De Iraakse weigering om IS-strijders uit Syrië te berechten |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Irak «niets ziet» in het plan van Nederland om Europese IS-strijders in Irak te berechten?1
Ja.
Is het waar dat de Iraakse regering zelf niet meer mee wil werken aan een tribunaal voor IS-strijders?
Minister van Buitenlandse Zaken van Irak, Al Hakim, gaf tijdens zijn bezoek aan Nederland op 28 en 29 oktober jl. aan dat zijn land alleen ISIS-strijders wil berechten die misdrijven in Irak of tegen Iraakse belangen hebben gepleegd. Daar heb ik uiteraard alle begrip voor, want Irak draagt reeds een zware last met de aanwezigheid van veel voormalige strijders van ISIS op zijn grondgebied. Ik blijf hierover, samen met onze Europese partners, in gesprek met Irak (zoals verzocht in motie 21501 02, nr. 1963).
Wanneer bent u op de hoogte gebracht van deze mening van de regering van Irak?
Irak heeft begin dit jaar te kennen gegeven dat het onder bepaalde condities bereid zou zijn om alle in Noordoost Syrië vastzittende foreign terrorist fighters in Irak te vervolgen en berechten. Daarover is door een aantal Europese landen verder met Irak doorgesproken, waarbij altijd is onderstreept dat oplegging van de doodstraf door Irak niet kan worden geaccepteerd en dat Irak garanties moet afgeven voor een eerlijke procesgang. Tijdens het bezoek van een ambtelijke delegatie aan Bagdad en het daaropvolgende bezoek van de Minister van Buitenlandse Zaken van Irak aan Nederland op 28 en 29 oktober jl. heeft Irak aangegeven dat het land alleen nog buitenlandse strijders wil vervolgen en berechten die misdaden hebben begaan tegen Iraakse belangen of in Irak.
Herinnert u zich het event nog dat u op 26 september jl. bij de Verenigde Naties in New York organiseerde samen met Irak, waarbij deze landen gezamenlijk een oproep deden aan de internationale gemeenschap om verschillen van mening te overwinnen om tot een berechting van IS-strijders te komen? Klopt het dat op dat event Irak als locatie is genoemd voor een dergelijk tribunaal?
De door Nederland en Irak voorgezeten bijeenkomst in New York op 26 september jl. stond in het teken van de berechting van álle ISIS-strijders. De deelnemende landen en VN-organisaties onderstreepten het belang van accountability als noodzakelijk ingrediënt voor duurzame vrede in de regio. De deelnemers presenteerden echter verschillende visies over de vraag of accountability zou moeten geschieden door middel van de oprichting van een internationaal tribunaal in bijvoorbeeld Irak of door middel van nationale berechting.
Heeft de regering van Irak zich tijdens het event direct uitgesproken tegen berechting in Irak?
Minister Al Hakim, co-voorzitter van deze bijeenkomst, heeft tijdens zijn interventie aangegeven dat berechting in Irak van in Syrië gedetineerde foreign terrorist fighters een enorme belasting zou betekenen voor Irak dat immers al te kampen heeft met de last van de berechting van duizenden Iraakse ISIS-strijders. Zonder buitenlandse hulp zou een dergelijke exercitie dan ook niet mogelijk zijn, aldus Al Hakim destijds.
Heeft de regering van Irak zich tijdens het event uitgesproken vóór berechting van IS-strijders in Irak?
Irak heeft zich evenals de andere deelnemers aan de bijeenkomst uitgesproken voor de noodzaak van accountability voor ISIS-strijders en opgemerkt dat Irak hier reeds actief opvolging aan heeft gegeven en inmiddels duizenden strijders heeft berecht.
Wat is er gebeurd na het succesvolle gezamenlijke event over het tribunaal tijdens de VN-top van 26 september jl.?
Na de bijeenkomst in New York hebben vertegenwoordigers van Nederland, Frankrijk, het VK, Duitsland, België, Zweden en Denemarken op 15 oktober jl. een bezoek gebracht aan Bagdad om daar verder te spreken over de mogelijkheden van berechting in Irak van in Noordoost Syrië gedetineerde foreign terrorist fighters. Tijdens dat bezoek bleek Irak zijn standpunt terzake verder te hebben aangescherpt door aan te geven dat Irak alleen foreign terrorist fighters wil vervolgen die misdaden tegen Iraakse onderdanen of Iraakse belangen hebben gepleegd. Dat standpunt heeft de Iraakse Minister van Buitenlandse Zaken Al Hakim ook tijdens zijn recente bezoek aan Nederland met mij gedeeld.
Wat heeft Irak van mening doen veranderen?
Tijdens zijn bezoek aan Nederland heeft Minister Al Hakim gesteld dat zijn land niet over de capaciteit beschikt om duizenden extra ISIS-strijders te vervolgen, berechten en vast te zetten. Irak maakt uiteraard een eigen afweging over de bereidheid om al dan niet buitenlandse strijders te berechten.
Wanneer zijn er tussen 26 september en 28 oktober jl. contactmomenten geweest tussen de regering van Irak en het Ministerie van Buitenlandse Zaken aangaande een vervolg op het VN-event van 26 september?
Op 15 oktober jl. heeft een ambtelijke delegatie van de betrokken Europese landen Irak bezocht om nader te spreken over voorwaarden waaronder Irak bereid is tot berechting van buitenlandse strijders uit noordoost Syrië. Op 28 en 29 oktober jl. bezocht Minister Al Hakim Nederland.
Wat waren de uitkomsten van het contact of de afzonderlijke contactmomenten?
Zie antwoord op vraag 3.
Klopt het dat Nederland op verzoek van de Iraakse regering sinds 2014 een militaire missie in Irak is gestart in het kader van de strijd tegen IS?
Ja.
Hoe verhoudt deze Nederlandse inzet op verzoek van de Iraakse regering zich tot de verwerping van het Nederlandse verzoek tot berechting in Irak?
Het besluit van het kabinet een Nederlandse militaire bijdrage te leveren aan de strijd tegen ISIS (27 925 nr. 506) in Irak werd ingegeven door de dreiging van ISIS in Irak en Syrië, maar evenzeer door de dreiging van de organisatie tegen Europa en Nederland. Met het einde van het fysieke «kalifaat» zijn we nu in een andere fase van het conflict belandt. Het verzoek van Irak tot het leveren van een militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS staat los van het vraagstuk van de berechting van buitenlandse ISIS-strijders.
Op welke wijze ziet u mogelijkheden om het IS-tribunaal in de regio te realiseren?
Nederland blijft zich sterk maken voor berechting in de regio naar internationale standaarden van misdrijven gepleegd door alle partijen bij het conflict. Voor de berechting van ISIS-strijders blijf ik hierover dan ook, samen met onze Europese partners, in gesprek met Irak. Los van de uitkomst daarvan zal ik indachtig bovengenoemde voorwaarden in bilateraal en multilateraal verband dialoog en samenwerking blijven opzoeken om berechting van buitenlandse strijders in de regio te realiseren. De misdaden van ISIS mogen namelijk niet onbestraft blijven; dit zijn we verschuldigd aan de slachtoffers. Zolang er nog geen sprake is van berechting, is het belangrijk dat bewijsmateriaal wordt veiliggesteld. Nederland steunt dan ook de mechanismes die hiertoe voor Syrië en Irak zijn opgericht, het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM) en het United Nations Investigative Team to Promote Accountability for Crimes Committed by Da’esh/ISIL (UNITAD). Indachtig de aangehouden motie van het lid Van Helvert (kamerstuk 35 300 V nr. 22) d.d. 14 november, is het kabinet ook in gesprek met Europese partners om nader te onderzoeken -met inachtneming van het advies van de Volkenrechtelijk adviseur- of Nederlandse Syrie-gangers door de lokale Syrisch-Koerdische autoriteiten kunnen worden berecht.2
Het bericht ‘Studieschuld af te kopen’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de website diploma-nederland.com, waar geclaimd wordt dat mensen met een studieschuld hun schuld kunnen laten verwijderen uit de computersystemen van DUO? Hoe duidt u dit aanbod?1
Ja. Ik vind het onacceptabel dat de suggestie wordt gewekt dat men studieschulden kan laten verdwijnen. De website is inmiddels uit de lucht gehaald.
In welk systeem worden de studieschulden van oud-studenten bijgehouden? Is dit een systeem dat de komende jaren geactualiseerd moet worden?
Studieschulden worden bijgehouden in het StudiefinancieringsSysteem van DUO (SFS). Dit systeem is in 2018 in het kader van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering volledig in productie genomen en hoeft de komende jaren niet geactualiseerd te worden. Uiteraard worden tijdig aanpassingen doorgevoerd om te blijven voldoen aan de eisen op het terrein van de beveiliging.
Welke onderbouwing kunt u publiek geven voor de bewering van DUO dat «de beveiliging van het betreffende systeem gewaarborgd is»? Wordt elke handeling of wijziging daar vastgelegd in een logbestand, zodat later te reproduceren is of die al dan niet heeft plaatsgevonden?
De DUO systemen zijn voor externe toegang beschermd. Dit wordt door middel van onder andere hacktesten structureel gecontroleerd. Elke handeling of wijziging in SFS door DUO-medewerkers wordt vastgelegd en is daardoor achteraf te herleiden.
Hoeveel medewerkers bij DUO hebben rechten om in dit systeem handelingen te verrichten? Aan welke eisen moeten zij voldoen om in dit systeem te mogen werken?
Er zijn op dit moment 486 medewerkers geautoriseerd om handelingen te verrichten waarbij gegevens worden gewijzigd. Deze medewerkers zijn daarvoor opgeleid en werken volgens vastgestelde instructies. Handelingen die zij verrichten worden vastgelegd en zijn achteraf te herleiden.
Welke handelingen zijn nodig om de studieschuld van oud-studenten uit het systeem te halen? In hoeverre is dit proces beïnvloedbaar door individuele medewerkers van DUO?
Het is niet mogelijk om een studieschuld «uit het systeem te halen». Een schuld kan gewijzigd worden, maar een nieuwe hoogte van de schuld, ook die van € 0,00, blijft zichtbaar. De mutatie die daaraan ten grondslag ligt, wordt vastgelegd en is herleidbaar tot een medewerker.
Heeft u aanwijzingen dat de suggestie die gewekt is, namelijk dat via interne toegang tot systemen op verzoek van de onderneming wijzigingen zijn doorgevoerd in de administratie van studieschulden, juist is? Zo nee, op grond waarvan trekt u deze conclusie?
Nee, ik heb daar geen aanwijzingen voor. DUO heeft hier uitvoerig onderzoek naar verricht. DUO voert ten eerste standaard op geautomatiseerde wijze controles uit op uitgevoerde mutaties, waardoor opvallende mutaties worden gesignaleerd. Daarnaast heeft DUO na de berichtgeving over deze website handmatig aanvullende controles uitgevoerd. Als laatste wordt iedere interne of externe melding van mogelijke fraude onderzocht door een afdeling die is belast met handhavingstaken. Uit dit alles bleek dat er geen indicaties zijn voor onrechtmatige wijzigingen in studieschulden.
Deelt u de mening dat het aanbieden van een dienst om geregistreerde studieschulden in ruil voor bitcoins tot nul te reduceren door een ingreep in de betreffende administratie, onacceptabel is en mogelijk studenten kan duperen? Heeft het ministerie of DUO eerder signalen ontvangen rond het aanbod via de aangegeven website? Tot welke handelingen hebben die geleid?
Ik vind het aanbieden van een dergelijke dienst inderdaad onacceptabel. De suggestie dat studieschulden kunnen worden verwijderd, tast het vertrouwen in de overheid aan. Het ministerie en DUO hebben niet eerder signalen ontvangen waarbij een dergelijk aanbod als in onderhavige casus werd gedaan en hebben dus ook geen signalen dat dit plaatsvindt.
Welke stappen overweegt u te nemen tegen de website en de eigenaren daarvan, om oud-studenten te beschermen? Welke stappen acht u noodzakelijk?
DUO heeft aangifte gedaan van dit in haar ogen strafbare feit. Ik wacht de uitkomsten van het justitiële onderzoek af en zal daarna bezien of vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Het bericht ‘Russia invites Albania, North Macedonia to join the Eurasian Union’ |
|
Lodewijk Asscher (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Russia invites Albania, North Macedonia to join the Eurasian Union» d.d. 29 oktober jl?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitnodiging aan Albanië en Noord-Macedonië om lid te worden van de Euraziatische Economische Unie (EEU)?
Heeft u naar aanleiding van dit bericht contact opgenomen of gaat u contact opnemen met uw Europese ambtsgenoten, in het bijzonder met uw Franse collega, om de gevolgen van het besluit van de Europese Raad te bespreken? Zo ja, wat is hierbij uw inzet? En zo nee, waarom niet?
Ik heb veelvuldig contact met mijn Europese ambtsgenoten, ook over de ontwikkelingen in de Westelijke Balkan, inclusief in Noord-Macedonië en Albanië. Hierbij onderstreep ik voortdurend het EU-perspectief van de landen alsmede het belang van voortgang op het terrein van de rechtsstaatshervormingen. Op verzoek van een aantal lidstaten zal de Raad Algemene Zaken opnieuw spreken over EU-uitbreiding op 19 november a.s. Er is geen besluitvorming voorzien. Nederland zal tijdens de Raad in algemene zin wederom het EU-perspectief van de Westelijke Balkanlanden benadrukken en Noord-Macedonië en Albanië oproepen om de ingezette hervormingen voort te zetten. Nederland zal daarnaast bepleiten dat de Europese Commissie met voorstellen komt voor verdere versteviging van de uitbreidingsmethodologie, in het bijzonder om in de toekomst terugval op de rechtsstaatshervormingen na de start van de onderhandelingen te voorkomen.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat deze landen meer begrip zullen vinden bij de EEU dan bij de EU?
Het staat landen vrij om lid te worden van internationale organisaties, inclusief de EEU. Albanië en Noord-Macedonië hebben echter beiden uitgesproken verder te willen integreren in de Euro-Atlantische structuren. Albanië is al NAVO-lid en Noord-Macedonië bevindt zich in de laatste fase van lidmaatschapsaanvraag. Daarnaast is de ambitie van zowel Noord-Macedonië als Albanië om te beginnen met de EU-toetredingsonderhandelingen. Nederland ondersteunt het EU-perspectief van beide landen. Na afloop van de Europese Raad van 17-18 oktober jl. hebben Albanië en Noord-Macedonië nogmaals bevestigd verder te gaan op de door hen ingeslagen weg richting Europese integratie. NL vindt dit bemoedigend.
Deelt u de mening dat het zowel in het belang van Albanië en Noord-Macedonië, als in het belang van de EU is dat deze beide landen betrokken blijven bij het EU-traject? En zo ja, hoe gaat u hier concreet invulling aan geven? En zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad zowel in het belang van Albanië en Noord-Macedonië als in het belang van de EU dat beide landen betrokken blijven bij het EU-traject. Tijdens de Europese Raad op 17-18 oktober jl. is afgesproken dat de Europese Raad hierop terugkomt voorafgaand aan de Westelijke Balkantop die in mei 2020 in Zagreb zal plaatsvinden. Na afloop van de Europese Raad van 17-18 oktober jl. hebben Albanië en Noord-Macedonië nogmaals bevestigd verder te gaan op de door hen ingeslagen weg richting Europese integratie. NL vindt dit bemoedigend. Op verzoek van een aantal lidstaten zal de Raad Algemene Zaken opnieuw spreken over EU-uitbreiding op 19 november a.s. Er is geen besluitvorming voorzien. Nederland zal tijdens de Raad in algemene zin wederom het EU-perspectief van de Westelijke Balkanlanden benadrukken en Noord-Macedonië en Albanië oproepen om de ingezette hervormingen voort te zetten.
Vormt deze uitnodiging voor u aanleiding de banden zowel op bilateraal als op Europees niveau met Albanië en Noord-Macedonië aan te halen? En zo ja, hoe gaat u hier invulling aan geven? En zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met beide landen is goed. Ik spreek mijn collega’s uit Albanië en Noord-Macedonië regelmatig. Daarnaast is er op ambtelijk niveau veel contact tussen Nederland en beide landen. Ook op Europees niveau is het contact uitstekend. Zo bezocht de voorzitter van de Europese Raad, Donald Tusk, Noord-Macedonië en Albanië in september jl. Tevens kijkt NL constant naar mogelijkheden om Albanië en Noord-Macedonië te blijven ondersteunen in de lopende hervormingstrajecten, o.a. via het MATRA-programma, en ontvangen de landen hulp van de EU via de pre-accessiefondsen.
Kunt u deze vragen voor de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken beantwoorden?
Ja.
De houdbaarheid van box 3 en het EVRM |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat ik u verzocht een aantal vragen over box 3 en het EVRM een voor een te beantwoorden en dat u deze vragen geclusterd beantwoordde en daarbij bijvoorbeeld de antwoorden op vragen 7 en 8 volledig wegliet en andere vragen (5, 6 en 9) slechts gedeeltelijk beantwoordde?1
Op 31 oktober heb ik uw vragen over box 3 en het EVRM beantwoord.
Begrijpt u dat ik deze vragen hierbij opnieuw stel en u verzoek ze dit keer met grote spoed en echt een voor een te beantwoorden en wel voor maandag 4 november aanstaande om 11.00 uur omdat dan het Wetgevingsoverleg over het pakket Belastingplan 2020 begint?
Uw vragen zijn geclusterd beantwoord, omdat het antwoord op deze vragen met elkaar samenhangt. In onderstaande beantwoording voldoe ik aan dit verzoek.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om voor vaststelling van het Belastingplan 2020 vast te stellen of er naar verwachting sprake zal zijn van schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het belastingjaar 2020 met de gekozen belastingpercentages en dat het voorkomen van een schending ver te prefereren is boven rechtsherstel achteraf?
Het in 2020 geldende stelsel is hetzelfde als het stelsel dat vanaf 2017 geldt. Vanaf toen wordt uitgegaan van een aan de omvang van het vermogen gekoppelde gemiddelde vermogensmix, waarbij de forfaitaire rendementen jaarlijks worden geactualiseerd. Sinds 2018 wordt voor het rendement over het aan het spaardeel toegerekende gedeelte van de grondslag gebruik gemaakt van actuelere cijfers en is het heffingvrije vermogen verhoogd. Hoewel het inherent is aan dit stelsel dat het vrijwel nooit exact aansluit bij het rendement van de individuele belastingplichtige, sluit het stelsel door bovengenoemde wijzigingen sinds 2017 wel beter aan op het gemiddelde werkelijke rendement. In antwoord op uw vragen hierover bij het wetgevingsoverleg over het pakket Belastingplan 2020 van 28 oktober, licht ik nader toe welke stappen dit kabinet en het vorige kabinet hebben gezet naar een betere aansluiting van de vermogensrendementsheffing bij het werkelijke rendement. Zoals bekend lopen er massaalbezwaarprocedures over de box 3-heffing in de jaren 2017 en 2018. In deze procedures neem ik het standpunt in dat de box 3-heffing die geldt vanaf 2017 op stelselniveau niet strijdig is met artikel 1 EP EVRM. Het is nu aan de rechter om hierover te oordelen.
Heeft u juridisch advies (intern of via bijvoorbeeld de landsadvocaat) gevraagd over de vraag of de voorgestelde tarieven in box 3 in 2020 naar verwachting een schending zijn van het EVRM? Zo ja, kunt u alle adviezen met de Kamer delen? Zo nee, wilt u dan alsnog een gezaghebbend advies over deze kwestie vragen en aan de Kamer voorleggen (voor 11 november)?
