Het woningtekort |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Woningtekort ook in 2030 nog groot probleem»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Onderschrijft u de conclusies van economen van ABN-AMRO dat de bouw van nieuwe woningen de komende jaren zal teruglopen en daardoor bijna alle provincies in 2030 een woningtekort zullen hebben? Zo nee, waarom niet?
Nee ik onderschrijf de conclusies niet van de economen van de ABN-AMRO. Ik ben het eens met de constatering dat het zorgelijk is dat de vergunningverlening terugloopt in 2019. Het aantal verleende vergunningen kent maandelijks grote fluctuaties. In 2018 is het aantal verleende vergunningen nagenoeg gelijk gebleven aan die van 2017. Het is op basis van de eerste maanden van 2019 niet te constateren dat de bouw van nieuwe woningen de komende jaren zal teruglopen en daarom alle provincies in 2030 een woningtekort zullen hebben. De orderportefeuilles van bouwers zitten vol en het aantal nieuw opgeleverde stijgt woningen nog steeds. De huidige prognoses gaan uit van een toenemende woningbehoefte en de bouw van 76 duizend nieuwe woningen per jaar tot 2030. Met deze productie loopt het tekort niet op, er wordt dan voldaan aan de toename van de woningbehoefte en het inlopen van het tekort naar een niveau van 2,4% in 2030. Het woningtekort wordt echter niet volledig opgelost in 2030. Een laag tekort van bijvoorbeeld beneden de 1% is ook niet wenselijk. De woningmarkt heeft een zeker mate van tekort nodig om te kunnen functioneren (zo luidt ook de conclusie van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, RLI/2687, 2018).
Kunt u zich herinneren dat u herhaaldelijk hebt beloofd dat er in 2030 één miljoen woningen bijgebouwd zullen zijn? Deelt u de conclusie dat dit haaks staat op de bevindingen van ABN-AMRO dat er in 2030 nog altijd een tekort van 157.000 woningen zal zijn? Gaat u uw belofte alsnog waar maken? Zo ja, hoe dan wel?
Zoals afgesproken in de Woonagenda heb ik toegezegd me hard te maken voor de 75 duizend nieuwe woningen per jaar tot aan 2025. Gegeven de huidige prognoses waarbij de woningbehoefte met 585 duizend toeneemt in de periode 2019 tot aan 2030 en de woningbouwproductie geraamd is op 76 duizend per jaar zal het tekort aan woningen teruglopen van de huidige 279 duizend (3,6%) naar rond de 206 duizend (2,4%) in 2030. Het tekort aan woningen kan niet 1-2-3 opgelost worden. Het bouwen van woningen kost tijd. Ik zet me in voor de bouw van voldoende woningen en sluit met de regio’s waar de woningnood het hoogst is woningdeals. Indien de productie van 75 duizend woningen per jaar wordt aangehouden tot 2030 zullen er in de prognosejaren2 2017 tot 2030 975 duizend nieuwe woningen zijn gerealiseerd.
Hoe is het mogelijk dat – in tijden van oplopende woningnood – het aantal afgegeven bouwvergunningen niet toeneemt, maar het afgelopen jaar zelfs met 5,7% is gedaald? Deelt u de conclusie dat dit haaks staat op uw eerdere antwoorden op Kamervragen, waarin u schrijft dat «u geen dalende trend in de vergunningverlening ziet» en «de langetermijnontwikkeling een groei van het aantal afgegeven vergunningen laat zien»?2 Hoe verklaart u dit?
Het aantal afgegeven vergunningen in 2018 is op hetzelfde niveau gebleven als het jaar daarvoor. Er zijn in 2018 69.900 verleende vergunningen afgegeven tegen 69.700 in het jaar 2017. De vergunningverlening is gestegen van 41.300 in 2014 naar 69.900 in vier jaar tijd. Dit is een stijging van 69%. Het aantal afgegeven vergunningen fluctueert maandelijks. Ten opzichte van twee jaar geleden is het aantal vergunningen gestegen met 11% en het afgelopen jaar is het aantal nagenoeg gelijk gebleven. In de eerste twee maanden van 2019 zijn er 7.792 vergunningen afgegeven voor nieuw te bouwen woningen. Dit is een kwart minder dan dezelfde periode vorig jaar, echter zitten de orderportefeuilles van bouwers vol en stijgt het aantal nieuw opgeleverde woningen nog steeds. In 2018 zijn er exclusief transformaties 66 duizend nieuwe woningen opgeleverd; dit is een stijging van 20% ten opzichte van twee jaar geleden en 5% ten opzichte van 2017.
Ik deel bovenstaande conclusie dan ook niet, maar monitor zelf ook scherp het aantal afgegeven vergunningen en de nieuw opgeleverde woningen. Mochten de vergunningverleningen achterblijven in 2019 dan zal ik dat meenemen in de gesprekken die ik voer met de regio’s. In de woondeals worden afspraken gemaakt over de woningbouwplannen op korte termijn en ook over de plancapaciteit op de middellange- en lange termijn.
Wat gaat u doen met gemeenten die te weinig bouwvergunningen afgeven? Bent u ertoe bereid om gemeenten die alleen binnenstedelijk willen bouwen en hiermee de woningbouw vertragen, eindelijk aan het werk te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in mijn Kamerbrief «meer prioriteit voor woningbouw»4 en in eerdere beantwoording op uw Kamervragen5 is het nodig dat elke regio zorgt voor voldoende bouwplannen om tijdig te voorzien in de woningbehoefte. Daarbij is het wenselijk dat zij de ruimte binnen bestaand bebouwd gebied optimaal benutten. Wanneer het niet mogelijk is om op termijn de woningbehoefte volledig binnenstedelijk in te vullen, dan is het nodig dat regio’s ook tijdig de mogelijkheden aan de randen van de stad verkennen. Voor elke locatie is van belang dat de bereikbaarheid geborgd is.
Ik zie het als onze gezamenlijke uitdaging om te voorzien in de behoefte aan woningen, met voldoende oog voor alle andere ruimtelijke belangen. Daarbij blijft voorop staan dat er, ook in de lokale dynamiek, druk blijft om complexe binnenstedelijke locaties te ontwikkelen, en niet lichtzinnig wordt geschoven naar bouwlocaties buiten de bestaande stad.
Ik herken mij niet in het sfeerbeeld dat gemeenten structureel dwarsliggen of traineren. In de gesprekken die ik voer met decentrale overheden ervaar ik een gezamenlijk gevoel van urgentie om de bouwproductie te versnellen en een constructieve opstelling om het aantal bouwplannen te vergroten.
Hoe gaat u voorkomen dat er uiteindelijk zelfs in krimpgebieden – zoals in Drenthe, Groningen en Limburg – woningtekorten zullen ontstaan?
Er zijn grote verschillen tussen de situatie op de woningmarkt in verschillende regio’s. In met name de grote stedelijke regio’s is de woningmarkt zeer gespannen en groeit de woningbehoefte zo sterk dat die lastig bij te benen is met bouwen. In andere regio’s groeit de woningbehoefte juist geleidelijk en is de markt ontspannen, of is er zelfs sprake van een afnemende woningbehoefte en krimp.
Een belangrijke oorzaak van die regionale verschillen is een brede trend richting verstedelijking, waarbij steeds meer mensen binnen Nederland richting de grote stedelijke regio’s verhuizen. Dit is overigens een trend die ook internationaal zichtbaar is. De woningtekorten in de grote stedelijke regio’s zijn dus juist mede veroorzaakt door mensen die wegtrekken uit andere regio’s, zoals krimpregio’s. Wel straalt de toenemende druk op de woningmarkt in de grote steden steeds meer uit naar andere woonplaatsen binnen dezelfde regio met een goede verbinding naar de centrumsteden.
In krimpregio’s kan het nog steeds moeilijk zijn voor mensen om een passende woning te vinden, wanneer de woningen kwalitatief niet aansluiten bij de behoefte. Bijvoorbeeld wanneer de woningvoorraad uit veel grote verouderde woningen bestaat die eerst gerenoveerd moeten worden, terwijl starters en ouderen vaak kleinere woningen en appartementen zoeken, in de nabijheid van voorzieningen. De vitaliteit van de woningvoorraad is een belangrijk thema in de Regio Deals die nu worden gesloten met de Achterhoek, Zuidoost Drenthe en Parkstad Limburg. Daarnaast ben ik het expertisetraject woningmarkt in krimpregio’s gestart. Het doel is om de kennis en ervaringen over de lokale woningmarkt- en ruimtelijke opgaven op korte en lange termijn in kaart te brengen. Ook ga ik met regio’s in gesprek over welke praktische oplossingen er zijn om eventuele actuele en toekomstige overschotten in de woningvoorraad aan te pakken.
Wat doet u voor de Nederlanders die nú een woning nodig hebben, maar daar vaak jarenlang op moeten wachten? Welke woningmarktsuccessen hebt u – sinds uw ministerschap – feitelijk bereikt?
Om het woningtekort terug te dringen is het noodzakelijk om meer woningen te bouwen, en dat kost nu eenmaal tijd. Op verschillende manieren zet ik mij in voor het vergroten van het woningaanbod, en met name het aanbod aan betaalbare woningen. Daartoe heb ik met landelijke koepelorganisaties ambities en acties vastgelegd in de Nationale Woonagenda, waar we samen aan werken. Dan gaat het bijvoorbeeld om het bouwen van 75.000 woningen per jaar, een aantal die inmiddels heel dichtbij komt. Maar om de tekorten daadwerkelijk terug te dringen is het belangrijk om de bouw op peil te houden. Op de korte termijn wil ik samen met stakeholders de gevolgen van de krapte op de woningmarkt zoveel mogelijk beperken. Daarom wil ik met partijen in de meest gespannen regio’s waar de bouwopgave het grootst is een langjarige samenwerking aangaan door het sluiten van woondeals. Met de stad Groningen en het Stedelijk Gewest Eindhoven heb ik deze woondeals al gesloten, en ik hoop dit voorjaar ook tot woondeals te komen met de Metropoolregio Amsterdam, de regio Utrecht en de Zuidelijke Randstad. Deze woondeals bevatten onder andere afspraken over het versnellen van bouwlocaties, het monitoren van de plancapaciteit, de aanpak van de gevolgen van de krapte op de korte termijn, en over samenwerking rondom gebiedsontwikkelingen die cruciaal zijn voor de langere termijn. Daarnaast stel ik diverse instrumenten beschikbaar om partijen, ook buiten deze regio’s, te ondersteunen bij hun opgave. Voorbeelden zijn het expertteam woningbouw, de transformatiefaciliteit en het uitbreiden van de Crisis- en herstelwet. Eind mei stuur ik de Stimuleringsaanpak Flexwonen om de woningmarkt ook voor spoedzoekers toegankelijker te maken naar de leden van uw Kamer.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is en blijft dat statushouders nog steeds met voorrang sociale huurwoningen toegewezen krijgen, terwijl de Nederlanders gemiddeld negen jaar op de wachtlijst moeten staan? Bent u ertoe bereid om de tijdelijke asielvergunningen van de in Nederland verblijvende statushouders in te trekken en ervoor te zorgen dat de daardoor vrijkomende sociale huurwoningen, evenals alle andere sociale huurwoningen, uitsluitend aan de Nederlanders worden toegewezen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals u weet is de automatische urgentiestatus voor statushouders geschrapt uit de Huisvestingswet en is het een afweging op lokaal niveau om te bepalen of er al dan niet bij de toewijzing van woningen voorrang aan statushouders wordt gegeven. Bovendien is het juist de bedoeling dat statushouders snel uitstromen uit de asielopvang om een snelle(re) start met integratie te bevorderen en kosten te besparen. Nog belangrijker dan de toewijzing van woningen is de beschikbaarheid van voldoende woningen. Door heel veel partijen wordt hard gewerkt om het aanbod te vergroten.
De berichten ‘NBA bezorgd over daling aantal oob-kantoren’ en ‘Woningcorporaties worden al streng genoeg gecontroleerd’ |
|
Carla Dik-Faber (CU), Eppo Bruins (CU) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woningcorporaties worden al streng genoeg gecontroleerd»1 en het bericht «NBA bezorgd over daling aantal oob-kantoren»?2
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) dat de markt, met inbegrip van organisaties van openbaar belang (oob’s), belang heeft bij een breed en divers scala aan aanbieders?
Voor elke markt, dus ook die voor de wettelijke controles van oob’s, geldt dat een groter aantal aanbieders de competitiviteit van de markt bevordert en de afnemers van diensten of producten meer keuzemogelijkheden geeft. Het terugtreden van accountantsorganisaties met een vergunning voor het verrichten van wettelijke controles bij oob’s (oob-accountantsorganisaties) is vanuit dat perspectief geen positieve ontwikkeling. Vanuit kwaliteitsperspectief is deze ontwikkeling op de oob-markt moeilijk te beoordelen. Meer competitiviteit kan tot een hogere kwaliteit leiden. Het is echter ook van belang dat oob-organisaties gedreven zijn om deze markt te blijven bedienen en de gevraagde kwaliteit te leveren.
Is het waar dat het aantal accountantsorganisaties dat beschikt over een oob-vergunning per 1 juni nog maar zeven is, waar dat er eerder negen waren? Is inzichtelijk waarom dit aantal afneemt terwijl de vraag niet lijkt af te nemen? Is inderdaad sprake van de beschreven onevenredige belasting van personen en middelen, met name voor de relatief kleinere oob-kantoren door de hoge gestelde eisen? Welke mogelijkheden ziet u om maatwerk toe te passen om het naleven van eisen voor met name relatief kleinere oob-vergunninghouders werkbaar te houden?
Vanaf 1 juni aanstaande zullen er zeven accountantsorganisaties met een vergunning voor het verrichten van wettelijke controles bij oob’s (oob-vergunning) zijn. Recentelijk heb ik vernomen dat ook de accountantsorganisatie Baker Tilly heeft besloten uiterlijk per 1 januari 2020 haar oob-vergunning te laten omzetten naar een niet-oob-vergunning. Dit zou het aantal oob-accountantsorganisaties terugbrengen tot zes. De accountantsorganisaties die hun oob-vergunning inleveren, Grant Thornton, Accon en Baker Tilly, hebben relatief weinig oob-controlecliënten. Het is inderdaad mogelijk dat voor vergunninghouders de investeringen die moeten worden gemaakt om te voldoen aan de kwaliteitseisen die aan oob-accountantsorganisaties worden gesteld onder meer ten aanzien van de governance niet opwegen tegen de inkomsten die met die controles worden gegenereerd. Het doel van deze extra kwaliteitseisen is een consistente en duurzame hoge kwaliteit van wettelijke controles. Het toepassen van maatwerk voor kleinere oob-accountantsorganisaties lijkt mij vanuit dat oogpunt niet wenselijk. Hiermee zou feitelijk een categorie oob-accountantsorganisaties worden gecreëerd die onder een ander toezichtsregime staat. Naast de risico’s die dit meebrengt voor de kwaliteit van de wettelijke controles zou dit ook betekenen dat er een ongelijk speelveld wordt gecreëerd met oob-accountantsorganisaties die wel alle eisen dienen na te leven. Veel eisen voor oob-accountantsorganisaties zijn overigens opgenomen in een EU-verordening3 (hierna de EU-verordening). Hiervan kan op nationaal niveau niet worden afgeweken.
Herkent u de in het artikel geschetste reeds bestaande tekorten aan accountants in het oob-segment? Deelt u de conclusie dat deze tekorten waarschijnlijk verder zullen toenemen bij vermindering van het aantal aanbieders?
Ik ben bekend met het beperkte aantal oob-accountantsorganisaties om wettelijke controles in het oob-segment te verrichten. Mij is op dit moment niet bekend dat er tekorten in het aanbod optreden in dit segment.
Is het waar dat u met de NBA in overleg bent over de zorgen over de oob-kantoren? Aan welke mogelijkheden en maatregelen wordt gedacht? Indien dit op dit moment nog onduidelijk is, op welke termijn verwacht u hier duidelijkheid over te scheppen?
De NBA heeft zijn zorgen over de afname van het aantal oob-accountantsorganisaties bij mij onder de aandacht gebracht. Deze problematiek heeft mijn aandacht. Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat het aan de accountantsorganisaties zelf is om te bepalen of zij een oob-vergunning wensen om wettelijke controles bij oob’s te verrichten.
Voorts wil ik wijzen op het werk dat de Commissie Toekomst Accountancysector (CTA) doet. De CTA betrekt in zijn aanbevelingen ook de structuur van de huidige auditmarkt. Het lijkt mij niet wenselijk om vooruitlopend op die aanbevelingen nieuwe ingrepen te overwegen.
Hoe verhoudt de (aanstaande) schaarste aan oob-accountants zich tot het voornemen om ook grotere woningcorporaties, netbeheerders, pensioenfondsen, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) aan te wijzen als organisaties van openbaar belang, waarmee deze een beroep zullen moeten doen op oob-accountants? Kunt u motiveren waarom de uitbreiding naar deze doelgroepen op dit moment noodzakelijk wordt geacht?
Vanuit het perspectief van vraag en aanbod is de afname van het aantal oob-accountantsorganisaties op het moment dat het aantal oob’s wordt uitgebreid ongelukkig. Aangezien het oob-accountantsorganisaties betreft die relatief weinig wettelijke controles bij oob’s en aankomende oob’s verrichten, kan niet worden gesproken van significante afname van het aanbod in zijn geheel. Uit de verantwoordingsinformatie (dVi) van corporaties blijkt dat binnen de categorie woningcorporaties met meer dan 5.000 verhuureenheden er over verslagjaar 2017 één woningcorporatie gecontroleerd werd door een accountantsorganisatie zonder oob-vergunning. Indien ook de drie kantoren worden meegenomen die hun oob-vergunning zullen omzetten, komt dit aantal op vijf woningcorporaties. Zij zullen dus hun wettelijke controle voor het eerste boekjaar waarin zij oob worden door een andere accountantsorganisatie (met oob-vergunning) moeten laten uitvoeren.
In verschillende rapporten en publicaties is de afgelopen jaren de suggestie gedaan om meer organisaties aan te merken als oob.4 Mede naar aanleiding van deze rapporten is aangekondigd dat de uitbreiding van het aantal oob’s zou worden onderzocht.5 Tijdens het onderzoek is de (meer)waarde van de oob-status per sector afgezet tegen de bestaande accountantscontrole op een organisatie, het bestaande toezicht op deze controle en het belang van een deugdelijke accountantscontrole voor het toezicht op de gecontroleerde instelling en het maatschappelijk belang bij een deugdelijke accountantscontrole. Bij de verschillende instellingen is beoordeeld of er behoefte bestaat aan de genoemde generieke waarborgen die komen met de toekenning van de oob-status. De beoordeling heeft geresulteerd in de brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 26 juni 2015, waarin het voornemen kenbaar is gemaakt om netbeheerders, woningcorporaties, drie instellingen voor het wetenschapsbeleid en grote pensioenfondsen aan te wijzen als oob’s.6 Bij netbeheerders, woningcorporaties, instellingen voor wetenschappelijk onderzoek en grote pensioenfondsen wordt toegevoegde waarde gezien in het voorschrijven van een oob-controle als bedoeld in de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta), gelet op het belang van de deugdelijke accountantscontrole voor een adequate invulling van het toezicht en het maatschappelijke belang van deze instellingen.
