Een werkbezoek aan Groningen op maandag 2 maart 2020 |
|
Jan de Graaf (CDA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat er in Overschild drie regimes voor versterking gelden (batches 1467, 1588 en 3260)? Klopt het dat voor batch 1467 de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) opdrachtgever is en dat voor batch 1588 de bewoners zelf opdrachtgever zijn, maar dat nog onduidelijk is voor welke variant wordt gekozen in batch 3260 (buitengebied)?
Het klopt dat er verschillende regimes zijn ontstaan. Dit is ook verklaarbaar. Voor het kabinet staat de veiligheid van de bewoners in Groningen centraal. Om dat zo snel mogelijk te bereiken zijn er een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd in de versterkingsaanpak. Zo is de versterkingsopgave publiek geworden, zijn keuzes gemaakt om de versterkingsopgave te versnellen en wordt de gaswinning afgebouwd. Hierdoor is het onvermijdelijk dat in de loop van de tijd op basis van voortschrijdend inzicht wijzigingen zijn aanbracht in de aanpak van de versterking. Gedurende de uitvoering van de versterkingsopgave is bijvoorbeeld duidelijk geworden dat bewoners behoefte hebben aan meer regie. De specifieke situatie in Overschild is hier een voorbeeld van. In 2016 is de eerste groep versterkingsprojecten met 35 woningen gestart (batch 1467). De planvorming voor deze projecten is in volle gang en voor een deel is de uitvoering al gestart. De eigenaren hebben daarvoor een overeenkomst gesloten met het CVW op basis waarvan de uitvoering plaatsvindt. Deze afspraken worden nu onder begeleiding van NCG uitgevoerd. Bij deze aanpak was weinig ruimte voor eigen regie. Bij batch 1588 is hier verandering in aangebracht. In samenspraak met gemeenten en bewoners en eigenaren is gekozen voor meer regie van de eigenaar. Een groot deel van deze versterkingen is inmiddels in uitvoering. Voor de overige woningen is het voornemen dat de eigenaar kan kiezen tussen eigen regie of uitvoering door de NCG.
Hoewel ik met u deel dat het van belang is om waar mogelijk verschillen te voorkomen, zeker op wijkniveau, is dit onvermijdelijk. Ik acht het van belang om opgedane kennis en ervaring te betrekken en daarnaast gedane toezeggingen te respecteren. Uiteraard is er contact met gemeenten om te kijken of er bij grote verschillen binnen een wijk via andere middelen wellicht hetzelfde kan worden bereikt. Dit zal echter niet alle verschillen wegnemen.
Bent u ermee bekend dat door deze verschillende aanpak breuken ontstaan in de gemeenschap? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 1.
Herkent u dat de versterking en sloop-nieuwbouw van woningen beter verloopt naarmate mensen meer eigen regie hebben? Wat wordt het regime van de nieuwe wet versterken? Wordt daarbij gekozen voor het regime waarbij de eigenaar opdrachtgever is? Geldt deze wetgeving ook voor het buitengebied (van Overschild en elders)?
Het is belangrijk dat met iedere bewoner een aanpak wordt gevonden die het beste past bij zijn of haar situatie. De wensen verschillen per bewoner en per situatie. Waar de ene bewoner behoefte heeft aan volledige eigen regie, heeft de andere bewoner de behoefte om zoveel mogelijk uit handen te geven. In zijn algemeenheid is niet te zeggen dat versterking en sloop-nieuwbouw van woningen beter verloopt naar mate mensen meer regie hebben. Beide moet mogelijk zijn. In het wetsvoorstel ten behoeve van versterken is daarom voorzien dat de bewoner er voor kan kiezen om zelf opdrachtgever te zijn. Dit wetsvoorstel geldt voor het gehele aardbevingsgebied.
Op welke wijze en in welke mate kunnen mensen eigen regie voeren in de versterking van hun woning? Wat zijn de gevolgen van de nieuwe wetgeving voor de bestaande regimes?
In samenspraak met de regio zijn verschillende versnellingsmaatregelen uitgewerkt (zoals de praktijkaanpak en de typologie-aanpak). Daarbij ligt in verschillende mate de regie bij de eigenaar. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, kan hiermee maatwerk worden geleverd voor situaties waar de bewoner meer of minder regie wenst. Onder het wetsvoorstel krijgen bewoners de ruimte om te kiezen tussen uitvoering door NCG of zelf opdrachtgever zijn. Het wetsvoorstel brengt geen wijzigingen aan in afspraken die in het kader van uitvoering van de verschillende batches zijn gemaakt.
Klopt het dat er nog altijd veel discussie is over het verhalen van kosten van versterking? Deelt u de mening dat burgers hiervan niet de dupe mogen worden?
Uw Kamer is op 28 januari jl. geïnformeerd (TK 33 529, nr. 723) dat de Minister van Economische Zaken en Klimaat de bestaande betaalovereenkomst over de betaling van de kosten van versterking, de zogeheten interim- Betaalovereenkomst Versterken, met de NAM verlengt. Uitgangspunt van deze overeenkomst is dat het Rijk verantwoordelijk is voor het veiligheidsbeleid en dat de daaruit voortvloeiende versterkingsuitgaven voor rekening van NAM komen. NAM betaalt voor alle versterkingskosten die noodzakelijk zijn voor de veiligheid.
Indien er kosten worden gemaakt aanvullend op wat nodig is voor de veiligheid worden de kostencalculaties ingewikkelder. Ik deel met u het belang dat bewoners niet de dupe mogen worden van onduidelijkheid. Snelheid van de uitvoering heeft prioriteit. In de Tijdelijke wet Groningen ten behoeve van de versterking is daarom voorzien dat wordt vastgelegd welke maatregelen specifiek nodig zijn voor de veiligheid.
Deelt u de mening dat kosten voor versterking gewoon betaald moeten worden, waarna deze kosten worden verhaald op de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij)? Deelt u de conclusie dat voor een voortvarende en mensgerichte versterkingsaanpak het onvermijdelijk is dat gerekend wordt met een percentage kosten die niet verhaald kunnen worden dan dat voor elke opdracht eerst eindeloos gecalculeerd wordt over het kostenverhaal?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u zich voorstellen dat de beving bij Opende met een kracht van 1.4 op de schaal van Richter veel ongerustheid onder bewoners heeft voortgebracht? Wat is uw reactie op de unaniem door de gemeenteraad aangenomen motie over het stoppen van de gaswinning in kleine velden?
Ik kan me goed voorstellen dat iedere beving bewoners ongerust maakt.
De motie die door de gemeenteraad van Westerkwartier is aangenomen is een vertaling van een gevoelen dat leeft onder bewoners van gebieden waar gas wordt gewonnen. De risico’s bij gaswinning uit kleine velden zijn echter niet vergelijkbaar met die bij gaswinning uit het Groningenveld. Om de klimaatdoelen te halen wordt het gebruik van fossiele brandstoffen, waaronder ook aardgas, stap voor stap afgebouwd. Er is nog tijd nodig om alle woningen aardgasvrij te maken en de industrie te verduurzamen. Voorlopig is er dus nog aardgas nodig. Naast eigen gaswinning importeert Nederland ook aardgas uit andere landen. Geïmporteerd gas veroorzaakt meer uitstoot van broeikasgassen bij de gaswinning en bij het transport naar Nederland. Daarom wil het kabinet gas in eigen land blijven winnen als dat veilig kan. Dit maakt de Nederlandse energievoorziening minder afhankelijk van andere landen. Overal waar gas gewonnen wordt is er een seismisch monitoringsnetwerk en hebben de mijnbouwbedrijven afspraken gemaakt en vastgelegd in het schadeprotocol over het vergoeden van eventuele schade. Er is daarom geen aanleiding om het Kabinetstandpunt ten aanzien van gaswinning uit kleine velden te herzien.
Wat gebeurt er met de schades als gevolg van de gaswinning uit kleine velden nu het schadeprotocol nog niet in werking is getreden? Wanneer zijn het schadeloket en de Commissie Mijnbouwschade operationeel? Wanneer kunnen bewoners die nu te maken hebben met schade als gevolg van winning uit kleine velden hier terecht?
Op dit moment kan men, als men schade vermoedt door mijnbouwactiviteiten, terecht bij het landelijk loket mijnbouwschade. De medewerkers van dit loket helpen mensen verder bij het uitzoeken waar hun claim moet worden neergelegd. Indien een mijnbouwonderneming een claim heeft afgewezen, dan kan men zich voor het beantwoorden van de causaliteitsvraag wenden tot de Technische commissie bodembeweging. Met de mijnbouwondernemingen is afgesproken dat zij schademeldingen in afwachting van de inwerkingtreding van het Instellingsbesluit en het bijbehorende schadeprotocol zoveel mogelijk afhandelen in overeenstemming met de afspraken die in het protocol zijn vastgelegd.
Het streven is om de Commissie Mijnbouwschade en de uitvoeringsorganisatie die de commissie ondersteunt op 1 juli van dit jaar operationeel te laten zijn. Vanaf dat moment kunnen de eigenaren schade als gevolg van bodembeweging door winning uit kleine velden melden bij het landelijk loket mijnbouwschade of kunnen zij een vordering tot schadevergoeding indienen bij de civiele rechter.
Vindt u het ook onwenselijk dat bewoners zich moeten wenden tot de exploitant zolang het schadeprotocol nog niet in werking is getreden? Wat gaat u hieraan doen? Op welke manier wordt aan gemeenten en bewoners brede bekendheid gegeven aan het schadeprotocol kleine velden?
Ik deel de mening dat het van belang is dat meldingen door burgers van schade, die mogelijk door mijnbouw is veroorzaakt, ook buitengerechtelijk zo spoedig mogelijk moeten worden afgehandeld. Daarom wordt hard gewerkt aan een buitengerechtelijke schadeafhandelingsprocedure met een onafhankelijke Commissie Mijnbouwschade. Dat proces kost tijd. Totdat deze Commissie op 1 juli 2020 operationeel is kunnen eigenaren met schade zich wenden tot de mijnbouwexploitant. Deze handelt de schade zoveel mogelijk af in overeenstemming met de afspraken die in het protocol zijn vastgelegd. Indien de mijnbouwexploitant de claim afwijst, dan kan men zich voor het beantwoorden van de causaliteitsvraag wenden tot de technische commissie bodembeweging. Voor 1 juli 2020 wordt een informatiecampagne gestart, gericht aan onder meer burgers en gemeenten, met informatie over waar burgers zich kunnen melden en wat er verwacht kan worden van de schadeafhandeling.
Is het u bekend dat er tientallen huurwoningen leeg staan, zoals in de gemeente Loppersum? Hoe kan worden voorkomen dat woningcorporaties ervoor kiezen woningen leeg te laten staan? Hebben de huurders alternatieve huisvesting aangeboden gekregen? Kunt u uitsluiten dat er gevolgen zijn voor de gemeentelijke financiën als gevolg van deze leegstand?
Ja, het is bekend dat er sociale huurwoningen leegstaan, bijvoorbeeld in Loppersum. Soms is het onvermijdelijk dat woningen, als onderdeel van een groter aantal dat gesloopt gaat worden, tijdelijk leegstaan. Corporaties lossen dit ook op door tijdelijke huurcontracten aan te bieden in de overbruggingsfase. Het op grote schaal versterken of slopen voor nieuwbouw is ingewikkeld, zeker in een kleinere gemeente zoals Loppersum. Corporatie Wierden en Borgen geeft aan dat er inmiddels 23 woningen leeg zijn gekomen voor sloop. Hiervan zijn er nu drie tijdelijk verhuurd en staan er 20 leeg. Wel heeft de corporatie onlangs overleg gepleegd met de gemeente en daarbij is over en weer de intentie uitgesproken om voortaan eerst te bouwen voor gesloopt wordt en woningen leeg komen te staan. In verband met locaties is de samenwerking met de gemeente daarbij van groot belang. In alle gevallen krijgen bewoners met een lopend huurcontract alternatieve woonruimte aangeboden. De financiële gevolgen van de tijdelijke leegstand van corporatiewoningen voor sloop zijn voor de corporatie, niet voor de gemeente.
Is het u bekend dat veel mensen kiezen voor sloop en nieuwbouw in plaats van versterken, omdat zij daarmee een duurzame en toekomstbestendige woning krijgen? Deelt u de mening dat een bedrag van 7.000 euro voor het verduurzamen van een versterkte woning niet in verhouding staat tot een nieuwe én volledig duurzame woning?
Wanneer een woning versterkt moet worden, wordt in overleg met bewoners en eigenaren besproken welke versterkingsmaatregelen het meest passend voor de woning zijn om deze op norm te brengen. Deze keuze wordt in beginsel gemaakt aan de hand van afgesproken kaders waarbij de versterkingskosten en de waarde van het gebouw bepalen welke oplossingen mogelijk zijn. In sommige gevallen kan dit resulteren in sloop-nieuwbouw. Indien sloop en nieuwbouw aan de orde is, wordt het huis volgens de nieuwste bouwnormen gebouwd.
Op het moment dat een woning na opname en beoordeling niet gesloopt maar wel versterkt moet worden, kan de eigenaar gebruik maken van de subsidieregeling «Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld». Deze is beschikbaar gesteld om de koppelkansen te benutten om bij versterkingsmaatregelen ook van het moment gebruik te maken om de woningen te verduurzamen. De regeling is eind 2019 gewijzigd zodat ook woningeigenaren in aanmerking komen die afzien van de versterking van hun woning. Deze wijziging sluit aan bij de versterkingsaanpak, waarin de woningeigenaar zelf regie kan voeren over het proces van versterking.
Wat vindt u ervan dat bewoners bijvoorbeeld spouwmuurisolatie zelf moeten betalen als bij versterking een nieuwe muur wordt geplaatst? Bent u bereid om te kijken naar een aantrekkelijker regeling van verduurzaming bij versterking, waardoor veel meer karakteristieke panden behouden kunnen blijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Met de subsidieregeling kunnen woningeigenaren in het aardbevingsgebied subsidie ontvangen om de woning energiezuinig te maken. Bij de versterking van een gebouw heeft de woningeigenaar de vrijheid om, binnen de gestelde voorwaarden, deze subsidie naar eigen wensen in te zetten voor bijvoorbeeld spouwmuurisolatie, maar ook voor het installeren van zonnepanelen. De regeling is daarmee primair gericht op de verduurzaming van de woning.
Voor het behoud van het Gronings erfgoed zijn de gezamenlijke overheden met het Erfgoedprogramma gekomen tot een integrale visie voor de aanpak van gebouwd erfgoed in het aardbevingsgebied. In dit kader zijn aanvullende afspraken gemaakt; zo is voor karakteristieke gebouwen afgesproken dat deze ook niet zomaar mogen worden gesloopt. Vanuit het Erfgoedprogramma is door de provincie Groningen in samenwerking met de gemeente Midden-Groningen en de NCG een pilot subsidieregeling ingesteld voor het behoud van karakteristieke panden in Overschild. Voor de regeling stelt het Nationaal Programma Groningen 2 miljoen euro beschikbaar. Deze bijdrage kan de eigenaar bijvoorbeeld gebruiken voor energiebesparende maatregelen, herbestemming, inhuur van experts of het herstellen van karakteristieke waarden.
Klopt het dat er in de gemeente Delfzijl 30 woningen zijn waar mensen op last van de gemeente vertrokken zijn vanwege de onveilige situatie? Wanneer krijgen deze mensen duidelijkheid? Wanneer krijgen mensen een versterkte of nieuwe woning? Hoeveel woningen in het aardbevingsgebied zijn zó onveilig verklaard dat mensen daar niet meer kunnen wonen?
Er zijn twee acuut onveilige situaties bekend van adressen waar de gemeente heeft ingegrepen. Hier waren de woningen inderdaad te onveilig geworden en niet met tijdelijke maatregelen veilig te stellen. Eén woning wordt op dit moment hersteld. Bij de andere woning wordt op dit moment gewerkt aan een oplossing. Uit de gegevens van de TCMG blijkt dat er tot dusver voor het gehele aardbevingsgebied 212 Acute Onveilige Situatie gegrond zijn verklaard (https://schadedoormijnbouw.nl/over-de-tcmg/cijfers/meldingen). Als er sprake is van een acuut onveilige situatie, dan stelt de bouwkundig adviseur van de TCMG de vervolgstappen in werking. Er wordt ter plekke met de eigenaar een plan van aanpak opgesteld. De bouwkundig adviseur zorgt dat een aannemer dit zo snel mogelijk uitvoert na de AOS-melding. Er worden tijdelijke maatregelen die de onveiligheid direct wegnemen. Dit gaat om een tijdelijke oplossing. Soms wordt er gestut, soms wordt een gebouw deels of zelfs geheel gesloten.
Voor hoeveel woningen zijn er in de eerste twee maanden – of worden in het eerste kwartaal – van 2020 versterkingsadviezen afgegeven? Kunt u dit per gemeente inzichtelijk maken? Klopt het dat de uitvoering die nu plaatsvindt – waar deze leden blij mee zijn – vooral gaat over de woningen uit de oude batches?
Het dashboard met de voortgang van de versterkingsopgave is gepubliceerd op de website van de NCG en deze wordt maandelijks geactualiseerd. Het dashboard met de voortgang t/m 29 februari 2020 per gemeente is in te zien via de volgende link:
De eigenaar heeft altijd het laatste woord over zijn huis. Daarom wordt een project pas vastgesteld na een afspraak met de eigenaar over de versterking. Deze afspraken zijn met name bij de batches reeds afgerond. De gemeenten finaliseren momenteel hun lokale plannen van aanpak. Hierin stellen gemeenten vast hoeveel en welke adressen binnen de gemeente per jaar opgenomen, beoordeeld en uitgevoerd kunnen worden. Met deze informatie zal het dashboard vervolgens worden verrijkt, waardoor bijvoorbeeld inzichtelijk gemaakt kan worden hoe de voortgang zich verhoudt ten opzichte van de prognose.
Is het u bekend dat woningen in het buitengebied van Overschild (batch 3260) in 2017 geïnspecteerd zijn, maar bewoners intussen al 2,5 jaar wachten op versterkingsadviezen? Is het u bekend dat er wel P50-woningen geïnspecteerd zijn, maar dat ook de versterkingsadviezen daarvoor uitblijven en mensen dus soms al anderhalf jaar wachten op duidelijkheid? Wat gaat u daaraan doen?
Ja, dat is mij bekend. Medio 2019 heeft de NCG opdracht gegeven voor beoordeling van de P50 adressen. Daarnaast heeft de gemeente met de NCG afspraken gemaakt voor de P90 adressen en de adressen met een normaal risicoprofiel. Dit betekent dat op basis van de huidige planning alle panden in het buitengebied van Overschild in 2020 en het eerste kwartaal van 2021 worden beoordeeld. De planning zal ook worden opgenomen in het gemeentelijk plan van aanpak 2020, dat naar verwachting in april door de Raad van de gemeente Midden-Groningen wordt vastgesteld.
Stikstofemissie ten gevolge van houtstook |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de brief van Mobilisation for the Environment (MOB) met als kenmerk «Toename van stikstofemissie en/of depositie als gevolg van massaal stoken op hout/biomassa ongewenst en onnodig» en het bijbehorende persbericht?1
Ja.
Voldoet de emissienormering voor NOx en stof in het Activiteitenbesluit voor alle biomassacentrales aan de Europese regelgeving dienaangaande? Zo ja, welke regels gelden er? Zo nee, aan welke regels of normering voldoet de Nederlandse normering niet en wat kunnen de gevolgen zijn van dit niet voldoen aan de regels?
De emissiegrenswaarden in het Activiteitenbesluit (Abm) voor NOx en stof voldoen ruimschoots aan de eisen die de richtlijnen voor Middelgrote stookinstallaties (MCPD, PbEU 2015/2193) en grote stookinstallaties (IED, PbEU 2010/75/EU en de BBT-conclusies (EU) 2017/1442) daaraan stellen. Zie overzicht in onderstaande tabel.
Vermogen
MCPD/IED
BBT-bandbreedte1
Emissiegrenswaarde Abm
Stof
<1 MW
geen
nvt
40
1–5 MW
20
nvt
20
5–50 MW
20
nvt
5
50–100
221
2–10
5,51
100–300
221
2–10
5,51
>300
221
2–10
5,51
NOx
<1 MW
geen
nvt
300
1–5 MW
300
nvt
275
5–50 MW
300
nvt
145
50–100 MW
2751
120–200
1101
100–300 MW
2201
100–200
1101
>300 MW
1501
65–150
1101
Uitgedrukt als daggemiddelde emissiegrenswaarden/emissieconcentraties
Deelt u de mening van MOB dat «de emissienormen in het Activiteitenbesluit voor NOx en stof van alle biomassacentrales zwaar gedateerd [zijn] en evenmin [voldoen] aan de wettelijke eis tot toepassing van ten minste Best Beschikbare Technieken»? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze emissienormen binnen afzienbare termijn worden aangescherpt? Zo nee, waarom niet?2
Die mening deel ik niet. Het Activiteitenbesluit milieubeheer4 (Abm) bevat vanaf 1 januari 2013 de emissiegrenswaarden NOx en stof (zie tabel bij vraag 2) voor de middelgrote stookinstallaties (tot 50 MW). Deze gelden als de strengste in Europa. In het kader van het Schone Lucht Akkoord laat ik TNO onderzoek doen naar de mogelijkheden van aanscherping van deze emissiegrenswaarden (zie huidige emissiegrenswaarden Abm in de tabel bij vraag 2).
Voor stookinstallaties onder de 50MW geldt de emissiegrenswaarde van het Abm. Voor grote stookinstallaties (vanaf 50MW) geldt ook de emissiegrenswaarde van het Abm, maar maakt het bevoegd gezag daarnaast een BBT-afweging (Beste Beschikbare Techniek). Daarbij wordt gekeken of het in een concreet geval mogelijk is om een lagere grens voor uitstoot voor NOx en stof vast te stellen dan het Abm voorschrijft. Daarbij wordt als range gehanteerd de scherpe kant van de Europese verplichting (de bodem van de BBT-range) en de emissiegrenswaarde in het Abm als maximumwaarde. In zeer uitzonderlijke gevallen wordt soms ook gekozen voor een emissie-eis in de vergunning die strenger is dan de scherpe kant van de BBT-range als bijvoorbeeld de locatie van de centrale vraagt om extra maatregelen.
Deelt u de mening van MOB dat de emissie voor biomassa-installaties zonder technische problemen en tegen relatief bescheiden extra kosten substantieel kan worden teruggebracht? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Dit is afhankelijk van de situatie. In het bovengenoemde TNO-onderzoek wordt ook gekeken naar de kosten van eventuele aanscherpingen. Daarnaast stimuleert het kabinet fiscale innovatie met de fiscale regelingen VAMIL en MIA. In deze regelingen worden marktintroductie en marktverbreding van milieutechnologie fiscaal gestimuleerd. Hieronder vallen bijvoorbeeld investeringen in stof- en NOx-reductietechnologie.
Bent u bereid, in dat kader, in overleg met de medeoverheden, actief te bevorderen dat het verplicht stellen van de Best Beschikbare Technieken in de vergunningverlening en de handhaving als regel wordt toegepast? Zo ja, op welke wijze gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil ook niet dat er meer uitgestoten wordt dan noodzakelijk. Daarom ben ik bezig met een samenhangende aanpak in het kader van het Schone Lucht Akkoord. Dit is een bestuursakkoord tussen Rijk, provincies en gemeenten en bevat een samenhangend pakket voor een groot aantal sectoren. Doel is de uitstoot van schadelijke stoffen verder te verminderen. Zo zetten provincies en gemeenten zich in om scherp te vergunnen, op basis van Best Beschikbare Techniek, en het vergunningenbestand tijdig te actualiseren. Het Rijk ondersteunt hierbij met kennis en capaciteit.
BBT is reeds onderdeel van vergunningverlening. Zie ook hetgeen ik in vraag 3 heb vermeld over de BBT-afweging.
Deelt u de mening dat er met de huidige normering onnodig hoge stikstofemissie en -depositie plaatsvindt en dat deze bovendien de gezondheid van mensen kan aantasten? Zo ja, wat gaat u doen om deze emissies terug te brengen en te vermijden dat mensen gezondheidsklachten ontwikkelen? Zo nee, waarom niet?
De mogelijke aanscherpingen die TNO momenteel onderzoekt richten zich op verdere verbetering van de luchtkwaliteit. Het bevoegd gezag kan eventueel extra eisen stellen in verband met depositie op gevoelige gebieden. Dat behoeft een lokale afweging.
Deelt u de opvatting dat het, mede gelet op het groeiende verzet tegen de toepassing van biomassa als energiebron, gewenst is alles in het werk te stellen om de uitstoot van schadelijke stoffen te verminderen? Zo ja, bent u bereid om daar een samenhangende aanpak voor te ontwikkelen en de Kamer over de inhoud van die aanpak en de voortgang te informeren? Zo nee, waarom niet?