Het forfaitaire rendement wordt sinds 2017 op een fundamenteel andere manier bepaald dan daarvoor. Dit betekent dat het arrest van de Hoge Raad dus niet beslissend kan zijn voor de bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting voor het jaar 2017 (en later). Zoals in het antwoord op vraag 3 is vermeld, lopen er massaalbezwaarprocedures over de box 3-heffing in de jaren 2017 en 2018. In deze procedures neem ik het standpunt in dat de box 3-heffing die geldt vanaf 2017 op stelselniveau niet strijdig is met artikel 1 EP EVRM. Het is nu aan de rechter om hierover te oordelen. In verband hiermee ben ik niet voornemens hierover advies te vragen. Zoals ik in mijn brief van 31 oktober in mijn antwoord op uw vraag 3 heb vermeld zal ik wel advies inwinnen over een eventueel rechtstekort van het box 3-stelsel zoals dat gold tot 2017.
Leveren de gekozen tarieven in box 3 over 2020 naar verwachting een schending op van het eerste protocol van het EVRM? Wilt u deze zaak in heel precieze juridische bewoordingen beantwoorden, aangezien we later veelvuldig naar dit antwoord zullen verwijzen?
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is vermeld is het in 2020 geldende stelsel hetzelfde als het stelsel dat vanaf 2017 geldt en lopen er massaalbezwaarprocedures over de box 3-heffing in de jaren 2017 en 2018. In deze procedures neem ik het standpunt in dat de box 3-heffing die geldt vanaf 2017 op stelselniveau niet strijdig is met artikel 1 EP EVRM. Het is nu aan de rechter om hierover te oordelen.
Kunt u een lijst geven van alle (interne en externe, inclusief de landsadvocaat) adviezen die sinds 2010 (mede) uitgebracht zijn over de vraag of de box 3-tarieven mogelijk een schending van het eerste protocol van het EVRM opleveren?
Zie het antwoord op vraag 7. Uiteraard vinden bij alle wetswijzigingen die na 2001 in het box 3-stelsel zijn doorgevoerd (interne) afwegingen plaats, waaronder het zoals gebruikelijk voorleggen van het voorstel van het Belastingplan 2016 aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Ook worden wetsvoorstellen getoetst aan de internationale rechtsorde. Een lijst is echter niet voorhanden.
Herinnert u zich de toezegging uit 2016 dat er wellicht meer informatie zou komen over juridische risico's en dat die dan met de Kamer gedeeld zouden worden? Is er tussen 2016 en nu meer informatie gekomen over de juridische risico’s van box 3 en kunt u al die informatie met de Kamer delen (met name ook informatie na de uitspraken van de Hoge Raad van 14 juni jl.)?
Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens een algemeen overleg over de voortgangsrapportage «Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement»2 inderdaad toegezegd om meer informatie te verschaffen over eventuele juridische risico’s van het box 3-stelsel zoals dat met ingang van 2017 geldt. Hij heeft deze toezegging gestand gedaan door hier in het «Keuzedocument box 3» op in te gaan.3 De conclusie op pagina 71 van dat document luidt: «Hoewel nooit kan worden uitgesloten dat de Hoge Raad in een specifiek geval oordeelt dat sprake is van een individuele buitensporige last, is gelet op het voorgaande niet te verwachten dat het systeem 2017 in het algemeen strijd op zal leveren met het recht op eigendom. Er zijn, net als bij elk forfaitair systeem grofheden, maar per saldo is het systeem realistischer geworden, beter toegesneden op de «gemiddelde» werkelijkheid en wordt het veronderstelde rendement ook nog eens jaarlijks bijgesteld. Zo heeft de wetgever uitvoering gegeven aan zijn wens om de heffing gemiddeld beter te laten aansluiten bij de werkelijkheid.» In antwoord op de aanvulling ten opzichte van de oorspronkelijke vraag 9 van de eerdere set vragen verwijs ik u tevens naar mijn antwoorden op vragen van u en mevrouw Lodders (VVD) over de uitspraak van de Hoge Raad over de vermogensrendementsheffing van 4 juni 2019 waarin ik mijn reflectie heb gegeven op de uitspraak van de Hoge Raad.4
Het bericht 'België houdt grens dicht voor directeur Confucius-instituut' |
|
Martijn van Helvert (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u via uw ambtsgenoot in België geïnformeerd dat professor Xinning Song niet meer welkom is in België, en dus de hele Schengenzone?1 Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is door België niet actief geïnformeerd dat professor Xinning Song niet meer welkom is in België. Als België (of een ander Schengenland) na een eigen afweging concludeert dat er sprake is van een bedreiging van de openbare orde, nationale veiligheid en/of de internationale betrekkingen, kan een persoon in het Schengen Informatiesysteem (SIS) worden gesignaleerd om toegang tot het Schengengrensgebied te voorkomen. Als een inreisverbod wordt opgelegd dat geldt voor het gehele Schengengebied, wordt de betreffende persoon sowieso gesignaleerd in SIS. Nederland en andere Schengenlanden ontvangen daarvan niet automatisch een melding. Op het moment dat het SIS wordt geraadpleegd, zoals bij een visumaanvraag, komt er een «hit / no hit»-melding, waaruit blijkt of een persoon in SIS is gesignaleerd.
Aan welke Nederlandse universiteiten is professor Xinning Song verbonden? Zijn er Nederlandse hogescholen of universiteiten verbonden aan andere buitenlandse Confucius-instituten? Zo ja, welke?
Voor zover mij bekend is professor Xinning Song niet verbonden aan een Nederlandse universiteit. Daarnaast zijn er, voor zover ik weet, geen hogescholen of universiteiten die verbonden zijn aan andere buitenlandse Confucius-instituten.
In hoeverre worden werknemers, die verbonden zijn aan Confucius-instituten, in Nederland gescreend? Wie doet deze screening, hoe vaak worden zij gescreend en wat houdt deze screening in? Bevat deze screening ook het inzetten van hun netwerk voor de Chinese inlichtingendienst?
Er zijn geen vertrouwensfuncties aangewezen bij de Confucius-instituten in Nederland. Werknemers ondergaan dus geen veiligheidsonderzoek, zoals bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken.
Worden organisaties, zoals Confucius-instituten, in China verplicht om mee te werken aan opdrachten vanuit de Chinese inlichtingendienst?
Dat valt niet uit te sluiten. Chinese wetgeving schrijft voor dat alle Chinese burgers en organisaties mee moeten werken met inlichtingendiensten als hen dat gevraagd wordt.
Kunt u garanderen dat medewerkers, die verbonden zijn aan de Confucius-instituten, geen inlichtingen delen met de Chinese overheid?
Zie antwoord vraag 4.
Was bij u bekend dat vorig jaar de Amerikaanse FBI al waarschuwde voor spionageactiviteiten? Zo ja, wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Ik heb kennis genomen van de berichten in de Amerikaanse media in februari 2018 over de FBI en de Confucius-instituten. In algemene zin kan worden gesteld het onderkennen en tegengaan van spionageactiviteiten in Nederland een belangrijke activiteit is van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
In hoeverre maakt u zich zorgen over Confucius-instituten in Nederland nu na de Verenigde Staten en Canada ook het instituut in België in opspraak komt? Bent u voornemens om, zoals het Rathenau Instituut in het rapport «kennis in het vizier» adviseert, op het niveau van de nationale overheid kaders vast te stellen waarbinnen kennisinstellingen beleid dienen te formuleren waarin veiligheidsbelangen moeten worden afgewogen tegen andere belangen zoals de vrijheid van wetenschap?
Bestaande wetgeving op het gebied van exportcontrole en sancties heeft ook betrekking op de overdracht van kennis en technologie en is daarmee ook van toepassing op kennisinstellingen. Het kabinet is in gesprek met de instellingen over de wijze waarop deze wetgeving wordt nageleefd. Daarnaast is een traject gestart om te onderzoeken in hoeverre aanvullende maatregelen gewenst zijn om ongewenste kennis- en technologieoverdracht in brede zin via de weg van academisch onderwijs en onderzoek te voorkomen. In dit traject wordt onderzocht op welke manier er een brede kennisregeling kan worden opgezet.
Deelt u de mening dat het nodig is om een onderzoek te starten naar de Nederlandse Confucius-instituten en in gesprek met de Rijksuniversiteit Groningen en Hogeschool Zuyd te gaan om hen te bewegen te stoppen met deze samenwerking? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer informeren over de voortgang? Zo nee, waarom bent u niet bereid dit op te starten?
In het kader van de uitvoering van de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans» (Kamerstuk 35 207, nr. 1), die op 30 september 2019 met uw Kamer is besproken, wordt gewerkt aan kennisopbouw over China bij de overheid, bedrijven en onderwijsinstellingen. Onderdeel daarvan is bewustwording in het Nederlandse (hoger) onderwijs van de risico’s van samenwerking, naast de kansen. Daarbij zijn alle samenwerkingsverbanden van Nederlandse kennisinstellingen met Chinese instellingen van belang. Bij relevante ontwikkelingen hieromtrent zal ik uw Kamer nader informeren.
Het artikel 'Overheid hielp tuinders Europese CO2-prijs te ontwijken' |
|
Tom van der Lee (GL), Matthijs Sienot (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overheid hielp tuinders Europese CO2-prijs te ontwijken»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in het artikel wordt geschetst dat er door de onttrekking van Nederlandse tuinders tientallen miljoenen euro’s minder gelden aan het Europese emissiehandelssysteem (ETS) zijn betaald? Zo nee, waarom niet?
Nee, veel glastuinbouwbedrijven vallen sinds de afgelopen jaren om legitieme redenen niet langer onder het ETS. Om misbruik te voorkomen, houdt de NEa hierop toezicht.
Hoe verklaart u dat er slechts 15 van de ruim 100 Nederlandse tuinbouwbedrijven die oorspronkelijk in het ETS deelnamen over zijn?
Er zijn drie redenen dat bedrijven niet meer deelnemen aan het ETS:
Al deze redenen zijn in lijn met de ETS-regels en nauwkeurig getoetst door de NEa om te voorkomen dat er misbruik gemaakt wordt van deze regels
Wat bedoelde de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) volgens u precies toen zij vorig jaar sprak van een «georganiseerde uittocht» van de glastuinbouw uit het ETS? Doelde zij daarmee impliciet op de hulp die de Nederlandse overheid gaf om dit systeem te ontwijken?
Uit navraag bij de NEa blijkt dat de NEa erop doelt dat de sector actief en georganiseerd de mogelijkheden heeft verkend om binnen de grenzen van de wet uit het ETS te treden. De NEa toetst de vergunningaanvragen van bedrijven waardoor ze niet langer onder het ETS vallen aan het wettelijk kader zodat geen misbruik gemaakt kan worden van de regels. Hierin maakt de NEa geen onderscheid tussen aanvragen van glastuinbouwbedrijven of bedrijven uit andere sectoren.
Welke CO2-reductie had er gerealiseerd kunnen worden als de ruim 100 bedrijven onder het ETS waren gebleven en in hoeverre is dit van invloed op het behalen van de doelstelling uit het Urgenda-vonnis?
De reductie binnen het ETS vindt plaats op Europese schaal en kan niet eenduidig vertaald worden naar één specifieke sector in Nederland. Met de glastuinbouwsector is een wettelijk vastgelegde CO2-doelstelling afgesproken die geldt voor de gehele glastuinbouw, en deze is dus inclusief de emissies van de glastuinbouwbedrijven die onder het ETS vallen. De inspanningen van de sector om te voldoen aan deze CO2-doelstelling dragen dus bij aan de doelstelling uit het Urgenda-vonnis.
Is de berekening van het NRC juist dat er 20 tot 30 miljoen euro minder is betaald voor uitstootrechten dan er betaald had moeten worden? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan?
Zoals aangegeven in mijn antwoord bij vraag 2 en 3 vallen deze bedrijven niet onder het ETS. Er is derhalve geen sprake van «uitstootrechten die betaald hadden moeten worden».
Is het juist dat de betrokken bedrijven op twee manieren door de overheid werden «geholpen» bij ontwijking van het ETS, door de mogelijkheid te creëren om het bedrijf te splitsen waardoor het onder de drempel bleef of gasketels als «reserve» aan te merken?
De mogelijkheid om te splitsen volgt uit de Wet milieubeheer, maar ook uit de Europese ETS-Richtlijn. Daarmee vallen alleen bedrijven boven een bepaalde capaciteit onder het ETS. De Nederlandse regels zijn er juist op gericht om misbruik van de mogelijkheid tegen te gaan. Er worden met de Nederlandse regels geen nieuwe mogelijkheden gecreëerd, alleen wordt misbruik verhinderd.
Deelt u de mening, dat het onacceptabel is wanneer een lidstaat zich niet aan de afgesproken Europese regels houdt waarmee vervuiling wordt ingeprijsd?
Het kabinet deelt die mening zeer zeker. In dit geval is daar echter geen sprake van.
Wat was de overweging van eerdere kabinetten en u om te besluiten de afgesproken Europese regels te omzeilen en daarmee het halen van de klimaatdoelen in gevaar te brengen?
De regels die zijn opgesteld over de glastuinbouw in relatie tot het ETS zijn bekend bij de Europese Commissie en in lijn met de ETS-richtlijn. Eerdere kabinetten en het huidige kabinet omzeilt de regels niet, maar hebben juist kaders gesteld om misbruik te voorkomen.
Is het juist dat nieuwe gegevens erop wijzen dat de glastuinbouw haar klimaatdoelen niet haalt?
In het gewijzigde «Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem voor de periode 2013–2020» is een CO2-emissieplafond voor 2020 afgesproken. Mocht dit plafond niet gehaald worden, dan is in het convenant afgesproken dat de overschrijding gecompenseerd moet worden.
Waarom heeft u besloten tot het nemen van deze omzeilende regels specifiek voor een innovatieve sector die juist allerlei kansen heeft om CO2-reductie te realiseren?
De regels die gevolgd zijn voldoen aan de ETS-regelgeving. Het Rijk is al jarenlang in een publiek-private samenwerking met de sector – via het innovatie – en actieprogramma Kas als Energiebron – bezig om CO2-reductie te realiseren en in het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt voor het vervolg daarvan.
Deelt u de opvatting het argument van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat het een «meer gelijk speelveld» wilde scheppen binnen de tuinbouwsector onhoudbaar is, aangezien dit de hele ETS ondermijnt? Iedere andere sector die onder het ETS valt zou dit immers ook kunnen aangrijpen, omdat onder het systeem alleen de grote uitstoters worden belast?
Bedrijven vallen onder het ETS als hun activiteit genoemd wordt in bijlage I van de ETS-Richtlijn (2003/87/EG). Een van de genoemde activiteiten is het «verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW». Glastuinbouwbedrijven vallen onder het ETS als deze drempelwaarde overschreden wordt. Dit betreft 15 bedrijven van de ongeveer 3500 glastuinbouwbedrijven. Gestreefd wordt naar een gelijk speelveld voor alle Nederlandse glastuinbouwbedrijven.
Hoe rijmt u uw recente oproep in de zomer tot een eerlijke prijs voor Nederlands groente en fruit, met deze maatregelen van het kabinet waarmee juist niet een eerlijke prijs voor de productie van groente en fruit wordt betaald?
Het is belangrijk dat de tuinder een eerlijke prijs voor zijn producten ontvangt om te kunnen blijven investeren in maatregelen om de klimaatdoelen te behalen. De glastuinbouwsector moet in reductiemaatregelen investeren om onder het afgesproken CO2-plafond te blijven. Indien de sector boven het afgesproken CO2-plafond komt, dan is in het convenant afgesproken dat de overschrijding gecompenseerd wordt.
Klopt de stelling dat de speciale CO2-heffing, welke in 2011 speciaal voor de tuinbouwsector is opgericht, nog steeds niet van kracht is? Zo niet, waarom niet?
De afspraken over het CO2-sectorsysteem waarin is afgesproken om een jaarlijks aflopend CO2-plafond te hanteren, zijn sinds 2011 van kracht. Tot en met 2016 bleef de CO2-emissie van de sector onder het in wet- en regelgeving vastgelegde CO2-emissieplafond en hoefde er geen compensatie betaald worden. Het CO2-plafond is in 2017 met 0,9 Mton overschreden. Hiervoor moet compensatie betaald worden.
Hoe kijkt u tegen de legitimiteit van de «tegenprestatie», in de vorm van een speciaal verlaagd tarief voor energiebelasting, wanneer de tuinbouwsector in de afgelopen jaren middels het ETS-systeem noch het CO2-sectorsysteem heffingen heeft moeten betalen?
Het CO2-sectorsysteem vormt de tegenprestatie van de glastuinbouwsector voor het lagere tarief in de eerste en tweede tariefschijf van de energiebelasting. Als het in het convenant vastgestelde en jaarlijks dalende CO2-plafond wordt overschreden, is de sector over het meerdere een compensatie verschuldigd gelijk aan de geldende ETS-prijs. Tot en met 2016 is de sector onder het afgesproken plafond gebleven en hoefde er geen compensatie betaald te worden. In 2017 is het CO2-plafond overschreden en moet dus compensatie betaald worden.
Het verlaagde tarief is ingesteld om een onbedoelde lastenverzwaring voor de glastuinbouwsector te voorkomen doordat deze relatief kleinschalige sector, anders dan de overige energie-intensieve sectoren, onvoldoende profiteert van de degressieve tariefstructuur. Uit de evaluatie van het verlaagde tarief die in 2016 is uitgevoerd blijkt dat het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw nog steeds bijdraagt aan het doel.
Klopt het dat door de verlaagde energiebelasting de sector volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland 100 miljoen euro per jaar bespaarde? Hoeveel had er moeten zijn afgedragen aan heffingen in het kader van het CO2-sectorsysteem? Gaat dit met terugwerkende kracht alsnog gebeuren?
De informatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) was verouderd en is ondertussen aangepast. Uit de Miljoenennota blijkt dat het glastuinbouwtarief in 2019 een geraamd budgettair belang kent van 136 miljoen euro. Deze bedrijven vallen niet onder het ETS. Er is derhalve geen sprake van dat deze bedrijven minder betaald hebben dan zij via het ETS zouden hebben moeten doen. Zie antwoord op vraag 15 voor de rest van het antwoord.
Zal u erop toezien dat de heffingen binnen het alternatieve CO2-sectorsysteem wel worden ontvangen?
Indien overeenkomstig de afspraken in het CO2-sectorsysteem en het convenant de sector het CO2-plafond in een jaar overschrijdt zal de sector overeenkomstig de artikel 15.51 van de Wet milieubeheer deze compenseren. Daar zal dan ook op worden toegezien.
Waarom heeft u de Kamer zowel in 2012 als in 2015 niet op de hoogte gesteld van de twee maatregelen?
De zogenaamde «back-up regeling» is opgenomen in artikel 48 van de Ministeriële regeling handel in emissierechten2. Dit artikel is bedoeld om misbruik tegen te gaan: door de eisen uit de regeling mag en kan een bedrijf de back-up installatie niet gelijktijdig gebruiken met de hoofdinstallatie. Omdat het een invulling betreft van de bepalingen uit de ETS-Richtlijn – waarvan de Europese Commissie op de hoogte is – is deze regeling niet voorgelegd aan uw Kamer. In de Wet milieubeheer is aan de Minister de bevoegdheid toegekend omtrent dit onderwerp nadere regels te stellen. Voor de op basis van een dergelijke bevoegdheid vastgestelde regels in een ministeriële regeling wordt geen advies gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Evenmin wordt de ministeriële regeling aan de Tweede Kamer voorgelegd.
Wat onderneemt u om de glastuinbouw echt duurzame koploper te maken in Europa en de klimaatdoelen van 2020 en 2030 binnen bereik te houden?
