Het bericht in Noord-Hollands Dagblad over de slechte staat van de bruggen op de A44 |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bruggen A44 te zwak voor zwaar verkeer: inhaalverbod»?1
Ja.
Klopt het dat er een beperking is opgelegd voor bussen en vrachtverkeer op meerdere bruggen en het spoorviaduct op de A44?
Er is een breedtebeperking opgelegd voor bus- en vrachtverkeer op de linkerrijstrook bij vier kunstwerken in de A44. Het gaat om drie bruggen en één viaduct: Lisserweg, Hoofdvaart, Kaagbruggen en Spoorviaduct. Dit betekent dat vrachtverkeer en bussen hier niet op de linkerrijstrook mogen rijden en er dus niet mogen inhalen. Hiermee wil ik voorkomen dat er twee zware voertuigen tegelijkertijd over de bruggen of het viaduct rijden.
Klopt het dat exceptioneel zwaar vrachtverkeer helemaal verboden wordt?
Zwaar transport van boven de 100 ton mag geen gebruik meer maken van dit deel van de A44 om de belasting van de kunstwerken te verminderen. Dit betekent dat de vergunning die transportbedrijven bij de RDW moeten aanvragen voor zwaar transport boven de 100 ton niet meer zal worden verleend. Het gaat om gemiddeld circa 2 transporten per maand. De omleidingsroute loopt via de A4 en de N14.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat deze bruggen voor een deel van het verkeer moeten worden afgesloten vanwege achterstallig onderhoud?
Ja, uiteraard vind ik dat onwenselijk en wil ik dergelijke situaties zoveel mogelijk voorkomen. De beperkingen die in de antwoorden op vragen 2 en 3 zijn beschreven verlengen echter de levensduur van de vier kunstwerken. Voor het bus- en vrachtverkeer is een beperking op het gebruik van de A44 vervelend, maar deze maatregelen verlengen de beschikbaarheid van de A44 voor het verkeer als geheel.
Hoe wordt gecommuniceerd richting transporteurs die te maken hebben met deze overlast?
Op 9 januari 2020 heb ik vertegenwoordigers van TLN, Evofenedex en de ANWB op de hoogte gesteld van de voorgenomen maatregelen. De website van Rijkswaterstaat geeft ook nadere informatie over de maatregelen. De breedtebeperking en de gewichtsbeperking zullen met een verkeersbesluit worden bekrachtigd. Dit verkeersbesluit zal worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Wat is er nodig om deze overlast op te heffen en de bruggen weer normaal in gebruik te kunnen nemen?
De vier kunstwerken zijn aan vervanging of renovatie toe. Dit is uit inspecties en berekeningen gebleken. Tot aan vervanging of renovatie blijven de breedtebeperking en de gewichtsbeperking van kracht. Hiermee wil ik de levensduur optimaliseren en voorkomen dat voorafgaand aan de renovatie of vervanging van de kunstwerken zwaardere maatregelen zoals verdergaande gewichtsbeperkingen nodig zijn.
Wanneer wordt het aangepakt en wat heeft u nodig om dit te versnellen?
Vervanging of renovatie biedt de structurele oplossing voor de vier kunstwerken in de A44 (zie het antwoord op vraag 6). Deze maatregelen zijn onderdeel van het programma Vervanging en Renovatie waarover ik medio 2019 heb besloten.
Rijkswaterstaat doorloopt voorafgaand aan de vervanging of renovatie een planfase. De voorbereiding hiervan is inmiddels gestart. Het beeld is nu dat de vervanging of renovatie rond 2025 kan worden uitgevoerd. Rijkswaterstaat heeft deze tijd nodig om de aanpak van de uitvoering en de marktbenadering voor te bereiden. Het project zal bovendien afgestemd moeten worden op de planning van de overige projecten in het gebied.
De uiteindelijke planning is mede afhankelijk van de uitkomsten van deze planfase, de prioritering van dit project binnen de totale VenR-opgave van Rijkswaterstaat en de hinderplanning.
Het AO ‘Vliegen over Conflictgebieden’ |
|
Wim-Jan Renkema (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bij wie ligt de afweging en het besluit om vluchten naar China op te schorten? Klopt de uitspraak van de Minister van Buitenlandse Zaken in het RTL nieuws d.d. 29 januari dat dit een afweging van de luchtvaartmaatschappijen zelf is?
Zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat een commerciële partij deze afweging zelf maakt, terwijl de veiligheid van Nederland of Nederlandse burgers in het geding is?
Luchtvaartmaatschappijen zijn verantwoordelijk voor aanpassingen in het vluchtschema om de gezondheid van personeel en passagiers te waarborgen. Luchtvaartmaatschappijen gebruiken informatie van nationale en internationale gezondheids- en luchtvaartinstanties, waaronder het RIVM, de WHO en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie ICAO, die dagelijks informatie verschaft via een speciaal programma, het Collaborative Arrangement for the Prevention and management of public health events in Civil Aviation (CAPSCA). De EU geeft via het Healthy Gateways programma, waarin het RIVM participeert, operationele adviezen aan luchtvaartmaatschappijen met betrekking tot het Coronavirus.
Op grond van de luchtvaartovereenkomsten tussen staten geldt dat luchtvaartmaatschappijen onder andere moeten voldoen aan alle nationale voorschriften voor de toelating, verblijf en vertrek van passagiers en vracht. Dit betreft onder andere verplichtingen aan vervoersexploitanten op grond van de Wet Publieke Gezondheid. Ook is het is de verantwoordelijkheid van transportondernemingen om de reizigersadviezen van Buitenlandse Zaken te betrekken bij hun operationele afwegingen.
Voor de gezondheid en veiligheid van Nederlandse burgers volgen wij de adviezen van Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC). De WHO roept expliciet op om geen disproportionele maatregelen te nemen. Restricties op reizen of handel moeten aan de WHO gemeld worden met een onderbouwing en de WHO kan de lidstaat, als zij de onderbouwing onvoldoende vinden, vragen deze maatregelen terug te draaien.
Op basis van welke informatie wordt de afweging door een luchtvaartmaatschappij gemaakt? Is het reisadvies vanuit Buitenlandse Zaken hierin leidend? Welke rol speelt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization – WHO) hierbij?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven gebruiken luchtvaartmaatschappijen informatie van nationale en internationale gezondheids- en luchtvaartinstanties, waaronder het RIVM, de EU, de WHO en ICAO. Het RIVM adviseert, op basis van de adviezen van de WHO en het ECDC, toegespitst op de Nederlandse situatie, ook over maatregelen t.a.v. reizigers. Luchtvaartmaatschappijen nemen ook het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken mee in hun overweging.
Welke rol speelde de Britse en Duitse overheid in het besluit van British Airways en Lufthansa, om alle vluchten naar China te staken?
In zijn algemeenheid geldt dat luchtvaartmaatschappijen, ook in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, hun eigen afweging maken.
Onder welke omstandigheden heeft Nederland wel de mogelijkheid om het vliegverkeer naar China op te schorten? Bij welke overheidsinstantie of bewindspersoon ligt deze afweging?
In het, zeer onwaarschijnlijke, geval dat de WHO of het ECDC zou adviseren om het vliegverkeer naar een land of regio op te schorten, kan hiervoor noodwetgeving in het leven geroepen worden.
Op basis van de Wet publieke gezondheid (Wpg) heeft de Minister voor Medische Zorg en Sport, omdat hier sprake is van een A-ziekte, de bevoegdheid om, via de voorzitter van de veiligheidsregio, voor het nieuwe coronavirus in specifieke gevallen verplichtingen op te leggen aan de gezagvoerder van een vliegtuig of aan een vervoersexploitant. Het gaat dan niet om algemene maatregelen ten aanzien van de luchtvaart, maar om specifiek op de situatie toegeschreven maatregelen, zoals het informeren van de verkeerstoren over ziektegevallen, het omleiden van een vliegtuig naar een aangewezen vliegveld, het verstrekken van informatie aan passagiers of het nemen van quarantainemaatregelen.
Vervoerstoestemmingen die luchtvaartmaatschappijen op grond van de luchtvaartverdragen hebben, kunnen alleen worden ingetrokken wanneer exploitanten de nationale voorschriften voor de toelating, verblijf en vertrek van passagiers en vracht niet opvolgen. Dit vereist overleg met het andere verdragsland. Gelet op het bovenstaande vergen de gezondheidsvoorschriften op dit moment geen intrekking van vervoerstoestemmingen.
Klopt het, dat KLM uit eigen overweging vooral die vluchten heeft geschrapt waarvoor ze toch al geen tickets meer konden verkopen of lag hier een maatschappelijke overweging aan ten grondslag?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 gebruiken luchtvaartmaatschappijen informatie van diverse nationale en internationale gezondheids- en luchtvaartinstanties om te komen tot een overweging, daarnaast spelen commerciële redenen een rol. Op 29 januari gaf de KLM aan op dat moment nog geen aanleiding te zien om de gehele operatie naar China op te schorten maar wel het netwerk aan te passen aan de terugloop van de boekingen. Op 30 januari kondigde de KLM aan na het weekend tot 9 februari ook de vluchten naar Beijing en Shanghai op te schorten.
Welke mogelijkheid heeft Nederland om arriverende passagiers uit risicogebieden bij aankomst medisch te screenen? Ligt hier een plan voor klaar? Wie neemt een dergelijk besluit en wie voert dit uit?
Experts zijn van mening dat het bij aankomst medisch screenen van arriverende passagiers uit risicogebieden geen effectieve maatregel is. Als op dit moment reizigers op Nederlandse luchthavens gecontroleerd worden op koorts, zullen vooral mensen met griep of een verkoudheid worden opgespoord. Epidemieën in het verleden hebben laten zien dat dit niet werkt. Ter illustratie: ten tijde van de SARS-uitbraak van 2002–2003 zijn er geen gevallen vastgesteld bij entry screening van 2.963.286 vliegpassagiers. Ook in deze epidemie blijkt de entry-screening het optreden van gevallen in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, Canada en de VS niet te hebben voorkomen.
Kunt u de beantwoording van deze vragen meenemen in de bij het algemeen overleg Vliegen over Conflictgebieden (d.d. 29 januari 2020) toegezegde brief of in elk geval beantwoorden voor 6 februari 2020?
Ja.
De verbeteringen voorgesteld door de Vereniging Advocatenbelangen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van Vereniging Advocatenbelangen van 27 januari 2020?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, ik heb daar kennis van genomen. Voor de reactie vanuit mijn Ministerie verwijs ik naar de brief aan de Vereniging Advocatenbelangen die als bijlage bij deze antwoorden is gevoegd. 2
In hoeverre gaat u tegemoet komen aan de verbeteringen die de Vereniging in haar brief voorstelt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de in antwoord 1 genoemde brief aan de Vereniging Advocatenbelangen die als bijlage bij deze antwoorden is gevoegd.
Deelt u de mening dat het aantal punten dat sociaaladvocaten ontvangen nog altijd ontoereikend is voor het werk dat zij verrichten?
Ik deel de mening dat het vergoedingensysteem van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand niet mee ontwikkeld is met de maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in de procespraktijk. Hierdoor is er een scheefgroei ontstaan tussen punttarief en de gemiddelde tijdsbesteding en ontbreekt op sommige rechtsgebieden het forfaitaire karakter. Die scheefgroei en gebrek aan forfait is niet op te lossen met extra geld en behoeft een herinrichting van het stelsel zodat we in de toekomst eerder kunnen anticiperen op ontwikkelingen.
Wanneer kan de Vereniging uw reactie tegemoet zien?
De Vereniging Advocatenbelangen is per eerder genoemde brief van 28 februari 2020 op de hoogte gesteld.
Het Oxfam rapport The EU Trust Fund for Africa |
|
Mahir Alkaya (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het Oxfam rapport «The EU Trust Fund for Africa: trapped between aid policy and migration politics»?1
Het Oxfam rapport illustreert dat het Emergency Trust Fund for Africa (EUTF) is gebruikt, waarvoor het en marge van de Valletta migratietop in november 2015 werd opgericht, namelijk om snel en flexibel in te kunnen spelen op (de grondoorzaken van) destabilisering, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie en om te werken aan een verbeterd migratiemanagement. Het instrument diende ertoe om situaties het hoofd te bieden waar reguliere externe financieringsinstrumenten, zoals het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI), ontoereikend voor waren. Het EUTF diende complementair te zijn aan de reguliere externe financieringsinstrumenten en is daar volgens het kabinet grotendeels in geslaagd.
Wat is uw reactie op de onthulling in het rapport dat ontwikkelingsgeld via het EU Trust Fund for Africa (EUTF) in toenemende mate wordt gebruikt om druk te zetten op landen om migranten tegen te houden? Is dit een legitieme besteding van ontwikkelingsgeld?
De EU werkt nauw samen met Afrikaanse landen aan brede partnerschappen op het gebied van migratie. Deze samenwerking omvat onder meer de aanpak van grondoorzaken van irreguliere migratie, ondersteuning van opvang in de regio, het verbeteren van grensbeheer en het bevorderen van terugkeer. Het beeld dat hierbij oneigenlijke druk op derde landen zou worden uitgevoerd herkent het kabinet niet. Het kabinet verwacht dat de Europese Commissie bij besteding van EUTF-fondsen de OESO-DAC criteria voor de besteding van ODA-middelen naleeft.
Bent u het eens met de vaststelling dat er nog altijd geen duidelijk en coherent beleid wordt gevoerd, ondanks de kritiek van onder andere de Europese Rekenkamer in 2018? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, die vaststelling deelt het kabinet niet. De Europese Rekenkamer (ERK) constateerde in december 20182 dat het EUTF een flexibel instrument is, maar dat het gezien het brede palet aan doelstellingen en de geografische spreiding gerichter had kunnen worden ingezet. De Europese Commissie aanvaardde in haar reactie destijds goeddeels de aanbevelingen van de ERK. Ook het kabinet onderschreef de ERK conclusies en aanbevelingen. Nederland heeft in EUTF besluitvormingsorganen gepleit voor een meer migratie-gerelateerde focus, o.a. meer aanpak mensenhandel- en smokkel, terugkeer, opvang in de regio en grensbeheer. In 2019 is een externe evaluatie van het instrument EUTF gestart. Naar verwachting zal deze medio 2020 uitkomen. Het kabinet vindt het van belang dat geleerde lessen daaruit worden meegenomen voor het volgende Meerjarige Financiële Kader (2021–2027).
Deelt u de mening dat ontwikkelingsgeld (ODA-gelden) primair bedoeld is voor armoede- en ongelijkheidsbestrijding en niet voorwaardelijk moet worden gemaakt aan migratiedoelen?
Activiteiten die primair ontwikkelingsgericht zijn kunnen worden aangemerkt als ODA. Het kabinet is van mening dat ODA-gelden gebruikt moeten worden voor een brede agenda ten behoeve van het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s). De OESO/DAC-criteria voor officiële ontwikkelingshulp zijn daarbij kaderstellend.
