Het Democratiefestival in Nijmegen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel heeft het ministerie uitgegeven aan het Democratiefestival op 30 en 31 augustus in Nijmegen? Hoeveel subsidiegeld van andere overheidsinstanties is aan het Democratiefestival uitgegeven?
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een subsidie verstrekt van € 766.899, waarvan 80% is bevoorschot, aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor het Democratiefestival. De subsidie is nog niet vastgesteld. Verder heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties financieel bijgedragen aan extra communicatie (ca € 80.000), extra beveiliging (ca € 10.000) en het programmaonderdeel met politieke jongerenorganisaties (ca 12.000). Daarnaast heeft de provincie Gelderland € 150.000 subsidie verstrekt aan de VNG.
Hoeveel bezoekers heeft het Democratiefestival getrokken? Hoeveel overheidssubsidie is er uitgegeven per bezoeker?
Op vrijdag 30 augustus hebben 3.411 deelnemers deelgenomen aan het Democratiefestival en op zaterdag 31 augustus 3.006 deelnemers.1 Totaal komt dit neer op 6.417 deelnemers over 2 dagen. Hierin zijn niet sprekers, vrijwilligers en de personen betrokken bij de organisatie, meegerekend. Indien het totaalbedrag van het antwoord op vraag 1 wordt gedeeld door het totaalaantal bezoekers (6417) komt dit neer op € 158 per persoon.
Bent u het ermee eens dat democratische vernieuwing noodzakelijk is? Zo ja, welke concrete stappen neemt u om democratische vernieuwing te bevorderen? Hoe moet de afschaffing van het referendum in dit kader worden bezien? Zo nee, op welke gronden vindt u dat democratische vernieuwing onnodig is? Hoe moet men het organiseren van het Democratiefestival dan zien?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ben ik en voel ik mij ervoor verantwoordelijk dat er voortdurend aandacht is voor de versterking en vernieuwing van onze democratie, op alle bestuursniveaus. Daartoe zet ik ook de nodige stappen. Zo werk ik op decentraal niveau sinds 2018 met de VNG en de beroeps- en belangenverenigingen in het samenwerkingsprogramma «Democratie in Actie». Binnen dit programma zetten wij samen de schouders onder versterking en vernieuwing van de lokale democratie. Voor democratie op nationaal niveau heeft de staatscommissie parlementair stelsel eind 2018 een waardevol advies uitgebracht. U heeft het kabinetsstandpunt in juni 2019 ontvangen. Daarin is aangekondigd dat onder meer wordt ingezet op vernieuwing en versterking door een nieuw kiesstelsel, een jongerenparlement en een Wet op de Politieke Partijen. Over een aantal andere aanbevelingen neemt het kabinet, zoals al aangekondigd, later een standpunt in. Naast de adviezen van de staatscommissie, wordt gezocht naar aanvullende manieren om de democratie dichter bij inwoners te brengen. Het democratiefestival is een van deze manieren. Al deze acties staan naast het lopende proces dat moet leiden tot een inhoudelijke standpuntbepaling over de aanbevelingen van de staatscommissie inzake het correctief bindend referendum.
Waarom denkt u dat een Democratiefestival mensen meer enthousiasmeert over onze democratie dan het referendum?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om het advies van de commissie-Remkes op te volgen en het bindend referendum in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het bindend correctief referendum is de afgelopen jaren veelvuldig aan de orde geweest in de Kamer. Er wordt zeer verschillend over gedacht. Zoals in het kabinetsstandpunt over het advies van de commissie-Remkes is aangegeven, betreft het een instrument dat niet zonder meer inpasbaar is in de vertegenwoordigende democratie, zoals zij in Nederland de afgelopen anderhalve eeuw vorm heeft gekregen. Daarom wil het kabinet uiterst zorgvuldig opereren in dit dossier. De staatscommissie heeft geadviseerd een correctief bindend referendum in te voeren, als aanvulling op en versterking van het huidige Nederlandse parlementaire stelsel. Daarnaast heeft de Eerste Kamer tijdens de parlementaire behandeling van de intrekking van de Wet raadgevend referendum de motie-Lintmeijer aangenomen. Deze motie verzoekt de regering te komen met een initiatief voor een visie op nieuwe vormen van directe democratie als aanvulling op het huidige representatieve stelsel. Het lid Van Raak heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend tot wijziging van de Grondwet met het oog op de invoering van een correctief bindend referendum. Zoals aangekondigd in het kabinetsstandpunt over het advies van de staatscommissie, kiest het kabinet voor een gefaseerde aanpak waarbij eerst een reactie wordt gegeven op de motie-Lintmeijer. Het kabinet hecht eraan nu niet vooruit te lopen op de definitieve standpuntbepaling.
De volstrekt onhoudbare situatie op vluchtelingenkampen op Lesbos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kinderen die niet meer praten»?1
Ja
Deelt u de mening dat het beeld dat in het bericht geschetst wordt voor de zoveelste keer aangeeft dat de situatie in het vluchtelingenkamp op Lesbos volkomen onhoudbaar en inhumaan is? Zo nee, waarom niet?
Deze berichtgeving bevestigt eens te meer dat de situatie op Lesbos, maar ook op andere Griekse eilanden, uiterst zorgwekkend is. Het kabinet deelt dan ook uw zorgen en ongeduld. Wat het kabinet betreft is er duidelijk sprake van een dringende noodzaak om structurele verbeteringen door te voeren op het gebied van opvang en het versnellen van asiel- en terugkeerprocedures. Nederland dringt daar voortdurend op aan, op ambtelijk en politiek niveau, bilateraal en in EU-verband. Griekenland dient daarvoor zelf verantwoordelijkheid te nemen. In dat licht verwelkomt het kabinet de prioriteiten van de nieuwe Griekse regering op het terrein van migratie, waaronder het verbeteren van de opvang, het versnellen van asielprocedures, het versterken van grensbewaking en het opschalen van terugkeer. Wat Nederland betreft verdient Griekenland daar alle steun bij, zowel van de Commissie als van de EU lidstaten. Deze is Griekenland ook vaak aangeboden.
Nederland heeft de Griekse autoriteiten steun aangeboden bij het doorvoeren van hogergenoemde prioritaire verbeteringen, bijvoorbeeld door het delen van kennis, expertise en ervaring. Minister-President Rutte heeft dit ook in zijn recente gesprek met zijn Griekse counterpart nogmaals benadrukt. De uitspraken van de nieuwe Griekse regering bieden vertrouwen dat reeds lang benodigde stappen nu daadwerkelijk worden gezet. Op welk termijn dat tot resultaat leidt is afhankelijk van de inspanningen van de Griekse autoriteiten en de steun die zij daarbij ontvangen van Europese partners.
Deelt u de mening dat in dit vluchtelingenkamp op grove wijze tal van kinderrechten worden geschonden? Zo ja, aan welke kinderrechten denkt u zoal? Zo nee, waarom niet?
Het is duidelijk dat de opvang op de Griekse eilanden niet voldoet aan de Europese en internationale standaarden. Dit zorgt voor schrijnende omstandigheden, met name voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen. Het is van belang dat de geldende internationale en nationale normen worden gehandhaafd en Griekenland hier de nodige stappen in zet. Daarom dringt Nederland al langer aan op het doorvoeren van structurele verbeteringen. Voorts biedt Nederland via EASO experts aan die zijn gespecialiseerd in de opvang van kwetsbare groepen zoals alleenstaande minderjarigen. Momenteel zijn Nederlandse experts gedetacheerd bij EASO die zich inzetten voor onder andere de begeleiding en opvang van alleenstaande minderjarigen op Samos en het doorvoeren van structurele verbeteringen in de opvang.
Deelt u de mening dat niet alleen Griekenland verantwoordelijk kan worden gehouden voor het oplossen van de problemen met de vluchtelingen op Lesbos en met name de kinderen daaronder? Zo ja, hoe gaan de EU en Nederland concreet op korte termijn voor de oplossing zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de situatie in het vluchtelingenkamp voor met name kinderen zodanig is, dat de tijd van op Europees niveau praten en onderhandelen voorbij is en dat er snel gehandeld moet worden? Zo ja, hoe gaat u het initiatief hiertoe nemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt uw ongeduld. Zoals vaak met uw Kamer gewisseld, vraagt Nederland doorlopend aandacht voor de schrijnende situatie op de Griekse eilanden. Ook heeft Nederland meermaals het aanbod gedaan om de Griekse autoriteiten te ondersteunen om structurele verbeteringen door te voeren op het gebied van opvang en het versnellen van asiel- en terugkeerprocedures. Daarbij wordt bij voorkeur in Europees verband samengewerkt met de Commissie, EASO, Frontex en andere EU lidstaten.
Nu de nieuwe Griekse regering maatregelen heeft aangekondigd die hier nauw op aansluiten, verwacht het kabinet dat er nu ook, met Europese steun, stappen zullen worden gezet. Een van de acute maatregelen die de Griekse regering heeft getroffen is het overplaatsen van kwetsbare groepen, waaronder minderjarigen naar het vasteland.
Op 10 september jl. heeft de Griekse regering via de Europese Commissie de lidstaten verzocht om maximaal 2.500 alleenstaande minderjarige asielzoekers te herplaatsen. Dit verzoek wordt momenteel bestudeerd.
Hierbij wordt wel aangetekend dat het kabinet in principe geen voorstander is van een nieuwe herplaatsingsronde. Zoals vaker met uw Kamer gewisseld, draagt herplaatsing niet bij aan een structurele oplossing. Het is bovenal zaak dat structurele verbeteringen worden doorgevoerd in de opvang om onder andere adequate zorg te kunnen bieden aan kwetsbare groepen als alleenstaande minderjarige asielzoekers.
Deelt u de mening dat «om blijvende psychologische schade te voorkomen, deze kinderen onmiddellijk uit het Moria-kamp, van Lesbos af, [moeten] worden weggehaald.»? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen en op welke zeer korte termijn? Hoeveel kinderen is Nederland bereid op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat mensen onvoldoende op de hoogte zijn om een passende zorgverzekering te kiezen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat mensen onvoldoende op de hoogte zijn om een passende zorgverzekering te kiezen?1
Het artikel bericht over een onderzoek dat Independer door onderzoeksbureau Q&A heeft laten uitvoeren over de bekendheid van het verlagen van de collectiviteitskorting van 10% naar 5% in 2020. Uit de steekproef blijkt dat 90% daarvan niet op de hoogte is. Eerder heb ik aangegeven dat het wat mij betreft aan zorgverzekeraars en andere aanbieders van zorgverzekeringen is om de klanten hierover te informeren. Ik zie dit ook al gebeuren. Veel zorgverzekeraars informeerden hun verzekerden na Prinsjesdag over de wijzigingen voor komend jaar, waaronder de verlaging van de maximale collectiviteitskorting van 10% naar 5% in 2020. Ook heb ik al vergelijkingssites gezien die hun bezoekers hierover informeren.
Wanneer en hoe gaat u verzekeraars aanspreken om verzekerden beter voor te lichten?
Ik heb zorgverzekeraars opgeroepen om hun verzekerden te informeren over de verlaging van de maximale collectiviteitskorting van 10% naar 5%. Zorgverzekeraars geven aan al begonnen zijn. Ik verwacht dat zij hiermee zullen doorgaan of starten in het aankomende overstapseizoen.
Hoe en wanneer gaat u controleren of verzekeraars daadwerkelijk voldoende informatie en voorlichting geven over de wijzigingen in de collectieve verzekeringen?
Over collectiviteiten wordt al geruime tijd gesproken. Aanvankelijk met de betrokken veldpartijen en uw Kamer. Vorig jaar heb ik mijn besluit over de maatregel aangekondigd om de maximale wettelijke korting te verlagen van 10 naar 5% en is daar in de media uitvoerig aandacht aan besteed. Inmiddels heb ik invulling gegeven aan de maatregel door de AMvB in werking te laten treden, die de maximaal toegestane korting verlaagt naar 5% in 2020. Idee is dat zorgverzekeraars en aanbieders van collectiviteiten bewuster omgaan met het verstrekken van de korting en deze korting in de toekomst kunnen legitimeren, in plaats van financieren uit een opslag. De overheid is geen partij bij de overeenkomst tussen zorgverzekeraars en aanbieders van collectiviteiten en beschikt niet over een integrale lijst van alle collectiviteiten. Het is aan zorgverzekeraars en aanbieders van collectiviteiten om te bepalen hoe de nieuwe korting wordt vastgesteld. Ik ga ervan uit dat die onderhandelingen tussen partijen gaande zijn. Het is dan ook aan deze partijen om de aangesloten verzekerden te informeren over het nieuwe kortingspercentage voor het betreffende collectief. Dat zal in ieder geval gebeuren bij de prolongatiebrieven met het nieuwe polisaanbod. De NZa ziet er als toezichthouder op toe dat de wettelijke kaders worden nageleefd op de zorgverzekeringsmarkt. Dat doet de NZa met het huidige wettelijk maximum van 10% korting en dat zal de NZa doen met het nieuwe maximum van 5% korting.
Hoeveel verzekerden zijn met hun huidige collectieve verzekering duurder uit dan met een individuele polis?
Het bericht geeft aan dat mensen vooral bij collectieve verzekeringen een relatief dure aanvullende polis afsluiten. Of iemand daarmee duurder uit is dan wanneer hij of zij een individuele basisverzekering zou hebben afgesloten (met een goedkopere aanvullende verzekering of zonder aanvullende verzekering), hangt af van hoeveel en welke zorg iemand nodig verwacht te hebben in het betreffende jaar. Omdat dit voorafgaand aan het jaar onzeker is, speelt de risicobereidheid van de betrokken verzekerden een belangrijke rol in het bepalen waar iemand beter mee af is. Is de risicobereidheid laag, dus is iemand nauwelijks bereid het risico te lopen een deel van zijn zorgkosten buiten het basispakket om zelf te dragen, dan past een meer uitgebreide en daarmee relatief dure aanvullende verzekeringspolis. Ook is het relevant om af te wegen of hogere kosten zelf opgevangen kunnen worden of dat het beter opgevangen kan worden via een aanvullende verzekering.
Over de brede linie laat de Monitor Zorgverzekeringen 2019 van de NZa zien dat het relatieve prijsvoordeel van collectief verzekerden op de basisverzekering gemiddeld steeds verder afneemt van 4,4% in 2015 naar 1,9% in 2019. Dit komt doordat de korting uit een premieopslag wordt gefinancierd en de individuele polis gemiddeld steeds goedkoper wordt. Het is echter een gemiddelde. Of de collectief verzekerde financieel voordeel heeft bij de korting is afhankelijk van het feit of de korting hoger is dan de gemiddelde opslag op de polis. Er worden polissen zonder collectiviteiten aangeboden, waarin dus ook geen opslag is verwerkt in de premie. De verzekerde betaalt de netto prijs. Verzekerden die individueel verzekerd zijn op een polis die wel collectiviteiten aanbiedt, betalen via de opslag mee aan de korting die anderen ontvangen. Dit geldt ook voor de collectief verzekerden met een lagere korting dan de opslag. Dit alles betreft de basisverzekering.