Alle glastuinbouwbedrijven die niet onder het ETS vallen moeten voldoen aan het CO2-sectorsysteem, waarin met het Rijk afspraken zijn gemaakt over een jaarlijks dalend CO2-plafond voor de sector.
Verder zijn in het Klimaatakkoord afspraken met de glastuinbouwsector gemaakt over de sectorale klimaatdoelen in 2030. Afgesproken is om de huidige succesvolle transitie-aanpak voor te zetten. Partijen bouwen daarbij voort op het Innovatie en Actie Programma «Kas als Energiebron» dat zich richt op een klimaatneutrale glastuinbouw. Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is de sector daarnaast afhankelijk van externe ontwikkelingen en samenwerkingsprojecten met andere sectoren, zoals de prijsontwikkeling in de vrije energiemarkt, kennis- en innovatie-ontwikkeling geothermie, benutting restwarmte, duurzame elektriciteit en voor de sector uiterst belangrijke CO2-afvang en levering. Samen met de sector zet de rijksoverheid zich vol in om de vereiste CO2-reductie te realiseren.
Is het technisch en juridisch mogelijk om deze maatregelen weer terug te draaien en wat zouden daar de implicaties van zijn?
De criteria uit de Wet milieubeheer en de ETS-Richtlijn om te bepalen of er sprake is van één installatie zijn bedoeld om te voorkomen dat bedrijven zich opsplitsen, terwijl er eigenlijk nog sprake is van technische, organisatorische of functionele bindingen. Het schrappen van deze criteria is zeer onwenselijk en in strijd met Europese regels, zoals de ETS-Richtlijn en de Richtlijn inzake industriële emissies.
Het schrappen van de back-upregeling brengt een zeer klein aantal glastuinbouwbedrijven weliswaar formeel weer onder het ETS, maar zij zullen feitelijk veel minder uitstoten dan hun capaciteit op papier doet vermoeden: de back-upinstallatie draait immers alleen als de hoofdinstallatie buiten werking is. Door dit ongedaan te maken wordt een kleine groep bedrijven geconfronteerd met kosten (zoals het ongedaan maken van de technische beperking) en administratieve lasten die niet in verhouding staan tot hun daadwerkelijke uitstoot.
Bent u bereid volledige verantwoording af te leggen over de nalatigheid van de overheid op dit terrein en met nieuwe voorstellen te komen die de tuinbouwsector op een correcte manier onder het ETS laat vallen, dan wel op een alternatieve wijze dwingt om de vereiste CO2-reductie te realiseren?
De sector houdt zich aan de regels en via de NEa houdt het kabinet daar ook toezicht op. Er bestaan op dit moment al ambitieuze afspraken met de glastuinbouwsector over CO2-reductie, zowel richting 2020 alsook in het Klimaatakkoord over de transitie richting 2030.
Bent u in de gelegenheid om deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat?
Nee.
Het bericht dat Jeugdzorg het kabinet verzoekt twee IS-kinderen uit Syrië terug te halen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dilemma voor kabinet: jeugdzorg verzoekt terughalen twee IS-kinderen uit Syrië»?1
Ja.
Klopt het dat jeugdzorg u heeft gevraagd om twee IS-kinderen terug te halen uit Syrië? Zo ja, wanneer heeft u dit verzoek ontvangen? En is hier direct en adequaat op gereageerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse Jeugdbeschermingsorganisatie waar de voorlopige voogdij over twee niet-Nederlandse kinderen in Syrië is toegewezen, heeft op 15 oktober jl. een brief gezonden aan de Nederlandse overheid met een verzoek om bijstand om de kinderen veilig te stellen. De brief is in goede orde ontvangen en het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in nauw contact met de Jeugdbeschermingsorganisatie.
Voor het overige geldt dat het kabinet op dit moment geen mededelingen kan doen over de stappen die worden gezet ter uitvoering van dit verzoek.
Kunt u een toelichting geven over de situatie waarin deze kinderen, een baby en een peuter, zich momenteel bevinden?
Nederland is niet diplomatiek vertegenwoordigd in Noordoost-Syrië en er is daardoor zeer beperkt tot geen zicht op deze kinderen. Het is het kabinet bekend dat de humanitaire en veiligheidssituatie in het kamp Al Roj – waar de kinderen zich zouden bevinden – slecht is en onderhevig aan de sterk veranderlijke verhoudingen in de regio.
Wanneer heeft u het verzoek van jeugdzorg ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen zijn ondernomen sinds het verzoek is ontvangen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er inmiddels acties ondernomen om de desbetreffende kinderen terug naar Nederland te halen? Zo ja, welke stappen zijn ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet wordt terughoudend omgegaan met het doen van mededelingen over individuele casuïstiek. Dat geldt ook in dit geval.
Wie is er op dit moment verantwoordelijk voor het welzijn van deze kinderen? Kan Bureau Jeugdzorg uitvoering geven aan de rechterlijke uitspraak zolang de kinderen zich nog in een kamp in Syrië bevinden?
De eerste verantwoordelijkheid voor de kinderen ligt bij eventuele natuurlijke gezagsdragers, daarna is er een verantwoordelijkheid voor lokale autoriteiten van het land waar de kinderen zich bevinden. In deze casus ligt de feitelijke zorg bij degene die nu de kinderen verzorgt en heeft een Nederlandse rechter, gezien het mogelijke gezagsvacuüm waarin de kinderen zitten, tevens een verantwoordelijkheid gelegd bij een Nederlandse voogd.
Op welke termijn verwacht u dat deze twee kinderen in Nederland zullen zijn en de rechterlijke uitspraak van begin september kan worden uitgevoerd?
Er wordt zorgvuldig gekeken naar het verzoek van de Jeugdbeschermingsorganisatie. Over de stappen die in dat verband worden gezet kan ik in het openbaar geen mededelingen doen.
In hoeverre verschillen deze twee kinderen van de twee wezen die in juni dit jaar met hulp van Frankrijk zijn opgehaald?
Op basis van de beschikbare informatie zijn deze twee kinderen, anders dan de twee door Frankrijk opgehaalde kinderen, niet Nederlands en is hun (biologische) vader nog in leven.
Verwacht u dat op korte termijn meer kinderen door de kinderrechter onder toezicht zullen worden gesteld van jeugdzorg, omdat hun belangen in de Syrische kampen ernstig worden bedreigd? Welke criteria worden daarbij gehanteerd? En zullen deze kinderen, net als de kinderen die in juni met hulp van Frankrijk zijn opgehaald, naar Nederland worden gehaald? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan hier niet op vooruitlopen. In de twee gevallen die nu bekend zijn heeft de rechter de voorlopige voogdij toegewezen aan een Nederlandse Jeugdbeschermingsorganisatie. Indien er meerdere zaken zouden volgen, zal telkens bezien moeten worden of en hoe hierin gehandeld kan worden.
Hoeveel Nederlandse kinderen verblijven momenteel in de verschillende kampen in Syrië? Kunt u een toelichting geven over hun gezondheidssituatie?
Uit cijfers van de AIVD blijkt dat er circa 55 volwassenen in opvang- en detentiekampen in Noordoost-Syrië verblijven en circa 95 kinderen «met een Nederlandse link».1 Deze kinderen hebben een of twee ouders met de Nederlandse nationaliteit of ouders die langere tijd in Nederland hebben gewoond. Dat betekent dat niet alle kinderen «met een Nederlandse link» ook de Nederlandse nationaliteit hebben.
Zoals ook gesteld in het antwoord op Kamervragen van 6 november (referentie 2019Z19778) is Nederland niet diplomatiek vertegenwoordigd in Noordoost-Syrië en is er daardoor zeer beperkt tot geen zicht op de kinderen met een Nederlandse link die in de opvangkampen in Noordoost-Syrië verblijven. Het is daarom niet mogelijk informatie te geven over de gezondheidssituatie van deze kinderen.
Het bericht dat 600 miljoen euro uit het Waddenfonds is uitgegeven zonder dat de natuur erop vooruit is gegaan |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Waddengeld voor een blacklight golfbaan? Onderzoek naar het Waddenfonds als grabbelton»?1
Ja, dat ken ik.
Kunt u toelichten hoe het anno 2019 gesteld is met de natuur in het Waddengebied ten opzichte van 2006, toen het Waddenfonds werd opgericht?
Over hoe het is gesteld met de natuur in het Waddengebied en specifiek ten opzichte van 2006 zijn geen gegevens bekend. Wel wordt om de vier jaar door internationale wetenschappers uit Duitsland, Denemarken en Nederland de laatste stand van zaken in beeld gebracht voor wat betreft de natuur in de Waddenzee. In dit Quality Status Report (QSR)2 wordt de kwaliteit van de Waddenzee in biologische, chemische en fysische parameters beschreven. De rapporten zijn gerangschikt in vijf hoofdonderwerpen: geomorfologie, leefgebieden (flora en fauna), soorten (flora en fauna), menselijke activiteiten en verontreiniging.
De meest recente QSR (2017/2018) laat zien dat het aantal vissen drastisch is afgenomen en er worden ook steeds minder trekvogels geteld. Hier tegenover staat dat andere soorten weer toenemen en in grote getalen aanwezig zijn. De gewone zeehond bijvoorbeeld is nu weer in ruime mate in de Waddenzee aanwezig. De soortenanalyse uit de QSR toont een negatieve ontwikkeling, hoewel enkele soorten in aantal toenemen. Dit betekent dat de streefbeelden (doelstellingen) met betrekking tot natuurontwikkeling niet worden gehaald. Het QSR maakt duidelijk dat de natuur in de Waddenzee door allerlei omstandigheden onder druk staat en (nog) niet verbetert.
Erkent u dat het Waddenfonds is opgericht om de natuur in het Waddengebied te versterken?
In 2005 is door het toenmalige Kabinet besloten om in de periode 2007–2026 additioneel € 800 miljoen te investeren in het Waddengebied. Deze investering is bedoeld als compensatie voor de negatieve effecten van gaswinning op de natuur- en landschapswaarden in het Waddengebied.
De Tweede Kamer heeft vervolgens als voorwaarde gesteld dat de beschikbare middelen fiftyfifty worden verdeeld over het verbeteren van de natuur- en landschapswaarden en het bevorderen van een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied.
Op 9 juli 2007 is de Wet op het Waddenfonds inwerking getreden. Deze wet vormde de basis voor het verstrekken van subsidies aan projecten die een bijdrage zouden moeten leveren aan de volgende doelen:
Het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied;
Het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee;
Een duurzame economische ontwikkeling van het Waddengebied en een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding ten aanzien van het Waddengebied;
Het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied.
Kunt u toelichten hoe het kan dat er 600 miljoen euro subsidie naar economische activiteiten zoals een blacklight golfbaan op Terschelling, klimpark Waddenfun en «bezinningstoerisme» op Ameland gegaan is, maar dat de natuur in het Waddengebied er niet aantoonbaar op vooruit is gegaan door het Waddenfonds?
Overeenkomstig het Bestuursakkoord Decentralisering Waddenfonds van 14 september 2011 (zie bijlage)3 wordt gestuurd op een gelijke verdeling van de middelen aan het eind van de periode van het Waddenfonds (2026). In de (openbare) jaarverslagen biedt het Waddenfonds tussentijds inzicht in de verdeling van middelen over ecologie en duurzame economie.
Bij de instelling van het Waddenfonds is direct € 122,4 miljoen uit het fonds gehaald voor nadeelcompensatie van de kokkelvisserij hetgeen de natuur ten goede komt. Bij de decentralisatie van het fonds is een efficiencykorting toegepast van € 75 miljoen.
In de periode voor decentralisatie is € 109,6 miljoen uitgekeerd uit het fonds waarvan € 65,8 miljoen voor natuur en € 43,8 miljoen aan economie.
Het Waddenfonds geeft aan dat na de decentralisatie (sinds 2012 t/m juni 2019) € 111 miljoen is verstrekt voor ecologie en € 132 miljoen aan economische projecten. Omgerekend gaat het dan om 46% voor ecologie.
Naast de nadeelcompensatie van de kokkelvissers is dus over de totale periode tot op heden € 176,8 miljoen aan natuur/ecologie en € 175,8 miljoen aan economische projecten verstrekt. Hieruit blijkt een evenwichtige verdeling tussen natuur en economie conform de doelstellingen van het Waddenfonds.
Er is dus geen sprake van een uitkering van € 600 miljoen aan economische projecten.
Kunt u een overzicht geven van de projecten, gefinancierd met geld uit het Waddenfonds, met een expliciete natuurbeschermings- of hersteldoelstelling?
Op de website van het Waddenfonds (http://waddenfonds.nl/projecten) staat een overzicht van alle projecten die gefinancierd worden met geld uit het Waddenfonds onderverdeeld in verschillende rubrieken, zoals natuur en duurzame recreatie en toerisme.
Hoeveel van deze projecten hebben aantoonbaar bijgedragen aan bescherming en herstel van de natuur in het Waddengebied? Kunt u dat toelichten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u een overzicht geven van de projecten die met geld uit het Waddenfonds zijn gefinancierd zonder expliciete natuurbeschermings- of hersteldoelstelling?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u op basis van de bovenstaande gegevens de conclusie trekken dat er de afgelopen jaren sprake is geweest van een 50/50 verdeling van het geld tussen natuur en economie, conform de doelstelling van het Waddenfonds? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4
Kent u de conclusie van de tussentijdse evaluatie van 2016, dat voor sommige projecten die gefinancierd zijn uit het Waddenfonds het risico bestaat op achteruitgang in plaats van vooruitgang van de natuur in het Waddengebied?
Ja, die ken ik.
Kunt u een overzicht geven van de projecten waarvoor dit risico bestaat en toelichten of en hoe er sprake is geweest van achteruitgang?
In de «Midterm-review 10 jaar Waddenfonds: bevindingen en adviezen» van 23 mei 2016 waar het hier om gaat, wordt dit risico toegeschreven aan de zeegrasprojecten. Concreet gaat het om de mogelijke introductie van een pseudo-schimmel. Ten behoeve van het zeegrasherstel is vervolgens door het Programma Rijke Waddenzee (PRW) geadviseerd een speciale werkgroep in te stellen waarin verantwoordelijke partijen samenwerken om beleid, beheer, gebruik en onderzoek te bundelen en beschikbare budgetten samen te voegen. Ook heeft PRW een breed gedragen toekomstvisie opgesteld en een gezamenlijk uitvoerings-programma Zeegras 2016–2020. Dit biedt partijen handvatten om samen te werken aan het herstel van zeegras.
Kunt u aangeven hoeveel geld uit het Waddenfonds gegaan is naar het opbouwen van relevante wetenschappelijke kennis op het gebied van natuurbescherming en herstel?
Het Waddenfonds heeft aangegeven dat er jaarlijks € 1,2 miljoen van het jaarlijkse budget van € 28,9 miljoen naar de Waddenacademie gaat, die als netwerkorganisatie bijdraagt aan het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding en die ook positief geëvalueerd is door een onafhankelijk commissie, ingesteld door de KNAW (Evaluatie 2003–2018, KNAW, september 2013). Sinds de decentralisatie geeft de Waddenacademie ook invulling aan de vierde doelstelling van het Waddenfonds, namelijk «het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied».
Daarnaast wordt ook met sommige gesubsidieerde projecten een bijdrage geleverd aan het opbouwen van wetenschappelijke kennis op het gebied van natuurbescherming en herstel. De projecten Waddensleutels en Mosselwad zijn goede voorbeelden van de bijdrage die wetenschappelijke kennis kan leveren aan een goed beheer van het gebied en kunnen dienen als voorbeelden voor andere natuurgebieden in ons land.
Is de constatering uit het artikel, dat het Waddenfonds enorme steken heeft laten vallen in het opbouwen van de noodzakelijke kennis, juist?
Het Waddenfonds heeft laten weten dat noodzakelijke kennis over het Waddengebied lang niet op alle terreinen voorhanden is, dan wel is versnipperd over verschillende instellingen.
Wel zijn, sinds de Algemene Rekenkamer daar in 2013 over heeft gerapporteerd, de nodige maatregelen in gang gezet om de kennishuishouding op orde te krijgen.
Door het Kernteam Basismonitoring bestaande uit vertegenwoordigers van Rijkswaterstaat, het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Coalitie Wadden Natuurlijk, de Waddenacademie, de Waddenprovincies, NAM en Tresoar wordt er gewerkt aan een Basismonitoring waarin de monitorings- en meetgegevens van vrijwel alle instellingen in het Waddengebied zijn opgenomen. Sinds 2015 wordt jaarlijks de uitgave «Wadden in beeld» uitgebracht waarin ontwikkelingen en trends zijn opgenomen. Verder zijn er vier grote specifieke kennisprojecten gerealiseerd die in april 2016 positief zijn geëvalueerd, waaronder de bij vraag 11 genoemde projecten.
Kunt u toelichten hoe het kan dat er nooit iets gedaan is met de aanbeveling om een onafhankelijke monitoringscommissie aan te stellen die de effecten meet van de projecten die gefinancierd worden uit het Waddenfonds? Bent u bereid deze aanbeveling alsnog zo snel mogelijk op te volgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is een aanbeveling van de Noordelijke Rekenkamer en de Randstedelijke Rekenkamer aan de Waddenprovincies.
De provincies zijn van oordeel dat binnen de publiekrechtelijke samenwerking verschillende instrumenten bestaan om na te gaan of subsidieverstrekking zich binnen de kaderstelling beweegt.
In dat licht geeft opvolging van de aanbevelingen 3 (Monitor- en evaluatie-systematiek) en 7 (actieve(re) informatieverstrekking aan provinciale staten) van de Rekenkamers aangrijpingspunten om de provinciale staten in hun kader- stellende en controlerende rol (meer) te faciliteren.
De provincies hebben aangegeven zich daar graag voor in te zetten. In eerste instantie loopt dit via het Waddenfondsbestuur, omdat zij (primair) beschikt over relevante informatie rond subsidieverstrekking, incl. evaluatieve informatie ten behoeve van beleidsvoering etc. Het Waddenfonds zorgt voor monitoring. In de Jaarverslagen wordt jaarlijks openbaar gepubliceerd over de voortgang en de besteding van middelen in relatie tot de doelen.
Daarbij is de Commissie Kwaliteitstoetsing Waddenfonds belast met de taak van monitoring en evaluatie van het beheer van het Waddenfonds en de besteding van de middelen ten laste van het fonds. De Commissie vervult deze taak in de vorm van advisering van het Algemeen Bestuur over Jaarverslag en Jaarprogramma.
Bent u bereid de evaluatie van het Waddenfonds te vervroegen en daarbij zo snel mogelijk te laten uitzoeken wat er nodig is om de natuur beter te beschermen en te versterken en hoe het Waddenfonds daar in de komende jaren aan gaat bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op de vragen 4.
Uitgangspunt blijft het Bestuursakkoord Decentralisering Waddenfonds uit 2011.
Bent u bereid het overgebleven geld in het Waddenfonds te oormerken voor projecten die een aantoonbaar positief effect hebben op de natuur in het Waddengebied? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet volgens de bestuursovereenkomst. Zie hiervoor het antwoord bij vraag 4.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er honderden miljoenen euro’s subsidie besteed zijn uit het Waddenfonds zonder dat de natuur er aantoonbaar op vooruit is gegaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Er wordt evenwichtig gesubsidieerd in natuur en economie. Het Waddenfonds heeft aangegeven dat door haar verschillende projecten worden gefinancierd die beogen de natuurkwaliteit te verbeteren. Voorbeelden hiervan zijn Wij en Wadvogels, Swimways, experimenten zeegrasherstel, Zoet-zout gradiënt in het Noorderleech en vismigratie, waaronder de aanleg van de vismigratierivier. Het betreft echter projecten waarvan de effecten pas op de lange termijn zichtbaar worden. Wel zichtbaar is bijvoorbeeld de toename van het areaal kwelders, de realisatie van enkele vogelbroedeilanden, een klutenplas en hoogwatervluchtplaatsen.