Wat is uw reactie op de mensenrechtenschendingen als gevolg van dit beleid, zoals in Eritrea en Libië? Welke consequenties zou dit uw inziens moeten hebben voor de toekomst van EUTF?2 3
Het kabinet is het niet eens met de suggestie dat mensenrechtenschendingen in Eritrea en Libië het gevolg zijn van EU-beleid. De EU zet zich in voor de aanpak en het voorkomen van mensenrechtenschendingen, conflict en instabiliteit in derde landen. Voor wat betreft uw verwijzing naar Eritrea verwijst het kabinet onder meer naar beantwoording van de Kamervragen van het lid Diks d.d. 4 april 2019.5 Voor wat betreft Libië ondersteunt de EU de Libische autoriteiten in het uitvoeren van haar wettelijke taak om drenkelingen op zee te redden. Het respecteren van mensenrechten maakt onderdeel uit van het trainingsprogramma van de Kustwacht. Daarnaast steunt de EU ook UNHCR en IOM om de situatie van vluchtelingen en irreguliere migranten in Libië te verbeteren. Ten aanzien van het aangehaalde artikel over Libië in de The Guardian van d.d. 21 januari 2019, wijst het kabinet er voorts op dat zich sindsdien enkele ontwikkelingen hebben voorgedaan. Het aantal migranten dat gevangen wordt gehouden in officiële detentiecentra neemt verder af. Volgens laatste berichtgeving bevinden zich nu minder dan 2000 personen in de 11 officiële detentiecentra. Nederland blijft zich inzetten voor het verbeteren van de erbarmelijke situatie van betrokkenen in de Libische detentiecentra met als doel de uiteindelijke sluiting van alle detentiecentra. Daarom steunt Nederland UNHCR in het realiseren van alternatieve vormen van opvang, waaronder de mogelijkheid voor irreguliere migranten en vluchtelingen om ondergebracht te worden in stedelijke gebieden. Daar krijgen ze ondersteuning in de vorm van geld, voedselpakketten en medische assistentie. Het kabinet draagt hieraan bij (zie ook de beantwoording van de Kamervragen van de leden Van Dijk en Voordewind d.d. 21 januari 2020).
Wat is de looptijd van EUTF? Wordt EUTF in zijn huidige vorm opgenomen in de nieuwe meerjarenbegroting van de EU?
De looptijd van het EUTF is tot 31 december 2020. In de voorstellen van de Europese Commissie voor de volgende meerjarenbegroting is niet voorzien dat het EUTF in zijn huidige vorm wordt voortgezet.
Wat is uw positie binnen de Raad van Ministers over de vorm van EUTF in de volgende meerjarenbegroting? Kunt u een schets geven van de huidige stand van zaken over de onderhandelingen?
Sinds de zomer van 2018 tot eind november 2019 is er binnen de Raad onderhandeld over de concept-verordening voor het instrument voor het Nabuurschap, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking (NDICI), zoals in juni 2018 voorgesteld door de Europese Commissie.6 Het NDICI maakt deel uit van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) voor de periode 2021–2027. Eind november bereikte de Raad een positie (partial general approach) over de inhoud van de verordening.7 Met name preambule 29 en 30 en artikel 8.7 van de NDICI-verordening hebben betrekking op migratiesamenwerking met derde landen. Over de tekst van de verordening is de triloog met het Europees parlement nog gaande.
In het BNC-fiche over het NDICI pleit het kabinet voor specifieke fondsen voor migratie binnen het NDICI. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen over het NDICI was hiermee in lijn. Doel is dat er ook gedurende de loop van het volgende MFK flexibel kan worden ingespeeld op nieuwe situaties en ontwikkelingen.
Welke aanbevelingen van het Oxfam-rapport neemt u over?
Het kabinet vindt dat het rapport een aantal relevante aanbevelingen bevat, zoals die op het gebied van monitoring en evaluatie en het leren van migratie-gerelateerde interventies. Het kabinet kijkt in dit licht uit naar de uitkomsten van de EUTF evaluatie en vindt het belangrijk dat de lessen daaruit worden meegenomen bij de vormgeving van migratie-gerelateerde programma’s onder het volgende Meerjarige Financiële Kader.
Het bericht Pasgeboren kuikens niet meer vergast of in de shredder in Frankrijk |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Kent u het bericht «Pasgeboren kuikens niet meer vergast of in de shredder in Frankrijk»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen het besluit van het Franse ministerie om het vergassen of versnipperen van kuikens per 2021 te verbieden?
Ik ben positief over het initiatief dat de Franse en Duitse Minister hebben genomen om het ontwikkelen van alternatieven voor het doden van eendagshaantjes te bespoedigen door het opzetten van een platform met als doel om het vroegtijdig doden per eind 2021 te kunnen beëindigen. Dit is in lijn met de afspraken die ik met de pluimveesector in Nederland heb gemaakt. In de Uitvoeringsagenda Pluimveesector die in september 2019 met de brief over de toekomst van de veehouderij naar uw Kamer is toegestuurd (Kamerstuk 28 973, nr. 218) committeert de Nederlandse sector zich ook aan het toewerken naar maatschappelijk geaccepteerde oplossingen voor de eendagshaantjes. Zodra er technieken zijn die goed werken in de praktijk, zullen deze breed worden ingevoerd. De ervaringen in internationaal verband zal ik gebruiken om met de sector verder het gesprek aan te gaan over de mogelijkheden om het doden van haantjes uit te faseren. Op welk moment het volledig stoppen met vroegtijdig doden realistisch haalbaar is gezien beschikbaarheid van breed toepasbare technieken zal ik bij dat gesprek betrekken.
Kunt u de Kamer op de hoogte brengen van de voortgang van de samenwerking tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het pluimveebedrijfsleven en de Dierenbescherming aangaande het project «gender screening in Ovo», waarbij in een vroegtijdig stadium kan worden geselecteerd op eieren met vrouwelijke embryo’s?2
De Nederlandse pluimveesector heeft sinds 2014 contact met het bedrijf In Ovo dat werkt aan een techniek om het geslacht van de kuikens in het ei te bepalen. Ook de Universiteit Leiden, de Dierenbescherming en mijn ministerie zijn bij de precompetitieve fase van de ontwikkeling betrokken geweest. Er is nog regelmatig contact tussen deze partijen. De verwachting is dat de methode dit jaar op commerciële basis kan worden toegepast.
Kunt u bevestigen dat er jaarlijks nog steeds 40 miljoen kuikens in Nederland vroegtijdig worden gedood omdat deze dieren omwille van hun geslacht worden beschouwd als nutteloos bijproduct in de voedingsindustrie?
De pluimveesector geeft aan dat er in Nederland inderdaad circa 40 miljoen eendagshaantjes per jaar worden gedood. Deze kuikens worden gebruikt als diervoeding. Hierbij kan worden gedacht aan afzet naar dierentuinen maar ook naar particuliere houders van exotische dieren zoals reptielen, en vogelparken.
Zijn er nog Nederlandse bedrijven bekend die gebruikmaken van vernietiging van kuikens door shredders en zijn er nog Nederlandse bedrijven die pluimveekuikens exporteren naar landen waar dit gebruikelijk is?
Er zijn mij geen Nederlandse bedrijven bekend die gebruik maken van de shredder als dodingsmethode. Er wordt gebruikgemaakt van gasdoding. Er worden geen levende haantjes geëxporteerd om elders te worden gedood.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat eier-producent Kipster en supermarktketen Lidl er gezamenlijk voor hebben gekozen om het op de markt brengen van producten met hanenvlees te laten prevaleren boven het vroegtijdig doden van de hanenkuikens?3
Het afmesten van de haantjes uit de legsector is één van de mogelijke oplossingen om het doden van de dieren te voorkomen. Daarnaast kan er gekozen worden voor het gebruik van dubbeldoelkippen en/of geslachtsbepaling in het ei. Voor alle opties is het van belang dat er voldoende afzetmarkt bestaat.
Deelt u de mening dat Nederland, gezien de beschikbare alternatieven, in navolging van Frankrijk moet kiezen voor een verbod op het vroegtijdig vernietigen van kuikens? Zo ja, bent u bereid om hier wetgeving voor te ontwikkelen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bij de huidige stand van zaken niet voornemens een verbod op het doden van eendagshaantjes in te stellen. Ik verwijs uw Kamer hiervoor ook naar het antwoord op de vragen 2 en 6.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een algeheel verbod op het vroegtijdig vernietigen van hanenkuikens? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het noodzakelijk is dat er meer commercieel toepasbare oplossingen voorhanden moeten zijn voordat een eventueel verbod op het doden van eendagshaantjes kan worden ingesteld. Ik zal de ontwikkelingen nauw blijven volgen en in overleg blijven met de sector en omringende landen.
De belastingen voor woningcorporaties die Vestia willen helpen |
|
Renske Leijten (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brandbrief van de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant, de woningmarktregio’s Haaglanden en Rotterdam, de Vereniging Sociale Verhuurders Haaglanden en zes Vestia-gemeenten dat bij de overname van tienduizend Vestia-woningen de hulp van de overheid nodig is?1
Vestia staat voor een grote opdracht waarin het langjarig werkt aan financieel herstel, terwijl ze haar volkshuisvestelijke taken uitvoert. Dit kan spanning opleveren met de volkshuisvestelijke wensen in de gemeenten waarin Vestia actief is. Zo zorgt ook de terugtrekkende beweging van Vestia in een aantal gemeenten conform haar verbeterplan voor uitdagingen. Voor dit complexe vraagstuk heb ik Hamit Karakus gevraagd als bestuurlijk regisseur om oplossingen aan te dragen voor de ontstane volkshuisvestelijke situatie. Ik ben Hamit Karakus zeer erkentelijk voor zijn rapport waarin hij aanbeveelt om de woningen van Vestia in deze gemeenten over te dragen aan andere lokale corporaties. Ik zie dat ook deze overdracht complex is en inzet van alle betrokken partijen vraagt.
Bent u met de Vestia-gemeenten en de bestuurlijk regisseur inzake Vestia van mening dat de sociale huurwoningen die worden verkocht, in de sociale huursector moeten blijven en het beste in handen kunnen komen van andere (lokale) woningcorporaties? Zo nee, waarom niet?2
Hamit Karakus beveelt aan om de woningen van Vestia in deze gemeenten over te dragen aan andere lokale corporaties. Ik heb hem dit najaar verzocht de verkoop van Vestiawoningen in deze gemeenten aan andere corporaties nader te onderzoeken. Naar verwachting zal Hamit Karakus hier voor de zomer 2020 over rapporteren. Verkopen van deze woningen aan andere partijen dan woningcorporaties zijn daarmee voorlopig niet aan de orde. In dit kader geldt verder dat Vestia bij de uitvoering van haar verbeterplan ook rekening moet houden met de volkshuisvestelijke consequenties van haar beleid. Verkoop van woningen aan andere partijen dan aan woningcorporaties is niet opgenomen in het herijkt verbeterplan van Vestia. Mocht Vestia dit willen, zal ze dit eerst aan de monitoringscommissie bestaande uit saneerder, Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) borger en Autoriteit woningcorporaties (Aw) moeten voorleggen, die dit voorstel mede in het licht van de volkshuisvestelijke consequenties zullen beoordelen. Ik heb voldoende vertrouwen in dit proces.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de conclusie van de bestuurlijk regisseur, te weten «overname van het Vestiabezit door (een) andere lokale woningcorporatie(s) is de meest passende oplossingsrichting», wordt uitgevoerd en op welke termijn?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de verhuurderheffing voor woningcorporaties af te schaffen, zodat er meer investeringsruimte ontstaat voor alle woningcorporaties, waardoor er meer ruimte komt voor andere corporaties om Vestia-bezit over te nemen en ook voor Vestia zelf (en daarmee hun huurders) om meer financiële ruimte te krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Afschaffing van de verhuurderheffing enkel voor woningcorporaties is niet aan de orde, omdat dit tot een ongelijke fiscale behandeling tussen woningcorporaties en niet-woningcorporaties kan leiden. Momenteel werk ik aan een evaluatie van de verhuurderheffing en voer ik een onderzoek uit naar de opgaven en middelen van corporaties (motie Ronnes). Beide onderzoeken verwacht ik voor de zomer 2020 af te ronden.
Waarom is er een vrijstelling van de overdrachtsbelasting mogelijk voor overname door een Wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) die is opgericht ter uitvoering van een specifiek herstructureringsplan (stedelijke vernieuwing)? Hoe vaak wordt daar gebruik van gemaakt?4
De afschaffing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor woningcorporaties per 1 januari 2003 dreigde destijds de integrale wijkaanpak door samenwerking van verschillende partijen in wijkontwikkelingsmaatschappijen (WOM) te belemmeren, omdat partijen over de inbreng van onroerend goed in een WOM en de uiteindelijke overdracht uit de WOM overdrachtsbelasting zouden moeten afdragen. Om te voorkomen dat de voortgang van de stedelijke vernieuwing zou worden afgeremd, is op verzoek van de Tweede Kamer de WOM-regeling in het leven geroepen. Partijen die samenwerken aan de vernieuwing van een wijk of gebied en daartoe een WOM oprichten kunnen aanspraak maken op de vrijstelling. Voorwaarde daarbij is dat de wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) is aangewezen door het Ministerie van BZK en dat wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor die vrijstelling, zoals bijvoorbeeld het hebben van een herstructureringsplan dat uitvoering geeft aan stedelijke vernieuwing. Uit de laatste evaluatie van de WOM-regeling komt naar voren dat in totaal sinds de instelling van de regeling (tot 2017) 24 WOM’en zijn aangewezen. De meeste WOM’en zijn opgericht in de periode 2004 tot en met 2006. Daarna is het aantal aanvragen teruggelopen.
Bent u bereid om van de genoemde mogelijkheid in de brandbrief om een specifieke uitzondering te maken in de vrijstelling van de overdrachtsbelasting bij de overname van Vestia-bezit gebruik te maken, ondanks het feit dat in de Vestia-gemeenten geen stedelijke vernieuwing plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in de beantwoording op vraag 5 aangegeven was in het verleden een vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing bij verkrijgingen door woningcorporaties. Deze vrijstelling is met ingang van 1 januari 2003 komen te vervallen, omdat woningcorporaties door die vrijstelling een concurrentievoordeel hadden ten opzichte van andere partijen. Ook alternatieve mogelijkheden voor vrijstellingen van overdrachtsbelasting of uitbreiding van bestaande vrijstellingen ten behoeve van woningcorporaties zijn eerder onderzocht. De uitkomsten daarvan zijn in de brief van 30 maart 2017 door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën uitgebreid toegelicht. Het onderzoek geeft geen aanleiding om invoering van een vrijstelling voor woningcorporaties of een uitbreiding van een bestaande vrijstelling ten behoeve van woningcorporaties te heroverwegen.
Bij een overdracht van woningen door Vestia aan een andere woningcorporatie kan mogelijk nog wel worden afgezien van heffing van overdrachtsbelasting indien op de verkrijging een thans bestaande wettelijke vrijstelling van toepassing is. In de brief van o.a. de provincie Zuid-Holland wordt gewezen op de vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van onroerende zaken door een WOM in het kader van stedelijke vernieuwing. Toepassing van deze vrijstelling is gebonden aan de voorwaarde dat de onroerende zaken worden verkregen door een door de Minister als zodanig aangewezen WOM die uitvoering geeft aan een herstructureringsplan voor stedelijke vernieuwing. Als er geen sprake is van stedelijke vernieuwing, zoals in de brief door de partijen zelf is aangegeven, kan deze vrijstelling reeds om die reden geen toepassing vinden.
Daarnaast kunnen woningcorporaties die over een ANBI-status beschikken (vrijwel alle woningcorporaties beschikken over een ANBI-status) onder voorwaarden mogelijk gebruik maken van de vrijstelling van overdrachtsbelasting in het kader van een taakoverdracht tussen twee of meer ANBI’s. Voor toepassing van die vrijstelling geldt een aantal voorwaarden. Er moet sprake zijn van overdracht van alle activa en passiva die betrekking hebben op de overgedragen taak en voortzetting van de daarbij behorende werkzaamheden (volkshuisvestelijke taken). Voor toepassing van de vrijstelling geldt voorts de voorwaarde dat geen koopsom wordt bedongen of indien op grond van publiekrechtelijke regelgeving toch een koopsom wordt bedongen, mag deze niet meer bedragen dan de boekwaarde van de overgedragen bestanddelen. Onder boekwaarde wordt voor de toepassing van deze regelgeving verstaan: de historische kostprijs minus de afschrijvingen. Of in het onderhavige geval wordt voldaan aan alle voor toepassing van de vrijstelling geldende voorwaarden zal aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden door de inspecteur van de Belastingdienst. Wij streven ernaar om met betrokken partijen voor de zomer duidelijkheid te krijgen of en op welke wijze een dergelijke taakoverdracht tussen ANBI’s binnen de vrijstelling kan vallen.