De aanvullende verzekering kan ook een extra dekking bevatten, omdat de werkgever bijvoorbeeld waarde hecht aan extra fysiotherapie voor zijn werknemers vanwege de belastende arbeid die zij verrichten. De werknemer krijgt dan via de aanvullende verzekering bijvoorbeeld 18 behandelingen vergoed in plaats van 15. Met extra aanspraken stijgt over het algemeen de premie. Omdat deze extra fysiotherapie ook in het belang is van de werkgever om verzuim te voorkomen en arbokosten te besparen, vergoeden werkgevers via sommige CAO’s deze hogere premie. Of dit relevant is voor de betreffende verzekerde is aan de persoon zelf om te beoordelen.
Ik heb geen inzicht in het precieze aanbod van alle duizenden collectiviteiten in Nederland. Evenmin ken ik de verwachte zorgvraag en risicobereidheid van alle Nederlanders. Ik raad mensen altijd aan in het najaar goed na te denken over hun persoonlijke situatie en te kijken naar het aanbod, om zodoende een passende basisverzekering af te sluiten (al dan niet in combinatie met een aanvullende verzekering en al dan niet gebruik makend van een collectief aanbod).
Vindt u het ook de taak van verzekeraars om mensen te informeren dat zij met een collectieve verzekering vaak te ruim verzekerd zijn en in een aantal gevallen goedkoper uit zijn met een individuele verzekering? Zo nee, waarom niet, zo ja, op welke wijze gaat u daarbij controleren of verzekeraars hier voldoende informatie over verspreiden?
Zorgverzekeraars hebben als taak om mensen een duidelijke polis aan te bieden, goede zorg in te kopen en die tegen een scherpe premie aan te bieden. Via de NZa krijgen de zorgverzekeraars diverse aanwijzingen om mensen op een transparante manier van de juiste informatie te voorzien. Wat het beste bij iemand past, hangt af van de individuele voorkeuren en behoefte van verzekerden (zie ook mijn antwoord op vraag 4). Verzekerden doen er goed aan om zich breed te oriënteren en daarbij verschillende zorgverzekeraars, polissen en eventueel ook collectiviteiten met elkaar te vergelijken. Veel mensen raadplegen vergelijkingssites, die via vragentools en telefonische ondersteuning mensen kunnen helpen bij het maken van een keuze.
Vindt u het alleen een taak voor verzekeraars om verzekerden goed te informeren over de inhoud van zorgverzekeringen, of vindt u dat de overheid daar ook een taak in heeft. Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Uiteraard is er bij het informeren over de inhoud van de zorgverzekeringen ook een taak weggelegd voor de overheid. Burgers kunnen via rijksoverheid.nl en ikregelmijnzorggoed.nl informatie vinden over hoe de zorgverzekering in Nederland is geregeld. Deze websites bevatten informatie over een verscheidenheid aan onderwerpen, zoals wat er in het basispakket zit, wanneer het eigen risico van toepassing is en wanneer niet.
Vanuit het Ministerie van VWS gaat jaarlijks een voorlichtingsteam het land in die in persoonlijke gesprekken met burgers wijzen op de mogelijkheid om over te stappen, de inhoud van zorgverzekeringen en bijvoorbeeld het eigen risico. Dit team wordt door het Ministerie van VWS getraind. Daarnaast worden er tijdens de najaarscampagne rond het overstapseizoen radiospotjes uitgezonden. Ook op social media publiceert het Ministerie van VWS video’s die wijzen op de mogelijkheid om over te stappen. Deze video’s zijn ook terug te vinden op de website van het ministerie. Begin 2020 informeert het Ministerie van VWS burgers via social media over wanneer het eigen risico betaald moet worden en wanneer niet.
Deze informatie is ook beschikbaar bij de zorgverzekeraars en wordt ook gebruikt in hun communicatie richting verzekerden. Zo zorgen de overheid en zorgverzekeraars er samen voor dat mensen zo goed mogelijk via verschillende kanalen geïnformeerd worden over de zorgverzekering.
Op welke datum maakt u de balans op ten aanzien van de informatie die zorgverzekeraars aan hun verzekerden geven en gaat u zo nodig zelf zorgen dat mensen goed geïnformeerd hun zorgverzekering kunnen kiezen en niet onnodig te veel betalen?
Ieder jaar wordt het overstapseizoen gemonitord door de NZa. Zij houden daarbij toezicht op hun eigen Regeling informatieverstrekking ziektenkostenverzekeraars aan consumenten (TH/NR-017). Als zorgverzekeraars iets doen wat in strijd is met deze regeling worden zij hierop aangesproken door de NZa. Als zij vervolgens geen aanpassingen doen kan de NZa handhavend optreden. Binnen het Ministerie van VWS wordt het overstapseizoen ook in de gaten gehouden. Als wij signalen ontvangen of opvangen dan geven wij die door aan de NZa. De NZa doet dit najaar specifiek onderzoek naar de vindbaarheid van informatie, omdat uit de onderzoeken tijdens het vorige overstapseizoen bleek dat deze nog te wensen overlaat. Bovendien laat ik komend jaar verschillende onderzoeken doen naar onder meer het polisaanbod en overstapbelemmeringen voor zorggebruikers. Zo houden we zorgverzekeraars scherp om constant de informatievoorziening op de behoeften van verzekerden te laten aansluiten.
De zorggroep Aventura |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van diverse berichten inzake de zorggroep Aventura?1
Ja.
Wat vindt u van de managementvergoeding van bijna een kwart miljoen euro die aan beide eigenaren van Aventura (bovenop hun salaris) wordt uitbetaald? Is naar uw mening hier sprake van een constructie met als doel dan wel gevolg dat de Wet normering topinkomens wordt omzeild? Bent u bereid dergelijke constructies via wetgeving de pas af te snijden?
Het CIBG, de toezichthouder in de zorg op de naleving van de Wet normering topinkomens (Wnt), heeft Aventura zeer recent in onderzoek genomen. Op dit moment is daarom nog geen uitspraak te doen over de managementvergoedingen en de relatie met de Wnt.
Vindt u het bedrag van € 4.700 dat Aventura blijkbaar maandelijks per cliënt ontvangt in verhouding staan tot de diensten, zorg en begeleiding die door Aventura worden geleverd? Kunt u beschrijven waar een cliënt naar uw mening voor een dergelijk bedrag aanspraak op zou moeten kunnen maken? Bent u bereid in dezen maximumtarieven vast te leggen?
De Friese gemeenten geven aan het bedrag van € 4.700 niet te herkennen.
Op basis van de AMvB reële prijs Wmo 2015 stellen gemeenten met inachtneming van een aantal kostprijselementen een reëel tarief vast voor ondersteuning die geboden wordt in het kader van de Wmo 2015. De reële prijs voor ondersteuning wordt dan ook mede beïnvloed door de lokale infrastructuur en door lokaal vastgelegde kwaliteitseisen en uitvoeringseisen.
Het stellen van maximumtarieven zou betekenen dat ondersteuning (landelijk) genormeerd dient te worden. Mijns inziens staat dat haaks op hetgeen beoogd is met de Wmo 2015, namelijk maximaal maatwerk leveren, passend bij de behoeften van de cliënt en de lokale infrastructuur.
Wat vindt u van de constructie dat cliënten van een in handen van de eigenaren van Aventura zijnde organisatie («de tak beschermd wonen») dagbesteding doen bij een andere organisatie van dezelfde personen (een autobedrijf)? Wat vindt u van het woud aan BV’s en stichtingen dat deel uitmaakt van Aventura, waarbij over en weer opdrachten worden verleend? Vindt u nader onderzoek daarnaar gewenst? Bent u bereid daaraan via regelgeving paal en perk te stellen?
De concernrelaties van Aventura bv zijn bij aanvang van de overeenkomst overlegd door de aanbieder. De concernrelaties in de vorm van meerdere bv's zijn op zichzelf niet verboden en zien we vaker binnen het sociaal domein. De gemeente Smallingerland heeft aangegeven meer toezicht te willen houden op de financieringsstromen tussen de verschillende bv’s. Dat vind ik een goede ontwikkeling.
In de aanbesteding Beschermd Wonen in Friesland zijn geen afspraken gemaakt over waar de dagbesteding moet plaatsvinden en of dit mag op locaties/andere organisaties van de aanbieder. Zolang de besteding van zorggeld rechtmatig plaatsvindt en de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is, is de bedrijfsconstructie van een zorgaanbieder geen punt van bijzondere aandacht.
Wat vindt u van het feit dat Aventura zonder toestemming logo’s van bijvoorbeeld gemeente, openbaar ministerie en politie gebruikt? Welke consequenties heeft dat voor Aventura?
Het ongevraagd gebruik maken van de logo’s van genoemde instellingen vind ik onwenselijk en is in strijd met wet- en regelgeving. Bij het constateren van dit feit heeft de gemeente de zorgaanbieder direct gesommeerd het logo te verwijderen. Dit is ook gebeurd. Ik vertrouw erop dat de gemeente vervolgstappen onderneemt, mocht het toch nogmaals gebeuren.
Herkent en erkent u het beeld dat aanbieders van beschermd wonen regelmatig geen zorgachtergrond hebben en dat dergelijke aanbieders als paddestoelen uit de grond schieten? Ziet u dit als (ongewenst) gevolg van marktwerking?
Het beeld dat aanbieders regelmatig geen zorgachtergrond hebben, herken ik niet. Wel ontvang ik signalen van gemeenten dat zij zich soms zorgen maken over de kwaliteit die sommige aanbieders leveren. Zij kunnen hier in de eventuele aanbesteding en contractering goede afspraken over maken. Ook als sprake is van marktwerking zijn er mogelijkheden om te sturen op het leveren van zo goed mogelijke kwaliteit aan cliënten.
In de brief van 9 juli aan uw Kamer (35 000 XVI, nr. 133) staan maatregelen genoemd met als doel om zoveel mogelijk te voorkomen dat organisatorische en/of financiële constructies worden gehanteerd die doelmatige besteding van zorggeld in gevaar brengen (bestrijden van «excessen»).
Hoe vindt u dat, vierenhalf jaar (!) na inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving en nadat gemeenten (meer) verantwoordelijk zijn geworden voor beschermd wonen inclusief het toezicht daarop, aan dat toezicht en de daarbij horende handhaving wordt vormgegeven?
Op basis van artikel 6.1 van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het toezicht op de maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten doen dit door een of meerdere toezichthouders aan te wijzen. Dat toezicht is volop in ontwikkeling. Niet alles verloopt altijd even soepel en er is altijd ruimte om te leren en te verbeteren. Juist dat leren wil ik graag versnellen.
Instellingen voor Beschermd Wonen ondersteunen doorgaans de meest kwetsbaren binnen de groep mensen die een vorm van maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. Het is daarom van belang dat het toezicht hierop proactief wordt vormgegeven in plaats van (alleen maar) reactief. In het kader van thematisch risicogestuurd toezicht, heb ik van de IGJ vernomen dat zij samen met gemeenten in 2020 meer focus legt op Beschermd Wonen. Bij toezicht op Beschermd Wonen is vaak sprake van gecombineerd toezicht, waarbij zowel de gemeentelijk toezichthouder als een Rijksinspectie betrokken is. De Minister van VWS ondersteunt dit waar nodig, om op deze manier de ontwikkeling van het Wmo-toezicht te versnellen. In zijn beleidsreactie op de jaarlijkse rapportage van de IGJ over het Wmo-toezicht, die binnenkort naar uw Kamer zal worden gezonden, zal hij nader ingaan op welke manier instellingen voor Beschermd Wonen bezocht worden.
Daarnaast ondersteunt de Minister van VWS gemeenten om toezicht en handhaving in het Wmo-domein uit te voeren en te versterken. De VNG organiseert – op ons verzoek – expertmeetings, waarbij toezichthouders van elkaar en elkaars methodes kunnen leren. Tevens heeft de Minister van VWS aangegeven werk te maken van openbaarmaking van Wmo-toezichtrapportages. Dit is een instrument om het Wmo-toezicht (nog) verder te professionaliseren.
Omdat bij Aventura ook Wlz cliënten in zorg zijn, staat Aventura ook onder toezicht van de IGJ. De IGJ heeft naar aanleiding van de signalen uit de media contact opgenomen met de gemeente en daaropvolgend zeer recentelijk een onaangekondigd toezichtbezoek afgelegd aan Aventura. Indien nodig onderneemt de IGJ zelf stappen naar aanleiding van dit onderzoek.
Durft u de garantie te geven dat een en ander in het hele land inmiddels op een goede wijze wordt vormgegeven, zodat vaak kwetsbare jongeren worden beschermd en «foute» zorgaanbieders worden geweerd of bent u van mening dat een en ander nog onvoldoende op orde is?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u het gevoel dat gemeenten soms terughoudend zijn met handhaving, nu het niet altijd eenvoudig is in voorkomende gevallen cliënten elders onder te brengen?
Nee, dat gevoel heb ik niet. Mijn beeld is dat gemeenten hun zorgplicht en de kwaliteit van ondersteuning serieus nemen. De gemeente Smallingerland heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een beperkte capaciteit rondom intramuraal beschermd wonen.
Wat ziet u als úw verantwoordelijkheid in dezen en bent u bereid die te nemen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid in dezen niet nog langer af te wachten of gemeenten toezicht en handhaving in dezen op orde krijgen en zèlf de regie te nemen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u in het kader van het hiervoor bedoelde bijvoorbeeld bereid om het wetsvoorstel Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) óók volledig van toepassing te verklaren op aanbieders van beschermd wonen?
Nee. Het wetsvoorstel Wtza richt zich primair op een verbetering van het kwaliteitstoezicht van de IGJ op nieuwe zorgaanbieders. Aangezien Wmo-ondersteuning niet behoort tot het toezichtsdomein van de IGJ, past het niet om de Wtza daarnaar uit te breiden. Wel bestaat er een afsprakenkader voor de Wmo toezichthouders en de Rijksinspectie om de samenwerking bij gezamenlijk toezicht te bevorderen. Dit afsprakenkader wordt momenteel herzien. Begin 2020 zal de VNG dit afsprakenkader verspreiden onder gemeenten en toezichthouders.
Bent u bereid, daar waar het gaat om het toezicht op aanbieders van beschermd wonen, binnen afzienbare termijn met een actieplan te komen met maatregelen om misstanden zoals hier en in andere gevallen geconstateerd te voorkomen?
Zie antwoord vraag 7.
De inperking van vrijheden in Brazilie onder president Bolsonaro |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rio Mayor Orders Censorship of Comic Book at Rio de Janeiro Book Biennial»?1
Ja.
Hoe vindt u het dat een stripboek waarin twee zoenende jongens worden afgebeeld, wordt gecensureerd?