In het Schone Lucht Akkoord heb ik met de andere overheden samenhangende afspraken gemaakt over het realiseren van scherpere eisen in vergunningen en een betere handhaving om bij te dragen aan de luchtkwaliteit. In het SLA is daarnaast ook aangegeven dat gekeken wordt naar modernisering van de regelgeving, bijvoorbeeld door het verlagen van de vermogensgrens van 15MW voor een vergunningplicht bij biomassa stook.
Het artikel 'Hossam wil graag Nederlands leren, maar voor blinde nieuwkomers is er bijna geen les' |
|
Niels van den Berge (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hossam wil graag Nederlands leren, maar voor blinde nieuwkomers is er bijna geen les», waarin uiteengezet wordt hoe inburgeraars met een beperking tegen problemen aanlopen in het inburgeringsproces en het leren van de Nederlandse taal?1
Ja/
Deelt u de mening dat het leren van de Nederlandse taal essentieel is voor de inburgering van elke nieuwe Nederlander en dat het daarom onacceptabel is dat inburgeraars met een fysieke of mentale beperking niet dezelfde kansen krijgen als inburgeraars zonder beperking?
Het leren van de Nederlandse taal is essentieel voor nieuwkomers en de wet inburgering biedt het kader voor degenen die inburgeringsplichtig zijn. Het is mogelijk om aangepaste examens te doen, voor sommige mensen met een beperking biedt dat uitkomst. Daarnaast is er een mogelijkheid om op medische grond te worden ontheven van de inburgeringsplicht. De huidige wettelijke kaders geven niet meer ruimte. Met de nieuwe wet inburgering wil ik meer mogelijkheden creëren die gericht zijn op wat mensen met een beperking wel kunnen.
Kunt u een overzicht geven van het aantal inburgeraars dat wegens een beperking tegen problemen aanloopt in het inburgeringsproces? Krijgt deze groep enige vorm van speciale aandacht ten opzichte van inburgeraars zonder beperkingen?
Mensen met een beperking kunnen op basis van medisch advies worden ontheven van de inburgeringsplicht. Dit wordt uitgevoerd door een door DUO gecontracteerd bureau (Argonaut). In 2019 zijn er 668 aanvragen ingediend en zijn er 499 mensen op medische gronden ontheven. De aard van beperkingen loopt sterk uiteen (fysiek, psychisch of verstandelijk). Er worden geen overzichten bijgehouden van het type beperking vanwege privacywetgeving. De consequentie van een ontheffing is dat mensen niet meer inburgeringsplichtig zijn en dat er geen gebruik meer kan worden gemaakt van de lening.
Op basis van medisch onderzoek en advies van Argonaut is het ook mogelijk om de examens te doen onder aangepaste examenomstandigheden. Een overzicht van aanpassingen voor de inburgeringsexamens (KNM en A2 niveau) is opgenomen in de Regeling Inburgering2. Vanwege de mogelijkheid tot ontheffing wordt hiervan weinig gebruik gemaakt. Voor de Staatsexamens Nt2 (B1/B2 niveau) zijn er ook aangepaste examens mogelijk en zijn er bijvoorbeeld ook braille examens beschikbaar. Dit is relevant voor mensen die willen studeren waarvoor een diploma Staatsexamen Nt2 nodig is (B1 of B2) en die al over vaardigheden beschikken om dit te kunnen leren.
Klopt het dat inburgeraars met een beperking geregeld aangeraden wordt ontheffing aan te vragen voor het inburgeringsexamen? Kunt u een indicatie geven van hoe vaak dit gebeurt?
Het is belangrijk dat mensen met een beperking gewezen worden op de mogelijkheden waaronder ook ontheffing op medische gronden. Sommige mensen met een beperking zijn niet in staat om te voldoen aan de eisen die de wet inburgering stelt. Inburgeraars die volledig doof en/of blind zijn, kunnen nu geen aangepaste examens afleggen op A2 niveau. Bij vragen zal DUO daarom doorverwijzen naar Argonaut. Omdat er op B1/B2 niveau wel braille examens beschikbaar zijn, is het van belang dat hierop wordt gewezen zodat een inburgeraar een goede afweging kan maken passend bij wat binnen de mogelijkheden ligt. Argonaut schat dat gemiddeld enkele tientallen visueel beperkten (blind of zeer slecht ziend) per jaar in aanmerking komen voor ontheffing. Mensen met een beperkt zicht kunnen gebruik maken van aangepaste examenomstandigheden.
Deelt u de mening dat dit geen oplossing is omdat de inburgeraar hiermee zijn/ haar recht op een lening van DUO voor taallessen verliest en dit juist de kloof tussen deze inburgeraars en de Nederlandse samenleving vergroot? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor het kabinetsbeleid?
In de nieuwe wet inburgering wil ik voor mensen met een beperking gedeeltelijke ontheffing mogelijk maken. Ontheffing kan dan gelden voor bepaalde examenonderdelen. Bij blinden zou de uitkomst kunnen zijn dat zij wel de onderdelen Spreken en Luisteren doen en niet de onderdelen Lezen en Schrijven omdat dat niet kan zonder beheersing van braille en het leren van braille in combinatie met het leren van de Nederlandse taal niet voor iedereen haalbaar is. Deze doelgroep kan dan wel inburgeringslessen volgen en de andere examenonderdelen afleggen en daarmee ook voldoen aan de inburgeringsplicht.
Hoe verlopen de gesprekken met Visio over het pilottraject inburgering voor mensen met een visuele beperking? Deelt u de mening dat het van belang is dat inburgeraars met een beperking, vooral degenen die al enige tijd wachtende zijn op ondersteuning, zo snel mogelijk kunnen beginnen met de inburgering? Wanneer verwacht u dat dit traject van start zal gaan?
Visio heeft eind 2018 contact gezocht over inburgering het Ministerie van SZW en ook vanuit de Tweede Kamer is vorig jaar aandacht voor dit onderwerp gevraagd. VISIO heeft eind 2019 een pilotvoorstel ingediend over de ontwikkeling en uitvoering van een Nt2-programma gericht op inburgeringsplichtigen met een visuele beperking ter voorbereiding op het nieuwe inburgeringsstelsel. Dit voorstel is begin dit jaar goedgekeurd en het traject is in april 2020 gestart, de looptijd van deze pilot is een jaar.
Kunt u een overzicht geven van het aantal inburgeraars dat kampt met mentale stoornissen, zoals posttraumatische stressstoornis of depressie? Krijgen deze inburgeraars momenteel speciale begeleiding tijdens hun inburgeringsproces? Zo nee, waarom niet?
Als er sprake is van een medisch probleem dan is medische zorg belangrijk. Wanneer medische problemen de inburgering dusdanig belemmeren, kan er een medisch advies worden aangevraagd en kan ontheffing op medische gronden worden verleend. In geval van psychische problematiek is het ook mogelijk de inburgeringstermijn met de duur van de behandeling (maximaal 2 jaar) te verlengen, dit heeft uiteraard de voorkeur boven het op voorhand ontheffen omdat het de mensen de kans geeft alsnog in te burgeren als ze eraan toe zijn. Een aanvraag voor verlenging op medische gronden wordt beoordeeld door Argonaut op basis van een verklaring van de behandelend arts. Daar zijn geen kosten aan verbonden. Er worden geen overzichten bijgehouden van het type beperking waarvoor ontheffing of verlenging wordt verleend. In overleg met SZW wordt gekeken welke informatie, gezien de privacywetgeving, hierover in de toekomst wel geregistreerd en gedeeld kan worden.
Worden soortgelijke pilottrajecten op korte termijn ook opgezet voor inburgeraars met andere beperkingen? Zo nee, waarom niet? Kunt u in uw antwoord ingaan op de verschillende (veel voorkomende) beperkingen waar inburgeraars mee kampen, waaronder geestelijke beperkingen en mentale stoornissen?
De introductie van een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht in de nieuwe wet, biedt voor een deel van de nieuwkomers met een beperking meer mogelijkheden om deel te nemen aan de inburgering. Dit is een belangrijke stap die we met de nieuwe wet inburgering zetten.
VISIO is in april gestart met een pilottraject inburgeren met een visuele beperking. En er is meer aandacht voor dit onderwerp want onderwijsinstelling Kentalis doet onderzoek naar auditief beperkte nieuwkomers en gemeenten hebben vragen over mensen met een beperking in het nieuwe stelsel. Les aan anderstaligen (Nt2) met een beperking wordt met name gegeven op onderwijsinstellingen voor leerplichtige kinderen. Het is belangrijk dat de kennis wordt gebundeld want de doelgroep vanuit inburgering is klein en verspreid over Nederland. Er volgen gesprekken met experts, overheden, organisaties en gemeenten. Ik ben hierover ook in gesprek met het Kenniscentrum Integratie en Samenleving (KIS). Wat er nodig is, ligt op het snijvlak van inburgering, onderwijs en zorg. Op deze manier komt er meer kennis beschikbaar en ontstaat zicht op de doelgroep, de behoeften en mogelijkheden. De pilot met VISIO is daarin een belangrijke eerste stap.
Zal er in de nieuwe Inburgeringswet ruimte komen voor inburgeraars met een beperking? Zo ja, op welke manier en bouwt dit voort op de resultaten van de pilots? Zo nee, waarom?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht in The Guardian ‘Heathrow third runway ruled illegal over climate change’ |
|
Jan Paternotte (D66), Eppo Bruins (CU), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het Britse court of appeal ten aanzien van de wetmatigheid van het besluit een derde baan voor luchthaven Heathrow te gaan realiseren?1 2
Ja.
Bent u van mening dat Nederland gebonden is aan de afspraken in het klimaatakkoord van Parijs?
Ja, Nederland is hieraan gebonden. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 27 maart 20193 moet ook de luchtvaart bijdragen aan de doelstelling die in 2015 in Parijs is afgesproken: de opwarming van de aarde beperken tot ruim beneden de 2 graden Celsius, met een streven naar 1,5 graad.
Hoe beoordeelt u het stilleggen van de expansie van Heathrow Airport vanwege strijdigheid tussen het Airports National Policy Statement en het Parijse klimaatakkoord?
Ik heb kennisgenomen van het feit dat volgens The Court of Appeal de Airports National Policy Statement (ANPS) in strijd is met de Planning Act. The Court of Appeal heeft expliciet aangegeven dat het geen uitspraak doet over de (politieke) wenselijkheid van de uitbreiding, maar uitsluitend oordeelt over de rechtmatigheid van de ANPS. In dat kader stelt The Court of Appeal vast dat niet voldoende gemotiveerd is hoe de uitbreidingsplannen zich verhouden tot de Britse klimaatdoelstellingen. Nu hier ook de Overeenkomst van Parijs onder valt en het ANPS hiervoor geen motivering bevat, moet de regering het ANPS op dit punt heroverwegen.
Deelt u het oordeel van de Britse rechter dat de afspraken in het klimaatakkoord ook passend beoordeeld en gewogen dienen te worden bij grote projecten, zoals in dit geval een project dat betrekking heeft op de luchtvaartsector?
In het kader van de scheiding der machten is het in dit geval aan de Britse rechter om een oordeel te vormen over de rechtmatigheid van de voorgenomen Britse besluitvorming. Daarbij wordt in dit concrete geval een rechtsoordeel gevormd over de vraag hoe de Britse plannen zich verhouden tot de Britse klimaatdoelstellingen. Het is niet aan mij om een oordeel te vormen over de uitspraak van de Britse rechter en in hoeverre deze al dan niet passend en wenselijk is.
Kunt u toelichten of er in de milieueffectrapportages (MER's) voor Schiphol en Lelystad Airport rekening is gehouden met het effect van een eventuele uitbreiding van het aantal vliegbewegingen op Schiphol c.q. Lelystad Airport op de Nederlandse capaciteit om onze klimaatafspraken in het Parijsakkoord na te komen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 27 maart 20194 moet ook de luchtvaart bijdragen aan de doelstelling die in 2015 in Parijs is afgesproken: de opwarming van de aarde beperken tot ruim beneden de 2 graden Celsius, met een streven naar 1,5 graad. Binnen de systematiek van de Overeenkomst van Parijs wordt via twee sporen uitvoering gegeven aan CO2-reductie door de luchtvaart: 1) reductie door de internationale luchtvaart wordt primair gerealiseerd via de VN-organisatie voor de internationale burgerluchtvaart (ICAO) en 2) reductie door de binnenlandse luchtvaart en grondgebonden activiteiten wordt nationaal gerealiseerd. In de genoemde Kamerbrief wordt toegelicht waarom vooral een internationale aanpak vereist is (bijvoorbeeld met oog op effectiviteit, gelijk speelveld, internationaal draagvlak, voorkomen van uitwijkgedrag) en hoe dit kan worden versterkt met nationale inspanningen voor CO2-reductie door de luchtvaart. De Nederlandse luchtvaartsector heeft gezamenlijk met het Rijk gekozen om zichzelf nationale doelen op te leggen voor de uitstoot van de internationale luchtvaart en gaat hiermee verder dan vereist volgens internationale afspraken. Deze nationale aanpak voor de CO2-emissies van de internationale luchtvaart wordt in belangrijke mate vormgegeven aan de Duurzame Luchtvaarttafel.
Het Nederlandse en internationale klimaatbeleid vormt de achtergrond waartegen een besluit over de uitbreiding of ontwikkeling van een Nederlandse luchthaven wordt genomen. Om daadwerkelijk een besluit over de ontwikkeling van een bepaalde luchthaven te nemen, dient voor een luchthavenbesluit (of luchthavenverkeersbesluit) een milieueffectrapport te worden opgesteld. In het MER behorend bij een luchthavenbesluit wordt inzichtelijk gemaakt wat de (nationale) effecten zijn van de grondgebonden activiteiten en de landing and take-off (LTO) cyclus van de exploitatie van die betreffende luchthaven. Dit ten behoeve van de afweging van varianten en het in beeld brengen van de milieueffecten daarvan. Conform een motie van de Kamer5 zal in de PlanMER van de Luchtvaartnota inzicht worden gegeven in de totale CO2-uitstoot van de uit Nederland vertrekkende vluchten.
Lelystad
In het MER en geactualiseerde MER6 is inzichtelijk gemaakt wat de CO2-uitstoot is van de LTO-cyclus. In het geactualiseerde MER Lelystad Airport is bepaald dat het faciliteren van 45.000 vluchten handelsverkeer leidt tot een CO2-emissie van circa 71Kton CO2 (LTO-cyclus). De commissie voor de m.e.r. heeft geoordeeld dat op basis van het geactualiseerde MER 2018 de milieueffecten volwaardig kunnen worden meegewogen in afweging tussen varianten en de finale besluitvorming.
Schiphol
Schiphol Group onderzoekt momenteel de milieugevolgen van het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel Schiphol. Deze milieugevolgen worden opgenomen in het MER. Deze MER is nog niet afgerond. Onderdeel van dit MER is een emissieberekening van de hoeveelheid CO2 als gevolg van de LTO-cycli van het vliegverkeer, het platformverkeer en het wegverkeer op de luchthaven.
Kunt u aangeven of en, zo ja, hoe in Nederlandse MER's ten behoeve van luchthavenverkeersbesluiten (LVB's) de Parijse klimaatdoelen gewogen worden ten opzichte van de te verwachten klimaatimpact van de veranderingen die het ter zake doende LVB mogelijk maakt?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u meer specifiek aangeven of en, zo ja, hoe u dit gedaan heeft bij het MER Lelystad Airport 2018 en het LVB Lelystad Airport van december 2018?
Zie antwoord vraag 5.
Is door of in opdracht van het ministerie een juridische analyse gemaakt van de vraag of de opzet van luchthavenverkeersbesluiten in het algemeen – en thans voorliggende LVB's (zoals die van Lelystad Airport) in het bijzonder – standhouden onder de Nederlandse verplichtingen voortvloeiend uit het Parijse klimaatakkoord? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Bij het redigeren van ieder luchthaven(verkeer)besluit wordt bezien of deze verenigbaar is met het wettelijk kader met inbegrip van verdragen en in nationaal- en internationaal verband gesloten akkoorden of overeenkomsten.
In hoeverre ligt de Nederlandse luchtvaartsector op koers om het door de sector gestelde klimaatdoel – 15% minder uitstoot in 2030 ten opzichte van 2005 – te behalen?
In het Ontwerpakkoord Duurzame Luchtvaart hebben sectorpartijen de doelstelling geformuleerd om de uitstoot van de internationale luchtvaart vertrekkend uit Nederland in 2030 terug te brengen tot het niveau van 2005 en in 2050 te halveren ten opzichte van 2005. Voor de binnenlandse emissies is voor 2030 afgesproken dat de CO2-emissies van grondgebonden luchtvaartactiviteiten zijn teruggebracht tot nul en is voor 2050 afgesproken dat deze ook tot nul is teruggebracht voor de binnenlandse luchtvaart. De Duurzame Luchtvaarttafel geeft de komende tijd verdere uitwerking aan deze doelstelling. Hieruit zal blijken welke maatregelen, bekostiging en versnellingen nodig zijn om de doelstellingen te halen.
Wanneer verwacht u een definitief akkoord Duurzame Luchtvaart aan de klimaattafel luchtvaart te kunnen sluiten met stakeholders?
Het Ontwerpakkoord heb ik uw Kamer aangeboden met mijn brief van 27 maart 2019. In die brief heb ik aangegeven dat ik het Ontwerpakkoord zie als tussenresultaat dat een stand van zaken geeft van de Duurzame Luchtvaarttafel. Aan de Tafel wordt ondertussen gewerkt aan de nadere uitwerking en uitvoering van het Ontwerpakkoord. Ook staat in de genoemde Kamerbrief dat de Luchtvaartnota voor het thema klimaat kan worden gezien als kabinetsreactie op het Ontwerpakkoord. In de Luchtvaartnota zal ik onder meer aangeven hoe ik kijk naar het vervolgproces van de Duurzame Luchtvaarttafel en het Ontwerpakkoord.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het AO Luchtvaart van 26 maart 2020?
Sommige antwoorden zijn uit het oogpunt van leesbaarheid samengevoegd.
Heeft u kennisgenomen van het verzoek van de International Air Transport Association (IATA) om voor het jaar 2020 de regels aangaande het recht op behoud van slots in een opvolgend gebruiksjaar op te schorten voor de 200 wereldwijde slotgecoördineerde luchthavens?1
Ja.
Deelt u de stelling van de vragenstellers dat het coronavirus een impact heeft op de luchtvaartsector vergelijkbaar met een economische crisissituatie, en dat derhalve het gerechtvaardigd is de bestaande slotregels voor deze situatie te heroverwegen?
Ja. En dat beperkt zich niet alleen tot de luchtvaart, ook andere transportsectoren worden geraakt.
Herkent u het beeld dat IATA schetst van grootschaligecancellations en no shows van geboekte tickets op routes naar (met name) bestemmingen met veel bevestigde besmettingen, zoals Noord-Italië, Japan en Zuid-Korea? Kunt u aangeven in hoeverre de bezettingsgraad van vluchten op deze bestemmingen de afgelopen weken is gedaald?
IATA heeft de in het bericht geschetste zware terugval van luchtverkeer op verschillende belangrijke Aziatische routes en andere bestemmingen wereldwijd gebaseerd op haar eigen onderzoek. Ik kan niet aangeven in hoeverre de bezettingsgraad van vluchten op deze bestemmingen de afgelopen weken is gedaald omdat dat commerciële gegevens betreft van luchtvaartmaatschappijen die ik niet tot mijn beschikking heb.
Deelt u de stelling van de vragenstellers dat het ongewenst is dat luchtvaartmaatschappijen door slotregels gedwongen worden om grotendeels lege toestellen te laten vliegen en/of tijdelijke routes te openen, puur om historische slotrechten in 2021 te kunnen behouden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid in overleg te treden met de Europese Commissie over het verzoek van IATA, met als doel om een opschorting van de slotregels ten aanzien van het behoud van historische rechten te realiseren voor het gebruiksjaar 2020?
Ja. Ik heb de Europese Commissie verzocht om haar huidige ontheffing van de slotregels ten behoeve van het behoud van historische rechten voor het IATA winterseizoen 2019/2020 in verband met het coronavirus te verlengen voor het aankomend IATA zomerseizoen en de reikwijdte van die ontheffing te verruimen naar alle landen die hierdoor ernstig geraakt worden.
Kunt u aangeven welke maatschappijen sinds de uitbraak van het coronavirus hun operatie op Nederlandse luchthavens (grotendeels) hebben moeten staken?
De impact van het coronavirus op de vluchtschema’s van verschillende luchtvaartmaatschappijen zoals KLM en easyJet is groot, maar verschilt per luchtvaartmaatschappij en is mede afhankelijk van de bestemmingen die zij aandoen. Verschillende luchtvaartmaatschappijen zien zich ook genoodzaakt om op korte termijn hun bestemmingenportfolio aan te passen vanwege de impact van het coronavirus op een groot aantal van die bestemmingen.
Deelt u de stelling van de vragenstellers dat het wenselijk is om vrijkomende slots door teruggave aan de slotpool als gevolg van disrupties of faillissementen (mede) veroorzaakt door het coronavirus op de reguliere wijze te kunnen verdelen voor het volgende gebruiksjaar, maar daarbij te waarborgen dat maatschappijen geen onrendabele routes hoeven te openen om deze rechten nog tijdens de disruptie veroorzaakt door het coronavirus te kunnen verkrijgen? Zo ja, bent u bereid ook hierover in gesprek te treden met de Europese Commissie?
In antwoord hierop wil ik u verwijzen naar mijn antwoord op vraag 5.
De berichtgeving ‘Ook in Nederland gezichtsherkenning met omstreden programma Clearview’ |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving over de gelekte klantenlijst van het Amerikaanse bedrijf Clearview AI waaruit blijkt dat Nederland gebruik heeft gemaakt van omstreden gezichtsherkenningssoftware?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de software van Clearview het mogelijk maakt om gezichten op camerabeelden van personen te herkennen en identificeren aan de hand van online foto’s en video’s? Vindt u het gebruik van deze technologie wenselijk in een democratische rechtsstaat en in Nederland in het bijzonder?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. De berichtgeving over Clearview beschrijft het grootschalig verzamelen van foto’s en bijbehorende identificerende gegevens van het internet door een private partij, alsmede het beschikbaar maken van die gegevens aan betalende partijen. De focus van Clearview lijkt daarbij op opsporingsinstanties te liggen, die dan middels automatische gezichtsherkenning onbekende personen kunnen identificeren. In de Nederlandse verhoudingen vind ik het niet wenselijk om ongericht een dergelijke verzameling van online foto’s aan te leggen om vervolgens te dienen als vergelijkingsmateriaal voor opsporingsfoto’s.
Welke Nederlandse publieke en/of semipublieke organisaties hebben gebruik gemaakt van de omstreden gezichtsherkenningssoftware? Was u hiervan op de hoogte, ook voorafgaand aan dit besluit? Zo ja, waarom voelde u zich niet genoodzaakt hierover de Kamer te informeren? Zijn ook andere bewindspersonen betrokken geweest bij de besluitvorming rondom Clearview?
Het is mij op dit moment niet bekend of er overheidsdiensten zijn die een product van Clearview in gebruik hebben of hiervan gebruik hebben gemaakt. De Minister van BZK heeft tijdens het AO Digitalisering van 11 maart jl. op vragen van het lid Verhoeven toegezegd breder bij de overheid te bezien of er gebruik wordt of is gemaakt van Clearview en uw Kamer hierover te informeren.
Ik heb mij reeds enkele weken geleden, toen op het internet de eerste melding werd gemaakt van Clearview in relatie tot de Nederlandse politie, laten informeren door de politie. Zij zijn niet centraal benaderd door Clearview, zijn niet op de hoogte van contacten met dat bedrijf, en hebben geen producten afgenomen.
Welke afspraken, inclusief financiële afspraken, zijn er gemaakt tussen Nederlandse publieke en/of semipublieke organisaties en het bedrijf Clearview AI? Met welke doeleinden hebben Nederlandse publieke en/of semipublieke organisaties de gezichtsherkenningssoftware van Clearview toegepast? Op welke locaties en in welke periode vond dit plaats?
Zoals vermeld in mijn antwoord op vraag 3 ben ik op dit moment niet bekend met enige afspraak tussen een Nederlandse overheidsdienst en Clearview en zal de Minister van BZK hierover uw Kamer informeren.
Is het toepassen van gezichtsherkenningssoftware conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Welke mensenrechten kunnen hiermee in het geding zijn, denkt u?
Het gebruiken van gezichtsherkenningssoftware is niet uitgesloten door de AVG. Wel zijn er strenge regels voor het gebruiken van biometrische gegevens, waar sprake van is bij het gebruiken van automatische gezichtsherkenning. Het hangt van de concrete toepassing af of dit in lijn is met de AVG.
