De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Het bericht: ‘Trump administration probes UNRWA over alleged employment of 1,500 terrorists’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de regering-Trump een onderzoek is gestart naar de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) vanwege beschuldigingen dat duizenden medewerkers banden zouden hebben met terroristische organisaties, zoals Hamas?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe beschuldigingen tegen UNRWA?
Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Ik wil dan ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek. Navraag bij UNRWA levert op dat vooralsnog geen informatie is gedeeld over dit lopende onderzoek jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de opvatting dat ook de schijn dat Nederlands belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij personen met banden met terroristische organisaties volstrekt onacceptabel is?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.1 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen.
Welke garanties kunt u geven dat geen enkele euro Nederlands belastinggeld via UNRWA terechtkomt bij personen of organisaties die betrokken zijn bij terrorisme of terrorisme ondersteunen?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas. Uit het onafhankelijk onderzoek van Office of Internal Oversight Services (OIOS) naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA-medewerkers blijkt eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport2 over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Daarnaast neemt Nederland deel aan de werkgroep over neutraliteit en integriteit. Deze groep ziet nauw toe op de implementatie van de aanbevelingen.
Bent u bereid alle Nederlandse financiële bijdragen aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten conform dit mandaat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Op deze manier draagt UNRWA bij aan de stabiliteit in een onrustige regio. Verder is UNRWA essentieel in het bieden van humanitaire hulp in zowel Gaza als Libanon.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is sinds 7 oktober 2023 aan UNRWA verstrekt of toegezegd?
In totaal heeft Nederland in de periode sinds 7 oktober 2023 tot nu 63 miljoen euro bijgedragen aan UNRWA. Na 7 oktober heeft Nederland in 2023 een extra 18 miljoen euro bijgedragen gezien de hoge noden in de regio. In 2024, 2025 en 2026 heeft Nederland de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt, waarvan 2025 en 2026 conform amendement Stoffer/Eerdmans3.
Welke concrete controles voert Nederland uit om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld indirect ten goede komt aan terroristische organisaties?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Indien uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andere malversaties, zal het ministerie daartegen optreden.
Ook is Nederland lid van de verschillende bestuursorganen van VN-organisaties, waarbij wordt toegezien op het effectief functioneren van de organisaties.
Eveneens bestaat het Multilateral Organisation Performance Assessment Network (MOPAN), waar Nederland ook lid van is en in 2025 voorzitter van was. Dit netwerk ziet toe op de effectiviteit, transparantie en resultaten van multilaterale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, middels onafhankelijke doorlichtingen.
Bent u bereid toekomstige Nederlandse bijdragen aan UNRWA definitief af te schaffen indien de ernstige beschuldigingen (gedeeltelijk) worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.4 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Bent u bereid zich er in Europees- en internationaal verband voor in te zetten dat geen belastinggeld meer terechtkomt bij organisaties waarvan de neutraliteit ernstig ter discussie staat? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in contact met partners en andere lidstaten om te blijven toezien op de integriteit en neutraliteit van de hulpverlening.
Beschikt u of het kabinet over aanwijzingen dat sinds 7 oktober 2023 Nederlands overheidsgeld, direct of indirect, terecht is gekomen bij Hamas of aan Hamas gelieerde personen of organisaties, dan wel dat door Nederland gefinancierde humanitaire- of ontwikkelingshulp door Hamas is verduisterd, omgeleid of in beslag genomen? Zo ja, om welke bedragen, gevallen en maatregelen gaat het? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert het kabinet dat hiervan geen sprake is?
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die met de kamer op 11 oktober 2023 gedeeld is.5
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het ineenstorten van het middenhuuraanbod twee jaar na de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wet betaalbare huur blijkt na 2 jaar geen succes: «Er is letterlijk geen woning in de middenhuur te vinden»»?1
Ja.
Erkent u dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoering van de Wet betaalbare huur (WBH) en de in dit artikel beschreven aanbodkrimp en uitpondingsgolf?
Bij de invoering van de Wbh is rekening gehouden met meerdere uitpondscenario’s. Een deel van de huurwoningen die voorheen werd verhuurd in het vrije segment met een relatief hoge huurprijs vallen nu op basis van het puntenaantal in het middensegment. Verhuurders van deze woningen kunnen niet meer de huurprijs vragen die zij zelf willen, maar moeten een huurprijs vragen die in lijn is met de kwaliteit van de woning. Gelijktijdig met en vooraf aan de Wbh zijn zowel in het huur- als fiscale domein maatregelen genomen die de sector beïnvloeden, zoals de aanpassingen aan box 3, de verhoging van de overdrachtsbelasting, invoering van de opkoopbescherming en de afschaffing van de tijdelijke huurcontracten. Dit alles samen zorgt ervoor dat het voor een deel van de verhuurders nu niet meer aantrekkelijk genoeg en soms onrendabel is om te verhuren in het gereguleerde of vrije segment. Daarnaast spelen marktomstandigheden zoals hogere rentes en stijgende woningwaardes een rol in de keuze van verhuurders om woningen te verkopen.
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, schrijft u het gegeven dat de uitpondingsgolf exact samenvalt met de inwerkingtreding van de WBH dan toe aan toeval, en plaatst u deze ontwikkeling daarmee buiten de gevolgen van beleidsvoering?
Zie het antwoord op vraag 2.
Indien u de samenloop noch aan toeval, noch aan de WBH toeschrijft, welke verklaring resteert er volgens u dan voor het feit dat het uitpondingspercentage binnen één kwartaal na de inwerkingtreding van de WBH verdrievoudigde?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het eens dat de uitbreiding van het woningwaarderingsstelsel van 143 naar 186 punten de rendabiliteit van verhuur in dit segment per definitie verlaagt?
Of de huurinkomsten lager uitvallen zal voor bestaande gevallen afhangen van of de verhuurder vooraf aan de regulering van de middenhuur een huurprijs vroeg die in overeenstemming was met het WWS. Zo kan het zijn dat een verhuurder bijvoorbeeld € 800 huur per maand vraagt, terwijl het WWS € 1.000 per maand toelaat. In dergelijke gevallen vindt geen rendabiliteitsverlies plaats door het puntenstelsel uit te breiden naar 186 WWS-punten. Voor nieuwe middenhuur is regulering het uitgangspunt en wordt hiermee vooraf rekening gehouden met de rendabiliteit van de businesscase.