Blijkens persberichten heeft de burgemeester van Rio de Janeiro aan de organisatoren van een boekenfestival in die stad opdracht gegeven een stripboek van de beurs te verwijderen omdat het een tekening bevat van twee zoenende jongens. De organisatie van, en deelnemers aan, het boekenfestival hebben hier afwijzend op gereageerd en ook vanuit de Braziliaanse samenleving is een scherpe reactie gekomen tegen dit besluit. Daags na het besluit van de burgemeester werd dat onconstitutioneel verklaard door het Braziliaanse Hooggerechtshof, dat oordeelde dat vrijheid van meningsuiting een essentieel onderdeel is van een democratie.
Maakt u zich ook zorgen over de aanvallen op culturele, seksuele en democratische vrijheden in Brazilië? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Hoewel de relevante wetgeving in Brazilië niet is veranderd sinds het aantreden van president Bolsonaro, is het discours van de Braziliaanse federale regering t.a.v. de genoemde vrijheden minder liberaal geworden. Het lijkt erop dat in sommige gevallen andere overheidsinstanties, zoals in dit geval het gemeentebestuur van Rio de Janeiro, dit discours overnemen en maatregelen treffen tegen uitingen die voorheen getolereerd zouden worden.
Overigens moet worden geconstateerd dat het onderhavige geval ook aantoont dat de Braziliaanse rechtstaat goed functioneert.
Hebt u uw zorgen hieromtrent geuit aan uw Braziliaanse ambtsgenoot? Zo ja, wanneer? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland brengt zijn zorgen over de mensenrechtensituatie in bredere zin bij alle in aanmerking komende gelegenheden over aan de Braziliaanse autoriteiten. Hierbij komen de vrijheid van meningsuiting en de gelijke rechten van LHBTI’s uiteraard aan bod. Ook in overleg met EU-partners is dit een terugkerend thema. Ook wordt actief ingezet op «zichtbare» ondersteuning van genoemde vrijheden, o.a. door het organiseren van activiteiten met en voor de LGBTI-gemeenschap, deelname aan Gay Prides en financiering van een She Decides-project van het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (UNFPA), ter ondersteuning van seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen en meisjes in Brazilië.
Deelt u de mening dat sinds het aantreden van president Bolsonaro de mensenrechten in Brazilië onder druk zijn komen te staan?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Bent u bereid om met uw Braziliaanse ambtsgenoot in gesprek te gaan over de mensenrechtensituatie in Brazilië?
Ja. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van gesprekken met de Braziliaanse autoriteiten.
Hebt u uw zorgen over de situatie in Brazilië onder de aandacht gebracht binnen de EU?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Polen sleept kritische juristen voor de rechter’ |
|
Kees Verhoeven (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de schriftelijke vragen over het bericht «Polen sleept kritische juristen voor de rechter», ingezonden op 21 juni 2019?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoord op vraag 2, waarin gevraagd werd hoe u het bericht duidt dat de Poolse regering kritische academici, bijvoorbeeld de hoogleraar Wojciech Sadurski, voor de rechter sleept (zoals genoemd in aangehaald artikel van Euractiv) en waarop u antwoordde dat het Poolse Ministerie van Justitie deze aanklacht heeft afgezien?2
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw antwoord op vraag 5 en 7 dat u het niet opportuun achtte deze specifieke casus op te brengen in de Raad Algemene Zaken, omdat de aanklacht was ingetrokken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten waarop u uw antwoorden baseerde, waarin u de indruk wekt dat er geen procedures meer lopen tegen academici in Polen vanwege kritiek op de door Recht en Rechtvaardigheid (PiS) geleide regering zoals tegen de genoemde hoogleraar Wojciech Sadurski?
Klopt het dat u zich alleen baseerde op een enkele zaak tegen zes Poolse academici die inderdaad is ingetrokken, maar dat u andere lopende zaken tegen academici vanwege het bekritiseren van de regering (zoals Wojciech Sadurski) niet heeft meegenomen in uw antwoord, ondanks dat deze hoogleraar specifiek is genoemd in de schriftelijke vragen?
Bent u het ermee eens dat u met het antwoord op vraag 2, 5 en 7 de indruk wekt dat er geen aanklachten meer lopen tegen academici vanwege het bekritiseren van de regering en dat dit feitelijk onjuist is, aangezien er nog steeds drie zaken lopen tegen professor Wojciech Sadurski, zoals hij zelf ook aangaf in zijn tweet van 25 augustus 2019?3
In hoeverre heeft het Nederlandse kabinet voldoende zicht op de realiteit in Polen als het gaat om het vervolgen van kritische academici en intellectuelen vanwege hun kritiek op de regering in Polen en het heersende klimaat als het gaat over de vrijheid van meningsuiting?
Wat is uw reactie op het feit dat er nog steeds rechtszaken lopen tegen academici vanwege hun kritiek op de PiS-regering in Polen en daarmee vrijheid van meningsuiting onder druk staat? Deelt u de mening dat vrijheid van meningsuiting een hoeksteen is van de democratische rechtsstaat en daarom te allen tijde gewaarborgd dient te worden?
Bent u bereid, nu duidelijk is dat er in Polen nog steeds wel degelijk academici vervolgd worden vanwege hun kritiek op de PiS-regering, dit in Europees verband in de Raad Algemene Zaken en in bilaterale contacten met uw Poolse collega aan te kaarten en de Kamer te informeren over de reactie van de Poolse autoriteiten?
Het bericht ‘Wapenopslagplaatsen vol: Nederland voldoet niet aan wapenregels EU’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van BNR van 21 augustus 2019: «Wapenopslagplaatsen vol: Nederland voldoet niet aan wapenregels EU»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de huidige praktijk dat wapenhandelaars voor de erkenning van onklaar gemaakte wapens moeten uitwijken naar Duitsland of België? En dat de wapenopslagplaatsen vol zijn waardoor wapenhandelaars mensen met wapens terug naar huis moeten sturen?
Mij is niet bekend dat wapenopslagplaatsen vol zijn. Ook van de politie heb ik hier geen berichten over ontvangen. Een wapenhandelaar mag ervoor kiezen gebruik te maken van andere Europese keuringsinstanties zoals in Duitsland of België. In Nederland is sinds 23 juli jl. de controlerende autoriteit formeel belegd bij de politie. Sindsdien kunnen verzoeken voor een keuring worden ingediend.
De politie heeft sinds de openstelling op 23 juli jl. een aantal aanmeldingen of verzoeken ontvangen en is in contact met tien wapenhandelaren. De controlerende autoriteit maakt met hen daartoe nadere afspraken opdat binnenkort de dienstverlening van start kan gaan.
Kunt u aangeven welke stappen er gezet zijn sinds de invoering van de wijziging van de Wet wapens en munitie in verband met de Richtlijn (EU) 2017/853? Wanneer verwacht u dat het Team Korpscheftaken kan beginnen met het uitgeven van certificaten voor onklaar gemaakte wapens?
Sinds 23 juli jl. kunnen wapens aangemeld worden, en de politie is met ingang van 1 oktober jl. in staat om certificaten af te geven.
Ter voorbereiding op deze nieuwe taak heeft de politie geanalyseerd welke werkwijze toegepast kan worden voor het keuringsproces. Uiteindelijk is de wijze waarop dit proces in Duitsland is ingericht, overgenomen. Daarnaast heeft de politie in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de wapenhandel gewerkt aan de vaststelling van technische uitvoeringshandelingen. Voorts zijn zogenaamde keurmeesters aangesteld en aanvullend opgeleid en zijn voor de aanvraagprocedure standaard aanvraagformulieren ontwikkeld.
De controlerende autoriteit, die overigens niet is ondergebracht binnen de teams Korpscheftaken, is met de inwerkingtreding van de vuurwapenrichtlijn op 23 juli 2019 geformaliseerd. Buiten de vermelde voorbereidingen was er voor die tijd geen wettelijke basis om verdere stappen te zetten. Met de aanwijzing van de korpschef als controlerende autoriteit is de verdere inrichting hiervan vormgegeven binnen de politie.
Hoe ver is het Team Korpscheftaken in de voorbereiding op het uitgeven van certificaten voor onklaar gemaakte wapens? Wat is de oorzaak dat dit niet al eerder is opgestart?
Zie antwoord vraag 3.
Is al een systeem beschikbaar waar gedeactiveerde vuurwapens aangemeld kunnen worden zoals de Richtlijn voorschrijft?
Ja, gedeactiveerde vuurwapens kunnen bij de politie aangemeld worden. Daarvoor wordt het Verona-systeem gebruikt, dat voorziet in de eisen die de richtlijn stelt.
Is de drie miljoen euro extra die wordt uitgetrokken voor het Team Korpscheftaken met name bedoeld om de extra taken die voortvloeien uit de wijziging van de Wet wapens en munitie te bekostigen?
Nee, dit bedrag komt ten goede aan de handhavende en vergunningverlenende taak van de teams korpscheftaken. Voor de dekking van de eenmalige kosten is 3 miljoen euro voor de politie beschikbaar. Dat geld is afkomstig uit de structurele reeks van € 28,9 mln. voor meer en betere politie waarover ik uw Kamer in mijn brief van 24 juni jl. berichtte.2 Daarnaast zijn de legeskosten voor een keuringscertificaat ter dekking van de structurele kosten die voortvloeien uit de wetswijzing in brede zin met € 8,20 verhoogd en vastgesteld op € 90,–.3
Kunt u aangeven of het Verona-systeem op dit moment voldoende is toegerust om de nieuwe Europese uniforme markering te registreren?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat een uitvaartverzekeraar mensen met een psychische aandoening weigert |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat uitvaartverzekeringen naast mensen met een psychische aandoening ook mensen weigeren met een hartaandoening, kanker of andere ziekten, of omdat mensen bepaalde medicijnen gebruiken?
Bent u ervan op de hoogte dat uitvaartverzekeringen ook mensen weigeren die gezond zijn, maar ooit ziek zijn geweest?
Bent u ervan op de hoogte dat ook uitvaartverzekeringen worden geweigerd voor baby’s die bij geboorte niet gezond zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat bepaalde uitvaartverzekeringen soms mensen met de in vraag 1 tot en met 3 genoemde problemen wel accepteren, maar alleen tegen een veel hogere premie of zelfs een dubbeltarief rekenen?
Mensen met gezondheidsproblemen of een psychische aandoening kunnen in veel gevallen wel zonder premieopslag verzekerd worden. Sommige uitvaartverzekeraars maken het mogelijk om een kind mee te verzekeren met ouders, ongeacht de gezondheidstoestand van het kind. Het is mij bekend dat uitvaartverzekeraars criteria hanteren op basis waarvan mensen met een verhoogd sterfterisico worden geweigerd of een hogere premie krijgen opgelegd. Deze criteria kunnen verschillen per verzekeraar. In beginsel zijn verzekeraars vrij om hun eigen acceptatiebeleid te voeren en te bepalen welke criteria zij hanteren om een verzekeringsaanvraag af te wijzen. In algemene zin geldt dat verzekeraars een risico dekken als er sprake is van een potentieel onzeker voorval en de premie afstemmen op de kans dat en de verwachte termijn waarbinnen dat voorval zich voordoet. Ook uitvaartverzekeraars werken op deze wijze. Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen hierboven (2019Z16530) vind ik het onwenselijk en heel naar voor de betrokkenen als een dierbare overlijdt en onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de uitvaart te bekostigen. Om die reden vind ik toegankelijke en betaalbare uitvaartverzekeringen van groot belang. Ook verzekeraars zijn zich van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid hiervoor bewust. In de Gedragscode verzekeraars is als gedragsregel opgenomen dat verzekeraars zich inspannen om voor zoveel mogelijk (potentiële) klanten risico’s financieel af te dekken en te voorkomen dat mensen tegen hun wil onverzekerd zijn. In het acceptatiebeleid van verzekeraars worden daarmee niet uitsluitend commerciële afwegingen betrokken, maar ook hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Sinds 14 juni 2016 is er op grond van de Wet gelijke behandeling reeds een verbod van toepassing op het maken van direct onderscheid op basis van handicap of chronische ziekte bij het verlenen van toegang tot diensten in de uitoefening van een beroep of bedrijf (zoals het verzekeringsbedrijf). Het is verzekeraars bijvoorbeeld niet toegestaan een risicoselectie te hanteren waarbij vooraf al is aangegeven dat mensen met een bepaalde handicap of chronische ziekte een bepaalde verzekering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd of alleen tegen een bepaalde hoge premie te verkrijgen is. Het maken van indirect onderscheid is uitsluitend toegestaan indien dat objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Bij de verstrekking van financiële diensten, waaronder verzekeringen, kan dus rekening worden gehouden met (gezondheids)risico’s. Indien consumenten van mening zijn dat het acceptatiebeleid van uitvaartverzekeraars in individuele gevallen strijdig is met de wet, dan kunnen zij dit voorleggen aan het College voor de rechten van de mens of de rechter.
Deelt u de opvatting dat dit soort weigeringsgronden voor uitvaartverzekeraars niet zouden moeten worden toegestaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Mogelijke belangenverstrengeling door de overstap van de directeur van de Europese Bankenautoriteit (EBA) naar een financiële lobbyclub |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Top EU regulator Farkas to head banking lobbying group AFME»1? Erkent u dat bestuurders en hooggeplaatste functionarissen bij een financiële toezichthouder, zoals de Europese Bankenautoriteit (EBA), vrij moeten zijn van belangenverstrengeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik heb kennisgenomen van dat artikel. Het staat voorop dat voor elke overheidsinstelling integriteit de norm is; belangenverstrengeling is uit den boze, en ook de schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden. Voor (financiële) toezichthouders is dit onlosmakelijk verbonden met het principe van onafhankelijk toezicht. Ik heb eerder aangegeven dat het goed is om in gesprek te zijn met stakeholders, mits dit op gepaste afstand gebeurt.2 Hierdoor weet de EBA bijvoorbeeld wat er leeft onder haar stakeholders en wordt haar werk meer zichtbaar. Uiteraard is van belang dat de EBA zich in de uitvoering van haar taken niet door het contact met stakeholders laat beïnvloeden. Om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan voert de EBA een actief integriteitsbeleid3 en is zij transparant over het contact met stakeholders4.
Wat vindt u ervan dat de directeur van de EBA overstapt naar de Association for Financial Markets in Europe (AFME), die voor haar leden, zoals Blackrock, Goldman Sachs, ABN Amro, HSBC en vele andere financiële instellingen, beleggers en banken, lobbyt voor een Europese Bankenunie en Kapitaalmarktunie? Kunt u uw antwoord toelichten?2 3
Ik hecht eraan dat er regels zijn om ethisch gedrag en integriteit te waarborgen. Voor personeel bij de EBA, met inbegrip van de uitvoerend directeur, gelden dezelfde regels als voor EU-ambtenaren.7 Dat betekent in de eerste plaats dat zij gebonden zijn aan het beroepsgeheim waarvan nadrukkelijk is bepaald dat dit ook na beëindiging van het dienstverband blijft gelden.
