Het voorkomen van extra kosten voor mensen wier zorg is uitgesteld vanwege de coronacrisis |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van BNR Nieuws Radio over extra kosten voor uitgestelde zorg vanwege de coronacrisis?1
De afgelopen periode was veel curatieve zorg afgeschaald om voldoende zorg te kunnen leveren aan COVID-19-patiënten. Gelukkig is de opschaling van de reguliere planbare zorg inmiddels weer in volle gang. Het is belangrijk dat ook niet-COVID-19-patiënten de zorg ontvangen die ze nodig hebben. Ik begrijp dat het buitengewoon vervelend is als mensen hebben moeten wachten op hun behandeling.
Het uitstel van een behandeling kan ook financiële consequenties hebben voor de patiënt vanwege het eigen risico dat hij betaalt voor de zorg die hij ontvangt. In de uitzending van BNR Nieuws Radio werd een situatie geschetst waarbij een patiënt in 2019 een behandeltraject in het ziekenhuis is gestart dat doorliep in 2020. Als een behandeltraject in 2019 is gestart dan komen alle kosten die worden gemaakt binnen de 120 dagen van de looptijd van een diagnose behandel combinatie (dbc) ten laste van het eigen risico 2019. Het kan zijn dat door de coronacrisis een operatie is uitgesteld, die anders binnen de 120 dagen van de looptijd van de dbc had plaatsgevonden. Als de operatie wel had plaatsgevonden, waren de kosten ten laste gekomen van eigen risico van 2019. Als de operatie uiteindelijk na meer dan 120 dagen na opening van de dbc plaatsvindt, zal een nieuwe dbc worden geopend. Omdat deze dbc in 2020 geopend wordt, zullen de kosten ook ten laste komen van het eigen risico van 2020. De kosten in 2019 zullen in dat geval wel lager liggen, omdat geen operatie heeft plaatsgevonden.
De patiënt betaalt alleen eigen risico voor de zorg die hij daadwerkelijk heeft genoten en betaalt dus niet voor een operatie die niet heeft plaatsgevonden.
Of een verzekerde financieel nadeel ondervindt van bijvoorbeeld een uitgestelde operatie is afhankelijk van de vraag hoeveel andere zorgkosten hij in 2019 heeft gehad en in 2020 nog heeft. Het is mogelijk dat mensen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten, bijvoorbeeld als zij in 2019 hun eigen risico sowieso al hadden volgemaakt, terwijl zij in 2020 geen andere zorg verwachten nodig te hebben waarvoor ze hun eigen risico moeten aanspreken. Het kan echter ook juist gunstig uitpakken, namelijk wanneer iemand in 2019 het eigen risico niet heeft volgemaakt, terwijl hij in 2020 wel al veel zorg ontvangen heeft of nog verwacht nodig te hebben en daarmee het eigen risico toch wel volmaakt. BNR heeft alleen de situatie beschreven waarin het ongunstig uitpakt.
Bent u bereid alleen voor de eerste Diagnose Behandeling Combinatie (DBC) eigen risico te heffen voor mensen wier zorg is uitgesteld vanwege de coronacrisis, om te voorkomen dat zij dubbel eigen risico moeten betalen voor een behandeling?
Zoals ik hierboven heb aangegeven betalen mensen alleen eigen risico voor zorg die zij daadwerkelijk hebben ontvangen. Ze betalen niet voor een behandeling die niet door is gegaan. Als patiënten zowel in 2019 als in 2020 zorg hebben ontvangen, moeten zij in beide jaren hun eigen risico aanspreken. Dat is voor deze patiënten niet anders dan voor andere patiënten die twee of meerdere jaren achter elkaar zorg ontvangen. Daarom acht ik het – naast uitvoeringstechnische problemen – niet nodig om bij deze groep alleen eigen risico te heffen over de eerste dbc’s en niet over vervolg-dbc’s.
Deelt u de mening dat het rechtvaardiger is om te stoppen met het heffen van eigen risico over vervolg-DBC’s?
Op de Kamervragen waaraan u refereert, heeft mijn ambtsvoorganger geantwoord dat de NZa op zijn verzoek met een adviesbrief komt over de situatie dat mensen eigen risico betalen voor een jaar dat zij geen zorg hebben ontvangen. Daarin zullen verschillende opties met voor- en nadelen worden toegelicht. Eén van de opties betreft het uitsluiten van vervolg-dbc’s van het eigen risico. Mijn voorganger heeft de verwachting uitgesproken de Tweede Kamer rond de zomer te kunnen informeren aan de hand van de adviesbrief. Het advies bevindt zich in de afrondende fase en kan ik u binnenkort doen toekomen.
Hoe staat het met het werk maken van een oplossing voor dit probleem, waarover u in antwoord op eerdere Kamervragen schreef?2
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u al meer zeggen over het onderzoek dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hiernaar uitvoert en het advies dat daaruit voort zal komen?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt al onderzocht hoe het eigen risico kan worden afgeschaft? Kunt u dit toelichten?
Nee, dat wordt niet onderzocht. Zoals aangekondigd in het Regeerakkoord heeft het kabinet het verplicht eigen risico tot en met 2021 bevroren op € 385,– per persoon per jaar. Deze maatregel is onderdeel van een breed pakket aan maatregelen dat het kabinet heeft genomen om de stapeling van zorgkosten te beperken.
Criminaliteit onder asielzoekers |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Misdaadpiek asielzoekers»?1
Ja.
Klopt het dat er het afgelopen jaar sprake was van een forse toename van criminaliteit door asielzoekers? Zo ja, wat is de aard en omvang van die criminaliteit? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Uit de cijfers van de politie zoals opgenomen in het incidentenoverzicht dat ik vandaag aan de Kamer toegezonden heb, komt naar voren dat er in 2019 27 procent meer misdrijven zijn geregistreerd dan in 2018. Het gaat hierbij om 4.999 registraties van misdrijven waarbij een vreemdeling die op enig moment in het rapportagejaar op een COA-locatie verbleef in de rol van verdachte voorkwam. Voor meer informatie over de aard en omvang verwijs ik u naar het incidentenoverzicht 2019.
Wat is de oorzaak van de genoemde toename?
Zoals aangegeven bij de aanbieding van het incidentenoverzicht is de oorzaak voor de geconstateerde toename in 2019 op basis van het incidentenoverzicht niet te geven. Een verdiepende analyse is echter gewenst om te kunnen komen tot een meer gerichte inzet van maatregelen. Ik heb het WODC daarom gevraagd om hier nader onderzoek naar te doen.
Klopt het dat van alle geregistreerde verdachten het overgrote gedeelte uit veilige landen komt? Hoeveel van die verdachten komen uit welke veilige landen?
Het incidentenoverzicht laat zien hoeveel vreemdelingen die in 2019 op enig moment op een COA-locatie verbleven werden verdacht van een misdrijf waarvan de politie in 2019 heeft kennisgenomen. Van deze vreemdelingen had 59% de nationaliteit van een veilig land2. Bij de overige 41% ging het om een andere nationaliteit of was de nationaliteit niet bekend. Of deze vreemdelingen perspectief hebben op een verblijfsvergunning hangt af van meerdere factoren, bijvoorbeeld de nationaliteit en identiteit en het individuele vluchtrelaas.
Hoeveel van de verdachten komen uit landen waarbij wel een perspectief op een verblijfsvergunning mogelijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het probleem van criminele asielzoekers uit veilige landen reeds jaren bekend is? Zo ja, waarom lukt het u dan steeds maar niet om hier substantieel is aan te doen of zelfs op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat verdachte asielzoekers opgespoord, vervolgd en berecht dienen te worden? Zo ja, waarom gebeurt dat in veel gevallen niet? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Personen uit veilige landen van herkomst vertonen relatief vaker dan de gemiddelde asielzoeker overlastgevend en/of crimineel gedrag.
Nederland wil bescherming bieden aan diegenen die vluchten voor oorlog en geweld. Het is volstrekt onacceptabel dat een relatief kleine groep zorgt voor disproportionele overlast en hiermee het draagvlak afkalft voor opvang van personen die vluchten voor oorlog en geweld. Het terugdringen van de overlast en criminaliteit onder asielzoekers is mijn absolute prioriteit.
Zoals bij brief eerder aan uw Kamer vermeld is er de afgelopen jaren een breed palet aan maatregelen ontwikkeld dat kan worden ingezet om overlastgevende en/of criminele asielzoekers aan te pakken en terugkeer te realiseren3. Zo heb ik in februari jl. een speciale Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) geopend, heb ik een Top-X aanpak ontwikkeld voor de meest hardnekkige overlastgevende en/of criminele asielzoekers en kunnen overlastgevers eerder in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Daarnaast zijn er snellere procedures voor evident kansarme asielaanvragen voor Dublinclaimanten en veilige landers ingevoerd. Ook het sneller en efficiënter in bewaring kunnen stellen van vreemdelingen die in een open opvanglocatie voor overlast of criminaliteit zorgen is daar onderdeel van. Dit is ook de inzet in de gesprekken over Europese regelgeving die de vreemdelingenbewaring regelt. Tevens wordt ingezet op het maken van afspraken over samenwerking met veilige landen van herkomst voor de terugkeer van personen die irregulier in Nederland verblijven. Daarbij wil ik vooropstellen dat een groot gedeelte van de landen van herkomst goed meewerkt. Er is een aantal landen waar het niet zoals gewenst gaat, daar zet het kabinet zich actief in voor een goede, wederkerige samenwerking. Met deze landen zijn wij in gesprek over verbetering van die terugkeersamenwerking.
Op een aantal plaatsen in het land werpen de maatregelen die ik hiertoe heb genomen hun vruchten af. Zo heeft de gemeente Harderwijk aangegeven meer grip te hebben op de aanpak van overlast en criminaliteit veroorzaakt door asielzoekers. Een belangrijke succesfactor hierbij is de intensieve en effectieve lokale samenwerking tussen de gemeente en partijen uit de migratie- en strafrechtketen. Op andere plekken is nog veel winst te behalen. Samen met betrokken ketenpartijen en de speciaal hiertoe aangestelde ketenmariniers ben ik continu op zoek naar mogelijkheden om de aanpak te optimaliseren. Ook in Europees verband worden stappen gezet, waarbij bijvoorbeeld kan worden gewezen op de bepaling in de Visumcode, waarmee ook op Europees niveau een stap wordt gezet naar een gecoördineerde aanpak van landen die onvoldoende meewerken aan de terugkeer van de eigen onderdanen.
Deelt u de mening dat criminele asielzoekers uit veilige landen zonder zicht op een rechtmatig verblijf ons land moeten verlaten? Zo ja, hoe gaat u hier eindelijk voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het is het standpunt van het kabinet dat eenieder die een strafbaar feit begaat, een passende straf dient te krijgen. Daarbij is de aard van het feit leidend. A-priori maakt het strafrecht geen onderscheid naar de verblijfsrechtelijke positie van de verdachte.
Wel is de strafrechtketen ingericht als een selectieve keten waarin vele beslismomenten van invloed zijn op de uitkomst. Wanneer er tijdens het onderzoek blijkt dat er onvoldoende opsporingsindicatie of bewijs is, wordt de zaak niet doorgezonden naar het OM. Ook is het mogelijk dat het OM een ingezonden zaak anders beoordeelt. Het OM bepaalt per zaak of en zo ja welke opvolging gegeven wordt aan het feit.
Kunt u het in bericht genoemde geheime rapport per ommegaande voorzien van uw reactie aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die om bescherming vragen – asielzoekers – zijn volgens Europese regels gedurende hun procedure niet verplicht te vertrekken, ook als zij uit veilige landen van herkomst komen en strafbare feiten begaan. Maar ik deel de mening dat vreemdelingen uit veilige landen na afloop van de procedure dienen terug te keren naar hun land van herkomst. Dat geldt eveneens voor vreemdelingen die strafbare feiten hebben begaan. Naast de voortdurende inzet van alle ketenpartners kan ook nog worden gewezen op de inzet en de verschillende initiatieven die ik hiervoor in het antwoord op vraag 7 naar voren heb gebracht.
Het Rijksvastgoedbedrijf en een pand dat voor een spotprijs is verkocht aan een malafide ondernemer |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is het waar dat het Rijksvastgoedbedrijf Noordeinde 64 heeft verkocht aan de gemeente Den Haag, die het een dag later meteen voor een spotprijs verkocht aan een malafide ondernemer?1
In aansluiting op mijn beantwoording van de schriftelijke vragen die zijn gesteld door het lid Krol over de verkoop van het pand Noordeinde 64/64A te Den Haag, met Aanhangsel Handeling, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2881, bericht ik u het volgende.
Het pand is verkocht in het kader van de zogeheten reallocatieprocedure, zoals genoemd in artikel 9, zevende lid, van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006. Op grond daarvan werd het onderhavige overtollig rijksvastgoed, voordat het eventueel openbaar kan worden verkocht, eerst aangeboden aan medeoverheden met het oog op herbestemming in de publieke sfeer. Tijdens het reguliere samenwerkingsoverleg dat de gemeente Den Haag voerde met het Rijksvastgoedbedrijf, heeft de gemeente in juli 2016 belangstelling getoond voor het verwerven van het pand in het kader van de reallocatieprocedure. Zie ook het collegebesluit van de gemeente Den Haag (bijlage 1), waarin de doorverkoop aan de heer Munie wordt gemotiveerd. Belangrijke beweegredenen daarbij waren dat het pand al langdurig leegstond (op leegstandsbewoning na), de betrokken ondernemer op deze locatie zijn diverse werkzaamheden kon samenvoegen en plaats wilde bieden aan mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Op basis daarvan is destijds besloten tot overdracht van het onroerend goed aan de gemeente Den Haag.
Voor wat betreft deze overdracht heeft mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 25 juni 2013 aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 31 490, nr. 122) aangegeven dat onderhandse verkoop aan medeoverheden plaatsvindt op basis van een door een (externe) onafhankelijke taxateur bepaalde marktwaarde. Daarom is met het oogmerk de marktconformiteit te waarborgen een taxatierapport opgesteld door een NRVT-gecertificeerde2 taxateur van Frisia Makelaars. Op 7 september 2018 is bij notariële akte het pand voor een koopprijs van € 1.735.000,00 geleverd aan de gemeente Den Haag. Verder wil ik u in dit verband melden dat ik momenteel een ADR-onderzoek laat uitvoeren naar de verkoop van dit pand, waarvan ik voor de zomer de resultaten verwacht. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 7.
Voor hoeveel geld heeft het Rijksvastgoedbedrijf het pand verkocht?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf het pand verkocht?
Zie antwoord vraag 1.
Wist het Rijksvastgoedbedrijf van de plannen van de gemeente om het pand een dag later door te verkopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dan toch ingestemd met de verkoop?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit soort constructies om Rijksvastgoed te verkopen voor spotprijzen zeer onwenselijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Er is regelmatig discussie over de reallocatieprocedure, met name als het gaat om doorverkoop door gemeenten aan derden. Naar aanleiding van deze discussie en om meer transparantie en verkorting van de huidige langdurige verkoopprocedures aan te brengen, ben ik voornemens om deze reallocatieprocedure aan te passen. De uitwerking hiervan vindt momenteel plaats. Over mijn bredere beleidsafweging, mede in het licht van de uitkomsten van het genoemde ADR-rapport, informeer ik de Tweede Kamer in het najaar.
Een zogenaamde anti-doorverkoopclausule (in de vastgoedpraktijk bekend als anti-speculatiebeding of vervreemdingsbeding) is bij verkoop van bestaand onroerend vastgoed niet gebruikelijk. Een overeengekomen koopprijs is immers gebaseerd op het voorgenomen gebruik door de koper. Een dergelijk verbod om te verkopen wordt in het algemeen wel bij nieuwbouw toegepast om doorverkoop met mogelijke snelle winst te voorkomen. In de koopovereenkomst tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Den Haag is wel een meerwaardeclausule met kettingbeding opgenomen. Dit houdt in dat, indien (een deel van) het object binnen tien jaar een andere en meer hoogwaardige bestemming (bijvoorbeeld uitsluitend woningen) verkrijgt dan op basis van het thans vigerende bestemmingsplan is toegestaan, de koper aan de Staat een meerprijs is verschuldigd. Het Rijksvastgoedbedrijf beoordeelt regelmatig of er sprake is van een hoogwaardiger bestemming. Daarvan is tot op heden geen sprake.
Worden meer van dit soort constructies gebruikt? Welke verkopen met vergelijkbare constructies zijn er vanaf het jaar 2000 geweest?
In bijlage 2 vindt u een overzicht van alle verkopen met betrekking tot gebouwen en bouwgrond aan medeoverheden die via de reallocatieprocedure tot stand zijn gekomen. In verband met de mogelijkheden van de geautomatiseerde systemen begint het overzicht bij 2003. Daar de systemen niet zijn ingericht op deze vraagstelling, is er een handmatige sectie toegepast en kan het zijn dat er ondanks diverse controles kleine discrepanties resteren.
Bijlage 1: Collegebesluit van de gemeente Den Haag3
Bijlage 2: Overzicht verkocht rijksvastgoed in het kader van de reallocatieprocedure4
Bent u bereid het Rijksvastgoedbedrijf te verplichten gebouwen te verkopen met een antidoorverkoopclausule voor bepaalde tijd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Justitie wil eind aan juridische lijdensweg voor agent met trauma’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht »Justitie wil eind aan juridische lijdensweg voor agent met trauma» van 23 april 2020?1
Ja.
Deelt u de mening dat de ervaringen van agenten waardoor zij PTSS ontwikkelen vergelijkbaar zijn met die van militairen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet eenvoudig om ervaringen van agenten en militairen in zijn algemeenheid met elkaar te vergelijken. Net zoals militairen onderling door hun verschillende taken ook niet over één kam te scheren zijn. Het zijn de omstandigheden waaronder militairen opereren in missiegebieden, die vaak wezenlijk anders zijn dan die van agenten. Dat neemt niet weg dat er bij beide groepen in de beroepsuitoefening risico’s bestaan voor de geestelijke gezondheid. Voor mij maakt het mogelijke verschil in ervaringen tussen agenten en militairen overigens niets uit voor het respect en waardering dat ik voor beiden heb.
Ziet u Defensiepersoneel ook als mensen die een roeping hebben en zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor de veiligheid van de Nederlandse en Internationale samenleving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de opvatting dat zij de beste behandeling verdienen als zij door die roeping ziek raken?