Ingeval binnen de bestaande vrijstellingen geen ruimte bestaat voor een vrijstelling van overdrachtsbelasting, dan zal ik beleidsalternatieven buiten de sfeer van de overdrachtsbelasting onderzoeken en rond de zomer uw Kamer over de uitkomst informeren.
Kunt u in een overzicht laten zien hoe vaak sinds 2015 gebruik wordt gemaakt van alle vrijstellingen van de overdrachtsbelasting per vrijstelling en de kosten per vrijstelling per jaar?
Momenteel wordt in een verkennend onderzoek naar de overdrachtsbelasting geprobeerd om onder meer het gebruik van de vrijstellingen in kaart te brengen. Het Ministerie van Financiën verwacht het onderzoek dit jaar af te ronden en uw Kamer hierover te informeren.
Waarom vindt u het rechtvaardig om geen overdrachtsbelasting te heffen op de koop van landgoederen, maar wel op reguliere koopwoningen en sociale huurwoningen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een algehele vrijstelling voor woningen heeft grote budgettaire gevolgen en past niet in het kabinetsbeleid. Ook een vrijstelling uitsluitend voor de gehele gereguleerde huursector – dus ook niet-woningcorporaties die daar actief zijn – acht het kabinet geen reëel alternatief. Een vrijstelling voor alle ondernemingen die zich met verhuur in de gereguleerde huursector bezighouden zal als selectief voordeel voor deze ondernemingen beschouwd worden en daarmee als staatssteun kunnen kwalificeren.
De vrijstelling van de overdrachtsbelasting bij verkrijging van een landgoed (Natuurschoonwet 1928) heeft onder andere het bevorderen van de instandhouding en het creëren van natuurschoon tot doel. De in die wet opgenomen voorwaardelijke vrijstelling van overdrachtsbelasting vormt een prikkel om het natuurschoon op het landgoed in stand te houden. De overdrachtsbelasting is immers alsnog verschuldigd indien binnen 25 jaar na verkrijging van het landgoed niet voldaan wordt aan de zogenoemde instandhoudingseis. Dat de Natuurschoonwet 1928 een belangrijke bijdrage levert aan het behoud van landgoederen en aan de ontwikkeldoelstelling voor nieuwe natuur en nieuw bos, wordt bevestigd door de beleidsevaluatie die onderzoeksbureau Ecorys in 2014 heeft verricht.
Klopt het dat Vestia in hoger beroep gaat tegen de bewoners van de Tweebosbuurt in Rotterdam, maar dat Vestia met de accountants van KPMG en Deloitte een schikking treft en zodoende een rechtszaak vermijdt in tegen stelling tot de eigen huurders? Hoe kunt u dit verklaren?5 6
De twee zaken houden geen direct verband met elkaar en kunnen andere afwegingsgronden kennen. De casus in de Tweebosbuurt betreft een lokale aangelegenheid, waarbij Vestia in samenspraak met de gemeente een afweging maakt. De casus met de accountants betreft een stelselaangelegenheid waarbij Vestia in samenspraak met de toezichthouder Autoriteit Woningcorporaties (Aw) een afweging maakt. In dit kader geldt dat corporaties, zo ook Vestia, zich in dienen te spannen om geleden schade te verhalen. De Aw ziet daarop toe, ook in hoeverre het meer in het volkshuisvestelijk belang is om te schikken dan wel een rechtszaak af te wachten.
Klopt het dat met de genoemde schikking 84 miljoen euro is gemoeid?
Aangezien dit het verloop met deze partijen niet ten goede komt, kan de Aw hier geen mededelingen over doen.
Wat zijn de kosten voor Vestia om een hoger beroep in te stellen, wat jaren kan duren en verloren kan worden? Kunt u verschillende scenario’s toelichten en daarbij aangeven of het voor Vestia niet goedkoper zou zijn om af te zien verder procederen tegen de Tweebosbuurt?
Het betreft hier een lokale aangelegenheid waarover Vestia in samenspraak met de gemeente een afweging moet maken. Ik meng mij niet in dergelijke lokale aangelegenheden.
Waar komt de Rijksbijdrage van 25.000 euro per sloopwoning in de Tweebosbuurt vandaan? Bent u bereid deze bijdrage niet door te laten gaan nu de deadline van april voor de sloop niet wordt gehaald? Zo nee, waarom niet?
In 2016 is door BZK in een Kamerbrief een additionele bijdrage van Rijkszijde toegezegd voor de aanpak van de kwetsbare (met name particuliere) voorraad in Rotterdam Zuid, gekoppeld aan investeringen in het sociale- en middensegment. Dit is onderdeel van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ). Deze bijdrage, die in omvang gelijk is aan de inbreng van de gemeente Rotterdam, heeft zijn uitwerking gekregen in een verruiming van de voorwaarden voor de heffingsvermindering van de Verhuurderheffing (voor zowel sloopwoningen alsook voor betaalbare nieuwbouwwoningen) voor corporaties in Rotterdam Zuid. Deze regeling is op 1 juli 2018 stopgezet, hetgeen eerder was dan op voorhand gedacht. Omdat voorzien werd dat de termijnen bij een aantal projecten onder druk kwam te staan is in de woondeal van de Zuidelijke Randstad de eerdere toezegging uit 2016 verder bekrachtigd. Deze toezegging geldt nog steeds.
Op welke manieren gaat u ervoor zorgen dat de bewoners van de Tweebosbuurt in hun huizen kunnen blijven en een wooncoöperatie kunnen starten, waardoor Vestia geen kosten meer heeft en de bewoners in hun buurt kunnen blijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het betreft hier een lokale aangelegenheid waarover Vestia in samenspraak met de gemeente een afweging moet maken. Ik meng mij niet in dergelijke lokale aangelegenheden.
Het artikel ‘Verdachte in ‘tattookillers’-zaak knipt enkelband door en vlucht’. |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Verdachte in tattookillers-zaak knipt enkelband door en vlucht»?1
Ja.
Zijn er gevallen bekend waarbij verdachten of veroordeelden gedurende detentie in verband worden gebracht met strafbare feiten en/of mogelijke pogingen tot ontvluchting en na enige tijd voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld?
Bij de beoordeling of moet worden afgezien van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) speelt een rol of na aanvang van de celstraf sprake is geweest van ernstig wangedrag, blijkende uit een verdenking of veroordeling ter zake van een strafbaar feit of een (poging tot) ontvluchting. De rechter oordeelt op aangeven van het OM of een v.i., om deze reden, wordt uitgesteld of geheel achterwege wordt gelaten. Het OM laat weten geen specifieke cijfers voorhanden te hebben ten aanzien van het voorwaardelijk vrijkomen van gedetineerden die tijdens detentie in verband zijn gebracht met een misdrijf en/of ontvluchting.
Hoeveel keren per jaar wordt voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege gelaten op grond van de aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf?2 Hoe vaak wegens onttrekking aan tenuitvoerlegging straf al dan niet met (dreiging met) geweld of een poging daartoe? Hoe vaak omdat gestelde bijzondere voorwaarden het recidiverisico onvoldoende inperken of veroordeelde niet bereid is de voorwaarden na te leven? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag een uitsplitsing maken naar het aantal verdachten en naar het aantal veroordeelden?
Ook hier geldt dat de centraal door het OM geregistreerde gegevens niet kunnen voorzien in de gevraagde specificatie. Wel blijkt dat het OM in 2019 circa 60 vorderingen tot afstel van de v.i. indiende. Daar kende de rechter er 45 (gedeeltelijk) van toe. De cijfers zien op veroordeelden, omdat de v.i. alleen van toepassing is op een onvoorwaardelijke celstraf van meer dan een jaar.
De in de Eerste Kamer aanhangige Wet straffen en beschermen brengt verandering aan in de wijze waarop de v.i. wordt verleend. Het OM beslist daarin zelf of v.i. wordt toegestaan, aan de hand van het gedrag van de gedetineerde gedurende de gehele detentie, maatschappelijke risico’s en slachtofferbelangen. Dit maakt het vorderen van afstel van de v.i. gebaseerd op bovenstaande gronden overbodig.
Wat waren de overwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit om geen vordering in te stellen tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van deze verdachte?
Ten tijde van de beoordeling zag het OM geen ernstige bezwaren op grond waarvan verzocht kan worden om van een v.i. af te zien. Naar het oordeel van de adviserende instanties kon het recidiverisico voldoende worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden. De omstandigheid dat de veroordeelde in een andere strafzaak verdachte was, valt in dit geval buiten de reikwijdte van de (nog) geldende gronden voor afstel van een v.i., omdat de verdenking betrekking had op feiten die zijn gepleegd vóór de aanvang van de celstraf waarop de v.i. zag.
Aangezien het een zaak betreft van zeer langlopende duur, bent u bereid de Kamer van een overzicht te voorzien van de ontwikkelingen gedurende de jaren met betrekking tot deze verdachte?
Het OM stelde hoger beroep in tegen de vrijspraak van de rechter op 6 februari 2020, waardoor deze specifieke zaak nog onder de rechter is. Dit maakt dat ik niet inhoudelijk op de zaak in kan gaan. Voor processuele informatie verwijs ik naar mijn brief die ik gelijktijdig met deze beantwoording heb verzonden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar en voor het debat over «het bericht dat een rechter iemand bij wie levenslang is geëist, toch uit voorarrest heeft vrijgelaten» te beantwoorden?
Ja.
Verontrustende berichtgeving met betrekking tot de As Soennah Moskee en de reactie van de burgemeester van Den Haag op het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom |
|
Jasper van Dijk (SP), Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving met betrekking tot de As Soennah Moskee vanwege het aanbevelen van vrouwenbesnijdenis, geweld tegen vrouwen, het stenigen van overspelige polygamie en ook de onderdrukking van vrouwen?1
Ja.
Deelt u de mening dat met deze uitspraken onze veiligheid ondermijnd wordt en het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen wordt aangetast?
Iedereen in deze samenleving dient de vrijheid te hebben om eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het is onacceptabel als inbreuk wordt gemaakt op het recht van vrouwen om zelf hun leven in te vullen. Het recht op zelfbeschikking is verankerd in de Nederlandse democratische rechtstaat en cultuur en ik deel de mening dat dit te allen tijden gewaarborgd moet worden.
Vrouwenbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling. Indien sprake is van aanzetten tot geweld, kan de politie en het OM hier tegen optreden. In deze casus heeft het OM op 8 november 2019 via een persbericht laten weten dat op 8 november 2018 aangifte is gedaan in verband met een uitspraak over vrouwenbesnijdenis door een medewerker van de Haagse Stichting As Soennah. Na bestudering en juridische duiding van het filmpje op de website van de moskee (waarbij ook de vrijheid van meningsuiting en van religie in beschouwing zijn genomen) heeft het OM besloten dat de medewerker vervolgd gaat worden voor opruiing en aanzetten tot geweld tegen vrouwen. Het is aan de strafrechter om daar een oordeel over te geven.
In het algemeen geldt dat de burgemeester taken en bevoegdheden heeft om de openbare orde te handhaven en beslist over de toepasbaarheid daarvan. In deze casus is het ook aan de burgemeester om te beslissen op het handhavingsverzoek. Dit betreft een lopende procedure. Het is dan ook niet aan mij om hierover nu uitspraken te doen, noch over het bestaan van beperkingen voor het college van burgemeesters en wethouders als het gaat om handhavend optreden.
Bent u bekend met het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom en de reactie daarop van de burgemeester van Den Haag?2
Ja.
Deelt u de mening dat uitlatingen die ingaan tegen het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen, die aanzetten tot geweld en/of antidemocratisch zijn, bestreden moeten worden? Zo ja, over welke instrumenten beschikt een college van burgemeesters en wethouders (B&W) om handhavend op te treden tegen instellingen en individuen wanneer dergelijke uitlatingen worden gedaan? Welke beperkingen bestaan daarbij die de colleges kunnen beletten dit daadwerkelijk te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat handhaving op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Kamerstuk 34 359) alleen aan de Minister toekomt, zoals in de reactie van het college van B&W op het handhavingsverzoek wordt aangegeven? Zo nee, hoezo niet en welke andere handhavingsmogelijkheden zijn er eventueel nog voor een gemeente c.q. het Rijk?
Het klopt dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: Minister), op grond van de Tijdelijke Wet Bestuurlijke Maatregelen (hierna: TWBMT) (een) vrijheidsbeperkende maatregel(en) op kan leggen aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met (de ondersteuning van) terroristische activiteiten indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid.3
Voor het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van de TWBMT dient aangetoond te kunnen worden dat bij genoemde personen (in overweging 4.3 van het handhavingsverzoek) sprake is van een samenspel van concrete persoonlijke gedragingen die verband houden met (de ondersteuning van) terroristische activiteiten waaruit geconcludeerd kan worden dat er een bedreiging voor de nationale veiligheid is. In deze casus is geen sprake van terroristische activiteiten.
Kunt u aangeven of u in het licht van de aan het handhavingsverzoek ten grondslag liggende feiten heeft overwogen een gebiedsverbod in te zetten tegen de genoemde Imams in overweging 4.3 van het handhavingsverzoek? Zo nee, hoezo bent u dan wel de gemeente Den Haag nog niet overgegaan tot handhaving?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid met de gemeente Den Haag in gesprek te gaan over de gezamenlijke mogelijkheden voor handhaving en de Kamer daarover op korte termijn te berichten?
Ik sta reeds in contact met de gemeente Den Haag. Waar het gaat om gezamenlijke mogelijkheden voor handhaving is het van belang het lopende onderzoek door het OM en de lopende procedure omtrent het handhavingsverzoek van Femmes for Freedom af te wachten.
Welke rol heeft de Taskforce ongewenste buitenlandse beïnvloeding tot toe gespeeld in deze casus en bent u bereid deze aan te sporen alles in het werk te stellen dat nodig is om op te treden tegen het prediken van anti-democratische, anti-integratieve en anti-rechtsstatelijke aanbevelingen? Zo ja, kunt u de Kamer op korte termijn rapporteren over de uitkomsten?
Een doel van de Taskforce is het ondersteunen van gemeenten in het aanpakken van problematisch gedrag. Na het bekend worden van deze berichten heeft de gemeente Den Haag zelf, op basis van de driesporenaanpak, herhaaldelijk gesproken met de As Soennah Moskee. Dit gaf de gemeente reeds voldoende handelingsperspectief en extra ondersteuning hierin van de Taskforce was niet nodig. Waar het in dit specifieke geval gaat om mogelijke strafbare feiten en de vervolging daarvan, is het OM aan zet.
Het bericht ‘F-35 mag straks laagvliegen over oostelijk Fryslân’ |
|
Eppo Bruins (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «F-35 mag straks laagvliegen over oostelijk Fryslân» van 28 januari 2020?1
Ja.
Klopt het dat u weer een oude laagvliegroute langs de oostelijke grens van Fryslân in gebruik wilt nemen?
Op dit moment bestaat er geen aanleiding om de Linkroute-10A (laagvliegroute door Noord en Oost Nederland die in zuidelijke richting achtereenvolgens door de provincies Friesland, Drenthe, Overijsel en Gelderland loopt) weer in gebruik te nemen.
Wat is de reden dat u deze oude laagvliegroute weer wilt heropenen?
Zie antwoord vraag 2.
Is de provincie Friesland betrokken bij de besluitvorming hieromtrent?