Erkent u dat een verhuurder wiens rendement door deze stapeling van maatregelen onder zijn kosten zakt, bedrijfseconomisch geen andere keuze heeft dan verkopen, en dat de uitpondingsgolf daarmee een voorzienbaar gevolg van overheidsbeleid is?
Ik deel die conclusie niet. De keuze van een verhuurder om een woning te verkopen is een individuele bedrijfseconomische afweging die afhankelijk is van de specifieke omstandigheden van de verhuurder en de betreffende woning. Daarbij, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, spelen verschillende factoren een rol, waaronder de huuropbrengsten, fiscale ontwikkelingen, onderhouds- en financieringskosten, de renteontwikkeling en de ontwikkeling van de woningwaarde. Zo komt het ook voor dat een verhuurder een woning niet meer rendabel kan verhuren en die doorverkoopt aan een andere verhuurder die daar wel een levensvatbare businesscase voor heeft. Voor verhuurders waarbij de businesscase niet langer uit kan, is uitponden een realistisch en met de invoering van de Wbh voorziene ontwikkeling. Om hen enige verlichting te bieden wil ik op korte termijn de optimalisatie van de Wbh in werking laten treden. Die biedt verhuurders enige verlichting op knelpunten bij verhuur binnen het betaalbare segment.
Deelt u de analyse dat huurders die door de aanbodkrimp geen middenhuurwoning meer kunnen vinden, noodgedwongen uitwijken naar de vrije sector?
De mogelijkheden van woningzoekenden zijn afhankelijk van verschillende factoren, zoals inkomen, beschikbaarheid van woningen en de regionale woningmarktsituatie. Tegelijkertijd is duidelijk dat een te grote groep mensen moeite heeft om een passende en betaalbare woning te vinden. Een te beperkt aanbod van betaalbare koop- en huurwoningen leidt ertoe dat er mensen zijn die zijn aangewezen op een woning die financieel zwaar op hen drukt. Daarom zet het kabinet in op het vergroten van het aanbod van betaalbare woningen, onder meer via de Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Ook beoog ik met de optimalisatie van de Wbh verlichting te bieden op specifieke knelpunten waar verhuurders last van hebben bij het verhuren binnen het betaalbare segment. Dit draagt bij aan de overweging niet te verkopen, maar door te blijven verhuren.
Hoe verhoudt de naam «Wet betaalbare huur» zich volgens u tot de realiteit dat een woningzoekende twee jaar na de invoering van deze wet 5.650 euro bruto per maand moet verdienen om voor een gemiddelde huurwoning in aanmerking te komen?
Het aangehaalde getal van € 5.650 euro per maand is gebaseerd op een rapportage van Pararius, een verhuurplatform waar voornamelijk vrije sectorhuurwoningen worden aangeboden. In dit rapport wordt gesteld dat huurders die in het tweede kwartaal van 2026 via dat platform en het platform huurwoningen.nl een vrijesectorwoning betrokken gemiddeld € 1.882 per maand kwijt waren aan de huurprijs. Verder wordt gesteld dat doordat verhuurders doorgaans tenminste drie keer maandhuur als bruto-inkomen vragen, er dus een bruto-inkomen van € 5.650 nodig is om voor deze huurwoning in aanmerking te komen.
Omdat het hier gaat om vrijesectorwoningen, en dan alleen die vrijesectorwoningen die via Pararius en huurwoningen.nl worden aangeboden, kan niet gesproken worden dat een inkomen van € 5.650 nodig is om voor een «gemiddelde huurwoning» in aanmerking te komen.
De Wbh heeft als doel huurders beter te beschermen tegen te hoge huren door de maximale huurprijzen voor middenhuurwoningen te koppelen aan de kwaliteit van de woning. Daarmee draagt de wet bij aan balans tussen huurprijs en kwaliteit van de woning in het gereguleerde segment en zorgt het ervoor dat deze woningen betaalbaar blijven voor de lage- en middeninkomens. Het gereguleerde segment reikt exclusief prijsopslagen tot € 1.228 per maand. Huurders die op basis van hun inkomen of beschikbaarheid niet terecht kunnen in dit segment, zijn aangewezen op de vrije sector de huurprijzen waar per definitie hoger liggen.
Erkent u dat de beoogde doelgroep van de WBH – huishoudens met een middeninkomen – per saldo niets aan de wet heeft gehad, aangezien de uitgeponde middenhuurwoningen zijn gekocht door huishoudens die zich een koopwoning wél konden veroorloven?
Een deel van de uitgeponde huurwoningen zijn handen van middeninkomens gekomen die daardoor niet langer op zoek zijn naar een (midden)huurwoning. Het grootste deel van de uitgeponde woningen ligt qua koopprijs onder de betaalbaarheidsgrens. Dit is voor een deel van de middeninkomens betaalbaar. Daarnaast betrof een deel van de verkochte woningen huurwoningen die vóór de invoering van de wet weliswaar als middenhuurwoning konden worden aangemerkt op basis van hun kwaliteit (WWS-punten), maar in de praktijk tegen huurprijzen in het vrije segment werden verhuurd. Daardoor waren deze woningen voor veel huishoudens met een middeninkomen feitelijk niet betaalbaar en vervulden zij niet de functie van betaalbare middenhuur. In die gevallen kan niet worden geconcludeerd dat de doelgroep van de wet een betaalbare middenhuurwoning is misgelopen. Dat sommige van deze woningen vervolgens zijn verkocht aan eigenaar-bewoners betekent niet dat de doelgroep per saldo niets aan de wet heeft gehad. De wet beoogt betaalbare huurwoningen beschikbaar te maken en te behouden voor middeninkomens, terwijl de effecten op de woningvoorraad afhankelijk zijn van uiteenlopende factoren en zich niet laten reduceren tot uitsluitend de verkoop van woningen.