Het bericht dat de overheid tuinders hielp om het ETS te ontwijken |
|
Tom van der Lee (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Overheid hielp tuinders Europese CO2-prijs te ontwijken»?1
Ja.
Is het juist dat de overheid glastuinbouwbedrijven sinds 2012 actief heeft geholpen om zich te onttrekken aan het Europese Emissions Trading System (ETS)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, veel glastuinbouwbedrijven vallen sinds de afgelopen jaren om legitieme redenen niet langer onder het ETS. Om misbruik te voorkomen, houdt de NEa hierop toezicht.
Hoe verklaart u dat van de ruim 100 Nederlandse tuinbouwbedrijven die oorspronkelijk in het ETS deelnamen er slechts 15 over zijn?
Er zijn drie redenen dat bedrijven niet meer deelnemen aan het ETS:
Al deze redenen zijn in lijn met de ETS-regels en nauwkeurig getoetst door de NEa om te voorkomen dat er misbruik gemaakt wordt van deze regels.
Wat bedoelde de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) volgens u precies toen zij vorig jaar sprak van een «georganiseerde uittocht» van de glastuinbouw uit het ETS? Doelde zij daarmee impliciet op de hulp die de Nederlandse overheid gaf om dit systeem te ontwijken?
Uit navraag bij de NEa door het Ministerie van EZK blijkt dat de NEa erop doelde dat de sector actief en georganiseerd de mogelijkheden heeft verkend om binnen de grenzen van de wet uit het ETS te treden. De NEa toetst de vergunningaanvragen van bedrijven waardoor ze niet langer onder ETS vallen aan het wettelijk kader zodat geen misbruik gemaakt kan worden van de regels. Hierin maakt de NEa geen onderscheid tussen aanvragen van glastuinbouwbedrijven of bedrijven uit andere sectoren.
Is het juist dat nieuwe gegevens erop wijzen dat de glastuinbouw haar klimaatdoelen niet haalt?2
In het gewijzigde «Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem voor de periode 2013 – 2020»3 is een CO2-emissieplafond voor 2020 afgesproken. Mocht dit plafond niet gehaald worden dan is in het convenant afgesproken dat de overschrijding gecompenseerd moet worden.
Welke CO2-reductie had er gerealiseerd kunnen worden als de ruim 100 bedrijven onder het ETS waren gebleven en in hoeverre is dit van invloed op het niet halen van de doelstelling uit het Urgendavonnis?
De reductie binnen het ETS vindt plaats op Europese schaal en kan niet eenduidig vertaald worden naar één specifieke sector in Nederland. Met de glastuinbouwsector is een wettelijk vastgelegde CO2-doelstelling afgesproken die geldt voor de gehele glastuinbouw, inclusief de emissies van de glastuinbouwbedrijven die onder het ETS vallen. De inspanningen van de sector om te voldoen aan deze CO2-doelstelling afspraak dragen dus bij aan de doelstelling uit het Urgenda-vonnis. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Is het juist dat de betrokken bedrijven op twee manieren door de overheid werden «geholpen» bij ontwijking van het ETS, door a) de mogelijkheid te creëren om het bedrijf te splitsen waardoor het onder de drempel bleef of b) gasketels als «reserve» aan te merken?3
De mogelijkheid om te splitsen volgt uit de Wet milieubeheer, maar ook uit de Europese ETS-Richtlijn. Daarmee vallen alleen bedrijven boven een bepaalde capaciteit onder ETS. De Nederlandse regels zijn er juist op gericht om misbruik van de mogelijkheid tegen te gaan. Er worden met de Nederlandse regels geen nieuwe mogelijkheden gecreëerd, alleen wordt misbruik verhinderd.
Waarom is ervoor gekozen om deze twee mogelijkheden aan te bieden?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom is dit niet openlijk, ook met de Tweede Kamer, besproken?
Bedrijven hebben gebruik gemaakt van bestaande criteria in de Wet milieubeheer en daarop is getoetst door de NEa.
De zogenaamde «back-up regeling» is opgenomen in artikel 48 van de Ministeriële regeling handel in emissierechten5. Dit artikel is bedoeld om misbruik tegen te gaan: door de eisen uit de regeling mag en kan een bedrijf de back-up installatie niet gelijktijdig gebruiken met de hoofdinstallatie. Omdat het een invulling betreft van de bepalingen uit de ETS-Richtlijn – waarvan de Europese Commissie op de hoogte is – is deze regeling niet voorgelegd aan uw Kamer. In de Wet milieubeheer is aan de Minister de bevoegdheid toegekend omtrent dit onderwerp nadere regels te stellen. Voor de op basis van een dergelijke bevoegdheid vastgestelde regels in een ministeriële regeling wordt geen advies gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Evenmin wordt de ministeriële regeling aan de Tweede Kamer voorgelegd.
Is het technisch en juridisch mogelijk om deze maatregelen weer terug te draaien en wat zouden daar de implicaties van zijn?
De criteria uit de Wet milieubeheer en de ETS-Richtlijn om te bepalen of er sprake is van één installatie zijn bedoeld om te voorkomen dat bedrijven zich opsplitsen, terwijl er eigenlijk nog sprake is van technische, organisatorische of functionele bindingen. Het schrappen van deze criteria is zeer onwenselijk en in strijd met Europese regels, zoals de ETS-Richtlijn en de Richtlijn inzake industriële emissies.
Het schrappen van de back-upregeling brengt een zeer klein aantal glastuinbouwbedrijven weliswaar formeel weer onder het ETS, maar zij zullen feitelijk veel minder uitstoten dan hun capaciteit op papier doet vermoeden: de back-upinstallatie draait immers alleen als de hoofdinstallatie buiten werking is. Door dit ongedaan te maken wordt een kleine groep bedrijven geconfronteerd met kosten (zoals het ongedaan maken van de technische beperking) en administratieve lasten die niet in verhouding staan tot hun daadwerkelijke uitstoot.
Ondermijnt het argument van het Ministerie van LNV dat het een «meer gelijk speelveld» wilde scheppen binnen de tuinbouwsector, waarmee het ministerie de ingrepen aan de NRC lijkt te bevestigen, niet het hele ETS, aangezien iedere andere sector die onder het ETS valt dit ook zou kunnen aangrijpen, omdat onder het systeem alleen de grootste uitstoters worden belast?4
Bedrijven vallen onder het ETS als hun activiteit genoemd wordt in bijlage I van de ETS-Richtlijn (2003/87/EG). Een van de genoemde activiteiten is het «verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW». Glastuinbouwbedrijven vallen onder het ETS als deze drempelwaarde overschreden wordt. Dit betreft 15 bedrijven van de ongeveer 3500 glastuinbouwbedrijven. Gestreefd wordt naar een gelijk speelveld voor alle Nederlandse glastuinbouwbedrijven.
Is de berekening van de NRC juist dat er 20 tot 30 miljoen euro minder is betaald voor uitstootrechten dan er betaald had moeten worden? Zo nee, tot welk bedrag komt u?5
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 en 3 vallen deze bedrijven niet onder ETS. Er is derhalve geen sprake van «uitstootrechten die betaald hadden moeten worden»
Is het juist dat er nooit heffingen zijn geïnd in het kader van het «CO2-sectorsysteem», dat is ingevoerd als tegenprestatie voor het speciaal voor deze sector verlaagde tarief van de energiebelasting?6
De glastuinbouwsector is tot en met 2016 onder het in wet- en regelgeving vastgelegde jaarlijks dalende CO2-plafond gebleven en daardoor hoefde volgens de afspraken geen compensatie betaald worden. In 2017 is het plafond met 0,9 Mton overschreden. Hiervoor zal compensatie betaald worden.
Is de berekening van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) juist dat de sector door de verlaagde energiebelasting 100 miljoen per jaar bespaart? Hoeveel had er moeten zijn afgedragen aan heffingen in het kader van het CO2-sectorsysteem, en gaat dit met terugwerkende kracht alsnog gebeuren?7
De informatie van RVO was verouderd en is ondertussen aangepast. Uit de Miljoenennota blijkt dat het glastuinbouwtarief in 2019 een geraamd budgettair belang kent van 136 miljoen euro.Voor de rest van het antwoord zie antwoord op vraag 13.
Bent u bereid volledige verantwoording af te leggen over de nalatigheid van de overheid op dit terrein en met nieuwe voorstellen te komen die de tuinbouwsector op een correcte manier onder het ETS laat vallen, dan wel op een alternatieve wijze dwingt om de vereiste CO2-reductie te realiseren?
De sector houdt zich aan de ETS-regels en via de NEa wordt daar ook toezicht opgehouden. In het gewijzigde «Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem voor de periode 2013 – 2020»10 is een CO2-emissieplafond voor 2020 afgesproken. Mocht dit plafond niet gehaald worden dan is in het convenant afgesproken dat de overschrijding gecompenseerd moet worden.
Een stijgende energierekening voor huishoudens |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Regionale netbeheerders maken zich zorgen om stijgende energierekening»?1
Ja.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het vaststellen van de tarieven van de landelijke netbeheerder Tennet?
De regionale netbeheerders en TenneT hebben conform artikel 41b van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 81b van de Gaswet voor 1 oktober hun tariefvoorstellen ingediend bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM heeft de tariefvoorstellen op 4 oktober gepubliceerd. Belanghebbenden hebben tot 18 oktober de mogelijkheid gehad om hun zienswijze te geven op de tariefvoorstellen. Onder andere Netbeheer Nederland en VEMW hebben dit gedaan. De ACM heeft conform artikel 41c van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 81c van de Gaswet op 28 november de tariefbesluiten genomen voor de regionale netbeheerders en op 13 december het tariefbesluit genomen voor TenneT.
Is het waar dat het voorstel om de tarieven van Tennet te verhogen tot gevolg kan hebben dat de regionale netbeheerders 270 miljoen euro meer moeten gaan betalen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
TenneT brengt zijn tarieven in rekening bij zijn aangeslotenen, waaronder de regionale netbeheerders. TenneT heeft voorgesteld om de tariefinkomsten met 307 miljoen euro te verhogen in 2020. De ACM heeft besloten om de tariefstijging te dempen door onder andere eenmalig extra inzet van gelden uit de interconnectieveilingen. De stijging van de tariefinkomsten van TenneT in 2020 bedraagt hierdoor 207 miljoen euro. De tariefinkomsten van TenneT worden opgebracht door de bedrijven die direct op het net van TenneT aangesloten zijn en door de regionale netbeheerders, die de elektriciteit afnemen en distribueren. De ACM stelt dat TenneT heeft berekend dat deze stijging van de tarieven uiteindelijk zorgt voor een stijging van de energierekening van een gemiddeld huishouden van ongeveer 13 euro per jaar.2
Is het waar dat de regionale netbeheerders de 270 miljoen euro die Tennet in 2020 extra in rekening wil brengen uiteindelijk wel doorberekenen aan de huishoudens en dat die daardoor geconfronteerd worden met hogere nettarieven? Zo ja, met hoeveel procent kunnen de netbeheerkosten dan stijgen? Zo nee, hoe moeten de netbeheerders de extra kosten dan wel opvangen?
Ja, het is waar dat de regionale netbeheerders hun deel van de verhoging van 207 miljoen euro uiteindelijk kunnen doorberekenen aan hun afnemers, waaronder de huishoudens. De ACM heeft bij de tariefbesluiten gekozen om, in lijn met het geldende methodebesluit – het besluit waarin de ACM per reguleringsperiode opneemt hoe de efficiënte kosten van netbeheerders mogen worden doorberekend –, de tariefstijging van TenneT in 2020 niet van invloed te laten zijn op de tarieven van de regionale netbeheerders in 2020.
Dit betekent dat de tariefverhoging van nettarieven voor huishoudens in 2020 beperkt is tot vijf euro op jaarbasis. De tariefstijging van TenneT wordt, als het huidige methodebesluit van de ACM op dit onderdeel ongewijzigd blijft, betrokken bij de tarieven van de regionale netbeheerders in 2022.
De ACM doet in 2019 en 2020 een grootschalig onderzoek naar de kosten van regionale netbeheerders. Veel verschillende factoren hangen hier mee samen. Dit onderzoek kan aanleiding geven om de kosten van de netbeheerders in en na 2022 hoger of lager in te schatten. Enkele van de factoren die in dit onderzoek worden meegenomen zijn:
de geplande investeringen van de netbeheerders, met name in netcapaciteit
de kosten voor kapitaal
de kosten voor afschrijvingen
De uitkomsten van dit onderzoek van de ACM worden verwacht in 2021. De ACM legt deze uitkomsten vast in een methodebesluit voor de volgende reguleringsperiode (vanaf 2022). In het methodebesluit staat hoe de toegestane inkomsten van netbeheerders worden berekend. Dit besluit wordt in 2021 geconsulteerd en staat open voor bezwaar en beroep. Pas na de bekendmaking van het methodebesluit is er voldoende informatie beschikbaar om een valide inschatting van de nettarieven in 2022 te geven. Het is op dit moment dus niet mogelijk om uitspraken te doen over de totale ontwikkeling van de nettarieven in 2022 en daarna.
Wat is uw mening over het voorstel van de regionale netbeheerders om de genoemde extra kosten te mogen spreiden door het al vanaf volgend jaar mogelijk te maken deze kosten aan huishoudens door te berekenen?
Het is aan de ACM om te beoordelen of er aanleiding is om de toegestane inkomsten van de regionale netbeheerders aan te passen. De ACM heeft op basis van artikel 41c van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 81c van de Gaswet de taak om de tarieven vast te stellen.
De ACM heeft in het methodebesluit voor de huidige reguleringsperiode opgenomen hoe de tariefontwikkeling van TenneT wordt betrokken bij de tarieven van de regionale netbeheerders. De ACM heeft bij de tariefbesluiten gekozen om, in lijn met het geldende methodebesluit, de tariefstijging van TenneT in 2020 niet van invloed te laten zijn op de tarieven van de regionale netbeheerders in 2020. De tariefstijging van TenneT wordt, als het huidige methodebesluit van de ACM op dit onderdeel ongewijzigd blijft, betrokken bij de tarieven van de regionale netbeheerders in 2022.
Deelt u de mening van Netbeheer Nederland dat deze stijging niet goed is voor het draagvlak van de energietransitie, vooral omdat huishoudens op deze manier in 2022 ineens worden geconfronteerd met hogere kosten? Zo ja, waarom en wat gaat u doen om deze stijging tegen te gaan dan wel de nadelige gevolgen voor de energierekening van huishoudens tegen te gaan?
Ik begrijp de zorgen die rond de energierekening leven. Voor het jaar 2020 is de stijging van de nettarieven voor huishoudens bekend. Dit is volgens de ACM gemiddeld 5 euro per huishouden per jaar.3
Voor de jaren tussen 2020 en 2030 is ook een stijging van de nettarieven voorzien, maar met hoeveel de tarieven de komende jaren zullen stijgen, is nog niet bekend. De nettarieven hebben met een groot aantal factoren te maken. Een belangrijke factor is de hogere investeringen die netbeheerders moeten doen richting 2030, onder andere om het elektriciteitsnet te versterken en verzwaren. De ACM ziet erop toe dat de netbeheerders niet onnodig hoge kosten doorberekenen. De ACM heeft met de recente tarievenbesluiten de eerste besluiten genomen die van invloed zijn op de nettarieven in 2022.
Tegelijkertijd zijn er veel andere factoren die tot verhogingen en verlagingen van de nettarieven in 2022 kunnen leiden. De ACM doet hier een grootschalig onderzoek naar, zie ook het antwoord op vraag 4.
De energierekening van huishoudens bestaat uit drie componenten:
Leveringstarieven voor energieverbruik. De leveringstarieven komen tot stand op de geliberaliseerde energiemarkt op basis van vraag en aanbod. De totale kosten voor levering van energie zijn afhankelijk van het verbruik van een huishouden. Het kabinet heeft hier geen invloed op.
Nettarieven, de werkelijke kosten die netbeheerders maken voor het aanleggen en beheren van de gas- en elektriciteitsnetten. Deze kosten hebben voor een deel met kabinetsbeleid te maken. Zo wordt de komende jaren fors geïnvesteerd in met name de elektriciteitsnetten, om de beschikbare netcapaciteit voor hernieuwbare energieprojecten zoals wind- en zonneparken te vergroten. Voor een ander deel hebben deze kosten niet met kabinetsbeleid te maken, zoals de kosten voor kapitaal (marktrente), waar het kabinet geen invloed op heeft.
Energiebelastingen, dit zijn de energiebelasting (EB) en de opslag duurzame energie (ODE). Dit is het enige onderdeel waar het kabinet directe invloed op kan uitoefenen.
Het kabinet spant zich in voor haalbaar en betaalbaar klimaatbeleid. Het kabinet houdt een vinger aan de pols bij de ontwikkeling van de totale energierekening.
In het kader van het Klimaatakkoord heeft het kabinet afgesproken om het totaal van energiebelastingen voor huishoudens te verlagen. Ten eerste is een verschuiving in de ODE doorgevoerd. De ODE wordt momenteel voor 50% opgebracht door huishoudens en voor 50% door bedrijven. Vanaf 2020 betalen huishoudens 33% van de ODE en betalen bedrijven de overige 67%. Ten tweede is er een verschuiving in de EB doorgevoerd die het tarief op elektriciteit op termijn verlaagt en op gas verhoogt, om daarmee verduurzaming aantrekkelijker te maken. Ten derde is er een forse verhoging van de belastingvermindering, de vaste korting op energiebelasting. Deze aanpassingen leiden voor huishoudens met een gemiddeld verbruik tot een verlaging van het totaal aan energiebelastingen in 2020 ten opzichte van 2019. Aangezien huishoudens met lage inkomens relatief meer aan energie uitgeven als aandeel van hun inkomen, profiteren zij relatief het meest van deze verschuiving.
Het kabinet weegt bij de koopkrachtbesluitvorming de ontwikkeling van de koopkracht integraal en betrekt daarbij de plussen en minnen voor huishoudens. Via de inflatie is daar ook de ontwikkeling van de energierekening bij betrokken.
Wat gaat een verhoging van 270 miljoen euro betekenen voor de hoogte van de energierekening van huishoudens? Met hoeveel zal die rekening gaan stijgen dan wel eventueel minder gaan dalen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe is deze tariefstijging ingecalculeerd in uw berekeningen met betrekking tot de energierekening van huishoudens in 2020?
De tariefstijging van TenneT heeft geen invloed op de energierekening van huishoudens in 2020. De tariefstijging van de regionale netbeheerders, waar de ACM op 28 november jl. een besluit over genomen heeft, heeft wel invloed op de energierekening van huishoudens in 2020. De totale stijging van de nettarieven voor huishoudens in 2020 is gemiddeld 5 euro op jaarbasis. Zoals bij vraag 6 en 7 toegelicht, heeft het kabinet in het kader van het Klimaatakkoord afgesproken om het totaal van de energiebelastingen voor huishoudens te verlagen. Voor een huishouden met een gemiddeld verbruik dalen de energiebelastingen met 100 euro in 2020. Het voordeel van de lagere energiebelasting blijft overeind ondanks licht stijgende netwerkkosten. De precieze effecten op de energierekening zijn afhankelijk zijn van het specifieke verbruik in het betreffende huishouden en de ontwikkeling van de energieprijzen in de markt.