Personeel bij Defensie is in mijn ogen zeer gedreven en van militairen is bekend dat zij bereid zijn om offers te brengen voor de vrijheid en veiligheid van anderen. Dat is een groot goed. Als zij door hun werk ziek raken, verdienen zij de best mogelijke behandeling. Dit geven we vorm via de bijzondere zorgplicht. De regels omtrent de bijzondere zorgplicht voor veteranen zijn sinds 2012 vastgelegd in de Veteranenwet.
Wat vindt u van het voornemen van uw collega van Justitie en Veiligheid om getroffen agenten sneller en eenvoudiger te ondersteunen?
Het is een goed gebruik dat bewindspersonen zich niet uitlaten over de beleidsterreinen van andere ministeries. Uiteraard is er wel samenwerking tussen JenV en Defensie om van elkaars vormen van ondersteuning te leren.
Welk percentage van getraumatiseerde militairen is gedwongen om te procederen om Defensie aansprakelijk te stellen? Hoe lang duren dergelijke procedures gemiddeld?
In 2014 is de Regeling Volledige Schadevergoeding (RVS) inwerking getreden met als doel op snelle en efficiënte wijze schadeclaims af te handelen. Als gevolg van de regeling is de aansprakelijkstelling niet meer nodig. Het percentage waarnaar gevraagd wordt is derhalve feitelijk nul. Op het moment dat bij een oorlogs- en dienstslachtoffer de medische eindsituatie is vastgesteld, kan de bepaling van de restschade plaatsvinden. De periode tussen de start en het einde van de schadebepaling neemt gemiddeld 2,5 jaar in beslag.
Overigens heeft mijn voorganger voor veteranen met PTSS die niet onder de RVS vallen, in 2016, naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in zaken van een Dutchbat III en een Libanonveteraan, besloten om ook hun schade volledig te gaan vergoeden (Kamerstuk 30 139, nr. 165, dd. 23 augustus 2016).
Hoe onwenselijk vindt u het dat daardoor werkgever en werknemer pal tegenover elkaar komen te staan in schadeprocedures die het gevolg zijn van het werk?
Indien Defensie in een procedure als werkgever tegenover een (ex-)werknemer komt te staan is dat altijd betreurenswaardig. Defensie streeft er naar om zo lang mogelijk in goed onderling overleg en in alle redelijkheid tot een schaderegeling te komen. Naarmate de materie complexer is, kost het meer tijd om tot een correcte schaderegeling te komen. In de tussentijd kunnen overigens wel voorschotten op de schadevergoeding worden toegekend.
Bent u bereid een vergelijkbare invulling van «goed werkgeverschap» door uw collega van Justitie en Veiligheid over te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie ligt de basis voor «goed werkgeverschap voor veteranen» in de Veteranenwet en -het Veteranenbesluit. De bijzondere zorgplicht voor de veteraan en zijn relaties is daarin vastgelegd. Zoals gezegd is er samenwerking tussen JenV en Defensie om van elkaars vormen van ondersteuning te leren. Ik juich dat toe. Verder wordt het uitkerings- en voorzieningenstelsel voor veteranen herzien en vindt een evaluatie plaats van de Regeling Volledige Schadevergoeding. Dit alles is erop gericht om Defensie nog verder te verbeteren.
Waarnemingen vanaf marineschip Zr. Ms. De Ruyter van een incident met een chemische tanker in de Golf van Oman |
|
Raymond de Roon (PVV), Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat op het Nederlands marineschip de Zr. Ms. De Ruyter exact is waargenomen van het incident met de chemische tanker de SC Taipei, die mogelijk door Iraanse autoriteiten gekaapt zou zijn?1
Over de waarnemingen van De Zr. Ms. De Ruyter kunnen om operationele redenen geen mededelingen worden gedaan.
Kan Nederland op basis van eigen waarnemingen vanaf de Zr. Ms. De Ruyter bevestigen dat het Hong Kong gevlagde schip de SC Taipei door Iraanse autoriteiten geënterd is?
Zie antwoord op vraag 1.
Was de Iraanse Revolutionaire Garde betrokken bij dit incident? Zo nee, welke elementen van het Iraanse regime dan wel?
Zie antwoord op vraag 1.
Klopt het dat het schip zich in internationale wateren bevond toen zij werd geënterd, werd vastgehouden of werd gesommeerd om koers te wijzigen naar Iraanse wateren?
Zie antwoord op vraag 1.
Hoe beoordeelt u het optreden van de Iraanse autoriteiten? Is er naar uw mening sprake geweest van een kortstondige kaping/gijzelingssituatie of betrof het hier een ongehoorde en agressieve controle?
Zie antwoord op vraag 1. Het is daarom ook niet mogelijk het incident nader te duiden.
Beschikt u over aanwijzingen dat er lading van de chemische tanker buit is gemaakt? Zo ja, wat is er buit gemaakt? Zo nee, kunnen de autoriteiten van Hong Kong en de rederij dat bevestigen?
Het kabinet beschikt niet over informatie of lading is buit gemaakt.
Deelt u de mening dat het aantal provocaties van Iraanse zijde in internationale wateren recent is toegenomen en dat hiertegen (politiek) moet worden opgetreden om verdere provocaties/incidenten de kop in te drukken? Wilt u daartoe stappen ondernemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?2
Hoewel de spanningen onverminderd voortduren, is geen sprake van een veranderende houding of agressie van Iraanse eenheden tegenover EMASoH eenheden. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om de recente Iraanse provocaties publiekelijk en keihard te veroordelen en dat duidelijk over te brengen aan het Iraanse regime? Zo nee, hoe kan de missie EMASoH – die zich hoofdzakelijk richt op preventie van verdere incidenten – leiden tot succes wanneer de Iraanse provocaties zonder consequenties voor het regime blijven?
De inzet van het kabinet blijft onverminderd gericht op de-escalatie van regionale spanningen en preventie van verdere incidenten. Het kabinet heeft bewust gekozen voor deelname aan EMASoH, omdat de missie zowel een diplomatiek als een militair spoor omvat. De militaire inzet is gericht op preventie en weerhoudt actoren ervan om de vrije en veilige doorvaart van de scheepvaart te verstoren. Het diplomatieke spoor van de missie is gericht op het identificeren van manieren om het onderlinge vertrouwen in de regio ten aanzien van maritieme veiligheid te versterken. Een dialoog met Iran maakt hier onderdeel van uit. Het politieke sturingsorgaan van de missie, de «Political Contact Group», volgt deze ontwikkelingen op de voet en bekijkt hoe deze via het diplomatieke spoor opvolging kunnen krijgen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en uiterlijk 4 mei 2020 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het schriftelijk overleg over de volgende Raad Buitenlandse Zaken?
Deze vragen zijn zo snel en zo volledig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘150 doden door corona in gehandicaptenzorg: ‘Deze groep wordt vergeten’' |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «150 doden door corona in gehandicaptenzorg: «Deze groep wordt vergeten»»?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat medewerkers in de sector, maar ook familieleden van mensen met een handicap, het gevoel hebben dat die laatsten worden «vergeten»?
Hoewel ik mij dat kan voorstellen, kan ik u verzekeren dat ik mensen met een beperking, hun naasten en zorgverleners goed op het netvlies heb. Juist daarom is er bijvoorbeeld ook voor de gehandicaptenzorg een routekaart gemaakt, is de routekaart omgezet in een versie in begrijpelijke taal met pictogrammen en heb ik met de betrokken cliëntenorganisaties een Covid-strategie opgesteld (zie ook het antwoord op vraag 3 en 5).
Bent u bereid net als dat met betrekking tot verpleeghuizen het geval is ook gehandicapteninstellingen perspectief te bieden op een verantwoorde aanpassing van de bezoekregeling?
In tegenstelling tot bij de verpleeghuizen is er in de gehandicaptenzorg geen door de overheid opgelegde bezoekregeling, maar een regeling van de sector zelf. Omdat ik het gevoel van ouders en naasten, die hun kind of verwant al te lang niet hebben kunnen zien, erg goed begrijp, heb ik op 20 mei 2020 afspraken met de sector gemaakt over een routekaart. Deze routekaart moet ook in de gehandicaptenzorg perspectief bieden. Vanaf 25 mei maken de zorgorganisaties afspraken over het kunnen ontvangen van bezoek. Uiterlijk 15 juni 2020 is er voor iedereen op een goede manier invulling gegeven aan het ontvangen van bezoek.
Bent u bereid om met het oog op zo’n verantwoorde aanpassing eenzelfde zorgvuldige procedure te doorlopen als bij verpleeghuizen het geval is, dat wil zeggen inclusief onderzoek en pilots?
Omdat er in de gehandicaptenzorg geen sprake is van een door de overheid opgelegde bezoekregeling, is het primair aan de sector zelf om de monitoring van de versoepeling van de regeling ter hand te nemen. Uiteraard volg ik de ontwikkelingen rond het versoepelen van de bezoekregeling wel nauwlettend, bijvoorbeeld in de voortgangsoverleggen die ik voer met de partijen waarmee ik afspraken over de routekaart heb gemaakt. Vanuit de Academische werkplaats Sterker op eigen benen van het Radboudumc wordt de verspreiding van het virus in de gehandicaptenzorg cijfermatig gevolgd, net als bij het RIVM.
Bent u bereid om, zoals de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) voorstelt, het VN-Verdrag Handicap integraal mee te nemen bij het opstellen van plannen voor het realiseren van een inclusieve corona-bestendige samenleving om te voorkomen dat mensen met een handicap in de «anderhalvemetersamenleving» worden «buitengesloten»?
Ja. Het zorgen dat mensen met beperking of chronische ziekte in gelijke mate mee kunnen delen in de geleidelijke versoepeling van maatregelen en daarmee naar een terugkeer naar het «gewone» leven, is één van de ambities COVID-19 strategie voor mensen met een beperking of chronische ziekte die in samenspraak met vertegenwoordigende cliëntorganisaties is opgesteld. De strategie biedt hiervoor een richtinggevend kader. Deze heeft uw Kamer met mijn brief van 3 juni jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 386) ontvangen.
Bent u bereid om, zoals de VGN eveneens voorstelt, ervoor zorg te dragen dat mensen met een beperking bij mogelijk corona-gerelateerde klachten getest kunnen worden zodat zij meer vrijheid krijgen om zich te bewegen in de samenleving?
Ja. Vanaf 1 juni kan iedereen met klachten zich laten testen. Dat geldt uiteraard ook voor mensen met een beperking.
Bent u bereid om ervaringsdeskundigen met een beperking te betrekken bij het ontwikkelen en testen van de apps die in het kader van de aanpak van de corona-crisis (mogelijk) worden ontwikkeld?
Aan de digitale middelen die worden ontwikkeld ter ondersteuning van de bestrijding van COVID-19, zoals de apps, stel ik hoge eisen, ook op het terrein van gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid voor mensen met een (functie)beperking. Voor de anonieme app voor contactonderzoek die nu wordt ontwikkeld, wordt de WCAG 2.1 als basis gebruikt, aangevuld met criteria die experts op het gebied van usability hebben gesteld. Zowel in het bouwteam als in de begeleidingscommissie heb ik experts opgenomen die hier specifiek aandacht voor hebben. Vanaf half juni wordt gestart met praktijktesten. Naast de praktijktest in één regio, zal voor mensen met een functiebeperking en voor mensen met een verstandelijke beperking ook een landelijke test plaatsvinden. Hierbij worden verschillende functiebeperkingen meegenomen.
Wilt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Ik heb deze vragen beantwoord zodra er op de onderdelen waarop de vragen betrekking hadden heldere afspraken zijn gemaakt dan wel resultaat was geboekt.
De continuïteit van jeugdhulp en geestelijke gezondheidszorg |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Wordt door het Outbreak Management Team (OMT) en het kabinet ook nagedacht over nieuwe richtlijnen voor de jeugdzorg en GGZ als het gaat om behandelingen en bezoekregelingen? Bent u van mening dat het uitblijven van een behandeling voor mensen met psychische problemen, zeer schadelijk kan zijn? Wordt dit meegenomen in de overleggen over het geleidelijk loslaten van de coronamaatregelen?
De richtlijnen voor de jeugdzorg en GGZ met betrekking tot behandelingen en bezoekregelingen worden door het OMT en kabinet afgewogen tegen de corona ontwikkelingen.
De maatregelen tegen het coronavirus hebben grote invloed op de jeugdzorg, inclusief jeugd-ggz en zorg voor jongeren met een verstandelijke of lichamelijke beperking. Nabijheid en fysiek contact zijn vaak belangrijk om deze kinderen te begeleiden of zich veilig te laten voelen. Een algehele bezoekersstop is daarom niet wenselijk. Wel moeten professionals, bezoekers en kinderen de actuele richtlijnen van het RIVM in acht nemen.
De Staatssecretaris van VWS heeft u reeds eerder geïnformeerd over de richtlijn «ggz en corona», die door de veldpartijen is opgesteld en is onderschreven door het RIVM. Partijen zijn voortdurend bezig om deze richtlijn te actualiseren, zodat zorgverleners in de ggz beschikken over de meest actuele handvatten voor het veilig verlenen van zorg. Onder regie van kwaliteitsorganisatie Akwa GGZ hebben de ggz-partijen op 9 juni een zesde versie van de richtlijn gepubliceerd, waar verdere verruiming van de bezoekmogelijkheden wordt verwoord1. Gezien de grote mentale risico’s van isolatie is een algehele bezoekersstop in de ggz niet gewenst en zal er voorlopig sprake zijn van maatwerk. De richtlijnen van het RIVM worden uiteraard wel in acht genomen bij bezoek. Het is van belang dat de behandelingen voor mensen met psychische problemen zoveel mogelijk worden voortgezet, waar nodig op alternatieve wijze. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is door het kabinet gevraagd het proces te coördineren rond het opnieuw opstarten en draaiende krijgen van de curatieve zorg. Dit doet de NZa ook voor de volwassen-ggz, waarvoor geldt dat veel behandelingen gedurende de coronacrisis doorgang hebben gevonden, al dan niet in andere (digitale) vorm. De NZa zoekt hierin de afstemming met relevante partijen uit de sector.
Ook in de jeugdzorg is de oproep van het Rijk en gemeenten aan zorgaanbieders en professionals om de zorg zo veel mogelijk voort te zetten. Dagbesteding, dagopvang en behandeling voor kinderen en jongeren tot en met 18 jaar op locatie is per 1 juni opgestart. Daarnaast mogen kinderen en jongeren tot en met 18 jaar in een instelling, pleeggezin of gezinshuis sinds 1 juni weer bezoek ontvangen.
Heeft u sinds de aankondiging van de continuïteitsbijdrage van 5 april 2020 signalen ontvangen van zorgaanbieders binnen de jeugdzorg en GGZ die in acute liquiditeitsproblemen verkeren? Zo ja, wat heeft u met deze signalen gedaan en om welke aantallen gaat het? Zo nee, kunt u garanderen dat deze maatregel de continuïteit van het zorgaanbod voldoende waarborgt?
Er zijn sinds 5 april 2020 geen signalen binnengekomen van acute liquiditeitsproblemen onder zorgaanbieders binnen de jeugdzorg en GGZ. Binnen de verschillende domeinen zijn er maatregelen getroffen om zorgaanbieders te compenseren voor een lagere omzet als gevolg van de coronacrisis, zodat zij niet in financiële problemen komen als gevolg van de coronacrisis. De maatregelen die vanuit de verschillende domeinen worden genomen bevatten op hoofdlijnen dezelfde elementen: er wordt voorzien in een vergoeding van meerkosten van de zorgverlening in verband met corona, een vergoeding voor gederfde omzet en maatregelen in de sfeer van bevoorschotting om de liquiditeitsproblemen van zorgaanbieders te voorkomen. Daarnaast trekken financiers binnen hun respectievelijke domeinen zo veel mogelijk met elkaar op: binnen het sociaal domein bijvoorbeeld (Wmo en Jeugdwet) hebben gemeenten, verenigd in de VNG, en het Rijk afspraken gemaakt over de uitwerking van de financiële regelingen. Hiermee wordt de toegankelijkheid van zorg voor de korte en langere termijn geborgd.
Kunt u garanderen dat geen enkele jeugdzorgaanbieder of GGZ-instelling zal omvallen als gevolg van de coronacrisis?
GGZ-instellingen hebben door de continuïteitsbijdrage financiële ruimte om tijdens de coronacrisis hun doorlopende kosten te dekken. Daarnaast hebben de VNG en het Rijk op 25 maart bestuurlijke afspraken gemaakt over het bieden van financiële zekerheid en ruimte aan zorgorganisaties en professionals in het sociaal domein (waaronder jeugdzorgaanbieders). GGZ-instellingen kunnen in overleg met verzekeraars ook hun meerkosten corona declareren. Er zijn ook afspraken gemaakt om binnen de jeugdzorg de meerkosten als gevolg van de coronamaatregelen te compenseren. De compensatie van meerkosten in het sociaal domein is verlengd tot en met 31 december 2020. Ook in andere domeinen zijn mogelijkheden gecreëerd voor het declareren van meerkosten die door zorgaanbieders gemaakt moeten worden in verband met corona, voor bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen. Deze afspraken garanderen dat er, ten tijde van de coronamaatregelen, geen problemen ontstaan die continuïteit van zorg en de toekomst van de zorgstelsels in gevaar brengen. Het is echter nooit uit te sluiten dat er instellingen zijn die uiteindelijk toch failliet gaan, bijvoorbeeld omdat zij er al voor de corona-uitbraak financieel slecht voor stonden.
Waarom bent u van mening dat de continuïteitsbijdrage van 60 tot 85 procent van de normale omzet toereikend is voor zorgaanbieders die vallen binnen de Zorgverzekeringswet? Wat is het aandeel van vaste kosten versus variabele kosten in de GGZ, volgens u?
Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft eind mei de continuïteitsbijdrageregeling gepubliceerd (voor ggz-aanbieders met een omzet tot 10 mln). Volgens deze regeling wordt de continuïteitsbijdrage berekend door een percentage te nemen van de gemiste omzet door de coronacrisis. Voor ggz-aanbieders met een omzet tot 10 mln. ligt het percentage waarop de continuïteitsbijdrage wordt gebaseerd op 85%. De hoogte van het percentage is gekoppeld aan de omvang de doorlopende kosten (o.a. personeel en huur bedrijfsruimte). Medio juli heeft ZN bekend gemaakt hoe de regeling voor ggz-aanbieders met een omzet boven de 10 mln. eruit ziet. Binnen deze regeling wordt gewerkt met een percentage van 94%. Bij ggz-aanbieders met een omzet boven de 10 mln. met een afwijkend grote uitval over het gehele boekjaar 2020 vindt maatwerk plaats. Welke kosten vast en welke variabel zijn is afhankelijk van de termijn waarop kosten worden bezien. In beide regelingen wordt gesproken over een vergoeding voor doorlopende kosten.
Bent u ervan op de hoogte dat er jeugdzorg en GGZ-instellingen zijn die vanwege hun specialistische landelijke aanbod, wisselende inkomsten hebben waardoor het voor hen moeilijk is om in aanmerking te komen voor continuïteitsbijdragen?
Mij zijn geen signalen bekend van ggz-instellingen die vanwege hun specialistische aanbod niet in aanmerking zouden komen voor een continuïteitsbijdrage op grond van de continuïteitsbijdrageregeling voor de ggz die Zorgverzekeraars Nederland (ZN) bekend heeft gemaakt.
Mij zijn ook geen signalen bekend van jeugdzorginstellingen die vanwege hun specialistische aanbod geen financiële zekerheid van gemeenten ontvangen. Ik herken wel dat het ingewikkelder kan zijn voor een landelijke werkende instelling om financiële zekerheid te organiseren. Tegelijkertijd bestond de omzetgarantie die tot 1 juli aan aanbieders werd geboden uit het verschil tussen de gemiddelde maandomzet en de nog gewoon geleverde zorg (in reguliere of alternatieve vorm).
In de uitwerking van de afspraken tussen de VNG en het Rijk met betrekking tot de continuïteit van de financiering in de Jeugdwet en WMO werd het omzetniveau in eerste instantie vastgesteld aan de hand van het maandgemiddelde van de omzet van die aanbieder voor geheel 2019. Indien met een aanbieder een omzetafspraak is gemaakt voor 2020, is de hoogte van die afspraak de gegarandeerde omzet. Het kan voorkomen, zoals Fier in de brief aangeeft, dat een aanbieder contracten heeft met andere gemeenten dan in 2019. De aanbieder moet hierbij samen met de financier een representatief omzetniveau bepalen. Ik roep aanbieders die worden geconfronteerd met liquiditeits- en andere financiële problemen op om daarover in overleg te treden met hun (reguliere) financiers.
Kent u de brief van Fier van 20 april 2020 aan de VNG, GGZ-Nederland, Valente en de NZA waarin zij de noodklok luiden? Deelt u de mening dat Fier een dusdanig gespecialiseerd aanbod heeft dat voorkomen moet worden dat zij omvallen? Zo ja, wat gaat u doen om de continuïteit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe groot is de vraag naar beschermingsmaterialen (mondkapjes e.d.) in de jeugdzorg en GGZ? In hoeverre wordt aan deze vraag voorzien door het Landelijk Consortium Hulpmiddelen?
Zorgmedewerkers moeten beschermd hun werk kunnen uitvoeren. De beschermingsmiddelen die we ter beschikking hebben, moeten dan ook eerlijk worden verdeeld zodat de beschikbare beschermingsmiddelen daar terecht komen waar ze het hardste nodig zijn. Om die reden is per 13 april jl. een nieuw verdeelmodel van kracht, waarin ook de (jeugd)ggz is meegenomen. Het LCH kan de aanvragen uit de sector ondertussen goed accommoderen, waarbij de recente schaarste aan handschoenen momenteel wordt ingelopen.
Wat is de omvang van de uitgestelde zorgvraag in de jeugdzorg en GGZ naar benadering?
Op 4 juni heb ik u geïnformeerd over het proces rond het opschalen van reguliere zorg in de ggz, waarin de Nederlandse Zorgautoriteit een coördinerende rol heeft (Kamerstuk 25 424, nr. 531). In het kader van deze coördinerende rol brengt de NZa de gevolgen van de coronacrisis voor de ggz in beeld. In de meest recente monitor (van 16 juni jl.) schat de NZa dat als gevolg van de coronacrisis sinds half maart ongeveer 59.000 minder verwijzingen van huisarts naar ggz-aanbieder hebben plaatsgevonden. De NZa signaleert dat het aantal verwijzingen wel weer herstelt: inmiddels zitten we op ongeveer 86% van het niveau van voor de corona-maatregelen. Daarnaast blijkt onder andere uit peilingen dat een deel van de patiënten tijdens de coronacrisis minder behandelcontacten had en dat intakes, al dan niet op verzoek van de patiënt, zijn uitgesteld. De NZa stelt dat de weggevallen zorgvraag in elk geval gedeeltelijk zal moeten worden ingehaald, maar het is op dit moment niet te zeggen hoeveel en welke zorg dit betreft. De NZa actualiseert haar monitor over de gevolgen van de coronacrisis voor de ggz op regelmatige basis. De uitkomsten van de monitor worden met ggz-partijen breed gedeeld en op basis daarvan wordt samen met hen bepaald welke acties nodig zijn om te zorgen dat de planbare zorg zo snel en goed mogelijk kan worden geleverd.
Er is nog geen precies inzicht in de uitgestelde zorgvraag in de jeugdzorg, dit verschilt sterk per jeugdhulpvorm. Enerzijds is dit afhankelijk van de mate waarin zorg is uitgevallen (zo is het grootste deel van de jeugdhulp met verblijf is ook ten tijde van corona gecontinueerd), en anderzijds van de mate waarin de uitgevallen zorg überhaupt in te halen is (dagbesteding is vrijwel niet in te halen). Ook valt op dat de mate van zorguitval per zorgaanbieder flink kan verschillen.
Kunt u zorgverzekeraars aansporen juist in deze tijd proactief te inventariseren welke ondersteuning beschikbaar is, ook bij complexe hulpvragen vanuit de cliënt? Zo nee, waarom niet?
In het kader van eerdergenoemde acties van de NZa ten aanzien van het weer opschalen van reguliere zorg in onder meer de volwassen-ggz-sector, spreekt de NZa ook met de zorgverzekeraars. Over het verloop van dit traject onderhoud ik uiteraard contact met de NZa. Zorgverzekeraars hebben zorgplicht. Deze houdt in dat zij ervoor moeten zorgen dat een verzekerde de zorg (natura), of vergoeding van de kosten van zorg en desgevraagd zorgbemiddeling (restitutie), krijgt waar hij behoefte aan en wettelijk aanspraak op heeft. Het gaat hierbij zowel om de inhoud en omvang van de (vergoeding van) zorg als om de kwaliteit, tijdigheid en bereikbaarheid van de verzekerde zorg. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal een verzekeraar zich met succes kunnen beroepen op overmacht. Hij moet dan kunnen aantonen dat hij het maximale heeft gedaan wat binnen zijn verantwoordelijkheden en mogelijkheden ligt. De NZa houdt toezicht op de invulling van de zorgplicht door zorgverzekeraars.
Kunt u deze vragen vóór maandag 27 april 2020 beantwoorden?
Het is mij niet gelukt om de vragen op deze korte termijn te beantwoorden.
Wrakingscijfers |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NOvA wil opheldering wrakingscijfers»?1
Ja.
Herinnert u zich de discussie tijdens het algemeen overleg strafrechtelijke onderwerpen op 4 maart 2020 over de wrakingscijfers en de noodzaak tot regelgeving, waarin aanpassingen aan het instrument van wraking in strafzaken zouden worden gedaan, namelijk een versnelde afhandeling van kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken, vanwege het mogelijke oneigenlijk aanwenden van de op zich legitieme procedurele mogelijkheid van wraking?
De voorgestelde aanpassing is ingegeven door meerdere redenen en adresseert verschillende aspecten van de inzet van het wrakingsinstrument. In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering werd al voorgesteld te voorzien in een versnelde afhandeling van kennelijk niet-ontvankelijke wrakingsverzoeken. Uitbreiding van dit voorstel naar kennelijk ongegronde verzoeken wordt voorbereid. Daarnaast wordt het van belang geacht te voorzien in een wettelijke waarborg dat de rechter na een ter zitting ingediend wrakingsverzoek nog beslissingen kan nemen die geen uitstel dulden. Op dit moment wordt dit slechts in wrakingsprotocollen geadresseerd. Tot slot wordt met de aanpassing beoogd de beoordeling van de ontvankelijkheid van een wrakingsverzoek door een enkelvoudige kamer te bevorderen.
Deelt u de mening dat de wrakingsprocdure, waarbij de verdediging of de officier van justitie twijfels over de partijdigheid van de rechter aan de orde kan stellen, een zeer belangrijke waarborg is binnen het strafproces?
Ja. Het wrakingsinstrument is overigens niet alleen een zeer belangrijke waarborg binnen het strafproces. Het instrument is in het algemeen van groot belang voor het waarborgen van de integriteit van de rechtspraak.
Deelt u voorts de mening dat de noodzaak van vermeend misbruik van het strafprocesrecht goed onderbouwd moet zijn voordat aanpassingen aan het instrument van wraking worden gedaan?
Hoe duidt u de wrakingscijfers over 2019 uit het jaarverslag van de Rechtspraak waaruit blijkt dat het aantal ingediende wrakingsverzoeken is gedaald van 750 in 2018 naar 692 in 2019?2
Mogelijk hebben de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018, waarin de Hoge Raad vooropstellingen en algemene beschouwingen weergeeft inzake het toetsingskader van wrakingsverzoeken, hierbij een rol gespeeld. Of de afname structureel is moet nog blijken. Overigens werden in 2017 606 wrakingsverzoeken ingediend, in 2016 620, en in 2015 713.
Kunt u voorzien in een uitsplitsing per rechtsgebied van deze cijfers? Hoeveel wrakingsverzoeken houden verband met strafzaken?
Ja
Klopt het dat de wrakingsverzoeken waarin is berust en waar dus geen wrakingskamer over heeft geoordeeld, wel mee zijn geteld bij het aantal ingediende verzoeken maar niet bij het aantal gehonoreerde verzoeken? Kunt u deze cijfers alsnog verstrekken?3
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit belangrijke ontbrekende informatie is om een volledig beeld te krijgen van de wrakingscijfers en deze cijfers de noodzaak tot wetgeving kunnen beïnvloeden?
Zie het antwoord op vraag 2. De aanpassing is onder meer ingegeven door de door het College van procureurs-generaal en de Raad voor de rechtspraak gewenste flexibiliteit bij de afdoening van wrakingsverzoeken. De betreffende informatie onderstreept daarnaast dat een zeer beperkt aantal wrakingsverzoeken wordt gehonoreerd. Dat draagt bij aan de onderbouwing van de noodzaak om meer flexibiliteit in de afdoening van wrakingsverzoeken te bewerkstelligen.
Bent u bereid eerst opheldering van deze cijfers te verschaffen, zoals verzocht in vraag 6 en 7, en zo de omvang van het veronderstelde probleem te onderbouwen, voordat u een eventueel wetsvoorstel aan de Kamer zendt?
De tariefverhogingen van Rendac |
|
Jaco Geurts (CDA), Thierry Baudet (FVD), William Moorlag (PvdA), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de kritiek van de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland, de Producentenorganisatie Varkenshouderij en de Nederlandse Melkveehoudersvakbond op de recente verhoging van de tarieven voor het ophalen van kadavers door Rendac?1 2 3
Ja.
Hoe verklaart u de verdubbeling van de tarieven per eenheid dieren in de afgelopen jaren ten opzichte van de tarieven in de periode 2011–2016?
De tarieven worden door Rendac4 berekend op basis van de werkelijke kosten verminderd met de verkoopopbrengsten van eindproducten uit het destructieproces. Belangrijke oorzaken die Rendac heeft aangeven bij de verhogingen in de afgelopen jaren waren:
Hoe verklaart u de verhoging van de tarieven per stop in 2020 ten opzichte van 2018 met 20% (regulier) tot 35% (gepland)?
De belangrijkste oorzaak van de stijging is dat de tarieven voor 2018 gebaseerd waren op 590.000 stops en dat Rendac voor de tarieven voor 2020, mede na overleg met de sectoren en het Ministerie van LNV, is uitgegaan van 500.000 stops. De aanname hierbij is dat er sprake is van een daling in het aantal veehouders ten opzichte van 2018. Door uit te gaan van minder stops moeten bepaalde vaste kosten over een lager aantal stops worden omgeslagen.
In absolute zin is geen sprake van hogere transportkosten. Die zijn over die periode ongeveer gelijk gebleven aan ca. € 11 miljoen per jaar.
Kunt u nader inzicht geven in de onderbouwing van de tarieven voor 2020 en bijbehorende tariefwijzigingen?
De tarieven 2020 zijn door Rendac berekend conform de afspraken die hierover met het Ministerie van LNV zijn gemaakt. De controle of afspraken worden nagekomen vindt plaats door de externe accountant van Rendac en de ADR. Voor de tarieven 2020 heb ik daarnaast ook zelf inzage gekregen in de berekeningen van Rendac en daarbij vastgesteld dat de afspraken zijn nageleefd. De verkregen bedrijfsvertrouwelijke informatie kan ik niet delen met derden.
Kunt u een overzicht van de ontwikkeling van de destructietarieven per diercategorie gedurende de jaren 2014 tot en met 2020 aan de Kamer beschikbaar stellen?
De destructietarieven worden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd, in de bijlage vindt u deze voor de periode van 2014 t/m 2020.
Hoe weegt u de tariefverhogingen in het licht van de conclusie uit eerder onderzoek dat Rendac een te hoge ondernemersvergoeding in rekening bracht?4
De hoogte van de ondernemings- of vermogenskostenvergoeding heeft geen invloed gehad op de tariefstijging.
De hoogte ervan is gerelateerd aan de renteontwikkeling van staatsobligaties en een risico-opslag daarop. Aangezien de rente op staatsobligaties de afgelopen jaren flink is gedaald, is daarmee ook het percentage voor de ondernemingsvergoeding navenant lager geworden. In het kader van de huidige actualisatie van de afspraken tussen de Staat en Rendac komt herijking van het vergoedingspercentage ook aan de orde.
Heeft u, zoals aanbevolen door Rebel, sterkere efficiëntieprikkels ingebouwd om ervoor te zorgen dat Rendac werk maakt van het verlagen van kosten? Zo ja, hoe?5
In de bestaande afspraken met Rendac is een efficiëntieprikkel ingebouwd voor de transportkosten. Maar zoals Rebel aangeeft kan een efficiëntieprikkel ook leiden tot hogere winsten voor de ondernemer dan dat het geval zou zijn bij een kostprijsplus model. Dit vraagstuk is één van de elementen van de nieuw te maken afspraken tussen de Staat en Rendac. Van een commercieel bedrijf zoals Rendac wordt verwacht dat het zijn processen efficiënt uitvoert. De wettelijke taken lopen in deze processen mee.
Hoe waardeert u de onvrede van de sectororganisaties over de mate van inzicht in de cijfers die Rendac aanlevert over kosten en opbrengsten?
Ik begrijp deze onvrede. Per slot van rekening moeten de dierhouders de tarieven betalen en hebben ze het gevoel te weinig grip op de totstandkoming te hebben. De sectoren hebben o.a. via de werkgroep kadavertarieven wel de gelegenheid informatie van Rendac te krijgen. In deze werkgroep deelt Rendac gegevens via zogenaamde transparantie indicatoren. Het gaat dan bijvoorbeeld over de verwachte opbrengsten van diermelen en diervetten en de kosten voor transport en verwerking.
De inzet bij de gesprekken die ik momenteel met Rendac voer is om de transparantie van de tariefsopbouw zowel voor LNV als de sectoren te optimaliseren. Hiermee kan ik tegemoet komen aan de wens van de sectoren om een beter inzicht hierin te krijgen.
Op welke wijze geeft u inzicht in de opbrengstcijfers van Rendac?
Ik kan geen inzicht in cijfers van Rendac geven, maar zorg dat de afspraken die met Rendac zijn gemaakt duidelijk zijn en worden gerespecteerd. Wanneer de onderbouwing van door Rendac voorgestelde tarieven in lijn met deze afspraken en uitgangspunten is, dan keur ik deze in principe goed. Hiermee wordt beoogd te borgen dat er niet meer betaald wordt dan nodig en de dienstverlening van Rendac conform is aan het in de regelgeving bepaalde. De cijfers die de ADR of ik ter controle bij Rendac kunnen inzien zijn bedrijfsvertrouwelijk en mogen daarom niet worden gedeeld met derden.
Op welke wijze heeft Rendac de onderbouwing van de tarieven besproken met de veehouderijorganisaties en hobbydierhouders conform de afspraken die in 2014 zijn vastgesteld om de transparantie te bevorderen?
De tarieven worden minimaal tweemaal per jaar door Rendac met de sectoren en mij besproken in de werkgroep kadavertarieven. Dit wordt gedaan aan de hand van zogenaamde «transparantie indicatoren», waarbij de verwachte ontwikkelingen voor het komende jaar worden gepresenteerd. De transparantie indicatoren zijn in nauwe samenwerking met de sectoren bepaald. Sectoren krijgen in de werkgroep kadavertarieven de mogelijkheid kritische vragen te stellen over de door Rendac gehanteerde aannames voor de nieuwe tarieven.
Zo nodig worden aannames, zoals de inschatting van het aantal stops en te verwerken tonnages, aangepast en vervolgens opnieuw doorgerekend door Rendac.
Klopt het dat u richting de landbouworganisaties slechts zeer beperkt inzicht geeft in de onderbouwing van de tarieven? Zo ja, kunt u uitgebreid toelichten waarom meer transparantie gelet op de monopoliepositie van Rendac juridisch niet mogelijk zou zijn?
Zie de antwoorden op de vragen 9 en 10. Ik of de ADR kunnen de landbouworganisaties vanwege de in het antwoord op vraag 9 aangegeven redenen ook geen inzage bieden in de cijfers die zij van Rendac krijgen.
Bent u bereid om te zorgen voor meer transparantie bij het vaststellen van de destructietarieven door sectoren en hobbydierhouders meer en beter inzicht te geven in de kosten en opbrengsten van Rendac? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik voer momenteel het gesprek met Rendac over de actualisatie van de afspraken onder meer met als doel een optimalisatie van de transparantie bij het vaststellen van de destructietarieven.