Desondanks ben ik niet blind voor de verkoop van huurwoningen. Het is contraproductief als betaalbare huurwoningen verkocht worden, terwijl de voorraad juist vergroot moet worden. Daarom wil ik met een optimalisatie van de wet een aantal knelpunten voor verhuurders wegnemen. Tijdens de evaluatie van de Wbh zal verder onderzoek worden gedaan naar de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. In het Wetsvoorstel is destijds opgenomen dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnen 5 jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag zendt hiervan. De aangenomen Motie-Van Rooijen (50PLUS)2 verzoekt om dit verslag na 3 jaar toe te sturen in plaats van na 5 jaar. Daarom ontvangt uw Kamer deze evaluatie uiterlijk 1 juli 2027.
Hoe beoordeelt u het in het bericht beschreven voorbeeld van een Amsterdamse verhuurder die zijn 50 uitgeponde woningen naar eigen zeggen voornamelijk aan expats heeft verkocht en hoe verhoudt dit zich tot de Nederlandse stellen met twee inkomens in diezelfde stad die een woonruimte mislopen?
Het in het artikel aangehaalde voorbeeld van een individuele verhuurder die heeft besloten zijn woningen te verkopen, laat zien dat sommige verhuurders hun portefeuille heroverwegen als gevolg van gewijzigde marktomstandigheden. Daaruit kan echter niet worden geconcludeerd dat de Wbh op zichzelf de oorzaak is van deze verkoopbeslissing of dat dergelijke keuzes representatief zijn voor de gehele verhuurmarkt.
Bij de verkoop van een woning staat het een verkoper op grond van het recht van gunning vrij om de woning te verkopen aan de kandidaat die het meest aantrekkelijke bod uitbrengt. Uit eerder onderzoek van de NVM3 blijkt dat expats relatief vaak een voorkeur hebben voor een woning in Amsterdam vanwege de werkgelegenheid in die regio. Daarnaast beschikken zij gemiddeld genomen over een hoger budget dan Nederlandse woningzoekenden. Dit hangt onder meer samen met het feit dat expats gemiddeld een hoger inkomen hebben en bij hun woningkeuze andere afwegingen kunnen maken ten aanzien van de prijs.
Bij het uitponden van huurwoningen in Amsterdam kan hierdoor de kans toenemen dat deze woningen worden verkocht aan expats. Dit betekent echter niet dat uitgeponde huurwoningen in de praktijk uitsluitend of hoofdzakelijk aan expats worden verkocht. Ook andere woningzoekenden kunnen deze woningen verwerven, afhankelijk van de biedingen en de omstandigheden op de lokale woningmarkt.
Kunt u aangeven hoeveel extra huishoudens er jaarlijks door immigratie een beroep doen op de Nederlandse huurmarkt, en hoe u deze structurele vraagtoename beoordeelt in het licht van het door uw beleid krimpende aanbod?
Immigranten die naar Nederland verhuizen oefenen vraag uit op de koop- en huursector. Welk aandeel in de huurwoningvraag het gevolg is van immigratie is niet goed te onderscheiden. Dit komt bijvoorbeeld doordat studie- en arbeidsmigranten vaak woningen delen of voor een deel gezinsmigranten zijn en intrekken bij een bestaand huishouden. Ook is er geen volledig beeld van de EU-migranten die tijdelijk in Nederland verblijven.
Erkent u dat het gros van de versoepelingen van de WBH die u op 20 april 2026 aankondigde er op neerkomen dat woningen een hogere puntentelling en daarmee een hogere maximumhuurprijs krijgen of zelfs in de vrije sector terechtkomen?
De maatregelen die zijn genomen ter optimalisatie van de Wbh richten zich vooral op woningen in de steden. Met deze optimalisatie wil ik gerichte knelpunten aanpakken die verhuurders ervaren en daarmee verlichting bieden voor deze verhuurders, zonder het fundamenteel wijzigen van het systeem. De meeste maatregelen zorgen niet voor liberalisatie, omdat het puntenaantal in beperkte mate toeneemt, de puntentoename van toepassing is op woningen die niet in de buurt komen van de liberalisatiegrens of er sprake is van een prijsopslag waarmee wel hogere huren maar geen punten worden toegekend.
Als gevolg van deze maatregelen wordt voor een aantal huurwoningen de maximaal te vragen huurprijs hoger, maar in lopende huurcontracten kan de huurprijs van de zittende huurder niet in een keer worden verhoogd naar het nieuwe maximum. De maximale jaarlijkse huurverhoging beschermt de zittende huurder. Daarnaast kan een huurwoning bij een lopend huurcontract niet liberaliseren, ook niet als het puntenaantal van de huurwoning toeneemt. De huurprijs bij aanvang van de huurovereenkomst is namelijk leidend voor het segment waartoe een woning behoort. Een huurder in een gereguleerde huurwoning blijft dus huurprijsbescherming houden. Voor nieuwe huurcontracten geldt het nieuwe maximum wel direct. Echter, de wet kent alleen maximale huurprijsgrenzen. De huurder en de verhuurder kunnen bij aanvang van de huurovereenkomst een lagere huurprijs afspreken. De maatregelen kúnnen leiden tot een hogere aanvangshuurprijs bij nieuwe huurcontracten, maar dat hoeft niet per definitie zo te zijn.
Erkent u dat u met deze versoepelingen dus méér marktwerking en huurprijzen die dichter bij de marktprijs liggen inzet als remedie tegen de door de WBH veroorzaakte aanbodkrimp?
Voor de gereguleerde huurwoningen waarvoor ten gevolge van de maatregelen de maximale huurprijsgrenzen omhoog mogen, is niet de marktprijs het uitgangspunt, maar het bieden van verlichting ten aanzien van knelpunten die ervaren worden door vooral particuliere verhuurders. Zo beoog ik ook, via wetswijziging, tijdelijke huurcontracten voor alle studenten mogelijk te maken. Daarnaast moet ingezet worden op een verbetering van het algemene investeringsklimaat voor verhuurders. Dat doe ik via de Taskforce Versnelling Woningbouw. Het in gevallen toelaten van een hogere maximale huurprijsgrens is dus slechts een deel van de oplossing om (midden)huurwoningen te behouden. Daar zit vanzelfsprekend een limiet aan, omdat de betaalbaarheid voor lage en middeninkomens bewaakt dient te worden.
Indien het antwoord op vraag 13 bevestigend luidt, erkent u daarmee dan impliciet dat de prijsmaximering – de kern van de WBH – zelf de oorzaak van de aanbodkrimp is, en ondergraaft u zodoende niet de bestaansreden van de wet in zijn geheel?
