Het testen van politieagenten op corona |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bespuugde agenten mogen zich laten testen op corona»?1
Ja.
Weten agenten, buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s), handhavers of hun werkgevers dat zij zich kunnen laten testen in het geval zij tijdens het werk een mogelijke besmetting hebben opgelopen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u zorgen voor snelle voorlichting over deze mogelijkheid?
Er is informatie beschikbaar voor deze werknemers over de situatie rondom corona en de getroffen maatregelen om de gezondheid van de medewerkers te beschermen. Van nieuwe ontwikkelingen, zoals veranderingen in het testbeleid, worden medewerkers op de hoogte gebracht door de interne communicatie van de organisaties, zoals nieuwsbrieven en informatie op het intranet. Mij zijn geen signalen bekend dat de informatievoorziening ontoereikend is.
Deelt u de mening dat ook zonder dat sprake was van spuug- of hoestincidenten agenten, boa’s en handhavers die in contact met publiek komen in het geval zij corona gerelateerde symptomen vertonen, getest moeten kunnen worden? Zo ja, is dat ook reeds het geval? Zo nee, waarom niet?
Ook professionals in handhaving en toezicht krijgen te maken met het coronavirus. Het kan zijn dat zij tijdens hun werk besmet worden doordat ze worden bespuugd of behoest door iemand die het coronavirus heeft. Dit risico lopen ze ook tijdens een reanimatie, vechtpartij, of aanhouding met geweld. Dit veroorzaakt onder deze professionals onrust. Daarom is afgesproken dat professionals in handhaving en toezicht (waaronder o.a. agenten, boa’s en andere handhavers) ook getest kunnen worden als zij door een incident tijdens het werk (spugen, hoesten, reanimatie, vechtpartij of aanhouding met geweld) een mogelijke besmetting hebben opgelopen. Als zij symptomen hebben ontwikkeld die passen bij COVID-19, kunnen zij getest worden na advies van de (bedrijfs)arts. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport2. Ook voor politiemensen, boa’s en andere handhavers geldt dat zij bij corona-gerelateerde ziekteverschijnselen thuis moeten blijven. Op dit moment wordt gewerkt aan verbreding van het testbeleid. De Minister van VWS heeft op 6 mei aangekondigd dat per 18 mei medewerkers van politie, de Koninklijke marechaussee en boa’s getest kunnen worden bij klachten. Het testbeleid voor deze sector wordt de komende tijd uitgewerkt.
In juni, waarbij gestreefd wordt naar 1 juni, wordt het testbeleid weer verder uitgebreid en zal iedereen met klachten getest kunnen worden.
Moeten agenten, boa’s en handhavers die getest willen worden daarvoor door hun bedrijfsarts worden doorverwezen? Zo ja, wat zijn de kosten daarvan?
Ja. Aan testen zijn kosten verbonden. Er worden geen kosten berekend aan medewerkers.
Kunnen agenten, boa’s en handhaver die getest willen worden zich ook tot een GGD-arts wenden die beoordeelt of een test noodzakelijk is? Zo ja, is deze mogelijkheid bij agenten, boa’s of hun werkgever bekend? Zo nee, waarom kan dat niet?
De agenten, boa’s en handhavers wenden zich in eerste instantie tot de bedrijfsarts, die een belangrijke rol heeft bij het gezond en veilig werken in de organisatie. Deze werkwijze is afgesproken in overleg met de GGD’en en heeft als voordeel dat de GGD’en niet onnodig belast worden. Bovendien houdt de organisatie op deze wijze zicht op het aantal incidenten en de hoeveelheid medewerkers die getest moeten worden op het coronavirus.
Hebben de GGD’en voldoende capaciteit om naast de patiënten en zorgmedewerkers die zij moeten testen en per 11 mei de leraren, ook agenten, boa’s en handhavers te testen? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die capaciteit er wel komt?
Ja, de GGD’en hebben voldoende capaciteit om agenten, boa’s en handhavers te testen bij klachten na een incident.
Kunt u bovenstaande vragen gezien de zorgen die leven bij agenten, boa’s en handhavers binnen een week beantwoorden?
Zoals gebruikelijk zijn de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Gevolgen van het opschorten van Staatsexamens Nt2 voor statushouders en andere nieuwkomers |
|
Niels van den Berge (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het opschorten van Staatsexamens Nt2 gevolgen kan hebben voor statushouders en andere nieuwkomers die in september aan een opleiding willen beginnen?
Ja.
Zou u het ook onwenselijk vinden als nieuwkomers die staan te popelen om aan een opleiding te beginnen, in hun enthousiasme en leergierigheid zouden worden afgeremd door de coronacrisis?
Ja.
Zou u in gesprek willen gaan met onderwijsinstellingen over oplossingen, waardoor statushouders en andere nieuwkomers die als gevolg van de coronacrisis geen staatsexamen kunnen doen, wel in september aan een opleiding kunnen beginnen?
Ik ben reeds in gesprek gegaan met VH, VSNU en de MBO Raad. Dat heeft tot de volgende afspraken geleid.
In het servicedocument voor het hoger onderwijs is opgenomen dat Aspirant-studenten die als gevolg van het stil leggen van de Staatsexamens als tweede taal niet in staat zijn om voorafgaand aan de start van het studiejaar voldoende beheersing van het Nederlands via Nt2 aan te tonen, voorwaardelijk worden toegelaten tot het hoger onderwijs, indien zij naar verwachting binnen een redelijke termijn over het gewenste niveau zullen beschikken. Dit kan onder de voorwaarden dat de student aan de voorkant aantoont over voldoende beheersing van de Nederlandse taal te beschikken door middel van een taaltoets, aangeboden door de desbetreffende instelling. Ook kan de instelling ervoor kiezen om deze student toe te laten zonder dat deze nog voldoet aan het gewenste taalniveau, onder de voorwaarden dat de student het staatsexamen Nederlands vóór 1 januari haalt of anderszins aantoont aan het gewenste taalniveau te voldoen. Kan de student vóór 1 januari niet aantonen dat deze aan voldoende beheersing van de Nederlandse taal voldoet, dan zal deze alsnog de opleiding moeten verlaten. Dit laatste geldt ook voor studenten die in andere vakken dan Nederlands staatsexamen doen. Zij worden toegelaten tot het hoger onderwijs, onder de voorwaarde dat zij het staatsexamen vóór 1 januari halen. Zo niet, dan dienen zij de opleiding te verlaten.
In het servicedocument voor het mbo is aangegeven:
Het CvTE, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het Staatsexamen Nt2, werkt momenteel samen met DUO de planning voor het hervatten van de Staatsexamens uit. Vanzelfsprekend hangt dit samen met besluitvorming van het kabinet over de maatregelen die nodig zijn om de gevolgen van het Coronavirus te beperken.
Zou u deze vragen voorafgaand aan het notaoverleg Onderwijs en corona op 29 april 2020 kunnen beantwoorden?
Ja.
Veilig schoolverkeer |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Welke extra maatregelen worden er genomen om veilig schoolverkeer mogelijk te maken nu de scholen binnenkort weer open gaan? Hoe gaat de anderhalve meter mobiliteit er voor scholieren uit zien?
Voor wegbeheerders is een handreiking gemaakt om maatregelen te treffen passend bij de lokale situatie. Via de Rijksbrede campagne «AlleenSamen» zijn communicatiematerialen beschikbaar gesteld zoals posters en stoepkrijt mallen die aandacht vragen voor afstand houden tijdens de reis. De boodschap voor schoolverkeer is dat ouders en kinderen lopend naar school komen indien dit niet mogelijk is fietsend. De ouders/verzorgers het haal- en brengmoment zo kort mogelijk houden (kiss & ride). De communicatiemiddelen en maatregelen zijn onderdeel van het protocol stedelijke mobiliteit.
Gaat u met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) om tafel zitten (figuurlijk!) voor een actieplan dat fietsers en voetgangers extra ruimte geeft, zodat drukte wordt voorkomen?
In figuurlijke zin zit ik met IPO, VNG, vervoerregio’s, CROW en SWOV om tafel. Met hen heb ik onlangs het protocol stedelijke mobiliteit in de 1,5 meter samenleving opgesteld.
Welke mogelijkheden zijn er om op de korte termijn extra ruimte te creëren? Kunnen (delen van) rijbanen tot (tijdelijke) fietspaden worden omgezet, bijvoorbeeld door straten eenrichtingsverkeer te maken? Kunnen met snelheidsverlagingen veilige «shared spaces» gecreëerd worden?
In het protocol stedelijke mobiliteit is onderscheid gemaakt in maatregelen die op korte termijn getroffen kunnen worden en maatregelen die een langere uitvoeringstermijn hebben. Wegbeheerders kunnen verschillende tijdelijke maatregelen treffen om op de korte termijn extra ruimte te creëren. Kennisplatform CROW is gevraagd door Minister van Nieuwenhuizen om maatregelen uit te werken en deze kennis te verspreiden. Enkele voorbeelden:
Is het mogelijk om plannen voor herinrichting en onderhoud van wegen en fietspaden naar voren te halen zodat we snel extra ruimte kunnen creëren en tegelijk aannemers aan het werk houden?
Of herinrichting en onderhoud van fietspaden noodzakelijk en te combineren is met het creëren voor extra ruimte voor fietsers zal per situatie en locatie verschillen. De keuze hiervoor is aan de lokale wegbeheerders. We zien dat met name een aantal grote(ere) steden op dit moment actief bezig is met het vraagstuk.
Hoe voorkomen we dat er extra autoverkeer gaat ontstaan omdat mensen het openbaar vervoer (OV) mijden?
Door de coronamaatrelen zal de capaciteit in het OV voorlopig beperkt zijn. Daarom vragen we iedereen om zoveel mogelijk thuis te werken en anders buiten de spits te reizen. Dat geldt voor alle modaliteiten. Als mensen toch de deur uit moeten wordt gevraagd indien mogelijk te kiezen voor lopen of de fiets voor hun verplaatsing, en om dit zoveel mogelijk lokaal te doen.
Zijn de nu geldende regels voor het OV berekend op de komst van groepen scholieren? Hoe gaan OV-bedrijven hiermee om?
Om de verspreiding van het COVID19 virus tegen te gaan is het van belang dat we onnodige druk op het OV te vermijden. Samen met de OV-sector is een protocol opgesteld hoe het OV in de 1,5 m samenleving wordt ingericht. Dit protocol is u op 14 mei jl. toegezonden. Voor nu is de boodschap vooral: vermijd het gebruik van het OV als dat niet nodig is. Bij alle scenario’s en bij alle typen maatregelen zal de eigen verantwoordelijkheid van mensen en bedrijven een bepalende rol spelen in wat wel en niet mogelijk is.
Daarnaast kiest het Kabinet voor een gefaseerde aanpak voor het opstarten van sectoren en activiteiten, zodat er goed zicht is op de gevolgen. Op die manier wordt ook het onderwijs stapsgewijs verder opgestart; met eerst het lager en middelbaar onderwijs, vervolgens het openen van activiteiten van onderwijssectoren met een (boven)regionaal karakter, zoals examens en praktijkgerichte lessen op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en examens en praktijkgerichte lessen op het hoger onderwijs (ho). Daarbij worden met onderwijsinstellingen o.a. afspraken gemaakt over het beperken en spreiden van mobiliteit.
Liggen er nu concrete vragen van gemeenten en provincies voor extra ondersteuning (financieel of beleidsmatig)?
Gemeenten en provincies hebben aangegeven dat ze graag ondersteuning willen bij de afweging van maatregelen bij knelpunten in de mobiliteit als gevolg van de 1,5 meter samenleving. Het protocol stedelijke mobiliteit is hiervoor opgesteld. Veel van de maatregelen zijn zonder grote investeringen te nemen. Een aantal overheden heeft aangegeven dat verdergaande maatregelen investeringen vergen.
Zijn er goede voorbeelden van maatregelen die actief gedeeld kunnen worden?
Ja. Kennisplatform CROW verzamelt en verspreidt deze voorbeelden, ook die uit het buitenland. De Dutch Cycling Embassy deelt de buitenlandse voorbeelden bijvoorbeeld met Kennisplatform CROW.
Het lot van vrouwelijke activisten in Saudi-Arabië. |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Saoedische prinses smeekt om vrijlating»?1
Ja.
Bent u bekend met de zaak van de Saoedische prinses die in het verleden veelvuldig aandacht heeft gevraagd voor de positie van vrouwen, ongelijkheid en corruptie in Saoedi-Arabië, en heeft opgeroepen tot hervormingen? Zo ja, sinds wanneer bent op de hoogte van haar situatie?
Ja. Het is bekend dat Basmah Bint Saud zich op verschillende manieren heeft ingezet voor humanitaire zaken en voor hervormingen om de positie van vrouwen in Saoedi-Arabië te verbeteren. Basmah Bint Saud werd in maart 2019 gearresteerd. Het is niet duidelijk welke aanklacht er tegen haar geformuleerd is.
Hebt u tijdens uw recente bezoek aan Saoedi-Arabië aandacht gevraagd voor het lot van de prinses en haar dochter? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tijdens mijn bezoek aan Saoedi-Arabië op 19 en 20 februari jl. stonden mensenrechten hoog op de agenda. In mijn gesprekken met Minister van Buitenlandse Zaken Bin Farhan en Minister van staat voor Buitenlandse Zaken Al-Jubeir is uitgebreid aandacht gevraagd voor de positie van vrouwen in het land. De situatie van Basmah Bint Saud is niet op zichzelf aan de orde gekomen. Wel zijn in deze gesprekken expliciet de zaken aangekaart van de groep vrouwenrechtenactivisten die in mei 2018 werden gearresteerd.
Is er op andere momenten aandacht gevraagd voor het lot van Basmah Bint Saud bin Abdulaziz Al Saud en haar dochter Suhoud Al Sharif? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland vraagt stelselmatig aandacht voor mensenrechten, en in het bijzonder de positie van vrouwen, in Saoedi-Arabië. Dit gebeurt in bilaterale gesprekken op alle niveaus, en in de daarvoor geëigende multilaterale fora. Nederland pleit hierin regelmatig tegen willekeurige gevangenneming en voor een eerlijke rechtsgang en bescherming van de rechten van activisten. Zo werd tijdens de Mensenrechtenraadsessies in maart 2019 en september 2019 aandacht gevraagd voor de positie van vrouwenrechtenactivisten en mensenrechtenverdedigers. Ook tijdens de meest recente sessie van de Mensenrechtenraad, op 10 maart 2020, werd in de item-4 verklaring van de EU expliciet aandacht gevraagd voor de voortdurende detentie van activisten die zich inzetten voor vrouwenrechten.
Wat is recentelijk ondernomen om het lot van andere vrouwelijke activisten in Saoedi-Arabië, waaronder Loujain al-Hathioul en de groep vrouwenactivisten die in mei 2018 werden gearresteerd, te verbeteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
De zaken van onder andere Loujain al-Hathloul, Nassima al-Sada en Samar Badawi, zijn in gesprek met de Saoedische ministers Bin Farhan en Al-Jubeir aangekaart tijdens mijn bezoek aan Riyad in februari dit jaar. Eerder sprak ik al mijn ernstige zorgen uit over hun zaken tijdens het bezoek van Minister Al-Jubeir aan Nederland op 14 november 2019. Zoals geschreven in de beantwoording van schriftelijke vragen op 18 maart 2020 (2019–2020, nr. 2146) is over de zaak van Loujain al-Hathloul in maart dit jaar nogmaals een stevige boodschap afgegeven aan de Saoedische ambassade in Den Haag. In verband met het coronavirus liggen de rechtszaken van deze groep vrouwenrechtenactivisten nu stil.
Op welke wijze hebt u zich nog meer ingespannen om de situatie van Saoedische vrouwelijke activisten te verbeten? Kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord op vraag 5.
Bent u bereid (opnieuw) aandacht te vragen voor het lot van Basmah Bint Saud bin Abdulaziz Al Saud en haar dochter Suhoud Al Sharif bij uw Saoedische ambtsgenoot?
Nederland zal in zowel bilaterale contacten als in de daarvoor geëigende multilaterale fora, alsook in EU-verband, aandacht blijven vragen voor de verbetering van vrouwenrechten in Saoedi-Arabië en zich daarbij ook uitspreken voor de rechten van activisten die zich hiervoor inzetten.
Welke verdere maatregelen bent u in uw contacten met Saoedi-Arabië bereid te nemen die de druk kunnen opvoeren om de positie van vrouwen in het algemeen, en die van vrouwelijke activisten in het bijzonder, te verbeteren?
Zoals beschreven in de beantwoording van Kamervragen op 17 juli 2019 (2018–2019, nr. 3498) ondersteunt de Nederlandse ambassade in Riyad meerdere initiatieven om de positie van vrouwen in Saoedi-Arabië te verbeteren. Nederland draagt op deze manier bij aan de positieve hervormingen die in dit land gaande zijn, zoals het stimuleren van meer participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Zo draagt de ambassade bij aan het organiseren van een carrièrebeurs voor vrouwen en nemen Saoedische vrouwen deel aan het Female Leadership programma in Nederland.
Welke acties zijn er recentelijk in Europees verband genomen om druk uit te oefenen op de overheid van Saoedi-Arabië om de rechten van vrouwen in het land te verbeteren? Kunt u een toelichting geven?
Nederland pleit in EU-verband regelmatig voor aandacht voor de mensenrechtensituatie in Saudi-Arabië. Zoals geschreven in het antwoord op vraag 4 heeft de EU tijdens de Mensenrechtenraadsessies van maart 2019, september 2019 en maart 2020 aandacht gevraagd voor de positie van vrouwenrechtenactivisten en mensenrechtenverdedigers. Daarnaast heeft de EU op verschillende momenten in bilaterale gesprekken met de Saoedische autoriteiten aandacht gevraagd voor mensenrechten, zoals bijvoorbeeld tijdens het bezoek van de Saoedische Minister Al-Jubeir aan Brussel in januari dit jaar.
De financiering voor wetenschappelijk onderzoek voor vaccinontwikkeling |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat onderzoeken als onderdeel van het second-wave-project pas begin juni kunnen beginnen? Waarom duurt dit zo lang en kan dit niet sneller?1
Nee, het is binnen dit traject mogelijk al lopend onderzoek te financieren dat vanwege de urgentie al gestart is zonder (volledige) financiering. Voor onderzoeken die nog niet gestart zijn, moet duidelijk zijn dat deze op hele korte termijn kunnen starten.
