitdrukken van de energieprestatie in kWh/m2 per jaar (implementatie EPBD). Bovendien is door de geometrie de controle op afstand, zoals die nu in de VEL-systematiek plaatsvindt, niet mogelijk.
Welke invloed heeft het aanpassen van de labelklassen op de onderzoeksuitkomsten, aangezien de onderzoekers aangeven hier aannames over te hebben gedaan omdat er nog geen duidelijkheid is over de nieuwe labelklassen?
De onnauwkeurigheid van de methodiek van het VEL is niet afhankelijk van de gekozen labelklasse-indeling. De effecten van deze onnauwkeurigheid, namelijk of de woning door de onnauwkeurigheid een andere labelletter toegewezen krijgt, zijn dat wel. DGMR heeft in het onderzoek naar de methodiek van het vereenvoudigd energielabel twee uiterste varianten voor de labelklasse-indeling gebruikt om de effecten op de nauwkeurigheid van het VEL te onderzoeken. In het rapport worden deze indelingen «labelklasse 2+» en «labelklasse 5» genoemd. De ene labelklasse-indeling is negatiever voor de nauwkeurigheid van het VEL dan de andere.
In beide gevallen is de conclusie dat een toekomstig VEL-systeem niet dezelfde nauwkeurigheid kan bereiken als het huidige VEL-systeem. Dit komt door de invloed van de geometrie van woningen en de behoefte aan meer invoerparameters. Hierdoor wordt het VEL te onnauwkeurig voor een juiste labelafgifte. Vanwege de gebruikte uiterste varianten die resulteren in dezelfde conclusie, namelijk een toekomstig VEL is onnauwkeuriger dan het huidige VEL, zal dit ook gelden voor de toekomstige labelklasse-indeling.
Kunt u aangeven wat het verschil in afwijking is tussen het huidige vereenvoudigde energielabel en het vereenvoudigd energielabel in de NTA 8800 methode? Klopt het beeld dat ook in de nieuwe methode ca. 90% van de labels een afwijking heeft van maximaal 1 stap5?
Nee, dat beeld klopt niet. De totale theoretische afwijking tussen een VEL en een energielabel op basis van de uitgebreide methode (energie-index) wordt veroorzaakt door geometrische, bouwkundige en installatietechnische verschillen. Bij het huidige VEL (2015) krijgt 53% van de woningen dezelfde labelklasse en bij 39% is de afwijking één labelklasse ten opzichte van de uitgebreide methode (zie figuur 1 op pagina 34). Voor een vereenvoudigd energielabel op basis van de NTA 8800 is de totale theoretisch afwijking niet bepaald, omdat dit niet mogelijk is zonder volledige uitwerking van de methodiek.
Wel is er specifiek gekeken naar de invloed van het element geometrie, wat medebepalend is voor de totale theoretische afwijking. Dit is te zien in de figuren 11 tot en met 14 op pagina 4212. Door alleen een verschil in het gebruiksoppervlak (van plus of min 15%) behoudt bij VEL 2015 93% dezelfde labelklasse, bij het VEL op basis van de NTA 8800 is dit slechts 69% of minder. Naast deze afwijking komen nog de bouwkundige en installatietechnische verschillen. De totale theoretische afwijking zal daarmee dus groter zijn dan bij VEL 2015.
Wat is het gemiddelde energieverbruik dat gekoppeld is aan een specifiek energielabel voor een woning? In hoeverre verandert dit in de nieuwe berekeningsmethode?
Op het huidige energielabel staat een labelletter en in sommige gevallen een energie-index. Deze zijn gebaseerd op het theoretisch berekende energiegebruik, maar geven dat niet direct weer. Met de nieuwe bepalingsmethode krijgt het energielabel een numerieke indicator van het primair fossiel energiegebruik in kWh/m2 per jaar. Dit getal geeft het gemiddelde gebouwgebonden energiegebruik van de woning aan. Het onderzoek, de inijking, waaruit blijkt welke labelletter bij welk gebruik hoort, is nog gaande. Dit onderzoek wordt dit kalenderjaar afgerond. Het energiegebruik op het energielabel is overigens iets anders dan het werkelijke energiegebruik. Het werkelijk gebruik is mede afhankelijk van het gedrag van de bewoner.