Prijsmaximering zie ik niet als de kern van de Wbh. Het gaat daarbij over het in balans brengen van prijs en kwaliteit voor een middenhuurwoning, zodat die ook betaalbaar is voor middeninkomens. Tegelijkertijd wordt de huurprijsbescherming voor huurders versterkt. Voor gevallen waarin te duur verhuurd werd, zou een verhuurder kunnen beslissen te verkopen in plaats van door te gaan met verhuren voor een prijs die wel in balans is met de kwaliteit van de huurwoning. Dat is met de invoering van de Wbh voorzien en zien we nu als één van de effecten kort na de invoering van deze wet.
Overigens stegen de huurprijzen voor de invoering van de Wbh in 2024 van huurwoningen al jaren hard als gevolg van krapte op de markt. Bij een bewonerswisseling werden de woningen steeds vaker in het hogere segment verhuurd. Hierdoor was het middenhuursegment structureel aan het krimpen. Mensen met een middeninkomen komen niet in aanmerking voor sociale huur, maar waren ook slecht staat een betaalbare huurwoning in het vrije segment te vinden. Om deze ontwikkeling tegen te gaan, is gekozen om het middensegment te reguleren zodat de huurprijzen van deze middenhuurwoningen niet nog verder zouden stijgen. Het doel hiervan is dat de woningen betaalbaar blijven voor de middeninkomens. Gelijktijdig met en vooraf aan de Wbh zijn zowel in het huur- als fiscale domein maatregelen genomen die de sector beïnvloeden, zoals de aanpassingen aan in box 3, de verhoging van de overdrachtsbelasting, invoering van de opkoopbescherming en de afschaffing van de tijdelijke huurcontracten. Daarnaast spelen marktomstandigheden zoals hogere rentes en stijgende woningwaardes een rol in de keuze van verhuurders om woningen te verkopen.
Indien prijsmaximering aantoonbaar tot aanbodkrimp leidt en u deze om die reden zelf reeds versoepelt, waarom kiest u dan niet voor het intrekken van de wet, waardoor de marktverstoring structureel verholpen zou worden?
Zie antwoord vraag 14. Zonder de Wbh worden woningen die kwalitatief gezien in het middensegment thuishoren, vanwege de schaarste aan huurwoningen qua huurprijs in het hogere segment verhuurd. Dit zorgde ervoor dat het voor middeninkomens steeds lastiger werd om een betaalbare middenhuurwoning te vinden.
Bent u voornemens het puntenstelsel of de bijbehorende maximumprijzen in de toekomst zodanig aan te passen dat nog méér huurwoningen onder een prijsmaximum komen te vallen? Zo ja, waarom?
Ik ben op dit moment niet voornemens het maximale puntenaantal voor gereguleerde huurwoningen of de daarbij behorende maximale huurprijs te verhogen, waardoor meer huurwoningen onder het gereguleerde segment zouden vallen. Ik hecht er nu eerst belang aan de Wbh grondig te evalueren voordat het debat wordt gevoerd of de wet moet worden aangepast of niet. In plaats daarvan zet ik nu in op het vergroten van het aanbod van betaalbare huurwoningen, onder meer door de Wet versterking regie op de volkshuisvesting en door het investeringsklimaat voor woningbouw te verbeteren via het actieplan van de taskforce versnellen woningbouw dat bij Prinsjesdag wordt gepresenteerd.
Bent u bereid om bij de evaluatie van de WBH het volledig intrekken van de wet als volwaardig scenario mee te nemen, en zo nee, waarom niet?
Op dit moment ga ik niet vooruitlopen op de uitkomsten van de evaluatie van de Wbh. Ik wacht de resultaten van deze evaluatie af en zal mijn standpunt mede daarop baseren.
Kunt u aangeven bij welke omvang van de aanbodkrimp u de WBH wél als mislukt zou beschouwen?
Ik acht het niet wenselijk om vooraf een specifieke omvang van de aanbodkrimp te noemen waarbij de Wbh als geslaagd of mislukt zou moeten worden beschouwd. De wet wordt integraal geëvalueerd op de effecten voor zowel huurders als verhuurders, waaronder de ontwikkeling van het huuraanbod. Op basis van die evaluatie zal ik beoordelen in hoeverre de wet haar doelstellingen bereikt en of bijsturing nodig is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel te ontvangen»?2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei 2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat, welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen, waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee, gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van vervalsing?4
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat, terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie in deze kwestie geen partij zou zijn?
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden om medewerkers de mond te snoeren?5
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd, waarom dan wel tegen betrokkene?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat moment?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap, de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers, om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo nee waarom niet?
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700 e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari 2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Zie het antwoord op vraag 22.
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie» wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger, de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daar aan?
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft? Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen dat er geen gevolgen zouden zijn?
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische) onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie daartoe kunnen aanwenden?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens, verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens zijn verdwenen15 garanderen dat er geen: aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd, of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit maar aan te tonen zijn?
Zie het antwoord op vraag 29.
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Ja, zie bijlage.
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde «aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover met de Kamer delen?
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja, wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 36.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»17 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn hieraan verbonden?
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daar aan?
Zie het antwoord op vraag 38.
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen nadrukkelijk is genoemd18? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde «appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op 5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee19? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee waarom niet?
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op 30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende20?
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en zo nee waarom niet?
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag, gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee, waarom niet?
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
De stijgende huurprijzen en het krimpende aanbod in de vrije huursector |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor gemiddelde vrije sectorhuurwoning is maandinkomen van 5.650 euro nodig»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de huurprijzen per vierkante meter in de vrije sector in het tweede kwartaal van 2026 met circa vijf procent stegen ten opzichte van een jaar eerder, harder dan zowel de inflatie als de prijzen van koopwoningen?
De vierkantemeterprijs voor huurwoningen in de vrije sector is gestegen in het tweede kwartaal van 2026 ten opzichte van een jaar eerder. De vierkantemeterprijs voor huurwoningen zit al sinds 2015 in de lift.2 Dit is het gevolg van algehele schaarste aan woningen. Deze stijgende trend is de aanleiding geweest voor de Wet betaalbare huur. Het doel van deze wet is dat woningen die kwalitatief gezien thuishoren in het middensegment, ook verhuurd worden voor een middenhuurprijs en dus niet doorstijgen naar het vrije huursegment.