Klopt het dat van de 27 miljoen euro slechts 9 miljoen bestemd is voor preventie, behandeling, herstel van COVID-19? Is dit niet veel te weinig? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, voor dit aandachtsgebied is € 7,9 miljoen beschikbaar. Indien mocht blijken dat waardevolle en toevoegende onderzoeken buiten de boot vallen vanwege onvoldoende financiële middelen, dan zal ik bezien of aanvullende middelen nodig zijn. In mijn brief van 19 mei en 24 juni jl. heb ik uw Kamer laten weten, dat het bedrag voor het ZonMw-COVID-19 programma respectievelijk verhoogd is met € 3 en € 10 miljoen. Daarmee is € 40 miljoen beschikbaar.
Kunt u toelichten wat verstaan wordt onder «brede maatschappelijke vraagstukken» waarvoor de rest van het geld bestemd is?
Klopt het dat de voorstellen worden beoordeeld door een geheime commissie? Deelt u de mening dat dit transpanter zou moeten gebeuren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. De beoordelingsprocedure is beschreven in de programma tekst, https://www.zonmw.nl/nl/over-zonmw/coronavirus/programmas/programma-detail/covid-19-programma/. De samenstelling van de expertpanels (voor de urgente onderzoeksvragen) en de beoordelingscommissies ten behoeve van de beoordeling van de onderzoeksvoorstellen zijn (voor zover al bekend) te vinden op de website van ZonMw.
Hoeveel voorstellen heeft u inmiddels ontvangen en hoe groot acht u de slagingskans, met inachtneming van de lange en complexe procedures?
De voorstellen zijn ingediend bij ZonMw. De kans op honorering hangt samen met hoeveel onderzoeksvoorstellen worden ingediend bij ZonMw. In mijn brief van 24 juni jl. heb ik uw Kamer gemeld het beschikbare bedrag met € 10 miljoen te verhogen, zodat de deskundigen van ZonMw de mogelijkheid hebben om de meest noodzakelijke en relevante onderzoeken te kunnen honoreren. Zie ook mijn antwoord op vraag 4 en de website van ZonMw.
Ziet u mogelijkheden om het bedrag voor wetenschappelijk onderzoek naar COVID-19 voor Nederlandse ziekenhuizen en academische centra te verhogen en de procedures te versnellen, dit in het licht van de vele miljarden die tijdens de coronacrisis louter aan economische nood maar niet aan oplossingen worden gespendeerd?
Op dit moment is € 67,5 mln. specifiek voor COVID19 gerelateerd onderzoek beschikbaar gesteld, zoals ook vermeld in de Kamerbrief van 24 juni jl. Dit bedrag is mede tot stand gekomen op basis van een inschatting die door experts van ZonMW en NWO is gemaakt. Internationaal vinden er ook veel belangrijke initiatieven plaats om vaccins te ontwikkelen, waaronder door het CEPI waar Nederland € 50 mln. aan heeft bijgedragen.
Wanneer zal het RIVM zijn horizonscan naar lopende initiatieven rond vaccinontwikkeling en mogelijkheden voor vaccinproductie in Nederland (zowel publiek als privaat) afronden?
Het RIVM heeft deze scan de eerste week van mei opgeleverd. Het betreft een inventarisatie met initiatieven van private partijen rond (voornemens tot) vaccinontwikkeling en -productie. Deze private partijen hebben deze gegevens vertrouwelijk verstrekt. Van deze inventarisatie wordt steeds een actualisatie gemaakt, omdat nieuwe initiatieven zich blijven aandienen.
Kunt u een overzicht geven van de overige overheidsfinanciering beschikbaar voor COVID-19 gerelateerd onderzoek?
Hiervoor verwijs ik naar mijn brief van 21 april 2020.
Deelt u de zorgen dat private vaccinontwikkeling kan leiden tot sterk opdrijvende prijzen en dat Nederlandse bedrijven die in handen zijn van Amerikaanse farmaceuten wel eens niet zouden willen leveren voor de Nederlandse markt?2 2
Nee, ik deel uw zorgen niet dat private vaccinontwikkeling leidt tot prijsopdrijving. De WHO telt al ongeveer 160 initiatieven gericht op vaccinontwikkeling. Er is dus concurrentie. Verschillende bedrijven hebben al aangeven dat zij een eventueel vaccin tegen kostprijs zullen aanbieden. Dit gaat prijsopdrijving tegen. Ik heb geen enkele aanwijzing dat Nederlandse bedrijven in handen van Amerikaanse farmaceuten niet zouden willen leveren aan Nederland. De mondiale productiecapaciteit voor een vaccin zal mede afhangen van het soort vaccin dat beschikbaar komt. In de opstartfase van de productie zal er schaarste zijn. De vraag naar snelle toegang tot het vaccin zal dan voor alle landen gaan gelden.
Het kabinet investeert in de ontwikkeling van vaccins en geneesmiddelen die onder acceptabele voorwaarden beschikbaar komen voor patiënten. Bij de financiering van onderzoek wordt ingezet op de principes van Maatschappelijk Verantwoord Licentiëren. Deze principes zien onder meer toe op toegankelijkheid en betaalbaarheid van therapieën die ontwikkeld zijn op patenten die in het publieke domein tot stand zijn gekomen.4
Hoe voorkomt u dat dit gebeurt?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid meer financiële middelen uit te trekken voor fundamenteel onderzoek naar (de behandeling van) corona-infecties? Kunt u dit toelichten?
Ja, ik heb het oorspronkelijke bedrag inmiddels verhoogd zoals blijkt uit mijn antwoorden op de vragen 2, 5 en 6.
De bonus voor de topman van Air France-KLM |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Steun speelt mee bij bonus topman AirFrance-KLM», «Bonus topman Air France-KLM afhankelijk van loskrijgen steun» en «Minister Hoekstra tegen bonus voor topman Air France-KLM»?1
Ja.
Klopt het dat Air France-KLM een bonus voor haar CEO afhankelijk wil maken van het binnenhalen van financiële steun van de Franse en/of Nederlandse overheid?
Air France-KLM heeft aan de aandeelhoudersvergadering voorgesteld om de financiële prestaties en de kaspositie van de onderneming als beoordelingscriterium te gebruiken voor een deel van de jaarlijkse korte termijn variabele beloning van de CEO. Onder de financiële prestaties wordt verstaan: aanpassing van de operationele activiteiten, kostenverlaging, controle over en annulering van investeringskosten, het verkrijgen van steun en financiering en een herstelplan.
Wat zegt het over het besef van Air France-KLM voor wat er op dit moment in de maatschappij leeft, dat zij in een periode van grote nationale crisis en terwijl zij publieke steun ontvangen, duizenden flexwerkers op straat zetten en tegelijkertijd tweemaal een voorstel doen om bonussen voor de top te verhogen? Wat zegt het over dit bedrijf, als zij kennelijk geen onderscheid maken tussen geld verdienen met een succesvolle commerciële operatie en gemeenschapsgeld binnenhalen met lobbywerk?
Ik betreur de ontstane onrust. Een verhoging van de bonus past niet in deze zware crisis waarin iedereen om offers wordt gevraagd. Als we steun geven aan bedrijven, die als gevolg van de coronacrisis in de problemen zijn gekomen, zullen we ook offers vragen van het management en personeel. Dat heb ik ook steeds kenbaar gemaakt.
Impliceert uw uitspraak dat een bonus voor de CEO van Air France-KLM «niet te verenigen [is] met steun van de belastingbetaler», dat u garandeert dat u steun vanuit de Nederlandse overheid aan Air France-KLM afhankelijk zal maken van de norm dat geen enkel lid van de Raad van Bestuur van Air France-KLM noch de Raad van Bestuur van KLM zelf een bonus ontvangt in de tijd dat van publieke steun eventueel sprake is?
Op 24 april 2020 heb ik samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de Tweede Kamer geïnformeerd over de mogelijke steun aan KLM. Hierin zijn wij ook ingegaan op de voorwaarden die het kabinet aan de steun wil verbinden.
Het kabinet verwacht van het management en het personeel van KLM dat ook zij bijdragen aan het herstel en de efficiëntieverbetering van het bedrijf.
De komende tijd zullen de precieze voorwaarden met de onderneming worden afgesproken, waaronder op het terrein van winstbestemming, arbeidsvoorwaarden, hinderbeperking, duurzaamheid en netwerkkwaliteit. Zo wil het kabinet indien de onderneming steun ontvangt dat er geen bonussen en dividenden worden uitgekeerd zolang de steun aan de onderneming nog niet is terugbetaald. Hetzelfde geldt voor de winstdelingsregeling. Ook op het gebied van hinderbeperking en duurzaamheid vraagt het kabinet een bijdrage van KLM, bijvoorbeeld door het aantal nachtvluchten terug te brengen en in te zetten op CO2-reductie.
In lijn met het afwegingskader bij steunverzoeken van individuele ondernemingen dat de Minister van EZK en ik op 1 mei 2020 naar de Kamer stuurden, wordt bij overheidssteun wederkerigheid verwacht van het bedrijf dat gesteund wordt. Hierbij zal het bijvoorbeeld gaan om voorwaarden die voorkomen dat de steun wordt aangewend voor andere doeleinden dan het behoud van de economische activiteiten van de onderneming en zoveel mogelijk van de bijhorende werkgelegenheid. Deze bijzondere steunverlening verdraagt zich in de regel niet met het uitkeren van dividenden, het betalen van bonussen, het inkopen van eigen aandelen en/of ruime ontslagvergoedingen voor leden van de Raad van Bestuur.
Bovendien zal van bedrijven expliciet verwacht worden zich te houden aan het kabinetsbeleid en te voegen naar het in Nederland gangbare Rijnlandse model, waarin langetermijnwaardecreatie centraal staat en belangen van betrokkenen bij de onderneming worden meegewogen.
Bent u bereid aan deze afhankelijkheid van steun met terugwerkende kracht invulling te geven als dat nodig blijkt te zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u garanderen dat u steun van de Nederlandse overheid aan Air France-KLM afhankelijk maakt van de eis dat zolang van publieke steun sprake is, Air France-KLM afziet van het uitbetalen van dividenden richting private aandeelhouders en geen eigen aandelen opkoopt? Bent u bereid hier met terugwerkende kracht invulling aan te geven als dat nodig blijkt te zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Stelt u als harde eis dat Air France-KLM of onderdelen van Air France-KLM de publieke steun die ze krijgen uiteindelijk tot de laatste cent terugbetalen? Welke waarborgen wilt u inbouwen om hier invulling aan te geven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wilt u waarborgen dat Air France-KLM zich ook na afloop van eventuele publieke steun bewust toont van haar maatschappelijke rol en niet dan alsnog bonussen en dividenduitkeringen richting private aandeelhouders fors verhoogt?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het gerechtvaardigd om bij eventuele publieke steun van Air France-KLM dan wel onderdelen van Air France-KLM te eisen dat zij sneller verduurzamen en hier invulling aangeven door verschillende ambitieuze CO2-reductiedoelstellingen over verschillende jaren heen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid ook met terugwerkende kracht het geheel van de publieke steun afhankelijk te maken van de mate waarin Air France-KLM deze duurzaamheidsdoelstellingen haalt?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u over bovenstaande vraagstukken in gesprek met uw Franse ambtgenoot? Gaat u proberen om samen met Frankrijk een gemeenschappelijke lijn te trekken?
Over de mogelijke steun en de voorwaarden aan deze steun vinden voortdurend gesprekken plaats met de Franse staat. Waar mogelijk trekken wij hierbij samen op.
Kunt u garanderen dat publieke steun voor grote, beursgenoteerde bedrijven voorwaardelijk wordt aan eisen op het gebied van bonussen, dividenden, het opkopen van eigen aandelen en verduurzamingsdoelstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wilt u invulling geven aan de in vraag 12 genoemde eisen? Bent u bereid ook met terugwerkende kracht publieke steun afhankelijk te maken van deze eisen?
Zie antwoord vraag 4.
Is dit besluit tot aanpassing van het bonusbeleid volgens u een «belangrijk besluit»? Hoe verhoudt zich dit tot uw eerdere uitspraak dat u (voortaan) gekend wordt in «belangrijke beslissingen»?
Het beloningsbeleid van het bestuur van staatsdeelnemingen is een belangrijk aandachtspunt voor mij als aandeelhouder. Dit is ook het geval bij Air France-KLM. Het beloningsvoorstel werd bekend bij het kabinet op het moment dat de documenten voor de Annual General Meeting openbaar werden. Vooraf zijn wij op dit specifieke punt niet door het bedrijf op de hoogte gesteld. Dat de informatiepositie van de Nederlandse staat verbeterd is staat onverminderd vast; sinds de aankoop is het contact met de holding intensief geweest en heeft de Nederlandse staat veel meer informatie ontvangen dan voor de aankoop van de aandelen.
Wanneer hoorde u van dit voorstel? Is Nederland vooraf gekend? Zo nee, hoe verhoudt zich dit tot de verbeterde Nederlandse informatie die Nederland zou hebben als gevolg van de aandelenaankoop?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de aandeelhoudersvergadering?
Ja.
Het rapport van de Europese Rekenkamer ‘Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten’ |
|
Joël Voordewind (CU), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Europese Rekenkamer «Asiel, herplaatsing en terugkeer van migranten»? Zijn er door u lessen getrokken uit dit rapport? Zo ja, welke?
Ja. Dit rapport geeft een nuttig overzicht van de implementatie van de EU-ondersteuningsmaatregelen in Griekenland en Italië. Volgens de Europese Rekenkamer waren de getroffen maatregelen in Griekenland en Italië relevant, maar hebben deze niet het volledige potentieel bereikt. Hierdoor ontstaat een ongelijkheid tussen de doelen en resultaten.
De migratiecrisis van 2015–2016 heeft aangetoond dat implementatie van het Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS) door lidstaten sterk verschilt. Het kabinet acht het van groot belang dat implementatie van het asiel- en migratie acquis sterk wordt verbeterd. Dit is ook onderdeel van de inzet van het kabinet zoals verwoord in de beleidsnota «A Renewed Agenda on Migration».1 Dit draagt bij aan het beperken van zowel primaire als secundaire migratie en het verbeteren van terugkeer. Om de situatie in Italië en Griekenland te veranderen is het belangrijk om structurele verbeteringen door te voeren. Om deze daadwerkelijk duurzaam te laten zijn, dienen de nationale autoriteiten te zorgen voor capaciteitsopbouw en draagvlak.
De EU, haar agentschappen en de Europese lidstaten kunnen helpen om structurele verbeteringen door te voeren. Naast het ter beschikking stellen van noodhulp en financiële middelen, is het ook van belang dat deze middelen efficiënt en volledig worden benut door de lidstaten die worden ondersteund. Beter toezicht op en een overzicht van de uitgaven door lidstaten kan hierbij een weg voorwaarts zijn. Daarnaast is er een integrale en structurele Europese aanpak nodig in de vorm van een hervormd gemeenschappelijk asielbeleid. Het kabinet neemt dan ook goede nota van de betreffende analyses in het rapport, en sluit zich in beginsel aan bij de aanbevelingen. Naar eigen zeggen komt de Europese Commissie nog rond de zomer met een Mededeling over een nieuw Pact voor migratie en asiel, waarin haar voorstellen voor de periode 2020–2024 staan weergeven. De Nederlandse prioriteiten voor het toekomstig asiel- en migratiebeleid zijn te vinden in «A Renewed Agenda on Migration»2 en betreffen onder meer de aspecten die in de aanbevelingen zijn benoemd.
Hoeveel van het geld dat de Europese Unie (EU) heeft uitgegeven om Griekenland en Italië te ondersteunen bij het opvangen van de stroom migranten was specifiek bedoeld voor de «hot spots»? Hoeveel daarvan is daar ook ten goede aan gekomen naar aanleiding van onder meer punt 55 en 69? Waaraan is het overige geld besteed?
Sinds 2015 heeft de EU EUR 2,57 miljard beschikbaar gesteld om de Griekse autoriteiten te ondersteunen om de migratiesituatie aldaar te verbeteren. Daar is recentelijk EUR 700 miljoen bijgekomen in het kader van het laatste EU Actieplan ten behoeve van Griekenland. De Italiaanse autoriteiten zijn ondersteund met ruim EUR 1 miljard ten behoeve van asiel en migratie.
Op de website van de Europese Commissie is een overzicht van alle projecten, waaronder de AMIF en ISF projecten in Griekenland en Italië, en de betrokken partijen, te vinden.4, 5
In Griekenland vindt de ondersteuning met name plaats via internationale organisaties en ngo’s. Een deel van deze steun is ingezet om de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden en het Griekse vasteland te verbeteren. Er zijn specifieke projecten voor de eilanden, maar veel van deze projecten zijn regio-overstijgend. Het is daarom moeilijk te zeggen hoeveel geld precies voor de hotspots bestemd is. Bovendien stammen de cijfers uit het rapport over het Griekse Nationaal Programma AMIF uit 2018. Inmiddels is er in juni 2020 € 190 miljoen gedeclareerd onder het fonds. Er is dus, uiteindelijk, geen sprake van substantiële onderuitputting bij het Griekse Nationaal Programma AMIF.
Het kabinet deelt de mening dat van belang is dat de financiering van projecten voldoende wordt gemonitord. Dit is de taak van de Europese Commissie en de Verantwoordelijke Autoriteit van Griekenland. Bij de toekenning van de aanvullende EU steun in het kader van het EU Actieplan heeft het kabinet dan ook gemeld, dat het van belang is dat de additionele middelen effectief en tijdig kunnen worden gealloceerd, mede met het oog op humanitaire noden.6
Daarnaast benadrukt het kabinet in verschillende fora het belang van voldoende absorptiecapaciteit. Mede daarom heeft Nederland een fondsenexpert ingezet die via EASO meermaals is gedetacheerd bij de Verantwoordelijke Autoriteit in Griekenland en de Griekse autoriteiten ondersteunt bij de uitputting van fondsen.
Met betrekking tot de fondsen in het AMIF Nationaal Programma voor Italië geldt eveneens dat het van belang is dat de fondsen adequaat worden benut. Echter, het kabinet heeft op dit moment geen zicht op de daadwerkelijke besteding van deze fondsen. De Italiaanse autoriteiten gaan over de besteding van middelen uit het Nationaal Programma. Wel kan het zo zijn dat er sprake is van lange termijn projecten, waarbij geld al wel gecommitteerd is, maar nog niet daadwerkelijk is besteed.