Kent u de omschrijving van het energielabel op de overheidswebsite https://www.energielabel.nl/woningen/: «Het energielabel geeft aan hoe goed een woning is geïsoleerd en hoe zuinig installaties zijn. De energierekening hangt ook af of je zuinig stookt, hoeveel warm water je gebruikt, hoeveel apparaten je hebt en hoe intensief je die gebruikt. In soortgelijke woningen met eenzelfde energielabel kan daarom het energieverbruik toch verschillend zijn.»?
Ja, deze omschrijving is mij bekend.
Kunt u aangeven wat in uw ogen een «soortgelijke woning» is, welke inzichten u heeft over de wijze waarop huizenkopers een beslissing nemen en welk niveau van nauwkeurigheid van een energielabel hierbij passend is?
Met soortgelijke woningen worden dezelfde type woningen bedoeld. De indeling is conform de voorbeeldwoningen die terug te vinden zijn op de website van de RVO. Dit zijn de vrijstaande woning, hoekwoningen, tussenwoningen, meergezinswoningen eenlaags en meerlaags en daarbij als subtype de ligging in het gebouw.
Huizenkopers baseren hun beslissing over de aankoop van een woning op diverse zaken, zoals ligging, prijsstelling, emotie, locatie en nog vele andere aspecten. Het energielabel draagt bij aan een hogere verkoopprijs en een snellere verkoop van de woning13 14.
Vanuit de EPBD15 is voorgeschreven dat er een energielabel overhandigd moet worden bij verkoop, verhuur en oplevering. Het label heeft een geldigheidsduur van 10 jaar. Ook geeft de EPBD voorschriften voor de berekening van het energielabel en per 10-3-2020 ook de indicator waarop het energielabel gebaseerd moet zijn. De nauwkeurigheid waarmee het energielabel berekend moet worden, schrijft de EPBD hiermee (indirect) voor.
Kunt u aangeven welke onderdelen van het bestaande energielabel6 volgens u vervangen zouden moeten worden? Op welke wijze heeft u hierbij bestaande inzichten over keuzegedrag van bijvoorbeeld de WRR7 betrokken?
De nieuwe lay-out van het energielabel is momenteel in ontwikkeling. De eerder aangehaalde Europese richtlijn bepaalt deels welke informatie het energielabel moet vermelden en schrijft ook de indicator in kWh/m2 per jaar voor (zie ook vraag 18).
Uitgangspunten bij de vormgeving van het label zijn onder meer dat het label begrijpelijk moet zijn en informatie moet geven over het handelingsperspectief om de energieprestatie van de woning te verbeteren. Wetenschappelijke inzichten over keuzegedrag, zoals het door u aangehaalde rapport van de WRR, kunnen hier inderdaad een nuttige bijdrage aan leveren.
Hoeveel informatie kan een energielabel in uw ogen bevatten voor dit instrument zijn functie als toegankelijk informatiemiddel verliest? Welk onderzoek heeft u hiernaar laten uitvoeren?
De vormgeving voor het nieuwe energielabel staat nog niet vast. Uitgangspunt is dat de meest relevante informatie in één oogopslag zichtbaar moet zijn. Ten tijde van de introductie van het oude energielabel heeft TNS-NIPO onderzoek gedaan naar de lay-out van het energielabel18.
Wat is het verschil in kosten tussen het aanvragen van een vereenvoudigd energielabel bij RVO en het laten opmaken van een energielabel door een externe adviseur?
De gemiddelde prijs voor een VEL varieert en was in juli 2019 € 7,47 (bron: VEL-database). De prijs voor een EI voor een gemiddelde tussenwoning fluctueert rond de € 175,–. De adviseurs zijn onafhankelijk, hierdoor komt de prijs onder invloed van marktwerking tot stand. De tijd die een adviseur aan het opnemen van de woning besteedt is een belangrijke factor in de prijs.
In de nieuwe situatie neemt een adviseur de woningkenmerken op volgens de nieuwe methodiek NTA 8800. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen die dit heeft voor de benodigde opnametijd. Uit het onderzoek19 komt naar voren dat voor het overgrote deel van de bestaande woningvoorraad geldt, dat de benodigde tijd 1 à 2 uur is. Dit is vergelijkbaar met de tijd die nu nodig is voor het opnemen van een energie-index bij deze woningen.