Het kabinet vindt het van belang om de ontwikkeling van de energierekening goed in kaart te brengen. Hiertoe komt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) samen met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) met ingang van 2020 met een inschatting van de ontwikkeling van de gehele energierekening voor het lopende jaar. Deze publicatie zal jaarlijks verschijnen in februari/maart, omdat dan het meest recente prijsniveau van januari kan worden meegenomen. Deze publicatie geeft een beeld van de ontwikkeling van de energierekening voor een huishouden met een gemiddeld verbruik. Ook de ontwikkeling van de energierekening voor verschillende verbruikersprofielen wordt gepresenteerd.
Ik zal uw Kamer informeren rondom deze publicatie van het CBS en het PBL, in februari/maart.
Kan door gestegen netwerkkosten het voordeel van de beloofde lagere energiebelasting weer geheel of gedeeltelijk teniet gedaan worden? Zo ja, met hoeveel euro per gemiddeld huishouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bovenstaande vragen beantwoorden voor de behandeling van uw begroting in de Kamer?
Vanwege de voor de beantwoording benodigde afstemming is het niet gelukt om de bovenstaande vragen te beantwoorden voor de behandeling van mijn begroting in de Kamer.
Dubbele functies bij veiligheidsregio’s |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Vindt u het wenselijk dat de directeur van een veiligheidsregio, die zich gaat richten op de modernisering van de brandweer, ook brandweercommandant is van een van de korpsen in die veiligheidsregio? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?1
In het Besluit personeel veiligheidsregio’s (Bpv) zijn functies opgenomen voor de brandweer, GHOR, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Een «functie» wordt in het Bpv gedefinieerd als een samenstel van te verrichten werkzaamheden. In de nota van toelichting van het Bpv2 is opgenomen dat een persoon één of meer functies kan uitoefenen en dat het begrip functie niet moet worden verward met het begrip functie zoals dat in de rechtspositionele en arbeidsvoorwaardelijke sfeer wordt gehanteerd. Er zijn in het Bpv geen verdere bepalingen opgenomen rondom dubbelfuncties, dus ook niet of functies elkaar uitsluiten.
Het is de verantwoordelijkheid van de besturen van de veiligheidsregio’s om bij het inrichten van hun organisatie afwegingen te maken over het aan personen op te dragen samenstel van werkzaamheden. Daarbij kunnen ook regio-specifieke factoren een rol spelen.
In de Wet veiligheidsregio’s en het Bpv is geen functie directeur veiligheidsregio vastgelegd. Het bestuur van een veiligheidsregio bepaalt zelf of een directeur veiligheidsregio wordt aangesteld, en zo ja, met welk samenstel van werkzaamheden die functionaris wordt belast. Veiligheidsregio’s kunnen hierbij tot verschillende afwegingen en besluiten komen, en dat gebeurt ook. Zo is het aan het bestuur van een veiligheidsregio’s te besluiten of de in het Bpv beschreven functie regionaal brandweercommandant deel uitmaakt van het takenpakket van de directeur. Voor zover bekend is daar op dit moment in circa 18 van de 25 sprake van. Tegen de achtergrond van het gehele takenpakket van de veiligheidsregio’s zie ik dat niet per definitie als onwenselijk. Over de wenselijkheid in een specifieke veiligheidsregio doe ik geen uitspraak. Ik wil niet in de verantwoordelijkheden treden van de besturen van de veiligheidsregio’s.
Hoeveel verschillende dubbelfuncties zijn er bij de verschillende veiligheidsregio’s?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er regels opgesteld rondom dubbelfuncties, bijvoorbeeld over functies die elkaar uitsluiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn deze?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er mensen in veiligheidsregio’s die met een dergelijke dubbelfunctie in totaal boven de WNT(Wet normering topinkomens)-norm uitkomen? Zo ja, deelt u de mening dat deze mensen in totaal niet meer zouden mogen verdienen dan de WNT-norm?
De Wet normering topinkomens (WNT) geldt ook voor veiligheidsregio’s. In de WNT-rapportage over 2018 die binnenkort aan uw Kamer door de Minister van BZK wordt verstrekt, zijn geen topfunctionarissen van veiligheidsregio’s opgenomen die de WNT overtreden. De WNT bepaalt dat, indien sprake is van bezoldiging als topfunctionaris maar tevens van bezoldiging voor nevenwerkzaamheden bij de WNT-instelling, een andere WNT-instelling dan wel een gelieerde rechtspersoon, de WNT-gegevens die op die samenloop van bezoldiging betrekking hebben, openbaar moeten worden gemaakt. De accountant controleert of de WNT-gegevens van de topfunctionarissen juist en volledig zijn verantwoord. Indien dit niet het geval is, meldt de accountant dit bij de Minister van BZK. Er zijn van de accountants noch op ander wijze meldingen van overtredingen van topfunctionarissen bij veiligheidsregio’s ontvangen.
Het bericht dat de overheid de glastuinbouw heeft geholpen om het betalen van de CO2-prijs te ontwijken |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Overheid hielp tuinders Europese CO2-prijs te ontwijken» en «De CO2-heffing die nooit werd geïnd»?1 2
Ja.
Klopt het dat de overheid sinds 2012 glastuinbouwbedrijven actief heeft geholpen om zich te onttrekken aan het Europese emissiehandelssysteem ETS? Zo nee, hoe zit het dan?
Nee, veel glastuinbouwbedrijven vallen sinds de afgelopen jaren om legitieme redenen niet langer onder het ETS. Om misbruik te voorkomen, houdt de NEa hierop toezicht.
Klopt het dat van de ruim honderd Nederlandse tuinbouwbedrijven die oorspronkelijk aan het ETS deelnamen, er nu slechts vijftien over zijn? Zo nee, hoe zit het dan?
Er zijn drie redenen dat bedrijven niet meer deelnemen aan het ETS:
Bedrijven hebben het vermogen van hun installaties verminderd;
Bedrijven hebben zich opgesplitst;
Bedrijven voldoen op basis van de «back-up regeling» niet langer aan de ETS-criteria.
Al deze redenen zijn in lijn met de ETS-regels en nauwkeurig getoetst door de NEa om te voorkomen dat er misbruik gemaakt wordt van deze regels
Kunt u een tijdlijn verschaffen van het aantal Nederlandse glastuinbouwbedrijven dat jaarlijks deelnam aan het ETS, inclusief de financiële bijdrage die daarbij werd geleverd?
De NEa heeft in een rapport uit 20183 een dergelijke tijdlijn opgenomen. In tabelvorm laat deze zich als volgt vertalen:
Aantal
2012
90
2013
44
2014
36
2015
28
2016
26
2017
19
Deze bedrijven vallen niet onder ETS. Er is derhalve geen sprake van dat deze bedrijven minder betaald hebben via ETS. Het kabinet kan daarom geen bedragen specificeren.
Klopt het dat door deze gang van zaken de Nederlandse tuinders enkele tientallen miljoenen euro’s minder hebben betaald via het ETS? Kunt u deze bedragen specificeren?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat deze handelwijze een grote mate van onrechtvaardigheid in zich heeft, mede vanwege het feit dat de glastuinbouw al stevige belastingvoordelen geniet inzake de energiebelasting? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat erkent het kabinet niet. Uit de evaluatie van het verlaagde tarief in de energiebelasting die in 2016 is uitgevoerd, blijkt dat de verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw nog steeds bijdraagt aan het doel waarvoor het verlaagde tarief indertijd is ingesteld, namelijk het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de glastuinbouwsector doordat deze relatief kleinschalige sector, anders dan overige energie-intensieve sectoren, onvoldoende profiteert van degressieve tariefstructuur (een tariefstructuur waarbij de verschuldigde belasting als percentage van de heffingsgrondslag (gemiddelde belastingdruk) daalt naarmate de grondslag hoger wordt).
Welke boodschap vindt u dat er afstraalt van een overheid die, terwijl de klimaatcrisis in volle gang is, een sector actief helpt met het omzeilen van het betalen van de CO2-prijs?
Erkent u dat deze handelwijze schadelijk is voor het vertrouwen van burgers in de wijze waarop de overheid omgaat met haar klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw inzet om dit geschonden vertrouwen te herstellen?
Erkent u dat deze handelwijze schadelijk is voor het vertrouwen van burgers in de wijze waarop de overheid omgaat met het handhaven van regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw inzet om dit geschonden vertrouwen te herstellen?
Waaruit blijkt dat deze werkwijze geen negatieve impact zal hebben op het behalen van de doelen uit het Klimaatakkoord?
In het Klimaatakkoord zijn afspraken met de glastuinbouwsector gemaakt over de sectorale klimaatdoelen in 2030. Afgesproken is om de huidige succesvolle transitie-aanpak voor te zetten. Partijen bouwen daarbij voort op het Innovatie en Actie Programma «Kas als Energiebron» dat zich richt op een klimaatneutrale glastuinbouw. Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is de sector daarnaast afhankelijk van externe ontwikkelingen en samenwerkingsprojecten met andere sectoren, zoals de prijsontwikkeling in de vrije energiemarkt, kennis- en innovatie-ontwikkeling geothermie, benutting restwarmte, duurzame elektriciteit en voor de sector uiterst belangrijke CO2-afvang en levering. Samen met de sector zet de rijksoverheid zich vol in om de vereiste CO2-reductie te realiseren.
Wat is uw inzet om een einde te maken aan deze werkwijze?
Door het toezicht van de NEa op de wettelijke regels heb ik er vertrouwen in dat mogelijk misbruik van de regels erg klein is.
Met de afspraken over een jaarlijks dalend CO2-plafond voor de glastuinbouwsector, het CO2-sectorsysteem en de afspraken in het Klimaatakkoord is het niet nodig om de werkwijze aan te passen.
Wat is uw inzet om de niet-betaalde sommen alsnog te vorderen en ten gunste te laten komen aan het behalen van de klimaatdoelen?
Tot en met 2016 is de glastuinbouwsector onder het afgesproken jaarlijks dalend CO2-plafond gebleven en hoeft de sector conform de wet- en regelgeving geen compensatie te betalen. Deze bedrijven vallen niet onder ETS. In 2017 is het sectorplafond overschreden en moet dus compensatie betaald worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting 2020 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat?
Nee.
De inkomensachteruitgang voor mensen met een Wajong-uitkering |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor de volgende fictieve casus aangeven wat het totaalinkomen is en de inkomensondersteuning in de oude Wajong: iemand werkt met loondispensatie en een loonwaarde van 50 procent, 20 uur per week op een functie met een salaris van 160 procent van het wettelijk minimumloon (WML) met een maatmaninkomen?
Inkomen uit arbeid = loonwaarde x deeltijdfactor x functieloon = 0,5 x 0,5 x 160% WML = 40% WML. Ervan uitgaande dat het vervullen van een functie op 160% WML heeft geleid tot een maatmanwissel, waarbij het maatmaninkomen is vastgesteld op 160% WML, wordt een fictieve indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse gebaseerd op dit maatmaninkomen.
Vaststellen AO-klasse t.b.v. vaststellen hoogte uitkering:
AO-percentage = 1 – (inkomen uit arbeid / maatmaninkomen) = 0,75 (75%)
AO-klasse = 65–80%
Inkomensondersteuning = 50,75% WML
Kunt u voor deze casus aangeven wat het totaalinkomen en de inkomensondersteuning vanuit de Wajong is zodra deze persoon zijn of haar baan verliest?
Net als voor reguliere werknemers zijn werkende Wajongers verzekerd tegen inkomensverlies vanwege het eindigen van een baan. Recht, hoogte en duur zijn afhankelijk van referte-eis en arbeidsverleden. Ervan uitgaande dat deze Wajonger recht heeft op een loongerelateerde WW-uitkering, is zijn WW-uitkering 70% van het inkomen uit arbeid = 0,7 x 40% WML = 28% WML. Bij een WW-uitkering wijzigt de hoogte van de Wajong-uitkering niet. De inkomensondersteuning blijft 50,75% WML.
Stel dat in de oude Wajong deze persoon na zes maanden wordt aangenomen in een vergelijkbare functie met een salaris van 160 procent WML en 20 uur per week werkt met loondispensatie en een loonwaarde van 50 procent met een maatmaninkomen, hoe hoog is dan het totaalinkomen en de inkomensondersteuning?
Het totale inkomen bij gelijkblijvende voorwaarden zou op basis van de huidige regels in de oWajong gelijk zijn aan de berekeningen bij antwoord 1. De inkomensondersteuning is 50,75% WML
Wat zou het totaalinkomen en de inkomensondersteuning zijn van een andere persoon na invoering van de voorgestelde regeling, indien deze persoon aan de slag gaat in een functie met een vergelijkbaar salaris (160% WML), omvang per week (20 uur), en loonwaarde (50%)?
Inkomen uit arbeid = loonwaarde x deeltijdfactor x functieloon = 0,5 x 0,5 x 160% WML = 40% WML
Inkomensondersteuning = (0,7 x G) – (0,7 x compensatiefactor x I). Compensatiefactor = (loonwaarde – 0,3) / (0,7 x loonwaarde) = (0,5 – 0,3) / (0,7 x 0,5). Inkomensondersteuning = 70% WML – (0,7 x (0,2/0,35) x 40% WML) = 54% WML
Indien de persoon uit de eerste casus na invoering van de voorgestelde regeling zijn of haar baan verliest, hoe hoog is dan de inkomensondersteuning?
Op basis van het overgangsregime stelt UWV voor de persoon in de eerste casus een garantiebedrag vast van 50,75% WML. De minimale inkomensondersteuning bedraagt dus 50,75% WML bij inkomen uit arbeid. Bij verlies van baan kan het garantiebedrag door blijven werking gedurende de periode dat er sprake is van inkomen uit WW.
Bij het vaststellen van de (aanvullende) uitkering op basis van de nieuwe regels voor inkomensondersteuning wordt een WW-uitkering conform inkomen uit arbeid met de uitkering verrekend. Net als bij het antwoord op vraag 2 gaan we bij de berekening van de inkomensondersteuning uit van een WW-uitkering van 70% van zijn inkomen uit arbeid = 28% WML. Inkomensondersteuning nieuw = 70% WML – (0,7 x (0,2/0,35) x 28% WML) = 58,8% WML. De inkomensondersteuning is daarmee hoger dan het vastgestelde garantiebedrag, waardoor de inkomensondersteuning nieuw tot uitbetaling komt. De inkomensondersteuning bedraagt 58,8% WML.
Indien deze persoon na invoering van de nieuwe regeling na baanverlies pas na zes maanden – dus na het verstrijken van de garantietermijn van twee maanden – wederom wordt aangenomen in een vergelijkbare functie met salaris 160% WML, 20 uur per week, en 50 procent loonwaarde, hoe hoog zijn dan de inkomensondersteuning en het totaalinkomen?
Deze berekeningen zijn conform het antwoord op vraag 4. De inkomensondersteuning bedraagt 54% WML.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de stemmingen over het wetsvoorstel Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele andere wetten in verband met verdere activering van de participatie van jonggehandicapten en het harmoniseren van de verschillende regimes Wajong?
Ja.
Natuurbeheer en klimaatbeleid |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste ingreep ooit moet Terschellinger duinen weer laten stuiven»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke habitat of soort beschermd wordt met het afgraven van de duinen?
De beschreven ingrepen maken deel uit van een pakket maatregelen om de invloed van stikstof op de duinnatuur te beperken. Dit pakket was onderdeel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De gekozen locaties zijn tot stand gekomen door een gebiedsanalyse waarbij eilanders, ecologen en beheerder (Staatsbosbeheer) betrokken waren, onder regie van de provincie Fryslân. Er is volgens Staatsbosbeheer veel draagvlak voor op het eiland.
De maatregel bestaat uit het pleksgewijs verwijderen van de voedselrijke bovenlaag en/of een dichte begroeiing van helm (ammophila arenaria) (de duinen worden dus niet afgegraven, de natuurlijke morfologie blijft in stand). Het effect van de maatregel is dat de duinen ter plekke weer gaan stuiven. Dit verstuivingsproces was tot stilstand gekomen door de aanplant van helm (in het verleden) en de toegenomen voedselrijkdom van de bodem. Het herstel van de natuurlijke dynamiek draagt bij aan de kwaliteit van de witte duinen (H2120) en zorgt er door het inwaaien van relatief kalkrijk zand voor dat de verzuring in de achterliggende duingraslanden (H2130) vermindert. Daar profiteren ook o.a. de beschermde vogelsoorten tapuit en velduil van.
Kunt u onderbouwen in hoeverre het weghalen van het helmgras soorten als parelmoervlinder, tapuiten en konijnen zal aantrekken en kunt u aangeven wat er nog groeit zonder het helmgras?
Het nut van het weer op gang brengen van de verstuiving van de duinen voor met name de duingraslanden is in zijn algemeenheid beschreven in het rapport «Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats»2 en gespecificeerd in de PAS-gebiedsanalyse voor Terschelling3. De genoemde soorten maken daar gebruik van. Ze nemen af als de vegetatie dichter en minder bloemrijk wordt. Ze kunnen weer herstellen als de vegetatie opener wordt en de bodem minder zuur wordt. Daar waar helm wordt verwijderd (in de zeereep en in stuifkuilen) komt helm vanzelf weer terug, maar dan in een vitale vorm en in een minder dichte vegetatie.
Kunt u toelichten hoe in het natuurbeleid rekening wordt gehouden met klimaatbeleid, waarbij het nodig is dat er meer planten en bomen groeien die meer CO2 kunnen opnemen?
Het laten stuiven van duinen draagt bij aan de klimaatadaptatie van de Nederlandse kust. Doordat het zand de duinen in stuift, kan bijvoorbeeld Terschelling de zeespiegelstijging bijhouden. Zand dat verder de duinen in stuift, komt zo buiten het bereik van de zee te liggen en spoelt dus niet weg bij storm.
In het Klimaatakkoord staan ook maatregelen in relatie tot natuur4. Bij de maatregelen op Terschelling wordt geen bos verwijderd. Helmbegroeiing heeft geen bijzondere functie als het gaat om vastleggen van kooldioxide.
Bent u bereid om te bekijken hoe het beheer van bestaande natuurgebieden meer gericht kan worden op het klimaatbeleid, zodat het zoveel mogelijk bijdraagt aan het reduceren van broeikasgassen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Vastlegging van kooldioxide in bossen is een aandachtspunt voor het natuurbeheer en is onderdeel van de bossenstrategie, zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd.
Kunt u toelichten in hoeverre het beheer van bestaande natuurgebieden onderdeel wordt van de Routekaart nationale biomassa?
De routekaart wordt opgesteld door leden van de klimaattafel landbouw en landgebruik. Naar verwachting zal de routekaart begin 2020 worden aangeboden aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ook biomassa uit bos en natuurterreinen worden daarin beschouwd.
De aanwijzing van natuurgebieden en het toevoegen van stikstofgevoelige habitats in het verleden |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politieke agenda zit oplossing stikstof dwars»?1
Ja.
Deelt u de mening van dhr. Gerrits? Zo ja, op welke punten? Zo nee, op welke punten niet en waarom?