Klopt de veronderstelling dat de Kamer nog niet is geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg met stakeholders over herinrichting van de destructiemarkt, zoals eerder toegezegd is?6
In de brief die op 26 oktober 2015 door de toenmalige Staatssecretaris van EZ aan uw Kamer is gestuurd staat onder meer dat gegeven de risico’s die gemoeid zijn met het herinrichten van de destructiemarkt, er eerst op basis van de opgestelde rapporten overleg gevoerd zou worden met de verschillende stakeholders en daarna een gewogen besluit genomen zou worden. Op basis van die gesprekken met stakeholders is toen het besluit genomen om deze markt voorlopig niet te liberaliseren. Omdat dit besluit niet heeft geleid tot een aanpassing van de bestaande situatie is uw Kamer daarover destijds niet expliciet nader geïnformeerd.
Wat is de stand van zaken van het overleg met stakeholders over herinrichting van de destructiemarkt?
Zie het antwoord op de vorige vraag. Hierover loopt momenteel geen overleg met de stakeholders. Wel is het plan om binnenkort met de sector het gesprek aan te gaan over de markt voor destructie op de middellange termijn.
Op welke wijze heeft de conclusie uit eerder onderzoek dat Rendac een te hoge ondernemersvergoeding in rekening brengt zijn weerslag gekregen in de overeenkomst tussen het Rijk en Rendac?
Conclusie van het rapport van Rebel (2015) was ook dat herijking van het vergoedingspercentage periodiek maar ook niet te vaak moet plaats vinden. Herijking wordt onderdeel van de nieuwe afspraken die momenteel met Rendac worden gemaakt. Zie ook antwoord op vraag 6.
Wat is, gelet op voorgaande punten, uw inzet in het traject «om de afspraken met Rendac over de te hanteren uitgangspunten bij de toerekening van kosten en opbrengsten, alsmede de te verstrekken informatie, met ingang van 2020 te actualiseren»?7
Ik ben daarover momenteel in gesprek met Rendac. Dit gesprek moet leiden tot nieuwe afspraken tussen de Staat en Rendac. Deze gesprekken zijn vertrouwelijk en het is niet in het belang van de uitkomst, om gedurende de gesprekken daarover nu nadere informatie te geven.
Kunt aangeven in hoeverre in omliggende landen als België en Duitsland de overheid een deel van de destructiekosten voor haar rekening neemt?
In België en in een aantal Duitse deelstaten neemt de overheid een deel van de destructiekosten voor haar rekening.
Hoe waardeert u de oproep van de landbouworganisaties om de tarieven voor 2020 te bevriezen op het niveau van 2019 totdat er meer transparantie is en een nieuwe overeenkomst afgesloten kan worden, en om de kosten voor de sector te plafonneren?
Ik heb de mogelijkheid om de door Rendac voorgestelde tarieven niet goed te keuren indien de tarieven hoger zijn dan noodzakelijk, uitgaande van een redelijke toerekening van totale kosten en opbrengsten. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, is dit niet het geval.
De tarieven behelzen 2 componenten:
Indien de stoptarieven zouden worden bevroren op het niveau van 2019 zou dit betekenen dat Rendac het tekort dat hierdoor ontstaat, mag doorberekenen in de toekomstige tarieven voor 2022. Dit is een ongewenste situatie omdat de aanbieders van kadavers in 2022 zouden moeten opdraaien voor kosten van aanbieders die inmiddels met hun bedrijf gestopt zouden kunnen zijn. Deze optie had niet de voorkeur van alle sectoren.
Om bovengenoemde redenen is niet gekozen voor het bevriezen van de tarieven op het niveau van 2019.
Het bericht ‘Zussen kroongetuige Nabil B. halen uit: ‘Arrestatie Taghi voor ons te laat’’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zussen kroongetuige Nabil B. halen uit: «Arrestatie Taghi voor ons te laat»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat door de zussen van kroongetuige Nabil B. wordt geschetst dat er vooraf aan de getuigenis geen veiligheidsplan was opgesteld om de familie van de kroongetuige zo veilig mogelijk te houden? Zo ja, kunt u een toelichting geven van de gang van zaken? Zo nee, wat was de situatie volgens u wel?
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft toegelicht dat rondom de totstandkoming van de deal met de kroongetuige meerdere gesprekken zijn gevoerd met diverse familieleden aangaande hun beveiliging en veiligheid. Conform eerder gemaakte afspraken met de advocaat van de kroongetuige verliepen de contacten met de familieleden via deze advocaat. Naar aanleiding van deze gesprekken zijn ten aanzien van familieleden die dit wensten, meerdere (verstrekkende) veiligheidsmaatregelen getroffen, dan wel (op eigen verzoek) daartoe middelen verschaft. Niet alle familieleden wilden voor medio maart 2018 in gesprek met het OM, ook niet na aandringen bij de advocaat van de kroongetuige. Nadat medio maart 2018 de processtukken aan de verdediging waren verstrekt, waarin duidelijk werd dat er sprake was van een kroongetuige, heeft op hernieuwd uitdrukkelijk verzoek van het OM alsnog een gesprek plaatsgevonden met enkele van de overige familieleden die daartoe bereid waren en zijn er ook voor hen alsnog veiligheidsmaatregelen getroffen.
Herkent u het beeld dat na de moord op de broer van de kroongetuige geen veiligheidsplan klaar lag om de rest van de familie, met verhoogde urgentie, in veiligheid te brengen? Zo ja, kunt u een toelichting geven van de gang van zaken? Zo nee, wat was de situatie volgens u wel?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 waren door het OM ten aanzien van meerdere familieleden reeds verstrekkende veiligheidsmaatregelen getroffen. Na deze tragische gebeurtenis zijn er in de ontstane en ongekende crisissituatie ten aanzien van alle familieleden noodmaatregelen getroffen ter beveiliging van de familie van de kroongetuige. In de periode hierop volgend heeft het OM met alle familieleden meerdere gesprekken gevoerd om vanuit het noodpakket aan maatregelen in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen te komen tot een bestendige situatie. Vanwege de complexiteit van de beveiligingsopdracht en de samenhang tussen het relatief grote aantal personen is de uitvoering van een aantal veiligheidsmaatregelen niet altijd probleemloos verlopen. OM en politie betreuren dit en beseffen dat dit het vertrouwen van betrokkenen in de getroffen maatregelen onder druk kan zetten. Met betrekking tot de concrete aard en omvang van de genomen maatregelen, kan in het belang van de te beveiligen personen geen nadere mededelingen worden gedaan.
Deelt u de mening dat een gedegen veiligheidsanalyse gereed moet zijn voordat begonnen wordt aan de inzet van een kroongetuige, waarbij de veiligheid van de kroongetuige zelf, maar ook van de familieleden, advocaten en andere direct betrokkenen, en de beveiligingsmaatregelen die daarvoor genomen moeten worden, centraal staan? Zo ja, is dat hier gebeurd? Zo nee, bent u bereid om met betrokken partijen tot afspraken te komen zodat dit in de toekomst wel altijd gebeurt?
Veiligheidsmaatregelen worden genomen op basis van dreiging en risico. Vanzelfsprekend heeft dit de hoogste aandacht; beveiligingsprofessionals maken continu nieuwe analyses van de dreiging. In een aantal gevallen kunnen (nadere) analyses – vanwege de vertrouwelijkheid – pas worden uitgevoerd nadat de dealovereenkomst met de kroongetuige is gesloten. In nauwe afstemming met de betrokkenen bepaalt het OM op basis van een inschatting wat nodig en in de desbetreffende situatie mogelijk is om de risico’s te beheersen. Over de concrete veiligheidsmaatregelen in een individuele casus kunnen geen uitspraken worden gedaan. Dit zou ten koste gaan van de veiligheid van deze personen en de professionals die met hun beveiliging zijn belast.
Kunt u, los van deze casus, beschrijven welke stappen in het kader van veiligheid genomen worden bij het starten van een kroongetuigendeal? In hoeverre wordt de veiligheidssituatie van familieleden en andere betrokkenen in kaart gebracht en hoe wordt hierop gehandeld?
Het is bij het OM staande praktijk dat, voordat met een kroongetuige een overeenkomst wordt gesloten in het kader van getuigenbescherming, per situatie bekeken wordt of bescherming nodig is voor de kroongetuige, familie en andere aan de kroongetuige gelieerde personen en zo ja, voor wie en in welke mate. De veiligheid van alle betrokkenen wordt steeds zo goed mogelijk gewaarborgd binnen de kaders die betrokkenen, mede vanwege de impact die veiligheidsmaatregelen op hun privé en/of maatschappelijk leven kunnen hebben, zelf aangeven. Daarbij wordt scherp gekeken naar de voor iedere situatie afzonderlijk meest geschikte beveiligingsconcepten. Zo wordt steeds getracht voor alle betrokken personen de optimale situatie te bereiken. Welke veiligheidsmaatregelen (moeten) worden getroffen is altijd een afweging tussen dreiging en risico (voor de te beveiligen persoon, diens omgeving en derden) en proportionaliteit van de veiligheidsmaatregelen.
Deelt u de mening dat de inzet van kroongetuigen een hele belangrijke factor kan zijn bij het oprollen van criminele netwerken en dat de regeling geprofessionaliseerd moet worden door onder andere vooraf integrale veiligheidsanalyses te maken en ervoor zorg te dragen dat alle benodigde stappen genomen worden om betrokkenen, dus de kroongetuige, maar ook diens familie, advocaten en anderen, zoveel mogelijk veiligheid te bieden? Zo ja, welke stappen zijn hiervoor extra nodig en hoe gaat u deze vormgeven? Zo nee, waarom niet?
De inzet van kroongetuigen is onmisbaar bij de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Belangrijke voorwaarde voor de inzet van kroongetuigen is het treffen van adequate veiligheidsmaatregelen voor de getuige en diens omgeving. Met de kroongetuigenregeling en het getuigenbeschermingsprogramma beschikken OM en politie over de instrumenten waarbinnen deze maatregelen kunnen worden getroffen. Voor personen die een bijdrage leveren aan of betrokken zijn bij (de inzet van) kroongetuigen, kunnen daarnaast maatregelen getroffen worden vanuit het stelsel Bewaken en Beveiligen. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer over de aanpak van ondermijning van 24 april jl.2 heb geschreven, is het van belang zowel de getuigenbescherming als het stelsel Bewaken & Beveiligen meer toekomstbestendig te maken. Hiertoe doet het kabinet een structurele investering van 55 miljoen euro, waarmee onder andere wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van de informatieanalyse en advisering over maatregelen en in de uitvoering van de maatregelen.
Bent u bereid om de kroongetuigenregeling zo aan te passen dat het verder geprofessionaliseerd wordt, en hierbij de lessen mee te nemen die we van de Italiaanse anti-maffia aanpak kunnen leren, met daarbij in het bijzonder de Italiaanse geprofessionaliseerde kroongetuigen, ooggetuigen en spijtoptangen-regelingen? Zo ja, kunt u de Kamer in het derde kwartaal van dit jaar, of zo mogelijk eerder, over deze analyse en de voorgestelde aanpassingen informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld, laatstelijk in de voortgangsbrief over de aanpak van georganiseerde criminaliteit d.d. 11 november 20193, heb ik een werkgroep ingesteld die de mogelijkheden verkent tot verruiming van de regeling omtrent toezeggingen aan getuigen. Deze verruiming heeft tot doel het instrument van de kroongetuige effectiever in te kunnen zetten bij de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Bij het vormgeven van deze verruiming wordt onder andere lering getrokken uit de regelingen en ervaringen in het buitenland, waaronder Italië. In verbinding met de verruiming bij de toezeggingen aan kroongetuigen wordt ook gekeken naar de mogelijkheden binnen het getuigenbeschermingsprogramma. Ik ben voornemens uw Kamer uiterlijk na de zomer, dus in het derde kwartaal van dit jaar, over de voorgenomen verruiming te informeren.
Modeketens die de kosten van de coronacrisis afwentelen op kledingfabrieken in Azië |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «C&A laat kledingfabriek zitten met 10 miljoen dollar aan onbetaalde kleding»?1
Ja.
Kunt u het bericht van de BGMEA, de brancheorganisatie van kledingfabrikanten in Bangladesh, staven dat inmiddels voor 163 miljoen dollar aan orders voor kleding is teruggetrokken?
Volgens de BGMEA is het totaal van alle teruggetrokken orders USD 3,18 miljard (stand 2 mei jl.).
Kunt u bevestigen of het klopt dat Nederlandse kledingketen C&A voor 10,32 miljoen dollar aan bestellingen in Bangladesh heeft teruggetrokken? Zo nee, bent u bereid hier navraag naar te doen bij C&A?
Er is navraag gedaan bij C&A. Het bedrijf geeft aan dat alle reeds geproduceerde orders worden betaald en alle orders die reeds verscheept zijn worden afgenomen, ook als dit betekent dat de producten moeten worden opgeslagen tot verkoop in de toekomst. C&A geeft aan dat ongeveer 7% van de orders is uitgesteld. Het bedrijf is met haar productiepartners en de BGMEA in gesprek om deze resterende orders opnieuw te plaatsen of te vervangen.
Bent u bekend met het terugtrekken van orders door andere in Nederland gevestigde modeketens? Zo ja, kunt u een schatting maken van de financiële omvang? Welke modeketens betreft het?
Ja, het is bekend dat dit gebeurt, ook bij bedrijven die partij zijn bij het IMVO-convenant van de kleding en textielsector. Deze praktijk is wijd verspreid. Volgens recent onderzoek van McKinsey2 verwachten internationale modeketens komend half jaar dat meer dan de helft van hun leveranciers in financieel zwaar weer zal verkeren. Er is geen uitsluitsel te geven over de financiële omvang, of welke bedrijven dit betreft in Nederland. Dat vergt specifiek onderzoek dat nu niet voorhanden is. Het secretariaat van het textielconvenant monitort het toepassen van verantwoorde inkooppraktijken tijdens de COVID-19 crisis als onderdeel van de jaarlijkse due diligence beoordeling. Deze vindt plaats in de tweede helft van 2020.
Is het intrekken van orders, zoals dat momenteel gebeurt bij kledingfabrieken in Bangladesh, juridisch deugdelijk?
Dat hangt af van de contractuele bepalingen tussen leverancier en afnemer. De indruk bestaat dat er in de onderhandelingen tussen modemerken en kledingfabrieken ruimte is geweest voor contractuele bepalingen die in de huidige COVID-19 crisis nadelig uitpakken voor partijen dieper in de productieketen. Voorbeelden hiervan zijn de overmachtbepalingen in overeenkomsten waarmee inkopers hun orders kunnen annuleren indien bepaalde situaties zich voordoen.
Kunt u een analyse geven van het risico dat door het intrekken en annuleren van orders fabriekspersoneel in Azië niet langer betaald worden, en de consequenties daarvan voor deze mensen ten tijde van de coronapandemie?
Het risico dat het intrekken en annuleren van orders leidt tot het ontslag van fabriekspersoneel is aanzienlijk. De impact van ontslag kan groot zijn: het is mogelijk dat alleen al in Bangladesh honderdduizenden mensen hun baan verliezen en dat zal ook de families die zij onderhouden treffen. Het risico bestaat, dat een lokale fabriek niet in staat is om lonen uit te keren, bijvoorbeeld door liquiditeitstekort of faillissement. In bijvoorbeeld Bangladesh komen de exportopbrengsten voor 84% uit textiel. In de sector zijn zo’n 4 miljoen mensen werkzaam. De meeste textielarbeiders zijn laagopgeleid en kunnen geen aanspraak maken op een sociaal vangnet. De overheid van Bangladesh heeft diverse steunpakketten aangekondigd, onder andere gericht op het uitbetalen van uitstaande salarissen.
Het eerder genoemde onderzoek van McKinsey geeft aan dat in de komende zes maanden bij aanhouden van de corona crisis de helft van de producenten wereldwijd in de financiële problemen kan gaan komen. Dit zal grote sociale gevolgen hebben.
De meeste werknemers in deze sector worden geconfronteerd met een dubbele bedreiging, zowel voor hun inkomen als voor hun gezondheid. Fabrieken worden geconfronteerd met gedwongen sluitingen door overheden, en met gedrag van inkopende merken die zelf onder druk staan vanwege de weggevallen consumentenvraag. In veel landen ontbreken sociale vangnetten. En als er wel sociale zekerheidsrechten bestaan, ontbreken vaak de middelen om die rechten te effectueren.
Diverse organisaties die ook door de Nederlandse overheid gesteund worden hebben uitgebreide analyses van dit probleem gemaakt. Zo kan ik u verwijzen naar de analyse3 van de FairWear Foundation van de consequenties van COVID-19 en een brede analyse4 van de ILO van de sociaaleconomische gevolgen van de COVID-19 crisis voor allerlei sectoren. De kledingfabrieken vallen onder de maakindustrie (manufacturing).
Is het intrekken van reeds geplaatste orders, met waarschijnlijk tot gevolg dat fabriekspersoneel in Bangladesh niet meer zal worden betaald, in uw ogen in lijn met de UN Guiding Principles en richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in het kader van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen, daarbij mede in acht nemend dat deze modeketens vaak jarenlang winst hebben gemaakt door gebruik te maken van deze schandalig onderbetaalde mensen?
De COVID-19 crisis heeft de textielsector overvallen. Het is begrijpelijk dat modemerken zich in eerste instantie vooral richtten op het overleven van het eigen bedrijf. Echter, ketenverantwoordelijkheid heeft juist ook in deze tijd betekenis. Het kabinet verwacht van in Nederland gevestigde modebedrijven dat zij de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen (OESO-richtlijnen) naleven.
Met waardering heb ik kennis genomen van de Gezamenlijke Verklaring van multistakeholder-initiatieven5, waaronder Fair Wear Foundation en het Nederlandse convenant Duurzame kleding- en textiel, en de Global Call for Action van de ILO over een verantwoorde aanpak van de COVID-19 crisis in de gehele productieketen van de textielsector.6 Goede inkooppraktijken zijn een cruciaal onderdeel van beide verklaringen, die zodoende een invulling geven aan de OESO-richtlijnen ten tijde van COVID-19.