Ik ben nog steeds voornemens het voorgenomen besluit tot uitbreiding van het aantal oob’s (oob-besluit) ten uitvoer te brengen. De meerwaarde van de oob-status is gelegen in de aanvullende wettelijke waarborgen voor de kwaliteit van de wettelijke controle bij een oob-onderneming (bovenop de waarborgen die gelden voor de kwaliteit van andere wettelijke controles). De aanvullende waarborgen zien met name op de governance van de accountantsorganisatie, het stelsel van kwaliteitsbeheersing van de accountantsorganisatie, de onafhankelijkheid van de accountantsorganisatie en de externe accountants en op het toezicht op de accountantsorganisatie. De aanvullende waarborgen zijn opgenomen in de Wta voor zover deze niet rechtstreeks voortvloeien uit de EU-verordening. Voor de in het oob-besluit aangewezen instellingen wordt de kwaliteit van de wettelijke controle in het bijzonder vereist gezien het publieke karakter van deze instellingen. Met de, als gevolg van de aanwijzing als oob, van toepassing zijnde aanvullende waarborgen wordt in dit belang voorzien.
Is bij de in de brief van 22 april 2019 beschreven kostenstijging van 10% voor accountantskosten van instellingen met een oob-status rekening gehouden met de toenemende vraag aan oob-accountants en het afnemende aanbod?3 Zo nee, wat zou dan een verwachte kostenstijging zijn?
De inschatting van de kostenstijging is afkomstig van accountantsorganisaties met een oob-vergunning die de jaarrekeningen van woningcorporaties (toegelaten instellingen) controleren en die van hun eigen controles hebben aangegeven welke prijsstijging zij verwachten. Aangezien vrijwel alle toegelaten instellingen al worden gecontroleerd door een accountantsorganisatie met een oob-vergunning is geen aanvullende kostenstijging voorzien.
Is het waar dat de oob-status voor bijvoorbeeld onderwijsinstellingen niet geldt omdat er reeds afdoende gedetailleerde eigen wet- en regelgeving geldt op het gebied van toezicht en accountantscontrole? Deelt u de constatering dat ook woningcorporaties inmiddels scherp worden gecontroleerd op de inachtneming van (financiële) regels door de Autoriteit Woningcorporaties (AW) en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)?
De invoering van de oob-status is een aanbeveling vanuit de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties. Bij motie van uw Kamer8 is de grens voor invoering bij woningcorporaties initieel gesteld op 1.500 verhuureenheden (vhe). Na consultatie van het besluit is deze grens opgehoogd naar 2.500 vhe. In de zomer 2018 is de grens voor de tweede maal verhoogd naar 5.000 vhe na hierover advies te hebben ontvangen van de Aw, het WSW en de NBA.
De oob-status leidt op zichzelf niet tot een verdere aanscherping van de wettelijke controle bij woningcorporaties, maar tot een verscherping van eisen aan het toezicht op de controlerende accountants(organisaties). Voor een adequaat toezicht op de woningcorporatiesector, onder meer voor het tijdig en juist inschatten van financiële risico’s, is een goede accountantscontrole noodzakelijk. De oob-status leidt tot een ander kader waarbinnen de accountants dienen te opereren, met een kwaliteitsverhogend effect tot gevolg. Het wettelijk kader waarbinnen de woningcorporaties dienen te opereren op grond van de Woningwet verandert niet door de oob-status en het extern toezicht op de corporatiesector wordt evenmin strenger door deze maatregel.
Een vergelijking met andere sectoren, zoals het onderwijs, om te bepalen of het toekennen van de oob-status noodzakelijk is, is moeilijk te maken gelet op de verschillende (semi-)publieke functies van organisaties en wettelijk en maatschappelijk kader waarin zij opereren. Een belangrijk verschil is bijvoorbeeld dat de onderwijsinspectie een wettelijke bevoegdheid heeft om reviews uit te voeren op de kwaliteit van de controlewerkzaamheden van de accountants bij onderwijsinstellingen, mede omdat onderwijs rechtstreeks door het rijk wordt bekostigd. Voor woningcorporaties geldt deze directe bekostiging niet en de Aw heeft dan ook geen wettelijke bevoegdheid om reviews uit te voeren op de kwaliteit van de controlewerkzaamheden van accountants bij woningcorporaties. Daarnaast zorgt de financieringsstructuur van onderwijsinstellingen en woningcorporaties voor een verschil in risicoprofiel. Bij een onderwijsinstelling is de rijksbijdrage de belangrijkste geldstroom, hetgeen zorgt voor een relatief overzichtelijke balans. Bij een corporatie is sprake van een zelfstandige instelling die zelf inkomsten genereert uit huur en verkoop en deze naar eigen inzichten besteedt. Deze vorm van exploitatie brengt meer risico’s met zich mee.
Zoals uit de beantwoording van vraag 6 blijkt is er in algemene zin voldoende aanleiding voor uitbreiding van het oob-controledomein met de in het besluit aangewezen instellingen. Hieraan wordt met het nog in werking te treden besluit een eerste invulling gegeven, waarbij nadere besluitvorming over de afbakening van het oob-domein in de toekomst niet kan worden uitgesloten.
Vindt u de huidige controle op woningcorporaties met meer dan 5.000 woningen onvoldoende? Op welke financiële regels worden woningcorporaties met de oob-status wel gecontroleerd, waar zij in de huidige situatie nog niet worden gecontroleerd? Is dit voldoende noodzaak om een stijging van 10% van de accountantskosten te rechtvaardigen, ook gelet op de opgaven voor corporaties op het gebied van verduurzaming?
Voor de beantwoording verwijs ik u grotendeels naar vraag 8. De Aw en het WSW steunen bij hun toezicht en borging van ruim € 80 miljard financiering (waarvoor het rijk en gemeenten als achtervang staan) op controlewerkzaamheden van accountants en hebben daarom een groot financieel belang bij een goede kwaliteit van de accountantscontrole. Een hoogwaardigere accountantscontrole op een woningcorporatie of andere controlecliënt met aanzienlijk publiek belang zou aanzienlijke schade bij de controlecliënt of derden, bijvoorbeeld door financieel wanbeleid, kunnen voorkomen. Uit ervaringen in het verleden is gebleken dat dergelijke situaties niet louter hypothetisch zijn. Als met het toekennen van de oob-status één of meerdere van deze schades kunnen worden voorkomen, zal dat al snel opwegen tegen de gestegen accountantscontrolekosten.
Vindt u, de schaarste aan oob-accountants en de nauwkeurige controle door de AW en het WSW in overweging nemend, het (op dit moment) noodzakelijk en gewenst om de oob-status voor woningcorporaties met meer dan 5.000 woningen in te voeren?
Voor de beantwoording verwijs ik naar de beantwoording van vraag 6. De invoering van de oob-status voor woningcorporaties acht ik gewenst. Gelet op het feit dat de markt al lange tijd bekend is met het feit dat het oob-besluit van toepassing zal worden en bekend is met de strekking daarvan zie ik geen grond voor verder uitstel. De in uw vraag genoemde aspecten zijn alle betrokken bij de adviesaanvraag die medio 2018 is uitgezet bij de Aw, het WSW en de NBA. Deze adviesaanvraag heeft geleid tot een advies om de oob-status in te voeren voor woningcorporaties met meer dan 5.000 woningen. Vanuit risicogericht toezicht achten zij de grens van 5.000 verhuurbare eenheden acceptabel, omdat in deze groep sprake is van een relatief grote impact die deze corporaties kunnen hebben binnen het totale stelsel.
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg Woningcorporaties op 4 juni 2019 te beantwoorden?
Door afstemming met meerdere partijen is het niet mogelijk gebleken deze vragen voor 4 juni te beantwoorden. Aangezien het algemeen overleg Woningcorporaties is verplaatst, vindt beantwoording wel plaats voor het opnieuw in te plannen algemeen overleg Woningcorporaties.
Het onderzoek 'Naar een efficiëntere noodhulp' van Politie en Wetenschap |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het verkennende actieonderzoek «Naar een efficiëntere noodhulp» van het Onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap?1
Ja.
Deelt u de conclusies en het beeld, zoals verwoord in paragraaf 7.9 van dit rapport, als het algemene beeld? Wilt u daarbij specifiek ingaan op de conclusies dat uitvoerende politiemensen graag met meer zinvol werk de straat op willen, dat het operationeel leiderschap van de Operationeel Coördinators (OpCo’s) nauwelijks uit de verf komt en dat er in de basisteams nauwelijks zinvol operationeel politiewerk voor de uitvoerende medewerkers kon worden gegenereerd?
Ik deel de conclusie dat er ruimte is voor efficiëntere inzet van capaciteit voor noodhulp. De drie experimenten uit het onderzoek verschaffen inzicht in de interventies die in dit verband behulpzaam kunnen zijn. Ik wijs er wel op dat het onderzoek een beperkte omvang had, en daarom minder geschikt is voor het trekken van algemene conclusies over de organisatie van een efficiëntere noodhulp.
Ik herken het signaal dat het operationeel leiderschap van de operationeel coördinators aandacht vergt. De politie werkt in het kader van de ontwikkelagenda Gebiedsgebonden Politie (GGP) aan rolverduidelijking en verbetering van de samenwerking tussen verschillende functies en werkgebieden binnen de GGP. Dit moet ook zijn weerslag krijgen op de sturing en coördinatie binnen de GGP. Daarnaast is de politie medio 2018 gestart met een onderzoek naar de knelpunten in het domein leiding. Dit onderzoek besteedt nadrukkelijk aandacht aan de rol van de operationeel expert (die als operationeel coördinator kan optreden) in relatie tot de formele leidinggevende rol van de teamchef. Het onderzoek moet leiden tot inzicht in de gewenste invulling van de rol van operationeel coördinator. Zoals gebruikelijk zal ik uw Kamer in de halfjaarberichten blijven informeren over de doorontwikkeling van de GGP, waaronder het domein leiding.
Hoewel er ruimte is voor meer efficiëntie in de noodhulp, kan er in mijn optiek op basis van dit onderzoek niet worden vastgesteld dat er sprake is van structurele overcapaciteit. Beschikbaarheid voor noodhulp is een kerntaak van de politie. De burger moet erop kunnen rekenen dat de politie snel en effectief noodhulp kan verlenen. Dit heeft gevolgen voor de beschikbaarheid voor andere taken. De onderzoekers hebben ervoor gekozen alleen formele werkopdrachten als «zinvol werk» te beschouwen, terwijl politiemedewerkers vanuit hun professionaliteit ook op eigen initiatief zinvolle activiteiten ontplooien tussen meldingen in, zoals surveilleren.
Welke acties gaat u ondernemen teneinde het operationeel leiderschap van de OpCo’s binnen de basisteams van de politie te versterken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat in algemene zin de capaciteit van de politie in de basisteams ernstig onder druk staat c.q. lijkt te staan terwijl uit dit onderzoek blijkt dat er in het kader van de uitvoering van de noodhulp sprake is van forse overcapaciteit?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre bent u van mening dat dit overall beeld niet alleen geldt voor de drie aan dit onderzoek deelnemende basisteams maar voor een veel groter deel van de Nederlandse politie?
Het onderzoek had een beperkte omvang, en is daarom minder geschikt voor het trekken van algemene conclusies over de organisatie van een efficiëntere noodhulp. Niettemin heeft het onderzoek nuttige signalen opgeleverd. De politie betrekt deze signalen bij de doorontwikkeling van de GGP en beziet waar op korte termijn verbeteringen mogelijk zijn. Voor de langere termijn is het denkbaar dat de politie toegroeit naar een andere organisatie van de noodhulpfunctie. Uiteraard zal ik in gesprek blijven met de korpschef over de inrichting van de noodhulpfunctie.
Bent u voornemens op korte termijn de huidige uitvoering van de noodhulp ter discussie te stellen, daarmee meer capaciteit vrijspelend voor andere activiteiten binnen de basisteams?
Zie antwoord vraag 5.
Het misbruikschandaal bij ProDemos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Misbruikschandaal bij Haags «Huis voor de democratie» ProDemos»?1
Ja.
Heeft u contact opgenomen met ProDemos naar aanleiding van dit nieuws? Zo ja, heeft ProDemos u meer inzicht kunnen bieden in de maatregelen die zijn genomen sinds de eerste meldingen van deze misstanden?
Ik ben zeer kort voor de bekendmaking van het nieuws over deze zaak geïnformeerd door de directie van ProDemos. ProDemos heeft mij toen gemeld dat de betreffende leidinggevende na ontvangst van de meldingen onmiddellijk is geschorst en dat intern onderzoek is verricht. Op basis daarvan heeft de directie zijn arbeidsovereenkomst ontbonden.
De directie van ProDemos heeft aangegeven dat zowel de Raad van Toezicht als de Ondernemingsraad al eerder actief zijn geïnformeerd. Ook heeft de directie van ProDemos gemeld dat zij een gespecialiseerd extern adviesbureau erbij heeft betrokken.
Verder heeft de directie van ProDemos aangegeven dat na de meldingen van grensoverschrijdend gedrag de directie vier bijeenkomsten voor medewerkers heeft georganiseerd over en naar aanleiding van de zaak. De directie gaat mede aan de hand van de suggesties van de medewerkers maatregelen gaat nemen, zoals aanvulling van het introductieprogramma en de inzet van extra vertrouwenspersonen voor de betrokken groep begeleiders en rondleiders van ProDemos.
Bent u van mening dat een extern en onafhankelijk onderzoek in de rede ligt om te verzekeren dat ProDemos de juiste stappen heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De voorzitter van de Tweede Kamer en ik hebben inmiddels de heer Tjibbe Joustra gevraagd om een commissie samen te stellen en voor te zitten, die zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het zomerreces dit onderzoek voltooit.
Is er naar aanleiding van het door ProDemos georganiseerde onderzoek en het daaropvolgende ontslag van de directeur contact opgenomen met voormalige werknemers om hen nazorg te bieden? Zo nee, bent u bereid de organisatie hiertoe op te roepen?
Het ontslag betreft niet de directeur van ProDemos, maar een andere leidinggevende. De directie van ProDemos heeft aangegeven dat zij, voor zover zij beschikking had over de contactgegevens van voormalige werknemers, hen een brief heeft gestuurd waarin hen de mogelijkheid wordt geboden om met medewerkers van personeelszaken van ProDemos in gesprek te gaan. Deze medewerkers kunnen adviseren over externe hulpverlening voor ondersteuning. Ook kunnen (voormalig) werknemers ervoor kiezen om direct contact op te nemen met een daarvoor in de arm genomen gespecialiseerd adviesbureau.
Kunt u toelichten wat voor nazorg verleend wordt aan huidige en voormalige werknemers? Bent u bereid erop toe te zien dat deze nazorg correct verloopt?
De directie van ProDemos heeft aangegeven dat alle medewerkers van ProDemos mogelijkheden hebben aangereikt gekregen voor ondersteuning. Waaronder de ondersteuning van een gespecialiseerd adviesbureau dat door ProDemos in de arm is genomen.
De Raad van Toezicht van ProDemos is verantwoordelijk voor het toezien op een correct verloop van de nazorg. De wijze van nazorg zal betrokken worden bij het externe onafhankelijk onderzoek door de commissie onder leiding van de heer Joustra.
Op welke manier worden (voormalige) werknemers ondersteund bij de keuze om aangifte te doen of niet? Hoe wordt er verzekerd dat men aangifte kan doen wanneer dat gewenst is, zonder te hoeven vrezen voor repercussies?
De directie van ProDemos heeft aangegeven de mogelijkheid om aangifte te doen besproken te hebben met alle personen die een verklaring hebben afgelegd. Voor zover bekend heeft tot nu toe geen van hen aangifte gedaan. De directie van ProDemos heeft in de verantwoordelijkheid van werkgever op 1 mei 2019 wel aangifte gedaan. Mochten ook (oud) medewerkers alsnog aangifte doen, dan zal ProDemos dit ondersteunen. Ik ben van mening dat eenieder zich vrij moet voelen om aangifte te doen, zonder angst voor repercussies. Ik heb dit ook besproken met de voorzitter van de Raad van Toezicht en heb geen aanwijzingen dat er sprake is van een onvoldoende veilige situatie om aangifte of meldingen te doen.
De opvatting van het financieel stabiliteitscomite over het klimaatakkoord en over de niet gepubliceerde achtergronddocumenten van het klimaatakkoord |
|
Agnes Mulder (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Erik Ronnes (CDA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de notulen van het financieel stabiliteitscomité (FSC) van 5 maart 2019 waarin staat: «Daarnaast is van belang dat hypothecaire leennormen in elk geval niet worden verruimd. In dit kader vraagt het FSC aandacht voor de gevolgen voor de financiële stabiliteit van nieuwe financieringsmogelijkheden ten behoeve van de verduurzaming van woningen. Financiering van verduurzaming dient consistent te zijn met de geldende hypothecaire leennormen en dient gepaard te gaan met voldoende waarborgen ten aanzien van de gerealiseerde energiebesparing. Ook kan, naast de bestaande mogelijkheid om extra te lenen voor zeer energiezuinige woningen, aanpassing van de leennormen worden overwogen voor woningen die juist erg onzuinig zijn»?1
Ja.
In hoeverre is het waar dat ook de Ministeries van BZK en Financien vertegenwoordigd waren in het FSC dat dit opschreef?
In het Financieel Stabiliteitscomité (FSC) overleggen vertegenwoordigers van De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het Ministerie van Financiën over onderwerpen inzake de financiële stabiliteit. Het is van belang dat het comité een duidelijke focus op stabiliteitsproblematiek heeft, zonder dat deze focus verminderd wordt door andere afwegingen zoals bredere inkomenspolitieke vraagstukken, vraagstukken van marktordening en van economische groei, die tot de verantwoordelijkheid van de regering behoren. Voor de deelnemers namens het Ministerie van Financiën geldt daarom dat zij niet deelnemen aan de besluitvorming over waarschuwingen en aanbevelingen. Dit geldt ook voor het Centraal Plan Bureau, dat momenteel als extern deskundige deelneemt aan de vergaderingen. Zoals in het verslag van het FSC van 5 maart jl. is aangegeven, was bij dit overleg ook een expert van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanwezig voor het gedeelte van de bespreking over de Nederlandse huizenmarkt.2
Welke dialoog is hierbij gaande over dit standpunt en is er overeenstemming met het FSC over de betreffende maatregelen in het ontwerpklimaatakkoord? Zo nee, welke gevolgen heeft dat dan?
In het ontwerpKlimaatakkoord zijn maatregelen opgenomen ten behoeve van de financiering van de verduurzaming van woningen van particuliere eigenaren. Het is belangrijk dat alle woningeigenaren in staat zijn hun woning te verduurzamen. Daarom is het van belang dat er een breed palet aan toegankelijke en verantwoorde financieringsmogelijkheden beschikbaar is voor alle doelgroepen zodat zij afhankelijk van hun persoonlijke situatie en wensen hun woning kunnen verduurzamen. In het ontwerpKlimaatakkoord is afgesproken dat voor 2022 het Burgerlijk Wetboek zal worden aangepast om gebouwgebonden financiering mogelijk te maken. Dit wetsvoorstel is in voorbereiding.