Welke mensenrechten in het geding zijn bij het gebruik van gezichtsherkenningstechnologie is sterk afhankelijk van de wijze en context van toepassing. In elk geval kan het van invloed zijn op vrijheidsrechten en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Minister voor Rechtsbescherming heeft een brief in voorbereiding over de feitelijke toepassing van gezichtsherkenningstechnologie in Nederland, alsmede het juridisch kader dat daarop van toepassing is. Tevens verschijnt er binnenkort een WODC-rapport over privacyaspecten rondom gezichtsherkenningstechnologie.
Bent u ervan op de hoogte dat Twitter, Facebook en Google de praktijken van Clearview onwenselijk vinden en dat zij sommeren dat Clearview geen gebruik meer maakt van hun data voor de gezichtsherkenningssoftware?
Ja.
Bent u bereid om bovenstaande vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
De opgelopen vertragingen bij de renovatie van de Wantijbrug en de Botlekbrug |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel »Dit is prutswerk van de bovenste plank»?1
Ja.
Waarom heeft Rijkswaterstaat ervoor gekozen om de renovatie van zowel de Wantijbrug als de Botlekbrug tegelijk plaats te laten vinden? Welke afwegingen zijn er gemaakt?
Het was juist de bedoeling om beide renovaties niet gelijktijdig uit te voeren. Door vertraging van de renovatie van de Wantijbrug is echter een situatie ontstaan waarbij de werkzaamheden aan de Wantijbrug samenvallen met de werkzaamheden aan de Botlekbrug.
Dat heeft geleid tot extra verkeershinder, met name voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor dit vervoer was een omrijdroute noodzakelijk omdat de Botlekbrug van 2 tot en met 21 maart dagelijks afgesloten was van 1.00 tot 4.00u en de Wantijbrug tot 3 april volledig afgesloten is.
Omdat deze situatie niet optimaal is, heeft RWS de volgende alternatieven verkend.
Verdere verschuiving van de werkzaamheden aan de Wantijbrug tot na de werkzaamheden aan de Botlekbrug was echter geen haalbare optie. Dit omdat deze dan zouden samenvallen met de aansluitende renovatie-werkzaamheden aan de N3. Dit was zowel technisch als logistiek niet mogelijk.
Vertraging van de werkzaamheden aan de Botlekbrug tot na de werkzaamheden van de Wantijbrug was eveneens geen haalbare optie. Hiervoor zouden bestaande afspraken moeten worden opengebroken met naar verhouding grote financiële consequenties.
Waarom is er niet voor gekozen om de renovaties aan beide bruggen na elkaar te laten plaatsvinden, zodat de transportsector niet zoveel extra kilometers hoeft te rijden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel extra brandstofverbruik veroorzaakt de omleiding? Hoeveel minuten extra zijn chauffeurs nu onderweg vanwege de omleiding?
In mijn brief aan de Kamer van 1 juli 2019 (2018–2019, 29 385, nr. 102) heb ik inzicht gegeven in de hinder als gevolg van de renovatie van de Wantijbrug. Door de samenloop van de werkzaamheden aan de Wantijbrug en de Botlekbrug is extra hinder ontstaan. Het extra brandstofgebruik is van teveel factoren afhankelijk om daarvan een betrouwbare inschatting te kunnen geven. De extra omrijdtijd is wel in te schatten. Deze bedraagt, afhankelijk van herkomst en bestemming, 45 tot 80 minuten extra en betreft alleen het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Waarom is er geen contact opgenomen met de transportbranche voorafgaand aan het besluit beide bruggen te openen? Waarom werd de transportsector na de besluitvorming alleen via een flyer ingelicht? Waarom is ervoor gekozen zwaardere controles uit te voeren op het naleven van de verplichte omleidingen?
Op bestuurlijk niveau is geen contact geweest met TLN. Dat had wel gemoeten. Rijkswaterstaat zal daarom frequenter contact onderhouden op bestuurlijk niveau en binnenkort met TLN bespreken, hoe de informatievoorziening in dit soort situaties over en weer verbeterd kan worden. Er is op inhoudelijk niveau overigens – telefonisch en per mail – wel frequent en open contact geweest tussen Rijkswaterstaat en TLN ten tijde van de besluitvorming (december 2019 – februari 2020). Daarnaast zijn de transportbedrijven via een uitgebreide en meertalige folder geïnformeerd over de situatie.
De zwaardere controles bij omrijdroutes worden voor de veiligheid uitgevoerd, omdat het vervoer van gevaarlijke stoffen betreft.
Klopt het dat er door een ingenieursbureau foutieve berekeningen zijn gemaakt, waardoor de werkzaamheden aan de Wantijbrug later van start zijn gegaan? Is het ingenieursbureau ook aansprakelijk voor de opgelopen vertraging?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik allereerst naar mijn brief aan de Kamer van 1 juli 2019 (2018–2019, 29 385, nr. 102). Deze brief gaat nader in op de oorzaken van de vertraging van de renovatie van de Wantijbrug. De vertraging is het gevolg van de noodzakelijke aanpassing van de scope van het project en de afstemming van de uitvoeringsperiode. Uit het in de brief van 1 juli 2019 genoemde onderzoek is gebleken dat het ingenieursbureau hiervoor niet aansprakelijk kan worden gehouden.
Is er een andere route te bedenken voor het vrachtverkeer met gevaarlijke stoffen?
De omrijdroute betreft de kortste op het Hoofdwegennet beschikbare route. Gebruik van de Botlektunnel is niet mogelijk vanwege de beperking voor het vervoer van bepaalde categorieën gevaarlijke stoffen door deze tunnel.
Kunnen economisch getroffen bedrijven aanspraak maken op de nadeelcompensatieregeling? Zo ja, aan welke voorwaarden moet hiervoor worden voldaan en zijn zij hiervan op de hoogte? Waar dienen zij zich te melden?
Getroffen bedrijven kunnen een beroep doen op de schade- en nadeelcompensatieregeling van Rijkswaterstaat. Er moet echter sprake zijn van aanzienlijke omzetschade om hiervoor in aanmerking te komen. De verwachting is dat hiervan in deze situatie geen sprake zal zijn.
Bedrijven die een beroep willen doen op de schade- en nadeelcompensatieregeling kunnen zich wenden tot het digitale loket: https://www.rijkswaterstaat.nl/over-ons/contact/schade-en-compensatie/nadeelcompensatie.aspx Op deze website staan tevens de voorwaarden vermeld waar aan voldaan dient worden.
Bent u van plan in gesprek te gaan met de getroffen ondernemers om dit netjes af te handelen?
Rijkswaterstaat spreekt op korte termijn met TLN als vertegenwoordiger van de ondernemers over deze kwestie; zie ook het antwoord op vraag 5. Getroffen ondernemers kunnen zich, zoals gemeld in het antwoord op vraag 8, melden bij het digitale loket van Rijkswaterstaat.
De inkomensongelijkheid die door statistische keuzes kleiner lijkt dan hij is |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Statistische keuzes vegen helft inkomensongelijkheid onder het tapijt»? Wat is uw reactie hierop?1
Ik ben bekend met het artikel. Ik onderschrijf dat vermogens ongelijker verdeeld zijn dan inkomens. Aan de berekeningen over de belastingdruk incl. vermogens, gaan een aantal assumpties vooraf. Zo wordt er aangenomen dat het rendement op vermogens bijna 8 procent bedraagt, terwijl het achterliggende artikel van Jorda et al. zulke rendementen alleen toekent aan vermogens belegd in risicovolle beleggingen. Deze aanname kan eraan bijdragen dat de verschillen in belastingdruk in de berekeningen hoger uitvallen. Bovendien wordt een belangrijk deel van de opbrengst uit vermogen via het inkomen uit vermogen wel zo goed als mogelijk meegenomen in de primaire inkomens.2 Dit geldt bijvoorbeeld voor rente en economische huurwaarde. Wel is het inderdaad zo dat de ontwikkeling in waarde van vermogen niet meeloopt in deze statistieken. Ook bij de keuze om de betaalde rente op schuld uit te zonderen van de berekening van inkomens wil ik de kanttekening plaatsen dat mij dit niet in lijn lijkt met het genoten inkomen. Zo wordt de betaalde hypotheekrente in dat geval in het geheel niet meegenomen in de bepaling van het inkomen, maar een op papier gerealiseerde vermogenswinst op de eigen woning wel. Terwijl een waardestijging van de woning niet direct tot een hoger besteedbaar inkomen leidt, indien deze overwinst niet te gelde kan worden gemaakt. Indien de betaalde rente wel zou worden meegenomen, zouden de nettowinsten op vermogens lager liggen. Tot slot worden ook de pensioenvermogens niet meegenomen, wat de vermogensongelijkheid verder zou drukken. Door een aantal van deze assumpties kan ik niet alle specifieke resultaten onderschrijven.
Klopt het dat de 33,4 miljard euro vermogenswinst van de Quote 500 in de afgelopen twee jaar door het CBS wordt gezien als vermogenstransactie en niet als inkomen?
De genoemde vermogenswinst lijkt de veronderstelde ontwikkeling van het totale vermogen te zijn van de onderzochte populatie. Het vermogen van een populatie kan in beginsel wijzigen door waardeveranderingen, besparingen, vermogensoverdrachten en door wijziging van de samenstelling van de populatie zelf. Het is het CBS niet bekend welk deel aan waardeverandering wordt toegeschreven. Wel geldt dat in het inkomensonderzoek van het CBS de waardeverandering van het vermogen niet tot het inkomen wordt gerekend, met uitzondering van de waardeverandering van de eigen onderneming voor zover die wordt gerekend tot de belastbare winst van zelfstandigen.
Klopt het dat van het rendement van 28,5 procent op de AEX alleen de 4,6 procent dividend als inkomen wordt gezien door het CBS?
Ja. In het inkomensonderzoek rekent het CBS dividend inderdaad als inkomen, en waardevermeerdering of waardevermindering van aandelen niet.
Waarom ziet het CBS dividend wel, en vermogenswinst niet als inkomen? Hoe ging het CBS hier in voorgaande jaren mee om en is dit omwille van taakstellingen van de kabinetten Rutte als te inventariseren statistiek komen te vervallen?
De statistische conventies worden in internationaal verband vastgesteld, om eenduidigheid en daarmee vergelijkbaarheid te borgen. Dit gebeurt onder meer in VN- en OESO-verband. De internationale afspraken zijn vastgelegd in onder meer dit handboek: «OECD Framework for Statistics on the Distribution of Household Income, Consumption and Wealth». Het CBS, dat als onafhankelijk instituut verantwoordelijk is voor de Nederlandse statistieken, heeft ook een goede motivering voor de keuzes die worden gemaakt. Deze wordt toegelicht in de Kamerbrief uit 2018 over Inkomens- en Vermogensstatistieken.3 Een nadere uitleg van de gemaakte keuzes kan ook worden gevonden in de CBS-publicatie «Meten van inkomen en inkomensongelijkheid» (2018). De omgang met de vaststelling van het vermogensinkomen is niet beïnvloed door de taakstellingen van kabinetten Rutte.
De keuze om rentebetalingen af te trekken van het inkomen, en vermogenswinst niet mee te nemen, komt ook voort uit deze internationale richtlijnen. Rentebetalingen worden afgetrokken van het inkomen, net zoals andere noodzakelijke kosten die worden gemaakt om het inkomen te verwerven. De reden dat vermogensfluctuaties niet worden meegenomen is dat op deze manier voor wat betreft de inkomensstatistieken (conform internationale richtlijnen) wordt aangesloten bij het resultaat uit de huidige productie van goederen en diensten. Veranderingen in waarde van het vermogen, zoals stijging van de beurskoers of woningprijzen, hangen hier namelijk niet direct mee samen en beïnvloeden dus alleen het vermogen.
Bent u het met de schrijver van het artikel eens dat de koopkracht van bezitters wel degelijk stijgt als hun beleggingen of huizen in waarde stijgen? Onderschrijft u de stelling dat zij de groei van hun vermogen kunnen aanwenden om meer bezit te verwerven en dit door verhuur en dividend te gelde kunnen maken en dat dit door de huidige rentestand zeer sterk wordt bevorderd?
Een hoger (netto)inkomen leidt vrij direct tot de mogelijkheid om meer te consumeren, terwijl dat voor een groter vermogen vaak – zeker op de korte termijn – niet geldt door lagere liquiditeit van de vermogensbestanddelen. Het is weliswaar vrij eenvoudig om aandelen of obligaties te verkopen, maar het verkopen van een huis gaat met kosten en moeite gepaard, en pensioenvermogen kan in beginsel pas bij pensionering worden omgezet in besteedbaar inkomen. Dit betekent niet dat Nederland vermogensontwikkeling niet belast. In het belastingstelsel in Nederland wordt de waarde van het vermogen onder meer in ogenschouw genomen in Box 3 voor sparen en beleggen en bij de waarde van het huis in de lokale onroerendzaakbelasting.
De vermogensontwikkeling van huishoudens hangt voorts ook af van persoonlijke keuzes, bijvoorbeeld om meer of minder te consumeren of juist te sparen. Het is daarmee dus ook niet zo dat er een directe relatie is tussen vermogen en koopkracht. Wel is het inderdaad zo dat waardestijgingen uiteindelijk een invloed kunnen hebben op de welvaart van bezitters. Dit wordt echter niet direct bevorderd door de huidige rentestand, omdat de lage rentestand ook zorgt voor lagere opbrengsten op het beschikbaar stellen van het vermogen.
Kunt u uitleggen wat de ratio is achter de aftrek van rentebetalingen op het inkomen, waardoor het inkomen lager lijkt dan het in werkelijkheid is? Zijn er belemmeringen om deze als aftrekbare kosten op te voeren?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u ervan dat enerzijds rentebetalingen van het inkomen worden afgetrokken en anderzijds de vermogenswinst niet wordt gezien als inkomen, waardoor op twee verschillende manieren het inkomen lager lijkt dan het is?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre is het gebruikelijk dat statistiekbureaus rentebetalingen van het inkomen aftrekken en vermogenswinsten niet tellen als inkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is uw reactie op de berekeningen van de schrijver van het artikel waaruit blijkt dat als rentebetalingen niet van het inkomen worden afgetrokken en vermogenswinsten wel worden meegenomen, de directe belastingen niet progressief zijn maar dat de hoogste bezitsklasse een lager belastingtarief betaalt dan de lagere bezitsklassen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het feit dat als de lokale lasten en de indirecte belastingen, belastingen op verbruik, worden meegenomen in de berekeningen, de hoogste bezitsklasse bijna 9 procent minder belasting betaalt dan de bezitsklassen daaronder? Deelt u de mening dat er hiermee geen sprake is van een progressief maar van een regressief belastingstelsel?
Uit onderzoek van het CBS4 blijkt dat lagere inkomensgroepen relatief meer gemeentelijke belastingen en heffingen betalen (als aandeel van hun bruto inkomen). De gevraagde specifieke indeling naar inkomensniveau is niet beschikbaar, wel die naar inkomensdecielen. Volgens het CBS komen in het eerste inkomensdeciel over het algemeen vooral studenten en zelfstandigen met een tijdelijk laag inkomen voor, waarvan de uitgaven in doorsnee hoger zijn dan het inkomen. Deze groep is niet representatief voor de meer (langdurig) kwetsbare groepen. Deze groepen bevinden zich over het algemeen in het tweede inkomensdeciel, waar in doorsnee 2,2% van het brutoinkomen aan lokale lasten wordt betaald. Voor de hoogste inkomensdecielen is dat circa 1%. Die hoogste inkomensgroepen betalen wel relatief meer inkomstenbelasting en premie volksverzekering, waardoor de totale belasting- en premiedruk van de hogere-inkomensgroepen groter is.
Datzelfde onderzoek laat zien dat de laagste-inkomensgroepen ook relatief meer indirecte belastingen betalen ten opzichte van hun bruto inkomen. Volgens het CPB5 kan echter beter gekeken worden naar de indirecte belastingen als aandeel van de totale bestedingen van deze groep. Daarnaast geeft dit een beter beeld van de belastingdruk over de levensloop, omdat bestedingen stabieler zijn over de levensloop dan het inkomen. Huishoudens in het laagste inkomenskwartiel die lenen of ontsparen kunnen een uitgavenpatroon hebben dat hoger is dan op basis van het huidige inkomen verwacht kan worden. Huishoudens die nu veel sparen kunnen afgezet tegen het ontvangen inkomen een lage indirecte belastingdruk hebben. Later in het leven zullen deze huishoudens mogelijk een hogere indirecte belastingdruk kennen doordat ze dan ontsparen. Dit geldt met name voor huishoudens in de hoogste inkomensgroepen. Als deze effecten worden meegenomen, dan blijken lagere-inkomensgroepen relatief een lager aandeel van hun inkomen aan indirecte belastingen te betalen. Het onderste inkomenskwintiel betaalt 13% van hun bestedingen aan btw en accijns. Het hoogste inkomenskwintiel betaalt 14,3%6.
Tot slot wordt er bij besteedbaar inkomen en ongelijkheid gekeken naar de bestedingsmogelijkheden, en niet naar waar het geld daadwerkelijk aan wordt uitgegeven. Ik herken ook niet het beeld dat er in Nederland sprake is van een regressief belastingstelsel. Wel is het natuurlijk zo dat de indirecte belastingen niet dezelfde mate van progressiviteit hebben als directe belastingen. Dit blijkt ook uit bovenstaande passages.
Klopt het dat indirecte en lokale heffingen veel zwaarder drukken op lagere bezitsklassen dan op hogere? Kunt u dit kwantificeren voor mensen met een minimuminkomen, een modaal inkomen en een dubbelmodaal of hoger inkomen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u, gezien uw antwoord op bovenstaande vraag, aangeven of de bewering «Het meer indirect maken van de belastingen is echter niet per definitie extra nadelig voor de lage inkomens» nog juist is en kunt u dit cijfermatig beargumenteren?2
De cijfers genoemd in het antwoord op vraag 11 geven geen aanleiding om deze conclusie aan te passen. Het CBS8 heeft bijvoorbeeld berekend dat als de verhoging van het lage btw-tarief naar 9% al in 2015 van kracht zou zijn geweest, de uitgaven van de laagste inkomensgroep aan btw zou zijn gestegen van gemiddeld 7,3% naar 7,9% over de totale bestedingen. Voor de hoogste inkomensgroep zou het om een stijging van gemiddeld 8,7% naar 9,3% over de totale bestedingen gaan. In beide gevallen betreft het dus een toename van 0,6 procentpunt. In euro’s gaat het voor de laagste welvaartsgroep om 120 euro en voor de hoogste om 370 euro aan extra betaalde btw.
Nieuwe fraude met UWV-uitkeringen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht: «Opnieuw fraude met UWV-uitkeringen: arbeidsmigrant onterecht in ziektewet»?1
Ik vind het niet acceptabel als mensen frauderen met uitkeringen. Dat zet het draagvlak voor ons socialezekerheidsstelsel onder druk. Hoewel fraude nooit helemaal uit te sluiten en op te sporen is, heb ik in de brief die ik uw Kamer stuurde op 11 maart jl.2 uiteengezet dat er waarborgen zijn rondom de toekenning van de Ziektewetuitkering (in het vervolg ZW). Daarnaast hebben we doorlopend aandacht voor risico’s op misbruik, zoals blijkt uit de doorlichtingen voor alle sociale zekerheidswetten (motie Wiersma, VVD)3. Op dit moment loopt er een onderzoek naar misbruikrisico’s in de ZW en de WIA.
Is het juist dat er fraude wordt gepleegd met ziektewetuitkeringen, zoals te zien in de uitzending?
Het is nooit uit te sluiten dat er fraude wordt gepleegd. Er zijn altijd mensen die de regels weten te omzeilen. Tegelijkertijd wil ik het beeld dat in de uitzending van Nieuwsuur werd geschetst, op een aantal punten nuanceren.
Allereerst neem ik afstand van het beeld dat er nauwelijks sprake zou zijn van controle bij de verstrekking van ZW-uitkeringen. UWV schenkt hier nadrukkelijk aandacht aan, bij aanvragen vanuit het binnen- én buitenland. De beslissing van UWV om een ZW-uitkering al dan niet toe te kennen, hangt af van verschillende factoren. Sowieso moet de betrokkene verzekerd zijn en voldoen aan de toekenningsvoorwaarden van de ZW. UWV stelt daarom vast of de betrokkene wegens ziekte ongeschikt is om zijn eigen werk te verrichten. Een eventuele artsenverklaring van een arts uit het woonland is slechts één factor die daarbij een rol kan spelen, is geen standaardvereiste en is bovendien niet van doorslaggevend belang. In mijn brief van 11 maart jl. heb ik uiteengezet hoe UWV het proces rondom toekenning van en begeleiding bij een ZW-uitkering vormgegeven heeft. Daaruit blijkt dat er verschillende manieren zijn om vast te stellen of iemand recht heeft op een ZW. Zo biedt de vragenlijst, die als het ware de basis vormt voor de ZW-aanvraag, al veel informatie. UWV vergaart waar nodig aanvullende informatie. Bijvoorbeeld door zelf een medische keuring te verrichten of door informatie bij een behandelend arts op te vragen. Dat betekent dat een eventuele artsenverklaring van een arts uit het woonland dus geen standaard vereiste is. En bovendien ook niet van doorslaggevend belang is bij de beantwoording van vraag of iemand door ziekte niet in staat is zijn werk te beoefenen.
Deelt u de mening dat dertig procent van de ziekmeldingen van Oost-Europese artsen niet deugt, zoals de heer Zajac aangeeft?
Ik heb geen betrouwbare informatie waarop ik deze mening kan baseren. Zoals ik hierboven toelichtte, speelt een eventuele artsenverklaring geen doorslaggevende rol bij het toekennen van een ZW-uitkering. UWV weegt verschillende factoren mee in de beslissing of er recht is op ZW. Allereerst gaat het om de vraag of iemand ziek is en daarna om de vraag of iemand door zijn ziekte niet in staat is zijn eigen arbeid te verrichten. Het meesturen van een artsenverklaring is, zoals bij antwoord 2 aangegeven, géén standaardvereiste bij het aanvragen van een ZW-uitkering. Waar nodig vraagt UWV wel aanvullende informatie op.
Ervaring leert dat veel aanvragers uit Polen uit eigen beweging een artsenverklaring meesturen. Dat hangt samen met de regels en voorwaarden die in Polen gelden bij ziekte. Die zijn anders dan in Nederland.
Op welke schaal frauderen arbeidsmigranten met ziektewetuitkeringen? Indien u dit niet weet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Het is niet bekend op welke schaal er gefraudeerd wordt met ZW-uitkeringen.
Om zicht te krijgen op de mate van fraude is recent een externe doorlichting gestart om alle misbruikrisico’s in de ZW in kaart te brengen en op basis van het afwegingskader te rangschikken naar grootte van de risico’s.
Overigens neem ik afstand van het negatieve beeld rondom arbeidsmigranten dat geschetst wordt. Fraude is niet acceptabel en het maakt daarbij niet uit of het om een arbeidsmigrant gaat of een andere werknemer.
Is het juist dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) geen controles in Polen mag uitvoeren? Deelt u de mening dat dit ontoelaatbaar is? Hoe gaat u de controle op orde brengen?
Het is niet juist dat er geen controles plaatsvinden in Polen. Het is belangrijk om te weten dat er meerdere vormen van controle zijn. Het klopt wel dat UWV niet alle controles meer uit mag voeren. UWV legt namelijk geen huisbezoeken meer af in Polen. Wat betreft de huisbezoeken hecht ik er aan te vermelden dat deze plaatsvinden om administratieve gegevens te checken bij uitkeringsgerechtigden. De huisbezoeken zijn er niet om de gezondheidssituatie van de gerechtigde in beeld te brengen.
Zoals ik in mijn brief van 19 december 20194 heb aangegeven, is er in de Administratieve Commissie5 gesproken over de huisbezoeken die UWV en de SVB afleggen in andere EU-lidstaten.
Uitkomst van de discussie is dat de Verordening zich niet verzet tegen huisbezoeken, maar ook geen expliciete rechtsgrondslag bevat. Het is aan de nationale wetgeving van de lidstaten of huisbezoeken door andere mogendheden kunnen worden geaccepteerd. Drie lidstaten (België, Polen en Zwitserland) hebben aangegeven dat hun nationale wetgeving huisbezoeken in de weg staat. Met deze landen ben ik in gesprek. Bij de andere lidstaten zetten UWV en SVB de bestaande praktijk van de huisbezoeken voort. Er vinden, gelet op het voorgaande, geen huisbezoeken plaats in Polen. Voor de ZW heeft dit geen directe consequenties, omdat de huisbezoeken de afgelopen jaren plaatsvonden in het kader van de WIA.