De heer Gerrits noemt een groot aantal punten, die hierna zijn samengevat en van een reactie voorzien. Het betreft de huidige stand van kennis, dus nog zonder de resultaten van de onderzoeken die zijn aangekondigd in mijn brief van 13 november 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 1).
a) Nederland heeft meer gebieden aangewezen dan de Europese Commissie vroeg.
b) Gebieden zijn op oneigenlijke gronden aangemeld, omdat 1) soorten en habitattypen die de basis voor selectie waren, er niet voorkwamen, en 2) gebieden met habitattypen met een goede natuurkwaliteit niet zijn geselecteerd en gebieden met een slechtere natuurkwaliteit wel.
c) Aanmelding kan worden teruggedraaid als de politieke wil er is en het goed (wetenschappelijk) wordt onderbouwd dat gebieden ten onrechte zijn aangemeld.
d) Er zijn ambities van de terreinbeherende organisaties na de aanwijzing toegevoegd (zoals Actieve hoogvenen) en dat is nu een van de grootste problemen. Om die te schrappen, hoeft de Minister niet terug naar Brussel, want ze zijn na de aanmelding toegevoegd.
3) Zo snel mogelijk herstelmaatregelen nemen om een goede instandhoudingssituatie te creëren gaat nooit lukken. Niet elk habitattype en vegetatie wil groeien op plekken waar we dat nu volgens het beleid willen.
f) De heide wordt door terreinbeherende organisaties te weinig verschraald, daardoor vergrast de heide en dat heeft niets te maken met een overmaat aan stikstof.
g) Vogelrichtlijngebied Eilandspolder kan worden geschrapt, omdat de lepelaars die de reden voor aanwijzing vormden, al tien jaar weg zijn.
h) Het Europees Hof van Justitie beperkt het toetsingskader voor passende beoordelingen tot de habitattypen en soorten waarvoor de gebieden zijn geselecteerd. Dat is de uitleg van het begrip natuurlijke kenmerken van het gebied. Die uitspraak heeft de overheid naast zich neergelegd.
Indachtig de motie-Bisschop (Kamerstuk 32 670, nr. 188) bezie ik momenteel in het kader van de actualisatie van het doelensysteem Natura 2000 wat de mogelijkheden zijn om andere prioriteiten te stellen met betrekking tot zeer kleine oppervlaktes van een habitattype.
i) De natuurkwaliteit ontwikkelt zich positief in de Natura 2000-gebieden. Voor 49 procent van alle habitattypen blijkt de kwaliteit tussen 2004 en het moment van de laatste update (2015 tot 2018) hetzelfde te zijn. In 22 procent van de gevallen is het achteruitgegaan en in 29 procent is het beter geworden.
Dat de informatie verschilt tussen de opeenvolgende versies komt vooral doordat de methode is veranderd en de kennis over de uitgangssituatie is toegenomen.
Of de natuurkwaliteit netto in alle gebieden samen beter is geworden, kan pas bepaald worden als de evaluaties van de natuurkwaliteit per gebied zijn afgerond. Die evaluaties worden gemaakt als de looptijd van een eerste beheerplan bijna is verstreken en een tweede beheerplan wordt opgesteld. Een landelijk beeld ontstaat pas als alle evaluaties met elkaar kunnen worden vergeleken. Slechts in enkele gebieden is zo'n evaluatie voor een «tweede-generatiebeheerplan» van de eerste beheerplanperiode al voorhanden.
j) De vraag rijst of de informatie van de updates van het aanmeldformulier in Brussel wel gecontroleerd wordt. In het artikel wordt gesuggereerd dat er politieke redenen zijn om Nederland niet op de vingers te tikken en dat daardoor niets gebeurt met deze informatie.
Kunt u aangeven of bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden in Friesland, Eilandspolder-Oost in Noord-Holland en Norgerholt in Drenthe sprake is geweest van het aanwijzen van habitats die daar eigenlijk niet aanwezig waren en kunt u toelichten waarom hier wel of niet sprake van is?
Uit de onderbouwingen die opgenomen zijn in de aanwijzingsbesluiten2 blijkt dat hier geen sprake van is. Ik kan daar in deze beantwoording niet in detail op ingaan, omdat er geen concrete voorbeelden genoemd worden in Friesland. Voor de andere twee gebieden kan dat wel.
Kunt u aangeven in hoeverre er na de aanwijzing nog stikstofgevoelige habitats zijn toegevoegd en waarom Nederland dat verplicht was volgens de Vogel- en Habitatrichtlijn?
De aanwijzingen van de Habitatrichtlijngebieden zijn grotendeels afgerond in 2013. Nadien is in enkele gevallen een stikstofgevoelig habitat toegevoegd als dat volgens de Raad van State ten onrechte nog niet was gebeurd (zie het bovengenoemde voorbeeld Wooldse Veen) en voorts in 17 gevallen (in negen gebieden) als onderdeel van het wijzigingsbesluit Afwezige waarden (2015).4 Uit artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn blijkt dat alle aanwezige habitattypen en soorten moeten worden beschermd. Een uitzondering mag volgens de uitleg van de Europese Commissie worden gemaakt voor waarden die slechts in verwaarloosbare mate voorkomen; die waarden worden daarom ook nooit in een aanwijzingsbesluit opgenomen. Deze lijn is bevestigd in vaste jurisprudentie van de Raad van State.
Kunt u voor elke toegevoegde stikstofgevoelige habitat aan een bepaald gebied na de aanwijzing aangeven om welke ecologische reden dat gedaan is en wat de economische gevolgen zijn geweest van het toevoegen van die bepaalde habitat?
Zoals uit bovenstaande antwoorden blijkt, zijn toevoegingen alleen opgenomen indien dat vanwege de Europese regelgeving is vereist. Dat is steeds verantwoord in de genoemde wijzigingsbesluiten.
De economische gevolgen hangen af van de ecologische vereisten van de toegevoegde habitats. Soms stellen habitats geen eisen aan de omgeving, maar in andere gevallen zijn habitats afhankelijk van schone lucht of van een voldoende hoge regionale grondwaterstand.
De kritiek van NGO’s op de concept-duurzaamheids-impactanalyse van het EU-Mercosur-verdrag en de status van het akkoord |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de concept-duurzaamheids-impactanalyse (concept-SIA) over het EU-Mercosur-verdrag pas op 3 oktober jl. is vastgesteld en een dag later is gepubliceerd, terwijl de politieke deal zelf op 28 juni al gesloten is? Zo nee, hoe zit het dan?
Het oorspronkelijke Sustainability Impact Assessment(SIA) dateert uit 2009.1 Het concept-rapport voor het nieuwe SIA is op 3 oktober jl. gepubliceerd door LSE Consulting, gelieerd aan de London School of Economics.2 Op 28 juni jl. is een politiek akkoord bereikt tussen de Europese Commissie en Mercosur.
Had de (concept-)duurzaamheids-impactanalyse bekend moeten zijn geweest bij de onderhandelaars die over deze handelsdeal onderhandelden, ruim voordat tot een overeenkomst werd gekomen, zodat de inzichten hadden kunnen worden betrokken bij de (eind-)onderhandelingen? Zo ja, waarom is in dit geval afgeweken van deze werkwijze? Zo nee, wat vindt u ervan dat de Europese Commissie handelsverdragen afsluit zonder zelfs maar de meest minimale analyse af te wachten van de impact die een verdrag kan hebben op duurzaamheidsdoelen waar de EU voor zegt te staan, zoals het beschermen van bossen en het voorkomen van ontwrichtende klimaatverandering?
Nederland zet zich in voor tijdige uitvoering en publicatie van SIA’s, en steunt de uitvoering van dit hernieuwde SIA. Het oorspronkelijke SIA voor het EU-Mercosur Associatieakkoord is in 2009 gepubliceerd. Naar aanleiding van de hernieuwde markttoegangsaanbiedingen van zowel de Mercosur-landen als de Europese Unie is besloten om een nieuw SIA te laten opstellen, waarin ook internationale ontwikkelingen zoals het inmiddels bereikte akkoord van Parijs meegenomen konden worden. De Europese Commissie heeft in 2017 nieuwe Terms of Reference (ToR)gepubliceerd om een geactualiseerd SIA te laten uitvoeren, met het oog op beschikbaarheid tijdens de onderhandelingen. In de Terms of Reference is bovendien aangegeven dat de onderzoekers de bijeenkomsten met de Europese Commissie bijwonen, waar onder meer het werk wat tot dan toe is verricht, gepresenteerd wordt.3 De Europese Commissie was mede hierdoor gedurende de onderhandelingen op de hoogte van de inhoudelijke vorderingen van het herziene SIA. De Europese Commissie heeft dit ook publiekelijk gemeld.
Kunt u uiteenzetten wat de procedure is voor het opstellen van een concept-SIA en het betrekken van een concept-SIA bij onderhandelingen over een handelsverdrag door de Europese Commissie, het tijdpad dat daarbij moet worden gehanteerd in relatie tot het verloop van de onderhandelingen en het moment waarop een overeenkomst wordt gesloten? Kunt u daarbij duidelijk maken in hoeverre de afspraken hierover vrijblijvend zijn dan wel verplicht?
De Europese Commissie heeft een handboek opgesteld voor Sustainability Impact Assessments, waarin uiteen wordt gezet welk kader gehanteerd wordt voor het uitvoeren van SIA» s.4 De procedure voor het opstellen van het SIA Mercosur en het te hanteren tijdpad door de uitvoerende onafhankelijke derde partij is opgenomen in de Terms of Reference (ToR)van de Europese Commissie waaraan ik ook in mijn antwoord op vraag 2 refereer.5 In de ToR is uiteengezet welke onderdelen het SIA dient te bevatten en op welke termijn de werkzaamheden dienen te worden afgerond. Het SIA dient zowel ter ondersteuning van de onderhandelingen alsook van latere evaluaties en het opstellen van gerelateerd beleid. In het algemeen streeft de Europese Commissie naar afronding van een SIA voor afronding van de onderhandelingen. De Europese Commissie heeft aangegeven dat informatie die door de onderzoekers is verzameld tijdens het opzetten en het uitvoeren van het onderzoek beschikbaar was tijdens de onderhandelingen.
Wat is uw oordeel over de kwaliteit van de concept-SIA over het EU-Mercosur-verdrag dat op 4 oktober is gepubliceerd?
Het SIA is uitgevoerd door LSE consulting, welke is gelieerd aan de London School of Economics. Het huidige SIA rapport is nog niet definitief. Het definitieve SIA Mercosur wordt medio volgend jaar verwacht, en zal door het kabinet meegenomen worden in zijn standpuntbepaling.
Kunt u bevestigen dat de gegevens over ontbossing in Brazilië in de concept-SIA alleen betrekking hebben op de periode 2010–2015? Zo nee, hoe zit het dat?
Ja.
Vindt u dat op basis van de tijdreeks van 2010–2015 betrouwbare uitspraken over de huidige en toekomstige ontbossing in Brazilië kunnen worden gedaan?
In het concept-SIA wordt aangegeven dat betrouwbare gegevens van recentere jaren nog ontbreken. De Europese Commissie en de consultant hebben bevestigd voor het definitieve SIA gebruik te zullen maken van de meest recente ontbossingsdata.
Kunt u bevestigen dat de bosbranden in de Amazone van dit jaar nauwelijks zijn meegenomen in deze concept-SIA? Zo nee, hoe zit het dan?
In het concept-SIA is opgenomen dat gebruik wordt gemaakt van de gegevens over ontbossing in Brazilië voor de periode 2010–2015. De Europese Commissie heeft, samen met de uitvoerend consultant, bevestigd dat men voor het definitieve rapport gebruik zal maken van de meest recente ontbossingsdata.
Kunt u bevestigen dat in deze concept-SIA de gevolgen van de EU-Mercosur handelsdeal voor de CO2-uitstoot van Argentinië, Uruguay en Paraguay duidelijk zijn uitgewerkt, maar de gevolgen voor de CO2-uitstoot van Brazilië niet? Zo ja, wat is hier de verklaring voor?
In het concept-SIA is aangegeven dat de impact van CO2-emissies onderdeel is van nadere uitwerking in het definitieve rapport. Het uiteindelijke SIA wordt medio 2020 verwacht.
Kunt u bevestigen dat de EU-Mercosur-handelsovereenkomst een gedeelde bevoegdheid is tussen de EU en de EU-lidstaten?
De inzet van de EU is erop gericht het bereikte akkoord over een handelsovereenkomst onderdeel te maken van een breder Associatieakkoord tussen de Europese Unie en de Mercosur-landen. Dit Associatieakkoord zal dan bestaan uit een handels- en een politiek deel. Een associatieakkoord is in beginsel een gemengd akkoord, waarbij geldt dat uiteindelijk de inhoud van het akkoord bepaalt welke aard het akkoord heeft (gemengd of niet). Een gemengd akkoord wordt na goedkeuring door de Raad en het Europees parlement voorgelegd aan de nationale parlementen voor goedkeuring van nationale ratificatie.
Kunt u bevestigen dat er stemmen opgaan om het EU-Mercosur-verdrag een EU-only-bevoegdheid te laten zijn? Kunt u bevestigen dat het Nederlandse parlement in dat geval niet de mogelijkheid heeft om dit verdrag te ratificeren dan wel te verwerpen?
Er zijn, zover mij bekend, geen concrete plannen van de Europese Commissie om het handelsdeel – dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt – apart te behandelen van het politieke deel van het voorziene EU-Mercosur Associatieakkoord. Evenmin is op dit moment een discussie voorzien in de Raad over dit onderwerp.
Bent u bereid om er, gezien zowel de politieke gevoeligheid van het EU-Mercosur-verdrag als de specifieke «gedeelde-bevoegdheid-elementen» in dit verdrag, bij de Europese Commissie onomwonden voor te pleiten dat dit verdrag een mixed-agreement zal blijven?
Eerder heb ik aangegeven dat het kabinet de balans zal opmaken van de voor- en nadelen van het nog goed te keuren EU-Mercosur Associatieakkoord als alle daartoe noodzakelijke stukken beschikbaar zijn. De Kamer zal over het in de Raad in te nemen standpunt van het Kabinet worden geïnformeerd voordat de Raad besluit over het akkoord.
Bent u bereid uw veto in de Raad te gebruiken, mocht het voorstel gedaan worden van het EU-Mercosur-verdrag van een EU-only-verdrag te maken?
Zoals ik u heb aangegeven zijn er, zover mij bekend, geen concrete plannen van de Europese Commissie om het handelsdeel – dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt – apart te behandelen van het politieke deel van het voorziene EU-Mercosur Associatieakkoord. Evenmin is op dit moment een discussie voorzien in de Raad over dit onderwerp.
Kunt u duidelijk maken of u de aangenomen moties Koopmans/Snijder-Hazelhoff1 respectievelijk Voordewind c.s.2, die beide het kabinet verzoeken om naast de impactanalyse voor de Europese landbouw die op initiatief van de Europese Commissie wordt uitgevoerd, een impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van het EU-Mercosur-verdrag specifiek voor de Nederlandse land- en tuinbouw, nu wel of niet uitvoert?
Het kabinet zal conform de motie Voordewind c.s. waarin verwezen wordt naar de motie Koopmans/Snijder-Hazelhoff een onderzoek laten uitvoeren naar de impact van het EU-Mercosur Associatieverdrag op de Nederlandse economie, in het bijzonder de Nederlandse land- en tuinbouw. Het onderzoek zal naar verwachting in de eerste helft van 2020 afgerond worden. De resultaten van het onderzoek zullen worden meegenomen door het kabinet in zijn standpuntbepaling.
Is het waar dat Nederland tijdens de onderhandelingen over het EU-Mercosur-verdrag heeft nagelaten te bepleiten dat de toegang van rundvlees voorwaardelijk zou moeten worden gemaakt aan de voor rundvlees geldende EU-normen voor dierenwelzijn, of daaraan gelijkwaardig? Zo ja, welke verklaring heeft u daarvoor? Zo nee, hoe zit het dan?
Nederland heeft – mede op basis van het rapport van de WUR uit 20098 – er tijdens de onderhandelingen met de Mercosur-landen richting de Europese Commissie op ingezet dat verlagingen van invoertarieven of verruimingen van markttoegang via tariefcontingenten voorwaardelijk worden gemaakt aan het voldoen aan de EU-normen voor dierenwelzijn of gelijkwaardig voor de producten eieren & eiproducten, varkensvlees en pluimvee-(kippen-)vlees.
Heeft de inzet van de Nederlandse regering over dierenwelzijn in de Mercosur-landen naar uw mening geresulteerd in afdoende borging in de afspraken zoals die zijn uiteengezet in de door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde teksten c.q. bent u tevreden over de afspraken over dierenwelzijn zoals ze zijn opgenomen in de geconsolideerde teksten?
Eerder heb ik in mijn brief aan uw Kamer d.d. 2 juli jl.9 over de voortgang van de uitvoering van de motie van de leden Koopmans en Snijder-Hazelhoff over de onderhandelingen met de Mercosur-landen aangegeven dat het kabinet de balans zal opmaken van de voor- en nadelen van het nog goed te keuren EU-Mercosur Associatieakkoord als alle daartoe noodzakelijke stukken beschikbaar zijn. De Kamer zal over het standpunt van het Kabinet worden geïnformeerd voordat de Raad besluit over het akkoord.
Indien u niet tevreden bent over de afspraken over dierenwelzijn zoals die zijn uiteengezet in de door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde teksten van het EU-Mercosur-verdrag, kunt u dan uiteenzetten welke concrete aanvullende eisen Nederland precies stelt met betrekking tot dierenwelzijn?
De verantwoordelijkheid voor regelgeving voor de import van goederen in de Europese Unie ligt bij de Europese Commissie vanwege de Europese interne markt. Nederland kan nationaal geen aanvullende eisen aan de import van landbouwgoederen stellen. Voor zover uw vraag betrekking heeft op de inzet op dierenwelzijn verwijs ik u naar de Voortgangsbrief Dierenwelzijn Landbouwhuisdieren.10
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk 21 november 2019 beantwoorden, voorafgaand aan de behandeling van de begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
De vragen zijn een voor een beantwoord, u heeft een bericht van uitstel van beantwoording ontvangen.11
Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen voor AOW-gerechtigden |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de normen die de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) hanteert voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en bent u bekend met het feit dat de maximale norm voor kwijtschelding onder de hoogte van een reguliere AOW-uitkering voor alleenstaanden valt?1 2
Deelt u de mening dat enkel een AOW-uitkering geen vetpot is en dat het voor veel ouderen moeilijk is rond te komen van alleen een AOW-uitkering, te meer omdat deze mensen geen mogelijkheid meer hebben een aanvullend pensioen op te bouwen?
Deelt u de mening dat de VNG haar leden op zijn minst de mogelijkheid moet geven om voor mensen met enkel een AOW-uitkering kwijtschelding van gemeentelijke belastingen alsnog mogelijk te maken? Zo ja, bent u bereid met hen in overleg te treden om dit te bewerkstelligen?
Hoe verhouden de andere volgens de VNG te hanteren normen voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen zich tot het sociaal minimum?
Bent u bekend met het feit dat er van gemeente tot gemeente grote verschillen bestaan in de gehanteerde normen voor kwijtschelding, iets dat tot grote verschillen in behandeling van minima leidt?
Bent u bereid om te kijken of de normen voldoende zijn en hierover in gesprek te gaan met de gemeenten?
De wolk van verontwaardiging om 2 ton voor sterrenkundige die zwart gat wil kieken |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de Nederlands Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een aanvraag afwijst aan de hand van een kwalitatief en objectief proces terwijl u besluit om middelen toe te kennen?1
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de Kamervragen van de leden Paternotte en Futselaar intervenieer ik niet in de objectieve afweging van NWO. De middelen die zijn toegekend zijn niet bedoeld voor financiering van het onderzoeksvoorstel dat bij NWO is ingediend en afgewezen.
Op welke grondslag heeft u besloten om Prof. Falcke en zijn onderzoeksgroep eenmalig € 200.000 voor wetenschapscommunicatie toe te kennen? Zijn er meer afgewezen NWO-aanvragen die van u middelen ontvangen? Zo ja welke aanvragen en wanneer heeft dit gespeeld?