Met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) wordt regelmatig gesproken over de financiering van verduurzaming van woningen door particuliere woningeigenaren en de maatregelen uit het ontwerpklimaatakkoord. AFM en DNB uiten in die gesprekken hun zorgen over kredietrisico’s voor woningeigenaren. Zij wijzen op de risico’s van een hogere schuldenlast van huishoudens. Daarnaast wijzen zij op mogelijke onderbenutting van bestaande hypothecaire financieringsmogelijkheden voor verduurzaming en hebben zij vragen bij het nut en de noodzaak van aanvullende financieringsmogelijkheden. Juist bij deze nieuwe mogelijkheden zien zij een risico op overkreditering.
Ik ben het eens met de toezichthouders dat overkreditering van consumenten moet worden voorkomen. Voor alle financieringsmogelijkheden (hypothecair krediet of consumptief krediet) geldt dat de financiële positie van de consument in kaart dient te worden gebracht om te kunnen beoordelen of een krediet verantwoord is voor de consument. Ook deel ik de mening van de toezichthouders dat het voor de financiering van energiebesparende maatregelen van belang is dat de verwachte besparing op de energiekosten daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Wat het kabinet betreft zijn dit belangrijke randvoorwaarden bij de nadere uitwerking van nieuwe financieringsmogelijkheden. Het kabinet betrekt AFM en DNB graag bij deze nadere uitwerking.
Heeft u kennisgenomen van de zinssnede in de doorrekening van het klimaatakkoord: «Het is onzeker of iedereen kan financieren met een looptijd van 30 jaar. Gezien de bezwaren van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is het onzeker of de Gebouw Gebonden Financiering (GGF) er in de voorgestelde vorm komt.» (blz. 76 van de doorrekening van het ontwerp klimaatakkoord van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)) en hoe leest u deze uitspraak?
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Zowel in het Regeerakkoord als in het ontwerpKlimaatakkoord is aangegeven dat gebouwgebonden financiering voor de verduurzaming van woningen door particulieren nader zal worden uitgewerkt. De verwachting is dat gebouwgebonden financiering voor bepaalde woningeigenaren in een behoefte kan voorzien. Daarom werk ik aan een wetsvoorstel waarmee het Burgerlijk Wetboek gewijzigd wordt om deze gebouwgebonden financiering mogelijk te maken. De financiële sector heeft in het ontwerpKlimaatakkoord aangegeven aantrekkelijke gebouwgebonden financieringsproducten te zullen ontwikkelen die ook zonder fiscale facilitering voldoende aantrekkelijk zijn voor woningeigenaren. Aangezien het kredieten betreft zullen normen voor kredietverlening van toepassing zijn. Ook bij gebouwgebonden financiering dient kredietverlening verantwoord te zijn.
Kunt u aangeven welke brieven, mails en andere signalen van de DNB en de AFM over de gebouwgebonden financiering (GGF) geschreven/afgegeven zijn en kunt u die aan de Kamer doen toekomen?
Zowel AFM als DNB hebben in diverse overleggen hun zorgen geuit over gebouwgebonden financiering. Hierover zijn voor zover mij bekend geen separate brieven of mails gestuurd door de AFM en DNB. In een overleg met de Minister van Financiën van 4 februari jl. hebben AFM en DNB hun standpunt over gebouwgebonden financiering ook onder de aandacht gebracht.
Kunt u aangeven op welke wijze financieringsnormen gehanteerd worden bij de pilotprojecten om individuele verduurzamingsmaatregelen via baatbelasting (gemeente Bergen en Dalfsen) verantwoord te financieren?
Het is afhankelijk van de vormgeving en kenmerken van de pilotprojecten welk wettelijk kader van toepassing is op de financiering van duurzaamheids-investeringen die worden gedaan. Indien sprake is van een krediet in de zin van de Wet op het financieel toezicht dient te worden voldaan aan de vereisten voor verantwoorde kredietverlening en dient een kredietwaardigheidstoets te worden uitgevoerd.
Kunt u aangeven op welke wijze het financieel toezicht plaatsvindt op deze pilots (o.a. hoe wordt voldaan aan de zorgplicht zoals banken die ook kennen)?
Ook hier geldt dat het afhankelijk is van de vormgeving en kenmerken van de pilot. Indien sprake is van een financieel product in de zin van Wet op het financieel toezicht (Wft) dient de aanbieder van het financieel product te voldoen aan de wet en regelgeving omtrent verantwoorde kredietverlening inclusief de zorgplicht. De AFM houdt toezicht op de naleving van de Wft, partijen kunnen in overleg treden met de AFM over de vraag hoe hun pilot zich verhoudt tot de Wft. Het is de verantwoordelijkheid van de aanbieder van een financieel product om aan de Wft te voldoen.
Kunt u een indicatie geven hoeveel kosten gemaakt dienen te worden om de hele Nederlandse woningvoorraad aardgasvrij te maken? Hoeveel GGF zou hiervoor nodig zijn? En hoeveel subsidie is daarvoor nodig? Kunt u hierbij 95% betrouwbaarheidsintervallen geven?
Een indicatie van de kosten voor het aardgasvrij maken van de gehele Nederlandse woningvoorraad kan nog niet worden gegeven. Deze kosten zijn sterk afhankelijk van de alternatieve warmtevoorziening die per wijk zal worden gekozen. Gemeenten stellen hiertoe warmtetransitieplannen op. Zij worden daarbij ondersteund met een leidraad die inzichtelijk maakt welke alternatieve warmtevoorzieningen per wijk de laagste maatschappelijke kosten met zich mee brengen. Omdat de totale kosten niet bekend zijn, is ook de financieringsbehoefte (via gebouwgebonden financiering en/of andere financieringsinstrumenten) of de mate waarin subsidies nodig zijn niet inzichtelijk.
Heeft u gezien dat prof. Kramer in zijn review, die hij op verzoek van het PBL over de doorrekening van het ontwerpklimaatakkoord schreef, opmerkt: «Ik denk dat het PBL er goed aan doet om de achtergronddocumenten te publiceren. We hebben de stukken voor Gebouwde Omgeving, Landbouw en Industrie gezien, maar niet die van Mobiliteit en Elektriciteit. Het karakter van het Industrie-document was schetsmatig van opzet.»?
Ja.
Waarom hebben de reviewers de achtergronddocumenten (lees: de berekeningen) van mobiliteit en elektriciteit niet gekregen?
Het PBL heeft de hoogleraren gevraagd de concept-analyse van 28 februari en achtergrond-documentatie voor zover deze op dat moment beschikbaar was te reviewen. De concepten van de achtergronddocumenten Mobiliteit en Elektriciteit waren nog niet geschreven. De reden daarvoor is dat ook het PBL qua personele capaciteit begrensd is in de mogelijkheden om binnen de beschikbare tijd het onderzoek uit te voeren en dergelijke rapporten en achtergrondrapporten gereed te maken voor review.
Hoe konden de reviewers een review doen zonder deze achtergronddocumenten, waardoor zij geen enkel inzicht hadden in de berekeningen?
Het is niet juist om te stellen dat de hoogleraren geen enkel inzicht zouden hebben gehad in de methodiek. Voor drie sectoren waren immers, naast het hoofdrapport zelf, concepten van achtergronddocumenten beschikbaar. Voor de sectoren Elektriciteit en Mobiliteit was dat niet het geval, maar de methodiek bij deze sectoren was op hoofdlijnen gelijk aan die zoals toegepast bij de analyse van het voorstel voor hoofdlijnen van het Klimaatakkoord. Eén van de hoofdlijnen van het commentaar van de hoogleraren, zoals weergegeven door PBL in zijn publicatie, was dat «zolang achtergronddocumenten niet beschikbaar zijn het niet altijd mogelijk [is] om alle uitgangspunten te controleren. Het is belangrijk deze te publiceren en essentiële informatie eruit in het hoofddocument op te nemen.» PBL heeft deze aanbeveling opgevolgd. Drie achtergronddocumenten, waaronder Elektriciteit, zijn inmiddels op de website gepubliceerd. PBL werkt momenteel nog aan de achtergronddocumenten voor de sectoren Mobiliteit en Industrie.
Bent u bereid om het PBL te vragen twee experts te vragen om alsnog een review te doen van het hoofdstuk mobiliteit nadat zij kennis hebben kunnen nemen van alle achtergronddocumenten?
De inschakeling van reviewers maakt onderdeel uit van de eigen processen om de kwaliteit van publicaties van het PBL te borgen. Het PBL heeft de input van de reviewers dan ook benut om het rapport definitief af te ronden. Het PBL werkt voortdurend aan het verbeteren van hun modellen op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten.
Waarom heeft het planbureau de opmerking dat zij simpelweg de stukken niet ter beschikking stelde, niet in de samenvatting van de commentaren opgenomen?
Het PBL heeft alle beschikbare stukken ter beschikking gesteld. Er is dus geen sprake van het niet ter beschikking stellen van stukken.
Kunt u de suggestie van prof. Kramer uitvoeren, namelijk openbaarmaking van de achtergronddocumenten op de website van het PBL of door verzending van deze documenten naar de Kamer?
Het is aan PBL om de achtergronddocumenten openbaar te maken. Inmiddels heeft PBL dat voor drie sectoren, waaronder Elektriciteit, gedaan. De resterende twee achtergronddocumenten worden op een later moment door het PBL gepubliceerd.
Heeft het PBL de regering wel alle achtergronddocumenten ter beschikking gesteld? Zijn er achtergronddocumenten die de regering niet ter beschikking heeft?
Het kabinet beschikt niet over achtergronddocumenten die niet openbaar zijn gemaakt.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen 10 dagen beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Afghaanse tolken die Nederlanders hielpen onder vuur’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over Afghaanse tolken, die voor Defensie hebben gewerkt en nu worden opgejaagd en vermoord door de Taliban en aanhangers van ISIS?1
Ja.
Klopt het dat er tussen 2006 en 2010 in totaal 102 Afghaanse tolken zijn ingezet door Defensie in Afghanistan? Zo nee, hoeveel Afghaanse tolken zijn door Defensie ingezet in Afghanistan?
Bij benadering is tijdens de Nederlandse missies in Afghanistan sinds 2002 gebruik gemaakt van 70 Nederlandse tolken en meer dan 200 lokale tolken.
Klopt het dat tolken, die in dienst van Defensie hebben gewerkt, in Afghanistan opgejaagd en vermoord worden door de Taliban en aanhangers van ISIS?
In het algemeen geldt dat iedereen die in Afghanistan voor een tegenstander van de Taliban of van IS(IS) heeft gewerkt, zich in een kwetsbare positie kan bevinden. De mate waarin individuele tolken te maken hebben met deze dreigingen is niet bekend. Of tolken te maken hebben met bedreigingen als gevolg van werkzaamheden voor de Nederlandse militaire missie blijkt moeilijk vast te stellen. Op 1 maart jl. heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken een algemeen ambtsbericht over Afghanistan uitgestuurd, waarin onder meer wordt ingegaan op de positie van specifieke groepen zoals tolken. In dit ambtsbericht2 wordt verwezen naar berichten uit internationale media die een soortgelijke dreiging voor tolken beschrijven.
Waar kunnen Afghaanse tolken, die door eerdere werkzaamheden voor Nederland in direct en persoonlijk gevaar zijn, een verzoek om asielbescherming indienen? Op welke gronden wordt hun asielaanvraag in behandeling genomen en beoordeeld? Kunt u dit proces toelichten?
Mensen die met gevaar voor eigen leven voor ons hebben gewerkt verdienen onze aandacht en zorg. De overheid heeft daarom afspraken gemaakt over de behandeling van individuele verzoeken om asielbescherming van lokale Afghaanse tolken. De hierbij gehanteerde werkwijze heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 22 september 2014 beschreven in zijn antwoorden op Kamervragen over het bericht «Nederland weigert eigen tolk asiel», Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2014–2015, nr. 60. Deze werkwijze is nog steeds van kracht. In elk afzonderlijk geval wordt bezien in hoeverre er sprake is van directe persoonlijke dreiging als gevolg van de eerdere werkzaamheden voor de Nederlandse missie. De IND kan op basis hiervan besluiten om een beschermingsverzoek in behandeling te nemen. Bij een positief besluit krijgt de aanvrager een zogenaamd D-visum om naar Nederland te reizen en hier een asielverzoek in te kunnen dienen.
Tot de doelgroep behoren lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en die als gevolg hiervan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Hierbij wordt opgemerkt dat de aard van de werkzaamheden van invloed kan zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt het risico hoger geacht bij «hoog profiel werkzaamheden» waarbij verzoeker zichtbaar en regelmatig met een Nederlandse missie in verband is gebracht zoals bij tolk- en chauffeursdiensten.
Elk beschermingsverzoek wordt individueel beoordeeld. De juridische relatie van verzoeker met de militaire missie is leidend, maar niet in alle gevallen bepalend. Zo zullen lokale medewerkers die zijn ingehuurd door een andere autoriteit (bijvoorbeeld NAVO of VN of door een ander land), maar primair voor de Nederlandse militaire missie worden of zijn ingezet, bij een verzoek voor bescherming in eerste instantie worden verwezen naar deze autoriteiten. Wanneer deze autoriteiten het beschermingsverzoek niet in behandeling nemen zal Nederland het verzoek beoordelen.
Alle verzoeken die bij Buitenlandse Zaken via het postennetwerk of bij Defensie via de militaire missieleiding, of eventueel op andere wijze binnenkomen, worden door het ontvangend departement geregistreerd en zo snel mogelijk op ambtelijk niveau gedeeld met de betrokken Ministeries (Justitie en Veiligheid, Buitenlandse Zaken en Defensie). Defensie3 geeft vervolgens uitsluitsel of verzoeker heeft gewerkt voor de Nederlandse missie en welke juridische relatie hierbij van toepassing was. Tevens worden aard, tijd en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden gecontroleerd. Indien de verzoeker voor een Nederlandse militaire missie heeft gewerkt, wordt door zorg van Buitenlandse Zaken aan hem/haar een gestandaardiseerde, in samenspraak met de IND opgestelde vragenlijst voorgelegd. De antwoorden worden betrokken bij de latere boordeling van het beschermingsverzoek door de IND.
Buitenlandse Zaken toetst de geclaimde persoonlijke gevaarzetting aan de hand van de bekende algemene dreigingsinschatting voor lokaal (militair) missiepersoneel en stelt in overleg met Defensie een positief of negatief advies op. Beschermingsverzoeken die van voldoende substantie worden geacht, worden per brief voorgelegd aan de hoofddirecteur van de IND in afschrift aan de directeur Migratiebeleid van Justitie en Veiligheid. Elk door Buitenlandse Zaken en Defensie voorgedragen beschermingsverzoek wordt door de IND voorzien van een advies en voorgelegd aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Indien een beschermingsverzoek positief wordt beoordeeld, machtigt de IND de Nederlandse ambassade in Kabul tot verstrekking van een inreisvisum. De verzoeker kan na aankomst in Nederland een asielaanvraag indienen volgens de daarvoor geldende procedure. De verzoeker dient in beginsel zelf voor een geldig reis- en identiteitsdocument te zorgen als voorwaarde om in te kunnen reizen. De daadwerkelijke overbrenging van de verzoeker naar Nederland en de hiermee gemoeide kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie waarvoor de verzoeker de werkzaamheden heeft verricht. Na aankomst in Nederland wordt het reguliere asielproces gevolgd.
Is er een (asiel)regeling voor Afghaanse tolken die door Defensie zijn ingezet? Zo ja, per wanneer bestaat de regeling en kunt u de regeling nader toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u verduidelijken hoe en op welke wijze de Afghaanse tolken zijn geïnformeerd over een mogelijke (asiel)regeling?
Nederland heeft grote waardering voor het werk dat Afghaanse tolken hebben verricht. De samenwerking en de verstandhouding met deze tolken zijn altijd goed geweest. Vanaf het moment dat duidelijk werd dat er een einde zou komen aan een Nederlandse missie in Afghanistan zijn alle partners en betrokkenen hiervan zo snel mogelijk op de hoogte gesteld. Dat geldt ook voor de tolken, waarbij is toegezegd dat Nederland zich zou inzetten voor werkbehoud van de tolken (zie beantwoording vragen van de VVD aan de Ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken over de moeilijke positie van Afghaanse tolken die actief zijn geweest voor de Task Force Uruzgan, Aanhangsel Handelingen vergaderjaar 2009–2010 nr. 3130, 18 augustus 2010). Zo zijn met de beëindiging van de Nederlandse missie in Uruzgan veel tolken door de NAVO weer ingezet ten behoeve van Australië dat langer aanwezig bleef in de provincie Uruzgan. De Afghaanse tolken waarvan Nederland tijdens de Kunduz-missie gebruik maakte, werkten op Duits contract. Duitsland heeft tegenover Nederland bevestigd verantwoordelijk te zijn voor de bescherming van personeel met een Duits contract.
Zoals eerder gemeld, is er geen sprake van een speciale (asiel)regeling voor Afghanen die destijds voor ons hebben gewerkt.
Kan het zijn dat Afghaanse tolken, die door Defensie zijn ingezet, geen weet hebben van een mogelijke (asiel)regeling? Zo ja, hoe bent u van plan deze mensen te informeren?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat tolken, die met gevaar voor eigen leven hebben bijgedragen aan de veiligheid van onze militairen en het succes van Nederlandse militaire missies, steun en bescherming van Defensie verdienen?
Ja, indien lokaal personeel in gevaar komt omdat zij voor Nederland werken of werkzaamheden hebben verricht, kunnen zij op steun rekenen. Tolken die alsnog een beschermingsverzoek willen indienen bij Nederland dienen zich daartoe tot de Nederlandse ambassade in Kabul te wenden.
Mede op mijn voordracht zijn (en kunnen) desgevraagd inreisvisa aan tolken (worden) verstrekt, zodat zij na aankomst in Nederland een asielprocedure kunnen starten. Bij een voordracht zoek ik telkens naar een juiste balans tussen snelheid en zorgvuldigheid. Indien nodig aarzel ik overigens niet om praktische en logistieke zaken voor de tolk (en gezin) te organiseren. Uit het oogpunt van veiligheid en de privacy van betrokkenen kan ik echter geen verdere mededelingen doen.
Bent u bereid om invulling te gegeven aan de verantwoordelijkheid die Defensie heeft jegens mensen die enige tijd voor Defensie hebben gewerkt? Zo ja, kunt u het beleid hieromtrent voor Afghaanse tolken toelichten? Zo nee, waarom niet?
Naast Nederlandse tolken en vertalers wordt de behoefte ook ingevuld aan de hand van lokale inhuur via een tussenpersoon. Daarvoor zijn de volgende mogelijkheden:
Zoals eind 2014 aan uw Kamer is gemeld (Inzet tolken bij Defensie, Kamerstuk 34 000 X, nr. 7, 1 oktober 2014 met als bijlage een overzicht van regelingen voor tolken per land), geldt bij elke vorm van tussenpersonen dat het lokaal personeel (naast tolken en vertalers dus ook personeel voor taken als beveiliging, transport, schoonmaak, wasserij, enz.) niet in dienst van de Nederlandse overheid is, maar van de tussenpersoon. De primaire verantwoordelijkheid voor personeelszorg ligt in dat geval bij die tussenpersoon. Defensie is uiteraard wel verantwoordelijk binnen de beperkingen die de situatie tijdens inzet met zich meebrengt, voor een zo veilig mogelijke werkomgeving.