Het voorgaande wil niet zeggen dat er geen controles plaatsvinden in Polen. Voor de ZW zijn medische controles het belangrijkst. Uit mijn brief van 11 maart jl. blijkt dat UWV de plausibiliteit van de ziekte, en daarmee de rechtmatigheid van de uitkering, op verschillende manieren en momenten toetst. Op welke wijze dat in het buitenland gebeurt, staat beschreven in de eerder genoemde brief.
Aanvullend heeft UWV (samen met de SVB) afspraken met Polen gemaakt over het elektronisch uitwisselen van overlijdensberichten. Dit is relevant voor de continuering van ZW-uitkeringen. Daarnaast is UWV met Polen in gesprek over het structureel uitwisselen van inkomstengegevens.
Deze gegevens zijn secundair van belang. Het belangrijkste is een juiste vaststelling of iemand door ziekte zijn eigen werk wel of niet kan doen. Als iemand kan werken zijn gegevens over inkomen niet meer relevant.
Is het juist dat UWV-medewerkers zich zorgen maken over «verdachte meldingen»? Wat wordt er met hun signalen gedaan?
Verdachte meldingen ziet UWV als vermoedens van regelovertreding. Deze worden door de directie Handhaving onderzocht, waarbij regelovertreding wordt aangepakt. In 2019 heeft UWV een extern onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden die UWV zijn medewerkers biedt om signalen en zorgen die ze in de uitvoering tegenkomen (specifiek in relatie tot uitkeringsfraude) te melden en bespreekbaar te maken. Ook werd onderzocht of gebruik ervan door UWV gestimuleerd wordt. Over de uitkomsten van dit onderzoek heb ik uw Kamer geïnformeerd in de stand van de uitvoering van 28 juni 20196. Op basis van de aanbevelingen in dat onderzoek zijn maatregelen genomen ter verdere verbetering van de aandacht voor controle en handhaving in de primaire processen van UWV. Naar aanleiding daarvan is het aantal interne meldingen flink toegenomen.
Zou hierover in december een onderzoek aan de Kamer gestuurd worden, maar is dat «ingetrokken», omdat het slecht zou zijn uitgevoerd? Hoe is dit in vredesnaam mogelijk? Kan de Kamer het onderzoek alsnog ontvangen?
Het onderzoek stuur ik hierbij aan uw Kamer.7 Ik benadruk dat het onderzoek is ingetrokken, omdat het geen uitsluitsel geeft over de aard en omvang van frauderisico’s en het voorkomen ervan. Het rapport is onvoldoende onderbouwd en bevat onjuistheden. Ik verstrek dit rapport daarom op uw verzoek en onder de uitdrukkelijke vermelding dat dit geen vastgesteld rapport is en er geen conclusies uit kunnen worden getrokken.
Zoals ik uw Kamer al meldde is recentelijk een doorlichting naar misbruikrisico’s in de ZW en de WIA gestart. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek kunnen we de risico’s, de relatieve omvang en beheersmaatregelen in beeld brengen. Deze doorlichting zal voldoende basis bieden voor een gesprek met uw Kamer over misbruikrisico’s in de ZW en de vraag of aanvullende maatregelen nodig zijn om de risico’s afdoende te beheersen.
Bent u het eens dat een publieke instelling aan het publiek verantwoording moet afleggen? Zo ja, waarom reageert het UWV dan niet op camera als Nieuwsuur dat verzoekt?
UWV is een ZBO dat verantwoording aflegt aan mij. Ik leg verantwoording af aan uw Kamer, zoals dat in ons staatsbestel is geregeld.
Erkent u dat een Nederlandse ziektewetuitkering aantrekkelijk is voor Poolse arbeidsmigranten, aangezien deze al gauw het dubbele bedraagt van het Poolse minimumloon?
Nederland heeft met een open, naar buiten gerichte economie baat bij een goed werkende interne markt en bij arbeidsmigratie. Onderdeel daarvan is dat mensen die in Nederland werken aanspraak kunnen maken op de sociale zekerheid en dat zij hun in Nederland opgebouwde rechten niet verliezen wanneer zij in een andere lidstaat verblijven of wonen of naar hun woonland terugkeren.
Deelt u de mening dat regulering van arbeidsmigratie hard nodig is als men het draagvlak voor sociale zekerheid wil behouden? Zo ja, gaat u aan de slag met de aanbevelingen in de Initiatiefnota van de SP en ChristenUnie?2
De misstanden rondom arbeidsmigranten krijgen kabinetsbreed de aandacht. Samen met sociale partners, gemeenten, provincies, maatschappelijke organisaties en onze buitenlandse partners worden passende maatregelen gezocht die kunnen leiden tot oplossingen van de verschillende problemen die er op dit terrein spelen. De initiatiefnota «Actieplan Arbeidsmigratie» draagt bij aan de discussie over de aanpak van de misstanden. Ik zal op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken zo spoedig mogelijk op deze Initiatiefnota reageren.
Hoe verklaart u deze nieuwe onthullingen over fraude, aangezien u sinds de Werkloosheidswet (WW)-fraude van oktober 2018 allerlei maatregelen heeft aangekondigd inzake de aanpak van fraude? Erkent u dat de aanpak van fraude vooralsnog onvoldoende effect sorteert?
Zoals ik in mijn brief van 11 maart jl. heb aangegeven, worden uitkeringen niet zomaar toegekend, maar heeft UWV in Nederland en in het buitenland een systeem van begeleiding en controles bij ZW-uitkeringen. Daarbij kan niet álle fraude met ZW-uitkeringen voorkomen of opgespoord worden.
Eén van de maatregelen om fraude in de WW aan te pakken, is de externe doorlichting van misbruikrisico’s van de sociale zekerheid (motie Wiersma, VVD). In navolging van de WW vindt momenteel systematische risico-identificatie en prioritering bij de ZW plaats. Uitvoering van de maatregelen inzake de aanpak van fraude is dus nog in volle gang. Het is daarbij te vroeg om vast te stellen of aanvullende beheersmaatregelen in de ZW nodig en mogelijk zijn.
Hoeveel aanvragen export-WW heeft het UWV ontvangen in het laatste kwartaal van 2018, en in het laatste kwartaal van 2019, uitgesplitst per regiokantoor en per land waar de WW naartoe wordt geëxporteerd?
De aantallen aanvragen export WW worden niet als zodanig geregistreerd. Wel kan UWV het aantal toekenningen export WW uit de systemen halen. In onderstaande tabellen wordt het aantal toekenningen over het laatste kwartaal in 2018 en 2019 weergegeven. Een uitsplitsing per regiokantoor is niet mogelijk.
Het aantal aanvragen kan wel worden afgeleid uit het aantal toekenningen en het aantal afwijzingen (antwoord op vraag 13). Hieruit blijkt dat in het vierde kwartaal 2018 in totaal 1.463 aanvragen om export WW werden gedaan. En in het vierde kwartaal 2019 901 aanvragen.
Land
4e kwartaal 2018
België
7
Bulgarije
8
Denemarken
1
Duitsland
6
Estland
–
Finland
3
Frankrijk
9
Griekenland
9
Hongarije
1
Ierland
1
Italië
3
Kroatië
1
Letland
2
Litouwen
6
Noorwegen
2
Oostenrijk
3
Polen
1.201
Portugal
6
Roemenië
12
Slovenië
1
Slowakije
12
Spanje
18
Tsjechië
4
Verenigd Koninkrijk
8
Zweden
2
Zwitserland
3
Eindtotaal
1.329
Bron: Publicatie 2018 – begindatum export
Land
4e kwartaal 2019
België
9
Bulgarije
9
Denemarken
1
Duitsland
12
Estland
1
Finland
–
Frankrijk
12
Griekenland
3
Hongarije
4
Ierland
1
Italië
9
Kroatië
1
Letland
-
Litouwen
4
Noorwegen
1
Oostenrijk
1
Polen
679
Portugal
7
Roemenië
12
Slovenië
2
Slowakije
9
Spanje
16
Tsjechië
4
Verenigd Koninkrijk
7
Zweden
2
Zwitserland
3
Eindtotaal
809
Bron: Publicatie 2019 (voorlopig) – begindatum export
Hoeveel aanvragen export-WW heeft het UWV afgewezen in het laatste kwartaal van 2018, en in het laatste kwartaal van 2019, uitgesplitst per regiokantoor en per land waar de ww naartoe wordt geëxporteerd?
Onderstaande tabel geeft het aantal afwijzingen van export WW weer, uitgesplitst per lidstaat. Een uitsplitsing per regiokantoor is niet mogelijk.
Land
Kwartaal 4 2018
Kwartaal 4 2019
België
3
3
Duitsland
10
13
Frankrijk
3
1
Griekenland
1
2
Hongarije
2
–
Italië
–
2
Kroatië
1
–
Litouwen
2
–
Niet EU-landen
1
–
Noorwegen
1
Oostenrijk
1
–
Polen
102
59
Portugal
1
–
Roemenië
–
–
Slovenië
2
–
Spanje
3
6
Tsjechië
–
2
Verenigd Koninkrijk
–
1
Zweden
–
2
Zwitserland
1
–
Eindtotaal
133
92
Van hoeveel WW-uitkeringen heeft u in 2018 en 2019 vastgesteld dat die onrechtmatig zijn? Kunt u dat uitsplitsen naar nationaliteit van de aanvrager? Hoeveel daarvan heeft u in vordering gesteld? Hoeveel van die vorderingen heeft u al geheel geïncasseerd? Wat is het resterende totale terug te vorderen bedrag?
In de context van deze vraag ga ik ervan uit dat onrechtmatig vastgestelde uitkering een uitkering is waarbij (achteraf) geconstateerd is dat er een overtreding van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden.
Voor de WW zijn in 2019 2.392 overtredingen van de inlichtingenplicht geconstateerd (2.630 in 2018). Hiervan ging het bij 966 gevallen om een overtreding met financiële benadeling (986 in 2018), waarvoor in 792 gevallen een boete is opgelegd (828 in 2018). Het totale benadelingsbedrag bedroeg in 2019 € 4,45 miljoen (€ 5,5 miljoen in 2018).
UWV heeft aangegeven dat gegevens over de verdeling naar nationaliteit niet voorhanden zijn.
Van de vorderingen die in 2018 voor overtredingen van de WW zijn opgelegd (terugvorderingen en boetes) is 38,0% geïncasseerd. Voor 2019 is 20,7% geïncasseerd. De percentages zullen de komende jaren verder oplopen omdat UWV de fraudevorderingen minimaal 10 jaar terugvordert. Zo is voor 2013 de incassoratio 80,8% voor de WW.
Van hoeveel export-WW-uitkeringen heeft u in 2018 en 2019 vastgesteld dat die onrechtmatig zijn? Kunt u dat uitsplitsen naar de landen van export? Hoeveel daarvan heeft u in vordering gesteld? Hoeveel van de vorderingen heeft u al geheel geïncasseerd? Wat is het resterende totale terug te vorderen bedrag?
Op dit moment is het nog niet mogelijk om uit de UWV-systemen informatie te verkrijgen over aantallen export WW-uitkeringen waarvan UWV heeft vastgesteld dat deze onrechtmatig verkregen zijn.
Voor de beantwoording van deze vraag refereer ik daarom aan de resultaten van een door UWV uitgevoerd dossieronderzoek ter beantwoording van vragen van het lid de Jong (PVV) over aantallen signalen uit Polen tijdens export en handhavende acties hierop (brief van 14 oktober 2019)10. In dat dossieronderzoek zijn over de periode september tot en met december 2018 alle dossiers doorgenomen van WW-gerechtigden die in genoemde periode hun uitkering exporteerden en waarbij sprake was een maatregel of (gedeeltelijke) beëindiging tijdens de export.
Het betrof de dossiers van 125 WW-gerechtigden. In diezelfde periode waren 1885 aanvragen voor export-WW toegekend. In tegenstelling tot vraag 14 ga ik in de context van deze vraag uit van uitkeringen waarbij UWV (achteraf) de uitkering heeft herzien en ingetrokken. Dit betekent niet dat dit allemaal overtredingen betroffen. Van deze 125 gerechtigden is in 22 gevallen de export met terugwerkende kracht herzien en is de toekenning ingetrokken. In drie gevallen daarvan gebeurde dit op verzoek van de WW-gerechtigde zelf. De uitkering is vervolgens in Nederland voortgezet. In 19 gevallen was de WW-uitkering herzien en ingetrokken, omdat UWV geconstateerd had dat de uitkeringsgerechtigde reeds voor de ingangsdatum van de exportperiode in het buitenland verbleef (zeven gevallen), voor of op de eerste WW-dag in het buitenland verbleef (twee gevallen, gevolg van handhavingsonderzoek) of vanwege andere redenen in het reguliere beoordelingsproces.
Aanvullend hebben SZW en UWV, conform mijn aankondiging in de brief van 14 oktober 2019, afspraken gemaakt over het structureel bijhouden van relevante beleidsinformatie over export WW. Deze beleidsinformatie betreft onder andere het aantal afwijzingen van verzoeken tot het exporteren van een WW-uitkering (inclusief de reden daarvan) en het aantal beëindigingen gedurende de export (inclusief de reden daarvan). Dit vergt systeemaanpassingen. SZW en UWV zijn nog in gesprek over de wijze waarop en per wanneer UWV de gehele set aan beleidsinformatie zal aanleveren.
Waarom is, daar waar volgens de onderzoekers in het onderzoeksrapport thema Iowa, naast de selectie van 315 ontvangers van WW, uit betrokken lijsten nog 1000 klanten te destilleren zijn, dit gegeven niet meegenomen in de scope van het onderzoek?3
Het themaonderzoek IOWA van juli 2018 richtte zich op misbruik van uitkeringsgelden dat door twee tussenpersonen werd gefaciliteerd12. Vanuit het onderzoek van ISZW naar 10 adressen konden 315 personen met een WW-uitkering worden gekoppeld. Hierdoor was het niet noodzakelijk ook alle 1.000 BSN’s in dat onderzoek te betrekken. Bovendien waren deze 1.000 BSN’s niet volledig onderzocht in het onderzoek van iSZW, waarbij van deze 1.000 BSN’s dus niet dezelfde informatie beschikbaar was als van de 315.
Hoeveel adrescontroles heeft u verricht in 2018 en hoeveel in 2019? Hoeveel daarvan hebben plaatsgevonden in het buitenland? Kunt u dat uitsplitsen naar het type controle, dus bijvoorbeeld door middel van aanschrijven, bezoek, met behulp van andere instanties et cetera?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bijhouden, de kwaliteit en actualiteit van de BRP voor wat betreft gegevens over hun inwoners, en doen onderzoek naar de juistheid van die gegevens. Het controleren van adressen is dus geen taak van UWV, maar is belegd bij gemeenten. In de Wet Basisregistraties Personen (Wet BRP) is geregeld dat bestuursorganen, zoals UWV, een terugmelding moeten doen aan de desbetreffende gemeente als zij twijfelen aan de juistheid van een adresgegeven. Die gemeente dient vervolgens te onderzoeken of de gegevens in de BRP gewijzigd moeten worden. Zoals aangegeven in mijn brief van 19 december 201913 is UWV gestart met meldingen van afwijkende adresgegevens op de BRP bij gemeenten. Dit aantal was in 2019 met 29 meldingen nog beperkt.
Naast adrescontroles door gemeenten controleert UWV in hoeverre WW-uitkeringsgerechtigden ongeoorloofd in het buitenland verblijven. Het ontvangen van een WW-uitkering is gekoppeld aan verblijf in Nederland gedurende de uitkering. UWV doet hier vanaf 2018 onderzoek bij uitkeringsgerechtigden waarbij sprake is van meerdere uitkeringen op één adres. Hierbij zijn tot op heden 104 adressen onderzocht met in totaal 920 uitkeringsgerechtigden. De controles zelf vonden in Nederland plaats, waarbij uitkeringsgerechtigden door UWV zijn bezocht en/of opgeroepen voor gesprek. Het merendeel van de adressen is door UWV bezocht. Uitsplitsing in aantallen per type controle is niet voorhanden.
Hoeveel malafide tussenpersonen heeft u geïdentificeerd? Wat is de top vijf van het aantal bemiddelingen per malafide tussenpersoon? Zijn er tussenpersonen met wie het UWV niet meer samenwerkt?
UWV heeft geen (formele) relatie met de tussenpersoon en heeft daarom geen mogelijkheden hen aan te pakken via de bestuursrechtelijke weg. Wanneer er echter duidelijke vermoedens zijn dat de tussenpersoon bij dienstverlening strafrechtelijke gedragingen heeft gepleegd kan hier wel via de strafrechtelijke weg worden opgetreden door ISZW. In 2019 heeft UWV vijf tussenpersonen geïdentificeerd en doorgegeven aan ISZW. Het Openbaar Ministerie kan de betreffende tussenpersoon strafrechtelijk vervolgen.
UWV kan – lopende de onderzoeken – over bovengenoemde tussenpersonen geen verdere uitspraken doen over het aantal bemiddelingen per tussenpersoon.
Een uitkeringsgerechtigde mag zich laten bijstaan door een tussenpersoon en bepaalt zelf of en wanneer hij daarvan gebruik wil maken. UWV heeft geen bevoegdheid om tussenpersonen te weigeren. Bij de ZW-gesprekken is bijvoorbeeld altijd een Poolssprekende persoon aanwezig, waardoor een klant altijd rechtstreeks wordt gesproken.
Wat is het grootste aantal door UWV beëindigde WW-uitkeringen op één adres op grond van (vermoedelijke) onrechtmatigheid? In welke gemeente bevindt dat adres zich?
In het handhavingsonderzoek naar meerdere uitkeringen op één adres, is gebleken dat op een adres in de provincie Noord-Brabant 22 overtredingen zijn geconstateerd. Het betreft een adres in een kleine gemeente. Om reden van herleidbaarheid naar de overtreders vermeld ik de gemeente daarom niet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Sociale zekerheid op 12 maart 2020?
Het is mij niet gelukt om de vragen schriftelijk te beantwoorden voor het algemeen overleg op 12 maart jl. In dat algemeen overleg ben ik reeds op diverse vragen ingegaan. Hierbij ontvangt u de schriftelijke beantwoording op alle gestelde vragen.
Falende bewindvoerders |
|
Jasper van Dijk (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Facebookbericht van Steven Brunswijk over falende bewindvoerders en schuldhulpverlening?1
Ja, ik ben bekend met de berichten van de heer Brunswijk over beschermingsbewindvoerders (hierna: bewindvoerders) en schuldhulpverlening.
Hoe verklaart u dat de rekeningen van mevrouw Brunswijk, zoals weergegeven door bewindvoerder Obin, volledig verschillen van de informatie die de schuldeisers verstrekken (waaronder de Belastingdienst)?
Over individuele gevallen kan ik geen uitspraken doen.
Wat onderneemt u tegen bewindvoerders die hun cliënten bedriegen en/of bestelen?
Als een bewindvoerder zijn cliënt zou bedriegen of bestelen, kan de betrokkene maar ook familieleden of de rechter, hiervan aangifte doen bij de politie. Als er sprake is van diefstal of bijvoorbeeld duidelijke aanwijzingen daarvoor, ligt voor de hand dat de bewindvoerder in alle zaken wordt ontslagen.
In het algemeen geldt dat als een bewindvoerder zijn cliënt schade berokkent, hij hiervoor aansprakelijk is. De cliënt, maar bijvoorbeeld ook zijn naaste familie, kan vervolgens de rechter verzoeken om de bewindvoerder te ontslaan. De rechter kan de bewindvoerder ook ambtshalve ontslaan, bijvoorbeeld op basis van klachten. De rechter kan de bewindvoerder in één of enkele zaken ontslaan, maar ook in al diens dossiers.
Het onderzoek van de rechtbank naar de bewindvoerder vindt plaats binnen het lopende toezicht op het functioneren van de bewindvoerder. Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder wordt behandeld binnen het lopende toezicht. Aan het indienen van een dergelijk verzoek zijn dan ook in beginsel geen kosten verbonden.
Als de bewindvoerder wordt ontslagen moet hij een eindrekening en -verantwoording opmaken. Wanneer de cliënt of opvolgend bewindvoerder bezwaar heeft tegen de eindrekening en -verantwoording, bijvoorbeeld vanwege het vermoeden van fraude, kan de rechter de schade vaststellen die de ontslagen bewindvoerder aan de cliënt heeft berokkend. Vervolgens kan de rechter de opvolgend bewindvoerder de opdracht geven om de schade te verhalen op de ontslagen bewindvoerder.
Erkent u dat het in het belang is van goedwillende bewindvoerders als de malafide bureaus van de markt verdwijnen?
Ja. In de eerste plaats hebben hun cliënten belang bij de aanpak van malafide bewindvoerders. Ook goedwillende bewindvoerders hebben daar belang bij, omdat negatieve ervaringen afstralen op de beroepsgroep als geheel.
Het lid Jasper van Dijk legde het bericht dat aanleiding is voor deze Kamervragen op 5 maart jl. ook voor aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening ten behoeve van de uitwisseling van persoonsgegevens. De Staatssecretaris heeft in reactie hierop aangegeven bekend te zijn met het fenomeen malafide bewindvoerders. Zij benadrukte daarbij dat er in de beroepsgroep van bewindvoerders ook heel veel betrokken professionals zitten die zich met hart en ziel inzetten. Dat onderschrijf ik.
Erkent u dat goed toezicht op bewindvoerders noodzakelijk is, alsmede een laagdrempelig loket voor klachten?
Ja. Goed toezicht op bewindvoerders is geborgd aan de hand van wettelijke kwaliteitseisen en het rechterlijke toezicht daarop. Daar ga ik eerst op in. Daarna licht ik toe waar mensen terecht kunnen met klachten over hun bewindvoerder.
Sinds 1 april 2014 moeten professionele kandidaat-bewindvoerders voldoen aan de eisen in het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren (hierna: het besluit).2 Professionele kandidaat-bewindvoerders komen alleen voor benoeming in aanmerking als zij voldoen aan deze kwaliteitseisen. Het gaat om eisen over werving, opleiding, scholing en begeleiding, omgang met cliënten, het plan van aanpak, klachtenregeling, dossiervorming, bedrijfsvoering en eisen ter voorkoming van belangenverstrengeling. Eenmaal benoemd moeten bewindvoerders jaarlijks aantonen dat zij aan de eisen voldoen, onder meer door een verslag van een accountant te overleggen. Voor de toets aan de kwaliteitseisen heeft de rechtspraak het Landelijke Kwaliteitsbureau (hierna: LKB) geïnitieerd. Om benoemd te kunnen worden, moeten kandidaten daar een toelatingsverzoek indienen. Na toelating moeten bewindvoerders jaarlijks een handhavingsverzoek indienen bij het LKB.
De kwaliteitseisen uit het besluit zijn geïntroduceerd bij de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap. Deze wetswijziging en het besluit zijn in 2018 geëvalueerd.3 Mijn appreciatie van de evaluatie heb ik in juli 2019 aan uw Kamer aangeboden.4
Uit de evaluatie volgt dat het LKB inzicht heeft in de bedrijfsvoering van bewindvoerders en er consequenties aan verbindt als daaruit blijkt dat het niet goed gaat met een kantoor. Hiermee is invulling gegeven aan een van de belangrijkste doelstellingen van de wetswijziging. Uit de evaluatie komt het beeld naar voren dat het LKB in de afgelopen periode steeds beter is gaan functioneren. Daarnaast zet de rechtspraak flinke stappen in de digitalisering van het toezicht op professionele bewindvoerders. Dit draagt bij aan de versterking en effectiviteit van het toezicht. Verder blijkt uit de evaluatie dat de introductie van de kwaliteitseisen breed wordt gedragen door rechters en de beroepsgroep. In de eerste plaats omdat de eisen een zekere filterwerking hebben: met de eisen is het mogelijk geworden om een deel van de potentieel slecht functionerende bewindvoerders buiten de deur te houden. Ten tweede kan de jaarlijkse controle eraan bijdragen dat slecht functionerende bewindvoerders de mogelijkheid wordt ontnomen als bewindvoerder op te treden.
Wel is in de evaluatie en nadien tijdens stakeholderbijeenkomsten branche breed opgemerkt dat het bij de eisen ontbreekt aan een meer inhoudelijke toets van vaardigheden en competenties van bewindvoerders. Dit is ook besproken tijdens een bestuurlijk overleg van de Staatssecretaris van SZW en mij op 4 maart jl. met de Raad voor de rechtspraak, verenigingen van bewindvoerders en de VNG. De stakeholders hebben afgesproken gezamenlijk te verkennen of een specifieke opleiding verplicht kan worden gesteld. De Staatssecretaris van SZW en ik waarderen de bereidheid van deze partijen om hierin gezamenlijk op te trekken. De verkenning start naar verwachting rond de zomer van 2020. De Staatssecretaris van SZW heeft bij voornoemde plenaire behandeling toegezegd dat uw Kamer over de uitkomsten van het overleg wordt geïnformeerd.