In een gesprek tussen de Radboud Universiteit en het ministerie is gesproken over de aandacht voor het onderzoek van Prof. Falcke na het bekendmaken van de foto van het zwarte gat. Daarbij is geconstateerd dat het positief is dat er zoveel aandacht is voor (fundamentele) wetenschap. Het laat zien hoe groot de waarde van wetenschap is voor de maatschappij en hoe dergelijke doorbraken tot de verbeelding spreken. Goede communicatie over doorbraken met een dergelijke impact is van belang en sluit naadloos aan bij de Wetenschapsbrief die ik in januari 2019 aan uw Kamer heb gezonden. Tegelijkertijd is geconstateerd dat de vele optredens, interviews en ontmoetingen veel vragen van Professor Falcke en zijn onderzoeksgroep. Om die reden heb ik besloten bij uitzondering een eenmalige bijdrage toe te kennen. Het bedrag is gebaseerd op een inschatting van wat het ministerie een billijk bedrag acht en de beschikbaarheid van middelen.
Er is derhalve geen sprake van een afgewezen NWO-aanvraag die van mij middelen heeft ontvangen en daar zijn ook geen andere gevallen van.
Hoe komt het dat deze middelen alleen naar Prof. Falcke en zijn onderzoeksgroep gaan en niet naar het Nijmeegs-Leids-Amsterdamse samenwerkingsverband dat in het kader van het Event Horizon Telescope onderzoek een aanvraag had gedaan?
Zoals in de antwoorden op vraag 1 en 2 is uiteengezet, is er geen verband tussen de aanvraag die door een samenwerkingsverband in het kader van de Event Horizon Telescopeis gedaan.
Waar komen deze middelen vandaan, wat kan er nu niet gebeuren nu deze € 200.000 naar Prof. Falcke gaat en in hoeverre hebben deze middelen te maken met de € 4 miljoen die beschikbaar is gekomen voor wetenschapscommunicatie?
De middelen zijn afkomstig uit artikel 16 van de OCW-begroting. Dit budget is bestemd voor incidentele projecten ter stimulering van de wetenschap die passen binnen het kader van de Wetenschapsbrief van januari 2019. Er zijn geen geplande activiteiten die niet door kunnen gaan. Het gaat niet om middelen die eerder door mij beschikbaar zijn gesteld voor wetenschapscommunicatie, waarvan € 3 mln. is bestemd voor outreach en wetenschapscommunicatie via de NWA, en € 1 mln. voor de pilot voor erkennen en waarderen van individuele wetenschappers die aan wetenschapscommunicatie doen.
Indien deze financiering uit die € 4 miljoen komt, komt het dan uit de € 1 miljoen voor een pilot vanuit NWO of uit de € 3 miljoen binnen de Nationale Wetenschapsagenda? Kunt u tevens een overzicht geven van de (beoogde) besteding van deze € 4 miljoen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 komt de financiering niet uit de middelen voor de pilot wetenschapscommunicatie of voor de Nationale Wetenschapsagenda.
De in de wetenschapsbrief aangekondigde € 1 miljoen (incidenteel) wordt ingezet voor een pilot gericht op het zichtbaar maken en waarderen van activiteiten van individuele wetenschappers die aan wetenschapscommunicatie doen. Voor de € 3 miljoen die structureel beschikbaar is binnen de Nationale Wetenschapsagenda is een programma ontwikkeld met de partners uit de kenniscoalitie, dat programma bestaat uit drie delen. Een campagnedeel dat gaat over de resultaten van de NWA en de waarde van wetenschap, een deel dat bestemd is voor partnerschappen met veldpartijen en een call waarop projecten ingediend kunnen worden.
Ik heb eerder aangekondigd dat ik nog dit jaar kom met een brief aan uw Kamer over wetenschapscommunicatie. Daarin zal ik ingaan op de uitwerking van deze initiatieven.
Wat vindt NWO van uw toekenning van € 200.000 aan Prof. Falcke en zijn onderzoeksgroep? Deelt u de mening dat u met uw handeling de externe weging en toekenning van wetenschapsmiddelen door NWO ondergraaft?
NWO heeft kennisgenomen van het OCW-besluit om Prof. Falcke een éénmalig bedrag van € 200.000 toe te kennen. Omdat het niet gaat om financiële middelen voor het uitvoeren van onderzoek, maar voor de communicatie daarover, ziet NWO dit besluit los van de beoordeling van de aanvraag die eerder plaats heeft gevonden via haar beoordelingsproces met peer review. NWO concludeert dat de inhoudelijke beoordeling van de betreffende aanvraag bij NWO die eerder plaatsvond niet ter discussie staat.
De middelen die ik heb toegekend zijn niet gebaseerd op de onderzoeksaanvraag bij NWO en de daarvoor benodigde financiering. Ik heb in de antwoorden op de huidige en eerdere vragen van uw Kamer expliciet gesteld dat ik niet intervenieer in de besluitvorming van NWO en dat de middelen niet zijn bedoeld ter financiering van het afgewezen onderzoeksvoorstel bij NWO.
Is naar aanleiding van de toezegging tijdens het laatste algemeen overleg wetenschapsbeleid al bekend of wetenschapsmusea gebruik kunnen maken van de financiering via outreachgelden van de Nationale Wetenschapsagenda?
Zoals uiteengezet bij vraag 5, is de samenwerking via partnerschappen met veldpartijen één van de onderdelen van de NWA-middelen voor wetenschapscommunicatie en outreach. NWO is in dit kader een samenwerking aangegaan met de Vereniging voor Science centra en Wetenschapsmusea. Zoals eerder beschreven in de kamerbrief over de uitkomsten van de eerste call van de Nationale Wetenschapsagenda2 en in brief over de Uitgangspunten Cultuurbeleid3, vervullen science centra door het hele land een verbindingsfunctie voor de NWA-campagne en organiseren ze regionale evenementen, passend binnen de doelen van de NWA. Nadere details zal ik uitwerken in de Kamerbrief over wetenschapscommunicatie die u nog dit jaar ontvangt.
De vervuiling door gaswinning in Overijssel |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van RTV Oost over de vervuiling door gaswinning in Overijssel?1 Wat is hierop uw reactie?
Ik ken de berichtgeving en ik heb begrip voor de zorgen die burgers hebben over de verontreinigingen in de bodem. Ik vind het ook goed dat zij de verschillende betrokken overheden aanspreken en vragen om deze zorgen aandacht te geven. Het beeld dat in de berichtgeving wordt opgeroepen dat er niets gedaan zou zijn, herken ik niet. In de verdere beantwoording laat ik zien welke stappen er voor de genoemde locaties zijn genomen. Ik licht eerst het huidige beleid met betrekking tot bodemsaneringen toe.
In mijn brief van 18 juni 2018 aan uw Kamer2 ben ik ingegaan op bodemverontreinigingen bij mijnbouwinstallaties, het toezicht daarop, de saneringen, en de Wet bodembescherming (Wbb). Volgens de Wbb zijn bodemverontreinigingen die voor 1 januari 1987 zijn ontstaan zogenoemde historische verontreinigingen, waarvoor het bevoegd gezag niet bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) ligt. De bodemverontreiniging bij Wanneperveen-1 is een zogenoemde historische verontreiniging. De provincie Overijssel is hierbij het bevoegd gezag. Bij een historische verontreiniging bepalen de eventuele risico’s (humaan, ecologie, verspreiding) in relatie tot het gebruik van de locatie, of de verontreiniging binnen vier jaar moet worden gesaneerd. Verontreinigingen die na 1 januari 1987 zijn ontstaan, moeten volgens de Wbb – zoveel als technisch, financieel en ruimtelijk mogelijk is – verwijderd worden.
Welke stappen zijn er door de Staat, de provincie en de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij) in chronologische volgorde gezet sinds 2016 om de vervuilde grond te saneren per locatie?
In de berichtgeving wordt nader ingegaan op de locaties Wanneperveen-1 en Tubbergen-7. In samenwerking met de provincie Overijssel zijn voor deze twee locaties de stappen op een rij gezet.
Waarom is er nog geen begin gemaakt met de sanering?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u in een overzicht duidelijk maken bij welke locaties de bodem en het grondwater is gemonitord op vervuiling? Wat zijn de bevindingen daarvan?
De provincie Overijssel heeft een overzicht4 gemaakt van de NAM locaties. Op alle locaties waar mijnbouwactiviteiten plaatsvinden, wordt jaarlijks via peilbuizen het grondwater gemonitord. Hiervan wordt door de mijnbouwondernemingen een rapport gemaakt en aan het bevoegd gezag gestuurd. Het bevoegd gezag van de desbetreffende locatie zal het rapport beoordelen. Indien in het water uit de peilbuis componenten worden gemeten die niet in water thuis horen dan moet het mijnbouwbedrijf dit onderzoeken. Aan de hand van de resultaten kunnen maatregelen worden opgelegd.
Het grondwater op de locatie wordt jaarlijks gemonitord. In 2016 heeft de provincie Overijssel NAM verzocht om een actualiserend bodemonderzoek uit te voeren. Het adviesbureau Arcadis heeft het onderzoek uitgevoerd. Men heeft in het grondwater op de locatie verhoogde concentraties aan benzeen, xylenen, minerale olie en barium gemeten. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen interventiewaarden worden overschreden. In het rapport wordt aangegeven dat de verontreiniging zich vooral bevindt in de eerste drie meter onder het maaiveld. De bodemverontreiniging is ernstig, maar niet spoedeisend. Op het terrein hebben in het verleden ook al deelsaneringen plaatsgevonden. Als NAM de locatie definitief verlaat zal deze volledige gesaneerd worden.
Het grondwater wordt in het kader van de in 1991 gestarte sanering gemonitord. Uit de monitoring periode 2007 – 2013 en het aanvullende grondwateronderzoek blijkt dat de verontreiniging zich niet of nauwelijks verspreidt en derhalve geen sprake is van een onbeheersbare situatie. Op grond van de beschikking van 26 januari 2016 bestaat er geen verplichting om de beschikte grondwaterverontreiniging te monitoren na 2016.
De bodemverontreiniging binnen de locatie is 25 februari 2010 beschikt als een geval van ernstige verontreiniging. De verontreiniging hoeft niet met spoed te worden gesaneerd bij het gebruik van de locatie als bedrijfsterrein. Na het ontmantelen van de locatie wordt door de NAM de locatie gesaneerd om het gebruik als natuur mogelijk te maken.
Hoe is in Overijssel de kwaliteit van het drinkwater? Op basis van welke gegevens geeft u antwoord?
Uit de informatie van de provincie Overijssel blijkt dat de kwaliteit van het drinkwater in Overijssel uitstekend is. De kwaliteit van het drinkwater wordt zorgvuldig beschermd. De provincie beschermt de bronnen voor de drinkwatervoorziening via het voorzorgsprincipe in het beschermingsbeleid en via voorkantsturing in de ruimtelijke ordening. Hiermee wordt beoogd dat activiteiten met een risico voor het drinkwater worden geweerd en alleen functies met een laag risico (zogenoemde harmoniërende functies) worden toegelaten.
Daarnaast zijn er gebiedsdossiers per wingebied opgesteld. Hierin zijn de in het gebied aanwezige risico’s beschreven in combinatie met een maatregelprogramma om deze risico’s te bewaken, te verkleinen of geheel weg te nemen. Ook Vitens (waterleidingbedrijf in Overijssel) houdt kwaliteit van het water dat naar de winputten toestroomt in de gaten. Men beschikt over een uitgebreid meetnet van waarnemingsputten en neemt daaruit met regelmaat monsters om de waterkwaliteit te analyseren.
Erkent u de spoedeisendheid van de twee genoemde locaties in Wanneperveen en Tubbergen? Wat gaat u doen om de provincie te helpen de bodem rondom die locaties zo spoedig mogelijk te saneren? Wat heeft de provincie van u nodig om de bodem te laten saneren? Wat heeft de provincie nodig van de NAM om de bodem te laten saneren?
Uit de door de provincie Overijssel afgegeven beschikkingen blijkt dat de situatie binnen de twee genoemde locaties niet spoedeisend is. De verontreiniging binnen de locatie Wanneperveen en Tubbergen-7 is ernstig maar niet spoedeisend.
De geconstateerde verontreiniging buiten de locatie Tubbergen-7 is spoedeisend, vanwege de nabijheid van een kwetsbaar Natura2000-gebeid. De sanering aldaar is vanwege de spoedeisendheid reeds gestart.
De locatie Wanneperveen-1 zal, nadat deze niet meer wordt gebruikt als bedrijfsterrein, worden ontmanteld en gesaneerd. De verontreiniging buiten de locatie Wanneperveen-1 is niet spoedeisend. NAM is op mijn verzoek met de provincie Overijssel in overleg om buiten de locatie een deelsanering uit te voeren.
Op het gebied van de Wbb is voor de locatie Wannerperveen-1 en Tubbergen-7 op dit moment geen actie nodig om de provincie te ondersteunen. Het proces loopt. NAM voldoet aan de voorwaarden die in de beschikkingen zijn opgenomen.
De provincie zal de aanvragen van de NAM toetsen conform de Wbb en toe zien op de sanering. De NAM zal als opdrachtgever de werkzaamheden laten uitvoeren. NAM moet met betrekking tot de stikstofdepositie de berekeningen aanleveren die het voor de provincie mogelijk maken om de saneringen door te laten gaan.
Bent u bereid een plan van aanpak te maken voor overige locaties in Overijssel die moeten worden gesaneerd?
De huidige wet- en regelgeving voorziet in een duidelijk prioritering wat betreft de aanpak van verontreinigde locaties. Spoedeisende locaties worden als eerste aangepakt. De niet-spoedeisende locaties worden gesaneerd zodra deze van functie veranderen. De provincie Overijssel heeft in 2016 een lijst opgesteld van de bodemkwaliteit op de 34 NAM locaties. Uit dit overzicht blijkt dat de provincie Overijssel of de desbetreffende gemeente ten aanzien van de Wbb het bevoegd gezag is. De provincie Overijssel en de gemeenten handelen vanuit dit actuele overzicht. Het is niet aan het Ministerie van EZK om voor deze locaties een plan van aanpak op te stellen.
Hoe is het met de vervuiling van de bodem gesteld bij andere boorlocaties in Nederland? Gaat u ook uw invloed aanwenden bij het saneren van die plekken?
Een generiek overzicht van alle mijnbouwlocaties en boorputten kan via de website www.nlog.nl via de interactieve kaart bekeken worden. Via de website www.bodemloket.nl kan via een interactieve kaart of via een gelinkte websites informatie worden gevonden over de lokale bodemkwaliteit.
In mijn brief5 van 12 oktober 2017 aan uw Kamer ben ik ingegaan op bodemverontreinigingen bij mijnbouwinstallaties, het toezicht daarop, de saneringen, en de Wet bodembescherming (Wbb). Volgens de Wbb zijn bodemverontreinigingen die voor 1 januari 1987 zijn ontstaan zogenoemde historische verontreinigingen, waarvoor het bevoegd gezag niet bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ligt. Ik beschik dan ook niet over een overzicht van historische bodemverontreinigingen waarvoor de provincies of gemeenten het bevoegd gezag zijn. Het is in eerste plaats aan het bevoegd gezag om ervoor te zorgen dat boorlocaties binnen de wettelijke kaders gesaneerd worden. Ik heb hier wat betreft de historische verontreinigingen geen rol en wil ook niet in de bevoegdheid van de provincies of betrokken gemeenten treden.
De Wbb stelt sinds 1 januari 1987 duidelijke regels ten aanzien van het optreden van verontreinigingen. Volgens artikel 13 is iedere mijnbouwexploitant verplicht om nieuwe bodemverontreinigingen te voorkomen en bestaat de verplichting om de verontreiniging zoveel als technisch, financieel en ruimtelijk mogelijk is, te verwijderen. In mijn brief6 van 18 juni 2018 heb ik een overzicht gegeven van mijnbouwlocaties waar een bodemverontreiniging is ontstaan na 1 januari 1987 waarvoor geldt dat deze redelijkerwijs nog niet verwijderd kan worden. Het betrof in totaal vijf mijnbouwlocaties.
Hoe gaat u omwonenden die zich zorgen maken over hun gezondheid en de natuurgebieden in de omgeving informeren over de stand van zaken?
De provincie Overijssel heeft als zijnde bevoegd gezag het initiatief genomen en heeft op 12 december 2019 een informatieavond voor de bewoners georganiseerd. Het Ministerie van EZK en SodM waren hierbij aanwezig.
Hoe staat het met de uitvoering van motie-Beckerman c.s. over verbetering van monitoring van oude olie- en gaswinningsputten?2
Ondergrondse lekkages dienen voorkomen te worden. Het toezicht van SodM is er daarom vooral op gericht om lekkages te voorkomen. Daarvoor kijkt SodM naar de adequate werking van de putintegriteit managementsystemen van de mijnbouwondernemingen.
In 2016 en 2017 heeft SodM onderzoek uitgevoerd naar mogelijke lekkages van buiten gebruik gestelde putten. Men heeft uit een totaal van 1312 putten een selectie gemaakt van 185 putten en boven deze putten metingen verricht. SodM heeft bij de 185 putten geen lekkages geconstateerd8. SodM heeft aangegeven dat zij door gaat met het onderzoek naar mogelijke lekkage van buiten gebruik gestelde putten. SodM kijkt daarbij naar mogelijke risicofactoren op het gebied van de geologische situatie, het (historische) putontwerp en de manier van aanleg.
Het verminderde recht op toeslagen als effect van de afbouw van de algemene heffingskorting |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Menno Snel (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het fenomeen dat de afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner leidt tot een aanzienlijke verhoging van het brutoloon van samenwonenden en dat dit ertoe leidt dat zij ter compensatie aanvullende bijstand aanvragen en dat hiermee het recht op toeslagen in het geding komt?1
De aangedragen casus door de Nationale ombudsman waar de leden van de SP-fractie aan refereren is ingewikkeld. De afgelopen tijd heeft het kabinet de problematiek en mogelijke oplossingsrichtingen uitgebreid onderzocht. In onderstaande beantwoording van de gestelde vragen wordt eerst ingegaan op het ontstaan van de aangedragen casus. Daarbij wordt de relatie gelegd met de doelstelling van het gevoerde beleid in fiscaliteit en sociale zekerheid om (meer) participeren op de arbeidsmarkt te laten lonen. Daarna wordt toegelicht welke groep huishoudens met deze casus te maken hebben. Tot slot worden diverse oplossingsrichtingen en de gevolgen hiervan uiteengezet. Op de financiële gevolgen van deze casus voor de betrokkenen wordt bij het volgende antwoord ingegaan.
De aangedragen casus gaat over een groep huishoudens van alleenverdieners die ondanks het recht op een sociale minimumuitkering en beroep op de Participatiewet minder te besteden heeft dan een paar in de bijstand.
In de meeste gevallen betreft het huishoudens van een alleenverdiener met een UWV-uitkering, bijvoorbeeld uit de WW of de WIA, die lager is dan de bijstandsnorm. Het UWV verstrekt aan deze huishoudens een aanvulling vanuit de Toeslagenwet (TW), maar in specifieke gevallen komt het voor dat huishoudens toch netto minder overhouden dan de bijstandsnorm voor paren. Zij kunnen daarom een beroep doen op een aanvulling vanuit de Participatiewet, onder de voorwaarden die hiervoor in de Participatiewet gelden. Door de aanvulling komt het netto-inkomen gelijk met de bijstandsnorm voor paren. Maar door de aanvulling vanuit de Participatiewet stijgt het toetsingsinkomen voor de toeslagen zoals huur- en zorgtoeslag in sommige gevallen tot boven het minimumloon. In een dergelijk geval komt een huishouden dan mogelijk niet in aanmerking voor het maximale bedrag van de toeslagen. Hierdoor heeft dit huishouden minder te besteden dan een paar in de bijstand.