Daarnaast geldt er een afkoelingsperiode van twee jaar waarin zij na hun vertrek, voordat zij een nieuwe functie aanvaarden, hun voormalige werkgever moeten informeren, die kan besluiten om de voorgenomen werkzaamheden te verbieden of om aan de uitoefening ervan voorwaarden te stellen.8
Bij de aankondiging van zijn vertrek heeft de EBA naar buiten gebracht dat de heer Farkas gedurende twee jaar na zijn vertrek zich niet mag bezighouden met lobbywerk bij de EBA of uit hoofde van zijn nieuwe functie contact mag hebben met personeel van de EBA.9 Bovendien mag hij gedurende anderhalf jaar na zijn vertrek de leden van de AFME niet adviseren of anderszins bijdragen aan de activiteiten van die organisatie als het gaat om onderwerpen die verband houden met zijn werk bij de EBA. In aanvulling hierop is Farkas» takenpakket bij de EBA aangepast: hij heeft niet langer bemoeienis met de kerntaken van de EBA maar uitsluitend nog met operationele aangelegenheden, en in de laatste drie maanden voor zijn vertrek op 31 januari 2020 wordt hij van zijn taken ontheven.
Erkent u dat het voor de lobbyorganisatie AFME en haar leden een uitgelezen kans is om informatie te krijgen over hoe er toezicht wordt gehouden op de financiële instellingen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze is gegarandeerd dat (gevoelige) beleidsinformatie die de oud-directeur van de toezichthouder heeft niet bij de financiële instellingen terechtkomt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het de spuigaten uitloopt met hooggeplaatste functionarissen en politici die een (lucratieve) overstap maken naar de financiële sector? Zo neen, waarom niet?4
Op 1 februari 2018 is een nieuwe gedragscode voor eurocommissarissen in werking getreden. Deze gedragscode zorgt voor duidelijkere regels, hogere ethische normen en meer transparantie. Zo is de afkoelingsperiode voor voormalige commissarissen verlengd en wordt de commissie bij de toepassing van de gedragscode bijgestaan door een nieuw en daadkrachtiger onafhankelijk ethisch comité. De aanscherping volgde op een aantal incidenten rondom voormalige leden van de commissie-Barroso II die voor ophef zorgden. De komende periode, na het vertrek van de commissie-Juncker, zal een test worden voor de robuustheid van de nieuwe gedragscode.
Op basis van deze nieuwe gedragscode geldt voor voormalige commissarissen een afkoelingsperiode van twee jaar (drie jaar voor de voormalige Commissievoorzitter). Gedurende deze periode moeten zij beroepsactiviteiten die zij voornemens zijn te vervullen, melden bij de Commissie. Als het gaat om een functie die verband houdt met hun voormalige beleidsterrein, kan de Commissie haar goedkeuring pas verlenen na raadpleging van het ethisch comité. Deze besluiten en de adviezen van het comité worden openbaar gemaakt. Daarnaast gelden er beperkingen voor bepaalde activiteiten, zoals lobbyen bij leden of personeel van de Commissie voor onderwerpen die tot hun portefeuille behoorden. Deze regels zijn vergelijkbaar met het Nederlandse kabinetsbeleid inzake afkoelingsperiodes en lobby van bewindspersonen.12
In bovenstaande antwoorden schreef ik al wat de afkoelingsperiode voor voormalige EU-ambtenaren behelst.
Hoe gaat u voorkomen dat straks allerlei oud-eurocommissarissen overstappen naar de financiële sector? Kunt u uw antwoord toelichten?5
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid actief te pleiten voor een zogenaamde afkoelperiode voor EU-ambtenaren en commissarissen zodat ze niet met recente kennis bij de financiële sector aan de slag kunnen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is ABN Amro – dat grotendeels in handen is van de Nederlandse overheid – lid van de AFME? Welke strategische redenen liggen hieraan ten grondslag?
ABN AMRO heeft bij mij aangegeven dat dergelijke lidmaatschappen, net zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Banken, voor haar van belang zijn om informatie en kennis uit te wisselen en tevens dienen om, voor zover juridisch mogelijk en toegestaan, gezamenlijke standpunten te formuleren.
Wat kost een lidmaatschap van de AFME per jaar?
De website van AFME vermeldt dat de kosten van een lidmaatschap tenminste 5.000 Britse pond bedragen.13 Additionele kosten zijn afhankelijk van de specifieke diensten die een financiële instelling afneemt en de omvang van de instelling. Ik heb daar geen inzicht in.
Hoe vaak heeft de AFME voor haar leden lobbyactiviteiten bij de Europese Commissie en de Eurogroep? Bent u bereid dit uit te zoeken?
Op de website www.integritywatch.eu van Transparency International, die een overzicht geeft van het transparantieregister van de Commissie, blijkt dat AFME sinds december 2014 veertig maal commissarissen of leden van de kabinetten van de commissarissen heeft bezocht. Contacten rondom de Eurogroep zijn mij niet bekend.
Heeft u, uw ministerie of de Franse Minister van Financiën over de vorming van de taskforce Kapitaalmarktunie contact gehad met AFME?6
In mijn brief van 16 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het initiatief dat ik samen met mijn Duitse en Franse collega’s heb genomen voor een werkgroep die aanbevelingen zal doen voor de toekomst van de kapitaalmarktunie.15 Naar aanleiding van deze aankondiging hebben verschillende partijen contact opgenomen met mijn departement, waaronder AFME. Aan deze partijen is desgewenst de achtergrond van het initiatief geschetst. Daarbij is aangegeven dat partijen hun eventuele input kunnen meegeven aan de werkgroep.
In mijn brief van 11 juni jl. schreef ik uw Kamer dat ik mevrouw Corien Wortmann-Kool, bestuursvoorzitter van Pensioenfonds ABP, bereid had gevonden om deel te nemen aan deze werkgroep. Van Franse zijde neemt de heer Fabrice Demarigny, voorzitter van het bestuur van het European Capital Markets Institute en partner bij Mazars Scrl, deel aan de werkgroep.16 Ik ben er niet mee bekend of de Franse Minister van Financiën over de vorming van de werkgroep contact heeft gehad met AFME.
De werkgroep heeft met verschillende stakeholders gesproken en biedt de mogelijkheid om bijdragen te leveren via de website van de werkgroep https://nextcmu.eu/ waarop een openbaar consultatiedocument is gepubliceerd.17
Wie neemt er vanuit De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en/of het ministerie deel aan de komende bijeenkomst van 11, 12, 13 september 2019, te Helsinki, van lobbyclub Eurofi?7
Op de Eurofi-bijeenkomst in Helsinki was een aantal vertegenwoordigers van DNB, de AFM en het Ministerie van Financiën aanwezig. Eurofi houdt op haar website bij wie er spreken en wie deelnemen aan panels. Het overzicht van de bijeenkomst van 11, 12 en 13 september jl. is via deze link te raadplegen: http://www.eurofi.net/wp-content/uploads/2019/09/EUROFI-FI-HELSINKI-Attendees.pdf.
Valt het u ook op dat de leden van de AFME veelal ook lid zijn van Eurofi? Hoeveel lobbyclubs heeft de financiële sector om de Brusselse besluitvorming te beïnvloeden?8
De leden van AFME zijn instellingen die actief zijn op de kapitaalmarkten, de leden van Eurofi zijn instellingen die actief zijn in de financiële dienstverlening.
Dat er overlap bestaat tussen het ledenbestand van AFME en Eurofi is een logisch gevolg. Op het ministerie wordt geen overzicht bijgehouden van organisaties die de belangen van de financiële sector in Brussel behartigen.
Bent u bekend met het bericht «Multicultureel Netwerk Defensie (MND) viert jubileum»?1
Ja
Kunt u aangeven op welke wijze Defensie het MND ondersteunt? Kunt u ook aangeven waaruit deze ondersteuning bestaat en welke bedragen en voorwaarden hiermee zijn gemoeid? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich dit met uw belofte tot meer openheid?
De ondersteuning aan het MND valt in het kader van een bredere ondersteuning aan de diversiteitsnetwerken van Defensie. In mijn brief over de Opbrengsten Programma Behoud en Werving (Kamerstuk 34 919 X, nr. 38 van 15 mei 2019) geef ik inzicht in de financiële middelen die beschikbaar zijn voor de bevordering van diversiteit- en inclusiviteit.
Kunt u aangeven waaruit de samenwerking tussen Defensie en het MND bestaat? Kunt u ook limitatief aangeven welke aanbevelingen en adviezen het MND heeft gedaan en tot welke stappen dit heeft geleid? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich dit met uw belofte tot meer openheid?
De samenwerking tussen Defensie en het MND bestaat o.a. uit het geven van advies en het deelnemen aan relevante bijeenkomsten. Zoals ook in het bericht is aangegeven, heeft het MND bijvoorbeeld geadviseerd om militairen met een Antilliaanse achtergrond in te zetten bij de noodhulp na orkaan Irma. Daarnaast is het MND betrokken op het terrein van werving zoals bijvoorbeeld tijdens het jaarlijkse Kwaku-festival. Dergelijke adviezen zijn niet geformaliseerd en het is ook niet mijn voornemen om dit in de toekomst te formaliseren. Een limitatieve opsomming is daarom niet te geven. Volledigheidshalve vermeld ik dat de samenwerking met de diversiteitsnetwerken van Defensie, gebaseerd is op afspraken die gelden voor ieder netwerk. De invulling van de adviesrol is overigens aan de netwerken zelf.
Bewijst de opmerking «De krijgsmacht draait op teams. En sterke teams zijn divers.» dat Defensie een diversiteitsbeleid voert, waarin diversiteit prevaleert boven kwaliteit? Zo nee, waarom niet?
Diversiteit draagt bij aan de kwaliteit. Defensie bevordert diversiteit en kwaliteit is daarbij het leidende principe. Van prevaleren van diversiteit boven kwaliteit is geen sprake.
Vindt u het niet beschamend dat Defensie wel intensief samenwerkt met het MND, terwijl initiatieven voor defensieslachtoffers en veteranen (zoals bijv. NLPoms, KOVOM en KNIL) aan hun lot worden overgelaten? Betekent dit dat diversiteit prevaleert boven de zorg voor defensieslachtoffers en veteranen? Zo nee, waarom niet?
Bij Defensie wordt er veel aandacht besteed aan slachtoffers en veteranen. De zorg voor veteranen en militaire oorlogs- en dienstslachtoffers is solide belegd bij het Veteraneninstituut en het Veteranenloket. Via dit stelsel biedt Defensie dienstverlening aan Nederlandse veteranen, dienstslachtoffers en hun gezinsleden. Voor details over het veteranenbeleid verwijs ik u graag naar de jaarlijkse Veteranennota (Kamerstuk 30 139, nr. 218 van 11 juni 2019). Meer specifiek waar het de nazorg voor medewerkers van de zogenaamde POMS-locaties betreft, verwijs ik u naar mijn brief over chroom-6 van 4 juli 2019 (Kamerstuk 35 000 X, nr. 147)
Daarnaast is het nodig diversiteit en inclusiviteit te bevorderen. Dit omdat het bijdraagt aan de kwaliteit van onze inzet. Zie voor de aanpak mijn beleidsbrief van 11 oktober 2018 (Kamerstuk 35 000 X, nr. 12). Kortom, voor beide zaken is aandacht.
Kunt u de gestelde vragen tijdig en afzonderlijk van elkaar beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja
Zuid- en Oost-Europeanen die omgeschoold worden voor de Nederlandse zorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat Zuid- en Oost-Europeanen worden omgeschoold voor de Nederlandse zorg?1
De afweging om buitenlandse zorgverleners in dienst te nemen is aan zorginstellingen. Ik zie het werven van personeel uit het buitenland niet als een structurele oplossing voor personeelstekorten in zorg en welzijn. Het staat zorginstellingen evenwel vrij om buitenlandse zorgverleners in dienst te nemen, mits die aan alle vereisten voldoen. Voor EU-onderdanen geldt uiteraard het principe van vrij verkeer. Daarnaast kent de Wet BIG een erkenningsystematiek voor diploma’s waarmee BIG-registratie versneld kan plaatsvinden. Beheersing van de Nederlandse taal is een belangrijke voorwaarde.
Wat vindt u ervan dat organisaties zoals de European Multi Talent Group (EMTG) personeel rekruteren voor de Nederlandse zorg? Zijn er meer organisaties die personeel voor de Nederlandse zorg rekruteren? Kunt u hier een overzicht van sturen?
Ik vind het van belang dat het inschakelen van zorgpersoneel uit het buitenland door Nederlandse zorgorganisaties gebeurt binnen de geldende regelgeving voor het vrij verkeer van personen en de kwaliteit van zorg (zie ook het antwoord op vraag2. Er is geen compleet beeld van de mate waarin zorginstellingen buitenlandse zorgverleners naar Nederland willen halen, maar we ontvangen met enige regelmaat signalen over (kleine) individuele initiatieven. Daarnaast is bekend dat het aandeel buitenlandse verpleegkundigen relatief klein is in Nederland. Van de 192.633 verpleegkundigen die ingeschreven staan in het BIG-register komen er 2.476 uit het buitenland3 (waarvan 1.595 met een diploma uit een EER-land).
Is u bekend hoeveel en welke zorgorganisaties (actief) gebruik maken van bureaus zoals EMTG om zorgpersoneel uit het buitenland te kunnen aannemen?
Zie antwoord vraag 2.
Is u bekend hoeveel geld Nederlandse zorgorganisaties aan bureaus zoals EMTG voor buitenlands zorgpersoneel betalen? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Worden risico’s genomen met buitenlands zorgpersoneel die de taal niet compleet vaardig zijn, bijvoorbeeld bij medicatieverstrekking? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kwaliteit van zorg en veiligheid van de patiënt staan voor mij voorop. Ik hecht er groot belang aan dat zorgverleners die in Nederland zelfstandig aan de slag gaan, voldoen aan alle vereisten die de Wet BIG stelt. Om in aanmerking te komen voor BIG-registratie moeten buitenlandse zorgverleners een bewijs van Nederlandse taalvaardigheid op het juiste niveau kunnen overleggen. Voor alle buitenlandse zorgverleners geldt dat zij de Nederlandse taal voldoende moeten beheersen.
Vindt u het zorgelijk dat zorgverleners uit Spanje worden gehaald om de tekorten aan zorgpersoneel in Nederland op te lossen, terwijl in Spanje een tekort is van 131.000 verpleegkundigen? Deelt u de mening dat we niet moeten inzetten op zorgpersoneel uit het buitenland, maar nog meer inzet moeten plegen op het behouden en werven van zorgpersoneel uit Nederland zelf? Welke aanvullende maatregelen gaat u treffen?
Het relatieve kleine aandeel van buitenlandse verpleegkundigen is een indicatie dat het aantrekken van mensen uit andere lidstaten niet veel voorkomt. Ik ben het met u eens dat voor het oplossen van personeelstekorten het veel belangrijker is om in te zetten op het werven en behoud van zorgpersoneel. Dit is precies waar we met het actieprogramma Werken in de Zorg op inzetten. Ik heb u dit voorjaar geïnformeerd over de voortgang4. Dit najaar doe ik dit opnieuw.