Als een cliënt of bijvoorbeeld zijn naaste familie een klacht hebben over een bewindvoerder, kunnen zij die indienen bij de bewindvoerder. Op grond van het besluit moet een bewindvoerder een klachtenregeling hebben. Als de bewindvoerder is aangesloten bij een branchevereniging, kan ook daar een klacht worden ingediend. Het staat een cliënt en bijvoorbeeld zijn naaste familie altijd vrij om de rechter te benaderen. Op deze manier is een laagdrempelig loket voor klachten geborgd.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar problemen onder bewindvoerders en aanbevelingen te doen om het systeem te verbeteren?
Naar aanleiding van voornoemde wetsevaluatie over onder meer de kwaliteitseisen voor bewindvoerders, zetten de rechtspraak, verenigingen van bewindvoerders en VNG stappen om de kwaliteit van bewindvoerders verder te verbeteren (zie antwoord 5). De verbeterpunten uit de wetsevaluatie worden dus opgepakt. Uw Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd.
Daarnaast gaat het Ministerie van Justitie en Veiligheid in gesprek met de rechtspraak en het LKB naar aanleiding van de motie Jasper van Dijk/Peters.5 De motie roept op onderzoek te doen naar problemen met bewindvoering en aanbevelingen te doen om het systeem te verbeteren. Het ministerie zal met de rechtspraak en het LKB bespreken welke mogelijkheden zij zien om de kwaliteit van bewindvoerders verder te verbeteren. Uw Kamer wordt over de uitkomsten geïnformeerd.
Het bericht ‘Kosten verlaging maximumsnelheid twee keer hoger dan verwacht’ |
|
Carla Dik-Faber (CU), Rutger Schonis (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kosten verlaging maximumsnelheid twee keer hoger dan verwacht»?1
Ja.
Klopt het dat Rijkswaterstaat extra borden langs de snelwegen gaat plaatsen met 130 km/uur, zoals in het fragment wordt aangegeven?
Ja. Om aan de weggebruiker duidelijker te maken welke maximumsnelheid ’s avonds en ’s nachts op een specifiek traject geldt worden ook borden «130» geplaatst. Die borden «130» konden niet direct in het lange weekend worden geplaatst en volgen daarom op een later moment.
Was u op de hoogte van het voornemen van Rijkswaterstaat extra borden te plaatsen en de bijkomende kosten?
Ja. Het plaatsen van de «130» borden is onderdeel van de werkzaamheden die Rijkswaterstaat uitvoert om de snelheidsverlaging te realiseren. Rijkswaterstaat heeft aangegeven hiervoor een planning inclusief een kostenraming te maken na afronding van het plaatsen van de huidige borden.
Op basis waarvan, gezien het bovenstaande, stelde u in de brief aan de Kamer van 10 december 2019 (Kamerstuk 31 305, nr. 308) met daarin de appreciatie van de motie van de leden Dik-Faber en Schonis over bebording voor snellaadpalen (Kamerstuk 31 305, nr. 304) dat «voor het plaatsen van extra borden geen tijd en geen geld» is? Staat u nog steeds achter deze uitspraak?
Vanwege de urgente aanpak van de stikstofproblematiek moest de realisatie van de snelheidsverlaging op zo kort mogelijke termijn. Voor deze specifieke tijdskritische werkzaamheden heb ik budget gealloceerd. De borden «130» konden niet meegenomen worden bij de werkzaamheden in het lange weekend. Daarvoor zal apart tijd en budget worden gealloceerd.
Bent u alsnog bereid om bij de bebording van de nieuwe maximumsnelheid op snelwegen tegelijkertijd alle snellaadpunten voor elektrische auto’s van duidelijke borden te voorzien?
Zoals eerder toegezegd zal ik conform eerdere toezegging dat via werk-met-werk doen aangezien dit de meest kostenefficiënte optie is. Gezien de wens van uw Kamer zal ik ook bij het uitvoeren van deze extra werkzaamheden scherp bezien in hoeverre ik dit kan combineren met het ophangen van de snellaadpunten-borden.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, met het oog op de inwerkingtreding van de nieuwe maximumsnelheid op snelwegen, uiterlijk 10 maart 2020 voor 12.00 uur?
Ik heb de vragen van uw Kamer zo snel mogelijk afgedaan.
Het bericht dat het Britse Hof van Beroep heeft geoordeeld dat uitbreidingsplannen voor London Heathrow Airport strijdig zijn met de klimaatdoelstellingen uit het Parijsakkoord |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Heathrow Airport expansion ruled illegal by UK court»?1
Ja.
Erkent u dat de luchtvaartsector het Parijsakkoord niet langer kan negeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 27 maart 20192 moet ook de luchtvaart bijdragen aan de doelstelling die in 2015 in Parijs is afgesproken: de opwarming van de aarde beperken tot ruim beneden de 2 graden Celsius, met een streven naar 1,5 graad. Binnen de systematiek van de Overeenkomst van Parijs wordt via twee sporen uitvoering gegeven aan CO2-reductie door de luchtvaart: 1) reductie door de internationale luchtvaart wordt primair gerealiseerd via de VN-organisatie voor de internationale burgerluchtvaart (ICAO) en 2) reductie door de binnenlandse luchtvaart en grondgebonden activiteiten wordt nationaal gerealiseerd. In de genoemde Kamerbrief wordt toegelicht waarom vooral een internationale aanpak vereist is (bijvoorbeeld met oog op effectiviteit, gelijk speelveld, internationaal draagvlak, voorkomen van uitwijkgedrag) en hoe dit kan worden versterkt met nationale inspanningen voor CO2-reductie door de luchtvaart.
De Nederlandse luchtvaartsector heeft gezamenlijk met het Rijk gekozen om zichzelf nationale doelen op te leggen voor de uitstoot van de internationale luchtvaart en gaat hiermee verder dan vereist volgens internationale afspraken. Deze nationale aanpak voor de CO2-emissies van de internationale luchtvaart wordt in belangrijke mate vormgegeven aan de Duurzame Luchtvaarttafel.
Klopt het dat de Britse rechter o.a. heeft geoordeeld dat toenmalig Minister van Transport Chris Grayling onwettig heeft gehandeld door zijn besluit niet te toetsen aan het klimaatverdrag van Parijs?2 Zo nee, hoe zit het dan?
The Court of Appeal bepaalt expliciet dat het geen uitspraak doet over de (politieke) wenselijkheid van de uitbreiding, maar uitsluitend oordeelt over de rechtmatigheid van het Airports National Policy Statement (ANPS). Volgens The Court of Appeal is het ANPS in strijd met de Planning Act. In dat kader stelt The Court of Appeal vast dat niet voldoende gemotiveerd is hoe de uitbreidingsplannen zich verhouden tot de Britste klimaatdoelstellingen. Nu hier ook de Overeenkomst van Parijs onder valt en het ANPS hiervoor geen motivering bevat, moet de regering het ANPS op dit punt heroverwegen.
Klopt het dat de Britse rechter o.a. heeft geoordeeld dat de belangen van het klimaat boven de behoeften van de Britse economie gaan?3 Zo nee, hoe zit het dan?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Britse regering niet in cassatie gaat tegen deze uitspraak? Zo nee, hoe zit het dan?
Ik heb ook uit berichtgeving in de Britse media vernomen dat de Britse regering niet in cassatie gaat.
Kunt u voor de Britse situatie toelichten waaruit een dergelijke toets van luchtvaartplannen aan het Parijsakkoord zou bestaan?
Zoals het Court of Appeal in haar uitspraak aangeeft is deze toets voorbehouden aan de Britse regering. Een dergelijke toets kan bestaan uit het feit dat voor het nieuwe Britse luchtvaartplan moet worden bezien of, en zo ja, hoe dit luchtvaartplan past binnen de Britse doelstellingen om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. In het luchtvaartplan moet inzichtelijk worden gemaakt hoe dit plan in lijn is met de doelstelling van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim beneden de 2 graden Celsius, met een streven naar 1,5 graad.
Kunt u voor de Nederlandse situatie, per luchthaven, toelichten waaruit een dergelijke toets van luchtvaartplannen aan het Parijsakkoord zou bestaan?
Zie het antwoord op vraag 2 voor het Nederlandse klimaatbeleid en de aanpak. Het Nederlandse en internationale klimaatbeleid vormt de achtergrond waartegen een besluit over de uitbreiding of ontwikkeling van een Nederlandse luchthaven wordt genomen. Om daadwerkelijk een besluit over de ontwikkeling van een bepaalde luchthaven te nemen, dient een luchthavenbesluit (of luchthavenverkeersbesluit) inclusief milieueffectrapport (MER) te worden opgesteld. In het MER behorend bij een luchthavenbesluit wordt inzichtelijk gemaakt wat de (nationale) effecten zijn van de grondgebonden activiteiten en de landing and take-off (LTO) cyclus van de exploitatie van die betreffende luchthaven. Dit ten behoeve van de afweging van varianten en het in beeld brengen van de milieueffecten daarvan. Conform een motie van de Kamer5 zal in de PlanMER van de Luchtvaartnota inzicht worden gegeven in de totale CO2-uitstoot van de uit Nederland vertrekkende vluchten.
Lelystad
In het MER en geactualiseerde MER6 is inzichtelijk gemaakt wat de CO2-uitstoot is van de LTO-cyclus. In het geactualiseerde MER Lelystad Airport is bepaald dat het faciliteren van 45.000 vluchten handelsverkeer leidt tot een CO2 emissie van circa 71Kton CO2 (LTO-cyclus). De commissie voor de m.e.r. heeft geoordeeld dat op basis van het geactualiseerde MER 2018 de milieueffecten volwaardig kunnen worden meegewogen in afweging tussen varianten en de finale besluitvorming.
Schiphol
Schiphol Group onderzoekt momenteel de milieugevolgen van het Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel Schiphol. Deze milieugevolgen worden opgenomen in het MER. Dit MER is nog niet afgerond. Onderdeel van dit MER is een emissieberekening van de hoeveelheid CO2 als gevolg van de LTO-cycli van het vliegverkeer, het platformverkeer en het wegverkeer op de luchthaven.
Erkent u dat de groeiplannen van Schiphol op geen enkele manier passen binnen onze opdracht om een uiterste inspanning te leveren om het klimaatakkoord van Parijs te respecteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Erkent u dat de door u geplande opening van Lelystad Airport op geen enkele manier past binnen onze opdracht om een uiterste inspanning te leveren om het klimaatakkoord van Parijs te respecteren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Waar blijft de uiterste inspanning van dit kabinet om Nederland in lijn te brengen met het doel om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5°C?
Nederland heeft de Klimaatwet om aan de doelstellingen van Parijs te voldoen. De Klimaatwet biedt een kader voor de ontwikkeling van beleid gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de emissie van broeikasgassen in Nederland, tot een niveau dat 95% lager ligt in 2050 dan in 1990, teneinde wereldwijde opwarming van de aarde en de verandering van het klimaat te beperken. Het Klimaatplan bevat de hoofdlijnen van het klimaatbeleid voor de komende 10 jaar.
Erkent u dat groeiplannen voor de luchtvaart in het algemeen op geen enkele manier passen binnen onze opdracht om een uiterste inspanning te leveren om het Urgenda-doel met zekerheid te halen? Zo nee, waarom niet?
De Urgenda-uitspraak heeft betrekking op de nationale Nederlandse emissies. Internationale emissies voortkomend uit de luchtvaart zijn daarmee niet van invloed op de uitvoering van het vonnis. In de brief van 27 maart jl.10, heeft het kabinet aangegeven dat het kabinet, als gevolg van de coronaproblematiek, extra zorgvuldigheid wil betrachten bij de besluitvorming over de maatregelen die genomen zouden moeten worden voor de uitvoering van het vonnis. Uw Kamer wordt hierover op korte termijn geïnformeerd.
Waar blijft de uiterste inspanning van dit kabinet om het Urgenda-doel met zekerheid te halen, zoals o.a. de Hoge Raad, Tweede Kamer en maatschappij van u eisen?4 5 6
Zie antwoord vraag 11.
Erkent u dat de ambitie van Schiphol om als vliegveld «klimaatneutraal» te worden op geen enkele manier voldoende is, omdat juist het vliegen zelf voor de (groeiende) uitstoot van broeikasgassen zorgt?7 Zo nee, waarom niet?
De doelstelling van Schiphol om klimaatneutraal te worden is ambitieus en biedt een waardevolle bijdrage aan de verduurzamingsopgave waar Nederland voor staat. Deze plannen dienen de doelstelling uit het Ontwerpakkoord Duurzame Luchtvaart om in 2030 alle grondgebonden activiteiten naar zero emissie te brengen. Deze doelstelling is een onderdeel van de bredere verduurzamingsplannen van de Duurzame Luchtvaarttafel voor de luchtvaartsector. Voor de verduurzamingsopgave van de vluchten (zowel binnenlands als internationaal) gelden andere doelstellingen en worden andere soorten maatregelen uitgewerkt aan de Duurzame Luchtvaarttafel. Zie ook het antwoord op vraag 2. Het Ontwerpakkoord is met de daarin genoemde brief aan de Kamer aangeboden.
Erkent u dat een stevige krimp van de luchtvaart goed zou zijn voor het klimaat, leefomgeving en veiligheid van mens en dier? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen12 leidt een mondiale krimp van het aantal vliegbewegingen tot minder uitstoot van CO2 door de internationale luchtvaartsector, wat zou bijdragen aan het verminderen van klimaatverandering en verbeteren van de leefomgeving. Als echter alleen van en naar Nederland minder gevlogen wordt kan het effect zijn dat het vliegverkeer van en naar andere landen doorgaat en vanuit Nederland uitwijkgedrag naar andere landen plaatsvindt en emissies verschuiven naar andere modaliteiten. Het streven van het kabinet is om CO2-reducties te realiseren op basis van de maatregelen die zijn beschreven in mijn brief over het klimaatbeleid voor de luchtvaart van 27 maart 201913. Ten aanzien van de veiligheid in de luchtvaart geldt in algemene zin dat het uitgangspunt is dat veiligheid altijd op één staat.
Wat bedoelde uw woordvoerder met de uitspraak «niet te vrezen voor eenzelfde soort uitspraak voor Schiphol en Lelystad Airport»?8
De uitspraak komt voort uit het feit dat het Britse Court of Appeal een uitspraak heeft gedaan met betrekking tot de Britse uitbreidingsplannen van Heathrow, die zijn getoetst aan Britse wet- en regelgeving en betrekking heeft op het Britse beleid.
Waarom zou «eenzelfde soort uitspraak» voor plannen rond Nederlandse luchthavens «bevreesd» moeten worden, aangezien een stevige krimp van de luchtvaart juist goed zou zijn voor het klimaat, leefomgeving en veiligheid van mens en dier?
Zie antwoord op vraag 14.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht dat ‘Frankrijk beslag laat leggen op de voorraden en productie van mondkapjes’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Frankrijk beslag laat leggen op de voorraden en productie van mondkapjes?1
Ik heb kennis genomen van het bericht. Ook Duitsland heeft inmiddels een vergelijkbare maatregel genomen. Ik ben van mening dat een dergelijke maatregel geen oplossing is voor de schaarste waar heel Europa nu mee te kampen heeft. Fabrikanten van beschermingsmateriaal zijn erop ingericht om heel Europa, ook in een tijd van schaarste, te kunnen voorzien van de benodigde materialen. Een dergelijke maatregel van een individuele lidstaat doorkruist deze werkwijze. Ik zal dit aan de orde stellen in de eerstvolgende EPSCO die op korte termijn plaatsvindt.
Heeft u de (wettelijke) bevoegdheid om een dergelijke maatregel ook voor Nederland te nemen?
Die wettelijke bevoegdheid heb ik niet. Wel hebben de directeuren publieke gezondheid van de GGD-GHOR een belangrijke wettelijke taak in de operationele leiding van de geneeskundige hulpverlening. Vanuit die rol kunnen zij een belangrijke regiefunctie spelen waar het gaat om de logistieke verdeling van de noodzakelijke persoonlijke beschermingsmiddelen, in het kader van de infectieziektebestrijding. Ik ben daarom in nauw overleg met zowel fabrikanten/leveranciers als met de koepels van zorgaanbieders om te komen tot een gezamenlijke aanpak voor de aanschaf, verdeling en distributie van persoonlijke beschermingsmiddelen die noodzakelijk zijn voor een infectieziektebestrijding, en de noodzakelijke testkits voor het testen op COVID-19. Deze aanpak richt zich specifiek op de zorgverleners die verantwoordelijk zijn voor de acute zorg in het kader van infectieziektebestrijding, dus de huisartsen, GGD-GHOR, de ziekenhuizen en de ambulances. Incidenteel kunnen daar ook andere zorgaanbieders aan worden toegevoegd, als deze te maken krijgen met een uitbraak van COVID-19, zoals verpleegtehuizen.
Overweegt u een vergelijkbare maatregel voor Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer zal deze maatregel ingevoerd worden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat van morgen 5 maart 2020 over de ontwikkelingen rondom de verspreiding van het coronavirus?
Ja.
Menstruatie-armoede in Nederland |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (VVD), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gratis menstruatieproducten voor Schotse vrouwen, «taboe bespreekbaar maken»»?1
Ja, ik ben bekend met het betreffende bericht.
Bent u zich bewust van het feit dat er een taboe bestaat rondom menstruatie en deelt u de mening dat deze niet zou moeten bestaan? Welke maatregelen wilt u gaan nemen om dit taboe te slechten?
Onderzoek van het platform De Bovengrondse2 en Plan Internationaal3 laat zien dat menstruatie anno nu soms nog een taboe is en dat er behoefte bestaat aan meer kennis. Het is van belang dat taboes rond menstruatie worden doorbroken en de kennis over goed gebruik van menstruatiemiddelen wordt vergroot.
Scholen in het basis en voortgezet onderwijs zijn op grond van het kerndoelonderdeel seksualiteit en seksuele diversiteit verplicht om in hun lesaanbod aandacht te besteden aan seksuele vorming en gezondheid, relaties en seksuele diversiteit. Scholen zijn vrij om zelf te kiezen welke methoden of lespakketten ze hiervoor gebruiken. Binnen het thema seksuele gezondheid besteden diverse lesmethoden aandacht aan menstruatie(welzijn). De Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport heeft hierover op 14 november jl. een brief gestuurd naar uw Kamer naar aanleiding van een petitie van de Endometriose Stichting en GirlsTalk.Period!.
Wat is uw reactie op het feit dat 8,9% van de vrouwen tussen de 12 en 25 jaar niet in een eerste levensbehoefte kunnen voorzien met gevolgen voor zowel hun hygiëne als hun gezondheid? Vindt u dit passend voor een welvarend land zoals Nederland?
Het kabinet zet voor de aanpak van armoede in Nederland een integrale aanpak in die zich zoveel mogelijk richt op de verscheidenheid aan oorzaken van armoede. Het kabinet neemt daartoe, op basis van het regeerakkoord, al diverse maatregelen om de structurele oorzaken van armoede aan te pakken. Daarbovenop heeft het kabinet ook extra middelen voor het voorkomen van schulden en het bestrijden van armoede beschikbaar gesteld.
Bij de aanpak van armoede hebben gemeenten een belangrijke rol. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het lokale armoedebeleid. Zij kennen de lokale situatie en kunnen maatwerk bieden. Zo is uit een recent gesprek met vertegenwoordigers van de Bovengrondse en Plan Internationaal gebleken dat een drietal gemeenten gaat bekijken in hoeverre de aanschaf van de menstruatieproducten kan lopen via de welbekende stadspassen voor minima.
In beantwoording van eerdere schriftelijke vragen gaf u aan voorstander te zijn van de integrale aanpak van menstruatie-armoede door Schotland, is dat nog steeds zo?2
In de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen heb ik aangegeven dat het mij bekend is dat in Schotland de keuze is gemaakt om sanitaire producten te verstrekken aan vrouwen met een laag inkomen en om deze beschikbaar te stellen in opvanghuizen en op scholen.
Deelt u de mening dat het gratis verschaffen van menstruatieproducten aan alle vrouwen een effectieve aanpak van menstruatie-armoede is? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven is dit kabinet voorstander van een integrale aanpak van armoede met daarin een centrale rol voor de gemeenten zodat maatwerk mogelijk is om tegemoet te komen aan de verscheidenheid aan oorzaken en gevolgen van armoede.
Bent u bereid om, in navolging van het Schotse voorbeeld, menstruatie-armoede uit te bannen door menstruatieproducten gratis aan te bieden? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Het bericht ‘Leren actievoeren kan ook als maatschappelijke dienst’ |
|
Kelly Regterschot (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsartikel: «Leren actievoeren kan ook als maatschappelijke dienst»?1
Ja. Het genoemde MDT-project voldoet aan de drie doelen van MDT: Het leveren van een maatschappelijke bijdrage (iets doen voor een ander en/of voor de samenleving), talentontwikkeling van de jongeren en realiseren van ontmoetingen. Een belangrijk uitgangspunt bij MDT is dat de MDT-projecten ook moeten aansluiten bij de interesses en behoeften van jongeren. Veel jongeren voelen zich in deze tijd bijzonder betrokken bij het klimaat en milieu. Er doen 150 jongeren mee met dit project.
In hoeverre bent u van mening dat het project dat genoemd wordt in het artikel, een voorbeeldproject is voor de Maatschappelijke DienstTijd (MDT)? Op basis van welke criteria vindt u dat? Hoeveel jongeren nemen deel aan dit specifieke project?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre vindt u dat een bedrag van € 350.000,– bij een project in het kader van de MDT past? Waarom wel of waarom niet?
Het bedrag van een MDT-project hangt af van het begrote aantal deelnemende jongeren. Zoals hierboven aangegeven, nemen 150 jongeren deel aan het project van Milieudefensie; het gaat hierbij dus om een bedrag van ruim € 2.000 per jongere. In dit bedrag zijn de kosten van de volgende activiteiten opgenomen:
In hoeverre staat u achter het financieren van reisjes naar Londen om jongeren zich te laten ontwikkelen, en welke meerwaarde hebben dit soort reisjes? Kunt u uw mening toelichten?
Organisaties mogen in hun subsidieaanvraag zelf aangeven hoe zij invulling geven aan de subsidie die zij ontvangen. De ene jongere krijgt tijdens het MDT-traject extra begeleiding en de ander krijgt meer trainingen. In het geval van dit project is er gekozen voor een training waarbij jongeren op bezoek gingen bij een vergelijkbare organisatie in een ander land, waar de ervaringen heel anders zijn. De jongeren kregen hier de kans om de jongeren van deze organisatie te ontmoeten, hun ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren. Dit maakt dat deze training een waardevolle en nieuwe ervaring was voor de jongeren. Deze reis sluit daarmee aan bij de eerdergenoemde doelen van MDT.
Wanneer kan de Tweede Kamer het objectieve kader verwachten, waar in de aangenomen motie Regterschot c.s. (Kamerstuk 35 034, nr. 15) naar gevraagd wordt?
In verband met de coronacrisis en de aandacht die dit ook voor de uitvoering van de Maatschappelijke Diensttijd vraagt, zal de uitvoering van deze motie worden meegenomen in de MDT-voortgangsbrief die de Kamer in juni zal ontvangen.
Deelt u de opvatting dat alleen met een objectief kader sprake kan zijn van toetsing van zinvolle projecten aan vooraf vastgestelde en meetbare doelen?
Met een objectief kader kunnen vooraf vastgestelde en meetbare doelen getoetst worden. In het onderzoek bij MDT bestaat het objectieve kader uit de waarden van de indicatoren van de groep jongeren die geen MDT gevolgd hebben. De uitkomsten bij de groep jongeren die wel MDT gedaan hebben worden hiertegen afgezet. Daarnaast worden in het onderzoek bij MDT ook andere methoden gebruikt voor de effectmeeting van de interventie MDT. Zo wordt er onderzocht onder welke omstandigheden en met welke werkzame elementen de interventie MDT positieve effecten heeft.
Bent u bereid om in de brief over het objectief kader ook informatie te verschaffen over de projecten die gestart worden in maart 2020? Wie zijn de partijen die deze projecten gaan uitvoeren? Hoeveel geld wordt aan projecten toegekend? Hoeveel jongeren nemen per project deel (of hebben zich aangemeld)? Wat is de planning per project?
Ja. De start van de 26 gehonoreerde projecten van ronde 4A is opgeschort in verband met de coronacrisis. In de MDT-voortgangsbrief zal ik informatie verschaffen over de projecten in deze ronde.
Kunt u toelichten wat de stand van zaken is van de uitwerking van de motie Regterschot/Rog (Kamerstuk 35 034, nr. 11), waarin werd verzocht de online-infrastructuur te vernieuwen en direct te lanceren als de nieuwe fase MDT van start gaat, om op die manier zoveel mogelijk jongeren te bereiken?