Deze situatie ontstaat in eerste aanleg doordat de meeste huishoudens van alleenverdieners minder recht op algemene heffingskorting (AHK) hebben dan huishoudens van werkende paren. Dit berust op een bewuste beleidskeuze om het recht op AHK meer te laten samenhangen met de individuele arbeidsinspanning van beide partners, zodat een grotere stimulans ontstaat voor de minstverdienende partner om (meer uren) op de arbeidsmarkt te participeren. Dit bevordert de economische zelfstandigheid van de minstverdienende partner en is vormgegeven door vanaf 2009 de overdraagbaarheid van de uitbetaling van de AHK aan de minstverdienende partner geleidelijk af te bouwen.
Het afbouwen van de overdraagbaarheid van de AHK aan de minstverdienende partner heeft, zonder aanvullend beleid, tot gevolg dat het verschil tussen het netto-bijstandsniveau en de netto-inkomsten uit werk van alleenverdiener huishoudens op het minimumloon kleiner wordt. Dit maakt de stimulans voor bijstandsparen om op de arbeidsmarkt te gaan participeren lager en is zodoende ongewenst. Om het verschil tussen de hoogte van de bijstand en inkomen uit werk niet te ver te laten teruglopen wordt sinds 2012 bij de bepaling van de netto-bijstandshoogte geleidelijk rekening gehouden met een verlaagd recht op AHK. Waar in 2011 nog rekening werd gehouden met tweemaal AHK wordt dit geleidelijk verlaagd tot éénmaal AHK. Dit wordt de afbouw van de dubbele AHK in het referentieminimumloon bij de bepaling van de bijstandshoogte genoemd. Door deze maatregel wordt de jaarlijkse verhoging van het bijstandsbedrag getemperd. De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon voor de bijstand verloopt in een langzamer tempo dan de afbouw van de overdraagbaarheid van de AHK aan de minstverdienende partner. Ook is deze afbouw in de periode 2014–2021 getemporiseerd.
De hier voorliggende casus komt voort uit het feit dat de afbouw van de overdraagbaarheid van de AHK aan de minstverdienende partner en de afbouw van de dubbele AHK in het referentieminimumloon van de bijstand niet synchroon lopen. De afbouw van de overdraagbaarheid van de uitbetaling van de AHK aan de minstverdienende partner is immers eerder begonnen en deze verloopt bovendien in een hoger tempo. Hierdoor heeft een groep huishoudens van alleenverdieners tijdens de afbouwperiode, in lijn met de wet- en regelgeving, een lager recht op AHK dan bij de bepaling van de bijstandsnorm voor paren wordt verondersteld. Hierdoor komt het netto-inkomen van een alleenverdiener met een uitkering op minimumloonniveau tijdens de afbouwperiode lager uit dan de netto-bijstand voor een paar, in gevallen waar ook geen aanspraak op overige fiscale voorzieningen zoals aftrekposten of de arbeidskorting bestaat (zoals wanneer er recht op een aanvulling vanuit de TW is).
Op het moment dat zowel de overdraagbaarheid aan de minstverdienende partner als de dubbele AHK in het referentieminimumloon bij de bepaling van de bijstandshoogte volledig zijn afgebouwd verdwijnt de voorliggende casus. Dit is, onder het huidige tijdpad, rond 2035 het geval. Onderstaande figuur geeft een illustratie van het verloop van beide afbouwpaden.
Figuur 1: afbouwpaden overdraagbaarheid en dubbele AHK
Wanneer het netto-inkomen van het paar met recht op aanvulling vanuit de TW lager uitkomt dan de bijstandsnorm kan het inkomen worden aangevuld vanuit de Participatiewet. De aanvulling vanuit de Participatiewet vult het netto-inkomen van de alleenverdiener aan tot het niveau van een paar in de bijstand. Hierdoor is er geen verschil meer in hoogte tussen het netto-inkomen van deze alleenverdiener en een paar in de bijstand. Door de aanvulling vanuit de Participatiewet komt het brutoinkomen van de alleenverdiener echter ruim boven het minimumloon uit. Bij een brutoinkomen dat hoger ligt dan het minimumloon bouwen de zorg- en huurtoeslag af. De toeslagen zijn inkomensafhankelijk om ze gericht en betaalbaar te houden. Zo kan het voorkomen dat een alleenverdiener met recht op TW weliswaar hetzelfde netto-inkomen heeft als een paar in de bijstand, maar een lager besteedbaar inkomen omdat het huishouden minder recht heeft op huur- en zorgtoeslag. Bovendien moet de alleenverdiener bij meer loketten aankloppen, namelijk het UWV voor de TW-uitkering, de gemeente voor een aanvulling vanuit de Participatiewet en de Belastingdienst voor toeslagen.
In deze casus komen verschillende regelingen binnen de domeinen fiscaliteit, sociale zekerheid en toeslagen samen. Beleidswijzigingen die achtereenvolgende kabinetten hebben steeds tot doel gehad om deelname aan de arbeidsmarkt en het aantal gewerkte uren van met name tweede verdieners te bevorderen. Hiermee is sprake van gegronde redenen voor het beleid in deze domeinen, maar in combinatie werken deze regelingen voor een bepaalde groep huishoudens niet goed uit. Daarom heeft het kabinet de afgelopen tijd gezocht naar oplossingen. Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op de groep huishoudens die in deze situatie zit, en op mogelijke oplossingsrichtingen binnen de domeinen fiscaliteit, sociale zekerheid en toeslagen. Hierbij is gekeken naar oplossingsrichtingen die specifiek aangrijpen op de groep huishoudens die gevolgen van de voorliggende casus ondervindt. Beleid dat bredere groepen huishoudens raakt kan immers op gespannen voet staan andere doelstellingen in het inkomensbeleid.
De Belastingdienst (onderzoek bijgevoegd) heeft onderzocht hoeveel huishoudens tussen 2017 en 2023 te maken krijgen met deze situatie en wat de impact voor hen is. Hierbij is een vergelijking gemaakt op basis van inkomensgegevens over 2017 en een raming van het huishoudinkomen indien de overdraagbaarheid van de AHK aan de minstverdienende partner zou zijn afgebouwd (situatie 2023). Uit het onderzoek blijkt dat het gaat over een groep van circa 3.500 gezinnen met een aanvulling vanuit de TW. Daarnaast is sprake van een groep van circa 1.500 huishoudens die een UWV-uitkering ontvangt, maar geen recht heeft op een TW-aanvulling. Hierbij kan worden gedacht aan een WW- of WIA-uitkering die beperkt hoger is dan het bedrag tot waar de TW aanvult.
Voor deze groep van circa 5.000 alleenverdieners ligt als gevolg van de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting, waarmee beoogd is de prikkel tot (meer) werken te vergroten, de netto-uitkering in 2023 lager dan de bijstandsnorm voor paren. Hierdoor wordt mogelijk een aanvulling uit de Participatiewet gekregen4 waarvan in dit geval een effect op de ontvangen toeslagen uitgaat.
Het kabinet streeft naar een specifieke oplossing voor de groep huishoudens die door de samenloop van regelingen op een besteedbaar inkomen onder bijstandsniveau uitkomt. Uit onderstaande inventarisatie van oplossingsrichtingen blijkt echter dat er majeure beleidswijzigingen met consequenties voor grote groepen huishoudens of met aanzienlijke uitvoeringsgevolgen nodig zijn om de onderhavige casus op te lossen.
Aangezien het probleem in eerste aanleg ontstaat door verschillende afbouwpaden met betrekking tot de toepasbaarheid van de algemene heffingskorting lijkt het gelijktrekken van deze afbouwpaden een oplossing. De ene mogelijkheid is het deels terugdraaien van de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner in de fiscaliteit, zodat deze gelijkgetrokken wordt met de afbouw van de dubbele AHK in het referentieminimumloon voor de bijstand. Dit leidt ertoe dat het netto-inkomen van de alleenverdiener stijgt, waardoor het nettoverschil tussen de alleenverdiener met aanvulling uit de TW en de bijstandsnorm verdwijnt. Het gevolg is dat een extra aanvulling vanuit de Participatiewet niet meer nodig is, waardoor alleenverdieners met een TW-aanvulling de maximale zorg- en huurtoeslag ontvangen. Het terugdraaien van de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner is echter slecht voor de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van de minstverdienende partner. Dit vindt het kabinet een ongewenst effect. Daarnaast heeft deze maatregel betrekking op een veel grotere groep mensen dan de eerder geïdentificeerde groep van circa 5.000 huishoudens, namelijk de totale groep huishoudens die gevolgen ondervinden van de afbouw van de overdraagbare AHK. Voor circa 300.000 mensen zou de prikkel tot arbeidsparticipatie afnemen. Ook de directe budgettaire gevolgen zijn fors, deze maatregel zou circa 630 miljoen euro kosten als deze in 2023 zou worden doorgevoerd. Daarom kiest dit kabinet niet voor deze oplossing.
Alternatief is om de afbouw van de dubbele AHK in het referentieminimumloon in de bijstand te versnellen. Ook langs deze weg wordt het verschil tussen wat een alleenverdiener met een aanvulling uit de TW netto overhoudt en de bijstandsnorm voor paren opgeheven. Dit heeft echter forse negatieve inkomenseffecten voor alle bijstandsgerechtigden, oplopend tot -8% voor een alleenstaande bijstandsgerechtigde zonder kinderen als dit in 2021 zou worden doorgevoerd. Met ongeveer 375.000 huishoudens is dit ook een veel grotere groep dan de 5.000 huishoudens die een toeslagderving hebben. Daarom kiest het kabinet niet voor het sneller afbouwen van de dubbele AHK in het referentieminimumloon voor de bijstand.
Binnen het gemeentelijk domein biedt een extra aanvulling via maatwerk vanuit de Participatiewet, ter compensatie voor gederfde toeslag, ook geen soelaas. Een hogere tegemoetkoming leidt immers tot een hoger brutoinkomen en tot (verdere) derving van toeslagen. Verder is het binnen het instrumentarium van de Participatiewet, zoals de bijzondere bijstand, niet mogelijk om een netto-tegemoetkoming, die niet meetelt als brutoinkomen voor het huishouden, te verstrekken indien dit niet ter compensatie is van door het huishouden gemaakte kosten.
Binnen het domein van de sociale zekerheid zorgt het verhogen van de uitkeringshoogte van de TW ervoor dat de relevante groep alleenverdieners netto evenveel overhoudt als het bijstandsbedrag. Hierdoor is de extra aanvulling vanuit de Participatiewet ook niet meer nodig. Om op het benodigde nettobedrag uit te komen is een verhoging van de (bruto) TW nodig tot boven minimumloonniveau. Doordat er geen recht op arbeidskorting bestaat moet er meer belasting worden betaald. Hierdoor is er een relatief grotere brutostijging van de uitkering benodigd om op het juiste nettobedrag uit te komen. Omdat de brutoTW-uitkering in deze oplossingsrichting boven minimumloonniveau uitkomt, bouwen zorg- en huurtoeslag nog steeds af. Hoewel een aanvulling vanuit de Participatiewet dan niet meer nodig is omdat het netto-inkomen gelijkligt aan de bijstandsnorm, zal het besteedbaar inkomen van een huishouden alsnog lager liggen dan een paar in de bijstand vanwege eventueel lagere zorg- en huurtoeslag. Het probleem wordt met deze oplossingsrichting dus niet ondervangen.
Binnen de TW is een andere oplossingsrichting om een tegemoetkoming te introduceren die compenseert voor gederfde toeslagen. Door deze tegemoetkoming als eindheffingsbestanddeel voor de loonbelasting aan te wijzen telt dit niet mee als brutoinkomen voor de ontvanger. Verschuldigde belasting over het bedrag wordt in dit geval afgedragen door de verstrekker van de tegemoetkoming, in dit geval het UWV. De Tegemoetkoming arbeidsongeschikten die het UWV jaarlijks uitkeert is hier een voorbeeld van. Het is voor het UWV niet mogelijk om de hoogte van een dergelijke tegemoetkoming te differentiëren, waardoor een aanzienlijk deel van de ontvangers met de tegemoetkoming meer gecompenseerd wordt dan de gederfde toeslag. Daarnaast is de afbakening van de doelgroep uitvoeringstechnisch complex, omdat bijvoorbeeld ook op partnerinkomen moet worden getoetst. Hiermee ontstaat het risico dat huishoudens zonder toeslagderving onterecht de tegemoetkoming ontvangen. Dit maakt dat met deze oplossingsrichting niet voldoende kan worden aangesloten op de doelgroep. De combinatie met de geschetste uitvoeringsproblemen maakt dit tot een ongeschikte oplossing.
Binnen het domein van de toeslagen is het opschuiven van het afbouwpunt van de toeslagen een mogelijke oplossingsrichting. Hierdoor kan tot een hoger brutoinkomen aanspraak gemaakt worden op (het maximale bedrag aan) toeslagen. Hierdoor zou de groep met een toeslagderving als gevolg van een aanvulling vanuit de Participatiewet ook niet meer te maken krijgen met de afbouw van zorg- en huurtoeslag. In het Regeerakkoord is hierin al een stap gezet door de harde inkomensgrens in de huurtoeslag af te schaffen en het afbouwpunt van het kindgebonden budget voor paren te verhogen. Verdere stappen, bijvoorbeeld in de zorg- en huurtoeslag, hebben flinke consequenties voor de schatkist. Niet alleen de groep van circa 5.000 gezinnen met aanvulling uit de Participatiewet komen dan in aanmerking voor extra zorg- en huurtoeslag, maar dat geldt voor iedereen met een inkomen boven minimumloonniveau. Een verhoging van de afbouwgrens in de zorgtoeslag met € 5.000 tot circa € 25.000 kost namelijk circa 535 miljoen euro. Bij een budgetneutrale optie zou de afbouw van zorg- en huurtoeslag verhoogd moeten worden. Dat zorgt er op zijn beurt weer voor dat de marginale druk toeneemt voor de middeninkomens, waardoor zij minder overhouden aan extra inkomsten uit arbeid dan momenteel het geval is. Dit kabinet heeft juist stappen genomen om de marginale druk op het traject tussen minimumloon en modaal te verlagen. Dit zou een stap terug zijn. Ook deze oplossingsrichting acht het kabinet dus niet begaanbaar.
Uit bovenstaande inventarisatie van oplossingsrichtingen blijken deze geen oplossing te bieden, te leiden tot (negatieve) effecten voor een veel grotere groep dan de groep alleenverdieners in de betreffende casus of veel geld te kosten. Daarom kiest het kabinet niet voor deze generieke maatregelen om dit specifieke probleem voor een kleine groep op te lossen. Een passende oplossing is op dit moment echter niet voorhanden. Het kabinet wil de mogelijkheden verkennen die ervoor zorgen dat huishoudens met een inkomen op het sociaal minimum altijd het maximale toeslagenbedrag aan de voor hen relevante toeslagen ontvangen. Belangrijke randvoorwaarde is uiteraard dat dit wel uitvoerbaar moet zijn. Bij deze verkenning wordt dan ook de uitvoeringsorganisaties betrokken. Het kabinet hoopt uw Kamer hier voor het einde van 2020 nader over te informeren.
Herinnert u zich de brief van de Nationale ombudsman, d.d. 19 december 2016, waarin hij u opriep om deze en enkele andere problemen ten aanzien van de financieel kwetsbaarsten in de samenleving te adresseren?2 Is de brief die uw voorganger hierop stuurde, d.d. 4 april 2017, de definitieve reactie of komt u nog met daadwerkelijke oplossingen voor de daarin gestelde problemen?3
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat een gezin met een inkomen onder het sociaal minimum, uitgaande van de voorziene volledige afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner, grotere aanspraak moet maken op aanvullende bijstand om op het sociaal minimuminkomen uit te komen, dat hierdoor zo’n € 5.000 aan inkomstenbelasting extra wordt afgedragen, maar dat het reële netto-inkomen daalt doordat het recht op toeslagen zo’n € 1.600 lager uitvalt?
Er zijn circa 300.000 huishoudens (alleenverdieners) die als gevolg van de afbouw van de overdraagbaarheid aan de minstverdienende partner hun algemene heffingskorting niet (volledig) kunnen verzilveren tegen het inkomen van hun partner. Dit leidt tot circa 230 miljoen euro hogere ontvangsten inkomstenbelasting. Uit onderzoek van de Belastingdienst, waarbij de verwachte ontwikkeling tussen 2017 en 2023 is bezien, blijkt dat een groep van circa 3.500 huishoudens als gevolg van een aanvulling uit de Participatiewet bovenop een TW-uitkering in 2023 minder toeslag krijgt. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in het onderzoek de vermogenstoets in de Participatiewet niet is meegenomen, waardoor het aantal huishoudens met een aanvulling uit de Participatiewet én een toeslagderving mogelijk wordt overschat.
Naast de groep TW-gerechtigden is er een beperkte groep huishoudens met een andere UWV-uitkering, zoals een WW- of WIA-uitkering, die hoger is dan het maximum tot waar de TW aanvult, maar door de afbouw van de overdraagbaarheid van de AHK toch netto onder de bijstandsnorm voor paren uitkomt. Deze huishoudens kunnen, onder voorwaarden, een beroep doen op een aanvulling vanuit de Participatiewet. De Belastingdienst schat in dat dit geldt voor circa 6.000 huishoudens, waarvan 1.500 als gevolg van de aanvulling uit de Participatiewet geconfronteerd worden met een toeslagderving.
Uit onderzoek van de Belastingdienst blijkt dat deze huishoudens gemiddeld genomen 252 euro minder huur- en/of zorgtoeslag ontvangen. Dit is echter niet gelijk verdeeld over de huishoudens, zo blijkt de verlaging van de toeslagen te variëren tussen 0 en 550 euro per huishouden, waarbij de maximale toeslagderving van circa 550 euro relatief vaak voorkomt.
Hoeveel gezinnen hebben te maken met deze afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner, hebben hierom een lager recht op toeslagen en dientengevolge minder te besteden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel wordt op deze manier meer aan inkomstenbelasting geheven en wat is het totale verschil aan recht op toeslagen voor deze groep?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe groot is de afhankelijkheid van toeslagen voor de hierboven beschreven groep mensen, uitgedrukt in percentage besteedbaar inkomen? Welke rechtvaardiging heeft u om hun recht op toeslagen op deze manier te verkleinen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het stelsel van toeslagen en aanvullende bijstand op deze manier naast het rondpompen van geld tussen gemeenten en Belastingdienst vooral leidt tot zeer complexe en ondoorzichtige situaties die met name voor de financieel kwetsbaarsten enorme problemen veroorzaakt?
Zie antwoord vraag 1.
Komt u met een oplossing voor dit en de andere door de Nationale ombudsman reeds in 2016 aan u voorgelegde problemen? Zo ja, wanneer mogen wij dit verwachten? Zo nee, waarom berust u erin dat «verschillende belangrijke principes in de sociale zekerheid op een ongelukkige manier samenkomen»?
Zie antwoord vraag 1.
Is het kabinetsbeleid dat als deze principes ongelukkige effecten veroorzaken deze principes dienen te worden aangepast of mag ik er van uitgaan dat u deze omstandigheid als gewenst beschouwt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat het bizar is dat regelingen om armoede en schulden te voorkomen, zoals bijzondere bijstand en toeslagen, zo negatief op elkaar inwerken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.