Zoals bekend zet Nederland zich sinds de migratiecrisis van 2015/2016 voortdurend in voor het ondersteunen van de lidstaten van eerste aankomst, onder andere door het leveren van experts via EASO. Na Duitsland en Frankrijk heeft Nederland doorlopend het grootste contingent experts geleverd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen de behoefte aan capaciteit in de nationale asielketen en de noden in landen van eerste aankomst. De Nederlandse doelstelling om het irreguliere doorreizen van migranten vanuit landen van eerste aankomst – de zgn. secondaire migratie – tegen te gaan wordt hierbij tevens meegewogen.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is als niet voldoende gecontroleerd kan worden of Europese financiële steun voor de juiste doeleinde wordt ingezet (zie punt 6)? Deelt u tevens de zorgen dat blijkbaar middelen überhaupt niet worden ingezet (zie punt 73), beoogde doelen niet worden behaald (zie punt 74) en informatie ontbreekt waardoor controle niet mogelijk is? In hoeverre is deze problematiek iets wat u met uw Europese collega’s bespreekt? Welke lessen zijn hieruit getrokken voor de toekenning van de 700 miljoen euro extra aan Griekenland maart 2020?1
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat de situatie zoals die zich ontwikkeld heeft op de Griekse eilanden een gevolg is van de afspraken in de EU-Turkijeverklaring? Volgt daar volgens u ook uit dat die situatie een verantwoordelijkheid is van de hele EU?
De EU en Turkije zijn gezamenlijk verantwoordelijkheid voor de effectieve uitvoering van de EU-Turkije Verklaring. De Verklaring levert al meer dan drie jaar een significante bijdrage aan het beheersen van het aantal irreguliere aankomsten op de Griekse eilanden. Door de intensievere aanpak van mensensmokkelaars, is het aantal personen dat de levensgevaarlijke oversteek waagt fors afgenomen en is het aantal verdrinkingen in de Egeïsche zee drastisch gedaald. Een ander belangrijk aspect van de Verklaring is de terugkeer van migranten vanaf de Griekse eilanden naar Turkije. Deze is nooit goed op gang gekomen. Het kabinet acht dit van groot belang om het criminele businessmodel van de mensensmokkelaars te breken en de druk op de Griekse eilanden blijvend te ontlasten. Zoals steeds benadrukt is het primair de verantwoordelijkheid van de Griekse autoriteiten om adequate stappen te zetten om de situatie op de eilanden te verbeteren. Wel verdient Griekenland steun om de noodzakelijke verbeteringen door te voeren. Hierin wordt Griekenland substantieel en doorlopend ondersteunt door de EU, de agentschappen en ook de Europese lidstaten, waaronder Nederland.
Worden vingerafdrukken alleen in de «hot spots» genomen (zie punt 32)?
Het afnemen van vingerafdrukken is onderdeel van de zogenaamde hotspotbenadering waarbij Italië en Griekenland worden ondersteund in de procedures door de EU en haar lidstaten. Onderdeel van het registratieproces is het nemen van vingerafdrukken door Frontex. In Griekenland worden migranten en vluchtelingen na aankomst naar een van de zes «registratie- en identificatie centra» gebracht, op Lesbos, Samos, Kos, Leros, Chios of Fylakio.
Waarom is het aantal van 98256 herplaatsingen waartoe de EU-lidstaten zich wettelijk verbonden hebben niet volledig uitgevoerd (zie punt 36)? Wat was het aandeel van Nederland hierin en hoeveel daarvan is niet herplaatst?
Over de uitvoering van de herplaatsingsbesluiten is uw Kamer meermaals geïnformeerd.7 Op 14 en 22 september 2015 zijn de Raadsbesluiten aangenomen waarin is opgenomen dat asielzoekers worden herplaatst vanuit Griekenland en Italië.8 De Raadsbesluiten liepen eind 2017 af. In artikel 3 van deze besluiten zijn de vereisten opgenomen om in aanmerking te komen voor herplaatsing: een asielzoeker moet een asielaanvraag hebben ingediend in Italië of Griekenland, Italië of Griekenland moeten op basis van de Dublinverordening verantwoordelijk voor de asielaanvraag zijn, en het moet een nationaliteit betreffen waarvan het inwilligingspercentage in de EU gemiddeld 75% of hoger was.9 Niet alle asielzoekers die in Griekenland en Italië op het moment van aanname van de Raadsbesluiten of daarna aanwezig waren, voldeden aan deze vereisten. Zo veranderde de samenstelling van de toestroom gedurende de termijn dat de Raadsbesluiten werden uitgevoerd. Met name in Italië nam het aantal Syriërs absoluut en relatief af. In Griekenland was dit eveneens het geval, doch in mindere mate. Op een gegeven moment betrof de instroom met name asielzoekers met nationaliteiten waarvan het inwilligingspercentage in de EU lager dan 75% was. De praktijk van secundaire migratie speelde tevens een rol: asielzoekers die mogelijk in aanmerking kwamen voor herplaatsing bleken niet meer aanwezig in Italië en Griekenland maar zelfstandig te zijn doorgetrokken.
Met betrekking tot vraag 9 stelt het kabinet dat de EU-Turkije Verklaring van 20 maart 2016 de herplaatsingsbesluiten in een andere context heeft geplaatst. De EU-Turkije Verklaring voorziet immers per 20 maart 2016 in de terugkeer van alle irreguliere migranten en asielzoekers die vanuit Turkije op de Griekse eilanden aankwamen en waarvan de asielaanvraag onontvankelijk of ongegrond is verklaard.
Het aantal migranten en vluchtelingen dat daadwerkelijk in aanmerking kon worden gebracht voor herplaatsing bleek lager dan het aantal herplaatsingen dat in september 2015 was geïndiceerd. Dit betekent echter niet dat de herplaatsing onsuccesvol was. De Europese Commissie concludeert dat de herplaatsing van asielzoekers die daarvoor in aanmerking kwamen zeer succesvol is gebleken en dat 96% van de herplaatsingsverzoeken die in het kader van de noodregelingen zijn verzonden naar de ontvangende lidstaten en geassocieerde landen, tot daadwerkelijke herplaatsing leidde10, 11. Hiervan heeft Nederland zijn fair share (2.724 personen) herplaatst, waarvan 969 uit Italië en 1.755 uit Griekenland.12
Voor nadere informaties hieromtrent verwijs ik uw Kamer naar de verschillende communicaties van de Europese Commissie over de voortgang van de uitvoering van de herplaatsingsbesluiten, zoals de 15 voortgangsrapportages en de factsheets.13
Welk gevolg kan en moet de recente uitspraak van het Europese Hof inzake de weigering van Hongarije, Polen en Tsjechië4 volgens u hebben (zie punt 38 en noot 15)?
Op 2 april jl. heeft het Europese Hof inzake de inbreukprocedure tegen Polen, Hongarije en Tsjechië een uitspraak gedaan. Het EU-Hof heeft in navolging op het advies van de Advocaat-Generaal de Europese Commissie gelijk gegeven dat Polen, Tsjechië en Hongarije – die geen van allen asielzoekers hebben herplaatst – hun verplichtingen t.a.v. het tijdelijk herplaatsingsmechanisme (ingesteld in 2015 door middel van een Raadsbesluit op basis van artikel 78(3) EU-Werkingsverdrag) niet waren nagekomen. Momenteel is het aan de Hongaarse, Poolse en Tsjechische autoriteiten om opvolging te geven aan de uitspraak. Omdat het herplaatsingsmechanisme niet meer actief is, kunnen de lidstaten niet alsnog voldoen aan het aan hun opgelegde quotum voor herplaatsing. De uitspraak is desondanks van belang omdat het onderschrijft dat lidstaten zich niet met een beroep op nationale belangen aan hun verplichtingen inzake de herverdeling van vluchtelingen binnen de EU kunnen onttrekken.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Europese Rekenkamer dat het aantal herplaatste asielzoekers ontoereikend was om de druk op de asielstelsels in Griekenland en Italië te verlichten? Welke lessen trekt u hieruit, ook voor de situatie nu in Griekenland (zie punt 41)?
Het kabinet sluit zich hieromtrent aan bij de constatering van de Europese Commissie dat de herplaatsing van de migranten die in aanmerking kwamen voor herplaatsing een succes was en tijdelijk de druk op de lidstaten heeft verlicht.15 Volgens de Commissie was het doel van het tijdelijke herplaatsingsmechanisme gericht op de tijdelijke verlichting van de druk op de asielstelsels van Griekenland en Italië. Om deze druk ook op de lange termijn te verlichten zijn duurzame verbeteringen nodig, onder andere wat betreft het versnellen van de asielprocedures en het bevorderen van terugkeer. De verantwoordelijkheid voor het doorvoeren van deze verbeteringen ligt in principe bij Italië en Griekenland zelf. Zoals bekend, zet het kabinet zich doorlopend in om deze lidstaten hierbij te ondersteunen in zowel bilateraal als EU-verband. Over deze Nederlandse inzet is uw Kamer meermaals geïnformeerd.
Hoe verklaart u het verschil tussen de besluiten inzake herplaatsing die van toepassing waren op migranten die tussen 24 maart 2015 en 26 september 2017 in Griekenland of Italië waren aangekomen (voor Syriërs en Eritreeërs en tot 15 juni 2016 voor wat betreft Irakezen) en het feit dat de ontvangende EU-lidstaten slechts kandidaten uit Griekenland voor herplaatsing accepteerden die voor maart 2016 in het land waren aangekomen (zie punt 42 en 43)?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is volgens u de reden van het lage aantal registraties van kandidaten die mogelijk in aanmerking kwamen (zie punt 44)?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat er meer dan 200 miljoen euro dat bedoeld was voor Griekenland uit het nationale programma van het Asiel, Migratie en Integratiefonds (AMIF) niet gebruikt is (zie punt 73 en bijlage I)? Wat is er met dat overgebleven geld gebeurd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat ook 200 miljoen van het beschikbare geld in het AMIF-NP voor Italië niet gebruikt is? Hoe komt dat? Wat is er met dat geld gebeurd van de EU-lidstaten en voor de korte duur van hun detachering (zie punt 89)? Bent u in staat en bereid voldoende mensen te sturen voor een periode van voldoende lengte? In hoeverre verhinderen de achterstanden waar de Immigratie en NaturalisatieDienst (IND) in Nederland zelf mee te maken heeft, een dergelijke ondersteuning?
Zie antwoord vraag 2.
Is er nog steeds sprake van verschillende beoordelingen van kwetsbaarheid door het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en de Griekse Asieldienst? Zo ja, waaraan ligt dit en wat zijn de gevolgen hiervan? Acht u het terecht dat de Griekse Asieldienst, Turkije niet als veilig derde land beschouwt (zie blz. 42, tekstvak 7)?
In januari 2020 heeft de Griekse regering de nieuwe asielwet aangenomen. Op 8 mei jl. zijn amendementen op de asielwet door het Griekse parlement aangenomen. De asielwet wordt momenteel geïmplementeerd door de Griekse autoriteiten. Doel van de nieuwe Griekse asielwet is om de asielprocedures te versnellen.
Het is de verantwoordelijkheid van de Griekse autoriteiten om, in lijn met de geldende Europese en internationale wet- en regelgeving, de asielwet adequaat te implementeren. De Europese Commissie monitort de implementatie van de aanpassingen van de nieuwe asielwet. Dit geldt ook met betrekking tot de toepassing van het veilig derde landen-beleid van Griekenland.
Sinds 1 juli 2019 ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordelingen van kwetsbaarheid weer volledig bij de Griekse Asieldienst. EASO heeft de verplichting om de beoordeling van asielaanvragen van mogelijk kwetsbare migranten door te verwijzen naar de Griekse Asieldienst.
Met betrekking tot de vraag over de achterstand in de behandeling van de asielprocedures wordt in het rapport (punt 49 en16 vermeld, dat er in 2018 sprake was van een toename in asielaanvragen en er mede daardoor weer grotere capaciteitstekorten zijn ontstaan. Wat betreft de gegevens in 2019 kan het kabinet melden, dat er sprake was van 77.275 eerste asielaanvragen, waarvan 32.700 behandeld zijn. In totaal werden in 2019 12.315 definitieve beslissingen genomen. Volgens de Griekse Minister van migratie, Mitarakis, zijn de resultaten van de nieuwe asielwet al merkbaar en zijn de eerste aanvragen in 2020 sneller afgedaan dan in vergelijkbare periodes in 2019. Zo zijn in de afgelopen maanden beslissingen op de eerste asielaanvragen gemiddeld binnen 24 dagen afgegeven in plaats van 185 dagen. Het betrof 7.000 beslissingen in maart en 15.000 in april jl. ten opzichte van 4.000 gemiddeld per maand onder de vorige wet. Zoals benadrukt, ligt de verantwoordelijkheid voor het versnellen van de asielprocedure om de achterstanden weg te werken primair bij de Griekse autoriteiten, maar staan de EU en de lidstaten klaar om Griekenland hierbij te ondersteunen waar nodig. Op technisch niveau vindt hierover met regelmaat – bilateraal en in EU verband, zowel via EASO als de Commissie – overleg plaats.
Hoe beoordeelt u het feit dat Marokko en Algerije kennelijk de voorkeur geven aan bilaterale overeenkomsten boven overnameovereenkomsten met de EU? Deelt u de mening dat bilaterale overeenkomsten, overnameovereenkomsten met de EU ondermijnen? Heeft u hierover overleg gehad met uw Europese collega’s? Wat zijn de belemmeringen om hierover eensgezindheid te krijgen (zie punt 100)?
Van primair belang is dat het doel van de overeenkomst – betere migratiesamenwerking, inclusief terugkeer en overname – wordt behaald. Dit kan zowel op bilateraal als Europees niveau worden bereikt. Wel kan het zijn dat bepaalde Europese lidstaten, bijvoorbeeld kleinere lidstaten, een voorkeur geven aan EU overeenkomsten in plaats van bilaterale overeenkomsten. Anderzijds geven verschillende derde landen de voorkeur aan bilaterale overeenkomsten met specifieke EU-lidstaten boven een EU overeenkomst. Bestaande historische dan wel anderzijds hechte en/of intensieve betrekkingen zijn hierbij vaak bepalend. Ook voor betreffende EU-lidstaten kan dit reden zijn om in dergelijke overeenkomsten te bewilligen. In voorkomend geval, zo leert de ervaring, komen de bijzondere banden van deze zogenaamde EU «lead countries» met een specifiek land mede ten goede van de migratiebelangen van de Unie als geheel. Overigens kunnen bilaterale overeenkomsten niet in de plaats komen van bestaande of voorgenomen EU overeenkomsten. Het kabinet deelt dan ook niet de mening dat bilaterale overeenkomsten EU overnameovereenkomsten ondermijnen. Over EU overeenkomsten wordt in Europees verband gesproken, zowel op politiek als technisch niveau. Hierbij komen ook de belemmeringen, bijvoorbeeld zoals genoemd in punt 100, aan bod.
Kunt u aangeven hoe het komt dat de achterstand in de behandeling van asielprocedures nog steeds oploopt ondanks de toename van de verwerkingscapaciteit (zie punten 104–106)? Hoe kan de EU (de Europese Commissie dan wel de EU-lidstaten) Griekenland hierin volgens u bijstaan?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven hoe het komt dat de verwerkingstijden voor asielaanvragen voor alle asielprocedures in Griekenland in 2018 toenamen (zie punt 109)? Zijn er wat dit betreft ook gegevens over 2019?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven waarom eind 2018 slechts 1806 van de 8928 migranten die in aanmerking kwamen voor terugkeer daadwerkelijk teruggestuurd zijn naar Turkije in het kader van de EU-Turkije Verklaring (zie punt 54, tekstvak 10 en punt 131)?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 4. Met betrekking tot de effectieve uitvoering van de EU-Turkije Verklaring en met name de terugkeer vanuit Griekenland naar Turkije moeten, zoals terecht is geconstateerd door het rapport, verbeteringen worden doorgevoerd. De duur van de asielprocedure, de uitwisseling van informatie tussen de asiel- en terugkeerautoriteiten en het «MOB (met onbekende bestemming) gaan» van migranten die geen recht hebben om te blijven, zijn belangrijkste oorzaken voor de lage terugkeercijfers. De primaire verantwoordelijkheid voor het doorvoeren van deze verbeteren ligt bij de Griekse autoriteiten. Hierin onderneemt de Griekse regering stappen. Zo zijn in 2020 de aantallen op het gebied van terugkeer gestegen ten opzichte van de vorige jaren. In totaal zijn in 2020 (tot en met eind maart) circa 140 migranten teruggekeerd ten opzichte van circa 190 migranten in geheel 2019. Momenteel is, met het oog op COVID-19, de terugkeer van migranten vanuit Griekenland naar Turkije, helaas, tijdelijk opgeschort.
Zouden de beroepscommissies volgens u ondersteund kunnen of moeten worden vanuit de EU? Zo nee, waarom niet (zie punt 117)?
Het kabinet sluit zich in beginsel aan bij deze aanbeveling. De EU heeft recentelijk in het kader van het EU Actieplan aanvullende steun aan Griekenland beschikbaar gesteld met het oog op het verbeteren van de migratiesituatie aldaar, onder andere door de financiering van een aanvullende EUR 700 miljoen. Deze financiering komt onder andere ten goede aan het versterken van de Griekse asieldienst en EASO. Ook is extra capaciteit voor de EU agentschappen beschikbaar gesteld. Dit betreft 150 experts voor EASO ter ondersteuning van de Griekse autoriteiten bij het verbeteren en versnellen van de asielprocedure. Hiermee wordt op de korte termijn opvolging gegeven aan de aanbeveling.
Met betrekking tot de ondersteuning van de beroepsautoriteiten in Griekenland en Italië verwijst het kabinet naar de reactie van EASO op het rapport.17 Hierin meldt EASO dat het Italië zal ondersteunen in de verlaging van de achterstand met betrekking tot asielaanvragen in tweede instantie, zoals overeengekomen in het Operationele Plan van EASO in Italië voor 2020.18 Ook in Griekenland zal EASO juridische rapporteurs beschikbaar (blijven) stellen voor de ondersteuning van de beroepscommissies en zo mogelijk op aanvullende verzoeken ingaan. Het kabinet is positief over deze steun aan de beroepsautoriteiten.