De website www.doemeemetmdt.nl is al geruime tijd gereed; zie TK brief 13 september 2019 (Kamerstuk 35 034, nr. 6). Onlangs zijn er nieuwe modules aan toegevoegd waaronder een zoekfunctionaliteit die jongeren op basis van wensen en behoeften toeleidt naar de MDT-projecten; zie TK brief 30 maart 2020 (Kamerstuk 35 034, nr. 16).
De coronacrisis brengt met zich mee dat de meeste MDT-projecten niet of nauwelijks uitgevoerd kunnen worden. Omdat jongeren juist in deze tijd anderen kunnen en willen helpen, heb ik een actieplan opgesteld. Organisaties en jongeren bedenken samen mooie initiatieven om anderen «op afstand» te helpen. U wordt separaat nader geïnformeerd over het actieplan.
Deelt u de mening dat het een gemiste kans zou zijn als de website nog niet gereed is, terwijl er, volgens het artikel waar in deze vragen naar verwezen wordt, al twee jaar «geoefend» is middels proeftuinen en de aanvang van de officiële start nadert? En hoe denkt u deze (eventuele) gemiste kans verderop in het traject recht te breien?
Zie antwoord vraag 8.
Fysiotherapeuten die in actie komen tegen bemoeienis van de zorgverzekeraar |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Radar over fysiotherapeuten die in actie komen tegen de bemoeienis van zorgverzekeraars?1
Het is goed dat fysiotherapeuten aangeven wat naar hun mening zou kunnen verbeteren in de zorg en in hun relatie met de zorgverzekeraars.
Wat vindt u ervan dat fysiotherapeuten zich genoodzaakt zien ongecontracteerd te gaan werken en een derde van hen (34%), op dit moment geen contract met een of meer zorgverzekeraars heeft en 8% helemaal geen contracten met zorgverzekeraars meer heeft?
Het zou altijd een voorkeursoptie moeten zijn voor zorgaanbieders, en dus ook fysiotherapeuten, om contracten af te sluiten met zorgverzekeraars. Een contract is het beste instrument voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars om over belangrijke onderwerpen als prijs, kwaliteit, service en zinnig zorg afspraken te maken. Maar als een zorgaanbieder zich genoodzaakt voelt om toch zonder contract te werken, is dat zijn eigen vrije keuze. De genoemde percentages niet-gecontracteerde zorglevering vind ik evenwel zorgelijk. En beschouw deze als een signaal dat het contracteerklimaat tussen fysiotherapeuten en zorgverzekeraars verder moet verbeteren. Beide partijen moeten daarin investeren.
Wat vindt u ervan dat patiënten zorg gaan mijden omdat de kosten te hoog worden? Hoe hoog is het percentage zorgmijding bij fysiotherapeuten? Is daar onderzoek naar gedaan dat bij u bekend is?
Ik ben niet bekend met een onderzoek dat heeft gekeken naar de mijding van specifiek fysiotherapie. Wel laten cijfers van de Staat van Volksgezondheid en Zorg zien dat het percentage mensen dat aangeeft vanwege de kosten af te hebben gezien van zorg de afgelopen jaren is gehalveerd (van 16 procent in 2016 naar 8 procent in 2018).
Het is ongewenst als mensen vanwege financiële redenen afzien van noodzakelijke zorg. Daarom zijn er zowel op landelijk als gemeentelijk niveau verschillende maatregelen genomen om de financiële toegankelijkheid tot zorg te borgen. Zo hebben mensen met een laag inkomen recht op zorgtoeslag.
Ook zijn specifieke zorgvormen, waaronder huisartsenzorg, zorg voor verzekerden die jonger zijn dan 18 jaar en ketenzorg bij bijvoorbeeld diabetes, uitgezonderd van het eigen risico. Verder komen specifieke zorgvormen in aanmerking voor een fiscale aftrek (de aftrek specifieke zorgkosten) en bieden zorgverzekeraars de mogelijkheid om het eigen risico gespreid te betalen.
Daarnaast bieden gemeenten meerkostenregelingen en/of bijzondere bijstand aan mensen met hoge zorgkosten aan en/of hebben zij gemeentepolissen. Verzekerden kunnen bij de gemeentepolis kiezen voor een aanvullende verzekering, die vaak dekking biedt voor fysiotherapie. Omdat de gemeentepolis niet altijd de beste oplossing is voor mensen met een laag inkomen, zijn er ook gemeenten die keuzehulpen aanbieden. Een voorbeeld hiervan is de VoorzieningenWijzer. Dit initiatief helpt verzekerden bij het vinden van de juiste polis en bij het benutten van voorzieningen, zoals de zorgtoeslag en de bijstand. Een dergelijke keuzehulp kan verzekerden die fysiotherapie nodig hebben en daarbij een duidelijke voorkeur hebben voor een specifieke zorgaanbieder, helpen bij het bepalen welke (aanvullende) polis het meest geschikt is.
De beschikbaarheid van compensatiemaatregelen is een eerste stap, maar verzekerden moeten hier ook van op de hoogte zijn. Dit heeft mijn voortdurende aandacht. Zo zijn er diverse informatiecampagnes geweest om verzekerden te informeren over de uitzonderingen van het eigen risico. Ook gemeenten spelen een belangrijke rol. Er is mogelijk een groep verzekerden die zich niet vanzelf bij de gemeente meldt, omdat zij niet goed op de hoogte is van de compensatie-maatregelen die gemeenten kunnen bieden. Het gaat hierbij vooral om huis-houdens met (een bredere) financiële problematiek. Gemeenten hebben tal van initiatieven ontwikkeld om deze groep te bereiken. Zo komen gemeenten bijvoorbeeld via de budgetsupermarkt, de apotheker, het zwembad en de bibliotheek in aanraking met potentiële cliënten (zie ook Kamerstuk 29 689, nr. 846).
Tijdens het Algemeen Overleg van 12 september jl. over Eigen Bijdragen in de zorg heb ik toegezegd een onderzoek uit te zetten naar de (effectiviteit van) maatregelen die gemeenten en zorgverzekeraars nemen om ongewenste zorgmijding vanwege financiële redenen onder kwetsbare groepen tegen te gaan. Dit onderzoek zal ook aandacht besteden aan de vraag hoe kwetsbare groepen zo goed mogelijk bereikt kunnen worden.
Deelt u de mening dat het beter is om fysiotherapie vanuit het basispakket te vergoeden in plaats van dat mensen een beroep doen op duurdere en vergoede tweedelijnszorg?
Fysiotherapie kan mogelijk een rol spelen bij substitutie van zorg uit de tweede lijn, naar de eerste lijn. In het kader van het overgangstraject systeemadvies fysio- en oefentherapie, waarin het Zorginstituut Nederland (ZiNL) de knelpunten tussen de aanspraken en de kosten analyseert, wordt hier ook naar gekeken en is eerder al besloten om de eerste 20 behandelingen bij bepaalde aandoeningen op de chronische lijst te vergoeden (onder andere bij claudicatio intermittens, COPD).
Omdat het van belang is dat de zorg in het basispakket effectief en doelmatig is, wil ik niet vooruitlopen op de uitkomsten van het overgangstraject systeemadvies. Ik verwacht binnenkort de tweede voortgangsrapportage aan uw Kamer te kunnen toesturen.
Erkent u dat de huidige vergoedingen tot tweedeling leiden, waardoor mensen met een lager inkomen sneller geneigd zijn de zorg te mijden? Bent u bereid hier maatregelen tegen te nemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel en welke zorgverzekeraars passen de behandelindex nog toe?
Op dit moment gebruiken de zorgverzekeraars CZ, VGZ, Zilveren Kruis en Zorg en Zekerheid de behandelindex als element om te differentiëren in hun contracten. De overige zorgverzekeraars kunnen de behandelindex gebruiken bij gesprekken over doelmatigheid van geleverde zorg.
Deelt u de mening dat zorgverzekeraars via de behandelindex op de stoel van de zorgverlener gaan zitten, dit tot minder vergoedingen leidt en deze daarom dient te worden afgeschaft?
Nee, deze mening deel ik niet. Zorgverzekeraars hebben een belangrijke taak in het betaalbaar en toegankelijk houden van de zorg. Zij kunnen zelf bepalen of en welke instrumenten zij inzetten om te sturen op doelmatige inzet van zorg. Op dit moment is de behandelindex het enige instrument binnen de paramedische zorg dat beschikbaar is voor de zorgverzekeraars om te beoordelen of de geleverde zorg wel doelmatig is. De afgelopen jaren hebben zorgverzekeraars al veel gedaan om de werking van de behandelindex te verbeteren. Zo wordt binnen de fysiotherapie nu door alle zorgverzekeraars dezelfde index gebruikt. In de bestuurlijke afspraken paramedische zorg 2019–2022 is afgesproken dat partijen verkennen of de behandelindex door kan worden ontwikkeld tot een resultaats-index. Dit is een beoordelingsinstrument waarin niet (alleen) het aantal behandelingen, maar ook uitkomsten van de behandelingen worden meegewogen.
Bent u bereid om de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) onderzoek te laten doen naar wat reële tarieven zijn in de fysiotherapie om zo de regie te behouden, in plaats van dit over te laten aan een extern bureau? Kunt u uw standpunt motiveren?
Nee, ik ga de NZa geen kostenonderzoek laten uitvoeren voor de paramedische zorg. Hiervoor zijn meerdere redenen. Allereerst is recent al een kostenonderzoek voor de paramedische zorg opgeleverd, waarvoor de paramedische beroeps-groepen en Zorgverzekeraars Nederland opdrachtgever waren. Zij hebben daarvoor zelf een onderzoeksbureau gekozen dat zij het meest geschikt achtten. Dit was een van de afspraken in de Bestuurlijke Afspraken Paramedische Zorg 2019–2022. Het Ministerie van VWS heeft financieel bijgedragen aan het onder-zoek, maar was geen opdrachtgever.
Ik heb uw Kamer bij brief van 19 maart 2020 (titel: «Kamerbrief over kostenonderzoek paramedische zorg» met kenmerk: 1661694–203096-CZ) geïnformeerd over dit onderzoek en geef daarin ook aan dat partijen dit onderzoek zullen gebruiken voor verdere afspraken. Er is dus geen enkele reden om opnieuw een kostenonderzoek te laten uitvoeren. Daarnaast voert de NZa alleen kosten-onderzoeken uit om tarieven vast te stellen voor sectoren waarin de tarieven gereguleerd zijn. In de paramedische zorg gelden vrije tarieven. Het zou dus niet gepast zijn om de NZa voor deze sector een kostenonderzoek te laten uitvoeren.
Kunt u aangeven vanaf wanneer fysiotherapie niet meer volledig in het basispakket zat en hoe de ontwikkeling is geweest naar het schrappen van de eerste twintig behandelingen uit het pakket? Wat was daarvoor de motivatie?
Bij de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is besloten dat het verzekerde pakket van de Ziekenfondswet zoals dat eind 2005 gold, bepalend was voor de aard, inhoud en omvang van het Zvw-pakket. Het Zvw-pakket 2006 was dan ook gelijk aan het ziekenfondspakket van ultimo 2005. In het pakket van het Ziekenfonds waren op dat moment de eerste 9 behandelingen al voor eigen rekening van de verzekerden. In 2011 is dit aangepast naar 12 behandelingen. Dit was een van de maatregelen naar aanleiding van de overschrijdingen van het Budgettair Kader Zorg (BKZ). En in 2012 is het aantal behandelingen voor eigen rekening verder verhoogd naar 20 behandelingen. Dit naar aanleiding van de bezuinigingsopdracht in het regeer- en gedoogakkoord.
Wat zijn bij benadering de extra kosten voor fysiotherapie als de eerst twintig behandelingen weer in het basispakket zouden worden opgenomen, ervan uitgaande dat de directe toegankelijkheid zou worden vervangen door een verplichte verwijskaart van huisarts of specialist?
Het is lastig om een bedrag te noemen dat betrouwbaar is omdat zorg-verzekeraars geen zicht hebben op behandelingen die verzekerden zelf betalen. Zorgverzekeraars Nederland heeft een poging gedaan om de kosten te bepalen en komt tot ongeveer € 100 miljoen per jaar. Maar dit is nadrukkelijk een grove schatting die gebaseerd is op een groot aantal aannames.
Het bericht ‘KNLTB in beroep tegen uitspraak AP’ en ‘Boete voor tennisbond vanwege verkoop van persoonsgegevens’ |
|
Tobias van Gent (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Bruno Bruins (VVD), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «KNLTB in beroep tegen uitspraak AP» en «Boete voor tennisbond vanwege verkoop van persoonsgegevens»?1 en2
Ja.
Deelt u de mening dat de uitgangspunten van het Verenigingsrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) strijdig zijn als het gaat om de interpretatie van het «gerechtvaardigd belang»? Zo nee, waarop baseert u die vaststelling?
De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is een Europese verordening die voor de gehele EU bindend is, dus ook voor de (sport)verenigingen in Nederland. Als er sprake is van strijdigheid tussen het nationale recht en de Verordening gaat de Verordening voor op het nationale recht. De verwerkingsgrondslag «Gerechtvaardigd belang» volgt uit artikel 6 AVG. Ik kan niet treden in de interpretatie van deze grondslag uit de AVG. Wel wijs ik op de nadere duiding in de guideline van de European Data board, uitleg van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en jurisprudentie alsmede op een recente normuitleg van de AP over het gerechtvaardigd belang die te vinden is op haar website. 3
Bent u zich ervan bewust dat er binnen de sportsector onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van het «gerechtvaardigd belang»? Hebben vertegenwoordigers van de sportsector deze problematiek bij u aangekaart? Welke stappen zijn genomen om de sport hierin te ondersteunen? Hebben vertegenwoordigers van de sportsector deze problematiek bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) aangekaart? Welke stappen heeft de AP genomen om de sport hierin te ondersteunen?
Ja, daar ben ik mij van bewust.
Vertegenwoordigers uit de sportsector hebben dit bij mij en bij de AP aangekaart.
De AP heeft met vertegenwoordigers van de sportsector goede en constructieve gesprekken gevoerd ten aanzien van de KNLTB-zaak en óók met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens in de sportsector in bredere zin. Afgesproken is dat de sportsector aan de slag gaat met het opstellen van nieuwe richtsnoeren voor het verwerken van persoonsgegevens in de sportsector, in lijn met de AVG zodat de sportsector weet wat mogelijk is en wat niet. De AP steunt dit en zal de sportsector bij het opstellen van de richtsnoeren van toelichting voorzien ten aanzien van de relevante aspecten van de AVG. In dat licht zal ook een volgend overleg plaatsvinden tussen de AP en de vertegenwoordigers van de sportsector.
Bent u zich ervan bewust dat de door de AP gehanteerde interpretatie van de AVG sporten in Nederland duurder maakt? Hoe interpreteren andere Europese toezichthouders de AVG op dit gebied? Wijkt de interpretatie van de AP af van de zienswijze van andere Europese Toezichthouders? Klopt het dat de Europese Commissie zich duidelijk heeft uitgesproken voor harmonisatie van AVG-regels in de verschillende lidstaten, onder meer omdat anders een ongelijk speelveld voor organisaties ontstaat?
Ik ben me er van bewust dat de uitspraak mogelijk consequenties kan hebben voor de inkomsten van verschillende sportbonden waaronder die van de KNLTB. Hoe groot de impact is, verschilt van bond tot bond evenals of de wegvallende inkomsten doorberekend worden in een hogere contributie.
Ik heb geen volledig beeld van hoe toezichthouders in andere lidstaten de AVG op dit gebied interpreteren. In dit verband wijs ik er op dat de interpretatie van de AVG regels voorbehouden is aan de nationale toezichthouder. Dit houdt in dat er in de praktijk verschillende interpretaties van de AVG regels kunnen zijn.
Hoewel de Europese Commissie inderdaad heeft aangegeven dat de harmonisatie van de AVG regels wenselijk is, kunnen verschillende feiten en omstandigheden een rol spelen in de uiteindelijke interpretatie van de regels. Zo beschikken we in Nederland over een unieke sportverenigingsinfrastructuur die de vergelijking met andere landen lastig maakt.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om, gezien de unieke maatschappelijke rol van (sport)verenigingen en de noodzaak om de sport betaalbaar en toegankelijk te houden, onder aanvoering van NOC*NSF gezocht moet worden naar uitzonderingsmogelijkheden, dan wel een specifieke richtlijn, zoals die ook voor andere sectoren gelden? Bent u bereid daarin het initiatief te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan de orde om een specifieke uitzondering voor sport te maken. De AVG is een Europese verordening die rechtstreeks van toepassing is in Nederland en daarmee ook van toepassing is op (sport)verenigingen. Daar waar de AVG ruimte laat voor nationale keuzes bij de uitvoering van de AVG, zijn deze ingevuld in de Uitvoeringswet AVG (UAVG). Binnen de AVG zijn er diverse mogelijkheden
om persoonsgegevens voor verschillende doeleinden op een rechtmatige manier te verwerken. De sportsector gaat aan de slag met het opstellen van nieuwe richtsnoeren. Deze zullen halverwege 2020 gereed zijn.
Kunt u aangeven hoeveel klachten er bij de AP, dan wel andere organisaties, over de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) zijn ontvangen inzake mogelijke privacyschending? Acht u de opgelegde boete proportioneel gezien de omvang van de klachten en de verwarring binnen de sportsector over de interpretatie van de AVG?
De KNLTB geeft aan dat het om vijf klachten gaat. Omdat er nog een bezwaarprocedure tegen het besluit loopt en de KNLTB nog meer rechtsmiddelen kan inzetten, kan de AP geen nadere toelichting of aantallen geven.
Het aantal en de inhoud van de klachten en de media-aandacht hebben een rol gespeeld bij de overweging van de AP om een onderzoek te starten.
Het is aan de AP om een proportionele sanctie op te leggen, zij maakt hierin onafhankelijk haar eigen afweging. Daar kan ik niet in treden.
Deelt u de mening dat de AP, zoals vastgesteld in de Kamer (bij aangenomen motie) «zich zo hulpvaardig mogelijk moet opstellen en zich dus primair behoort te richten op voorlichting en hulp bij de interpretatie en uitvoering van de regelgeving»?3
Op basis van artikel 52, eerste lid, van de AVG treedt de AP als toezichthouder volledig onafhankelijk op bij de uitvoering van haar taken en de uitoefening van haar bevoegdheden. In gevolge het tweede lid van dat artikel blijven de leden van de AP bij de uitvoering van die taken en uitoefening van die bevoegdheden vrij van al dan niet rechtstreekse externe invloed en vragen noch aanvaarden zij instructies van wie dan ook. Tegen die achtergrond onthoud ik mij van een oordeel over de wijze waarop de AP zich zou (hebben) dienen op te stellen.
Kunt u verklaren waarom de AP de mogelijkheid van de Alternatieve Interventie destijds (2018) niet heeft toegepast (conform beleidsregels klachtenprioritering AP), maar gekozen heeft voor een traject met een, voor een non-profit organisatie, zeer hoge boete van € 525.000,–? Kunt u verklaren waarom in het geval van de KNLTB geen enkele begeleiding en voorlichting heeft plaatsgevonden, maar er direct is overgegaan tot beboeting? Kunt u verklaren waarom de AP elk verzoek tot contact en hulp vanuit de KNLTB heeft geweigerd?
De AP heeft als privacy toezichthouder een wettelijke onafhankelijkheid.
Dit geldt ook voor de wijze van interveniëren. De AP legt in haar boetebesluit zelf uit waarom zij geen Alternatieve Interventie heeft toegepast.
Deelt u de mening dat hier ook sprake is van een publicitaire misser? Bent u op de hoogte van de procedurele fouten die zijn gemaakt door de AP tijdens het proces? Wat is de aard van deze fouten? Wat doet u om te voorkomen dat deze fouten in de toekomst opnieuw worden gemaakt?
De AP heeft als privacy toezichthouder een wettelijke onafhankelijkheid. Tegen die achtergrond ga ik er vanuit dat zij een gedegen afweging heeft gemaakt in de procesgang.
De KNLTB heeft op 21 december 2018 bij de AP een klacht ingediend over uitlatingen van de voorzitter van de AP in televisieprogramma Nieuwsuur.
De AP heeft deze klacht gegrond verklaard. De AP heeft hierin onder andere erkend dat zij in haar uitlatingen tijdens dit programma op een aantal punten genuanceerder en zorgvuldiger had kunnen en moeten zijn.
Bent u van mening dat de KNLTB in dit proces onnodig en onbehoorlijk in diens imago is aangetast en recht heeft op enigerlei vorm van rehabilitatie? Zo ja, welke actie onderneemt u hiertoe? Zo nee, waarom niet? Is de regeling van NOC*NSF voor ondersteuning van topsporters bij complexe juridische zaken hiervoor te gebruiken? Is deze faciliteit uit te breiden zodat ook sportbonden gebruik kunnen maken van ondersteuning?
Zoals uit mijn antwoord op de vragen 7, 8 en 9 blijkt, treed ik niet in de beoordeling van het besluit van de AP. In het verlengde daarvan past het ook niet dat ik actie zou ondernemen. De KNLTB kan bij de AP om een schadevergoeding vragen of een procedure starten bij de rechter.
Aansluiting bij de ondersteuning voor topsporters ligt niet voor de hand. Deze faciliteit is ingericht voor natuurlijke personen en niet voor rechtspersonen en dient een ander doel.
Deelt u de zorg van NOC*NSF over de gevolgen van de interpretatie en handelwijze van de AP zoals toegepast ten aanzien van de KNLTB voor de sport in zijn totaliteit?
Met NOC*NSF ben ik van mening dat de sport toegankelijk moet zijn voor iedereen waarbij de contributies op aanvaardbare hoogte liggen en tegelijkertijd het voorzieningenpeil van de bonden en de steun aan haar verenigingen op voldoende niveau is. Ik vind het echter ook belangrijk dat de privacy van alle Nederlanders, inclusief de leden van sportbonden wordt gewaarborgd.
Heeft er tussen u en uw ministeries omtrent deze casus, dan wel de brede sportbelangen, afstemming plaatsgevonden en bent u bereid gezamenlijk naar een oplossing te zoeken?
Tussen de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid is er overleg geweest omtrent deze casus en de samenhangende sportbelangen. Op dit moment kunnen er geen uitspraken worden gedaan over eventuele oplossingen en ligt het in de rede de aangespannen procedure door de KNLTB te volgen.
Is het door middel van sectorale wetgeving mogelijk om in dergelijke gevallen van gegevensuitwisseling een uitzondering aan te brengen op de AVG? Bent u bereid dit te verkennen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe lang zal het traject duren tot de invoering?
Zie het antwoord op vraag 5.
Het voorkomen van vechtscheidingen met mogelijke ouderverstoting tot gevolg |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na scheiding het huis behouden wordt makkelijker»?1
Ja.
Denkt u dat deze maatregel zou kunnen leiden tot minder zogeheten vechtscheidingen doordat de hypotheek eventueel een minder groot struikelblok binnen de scheiding zou zijn? Zo ja, ziet u een rol voor de regering weggelegd om te stimuleren dat hypotheekverstrekkers een dergelijke regeling ook implementeren voor huizen die niet onder de nationale hypotheekgarantie vallen?
Het gezamenlijke bezit van een koopwoning kan een complicerende factor zijn in een scheiding. De wijziging in de voorwaarden en normen van Nationale Hypotheek Garantie maakt het eenvoudiger voor een van de partners om na de scheiding in de woning te blijven wonen. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2013 verduidelijkt hoe kredietverstrekkers bij een relatiebreuk kunnen omgaan met de hypotheekregels. Uitgelegd is dat kredietverstrekkers door gebruikmaking van maatwerk bij de achterblijvende ex-partner kunnen toetsen of deze de werkelijke woonlasten kan dragen. Uitgangspunt is hierbij dat een bestendige financiële situatie wordt gecreëerd, omdat overkreditering voorkomen moet worden. Het is mijn beeld dat veel kredietverstrekkers gebruikmaken van de mogelijkheden die er zijn om maatwerk toe te passen. De manier waarop zij dit doen valt onder de verantwoordelijkheid van de kredietverstrekker. Ik zie hierin geen rol voor de overheid.
Kunt u toelichten wat de laatste stand van zaken is rondom de pilot om kinderen beter te betrekken bij het ouderschapsplan? Zijn de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek onder begeleiding van de Vrije Universiteit Amsterdam en Universiteit Tilburg binnen? Kunt u deze aan de Tweede Kamer sturen en welke conclusies trekt u hieruit?
De pilot bij de rechtbank Overijssel is afgerond per 1 mei 2019. Het wetenschappelijk onderzoek zal naar verwachting eind mei 2020 worden opgeleverd. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Familie- en Jeugdrecht zal op basis van de conclusies van de onderzoekers een besluit nemen over eventueel landelijk gebruik van de werkwijze. Ik zal uw Kamer hierover informeren in de voortgangsrapportage van het programma Scheiden zonder Schade.