De cijfers in deze vraag zijn gebaseerd op informatie uit een rapport van verhuurplatform Pararius, en hebben betrekking op de huur- en verhuur via dit platform en huurwoningen.nl. Hoewel Pararius een grote aanbieder van huurwoningen is, is het geen volledige representatie van de (vrije) huursector.
Deelt u de analyse dat de Wet betaalbare huur een afname van het huuraanbod in het gereguleerde middensegment veroorzaakt, waardoor huurders noodgedwongen uitwijken naar de vrije sector, met prijsstijgingen aldaar tot gevolg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse dat het uitponden druk zet op het aanbod aan huurwoningen. De reden dat verhuurders besluiten hun woningen te verkopen, is een combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro)-economische omstandigheden (zoals de gestegen rente en sterk toegenomen woningwaarden). Bij invoering van de Wet betaalbare huur is rekening gehouden met het gevolg dat huurwoningen verkocht worden, wat nu is terug te zien in de cijfers. Om het aantal uitpondingen te dempen, wordt de Wet betaalbare huur per 1 januari 2027 geoptimaliseerd. Daarnaast komt het kabinet in september vanuit de Taskforce Versnellen Woningbouw met een integraal actieplan om het aanbod aan betaalbare huurwoningen toe te laten nemen.
Erkent u dat de stapeling van de gestegen box 3-heffing, de overdrachtsbelasting voor beleggers en de Wet vaste huurcontracten het verhuren van woningen structureel minder rendabel heeft gemaakt?
De combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde (macro-)economische omstandigheden hebben geresulteerd in een verslechterd investeringsklimaat voor private verhuurders. Dit heeft ertoe geleid dat sommige verhuurders besluiten hun woningen te verkopen. Het is op dit moment niet mogelijk onderscheid te maken tussen het effect van individuele maatregelen.
Zo nee, hoe verklaart u dan de structurele afname van vrije sector huurwoningen?
N.v.t.
Deelt u de zorg dat het huidige fiscale en huurrechtelijke regime kleine lokale verhuurders van de markt drukt, terwijl grote buitenlandse beleggingsfondsen met schaalvoordelen en goedkopere financiering wél overeind blijven, waardoor de Nederlandse huurmarkt mogelijk consolideert in buitenlandse handen?
Grotere verhuurders, vooral wanneer zij geprofessionaliseerd te werk gaan, kunnen sneller schaalvoordelen behalen dan kleinere verhuurders. Dat geldt voor zowel Nederlandse als buitenlandse verhuurders. Tegelijkertijd heeft de combinatie aan maatregelen in het huur- en fiscale beleid en veranderde macro-economische omstandigheden niet alleen geresulteerd in een verslechterd investeringsklimaat voor de kleine lokale verhuurders, maar ook voor buitenlandse beleggingsfondsen. Alle soorten goede verhuurders zijn welkom in Nederland. We hebben immers te maken hebben met een tekort aan huurwoningen. Ik zet daarom in op een verbetering van het investeringsklimaat voor zowel de kleine lokale verhuurders als voor de buitenlandse beleggingsfondsen. De optimalisatie van de Wet betaalbare huur met beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2027 biedt verlichting op specifieke knelpunten die voornamelijk worden ervaren door particuliere verhuurders.
Kunt u aangeven welk aandeel van de Nederlandse huurvoorraad inmiddels in handen is van grote institutionele en buitenlandse beleggers, en hoe dit aandeel zich de afgelopen 10 jaar heeft ontwikkeld?
Uit de Kadastercijfers volgt dat op dit moment ca. 6% van de totale woningvoorraad in hand is van bedrijfsmatige investeerders. Institutionele investeerders zijn onderdeel van deze categorie. In 2017 was dit aandeel volgens de cijfers van het Kadaster ca. 8%. Van eerdere jaren is geen data beschikbaar. In deze data wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders.
Cijfers van Capital Value geven wel inzicht in het aantal internationale beleggers op de woningmarkt. Uit hun onze analyse blijkt dat internationale beleggers in het eerste halfjaar van 2026 ongeveer 72.355 woningen in bezit hadden. Hiervan waren 49.485 woningen in handen van internationale institutionele beleggers. Over een langere periode ziet Capital Value dat het bezit van internationale beleggers is toegenomen van ongeveer 45.304 woningen in 2019 naar 79.762 woningen in 2024. Voor internationale institutionele beleggers groeide het bezit in dezelfde periode van ongeveer 32.400 naar 55.100 woningen. Sinds 2024 zien zij dat het bezit van internationale beleggers afneemt. Als wordt gekeken naar het aandeel investeringen in nieuwbouw blijkt dat het aandeel van buitenlandse private investeerders in nieuwbouw in 2025 1% is.3 In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders nog uit het buitenland. Het langjarig gemiddelde van dit aandeel ligt op 26%.
Hoe verklaart u dat een huishouden dat geacht wordt maandelijks de gemiddelde vrije sector huurprijs van 1.882 euro te kunnen dragen, volgens de geldende leennormen veelal geen hypotheek met vergelijkbare maandlasten kan krijgen voor diezelfde woning?
Er zijn belangrijke verschillen tussen een koopwoning en een huurwoning. De financiële en vermogensrisico’s zijn groter bij een koopwoning, mede omdat de hiervoor afgesloten hypotheek een langlopende financiële verplichting is. Daarnaast heeft een eigenaar-bewoner ten opzichte van een huurder bijkomende kosten voor onderhoud, belastingen en verzekeringen. De maandlasten van een huur- en koopwoning zijn dus niet één-op-één vergelijkbaar. Uit de pilot duurhuur van NHG (zie ook hieronder bij het antwoord op vraag4 bleek dat de inkomensnormen overigens vaak geen belemmering zijn voor huishoudens om door te stromen van een huur- naar een koopwoning. Indien de inkomensnormen wel een belemmering vormen, kan in individuele situaties onderbouwd worden afgeweken van deze normen door middel van maatwerk. Er wordt dan gekeken naar de gehele financiële situatie van de consument, zodat de hypotheeklasten verantwoord zijn. De huurgeschiedenis kan een onderdeel van deze onderbouwing zijn, indien rekening gehouden wordt met bijkomende kosten.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de uitvoering van de aangenomen motie-Russcher (Kamerstuk 32 847, nr. 1415) over een pilot waarbij starters op basis van minimaal drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur?