Bent u bereid om op korte termijn in Nederland gevestigde modeketens aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de gehele productieketen, dus ook de fabrieken waar hun kleding wordt gemaakt?
Het intrekken van reeds geplaatste orders is onwenselijk. Ik roep bedrijven dan ook op om de impact te beperken door zich verantwoordelijk op te stellen in hun keten. Ik heb dit reeds aan de orde gesteld in gesprek met de brancheorganisaties en tijdens een bijeenkomst van deze brancheorganisaties over verantwoord inkopen op 14 mei jl.
Bedrijven kunnen zich verantwoordelijk opstellen door zich te houden aan betalingsafspraken, bestellingen die al onderweg naar levering zijn niet te annuleren, in gesprek te blijven met toeleveranciers over wat zij nodig hebben en desnoods te kijken of bestellingen doorgeschoven kunnen worden. Ook zijn er bedrijven die verder gaan, bijvoorbeeld door vervroegde betaling en cash flow oplossingen te bieden aan de meest kwetsbare toeleveranciers in de keten. Er zijn voorbeelden van bedrijven die een fonds voor arbeiders aan het einde van de keten opzetten zodat hun salaris doorbetaald wordt ondanks het wegvallen van orders en/of quarantaine maatregelen. Verder roep ik de in Nederland gevestigde modebedrijven op in hun consumenteninformatie over COVID-19 ook de aanpak van het bedrijf ten aanzien van hun verantwoordelijkheid in de keten te vermelden.
Daarnaast pleit ik voor lange termijn oplossingen voor ketenverduurzaming en internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) om ook eventuele toekomstige crises het hoofd te kunnen bieden en de sector naar een beter «normaal» te brengen. Door in te zetten op leefbaar loon en sociale zekerheid in gehele ketens wil ik toewerken naar duurzame inkooppraktijken in niet alleen de kledingindustrie, maar alle sectoren.
De Covid-19 pandemie zal op de middellange termijn mogelijk consequenties gaan hebben voor het algemene consumptiepatroon, ook voor de aanschaf van kleding en textiel. Automatisering van de productie in combinatie met minder, maar onder betere sociale en milieuvoorwaarden geproduceerde producten, kunnen de textielproductie ingrijpend beïnvloeden. Het kabinet wil zich samen met de sector blijven inzetten voor de transitie naar een duurzame textielsector, zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 14 april jl. over circulair textiel (Kamerstuk 32 852, nr. 116).
Bent u bereid, indien het bericht van BGMEA klopt dat in Nederland gevestigde modeketens als H&M en Inditex juist het goede voorbeeld geven, hen daarin publiekelijk te ondersteunen als goede voorbeelden en te prijzen om hun aanpak?
In het bovenstaande geef ik mijn opvatting weer over goede inkooppraktijken en ketenverduurzaming. Ieder bedrijf dat hieraan voldoet wil ik complimenteren.
Het bericht ‘Europees Parlement pleit voor een noodfonds voor overzeese gebieden’ |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees parlement pleit voor een noodfonds voor overzeese gebieden»?1
Ja, daar is het kabinet mee bekend.
Bent u op de hoogte van het feit dat op 17 april 2020 de resolutie met betrekking tot een exceptioneel noodfonds voor Overzeese Landen en Gebieden van de Europese Unie is aangenomen?
Ja, het kabinet is op de hoogte van het feit dat het Europees parlement op 17 april 2020 een resolutie heeft aangenomen met betrekking tot de aanpak van COVID-19 binnen en buiten de Europese Unie. In artikel 35 van deze resolutie wordt opgeroepen tot de oprichting van een exceptioneel noodfonds, waartoe Overzeese Landen en Gebieden van de Europese Unie en Ultraperifere Gebieden toegang zouden moeten krijgen.
Heeft u namens het Caribisch deel van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten en Caribisch Nederland, te weten Bonaire, Sint Eustatius en Saba) reeds een verzoek ingediend? Zo ja, op basis van welke kenmerken is dit verzoek ingediend? Zo nee, wanneer vindt verzoek dit plaats?
Genoemde resolutie, op 17 april jl. aangenomen door het Europees parlement, bevat de oproep tot het in het leven roepen van een exceptioneel noodfonds voor Overzeese Landen en Gebieden van de Europese Unie. De Europese Commissie (de Commissie) heeft tot op heden geen gevolg gegeven aan deze oproep. Een dergelijk noodfonds is dus voor nu (nog) non-existent.
Los van een noodfonds heeft de Commissie wel besloten tot enkele initiatieven om de Landen en Gebieden Overzee (LGO), waaronder de landen en eilanden die deel uitmaken van het Koninkrijk, financieel te ondersteunen in de strijd tegen Covid-19. Dit uit zich vooralsnog in het herschikken van bestaande fondsen.
Zo heeft de Commissie € 10 mln. aan middelen vrijgemaakt voor hulp aan de twaalf Caribische LGO’s2. Deze middelen zijn afkomstig uit een al bestaand regionaal programma onder het LGO-fonds uit het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in het kader van duurzaamheid en marine biodiversiteit, genaamd RESEMBID (Resilience, Sustainable Energy and Marine Biodiversity Programme). Bij de implementatie van dit programma zijn nog niet alle beschikbare middelen ingezet, waardoor de Commissie heeft kunnen besluiten deze middelen beschikbaar te stellen in het kader van Covid-19. Dit heeft geleid tot de totstandkoming van het «RESEMBID COVID-19 Resilience Response Facility». Dit fonds is toegankelijk via een «fast-track procedure».
Een tweede mogelijkheid doet zich voor in de vorm van de B-enveloppe onder het LGO-fonds. Bij onvoorziene omstandigheden kan op de middelen in deze enveloppe een beroep worden gedaan. Momenteel bevat de B-enveloppe nog ongeveer € 6,4 mln. De LGO kunnen ook deze middelen aanspreken in het kader van de Covid-19 crisis. Ten slotte werkt de Commissie momenteel een pakket aan maatregelen betreffende steun aan derde landen uit. Dit levert mogelijk aanknopingspunten op voor financiële steun aan de LGO, bijvoorbeeld middels indirecte steun via regionale en internationale organisaties. Dit pakket is nog niet definitief.
In samenwerking met de Vertegenwoordiging van Nederland in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, de Rijksvertegenwoordiger en de landen en eilanden binnen het Koninkrijk spant het kabinet zich in om, naar inzicht van elk land en eiland, de toegang tot beschreven middelen te faciliteren.
Weet u reeds voor welk bedrag u namens het Caribisch deel van het Koninkrijk een beroep wilt doen op het Europese noodfonds?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre kan u de reeds in kaart gebrachte schade voor het Caribisch deel van het Koninkrijk vertalen naar een adequate en goed onderbouwde aanvraag van gelden uit het noodfonds?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u in kaart gebracht op welke wijze de allocatie van deze bedragen uit het noodfonds aan het Caribisch deel van het Koninkrijk op een proportionele wijze kan worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze wordt het fonds gewaarmerkt, zodat de gelden vanuit dit noodfonds op juiste wijze ingezet wordt?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre kan op zeer korte termijn een procedure worden gestart voor een eenvoudige én juiste verwerking en terbeschikkingstelling van de beschikbare gelden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u op de hoogte van het gegeven dat niet-gouvernementele organisaties (ngo's) in het Caribisch deel van het Koninkrijk ook gebruik zouden kunnen maken van het noodfonds?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u in kaart welke ngo’s in het Caribisch deel van het Koninkrijk gebruik zouden kunnen maken van de beschikbare gelden uit het noodfonds?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke termijn informeert u de Kamer over de door u te nemen acties met betrekking tot dit noodfonds?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig als mogelijk beantwoorden?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Studenten protesteren tegen tentamensoftware die beelden van hun huiskamer opslaat’ |
|
Kees Verhoeven (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel »Studenten protesteren tegen tentamensoftware die beelden van hun huiskamer opslaat»?1
Ja.
Welke hogescholen en universiteiten maken op dit moment gebruik van software voor online tentamens, waarbij videobeelden van de student of van het computerscherm worden opgeslagen?
De Vereniging Hogescholen (VH) geeft desgevraagd aan dat bijna alle hogescholen op verschillende manieren in pilotvorm testen met proctoring. In een recent gepubliceerd white paper duidt SURF deze verschillende wijzen van proctoring in «niveaus»2. Een tweetal hogescholen (Avans en Hogeschool Leiden) heeft aangegeven geen gebruik te maken van surveillance-software. Ook de kunsthogescholen maken, gezien de aard van het onderwijs, nauwelijks gebruik van proctoring.
De Vereniging van Universiteiten (VSNU) geeft desgevraagd aan dat de Maastricht University, de Universiteit Utrecht en de Open Universiteit geen gebruikmaken van software voor online tentamens. Bij de overige universiteiten gebeurt dit, al dan niet in pilotvorm, op verschillende manieren en schaalgrootte wel.
Van welke softwareaanbieder(s) maken de betreffende onderwijsinstellingen gebruik? Kunt u daarbij aangeven of dat Amerikaanse of Europese zogeheten «proctorbedrijven» zijn?
De onderwijsinstellingen maken gebruik van de softwareaanbieders ProctorExam, Proctorio en Remote Proctor Now. ProctorExam is een Nederlands bedrijf waarvan de data in Duitsland worden verwerkt. Proctorio en Remote Proctor Now zijn bedrijven uit de Verenigde Staten met vestigingen en datacentra in de Europese Unie.
Verzoeken de betreffende proctorbedrijven toestemming aan de student of die zijn persoonsgegevens, zoals videobeelden van diens gezicht, mogen opslaan? Voldoen zij verder aan de vereiste van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)?
Het is aan de onderwijsinstellingen om de studenten goed te informeren over het gebruik en de werking van de proctoring software, bijvoorbeeld middels een privacyverklaring. Een student kan ervoor kiezen niet aan deze tentamenvorm deel te nemen, zoals ik ook toelicht in mijn antwoord op vraag 8.
In mijn antwoord op de schriftelijke vragen van uw collega Futselaar (SP) gaf ik reeds het volgende aan. Bij het gebruik van online proctoring verwerken onderwijsinstellingen (beeld, geluid en andere) gegevens van studenten. Op deze verwerkingen van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. De AVG verplicht – kort gezegd – om persoonsgegevens op een behoorlijke en rechtmatige wijze te verwerken. Deze verantwoordelijkheid rust in dit geval op de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling moet kunnen aantonen dat de wijze waarop deze online proctoring toepast bij het afnemen van toetsen, in lijn is met de verplichtingen uit de AVG, in het bijzonder met de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking, juistheid, opslagbeperking en integriteit en vertrouwelijkheid. De Autoriteit persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van de AVG. Bovendien kondigde de AP recent aan na te gaan of onderwijsinstellingen «voldoende werk maken van het beschermen van de privacy van hun leerlingen of studenten. Zij moeten aantonen hoe zij dit doen.»
Hogeronderwijsinstellingen geven aan dat de gekozen software en haar leveranciers voldoen aan de AVG. Zo worden de persoonsgegevens die de proctoring software verzamelt enkel gebruikt voor het opsporen van mogelijke fraude tijdens een tentamen. Studenten worden voorgelicht over het gebruik en de werking van de proctoring software. De persoonsgegevens zullen niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk. De instelling verzorgt in bijzondere gevallen alternatieven voor studenten die daar voor in aanmerking komen. Bijvoorbeeld wanneer de student niet kan beschikken over de benodigde ICT-middelen.
De ICT-coöperatie van de hogeronderwijsinstellingen SURF heeft een whitepaper, zoals genoemd in de beantwoording van vraag 2, gepubliceerd. Deze publicatie is een belangrijke handleiding voor de instellingen om proctoring conform de AVG in te kunnen zetten.
Begrijpt u de angst van studenten dat de proctorbedrijven de opgeslagen gegevens niet verwijderen en mogelijk voor andere doeleinden gebruiken of doorverkopen?
Die angst kan ik mij goed voorstellen. Het is aan de onderwijsinstellingen om die angst weg te nemen door aan te tonen dat het gebruik van de software voldoet aan de AVG en dat er goede afspraken met de proctorbedrijven zijn gemaakt die de privacyrechten van studenten borgen. Onderwijsinstellingen nemen die verantwoordelijkheid. Zie ook mijn antwoord bij vraag 4.
Mag een onderwijsinstelling voor deelname aan onderwijs of tentaminering de student vragen om aanvullende of bijzondere persoonsgegevens te verstrekken?
In mijn antwoord op de schriftelijke vragen van uw collega Futselaar (SP) over dit thema gaf ik reeds het volgende aan.
Net als bij de reguliere afname van tentamens zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals gegevens over religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging of gezondheid af te leiden aan uiterlijke kenmerken. De webcam is gericht op de student in zijn persoonlijke leefomgeving waaruit deze bijzondere persoonsgegevens te herleiden kunnen zijn. Dit vergt een gedegen voorlichting door de onderwijsinstelling aan de student om de bewustwording te vergroten en de kans op het zien en tijdelijk opslaan van deze bijzondere persoonsgegevens te verkleinen. Als studenten niet willen dat dergelijke gegevens uit de beelden afgeleid kunnen worden, kunnen ze, voor zover mogelijk, zorgen dat de uiterlijke kenmerken die daartoe aanleiding geven niet in beeld zijn. Ook staat het hen vrij ervoor te kiezen niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering.
Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is in beginsel verboden. Het verwerken van deze persoonsgegevens is slechts toegestaan in de gevallen die AVG noemt. De AP kwalificeert camerabeelden echter niet als bijzondere persoonsgegevens indien (1) het doeleinde van de verwerking niet gericht is op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens dan wel op het onderscheid maken op grond van een bijzonder persoonsgegeven, (2) het voor de verantwoordelijke redelijkerwijs niet voorzienbaar is dat de verwerking zal leiden tot het maken van onderscheid op grond van een bijzonder persoonsgegeven, en (3) de verwerking van die bijzondere persoonsgegevens onvermijdelijk is bij die verwerking.
Mag een onderwijsinstelling een student van onderwijs of tentaminering uitsluiten als die geen toestemming verleent om aanvullende of bijzondere persoonsgegevens te verstrekken?
Proctoring wordt ingezet als er geen andere geschikte vormen van toetsing voor handen zijn. Dit geldt met name voor tentamens die zijn gericht op het toetsen van kennis. In veel gevallen zijn deze kennistoetsen gebaseerd op een digitaal systeem zoals een databank van tentamenvragen. Dit type tentaminering is fraudegevoelig. Proctoring is hiervoor een belangrijke oplossing.
Een onderwijsinstelling moet een alternatieve vorm van toetsing aanbieden als een student ervoor kiest niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering. Alternatieve vormen van toetsing zoals digitale toetsing op de campus met behulp van menselijke surveillance, kunnen door de coronacrisis op dit moment niet plaatsvinden. Hierdoor kunnen onderwijsinstellingen niet uitsluiten dat er studievertraging optreedt bij de keuze voor een alternatieve vorm van tentaminering.
Deelt u de opvatting dat studenten nu geen eerlijke afweging kunnen maken bij het gebruiken van deze software, aangezien studenten immers aangeven koste wat kost hun vakken te willen halen om geen studievertraging oplopen en zij zich gedwongen voelen om in te stemmen met de gestelde voorwaarden en deze software te accepteren?
Naast online proctoring bieden de onderwijsinstelling andere, minder ingrijpende, toetsvormen aan zoals openboektentamens en inleveropdrachten. In bepaalde gevallen is geen alternatieve toetsvorm mogelijk. In die gevallen wordt online proctoring ingezet om studenten geen studievertraging te laten oplopen. Daarbij voorziet de onderwijsinstelling in bijzondere gevallen in een alternatief voor studenten die daarvoor in aanmerking komen. Studenten die geen gebruik willen maken van online proctoring kunnen er ook voor kiezen te wachten tot de beperkende maatregelen van de Covid-19 crisis zijn opgeheven en fysieke toetsing weer mogelijk is.
Bent u bereid om in uw overleg met de onderwijskoepels en studentenorganisaties adequate bescherming van de privacy van studenten – ook in crisistijd – aan de orde te stellen, waarbij studenten de suggestie doen om te werken met open boek examens, alternatieve opdrachten of het schrijven van essays?
In mijn regelmatige overleg met onderwijskoepels en studentvertegenwoordigers spreken wij over het voorkomen van studievertraging en de privacy van studenten. Voor de instelling is de bescherming van privacy van studenten, ook in crisistijd, essentieel. De instellingen maken gebruik van diverse toetsvormen, waaronder de door u genoemde vormen. Echter, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 7 en 8, is de inzet van online proctoring in bepaalde gevallen de enige geschikte toetsvorm.
Bent u bereid te onderzoeken of het desnoods mogelijk is om hogescholen en universiteiten in de rest van het academisch jaar alleen voor tentaminering beperkt te openen, of als alternatief voor tentaminering door middel van proctoring?
Samen met de onderwijsinstellingen onderzoeken we maatregelen om het onderwijs en de examinering zo veel mogelijk doorgang te laten vinden, binnen de grenzen van wat gegeven de crisis veilig kan worden geacht. In het geval van deze specifieke tentamens gaat het vaak om grote groepen studenten, wat een groot beslag legt op het openbaar vervoer. Daarom laat het kabinet de ministeries OCW en IenW nu samen verkennen of en onder welke voorwaarden er een lichte versoepeling van maatregelen voor het hoger onderwijs kan komen, zodat tentaminering, voor zover dat online niet afdoende kan, weer op de instelling zou kunnen plaatsvinden.
Het bericht dat arbeidsmigranten met hun baan ook hun bed kwijt raken |
|
Jasper van Dijk (SP), Eppo Bruins (CU) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Werk kwijt, slaapplaats kwijt»?1
Het kabinet doet nadrukkelijk een oproep aan bedrijven om werknemers niet te ontslaan, maar in dienst te houden en gebruik te maken van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW). De NOW-regeling stimuleert werkgevers om hun personeel in dienst te houden. De NOW is ook van toepassing op de loonkosten voor werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft. Denk bijvoorbeeld aan werknemers met een oproepcontract of een flexibel contract, mits zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode. Werkgevers kunnen dus ook werknemers met flexibele contracten met behulp van de tegemoetkoming in de loonkosten in dienst houden. Ditzelfde geldt voor uitzendbureaus die uitzendkrachten in dienst hebben en houden. Indien een werkgever wel de arbeidsmigrant ontslaat, vraagt het kabinet de werkgever om hier de verantwoordelijkheid voor te nemen en de arbeidsmigrant niet per direct op straat te zetten. Indien iemand acute hulp nodig heeft kunnen gemeenten onder bepaalde voorwaarden tijdelijk onderdak bieden.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat werknemers 400 euro per maand moeten betalen per persoon per bed, waarbij zij tevens per direct kunnen vertrekken als er even geen werk is?