Een prijs vergelijkbaar met de EI vind ik evenwel voor eigenaar-bewoners te hoog. Ik verken daarom op dit moment op welke wijze ik de betaalbaarheid van het label kan stimuleren. Bijvoorbeeld door verdere digitalisering van de informatie over gebouwde omgeving, het gebruik van referentiegegevens, verkorting van de opnametijd door het vooraf invullen van een deel van de gegevens door bewoners of het hergebruiken van data uit een eerdere energielabel opname van de woning. Ook kijk ik naar andere oplossingsrichtingen. Hierover ben ik in gesprek met betrokken partijen uit de sector, onder andere de branche van EPA-adviseurs, Vereniging Eigen Huis en bedrijven die werken aan digitalisering.
Hierbij is het ook goed om te vermelden dat een geldig energielabel pas verplicht is bij verkoop, verhuur of oplevering van een gebouw. Per jaar worden er circa 200.000 woningen verkocht. Bestaande energielabels behouden hun geldigheid van tien jaar vanaf de datum van afgifte. Circa een kwart van de koopwoningen heeft momenteel al een geldig energielabel. Dit aandeel zal tot aan 1 juli 2020 nog verder oplopen.
Welke afwijking in nauwkeurigheid acht u acceptabel, gezien het feit dat energielabels op een grovere (ordinale) schaal worden gerangschikt en niet op een exacte (metrische) schaal?
Uitgangspunt bij het onderzoek was dat een vereenvoudigde versie van het nieuwe energielabel tenminste even nauwkeurig moet zijn als het bestaande VEL. Uit het onderzoek blijkt dat, door de gevoeligheid voor geometrie, vereenvoudiging leidt tot een minder nauwkeurig label.
Op grond van de Europese richtlijn (EPBD) moet het energielabel voorzien zijn van een numerieke indicator van het primair fossiel energiegebruik (kWh/m2 per jaar). Onder de indeling in labelklassen ligt dus een metrische schaal, omdat een labelklasse hierdoor gelijk staat aan een range in gebouwgebonden energiegebruik in kWh/m2 per jaar.
Wat zijn de exacte minimumeisen die in Europese richtlijnen zijn neergelegd ten aanzien van het energielabel (energiecertificaat) en welke implementatietermijnen voor omzetting naar nationale wetgeving horen hierbij?
Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en de tweede herziening20 van deze richtlijn stellen minimumeisen aan het energieprestatiecertificaat (in Nederland: energielabel). De verplichte elementen op het energielabel zijn: de energieprestatie; referentiewaarden; aanbevelingen voor de kostenoptimale of kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie en een verwijzing naar meer informatie voor eigenaren en huurders21. Deze eisen aan het energielabel zijn reeds opgenomen in het Besluit energieprestatie gebouwen22.
De tweede herziening bevat een extra bepaling over hoe de energieprestatie moet worden uitgedrukt23: «Ten behoeve zowel van energieprestatiecertificering als conformiteit met de minimumeisen inzake energieprestatie wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt in een numerieke indicator van het primaire energieverbruik in kWh/(m2 per jaar)». De implementatietermijn voor de omzetting van deze bepaling naar nationale wetgeving is 10 maart 2020. Hiervoor is een wijziging van het Besluit energieprestatie van gebouwen nodig. Deze wijziging is opgenomen in het concept Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 inzake de implementatie van de tweede herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om toe te werken naar een digitaal woningdossier? Welke stappen neemt u om op termijn naar een digitaal woningdossier toe te werken, waardoor eenvoudig en goedkoop bouwkundige informatie beschikbaar is voor de eigenaar?
Ja. Een verbeterde informatievoorziening voor de consument is één van mijn speerpunten van de onlangs aangenomen Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Deze wet regelt dat de aannemer bij oplevering een dossier aan de consument overhandigt met alle benodigde informatie voor gebruik, onderhoud en verbouw van de woning.
Momenteel bezie ik samen met consumentenorganisaties en bouwpartijen de exacte inhoud en vorm van dit digitale dossier. Het dossier zal onder andere inzicht geven in het energieconcept en de energieprestatie van de woning.
Daarnaast wil ik de informatievoorziening rondom energiebesparing van de woning richting de consument optimaliseren door de introductie van een digitaal platform energiebesparing. De onderlinge samenhang van dit digitale platform met het consumentendossier wordt nog nader onderzocht.
Kunt u deze vragen één-voor-één en voor het VAO Energiebesparing/Proeftuin aardgasvrije wijken/Bijna-energieneutrale gebouwen (BENG-eisen) beantwoorden?
Ja