Heeft u zicht op hoeveel kinderen, als gevolg van een vechtscheiding tussen de ouders, geconfronteerd worden met het verschijnsel ouderverstoting, waarbij de ene ouder het contact van het kind met de andere ouder stelselmatig ondermijnt hetgeen kan leiden tot verstoting?
Er zijn cijfers beschikbaar over contactverlies tussen (een van de) ouders en kinderen na een scheiding. In de Agenda voor actie «Scheiden en de kinderen dan?» staat dat 15 procent van alle kinderen van gescheiden ouders na de scheiding geen contact met een van de ouders meer heeft.2 Deze cijfers zijn afgeleid van het WODC-onderzoek uit 2017 over verblijfsarrangementen na scheiding en van de rapporten van de Kinderombudsman, zoals het rapport «Verkenning naar de kindvriendelijke advocatuur.3 Uit onderzoek blijkt bovendien dat contactverlies doorwerkt in de volwassenheid: 20 procent van de volwassen kinderen heeft na ouderlijke scheiding geen contact met hun vader en 5 procent ziet hun moeder niet meer – in intacte gezinnen betreft dit respectievelijk 2 procent en 1 procent van de kinderen.4
Voornoemde rapporten maken duidelijk dat aan het ontstaan van contactverlies na scheiding een complex van factoren ten grondslag kan liggen. Een complex van factoren dat bovendien moeilijk kwantificeerbaar is. Contactverlies na scheiding valt niet per definitie samen met ouderverstoting. Dat geldt evenmin voor onttrekking aan het ouderlijk gezag, waarover wel cijfers beschikbaar zijn (zie het antwoord van vraag5. Bovendien hebben we in termen van «harde cijfers», wel zicht op gerechtelijke procedures, maar is er vrijwel geen informatie beschikbaar over de samenwoners die uit elkaar gaan en niet de gang naar de rechter maken. Voor het vaststellen van harde cijfers over het verschijnsel ouderverstoting waarnaar in de vraagstelling wordt verwezen, is allereerst een eenduidig begrip daarvan nodig. Die definitie is er op dit moment niet. Vorig jaar is op verzoek van uw Kamer het expertteam ouderverstoting/complexe omgangsproblematiek ingericht. Ik verwacht dat hun bevindingen aangrijpingspunten bevatten om meer zicht te krijgen op de omvang van de problematiek.
Welke opdracht is het expertteam «Ouderverstoting»2 meegegeven?
Het expertteam heeft, conform de motie van Uw Kamer, de opdracht om concrete oplossingen voor de problematiek te laten uitwerken in samenwerking met ervaringsdeskundigen door:
de methodieken om signalen van ouderverstoting te herkennen adequaat in kaart te brengen voor de verschillende (juridische en gedragswetenschappelijke) professionals;
de benodigde kennis (en de lacunes daarin) bij de betrokken professionals te inventariseren;
een plan op te stellen om de lacunes te dichten;
de interventies te beschrijven om tijdig (voorkomen) en effectief (in zaken waar ouderverstoting zich voordoet) in te kunnen grijpen.7
Is het expertteam enige beperking opgelegd aangaande hun mogelijke aanbevelingen of kunnen zij bijvoorbeeld ook adviseren om bepaalde wettelijke bepalingen te schrappen c.q.toevoegen of nieuwe overheidsinstellingen op te richten?
Zie antwoord vraag 5.
Ligt het expertteam op schema en komen zij derhalve op 1 juli 2020 met hun aanbevelingen?
De voorzitter van het expertteam heeft in een eerder stadium laten weten rond de zomer met een rapportage te zullen komen.8 Vanwege de maatregelen die het kabinet noodzakelijkerwijs heeft moeten nemen in de aanpak van het coronavirus, verwacht ik dat hierin vertraging zal optreden, zodat de bevindingen in het najaar naar buiten zullen komen.
Vindt u dat de handhaving van afspraken of rechterlijke beslissingen op sociaal terrein, waaronder omgangsregelingen, in Nederland op dit moment goed geregeld is? Zo ja, kunt u uitleggen waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat (niet) naleving van afspraken of rechterlijke beslissingen inzake een scheiding een bron van conflicten kan vormen. Om deze reden is daarvoor veel aandacht binnen het programma Scheiden zonder Schade en het expertteam. Het voorstel voor een bureau naar analogie van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen is bekend bij het expertteam. Ik wacht hun advies daarover af.
Hoe vaak is in 2017, 2018 en 2019 bij de politie een melding binnengekomen van het misdrijf «onttrekking ouderlijk gezag», ook wel artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht? Hoe vaak heeft dit geleid tot een onderzoek van het openbaar ministerie? Hoe vaak heeft dit geleid tot een strafzaak en hoe vaak tot een veroordeling?
Er zijn bij de politie geen gegevens beschikbaar over het aantal aangiften/meldingen betreffende onttrekking aan het ouderlijk gezag omdat deze in de systemen van de politie niet kunnen worden gedetecteerd. Wel is bekend dat de afgelopen drie jaar er steeds ongeveer 200 zaken per jaar zijn geweest waarvan een dossier aangaande een verdachte ter zake van art. 279 van het Wetboek van Strafrecht door de politie is ingezonden naar het Openbaar Ministerie. Dit heeft de afgelopen drie jaar geleid tot 100 tot 150 OM-afdoeningen per jaar. Cijfers van de rechtspraak tonen dat de afgelopen drie jaar ongeveer 60 strafopleggingen per jaar hebben plaatsgevonden waarin onttrekking ouderlijk gezag in elk geval één van de ten laste gelegde delicten was.
Zou een landelijk instelling, naar analogie van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, zoals voorgesteld door vechtscheidingshulp3 een mogelijke oplossingsrichting kunnen zijn voor de problematiek rondom ouderverstoting? Zo ja, bent u bereid dit voorstel expliciet onder de aandacht van het expertteam te brengen? Zo nee, kunt u uitleggen waarom u dit geen goed idee vindt?
Zie antwoord vraag 8.
Herinnert u zich de beantwoording tijdens het mondelinge vragenuur van dinsdag 18 februari 2020 over het bericht «Antisemitische incidenten in Nederland» en dan specifiek de beantwoording rondom de vragen over antisemitische incidenten in Amsterdam op de Albert Cuypmarkt en in het restaurant HaCarmel?1
Ja.
Staat u nog steeds achter uw beantwoording dat de gebeurtenis waarin marktkoopman Tarik E. in 2019 twee joodse collega-marktkoopmannen neerstak op de Amsterdamse Albert Cuypmarkt dat deed vanuit antisemitische motieven? Zo ja, waarom oordeelde zowel het openbaar ministerie (OM) als de rechtbank eind vorig jaar dat daar juist geen sprake van was? Zo nee, waarom niet?
Ik deed mijn uitspraak in antwoord op een vraag van het Kamerlid Van Dijk, die vroeg hoe ik ervoor ging zorgen dat elke melding van antisemitisme serieus zou worden opgepakt. Ik benadrukte toen dat we elke aanwijzing dat sprake is van een antisemitisch motief serieus moeten nemen. Om die reden is bijvoorbeeld het Joods politieoverleg (beter bekend als Joods politienetwerk) ingesteld, dat tevens dient om het begrip voor slachtoffers van antisemitisme onder agenten te vergroten. Tijdens het vragenuur gaf ik daarbij ook aan dat ik contact heb gezocht met het Joods politienetwerk kort na de steekpartij op de Albert Cuypmarkt. Op het moment dat dit feit plaatsvond moest de mogelijkheid worden opengehouden dat er sprake was van antisemitische motieven. Juist omdat die mogelijkheid moest worden opengehouden, heb ik toen contact gezocht met het Joods politienetwerk. Mijn uitspraak tijdens het vragenuur moet daarom worden opgevat als een verwijzing naar het vermoeden dat onmiddellijk na het steekincident was gerezen, dat hier sprake kon zijn van antisemitische motieven. Ik lees in het vonnis dat de rechtbank op basis van het dossier uiteindelijk niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte een discriminatoir motief had. Tegen dit vonnis is beroep ingesteld bij het Hof.
Staat u nog steeds achter uw beantwoording dat de vernieling van het Joods restaurant HaCarmel in 2017 een aanslag is geweest? Zo ja, waarom sloot de politie destijds een terroristisch motief uit? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording van de vorige vraag heb ik toegelicht in welke context ik deze uitspraak deed. Ik noemde de HaCarmel-zaak als illustratie van de functie van het Joods politienetwerk, dat dient om het begrip voor slachtoffers van antisemitische incidenten te vergroten, zodat elke aanwijzing van antisemitische motieven ook door de politie serieus wordt genomen. In de HaCarmel-zaak leefde bij de slachtoffers het gevoel dat zij slachtoffer waren van antisemitisme. Dat gevoelen moest naar mijn mening serieus worden genomen en was voor mij de reden om contact te zoeken met het Joods politienetwerk. Met de term aanslag heb ik slechts uitdrukking willen geven aan het gevoel dat bij de slachtoffers leefde. Het OM heeft bij de bepaling van de strafeis overigens ook rekening gehouden met een discriminatoir motief. Dat laat onverlet dat de politie, het OM en de rechter op basis van het dossier uiteindelijk niet hebben kunnen vaststellen dat er sprake was van een terroristisch motief.
Kunt u de discrepantie tussen uw kwalificatie van de incidenten en de kwalificaties van de politie en het OM verklaren? En wat betekent deze discrepantie, hoe duidt u dit?
Zie de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om antisemitische incidenten als zodanig te herkennen en te erkennen, zodat de zaken ook echt worden gezien als wat ze zijn en er sprake kan zijn van correcte opvolging?
Ja, die mening onderschrijf ik ten volle. Daarom investeert het kabinet in Antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), terwijl ook de politie en het OM maatregelen nemen om te waarborgen dat er bij de opsporing en vervolging oog is voor een eventueel discriminatoir motief. Zo wordt bij de politie bij alle eenheden het al aangehaalde Joods politienetwerk uitgerold. Dit netwerk functioneert als intermediair tussen de Joodse gemeenschap en de politieorganisatie en helpt politiemedewerkers antisemitisme beter te herkennen en aanwijzingen daarvan beter op te volgen, net zoals bijvoorbeeld Roze en Blauw helpt bij de bestrijding van discriminatie van seksuele minderheden. Ook werkt de politie nauw samen met de Anne Frank Stichting om politiemensen te laten zien hoe belangrijk het is om antisemitisme te herkennen. Het OM beschikt over een Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) dat bestaat uit twee officieren van justitie en drie medewerkers, die gespecialiseerd zijn in het herkennen van discriminatiezaken en in de wijze waarop deze voor de rechter kunnen worden gebracht. Daarnaast zijn bij alle parketten discriminatieofficieren aangesteld. Het LECD voert met de politie en ADV’s – en soms ook met gemeenten of belangenorganisaties – op lokaal en regionaal niveau overleg over trends, incidenten en de gewenste aanpak.
Deelt u de mening dat het herkennen en erkennen van een antisemitisch karakter van een incident een hele belangrijke stap is richting slachtoffers en dat zij zich nu te vaak ongehoord voelen?
Ja, het is van belang dat bij het opsporen en vervolgen van strafbare feiten aanwijzingen dat sprake is van een discriminatoir motief goed worden opgevolgd. Ik kan mij daarbij overigens goed voorstellen dat individuele slachtoffers zich nu soms nog ongehoord kunnen voelen. Dat betekent overigens niet dat slachtoffers van antisemitische incidenten structureel niet gehoord zouden worden. Juist ADV’s, politie en OM is er veel aan gelegen om de juiste opvolging te geven aan aanwijzingen, meldingen en aangiftes, waaronder die met een antisemitisch karakter. Zoals ik hiervoor al aangaf, worden er ook concrete maatregelen genomen om dit te verbeteren.
Op welke manier gaat u in uw gesprekken met de politie en het OM aandacht besteden in de verschillen in de beoordeling van antisemitisme door de politie, het OM en de rechter? Kunt u de Kamer voor het mei-reces informeren over de voortgang van deze gesprekken, met name over hoe meldingen van antisemitische incidenten beter gestroomlijnd kunnen worden?
De aanpak van discriminatiedelicten en delicten met een discriminatoir motief, zoals antisemitische incidenten, zijn in het verleden verschillende malen in mijn overleggen met het OM en de politie aan de orde gesteld. Ook in de toekomst blijft de afhandeling van dergelijke incidenten daar op de agenda staan. Een gedeelte van de extra ter beschikking gestelde gelden om antisemitisme tegen te gaan, zal ik inzetten om naast reeds bestaande voorzieningen zoals Slachtofferhulp, ook ADV’s beter in staat te stellen om slachtoffers van antisemitisme en andere vormen van discriminatie bij te staan en eventueel te ondersteunen bij het doen van aangifte.
Kunt u alle vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, dat heb ik hierbij gedaan.
De Fraude Signalering Voorziening (FSV) |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Wanneer bent u op de hoogte gesteld van het bestaan van de Fraude Signalering Voorziening (FSV)?1
Wij zijn op 18 februari 2020 naar aanleiding van persvragen van RTL Nieuws en Trouw (van 10 februari 2020) op de hoogte gesteld van het feit dat er binnen de Belastingdienst een applicatie met de naam Fraude Signalering Voorziening (FSV) is.
Erkent u dat het bestaan van een zwarte lijst, waarin nota bene ook nog antidatering en ongelogde mutaties mogelijk zijn, totaal onwenselijk is voor een overheidsdienst? Kunt u uw antwoord toelichten?
De basis voor het toezicht door de Belastingdienst moet op orde zijn. De gebeurtenissen van de afgelopen periode, zoals de problematiek rond FSV, laten zien dat de opzet, inrichting en werking bij risicoselectie en vervolgens het onderzoek naar de geselecteerde signalen binnen de Belastingdienst onvoldoende zijn. Er wordt niet voldaan aan wettelijke vereisten, waaronder de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de beginselen van behoorlijk bestuur, noodzakelijke waarborgen en menselijke maat die hiervoor noodzakelijk zijn. Deze conclusie is hard en vraagt om een grootschalige verbeteraanpak waarbij zowel het zowel noodzakelijk is om direct maatregelen te treffen als verder onderzoek te doen. Burgers en bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat de behandeling door de Belastingdienst op een rechtvaardige manier gebeurt.
Heeft u zich op de hoogte gesteld van het in de gegevensbeschermingseffectbeoordeling beschreven «recente memo voor de stas over fraudemeldpunten»? Zo neen, waarom niet?
Wij zijn naar aanleiding van uw Kamervragen op de hoogte gesteld van dit document. Het betreft een notitie die een overzicht geeft van de bestaande fraudemeldpunten binnen de Belastingdienst. In de notitie wordt niet op de applicatie FSV ingegaan.
Kunt u de Kamer het memo zoals vermeld op pagina 18 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling doen toekomen? Zo neen, waarom niet?
Ja, deze notitie is als bijlage van onze brief aan uw Kamer van 28 april 20202 met u gedeeld.
Kunt u verklaren hoe het kan dat u op 27 februari 2020 een brief over de stand van zaken aan de Kamer stuurt2 en een dag later – zonder enig signaal naar de Kamer – een systeem uit de lucht moet halen dat te maken heeft met fraudesignalen?
De Belastingdienst heeft, na advies van de FG, FSV op 27 februari 2020 in de avond uit de lucht gehaald. De brief waar u aan refereert is op 27 februari 2020 verstuurd. Dit heeft elkaar gekruist en dat had niet mogen gebeuren.
Waarom wordt in de beantwoording van de Kamervragen over de afwikkeling van de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) 11-gedupeerden niet geantwoord dat ook uit FSV-dagboek documenten komen voor de persoonlijke dossiers van ouders?3
Onderdelen van dossiers van toeslaggerechtigden komen uit een groot aantal verschillende databronnen. Met name bij dossiers die zien op oude toeslagjaren, de periode 2006–2010, komt de informatie uit een grote diversiteit aan bronnen. Ook FSV-dagboek documenten kunnen derhalve naast vele andere documenten voorkomen in een persoonlijk dossier van ouders.
In het antwoord op vraag 11 van de betreffende Kamervragen over de afwikkeling van de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) 11-gedupeerden worden de verschillende databronnen niet bij naam genoemd. Daarom wordt FSV daar ook niet genoemd.
Kunt u aangeven hoeveel mensen uit FSV zijn gewist door de opschoonactie in het vierde kwartaal van 2019? Is het juist dat bij de start van de opschoonactie meer dan dubbel zoveel mensen als gemeld in FSV zaten?
In FSV staan zowel natuurlijk personen als rechtspersonen geregistreerd. In het vierde kwartaal 2019 is de opdracht voor het maken van schoningsprogrammatuur gegeven. De schoning is op 27 februari 2020 uitgevoerd. Bij deze schoning zijn de gegevens van 143.574 natuurlijke personen of rechtspersonen verwijderd. Zie hieronder een overzicht van de aantallen voor en na schoning.
Vóór schoning
244.273
85.350
6
329.629
Na schoning
133.508
52.542
5
186.055
Onbekend: identificatienummer is een niet uitgegeven nummer.
Is de digitale informatie over de opzet en resultaat van de uitgevoerde opschoonactie beschikbaar gehouden voor verantwoording en onderzoek?
Ja, de database is zowel vóór als na schoning veiliggesteld. Ook de opzet van de schoning is veiliggesteld.
Op welke wijze zijn de gegevens die bij de opschoonactie zijn verwijderd uit het FSV-informatiesysteem in een beveiligde omgeving opgeslagen voor verantwoording, audits en onderzoek?
Bij de opschoonactie zijn gegevens uit FSV verwijderd. Op 2 maart 2020 is de back-up van 26 februari 2020 veiliggesteld en in een beveiligde omgeving opgeslagen. Daarmee is er inzicht in de situatie van voor de schoning. De back-up kan geraadpleegd worden voor verantwoording, audits, en onderzoek. Daarnaast wordt de backup beschikbaar gesteld aan een beperkt aantal medewerkers voor het kunnen afhandelen van de inzageverzoeken in het kader van de AVG.
Erkent u dat als deze gegevens weg zijn, daar dan ook veel signalen van gedupeerde ouders tussen zitten en dat hiermee mogelijk bewijsmateriaal voor die ouders van onbehoorlijke behandeling is vernietigd?
Zoals bij het antwoord op vraag 8 en 9 aangegeven is er een back-up veiliggesteld en zijn deze gegevens niet vernietigd.
Bent u bereid om ook de data die in de zo genoemde digitale kluis zijn opgeslagen beschikbaar te brengen om zo alsnog te achterhalen wie er in stonden?
Zoals bij vraag 9 aangegeven is de back-up van FSV met daarin de situatie vóór de schoning veiliggesteld. Deze informatie is niet in de digitale kluis opgenomen.
Bent u bereid om iedereen die in FSV aangemeld is, op de hoogte te stellen van de vermelding op de zwarte lijst? Zo nee, waarom niet?
Het inzagerecht van de AVG is een belangrijk recht voor de burger. Op deze manier kan een burger controleren of de persoonsgegevens die worden verwerkt juist zijn. In de brief bij deze set antwoorden gaan wij uitgebreid in op de wijze waarop de inzageverzoeken behandeld worden.
Bent u bereid om mensen die bij de opschoningsactie verwijderd zijn uit FSV daarvan op de hoogte te brengen, mits de gegevens nog te achterhalen zijn – wellicht via systeemdumps? Zo nee, waarom niet?
Zie onze reactie op vraag 12.
Wat wordt precies bedoeld met «tijdelijk» uit de lucht gehaald? Welke verbeteringen moeten hoe dan ook worden toegepast voor het weer in gebruik nemen van FSV?
Met «tijdelijk» werd bedoeld dat FSV in ieder geval niet wordt gebruikt voor het raadplegen en behandeling van signalen zolang er niet wordt voldaan aan de vereisten van de AVG. Ondertussen is besloten om FSV niet meer te gaan gebruiken en de processen voor het verwerken van signalen en de bijbehorende ondersteuning opnieuw te ontwerpen.
Erkent u dat de noodmaatregelen, zoals beschreven op pagina 18 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling, geen garantie boden op de rechtmatigheid van de werking van de persoonsgegevens in FSV? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, dat erkennen wij. De gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) is uitgevoerd op de applicatie en niet op de verwerkingen in het kader van de verschillende toezichtprocessen waarbij FSV één van de te gebruiken applicaties is. Door de verwerkingen opnieuw te ontwerpen zijn noodmaatregelen niet meer nodig en kunnen we de vereisten van de AVG en andere wet- en regelgeving vanaf de basis meenemen in dat ontwerp.
Zijn er nog meer systemen binnen de Belastingdienst die kwetsbaar zijn als het gaat om de gegevensbescherming van belastingbetalers? Zo ja, hoeveel? Wat gebeurt er met deze risico’s?
We hebben een externe partij opdracht gegeven om te onderzoeken of er nog meer «FSV-achtigen» zijn in de toezichtsprocessen. In de begeleidende brief bij deze antwoordenset, zijn we ingegaan op de uitkomst van dat onderzoek en beschrijven we het traject om ook voor de overige processen van de Belastingdienst zekerheid te krijgen over het voldoen aan de AVG en andere wet- en regelgeving als de BIO en de archiefwet.
Kunt u aangeven met welke overheidsinstanties gegevens uit FSV zijn gedeeld?
De Belastingdienst heeft, bijvoorbeeld op grond van artikel 54 van de wet SUWI, wettelijke verplichtingen om gegevens te verstrekken aan verschillende andere overheidsorganisaties zoals gemeenten in het kader van de schuldhulpverlening en het UWV. Dit gebeurt middels een zogenaamd inzageverzoek. Daarnaast werkt de Belastingdienst op basis van verschillende convenanten, zoals het RIEC-convenant samen met andere overheidsorganisaties voor het signaleren van niet compliant gedrag.
Er is geen directe koppeling van FSV naar andere overheidsinstanties. Informatie uit FSV kon gebruikt worden door de behandelaar van het inzageverzoek bij het samenstellen van het antwoord. Ook kon informatie uit FSV gebruikt worden door een behandelaar bij samenwerking met andere overheidsinstanties, als daar een wettelijke grondslag voor was, zoals bij casusbesprekingen in het kader van RIEC. Het is niet te achterhalen welke informatie met welke instanties is gedeeld.
Kunt u aangeven welke andere overheidsinstanties bron konden zijn voor opname in FSV?
Alle overheidsinstanties kunnen signalen melden bij de Belastingdienst en daarmee bron zijn voor opname in FSV.
Wanneer en door wie is besloten tot de privacy impact analyse (PIA) voor FSV?
Het directieteam van MKB heeft op 20 augustus 2018 besloten tot het uitvoeren van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat er in januari 2019 een zeer kritisch rapport wordt opgeleverd, waarin staat dat het systeem «geen goede aansluiting (meer) heeft op de verwerkingsbeginselen van art. 5 AVG» en «onvoldoende onderscheid tussen informatieverzoek en een signaal maar ook betekenis/gewicht van de informatie, leidt tot mogelijke stigmatisering van betrokkenen (zwarte lijst effect)» pas in februari 2020 leidt tot het tijdelijk uit de lucht halen van het systeem?
In augustus 2018 is binnen de Belastingdienst de opdracht gegeven om een GEB op te stellen over FSV. De concept-GEB is opgeleverd in januari 2019. De reikwijdte van de concept-GEB was te beperkt: alleen de applicatie zelf was onderwerp van onderzoek en niet het volledige gebruik van persoonsgegevens in de toezichtprocessen. Dit had wel gemoeten. Daarnaast had de conclusie van de concept-GEB op dat moment al aanleiding moeten zijn om de privacy-officer van de Belastingdienst en de Functionaris Gegevensbescherming (FG) te betrekken om een oordeel te kunnen geven of er nog wel zorgvuldig conform de AVG met het systeem gewerkt kon worden.
De Belastingdienst heeft los van de GEB naar aanleiding van aanvullend onderzoek naar de exportfunctionaliteit in mei 2019 wel maatregelen genomen om de risico’s van het gebruik van FSV te beperken. Met de exportfunctionaliteit is het mogelijk om gegevens uit FSV in een ander programma, zoals bijvoorbeeld Excel, te plaatsen en te bewerken. Omgekeerd kan het ook gebruikt worden om de bewerkte gegevens weer in FSV te plaatsen. Door de maatregelen is bijvoorbeeld het aantal autorisaties destijds teruggebracht van ruim 5000 naar 1229 op het moment van uitschakelen van FSV. Hiervan zijn 695 autorisatie voor het alleen kunnen zien of er een signaal in FSV is, maar niet de inhoud daarvan en 534 autorisatie voor het kunnen raadplegen en/of opvoeren/wijzigen van een signaal in FSV Autorisaties bepalen welke medewerkers bepaalde acties kunnen verrichten in het systeem. Ook is de procedure voor het verkrijgen van een autorisatie aangescherpt.