Klopt het dat de wettelijke bepaling uit de Overeenkomst van Cotonou die stelt dat deze landen onderdanen die illegaal op het grondgebied van een EU-lidstaat aanwezig zijn zonder verdere formaliteiten weer moet toelaten, in de praktijk niet wordt nageleefd (zie punt 139 en punt 79, aanbeveling 6)? Gaat u er met uw Europese collega’s bij de betrokken landen die de overeenkomst niet naleven op aandringen dat deze bepaling nageleefd gaat worden? Ziet u belemmeringen hierbij? Zo ja, welke?
De Cotonou overeenkomst bevat een bepaling waarin het beginsel is vastgelegd dat de aangesloten staten de eigen onderdanen terugnemen op verzoek van de andere partij. Hetzelfde artikel bepaalt dat landen met dat doel bilaterale overeenkomsten kunnen sluiten. Het klopt dat dat de naleving van dit artikel voor verbetering vatbaar is. Een van de belemmeringen voor de naleving van het beginsel omtrent terugkeer is dat het aangezochte land meent de identiteit en dus de nationaliteit niet te kunnen vaststellen, soms doordat de vreemdeling zelf onduidelijke of tegenstrijdige informatie verstrekt.
Het kabinet streeft naar verbeterde naleving van migratie-afspraken, waaronder op het gebied van terugkeer. Hiertoe wordt binnen de EU ingezet op het ontwikkelen van partnerschappen met landen van oorsprong en transit. Mede op aandringen van Nederland is in het EU-onderhandelingsmandaat voor het Post-Cotonou verdrag opgenomen dat de toekomstige overeenkomst een herbevestiging moet bevatten van de plicht van partijen om hun eigen onderdanen, die zich irregulier bevinden op het grondgebied van een andere partij, terug te nemen zonder voorwaarden. In lijn met de Europese Raadsconclusies over migratie geeft het EU-onderhandelingsmandaat aan dat alle relevante beleidsterreinen en instrumenten ingezet kunnen worden om migratiesamenwerking te bevorderen. Toepassing hiervan zal maatwerk zijn. Indien landen afspraken consequent niet nakomen kan de EU hier consequenties aan verbinden. Zo heeft Nederland de mogelijkheid van koppeling van visa en terugkeer op EU-niveau onder de nieuwe Europese Visumcode actief bepleit. Dit moet ervoor zorgen dat er in Europees verband maatregelen kunnen worden genomen ten aanzien van landen die voor de EU van belang zijn op het gebied van terugkeer.
Wat is de reden van het feit dat steun voor re-integratie van vrijwillige terugkeerders voor slechts 26% van de aanvragers beschikbaar is? Wat is de reden van het feit dat Griekenland geen gebruik heeft gemaakt van het actieprogramma ERIN, waarmee steun voor re-integratie van terugkeerders aangevuld had kunnen worden?
Ik kan en wil niet speculeren over de beweegredenen van de Griekse regering om niet vaker gebruik te maken van ERRIN. Hoewel ik geen volledig inzicht in de Griekse procedures heb, ligt het voor de hand dat het Griekse systeem voorwaarden stelt die verband houden met onder meer het land waarnaar wordt teruggekeerd. Ook in Nederland zijn vreemdelingen uit veilige landen van herkomst vaak uitgesloten. Tot slot is het ook aan de terugkeerders zelf om te beslissen of ze al dan niet na hun terugkeer gebruik willen maken van geboden mogelijkheden voor re-integratie.
Wat is er gebeurd met de eerdere aanbeveling van de Europese rekenkamer aan de Europese Commissie om de huisvestingsvoorzieningen op de eilanden waar de hot spots zijn gevestigd, op te waarderen? Bent u het met de Rekenkamer eens dat er nog steeds meer steun nodig is, aangezien de situatie ter plaatse nog steeds problematisch is (zie punt 147 en bijlage III, 1.1)? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Volgens de reactie van de Commissie op het rapport wordt deze aanbeveling momenteel uitgevoerd. Zoals bekend, deelt het kabinet de zorgen van uw Kamer over de situatie in de opvangfaciliteiten op de Griekse eilanden. Om de opvangomstandigheden te verbeteren, ontvangt Griekenland steun vanuit de EU en ook in bilateraal verband, waaronder van Nederland. Hiervoor is recentelijk in het kader van het EU Actieplan een deel van de EUR 700 mln beschikbaar gesteld, waaronder EUR 220 mln voor de realisatie van de bouw van vijf nieuwe opvang- en identificatiecentra op de Griekse eilanden.
Bent u het eens met de conclusie van de Europese Rekenkamer dat de streefdoelen van de noodregelingen voor herplaatsing niet behaald zijn, waardoor de druk op de Griekse en Italiaanse asielstelsels niet doeltreffend werd verlicht (zie punt 150–151)? Welke consequentie trekt u hieruit voor het Nederlandse beleid?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe denkt u over het voorstel van de Europese Commissie om noodhulp voor crisisondersteuning in het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) op te nemen (zie punt 153)?
Op 27 mei jl. presenteerde de Europese Commissie in twee Mededelingen haar strategie voor het herstel van de Europese Unie in reactie op de crisis die door de COVID-19 uitbraak is ontstaan. Met deze strategie komt de Europese Commissie tegemoet aan het verzoek dat de leden van de Europese Raad op 23 april jl. deden. Het kabinet heeft uw Kamer met een separate brief geïnformeerd over de nieuwe Commissievoorstellen voor het MFK en de herstelstrategie met betrekking tot de COVID-19 uitbraak.19
Bent u het eens met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer dat de Europese Commissie en het EASO in samenwerking met de nationale autoriteiten hun steun voor de Griekse Asieldienst verder moeten opvoeren en de overbelaste beroepsautoriteiten in Griekenland en Italië moeten ondersteunen (zie punt 78 aanbeveling 5)? Gaat deze aanbeveling opgevolgd worden?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u het eens met de aanbeveling van de Europese Rekenkamer om een gecoördineerde benadering in de EU voor steun voor re-integratie in de derde landen van terugkeer te bevorderen? Gaat deze aanbeveling opgevolgd worden?
Het kabinet deelt de mening dat de lidstaten de ervaringen met re-integratie programma’s die zij in hun nationale regelgeving hebben neergelegd, moeten delen en uitwisselen om oneigenlijk gebruik van herintegratieondersteuning tegen te gaan. Een dergelijke uitwisseling vindt al plaats in overleggen tussen experts uit de lidstaten. Verder ondersteunt de Commissie lidstaten met de Return and Reintegration Assistance Inventory. De lidstaten zijn gevraagd de herintegratieprogramma’s en -projecten die zij in 2019 geïmplementeerd hebben, hierin weer te geven. Op Europees niveau worden daarmee verdere stappen gezet om oneigenlijk gebruik tegen te gaan zonder dat sprake is van nieuwe regelgeving.
Bent u van mening dat de eerdere aanbeveling van de Europese Rekenkamer waarin gesteld werd dat de Europese Commissie samen met de betrokken agentschappen en internationale organisaties de autoriteiten in zowel Griekenland als Italië moet helpen om alle mogelijke maatregelen te nemen om te waarborgen dat onbegeleide minderjarigen die als migrant aankomen, worden behandeld in overeenstemming met de internationale normen, ook wat betreft passend onderdak, bescherming, toegang tot en voorrang bij asielprocedures en het in aanmerking nemen voor mogelijke herplaatsing, is uitgevoerd (zie bijlage III, 2.1)? Zo ja, waarom? Zo nee, wat moet er nu gebeuren en hoe gaat u daaraan bijdragen?
Het kabinet sluit zich aan bij de eerdere aanbeveling van de Europese Rekenkamer omtrent het verbeteren van de situatie van alleenstaande minderjarige asielzoekers in Griekenland en Italië. De Commissie heeft aanzienlijke middelen verstrekt, en blijft deze verstrekken, om de capaciteit van de Griekse hotspots uit te breiden en de levensomstandigheden van minderjarigen en kwetsbare verzoekers te verbeteren, bijvoorbeeld door veilige zones in te richten en uit te breiden, voor huisvesting op het vasteland te zorgen, opvang- en identificatiecentra te onderhouden en moderniseren, en alle nodige hulpgoederen te verstrekken. De dialoog tussen de Commissie en de Griekse autoriteiten en de inspanningen om de situatie te verbeteren, worden voortgezet. Het kabinet heeft recentelijk aangekondigd de Griekse autoriteiten te ondersteunen in het doorvoeren van structurele verbeteringen om de situatie van alleenstaande minderjarige asielzoekers te verbeteren. Een Kamerbrief met betrekking tot dit samenwerkingsverband is uw Kamer recentelijk toegegaan.20 Over de voortgang van de samenwerking zal uw Kamer tevens met regelmaat worden geïnformeerd.
Met betrekking tot de vragen van de fractieleden over de verbeteringen die zijn doorgevoerd sinds de aanbeveling en de resultaten van het project in Samos verwijst het kabinet tevens naar de reactie van de Commissie op het rapport.21 Het EASO project was gericht op steun aan de Griekse Opvang en Identificatiedienst (RIS) bij de opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Het COA leverde in 2019 vier experts aan dit project. Het project heeft geleid tot het ontwikkelen van standaard operationale procedures (SOPs) voor de opvang en begeleiding van amv. Begin 2020 eindigde het project met de overdracht door EASO aan RIS van de ontwikkelde procedures en methodieken. Mede op basis van deze ervaringen heeft EASO de Griekse overheid geholpen met het ontwerpen van de nieuwe opvanglocatie in Samos.
Wat is er sinds bovenstaande aanbeveling concreet gedaan aan nieuwe infrastructuurprojecten om de situatie van onbegeleide minderjarigen te verbeteren (zie bijlage III, 2.1)?
Zie antwoord vraag 26.
Wat is het resultaat geweest van het EASO-project op Samos om de dringende situatie daar aan te pakken (bijlage III, 2.1)?
Zie antwoord vraag 26.
Bent u het met de Europese Rekenkamer eens dat er nog steeds meer steun nodig is in Griekenland, aangezien de situatie ter plaatse nog steeds problematisch is (zie bijlage III, 2.1)? Zo ja, hoe gaat u daaraan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet sluit zich in beginsel aan bij de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en zal hier waar mogelijk en nodig opvolging aan geven. In het algemeen zet Nederland in op het doorvoeren van structurele verbeteringen op het gebied van asiel, opvang en terugkeer in Griekenland. Griekenland is en blijft primair verantwoordelijk om de migratiesituatie in het land te verbeteren. Hierbij verdient het alle steun van de EU, Europese lidstaten, waaronder Nederland, en internationale organisaties. Over de Nederlandse bijdrage is uw Kamer recentelijk bij verschillende gelegenheden geïnformeerd. Voor de aanvullende bijdrage van het kabinet met betrekking tot het verbeteren van de situatie voor alleenstaande minderjarige asielzoekers verwijst het kabinet naar het antwoord op vraag 26 en de Kamerbrief hierover die uw Kamer recentelijk is toegezonden.
Wrakingscijfers |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NOvA wil opheldering wrakingscijfers»?1
Ja.
Herinnert u zich de discussie tijdens het algemeen overleg strafrechtelijke onderwerpen op 4 maart 2020 over de wrakingscijfers en de noodzaak tot regelgeving, waarin aanpassingen aan het instrument van wraking in strafzaken zouden worden gedaan, namelijk een versnelde afhandeling van kennelijk niet-ontvankelijke en kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken, vanwege het mogelijke oneigenlijk aanwenden van de op zich legitieme procedurele mogelijkheid van wraking?
De voorgestelde aanpassing is ingegeven door meerdere redenen en adresseert verschillende aspecten van de inzet van het wrakingsinstrument. In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering werd al voorgesteld te voorzien in een versnelde afhandeling van kennelijk niet-ontvankelijke wrakingsverzoeken. Uitbreiding van dit voorstel naar kennelijk ongegronde verzoeken wordt voorbereid. Daarnaast wordt het van belang geacht te voorzien in een wettelijke waarborg dat de rechter na een ter zitting ingediend wrakingsverzoek nog beslissingen kan nemen die geen uitstel dulden. Op dit moment wordt dit slechts in wrakingsprotocollen geadresseerd. Tot slot wordt met de aanpassing beoogd de beoordeling van de ontvankelijkheid van een wrakingsverzoek door een enkelvoudige kamer te bevorderen.
Deelt u de mening dat de wrakingsprocdure, waarbij de verdediging of de officier van justitie twijfels over de partijdigheid van de rechter aan de orde kan stellen, een zeer belangrijke waarborg is binnen het strafproces?
Ja. Het wrakingsinstrument is overigens niet alleen een zeer belangrijke waarborg binnen het strafproces. Het instrument is in het algemeen van groot belang voor het waarborgen van de integriteit van de rechtspraak.
Deelt u voorts de mening dat de noodzaak van vermeend misbruik van het strafprocesrecht goed onderbouwd moet zijn voordat aanpassingen aan het instrument van wraking worden gedaan?
Hoe duidt u de wrakingscijfers over 2019 uit het jaarverslag van de Rechtspraak waaruit blijkt dat het aantal ingediende wrakingsverzoeken is gedaald van 750 in 2018 naar 692 in 2019?2
Mogelijk hebben de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018, waarin de Hoge Raad vooropstellingen en algemene beschouwingen weergeeft inzake het toetsingskader van wrakingsverzoeken, hierbij een rol gespeeld. Of de afname structureel is moet nog blijken. Overigens werden in 2017 606 wrakingsverzoeken ingediend, in 2016 620, en in 2015 713.
Kunt u voorzien in een uitsplitsing per rechtsgebied van deze cijfers? Hoeveel wrakingsverzoeken houden verband met strafzaken?
Ja
Klopt het dat de wrakingsverzoeken waarin is berust en waar dus geen wrakingskamer over heeft geoordeeld, wel mee zijn geteld bij het aantal ingediende verzoeken maar niet bij het aantal gehonoreerde verzoeken? Kunt u deze cijfers alsnog verstrekken?3
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit belangrijke ontbrekende informatie is om een volledig beeld te krijgen van de wrakingscijfers en deze cijfers de noodzaak tot wetgeving kunnen beïnvloeden?
Zie het antwoord op vraag 2. De aanpassing is onder meer ingegeven door de door het College van procureurs-generaal en de Raad voor de rechtspraak gewenste flexibiliteit bij de afdoening van wrakingsverzoeken. De betreffende informatie onderstreept daarnaast dat een zeer beperkt aantal wrakingsverzoeken wordt gehonoreerd. Dat draagt bij aan de onderbouwing van de noodzaak om meer flexibiliteit in de afdoening van wrakingsverzoeken te bewerkstelligen.
Bent u bereid eerst opheldering van deze cijfers te verschaffen, zoals verzocht in vraag 6 en 7, en zo de omvang van het veronderstelde probleem te onderbouwen, voordat u een eventueel wetsvoorstel aan de Kamer zendt?
Het bericht dat Achterhoekse burgemeesters boos zijn om het sluiten van cellen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom worden er politiecellen gesloten in de Achterhoek?1
Door het sluiten van cellencomplexen wordt voorkomen dat 60 fte politiecapaciteit onttrokken moet worden aan onder meer de basisteams in de eenheid Oost-Nederland voor in essentie te veel arrestantencomplexen. Zelfs als er ten gevolge van de overcapaciteit aan cellen niet of nauwelijks van het betreffende complex gebruik wordt gemaakt, moet er toch een minimumcapaciteit aan politie-inzet gegarandeerd worden. Zo’n inzet is niet efficiënt; zeker in tijden dat de capaciteit beter elders kan worden ingezet.
De huidige situatie van negen cellencomplexen dateert van ruim voor de start van de eenheid Oost-Nederland. Volgens de politie kampt het team Arrestantentaken vanaf de vorming van de eenheid met het feit dat de beschikbare formatie onvoldoende is om op alle negen locaties het werk professioneel uit te voeren. Daar bovenop is er ook in de eenheid Oost-Nederland structureel te veel celcapaciteit.
Het openhouden van de cellencomplexen is tot op heden alleen mogelijk geweest door overbezetting in de beginperiode, het continu werken met extra inhuur, het inzetten van politiemedewerkers uit basisteams, het beperkt openstellen van de locatie Deventer en het inperken van onder andere de arbeidsmodaliteiten van medewerkers. Daarom heeft de leiding van de politie-eenheid Oost-Nederland in afstemming met het lokale gezag realistische toekomstvarianten extern laten onderzoeken en deze bestuurlijk uitgebreid en veelvuldig besproken. Uiteindelijk heeft dit geleid tot het besluit om de cellencomplexen in Deventer, Doetinchem, Ede en Tiel te sluiten en de complexen Arnhem/Nijmegen, Apeldoorn, Borne en Zwolle open te houden. Met dit besluit wordt vooral voorkomen dat er personele capaciteit vanuit de basisteams ingezet moet worden om negen cellencomplexen open te houden, terwijl qua benodigde celcapaciteit met minder cellencomplexen kan worden volstaan. Het ingezette proces wordt door de politie nauwgezet gevolgd. Tot op heden gaat dit naar tevredenheid van alle (bestuurlijke) partners. Al eerder is besloten om het proces over een jaar te evalueren.
Tevens zal ik, nu het proces van beoordeling en besluitvorming binnen de politie-eenheid Oost-Nederland recentelijk is afgesloten, alsnog, conform eerder verzoek van uw Kamer, de gevraagde AEF-analyse vertrouwelijk aan uw Kamer doen toekomen. Dit rapport maakt deel uit van de analyse en de beraadslagingen in de verschillende bestuurlijke gremia van de politie-eenheid Oost-Nederland. Mede op basis van dit rapport kon het bestuurlijke proces met uiteindelijk de instemming van alle burgemeesters, ook die in de Achterhoek, worden afgesloten. Bepalend was daarbij de mogelijkheden om via flankerende maatregelen de nadelen van dit besluit voor de betreffende basisteams zo klein mogelijk te houden. Denk daarbij aan georganiseerd vervoer en de nieuwe mogelijkheid om over de eenheidsgrenzen heen arrestanten te kunnen insluiten. Met deze en andere maatregelen is de politieleiding in de eenheid Oost-Nederland erin geslaagd een goede balans te vinden tussen de beheersmatige en operationele verantwoordelijkheden.
Waarom worden agenten nu gedwongen verder te reizen met arrestanten terwijl er al een groot tekort aan politiecapaciteit is?