Als lokaal personeel in gevaar komt omdat zij voor Nederland werken of werkzaamheden hebben verricht, kunnen zij op steun rekenen. De tussenpersoon heeft hierbij allereerst een verantwoordelijkheid. Defensie ziet er op toe dat de tussenpersoon zijn verantwoordelijkheden als werkgever richting de tolken en vertalers in zijn dienst op behoorlijke wijze invult. Indien een lid van het lokale personeel dreiging ervaart kan diegene een beroep doen op asielbescherming.
De verantwoordelijkheid voor asielbescherming is wettelijk geregeld. Dit betekent een individuele beoordeling of er sprake is van vrees voor een van de gronden van het VN-Vluchtelingenverdrag dan wel een risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Potentiële risico’s zonder deze te concretiseren in een persoonlijk asielrelaas, zijn niet voldoende voor een asielvergunning. Het enkel stellen dat iemand heeft getolkt voor Nederland, zonder dat daarbij wordt betrokken hoe lang, wanneer en waar, kan ook niet leiden tot een asielvergunning. Daar is het individuele asielrelaas voor nodig.
Zorginstellingen die ten onterechte kosten in rekening brengen voor het opbaren van overledenen |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat vindt u ervan dat verzorgings- en verpleeghuizen regelmatig extra kosten in rekening brengen aan nabestaanden als een overleden bewoner in zijn of haar kamer wordt opgebaard, terwijl deze zorginstellingen voor de huur van de kamer geld ontvangen van het zorgkantoor?1
Wanneer iemand komt te overlijden wordt de kamer van de overledene als «leeg» aangemerkt, omdat er geen zorg meer wordt verleend. De zorgaanbieder kan een leegstandsvergoeding declareren bij het zorgkantoor voor maximaal 13 dagen. Dat zijn de mutatiedagen. De vergoeding ligt doorgaans tussen 80 en 100 euro per dag. Deze werkwijze is in meer uitgebreide vorm vastgelegd in de beleidsregel van de NZa2. Hier is brede afstemming met veldpartijen aan vooraf gegaan. Het is dan ook de bedoeling dat deze werkwijze in de praktijk wordt toegepast.
Wanneer de zorgaanbieder kosten voor de kamer in rekening brengt bij de nabestaanden, is dat niet terecht. Mensen kunnen te allen tijde een melding doen bij de NZa, wanneer zij ervaren dat deze beleidsregel niet wordt nagekomen.
In de praktijk blijkt regelmatig dat nabestaanden nog enige tijd over de kamer willen beschikken om de overledene op te baren en waardig afscheid te nemen. Echter, de kosten voor het opbaren van de overledene komen voor rekening van de nabestaanden. Deze kosten vallen niet onder de Wet Marktordening Gezondheidszorg (Wmg) en worden niet gereguleerd door de NZa.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat uitvaartondernemingen aangeven deze praktijken vaak tegen te komen? Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 1, vallen de kosten voor het opbaren van een overledene niet onder de Wmg en worden deze niet gereguleerd door de NZa. De kosten van opbaren kunnen door de zorgaanbieder in rekening gebracht worden bij de nabestaanden of de uitvaartverzekeraar.
Dat over dit onderwerp Kamervragen gesteld worden is mijns inziens een bevestiging van het feit dat zorgaanbieders niet altijd vooraf duidelijk communiceren met de nabestaanden wat de spelregels zijn. Dat is jammer, want discussie achteraf over de afhandeling van de kosten leidt tot frustratie. Ik zie echter geen aanleiding om een onderzoek te starten naar de mate waarin dit fenomeen zich voordoet, ook omdat dit administratieve lasten met zich meebrengt. Wel zal ik branchevereniging ActiZ vragen dit onderwerp via zijn communicatiekanalen bij de leden onder de aandacht te brengen.
Deelt u de mening dat deze praktijken verboden moet worden? Bent u bereid deze belangrijke laatste zorg op te nemen in de Wet martktordening gezondheidszorg (Wmg), zodat dit gereguleerd kan worden door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Zo ja, op welk termijn? Zo neen, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding deze praktijk te gaan verbieden. Eveneens zie ik geen reden de NZa te vragen beleidsregels te gaan ontwikkelen voor het reguleren van de kosten voor het opbaren van een overledene. Wel vind ik dat zorgaanbieders er goed aan doen de communicatie richting nabestaanden te verbeteren op dit punt, teneinde frustratie over de kostenafwikkeling te voorkomen. Ik zal branchevereniging ActiZ vragen via zijn communicatiekanalen aandacht te besteden aan dit onderwerp.
Bent u bekend met de regeling dat zorginstellingen na overlijden van een bewoner een vergoeding voor 13 dagen ontvangen om een de kamer geschikt te maken voor een nieuwe bewoner? Ervan uitgaande dat als een bewoner opgebaard wordt in de eigen kamer, de kamer ook als leeg achtergelaten geldt; bent u bereid te kijken naar de versoepeling van deze regeling, zodat de kamer niet als leeg geldt als een bewoner opgebaard wordt en iets meer ruimte geboden wordt aan nabestaanden om de Kamer te ontruimen? Zo neen, waarom niet?2
De zorgaanbieder krijgt een leegstandsvergoeding voor het ter beschikking stellen van de kamer. Dat is gereguleerd via de mutatiedagen, met een maximum van 13 dagen. De zorgaanbieder mag dus geen kosten voor de kamer in rekening brengen bij de nabestaanden. Dat geldt echter wel voor kosten voor het opbaren van de overledene. Hier geldt dat zorgaanbieders er goed aan doen om dat vooraf goed te bespreken met de nabestaanden. Ik zie geen aanleiding bestaande beleidsregels aan te passen.
Ontvangt u ook meldingen dat zorginstellingen familieleden verplichten om na overlijden de kamer zo snel mogelijk leeg te ruimen? Bent u bereid te kijken naar de 13 dagen regeling, zodat nabestaanden meer tijd krijgen om de kamer leeg te maken na de uitvaart? Zo neen, waarom niet?
Ik heb geen signalen ontvangen over situaties waarin de nabestaanden onder druk gezet worden om de kamer na de uitvaart te ontruimen. Daar leid ik uit af dat zorgaanbieders de termijn van 13 dagen voldoende respecteren en nabestaanden doorgaans voldoende gelegenheid hebben om de kamer leeg op te leveren. Ook op dit punt zie ik geen aanleiding om de 13 dagen termijn te verruimen.
Er zijn regio’s waar schaarste is aan capaciteit, waardoor zorgaanbieders druk voelen om de kamer weer beschikbaar te stellen aan een nieuwe cliënt. Dat is ook in het belang van de cliënten die zorg nodig hebben en op zoek zijn naar een geschikte plaats. Normaliter wordt dit geregeld in goed overleg.
Het kweken van medicinale wiet in het Westland |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Westland wil cannabis gaan kweken»?1
Ja hiervan heb ik kennisgenomen.
Hoe beoordeelt u de situatie dat landen, zoals Canada en bepaalde staten in de Verenigde Staten, waar recreatief gebruik van cannabis is gereguleerd, volop gebruik maken van kennis en vaardigheden van Nederlandse kwekers? Begrijpt u de klacht van de tuinders dat «het buitenland» er met de Nederlandse kennis vandoor gaat, die deze tuinders niet hier in Nederland te gelde kunnen maken?
Het is goed te horen dat de ontwikkelingen in Canada en de VS leiden tot een toename in een beroep op de expertise van Nederlandse tuinders en toeleveranciers van materialen. Het Enkelvoudig Verdrag inzake Verdovende Middelen van 1961 stelt dat indien een land de teelt van cannabis voor medicinale doeleinden toelaat er een nationaal bureau moet zijn die alle oogsten opkoopt en het alleenrecht heeft op verkoop. Met het Bureau medicinale cannabis (BMC) houdt Nederland zich aan dit verdrag. Middels een Europese aanbesteding wordt een teler gecontracteerd, het staat alle bedrijven die aan de eisen voldoen vrij zich hiervoor in te schrijven.
Wat is er precies aan de orde geweest in het gesprek dat deze tuinders hadden over het kweken van medicinale cannabis met de Minister-President? Wat was de uitkomst van dit gesprek?
Er zijn naar aanleiding van een benefietactie drie ondernemers langs geweest bij de Minister-President. Deze ondernemers zijn verwelkomd en hebben de gelegenheid gebruikt om te laten weten welke onderwerpen hen bezighouden.
Gelet op de aard van het gesprek heeft de Minister-President kennisgenomen van de gedachten van de ondernemers en geen toezeggingen gedaan.
Welke regels knellen of belemmeren grootschalige productie van medicinale cannabis door meerdere aanbieders voor de export?
Er zijn interne beleidsregels opgesteld die een limiet stellen aan de export van medicinale cannabis. Wij exporteren maximaal 100 kilo per jaar per land. Wil een land meer dan 100 kilo importeren dan moet hiervoor een formeel verzoek komen van de autoriteiten. Tevens exporteren wij maar een gelimiteerde periode meer dan 100 kilo per jaar. Wij verwachten van landen die zo’n grote hoeveelheid medicinale cannabis nodig hebben dat zij zelfvoorzienend worden en een eigen teeltlocatie inrichten. Het BMC kan op verzoek landen hierbij adviseren en toelichting geven op het Nederlandse model en de wet- en regelgeving. O.a. Duitsland en Denemarken hebben hier gebruik van gemaakt.
Bent u bereid de mogelijkheid te verkennen om medicinale cannabis (onder strikte voorwaarden en mits zij aan strikte eisen voldoen, zoals dat ook bij andere geneesmiddelen het geval is) te laten kweken door meerdere aanbieders? Zo nee, waarom niet? Waarom kiest u in deze niet voor een gelijk speelveld?
Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de Europese aanbesteding voor een teler van medicinale cannabis. De intentie is om twee partijen te contracteren.
Berichten dat een directeur ruim €1,5 miljoen aan zorggeld heeft vergokt |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wilt u reageren op het bericht dat de directeur van het Almelose zorgbureau Victorie in de afgelopen 5 jaar, ruim € 1.5 miljoen euro aan zorggeld heeft vergokt in casino’s in Nederland en in Las Vegas?1 2 3 4
Er zijn personen die willens en wetens misbruik maken van zorggelden. Dit dupeert patiënten en de belastingbetaler en zet de solidariteit en betaalbaarheid van het stelsel onder druk; het ondermijnt het draagvlak van ons zorgstelsel. Geld voor de zorg moet besteed worden aan zorg en aan niets anders.
Wilt u reageren op bevindingen van de sociale recherche die naast mogelijke zorgfraude in haar onderzoek ook stuitte op gewelddadige incidenten die in de doofpot verdwenen? Wilt u daarnaast reageren op de bevindingen dat de veiligheid van de bewoners in het geding was? Wat vindt u ervan dat bij de instelling medewerkers niet beschikten over de juiste diploma’s en BIG-registratie en dat de directeur mogelijk sjoemelde met vastgoed? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het OM heeft de zaak in onderzoek. Gezien de vertrouwelijkheid van het onderzoek, kan ik over de inhoud en het verloop ervan geen uitlatingen doen. De verantwoordelijkheid voor het terughalen van de 1,5 miljoen euro aan zorggeld ligt bij de gemeente Almelo. De gemeente Almelo heeft aangifte gedaan van zorgfraude en bekijkt de juridische mogelijkheden om tot terugvordering over te gaan van de 1,5 miljoen euro aan zorggeld. Ik heb alle vertrouwen in de aanpak van de gemeente Almelo waarbij zowel de subsidieaanvraag 2019 van Victorie afgewezen is als aangifte te doen van zorgfraude en de juridische mogelijkheden om tot terugvordering over te gaan.
Met betrekking tot uw vraag over medewerkers die niet beschikten over de juiste diploma’s en BIG-registratie, kan ik melden dat de inspectie in 2015 op bezoek is geweest bij Victorie. De inspectie heeft de organisatie getoetst op basis van vijftien randvoorwaarden; de inzet van deskundig personeel is één van deze randvoorwaarden. De inspectie concludeerde dat de organisatie de genoemde randvoorwaarden voor veilige en verantwoorde zorg heeft beschreven en geïmplementeerd. Hieruit is niet gebleken dat er handelingen werden verricht door medewerkers die hier niet toe bevoegd waren. De inspectie heeft geen signalen ontvangen via het Meldpunt of het Landelijk Meldpunt Zorg over de kwaliteit en veiligheid van zorg. Hierom was er geen aanleiding voor de inspectie om verdere actie te ondernemen. Naar aanleiding van de huidige berichtgeving is evident aanleiding voor de inspectie om de zaak nader te onderzoeken; de deskundigheid van het personeel zal hierbij een aandachtpunt zijn. De inspectie onderhoudt hierover contact met de Wmo Toezichthouder en het zorgkantoor.
Hoe kan het dat de gemeenten Almelo en Hof van Twente niet meer wilden samenwerken met zorgbureau Victorie, maar de directeur wel een nieuw contract in de wacht sleepte met de organisatie Samen14,om zo met Twentse gemeenten samen te werken op het gebied van zorg en jeugdzorg? Wat is hier mis gegaan? Hoe heeft deze directeur alsnog een nieuw contract kunnen krijgen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor het selecteren van de zorgbureaus ligt bij de gemeenten. De gemeenten Almelo en Hof van Twente hebben niet mee gedaan aan het inkoopmodel dat de overige twaalf gemeenten hebben ingevoerd voor de inkoop 2019. Gemeenten Almelo en Hof van Twente hebben toelatingscriteria ontwikkeld die ertoe hebben geleid dat veel zorgbureaus geen nieuw contract hebben gekregen of krijgen, zoals dat bij Victorie het geval was. Bij de aanbestedingsprocedure inkoop ondersteuning Jeugdwet en Wmo in oktober 2018 heeft Victorie geen contract gekregen. Ik wil hier benadrukken dat er sprake was van twee verschillende aanbestedingsprocedures die elk op een andere manier ingericht zijn. De gemeente Almelo en Hof van Twente hanteerden de Europese aanbestedingsprocedure en Samen12 een open-house procedure. Doordat gemeente Almelo en Hof van Twente gebonden zijn aan de regels van het Europees aanbestedingsrecht mogen en kunnen zij met betrekking tot de inkoop vooraf bij een aanbesteding geen gegevens delen met andere partijen. Dit ligt vast in de regels van het (Europees) aanbestedingsrecht. Andere gemeenten mogen dus inhoudelijk niet geïnformeerd worden over de reden waarom een contract niet gegund is aan een aanbieder. Na de melding over de misstanden bij Victorie is direct door de gemeente Almelo actie ondernomen. Het versneld en diepgaander onderzoek dat in opdracht van de gemeente eind augustus 2018 is uitgevoerd door de Sociale Recherche Twente, laat zien dat activiteiten waarvoor de subsidie verleend werd over de periode 2016, 2017 en 2018, in het geheel of deels niet hebben plaatsgevonden. Ook werd het geld niet besteed aan de daarvoor bestemde doeleinden: zorg. Geld voor de zorg moet besteed worden aan zorg en aan niets anders. Er is geen aanleiding om naast de lopende onderzoeken, extra onderzoek te laten verrichten naar de misstanden bij Victorie. De sociale recherche heeft een diepgaand onderzoek verricht. De onderzoeksgegevens zijn door de gemeente Almelo gedeeld met OZJT, waarbinnen veertien Twentse gemeenten samenwerken op het gebied van zorg en jeugdhulp. Daarnaast ontvingen de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie en zorgkantoor Menzis de bevindingen van de Sociale Recherche Twente. Ook is bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ) een melding gemaakt en heeft het OM de zaak in onderzoek. Dit geeft mij vertrouwen in de aanpak van de betrokken partijen.
Wat is uw reflectie op de toezichtsrol van de betrokken gemeenten, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd en van het zorgkantoor? Wanneer hadden zij de eerste vermoedens van misstanden en kunt u aangeven waarom pas zo laat deze misstanden zijn aangetoond? Kunt u een tijdspad opstellen met daarin hoe en wanneer deze toezichthoudende organisaties gehandeld hebben in deze situatie? Zo neen, waarom niet?
Ondanks de inzet van uiteenlopende en gerichte maatregelen om fraude met het PGB te voorkomen en aan te pakken, slagen hardnekkige fraudeurs erin misbruik te maken van zorggelden. De afgelopen jaren zijn tal van maatregelen ingezet, zoals de introductie van bewust keuze gesprekken, huisbezoeken, keukentafel-gesprekken, ondersteuning van de budgethouder in de vorm van het trekkingsrecht en het versterken van de opsporingsfunctie.
Misbruik van zorggelden dupeert patiënten, verzekerden en de belastingbetaler en zet de solidariteit en betaalbaarheid van het stelsel onder druk. Daarom heb ik ervoor gekozen om in de agenda PGB en in het programmaplan rechtmatige zorg een aparte actielijn voor het bestrijden van PGB-fraude op te nemen. PGB-fraude wordt aangepakt langs meerdere sporen, zoals:
Specifiek in deze casus, hebben de gemeente en het zorgkantoor er alles aan gedaan om -binnen de juridische mogelijkheden- misbruik met zorggelden te voorkomen, waaronder aan de voorkant strengere selectiecriteria opstellen. Door regels van het Europees aanbestedingsrecht hebben de gemeenten Almelo en Hof van Twente geen gegevens gedeeld met Samen14. De gemeenten Almelo en Hof van Twente hebben vooraf de kwaliteitscriteria en de toegangsregels aangescherpt en hebben vervolgens de partijen ook daadwerkelijk voor gunning doorgespit. Vanuit handhaving hebben de gemeenten ook een bijdrage gehad door kritische factoren bloot te leggen. Door aan de voorkant sterk in te zetten op de randvoorwaarden, zijn minder inschrijvingen binnengekomen en konden ook voor de datum van 1 januari 2019 een aantal partijen worden afgewezen. Dit heeft uiteindelijk tot drie gedingen bij de rechter geleid, door partijen die het niet eens waren met de afwijzing. De keuze van de gemeenten hield stand bij de rechter.
Met betrekking tot het toezicht door de IGJ, kan ik melden dat de IGJ toezicht houdt op de kwaliteit van zorg die geleverd wordt vanuit de Wlz. De IGJ heeft deze organisatie in 2015 bezocht heeft. De getoetste randvoorwaarden waren voldoende beschreven en geïmplementeerd. De inspectie heeft geen signalen ontvangen via het Meldpunt of het Landelijk Meldpunt Zorg over de kwaliteit en veiligheid van zorg. Er was geen aanleiding voor de inspectie om verdere actie te ondernemen. Naar aanleiding van de huidige berichtgeving is de inspectie bezig met nader onderzoek. De deskundigheid van het personeel zal hierbij een aandachtpunt zijn. De inspectie onderhoudt hierover contact met de Wmo Toezichthouder en het zorgkantoor.