De uitzending van De Monitor over ICT in de zorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van De Monitor over ICT in de zorg? Hoe erg is het volgens u dat de twee partijen die systemen ontwikkelen om gegevens in de zorg uit te wisselen, Epic en Chipsoft, zoveel macht hebben?
Er zijn meerdere partijen die uitwisseling in de zorg mogelijk (kunnen) maken. Ik ben op de hoogte van de markt voor ziekenhuis EPD leveranciers (= Elektronisch Patiëntendossier; verwijzend naar een centraal informatiesysteem voor patiëntendossiers in een ziekenhuis). Deze markt wordt inderdaad gekenmerkt door een beperkt aantal aanbieders en alternatieven.
Op dit moment bekijk ik samen met het zorgveld hoe ik kan ondersteunen bij het bundelen van krachten in de onderhandelingen met de EPD leveranciers. Het doel hiervan is om gemeenschappelijke wensenlijsten op te stellen (voor doorontwikkeling en innovatie), beter passende en open systemen te krijgen, gewenste veranderingen sneller door te laten voeren en betere prijsonderhandelingen te kunnen doen. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) is de onafhankelijke toezichthouder. De ACM ziet op grond van de Mededingingswet erop toe dat bedrijven eerlijk met elkaar concurreren en treedt onder meer op tegen bedrijven die hun machtspositie misbruiken. Bedrijven kunnen bij de ACM terecht met hun signalen over mogelijk oneerlijke concurrentie. Het is de rol van de ACM om te oordelen over of in te grijpen op eventueel verstoorde markten. De ACM heeft mij laten weten in gesprek te gaan met de zorgsector over de mogelijkheden en risico’s van voorgenomen samenwerkingen tussen zorgaanbieders bij de inkoop van ICT.
Wat is uw oordeel over bedrijven in de zorg die extreem veel geld verdienen terwijl medici steen en been klagen over wat ze doen?
Het is aan zorgpartijen zelf om de juiste ICT-producten tegen de juiste prijzen in te kopen. Bedrijven mogen een eerlijke prijs vragen voor het leveren van hun producten of diensten, er mag geen sprake zijn van misbruik van een economische machtpositie. Ik neem signalen over hoge winsten van ICT leveranciers die actief zijn in de gezondheidszorg serieus. In mijn brief van 9 juli jl. (Kamerstuk 35 000-XVI, nr. 133) heb ik u reeds mijn standpunt over winstuitkering in de zorg medegedeeld. Hetzelfde standpunt heb ik in relatie tot winsten van ICT leveranciers actief in de zorg.
Bij deze maatschappelijke verantwoordelijkheid horen ook de juiste bekostigingsmodellen (met zoveel mogelijk vermijding van bijvoorbeeld perverse prikkels die uitwisseling in de weg staan; zoals kosten per uitwisseling) en transparantie van onder andere ontwikkelkosten en prijsopbouw. In dat kader vind ik het onwenselijk dat ICT-leveranciers bijvoorbeeld niet aan dezelfde transparantieverplichtingen dienen te voldoen als de sector waarvoor ze werken.
Wat is uw reactie op het bericht in de uitzending dat een grote ICT-leverancier ziekenhuizen en hun personeel totaal onder controle heeft en alleen helpt voor geld terwijl ze de uitwisseling van patiëntengegevens ophouden? Vindt u dit acceptabel?
Ziekenhuizen en ander zorgverleners zijn vrij in de keuze voor systemen waarmee zij patiëntgegevens verwerken. Het is aan zorgpartijen zelf om met ICT leveranciers te onderhandelen over de juiste prijzen en eisen. Tegelijkertijd vind ik het ook van belang dat informatie goed uitgewisseld kan worden. In december 2018 heb ik daarom aangekondigd regie te nemen op het versnellen van de totstandkoming van gegevensuitwisseling, onder anderen door het wettelijke verplicht stellen van elektronische gegevensuitwisseling (Kamerstuk 27 529, nr.166).
Digitalisering van gegevensuitwisseling is een behoorlijke uitdaging. Er zijn tekortkomingen in taal en techniek. Zo spreken alle betrokken beroepsgroepen hun eigen taal en die moet op elkaar worden afgestemd in alle mogelijke gegevensuitwisselingen. Daarnaast zijn er ook heel veel technische standaarden (die voor beelden bijvoorbeeld anders zijn dan voor documenten) en is er niet in elke regio al een infrastructuur voor elektronische uitwisseling. In mijn brief over elektronische gegevensuitwisseling van 12 juli jl. heb ik aangegeven gedetailleerde technische eisen aan ICT-producten te stellen op het gebied van eenheid van taal en techniek en aangekondigd leveranciers van ICT-systemen hieraan te gaan binden door dit via certificering af te dwingen. VWS voert zo actief beleid op het open maken van systemen. Deze wettelijk verplichte technische standaarden voor infrastructuren en gegevensuitwisseling maken dat de markt open wordt gemaakt voor andere aanbieders die voldoen aan deze eisen. Dit moet leiden tot meer innovatie, nieuwe toetreders en meer transparantie in de markt en draagt daardoor bij aan een beter functionerende markt.
Hebben ICT-bedrijven volgens u een belang bij (het verlenen van) goede zorg en een goede informatie-uitwisseling of bent u van mening dat de belangen van deze bedrijven ergens anders liggen, bijvoorbeeld bij het verdienen van veel geld?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u er eigenlijk van dat allerlei partijen in de zorg met verschillende systemen werken die onderling niet goed met elkaar samen kunnen werken waardoor zorgverleners in de uitwisseling van gegevens op allerlei barrières stuiten? Hoe kan het bijvoorbeeld dat zelfs ziekenhuizen die gebruik maken van dezelfde ICT-systemen van dezelfde leverancier onderling geen informatie uit kunnen wisselen? Vindt u dit ook onwenselijk en onbegrijpelijk? Hoe kan het dat de systemen helemaal niet zijn afgestemd op hoe artsen werken? Waarom zijn de systemen niet ontworpen vanuit de gebruikers, namelijk de patiënt en zorgverlener?
Een technische koppeling (eenheid van techniek) is slechts een van de onderdelen die nodig is voor goede gegevensuitwisseling. Zo ook afspraken over proces, dossiervoering en taal. Ziekenhuizen en andere zorgverleners hebben zelf systemen geselecteerd waarmee zij patiëntgegevens voor eigen gebruik opslaan. Lange tijd zijn deze systemen aangepast op de eisen en wensen van de individuele zorginstellingen, passend bij hun eigen proces. Ook EPD’s van dezelfde leverancier bij verschillende ziekenhuizen kunnen hierdoor fors verschillen qua inrichting. Ook hierom ondersteun ik (zoals in mijn antwoord op vraag 1 al gesteld) het zorgveld bij het bundelen van gemeenschappelijke inrichtingseisen en wensen.
Ziekenhuizen werken nou eenmaal met verschillende informatiesystemen, maar dat die niet of moeilijk met elkaar kunnen communiceren vind ik niet wenselijk. Daarom heb ik in december 2018 aangekondigd regie te nemen op het versnellen van de totstandkoming van gegevensuitwisseling en aangekondigd leveranciers van ICT-systemen hieraan te gaan binden, onder anderen door het wettelijke verplicht stellen van elektronische gegevensuitwisseling (Kamerstuk 27 529, nr.166).
Deelt u de mening dat de zorg soms suboptimaal is en daarmee ook beter zou kunnen als de ICT-systemen beter zouden werken en uitwisseling van informatie makkelijker wordt?
Een veilige en goed werkende elektronische uitwisseling van gegevens kan zorgen voor een efficiënter en effectiever zorgproces. Zorgverleners beschikken te vaak niet over de informatie die ze nodig hebben en zijn teveel tijd kwijt met faxen of het op DVD branden van gegevens. Mensen moeten te vaak opnieuw hun verhaal vertellen terwijl ze denken «dokter dat weet u toch wel». Ik vind daarom dat digitaal het nieuwe normaal moet worden en ik ga – zoals ik hierboven schreef – in concrete stappen elektronische gegevensuitwisseling wettelijk verplicht stellen.
Hoeveel tijd kost het zorgverleners op dit moment om alle benodigde gegevens over een patiënt beschikbaar te krijgen? Kunt u hiervan een inschatting maken?
De wijze waarop zorgverleners op dit moment alle benodigde gegevens over een patiënt beschikbaar krijgen, maar ook de winst die te behalen valt met betere elektronische gegevensuitwisseling, is sterk afhankelijk van de individuele patiënt, het zorgproces, de zorgverlener en casuïstiek. Er zijn helaas voorbeelden uit de praktijk te noemen waarin het zorgverleners veel tijd kost om alle benodigde gegevens over een patiënt beschikbaar te krijgen. Er is dus voldoende aanleiding dat dat snel anders moet, ter verbetering van de veiligheid van patiënten en voor de verlaging van de administratieve werklast van zorgverleners.
Erkent u dat het momenteel niet mogelijk is om over te stappen naar een ander ICT-systeem vanwege de kosten die daarmee samenhangen? Erkent u tevens dat ICT-leveranciers misbruik maken van die positie?
De implementatie van een groot en belangrijk ICT systeem in een zorginstelling (zoals een EPD), gaat gepaard met hoge kosten en een grote impact voor een organisatie. Het wisselen van EPD is voor een ziekenhuis een risicovol, complex en kostbaar traject. Bij het overstappen dienen ziekenhuizen te investeren in nieuwe apparatuur, voorzieningen, training van medewerkers, adviseurs en verlies aan productie. Toch stappen in de praktijk ziekenhuizen over naar een andere EPD-leverancier.
Ik wil elementen die nu het overstappen hinderen, zoveel mogelijk wegnemen. Dit doe ik bijvoorbeeld door (in de aanpak van het Programma elektronische gegevensuitwisseling) het in wet en normen gaan afdwingen van open systemen en door het doorvoeren van standaardisatie, zodat gegevens ook door andere systemen te gebruiken zijn. Zo kan er een markt ontstaan, doordat de informatie niet langer opgesloten zit in een enkel systeem en ook overstappen technisch eenvoudiger kan dan nu.
Ik omarm dan ook het initiatief vanuit het bedrijfsleven en de zorgsector, samen met VNO-NCW; het Manifest «Samen Vooruit». De ondertekenaars hiervan spreken steun uit voor de wettelijke verplichting van digitale gegevensuitwisseling, open systemen en open infrastructuren.
Klopt het dat de bereikbaarheid van de ICT-leveranciers na implementatie vaak te wensen over laat?
De mate van ondersteuning na implementatie is onderwerp van gesprek tussen zorginstelling en aanbieder en wordt onderhandeld en contractueel vastgelegd, zo laten zorgpartijen mij weten.
Deelt u de mening dat de winst van de ICT-leveranciers omgezet zou moeten worden in betere functionaliteit, ook aangezien het hier gaat om publiek geld? Vindt u de 45% netto winst van Chipsoft te verdedigen als een betere functionaliteit geen prioriteit is voor het bedrijf?
Een optimale inzet van ICT-systemen is een combinatie van openheid van dat systeem, functionaliteit maar zeker ook inpassing in het werkproces van de eindgebruiker. De zorg heeft dus goede ICT leveranciers nodig om haar zorgverlening te ondersteunen. Het is aan zorgpartijen zelf om de juiste ICT producten tegen de juiste prijzen in te kopen. Of de geleverde dienstverlening in verhouding staat tot de kosten, is aan de klant van de diensten om te beoordelen.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 al aangeef, komen mijn standpunt over winsten van ICT leveranciers actief in de zorg, overeen met de eerder in mijn brief van 9 juli jl. (Kamerstuk 35 000-XVI, nr. 133) genoemde standpunten.
Bent u op de hoogte van de winst die Epic de afgelopen jaren heeft gemaakt? Zo ja, wat is deze winst? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken? Bent u van mening dat aangezien de ICT-systemen voor informatie-uitwisseling een belangrijk onderdeel zijn van een goede zorgverlening een dergelijk gegeven, als de gemaakte winst, transparant moet zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u de gemaakte winst van vele miljoenen in verhouding staan met de geleverde prestaties? Bent u van mening dat slecht ontworpen informatie-uitwisselingssystemen ten koste gaan van de gezondheid (en soms zelfs het leven) van mensen en de kosten van de gezondheidszorg?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u doen om de informatie-uitwisseling tussen zorgverleners te verbeteren en wanneer kunnen zorgverleners effect verwachten?
Ik vind het van groot belang dat informatie tussen zorgverleners op een goede en veilige manier wordt uitgewisseld. In december 2018 heb ik daarom al aangekondigd regie te nemen op het versnellen van de totstandkoming van elektronische gegevensuitwisseling in de zorg, onder anderen door het wettelijke verplicht stellen van elektronische gegevensuitwisseling (Kamerstuk 27 529, nr.166). Ik heb in december 2018 ook mijn voornemen uitgesproken leveranciers van ICT-systemen hieraan te gaan binden. In mijn brief van 12 juli jl. (Kamerstuk 27 529, nr. 189) heb ik aangegeven dit te doen door gedetailleerde technische eisen aan ICT-producten te stellen op het gebied van eenheid van taal en techniek. Dit zal ik vervolgens via normering en certificering af dwingen. In 2020 dien ik daarom een wetsvoorstel in waarmee ik stapsgewijs elektronische gegevensuitwisseling verplicht zal stellen. De laatste jaren heb ik door versnellingsprogramma’s de informatie-uitwisseling tussen patiënt en professional bevordert (VIPP ziekenhuizen en VIPP voor overige medisch specialistische instellingen). In de nieuwe VIPP regeling voor instellingen voor medisch specialistische zorg wordt ook de uitwisseling tussen instellingen onderling gestimuleerd. Ik verwacht deze regeling eind dit jaar te publiceren.
Het bericht 'Topambtenaren eisten harde aanpak in proces tegen 'kwaadaardige' Wilders' |
|
Attje Kuiken (PvdA), Michiel van Nispen (SP), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Topambtenaren eisten harde aanpak in proces tegen «kwaadaardige» Wilders»?1
Ja.
Waarom dachten ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie mee met de inhoudelijke kant van de vervolging van de heer Wilders?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 1 tot en met 6 van heden op de vragen van de leden Groothuizen (D66) en Van Nispen (SP) over bemoeienis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het proces Wilders. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 416)
Heeft het openbaar ministerie (OM) deze ambtenaren gevraagd om mee te denken? Zo ja, waarom? Zo nee, op wiens verzoek hebben deze ambtenaren dan wel meegedacht?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom hebt u de Kamer niet eerder ingelicht over de inhoudelijke opmerkingen, adviezen of andere vormen van bemoeienis met de voorbereiding van de vervolging van de heer Wilders? Waarom is het nodig dat er steeds opnieuw aan de hand van WOB-verzoeken van RTLNieuws nieuwe snippers informatie naar buiten komen? Bent u bereid de informatie die in het strafdossier zit aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 1 tot en met 6 van heden op de vragen van de leden Groothuizen (D66) en Van Nispen (SP) over bemoeienis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het proces Wilders. Voorts verwijs ik u naar mijn brief van 10 september jl.2 waarbij ik uw Kamer de documenten heb doen toekomen welke, ten behoeve van de procedure bij het Hof, door het OM aan mij zijn verzocht en welke zijn toegevoegd aan het strafdossier.