De motie Russcher (26 maart 2026) verzoekt de regering om een pilot op te zetten waarbij starters op basis van minimaal drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur.
Per 20 mei 2026 is NHG gestart met de pilot Maatwerk. Het doel van de pilot is te onderzoeken hoe binnen bestaande wettelijke kaders meer ruimte kan worden geboden voor verantwoord maatwerk. Het gaat om verschillende typen maatwerkcasussen, waarbij de focus ligt op situaties waarin de standaardregels onbedoeld knellen. Binnen de pilot verwacht NHG tussen de 100 en 500 dossiers te behandelen in een looptijd van minimaal 1 en maximaal 3 jaar. NHG werkt in deze pilot samen met ASN Bank, Florius, NIBC, Obvion Hypotheken, de Hypotheekshop (Ingage-Aetos) en Vereniging Eigen Huis. Gedurende de pilot kunnen andere kredietverstrekkers en adviespartijen nog toetreden tot de pilot. In deze pilot Maatwerk kunnen hoge huurlasten wel gebruikt worden als onderdeel van de motivering om een hogere hypotheek te krijgen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Russcher van 26 maart jl.
Daarnaast wil ik opmerken dat maatwerk op basis van huurlasten in het verleden vaak is besproken met de sector en de Autoriteit Financiële Markten. De conclusie hieruit is dat hoge huurlasten een onderdeel van de onderbouwing voor extra leenruimte kunnen zijn, maar dat daarnaast altijd extra onderbouwing nodig is. Zo moet bijvoorbeeld de huur al langere tijd betaald zijn en moet het vermogen van de consument niet zijn afgenomen. Ook moet rekening worden gehouden met onderhoudskosten/belastingen die een huurder niet hoeft te betalen, maar iemand met een koopwoning wel. Geconcludeerd is dat een hogere hypotheek verstrekken enkel op basis van iemands huidige huurlasten niet verantwoord is. Daarom kijken NHG en de andere deelnemers van de pilot maatwerk ook breder dan alleen huurlasten.
Tot slot: de mogelijkheden om verantwoord meer leenruimte te krijgen op basis van de huidige huurlasten is eerder onderzocht. Zo is NHG, als uitkomst van het Platform Hypotheken, in 2022 gestart met een pilot duurhuur die tot eind 2023 heeft gelopen. In de pilot kon, binnen de kaders van verantwoorde kredietverlening, op basis van de huidige huurlasten een hogere hypotheek worden aangevraagd. Tijdens de pilot bleek dat enkele honderden zogenaamde duurhuurders een hypotheekaanvraag hadden ingediend die veelal binnen de reguliere leennormen een hypotheek konden afsluiten. De pilot was dus geen oplossing voor de consument met een hoge huur. Tijdens de pilot bleek dat veel starters denken dat ze niet de benodigde hypotheek kunnen krijgen omdat ze vaak het maximale leenbedrag berekenen via online rekentools of baseren op oude informatie. In totaal zijn in de pilot duurhuur maar zeven «duurhuur» hypotheken afgesloten, waarbij de huur als onderbouwing werd aangedragen. Dit aantal was zo laag dat NHG met de deelnemende kredietverstrekkers besloten heeft om deze pilot te stoppen.
Op welke termijn verwacht u deze pilot in overleg met financiële instellingen en toezichthouders te starten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 is de pilot maatwerk NHG per 20 mei 2026 van start gegaan.
Kunt u aangeven hoeveel extra huishoudens er jaarlijks door immigratie een beroep doen op de Nederlandse huurmarkt, en hoe deze vraagtoename zich verhoudt tot het krimpende aanbod?
Immigranten die naar Nederland verhuizen oefenen vraag uit op koop- en de huursector. Welk aandeel in de huurwoningvraag het gevolg is van immigratie is niet goed te onderscheiden. Dit komt bijvoorbeeld doordat studie- en arbeidsmigranten vaak woningen delen of voor een deel gezinsmigranten zijn en intrekken bij een bestaand huishouden. Ook is er geen volledig beeld van de EU-migranten die tijdelijk in Nederland verblijven.
Bent u bereid de Wet betaalbare huur, de box 3-heffing op verhuurd vastgoed, de overdrachtsbelasting voor beleggers en de Wet vaste huurcontracten in samenhang te laten evalueren op hun cumulatieve effect op het huuraanbod en de huurprijzen? Zo nee, waarom niet?
De evaluatie van de Wet betaalbare huur zal uiterlijk 1 juli 2027, drie jaar na inwerkingtreding, aan uw Kamer worden toegezonden. Hierbij worden de effecten van de wet op doelmatigheid en doeltreffendheid onderzocht. De wet wordt geëvalueerd in de context waarin die in werking is getreden, maar is geen evaluatie van de Wet vaste huurcontracten of de werking van de huidige box 3-heffing.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat een huurder met twee koopappartementen in een sociale huurwoning mag blijven |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechter zet streep door ontruiming: man met twee koopappartementen mag in sociale huurwoning blijven»?1
Hoe beoordeelt u deze situatie waarin een huurder die eigenaar is van twee koopappartementen toch in zijn sociale huurwoning kan blijven wonen, terwijl honderdduizenden woningzoekenden jarenlang niet aanmerking komen voor een (sociale huur-) woning?
In hoeverre deelt u de opvatting dat sociale huurwoningen in de eerste plaats bedoeld zijn voor huishoudens die (financieel) niet in staat zijn zelfstandig in hun huisvesting te voorzien en dat het onwenselijk is dat personen met een substantieel vermogen een sociale huurwoning bezet houden? Zo nee, waarom niet?
Weet u hoeveel sociale huurwoningen worden bewoond door mensen die daarnaast eigenaar zijn van één of meerdere woningen of beschikken over vermogen dat ruim boven de nog in te voeren vermogensgrens ligt? Zo ja, hoe veel woningen zijn dit? Zo niet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Klopt het dat woningcorporaties in dergelijke gevallen op dit moment slechts beperkt mogelijkheden hebben om een huurovereenkomst te beëindigen? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Wat is de stand van zaken van de in het coalitieakkoord aangekondigde invoering van de eenmalige vermogenstoets en de jaarlijkse inkomenstoets bij sociale huurwoningen? Indien sprake is van vertraging, wat is daarvan de oorzaak?