Denkt u dat aanvullende maatregelen nodig zijn om dergelijke wantoestanden effectiever aan te pakken en te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Zij hebben daarom ook te maken met vraagstukken rondom het voorkomen en bestrijden van fouten en fraude. In het sociale domein is sprake van een integraal beleid en integraal aanbod van hulp, zorg en ondersteuning waarin aanbieders zo veel mogelijk met elkaar samenwerken. De afspraken over de toezichthoudende taak zijn opgenomen in het afsprakenkader toezicht sociaal domein. De uitvoering van het toezicht is in handen van de Wmo toezichthouder en de IGJ. Daarnaast voert de VNG sinds september 2015 een ondersteuningsprogramma ten behoeve van gemeenten uit.
Mijn ministerie steunt en subsidieert dit initiatief. Door dit ondersteuningsprogramma wordt de kennisopbouw door gemeenten gefaciliteerd vanuit de VNG op het gebied van fraudepreventie, controle en handhaving bij de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Een concreet onderdeel van het programma is het aansluiten van gemeenten op het Informatieknooppunt Zorgfraude. Deze casus laat het belang van deze maatregel en de uitwisseling van informatie tussen betrokken partijen zien. Het wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg voorziet in een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van gegevens tussen toezichthouders en opsporingsdiensten, waaronder gemeenten en de Inspectie SZW. Daardoor kan fraude in het zorgdomein sneller en effectiever aangepakt worden, met de juiste partij die op het juiste moment ingrijpt.
Ook kunnen gemeenten gebruik maken van de netwerktekeningen van Justis. In een netwerktekening worden de onderlinge relevante relaties tussen de bevraagde natuurlijke en/of rechtspersonen en de daarbij betrokken personen en bedrijven weergegeven. Ook worden relevante faillissementen en ontbindingen opgenomen. De netwerktekening bevat, anders dan een risicomelding, geen strafrechtelijke of fiscale informatie. Gemeenten kunnen dergelijke tekeningen reeds aanvragen.
Naast het afsprakenkader toezicht sociaal domein, het Informatieknooppunt Zorgfraude en de netwerktekeningen van Justis, bestaat ook de agenda PGB, waarin de actielijn opgenomen is dat gemeenten bij PGB gefinancierde collectieve woonvormen meer handvatten krijgen om de kwaliteit en rechtmatigheid bij PGB-aanbieders te onderzoeken op het moment dat ze al zorg/ondersteuning leveren. Over de voortgang van deze en andere actielijnen zal de Kamer na de zomer worden geïnformeerd.
Zijn gemeenten volgens u voldoende toegerust om bij zorgorganisaties te controleren op goed bestuur? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe de zorg aan de bewoners van zorgorganisatie Victorie nu is geregeld?
De gemeente Almelo en het CIMOT, de centrale toegang tot maatschappelijke opvang en beschermd wonen in Twente, bespreken met de cliënten van Victorie die Wlz-zorg ontvangen of en welke vervangende zorg nodig is en welke instellingen die zorg kunnen leveren
Wilt u de Kamer op de hoogte houden over de ontwikkelingen van deze zaak? Zo neen, waarom niet?
Ja, daar waar dat kan, zal ik de Kamer op de hoogte houden van de ontwikkelingen van deze zaak.
De groeiende maatschappelijke zorgen over de plannen voor Paleis Soestdijk |
|
Joost Sneller (D66), Jessica van Eijs (D66) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Politiek Baarn schrikt van massaliteit plan Paleis Soestdijk: «We hebben Rupsje Nooitgenoeg in huis gehaald»» en «Baarn stemt niet over Paleis Soestdijk»?1 Wat is uw reactie op deze berichtgeving?
Ja, ik heb kennisgenomen van deze berichten. Voor de verkoop van Paleis Soestdijk heeft een zorgvuldige procedure plaatsgevonden. Na deze procedure is het Paleis verkocht en overgedragen aan «Made by Holland». Aangezien het om een nadere invulling van het plangebied gaat, zijn de provincie en de gemeente vanwege het publiekrechtelijke karakter het bevoegde gezag. Zie ook het antwoord op de vragen 5 tot en met 15.
Kent u de procedure-leidraad zoals gehanteerd voor de selectie van de meest geschikte herbestemmingsvoorstellen van Paleis Soestdijk?2
Bent u meer in het bijzonder op de hoogte van de daarin opgenomen selectiecriteria, waaronder de haalbaarheid en financiële gedegenheid van het herbestemmingsvoorstel?
Bent u op de hoogte van het feit dat bij de biedingsprocedure, van de drie herbestemmingsvoorstellen die aan alle kwalitatieve eisen van het Rijk, de betrokken gemeenten en de provincie voldeden, het winnende consortium «Made by Holland» destijds in haar voorstel met 65 woningen het laagste aantal te bouwen woningen had opgenomen?3
Hoe beoordeelt u in het licht van de voornoemde selectiecriteria dat het meest recente masterplan van «Made by Holland» significant meer woningen bevat en de renovatie van Paleis Soestdijk volgens de consortiumdirecteur staat of valt met een akkoord van de Baarnse gemeenteraad voor de bouw van deze 98 woningen?4
Ik beoordeel dit tegen de achtergrond van de procedureleidraad, waaraan u refereert in vraag 2. Deze leidraad vormde de kern van de verkoopprocedure voor landgoed en Paleis Soestdijk. Over het verloop van die procedure hebben de toenmalige Minister voor Wonen en Rijksdienst respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer vanaf 9 juli 2015 (Kamerstuk 34 000-XVIII, nr. 24) tot en met 3 juli 2017 (Kamerstuk 34 550-XVIII, nr. 46) op verschillende momenten schriftelijk en mondeling geïnformeerd. Over de procedureleidraad werd uw Kamer op 21 december 2015 geïnformeerd (Kamerstuk 34 300-XVIII, nr. 47). Het aantal te bouwen woningen was in de selectiecriteria geen onderscheidend element. De verkoopprocedure voorziet dat – na verkoop – de plannen voor landgoed en paleis door de eigenaar kunnen worden aangepast op basis van planoptimalisaties binnen het ingediende concept (gebruik en bestemming). In het koopcontract is voor een periode van 15 jaar na sluiten van het contract een toestemmingseis opgenomen voor wijzigingen aan het concept en voor vervreemding van (onderdelen van) het landgoed en paleis. Hierdoor is het de nieuwe eigenaar niet toegestaan om de beoogde bestemming en het gebruik zoals overeengekomen, te wijzigen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Deze toestemming kan niet op onredelijke gronden worden geweigerd. Het RVB kan de toestemming dus niet weigeren als het gewijzigde plan past binnen het concept zoals dat is opgenomen in het ingediende plan.
In lijn hiermee heeft de nieuwe eigenaar het Rijksvastgoedbedrijf gevraagd om een bevestiging dat de optimalisatie van de plannen die hij op basis van voortschrijdend inzicht voor ogen heeft, past binnen het ingediende concept. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft de gevraagde toestemming verleend omdat met die optimalisatie van de plannen het concept niet wordt aangetast.
Aangezien het om een nadere invulling van het plangebied gaat, is de beoordeling van de plannen vanwege het publiekrechtelijk karakter een verantwoordelijkheid van de gemeente en provincie.
Hoe beoordeelt u in ditzelfde licht dat het winnende consortium destijds rond de 40 hotelsuites in Paleis Soestdijk beloofde, maar dit zelf nu toch niet haalbaar acht en daarom tegenover het Paleis een geheel nieuw hotel met maar liefst 120 kamers wil bouwen?5
Made by Holland heeft in het concept een «decentraal hotelconcept» aangeboden, gebruikmakend van op het landgoed aanwezige historische gebouwen waaronder 21 kamers op de eerste verdieping van het paleis en met een concentratie van de hotelvoorzieningen in en rond de voormalige Koninklijke Stallen. Zij heeft in de nadere uitwerking van haar plannen aangegeven dat een goede inpassing van hotelkamers op de eerste verdieping van het paleis niet goed mogelijk is en ter compensatie daarvoor een aantal kamers in nieuwbouw bij de voormalige Koninklijke Stallen willen realiseren.
Is bij de beoordeling van de haalbaarheid en financiële gedegenheid van het herbestemmingsvoorstel van «Made by Holland» rekening gehouden met het feit dat het voorstel na de verkoopprocedure nog kon worden gewijzigd en uitgebreid? Zo ja, in hoeverre zijn de huidige uitbreidingsplannen destijds al voorzien en besproken?
In de verkoopprocedure is voorzien dat de plannen voor het landgoed en paleis na de verkoop kunnen worden aangepast door de nieuwe eigenaar (zie ook het antwoord op vraag 5). De huidige aanpassingen zijn destijds bij de beoordeling niet besproken.
Zijn er gedurende de biedingsprocedure of in de uiteindelijke koopovereenkomst afspraken gemaakt tussen het Rijk en het consortium over de mogelijkheid of onmogelijkheid om met een omvangrijker definitief herbestemmingsplan te komen?
Zie het antwoord op vraag 5 en vraag 9.
Hoe ruim zijn de grenzen van het oorspronkelijke concept precies, nu volgens de Rijksvastgoeddienst de «optimalisatie» binnen het oorspronkelijk concept past? Vallen de bouw van een geheel nieuw hotel en 33 extra woningen binnen de grenzen van dit concept?6
De voorgestelde aanpassingen – zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 5 – vallen binnen het oorspronkelijke concept. Leidraad voor de beoordeling van aanpassing van de plannen is het concept zoals opgenomen in het ingediende biedboek waarvan een samenvatting in bijlage 1 van het koopcontract is opgenomen. Deze samenvatting luidt:
Was met de wetenschap van de huidige uitbreidingsplannen van het consortium «Made by Holland» nog altijd voor dit voorstel gekozen?
Ja. De oorspronkelijk ingediende plannen (120 visies) zijn door middel van een uitgebreide procedure zorgvuldig beoordeeld door een externe beoordelingscommissie, onder voorzitterschap van mevrouw Sybilla Dekker. De voorzitter van de beoordelingscommissie droeg uiteindelijk drie plannen voor aan de stuurgroep, bestaande uit de directeur-generaal voor het Rijksvastgoedbedrijf als voorzitter, een gedeputeerde van de provincie Utrecht en wethouders van de gemeenten Baarn en Soest. De stuurgroep stelde vast dat de beoordelingscommissie op zorgvuldige wijze tot haar voordracht was gekomen. Daarop nodigde het Rijksvastgoedbedrijf vervolgens de drie indieners van de plannen uit om een bieding te doen. De MeyerBergman Erfgoedgroep/Made by Holland kwam daaruit naar voren als de hoogste bieder.
Zoals aangegeven gaat het nu om optimalisaties die binnen het aangeboden concept passen.
Ziet u het als een risico dat een van de andere planmakers vanwege de huidige uitbreidingsplannen van «Made by Holland» mogelijk alsnog bezwaar zal maken tegen de biedingsprocedure?
Nee. De verkoopprocedure is zorgvuldig verlopen conform nauwkeurig opgestelde regels waaraan alle partijen zich vooraf hebben geconformeerd. Na het geven van (privaatrechtelijke) toestemming voor wijzigingen aan het concept (zie het antwoord op vraag 5) heeft het Rijksvastgoedbedrijf (de Staat) hierin geen rol meer. Het gaat nu om de uitwerking van de plannen van de nieuwe eigenaar in het publiekrechtelijk kader.
Deelt u de zorgen van de inwoners en nagenoeg alle partijen in de Baarnse gemeenteraad over de verwachte overlast van evenementen, de verwachte natuurschade, de toenemende verkeer- en parkeerdruk en de beperkte bereikbaarheid van de Lage Vuursche als gevolg van dit omvangrijkere herbestemmingsplan?
Aangenomen mag worden dat het bevoegd gezag zorgvuldig voorbereide besluiten neemt en dat «Made by Holland» het landgoed en Paleis Soestdijk op basis van het eerder genoemde concept, een nieuwe betekenisvolle toekomst kan bieden die tot ver in de 21ste eeuw reikt.
Heeft u er begrip voor dat de Baarnse gemeenteraad, gezien de uitbreidingsplannen en onduidelijkheid over de precieze uitvoering daarvan, geen beslissing op het voorgestelde besluit ruimtelijk kader heeft genomen? Heeft u er tevens begrip voor dat de raad in plaats daarvan eerst een «natuurtoets« en «mobiliteitsonderzoek« wenst, opgevolgd door een allesomvattend voorontwerp bestemmingsplan?7
Hier heb ik geen opvatting over. Dat is de bevoegdheid van het gemeentelijk bestuur.
Bent u, gelet op de groeiende maatschappelijke zorgen, bereid te garanderen dat u slechts een inpassingsplan vaststelt indien geen bebouwing plaatsvindt buiten de versteende contouren zoals opgenomen in het oorspronkelijke herbestemmingsvoorstel?
Gegeven het publiekrechtelijke karakter is een dergelijke afweging aan het bevoegd gezag, in casu de provincie en de gemeente.
Deelt u de mening dat er garanties dienen te komen dat de opbrengsten van de woningen daadwerkelijk ten goede komen aan de renovatie van het Paleis en de tuin?
Een van de uitgangspunten voor de verkoopprocedure was het als één geheel benaderen van het ensemble van paleis, park en bos. Dit uitgangspunt gold ook in financiële zin. Met de opbrengsten van de ontwikkelmogelijkheden van het kazerneterrein en het voormalige Herenhuiscluster (nu de Parade) kon de renovatie en het toekomstig onderhoud van het paleis worden gefinancierd. Daarop zijn alle plannen getoetst. De directeur Paleis Soestdijk/Made by Holland heeft zelf recent in een brief aan de Gemeenteraad van Baarn nogmaals bevestigd dat de financiering van haar plan daarop is gebaseerd en dat de opbrengsten van de woningbouw dus ten goede komen aan de renovatie van het paleis.
De ereplaats voor wetsovertreders bij de viering van Koningsdag |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nationale viering van Koningsdag te Amersfoort, in het bijzonder de prominente rol die Extinction Rebellion daarin speelt?
Ik heb kennisgenomen van de nationale viering van Koningsdag in Amersfoort en de demonstratie die daar heeft plaatsgevonden van actiegroep Extinction Rebellion.
Bent u bekend met de wetsovertredingen en ordeverstoringen die een dag eerder door dezelfde organisatie te Amsterdam zijn gepleegd? Waarom krijgen deze wetsovertreders een ereplaats bij Koningsdag?
Het in goede banen leiden van demonstraties is op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) een bevoegdheid van het lokale gezag (de burgemeester). Vertrekpunt voor burgemeesters bij demonstraties moet altijd zijn dat deze doorgang vinden, het recht om te demonstreren kan uitsluitend worden ingeperkt als dat noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De overheid moet haar best doen om een demonstratie toe te staan op de plek waar demonstranten deze willen laten plaatsvinden, gelet ook op het uitgangspunt dat demonstraties moeten worden toegestaan daar waar deze door het publiek waarvoor de boodschap bedoeld is kunnen worden gehoord en gezien.
Gelet op het bovenstaande ben ik niet in de positie om verantwoording af te leggen over de wijze waarop de burgemeester met demonstraties van Extinction Rebellion omgaat. Niettemin kan ik uw Kamer over de aan de orde gestelde demonstraties wel enige feitelijke informatie verschaffen.
Ik ben ermee bekend dat Extinction Rebellion de dag voor Koningsdag gedemonstreerd heeft in Amsterdam. De gemeente Amsterdam heeft mij desgevraagd geïnformeerd dat die demonstratie enige verkeershinder veroorzaakte en aanleiding was voor enkele verkeersovertredingen (ook van autobestuurders die op de trambaan gingen rijden), waar na constatering tegen is opgetreden. Desgevraagd heeft de gemeente gemeld dat er geen sprake is geweest van het plegen van ordeverstoringen.
Uit informatie die de gemeente Amersfoort heeft verstrekt blijkt dat de politie in Amersfoort contact heeft gelegd met Extinction Rebellion, nadat informatie beschikbaar was gekomen dat deze actiegroep op Koningsdag in Amersfoort een demonstratie wilde houden. Dit was ongeveer een week voor Koningsdag. De politie en gemeente hebben meermaals contact met de actiegroep gehad in de week voor Koningsdag en met hen gesprekken gevoerd over de voorgenomen acties. Dit is een gebruikelijke werkwijze bij demonstraties.
De demonstranten wilden graag demonstreren op de plek waar zij uiteindelijk in het water zijn gesprongen. Die plek stuitte bij de gemeente Amersfoort en de politie niet op bezwaren. Tijdens de actie van de demonstranten op Koningsdag hebben zich geen onveilige situaties voorgedaan.
Kunt u een tijdslijn verschaffen van de communicatie van de gemeente met de actievoerders? Van wanneer dateert het contact tussen de gemeente en de activisten? Op initiatief van wie staat Extinction Rebellion daar? Waarom heeft de burgemeester de actievoerders niet verder weg, dus uit het zicht, geplaatst? Welk belang heeft de gemeente hierbij?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat wetsovertreding hiermee wordt goedgekeurd?
Nee. Het recht om te demonstreren is geen vrijbrief voor wetsvertredingen. Ook demonstranten moeten zich gewoon aan de wet houden. Zie verder het antwoord op de vragen 2 en 3.
Op welke manier is de NOS hierbij betrokken, gezien de onderwater-opnamen die lange voorbereidingstijd vergen?
In de Mediawet staat dat publieke en commerciële omroepen redactionele autonomie hebben. Dit betekent dat ze zelf bepalen wat ze aanbieden via televisie, radio, internet en sociale media. Ze zijn ook zelf verantwoordelijk voor de vorm en de inhoud van hun programma’s. De overheid mag zich hier niet mee bemoeien. De gemeente Amersfoort heeft mij meegedeeld dat de gemeente en politie met de NOS geen afspraken hebben gemaakt over wat er wel en niet zou worden uitgezonden.
Kunnen alle actiegroepen voortaan een prominente plek krijgen bij Koningsdag? Of is dit alleen weggelegd voor slaafs links actievolk?
Het recht om te demonstreren is een grondrecht en komt een ieder gelijkelijk toe. Het respecteren van dit recht dient voor het lokale gezag voorop te staan, ook op Koningsdag. Het is aan de burgemeester om op lokaal niveau afwegingen te maken ten aanzien van de regulering van demonstraties.
Wie financiert Extinction Rebellion?
Anders dan informatie die via openbare bronnen te verkrijgen is, bijvoorbeeld via de website van Extinction Rebellion, beschik ik niet over informatie over deze actiegroep.
Het bericht 'Nederland stuurt Yezidi’s terug naar de tentenkampen en dat is tegen eigen regels zeggen advocaten' |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Mark Harbers (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland stuurt Yezidi’s terug naar de tentenkampen en dat is tegen eigen regels zeggen advocaten»?1
Ja.