Juist het oplossen van het capaciteitsvraagstuk voor de basisteams is de belangrijkste motivator achter dit besluit. Daarmee was ook een belangrijke overweging dat het ene besluit (tot sluiten of verplaatsing van arrestantencomplexen) niet teniet gedaan zou worden door operationeel onverantwoorde extra reisbewegingen. Dat was en is scherp in beeld gebracht. De eenheidsleiding treft met het oog hierop verschillende maatregelen, zodat extra vervoersbewegingen door de eerstelijns politiezorg zo veel als mogelijk worden beperkt. Zo zal in de hele politie-eenheid op bepaalde dagen en tijdstippen een vervoersondersteuning beschikbaar zijn. Daar is met zorg naar gekeken en dekt het gros van de vervoersbehoefte af. Er komt ook een nieuwe inrichting op een strategisch gekozen plaats. De cellencomplexen in Arnhem en Nijmegen worden in de toekomst samengevoegd in een nieuw te bouwen pand in (het tussen beide plaatsen gelegen) Elst. Waar detentielocaties van andere eenheden voor het betreffende basisteams gunstiger liggen, is voorts mogelijk gemaakt dat ze daar terecht kunnen. De sluiting van de cellencomplexen in combinatie met de maatregelen om extra vervoersbewegingen zo veel als mogelijk te beperken, zorgen voor een positief effect op de inzetbare politiecapaciteit. Het uitblijven van dit besluit zou juist (blijvend) negatief uitpakken voor de beschikbare politiecapaciteit. De maatregelen die zijn genomen om extra vervoersbewegingen zo veel als mogelijk te beperken, hebben ertoe geleid dat inmiddels alle burgemeesters binnen de politie-eenheid Oost-Nederland het besluit om cellencomplexen te sluiten ondersteunen. Hierover is op 15 mei jl. ook gecommuniceerd door diverse burgemeesters uit de Achterhoek.2
Hoe verhoudt zich dit tot de maatregelen in Amsterdam om het arrestantenvervoer uit te besteden zodat politiecapaciteit vrijgespeeld wordt?
De politie-eenheid Oost-Nederland heeft, samen met betrokken partners, de voornoemde keuze gemaakt aan de hand van de wensen, mogelijkheden en regionale omstandigheden binnen de eenheid. Dit staat op zich los van de situatie binnen de politie-eenheid Amsterdam en het besluit dat hierover is genomen3.
Al enkele jaren is er op het gebied van het arrestantenvervoer een nauwe samenwerking tussen de Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de politie. Daar waar politiecapaciteit vrij gemaakt kan worden, en waar dat mogelijk is, wordt door het hele land gebruikgemaakt van de vervoersmogelijkheden van de DJI.
Bent u bereid te kijken hoe het arrestantenvervoer zo kan worden ingericht dat het geen extra politiecapaciteit kost? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Hoe bent u van plan de verschraling van de sociale advocatuur in deze regio tegen te gaan als deze maatregelen doorgaan?
De politie in Oost-Nederland heeft met de advocatuur (Orde van Advocaten van Overijssel en Gelderland) gesproken over de consequenties van sluiting van cellencomplexen. De advocatuur heeft aangegeven ook in die nieuwe situatie te kunnen werken. Daarnaast zijn de leden van het Strafrechtelijk Ketenberaad door de politie meegenomen in dit besluit. De Raad voor Rechtsbijstand is via de Orde van Advocaten geïnformeerd over de nieuwe situatie.
Krijgen sociaal advocaten een extra tegemoetkoming als zij verder moeten reizen om verdachten bij te staan? Zo nee, waarom niet?
Ja, het Besluit vergoedingen rechtsbijstand heeft een component reiskostenvergoeding. De advocaten die verder moeten reizen kunnen daar gebruik van maken. Afhankelijk van de vestigingsplaats van een advocaat, kan een advocaat in voorkomende gevallen minder en meer behoeven te reizen. Ook kan de Raad indien het nodig blijkt de regio-indeling voor de (sociale) advocatuur aanpassen. Voorgaande is aan de Raad voor Rechtsbijstand.
Het voorkomen van extra kosten voor mensen wier zorg is uitgesteld vanwege de coronacrisis |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Martin van Rijn (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van BNR Nieuws Radio over extra kosten voor uitgestelde zorg vanwege de coronacrisis?1
De afgelopen periode was veel curatieve zorg afgeschaald om voldoende zorg te kunnen leveren aan COVID-19-patiënten. Gelukkig is de opschaling van de reguliere planbare zorg inmiddels weer in volle gang. Het is belangrijk dat ook niet-COVID-19-patiënten de zorg ontvangen die ze nodig hebben. Ik begrijp dat het buitengewoon vervelend is als mensen hebben moeten wachten op hun behandeling.
Het uitstel van een behandeling kan ook financiële consequenties hebben voor de patiënt vanwege het eigen risico dat hij betaalt voor de zorg die hij ontvangt. In de uitzending van BNR Nieuws Radio werd een situatie geschetst waarbij een patiënt in 2019 een behandeltraject in het ziekenhuis is gestart dat doorliep in 2020. Als een behandeltraject in 2019 is gestart dan komen alle kosten die worden gemaakt binnen de 120 dagen van de looptijd van een diagnose behandel combinatie (dbc) ten laste van het eigen risico 2019. Het kan zijn dat door de coronacrisis een operatie is uitgesteld, die anders binnen de 120 dagen van de looptijd van de dbc had plaatsgevonden. Als de operatie wel had plaatsgevonden, waren de kosten ten laste gekomen van eigen risico van 2019. Als de operatie uiteindelijk na meer dan 120 dagen na opening van de dbc plaatsvindt, zal een nieuwe dbc worden geopend. Omdat deze dbc in 2020 geopend wordt, zullen de kosten ook ten laste komen van het eigen risico van 2020. De kosten in 2019 zullen in dat geval wel lager liggen, omdat geen operatie heeft plaatsgevonden.
De patiënt betaalt alleen eigen risico voor de zorg die hij daadwerkelijk heeft genoten en betaalt dus niet voor een operatie die niet heeft plaatsgevonden.
Of een verzekerde financieel nadeel ondervindt van bijvoorbeeld een uitgestelde operatie is afhankelijk van de vraag hoeveel andere zorgkosten hij in 2019 heeft gehad en in 2020 nog heeft. Het is mogelijk dat mensen daardoor geconfronteerd worden met extra kosten, bijvoorbeeld als zij in 2019 hun eigen risico sowieso al hadden volgemaakt, terwijl zij in 2020 geen andere zorg verwachten nodig te hebben waarvoor ze hun eigen risico moeten aanspreken. Het kan echter ook juist gunstig uitpakken, namelijk wanneer iemand in 2019 het eigen risico niet heeft volgemaakt, terwijl hij in 2020 wel al veel zorg ontvangen heeft of nog verwacht nodig te hebben en daarmee het eigen risico toch wel volmaakt. BNR heeft alleen de situatie beschreven waarin het ongunstig uitpakt.
Bent u bereid alleen voor de eerste Diagnose Behandeling Combinatie (DBC) eigen risico te heffen voor mensen wier zorg is uitgesteld vanwege de coronacrisis, om te voorkomen dat zij dubbel eigen risico moeten betalen voor een behandeling?
Zoals ik hierboven heb aangegeven betalen mensen alleen eigen risico voor zorg die zij daadwerkelijk hebben ontvangen. Ze betalen niet voor een behandeling die niet door is gegaan. Als patiënten zowel in 2019 als in 2020 zorg hebben ontvangen, moeten zij in beide jaren hun eigen risico aanspreken. Dat is voor deze patiënten niet anders dan voor andere patiënten die twee of meerdere jaren achter elkaar zorg ontvangen. Daarom acht ik het – naast uitvoeringstechnische problemen – niet nodig om bij deze groep alleen eigen risico te heffen over de eerste dbc’s en niet over vervolg-dbc’s.
Deelt u de mening dat het rechtvaardiger is om te stoppen met het heffen van eigen risico over vervolg-DBC’s?
Op de Kamervragen waaraan u refereert, heeft mijn ambtsvoorganger geantwoord dat de NZa op zijn verzoek met een adviesbrief komt over de situatie dat mensen eigen risico betalen voor een jaar dat zij geen zorg hebben ontvangen. Daarin zullen verschillende opties met voor- en nadelen worden toegelicht. Eén van de opties betreft het uitsluiten van vervolg-dbc’s van het eigen risico. Mijn voorganger heeft de verwachting uitgesproken de Tweede Kamer rond de zomer te kunnen informeren aan de hand van de adviesbrief. Het advies bevindt zich in de afrondende fase en kan ik u binnenkort doen toekomen.
Hoe staat het met het werk maken van een oplossing voor dit probleem, waarover u in antwoord op eerdere Kamervragen schreef?2
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u al meer zeggen over het onderzoek dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hiernaar uitvoert en het advies dat daaruit voort zal komen?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt al onderzocht hoe het eigen risico kan worden afgeschaft? Kunt u dit toelichten?
Nee, dat wordt niet onderzocht. Zoals aangekondigd in het Regeerakkoord heeft het kabinet het verplicht eigen risico tot en met 2021 bevroren op € 385,– per persoon per jaar. Deze maatregel is onderdeel van een breed pakket aan maatregelen dat het kabinet heeft genomen om de stapeling van zorgkosten te beperken.
De olieprijs die onder nul dollar zakt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de olieprijs hard onderuit gaat?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat de prijs van een vat Amerikaanse olie (de lichte West Texas Intermediate) voor het eerst in de geschiedenis kortstondig onder nul is gezakt en dus even negatief is geweest. Door de coronacrisis krimpt de economie en is de vraag naar olie gekelderd. Aflopende termijncontracten hebben ertoe geleid dat oliebedrijven geld toegeven aan handelaren om hun olie af te nemen. Dit om te voorkomen dat de productie zou moeten worden stilgelegd, wat nog kostbaarder is. Op het moment dat de prijs van de Amerikaanse olie onder nul zakte, was de prijs voor Noordzeeolie ook gedaald, maar daar werd nog altijd 23 dollar per vat voor gevraagd. Mede door afspraken tussen de olieproducerende landen over productiebeperking en het op termijn verwachte economisch herstel is de verwachting dat de olieprijs van de Amerikaanse olie weer zal aantrekken.
Heeft u contact met de oliebedrijven in Nederland? Zijn er bedrijven die het financieel zwaar hebben door deze historische oliecrash?
Ik heb hierover geen contact gehad met bedrijven die olie winnen in Nederland. De extreem lage olieprijs brengt landen en bedrijven die voor hun inkomsten afhankelijk zijn van oliewinning, zoals de Golfstaten, Rusland, Venezuela, Nigeria en de Verenigde Staten, in problemen. In Nederland doet die situatie zich niet voor, omdat de oliewinning voor de Nederlandse economie geen rol van betekenis speelt. Wel is het zo dat gasbedrijven in Nederland de gevolgen van de door de coronacrisis veroorzaakte economische teruggang ervaren. Dat vertaalt zich in het uitblijven van investeringen in de opsporing en winning van aardgas. Een verbetering van de investeringsaftrek, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet, dat bij de Tweede Kamer is ingediend, beoogt investeringen te stimuleren en de te snelle daling van de aardgasproductie af te remmen, zodat de infrastructuur in stand blijft en later ingezet kan worden in het kader van de duurzame energievoorziening.
Kan deze situatie gevolgen hebben voor de schadeafhandeling van omwonenden rond een gas-en olieput? Kunnen betreffende bedrijven gemaakte afspraken nog nakomen? Staat de overheid garant voor schadeloosstelling van omwonenden? Wordt het geen tijd om nu toch de omgekeerde bewijslast voor kleine velden in te voeren bij schade door mijnbouwactiviteiten om het gedupeerde omwonenden niet nog moeilijker te maken wanneer de schadeveroorzakers failliet zijn?
De huidige economische situatie heeft geen gevolgen voor de schadeafhandeling van omwonenden en de in dat kader gemaakte afspraken. Mijnbouwondernemingen zijn en blijven te allen tijde verplicht de eventuele schade die is ontstaan door hun mijnbouwactiviteiten te vergoeden en bestaande afspraken na te komen. Daartoe hebben zij financiële middelen gereserveerd en zo nodig kan ik in voorkomende gevallen bepalen dat zij zekerheid dienen te stellen ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade als gevolg van het winnen van delfstoffen. De overheid staat niet garant voor schadeloosstelling van omwonenden, maar zoals ik mijn brief van 9 juni 2020 heb aangegeven zorg ik voor een laagdrempelige, transparante en deskundige afhandeling van schade door de Commissie Mijnbouwschade die de bewijslast oppakt en daarmee de schademelder ontzorgd. De financiële situatie van een mijnbouwonderneming speelt in de afweging van de Commissie geen rol. Indien een gedupeerde omwonende schade heeft geleden door een activiteit door een mijnbouwonderneming die wegens een faillissement de schade niet meer zal kunnen vergoeden, dan kan deze gedupeerde een beroep doen op het Waarborgfonds Mijnbouwschade.
Verwacht u gevolgen voor het onderhoud en de veiligheid van gas- en olielocaties? Zo ja, welke? Hoe wordt deze veiligheid gemonitord? Door wie en hoe vaak? Hoe is de staat van veiligheid op dit moment? Wat gaat u doen om de veiligheid te waarborgen?
De daling van de olieprijs mag en zal geen gevolgen kunnen hebben voor het onderhoud en de veiligheid van gas- en olielocaties en voor het opruimen van deze locaties in de toekomst. Het genoemde wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet bevat waarborgen dat bedrijven daarvoor ook voldoende financiële middelen hebben voor het verantwoord en zorgvuldig opruimen van gas- en olieputten. Verder houdt Staatstoezicht op de Mijnen er nauwgezet toezicht op dat de ter zake geldende voorschriften strikt worden nageleefd en alle verplichtingen goed en zorgvuldig worden uitgevoerd.
Welke gevolgen heeft deze crash voor het opruimen van gas- en olieputten in de toekomst? Blijven de gas- en oliebedrijven in staat dit veilig voor mens, dier en natuur te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke gevolgen heeft dit voor werknemers van deze bedrijven? Gaat u een plan maken om de werknemers die ontslagen worden om te scholen en een baan in de duurzame sector aan te bieden? Of is dat plan er al? Zo ja, hoe ziet dat plan er uit? Zo nee, wanneer kunt u de Kamer daarvan op de hoogte brengen?
De huidige economische crisis trekt diepe sporen en heeft onmiskenbaar gevolgen voor bedrijven en de werkgelegenheid, niet alleen voor de mijnbouwsector. Ik heb geen voornemens om in het bijzonder werknemers uit de gas- en oliesector om te scholen en in te zetten in de duurzame sector. Dat is aan de sector zelf.
Wat gaat u doen om de veiligheid te garanderen als gas- en oliebedrijven failliet gaan?
Door het toezicht van Staatstoezicht op de Mijnen is gewaarborgd dat de veiligheid van mijnbouwactiviteiten is gegarandeerd. Mocht een gas- of oliebedrijf failliet gaan en de activiteiten niet door een ander bedrijf worden overgenomen, dan zijn er via het stelsel van Decommissioning Security Agreements adequate financiële garanties dat de putten en boorgaten op een verantwoorde en veilige manier worden afgesloten en het mijnbouwwerk wordt ontmanteld en verwijderd. Dit wordt uitgewerkt in het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet dat thans in behandeling is in de Tweede Kamer.
Klopt het dat Vermillion al afspraken heeft gemaakt over winsten die naar Canada gaan, terwijl de aansprakelijkheid in Nederland blijft? Zo ja, hoe kan dit zonder dat de Eerste Kamer zich over het CETA-verdrag heeft uitgesproken?
De wijze waarop een bedrijf als Vermilion is georganiseerd, staat los van de aansprakelijkheid voor de wijze waarop zij haar mijnbouwactiviteiten in Nederland uitvoert. Ook Vermilion zal en kan te allen tijde worden aangesproken op haar verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij de uitoefening van haar mijnbouwactiviteiten.
Welke effecten heeft de huidige situatie in de oliemarkt voor olieopslag in de havens van Amsterdam en Rotterdam en voor in Nederland actieve oliehandelaren?
Door de afgenomen vraag naar olie zijn de voorraden toegenomen en zitten de olieopslagen inmiddels vol.
Welke gevolgen heeft deze oliecrash voor Energie Beheer Nederland (EBN)? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gevolgen van de daling van de olieprijs zijn beperkt voor EBN omdat de oliewinning in Nederland gering van omvang is. In 2019 werd in totaal 0,90 miljoen Sm3 aardolie gewonnen, gemiddeld 2.468 Sm3 per dag. De opbrengsten uit de oliewinning zijn voor EBN van ondergeschikt belang. De lage gasprijs heeft daarentegen grotere financiële consequenties voor EBN en daarmee voor de gasbaten voor de Staat. Wat deze gevolgen precies zijn, laat zich pas later berekenen.
De tariefverhogingen van Rendac |
|
Jaco Geurts (CDA), Thierry Baudet (FVD), William Moorlag (PvdA), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de kritiek van de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland, de Producentenorganisatie Varkenshouderij en de Nederlandse Melkveehoudersvakbond op de recente verhoging van de tarieven voor het ophalen van kadavers door Rendac?1 2 3
Ja.
Hoe verklaart u de verdubbeling van de tarieven per eenheid dieren in de afgelopen jaren ten opzichte van de tarieven in de periode 2011–2016?
De tarieven worden door Rendac4 berekend op basis van de werkelijke kosten verminderd met de verkoopopbrengsten van eindproducten uit het destructieproces. Belangrijke oorzaken die Rendac heeft aangeven bij de verhogingen in de afgelopen jaren waren:
Hoe verklaart u de verhoging van de tarieven per stop in 2020 ten opzichte van 2018 met 20% (regulier) tot 35% (gepland)?
De belangrijkste oorzaak van de stijging is dat de tarieven voor 2018 gebaseerd waren op 590.000 stops en dat Rendac voor de tarieven voor 2020, mede na overleg met de sectoren en het Ministerie van LNV, is uitgegaan van 500.000 stops. De aanname hierbij is dat er sprake is van een daling in het aantal veehouders ten opzichte van 2018. Door uit te gaan van minder stops moeten bepaalde vaste kosten over een lager aantal stops worden omgeslagen.
In absolute zin is geen sprake van hogere transportkosten. Die zijn over die periode ongeveer gelijk gebleven aan ca. € 11 miljoen per jaar.
Kunt u nader inzicht geven in de onderbouwing van de tarieven voor 2020 en bijbehorende tariefwijzigingen?