In 2008 is door mijn voorganger aan uw Kamer toegezegd dat voor alle militaire vliegactiviteiten, waaronder de laagvliegroutes een vergunning zal worden aangevraagd. Tijdens de eerste fase in 2012 zijn de helikopterlaagvlieggebieden inclusief de daarbinnen gelegen helikopterlandingsplaatsen in en nabij Natura 2000-gebieden vergund. In de tweede fase wordt voor de resterende activiteiten onderzocht wat de effecten zijn op de Natura 2000-gebieden. Hiervoor heeft in 2018 voor een elftal activiteiten een voortoets plaatsgevonden. Voor zeven van deze activiteiten is nader onderzoek nodig, waaronder voor de laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen. Voor deze activiteiten wordt op dit moment een ecologische effectenanalyse opgesteld, voordat kan worden overgegaan tot een vergunningaanvraag. Ik heb u hierover eerder geïnformeerd op 31 oktober 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 578). De Koninklijke Luchtmacht brengt op dit moment haar laagvliegbehoefte voor jachtvliegtuigen in kaart. Hierbij wordt nadrukkelijk ook naar alternatieve trainingslocaties in het buitenland gekeken. Zoals door mij verwoord in het Algemeen Overleg op 4 februari jl. was de beantwoording in de Nota van Antwoord op vragen over de «Notitie Reikwijdte en Detailniveau Luchtruimherziening» dan ook te prematuur en ongelukkig gesteld. Mocht er, gebaseerd op de behoefte van de Koninklijke Luchtmacht, redenen zijn om weer gebruik te willen maken van de Linkroute-10A dan gelden nog steeds de bezwaren waarom de route in 2002 is opgeschort. Dit betreft het veiligheidsrisico bij vliegterrein Drachten en geluidsoverlast. Omdat deze situatie sinds het opschorten van de route niet is gewijzigd acht ik de kans zeer klein dat de Linkroute-10A weer in gebruik wordt genomen. Tijdens het VAO op 18 februari heb ik uw Kamer toegezegd om voor 1 juni 2020 duidelijkheid te bieden over de toekomst van de Linkroute-10A. Uiteraard zullen eerst alle betrokken provincies en belanghebbenden worden geïnformeerd.
Klopt het dat de vergunning al is aangevraagd zonder dat de regio betrokken is? Bent u van mening dat u in dit proces hebt gewerkt aan het verkrijgen van draagvlak?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de reden om deze bezwaren opzij te schuiven, aangezien de provincie in het hierboven genoemde bericht stelt dat «(d)e argumenten die destijds golden om het gebruik op te schorten, (...) nog onverkort van kracht (zijn)» en in het bericht ook is te lezen dat de ligging bij vliegveld Drachten nog steeds potentieel gevaar zou opleveren, en ook het argument van geluidsoverlast er nog steeds is?
Zie antwoord vraag 4.
Is er een natuurvergunning nodig voor het heropenen van deze route, aangezien de provincie in het hierboven genoemde bericht stelt: «Bovendien maakt een F-35 meer geluid dan een F-16 en gaat de route over Natura 2000- en stiltegebieden»? Zo nee, heeft u het belang van de natuur- en stiltegebieden desalniettemin voldoende meegewogen in de besluitvorming omtrent het heropenen van de route?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er alternatieve laagvliegroutes onderzocht? Zo ja, wat hebben die onderzoeken opgeleverd?
Defensie is voortdurend op zoek naar mogelijkheden om te voorzien in de laagvliegbehoefte zowel in Nederland als in het buitenland. Dit laatste om zodoende de overlast in Nederland te beperken. Op dit moment wordt het grootste deel van de laagvliegtraining voor jachtvliegers uitgevoerd in de Verenigde Staten aangevuld met gebruik van Linkroute-10. Het gebruik van buitenlandse laagvlieggebieden is echter afhankelijk van toestemming van het betrokken land. Alle mogelijke alternatieven worden meegewogen in de beslissing of Linkroute-10A opnieuw in gebruik wordt genomen.
Bent u bereid af te zien van het heropenen van de oude laagvliegroute langs de oostelijke grens van Fryslân?
Tijdens het VAO van 18 februari 2020 heb ik toegezegd uw Kamer voor 1 juni 2020 te informeren over de toekomst van de Linkroute-10A. Hierbij baseer ik mij op de laagvliegbehoefte van de Luchtmacht die ik afweeg tegen de redenen voor het destijds opschorten van de route. Ik zal dit in samenhang aan uw Kamer en betrokkenen laten weten.
Het bericht ‘Geschiedenisles over de holocaust op een diverse school: ‘soms lastige vragen’ |
|
Rudmer Heerema (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem «Geschiedenisles over de holocaust op een diverse school: «soms lastige vragen»?1
Ja.
In hoeverre herkent u het beeld van de geïnterviewde leraar Stefan Kras, leraar aan een islamitisch college in Rotterdam, dat er een verschil is in de reactie op de Jodenvervolging tussen autochtone en allochtone jongeren? Zo ja, hoe verklaart u dit?
In het door u aangehaalde nieuwsitem merkt een docent op dat leerlingen met een migratieachtergrond bij onderwijs over de Tweede Wereldoorlog en over de Holocaust met andere vragen kunnen komen dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Docenten geven aan dat verschillende leerlingen soms andere perspectieven aandragen. Dat is op zich begrijpelijk en het is aan docenten om hier goed op in te spelen, ook al kan dat lastig zijn.
Het artikel sluit daarmee aan op bevindingen van een onderzoek dat het Instituut voor Toegepaste Sociologie van de Radboud Universiteit Nijmegen in opdracht van de toenmalige Staatssecretaris van OCW in 2015 uitbracht naar de ervaringen van leraren bij het voeren van gesprekken over maatschappelijk thema’s in de klas.2 Uit het onderzoek kwam naar voren dat 80 tot 90%van de leraren (de percentages verschillen per thema) geen problemen ervaart bij het bespreken van gevoelige thema’s. 10–20% van de leraren gaf aan het lastig te vinden het gesprek te voeren over zulke onderwerpen, maar dit desondanks wel te doen. Een kleine groep van 1% van de leraren gaf aan het gesprek over deze onderwerpen te mijden. Antisemitisme en de Holocaust werden genoemd als onderwerpen die op gemengde scholen lastiger te bespreken zijn. Uit het onderzoek bleek ook dat beginnende leraren vaker aangeven het lastig te vinden om maatschappelijk gevoelige thema’s te behandelen.
Wordt er op elke school in het funderend onderwijs lesgegeven over de verplichte lesstof Jodenvervolging? Zo nee, waarom niet en kunt u een overzicht geven welke scholen niet in staat zijn les te geven over deze verplichte lesstof? Zo nee, waarom kunt u dit overzicht niet geven?
Op grond van de kerndoelen moeten alle scholen voor primair en voortgezet onderwijs aandacht besteden aan de Holocaust. Ook moeten alle leerlingen leren de relatie te leggen tussen de gebeurtenissen en ontwikkelingen in de twintigste eeuw (waaronder de Wereldoorlogen en de Holocaust) en hedendaagse ontwikkelingen (kerndoelen onderbouw voortgezet onderwijs). Hoe scholen en leraren dit vormgeven bepalen zij zelf. Daarbij kunnen zij putten uit een ruim aanbod van onderwijsmaterialen (leermiddelen, lesmethoden), waarin in de regel – juist ook omdat het een verplicht onderwerp is – de nodige aandacht is voor deze thematiek. De inspectie heeft niet precies in beeld welke scholen en leraren niet in staat zouden zijn les te geven over specifieke onderwerpen die worden genoemd in de kerndoelen, aangezien het ondoenlijk is om precies erop toe te zien hoe alle leraren op alle scholen hun lessen invullen. Daarom kan ik hier geen overzicht van geven. Gezien het in vraag 2 aangehaalde onderzoek is het duidelijk dat sommige leraren moeite ervaren bij het lesgeven over deze onderwerpen. Het is in de eerste plaats aan leraren en schoolleiders zelf om vorm te geven aan onderwijs rond deze thema’s en collega’s die hier moeite mee hebben te ondersteunen.
Herkent u het beeld, ook beschreven in de initiatiefnota over een effectievere aanpak van antisemitisme van de leden Yesilgöz-Zegerius en Segers2, dat docenten beoordelen dat lesgeven over de Jodenvervolging een gevoelig thema is? Bent u het daarmee eens? Welke ondersteuning krijgen docenten om ervoor te zorgen dat dit belangrijke thema wel besproken wordt?
Zie voor het eerste deel van uw vraag mijn antwoord op vraag 2.
Scholen die het lastig vinden om deze thema’s op een goede manier te behandelen in hun klas kunnen onder andere terecht bij Stichting School en Veiligheid (SSV). Zij hebben een trainingsaanbod op dit onderwerp waarvan scholen kosteloos gebruik kunnen maken. Zo is er voor het primair onderwijs de training «Samenleven op school met ruimte voor verschil», en voor het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs de training «Dialoog onder druk». In deze trainingen leren docenten(teams) om te gaan met heftige discussies, om wederzijds begrip te stimuleren, maar ook om waar nodig te begrenzen. Op de website van SSV is daarnaast een uitgebreide kennisbank te vinden met materiaal en handreikingen. Deels zijn die algemener van aard over het bespreken van moeilijke thema’s in de klas, deels zijn ze specifiek gericht op het omgaan met antisemitisme en de Holocaust.
Kent u het onderzoek uit 2015 waaruit blijkt dat 6% van de geschiedenisleraren in het voortgezet onderwijs antisemitisme nooit bespreken en 12% van de leraren geeft aan dat ze de holocaust nooit bespreken?3 Is hier de afgelopen vijf jaar verbetering in gekomen? Deelt u de mening dat het belangrijk is dat de verplichte lesstof over de Jodenvervolging ook daadwerkelijk wordt gegeven?
Zie het antwoord op vraag 2. De genoemde percentages zijn afkomstig uit het in die vraag genoemde onderzoek, en betreffen de percentages leraren geschiedenis en maatschappijleer/maatschappijwetenschappen die aangeven hoe vaak de genoemde onderwerpen aan bod komen in hun les. Als we iets scherper kijken naar de resultaten blijkt vooral sprake van een verdeling van onderwerpen in het curriculum: deze onderwerpen worden met name in de geschiedenislessen behandeld en minder in de lessen maatschappijleer. Van de geschiedenisleraren geeft 2% aan nooit de onderwerpen Holocaust of antisemitisme te behandelen. Er zijn geen nieuwere gegevens bekend. Uiteraard deel ik de mening dat het belangrijk is dat verplichte lesstof daadwerkelijk wordt behandeld, en de inspectie ziet daar ook op toe Het is van belang dat elke leerling leert over de verschrikkingen die in de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden.
In hoeverre ziet u de verplichte lesstof over Jodenvervolging als onderdeel van de burgerschapsopdracht? Zorgt het wetsvoorstel inzake de wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met verduidelijking van de burgerschapsopdracht aan scholen in het funderend onderwijs4 ervoor dat er extra aandacht komt voor de verplichte lesstof van Jodenvervolging? Zo nee, ziet u mogelijkheden om het thema Jodenvervolging binnen deze opdracht aan scholen in het funderend onderwijs alsnog te onderstrepen?
Kennis van en gedachtevorming over de Holocaust wordt meestal overgebracht als onderdeel van het geschiedenisonderwijs. Het genoemde wetsvoorstel heeft tot doel de algemene burgerschapsopdracht te verduidelijken en de gemeenschappelijke kern van burgerschap te verplichten, maar regelt niet de nadere onderwijsinhoudelijke invulling ervan. Scholen zijn uiteraard vrij om deze burgerschapsopdracht (mede) in te vullen in lessen rond de Jodenvervolging. Met de integrale vernieuwing van het curriculum zal de onderwijsinhoud van burgerschap bovendien nader vorm krijgen in kerndoelen en eindtermen en wordt zorg gedragen voor de aansluiting ervan op de in de wet geformuleerde algemene burgerschapsopdracht. Gewaarborgd zal worden dat in het (in het kader van curriculum.nu) te vernieuwen curriculum voor het funderend onderwijs op een goede manier aandacht aan het onderwerp Holocaust besteed zal blijven worden.
De berichten dat Ryanair passagiers toch een schadevergoeding moet betalen |
|
Cem Laçin (SP), Jan Paternotte (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Ryanair moet van rechter passagiers toch schadevergoeding betalen»1, «Luchtvaartinspectie ontloopt verantwoordelijkheid in zaak Ryanair»2, «Ryanair rejects almost 100% of compensation claims»3 en «Ryanair moet Belgische passagiers financieel compenseren na staking (al zit er mogelijk nog addertje onder het gras)»?4
Ja.
Deelt u de stelling dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in Nederland verantwoordelijk is voor de handhaving van verordening 261/2004? Zo nee, welke instantie – zoals bedoeld in art. 16, eerste lid, van verordening 261/2004 – is de geëigende partij om de structurele bescherming van passagiersrechten in Nederland te waarborgen?
Ja.
Kunt u gedetailleerd aangeven hoe de ILT c.q. de door u aangewezen instantie ter bescherming van de passagiersrechten zoals bedoeld in art. 16, eerste lid, van de verordening 261/2004 invulling geeft aan haar verantwoordelijkheid? Kunt u voorts aangeven wat deze inspanningen tot nog toe hebben opgeleverd in het beschermen van passagiersrechten?
De werkwijze van de ILT in de afgelopen jaren was dat ingediende klachten individueel werden onderzocht en voorzien van een oordeel over de gegrondheid van de klacht. Met dat oordeel kon de klager zich wenden tot de luchtvaartmaatschappij of in het uiterste geval tot de civiele rechter.
Na 1 juli 2019 spreekt de ILT geen oordeel meer uit over individuele klachten. De belangrijkste reden hiervoor is gelegen in de uitvoering van de Ruijssenaars-uitspraak van de Raad van State. Daarin is bepaald dat de ILT niet bevoegd is om te handhaven in individuele gevallen als geen compensatie wordt uitgekeerd bij een vertraagde of geannuleerde vlucht. De reden hiervoor is dat individuele klagers of belanghebbenden op grond van de EU Verordening passagiersrechten bij de civiele rechter terecht kunnen. Deze rechter oordeelt dan vervolgens of de luchtvaartmaatschappij zich wel of niet aan de regels van de Verordening heeft gehouden op het terrein van de compensatie.
De ILT blijft individuele klachten, naast andere bronnen, wel gebruiken om signalen over stelselmatig de Verordening overtredende luchtvaartmaatschappijen te onderzoeken.
In de afgelopen jaren heeft de ILT een aantal luchtvaartmaatschappijen onder verscherpt toezicht geplaatst omdat zij naar het oordeel van de inspectie structureel tekortschieten in de naleving van de Europese passagiersrechtenverordening. Met de betrokken maatschappijen hebben gesprekken plaatsgevonden over verbetermaatregelen. In een aantal gevallen heeft dat tot verbetering geleid, bij twee maatschappijen ziet de ILT nog onvoldoende resultaat en houdt de vinger aan de pols. Ryanair behoort overigens niet tot deze luchtvaartmaatschappijen onder verscherpt toezicht.
Daarnaast publiceer ik periodiek (conform de verplichting in art. 11.27 Wet luchtvaart) een lijst van instanties ten aanzien waarvan in de daaraan voorafgaande periode een beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete of een beschikking tot toepassing van de bestuursdwang onherroepelijk is geworden. De ILT publiceert deze lijst ook op haar website.5 Het gaat hier overigens om andere overtredingen dan het recht op compensatie.