Bent u bereid in de toekomst een herhaaldelijke vermogenstoets te verkennen voor sociale huurders die na intrekking in de woning aanzienlijk vermogen opbouwen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te bezien of woningcorporaties een expliciete wettelijke grondslag kunnen krijgen om de huur te beëindigen indien een huurder beschikt over voldoende vermogen en daarmee redelijkerwijs zelf in zijn huisvesting kan voorzien?
Welke andere maatregelen acht u noodzakelijk om ervoor te zorgen dat sociale huurwoningen daadwerkelijk beschikbaar blijven voor huishoudens die daarop zijn aangewezen en niet worden bezet door mensen die over aanzienlijke vermogens beschikken?
Bent u bereid de Kamer vóór de begrotingsbehandeling Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te informeren over de voortgang van de invoering van de vermogenstoets en andere maatregelen om scheefwonen effectiever tegen te gaan?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Het artikel “Regering-Trump start campagne om Internationaal Strafhof Den Haag te isoleren” |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft de regering van de Verenigde Staten de Nederlandse regering op de hoogte gesteld van het plan om het internationaal strafhof (ICC) te isoleren?1
Welke gevolgen kunnen de Amerikaanse maatregelen hebben voor medewerkers van het Internationaal Strafhof en hun gezinsleden, bijvoorbeeld wanneer banken hun rekeningen blokkeren, creditcards worden ingetrokken, verzekeraars hun dienstverlening beëindigen of digitale dienstverleners hun e-mail-, cloud- of telefoonvoorzieningen afsluiten? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat medewerkers van het Hof hierdoor niet meer in hun dagelijkse levensbehoeften kunnen voorzien?
Hoe beschermt u medewerkers van het Internationaal Strafhof tegen reisbeperkingen en andere vormen van persoonlijke intimidatie, bijvoorbeeld wanneer zij geen visum meer krijgen, niet via Amerikaanse luchthavens kunnen reizen, familieleden niet kunnen bezoeken of worden geconfronteerd met dreiging, doxing of online intimidatie? Welke praktische en consulaire ondersteuning kan Nederland hen in dergelijke gevallen bieden?
Bent u het ermee eens dat deze campagne op gespannen voet staat met de plicht van Nederland als gastland om het ICC, diens rechters, aanklagers en medewerkers adequate bescherming te bieden, zodat zij onafhankelijk en ongestoord hun werk kunnen doen? Welke concrete risico’s brengt deze Amerikaanse campagne volgens u met zich mee voor de nakoming van de verplichtingen van Nederland als gastland?
Verwerpt u de kwalificatie van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat het Internationaal Strafhof en landen die het Hof ondersteunen een «oorlog» tegen de Verenigde Staten zouden voeren? Zo ja, bent u bereid dat ook rechtstreeks en publiekelijk tegenover de Amerikaanse regering duidelijk te maken?
Heeft de Amerikaanse regering Nederland gevraagd of onder druk gezet om de politieke, diplomatieke, financiële, juridische of praktische steun aan het Internationaal Strafhof te verminderen? Zo ja, welke middelen of mogelijke consequenties zijn daarbij genoemd?
Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van Amerikaanse druk zijn financiering, samenwerking, rechtshulp of overige steun aan het Internationaal Strafhof zal verminderen?
Welke concrete noodmaatregelen zijn voorbereid voor het geval de Verenigde Staten sancties instellen tegen het Hof als organisatie, of Amerikaanse ondernemingen en financiële instellingen verbieden diensten aan het Hof te verlenen? Kunt u daarbij afzonderlijk ingaan op bancaire dienstverlening, betalingen, verzekeringen, IT- en clouddiensten, telecommunicatie en internationaal reizen?
Wat is de huidige stand van zaken van de Nederlandse inzet voor Europese tegenmaat regelen, waaronder toepassing of uitbreiding van het Europese Blocking Statute? Bent u bereid nu actief te pleiten voor toepassing daarvan ter bescherming van het Hof en zijn medewerkers?
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Robert van Asten (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
Het artikel Israël doet officieel weer mee met Songfestival: 'AVROTROS in de knel |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met het bericht dat Israël ook in 2027 zal deelnemen aan het Eurovisie Songfestival en dat AVROTROS eind augustus of begin september een besluit zal nemen over Nederlandse deelname?1
Ja.
Bent u van mening dat Nederland moet mee doen aan het EurovisieSongfestival?
De Nederlandse Publieke Omroep gaat over de eigen programmatische keuzes. Vanwege de redactionele onafhankelijkheid die is vastgelegd in de Mediawet 2008 en de persvrijheid die volgt uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, heb ik als Minister geen rol in dit soort keuzes.
Deelt u de opvatting dat voorkomen moet worden dat Nederland door interne discussies bij een omroep afwezig is op een van de grootste culturele evenementen van Europa? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de Europese radiounie (EBU), de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en AVROTROS over de Nederlandse deelname aan het Eurovisie Songfestival?
De NPO is officieel de lid-organisatie van de EBU maar is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de programma's. Waar het gaat om het Songfestival wordt direct geschakeld tussen de AVROTROS en de EBU. AVROTROS is de omroep die inhoudelijk invulling geeft aan het Eurovisie Songfestival: de AVROTROS selecteert de Nederlandse inzending, draagt zorg voor de Nederlandse delegatie en verzorgt de registratie en uitzending(en) rond het Songfestival.
Indien AVROTROS besluit af te zien van deelname in 2027, welke mogelijkheden bestaan er om de organisatie van de Nederlandse deelname onder te brengen bij een andere publieke omroep, zoals Omroep MAX of de NOS? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan?
Of er wordt deelgenomen aan het Eurovisie Songfestival en welke omroep die deelname verzorgt is aan de NPO en omroepen zelf. Wettelijk gezien zijn er geen beperkingen om het verzorgen van deelname aan het Eurovisie Songfestival bij een andere omroep dan AVROTROS onder te brengen. Het is niet aan mij daarover het gesprek aan te gaan; zie mijn antwoord op vraag 2. Ik kan u wel melden dat de NPO mij desgevraagd heeft laten weten dat er tijdig gesprekken gevoerd zullen worden over deelname en welke omroep die in 2027 zou kunnen verzorgen, mocht AVROTROS besluiten niet te willen deelnemen.