Beschikt u over meer informatie met betrekking tot contacten van ambtenaren van uw departement in deze zaak dan die nu bekend is? Zo ja, wilt u deze informatie dan volledig met de Kamer delen? Zo nee, kunt dan uitsluiten dat er nog weer meer bekend wordt?
Zijn er contacten geweest over de strafzaak of (mogelijke) vervolging van de heer Wilders tussen u of ambtenaren van het ministerie Veiligheid en Justitie of met het Ministerie van Algemene Zaken of de Minister-President? Zo ja, wat was de aard en concrete inhoud van die contacten? Zo nee, kunt u dit uitsluiten?
Deelt u de mening dat ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie met woorden zoals «kwaadaardig», «racistisch» geen blijk geven van een objectieve mening over de vervolging van de heer Wilders? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Deelt u de mening dat de zinssnede «Ik zou dit aan de rechter overlaten en zo min mogelijk beperkingen aanbrengen in hetgeen je voorlegt aan de rechter» niet anders dan als een advies van ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie over de wijze van vervolging van de heer Wilders kan worden gelezen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het niet aan ambtenaren is dergelijke adviezen aan het OM te geven? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Deelt u de mening dat de opmerking van een topambtenaar: «Krijgen we het requisitoir vooraf, zoals in de zaak-Martijn? Dat zou ik verstandig vinden, dat kunnen jij en X «meelezen» en waar nuttig opmerkingen doorgeven» blijk geeft dat ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie zich inhoudelijk bemoeiden met de wijze waarop het OM de heer Wilders moest vervolgen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat dit gezien de gewenste onafhankelijkheid van het OM geen pas geeft? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Deelt u de mening dat uit het bericht en de achterliggende documenten over het meedenken van ambtenaren met het OM het beeld ontstaat dat het departement ten minste invloed op het OM meent te moeten hebben? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het OM als onafhankelijk instituut op afstand van het departement behoort te staan? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Hoe vaak komt het voor dat, behalve in de zaak tegen de stichting Martijn en de heer Wilders, er contacten zijn tussen ambtenaren en het OM over een in voorbereiding zijnde of nog lopende strafzaak? Was is de aard en omvang van die contacten en waarom zijn die nodig?
Onder verwijzing naar mijn antwoord bij vraag 10 op de Kamervragen welke zijn beantwoord op 5 september jl.3 en naar mijn antwoord op vraag 14 van de Kamervragen welke zijn beantwoord op 30 november 20184 merk ik op dat het College van procureurs-generaal verplicht is de Minister van Justitie en Veiligheid inlichtingen te verstrekken die deze nodig heeft om zijn taken en bevoegdheden naar behoren te kunnen uitoefenen (zie artikel 129 Wet RO). Dat kan uit eigen beweging bijvoorbeeld in het kader van (de voortgang van) gevoelige strafzaken, maar zo nodig ook op verzoek. Hierdoor wordt de Minister van Justitie en Veiligheid in staat gesteld om in de juiste gevallen en op de juiste ogenblikken zijn politieke verantwoordelijkheid waar te maken.
Wat gaat u doen om te waarborgen dat de contacten tussen u en ambtenaren van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het OM geen aantasting van de onafhankelijkheid van het OM vormen?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1 tot en met 6 van heden op de vragen van de leden Groothuizen (D66) en Van Nispen (SP) over bemoeienis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid met het proces Wilders.
Hoe verklaart u de neiging van ambtenaren van uw departement om alles te willen controleren? Bent u hier gelukkig mee? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit te veranderen?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht ‘Wachtlijsten dreigen in ziekenhuiszorg’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wachtlijsten dreigen in ziekenhuiszorg»?1 Wat is vervolgens uw reactie op de opmerking van de heer Berden (bestuursvoorzitter van het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, ETZ) «ondanks alle inspanningen zien we dat er wachtlijsten dreigen op de spoedeisende hulp, operatiekamer en intensive care. Ook hebben we zo’n dertig á veertig patiënten die op een verkeerd bed liggen»? Ziet u deze problemen ook? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Wachttijden zijn een terugkerend thema en punt van aandacht. Ook herken ik de signalen van patiënten die op een «verkeerd bed» liggen. Ik vind het belangrijk dat kwalitatief goede zorg tijdig wordt geleverd. De toezichthouders houden de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg nauwlettend in de gaten. Dit geldt ook voor wachtlijsten en het effect daarvan in de ziekenhuiszorg. Met het anders organiseren van ziekenhuiszorg waarbij het functioneren van mensen voorop staat, willen we de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg juist verbeteren. Zorg voorkomen, verplaatsen en vervangen, zoals we met de Juiste Zorg op de Juiste Plek beogen, zal daarbij ook een positieve impact hebben op de wachtlijsten in de medisch-specialistische zorg.
Zoals toegezegd in het Schriftelijk Overleg van 29 mei 2019 inzake SO Advies kwartiermaker transgenderzorg (Kamerstuk 34 650, nr. E) informeer ik uw Kamer later dit jaar over de nieuwe stand van zaken van de NZa met betrekking tot inspanningen van zorgverzekeraars om wachttijden in de medisch specialistische zorg, ggz en wijkverpleging te verminderen.
Bij de Spoedeisende Hulp (SEH’s) is, vanwege de aard van de zorgvraag, uiteraard geen sprake van wachtlijsten. Wel kan het voorkomen dat een SEH tijdens piekdrukte (de zorg op SEH’s kenmerkt zich immers door pieken en dalen in de drukte) tijdelijk een «stop» afkondigt. Dergelijke patiëntenstops zijn een verzoek aan de ambulancedienst om een bepaalde acute zorgafdeling in een ziekenhuis (bijvoorbeeld een SEH) tijdelijk te ontzien, omdat het erg druk is en de patiënt waarschijnlijk sneller in een ander ziekenhuis kan worden geholpen. Patiënten die zich in een levensbedreigende situatie bevinden kunnen in geval van een stop altijd terecht. Zie ook mijn brief van 25 juni 2019 inzake patiëntenstops (Kamerstuk 35 200-XVI, nr.2.
Stops zijn een instrument om de piekdrukte te reguleren. Ook wordt daarmee bevorderd dat de patiënten op de SEH tijdig kunnen worden geholpen, wat de patiëntveiligheid ten goede komt. Het aantal stops zegt echter wel iets over hoe vaak er sprake is van piekdrukte, en is dus wel een signaal van de druk op de SEH’s, zoals ook de NZa heeft aangegeven in de monitor acute zorg (Kamerstuk 29 247, nr. 267).
Zoals u weet doet de NZa momenteel onderzoek naar SEH-stops in het kader van signalen over deze tops en de motie-Van den Berg (Kamerstuk 29 247, nr. 271). De Kamer ontvangt binnenkort een reactie op deze motie, zie mijn brief van 19 juni 2019 (Kamerstuk 29 247, nr. 285).
Wat is uw reactie op de constatering van de heer Berden (bestuursvoorzitter van het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, ETZ) dat op de lange termijn de financiële afspraken in het hoofdlijnenakkoord lastig houdbaar zijn en dat het opmerkelijk is dat de overheid geen extra baanvakken opent terwijl er files dreigen?
In antwoorden op eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 3706) heb ik uw Kamer mijn reactie op dit punt toegezonden. Kortheidshalve verwijs ik naar dat antwoord.
Deelt u de angst dat ziekenhuizen bij een griepgolf al helemaal vast kunnen lopen? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is onvermijdelijk dat een griepgolf kan leiden tot een toeloop bij onder andere huisartsen en bij ziekenhuizen. Ik besef dat dergelijke pieken de nodige druk kunnen zetten op een ziekenhuisorganisatie. Op 10 december 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de «regionale plannen van aanpak griep» die door de elf ROAZ regio’s zijn opgesteld naar aanleiding van de evaluatie van de griepepidemie van de winter 2017–2018 (Kamerstuk 29 247, nr. 265). Uit de evaluatie indertijd bleek dat voor de aanpak van een eventuele griepepidemie samenwerking in de keten van groot belang is. De opgestelde plannen richten zich dan ook op alle aanbieders van acute zorg in ROAZ-verband.
Zoals ik in de brief van 10 december 2018 heb aangegeven vind ik het van belang dat ziekenhuizen in dat kader ook zelf preventieve maatregelen nemen. Specifiek gaat het daarbij om het verhogen van de vaccinatiegraad van personeel. Ik heb het volste vertrouwen dat de ROAZ regio’s en de ziekenhuizen daarin een eventuele griepgolf goed kunnen opvangen. In mijn regulier overleg met de voorzitters van de ROAZ-regio’s blijf ik hier aandacht voor vragen.
Bent u van mening dat de transformatiegelden van de zorgverzekeraars lastig te ontsluiten zijn? Vindt u dat zorgverzekeraars ruimhartiger moeten worden inzake de inzet van deze middelen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Om de transformatie vorm te kunnen geven is in het bestuurlijk akkoord medisch-specialistische zorg 2019–2022 een incidenteel bedrag van in totaal
€ 425 miljoen beschikbaar gesteld voor de duur van het akkoord. In het akkoord is vastgelegd dat initiatieven die hiervoor in aanmerking komen voldoen aan de volgende uitgangspunten:
Ze dragen bij aan de transformatie, zoals beschreven in het rapport van de Taskforce «Juiste Zorg op de Juiste Plek»;
Ze zijn passend in het gedeelde meerjarenperspectief;
Ze zijn substantieel van aard;
Ze hebben een blijvend effect;
De door de initiatieven bespaarde omzet bij de zorgaanbieder(s) wordt niet opgevuld;
De initiatieven worden binnen de contractering op eigen merites beoordeeld;
Tenminste één medisch-specialistische zorgaanbieder en één zorgverzekeraar zijn partij in het initiatief.
Uiteindelijk is het aan individuele zorgverzekeraars en zorgaanbieders om gelet op bovenstaande uitgangspunten afspraken te maken over de inzet van transformatiegelden. Ik verwacht van ziekenhuizen dat zij hiervoor goede plannen indienen. Van zorgverzekeraars verwacht ik dat zij de plannen kritisch beoordelen, maar daarbij ook realistische eisen stellen om de transformatie verder op gang te krijgen.
De NZa vraagt de contracten op, doet hiervan een analyse en maakt daarin ook zichtbaar welke transformatieafspraken zijn gemaakt. Deze analyse wordt besproken in het bestuurlijk overleg medisch-specialistische zorg. Op basis van deze analyse bezie ik met partijen of er aanvullende afspraken nodig zijn.
Deelt u de mening dat er in de discussies over de juiste zorg op de juiste plek te weinig is nagedacht, over hoe die richting gerealiseerd moet worden? Zo nee, waarom deelt u die mening niet? Zo ja, hoe gaat u dit alsnog realiseren?
Nee, die mening deel ik niet. Aan de voorkant is er goed en uitgebreid nagedacht over de noodzakelijke transitie in de zorg en er is een breed draagvlak voor deze beweging, die voortkomt uit het veld. Een concreet resultaat hiervan is het rapport «De Juiste Zorg op de Juiste Plek». Het commitment aan deze brede beweging is door alle partijen onderschreven in de verschillende bestuurlijke akkoorden.
Uiteraard is het daarmee niet klaar. In de voortgangsbrief «De Juiste Zorg op de Juiste Plek» van 18 juni 2019 (Kamerstuk 29 689, nr. 995)) heb ik uw Kamer uitgebreid geïnformeerd over de acties die zijn en worden ondernomen door partijen om de beoogde beweging vorm te geven en waar nodig op te schalen en te versnellen. In deze brief heb ik uw Kamer ook geïnformeerd over de wijze waarop ik partijen in deze ondersteun. Kortheidshalve verwijs ik u naar deze brief.
Wat is uw reactie op de stelling dat de prestatiebekostiging in de cure een obstakel is voor de juiste zorg op de juiste plek?
Ik ben het niet eens met deze stelling. Uiteraard zitten aan elke vorm van bekostiging voor- en nadelen. Bijvoorbeeld: in het verleden zorgde juist de destijds geldende budgettering ervoor dat er wachtlijsten ontstonden. Vanuit de optiek van wachtlijsten heeft het bekostigen op basis van prestaties c.q. het belonen van volume juist een positief effect gehad. Daarnaast kan worden opgemerkt dat binnen de huidige bekostiging ook mogelijkheden zijn om het voeren van een goed gesprek te belonen. Bovendien kunnen zorgverzekeraars de zorginkoop als financieel instrument gebruiken om sturing te geven aan de «Juiste Zorg Op de Juiste Plek». Tegelijk zie ook ik ruimte voor verbetering. Zo wordt in het programma Uitkomstgerichte zorg 2019–2022 expliciet aandacht besteed aan het anders organiseren en belonen van zorg waarbij uitkomsten van zorg meer centraal komen te staan. Over de voortgang van dit programma heb ik uw Kamer op 5 juli 2019 nader geïnformeerd (Kamerstuk 31 476, nr.3.
De aanbeveling van het VN-Mensenrechtencomité 2019 om de waarborgen voor de euthanasiepraktijk te versterken door toetsing vooraf |
|
Jan de Graaf (CDA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van paragrafen 28 en 29 van de conclusies en aanbevelingen van het VN-Mensenrechtencomité 2019 over de euthanasiepraktijk in Nederland?
Ja, ik heb kennisgenomen van de betreffende paragrafen.
Wat is uw reactie op de constatering van het VN-Mensenrechtencomité dat er in Nederland beperkte controle vooraf is op beslissingen om het leven te beëindigen, met inbegrip van de juridische en ethische implicaties van zulke beslissingen?
Het VN-Mensenrechtencomité merkt in paragraaf 28 op dat de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) voorziet in een aantal materiële en procedurele waarborgen met betrekking tot euthanasie. Tegelijkertijd uit het Comité in deze paragraaf zijn zorgen over de beperkte ex antetoetsing, waaronder het ontbreken van ethische en juridische toetsing voorafgaand aan de euthanasie of hulp bij zelfdoding. Het Comité beveelt Nederland aan om de institutionele waarborgen ter bescherming van het recht op leven te versterken. Daarbij noemt het Comité specifiek het overwegen van een onafhankelijke ethische commissie om de medische beslissingen tot euthanasie of hulp bij zelfdoding te beoordelen. De zorgen van het VN-Mensenrechtencomité zijn mij bekend en zijn ook eerder door het Comité geuit. Ik zie geen aanleiding om de huidige euthanasiewetgeving aan te passen, om de volgende redenen.