Is het de verantwoordelijkheid van de ILT om te onderzoeken en (zelfstandig) een oordeel te geven over de vraag of een luchtvaartmaatschappij zich in voorkomende gevallen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de verordening 261/2004 door stelselmatig ten onrechte te weigeren het uit de artikelen 5, eerste lid, onder c, en 7 van de verordening voortvloeiende recht op compensatie te honoreren?
Ja. De Raad van State (RvS) heeft in de zaak-Ruijssenaars geoordeeld dat de ILT niet bevoegd is om te handhaven in individuele gevallen als geen compensatie wordt uitgekeerd bij een vertraagde of geannuleerde vlucht. Een passagier kan volgens de RvS bij de rechter direct zelf zijn recht halen en effectueren. Deze rechtsgang voldoet aan de eisen van effectieve rechtsbescherming. De ILT is volgens de RvS wél bevoegd om tot handhaving over te gaan bij stelselmatige overtreding van de Verordening. Om een dergelijke stelselmatigheid te kunnen vaststellen, staan de ILT diverse bronnen ter beschikking. Op basis van individuele klachten kan weliswaar niet gehandhaafd worden maar de ILT mag deze wel onderzoeken om zich een beeld te vormen over de wijze waarop een luchtvaartmaatschappij de bepalingen uit de Verordening in algemene zin naleeft. Andere bronnen kunnen bijvoorbeeld zijn informatie van andere toezichthouders, informatie van luchtvaartmaatschappijen zelf, informatie van claimbureaus of openbare bronnen.
Voorziet de wet Luchtvaart in een algemene grondslag voor de ILT om in het in vraag 4 bedoelde geval van stelselmatige overtreding van de verordening gebruik te maken van de bevoegdheid om handhavend op te treden?
Ja, in het geval van structurele overtreding kan de ILT op grond van artikel 11.15, onderdeel b, onder 1, van de Wet luchtvaart een last onder dwangsom opleggen, en op grond van artikel 11.16, eerste lid, onderdeel e, onder 1, van de Wet luchtvaart kan de ILT een bestuurlijke boete opleggen.
In welk percentage van de gevallen betwist Ryanair compensatieclaims van Nederlandse passagiers? In hoeveel gevallen worden deze passagiers na een procedure alsnog in het gelijk gesteld?
De ILT heeft geen gegevens over de gevraagde percentages. Wel blijkt dat 3% (127) van het totaal aantal bij de ILT ingediende klachten (4.299) in de periode 2016–2019 Ryanair betrof. Van de 127 klachten was 18% gegrond, 65% ongegrond en 17% was niet ontvankelijk of werd ingetrokken. Vijftien van de 127 klachten gingen over stakingen van het eigen personeel en zijn destijds als ongegrond aangemerkt.
Deelt u de indruk dat Ryanair veel in het werk stelt om compensatie te voorkomen en consumenten te ontmoedigen aanvragen in te dienen, ook als zij daar alle recht op zouden hebben? Zo ja, hoe beoordeelt u dat? Zo nee, hoe verklaart u de data zoals AirHelp die presenteren waarbij Ryanair kampioen afwijzen van compensatievragen is?
Die indruk heb ik op basis van de ILT ter beschikking staande gegevens over het aantal ingediende klachten en de mate van gegrondheid niet. In 2018 heeft Ryanair haar website aangepast naar aanleiding van klachten over de klachtenprocedure en een reactie daarop van de ILT. De ILT heeft sindsdien geen klachten meer ontvangen over de klachtenprocedure bij Ryanair.
De data van AirHelp ken ik niet, ik kan daar niet over oordelen. De ILT neemt graag kennis van informatie van claimbureaus en andere betrokkenen die inzicht kunnen geven in de wijze waarop luchtvaartmaatschappijen de Verordening naleven.
Bent u bereid om bij bemiddelaars voor compensatie onder verordening 261/2004, zoals EUClaim, Claimingo, Vlucht-vertraagd.nl en eventuele andere bemiddelaars op te vragen welke luchtvaartmaatschappijen opvallend vaak compensatieverzoeken afwijzen? Zo nee, waarom niet?
De ILT onderhoudt reeds contact met onder meer claimbureaus, het Europees Consumenten Centrum en overige (EU)-toezichthouders. Hierbij worden opvallende signalen besproken en uitgewisseld.
Alle bemiddelaars voor compensatie zijn welkom om informatie over de afhandeling van compensatieverzoeken of over andere bepalingen uit de Verordening met de inspectie te delen. De inspectie zal deze informatie, naast andere bronnen gebruiken om zich een oordeel te kunnen vormen over de vraag of een luchtvaartmaatschappij stelselmatig de Verordening overtreedt.
Welke luchtvaartmaatschappijen op Schiphol bezorgen reizigers relatief de meeste vertraging? Kunt u dit afzetten tegen de gemiddelde vertraging in minuten per vlucht?
De gemiddelde vertraging per vlucht op Schiphol is 15,7 minuten in 2018. Daarvan is 3,8 minuten te wijten aan luchtvaartmaatschappijen. Informatie over individuele luchtvaartmaatschappijen, afkomstig van derden, is vertrouwelijk en kan derhalve niet gedeeld worden.
Bent u bereid met de ILT het gesprek te voeren over een grotere inspanning om terechte compensatieverzoeken van reizigers zonder tussenkomst van rechters toegewezen te krijgen, zodat passagiers niet langer hoeven te kiezen tussen het opgeven van hun claim en eindeloze procedures?
Het is de ILT als gevolg van de Ruijssenaars-uitspraak niet toegestaan te handhaven op individuele passagiersklachten over compensatie. Klagers of belanghebbenden kunnen bij de civiele rechter terecht voor een uitspraak of de luchtvaartmaatschappij zich aan de regels heeft gehouden.
Daarbij heeft de Raad van State aangegeven dat deze rechtsgang voldoet aan de eisen van effectieve rechtsbescherming.
De ILT zal wel blijven optreden als vastgesteld kan worden dat sprake is van het stelselmatig niet naleven van de Verordening. Hierbij is zorgvuldigheid vereist omdat de rechter heeft bepaald dat individuele klachten wel gebruikt mogen worden ter motivering van de stelselmatigheid van de overtreding, maar dat de sanctie (last onder dwangsom) niet gericht mag zijn op die individuele passagiersklachten maar op beëindiging van de stelselmatige overtreding. (RvS, 3 oktober 2018 inzake de last onder dwangsom aan Vueling opgelegd in 2016).
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Snel oplossing voor intensieve kindzorg’ |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Snel oplossing voor intensieve kindzorg»1 op de site van Per Saldo en «Onrust over PGB Zorgverzekeringswet. Oplossing hard nodig!» op de site van het Kenniscentrum Kinderpalliatieve zorg?2
Ja.
Welke aanpassing in regelgeving, reglementen of handelwijze heeft ervoor gezorgd dat ouders recent gekort zijn op hun persoonsgebonden budget (PGB) voor medische handelingen of gekort gaan worden?
Er zijn geen aanpassingen in regelgeving geweest. Verzekeraars hebben in hun Zvw-pgb reglementen voor 2020 wel de bewoordingen over de inzet van het (cliënt)netwerk (voorheen genoemd: «gebruikelijke zorg»3) bedoeld te verduidelijken. De inhoud van het artikel in de reglementen is ten opzichte van 2019 niet gewijzigd, zo hebben zorgverzekeraars ons laten weten.
Klopt het dat er in veel gevallen herindicatie heeft plaatsgevonden, terwijl er een lopende indicatie was en geen verandering in de zorgvraag? Zo ja, waarom is er dan geherindiceerd?
De reden voor herindicatie zullen in veel gevallen verschillen. Een herindicatie vindt in principe altijd pas plaats op verzoek van de budgethouder. Dat zal zijn wanneer de pgb-toekenning afloopt, of wanneer er een veranderde zorgvraag is.
Kan het zo zijn dat door deze wijziging somatische zorg voor deze kinderen opeens onder de Jeugdwet gaat vallen?
Bij de indicatiestelling in de kindzorg thuis is vooral discussie ontstaan over het verschil tussen de uiteraard onbetaalde inzet van het eigen (cliënt)netwerk (voorheen: «gebruikelijke zorg», of mantelzorg) en de inzet van betaalde informele zorgverleners (in dit geval ouders) vanuit de leveringsvorm van het pgb. Dit staat los van de verschuiving van zorg van Zvw naar Jeugdwet.
Was u op de hoogte van deze verandering in de behandeling van PGB’s voor kinderen die intensieve medische zorg nodig hebben? Zo ja, wanneer?
In het vorig najaar is gebleken dat er verschillend over de indicatiestellingen voor pgb bij kindzorg wordt gedacht door verschillende partijen. Daarom heb ik in
november betrokken partijen bij elkaar geroepen om afspraken te maken zodat dit verschil van inzicht kan worden weggenomen.
Verzekeraars hebben hun beleid niet aangepast, zij hebben enkel de tekst rondom de term «gebruikelijke zorg» verbeterd op verzoek van de NZa en deze tekst aangepast naar de toelichting over het cliëntnetwerk zoals ook beschreven in het Begrippenkader Indicatieproces van de V&VN en in het document «Verpleegkundige indicatiestelling – een nadere duiding» van het ZINL (d.d. maart 2019).
Verzekeraars wijzen geen pgb's af omdat er zorg wordt ingezet door informele zorgverleners. Verzekeraars toetsen bij de aanvraag voor een Zvw-pgb of de indicatie volgens de normen van de beroepsgroep is geïndiceerd. Mochten er in de aanvraag voor een pgb uren zitten die niet onder de Zvw vallen en die niet doelmatig en/of rechtmatig zijn, dan mag een verzekeraar deze uren afwijzen. Hoe het Zvw-pgb na toekenning door de zorgverzekeraar wordt ingezet, is aan de budgethouder. De budgethouder kan zelf kiezen voor het inzetten van informele en/of formele zorgverleners, hier gaat de zorgverzekeraar niet over.
Op welke momenten heeft u welke actie ondernomen naar aanleiding van deze wijziging?
Het feit dat «gebruikelijke zorg» (een term die uit de AWBZ komt en in de Zvw niet meer gebruikt wordt) en mantelzorg (beide onbetaald) moeilijk te scheiden zijn van zorg die door ouders gegeven wordt in de hoedanigheid van informele zorgverleners die betaald worden uit een Zvw-pgb, is al langer bekend.
In de zomer van 2019 heb ik de samenwerkende kindzorgorganisaties (Kind en Ziekenhuis, V&VN kinderverpleegkunde, Binkz, NVK, Kenniscentrum Kinderpalliatieve Zorg) per brief al laten weten dat ik het toe zou juichen als de beroepsgroep nog eens nader zou kijken naar de toepassing van het Begrippenkader op de specifieke situatie in de kindzorg en indien wenselijk het Begrippenkader zou verbijzonderen.
Tussen november 2019 en januari 2020 heeft VWS hierover gesproken met betrokkenen: kinderverpleegkundigen, verzekeraars, aanbieders, Zorginstituut, Per Saldo en Bvikz en Stichting Kind en Ziekenhuis.
De afgelopen weken is de urgentie nogmaals gebleken, daarom zijn er verschillende spoedoverleggen met alle betrokken partijen gevoerd om tot oplossingen te komen. Daarbij zijn er afspraken gemaakt over structurele oplossingen en wat er op de zeer korte termijn geregeld moet worden voor ouders die in de problemen zijn gekomen. Zie beantwoording vraag 8.
Hoe hebben zorgverzekeraars gecommuniceerd over deze aanpassing en wat is uw appreciatie hiervan?
Zorgverzekeraars hebben in juli 2019 per brief aan het Zorginstituut laten weten graag in overleg te gaan om te bekijken of een aanscherping van de duiding van het Begrippenkader mogelijk is.
Ieder jaar wordt het Reglement Zvw-pgb van iedere verzekeraar gepubliceerd. Aangezien er geen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd op dit onderdeel, is er geen aparte communicatie uit gegaan.
Welke tijdelijke en structurele oplossingen zijn uit het topoverleg gekomen tussen het Ministerie van VWS en Per Saldo?
Begin februari jongstleden heeft er overleg plaatsgevonden tussen VWS, Per Saldo, V&VN en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) over de indicatiestelling in de kindzorg thuis, in het bijzonder de indicaties voor Zvw-pgb. Het ministerie, de zorgverzekeraars en de vertegenwoordigers van budgethouders en verpleegkundigen delen dat er snel meer helderheid moet komen over het indicatieproces. Zij hebben daarom samen afspraken gemaakt.
De reden dat de passage in het Zvw-pgb-reglement staat is dat het een vertaling is van het indicatieproces voor de aanspraak wijkverpleging. Dit gaat dus op voor de gehele wijkverpleging en is gebaseerd op het Begrippenkader Indicatieproces van de V&VN (maart 2019). Door deze vertaling willen zorgverzekeraars indicerend wijkverpleegkundigen ondersteunen bij het doorlopen van het indicatieproces. Het uitgangspunt is dat zorg vanuit een Zvw-pgb aan dezelfde voorwaarden, ten aanzien van de aanspraak wijkverpleging (V&V), moet voldoen als zorg in natura.
Wat betekenen deze oplossingen concreet voor de betreffende gezinnen, zijn ze ook besproken met (belangenorganisaties van) ouders en daarmee getoetst aan de praktijk?
Concreet en op korte termijn betekent dit dat ouders zich kunnen melden bij de zorgverzekeraar. Dat is belangrijk, want tot voor kort hadden zorgverzekeraars nog geen casussen ontvangen. De zorgverzekeraar gaat dan in gesprek met de ouders en de indicerend wijkverpleegkundige. Zie verder mijn antwoord op vraag 8.
Deze oplossingsrichtingen zijn besproken met diverse belangenorganisaties van ouders: met Stichting Kind en Ziekenhuis, Spierziekten Nederland, Kenniscentrum Kinderpalliatieve Zorg en de Belangenvereniging Intensieve Kindzorg.
Hoe komt het dat essentiële regelgeving voor de zorg aan mensen zo verschillend wordt geïnterpreteerd?
Verpleging en verzorging aan mensen (zowel kinderen als volwassenen) is in de eerste plaats mensenwerk en altijd maatwerk. Praktijkervaring en de context waarbinnen de zorg geleverd zullen altijd meewegen. Het maatwerk dient wel altijd tot stand te komen binnen de wettelijke kaders en de geldende beroepsnormen. Daar mag geen misverstand over bestaan. De beroepsnorm leent zich nu blijkbaar voor meerdere interpretaties. Dat is zeer onwenselijk.
Wat is uw reactie op de voorgestelde oplossing van de Stichting Kind en Ziekenhuis dat in het eerste kwartaal van 2020 een precieze omschrijving komt van gebruikelijke zorg en versterking van het eigen netwerk, die slechts op één manier interpretabel is, gelijk is voor de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg en gebaseerd is op een brede maatschappelijke discussie?
Een precieze omschrijving van de begrippen «gebruikelijke zorg» en «versterking van het eigen netwerk» die op één manier interpretabel is en gelijk is voor Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg, lijkt niet haalbaar want de uitwerking is in beide wetten anders.
In de Zvw is het de verpleegkundige die bepaalt wat door het systeem gedaan kan worden. Dat kan in elke situatie anders zijn en die afweging moet de verpleegkundige die indiceert, inzichtelijk maken. Het begrip «gebruikelijke zorg» komt niet voor in de Zvw; daar heet het «de inzet van het (cliënt)netwerk». In de Zvw bestaat zorg die door netwerk geboden wordt naast zorg die door formele en informele zorgverleners geboden wordt (via zorg in natura of pgb). Het is van belang van de beroepsnorm heldere invulling hieraan geeft. Dat proces zal voor 1 mei gereed zijn, is met V&VN afgesproken. Zie mijn antwoord op vraag 8.