Herinnert u zich dat de Minister voor Buitenlandse Handel recent in de Kamer aangaf naar aanleiding van het onderzoek van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) naar het gebruik van de term genocide door politici: «De onderzoekscommissie [International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van mevr. Carla del Ponte] heeft in juli 2016 geconcludeerd dat «IS had committed crimes of genocide as well as multiple crimes against humanity, war crimes against the Yazidis, thousands of whom were held captive in the Syrian Arab Republic, where they are subjected to almost unimaginable horrors.» Het geeft dus een zeer ingrijpend beeld van de gruwelheden jegens jezidi’s en ook andere minderheden, maar jezidi’s in het bijzonder. Met dit onderzoek staat voor de regering voldoende feitelijk vast dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide en misdrijven tegen de menselijkheid»? (Kamerstuk 34 775 V, nr. 71 herdruk)
Ja. Het kabinet heeft meerdere malen gesteld dat IS hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk is voor zeer ernstige misdrijven, zoals genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft dit standpunt herhaald.
Krijgen slachtoffers van de IS-genocide nu erkenning en bescherming als genocide slachtoffers of moet op die bescherming gewacht worden totdat een internationaal hof genocide heeft vastgesteld, dan wel dat de VN veiligheidsraad het formeel heeft vastgesteld?
Indien u bedoelt of slachtoffers van de IS-genocide erkend zijn als slachtoffer, dat klopt. Er bestaat echter niet zoiets als bescherming als genocideslachtoffer onder het VN-Vluchtelingenverdrag dan wel onder Europeesrechtelijke of Nederlandse wet- en regelgeving.
Dat laat onverlet dat bij de behandeling van het asielverzoek natuurlijk wordt gekeken hoe de situatie nu in het land van herkomst is voor de persoon die asiel heeft aangevraagd. De asielaanvraag zal worden afgewezen als er geen gronden voor vluchtelingschap aanwezig zijn of terugkeer naar het land van herkomst geen reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM betekent.
Kunt u precies aangeven of Yezidi’s teruggestuurd worden naar kampen in Noord Irak?
In de afgelopen periode heb ik gezien dat zich in Nederland jezidi’s hebben gemeld die recent uit de Koerdisch Autonome Regio zijn vertrokken en hier asiel aanvragen. Deze personen hebben gedurende langere tijd in de Koerdisch Autonome Regio verbleven, nadat zij uit een ander gebied van Irak zijn gevlucht. Bij zo’n aanvraag wordt altijd individueel gekeken wat de persoonlijke omstandigheden zijn, of er familie in Irak is, wat de duur van het verblijf in de Koerdisch Autonome Regio was, wat de verblijfsomstandigheden waren en tot slot wordt gekeken of iemand problemen heeft ondervonden in de Koerdische Autonome Regio en sprake kan zijn van een reëel risico bij terugkeer waartegen de Koerdische autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.
Voor iedere aanvraag wordt een individuele afweging gemaakt of iemand recht heeft op bescherming van Nederland en of er sprake is van een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer.
Het kan voorkomen dat na een langdurig verblijf in een ontheemdenkamp waar iemand een »naar lokale maatstaven normaal leven» leidde wordt aangenomen dat het ontheemdenkamp de normale woon- of verblijfplaats was.
Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de Koerdisch Autonome Regio zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de Koerdisch Autonome Regio.
Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de Koerdisch Autonome Regio niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats. Dat heeft tevens tot gevolg dat voor hen het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing is.
Het enkel behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep is in zichzelf onvoldoende om als jezidi een verblijfsvergunning te krijgen. Er moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon.
De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht.
Ik heb het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd bij het komende algemeen ambtsbericht over Irak, dat ik begin volgend jaar verwacht, extra aandacht te besteden aan de jezidi’s, zodat het beleid in overeenstemming blijft met hun positie in Irak. Eventuele belangrijke ontwikkelingen in de tussentijd worden uiteraard ook gevolgd.
Klopt het, dat mensen die voor IS gevlucht of ontsnapt zijn en in kampen leven, teruggestuurd worden naar die kampen omdat dat gezien wordt als hun thuis?
Zie antwoord vraag 4.
Indien Nederland mensen terugstuurt, kunt u dan aangeven welke andere landen in West Europa dat ook doen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het beleid aangaande Yezidi’s recent veranderd? Zo ja, waarop is dat gebaseerd?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel en welke slachtoffers van de zeer waarschijnlijk IS/Da’esh-genocide hebben in Nederland bescherming gevonden?
Nederland registreert niet op de soort grond waarop een vergunning wordt aangevraagd of tot welke groep men behoort.
De door u gevraagde cijfers zijn derhalve helaas niet beschikbaar.
Hoeveel mensen worden in Nederland vervolgd voor deelname of medeplichtigheid aan de genocide door IS/Da’esh?
Ik doe geen uitspraken over lopende onderzoeken over internationale misdrijven, omdat dit het onderzoek mogelijk kan schaden.
Voor internationale misdrijf-zaken die de afgelopen jaren onder de rechter waren attendeer ik u op de jaarlijkse rapportagebrief internationale misdrijven die op 27 maart jl. aan de Kamer is gestuurd.
Doet u voldoende teneinde de daders van de IS-genocide te vervolgen?
Het kabinet hecht grote waarde aan het berechten van IS-strijders. Straffeloosheid kan niet het antwoord zijn op hun misdaden. Het opsporen en vervolgen van misdrijven die door IS-strijders zijn gepleegd is een zeer complexe aangelegenheid en vergt uitgebreid onderzoek. Dit onderzoek wordt vaak bemoeilijkt door het feit dat bewijsvergaring moet plaatsvinden in een conflictgebied of op het grondgebied van een partij waarmee niet kan worden samengewerkt. Zowel het OM als de politie heeft gespecialiseerde teams die zich uitsluitend bezighouden met de opsporing en vervolging van internationale misdrijven (genocide, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, gedwongen verdwijningen, foltering en het misdrijf agressie).
In Nederland zijn internationale misdrijven strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven (WIM). Nederland kan, ongeacht de nationaliteit van de verdachte of waar deze misdrijven hebben plaatsgevonden, rechtsmacht uitoefenen, mits de verdachte zich op Nederlands grondgebied bevindt.
Op het moment dat (voormalig) IS leden zich in Nederland bevinden en er aanwijzingen zijn dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven, zullen de gespecialiseerde internationale misdrijven Officieren van Justitie, indien zij daartoe voldoende aanleiding zien, niet nalaten om vervolging in te stellen op basis van de WIM. Naast de WIM biedt het commune strafrecht ook mogelijkheden om IS-strijders strafrechtelijk te vervolgen. Daarbij kan worden gedacht aan terrorisme-delicten en ontvoering, moord en doodslag, Voor een uitgebreide beschouwing van de Nederlandse aanpak van internationale misdrijven verwijs ik u naar de jaarlijkse rapportagebrief internationale misdrijven.
Naast deze nationale aanpak blijft Nederland internationaal leidend bij het opzetten en financieren van internationale bewijsvergarings-mechanismen, zoals de bewijzenbank voor Syrië (IIIM), de VN-missie in Irak (UNAMI) en het VN Onderzoeksteam voor misdrijven gepleegd door ISIS in Irak (UNITAD). Deze mechanismen voldoen aan internationale standaarden die Nederland belangrijk vindt bij het ter verantwoording roepen van daders.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Verschillende reisadviezen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat lidstaten van de Europese Unie (EU) nog steeds verschillende reisadviezen afgeven voor dezelfde landen? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Bent u het er mee eens dat het wenselijk zou zijn om één Europees reisadvies te hebben, omdat 28 verschillende reisadviezen verwarrend kunnen zijn voor reizigers, vakantiegangers en reisorganisaties?
Kunt u aangeven voor welke populaire reisbestemmingen buiten Europa EU-lidstaten verschillende reisadviezen afgeven? Kunt u aangeven waarom Europese reisadviezen in de nasleep van de aanslagen in Sri Lanka van elkaar verschilden?
Kunt u aangeven of er binnen andere EU-lidstaten de wens bestaat om tot een gemeenschappelijk reisadvies te komen?
Over het algemeen wordt het belang van gelijkluidende reisadviezen binnen de EU zeker erkend. De problemen en verwarring die verschillende adviezen kunnen opleveren voor burgers en reisorganisaties, staan bij de meeste landen goed op het netvlies. Daarom vindt bij een crisis direct afstemming plaats tussen de landen over de inhoud van het reisadvies. Dit gebeurt lokaal, via telefonisch overleg tussen de hoofdkwartieren en via een gezamenlijk online EU-platform (COOL). Nederland maakt zich binnen de EU sterk voor verdere intensivering van deze samenwerking.
U kunt zich echter voorstellen dat er v.w.b. de praktische uitvoering een aantal haken en ogen kleven aan het komen tot één gezamenlijk reisadvies. De afstemmingsprocedure voordat een advies gepubliceerd kan worden, zal
bijvoorbeeld (veel) meer tijd in beslag nemen. En juist bij crises is het van belang een reisadvies snel aan te passen, zodat Nederlanders op de hoogte zijn van de actuele veiligheidsrisico’s in het buitenland.
Een andere lastige factor is dat niet alle lidstaten reisadviezen hebben, en dat sommige lidstaten maar voor een beperkt aantal landen reisadviezen opstellen. Tot slot ligt de wettelijke bevoegdheid ten aanzien van het opstellen van reisadviezen nog immer op nationaal niveau. Dit betekent dat de Minister van BZ politiek verantwoordelijk is voor de inhoud van de reisadviezen van de Nederlandse overheid. Het is onduidelijk waar deze verantwoordelijkheid zich bevindt in geval van een gezamenlijk Europees reisadvies.
Derhalve bestaat er binnen de EU momenteel nog weinig draagvlak voor één Europees reisadvies.
Op welke wijze hebt u zich de afgelopen jaren ingezet voor betere harmonisatie van Europese reisadviezen? Welke stappen wilt u daar de komende tijd zetten?
BZ heeft binnen de EU regelmatig aandacht gevraagd voor het belang van meer uniformiteit tussen de reisadviezen en het verbeteren van de onderlinge samenwerking op dit gebied. Naast het opbrengen van dit punt binnen de consulaire EU werkgroepen (zoals de COCON), heeft BZ er ook voor gezorgd dat organisaties uit de Nederlandse reisbranche spreektijd kregen op belangrijke EU bijeenkomsten omtrent het reisadvies en dit punt konden benadrukken.
Verder heeft BZ tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU in 2016 aandacht gevraagd voor deze vragen, en is sterk ingezet op het bevorderen van de lokale samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van crisisvoorbereiding.
Dit heeft geresulteerd in de wereldwijde uitrol van het Joint EU Consular Crisis Preparedness Framework; een document waarin lokaal afspraken worden vastgelegd over de samenwerking bij crises. Onderdeel van dit plan is ook een risicoanalyse, waarbij gezamenlijk gekeken wordt naar de bestaande veiligheidsrisico’s en dreigingen in het land.
Ik ben bereid het belang van eensgezinde reisadviezen verder te blijven benadrukken binnen de EU. Bij de verscheidene EU-voorzitterschappen zal dit punt onverkort worden gemaakt, onder meer bij het huidige Roemeense voorzitterschap.
Ook bij de samenstelling van de nieuwe Europese Commissie zal Nederland aandacht vragen voor dit onderwerp. De veiligheid van Nederlanders staat voor mij echter altijd voorop. Ik wil daarom strenge criteria koppelen aan de eventuele invoering van een gezamenlijk reisadvies. Daarbij denk ik aan snelheid, kwaliteit en absolute absentie van politieke overwegingen.
Heeft u zich al ingezet om tot een gezamenlijk Europees reisadvies te komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit tot op heden niet is gelukt? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft in EU-verband aandacht gevraagd voor een gezamenlijk Europees reisadvies. Daarbij zijn de onder vraag 4 geschetste uitdagingen ook steeds genoemd, die ook door andere lidstaten worden onderkend.
Nederland staat positief tegenover één gezamenlijk Europees reisadvies. Nederland zal op weg daarnaartoe actief blijven werken aan meer Europese samenwerking en afstemming waar het gaat om de vorm en inhoud van de reisadviezen, zowel in EU-verband als in nauwe bilaterale samenwerking met partners in Europa. De Europese burgers en de professionele reiswereld hebben hier belang bij. We blijven hier de komende tijd binnen de Europa dan ook op inzetten.
Het bericht ‘Nederland stuurt Yezidi’s terug naar de tentenkampen en dat is tegen de eigen regels zeggen advocaten’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stuurt Yezidi’s terug naar de tentenkampen en dat is tegen de eigen regels zeggen advocaten»?1
Ja.
Klopt het, dat de IND gevluchte Yezidi’s terugstuurt naar Irak? Klopt het, dat deze mensen doorgaans terechtkomen in Koerdische opvangkampen in Irak, terwijl dat volgens de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR niet verantwoord is? Zo nee, hoe ziet u de situatie dan? Hoe verklaart u dit verschil in beoordeling tussen de IND en UNHCR?
In de afgelopen periode heb ik gezien dat zich in Nederland jezidi’s hebben gemeld die recent uit de Koerdisch Autonome Regio zijn vertrokken en hier asiel aanvragen. Deze personen hebben gedurende langere tijd in de Koerdisch Autonome Regio verbleven, nadat zij uit een ander gebied van Irak zijn gevlucht. Bij zo’n aanvraag wordt altijd individueel gekeken wat de persoonlijke omstandigheden zijn, of er familie in Irak is, wat de duur van het verblijf in de Koerdisch Autonome Regio was, wat de verblijfsomstandigheden waren en tot slot wordt gekeken of iemand problemen heeft ondervonden in de Koerdische Autonome Regio en sprake kan zijn van een reëel risico bij terugkeer waartegen de Koerdische autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden.
Voor iedere aanvraag wordt een individuele afweging gemaakt of iemand recht heeft op bescherming van Nederland en of er sprake is van een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling bij terugkeer.
Het kan voorkomen dat na een langdurig verblijf in een ontheemdenkamp waar iemand een «naar lokale maatstaven normaal leven» leidde wordt aangenomen dat het ontheemdenkamp de normale woon- of verblijfplaats was.
Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de Koerdisch Autonome Regio zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de Koerdisch Autonome Regio.
Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de Koerdisch Autonome Regio niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats. Dat heeft tevens tot gevolg dat voor hen het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing is.
Het enkel behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep is in zichzelf onvoldoende om als jezidi een verblijfsvergunning te krijgen. Er moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon.
De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht.
Wat betreft de situatie in de kampen merk ik op dat het ambtsbericht Irak van april 2018 meldt dat de aanwezigheid van grote aantallen ontheemden en vluchtelingen een zwaar beslag op de bestaande voorzieningen legde. Dit wordt bevestigd door het meer recente bericht van UNHCR. Hoewel de situatie in sommige vluchtelingenkampen in de Koerdisch autonome regio niet optimaal is, kan niet in zijn algemeenheid gesteld worden dat de opvang aldaar niet voldoet.
Ik heb het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd bij het komende algemeen ambtsbericht over Irak, dat ik begin volgend jaar verwacht, extra aandacht te besteden aan de jezidi’s, zodat het beleid in overeenstemming blijft met hun positie in Irak. Eventuele belangrijke ontwikkelingen in de tussentijd worden uiteraard ook gevolgd.
Hoeveel Yezidi’s heeft Nederland in de jaren 2017, 2018 en 2019 teruggestuurd? Welke informatie heeft u over hoe het hen nadien is vergaan? Hoeveel Yezidi’s hebben wel een verblijfsvergunning gekregen? Hoeveel Yezidi’s zitten er op dit moment in een (asiel)procedure?
De etniciteit en religie van (afgewezen) asielzoekers wordt niet bijgehouden. Omdat ik begrijp dat dit nu voor uw Kamer niet afdoende is, heb ik bij uitzondering de Dienst Terugkeer en Vertrek gevraagd om handmatig de dossiers van Irakese staatburgers die in vreemdelingenbewaring zitten door te nemen. In de betreffende dossiers zijn geen indicaties gevonden dat zij tot de jezidi’s behoren.
Waarom wordt in de vreemdelingencirculaire een onderscheid gemaakt tussen Irak en Noord-Irak en de Koerdische regio? Kunt u toelichten waarop dit verschil is gebaseerd?
Ik maak onderscheid tussen de verschillende delen van Irak, omdat uit de beschikbare informatie, waaronder het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat de Koerdisch Autonome Regio in de Grondwet van Irak autonome bevoegdheden heeft in een drietal provincies. Daarom maak ik in het asielgebonden landenbeleid voor Irak onderscheid tussen (noordelijk, centraal en zuid) Irak enerzijds en de Koerdisch Autonome Regio anderzijds.
De positie van de jezidi’s die afkomstig zijn uit de Koerdische Autonome Regio is anders en deels beter in de Koerdische Autonome Regio dan in de rest van Irak. Juist in de rest van Irak hebben de jezidi’s grote problemen ondervonden door IS.
In het asielgebonden landenbeleid wordt enkel voor (noordelijk, centraal en zuid)Irak een aantal bijzondere groepen onderscheiden, de zogenaamde kwetsbare minderheidsgroepen. Deze groepen ondervinden in Centraal-Irak mensenrechtenschendingen waartegen de overheid geen bescherming biedt.
In de Koerdische Autonome Regio is de situatie voor jezidi’s in dat opzicht deels beter onder meer wetgeving, maar ook de autoriteiten beschermen de rechten en jezidi’s zijn een erkende minderheid. Dit blijkt ook uit de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Irak.
Klopt het, dat de meeste Yezidi’s uit de regio Sinjar in Irak komen en dus niet uit de Koerdische regio? Hoe beoordeelt u de situatie in de regio Sinjar? Klopt het, dat de regio grotendeels verwoest is? Zo nee, waarom niet? Bent u van oordeel dat Yezidi’s veilig kunnen terugkeren naar Sinjar? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals mijn voorganger uw Kamer bij brief van 11 juli 2018 heb laten weten, is geen enkel deel van Irak meer aangewezen als 15c-gebied, omdat uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als ook uit andere bronnen blijkt, dat in geen van de eerder aangewezen gebieden meer sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM.
Er waren zowel jezidi gemeenschappen in die provincie als in de Koerdisch autonome regio. De meeste jezidi’s zijn inderdaad gevlucht uit Sinjar in de provincie Nineveh, dat onderdeel uitmaakt van de betwiste gebieden in Irak. Zij zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio, naar andere gebieden in Irak alsook naar het buitenland. De infrastructuur van Sinjar is zwaar getroffen door alle gevechten. Hoewel een klein deel van de jezidi’s is teruggekeerd, is de overgrote meerderheid nog altijd ontheemd en is de terugkeer beperkt.
Sinjar is gelegen in Irak, buiten de Koerdische Autonome Regio. Daarvoor geldt dat een jezidi die daarvandaan afkomstig is behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Voor de toepassing van kwetsbare minderheidsgroep moet sprake zijn van geloofwaardige individualiseerbare verklaringen, waaruit beperkte indicaties naar voren komen die duiden op een risico op ernstige schade als persoon. De vreemdeling zal de individuele elementen die moeten worden gewogen zelf moeten aandragen en aannemelijk maken, maar de bewijslast die dan op een jezidi als kwetsbare minderheid ligt, is relatief licht. Mij zijn geen zaken bekend waarbij een jezidi woonachtig en afkomstig uit Sinjar daarheen is uitgezet
Waarom behoren de Yezidi’s uit de Koerdische regio in Irak niet tot een kwetsbare groep? In hoeverre is hierbij rekening gehouden met het gegeven dat deze mensen zijn gevlucht uit een ander deel van Irak en dus niet uit de Koerdische regio?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat het terugsturen van Yezidi’s naar Noord-Irak in de praktijk? In hoeverre heeft Nederland zicht op waar deze mensen (uiteindelijk) terecht komen?