De tarieven 2020 zijn door Rendac berekend conform de afspraken die hierover met het Ministerie van LNV zijn gemaakt. De controle of afspraken worden nagekomen vindt plaats door de externe accountant van Rendac en de ADR. Voor de tarieven 2020 heb ik daarnaast ook zelf inzage gekregen in de berekeningen van Rendac en daarbij vastgesteld dat de afspraken zijn nageleefd. De verkregen bedrijfsvertrouwelijke informatie kan ik niet delen met derden.
Kunt u een overzicht van de ontwikkeling van de destructietarieven per diercategorie gedurende de jaren 2014 tot en met 2020 aan de Kamer beschikbaar stellen?
De destructietarieven worden jaarlijks in de Staatscourant gepubliceerd, in de bijlage vindt u deze voor de periode van 2014 t/m 2020.
Hoe weegt u de tariefverhogingen in het licht van de conclusie uit eerder onderzoek dat Rendac een te hoge ondernemersvergoeding in rekening bracht?4
De hoogte van de ondernemings- of vermogenskostenvergoeding heeft geen invloed gehad op de tariefstijging.
De hoogte ervan is gerelateerd aan de renteontwikkeling van staatsobligaties en een risico-opslag daarop. Aangezien de rente op staatsobligaties de afgelopen jaren flink is gedaald, is daarmee ook het percentage voor de ondernemingsvergoeding navenant lager geworden. In het kader van de huidige actualisatie van de afspraken tussen de Staat en Rendac komt herijking van het vergoedingspercentage ook aan de orde.
Heeft u, zoals aanbevolen door Rebel, sterkere efficiëntieprikkels ingebouwd om ervoor te zorgen dat Rendac werk maakt van het verlagen van kosten? Zo ja, hoe?5
In de bestaande afspraken met Rendac is een efficiëntieprikkel ingebouwd voor de transportkosten. Maar zoals Rebel aangeeft kan een efficiëntieprikkel ook leiden tot hogere winsten voor de ondernemer dan dat het geval zou zijn bij een kostprijsplus model. Dit vraagstuk is één van de elementen van de nieuw te maken afspraken tussen de Staat en Rendac. Van een commercieel bedrijf zoals Rendac wordt verwacht dat het zijn processen efficiënt uitvoert. De wettelijke taken lopen in deze processen mee.
Hoe waardeert u de onvrede van de sectororganisaties over de mate van inzicht in de cijfers die Rendac aanlevert over kosten en opbrengsten?
Ik begrijp deze onvrede. Per slot van rekening moeten de dierhouders de tarieven betalen en hebben ze het gevoel te weinig grip op de totstandkoming te hebben. De sectoren hebben o.a. via de werkgroep kadavertarieven wel de gelegenheid informatie van Rendac te krijgen. In deze werkgroep deelt Rendac gegevens via zogenaamde transparantie indicatoren. Het gaat dan bijvoorbeeld over de verwachte opbrengsten van diermelen en diervetten en de kosten voor transport en verwerking.
De inzet bij de gesprekken die ik momenteel met Rendac voer is om de transparantie van de tariefsopbouw zowel voor LNV als de sectoren te optimaliseren. Hiermee kan ik tegemoet komen aan de wens van de sectoren om een beter inzicht hierin te krijgen.
Op welke wijze geeft u inzicht in de opbrengstcijfers van Rendac?
Ik kan geen inzicht in cijfers van Rendac geven, maar zorg dat de afspraken die met Rendac zijn gemaakt duidelijk zijn en worden gerespecteerd. Wanneer de onderbouwing van door Rendac voorgestelde tarieven in lijn met deze afspraken en uitgangspunten is, dan keur ik deze in principe goed. Hiermee wordt beoogd te borgen dat er niet meer betaald wordt dan nodig en de dienstverlening van Rendac conform is aan het in de regelgeving bepaalde. De cijfers die de ADR of ik ter controle bij Rendac kunnen inzien zijn bedrijfsvertrouwelijk en mogen daarom niet worden gedeeld met derden.
Op welke wijze heeft Rendac de onderbouwing van de tarieven besproken met de veehouderijorganisaties en hobbydierhouders conform de afspraken die in 2014 zijn vastgesteld om de transparantie te bevorderen?
De tarieven worden minimaal tweemaal per jaar door Rendac met de sectoren en mij besproken in de werkgroep kadavertarieven. Dit wordt gedaan aan de hand van zogenaamde «transparantie indicatoren», waarbij de verwachte ontwikkelingen voor het komende jaar worden gepresenteerd. De transparantie indicatoren zijn in nauwe samenwerking met de sectoren bepaald. Sectoren krijgen in de werkgroep kadavertarieven de mogelijkheid kritische vragen te stellen over de door Rendac gehanteerde aannames voor de nieuwe tarieven.
Zo nodig worden aannames, zoals de inschatting van het aantal stops en te verwerken tonnages, aangepast en vervolgens opnieuw doorgerekend door Rendac.
Klopt het dat u richting de landbouworganisaties slechts zeer beperkt inzicht geeft in de onderbouwing van de tarieven? Zo ja, kunt u uitgebreid toelichten waarom meer transparantie gelet op de monopoliepositie van Rendac juridisch niet mogelijk zou zijn?
Zie de antwoorden op de vragen 9 en 10. Ik of de ADR kunnen de landbouworganisaties vanwege de in het antwoord op vraag 9 aangegeven redenen ook geen inzage bieden in de cijfers die zij van Rendac krijgen.
Bent u bereid om te zorgen voor meer transparantie bij het vaststellen van de destructietarieven door sectoren en hobbydierhouders meer en beter inzicht te geven in de kosten en opbrengsten van Rendac? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik voer momenteel het gesprek met Rendac over de actualisatie van de afspraken onder meer met als doel een optimalisatie van de transparantie bij het vaststellen van de destructietarieven.
Klopt de veronderstelling dat de Kamer nog niet is geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg met stakeholders over herinrichting van de destructiemarkt, zoals eerder toegezegd is?6
In de brief die op 26 oktober 2015 door de toenmalige Staatssecretaris van EZ aan uw Kamer is gestuurd staat onder meer dat gegeven de risico’s die gemoeid zijn met het herinrichten van de destructiemarkt, er eerst op basis van de opgestelde rapporten overleg gevoerd zou worden met de verschillende stakeholders en daarna een gewogen besluit genomen zou worden. Op basis van die gesprekken met stakeholders is toen het besluit genomen om deze markt voorlopig niet te liberaliseren. Omdat dit besluit niet heeft geleid tot een aanpassing van de bestaande situatie is uw Kamer daarover destijds niet expliciet nader geïnformeerd.
Wat is de stand van zaken van het overleg met stakeholders over herinrichting van de destructiemarkt?
Zie het antwoord op de vorige vraag. Hierover loopt momenteel geen overleg met de stakeholders. Wel is het plan om binnenkort met de sector het gesprek aan te gaan over de markt voor destructie op de middellange termijn.
Op welke wijze heeft de conclusie uit eerder onderzoek dat Rendac een te hoge ondernemersvergoeding in rekening brengt zijn weerslag gekregen in de overeenkomst tussen het Rijk en Rendac?
Conclusie van het rapport van Rebel (2015) was ook dat herijking van het vergoedingspercentage periodiek maar ook niet te vaak moet plaats vinden. Herijking wordt onderdeel van de nieuwe afspraken die momenteel met Rendac worden gemaakt. Zie ook antwoord op vraag 6.
Wat is, gelet op voorgaande punten, uw inzet in het traject «om de afspraken met Rendac over de te hanteren uitgangspunten bij de toerekening van kosten en opbrengsten, alsmede de te verstrekken informatie, met ingang van 2020 te actualiseren»?7
Ik ben daarover momenteel in gesprek met Rendac. Dit gesprek moet leiden tot nieuwe afspraken tussen de Staat en Rendac. Deze gesprekken zijn vertrouwelijk en het is niet in het belang van de uitkomst, om gedurende de gesprekken daarover nu nadere informatie te geven.
Kunt aangeven in hoeverre in omliggende landen als België en Duitsland de overheid een deel van de destructiekosten voor haar rekening neemt?
In België en in een aantal Duitse deelstaten neemt de overheid een deel van de destructiekosten voor haar rekening.
Hoe waardeert u de oproep van de landbouworganisaties om de tarieven voor 2020 te bevriezen op het niveau van 2019 totdat er meer transparantie is en een nieuwe overeenkomst afgesloten kan worden, en om de kosten voor de sector te plafonneren?
Ik heb de mogelijkheid om de door Rendac voorgestelde tarieven niet goed te keuren indien de tarieven hoger zijn dan noodzakelijk, uitgaande van een redelijke toerekening van totale kosten en opbrengsten. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, is dit niet het geval.
De tarieven behelzen 2 componenten:
Indien de stoptarieven zouden worden bevroren op het niveau van 2019 zou dit betekenen dat Rendac het tekort dat hierdoor ontstaat, mag doorberekenen in de toekomstige tarieven voor 2022. Dit is een ongewenste situatie omdat de aanbieders van kadavers in 2022 zouden moeten opdraaien voor kosten van aanbieders die inmiddels met hun bedrijf gestopt zouden kunnen zijn. Deze optie had niet de voorkeur van alle sectoren.
Om bovengenoemde redenen is niet gekozen voor het bevriezen van de tarieven op het niveau van 2019.
Het bericht ‘150 doden door corona in gehandicaptenzorg: ‘Deze groep wordt vergeten’' |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «150 doden door corona in gehandicaptenzorg: «Deze groep wordt vergeten»»?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat medewerkers in de sector, maar ook familieleden van mensen met een handicap, het gevoel hebben dat die laatsten worden «vergeten»?
Hoewel ik mij dat kan voorstellen, kan ik u verzekeren dat ik mensen met een beperking, hun naasten en zorgverleners goed op het netvlies heb. Juist daarom is er bijvoorbeeld ook voor de gehandicaptenzorg een routekaart gemaakt, is de routekaart omgezet in een versie in begrijpelijke taal met pictogrammen en heb ik met de betrokken cliëntenorganisaties een Covid-strategie opgesteld (zie ook het antwoord op vraag 3 en 5).
Bent u bereid net als dat met betrekking tot verpleeghuizen het geval is ook gehandicapteninstellingen perspectief te bieden op een verantwoorde aanpassing van de bezoekregeling?
In tegenstelling tot bij de verpleeghuizen is er in de gehandicaptenzorg geen door de overheid opgelegde bezoekregeling, maar een regeling van de sector zelf. Omdat ik het gevoel van ouders en naasten, die hun kind of verwant al te lang niet hebben kunnen zien, erg goed begrijp, heb ik op 20 mei 2020 afspraken met de sector gemaakt over een routekaart. Deze routekaart moet ook in de gehandicaptenzorg perspectief bieden. Vanaf 25 mei maken de zorgorganisaties afspraken over het kunnen ontvangen van bezoek. Uiterlijk 15 juni 2020 is er voor iedereen op een goede manier invulling gegeven aan het ontvangen van bezoek.
Bent u bereid om met het oog op zo’n verantwoorde aanpassing eenzelfde zorgvuldige procedure te doorlopen als bij verpleeghuizen het geval is, dat wil zeggen inclusief onderzoek en pilots?
Omdat er in de gehandicaptenzorg geen sprake is van een door de overheid opgelegde bezoekregeling, is het primair aan de sector zelf om de monitoring van de versoepeling van de regeling ter hand te nemen. Uiteraard volg ik de ontwikkelingen rond het versoepelen van de bezoekregeling wel nauwlettend, bijvoorbeeld in de voortgangsoverleggen die ik voer met de partijen waarmee ik afspraken over de routekaart heb gemaakt. Vanuit de Academische werkplaats Sterker op eigen benen van het Radboudumc wordt de verspreiding van het virus in de gehandicaptenzorg cijfermatig gevolgd, net als bij het RIVM.
Bent u bereid om, zoals de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) voorstelt, het VN-Verdrag Handicap integraal mee te nemen bij het opstellen van plannen voor het realiseren van een inclusieve corona-bestendige samenleving om te voorkomen dat mensen met een handicap in de «anderhalvemetersamenleving» worden «buitengesloten»?
Ja. Het zorgen dat mensen met beperking of chronische ziekte in gelijke mate mee kunnen delen in de geleidelijke versoepeling van maatregelen en daarmee naar een terugkeer naar het «gewone» leven, is één van de ambities COVID-19 strategie voor mensen met een beperking of chronische ziekte die in samenspraak met vertegenwoordigende cliëntorganisaties is opgesteld. De strategie biedt hiervoor een richtinggevend kader. Deze heeft uw Kamer met mijn brief van 3 juni jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 386) ontvangen.
Bent u bereid om, zoals de VGN eveneens voorstelt, ervoor zorg te dragen dat mensen met een beperking bij mogelijk corona-gerelateerde klachten getest kunnen worden zodat zij meer vrijheid krijgen om zich te bewegen in de samenleving?
Ja. Vanaf 1 juni kan iedereen met klachten zich laten testen. Dat geldt uiteraard ook voor mensen met een beperking.
Bent u bereid om ervaringsdeskundigen met een beperking te betrekken bij het ontwikkelen en testen van de apps die in het kader van de aanpak van de corona-crisis (mogelijk) worden ontwikkeld?
Aan de digitale middelen die worden ontwikkeld ter ondersteuning van de bestrijding van COVID-19, zoals de apps, stel ik hoge eisen, ook op het terrein van gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid voor mensen met een (functie)beperking. Voor de anonieme app voor contactonderzoek die nu wordt ontwikkeld, wordt de WCAG 2.1 als basis gebruikt, aangevuld met criteria die experts op het gebied van usability hebben gesteld. Zowel in het bouwteam als in de begeleidingscommissie heb ik experts opgenomen die hier specifiek aandacht voor hebben. Vanaf half juni wordt gestart met praktijktesten. Naast de praktijktest in één regio, zal voor mensen met een functiebeperking en voor mensen met een verstandelijke beperking ook een landelijke test plaatsvinden. Hierbij worden verschillende functiebeperkingen meegenomen.
Wilt u deze vragen op korte termijn beantwoorden?
Ik heb deze vragen beantwoord zodra er op de onderdelen waarop de vragen betrekking hadden heldere afspraken zijn gemaakt dan wel resultaat was geboekt.
Het artikel ‘Openbaar Vervoer Nederland: richtlijnen nodig voor wie met ov mag reizen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend het artikel «Openbaar Vervoer Nederland: richtlijnen nodig voor wie met ov mag reizen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u – tegen de achtergrond van het feit dat branchevereniging Openbaar Vervoer Nederland (OVNL) heeft becijferd dat met het aanhouden van de anderhalvemeterrichtlijn 15–20% (tram en bus) en 20–25% (trein) van de voorheen normale passagiersaantallen vervoerd kan worden – toelichten wat uw visie is op het normaliseren van het openbaar vervoer bij het versoepelen van de coronarichtlijnen?
In de Kamerbrief2 «COVID 19 update stand van zaken» van 6 mei 2020 is uw Kamer geïnformeerd over de aanpak op het gebied van mobiliteit, waaronder ook het openbaar vervoer. Daarin staat beschreven wat de uitgangspunten zijn om de vraag te beperken, om er voor te zorgen dat het OV beschikbaar blijft voor degenen die van het OV afhankelijk zijn. Daarnaast gaat de brief in op de vijf besluiten waarmee het kabinet het openbaar vervoer veilig en gecontroleerd wil opschalen. Ik heb samen met de OV-sector in het Nationaal Beraad Openbaar Vervoer (NOVB) een OV-protocol vastgesteld waarin deze maatregelen en afspraken worden uitgewerkt. Op 14 mei 2020 is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Hoe oordeelt u over de suggestie van OVNL om richtlijnen op te stellen die bepalen wie wel en niet met het openbaar vervoer mag reizen?
Om de verspreiding van het COVID19 virus te controleren is het van belang dat we onnodige druk op het OV te vermijden. Voor nu is de boodschap heel helder: het openbaar vervoer blijft alleen voor noodzakelijke reizen. Zo hebben onder andere de zorgverleners juist wel de ruimte om veilig gebruik te maken van het openbaar vervoer. Mijn inzet is gericht op het maken van afspraken, bijvoorbeeld met de onderwijssector, maar ook met andere sectoren, om te voorkomen dat er te snel te veel reizigers met OV willen reizen. Daarbij is niet alleen fasering, maar vooral ook spreiding over de dag van groot belang om druk van de ochtend- en avondspits af te halen. Andere begin- en eindtijden van scholen, als voorbeeld, maar ook van bedrijven en overheden, spelen daarbij een cruciale rol.
Is het in het verlengde van vraag drie denkbaar dat er op een bepaalde manier (bijvoorbeeld met een speciaal pasje) voorrang tot het ov verleend wordt aan een reiziger in een vitaal beroep? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals gezegd heb ik samen met de brede OV-sector gewerkt aan een protocol voor het OV hoe we het OV goed en veilig kunnen organiseren. Het kabinet onderneemt ook verschillende acties om de vraag te beperken, zo worden afspraken gemaakt om ervoor te zorgen dat onderwijs en bedrijven zo min mogelijk reizigers voor het OV genereren.
Hoe oordeelt u over de stellingname van OVNL dat er 1,4 miljard geïnvesteerd zou moeten worden om het openbaar vervoer coronaproof te maken?
Het kabinet heeft de OV-sector verzocht in Nederland de volledige dienstregeling te rijden, terwijl de reizigersaantallen beperkt zijn. Naleving en handhaving van de te treffen maatregelen leiden daarnaast tot extra kosten. Bij de vraag van de overheid hoort een beschikbaarheidsvergoeding. Samen met de het Ministerie van Financiën wordt hieraan gewerkt en in de komende weken besproken met de OV-partijen.
Wat zijn de bevoegdheden van de vervoerder in een situatie dat meer mensen willen reizen dan volgens de anderhalvemeterrichtlijn is toegestaan?
De afspraken en bevoegdheden ten aanzien van te grote drukte zijn uitgewerkt in het OV protocol. Daarnaast wordt ingezet op afspraken met werkgevers, onderwijsinstellingen en andere maatschappelijke partners om te hoge druk op het OV te vermijden. Deze afspraken worden in de komende weken nader uitgewerkt. Vanzelfsprekend zal uw Kamer ook hierover worden geïnformeerd.