Ik vind dat iedereen recht heeft op degelijke huisvesting tegen een redelijke prijs. Dit is niet anders wanneer sprake is van een tijdelijk verblijf in Nederland. Ten aanzien van de hoogte van de prijs die arbeidsmigranten betalen voor hun huisvesting mag het geen verdienmodel zijn. Om tegen te gaan dat huisvesting een verdienmodel wordt, is sinds 1 januari 2017 het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon van kracht. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op. Er mag voor huisvesting maximaal 25% ingehouden worden op het wettelijk minimumloon onder strikte voorwaarden, bijvoorbeeld dat de huisvesting gecertificeerd is door de Stichting Normering Flexwonen (SNF) of als het om agrarische bedrijven gaat door het Agrarisch Keurmerk Flexwonen (AKF). In het kader van de aanpak van misstanden bij arbeidsmigranten wordt ook ingezet op het verbeteren van de mogelijkheden van het melden van mistanden, waaronder over huisvesting.
Veel arbeidsmigranten komen naar Nederland met een zogenoemde «package deal». Dit houdt in dat de werkgever, veelal een uitzendbureau, een totaalpakket van werk, woning en vervoer aanbiedt. Dit kan voordelen bieden, mede vanwege de krapte op de woningmarkt. De package deal kan echter ook het onwenselijk effect hebben dat arbeidsmigranten kwetsbaar worden voor missstanden. Dat risico is nu tijdens de coronacrisis des te groter. De afhankelijkheidsrelatie tussen de arbeidsmigranten en de werkgever die tevens huisvester is, heeft al langere tijd de aandacht van het kabinet. Zoals in de beantwoording op eerdere Kamervragen is aangegeven en in de Integrale aanpak van misstanden arbeidsmigranten, is het kabinet in gesprek met sociale partners om hiervoor een oplossing te vinden.3
Hiernaast werkt de uitzendbranche aan een kwaliteitscode om de positie van arbeidsmigranten beter te waarborgen. Tot slot is in de cao voor uitzendkrachten de verplichting voor werkgevers om bij uitzetting een redelijke termijn te hanteren opgenomen. Deze is vastgesteld op een termijn van tien dagen wanneer het gaat om een terbeschikkingstelling van 26 weken of langer.
Hoe rijmt u deze meedogenloze praktijk met uw oproep om werknemers niet te ontslaan, maar in dienst te houden en gebruik te maken van de Tijdelijke noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW)?2
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat uw oproep veel arbeidsmigranten niet heeft weten te behoeden voor ontslag? Hoeveel arbeidsmigranten zijn werkloos geworden sinds het uitbreken van de coronacrisis?
Door de coronacrisis is er veel uitval van productie en diensten en daarmee ook van werkgelegenheid. Volgens een onderzoek van de CNV4 van begin april 2020 zijn er veel uitzendkrachten die als gevolg van de crisis hun baan hebben verloren. Ook het CBS5meldt dat het aantal nieuwe WW-uitkeringen in maart gestegen is ten opzichte van februari. Er zijn echter op dit moment geen data beschikbaar op basis waarvan ik concrete uitspraken kan doen over de aantallen arbeidsmigranten die zijn getroffen door de crisis.
Wel is het belangrijk om hierbij te vermelden dat terwijl sommige sectoren een krimp ervaren, er bij andere sectoren zoals de logistiek en de glas- en tuinbouw juist een grote vraag naar personeel bestaat. Voor veel arbeidsmigranten en uitzendkrachten zou dit dus kunnen betekenen dat ze bij een andere werkgever aan de slag kunnen gaan, waar hun inzet op dit moment hard nodig is. Juist in deze onzekere tijd is het belangrijk dat vraag en aanbod elkaar eenvoudig kunnen vinden. Daarom hebben de Ministeries van SZW en OCW in samenwerking met sociale partners, gemeenten, UWV, private intermediairs, SBB en MBO-raad het platform www.NLwerktdoor.nl opgezet om de koppeling tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te bevorderen.
Tot slot, met het oog op de gevolgen van de coronacrisis voor arbeidsmigranten in Nederland, is er een «Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten» in het leven geroepen. Het aanjaagteam zal ervoor zorgen dat alle partijen die betrokken zijn bij arbeidsmigranten gezamenlijk werken aan oplossingen, zodat problemen en knelpunten op dit gebied worden weggenomen. Eén van de concrete opdrachten van het aanjaagteam is om tekorten en overschotten aan arbeidsmigranten in deelsectoren te monitoren en zo nodig arbeidsbemiddeling te stimuleren door aan te haken bij bestaande initiatieven.
Welke waarde heeft de kabinetsafspraak «geen huisuitzettingen tijdens coronacrisis» voor arbeidsmigranten die massaal op straat worden gezet?3
Mede vanwege de urgentie van de woonsituatie van arbeidsmigranten heeft het kabinet op 4 mei 2020 aan uw Kamer bekend gemaakt dat zij het hierboven genoemde «Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten» zal instellen.7 Het doel van het aanjaagteam is drieledig. Het aanjaagteam zal de bescherming van arbeidsmigranten agenderen bij werkgevers, gemeenten en provincies, en partijen op regionaal niveau samenbrengen. Tegelijkertijd zal er gezamenlijk met deze partijen en interdepartementaal worden gezocht naar maatregelen voor de bescherming van arbeidsmigranten op de korte en (middel)lange termijn. Het kan zijn dat dit vraagt om lokale oplossingen, maar ook dat er moet worden gekeken naar landelijk beleid.
Met het instellen van het aanjaagteam kan de huisuitzetting snel worden aangepakt en worden gekeken naar (tijdelijke) directe oplossingen.
Daarnaast heeft het kabinet het met de tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten mogelijk gemaakt dat huurders en verhuurders een tijdelijk huurcontract kunnen verlengen voor een tijdelijke periode tijdens crisis.8
Hoeveel arbeidsmigranten hebben naar schatting hun onderkomen moeten verlaten sinds het uitbreken van deze crisis?
Hierover zijn mij geen gegevens bekend.
Bent u het eens dat huurprijzen van 100 euro per week/per bed schandalig zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u ondernemen om arbeidsmigranten te beschermen tegen dit soort middeleeuwse praktijken, waarbij werknemers een soort lijfeigenen zijn van hun baas?
De afhankelijkheidsrelatie tussen een arbeidsmigrant en een werkgever die tevens huisvester is, heeft al langere tijd onze aandacht. Zoals aangegeven in eerdere Kamervragen en in de Integrale aanpak van misstanden arbeidsmigranten, is het kabinet in gesprek met sociale partners om hiervoor een oplossing te vinden. De diversiteit (in bijvoorbeeld land van herkomst en verblijfsduur) van de groep arbeidsmigranten aan de onderkant van de arbeidsmarkt zorgt er echter voor dat verschillende groepen arbeidsmigranten verschillende behoeftes hebben, ook met betrekking tot huisvesting. Verschillende groepen kunnen daarom niet altijd met dezelfde aanpak worden geholpen.
Het kabinet heeft inmiddels in brede werkgroepbijeenkomsten kansrijke initiatieven geïdentificeerd, gezocht naar oplossingen om misstanden tegen te gaan en besproken hoe deze initiatieven en oplossingen kunnen worden uitgewerkt. Sommige initiatieven, zoals de verbetering van voorlichting aan arbeidsmigranten, worden al gerealiseerd en zullen op betrekkelijk korte termijn nog verder worden uitgewerkt. Zo heeft het kabinet bijvoorbeeld antwoorden op veelgestelde vragen voor arbeidsmigranten in het kader van de coronacrisis in verschillende talen (waaronder Pools, Roemeens, Spaans, Engels, Duits, Turks) verspreid onder werkgever- en werknemersorganisaties, gemeenten, NGO’s en andere betrokkene partijen. Andere oplossingen, zoals de aanpak van malafide bestuurders door middel van een bestuursverbod, vragen meer zorgvuldigheid en tijd.
Tot slot, zoals eerder vermeld is er met het oog op de gevolgen van de coronacrisis voor arbeidsmigranten in Nederland, een «Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten» in het leven geroepen. Het aanjaagteam zal ervoor zorgen dat alle partijen die betrokken zijn bij arbeidsmigranten gezamenlijk werken aan oplossingen, zodat problemen en knelpunten op dit gebied worden weggenomen. Eén van de opdrachten van het aanjaagteam is om op korte termijn voorstellen te doen om de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren zodat ook het risico op coronabesmetting voor arbeidsmigranten afneemt.
Bent u bereid – in lijn met de initiatiefnota Actieplan arbeidsmigratie van de leden Segers en Marijnissen – te realiseren dat «bed en baas» van elkaar gescheiden worden en dat er fatsoenlijke huurprijzen worden gehanteerd? Zo nee, hoe maakt u anders een einde aan deze wantoestanden?4
Ik herken en deel veel van de zorgen die worden geuit in de initiatiefnota «Actieplan Arbeidsmigratie», ook wat betreft de mogelijke afhankelijkheidsrelatie tussen een arbeidsmigrant en een werkgever die tevens huisvester is. Daarom verwijs ik u graag naar mijn reactie op de initiatiefnota10 die op 4 mei 2020 naar uw Kamer is gestuurd, waar ik uitgebreid inga op dit onderwerp.
Het uitblijven van een wet inzake de vaststelling van staatloosheid |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging dat u de Kamer na de zomer van 2019 zou informeren over de voortgang van het voorgenomen wetsvoorstel inzake de vaststelling van staatloosheid?1
Ik heb uw Kamer op 19 juli 2019 geïnformeerd dat al enige tijd wordt gewerkt aan de totstandkoming van een wetsvoorstel over staatloosheid. Anders dan toentertijd werd verwacht, heeft dit er tot op heden nog niet toe geleid dat het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer kan worden ingediend. Ik zal uw Kamer zo spoedig als mogelijk informeren over de verdere stappen in dit wetgevingstraject. De huidige situatie rondom COVID-19 staat in mijn optiek los van dit wetsvoorstel en de positie van staatlozen in Nederland.
Waarom heeft u nog steeds geen wetsvoorstel aan de Kamer voorgelegd?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke termijn denkt u alsnog een wetsvoorstel inzake de vaststelling van staatloosheid aan de Kamer voor te kunnen leggen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het binnen de context van de coronacrisis zo mogelijk nog van nadrukkelijker belang is dat staatlozen een adequate vaststellingsprocedure geboden krijgen, dit met het oog op het al dan niet zekerstellen van een duurzame toekomst in Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met het verhaal van Omid Daqiq, een 30-jarige arts die ondanks zijn opleiding niet mag werken, omdat zijn staatloosheid na 15 jaar in Nederland verbleven te hebben nog steeds niet is vastgesteld?2
Zoals uw Kamer bekend is, kan ik in de beantwoording van Kamervragen niet ingaan op individuele zaken.
Wordt, in afwachting van de in te dienen wet inzake de vaststelling van staatloosheid, gebruik gemaakt van de discretionaire bevoegdheid in individuele gevallen in zaken waarin staatloosheid aannemelijk is maar niet juridisch is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Op 1 mei 2019 is de discretionaire bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgeschaft. Sinds die datum is de hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst gemandateerd om bij een eerste in Nederland ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning te beoordelen of sprake is van een schrijnende situatie. In dat geval kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Van deze bevoegdheid wordt zeer terughoudend gebruik gemaakt. Staatloosheid is op zichzelf geen grond voor rechtmatig verblijf. Deze bevoegdheid kan niet gebruikt worden om situaties van vermeende staatloosheid op te lossen.
Klopt het dat ongedocumenteerden geen vrijwilligerswerk mogen verrichten in ziekenhuizen, ook niet wanneer zij hiervoor aantoonbaar de juiste opleiding beschikken? Zo ja, bent u van mening dat het afwijzen van deze vrijwilligers te billijken is in deze tijd van disproportionele druk op de zorg?
Ja, dat klopt. Het is voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven niet toegestaan te werken, noch om vrijwilligerswerk te doen.
Het Ministerie van VWS ontvangt overigens iedere dag berichten dat mensen willen helpen in deze tijd van de coronacrisis. Dat is hartverwarmend en fijn om te zien. Zo hebben meer dan 20.000 mensen (o.a. gepensioneerde zorgmedewerkers en studenten) zich aangemeld bij www.extrahandenvoordezorg.nl. Deze personen worden waar mogelijk gekoppeld aan zorginstellingen, die behoefte hebben aan extra zorgpersoneel. Ook zien we dat veel instellingen hun voormalige medewerkers hebben aangeschreven, die graag bereid zijn om weer in de zorg bij te springen. Hiermee is gelukkig al heel veel tijdelijke hulp voor zorginstellingen die daar behoefte aan hebben, beschikbaar gekomen.
Europese aanbesteding van medische apparatuur en hulpmiddelen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mondkapjes en gezichtsmaskers in aantocht via EU-aanbesteding»1?
Ja.
Op welke beschermingsmiddelen en voor welke aantallen heeft Nederland zich ingeschreven, welke aantallen zijn of worden van elk van deze beschermingsmiddelen geleverd?
Nog steeds is sprake van mondiale schaarste op het gebied van persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarom is de Europese Commissie (EC) een gezamenlijke aanbestedingsprocedure voor o.a. beschermingsmiddelen gestart.
Op dit moment lopen vier Joint Procurements (Europese aanbestedingen): twee procedures voor persoonlijke beschermingsmiddelen, één voor beademingsapparatuur en één voor laboratoriumapparatuur en materiaal. Nederland heeft zich voor alle procedures ingeschreven. Voor drie van de vier aanbestedingen zijn inmiddels raamwerkovereenkomsten getekend door de EC met bedrijven. Lidstaten die zich hadden ingeschreven voor de aanbestedingen kunnen daarmee handschoenen, beschermende kleding, oog- en mondbescherming (zoals mondmaskers) en beademingsapparatuur gaan bestellen bij de fabrikanten.
De inzet van de lidstaten op de verschillende aanbestedingsprocedures is vertrouwelijk. Een té hoge inzet per lidstaat op een aanbestedingsprocedure, kan de kansen op een succesvolle aanbesteding aanzienlijk verkleinen. De eerste aanbestedingsronde voor persoonlijke beschermingsmateriaal (brillen en mondmaskers) was bijvoorbeeld niet succesvol (want geen enkel bedrijf had zich ingeschreven). Nederland ziet deze Joint Procurements als aanvullend op de nationale inspanningen om beschermingsmiddelen voor de Nederlandse zorg te krijgen en niet als vervangend. Op nationaal niveau zijn via het Landelijk Consortium Hulpmiddelen grote volumes persoonlijke beschermingsmiddelen ingekocht.
Het feit dat een lidstaat zich met een bepaalde inzet heeft ingeschreven voor een aanbestedingsprocedure, betekent overigens niet dat een lidstaat de inzet ook volledig kan bestellen of daadwerkelijk geleverd krijgt. Bij de Europese aanbestedingsprocedures loopt de EC tegen vergelijkbare problematiek aan als de individuele lidstaten die persoonlijke beschermingsmiddelen en andere hulpmiddelen proberen in te kopen. Voorbeelden hiervan zijn de schaarste van de middelen, lange levertijden en de noodzaak tot aanvullende controle op kwaliteit van beschermingsmiddelen die niet uit Europa komen.
Op dit moment wordt vanuit Nederland geïnventariseerd welke producten uit de geslaagde Europese aanbestedingsprocedures wél besteld en geleverd kunnen worden. Uit de inventarisatie blijkt dat helaas geen enkel product op korte termijn geleverd kan worden. Bij de beademingsapparatuur heeft het bedrijf, die de Europese aanbestedingsprocedure heeft gewonnen, bijvoorbeeld aangegeven dat de levertijd tot 52 weken kan oplopen. Handschoenen kunnen – vanwege de toegenomen mondiale vraag – de komende maanden helemaal niet meer besteld worden bij het betreffende bedrijf. Ook een eerste (deel)levering van mogelijk te bestellen mondmaskers kan niet voor juni plaatsvinden. Tot nu toe heeft Nederland dus nog geen producten besteld of geleverd gekregen vanuit de verschillende Europese aanbestedingsprocedures.
Wanneer is deze Europese aanbesteding van start gegaan? Sinds wanneer heeft Nederland zich aangesloten bij dit EU-initiatief?
De inschrijving van de eerste Europese aanbesteding voor persoonlijk beschermingsmateriaal is op 28 februari 2020 geopend. Nederland heeft zich daarvoor ingeschreven.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de gezamenlijke aanbesteding? Worden de producten op korte termijn geleverd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten welke aanbestedingen Nederland heeft geplaatst in het kader van deze gezamenlijke aanbesteding? Kunt u een toelichting geven over het type beschermingsmiddelen, hulpmiddelen en uitrusting en de bedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Welk deel van de Nederlandse inkoop is afkomstig van de gezamenlijke aanbesteding met andere EU-lidstaten?
Zie antwoord vraag 2.
Participeert Nederland in de aanleg van de zogeheten rescEU-voorraad, waartoe op 19 maart 2020 door de Europese Commissie is besloten? Zo ja, op welke manier draagt Nederland daaraan bij? Om welke producten en over welke bedragen gaat het? Zo ja, wat is de stand van zaken met betrekking tot deze bijdragen?
Sinds het besluit van 20 maart jl. kunnen lidstaten zich bij de EC aanmelden om voorraden van bijvoorbeeld beschermend materiaal en voorraad voor laboratoria te (laten) ontwikkelen op hun grondgebied en deze te beheren voor de EC. Dit betreft het zogenaamde rescEU stockpiling. Op dit moment zouden 14 lidstaten zich bij de Commissie hebben aangemeld. Ook Nederland overweegt dit. De kosten worden geheel gefinancierd uit het budget voor het Union Civil Protection Mechanism (UCPM). Onder rescEU medical stockpiling vallen: persoonlijke beschermingsmiddelen, laboratorium en intensive care middelen, ontwikkelen van vaccins en andere therapeutics. Daarnaast behoren het per vliegtuig verplaatsen van ernstige besmette patiënten en het beschikbaar hebben van specialistische medische teams onder rescEU medische response-capaciteiten.