Zoals uw Kamer bekend is, wordt terugkeer nooit door Nederland gemonitord.
Klopt het, dat Duitsland vrouwen uit Koerdische opvangkampen in Irak ophaalt om ze te behandelen voor trauma’s? Zo ja, hoe beoordeelt u in dat licht, het gegeven dat Nederland mensen terugstuurt naar deze kampen?2
De deelstaat Baden Württemberg heeft in 2014 met een speciaal nood hervestigingsprogramma jezidische vrouwen uit Irak gehaald. Dit zag met name op vrouwen die door IS-leden verkracht waren en door de jezidische gemeenschap niet meer werden geaccepteerd. De situatie van deze vrouwen is niet te vergelijken met een persoon die zich vrij in de Koerdisch autonome regio heeft bewogen en daar tijdens zijn verblijf geen problemen heeft ondervonden. Overigens wordt bij de beoordeling van iedere asielaanvraag door de IND meegewogen of terugkeer aan de orde is en of er geen sprake is van individuele kwetsbaarheden waardoor dit niet mogelijk is.
In hoeverre beoordeelt de IND, bij de beslissing om iemand terug te sturen, of deze persoon mogelijk in een vluchtelingenkamp terecht komt? Hoe en in hoeverre beoordeelt de IND of er in een vluchtelingenkamp voldoende voedsel, schoon drinkwater, onderdak en medische voorzieningen beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zeker weet de IND dat Yezidi’s die worden teruggestuurd naar Noord-Irak ook daadwerkelijk tot een vluchtelingenkamp worden toegelaten? In hoeverre monitort de IND dit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u van de stelling van, onder andere, Vluchtelingenwerk dat er sprake is van nieuw beleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie in de vluchtelingenkampen in de Koerdische regio in Irak? Bent u van mening dat de omstandigheden in die kampen voldoende zijn om vluchtelingen op een humane manier te huisvesten? Zo ja waarom? Zo nee, waarom stuurt Nederland dan toch mensen naar deze kampen/dan wel naar de regio waarbij er een gerede kans is dat mensen in deze kampen terecht komen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de stellingname van het Europese asielagentschap EASO dat Yezidi’s in de Koerdische regio worden gediscrimineerd en belaagd, zich met de positie van de IND dat Yezidi’s veilig teruggestuurd kunnen worden?
Laat ik voorop stellen dat EASO nog geen advies over Irak heeft uitgebracht. Dit verwacht ik in juli.
Tot nu toe heeft EASO diverse landeninformatierapporten gepubliceerd over de veiligheidssituatie en de situatie van bepaalde groepen. Daaruit blijkt dat jezidi’s in een aantal gevallen in de Koerdisch autonome regio te maken kunnen krijgen met discriminatie, maar dat van structurele mensenrechtenschendingen geen sprake is. Wel blijkt dat de jezidi’s die ontheemd zijn in de Koerdisch Autonome Regio een andere positie hebben dan de jezidi’s die van oudsher in de Koerdisch Autonome Regio wonen.
EASO is op dit moment bezig met de Country Guidance Notes Iraq. Als het advies van EASO openbaar is, zal ik het natuurlijk aan uw Kamer sturen.
Los hiervan, het Nederlandse asielsysteem is zo ingericht dat iedere aanvraag zelfstandig wordt behandeld en daar worden alle relevante omstandigheden van de aanvrager bij betrokken.
Als een jezidi gewag maakt van discriminatie of andersoortige problemen gedurende zijn verblijf in de Koerdische Autonome Regio, wordt dat bij de besluitvorming betrokken. Niet iedere vorm van discriminatie leidt tot de conclusie dat sprake is van vervolging, maar dit wordt wel nader onderzocht bij de individuele beoordeling van de asielaanvraag. Ook wordt gekeken of er andere factoren zijn die meegenomen moeten worden, dan kan het gaan om familie in de regio, maar ook om individuele kwetsbaarheden.
Op welke manier houdt de IND rekening met informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat de Koerden Yezidi’s niet altijd toelaten tot vluchtelingenkampen en hen soms zelfs uitzetten naar andere regio’s in Irak, terwijl die volgens de UNHCR nog altijd onveilig zijn?
Deze informatie, zie het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken uit 2018, p. 53, geeft aan dat een aantal jezidi’s uit ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio zijn gezet, onder meer omdat hun familieleden bij de PMF zaten en daardoor door de Koerden als vijand werden gezien of omdat zij opkwamen voor de rechten van jezidi’s.
Mocht een jezidi die hierbij betrokken was zich in Nederland melden, dan wordt dit natuurlijk bij de afdoening van de individuele asielaanvraag betrokken. In zo’n zaak is het zeer waarschijnlijk dat voor die persoon geen veilige terugkeer naar de Koerdisch Autonome Regio mogelijk is.
Deelt u de mening dat als mensen worden teruggestuurd naar een gebied waar zij gediscrimineerd en belaagd worden, of het risico lopen te worden uitgezet naar een onveilig gebied waar zij gevaar lopen, dit in strijd is met het VN-vluchtelingenverdrag en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat Nederland handelt in strijd met deze verdragen?
Ja. Het Nederlandse beleid voor asielzoekers is in lijn met geldende verdragen en richtlijnen. Bij iedere asielaanvraag vindt een zorgvuldige, individuele beoordeling plaats. Iedere persoon die het niet eens is met de afwijzing van zijn asielaanvraag kan naar de rechter stappen, waarna wordt gekeken of de IND correct besloten heeft. Tegen de uitspraak van de rechter staat hoger beroep open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoeveel procedures zijn momenteel aanhangig bij rechtbanken en de Raad van State waarin de kwestie van het terugsturen van een Yezidi een rol speelt? Wat is de lijn van de IND in deze procedures? Wat is de lijn in de rechtspraak?
Het betreft de afwijzing van de asielaanvraag en daar wordt door de vreemdeling beroep tegen ingesteld. De IND geeft dan aan waarom geen asielbescherming wordt verleend in deze individuele aanvraag, omdat sprake is van een veilige verblijfsplaats waarbij alle individuele, relevante omstandigheden zijn meegewogen.
De rechtbank toetst of de IND tot dit besluit heeft mogen komen. Uit recente jurisprudentie3 blijkt dat eventueel een vluchtelingen- of ontheemdenkamp in de Koerdisch autonome regio voor een vreemdeling onder specifieke omstandigheden aangemerkt kan worden als vaste woon- of verblijfplaats.
Zoals ik hiervoor aan heb gegeven blijkt recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat de ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hebben in de Koerdisch Autonome Regio. Voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en zijn gevlucht naar de Koerdisch Autonome Regio en daar nu verblijven, zal ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag zien als afkomstig zijn uit Centraal-Irak en voor hen is dan het beleid van kwetsbare minderheden van toepassing.
De etniciteit en religie van asielzoekers wordt niet geregistreerd. Omdat ik begrijp dat dit voor uw Kamer niet afdoende is, heb ik bij uitzondering de IND gevraagd om handmatig de dossiers van Irakese staatsburgers waar juridische procedures openstaan na te lopen. Vooralsnog gaat het om een zeer beperkt aantal zaken van jezidi’s dat voorligt bij de rechtbanken en de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de beroepen tegen de hiervoor genoemde jurisprudentie.
Gelet op de recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal ik de IND vragen deze zaken opnieuw te bezien.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik uw vragen afzonderlijk beantwoord, maar gelet op de samenhang van de vragen heb ik er voor gekozen om een aantal vragen ook gezamenlijk te beantwoorden.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat er vraagtekens zijn bij de fundering van de parkeergarage in Eindhoven |
|
Erik Ronnes (CDA), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vraagtekens bij fundering parkeergarage Eindhoven»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de constatering van de heer Terken dat de staat van de fundering «opmerkelijk» was? Hoe kijkt u aan tegen de uitspraak van de heer Plass van Centraal Bureau Bouwregelgeving (CBB), waarbij hij aangeeft er niet zeker van te zijn dat de fundering geen rol heeft gespeeld in het instorten van de parkeergarage en waarbij hij constateert dat er scheuren in de probleemvloeren rondom de funderingspalen zaten?
Naar aanleiding van de berichtgeving in Cobouw heb ik contact opgenomen met de gemeente Eindhoven omdat de gemeente inzicht heeft in de staat van de ondergrond ter plaatse en als bevoegd gezag het bouwplan vooraf heeft beoordeeld en toezicht heeft gehouden op de uitvoering. De gemeente heeft mij het volgende laten weten. De grilligheid in de opbouw van de grond met verschillende grondlagen is in Eindhoven niet ongebruikelijk. Het komt vaker voor dat binnen een bouwproject aan de hand daarvan in het ontwerp voor verschillende paallengtes wordt gekozen. Dit is ook het geval geweest bij de parkeergarage Eindhoven. Het aangeleverde funderingsadvies inclusief de sonderingen van de parkeergarage, is op de gebruikelijke wijze gecontroleerd door de gemeentelijke constructeur. De gekozen paallengtes zijn in lijn met de sonderingsresultaten van de grondopbouw ter plaatse.
In het Cobouw artikel wordt gesproken over scheuren rondom de kolomkoppen. Deze scheuren zijn beschouwd in de onderzoeken die naar de instorting van de parkeergarage zijn uitgevoerd door Hageman, TNO en de Onderzoeksraad voor Veiligheid.
Hoe kijkt u er tegenaan dat, in tegenstelling tot de heren Terken en Plass, de heer Wijte van adviesbureau Hageman constateert in het rapport «Bezwijken parkeergarage Eindhoven Airport2 dat er geen aanwijzingen zijn dat de fundering een rol heeft gespeeld in het instorten van de parkeergarage? Kan de heer Wijte deze conclusie wel trekken?
De heer Wijte trekt deze conclusie op basis van zijn onderzoek naar de instorting van de parkeergarage. Deze conclusie is in lijn met de andere onderzoeken die naar de instorting van de parkeergarage zijn uitgevoerd (door TNO en de Onderzoeksraad voor Veiligheid).
In hoeverre heeft adviesbureau Hageman haar rapport onafhankelijk opgesteld ten opzichte van de BAM die adviesbureau Hageman heeft aangesteld en de fundering heeft aangebracht?
Over de onafhankelijkheid van adviesbureau Hageman heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd in mijn brief van 14 februari 2019 (Kamerstuk 28 325, nr. 187).
Heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) naar het rapport van de heer Terken over de staat van de fundering gekeken, waarvan de heer Terken zegt dat hij dit rapport naar de OvV heeft gestuurd? Zo ja, waarom zijn de uitkomsten van het rapport van de heer Terken niet opgenomen in het rapport van de OvV? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van uw vraag heb ik contact opgenomen met de Onderzoeksraad. Deze heeft mij laten weten dat zij bij haar onderzoek de fundering van de parkeergarage heeft beschouwd en heeft geconcludeerd dat het falen van de fundering als oorzaak voor de instorting niet waarschijnlijk is. Bij het uitvoeren van haar onderzoeken is de Onderzoeksraad gehouden aan een geheimhoudingsplicht en doet daarom geen uitspraken met wie er gesproken is, welke informatie verzameld is en hoe daarmee is omgegaan, behoudens wat in het rapport is weergegeven.
Is het waar, zoals de OvV in zijn rapport aangeeft3, dat de hoofdconstructeur opdracht kreeg keuringen op de wapening van de fundering, de funderingspalen en de vloeren uit te voeren, maar slechts één keuring van één vloer heeft uitgevoerd? Is er geen enkele keuring uitgevoerd op de fundering en/of de funderingspalen? Hoe kijkt u hiertegen aan in het licht van het rapport van de heer Terken?
Ja, dit volgt uit OvV-rapport. Dat de hoofdconstructeur, in opdracht van de opdrachtgever, geen keuring heeft uitgevoerd op de fundering betekent niet dat er geen enkele keuring heeft plaats gevonden. Zo heeft de gemeente Eindhoven mij laten weten dat de gemeentelijke bouwinspecteur de bouw van de fundering diverse keren heeft bezocht. Tweemaal is een bezoek gebracht bij het aanbrengen van de funderingspalen (boorpalen), bij een derde bezoek zijn nadere afspraken gemaakt over het akoestisch doormeten van de boorpalen. Daarna zijn er twee controles geweest op de wapening van de funderingspoeren waarbij geen noemenswaardige afwijkingen zijn geconstateerd.
Kunt u met 100% zekerheid aangeven dat de fundering geen rol heeft gespeeld in het instorten van de parkeergarage in Eindhoven?
Uit de verschenen onderzoeksrapporten blijkt dat er «geen aanwijzingen» zijn (Hageman) en dat het «niet waarschijnlijk» is (Onderzoeksraad) dat de fundering een rol heeft gespeeld bij het instorten van de parkeergarage in Eindhoven. Het TNO-onderzoeksrapport gaat niet expliciet in op de fundering, maar TNO heeft mij desgevraagd laten weten het op dit punt eens te zijn met de conclusies van Hageman en de Onderzoeksraad. Al deze conclusies zijn in lijn met de door gemeente Eindhoven aan mij verstrekte informatie. Op basis van al deze informatie ga ik ervan uit dat de fundering geen rol heeft gespeeld bij het instorten van de parkeergarage.
Neemt u de uitkomsten van het rapport van de heer Terken mee in het bepalen van de definitieve rekenregels door de heer Hageman en adviesbureau Horvat die u eind april wilt publiceren voor de definitieve landelijke inventarisatie naar probleemvloeren?
Gelet op mijn conclusie in het antwoord op de vorige vraag, is er voor mij geen aanleiding om de fundering te beschouwen bij het bepalen van de definitieve rekenregels.
Kunt u, gegeven de deadline van eind april, de antwoorden op deze vragen binnen een week naar de Kamer sturen?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Bowing to U.S. demands, UN waters down resolution on sexual violence in conflict’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Bowing to U.S. demands, UN waters down resolution on sexual violence in conflict» van 24 april jl.?1
Ja.
Betreurt u het dreigement van de VS met een veto indien de passage «sexueal and reproductive health» zou blijven staan in de resolutie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit kenbaar gemaakt?
Ja, het kabinet betreurt het door u aangehaalde dreigement van de VS. Nederland heeft zich tijdens de interventie in het open debat expliciet uitgesproken voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Welke gevolgen heeft het schrappen van deze passage voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld?
De resoluties uit 2009 en 2013 zijn nog altijd volledig van kracht. De gevolgen van de nieuwe resolutie moeten bezien worden, maar de resolutie heeft geen directe consequenties voor de hulp aan slachtoffers van seksueel geweld. Organisaties en landen kunnen uiteraard nog altijd aan seksuele en reproductieve gezondheid van slachtoffers van seksueel geweld blijven werken.
Welk effect heeft de herbevestiging van de aangenomen resoluties uit 2009 en 2013 voor de (medische) hulp aan vrouwen en meisjes die slachtoffer zijn van seksueel geweld?
Zie antwoord vraag 3.
Onderschrijft u de uitspraak van de Franse ambassadeur bij de Verenigde Naties (VN) Francois Delattre: «It is intolerable and incomprehensible that the Security Council is incapable of acknowledging that woman and girls who suffered from sexual violence in conflict -and who obviously didnt choose to become pregnant- should have the right to terminate their pregnancy»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit kenbaar gemaakt?
Ja. Nederland heeft in zijn interventie expliciet verwezen naar, en steun uitgesproken voor, de Franse uitspraak.
Is het u bekend hoeveel andere leden van de VN Veiligheidsraad deze uitspraak openlijk onderschrijven?
Dit is niet precies na te gaan. Naast Frankrijk spraken ook het Verenigd Koninkrijk, België en Zuid-Afrika een kritische stemverklaring uit, waarin zij het belang van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten benadrukten. Ook de Dominicaanse Republiek had zich in haar interventie voor de stemming hiervoor uitgesproken.
Zijn er gevolgen voor de financiering van het VN Bevolkingsfonds UNFPA? Zo ja, welke?
Er zijn geen gevolgen voor de financiering van UNFPA.
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen verwijzing naar het Internationaal Strafhof is afgezwakt en in hoeverre het Internationaal Strafhof nog een rol speelt of kan spelen bij het bestrijden en voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes?
In een eerste versie van de resolutie stond expliciet dat vooral het Internationaal Strafhof de strijd tegen straffeloosheid van de meest ernstige internationale misdrijven tegen vrouwen en meisjes heeft versterkt. In de uiteindelijke versie is de verwijzing naar het Internationaal Strafhof onder druk van een aantal leden van de Veiligheidsraad, waaronder de VS, verwijderd en in plaats daarvan gesteld dat alle nationale en internationale hoven en tribunalen hier aan hebben bijgedragen.
Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het eerste internationale instrument geweest waarin verschillende vormen van seksueel en gender gerelateerde misdrijven werden opgenomen als misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven of, in bepaalde gevallen, genocide. Daders van deze misdrijven kunnen hierdoor vervolgd worden, ook als een land wiens onderdanen het betreft of op wiens grondgebied de misdrijven hebben plaatsgevonden dit niet wil of kan. Het zichtbaar ter verantwoording roepen van personen die verdacht worden van dergelijke misdrijven geeft een signaal aan potentiële plegers.
Het bericht ‘Tien jaar Bel-me-niet Register: ‘Het werkt voor geen meter’ |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tien jaar Bel-me-niet Register: «Het werkt voor geen meter»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het functioneren van het Bel-me-niet Register? Is bekend hoeveel particulieren en eenmanszaken hun nummer hierin hebben laten opnemen?
Op 31 december 2018 stonden 9.471.066 telefoonnummers ingeschreven in het Bel-me-niet Register (BMNR). In mijn Consumentenagenda, die ik op 8 oktober 2018 naar de Kamer heb gestuurd, heb ik aangekondigd het Nederlandse systeem voor telemarketing te gaan aanpassen van opt-out naar opt-in.2 Dat betekent dat natuurlijke personen alleen nog maar telefonisch benaderd mogen worden als zij daar toestemming voor hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest) bij dat bedrijf. Hieronder vallen vallen tevens ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de eenmanszaak, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap,. en maatschap. In de beantwoording van de feitelijke vragen over mijn Consumentenagenda ben ik uitgebreid ingegaan op het functioneren van het BMNR.3 Volledigheidshalve verwijs ik naar mijn antwoorden op vragen 19 t/m 30 van die beantwoording.
Hoe kan het dat het nog steeds vaak voorkomt dat mensen die staan ingeschreven in het Bel-me-niet Register, worden gebeld door telemarketeers?