Het tijdelijk bevriezen van huurprijzen. |
|
Sandra Beckerman (SP), Paul Smeulders (GL), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie-Kox c.s. in de Eerste Kamer om de huurprijzen tijdelijk te bevriezen?1
Ik heb de Eerste Kamer en uw Kamer op 20 mei 2020 met de brief «Huurbeleid in tijden van corona: Gericht problemen voorkomen» (27 926, nr. 320) en op 5 juni 2020 met de brief Betaalbaar huren: generieke en specifieke maatregelen geïnformeerd op welke wijze ik uitvoering geef aan de motie-Kox c.s. van de Eerste Kamer. Ik herken dat er een groep huishoudens met een laag inkomen is die betalingsrisico’s heeft. Het Nibud geeft daarbij aan dat de hoogte van de woonlasten niet altijd het probleem is, maar dat ook de hoogte van het inkomen een rol speelt. Bij huishoudens met een laag inkomen is er vaker sprake van hoge woonlasten in relatie tot het inkomen dan bij huishoudens met een hoger inkomen. Het kabinet heeft aandacht voor deze huishoudens met een laag inkomen en vindt het belangrijk om de risico’s voor deze groep in een breder perspectief te bekijken. In de kabinetsreactie op het IBO Toeslagen (31 066, nr. 624) heeft het kabinet al aangekondigd dat het met een bredere blik wil kijken naar de ondersteuning van betaalbaar wonen, waarbij inkomensbeleid, de subsidiëring op de huur- en koopmarkt alsmede de verhuurdersheffing in samenhang worden bezien. Ik ga daartoe in overleg met de Staatssecretaris van SZW om verder te onderzoeken hoe de woonlasten, de betalingsrisico’s en mogelijke betaalproblemen er voor deze huishoudens uitzien.
Daarnaast zie ik huurders die mogelijk een betalingsprobleem hebben als gevolg van de coronacrisis. Ik schets hier welk maatwerk reeds bestond, welk aanvullend maatwerk is afgesproken sinds de coronacrisis en welke mogelijkheden ik zie voor generiek maatwerk voor de huurders met de lagere inkomens.
In het Sociaal Huurakkoord 2018 hebben Aedes en de Woonbond afgesproken om de huursomstijging op inflatievolgend niveau2 te zetten. Ik heb deze afspraak vastgelegd met de wet Wijziging huursomstijging (35 254), die op 15 februari 2020 in werking is getreden. Deze generieke maatregel geldt voor woningcorporaties, omdat zij een taak hebben om huishoudens met een laag (midden)inkomen betaalbaar te huisvesten. Het Sociaal Huurakkoord bevat daarnaast afspraken om specifiek maatwerk toe te passen bij individuele huurders met een structureel laag inkomen3.
Al aan het begin van deze crisis heb ik met Aedes, IVBN, Vastgoed Belang en Kences afspraken gemaakt over het toepassen van maatwerk bij huurders met acute betalingsproblemen door de coronacrisis. Deze afspraken zijn dus breder dan de afspraken die al gemaakt waren in het kader van het Sociaal Huurakkoord. Uit de huurenquête van Aedes blijkt dat 8 op de 10 woningcorporaties aangeeft aanvullend maatwerk te bieden vanwege de coronacrisis. De andere verhuurderorganisaties houden ook vinger aan de pols over de toepassing van het maatwerk. Naar aanleiding van de motie Kox c.s. (Kamerstukken I 2019/20, 35 431, D) hebben de verhuurdersorganisaties en ik een nadere invulling van het eerdere statement gegeven4. Daarnaast heb ik besloten om de maatregel tijdelijke huurkorting uit het wetsvoorstel Huur en inkomensgrenzen separaat en zo spoedig mogelijk in te dienen bij de Tweede Kamer. Hiermee maak ik een tijdelijke huurstop of huurverlaging mogelijk. Ik heb de Autoriteit Woningcorporaties verzocht om alvast te anticiperen op dit voorstel. Ik heb daarnaast aangekondigd dat ik op zeer korte termijn een meldpunt ga inrichten bij de Huurcommissie waar huurders zich kunnen melden als hun verhuurder geen maatwerk wil bieden. Ik vind het belangrijk dat er hoor en wederhoor wordt toegepast, daarom zal ik met verhuurdersorganisaties en huurdersorganisaties in gesprek gaan hoe dit kan worden ingericht.
Het kabinet heeft diverse maatregelen genomen om inkomensondersteuning te geven aan huishoudens tijdens deze coronacrisis en op deze wijze zoveel mogelijk een inkomensdaling te mitigeren.
Het nu maximeren of generiek uitstellen van de huurverhogingen die gebruikelijk plaats vindt op 1 juli getuigt niet van behoorlijk bestuur, vanwege twee redenen: De maatregelen zijn niet tijdig aangekondigd en niet proportioneel. De motie Kox c.s. is 21 april jongstleden ingediend, waardoor het voor verhuurders niet tijdig voorzienbaar zou zijn geweest dat de gemaakte afspraken in het huurcontract of de gebruikelijke jaarlijkse huurverhogingsronde geen doorgang konden vinden. Verhuurders zijn wettelijk verplicht om minimaal twee maanden van tevoren aan te kondigen welke huurverhoging zij voorstellen aan huurders. Omdat tot dusver circa 0,5% – 2% van de huurders hebben gemeld met betalingsproblemen, acht ik een dergelijke inbreuk op het eigendomsrecht op dit moment niet proportioneel en rechtvaardig. De Eerste Kamer vroeg daarbij om compensatie via de verhuurderheffing. Ik acht compensatie via de verhuurderheffing onvoldoende omdat op deze wijze enkel de verhuurders met meer dan 50 gereguleerde huurwoningen worden bereikt. Dit betekent dat er niet wordt gecompenseerd bij tenminste 50.000 woningen in het gereguleerde segment en bij ruim 540.000 geliberaliseerde woningen. Overigens zou compensatie structureel honderden miljoenen per jaar vergen, want alleen al voor de woningcorporaties is de inschatting dat de kosten ruim 400 miljoen euro bedragen5. Compensatie zou niet alleen nodig zijn omdat het anders ten koste gaat van het investeringsvermogen van verhuurders, maar ook omdat het doorwerkt in de rendementen die gemaakt worden ten behoeve van pensioenen.
Tijdens het debat in de Eerste Kamer heb ik aangegeven dat ik in augustus kan overzien of aanvullende maatregelen nodig zijn. Ik neem hierbij de volgende stappen:
Het CBS voert jaarlijks op mijn verzoek een monitor uit naar de huurverhogingen in de gereguleerde en geliberaliseerde huursector. Ik verwacht de voorlopige resultaten hiervan in augustus.
Samen met verhuurderorganisaties wil ik daarnaast monitoren of het maatwerk wordt toegepast bij huurders die in de betalingsproblemen zijn gekomen door de coronacrisis. Ik wil hiervoor de meldingen bij het meldpunt bij de Huurcommissie inzetten. Daarnaast zal ik alle individuele woningcorporaties verzoeken om mij te berichten over de wijze waarop zij hun maatwerk inrichten.
In augustus heb ik daarnaast een beter beeld van de toegepaste huurverhogingen en de economische nasleep van de coronacrisis en de impact op de koopkracht voor huurders met de lagere inkomen. Ik heb daarnaast al aangekondigd dat ik verder in gesprek ga met de Staatssecretaris van SZW over onderzoek naar huishoudens met betalingsrisico’s en hun woonlasten. Ik heb het beeld dat de kwetsbare groep in deze coronacrisis de huishoudens zijn die al een betalingsrisico hebben en als belangrijkste inkomensbron een kleine baan hebben of zzp’er zijn.
Op basis van de bovenstaande stappen heb ik in augustus een verder beeld gevormd van de toegepaste huurverhogingen, het toegepaste maatwerk, de groep huurders met betalingsrisico’s en de effecten die de coronacrisis heeft. Ik wil dan bezien welke aanvullende maatregelen, bijvoorbeeld op basis van generiek maatwerk, kunnen worden genomen om deze huishoudens bij te staan. Ik sluit hierbij op voorhand geen maatregelen uit, ook geen generieke huurmaatregelen. Generieke huurmaatregelen zullen met het oog op bestuurlijke zorgvuldigheid tijdig worden aangekondigd. Met de Eerste Kamer besprak ik ook de mogelijkheden voor generiek maatwerk. Hieronder geef ik een schets van opties met generiek maatwerk die hiervoor in aanmerking kunnen komen.
Huurders met een lager (midden)inkomen komen in aanmerking voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is onder andere afhankelijk van het inkomen van de huurder. Dit maakt het een passend instrument om de groep huurders bij te staan met lagere inkomens. Een eventuele huurverhoging wordt veelal dan ook voor een groot deel gecompenseerd door een stijging van het recht op huurtoeslag. In augustus bespreekt het Kabinet de inkomenspositie van huishoudens in Nederland en beziet of nadere maatregelen nodig zijn. Hierbij speelt ook de positie van huurders in relatie tot de huurverhogingen een rol. Naast meer generieke maatregelen met betrekking tot het inkomensbeeld kunnen daar ook aanvullende maatregelen in de huurtoeslag in beeld zijn.
Huurders met betalingsproblemen, bijvoorbeeld als gevolg van een huurachterstand, kunnen zich melden bij hun gemeente. Ondersteund vanuit het Ministerie van SZW lopen er diverse campagnes6 om huishoudens te wijzen op deze mogelijkheden. Aanvullend heeft de Staatssecretaris van SZW een voorstel tot wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening t.b.v. de uitwisseling van persoonsgegevens in voorbereiding (35 316). Dit wetsvoorstel is door uw Kamer aangenomen en ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Bij inwerkingtreding, voorzien op 1 januari 2021, ontstaat een duidelijke juridische grondslag voor alle verhuurders om een signaal over de betaalachterstanden naar de gemeente te sturen. De wetswijzing regelt ook dat alle gemeenten deze huurders vervolgens een aanbod tot hulpverlening doen. Een belangrijke belemmering voor het opschalen van deze bewezen effectieve aanpak voor de vroegsignalering van schulden wordt hiermee weggenomen. Indien in augustus blijkt dat het nodig is, zal ik daarbij onderzoeken welke rol deze loketten verder kunnen spelen, of ze daar voldoende toe in staat zijn en of dat daar extra ondersteuning nodig is bij het bieden van generiek maatwerk aan huurders in een vroeg stadium, bijvoorbeeld door bemiddeling met de verhuurder.
Mocht blijken dat deze maatregelen niet afdoende zijn of mocht blijken dat de economische nasleep van de coronacrisis groter is dan verwacht, heb ik een doorkijk gegeven van de mogelijkheden voor generiek maatwerk die ik kan inzetten.
Daarnaast heb ik in mijn brief «Betaalbaar wonen voor starters en mensen met een middeninkomen» van 15 mei 2020 aangekondigd dat ik de jaarlijkse huurstijgingen in de vrije sector ga maximeren op inflatie + 2,5%. Dit vergt een wetswijziging, waardoor het nog niet per 1 juli 2020 zal gelden.
Gebaseerd op de huurverhogingen in de vrije sector van de laatste jaren verwacht ik dat verhuurders ook bij de komende huurprijsverhoging al rekening houden met deze maximering. Ik moedig verhuurders ook aan om – helemaal in deze uitzonderlijke periode – goed te kijken naar de huurverhoging die echt nodig is.
Welke stappen gaat u nemen in de vrije sector om de huren te bevriezen en bent u bereid dit zo snel mogelijk te doen, zodat zo min mogelijk huurders in de financiële problemen hoeven te blijven of komen?
Zie antwoord vraag 1.
Welke stappen gaat u nemen in de sociale sector om de huren te bevriezen en bent u bereid dit zo snel mogelijk te doen, zodat zo min mogelijk huurders in de financiële problemen hoeven te blijven of komen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om woningcorporaties te compenseren als zij in de financiële problemen komen door tijdelijke huurderving, bijvoorbeeld door de derving op te vangen met een korting op de verhuurderheffing? Kunt u uw antwoord toelichten?
Woningcorporaties passen individueel maatwerk toe voor huurders die door de coronacrisis in betalingsproblemen komen. En Aedes en Woonbond hebben in het Sociaal Huurakkoord 2018 afspraken gemaakt over individueel maatwerk voor huurders met een structureel laag inkomen en een voor dat inkomen hoge huur. Aangezien ik verhuurders niet verplicht om alle huren tijdelijk te bevriezen is compensatie van de woningcorporaties niet noodzakelijk.
Bent u bereid om -in aanvulling op de generieke huurbevriezing- vooruitlopend op de behandeling van de nieuwe wet over inkomens- en huurgrenzen de daarin voorziene tijdelijke huurkorting alvast mogelijk te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief «Huurbeleid in tijden van corona: Gericht problemen voorkomen» van 20 mei 2020 (27 926, nr. 320), zal ik de maatregel tijdelijke huurkorting uit het conceptwetsvoorstel Huur en inkomensgrenzen nog deze maand als enkelvoudig wetsvoorstel indienen. Ik vind het belangrijk om verhuurders zo snel mogelijk zekerheid te geven over deze wettelijke mogelijkheid, zodat zij niet als gevolg van hun coulance geconfronteerd worden met een onbedoelde permanente huurverlaging of om deze reden geen gebruik willen maken van de mogelijkheid van een tijdelijke huurkorting, terwijl een tijdelijke huurkorting gerichte mogelijkheid biedt om maatwerk te bieden voor huurders die in betalingsproblemen komen als gevolg van de coronacrisis.
Kinderopvangtoeslag in werkloosheid tijdens de coronacrisis. |
|
Bart van Kent (SP), Peter Kwint (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag van ouders die hun baan zijn kwijtgeraakt na drie maanden stopzet, ook tijdens deze coronacrisis?
Ouders hebben na het verlies van hun baan nog drie maanden recht op kinderopvangtoeslag. Deze werkloosheidstermijn is er op gericht ouders in staat te stellen nieuw werk te vinden, zonder dat de kinderopvangtoeslag direct eindigt na beëindiging van de arbeid.
Daarnaast kan de jaarsystematiek van de kinderopvangtoeslag nog extra ruimte geven aan de ouder. Er wordt namelijk recht op kinderopvangtoeslag opgebouwd tijdens de werkzame periode en in de eerste drie maanden van de werkloosheid. Als na die drie maanden werkloosheidstermijn het totale opgebouwde aantal uren nog niet is opgebruikt, dan mogen ouders deze nog tot het eind van het kalenderjaar gebruiken (ook al is iemand nog steeds werkloos). Het recht op kinderopvangtoeslag kan daardoor maximaal tot 12 maanden na werkloosheid doorlopen (binnen een kalenderjaar).
Deelt u de mening dat de kans dat iemand zonder werk momenteel een nieuwe baan vindt, relatief gering is?
Op dit moment bevinden we ons in een uiterst bijzondere en onzekere situatie.
Zoals eerder aan uw Kamer is gecommuniceerd is de ontwikkeling op de arbeidsmarkt zorgelijk. Het kabinet spant zich er met het economische noodpakket voor in om banen en inkomens te beschermen en de negatieve gevolgen van de crisis waar mogelijk te beperken. Het forse gebruik van de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) laat zien dat het noodpakket voor veel mensen en ondernemingen ondersteuning biedt. Het is echter helaas onvermijdelijk dat deze crisis significante gevolgen zal hebben voor de economie en werkgelegenheid. Op basis van de cijfers van april meldt het CBS een aanzienlijke stijging van het aantal WW-uitkeringen. De verwachting is dat de werkloosheid de komende maanden verder zal stijgen en het dus moeilijker zal zijn om nieuw werk te vinden.
Deelt u de mening dat met de huidige wachtlijsten in de kinderopvang er een reëel risico bestaat dat wanneer iemand nu de kinderopvang stopzet, hij of zij – wanneer er een baan gevonden is – straks niet aan het werk kan gaan omdat er nog geen kinderopvang gevonden is?
Ik vind het heel belangrijk dat iedereen die kan en wil werken hier ook toe in de gelegenheid wordt gesteld. De werkloosheid was de afgelopen tijd historisch laag en op de arbeidsmarkt ontstond krapte. De vraag naar kinderopvang nam daardoor toe. Tegelijkertijd was het moeilijk om extra personeel te vinden voor de kinderopvang. Dat zorgde op verschillende plekken voor wachtlijsten. Bij een toename van de vraag naar kinderopvang duurt het enige tijd voordat het aanbod is gegroeid. In het verleden en ook in de afgelopen tijd zagen we dat ondernemers ondanks deze uitdagingen erin slaagden de capaciteit flink uit te breiden. De tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO – waarmee de eigen bijdrage die ouders betaalden gedurende de sluitingsperiode vergoed wordt – moet er gedurende deze moeilijke tijd aan bijdragen dat de kinderopvangsector stabiel blijft en opvangcapaciteit zo min mogelijk verloren gaat als gevolg van de verplichte sluiting. Op dit moment is nog onduidelijk hoe de vraag naar kinderopvang zich zal ontwikkelen. De onvermijdelijke gevolgen voor de economie en de werkgelegenheid zullen mogelijk ook z’n weerslag hebben op de vraag naar kinderopvang en daarmee naar verwachting ook leiden tot minder wachtlijsten.
Staat dit niet haaks op uw ambities om iedereen die kan werken, ook in de gelegenheid te stellen om daadwerkelijk te gaan werken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u gezien bovenstaande alsnog voornemens om de kinderopvangtoeslag voor ouders zonder baan in deze moeilijke periode om werk te vinden te verlengen naar bijvoorbeeld zes maanden? Zo nee, waarom niet?
In 2015, 2016 en 2017 is de werkloosheidstermijn verlengd van drie naar zes maanden.1 De verwachting was dat zes maanden beter zouden aansluiten bij de gemiddelde zoekduur naar een nieuwe baan. Het CBS heeft het effect van de verlenging onderzocht en de resultaten leken er op te wijzen dat dit slechts een beperkt effect heeft gehad op het gebruik van kinderopvang.2 Mogelijk werd dit ook veroorzaakt door de ruimte die de jaarsystematiek (zoals toegelicht in antwoord 1) vaak ook al biedt om een aantal maanden langer kinderopvang te gebruiken bij werkloosheid. Wel waren er een aantal beperkingen aan het onderzoek, omdat niet alle groepen meegenomen konden worden. De jaarsystematiek kan ook nu aan ouders ruimte geven om langer dan drie maanden de kinderopvang te behouden.
Gegeven de ruimte die de bestaande werkloosheidstermijn en de jaarsystematiek reeds bieden, en gegeven de beperkte effecten in het verleden, de onzekerheid over het economische beeld en het effect daarvan op wachtlijsten, vind ik het niet opportuun om de werkloosheidstermijn te verlengen.