In de Wtl is een balans gevonden tussen de beschermwaardigheid van het leven, autonomie en barmhartigheid. De wet kent een zeer groot maatschappelijk draagvlak. Dit blijkt ook uit de derde evaluatie van de Wtl uit 2017 (88% van het Nederlandse publiek steunt de Wtl, de meldingsbereidheid van artsen is hoog en de toetsingscommissies functioneren goed).
De zes zorgvuldigheidseisen uit de wet bieden waarborgen om het leven te beschermen. Artsen dienen te voldoen aan deze zorgvuldigheidseisen alvorens zij tot euthanasie of hulp bij zelfdoding overgaan. Zo mag euthanasie of hulp bij zelfdoding pas bij een vrijwillig en weloverwogen verzoek hiertoe van de patiënt zelf. Ook moet de arts tot de overtuiging zijn gekomen dat er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De arts moet de patiënt voorlichting geven over de medische situatie en de vooruitzichten. De arts moet verder met de patiënt tot de overtuiging komen dat er geen redelijke andere oplossing is voor de situatie van de patiënt. De Wtl verplicht bovendien dat een tweede, onafhankelijke arts wordt geraadpleegd die onderzoekt of aan de zorgvuldigheidseisen wordt voldaan. Tot slot dient de euthanasie medisch zorgvuldig te worden uitgevoerd. Dit houdt onder meer in dat de juiste medicatie moet worden toegediend en dat de arts zelf de euthanasie uitvoert.
De Nederlandse euthanasiepraktijk is zeer zorgvuldig. Na de euthanasie of hulp bij zelfdoding meldt de arts deze bij de regionale toetsingscommissie euthanasie. In deze commissie beoordelen artsen, ethici en juristen of aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Slechts in een zeer klein aantal gevallen worden meldingen achteraf als onzorgvuldig beoordeeld (in 2018 6 gevallen van de 6126 totale meldingen, minder dan 0,1% van het totaal aantal euthanasiemeldingen). Onzorgvuldig houdt in dit geval in dat niet aan alle bovengenoemde zorgvuldigheidseigen van de Wtl is voldaan. Deze cijfers laten zien dat beoordeling achteraf niet leidt tot een hoge mate van onzorgvuldige euthanasie uitvoeringen.
Deelt u de mening dat het feit dat het VN-Mensenrechtencomité hier nu voor de tweede keer op wijst extra reden is om nog eens goed naar de waarborgen te kijken die er momenteel zijn bij de ex ante toetsing van beslissingen over levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om te overwegen om een onafhankelijke ethische commissie in te stellen die medische beslissingen over levensbeëindiging vooraf kan toetsen, zoals het VN-Mensenrechtencomité aanbeveelt? Bent u bereid om hierbij niet alleen medici, maar ook juristen en ethici te betrekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om op korte termijn te reageren op paragrafen 28 en 29 en niet pas uiterlijk juli 2025, mede gezien de maatschappelijke en politieke discussie die momenteel wordt gevoerd over euthanasie?
Deze beantwoording van de Kamervragen kunt u beschouwen als mijn reactie op korte termijn. Ik ga ervan uit dat een eventuele maatschappelijke en politieke discussie hiermee gevoerd kan worden. De officiële Nederlandse reactie volgt uiterlijk in 2025.
De mogelijkheden van zzp’ers om deel te nemen aan UWV Marktplaats |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat zzp’ers alleen kunnen deelnemen aan UWV Marktplaats als hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) voldoet aan de registratieplicht uit de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi)?
Nee, dit klopt niet. Wanneer een zzp’er als natuurlijk persoon deelneemt aan UWV Marktplaats is de Waadi op hem of haar niet van toepassing. Wel is de Waadi van toepassing wanneer een zzp’er zich vanuit een BV (of andere rechtspersoon) inzet bij UWV.
Wat houdt het precies in als de inschrijving bij de KvK voldoet aan de registratieplicht Waadi?
De registratieplicht Waadi houdt in dat iedere onderneming die arbeidskrachten ter beschikking stelt, zich dient te registreren bij het Handelsregister van de KvK1.
Wat is de reden dat alleen zzp’ers die voldoen aan de registratieplicht Waadi kunnen deelnemen aan UWV Marktplaats?
Dit is gebaseerd op een misverstand (zie vraag 1). Dit misverstand is mogelijk voortgekomen uit eerdere informatie op de UWV-website2. Ten onrechte zijn de eisen voor leveranciers, waar de Waadi wel op van toepassing is, weergegeven onder de kop zzp’er. De tekst op deze website is aangepast door het UWV.
Hoe verhoudt deze eis zich tot de tekst op de website van UWV waarin wordt aangegeven dat «UWV Marktplaats is bedoeld voor tijdelijke opdrachten aan zowel grote bedrijven, middelgrote als kleinere ondernemingen en zzp’ers. Door de werkwijze van UWV Marktplaats met gunningscriteria heeft een MKB-organisatie of zzp’er evenveel kans om een opdracht te krijgen als een grote onderneming. Ook detacheringsbedrijven, onderzoeksbureaus en adviesbureaus kunnen zich als leverancier inschrijven en meedingen naar een opdracht van UWV Marktplaats»?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat zzp’ers ook zonder het ter beschikking stellen van arbeidskrachten klussen van UWV Marktplaats kunnen aannemen?
Ja, dat is reeds al mogelijk en gebeurt ook. Zie ook antwoord op vraag 3.
Voldoet UWV Martkplaats met deze voorwaarde aan de Europese aanbestedingsregels, die stellen dat elke aanbieder een eerlijke kans moet hebben om een opdracht te verwerven?
Ja. Zzp’ers kunnen deelnemen aan UWV Marktplaats en hebben een eerlijke kans om een opdracht te verwerven. Zie ook antwoord op vraag 3.
De rol die transferverpleegkundigen en transferbureaus spelen in persoonsgerichte zorg |
|
Vera Bergkamp (D66), Rens Raemakers (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief «Maatwerk in de Wlz-zorg thuis»1, waarin u onder meer schrijft over uw inzet op het verbeteren van de informatievoorziening voor transferverpleegkundigen, die in hun dagelijkse werk cliënten begeleiden bij de overgang van een instelling naar hun eigen huis en vice versa?
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel transferverpleegkundigen er in Nederland werkzaam zijn? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld?
Er is geen goed overzicht van het aantal transferverpleegkundigen en het aantal fte’s. Enkele jaren geleden heeft de afdeling Transferverpleegkundigen van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) uitvraag gedaan onder de transferpunten. Daar hebben echter niet alle transferpunten aan meegewerkt.
Klopt het dat het merendeel van de transferverpleegkundigen werkzaam is bij transferbureaus in ziekenhuizen? Zo niet, kunt u een procentueel overzicht geven van waar transferverpleegkundigen werken?
Ja, het merendeel van de transferverpleegkundigen is inderdaad werkzaam in ziekenhuizen, maar er is een voorzichtige ontwikkeling in de verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg en psychiatrie. Soms hebben ze een andere functienaam, zoals zorgbemiddelaar. De V&VN heeft nog geen zicht op de precieze werkzaamheden die zij uitvoeren en in hoeverre deze verschillen van de transferverpleegkundigen in het ziekenhuis.
Deelt u de mening dat transferbureaus en transferverpleegkundigen een grote rol kunnen spelen als het gaat om het leveren van een integraal zorgaanbod voor mensen die vanuit een zorginstelling terug naar huis gaan en vice versa?
Ja. De transferverpleegkundigen maken een belangrijk deel uit van de keten in de professionele zorg die geboden wordt in zorginstellingen in Nederland. Om patiënten de mogelijkheid te geven om sneller terug te keren naar de vertrouwde thuisomgeving zonder dat de kwaliteit van zorg in het geding komt is de rol van de transferverpleegkundigen essentieel. De transferverpleegkundige werkt daarbij samen met vervolgzorgaanbieders, zorgverzekeraars en zorgkantoren. Daarbij dient genoemd te worden dat de transferverpleegkundige volledig tot vrijwel volledig werkt voor patiënten vanuit een zorginstelling en niet voor mensen die vanuit huis naar een zorginstelling gaan.
Klopt het dat de meeste transferbureaus van ziekenhuizen enkel op werkdagen tijdens kantooruren geopend zijn? Deelt u de mening dat de diensten die een transferbureau levert juist ook in het weekend en buiten kantooruren nuttig kunnen zijn? Zo ja, bent u bereid om in gesprek te gaan met transferbureaus om te bezien hoe de bereikbaarheid vergroot kan worden?
Uit navraag bij de V&VN over dit onderwerp heb ik het volgende begrepen. De meeste transferbureaus in de zorginstellingen zijn veelal tijdens kantoortijden geopend. Dit heeft er o.a. mee te maken dat de zorgbemiddeling van verzorgings- en verpleeghuizen, de planning van de thuiszorg en bijvoorbeeld ook het Centrum Indicatie Zorgstelling niet buiten kantoortijd te bereiken zijn en in de avonden en weekenden dus geen zorg te organiseren is.
Momenteel zijn er veel transferbureaus in zorginstellingen hun openingstijden wel aan het uitbreiden naar de avonden voor met name de acute zorg vanaf de SEH. Hiermee worden oneigenlijke ziekenhuisopnames voorkomen en wordt er gebruik gemaakt van regionale afspraken voor crisis- en spoedzorg binnen de verpleeghuizen, tijdelijk verblijf of thuiszorg.
Klopt het dat transferbureaus en transferverpleegkundigen voor mensen in een Zvw-instelling, zoals een ziekenhuis of eerstelijnsverblijf, enkel zorg regelen vanuit de Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg, zoals revalidatie, wijkverpleging of (tijdelijk) verblijf in een verpleeghuis?
De meeste zorg vanuit een zorginstelling wordt geregeld vanuit de Zvw en/of de Wlz. Zorg gerelateerd aan een ziekenhuisopname is meestal kortdurend en herstelgericht, maar kan ook palliatief of langdurig/permanent zijn. Ook medicatie, verpleegtechnische hulpmiddelen en tijdelijke hulpmiddelen voor thuis zijn vaak noodzakelijk vanuit het ziekenhuis. Hierin voorziet de Zvw of Wlz.
Er wordt ook soms gebruik gemaakt van zorg en ondersteuning vanuit de Wmo, zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat als transferverpleegkundigen een integraal zorgaanbod willen regelen, zij ook standaard contact dienen te hebben met gemeenten, opdat ook de ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning aansluit bij de zorg vanuit andere domeinen? Zo ja, ziet u mogelijkheden om gemeenten en transferbureaus hierin te ondersteunen, met als doel deze samenwerking te versterken?
Bij transferverpleegkundigen is het bekend dat er een aanbod aan zorgproducten vanuit de WMO geboden wordt, zoals o.a. ondersteunende begeleiding, woningaanpassingen, Wmo-spoed en respijtzorg. Gemeenten hebben hierin op grond van de Wmo 2015 en de Wet publieke gezondheid een taak. Iedere gemeente heeft hierin eigen beleid en afspraken, een zorginstelling heeft meestal met meerdere gemeentes te maken en soms zelfs met zorg door heel Nederland. In de praktijk sluit de termijn van indiceren door de Wmo niet aan bij de snelheid waarin de zorg vanuit een zorginstelling moet worden geregeld, waardoor in zulke situaties Wmo-voorzieningen bijvoorbeeld vanuit de thuissituatie worden opgestart.
Het vergt voor transferverpleegkundigen een grote inspanning om helder te krijgen welke afspraken bij welke gemeente van toepassing zijn en wie hiervoor de contactpersonen zijn. Het lijkt mij daarom belangrijk dat er op lokaal niveau afspraken gemaakt worden tussen zorginstellingen en gemeenten. Ik zal bij de afdeling V&VN Transferverpleegkundigen navraag doen in hoeverre dit gebeurt en indien nodig zal ik in overleg treden met V&VN en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en hen verzoeken hier gezamenlijk afspraken over te maken. Ook zal ik vragen in hoeverre transferverpleegkundigen en de regionale coördinatiefuncties elkaar op enigerlei wijze kunnen versterken.
Overigens wordt op veel plaatsen in Nederland, zoals in Groningen, Drenthe en Amsterdam, gewerkt volgens de transmurale zorgbrug of een vergelijkbaar concept, waarmee een warme overdracht tussen zorginstelling en thuis wordt georganiseerd. Via de vindplaats www.juistezorgopdejuisteplek.nl stimuleer ik de verspreiding van goede voorbeelden.
Het bericht dat Justitie de integriteitsproblemen te lijf gaat met een tarotlezeres |
|
Maarten Groothuizen (D66), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Justitie gaat integriteitsproblemen te lijf met tarotlezeres»?1 Wie heeft dit programma en de genoemde activiteiten bedacht? Heeft u hier goedkeuring voor gegeven? Zo ja, waarom?
Het artikel bevat deels onjuiste informatie en schetst een eenzijdig beeld van de «Week van het Onbesproken Gedrag», die is gehouden in de week van 2 tot en met 6 september jl. Het programma is met inbreng van en door medewerkers uit diverse dienstonderdelen bedacht en georganiseerd. De week van het onbesproken gedrag is een van de activiteiten die het ministerie onderneemt om bespreekbaarheid van integriteit en ethiek te bevorderen en te stimuleren2. Vorig jaar augustus is de deze week voor het eerst georganiseerd. Ik heb zelf op maandag 2 september jl. de aftrap gegeven voor de editie van dit jaar. Ik heb u daarover al geïnformeerd in de eerste voortgangsrapportage follow-up WODC rapporten van 3 juli jl. (Kamerstuk 28 844, nr. 185). Ik heb in mijn aftrap benadrukt dat ik grote waarde hecht aan de bespreekbaarheid van handelen en gedrag en de mogelijkheden die er zijn dit bespreekbaar te maken. Ik heb de aanwezigen opgeroepen hun bespiegelingen en kritische gedachten te delen. Elke werkdag, maar ook tijdens deze eerste bijeenkomst van de Week van het Onbesproken gedrag.
Waarom was een «Week van het onbesproken gedrag» volgens u precies nodig? Wat betekent dit voor de andere weken van het jaar? Kunt u een overzicht geven van de activiteiten die gehouden zijn in deze week in het kader van de «Week van het Onbesproken Gedrag» en daarbij vermelden wat de kosten zijn voor de organisatie van die activiteiten? Wat waren de doelstellingen van al die activiteiten?
Deze week is nodig om te blijven werken aan een open, integere en veilige organisatie. In de Week van het Onbesproken Gedrag konden medewerkers leren en oefenen hoe ze de kleine én grotere (morele) dilemma’s waar ze op hun werk mee te maken kunnen krijgen bespreekbaar kunnen maken. Ieder dag stond in het teken van een thema. Elk thema werd ingeleid door een persoonlijk gekleurd verhaal van mij respectievelijk leden van de Bestuursraad. Daarna deelden deskundigen (w.o. wetenschappers) van buiten JenV hun kennis over deze thema’s. Vervolgens zijn de deelnemers zelf aan de slag gegaan, in een afwisseling van interactieve onderdelen, aan de hand van concrete casussen. Voor het volledige programma verwijs ik naar de bijlage.