De Wlz kent de term gebruikelijke zorg wel. Alleen bij het bepalen van de toegang van een kind tot de Wlz wordt gebruikelijke zorg meegewogen. Zo is het bieden van 24 uur per dag zorg in de nabijheid voor kinderen tot 3 jaar gebruikelijke zorg, dus dan is er ondanks die behoefte géén toegang tot de Wlz (zie Beleidsregels indicatiestelling Wlz.)
Voor volwassen cliënten geldt bij bepalen of er toegang tot de Wlz is, dat uitdrukkelijk geen rekening wordt gehouden met het systeem waar de cliënt deel van uitmaakt of de context. Er wordt alleen gekeken naar de zorgbehoefte van de cliënt. Als een cliënt toegang heeft, dan krijg je voor de gehele zorgvraag Wlz-zorg. Het CIZ bepaalt of er toegang is tot de Wlz.
Wat is uw reactie op de voorgestelde oplossing van de Stichting Kind en Ziekenhuis dat er in het eerste kwartaal van 2020 een normen- en begrippenkader voor kinderen wordt ontwikkeld?
Ik vind dat een goede suggestie. Het is aan de beroepsgroep om hiervoor de meest geschikte vorm te vinden. De beroepsnormen worden immers opgesteld door de beroepsgroep. Met V&VN is inmiddels afgesproken dat V&VN de beroepsnorm (bestaande uit Normenkader uit 2014 en Begrippenkader uit 2019) waar nodig zal verhelderen voor de kindzorg thuis. Zie mijn antwoord op vraag 8.
Hoe reflecteert u op de factsheet die is ontwikkeld in reactie op de motie-Bergkamp/Sazias die deze onduidelijkheden had moeten oplossen?3
Zoals ik u in mijn brief van 12 november 20185 over de nieuwe bestuurlijke afspraken Zvw-pgb heb geschreven heeft VWS ter uitvoering van deze motie een aantal overleggen met veldpartijen belegd. Deze overleggen hadden tot doel een norm of standaard uit te werken die aangeeft welke zorg verwacht kan en mag worden van het netwerk rond een volwassen cliënt. Deze overleggen hebben echter niet tot een consensus geleid. Er is daarom aansluiting gezocht bij de afspraken en activiteiten m.b.t. het verbeteren van indicatiestelling uit het hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging 2019–2022. Deze afspraken zijn nog volop in uitvoering, bijvoorbeeld een onderzoek naar praktijkvariatie en uitrol van intercollegiale toetsing.
Bent u bereid in overleg te treden met Per Saldo, de samenwerkende kindzorgorganisaties, V&VN en (belangenorganisaties van) ouders om een vernieuwde versie van de factsheet te bewerkstelligen?
Ik hoop dat de beroepsnorm voor zich zal spreken en dat verduidelijking niet nodig is, omdat losse documenten mogelijk verwarring oproepen. Mocht er wel verduidelijking nodig zijn, dan zal de vorm, een factsheet of anderszins, dan bekeken moeten worden.
Deelt u de mening dat beleid voor volwassenen, zoals het «Begrippenkader Indicatieproces V&VN» niet één-op-één te gebruiken is voor casussen van kinderen met een intensieve zorgvraag, aangezien het hier om een speciale doelgroep gaat?
Een kind is geen kleine volwassene. Dat houdt onder andere in dat de zorg aan kinderen bij voorkeur wordt verleend door verpleegkundigen die gespecialiseerd zijn in de zorg voor kinderen.
Het Normenkader en het Begrippenkader zijn geen richtlijnen, maar zijn de beroepsnorm. In de beroepsnorm liggen de minimale normen vastgelegd van de verpleegkundige beroepsuitoefening ten aanzien van het indiceren en organiseren.
De beroepsnorm bevat in principe begrippen die algemeen zijn en gebruikt zouden moeten kunnen worden in de uitvoering van het beroep, ongeacht de leeftijd en/of doelgroepen. Het is aan de beroepsgroep om waar nodig de beroepsnorm te specificeren voor specifieke doelgroepen.
Welke actie gaat u ondernemen zodat het niet meer voorkomt dat dergelijke begrippenkaders voor volwassenen één-op-één ingezet worden voor het indiceren van kinderen?
Als ik signalen heb dat er onduidelijkheid in het veld ontstaat doordat de beroepsnorm voor meerdere uitleg vatbaar is, zal ik er bij de beroepsgroep V&VN op blijven aandringen om aanpassingen te doen aan die beroepsnorm. Voor de indicatiestelling zijn hierover nu afspraken gemaakt met V&VN. Uiteindelijk is het de beroepsgroep die die beroepsnorm moet vaststellen. Ik moet ervan uit kunnen gaan dat V&VN dat in goed overleg met de achterban en het veld kan doen.
Kunt u reflecteren op het «Routeplan Plan van Aanpak op weg naar integrale kindzorg voor kinderen met zorgbehoeften in 2024» van de samenwerkende kindzorgorganisaties?
Om te beginnen vind ik het erg nuttig dat de verschillende kindzorgorganisaties vanuit patiënten-, aanbieders- en beroepsgroepperspectief met elkaar samenwerken en de krachten bundelen om de kindzorg verder te helpen ontwikkelen. Er worden op vijf thema’s (regionale samenwerking, beroepsprofiel, capaciteitstekort, zorgplan en bekostiging) doelen en veel subdoelen geformuleerd. Van het thema vervolgopleiding wordt aangegeven dat het doel al behaald is. Voor de bekostiging wil ik verwijzen naar het traject doorontwikkeling bekostiging wijkverpleging van de NZa. Daarin wordt ook specifiek aandacht besteed aan kindzorg. Het voert te ver om in deze beantwoording op ieder spoor van de Routemap Plan van Aanpak in te gaan.
De snelle verbinding tussen Amsterdam en Berlijn |
|
Erik Ziengs (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitsland houdt snellere trein Amsterdam-Berlijn tegen»?1
Ja, ik ben met dit bericht bekend.
Kunt u bevestigen dat de optie van het schrappen van station Bad Bentheim inderdaad niet onderzocht is? Kunt u tevens bevestigen dat de optie van het schrappen van station Rheine niet onderzocht is? Zo ja, kunt u motiveren waarom het schrappen van deze stations niet (meer) is onderzocht?
De provincie Overijssel en een aantal Duitse regionale overheden hebben de grensoverschrijdende bereikbaarheid per spoor van het Euregiogebied onderzocht2, waarbij één van de onderzoeksonderwerpen de treinverbinding Amsterdam – Berlijn was. In dit onderzoek ging het niet om het versnellen van de verbinding Amsterdam – Berlijn, maar om het verbeteren van de spoorse bereikbaarheid van het Euregiogebied. Hierbij hoort volgens de regio het halteren op de stations Bad Bentheim en Rheine. Het Ministerie van IenW is niet betrokken geweest bij de afwegingen en opzet van dit regionale onderzoek. Het staat de regionale overheden uiteraard vrij om zelfstandig onderzoek uit te voeren naar OV verbindingen die zij interessant achten.
In de quick scan «Verbetering trein verbinding Amsterdam – Berlijn», waar ik samen met het Duitse Ministerie van Transport en Digitale Infrastructuur opdrachtgever van ben geweest, zijn alle opties met betrekking tot hoeveelheid stops en reistijd afgewogen. Er zijn verschillende routeopties in beeld gebracht met verschillend stoppatroon; zo ook varianten waarbij Bad Bentheim en/of Rheine worden overgeslagen3. Deze quick scan heb ik vorig jaar naar uw Kamer verzonden4.
Kunt u bevestigen dat dit het gevolg is van mogelijke beïnvloeding door de genoemde Duitse steden?
Nee dit kan ik niet. Zoals hierboven beschreven is mijn Ministerie niet betrokken geweest bij de opzet van dat onderzoek en de afwegingen die hierin zijn gemaakt.
Deelt u de mening dat dergelijke beïnvloeding zeer onwenselijk is?
Zoals bij antwoord 2 omschreven is mijn Ministerie niet betrokken geweest bij de opzet van dat onderzoek en de afwegingen die hierin zijn gemaakt. Daarom kan ik geen oordeel vormen of er sprake is geweest van beïnvloeding. Ik heb de Provincie Overijsel wel om informatie gevraagd naar aanleiding van de berichtgeving. Zie verder antwoord 5.
Heeft u hierover contact gezocht met de opdrachtgever voor het onderzoek, de provincie Overijssel? Zo nee, bent u voornemens dit alsnog te doen? Zo ja, bevestigen zij in dit contact dat er sprake is geweest van beïnvloeding?
Ja, ik heb na de berichtgeving contact gezocht met de provincie Overijssel. De Provincie Overijssel was penvoerder namens de regionale opdrachtgevende partijen. Zij geven aan dat de scope van het onderzoek is vastgesteld door de projectpartners waarbij de stations Bad Bentheim en Rheine in alle onderzoeksvarianten worden bediend. Zij herkennen zich niet in het beeld dat nu geschetst wordt over een mogelijke beïnvloeding van de onderzoeksresultaten.
Deelt u de mening dat een snellere verbinding Amsterdam–Berlijn van belang is om de trein daadwerkelijk een goed alternatief te laten zijn voor het vliegen tussen deze steden?
Met de huidige reistijd is de intercity Berlijn niet voor alle reizigers een voldoende aantrekkelijk duurzaam alternatief voor de korte afstandsreis. Daarom vinden mijn Duitse counterpart en ik het van belang om de reistijd tussen onze twee hoofdsteden te verkorten. Door de verbinding te versnellen werken we aan een aantrekkelijk duurzaam alternatief voor de reiziger tussen Amsterdam en Berlijn. De groeicijfers van de verbinding Amsterdam – Berlijn, 20% groei in 2019 t.o.v. 20185, sterken mijn motivatie om mij in te blijven zetten voor versnelling.
Ziet u de grote obstakels in de versnelling van het traject Amsterdam–Berlijn door het overslaan van bepaalde stations?
Ik zie het versnellen door overslaan van enkele haltes als een optimalisatiestap die mogelijk lijkt op de huidige verbinding, zoals in de quick scan is onderzocht. Belangrijke notie hierbij is wel dat de huidige IC Amsterdam – Berlijn een samenstelling is van twee nationale lijnen die slim aan elkaar zijn gekoppeld. Stations overslaan, in zowel Nederland als Duitsland, geeft uiteraard de vervolgvraag hoe deze stations dan bediend kunnen worden voor de binnenlandse vervoersvraag. Het bedieningsniveau moet op orde blijven. Het goed blijven betrekken van de regio bij het overslaan van stations is hierin een randvoorwaarde. Zie verder antwoord 9.
Bent u van plan de huidige situatie te bespreken met de Duitse Minister van Transport en digitale infrastructuur? Zo nee, waarom niet?
Over de vervolgstappen op de eerdergenoemde quick scan ben en blijf ik met mijn Duitse collega in overleg, zie verder antwoord 9.
Wat bent u van plan te doen om de snellere verbinding Amsterdam–Berlijn alsnog te realiseren?
Uit de nadere uitwerking van de quick scan Berlijntrein blijkt dat per dienstregeling 2024 een reistijdwinst van een half uur op de huidige route tussen Amsterdam en Berlijn kansrijk is. Met de regio is tijdens het BO MIRT 2019 afgesproken ons hiervoor in te zetten. Komend jaar werken we met de Duitse partners verder om tot een gezamenlijke inzet te komen voor de versnelling per dienstregeling 2024 gezien er mogelijk maatregelen nodig zijn in de dienstregeling (overslaan van haltes), nieuw materieel en/of kleine infrastructurele aanpassingen. Het streven is om deze aanpak komende maanden vorm te geven met mijn Duitse collega en vervolgens de Kamer hierover te informeren.
Verdere versnelling van de verbinding naar Berlijn op de lange termijn, waarbij grootschalige infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn, wordt in het Toekomstbeeld OV 2040 onderzocht. Komend najaar worden de resultaten van dit lange termijn onderzoek met de Kamer gedeeld.
Hierbij geldt dat alle routeopties volwaardig worden afgewogen conform de toezegging tijdens het AO internationaal spoor (6 februari 2019) en de motie van lid Amhaouch (Kamerstuk 29 984, nr. 819). Dit is zo ook gecommuniceerd in de MIRT-brief van afgelopen november6.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De betrokkenheid van de minister bij een mogelijke megaschikking met Shell voor corruptie in Nigeria |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak heeft u, of is er namens u, gesproken met het openbaar ministerie (OM) over een mogelijke schikking met Shell wegens de corruptiezaak in Nigeria?1 Op welke momenten hebben deze gesprekken plaatsgevonden en wat was op dat moment de stand van zaken in de strafzaak?
Zoals in mijn brief van 30 januari jl.2 aangegeven, is in de zaak Etosha sprake van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Zoals bij u bekend, kan ik geen inhoudelijke mededelingen doen over individuele strafzaken waarin het strafrechtelijk onderzoek loopt. Wel kan ik u meedelen dat ik – zoals te doen gebruikelijk in gevoelige strafzaken – door het Openbaar Ministerie ben geïnformeerd over de stand van zaken in het lopende onderzoek.
Uit de door mij genomen beslissing op een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur van 27 januari jl. en daarbij behorende stukken volgt dat het Openbaar Ministerie mij en mijn ambtsvoorganger(s) zowel mondeling als schriftelijk diverse malen heeft geïnformeerd over de stand van zaken in het strafrechtelijk onderzoek genaamd Etosha. Deze stukken zijn, zoals ik uw Kamer op 28 januari jl. berichtte, gepubliceerd op de website van de rijksoverheid.3
Op wiens initiatief vonden deze gesprekken plaats?
In de onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie het eerste overleg c.q. presentatie op 2 juli 2018 – waarin het Openbaar Ministerie mij heeft geïnformeerd over de stand van zaken in het onderzoek – geïnitieerd. Hierna hebben vervolgoverleggen plaatsgehad.
Uit artikel 129, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie juncto artikel 11, eerste lid, van het Reglement van Orde College van procureurs-generaal volgt dat het Openbaar Ministerie jegens mij een inlichtingenverplichting heeft. Door mij te informeren over een gevoelige strafzaak word ik in staat gesteld mijn politieke verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de gedragingen van het Openbaar Ministerie. Het verstrekken van inlichtingen kan het Openbaar Ministerie zowel op eigener beweging als op mijn verzoek doen.
Wat is daar inhoudelijk besproken? Zijn hier verslagen van?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1 en 2 heeft het Openbaar Ministerie mij geïnformeerd over de stand van zaken in het strafrechtelijk onderzoek, dat nog lopende is. Reeds hierom kan ik geen inhoudelijke mededelingen doen over deze zaak en hetgeen daarover is besproken. Ten aanzien van de in deze zaak geïnventariseerde documenten verwijs ik naar het gepubliceerde besluit van 27 januari jl. en de daarbij behorende stukken.
Waarom schreef u eerder aan advocaten en de actiegroepen dat het gezien de scheiding der machten niet gepast is dat u in dit stadium enige bemoeienis hebt of zienswijze geeft op de zaak, terwijl nu blijkt dat u herhaaldelijk overleg heeft gevoerd met het OM over deze zaak?
Zoals volgt uit het antwoord op de vragen 1 en 2 word ik door het Openbaar Ministerie geïnformeerd over gevoelige zaken. Daardoor word ik als Minister van Justitie en Veiligheid in staat gesteld mijn politieke verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor het handelen van het Openbaar Ministerie.
Is het gebruikelijk om nog voordat een grote schikking (hoge of bijzondere transactie) is getroffen hierover overleg te voeren met het OM? In welke zaken heeft u dit nog meer gedaan?