Extra voordelige Ster zendtijd voor brancheorganisaties en belangenverenigingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft de actiegroep Farmers Defence Force (FDF), die nu dagelijks spotjes op televisie uitzendt, korting gekregen bij de Ster?1 Zo ja, hoeveel en waarom?
Farmers Defence Force heeft zendtijd tegen reguliere condities ingekocht bij de Ster.
Deelt u de mening dat reclameboodschappen die in strijd zijn met de Reclame Code van de Reclame Code Commissie(RCC) niet in aanmerking zouden mogen komen voor extra voordelige zendtijd bij de Ster? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de extra voordelige uitingen aan de Nederlandse Reclame Code te toetsen en de STER op te dragen die te stoppen wanneer er gerede klachten binnenkomen tegen bepaalde uitingen hangende de procedure van de RCC? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Wanneer consumenten of organisaties bezwaar hebben tegen de inhoud van reclame- en telewinkelboodschappen, dan kunnen zij zich wenden tot de Reclame Code Commissie. De Ster is gebonden aan uitspraken van de Reclame Code Commissie. Een reclameboodschap die in strijd is met de Reclame Code zal de Ster niet uitzenden.
Bent u bereid de Ster op te dragen charitatieve instellingen tenminste een gelijkwaardig aandeel te geven in de verdeling van extra voordelige zendtijd ten opzichte van commerciële sectororganisaties? Zo nee, waarom niet?
Het invullen van de Ster-zendtijd is de verantwoordelijkheid van de Ster. Het beleid van de Ster wordt bepaald door directie en bestuur binnen het kader van de Mediawet 2008. Ik kan niet treden in de keuzes die de Ster maakt ten aanzien van de reclamezendtijd. Overigens hanteert de Ster voor charitatieve adverteerders die in het bezit zijn van een CBF keurmerk of een ANBI-status beduidend lagere tarieven.
Bent u bereid om, gelet op de tijdelijkheid van het aanbod, deze vragen binnen tien dagen te beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen tien dagen te beantwoorden.
Criminaliteit onder asielzoekers |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Misdaadpiek asielzoekers»?1
Ja.
Klopt het dat er het afgelopen jaar sprake was van een forse toename van criminaliteit door asielzoekers? Zo ja, wat is de aard en omvang van die criminaliteit? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Uit de cijfers van de politie zoals opgenomen in het incidentenoverzicht dat ik vandaag aan de Kamer toegezonden heb, komt naar voren dat er in 2019 27 procent meer misdrijven zijn geregistreerd dan in 2018. Het gaat hierbij om 4.999 registraties van misdrijven waarbij een vreemdeling die op enig moment in het rapportagejaar op een COA-locatie verbleef in de rol van verdachte voorkwam. Voor meer informatie over de aard en omvang verwijs ik u naar het incidentenoverzicht 2019.
Wat is de oorzaak van de genoemde toename?
Zoals aangegeven bij de aanbieding van het incidentenoverzicht is de oorzaak voor de geconstateerde toename in 2019 op basis van het incidentenoverzicht niet te geven. Een verdiepende analyse is echter gewenst om te kunnen komen tot een meer gerichte inzet van maatregelen. Ik heb het WODC daarom gevraagd om hier nader onderzoek naar te doen.
Klopt het dat van alle geregistreerde verdachten het overgrote gedeelte uit veilige landen komt? Hoeveel van die verdachten komen uit welke veilige landen?
Het incidentenoverzicht laat zien hoeveel vreemdelingen die in 2019 op enig moment op een COA-locatie verbleven werden verdacht van een misdrijf waarvan de politie in 2019 heeft kennisgenomen. Van deze vreemdelingen had 59% de nationaliteit van een veilig land2. Bij de overige 41% ging het om een andere nationaliteit of was de nationaliteit niet bekend. Of deze vreemdelingen perspectief hebben op een verblijfsvergunning hangt af van meerdere factoren, bijvoorbeeld de nationaliteit en identiteit en het individuele vluchtrelaas.
Hoeveel van de verdachten komen uit landen waarbij wel een perspectief op een verblijfsvergunning mogelijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het probleem van criminele asielzoekers uit veilige landen reeds jaren bekend is? Zo ja, waarom lukt het u dan steeds maar niet om hier substantieel is aan te doen of zelfs op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat verdachte asielzoekers opgespoord, vervolgd en berecht dienen te worden? Zo ja, waarom gebeurt dat in veel gevallen niet? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Personen uit veilige landen van herkomst vertonen relatief vaker dan de gemiddelde asielzoeker overlastgevend en/of crimineel gedrag.
Nederland wil bescherming bieden aan diegenen die vluchten voor oorlog en geweld. Het is volstrekt onacceptabel dat een relatief kleine groep zorgt voor disproportionele overlast en hiermee het draagvlak afkalft voor opvang van personen die vluchten voor oorlog en geweld. Het terugdringen van de overlast en criminaliteit onder asielzoekers is mijn absolute prioriteit.
Zoals bij brief eerder aan uw Kamer vermeld is er de afgelopen jaren een breed palet aan maatregelen ontwikkeld dat kan worden ingezet om overlastgevende en/of criminele asielzoekers aan te pakken en terugkeer te realiseren3. Zo heb ik in februari jl. een speciale Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) geopend, heb ik een Top-X aanpak ontwikkeld voor de meest hardnekkige overlastgevende en/of criminele asielzoekers en kunnen overlastgevers eerder in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Daarnaast zijn er snellere procedures voor evident kansarme asielaanvragen voor Dublinclaimanten en veilige landers ingevoerd. Ook het sneller en efficiënter in bewaring kunnen stellen van vreemdelingen die in een open opvanglocatie voor overlast of criminaliteit zorgen is daar onderdeel van. Dit is ook de inzet in de gesprekken over Europese regelgeving die de vreemdelingenbewaring regelt. Tevens wordt ingezet op het maken van afspraken over samenwerking met veilige landen van herkomst voor de terugkeer van personen die irregulier in Nederland verblijven. Daarbij wil ik vooropstellen dat een groot gedeelte van de landen van herkomst goed meewerkt. Er is een aantal landen waar het niet zoals gewenst gaat, daar zet het kabinet zich actief in voor een goede, wederkerige samenwerking. Met deze landen zijn wij in gesprek over verbetering van die terugkeersamenwerking.
Op een aantal plaatsen in het land werpen de maatregelen die ik hiertoe heb genomen hun vruchten af. Zo heeft de gemeente Harderwijk aangegeven meer grip te hebben op de aanpak van overlast en criminaliteit veroorzaakt door asielzoekers. Een belangrijke succesfactor hierbij is de intensieve en effectieve lokale samenwerking tussen de gemeente en partijen uit de migratie- en strafrechtketen. Op andere plekken is nog veel winst te behalen. Samen met betrokken ketenpartijen en de speciaal hiertoe aangestelde ketenmariniers ben ik continu op zoek naar mogelijkheden om de aanpak te optimaliseren. Ook in Europees verband worden stappen gezet, waarbij bijvoorbeeld kan worden gewezen op de bepaling in de Visumcode, waarmee ook op Europees niveau een stap wordt gezet naar een gecoördineerde aanpak van landen die onvoldoende meewerken aan de terugkeer van de eigen onderdanen.
Deelt u de mening dat criminele asielzoekers uit veilige landen zonder zicht op een rechtmatig verblijf ons land moeten verlaten? Zo ja, hoe gaat u hier eindelijk voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het is het standpunt van het kabinet dat eenieder die een strafbaar feit begaat, een passende straf dient te krijgen. Daarbij is de aard van het feit leidend. A-priori maakt het strafrecht geen onderscheid naar de verblijfsrechtelijke positie van de verdachte.
Wel is de strafrechtketen ingericht als een selectieve keten waarin vele beslismomenten van invloed zijn op de uitkomst. Wanneer er tijdens het onderzoek blijkt dat er onvoldoende opsporingsindicatie of bewijs is, wordt de zaak niet doorgezonden naar het OM. Ook is het mogelijk dat het OM een ingezonden zaak anders beoordeelt. Het OM bepaalt per zaak of en zo ja welke opvolging gegeven wordt aan het feit.
Kunt u het in bericht genoemde geheime rapport per ommegaande voorzien van uw reactie aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die om bescherming vragen – asielzoekers – zijn volgens Europese regels gedurende hun procedure niet verplicht te vertrekken, ook als zij uit veilige landen van herkomst komen en strafbare feiten begaan. Maar ik deel de mening dat vreemdelingen uit veilige landen na afloop van de procedure dienen terug te keren naar hun land van herkomst. Dat geldt eveneens voor vreemdelingen die strafbare feiten hebben begaan. Naast de voortdurende inzet van alle ketenpartners kan ook nog worden gewezen op de inzet en de verschillende initiatieven die ik hiervoor in het antwoord op vraag 7 naar voren heb gebracht.
Het bericht 'Justitie wil eind aan juridische lijdensweg voor agent met trauma’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht »Justitie wil eind aan juridische lijdensweg voor agent met trauma» van 23 april 2020?1
Ja.
Deelt u de mening dat de ervaringen van agenten waardoor zij PTSS ontwikkelen vergelijkbaar zijn met die van militairen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet eenvoudig om ervaringen van agenten en militairen in zijn algemeenheid met elkaar te vergelijken. Net zoals militairen onderling door hun verschillende taken ook niet over één kam te scheren zijn. Het zijn de omstandigheden waaronder militairen opereren in missiegebieden, die vaak wezenlijk anders zijn dan die van agenten. Dat neemt niet weg dat er bij beide groepen in de beroepsuitoefening risico’s bestaan voor de geestelijke gezondheid. Voor mij maakt het mogelijke verschil in ervaringen tussen agenten en militairen overigens niets uit voor het respect en waardering dat ik voor beiden heb.
Ziet u Defensiepersoneel ook als mensen die een roeping hebben en zich met gevaar voor eigen leven inzetten voor de veiligheid van de Nederlandse en Internationale samenleving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de opvatting dat zij de beste behandeling verdienen als zij door die roeping ziek raken?
Personeel bij Defensie is in mijn ogen zeer gedreven en van militairen is bekend dat zij bereid zijn om offers te brengen voor de vrijheid en veiligheid van anderen. Dat is een groot goed. Als zij door hun werk ziek raken, verdienen zij de best mogelijke behandeling. Dit geven we vorm via de bijzondere zorgplicht. De regels omtrent de bijzondere zorgplicht voor veteranen zijn sinds 2012 vastgelegd in de Veteranenwet.
Wat vindt u van het voornemen van uw collega van Justitie en Veiligheid om getroffen agenten sneller en eenvoudiger te ondersteunen?
Het is een goed gebruik dat bewindspersonen zich niet uitlaten over de beleidsterreinen van andere ministeries. Uiteraard is er wel samenwerking tussen JenV en Defensie om van elkaars vormen van ondersteuning te leren.
Welk percentage van getraumatiseerde militairen is gedwongen om te procederen om Defensie aansprakelijk te stellen? Hoe lang duren dergelijke procedures gemiddeld?
In 2014 is de Regeling Volledige Schadevergoeding (RVS) inwerking getreden met als doel op snelle en efficiënte wijze schadeclaims af te handelen. Als gevolg van de regeling is de aansprakelijkstelling niet meer nodig. Het percentage waarnaar gevraagd wordt is derhalve feitelijk nul. Op het moment dat bij een oorlogs- en dienstslachtoffer de medische eindsituatie is vastgesteld, kan de bepaling van de restschade plaatsvinden. De periode tussen de start en het einde van de schadebepaling neemt gemiddeld 2,5 jaar in beslag.
Overigens heeft mijn voorganger voor veteranen met PTSS die niet onder de RVS vallen, in 2016, naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in zaken van een Dutchbat III en een Libanonveteraan, besloten om ook hun schade volledig te gaan vergoeden (Kamerstuk 30 139, nr. 165, dd. 23 augustus 2016).
Hoe onwenselijk vindt u het dat daardoor werkgever en werknemer pal tegenover elkaar komen te staan in schadeprocedures die het gevolg zijn van het werk?
Indien Defensie in een procedure als werkgever tegenover een (ex-)werknemer komt te staan is dat altijd betreurenswaardig. Defensie streeft er naar om zo lang mogelijk in goed onderling overleg en in alle redelijkheid tot een schaderegeling te komen. Naarmate de materie complexer is, kost het meer tijd om tot een correcte schaderegeling te komen. In de tussentijd kunnen overigens wel voorschotten op de schadevergoeding worden toegekend.
Bent u bereid een vergelijkbare invulling van «goed werkgeverschap» door uw collega van Justitie en Veiligheid over te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie ligt de basis voor «goed werkgeverschap voor veteranen» in de Veteranenwet en -het Veteranenbesluit. De bijzondere zorgplicht voor de veteraan en zijn relaties is daarin vastgelegd. Zoals gezegd is er samenwerking tussen JenV en Defensie om van elkaars vormen van ondersteuning te leren. Ik juich dat toe. Verder wordt het uitkerings- en voorzieningenstelsel voor veteranen herzien en vindt een evaluatie plaats van de Regeling Volledige Schadevergoeding. Dit alles is erop gericht om Defensie nog verder te verbeteren.
Het Rijksvastgoedbedrijf en een pand dat voor een spotprijs is verkocht aan een malafide ondernemer |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is het waar dat het Rijksvastgoedbedrijf Noordeinde 64 heeft verkocht aan de gemeente Den Haag, die het een dag later meteen voor een spotprijs verkocht aan een malafide ondernemer?1
In aansluiting op mijn beantwoording van de schriftelijke vragen die zijn gesteld door het lid Krol over de verkoop van het pand Noordeinde 64/64A te Den Haag, met Aanhangsel Handeling, vergaderjaar 2019–2020, nr. 2881, bericht ik u het volgende.
Het pand is verkocht in het kader van de zogeheten reallocatieprocedure, zoals genoemd in artikel 9, zevende lid, van de Regeling materieelbeheer rijksoverheid 2006. Op grond daarvan werd het onderhavige overtollig rijksvastgoed, voordat het eventueel openbaar kan worden verkocht, eerst aangeboden aan medeoverheden met het oog op herbestemming in de publieke sfeer. Tijdens het reguliere samenwerkingsoverleg dat de gemeente Den Haag voerde met het Rijksvastgoedbedrijf, heeft de gemeente in juli 2016 belangstelling getoond voor het verwerven van het pand in het kader van de reallocatieprocedure. Zie ook het collegebesluit van de gemeente Den Haag (bijlage 1), waarin de doorverkoop aan de heer Munie wordt gemotiveerd. Belangrijke beweegredenen daarbij waren dat het pand al langdurig leegstond (op leegstandsbewoning na), de betrokken ondernemer op deze locatie zijn diverse werkzaamheden kon samenvoegen en plaats wilde bieden aan mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Op basis daarvan is destijds besloten tot overdracht van het onroerend goed aan de gemeente Den Haag.
Voor wat betreft deze overdracht heeft mijn ambtsvoorganger in zijn brief van 25 juni 2013 aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 31 490, nr. 122) aangegeven dat onderhandse verkoop aan medeoverheden plaatsvindt op basis van een door een (externe) onafhankelijke taxateur bepaalde marktwaarde. Daarom is met het oogmerk de marktconformiteit te waarborgen een taxatierapport opgesteld door een NRVT-gecertificeerde2 taxateur van Frisia Makelaars. Op 7 september 2018 is bij notariële akte het pand voor een koopprijs van € 1.735.000,00 geleverd aan de gemeente Den Haag. Verder wil ik u in dit verband melden dat ik momenteel een ADR-onderzoek laat uitvoeren naar de verkoop van dit pand, waarvan ik voor de zomer de resultaten verwacht. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 7.
Voor hoeveel geld heeft het Rijksvastgoedbedrijf het pand verkocht?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf het pand verkocht?
Zie antwoord vraag 1.
Wist het Rijksvastgoedbedrijf van de plannen van de gemeente om het pand een dag later door te verkopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dan toch ingestemd met de verkoop?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit soort constructies om Rijksvastgoed te verkopen voor spotprijzen zeer onwenselijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Er is regelmatig discussie over de reallocatieprocedure, met name als het gaat om doorverkoop door gemeenten aan derden. Naar aanleiding van deze discussie en om meer transparantie en verkorting van de huidige langdurige verkoopprocedures aan te brengen, ben ik voornemens om deze reallocatieprocedure aan te passen. De uitwerking hiervan vindt momenteel plaats. Over mijn bredere beleidsafweging, mede in het licht van de uitkomsten van het genoemde ADR-rapport, informeer ik de Tweede Kamer in het najaar.
Een zogenaamde anti-doorverkoopclausule (in de vastgoedpraktijk bekend als anti-speculatiebeding of vervreemdingsbeding) is bij verkoop van bestaand onroerend vastgoed niet gebruikelijk. Een overeengekomen koopprijs is immers gebaseerd op het voorgenomen gebruik door de koper. Een dergelijk verbod om te verkopen wordt in het algemeen wel bij nieuwbouw toegepast om doorverkoop met mogelijke snelle winst te voorkomen. In de koopovereenkomst tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Den Haag is wel een meerwaardeclausule met kettingbeding opgenomen. Dit houdt in dat, indien (een deel van) het object binnen tien jaar een andere en meer hoogwaardige bestemming (bijvoorbeeld uitsluitend woningen) verkrijgt dan op basis van het thans vigerende bestemmingsplan is toegestaan, de koper aan de Staat een meerprijs is verschuldigd. Het Rijksvastgoedbedrijf beoordeelt regelmatig of er sprake is van een hoogwaardiger bestemming. Daarvan is tot op heden geen sprake.
Worden meer van dit soort constructies gebruikt? Welke verkopen met vergelijkbare constructies zijn er vanaf het jaar 2000 geweest?
In bijlage 2 vindt u een overzicht van alle verkopen met betrekking tot gebouwen en bouwgrond aan medeoverheden die via de reallocatieprocedure tot stand zijn gekomen. In verband met de mogelijkheden van de geautomatiseerde systemen begint het overzicht bij 2003. Daar de systemen niet zijn ingericht op deze vraagstelling, is er een handmatige sectie toegepast en kan het zijn dat er ondanks diverse controles kleine discrepanties resteren.
Bijlage 1: Collegebesluit van de gemeente Den Haag3
Bijlage 2: Overzicht verkocht rijksvastgoed in het kader van de reallocatieprocedure4
Bent u bereid het Rijksvastgoedbedrijf te verplichten gebouwen te verkopen met een antidoorverkoopclausule voor bepaalde tijd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.