Welke termijnen gelden voor het aanwijzen van een deelnemende omroep, de selectie van een Nederlandse artiest en van de inzending, en andere noodzakelijke voorbereidingen voor deelname aan het Eurovisie Songfestival 2027?
Ik heb geen inzicht in de voorbereidingen van deelname aan het Eurovisie Songfestival en welke tijdpaden daarmee gepaard gaan; ik ga daar ook niet over. De EBU is een samenwerkingsverband van publieke omroepen. Deelname door commerciële omroepen is daarmee uitgesloten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, heeft de NPO mij laten weten tijdig in gesprek te gaan over deelname door een andere omroep wanneer AVROTROS besluit niet deel te nemen.
Wat is de deadline voor zo’n besluit om een andere omroep of commerciële tv-zender daar toe uit te nodigen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid, indien AVROTROS niet deelneemt en een alternatief binnen het publieke bestel niet tijdig beschikbaar blijkt, te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan om de Nederlandse deelname op andere wijze, via bijvoorbeeld de commerciële media, te waarborgen zodat Nederland niet door onnodige discussies bij een omroep afwezig is bij het Eurovisie Songfestival 2027?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden?
In verband met het zomerreces is beantwoording binnen drie weken helaas niet gelukt.
Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Wat is er gedaan sinds het in oktober 2024 aannemen van de motie van de leden Van der Werf en Becker over expertise op het terrein van femicide landelijk samenbrengen ter ondersteuning van een laagdrempelige 24/7-hulplijn?
Hoe staat het met de toezegging uit de voortgangsbrief van december 2025 dat u de meerwaarde van een onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning via het Europese nummer 116 verder zou willen verkennen? Waarom is hierover niets terug te vinden in de meest recente voortgangsbrief van 3 juli 2026? Kunt u aangeven welke concrete stappen sinds december 2025 zijn gezet?
Kunt u toezeggen dat u niet gaat wachten op de verdere ontwikkeling van Veilig Thuis en een eventuele landelijke chatfunctie van Veilig Thuis voordat u aan de slag gaat met de verdere ontwikkeling van een laagdrempelig landelijk meldpunt, zoals nummer 116 voor onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties?
Deelt u de mening dat een chatfunctie van Veilig Thuis niet de lading dekt van de verzoeken van de Kamer om een laagdrempelige landelijke hulplijn te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Beschikt u over landelijke cijfers waaruit blijkt hoeveel slachtoffers die zich in een (acuut) onveilige situatie bevinden zelf contact opnemen met Veilig Thuis? Wordt daarnaast geregistreerd hoeveel van deze slachtoffers voor het eerst over het geweld vertellen en om hulp vragen («first disclosure»)? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze gegevens structureel te laten monitoren?
Bent u bekend met de voortgangsbrief van december 2025 met daarin een reactie op de petitie van Valente over 116? Op welke wijze zijn de voorstellen uit deze petitie en de daaropvolgende gesprekken met Valente betrokken bij de verdere uitwerking van uw beleid sinds december 2025?
Welke concrete voorwaarden moeten volgens u worden vervuld voordat het besluit tot de verdere ontwikkeling van 116 als onafhankelijke toegang tot hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd, en kunt u de Kamer hierover uiterlijk op Prinsjesdag 2026 informeren?
Bent u bereid om alles op alles te zetten om voor de begrotingsbehandeling in 2026 een laagdrempelige 24/7 hulplijn die ook telefonisch bereikbaar is, bij voorkeur via het nummer 116, operationeel te hebben? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer inzicht geven in de praktische en financiële consequenties van het realiseren van een hulplijn met daarachter een samenwerkingsverband van bestaande organisaties? Indien u niet van mening bent dat dit haalbaar is, kunt u dit onderbouwen met een overzicht van de belangrijkste knelpunten en de daarbij horende kosten?
Het opnieuw weggeven van Nederlands belastinggeld aan Gaza terwijl Hamas eerdere hulpgelden liet verdwijnen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel van de door de Europese Unie (EU) bijeengebrachte circa 883,6 miljoen euro voor Gaza wordt door Nederland opgehoest1 2? Kunt u dit bedrag exact noemen en aangeven op welke begrotingspost dit wordt gedekt?
Bent u bekend met de publieke erkenning van Mahmoud al-Habbash, adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Abbas, dat eerdere hulpgelden voor Gaza via Hamas zijn ingezameld en vervolgens gewoon zijn «verdwenen»3?
Erkent u het risico dat het geen hypothetisch scenario is dat ook dit nieuwe pakket van 900 miljoen euro4 in de zakken van Hamas verdwijnt, maar een patroon dat door de eigen topadviseur van Abbas zelf is bevestigd5? Zo nee, op basis van welke harde garantie meent u dat het dit keer wel goed gaat?
Kunt u concreet, met naam en toenaam, aangeven welke «vertrouwde partners» dit geld gaan beheren en welk sluitend controlemechanisme uitsluit dat ook maar één euro bij Hamas of aan Hamas gelieerde structuren terechtkomt6? Zo u dat niet kunt, erkent u dan dat dit pakket in de praktijk een blanco cheque is aan een terreurorganisatie?
Waarom blijft u, ondanks jarenlange en nu ook door de Palestijnse Autoriteit zelf bevestigde verduistering van hulpgelden door Hamas7, keer op keer Nederlands belastinggeld toezeggen aan dit soort ondoorzichtige constructies?
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan dit pakket per direct stop te zetten nu vaststaat dat eerdere hulpgelden voor Gaza structureel in handen van Hamas zijn verdwenen? Erkent u dat ontwikkelingshulp aan het buitenland direct zou moeten worden afgeschaft en dat Nederlands belastinggeld uitsluitend aan de eigen bevolking moet worden besteed, bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid en koopkracht, in plaats van aan buitenlandse bandieten en corrupte regimes? Zo nee, waarom vindt u het financieren van buitenlandse bandieten belangrijker dan het besteden van belastinggeld aan Nederlanders?
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Jan Schoonis (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?