Zoals volgt uit het antwoord op de vragen 1 en 2 is het gebruikelijk dat het Openbaar Ministerie mij informeert over gevoelige zaken. Dat is niet enkel aan de orde in de zaak waarop deze vragen zien, maar ook in andere zaken, waarin een bijzondere (al dan niet potentiële) maatschappelijke, publicitaire of politieke belangstelling voor het optreden van het Openbaar ministerie kan zijn. Door mij te informeren over dergelijke zaken word ik als Minister van Justitie en Veiligheid in staat gesteld mijn politieke verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor het handelen van het Openbaar Ministerie.
Waarom kan een multinational als Shell, dat het predicaat «Koninklijk» draagt, op deze behandeling rekenen dat u over deze specifieke lopende zaak overleg heeft met het OM? Kunnen anderen op een gelijke behandeling rekenen? Zo niet, dan lijkt er toch sprake van klassenjustitie?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 5 merk ik op dat de onderhavige zaak door het Openbaar Ministerie als gevoelig is aangemerkt en om die reden heeft het Openbaar Ministerie mij over de zaak geïnformeerd.
Deelt u de mening dat u zich, als Minister van Justitie en Veiligheid, vanwege de scheiding der machten, ver moet houden van lopende strafzaken? Zo ja, waarom heeft u dat dan niet gedaan?
Als Minister van Justitie en Veiligheid dien ik terughoudendheid te betrachten bij individuele (straf)zaken, omdat beslissingen dienaangaande door de wetgever op grond van rechtsstatelijke overwegingen aan de officier van justitie zijn toegekend. Tegelijkertijd draag ik volledige ministeriële verantwoordelijkheid voor het optreden van het Openbaar Ministerie. In dat verband dien ik door het Openbaar Ministerie geïnformeerd te worden over zaken die gevoelig (kunnen) zijn en waarover ik verantwoording zou kunnen of moeten afleggen. Onder verwijzing naar het antwoord op de vragen 2, 5 en 6 merk ik op dat de onderhavige zaak door het Openbaar Ministerie als gevoelig is aangemerkt en ik om die reden over de zaak ben geïnformeerd.
Het stoppen met zoutwinning in de Waddenzee |
|
Henk Nijboer (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zoutwinning Werelderfgoed Waddenzee moet meteen stoppen»1 en kent u het rapport «Zoutwinning Waddenzee»?2
Ja, ik ben bekend met zowel het bericht als met het advies van de Auditcommissie.
Is het waar dat de genoemde MER-commissie van mening is dat uit de nulmeting blijkt dat de bruikbaarheid van een deel van de metingen nog onvoldoende is om alle effecten van mijnbouw op de natuur in en onder de Waddenzee goed te kunnen monitoren? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Ja, dat is waar. Ik stuur uw Kamer separaat een brief over het advies van de Auditcommissie over de nulmeting.
Deelt u de mening dat er geen enkel risico mag worden genomen dat het Werelderfgoed Waddenzee schade kan ondervinden vanwege zoutwinningsactiviteiten? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat daarom zoutwinning ongewenst is en dat alle voorbereidende activiteiten daartoe onmiddellijk gestopt moeten worden? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Nee, ik deel die mening niet. De Waddenzee is door Unesco aangewezen als werelderfgoed en is tevens een Natura 2000-gebied. Voor economische activiteiten inclusief zoutwinning in dit gebied is het leidend principe dat er geen schade aan de natuur mag optreden.
De kaders hiervoor zijn vastgelegd in de Mijnbouwwet, de Wet natuurbescherming en de Structuurvisie Waddenzee. Voor de zoutwinning is onder meer geregeld dat «hand aan de kraan» wordt toegepast en dat er monitoring plaatsvindt welke jaarlijks door de Auditcommissie zoutwinning Waddenzee wordt beoordeeld.
Voor de zoutwinning is een monitoringsplan opgesteld inclusief nulmetingen. Het doel van deze nulmetingen is om te toetsen of de monitoring op een volledige en juiste manier uitgevoerd kan worden en daarmee bruikbaar is om een goede invulling te geven aan het «hand aan de kraan»-principe. In dit stadium kan er nog van tekortkomingen in de monitoring worden geleerd, omdat er nog geen zout wordt gewonnen en er daardoor nog geen morfologische effecten kunnen optreden.
De Auditcommissie stelt dat er nog voldoende tijd is om voorafgaand aan de winning verder proef te draaien met het gehele monitoringsprogramma en om de benodigde verbeteringen daarin te verwerken.
Eind februari 2020 heb ik van Frisia een herziene versie van de nulmeting 2018 ontvangen, waarin de adviezen van de auditcommissie zijn verwerkt. Ik zal deze herziene versie ter advies voorleggen aan de auditcommissie.
Ik zie nu geen aanleiding voor verdere maatregelen. Het staat Frisia vrij om op eigen risico voorbereidende activiteiten (zoals boren) uit te voeren, indien de vergunningen daarvoor op orde zijn. Voor de winning geldt dat deze pas kan plaatsvinden als het monitoringsplan inclusief nulmeting op orde is. Ik zal daar samen met mijn collega van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op toezien.
Kunnen bovenstaande vragen worden beantwoord voor het algemeen overleg Mijnbouw/Groningen van 6 februari 2020?
Dit is helaas niet gelukt vanwege de benodigde interdepartementale afstemming.
Het bericht ‘Tientallen camera’s houden klanten van filiaal Jumbo in de gaten: “Willen we dit”?’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat u geen informatie over de wettelijke kaders omtrent gezichtsherkenning wilt verstrekken aan bedrijven, terwijl de rijksoverheid wel informatie over tal van andere wettelijke kaders verstrekt?1
Op grond van artikel 57 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) als taak om voorlichting te geven over het wettelijke kader inzake gegevensbescherming. Dat geldt ook voor gegevensverwerking op het vlak van gezichtsherkenning. Zo heeft zij in dat verband een Normenkader digitale billboards opgesteld, waarin onder meer aandacht wordt besteed aan billboards met gezichtsherkenning. In dit licht bezien zie ik voor mij geen taak om eveneens informatie over de wettelijke kaders voor gezichtsherkenning te geven.
Wordt deze casus onderzocht door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)? Wanneer wordt hierover een uitspraak verwacht? Heeft de AP voldoende middelen om te kunnen handhaven tegen dergelijke initiatieven die evident in strijd zijn met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Wat gebeurt er in de tussentijd met de camera’s en de data die zij verzamelen?
De AP heeft mij laten weten dat deze casus aanleiding gaf om contact op te nemen met de Jumbo. Mocht er daadwerkelijk sprake zijn van een overtreding, dan kan de AP overgaan tot handhaving. Afhankelijk van de ernst van de overtreding wordt beoordeeld welk handhavingsmiddel kan worden ingezet. De AP heeft diverse handhavingsmogelijkheden, bijvoorbeeld een waarschuwingsbrief, een last onder dwangsom of een boete. Daarnaast heeft de Jumbo aangegeven deze camera’s uit te zetten, totdat er meer duidelijkheid komt over de privacywetgeving met betrekking tot het gebruik van deze camera’s. Om die duidelijkheid te verkrijgen, heeft Jumbo advies gevraagd aan de AP.2 Over de inhoud van deze casus en op welke termijn de AP hierover een oordeel geeft, kan zij geen uitspraken doen.
Welke stappen kunnen mensen die geraakt worden door dergelijke onwettige gezichtsherkenningssystemen nemen? Kunnen zij een schadevergoeding eisen?
Wanneer een betrokkene wordt geraakt door een onwettig gezichtsherkenningssysteem, kan betrokkene daarover op grond van artikel 77 AVG een klacht indienen bij de AP.
Mocht betrokkene ten gevolge van een inbreuk op een van de bepalingen uit de AVG materiële of immateriële schade hebben geleden, kan betrokkene op grond van artikel 82 AVG het recht op schadevergoeding uitoefenen. De vordering tot schadevergoeding dient bij de civiele rechter aanhangig gemaakt te worden.
Zijn er andere voorbeelden in Nederland waar camera’s zonder toestemming real-timebeelden registreren in de openbare ruimte?
Winkels, zoals het Jumbo filiaal, zijn geen openbare ruimtes. In een winkel mag bijvoorbeeld, onder voorwaarden en zonder toestemming van klanten, cameratoezicht plaatsvinden tegen diefstal. In de openbare ruimte, bijvoorbeeld een openbare weg gelegen aan de buitenkant van de winkel, gelden andere regels. Voor vaste, particuliere camera’s geldt dat zij in beginsel niet gericht mogen zijn op de openbare ruimte. In uitzonderlijke gevallen is het soms onvermijdelijk dat een deel van de openbare ruimte wordt gefilmd, bijvoorbeeld wanneer een beveiligingscamera hoofdzakelijk op het eigen terrein is gericht en daarbij een deel van de openbare ruimte onvermijdelijk zichtbaar is. Zie ook het antwoord op vraag 5. Mij zijn geen gevallen bekend van situaties waarin gericht, zonder toestemming en onrechtmatig real-time beelden worden geregistreerd in de openbare ruimte.
Ziet u risico’s op het gebied van privacy en gezichtsherkenning met betrekking tot initiatieven van gemeenten om slimme deurbellen te stimuleren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om deze risico’s te mitigeren?
In beginsel moeten, ook bij deurbellen, de camera’s niet gericht zijn op de openbare weg, maar op het eigen, private terrein. Op basis van de AVG kan het permanent filmen van de openbare ruimte onder bepaalde omstandigheden rechtmatig zijn, bijvoorbeeld bij bepaalde gevallen van serieuze veiligheidsproblematiek. De verantwoordelijkheid voor initiatieven met betrekking tot de slimme digitale deurbel ligt bij de gemeenten. Gemeenten dienen zichzelf op de hoogte te stellen van eventuele risico’s op het gebied van privacy en, indien noodzakelijk, stappen te zetten om deze risico’s te voorkomen. Daarbij dienen de gemeenten en de gebruikers zich te houden aan de AVG. De handhaving van de AVG valt onder de verantwoordelijkheid van de AP.
Bent u bekend met het bericht «The Secretive Company That Might End Privacy as We Know It»?2
Ja.
Mag een bedrijf foto’s van Nederlanders van het internet «scrapen» en gebruiken in een gezichtsherkenningstoepassing?
Bij gezichtsherkenning is sprake van het verwerken van biometrische gegevens. Een bedrijf dat zich in de rechtssfeer van de Europese Unie bevindt, zal zich moeten houden aan de AVG die beperkingen oplegt als het gaat om een dergelijke verwerking van biometrische gegevens.
Ik acht het daarom aannemelijk dat het scrapen en gebruiken van foto’s voor gezichtsherkenning voor commerciële doeleinden niet past binnen de AVG. Het oordeel daarover is echter niet aan mij, maar aan de AP en in laatste instantie aan de rechter.
Veel foto’s op het internet zijn voor een ieder toegankelijk, ook vanuit landen die geen lid zijn van de EU. In die landen gelden andere regels, en het hangt dus onder meer van de vestigingsplaats van het bedrijf af wat wel en niet is toegestaan. Daarnaast is van belang dat platforms waar de foto’s zijn verzameld, eigen gebruikersvoorwaarden hanteren. In die gebruikersvoorwaarden kan zijn geregeld dat het op bepaalde wijze verzamelen van beeldmateriaal, niet toegestaan is. Zo is recent gebleken dat enkele platforms, zoals YouTube, van Clearview (het bedrijf waar het in vraag 6 genoemde artikel over gaat) eisen dat zij stoppen met het kopiëren van beelden, omdat dat strijdig zou zijn met de gebruikersvoorwaarden.
Acht u het aannemelijk dat het bedrijf Clearview ook foto’s van Nederlanders heeft opgeslagen? Zo ja, welke stappen worden er genomen door de overheid, de Europese Unie of door toezichthouders om ervoor te zorgen dat die foto’s gedeletet worden? Welke stappen kunnen mensen zelf nemen om ervoor te zorgen dat die foto’s gedeletet worden?
Gelet op het aantal foto’s dat, volgens het artikel, door Clearview is verzameld, alsmede het internationale en open karakter van het internet, acht ik het inderdaad aannemelijk dat er ook foto’s van Nederlanders zijn opgeslagen. Hoeveel dat er zijn, en van wie zij zijn, is niet te zeggen. Clearview is actief in de Verenigde Staten, het is primair aan de autoriteiten in dat land om te bezien of er in strijd met de wet is gehandeld. Inmiddels zien we dat de Amerikaanse politiek op het niveau van de Senaat hier aandacht voor heeft.
Als iemand vermoedt dat zijn of haar foto door Clearview wordt gebruikt en zich daartegen wil verzetten, zal men zich tot dat bedrijf of de betrokken toezichthouder in de Verenigde Staten moeten wenden.
Werken er Nederlandse opsporings- of inlichtingendiensten samen met Clearview? Bent u het eens dat dit in strijd zou zijn met de AVG?
Over de werkwijze van inlichtingendiensten wordt in het openbaar geen mededelingen gedaan.
Voor zover ik heb kunnen nagaan werken er geen Nederlandse opsporingsdiensten samen met Clearview. Het gebruik van gegevens voor opsporingsdoeleinden valt niet onder de AVG, maar onder de richtlijn 2016/680 inzake de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen, vervolgen en berechten van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid. Ik bereid, als uitvloeisel van een motie van de leden Verhoeven en Van Dam4, een brief voor over het juridisch kader dat van toepassing is op gezichtsherkenning. Daarin zal ook op deze richtlijn worden ingegaan.
Het bericht ‘Friesland op achterste benen om laagvliegroute F-35’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Friesland op achterste benen om laagvliegroute F-35»?1
Ja.
Begrijpt u dat en waarom Gedeputeerde en provinciale staten van Friesland zich overvallen voelen door het blijkbaar bij Defensie levende voornemen om de al achttien jaar een slapend bestaan leidende laagvliegroute boven oostelijk Friesland te reactiveren?
In 2008 is door mijn voorganger aan uw Kamer toegezegd dat voor alle militaire vliegactiviteiten, waaronder de laagvliegroutes een vergunning zal worden aangevraagd. Tijdens de eerste fase in 2012 zijn de helikopterlaagvlieggebieden inclusief de daarbinnen gelegen helikopterlandingsplaatsen in en nabij Natura 2000-gebieden vergund. In de tweede fase wordt voor de resterende activiteiten onderzocht wat de effecten zijn op de Natura 2000-gebieden. Hiervoor heeft in 2018 voor een elftal activiteiten een voortoets plaatsgevonden. Voor zeven van deze activiteiten is nader onderzoek nodig, waaronder voor de laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen. Voor deze activiteiten wordt op dit moment een ecologische effectenanalyse opgesteld, voordat kan worden overgegaan tot een vergunningaanvraag. Ik heb u hierover eerder geïnformeerd op 31 oktober 2019 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 578). De Koninklijke Luchtmacht brengt dit moment haar laagvliegbehoefte in kaart. Hierbij wordt nadrukkelijk ook naar alternatieve trainingslocaties in het buitenland gekeken. Zoals door mij verwoord in het Algemeen Overleg op 4 februari jl. was de beantwoording in de Nota van Antwoord op vragen over de «Notitie Reikwijdte en Detailniveau Luchtruimherziening» dan ook te prematuur en ongelukkig gesteld. Mocht er, gebaseerd op de behoefte van de Koninklijke Luchtmacht, redenen zijn om weer gebruik te willen maken van de Linkroute-10A dan gelden nog steeds de bezwaren waarom de route in 2002 is opgeschort. Dit betreft het veiligheidsrisico bij vliegterrein Drachten en geluidsoverlast. Omdat deze situatie sinds het opschorten van de route niet is gewijzigd, acht ik de kans zeer klein dat deze weer in gebruik wordt genomen. Tijdens het VAO op 18 februari heb ik uw kamer toegezegd om voor 1 juni 2020 duidelijkheid te bieden over de toekomst van de Linkroute-10A. Uiteraard zullen eerst alle betrokken provincies en belanghebbenden worden geïnformeerd.