Op grond van de Telecommunicatiewet mogen abonnees die natuurlijke personen zijn op dit moment door alle bedrijven worden gebeld voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden, tenzij ze staan ingeschreven in het Bel-me-niet Register (het zogenoemde opt-out systeem). Hierop gelden twee uitzonderingen. Ten eerste geldt het Bel-me-niet-register niet voor bedrijven waaraan een natuurlijk persoon toestemming heeft gegeven om te bellen. Ten tweede geldt het Bel-me-niet Register niet voor bedrijven waarbij de natuurlijk persoon klant is (geweest) voor de verkoop van gelijksoortige producten of diensten van het betreffende bedrijf. In beide gevallen moeten deze bedrijven de natuurlijk persoon tijdens elk gesprek de gelegenheid geven verzet aan te tekenen (het zogenoemde recht van verzet). Indien iemand verzet aantekent, mogen ook deze bedrijven niet meer bellen.
Het onderscheid tussen het Bel-me-niet Register en het recht van verzet is niet voor iedereen duidelijk. Dit kan leiden tot verwarring bij natuurlijke personen die zijn ingeschreven bij het bel-me-niet-register als zij worden gebeld door – met name – bedrijven waarbij zij klant zijn (geweest).
Ik heb aangekondigd het huidige systeem opnieuw te bezien en een opt-in systeem voor telemarketing in te voeren. Dit betekent dat het Bel-me-niet-Register zal verdwijnen, omdat natuurlijke personen straks alleen nog mogen worden gebeld door bedrijven die zij hiervoor toestemming hebben gegeven en door bedrijven waarbij zij klant zijn (geweest). Deze bedrijven zullen nog steeds tijdens elk gesprek de gelegenheid moeten geven verzet aan te tekenen en mogen niet meer bellen indien inderdaad verzet wordt aantekent. Natuurlijke personen zullen met het opt-in systeem beter worden beschermd tegen telemarketing en ik verwacht dat de verwarring hierdoor zal afnemen.
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding, een boete opgelegd door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan telemarketeers die mensen bellen die staan ingeschreven? Hoe heeft dit aantal zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld? Om welk bedrag ging het gemiddeld?
De ACM is in 2013 ontstaan uit een fusie van de toezichthouders Consumentenautoriteit, OPTA en NMa. Voor die tijd (sinds de inwerkingtreding van het Bel-me-niet Register op 1 oktober 2009) is er door de OPTA regelmatig gehandhaafd. Zo werden er tussen 1 oktober 2009 en mei 2011 in totaal voor 1,2 miljoen euro aan boetes opgelegd voor het negeren van het Bel-me-niet register.4 Sinds 2013 heeft de ACM verschillende boetes uitgedeeld. In 2014 heeft de ACM Essent beboet voor het negeren van het BMNR, dit ging om een boete van € 47.5005. Daarnaast heeft de ACM sinds 2012 meerdere boetes opgelegd aan bedrijven en feitelijk leidinggevenden voor overtredingen in telefonische verkoopgesprekken, zoals het verstrekken van misleidende informatie in telefonische verkoopgesprekken en het niet vermelden van het commerciële oogmerk aan het begin van dergelijke gesprekken. Ook heeft de ACM recentelijk nog een last onder dwangsom opgelegd aan een bedrijf dat misleidende handelspraktijken hanteerde bij telefonische verkoop. Deze boetes zijn opgelegd vanwege handelen in strijd met consumentenregels in het Burgerlijk Wetboek, niet op basis van handelen in strijd met de Telecommunicatiewet.
In 2014 en 2015 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in drie zaken met betrekking tot telemarketing uitspraken gedaan waaruit blijkt dat de handhaafbaarheid van de regels in de Telecommunicatiewet voor de ACM in bepaalde opzichten moeilijk is.6 De ACM kan bepaalde handelwijzen van bedrijven alleen controleren door gevoerde telefoongesprekken na te luisteren. Ik ben voornemens om in de nieuwe regelgeving, die nu in voorbereiding is te zorgen voor betere handhavingsmogelijkheden.
Herkent u de constatering dat met name thuiswerkende zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) een doelwit zijn van telemarketeers, omdat deze groep zich niet kan beroepen op het consumentenrecht van twee weken bedenktijd? Onderschrijft u de oproep van de ACM aan energieleveranciers om thuiswerkende zzp’ers als consumenten te beschouwen?
Adverteerders, callcenters en andere bedrijven die gebruik maken van telemarketing zijn, op grond van artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet, verplicht te controleren of de contactgegevens van een natuurlijke persoon met wie zij geen klantrelatie hebben zijn opgenomen in het BMNR. Hieronder kunnen ook de contactgegevens van bedrijven vallen, als het telefoonabonnement van dit bedrijf op naam staat van een natuurlijke persoon, zoals het geval kan zijn bij een vennootschap onder firma of een eenmanszaak.
Indien een ondernemer (ongeacht welke rechtsvorm zijn onderneming heeft) benaderd wordt om een overeenkomst te sluiten voor doeleinden die in de privésfeer liggen, is zijn positie vergelijkbaar met die van een consument. Dit geldt ook bij overeenkomsten die deels binnen en deels buiten hun privé sfeer liggen én het beroep-of bedrijfsmatig karakter ervan niet overheerst. In dat geval komen ondernemers in aanmerking voor de bescherming die consumenten op grond van het BW genieten en voor bescherming bij het aangaan van energiecontracten. Vanuit de Elektriciteitswet 1998 en het generieke consumentenrecht is een brede bescherming gewaarborgd, in dit licht verwijs ik ook naar mijn brief van 26 maart jl.7
Ziet u mogelijkheid om het consumentenrecht van twee weken bedenktijd, of een vergelijkbaar instrument, ook voor thuiswerkende zzp’ers te laten gelden?
Zoals toegelicht in antwoord 5, komt een zzp-er die een contract sluit die geheel of grotendeels in de privésfeer ligt, in aanmerking voor de bescherming die consumenten op grond van het BW genieten.
De ACM heeft aangekondigd intensiever te gaan handhaven en extra voorlichting te geven aan ondernemers hierover. Daarnaast worden ondernemers sinds 1 juli 2016 beschermd door de Wet strafbaarheid acquisitiefraude. Met acquisitiefraude worden misleidende handelspraktijken tussen organisaties bedoeld, waarbij verkooptechnieken worden gebruikt die puur als doel hebben de ander ertoe te bewegen een contract af te sluiten, terwijl de tegendienst niet of nauwelijks wordt geleverd. Als gevolg van deze wetswijziging zijn ondernemers tegen dergelijke misleidende praktijken beschermd.
Herkent u de beschreven praktijk waarbij callcenterverkopers bewust de schijn wekken een andere, betrouwbare, partij te representeren, waarmee de randen van het intellectueel handelsrecht worden opgezocht en soms ook overschreden?
Ik heb van dergelijke praktijken gehoord. Volgens Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is het een handelaar niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten te verrichten. Een oneerlijke handelspraktijk is bijvoorbeeld het verstrekken van onjuiste, misleidende of onvolledige informatie. Voor ondernemers biedt de Wet strafbaarheid acquisitiefraude hier bescherming.
Op welke wijze kan de ACM beter worden ondersteund bij het handhaven van de bestaande regelgeving, bijvoorbeeld door een plicht tot het bewaren van gesprekken door bedrijven?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een Bel-me-wel Register, waarbij particulieren en zzp’ers net zoals bij de ja/ja-sticker voor reclamedrukwerk pas na een actieve keuze door telemarketeers kunnen worden benaderd, ergernissen kan voorkomen en het verkopers lastiger maakt om de wet te omzeilen? Bent u bereid actie te ondernemen om te komen tot een dergelijk register?
In mijn consumentenagenda heb ik een opt-in regime aangekondigd. Dit betekent dat ik werk aan een wetsvoorstel waardoor natuurlijke personen straks alleen nog maar gebeld mogen worden als zij daar expliciet toestemming voor hebben gegeven. Dit maakt naar mijn mening een specifiek Bel-me-wel Register overbodig.
Het bericht dat Poetin paspoorten uitdeelt aan inwoners van separatistengebieden in Oost-Oekraïne |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
De ontheffing voor het doodschieten van onder andere de das, eekhoorn, haas, konijn, ree, wild zwijn, steenmarter, vos en 22 vogelsoorten op het terrein van Twente Airport |
|
Femke Merel Arissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Faunabeschermers schrikken van ontheffing doden dieren bij vliegveld Twente»1 en «Rechtszaak over toestaan jacht beschermde diersoorten bij Vliegveld Twente»?2
Ja.
Kent u het verzoek van de Faunabescherming om vooruitlopend aan de rechtszaak een ordemaatregel te treffen, die zou moeten inhouden dat de ontheffing niet geldig is tot de uitspraak in de voorlopige voorziening?
Ja.
Bent u bereid om uw morele steun uit te spreken voor dit verzoek? Zo nee, waarom niet?
Een ontheffing is van kracht zodra de aanvrager hem heeft ontvangen. Na verlening is er gedurende een periode van zes weken voor partijen gelegenheid om bezwaar in te dienen. Enkele partijen hebben daarvan gebruikgemaakt. Eén van deze partijen, Stichting De Faunabescherming, heeft een verzoek om schorsing («voorlopige voorziening») ingediend. Dit verzoek om schorsing is later weer ingetrokken. Tevens heeft De Faunabescherming een verzoek gedaan om een ordemaatregel te treffen, waarbij zij de voorzieningenrechter heeft verzocht de ontheffing te schorsen totdat een uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan. Het verzoek om deze ordemaatregel is door de voorzieningenrechter op 25 april 2019 afgewezen.
Het bevoegd gezag voor het nemen van beslissingen over ontheffingen voor het vangen en doden van dieren is in de Wet natuurbescherming bij de provincies belegd. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen die de provincies bij het nemen van die beslissingen maken.
Ik merk daarbij op dat de provincie mij zeer onlangs heeft laten weten dat de verleende ontheffing op verzoek van de aanvrager zal worden ingetrokken.
Erkent u dat vliegtuigen een steeds groter veiligheidsprobleem zijn voor de levens van diverse diersoorten? Zo nee, waarom niet?
Voor het borgen van de vliegveiligheid moeten op luchthavens, conform internationale voorschriften, maatregelen worden genomen om het risico op botsingen met dieren te voorkomen, indien dit risico zich voordoet. Dit is onafhankelijk van de hoeveelheid verkeer. Met een toename van het vliegverkeer kan het aantal aanvaringen met vogels en andere dieren toenemen.
Deelt u de stelling van Harm Niesen van de Faunabescherming dat er «beschermde diersoorten op de lijst staan en dat niet wordt onderbouwd waarom die de vliegveiligheid in gevaar brengen, terwijl dat volgens hem «heel duidelijk moet worden aangetoond»»? Zo nee, waarom niet?
Zie de laatste alinea van het antwoord op vraag 3.
Erkent u dat alle dieren die kunnen graven of vliegen binnen een mum van tijd binnen zijn op het terrein van Twente Airport?
Het is juist dat dieren die kunnen vliegen, klimmen of graven in staat zijn het terrein van Twente Airport te bereiken. Deze dieren kunnen/zullen om die reden dan ook worden verjaagd of gevangen en buiten het hek rond het vliegterrein worden vrijgelaten. De provincie Overijssel, bevoegd gezag voor de verleende ontheffing, heeft mij laten weten dat het hekwerk rond de vliegbanen, waarvoor de ontheffing geldt, iedere twee dagen gecontroleerd wordt op functionaliteit, teneinde zoveel mogelijk te voorkomen dat dieren door gaten in of onder het hekwerk kruipen.
Klopt het dat de das is uitgezet in het gebied rond het vliegveld? Zo ja, erkent u dat het niet alleen onnodig wreed is om eerst dassen uit te zetten, om ze vervolgens dood te schieten, maar dat dit ook tegenstrijdig is met eerdere besluiten van de provincie Overijssel?
In 2016 zijn er jonge dassen uitgezet in het gebied rond het vliegveld Stichting Das & Boom. De landingsbaan en directe omgeving daarvan, binnen het hekwerk van het vliegveld, zijn niet bestemd als natuurlijk leefgebied voor de das of andere soorten die een gevaar op zouden kunnen leveren voor de vliegveiligheid. Als preventieve en werende maatregel wordt reeds gedurende vele jaren een verschralingsbeheer op de grasbanen toegepast om het gebied onaantrekkelijk te maken voor diersoorten die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van het vliegverkeer.
Indien een das toch op de landingsbanen komt, zal dit dier eerst worden verjaagd dan wel gevangen en buiten het terrein worden vrijgelaten. Slechts in het uiterste geval als de veiligheid van het vliegverkeer direct in gevaar komt, staat de ontheffing als ultimum remedium afschot toe.
Op basis waarvan is de uitspraak gebaseerd dat het slechts «eens in de tien jaar» nodig zou zijn om een das af te schieten?
Deze uitspraak is gedaan door een woordvoerder van de provincie Overijssel en laat ik voor rekening van degene die hem heeft gedaan.
Waaruit blijkt dat het uitgangspunt dat de beheerder «eerst moet proberen te verjagen en pas in een uiterste geval mag schieten» in de praktijk ook dusdanig wordt uitgevoerd?
Het is aan het bevoegd gezag, in casu de provincie, om toe te zien dat dit uitgangspunt in de praktijk wordt toegepast.
Hoe is de handhaving en controle op dit uitgangspunt precies ingericht?
Zie antwoord op vraag 9.
Wat is uw reactie op de twijfels van onder andere Gerard Berendsen van de Dassenwerkgroep Twente over een scherpe controle op deze ontheffing?
De provincie is het bevoegd gezag voor de naleving van ontheffingen voor het vangen en doden van dieren op basis van de Wet natuurbescherming. Ik heb er vertrouwen in dat de provincie het toezicht en de handhaving op een adequate wijze zal uitvoeren. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen die de provincie daarin neemt.
Hoe gaat u deze twijfels over een scherpe controle op deze ontheffing wegnemen?
Zie antwoord op vraag 11.
Hoe verhouden de aanvraagprocedure voor deze ontheffing en de inhoud van de ontheffing zelf zich tot de faunabeheerplannen rond andere Nederlandse luchthavens? Kunt u de verschillen en overeenkomsten toelichten?
In zijn algemeenheid stelt een faunabeheereenheid een faunabeheerplan op dat de gehele landelijke gebied van de provincie beslaat. Luchthavens worden soms wel en soms niet in een faunabeheerplan meegenomen. De faunabeheereenheid vraagt voor de uitvoering van het faunabeheerplan een ontheffing aan bij gedeputeerde staten.
In het Faunabeheerplan Overijssel 2014 – 2019 is het vliegveld Twente niet onder de werking van dit plan gebracht. Wel heeft de faunabeheereenheid afstemming gezocht met de vliegvelddirectie voor de uitvoering van het faunabeheer op de terreinen die tot vliegveld Twente behoren. De aanvraag om ontheffing voor Twente Airport is een onderdeel van het samenwerkingsverband Gemeenschappelijke Regeling Technology Base, deze heeft de aanvraag om ontheffing verzorgd.
Kunt u het juridische mandaat van de «Gemeenschappelijke Regeling Technology Base» toelichten op basis waarvan een verzoek tot een dergelijke ontheffing kon worden gedaan?
De Gemeenschappelijke Regeling Technology Base is een samenwerking tussen partijen bij de ontwikkeling van vliegveld Twente. Het juridische mandaat is gelegen in de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Deelt u de mening dat het een beter idee zou zijn om de ontheffing volledig in te trekken en te stoppen met het doodschieten van dieren ten faveure van de luchtvaartsector? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Gezien het belang dat met de veiligheid van de luchtvaart is gemoeid, is het helaas niet te voorkomen dat af en toe moet worden ingegrepen. Wel dienen dergelijke ingrepen worden tot het uiterst noodzakelijke te worden beperkt. Het is aan de provincies om daarbij een zorgvuldige afweging te maken.
Wat gaat u doen om de provincie Overijssel aan te moedigen om deze ontheffing in te trekken?
De provincie is ingevolge de Wet natuurbescherming het bevoegd gezag om beslissingen te nemen ten aanzien van ontheffingen voor het vangen en doden van dieren. Indien belanghebbenden zich niet kunnen verenigen met de inhoud van dergelijke beslissingen staat voor hen de weg naar de rechter open. Het is niet aan mij om te interveniëren in deze rechtsgang.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een onafhankelijke inspectie onderzoek zou moeten doen naar een brand |
|
Ronald van Raak |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Bent u het eens met de Vakvereniging voor Brandweervrijwilligers dat een onafhankelijke inspectie, onderzoek had moeten doen naar de brand in Hellevoetsluis? Zo nee, waarom niet?1
Nee. Naar aanleiding van de brand in Hellevoetsluis op 20 mei 2016 is door het bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond zelf onderzoek gedaan naar het incident. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft indertijd het onderzoeksrapport van de veiligheidsregio naar de brand in Hellevoetsluis bestudeerd. Een nader onderzoek achtte zij niet nodig.2
Het inspectierapport Inrichting repressieve brandweerzorg gaat in het regiobeeld Rotterdam-Rijnmond onder andere in op de voertuigbezetting in Hellevoetsluis.3 Geconcludeerd wordt dat «als een Snel interventievoertuig (SIV) wordt ingezet bovenop de bestaande brandweerzorg, dan wordt het niveau van brandweerzorg verbeterd en niet aangetast. Dit is het geval in Hellevoetsluis.»
Op basis hiervan acht ik een onderzoek door de Inspectie Justitie en Veiligheid nu niet nodig.
Bent u bereid de adviezen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid alsnog op te volgen en een onafhankelijke inspectie, onderzoek te laten doen bij branden in plaats van de veiligheidsregio, die zelf verantwoordelijk is? Zo nee, waarom niet?
Mij zijn geen adviezen van de Onderzoeksraad bekend over het laten verrichten van brandonderzoeken door een onafhankelijke inspectie in plaats van door de betreffende veiligheidsregio.
Dit laat onverlet dat ik het belangrijk vind dat veiligheidsregio’s zelf, juist passend bij de eigen verantwoordelijkheid, incidenten onderzoeken. De Inspectie Justitie en Veiligheid beziet in voorkomende gevallen of zij het nodig acht een eigen onderzoek in te stellen en/of zij een andere vorm van betrokkenheid heeft bij het onderzoek door de veiligheidsregio.
Worden de casussen in Weesp en Hellevoetsluis meegenomen in de evaluatie van de Wet Veiligheidsregio’s? Zo nee, waarom niet?
U bent op 19 maart 2019 geïnformeerd over de concept evaluatieopdracht van de commissie.4 Indien uw Kamer hierover vragen dan wel opmerkingen zou hebben, beantwoord ik deze graag in het kader van het schriftelijk overleg over de evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s. De evaluatie van de Wet veiligheidsregio’s zal worden uitgevoerd door een onafhankelijke commissie. De commissie stelt haar werkwijze vast en bepaalt zelf welke informatie zij bij de evaluatie betrekt.
Bent u bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de brand in Hellevoetsluis, waarbij ook de inzet van de variabele voertuigbezetting onderzocht wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer kan een reactie worden verwacht op de aangenomen motie waarin wordt gevraagd om een nieuw kader waarin wordt beschreven wanneer er mag worden afgeweken van een normale voertuigbezetting?2
Met mijn brief d.d. 11 februari jl. heb ik u mijn reactie gegeven op de motie Helder.6