In november 2019 is naar aanleiding van de hierboven benoemde maatregelen onderzocht of de maatregelen uit de concept-GEB moesten leiden tot andere conclusies. Dit heeft geleid tot een geactualiseerde concept-GEB in november 2019. Hierin wordt onder andere geconcludeerd dat naar aanleiding van het onderzoek naar de exportfunctionaliteit al maatregelen zijn genomen, maar dat nog niet alle overige maatregelen uit de concept-GEB zijn doorgevoerd.
De conclusie uit de concept-GEB van januari 2019 had zoals hiervoor beschreven aanleiding moeten zijn om de privacy-officer van de Belastingdienst en de FG te betrekken. De FG had als interne toezichthouder van het Ministerie van Financiën kunnen adviseren over hoe omgegaan moest worden met de conclusies uit de concept-GEB. De privacy-officer en de FG hebben uiteindelijk op 20 februari 2020, als gevolg van de vragen van de media, kennisgenomen van deze concept-GEB.
Wie heeft in die tussenliggende periode het rapport gekregen? Kunt u een tijdlijn maken wie, wanneer en met welke acties het rapport heeft besproken? Zo nee, waarom niet?
Bij onze brief van 28 april5 is deze gevraagde tijdlijn als bijlage met uw Kamer gedeeld
Is het juist dat de betrokken directeur MKB een verleden heeft bij Belastingdienst/Toeslagen juist in de periode van de verhoogde inzet op mogelijke toeslagenfraude met Combinatieteams Aanpak Fraude (CAF)? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wij doen geen uitspraken over individuele medewerkers.
Hoe vaak is FSV – middels dumps van de database – gebruikt als bron voor risicomodellen en datafundamenten van de afdeling Datafundamenten en Analytics (DF&A) alsmede voor IVT (Informatie Verstrekking Toeslagen)? Kunt u hiervan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
FSV is binnen DF&A gebruikt voor de producten Omzetbelasting-Carrouselfraude en afgifte btw-nummer.
Daarbij zijn statische lijsten uit FSV gebruikt als een risico-indicator. Het gebruikt bij OB Carrouselfraude duurde tot de zomer van 2017.
De statische lijst is in het product afgifte btw nummer gebruikt tijdens de pilot bij 4 kantoren in de periode mei 2017 tot september 2019. Vanaf september 2019 werd dit product bij alle kantoren gebruikt. Het risicomodel afgifte btw nummer gebruikte de statische lijst van FSV als een signaal. Bij een «hit» werd het signaal beschikbaar gesteld aan een medewerker van de Belastingdienst belast met het beoordelen van het al dan niet af mogen geven van een btw-nummer. Eind november 2019 is het gebruik van de statische FSV lijst in dit product stopgezet. Daarnaast is informatie uit FSV (incidenteel) gebruikt bij eenmalig analyses.
Voor het initieel vullen van het risicoclassificatiemodel voor Toeslagen is in 2013 een kopie van de database van FSV gebruikt.
Kunt u aangeven hoe vaak er «trends in beeld» zijn gebracht door het gebruik van meldingen in FSV, waarover gesproken wordt op pagina 5 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling?
In de als bijlage meegestuurde rapport van KPMG is uitgebreid ingegaan op het gebruik van FSV binnen de Belastingdienst en het gebruik van de informatie als contra-informatie. Het is niet te achterhalen hoe vaak er trends in beeld gebracht zijn. Dit is geen speciale functie in de applicatie en dit wordt ook niet op een andere wijze bijgehouden.
Kunt u reconstrueren hoe FSV tot stand is gekomen? Wat was de aanleiding, hoe is de privacygevoeligheid getoetst, bijvoorbeeld met de voorloper van de Autoriteit Persoonsgegevens?
In de als bijlage meegestuurde rapport van KPMG wordt ook ingegaan op het ontstaan van FSV. FSV is voor zover na te gaan niet op privacygevoeligheid getoetst door externe toezichthouders.
Is het tot stand komen van FSV onderdeel geweest van discussie en/of besluitvorming van de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude? Zo ja, kunt u aangegeven wie op de hoogte is geweest van de discussie en/of het besluit?
In de bijeenkomsten van de ministeriële commissie Aanpak Fraude is niet gesproken over FSV, zo blijkt uit de bij het Ministerie van Algemene Zaken aanwezige verslagen.
Hoe is de lijst van categorieën tot stand gekomen als het gaat om de persoonsgegevens die verwerkt werden (pagina 6 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling)?
Hiervoor is aangesloten bij de persoonsgegevens die gebruikt worden in de verschillende processen die FSV gebruiken. Een voorbeeld daarvan is de aangiftebehandeling binnen het reguliere toezicht.
Wat is de gedachte dat ook het zijn van gastouder als categorieën betrokken persoonsgegevens is opgenomen?
Op deze wijze kon onderzocht worden of een gastouder dan wel kinderopvangcentrum reeds eerder betrokken was bij een melding.
Kunt u voorbeelden geven van informatie-uitvragen van derden waar gebruik van werd gemaakt naast signalen van de Belastingdienst die werden geregistreerd en vastgelegd?
Overheidsinstanties kunnen verzoeken doen om fiscale informatie. Dat loopt uiteen van gemeenten (bijv. o.g.v. art. 64 Participatiewet) tot UWV (bijv. o.g.v. art. 54 SUWI). In het rapport van KPMG wordt dit gebruik beschreven.
Werd FSV ook met data gevoed uit andere bronnen dan het PIT? Wellicht van buiten de Belastingdienst?
Ja. In zijn algemeenheid geldt dat FSV werd gevoed met interne en externe signalen en informatieverzoeken, hierbij vindt geen koppeling plaats met andere systemen.
Kunt u aangeven uit welke bronnen werden persoonsgegevens verkregen voor FSV?
De bron voor de persoonsgegevens was het signaal zelf. Dit werd aangevuld met bij de Belastingdienst bekende informatie. Zoals bijvoorbeeld met het BSN-nummer als dit ontbrak of informatie over het inkomen en vermogen.
Kunt u aangeven waarom het opvragen van fiscale gegevens door een andere overheidsinstantie als signaal in FSV werd geregistreerd? Is de uitvraag van gegevens altijd een signaal voor potentiële fraude? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Belastingdienst registreerde informatieverzoeken van andere overheidsinstanties in FSV. Dit werd niet als signaal vastgelegd, hiervoor is een aparte rubriek in FSV. Zoals in het rapport van KPMG beschreven is, is de applicatie FSV gebruikt als registratiehulpmiddel voor verschillende werkzaamheden. Om een informatie verzoek te verrijken tot signaal is er eerst nader onderzoek nodig. De enkele uitvraag van gegevens is dus geen signaal voor mogelijke fraude. In FSV is voor geautoriseerde medewerkers zichtbaar dat er een informatieverzoek was gedaan.
Wat waren de achterliggende bevindingen bij de zinsnede op pagina 7 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling: Er zijn tijdens het assessment voorbeelden genoemd van «niet voorgenomen/bedoelde» verwerkingsvormen die functioneel wel mogelijk zijn en worden gebruikt: het raadplegen van de werkvoorraad van collega’s en het maken van een «systeemdump» via de excel-exportfunctie? Kunt u aangeven waarin dat niet bedoeld of voorgenomen was? Hoe vaak werden deze opties gebruikt?
De applicatie FSV kent een aantal zoekschermen zoals «mijn openstaande posten» en «raadplegen alle signalen. In de individuele zoekschermen hoeft geen zoekcriterium meegegeven te worden.
Effect is dat informatie over alle registraties horend bij dat zoekscherm getoond wordt waaronder de code voor de behandelend ambtenaar. Een medewerker kan zien wat er aan werk ligt bij zijn collega behandelaren als hij kiest voor een andere selectie dan «mijn openstaande posten». Hoe vaak daar gebruik van gemaakt is, is niet te achterhalen.
Voor het exporteren van gegevens uit FSV was een aparte functie beschikbaar waarmee bepaalde gegevenssets geëxporteerd kunnen worden. Dit betreft geen systeemdump in de definitie van een totale kopie van de database.
Het gebruik van schermen wordt wel gelogd maar er is niet te achterhalen of er daadwerkelijk iets geëxporteerd is.
Kunt u aangeven welke vormen van systeemdump via de excel-exportfunctie in het verleden zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld via het vrije invoerveld? Zo neen, bent u bereid dit uit te laten zoeken?
Nee, dit is helaas niet bekend en niet te achterhalen. Op basis van de registratie (logging) is slechts terug te halen of een user een scherm heeft geopend, of er daadwerkelijk een export gemaakt is, is uit de registratie (logging) niet te herleiden.
Is bij de Belastingdienst bekend dan wel uitdraaien, dan wel queries, dan wel systeemdumpen zijn gedaan op basis van de tweede nationaliteit?
Er is geen specifiek veld in FSV waarin de nationaliteit danwel tweede nationaliteit ingevuld wordt. De enige mogelijkheid daartoe is om daar het opmerkingen-veld voor te gebruiken. Uit het onderzoek door KPMG is gebleken dat er 799 vermeldingen van nationaliteit (waarvan 313 keer de nationaliteit van de betrokken subject en 486 keer de nationaliteit van derden) in het vrije tekstveld aangetroffen is op de totale populatie van 263.087 geregistreerde signalen. Naar de mening van de externe onderzoeker houdt de registratie van dergelijke gegevens niet in dat de informatie heeft geleid tot een effect op de behandeling van burgers, het kan ook bijvoorbeeld faciliterend van aard zijn. In een deel van de gevallen lijkt de vastgelegde informatie direct overgenomen te zijn vanuit een binnengekomen «Tips- en kliks»-melding en daarmee geen duiding van een medewerker van de Belastingdienst is. Daarnaast kan in het geval van nationaliteit gelden dat deze informatie relevant is voor een specifiek belastingmiddel, zoals bij Inkomensheffing of de omzetbelasting. Het is niet bekend en niet te achterhalen hoe vaak er gebruik is gemaakt van de exportfunctionaliteit waarin ook het opmerkingen-veld is opgenomen.
Kunt u aangeven welke handleidingen er over FSV in omloop waren voor de verschillende onderdelen van de Belastingdienst? Kunt u die handleidingen sturen naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Er is een handleiding FSV van oktober 2013. Deze is digitaal beschikbaar. Daarnaast zijn er specifieke instructies voor sommige directies. Deze doe ik u hierbij toekomen. In de documenten zijn namen van medewerkers van de Belastingdienst en de user-ids die tot medewerkers van de Belastingdienst herleidbaar zijn onleesbaar gemaakt. Daarnaast zijn verwijzingen naar interne links waarbij de url is opgenomen, onleesbaar gemaakt om daarmee het oneigenlijk gebruik van dergelijke pagina’s te voorkomen.
Kunt u aangeven hoe FSV bijdroeg aan het verrijken van beschikbare gegevens (bladzijde 7 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling)?
De Belastingdienst gebruikt informatie uit FSV als contra-informatie om te bepalen of en in hoeverre ingediende aangiftes of verzoeken moeten worden beoordeeld. In de als bijlage meegestuurde rapport van KPMG wordt ingegaan op het gebruik van de informatie uit FSV door de Belastingdienst.
Kunt u aangeven hoe kliks in FSV bijdroegen aan modellen voor «risicovinding» voor de CAF?
Het CAF-team gebruikt geen modellen voor risicovinding waarbij specifiek op basis van kliks in FSV werd gewerkt. Wel is informatie in FSV gebruikt bij het CAF-team voor het bepalen of een casus het onderzoeken waard was nadat een signaal was ontvangen.
Hoe vaak is er vanuit de CAF-teams beroep gedaan op FSV om personen te raadplegen?
Medewerkers uit CAF-teams voeren naast hun taken voor CAF ook werkzaamheden uit voor hun eigen directie. De werkzaamheden voor het CAF-team waren meestal niet fulltime. Het is niet te herleiden vanuit welke taak een medewerker uit het CAF-team ingelogd is geweest in FSV. De vraag hoe vaak er vanuit de CAF-teams een beroep gedaan is op FSV om een persoon te raadplegen, is dan ook niet te beantwoorden.
Hoe vaak zijn er meldingen/signaleringen gedaan in FSV door de CAF-teams/ dan wel Toeslagen?
Medewerkers van het Meldpunt Fraude Toeslagen selecteren de binnengekomen berichten naar aard en op mogelijke bruikbaarheid voor Toeslagen. Alle berichten waarbij mogelijk sprake is van een onrechtmatige toekenning van een toeslag worden als signaal inhoudelijk beoordeeld en zijn derhalve als mogelijk relevant voor Toeslagen aan te merken. In de periode 2014 tot en met 2019 zijn door Toeslagen ongeveer 6200 meldingen/signalering geregistreerd in FSV. Dit betreft ongeveer 10% van de ontvangen berichten.
Kunt u aangeven wat bedoeld wordt in voetnoot 13 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling dat Toeslagen FSV gebruikt om te raadplegen bij Bibob- en Track-verzoeken?
FSV geeft een weergave van de opgelegde sancties, of een voornemen daartoe. Dit wordt (mede) gebruikt voor de beantwoording van de inhoudelijke verzoeken van Justis-Bibob. Voor de verzoeken van Justis-track wordt geen gebruik gemaakt van FSV.
Hoe behoort het door Toeslagen opnemen van strafrechtelijke gegevens in FSV tot de wettelijke taak als vermeld onder kopje 11? Valt dit onder «gerechtvaardigd belang»? Wie heeft dit gerechtvaardigd belang getoetst?
Geen antwoorden mogelijk omdat de vragen 42 en 43 niet zijn gesteld.
Erkent u dat uit de opsomming van punten onder het kopje 12 «bijzondere gegevensverwerking» van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling niet komt dat het voor Toeslagen was toegestaan de gegevens in FSV te plaatsen?
Zie antwoord vraag 42.
Kunt u de onderstaande opsomming zoals te vinden op pagina 11 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling even op u in laten werken en dan per punt reageren
Dit valt niet onder gerechtvaardigd belang maar de vervulling van een taak van algemeen belang. Grondslag voor de verwerking van strafrechtelijke en andere gevoelige gegevens is niet het gerechtvaardigd belang (artikel 6, eerste lid, onder f, AVG), maar de vervulling van een taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid, onder e, AVG). In artikel 11, tweede lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is immers bepaald dat Belastingdienst/Toeslagen het organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst is dat belast is met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen. Bij de totstandkoming van de Awir werd opgemerkt dat de uitvoering rust op drie pijlers (TK, 2004–2005, 29 764, nr. 3, p. 21), waaronder strafrechtelijk optreden als sluitstuk in gevallen van bewust misbruik.
Hoe denkt u FSV weer in gebruik te nemen na onderstaand oordeel op pagina 12 van de gegevensbeschermingseffectbeoordelingt: «Gegevens met een zwarte lijst-karakter: in FSV ontstaan of worden bepaalde gegevenselementen verwerkt die het karakter van een zwarte-lijst-element hebben of krijgen. De mogelijke subjectiviteit («bias», vooringenomenheid, zelfversterkend effect door stapeling) maakt het verwerken risicovol. Ook het voorkomen in FSV als betrokkene wordt een risicosignaal.»?
Zie ons antwoord op vraag 44.
Kunt u reconstrueren hoe het mogelijk was dat maar liefst 5.000 personen in FSV konden in januari 2019 en dat het aantal toen nog toenam? Wie is verantwoordelijk geweest voor het feit dat zoveel toegang tot persoonsgegevens werd verschaft?
De door u gehanteerde citaten zien op gebreken in de werkwijze van het proces dat de genoemde signalen verwerkt. De vier verwerkingen die ondersteund worden door de applicatie FSV kunnen bijzondere persoonsgegevens ontvangen, terwijl de werkwijze daar niet op voorhand in voorziet. Zo verwijst het eerste citaat naar het proces van verwerken van informatieverzoeken. In dat proces kunnen strafrechtelijke gegevens ontvangen worden. Die worden echter door de applicatie net zo afgeschermd als gewone persoonsgegevens. Voor alle citaten geldt dat wij hiervan geschrokken zijn en dat zij hebben bijgedragen aan het besluit van de Belastingdienst om het gebruik van FSV te stoppen.
Hoeveel mensen hadden een dubbele autorisatie tot FSV? Waarom houdt het identity management system (IMS) dit niet bij?
Wij gaan FSV niet meer in gebruik nemen. Zie ook ons antwoord op vraag 14.
Is het IMS voor meer systemen binnen de Belastingdienst verantwoordelijk voor de autorisatie voor toegang? Zo ja, hoeveel? Kunnen daar dezelfde problemen optreden als bij FSV?
Een medewerker wordt niet rechtstreeks geautoriseerd voor een applicatie, maar dat wordt gedaan op basis van de rol die een medewerker uitoefent of op basis van een bijzondere taak die aan een medewerker wordt opgedragen.
In een zogenoemd rollenmodel is vooraf vastgelegd wat de autorisaties moeten zijn voor een bepaalde rol of bijzondere taak. Voorbeelden van deze rollen zijn «klantbehandelaar omzetbelasting», «administratief medewerker inkomstenbelasting» en «management ondersteuner». Voor elk van die rollen is vastgelegd welke taken uit welke applicaties nodig zijn voor het werk dat uitgevoerd wordt binnen die rol. In IMS ligt dat rollenmodel vast. Een teammanager koppelt in IMS een medewerker uit het team aan één van de rollen die voor het team beschikbaar is en IMS zorgt er dan voor dat de betreffende medewerker alle autorisaties krijgt die horen bij die rol. Raadpleegrechten op FSV werd in het verleden gezien als een basisautorisatie voor medewerkers in de toezichtsprocessen. De raadpleegautorisatie daarvoor zat dan ook in veel rollen.
Is te achterhalen of de 5/6 functioneel beheerders, die in januari 2019 in beeld waren, correct gehandeld hebben als het gaat om het toegang verlenen tot FSV?
474 gebruikers hadden een dubbele autorisatie, dit wordt wel door IMS bijgehouden.
Dubbele autorisaties ontstaan doordat iemand twee rollen in de applicatie kan hebben. Bijvoorbeeld «behandelaar» en «raadpleger».
Wat voor profielen worden precies bedoeld in de volgende zinsnede: «profielen op basis van dergelijke kenmerken worden ingezet voor selectie van dossiers voor toezicht of klantbehandeling. Dergelijke profielen zijn geen product van profilering in de zin van de AVG»? (pagina 9 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling) Is dit voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens, of tenminste aan de Functionaris Gegevensbescherming van het Ministerie van Financiën? Zo neen, waarom niet? Wie besloot dit niet voor te leggen?
Ja, het IMS is voor de Belastingdienst de basis voor toekenning van autorisaties voor ruim 900 applicaties. Het is aan de individuele directeur om te bepalen welke autorisaties nodig zijn voor een rol.
Kunt u aangeven waarnaar wordt verwezen als het gaat waarom profielen volgens het «standpunt/beslissing» van DT BD juni 2018 (voetnoot 9 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling) geen product van profilering in de zin van de AVG zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van onderzoek op de back-up van FSV, heeft de Belastingdienst geen onregelmatigheden aangetroffen. Zoals in het antwoord op vraag 48 is aangegeven verlenen de beheerders niet rechtsreeks toegang, maar verloopt dit via IMS.
Kunt u verklaren wat de reden was om een passage aan de journalisten weg te laten op pagina 9 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling bij het WOb-verzoek (11,1)?
Hier worden profielen bedoeld die worden gebruikt voor de keuzes binnen toezichtactiviteiten. Hierbij is te denken aan een risicomodel zoals de afgifte OB nummer. In het risicomodel Afgifte OB-nummer werd gekeken of de relatie van de onderneming in de afgelopen kwartalen in FSV stond geregistreerd. Indien het risicomodel een post als risicovol bestempelt, volgt een nadere toetsing. De eventuele nadere toetsing bestaat uit het raadplegen van de systemen (belastingdienst en openbare systemen) en, indien nodig, een aanvullend onderzoek naar het ondernemerschap door de Belastingdienst. De GEB heeft niet het reguliere afstemmingsproces doorlopen. Daardoor is dit ook niet getoetst door de FG.
Kunt u aangeven op welke wijze de volgende passage uit de gegevensbeschermingseffectbeoordeling behoort tot een persoonlijke beleidsopvatting: «Enkele van de binnen FSV verwerkte elementen» én het feit dat er ook niet zondermeer objectief getoetste of toetsbare signalen worden geregistreerd, maken dat het karakter van sommige verwerkingsvormen binnen FSV als profilering inclusief «zwarte lijst»-achtige effecten kunnen gelden.
In het kader van de implementatie van de AVG heeft de Belastingdienst interne beleidslijnen opgesteld over de uitleg en toepassing van de (open) normen in de AVG. Dit om te bewerkstelligen dat daaraan in de uitvoeringspraktijk eenduidige invulling wordt gegeven. Ook over profilering als onderdeel van geautomatiseerde besluitvorming is zo'n beleidslijn opgesteld. Deze houdt het volgende in: de Belastingdienst houdt subjectgericht toezicht op grond van risicomodellen (in de praktijk «profielen» genoemd) die gebaseerd zijn op objectieve kenmerken. Deze modellen worden gebruikt voor het selecteren van posten voor handmatige behandeling, niet voor het geheel geautomatiseerd nemen van besluiten ten aanzien van personen.
Wie heeft besloten en/of geautoriseerd dat deze passage werd «weggelakt»? Hoe oordeelt u over dit besluit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Conform de Wob worden persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad niet openbaar gemaakt. Bij de eerste juridische beoordeling over het verstrekken van de concept-GEB aan de media is geoordeeld dat de desbetreffende passage viel onder deze uitzonderingsgrond in de Wob. Bij verstrekking aan de Tweede Kamer heeft door ons een herbeoordeling van deze passage plaats gevonden en hebben wij besloten om de concept-GEB te verstrekken inclusief deze passage.
Kunt u aangeven welke andere processen worden bedoeld, zoals in voetnoot 10 van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling wordt vermeld?
Bij de eerste juridische beoordeling over het verstrekken van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling aan de media is geoordeeld dat de desbetreffende passage viel onder de uitzonderingsgrond persoonlijke beleidsopvatting van de Wob. Bij verstrekking aan de Tweede Kamer heeft een herbeoordeling van deze passage plaats gevonden.
Wat is een besmet adres of besmette postcode? Hoe ontstaat dat? Wie houdt dit bij? Welke instanties houden deze informatie allemaal bij? Kunt u dit uitvoerig toelichten?
Zie antwoord vraag 55.
Aan welke «mogelijk subjectieve waarderingen uit andere processen» moet worden gedacht? Heeft dit te maken met vooringenomenheid richting personen of bedrijven? Heeft dit te maken met het categoriaal beoordelen van een groep? Kunt u dit uitvoerig toelichten?
De desbetreffende processen zijn opgenomen in de tekst van voetnoot 10: Negatieve-norm OB, prioriteit, besmet adres, besmette postcode.
Kunt u verklaren waarom FSV, waarin toch persoonsgegevens worden verwerkt, niet staat in het overzicht «verwerkingen van persoonsgegevens» van de Belastingdienst zelf?5
Een voorbeeld van een besmet adres is een adres waarop veel personen/bedrijven (honderden) staan ingeschreven. Een ander voorbeeld is een onlogische registratie van een bedrijf op een adres, bijvoorbeeld een garagebedrijf dat gevestigd is in een woontoren. Er is in 184 gevallen een besmet adres geselecteerd. De instructie bij Toeslagen was om dit veld niet te gebruiken Voor de andere directies zijn er geen instructies over wanneer dat veld gebruikt moest worden.
Kunt u aangeven hoe het volstaan van de verwijzing naar de brochure «Overzicht verwerkingen van persoonsgegevens van de Belastingdienst», zoals beschreven op pagina 13 voldoende is, als FSV niet voorkomt in deze brochure?
Veel beoordelingen moeten worden uitgevoerd door medewerkers aan de hand van een professionele afweging, waarin alle omstandigheden van het geval worden gewogen. Omdat niet iedere zaak gelijk is zullen ook de beoordelingen niet altijd gelijk uitvallen.
Waarom is het bestaan van het FSV niet aan de Adviescommissie uitvoering toeslagen en de Auditdienst Rijk gemeld?6
Het «Overzicht verwerkingen persoonsgegevens door de Belastingdienst» is een uittreksel van verwerkingen door de Belastingdienst die in het register van verwerkingen zijn opgenomen. Het overzicht verwijst naar verschillende verwerkingen op het gebied van toezicht. FSV is een applicatie die gebruikt wordt bij verschillende verwerkingen die zien op het toezichtsproces. De applicatie FSV zelf is geen verwerking en staat dan ook niet genoemd in het register van verwerkingen.