De EC heeft voor het UCPM 300 miljoen euro uit de Europese begroting voor 2020 beschikbaar gesteld voor de aanschaf van bijvoorbeeld beschermend materiaal en voorraad voor laboratoria in relatie tot de Covid-19 crisis. Gezien de grote druk op de markt van medische producten is het de verwachting dat dit initiatief pas op de middellange termijn effect zou kunnen hebben. De verdeling van producten vindt plaats door middel van een weging vanuit de Commissie welke lidstaten de producten op enig moment het meest nodig hebben. De EC heeft recent een methodologisch model daartoe ontwikkeld. Dit model zal de EC ondersteunen bij de besluitvorming over de hulpverzoeken: op basis van verzamelde data over onder andere aantal besmette personen en ziekenhuisopnamen zal bepaald worden wie wat nodig heeft. De lidstaten die als gastheer fungeren van de voorraden kunnen niet meer aanspraak maken op de producten dan andere lidstaten.
Draagt Nederland bij aan andere initiatieven die voortkomen uit het civiele-beschermingssysteem van de EU? Zo ja, wat draagt Nederland hieraan bij?
Het Europese civiele beschermingsmechanisme bestaat uit preventie, preparedness en response-activiteiten. Nederland draagt via deelname aan verschillende werkgroepen bij aan het onder meer uitwisselen van kennis over het vergroten van de nationale weerbaarheid van lidstaten en het maken van afspraken over de kwaliteit, gezamenlijk trainen en het gereed hebben van de response-capaciteiten. Naast rescEU kent het mechanisme ook de civil protection pool (CPP). Nederland heeft de volgende nationale capaciteiten in CPP ter beschikking gesteld: Urban Search and RescEU Team (USAR), Technische ondersteuningsteam (TAST), Extreem hoge capaciteiten waterpompen, Mobiel laboratorium incl. team welke ingezet wordt t.b.v. milieurampen (Environmental Assessment Unit), Maritime Incident Response Group (MIRG).
Het bericht dat de politieopleiding wordt verkort tot twee jaar. |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politieopleiding een jaar korter in strijd tegen tekort aan agenten»?1
Ja.
Op welke visie ten aanzien van de toekomst van de politie en het daarmee samenhangende stelsel van onderwijs is de verkorting van de opleiding gebaseerd?
De nieuwe basispolitieopleiding sluit aan bij de wens van de Politieacademie en de politie om de basisopleiding toekomstbestendig, flexibel en efficiënt in te richten. Door beter aan te sluiten bij de ontwikkelingen in de taakuitvoering van de politie en gebruik te maken van blended leren kunnen aspiranten in kortere tijd hun diploma halen en zijn sneller inzetbaar als politiemedewerker.
In 2019 heeft de politie nieuwe en herijkte beroepsprofielen vastgesteld. Hierin staat wat de startbekwame politiemedewerker moet kennen en kunnen. Op basis van de beroepsprofielen zijn kwalificaties uitgewerkt: deze vormen de grondslag van de te ontwikkelen basisopleiding. Hierin zijn de actuele en voorziene ontwikkelingen in het politiewerk meegenomen, zodat er sprake is van een goede aansluiting van het politieonderwijs op de praktijk. De opleiding wordt flexibel en efficiënt ingericht door gebruik te maken van slimme leerroutes en blended leren: de combinatie van klassikaal leren met afstandsleren en e-learning. In mijn brief over de visie op de toekomst van het politieonderwijs, waar de nieuwe basispolitieopleiding onderdeel van uitmaakt, zal ik hier uitgebreider op ingaan. Deze brief zal ik naar verwachting voor de zomer naar de Tweede Kamer sturen.
Impliceert de verkorting van de opleiding een wijziging van de Politiewet 2012? Zo ja, welke wijzigingen zouden er nodig zijn en wanneer bent u van plan een voorstel tot wetswijziging in te dienen?
De nieuwe basispolitieopleiding past binnen het kader van de Politiewet 2012. Een wetswijziging is derhalve niet nodig.
In artikel 88 van de Politiewet 2012 wordt de studieduur van de politieopleidingen geregeld, met inachtneming van de regels in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). De WEB (artikel 7.2.7, derde en vierde lid) biedt ruimte voor mbo-scholen om een verkort onderwijsprogramma op te stellen dat afwijkt van het voorgeschreven aantal onderwijsuren en de daaruit voortvloeiende verkorting van de studieduur. Voor de inrichting van de nieuwe basispolitieopleiding, met een niveau dat gelijkwaardig is aan mbo 4, wordt dus aangesloten bij de mogelijkheden die de WEB op dit punt biedt. Omdat het niveau van de nieuwe basispolitieopleiding gelijkwaardig is aan mbo 4 is de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) niet op van toepassing.
Kunt u uitleggen in welk opzicht de verkorte opleiding is afgestemd op de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) en de Wet Hoger Onderwijs (WHO)?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten wat de gevolgen zijn van de inkorting van de opleiding voor de kwaliteit van het politieonderwijs? Kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de gevolgen voor cybervaardigheden, kennis van internationalisering, de aanpak van discriminatie en geweld tegen vrouwen?
Er worden geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de basispolitieopleiding.
De verkorting van de doorlooptijd van de opleiding wordt mogelijk gemaakt door een andere organisatie van het onderwijs, bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van digitale leermiddelen (zie beantwoording vraag 2).
Doordat de nieuwe basispolitieopleiding is gebaseerd op de in 2019 door de politie vastgestelde beroepsprofielen sluit de opleiding beter aan bij de ontwikkelingen in de taakuitvoering van de politie. In het curriculum van de nieuwe basispolitieopleiding komen alle voor de politiemedewerker relevante onderwerpen, zoals cybercriminaliteit, internationalisering, discriminatie en geweld tegen vrouwen terug.
Kunt u toelichten welke alternatieve opties voor de aanvulling van capaciteit bij de nationale politie zijn verkend? Is daarbij gekeken naar de werving van zij-instromers en het digitaliseren van opleidingen? Zo ja, waarom is er niet voor deze opties gekozen? Zo nee, waarom niet?
De vernieuwing van de basispolitieopleiding is één van de routes waarlangs de druk op de politiecapaciteit wordt verlicht. Hierop ligt ook de focus van de Taskforce Operationele Sterkte en Capaciteit. Parallel aan deze opdracht van de Taskforce voor vergroting van de instroom en aanpassing van het politieonderwijs, heeft de Taskforce aan de Korpsleiding voorstellen gedaan hoe de inzetbaarheid en de huidige capaciteit vergroot kunnen worden, bijvoorbeeld het intensiveren van de zijinstroom.
Daarnaast heeft de korpsleiding een aantal voorstellen ter bespreking voorgelegd aan de vakorganisaties, zoals het tijdelijk aanstellen van vrijwilligers en het doorwerken na het bereiken van de AOW-leeftijd. Deze voorstellen rondom capaciteit maken deel uit van het totaalpakket (RVU, Basis Politie Onderwijs en capaciteitsmaatregelen) waarop recentelijk een akkoord is bereikt. Het gebruik van digitale middelen is onderdeel van de nieuwe basispolitieopleiding.
Welke gevolgen heeft de inkorting van het politieonderwijs voor de accreditatie van de opleidingen? Welke gevolgen heeft het voor de doorstroom naar hoger en specialistisch onderwijs? Welke relevante beroepsopleidingen worden aangemerkt als instroomniveau voor de verkorte opleiding?
De verkorting van de basispolitieopleiding heeft geen gevolgen voor de accreditatie van de opleidingen. Het niveau van de opleiding is gelijkwaardig aan mbo 4 en valt derhalve niet onder de accreditatie van de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie. Het vernieuwen van de opleiding heeft geen gevolgen voor de doorstroom naar hoger en specialistisch onderwijs. Er wordt geworven op kandidaten die beschikken over een afgeronde opleiding op mbo-niveau.
Heeft u een beeld bij de hoeveelheid begeleiding die studenten nodig hebben wanneer zij in een team worden geplaatst? Leidt dit tot extra werklast onder politiemedewerkers?
De politie en Politieacademie werken aan een realisatieplan voor de nieuwe basisopleiding. Onderdeel hiervan is het begeleidingsmodel. Hieruit zal duidelijk worden of er sprake zal zijn, in vergelijking met het huidige begeleidingsmodel, van een wijziging in de begeleidingslast voor de politiemedewerkers. Er wordt naar gestreefd om de druk op eenheidsniveau niet meer te laten zijn dan in de huidige situatie.
Waarom is de Tweede Kamer niet vooraf in kennis gesteld van het voornemen tot het besluit om de opleiding te verkorten?
Met mijn brieven van 13 november 20192, 17 december 20193, 4 februari 20204 en 28 maart 20205 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het voornemen tot een herziening van het basispolitieonderwijs en een mogelijke verkorting.
Waarom zijn juist de bonden geconsulteerd bij dit besluit terwijl aankomende studenten – waar de verkorting op van toepassing is – (nog) geen lid zijn? Kunt u toelichten of er ook vertegenwoordigers van studenten en docenten zijn geconsulteerd en wat hun oordeel was over het verkorten van de opleiding?
De huidige vervangings- en uitbreidingsopgave heeft gevolgen voor de gehele politieorganisatie. Daarom heb ik met de politie, de Politieacademie en de politievakbonden gesproken over maatregelen om de druk op de politiecapaciteit aan te pakken.
Daarnaast zijn docenten, studenten, de ondernemingsraad van de Politieacademie en praktijkbegeleiders betrokken bij de ontwikkeling van de nieuwe basispolitieopleiding. De Politieacademie maakt bij de ontwikkeling van de nieuwe opleiding gebruik van evaluaties van het huidige curriculum en de ervaringen van afgestudeerden en hun leidinggevenden.
Welke financiële gevolgen heeft het besluit tot verkorting voor de Politieacademie? Betekent de inkorting van de opleiding dat de Politieacademie budget moet inleveren en het aantal docenten naar beneden gaat bijstellen of wordt het onderwijs met een gelijkblijvend aantal docenten geïntensiveerd?
Er zal tijdelijk extra personeel moeten worden ingezet voor de ontwikkeling van de vernieuwde basispolitieopleiding, waaronder docenten, onderwijskundigen en veranderkundigen. Verder zal er meer gebruikgemaakt worden van tijd -en plaatsonafhankelijk leren. Daarvoor moet zowel software ontwikkeld worden als hardware worden aangeschaft. Vooralsnog vraagt de nieuwe opleiding dus om een extra investering en ligt het inleveren van budget niet in de rede. De Politieacademie en de politie werken momenteel samen aan het hiervoor genoemde realisatieplan voor de vernieuwde basispolitieopleiding. De gevolgen voor het aantal docenten worden hierin meegenomen.
Per wanneer gaat de verkorting van de opleiding in? Gaat het hier om een pilot of is de verkorting van structurele aard?
De nieuwe basispolitieopleiding wordt in 2021 ingevoerd. Het gaat hier om een onderwijskundig gewenste wijziging van structurele aard.
Het bericht ‘Defensie laat veteranen met klachten veel te lang wachten’ |
|
André Bosman (VVD), Albert van den Bosch (VVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie laat veteranen met klachten veel te lang wachten»?1
Ja.
In hoeverre herkent u de door de Nationale ombudsman naar voren gebrachte klachten van veteranen?
Ik herken de klacht dat veteranen het in algemene zin lang vinden duren voordat hun schade is afgewikkeld. Wel teken ik hierbij aan dat dit slechts incidenteel tot een bij de Veteranenombudsman ingediende klacht of bemiddelingsverzoek heeft geleid. In een groot deel van de zaken is sprake van goed contact tussen veteranen en hun belangenbehartigers enerzijds en de letselschadejuristen van Defensie anderzijds. Daarbij worden claims in goed overleg afgehandeld en wordt vanuit Defensie gestreefd naar het verkorten van de behandelduur.
In hoeverre herkent u de kritiek van de Nationale ombudsman dat «de partijen die bij deze procedures betrokken zijn, wijzen desgevraagd vooral naar elkaar als het gaat om de oorzaken van opgelopen vertraging. De eigen rol en verantwoordelijkheid daarin wordt niet of nauwelijks benoemd»?
De kritiek van de Veteranenombudsman dat «partijen vooral naar elkaar wijzen als het gaat om de oorzaken van opgelopen vertraging en de eigen rol en verantwoordelijkheid daarin nauwelijks wordt benoemd,» herken ik slechts ten dele. In zijn algemeenheid vind ik dat Defensie eerst naar zichzelf moet kijken voor wat betreft de oorzaak van de klachten en de ervaringen van de betrokken veteranen. Voor mij is het onderzoek van de Veteranenombudsman van extra waarde, omdat hij als onafhankelijk klachtenbehandelaar boven de partijen staat.
Deelt de mening dat het juist bij veteranen met klachten, vanwege hun verdiensten voor Nederland en hun kwetsbare positie, belangrijk is dat Defensie actief verantwoordelijkheid neemt?
De bijzondere zorgplicht voor veteranen is verankerd in de Veteranenwet en het Veteranenbesluit. Defensie neemt de uitvoering hiervan zeer serieus, niet alleen omdat we dat verplicht zijn maar vooral ook omdat veteranen en militaire oorlogs- en dienstslachtoffers dat verdienen.
Welke stappen heeft Defensie eerder gezet om tegemoet te komen aan klachten over de behandelingsduur van letselschadeclaims? Indien er stappen zijn gezet, waarom is het niet gelukt hier een oplossing voor te vinden voordat de Nationale ombudsman het nodig achtte om een eigen onderzoek te starten?
In 2014 is de Regeling Volledige Schadevergoeding (RVS) in werking getreden. Deze regeling voorziet in de toekenning van een volledige schadevergoeding aan militaire oorlogs- en dienstslachtoffers zonder discussie over de vraag of Defensie aansprakelijk is voor de ontstane schade. Deze regeling beoogde een vereenvoudiging en versnelling van de claimafwikkeling. Zoals vermeld in de Veteranennota 2018–2019 is een start gemaakt met de evaluatie van de RVS waarbij de ervaringen met deze regeling in kaart worden gebracht om te beoordelen in hoeverre de doelstellingen van de regeling worden gehaald en om te bezien of, en zo ja welke, verbeteringen doorgevoerd moeten worden. Verder is de capaciteit van onze letselschadejuristen in de periode 2014–2020 verdubbeld van 12 naar 24. Daardoor is het nu meer dan voorheen mogelijk om de letselschadeclaims op een pro-actievere manier te behandelen. Ook wordt er naar gestreefd om doorlooptijden te verkorten en om het schaderegelingsproces beter te laten aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel van de veteraan.
Bent u het eens met de bewering van veteranen dat de procedure bewust door Defensie wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Hoewel Defensie een voortvarende aanpak nastreeft, vergt het zorgvuldig behandelen van een letselschadeclaim langere tijd. Het betreft doorgaans materie waarvoor goed onderzoek is vereist en waarvoor dikwijls externe deskundigen moeten worden ingeschakeld. Defensie tracht hierbij zo kort mogelijke doorlooptijden te realiseren, maar een langer tijdsverloop kan niet altijd worden voorkomen. Dit komt doordat er tijd nodig is voordat de klacht stabiliseert (medische eindsituatie) maar ook door de afhankelijkheid van andere partijen. Verder kan een verschil van inzicht over de uitgangspunten voor de schadeberekening ertoe leiden dat het langer dan gewenst duurt voordat er overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding. Bewust vertragen is echter nimmer aan de orde.
Hoelang duurt een gemiddelde behandelingsduur van letselschadeclaims van veteranen? Hoeveel zijn er ingediend sinds de start van deze kabinetsperiode? Hoeveel zijn er toegekend?
De claims van veteranen zijn hoofdzakelijk in twee categorieën onder te verdelen. Er zijn claims die worden afgewikkeld op grond van de Regeling Volledige Schadevergoeding (RVS) en er zijn overige claims.
Vanaf de inwerkingtreding in 2014 tot eind april 2020 heeft Defensie 403 dossiers op grond van de RVS in behandeling genomen. Er zijn in die tijd 153 dossiers afgewikkeld. Op het moment dat de medische eindsituatie is vastgesteld, kan de bepaling van de restschade plaatsvinden. De gemiddelde doorlooptijd van deze afgesloten dossiers bedraagt bijna 2,5 jaar.
U hebt mij specifiek gevraagd naar data met betrekking tot deze kabinetsperiode. Sinds de start van deze kabinetsperiode zijn er 291 nieuwe letselschadeclaims op grond van de RVS ingediend. Van die claims zijn er 17 afgewikkeld. Sinds de start van deze kabinetsperiode zijn er ook 106 claims afgewikkeld die al voor de start van deze kabinetsperiode waren ingediend. In deze kabinetsperiode is tot eind april 2020 EUR 51,3 miljoen uitgekeerd in het kader van de afwikkeling van letselschadeclaims op grond van de RVS.
Daarnaast heeft Defensie claims in behandeling van veteranen met PTSS die niet onder de RVS vallen. Deze veteranen hebben in eerste instantie een Ereschulduitkering ontvangen. Naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in zaken van een Dutchbat III-veteraan (2013) en een Libanon-veteraan (2015) heeft Defensie in augustus 2016 besloten om ook van deze veteranen de schade volledig te gaan vergoeden als hun zaak vergelijkbaar is met de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Kamerstuk 30 139, nr. 165). Het overgrote deel van deze zaken wordt momenteel namens Defensie door de Landsadvocaat afgewikkeld.
Eind april 2020 heeft Defensie nog 576 van deze PTSS-dossiers openstaan. Er zijn tot die tijd 403 dossiers afgewikkeld. Ook hier geldt: op het moment dat de medische eindsituatie is vastgesteld, kan de bepaling van de restschade plaatsvinden. De gemiddelde doorlooptijd van deze afgesloten dossiers bedraagt bijna 5,5 jaar.