De kosten voor de inzet van de externe sprekers waren € 6.276. De kosten voor de uitgevoerde regietheaters waren € 8.073. De overige kosten waren € 1.156.
Kunnen de medewerkers op het ministerie in de toekomst vaker dit soort activiteiten verwachten? Worden al deze in het artikel genoemde activiteiten door de medewerkers wel serieus genomen? Welke activiteiten zijn er nog meer gepland om tot een open, veilig en integer ministerie te komen?
Volgend jaar zal er weer een Week van het Onbesproken Gedrag georganiseerd worden. Verder wordt volop gestimuleerd dat beschikbare instrumenten ter bevordering van een integere en veilige organisatie door leidinggevenden en medewerkers worden benut en ingezet. Dat betekent dat voorlichting en presentaties worden gehouden en dat instrumenten als onder meer moreel beraad, koerskaart, regietheater, conflicthantering, andere werkvormen en vertrouwenswerk actief onder de aandacht worden gebracht en aangeboden. Dat de verschillende activiteiten door in ieder geval een substantieel deel van de medewerkers serieus worden genomen blijkt uit het feit dat er 600 inschrijvingen zijn geregistreerd.
Wat is uw reactie op de opmerkingen van ambtenaren die in het artikel zeggen dat de activiteiten «absurd» en «geldverspilling» zijn? Had dit geld niet beter anders kunnen worden besteed?
Het is het goed recht van ambtenaren om uit te spreken dat ze bepaalde activiteiten zien als «absurd» en «geldverspilling». Het zou hen hebben gepast om deze kritiek uit te spreken naar mij, de secretaris-generaal, de organisatoren van de Week, of naar hun collega’s in plaats van zich anoniem te beklagen bij het AD.
Wist u dat de «tarotsessies» in 2018 op het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn afgeblazen na kritiek? Hadden hier geen lessen uit getrokken moeten worden voor andere ministeries? Zo ja, hoe kan het dan dat dit soort sessies nu op het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn aangeboden?
Nee, dat wist ik niet. Er zijn door deze medewerker van het ministerie geen «tarotsessies» aangeboden en uitgevoerd. Omdat zij in dienst is van het ministerie is er geen vergoeding betaald voor haar inzet.
Wat is uw reactie op de kritiek dat bij de start van deze cursussen niemand is ingegaan op recente incidenten en affaires, zoals de aangifte tegen het lek in de WODC-zaak? Waarom worden dit soort zaken dan niet juist besproken?
In de verhalen en lezingen van diverse sprekers en in diverse workshops zijn deze incidenten aan de orde geweest en besproken.
Deelt u de mening dat het goede voorbeeld aan de top van het ministerie altijd gegeven moet worden? Op welke wijze denkt u daadwerkelijk een sfeer van integriteit en betrokkenheid te creëren op het gehele ministerie?
De top van het ministerie dient altijd het goede voorbeeld te geven. Dat is precies de reden waarom de eerste dag van de Week in het teken stond van ethisch leiderschap, ik zelf de aftrap heb genomen en iedere dag begonnen is met een persoonlijk verhaal van een lid van de Bestuursraad om het goede voorbeeld te geven. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Het toenemende aantal signalen dat werkgevers in de zorg vooruitlopen op het (nog niet ingediende en mogelijk nooit ingediend wordende) wetsvoorstel BIG-II |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de signalen dat blijkbaar steeds meer werkgevers in de zorg handelen alsof het concept-wetsvoorstel BIG-II al wet is en onder verwijzing daarnaar bijvoorbeeld verpleegkundigen taken en/of verantwoordelijkheden worden afgenomen dan wel aangepaste vacatures worden opengesteld (beide gepaard gaand met arbeidsvoorwaardelijke consequenties, bijvoorbeeld een lagere inschaling)? Bent u bekend met de signalen dat ervaren verpleegkundigen worden afgewezen voor de vacature «regieverpleegkundige», omdat ze niet aan de criteria voldoen in de overgangsregeling bij het concept-wetsvoorstel?1
Het actiecomité BIG II in overgang heeft mij een document toegestuurd waarin zij voorbeelden aandraagt van ontwikkelingen die zij signaleren op de werkvloer. Ik heb daarvan kennisgenomen. Hoewel de voorbeelden helder zijn, zijn deze voorbeelden niet altijd direct het gevolg van het concept wetsvoorstel BIG II. We zien namelijk in de voorbeelden terug dat bepaalde ontwikkelingen ook het gevolg zijn van gewijzigd beleid van zorgverzekeraars, gewijzigd beleid van zorginstellingen intern dan wel gebaseerd zijn op afspraken die veldpartijen onderling met elkaar maken. Die beleidswijzigingen of veldafspraken zijn niet altijd terug te voeren op het concept wetsvoorstel BIG II.
Ten aanzien van uw vraag of ik bekend ben met signalen dat ervaren verpleegkundigen worden afgewezen voor de vacature «regieverpleegkundige», merk ik op dat dit in beginsel een aangelegenheid is tussen kandidaat en de potentiele werkgever. Het is aan werkgevers functie-eisen op te stellen en te beoordelen of kandidaten daaraan voldoen. Echter, los daarvan, ben ik dankbaar voor iedereen die in de zorg wil werken en zoek dan ook wegen om dat enthousiasme voor werken in de zorg te bevorderen.
Indien dergelijke signalen u niet bekend zijn, bent u dan bereid daarnaar onderzoek te doen verrichten en/of in overleg te gaan met het Actiecomité «BIG II in de overgang», dat dergelijke voorbeelden heeft verzameld?2
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 1. De signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat betreffende de (overigens terechte) commotie, die over de overgangsregeling bij uw concept-wetsvoorstel is ontstaan, het terugbrengen van de rust niet gebaat is met acties van werkgevers als hierboven bedoeld en bent u dan ook bereid in de beantwoording van deze vragen het heldere signaal af te geven dat aanpassing van functies, herplaatsing van verpleegkundigen, het lager inschalen van functies, het afwijzen van mensen omdat ze niet aan de criteria van de overgangsregeling voldoen en meer van zulke zaken met een (direct dan wel indirect) beroep op de overgangsregeling bij het concept-wetsvoorstel BIG-II allemaal niet aan de orde kunnen zijn?
Zoals ik heb aangegeven bij de beantwoording van vraag 1 is het maar de vraag of alle aangehaalde voorbeelden een directe link hebben met het concept wetsvoorstel BIG II. Het wetsvoorstel is gebaseerd op een uitdrukkelijke, langgekoesterde wens van veldpartijen. Om die reden voert het te ver om van veldpartijen te vragen in het geheel geen wijzigingen door te voeren betreffende het functiehuis in zorginstellingen. Aanpassingen van het functiehuis binnen zorginstellingen is een continu aandachtspunt en is belangrijk, omdat de te leveren zorg aansluiting dient te vinden bij de zorgvraag van nu en in de toekomst.
Wat vindt u van het bericht dat werkgevers in meerdere gevallen hun medewerkers zouden hebben verboden zich bijvoorbeeld op sociale media over de overgangsregeling uit te laten? Vindt u dat een dergelijke handelwijze past bij de Nederlandse arbeidsverhoudingen in de 21e eeuw? Bent u bereid als Minister afstand te nemen van dergelijk gedrag en daarover een duidelijke uitspraak te doen?3
Het staat iedereen vrij zijn of haar mening over voorgenomen beleid te uiten. In dat kader acht ik het niet passend om mensen te verbieden zich uit te laten over de overgangsregeling.
Wilt u, gelet op bedoelde commotie en het belang van snelle helderheid in dezen, deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bereid het (aangekondigde) wetsvoorstel BIG-II per direct van tafel te halen en (nu van overeenstemming tussen bijvoorbeeld beroepsorganisaties, vakbonden en werkgeversorganisaties geen sprake meer is) de pogingen om te komen tot wettelijke verankering van beroeps- en of functiedifferentiatie te staken?
Zoals ik al eerder heb aangekondigd zie ik het wetsvoorstel rondom de regieverpleegkundige in de huidige vorm niet vliegen. Op dit moment is prof. dr. A.H.G. Rinnooy Kan aan het verkennen welke stappen in dit traject nu wenselijk zijn. Elementen die hierbij aan bod komen zien op de vraag of een wetsvoorstel nodig is, of een CAO-afspraak, of eventueel kwaliteitsstandaarden of dat er andere stappen wenselijk zijn. Ik wacht de resultaten van deze verkenning af en zal dan bezien hoe om te gaan met het concept wetsvoorstel BIG II en op welke wijze ik een rol kan en wil spelen in het vervolgtraject dat partijen voor ogen zien. Ik verwacht het advies van prof. dr. A.H.G. Rinnooy Kan begin oktober 2019.
Het stoppen van Stichting De Opbouw met het aanbieden van jeugdzorg door Lijn5 |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat stichting De Opbouw stopt met het aanbieden van jeugdzorg en dat dit gevolgen heeft voor de jeugdzorgorganisatie Lijn5?1 Zo ja, sinds wanneer bent u op de hoogte van de financiële problemen door tekorten bij de stichting waar Lijn5 onder valt (stichting De Opbouw)?
Stichting de Opbouw heeft mij in september 2019 geïnformeerd dat Lijn5 voornemens is haar jeugdhulpactiviteiten te gaan stoppen.
Gezien financiële ontwikkelingen bij Lijn5 heeft de organisatie in december 2016 een subsidie aangevraagd op grond van de beleidsregels «Subsidieverstrekking Bijzondere Transitiekosten Jeugdwet». Met het oog op de borging van de continuïteit van jeugdhulp heeft Lijn5 in augustus 2017 vanuit VWS een subsidie van € 7,1 mln ontvangen voor frictiekosten en herstructurering van hun organisatie.
Kunt u aangeven om hoeveel gezinnen/kinderen het gaat die getroffen worden door het stoppen van Lijn5?
Lijn5 behandelt ieder jaar ongeveer 2.000 jongeren in de leeftijd van 6 tot 23 jaar en hun gezinnen.
Kunt u aangeven of het klopt dat de ouders en jongeren pas afgelopen week zijn geïnformeerd over de situatie en bent u hiervan op de hoogte? Zo ja, waarom zijn de ouders toen pas op de hoogte zijn gebracht?
Het is van groot belang om ouders en jongeren zo goed mogelijk te informeren. Lijn5 geeft aan dat alle ouders en jongeren boven 12 jaar die bij Lijn5 behandeling ontvangen in de eerste week van september zijn geïnformeerd over het besluit van De Opbouw om de behandelzorg van Lijn5 over te dragen naar een andere zorgorganisatie.
Lijn5 is volledig in bedrijf en alle behandelafspraken worden nagekomen. Wanneer nodig kunnen gezinnen nog steeds bij Lijn5 in behandeling komen. Ook is de cliëntenraad beschikbaar voor ouders als zij vragen hebben die zij niet aan hun eigen behandelaar willen stellen.
Wanneer er meer informatie bekend is, duidelijk is hoe het overnameproces zal verlopen en welke partij de behandeling en medewerkers zal overnemen, zal Lijn5 ouders en hun kinderen daarover opnieuw informeren. Ouders kunnen Lijn5 vragen stellen als ze ongerust zijn.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er hierdoor over de behandeling van de jongeren onzekerheid is ontstaan?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de stelling van Lijn5 directeur Ruud Piera dat het financieel niet langer mogelijk is om door te gaan met het aanbieden van jeugdzorg en dat dit vooral te maken heeft met de manier waarop de inkoop en financiering van jeugdzorg geregeld is?
De heer Piera vraagt aandacht voor de administratieve lasten en tarieven voor jeugdhulp. Dit zijn herkenbare aandachtspunten die ik zeer serieus neem. De ontwikkelingen bij Lijn5 onderschrijven hetgeen ik eerder met uw Kamer heb besproken over de organiseerbaarheid van de jeugdhulp. Ik ben voornemens u begin november te informeren over mijn plannen om de jeugdhulp beter te organiseren.
Deelt u de mening van deze directeur dat het heel complex is om jeugdzorg aan te bieden aan veel verschillende gemeenten die allemaal iets anders willen en zelf hun tarieven en diensten bepalen? Zo ja wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom deelt u deze mening niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke consequenties heeft de beslissing van stichting De Opbouw voor de jongeren die in behandeling zijn bij Lijn5?
Lijn5 biedt alle behandelzorg zoals zij altijd heeft gedaan. Lijn5 bereidt zich ook voor op voortgang van de behandeling door de contractafspraken met gemeenten voor 2020 te maken en de jaarovergang voor te bereiden. Lijn5 onderhoudt haar eigen kwaliteitssystemen.
Kunt u vertellen wat de laatste stand van zaken is van de gesprekken die Lijn5 en stichting De Opbouw op dit moment voeren met meerdere zorgorganisaties om de behandeling van de jongeren een-op-een over te nemen?
Lijn5 is in gesprek met zorgorganisaties over de overdracht van zorg. Wanneer de behandelzorg door een andere partij wordt overgenomen, zal de expertise beschikbaar zijn voor de overdracht. Kennis en ervaring is primair verbonden aan de medewerkers en Lijn5 verwacht dat zowel medewerkers als werkwijzen grotendeels mee zullen worden genomen door een overnemende partij.
Ziet u mogelijkheden om bij te dragen aan deze gesprekken ten behoeve van de behandeling van de jongeren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Signalen rond de financiële en organisatorische ontwikkelingen van jeugdhulpaanbieders neem ik zeer serieus vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke. Zorgcontinuïteit is hierbij leidend. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht en zijn verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van passende jeugdhulp. Bestuurders van aanbieders dragen zorg voor continuïteit van de organisatie en het waarborgen van de kwaliteit van zorg.
Het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) is sinds 1 januari 2019 operationeel en biedt onder andere ondersteuning bij gesprekken tussen gemeenten en/of aanbieders. Als het OZJ geen soelaas biedt, kan sinds 1 januari 2019 geëscaleerd worden naar de Jeugdautoriteit. Vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke volg ik de ontwikkelingen nauwlettend en houd ik een vinger aan de pols.
Kunt u de continuïteit en de kwaliteit van de zorg voor deze jongeren waarborgen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u ervan op de hoogte of meer jeugdzorgorganisaties in financiële problemen zitten? Zo ja, om welke organisaties gaat het en welke stappen onderneemt u om de zorg voor jongeren in de jeugdzorg te waarborgen?
Het is mij bekend dat de financiële situatie van bepaalde (boven)regionale specialistische jeugdhulpaanbieders zorgelijk is. De situatie bij deze aanbieders is verschillend. De Jeugdautoriteit is betrokken. Ik volg de ontwikkelingen nauwlettend vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke. Zorgcontinuïteit is hierbij leidend.