U hebt mij specifiek gevraagd naar gegevens met betrekking tot deze kabinetsperiode. Sinds de start van deze kabinetsperiode zijn er 158 nieuwe PTSS-claims ingediend. Van deze claims zijn er 24 afgewikkeld. Sinds de start van deze kabinetsperiode zijn er ook 231 claims afgewikkeld die al voor de start van deze kabinetsperiode waren ingediend. In deze kabinetsperiode is tot eind april 2020 EUR 38,2 miljoen uitgekeerd in het kader van de afwikkeling van deze PTSS-claims.
Bent u voornemens concrete stappen te zetten om tegemoet te komen aan de klachten over de behandelingsduur van letselschadeclaims, nog voordat het onderzoek van de Nationale ombudsman is afgerond? Zo ja, welke concrete stappen zijn dit?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich dat u in uw Veteranenota 2018–2019 stelt: «erkenning en waardering blijft daarom één van de speerpunten van het veteranenbeleid»? In hoeverre sluit dit aan op de praktijkervaringen die de Nationale ombudsman in het bovengenoemde bericht schetst?
Het vergoeden van letselschade is onderdeel van het veteranenzorgsysteem en betreft een vorm van erkenning en waardering voor veteranen. Defensie poogt in redelijkheid tot een snelle en volledige afwikkeling van de claims te komen. De zorgvuldige afwikkeling van een claim is echter een complex proces dat ook bij een voortvarende aanpak de nodige tijd in beslag neemt. Ik ben mij ervan bewust dat de afhandelingsduur als te lang wordt ervaren. Naast dat Defensie zelf al bezig is met verbeteringen, ben ik blij met het onderzoek dat de Veteranenombudsman heeft aangekondigd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort toestanden niet meer voorkomen en dat deze kwetsbare doelgroep nu eindelijk wordt geholpen?
Defensie zorgt goed voor zijn veteranen en de oorlogs- en dienstslachtoffers in het bijzonder. In de meeste gevallen wordt de immateriële en materiële zorgplicht op goede en zorgvuldige wijze uitgevoerd. Verbeteringen zijn altijd mogelijk, het verkorten van behandeltijden van schadeclaims is daar een van. Ik zie het onderzoek van de Veteranenombudsman en de op basis daarvan te organiseren gesprekken als een aanmoediging om het proces verder te verbeteren, ook waar het gaat om het verduidelijken van de rol van andere verantwoordelijken in het proces. Ik wil u in dit kader ook wijzen op de brief van de Nationale Ombudsman van 9 maart 2020 aan mijn collega van Justitie en Veiligheid. Hij schreef daarin onder andere: «De Nationale ombudsman heeft als Veteranenombudsman veel contact met veteranen met PTSS. Wij zien dat de financiële regelingen zoals deze door het Ministerie van Defensie worden uitgevoerd eenvoudig zijn en veelal passend door de toepassing van maatwerk.» Ik beschouw deze opmerking als waardering voor de medewerkers die zich hier dagelijks op mijn ministerie voor inzetten.
De positie van mensen met schulden in de Coronacrisis. |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat onder andere T-mobile en Tele2 tijdens de coronacrisis doorgaan met afsluitingen, terwijl betrokkenen door corona in de problemen zijn gekomen?1
We moeten ervoor zorgen dat mensen die het financieel moeilijk hebben niet, als gevolg van de corona uitbraak, nog verder in de (financiële) problemen terechtkomen. De grote telecomaanbieders zijn bereid gedurende de coronacrisis coulant te zijn om zo het afsluiten van de telecommunicatiediensten in geval van wanbetaling te voorkomen. Ze hebben hierover nadere afspraken gemaakt. Om gezamenlijk met de klant tot een oplossing te kunnen komen, is het noodzakelijk dat een klant met betaalproblemen tijdig contact opneemt met de betreffende aanbieder.
Vindt u het afsluiten van communicatiemiddelen, internet en nieuwsvoorziening voor mensen met schulden tijdens deze coronacrisis aanvaardbaar?
Het past in de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven dat incassomaatregelen, zoals afsluitingen van telefoon en internet, tijdens de coronacrisis zo veel mogelijk worden voorkomen of uitgesteld. Uit de contacten met de sector blijkt dat zij zich hiervan bewust zijn en zich coöperatief opstellen.
Wat gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat mensen met schulden niet worden afgesloten van telefoon, internet, water, gas en elektriciteit?
Gelet op de ernst van de huidige situatie hebben de vaste lasten leveranciers aangegeven ruimhartig te willen zijn en in overleg met de klant maatwerk te zullen leveren. Naar aanleiding van moties en Kamervragen hierover is uw Kamer recent geïnformeerd over het voorkomen van afsluitingen (onder meer Kamerstuk 24 515, nr. 527 en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2441).
Welke bedrijven in deze sectoren blijven doorgaan met het afsluiten van mensen tijdens de coronacrisis en hoeveel mensen betreft het?
Voor zover mij bekend zijn er geen bedrijven in deze sectoren die hun afsluitbeleid niet hebben aangepast aan de coronacrisis.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie-Peters over een actieplan voor het voorkomen van uithuiszettingen? Hoeveel mensen zijn sinds de start van de coronacrisis alsnog uit hun huis gezet?2
Genoemde motie om huisuitzetting te voorkomen wordt uitgevoerd via het Interbestuurlijk Programma en de Brede Schuldenaanpak die een vergelijkbare doelstelling hebben.
Door de coronacrisis moet niemand op straat belanden. Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal huisuitzettingen van de afgelopen drie maanden, maar het is niet waarschijnlijk dat er veel huisuitzettingen zijn geweest. De rechter moet toestemming geven voor een huisuitzetting, maar de rechtbanken hebben dit als niet-urgent aangemerkt. Het kabinet heeft met verhuurdersorganisaties en brancheverenigingen afgesproken gedurende de crisisperiode geen huisuitzettingen te doen, tenzij er evidente redenen zijn, zoals criminele activiteiten of extreme overlast. Hypotheekverstrekkers zoeken met huiseigenaren naar oplossingen en gaan in deze periode niet over tot gedwongen verkopen van woningen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nrs. 2225 en 2243). Vanwege de urgentie van de woonsituatie van arbeidsmigranten is het «Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten» ingesteld, dat zich onder meer inzet voor tijdelijke (directe) oplossingen bij huisuitzetting van arbeidsmigranten (Kamerstuk 29 861, nr. 49).
Is het u bekend dat schoolboekenleverancier Van Dijk Educatie geld probeert te innen op de 18e verjaardag van betrokkene, voor schulden van schoolboeken die zij als kind gemaakt hebben? Klopt het dat hierop kosten worden berekend die een veelvoud zijn van de originele schuld?
Zonder de in de vraag beschreven casus te kennen, is mijn inschatting dat deze situatie niet voor zou mogen komen. In algemene zin geldt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de kosten van opvoeding en verzorging van minderjarige kinderen.
Vindt u het moreel verantwoord om kinderen met schulden op te zadelen, teneinde deze te innen op hun 18e verjaardag?
Ik verwacht altijd een zorgvuldige en maatschappelijk verantwoorde incasso en zeker ook bij jongeren. Zoals u weet investeert het kabinet in samenwerking met private en publieke schuldeisers via de Brede Schuldenaanpak in een zorgvuldige invordering van schulden en de kwaliteit van de incassodienstverlening.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat bedrijven zoals Van Dijk Educatie geen schulden innen na iemands 18e verjaardag, vanwege kosten die zij als kind of jongere gemaakt hebben voor schoolboeken?
Het is betreurenswaardig dat het opnieuw nodig blijkt aandacht te vragen voor naar ik aanneem een nieuw geval waarbij een schuldeiser zich tot een recent meerderjarige zou wenden. Ik kan de eerdere antwoorden op Kamervragen hierover bevestigen: Op grond van artikel 1:404 van het Burgerlijk Wetboek zijn ouders verantwoordelijk voor de kosten van opvoeding en verzorging van minderjarige kinderen. Ook als een minderjarig kind zelf uitgaven doet, blijft de ouder (wettelijk vertegenwoordiger) daarvoor aansprakelijk. Dit houdt in dat de schuldeiser zich niet tot een kind kan wenden om de vordering te voldoen die is ontstaan op het moment dat de ouders financieel verantwoordelijk waren voor het kind, ook niet als dit kind inmiddels meerderjarig is (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nrs. 319 en Kamerstuk 24 515, nr. 499).
Bent u bereid ervoor te zorgen dat kinderen niet langer met schulden worden opgezadeld voor medische kosten zoals tandartsrekeningen of schoolboeken?
Het is zeer belangrijk kinderen te beschermen tegen schulden. De ouders zijn in de eerste plaats verantwoordelijk. Voor bijzondere kosten en onvoorziene situaties kunnen ze bij de gemeente bijzondere bijstand aanvragen. Als zij toch in de problematische schulden raken, biedt de gemeente schuldhulpverlening aan.
Wat is uw reactie op de brief van de beroepsvereniging van bewindvoerders van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) (BBW) aan de wethouders schuldhulpverlening in de vier grote steden?3
De brief roept de gemeenten op mensen met problematische schulden en in het bijzonder zzp-ers sneller te begeleiden naar de wettelijke schuldsanering (Wsnp) als het niet lukt minnelijk tot een oplossing te komen. Dit is volgens de BBW te meer belangrijk nu de coronacrisis naar verwachting tot meer aanvragen voor schuldhulpverlening gaat leiden. Ik waardeer deze betrokkenheid en oproep. Gemeenten bieden hun inwoners de best passende oplossingen. Versterking van de samenwerking met (Wsnp-)bewindvoerders kan daaraan alleen maar bijdragen.
Wat doet u met de constatering van de BBW dat er van de wettelijke schuldsaneringsregeling steeds minder gebruik wordt gemaakt, terwijl het aantal mensen met problematische schulden niet afneemt?
Het gegeven dat er steeds minder gebruik wordt gemaakt van de wettelijke schuldsanering is bekend en is aanleiding voor het rapport Aansluiting gezocht! en een aantal acties om de aansluiting tussen de minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering te verbeteren (Kamerstuk 24 515, nr. 492). Ik zal u binnenkort over de voortgang informeren.
Wat is uw reactie op de oproep van de BBW, naar aanleiding van de aanbevelingen van Bureau Berenschot, om de toegang tot de Wsnp te vergemakkelijken?
Eén van de acties naar aanleiding van het rapport Aansluiting gezocht! is betere toegankelijkheid van de Wsnp. De Minister voor Rechtsbescherming en ik buigen ons momenteel over de mogelijkheden die de Rechtspraak en de Raad voor Rechtsbijstand (Bureau Wsnp) zien in de Quick Scan die zij hebben uitgevoerd. We zullen u binnenkort over de voortgang informeren.
Bent u bereid in gesprek te gaan met BBW en de Nederlandse vereniging voor schuldhulpvereniging, sociaal bankieren en bewindvoering (NVVK) om voor de minnelijke schuldhulpverlening tot een maximumtermijn te komen van een half jaar?
Uiteraard ben ik bereid in gesprek te gaan met de BBW en de NVVK over hoe we de aansluiting van de minnelijke schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering kunnen verbeteren. Deze organisaties dragen bij aan de uitvoering van de aanbevelingen van het rapport Aansluiting gezocht! (Kamerstuk 24 515, nr. 492).
Het bericht ‘MBO Raad waarschuwt: nieuwkomers moeten snelle toegang houden tot mbo’. |
|
Anne Kuik (CDA), René Peters (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «MBO Raad waarschuwt: nieuwkomers moeten snelle toegang houden tot mbo»?1
Ja.
Erkent u het probleem dat het taalonderwijs onder druk staat als gevolg van de coronacrisis?
Ja. De coronacrisis raakt alle geledingen van de samenleving en heeft ingrijpende consequenties voor het leven van alle burgers, ook voor inburgeraars. Dit vraagt om passende maatregelen om deze consequenties zo goed als mogelijk op te vangen. De reeds getroffen aanvullende maatregelen binnen het huidige inburgeringsstelsel zijn daar een voorbeeld van. Zo heb ik de voorwaarden voor het aanbieden van afstandsonderwijs versoepeld en heb ik de inburgeringstermijn voor alle inburgeraars verlengd. Taalscholen worden hierdoor in staat gesteld om het aanbod van inburgeringsonderwijs te continueren. Inburgeraars hebben de mogelijkheid om door te gaan met het volgen van lessen (nu klassikaal onderwijs niet mogelijk is) waardoor opgebouwde kennis niet verloren gaat.
Bent u van mening dat het van groot belang is het mbo ook tijdens de coronacrisis toegankelijk te houden voor nieuwkomers?
Ik vind dat zowel tijdens als na de coronacrisis het mbo zo veel mogelijk toegankelijk moet zijn voor nieuwkomers. Daarom wordt er in het COVID-19 aanpak MBO servicedocument ook op gewezen dat mbo-scholen aspirant studenten die niet over de juiste vooropleidingseisen beschikken kunnen toelaten en hiervoor een toelatingsonderzoek kunnen gebruiken. Binnen dit toelatingsonderzoek wordt altijd gekeken naar het behaalde taalniveau.
Mbo-scholen die het behalen van het Staatsexamen Nt2 als formeel vereiste hanteren, kunnen de volgende procedure hanteren: aspirant-studenten die als gevolg van het stilleggen van de Staatsexamens Nederlands als tweede taal niet in staat zijn om voorafgaand aan de start van het studiejaar voldoende beheersing van het Nederlands via het Staatsexamen Nt2 aan te tonen, kunnen door de mbo-school alsnog worden toegelaten en voor 1 oktober van het studiejaar 2020–2021 worden ingeschreven, mits het redelijkerwijs te verwachten is dat deze studenten voor 1 januari 2021 hun diploma behalen. Als het Staatsexamen Nt2 niet voor 1 januari 2021 wordt behaald en er is geen sprake van voldoende beheersing van de Nederlandse taal, dan zal de student alsnog uitgeschreven moeten worden. Dit zal moeten worden vastgelegd in de onderwijsovereenkomst.
Hoe gaan de ROC-taalscholen en andere inburgeringsinstituten om met de coronacrisis?
Blik op Werk ziet dat er lopende contracten naar afstandsonderwijs worden omgezet. Een behoorlijk deel van de aanbieders van inburgeringsonderwijs kan inmiddels afstandsonderwijs aanbieden aan hun cursisten. Aangezien taalscholen tot en met 19 mei aanstaande contracten kunnen omzetten naar afstandsonderwijs is er nog geen compleet beeld.
Hoe worden nieuwkomers op afstand bereikt om aan de taaleisen van inburgering te voldoen?
Inburgeraars wordt de mogelijkheid geboden om afstandsonderwijs te volgen nu klassikaal onderwijs niet mogelijk is. Daarnaast vinden op dit moment geen DUO inburgeringsexamens plaats, zowel digitale examinering als examens afnemen op de bestaande fysieke toetsingslocaties is niet mogelijk. Ik vind het belangrijk dat inburgeraars niet in de knel komen met hun inburgeringstermijn nu er geen DUO examens afgelegd kunnen worden en daarom heb ik de inburgeringstermijn van alle inburgeraars opnieuw met nog een keer twee maanden verlengd.
Kunt u cijfers geven van het aantal nieuwkomers dat taalonderwijs en/of een mbo-opleiding volgt voor en na de coronacrisis?
In het mbo wordt niet bijgehouden of de student een achtergrond heeft als nieuwkomer. Deze cijfers kunnen dus niet worden geleverd. Verder is het nu nog te vroeg om een compleet beeld te kunnen geven in hoeverre inburgeringsplichtigen gebruik maken van de mogelijkheden voor afstandsonderwijs.
Bent u bereid het probleem rondom de beperkte toegankelijkheid van taalonderwijs en een mbo-opleiding voor nieuwkomers als gevolg van de coronacrisis op te lossen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de toegang tot het taalonderwijs zijn er reeds maatregelen getroffen om afstandsonderwijs te benutten voor alle groepen inburgeringsplichtigen. Daarover bent u reeds geïnformeerd op 10 april jl.2 Voor de toegang van nieuwkomers tot een mbo-opleiding verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u voorkomen dat nieuwkomers vertraging oplopen of helemaal uit beeld verdwijnen als gevolg van de coronacrisis?
Wat betreft het uit beeld verdwijnen van inburgeringsplichtigen zijn er binnen het huidige stelsel geen mogelijkheden voor de overheid om inburgeringsplichtigen structureel in beeld te houden. Dit is een van de redenen waarom ik werk aan de invoering van een nieuw stelsel met een regierol voor gemeenten. Wel zijn er diverse trajecten waarbij inburgeraars al in beeld kunnen zijn bij bijvoorbeeld gemeenten of Vluchtelingenwerk via onder andere maatschappelijke begeleiding of ondersteuning vanuit de bijstand. Ik vertrouw hierbij ook op een ieders professionele rol en dat alle betrokken organisaties bij inburgering hun best doen om ook de meer kwetsbare inburgeringsplichtigen in beeld te houden.
Ziet u wat in het idee om nieuwkomers te helpen hun inburgering met zo min mogelijk vertraging af te kunnen maken en zo een snelle overstap naar het beroepsonderwijs te faciliteren? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 3. Het halen van het inburgeringsexamen en daarmee toegang tot het beroepsonderwijs is niet vereist in de huidige situatie. Er kan een toelatingsonderzoek worden afgenomen.
Daarnaast zijn de voorwaarden voor het aanbieden van inburgeringslessen via afstandsonderwijs versoepeld en is de inburgeringstermijn voor alle inburgeraars verlengd. Inburgeraars kunnen doorgaan met het volgen van lessen waardoor opgebouwde kennis niet verloren gaat.
Is het mogelijk een apart budget beschikbaar te stellen voor inburgering om de problemen rondom de coronacrisis aan te pakken, bijvoorbeeld voor een periode van drie maanden? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover ingelicht? Zo nee, waarom niet?
Het beschikbaar stellen van een extra budget om alle inburgeraars gratis afstandsonderwijs te laten volgen vind ik voor nu een te zware maatregel. Ik blijf de situatie en de uitwerking van de genomen maatregelen nauwgezet monitoren. Als de periode waarin het volgen van klassikaal onderwijs niet mogelijk is veel langer gaat duren of als ik de markt snel zie verslechteren, zal ik bezien of de nu getroffen maatregelen nog adequaat zijn.