Hoe kan het dat, ondanks afspraken in de Tweede Kamer daarover, hier opnieuw (net zoals dat bijvoorbeeld recent in Herwijnen rondom de radartoren en in Zeeland met betrekking tot de marinierskazerne is gebeurd) niet fatsoenlijk met de regio wordt overlegd over een bestaand voornemen? Vindt u dat Defensie zich in dit geval als een «goede buur» heeft gedragen, aangezien dit hetgeen is waartoe Defensie zich onder meer naar aanleiding van in de Kamer ingediende moties (zoals ten aanzien van vliegbasis Gilze-Rijen) heeft verplicht?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u alsnog bereid tot een open overleg met de provincie en eventuele andere belanghebbenden zonder dat de uitkomst daarvan op voorhand vaststaat?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze en op welk moment bent u van plan de Kamer bij de besluitvorming in dezen te betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wil Defensie de bedoelde route weer in gebruik nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u eventuele alternatieven onderzocht?
Defensie is voortdurend op zoek naar mogelijkheden om te voorzien in de laagvliegbehoefte zowel in Nederland als in het buitenland. Dit laatste om zodoende de overlast in Nederland te beperken. Op dit moment wordt het grootste deel van de laagvliegtraining voor jachtvliegers uitgevoerd in de Verenigde Staten aangevuld met gebruik van Linkroute-10. Het gebruik van buitenlandse laagvlieggebieden is echter afhankelijk van toestemming van het betrokken land. Alle mogelijke alternatieven worden meegewogen in de beslissing of Linkroute-10A opnieuw in gebruik wordt genomen.
Hoe vaak wil Defensie de bedoelde route gebruiken en wat zijn de gevolgen daarvan qua (geluids-)overlast? Is berekend hoeveel (extra) stikstofdepositie het in gebruik nemen van de bedoelde route met zich meebrengt?
Defensie inventariseert momenteel de totale laagvliegbehoefte in Nederland. Bij de afweging over de toekomst van Linkroute-10A worden de uitkomsten van het onderzoek naar de effecten op Natura 2000-gebieden, alsmede de gevolgen van (geluids)overlast meegewogen.
Bent u zich bewust van het feit dat bedoelde route over Natura 2000- en stiltegebieden alsook over de (nieuwe) luchthavens Kollumerzwaag en Nieuwehorne loopt? Bent u zich bewust van de bij ingebruikname van bedoelde route potentieel gevaarlijke situatie, gelet op de ligging van luchthaven Drachten?
Ja, en hier zal ook rekening mee worden gehouden. In de afweging over de toekomst van Linkroute-10A, worden de effecten op Natura 2000-gebieden en potentieel gevaarlijke situaties door de aanwezigheid van luchtvaartterreinen langs de gehele lengte van de route meegewogen waaronder luchtvaartterreinen Drachten, Kollumerzwaag en Nieuwehorne.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg van 4 februari 2020?
Dat is mij niet gelukt.
De wijziging van salmonellabestrijding bij pluimvee |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dieren van pluimveehouders onnodig vervroegd worden geslacht nadat deze in eerste instantie positief zijn getest, maar waar bij second opinion blijkt dat er geen sprake is van salmonellabesmetting?
Ja. Echter, op dit moment is nog een twistpunt met de Europese Commissie met welke zekerheid gesteld mag worden dat er geen sprake is van salmonellabesmetting na een negatieve hertest.
In hoeverre is het vervroegd slachten van dieren, al voordat met zekerheid is te zeggen dat er sprake is van salmonellabesmetting, proportioneel te noemen?
Nederland heeft tot nu toe verdedigd dat onze aanpak effectief is, de voedselveiligheid waarborgt en voorkomt dat gezonde dieren onnodig vroegtijdig gedood worden en daarmee dat onze aanpak proportioneel is. De EU-regelgeving laat echter geen ruimte voor de routinematige hertest die Nederland bij elke eerste positieve testuitslag op salmonella bij vermeerderingsdieren uitvoert. De EU-regelgeving schrijft voor dat vermeerderingsdieren bij een geconstateerde besmetting meteen uit productie genomen moeten worden. Dat is zo overeengekomen bij de totstandkoming van de uitvoeringsverordening voor vermeerderingsdieren in 2010. Er was toen niet voldoende vertrouwen dat het hertesten goed in staat is om een salmonellabesmetting in een koppel altijd accuraat aan te tonen. Dat is een risico voor de voedselveiligheid.
Het is nu aan Nederland om de Europese Commissie en andere lidstaten te overtuigen, vooral door te laten zien dat het met hertesten wel goed mogelijk is om besmette koppels te herkennen en dat het huidige strenge EU-voorschrift niet nodig is. Dat biedt de mogelijkheid om de Europese regelgeving ter discussie te stellen, die nu geen ruimte laat voor een routinematige hertest bij alle eerste positieve testuitslagen.
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft eind 2019 aan Wageningen University and Research (WUR) gevraagd om de verschillende bestrijdingsaanpakken te vergelijken en een wetenschappelijk onderbouwde evaluatie te maken van de mate waarin het hertesten een salmonellabesmetting in een koppel, accuraat kan aantonen. Ik heb gevraagd om de eerste resultaten uiterlijk april te mogen ontvangen.
Op welke wijze heeft u zich ingezet om binnen de Europese regelgeving op dit vlak ruimte te behouden voor de Nederlandse werkwijze en te voorkomen dat dit besluit genomen moest worden?
Nederland heeft meermalen aan de Europese Commissie uitgelegd dat onze aanpak tot doel heeft om zowel de voedselveiligheid te waarborgen als ook te voorkomen dat gezonde dieren onnodig geslacht moeten worden en dat Nederland daarmee volledig handelt in de geest van de Europese regelgeving. Er was verder geen speelruimte omdat de hertest, die NL standaard in alle gevallen toepast, op grond van Europese regelgeving slechts in «uitzonderingsgevallen waarin de bevoegde autoriteit reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van het resultaat» mag worden toegepast.
Kunt u van de afgelopen jaren per jaar aangeven bij hoeveel bedrijven en stallen in de eerste controlemonsters besmet bleken te zijn met salmonella? In hoeveel van deze gevallen is bij second-opinion door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gebleken dat er toch geen sprake was salmonella?
In 2016 waren er 24 stallen verdacht op 8 bedrijven. Bij het onderzoek door de NVWA is in 15 stallen op 7 bedrijven geen besmetting met salmonella aangetoond. In 2017 waren er 2 stallen op 2 bedrijven verdacht. In beide gevallen heeft de NVWA geen salmonella kunnen aantonen. In 2018 waren er 5 stallen op 5 bedrijven verdacht. In geen van deze stallen is salmonella aangetroffen door de NVWA. In 2019 waren er 16 stallen verdacht op 8 bedrijven. In 7 stallen op 4 bedrijven is geen salmonella aangetoond door de NVWA.
Hoe groot is de kans dat de eerste testuitslag onjuist is?
Deze vraag is onderdeel van het aan WUR gevraagde vergelijkend onderzoek en ik hoop dat het hierover uitsluitsel zal geven. Tot dusverre is niet precies bekend hoe groot de kans is op een onjuiste eerste testuitslag. De cijfers in antwoord nr. 4 en ook de voortgaande monitoring van bedrijven die een (negatieve) hertest ondergingen, lijken erop te wijzen dat dat percentage aanzienlijk is. Echter, daarbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de tweede testuitslag misschien onjuist is.
In essentie is het de vraag in hoeverre salmonella in het eerste monster betekent dat de stal waaruit dat monster afkomstig is, daadwerkelijk besmet is. Het kan namelijk voorkomen dat het monster wèl besmet is maar de stal niet. Die situatie kan zijn ontstaan doordat bijvoorbeeld een mengmonster van verschillende stallen is onderzocht, nabesmetting, «onzorgvuldige» monstername, etc. De hertest beoogt daarover uitsluitsel te geven.
Bedrijven die in tweede instantie negatief blijken worden nadien gevolgd om zekerheid te bieden dat dat koppel niet onverhoopt toch nog besmet blijkt (dus vals negatief).
Kan er gezien deze kans op een onjuiste eerste uitslag gesproken worden van gerede twijfel bij de uitslag van de eerste tests? Hoe kan deze foutmarge worden verklaard?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden zijn er om de foutmarge van de eerste testuitslag substantieel te verkleinen en daarmee het onnodig vervroegd slachten te voorkomen?
Het vergelijkend onderzoek door WUR moet daarvoor aanknopingspunten bieden.
Worden er later in de pluimveevleesketen ook nog testen gedaan op salmonellabesmetting en als daar dan sprake van blijkt, welke stappen worden dan genomen?
Ja, de Europese regelgeving schrijft gedetailleerd voor wanneer welke testen gedaan moeten worden in de gehele pluimveevleesketen in de slachtfase en welke gevolgen verbonden moeten worden aan gevonden besmettingen.
Is er voor pluimveehouders sprake van gederfde inkomsten als zij hun dieren vervroegd moeten slachten? Zo ja, hoe hoog zijn de gederfde inkomsten en hoe verhouden deze zich tot de bestrijdingskosten en de Europese cofinanciering aan het Nederlandse salmonellaprogramma?
Er is inderdaad sprake van inkomstenderving voor pluimveehouders indien zij de dieren vervroegd moeten slachten. Hoe hoog die is, is moeilijk te zeggen omdat dit mede afhankelijk is van het moment in de productiecyclus waarop de besmetting wordt geconstateerd. In mijn brief van 27 januari jl. vermelde ik de verwachte Europese cofinanciering. Inmiddels heeft de Europese Commissie een bedrag van € 2.255.000 toegekend waarvan € 208.000 voor de bestrijdingskosten. Nederland zal komend najaar voor die laatste kosten aanvullend budget kunnen aanvragen omdat die kosten naar verwachting hoger zullen zijn dan bij de aanvraag in 2019 begroot.
Ik wil er overigens op wijzen dat in een Europese context ook de kosten die verbonden zijn aan voedselveiligheid en volksgezondheid aandacht krijgen, met name in de lidstaten die er niet bij voorbaat van uitgaan dat het standaard hertesten zoals Nederland deed de voedselveiligheid afdoende waarborgt.
Op dit moment is het ‘t meest belangrijk dat Nederland zich zoals de Europese Commissie eist, houdt aan de Europese regelgeving en zo laat zien dat het een betrouwbare handelspartner is. Dat biedt Nederland de kans om de Europese Commissie en ander lidstaten ervan te overtuigen dat een andere bestrijdingsvoorschift wenselijk is.
Wat bent u voornemens te gaan doen om de Nederlandse werkwijze, met second opinion door de NVWA alvorens dieren worden geslacht, alsnog weer mogelijk te maken?
Voor het antwoord op deze vragen wil ik u verwijzen naar mijn antwoorden op vraag 2 en 5/6.
Indien dit niet mogelijk is, welke andere aanpakken zijn er mogelijk die vergelijkbare waarborgen biedt voor de voedselveiligheid en tegelijkertijd de kans dat dieren onnodig voortijdig afgevoerd moeten worden zo klein mogelijk maakt?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven hoe andere lidstaten omgaan met de EU-voorschriften voor salmonellabestrijding?
Ik ga ervan uit dat ook de andere lidstaten zich houden aan de Europese voorschriften.
Geldt in andere lidstaten een doormeldplicht in het geval van positieve monsters?
De veehouder moet de positieve uitslag op het formulier voor VoedselKeteninformatie formulier vermelden dat meegaat naar de slachterij. Wanneer pluimvee dat in een andere lidstaat is grootgebracht, in Nederland wordt geslacht geldt dat alleen voor de belangrijkste typen salmonella, namelijk salmonella enteritidis (Se) en salmonella typhimurium (St).
In de fase na de slachterij geldt een «doormeldplicht» bij overschrijding van de norm voor Se en St voor vers pluimveevlees, en voor alle salmonellatypen voor al het andere pluimveevlees. Daarbij wordt ook verwezen naar de informatieplicht en recall verplichting op grond van artikel 19 van de General Food Law. Deze verplichtingen gelden voor alle lidstaten. Voor zover bekend houden alle lidstaten die zich daar ook aan.
Het bericht ‘Hof: deelnemer houdt recht op onvoorwaardelijke indexatie’ |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hof: deelnemer houdt recht op onvoorwaardelijke indexatie»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Het is een interessant artikel, waarin een specifieke uitspraak van het Hof nader wordt toegelicht.
Wat is in uw ogen de reikwijdte van het arrest van het hof ten aanzien van het recht op onvoorwaardelijke indexatie? Deelt u de analyse dat het hof hier onderscheid maakt tussen pensioen dat bij een verzekeraar is opgebouwd en pensioen dat in een fonds is opgebouwd?
Op grond van de Pensioenwet is een onvoorwaardelijke indexatie onderdeel van de pensioenaanspraak. Dit in tegenstelling tot een voorwaardelijke indexatie. Dit blijkt uit de definitie van een pensioenaanspraak in artikel 1 Pensioenwet. Artikel 20 Pensioenwet bepaalt dat door de wijziging van een pensioenovereenkomst de tot het tijdstip van de wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gewijzigd, behalve in geval van collectieve waardeoverdracht of korting op grond van artikel 134 Pensioenwet.
Het Hof heeft geoordeeld dat in dit geval de wijziging in strijd is met artikel 20 Pensioenwet en dat een onvoorwaardelijk recht op indexatie over de tot het tijdstip van wijziging opgebouwde aanspraken niet zonder instemming van de werknemer kan worden gewijzigd in een voorwaardelijk recht op indexatie. De uitleg van het Hof is daarmee in lijn met de Pensioenwet.
Ik deel de analyse niet dat het Hof hier in het algemeen een onderscheid maakt tussen pensioen dat is opgebouwd bij een verzekeraar of bij een pensioenfonds. Wel oordeelt het Hof dat in deze specifieke zaak de verzekeraar het recht op onvoorwaardelijke indexatie in strijd met artikel 20 Pensioenwet heeft gewijzigd (zonder instemming van de deelnemer). Het pensioenfonds heeft volgens het Hof niet in strijd met de wet of contractuele verplichtingen gehandeld.
In hoeveel cao’s staan afspraken over onvoorwaardelijke indexatie van pensioenen?
Het is mij niet bekend in hoeveel cao’s afspraken staan over onvoorwaardelijke indexatie van pensioenen.
In hoeverre voorziet u als gevolg van deze uitspraak gevolgen voor de uitwerking van het nieuwe pensioencontract?
Mijn inschatting is dat de uitspraak van het Hof in deze zaak geen nieuwe gevolgen aan het licht brengt voor het invaren van bestaande pensioenaanspraken en -rechten naar het nieuwe pensioencontract. Het is echter voorstelbaar dat de zaak nog aan de Hoge Raad wordt voorgelegd, hetgeen nog tot andere inzichten kan leiden.
In hoeverre deelt u de opvatting van hoogleraar Van Meerten dat het schrappen van het verbod op wijziging van aanspraken volgens artikel 20 van de Pensioenwet onvoldoende zal zijn om verplicht collectief invaren mogelijk te maken, nu het hof aangeeft dat onvoorwaardelijke rechten niet kunnen worden aangetast?
Een van de onderwerpen in de uitwerking van het pensioenakkoord is het faciliteren van collectief invaren. Over de manier waarop dit wordt vormgegeven, wordt u nader geïnformeerd in de hoofdlijnennotitie die voor de zomer naar Uw Kamer wordt gezonden.
Bent u voornemens om maatregelen te treffen die collectief invaren mogelijk maken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre zouden ernstige financiële gevolgen, zoals een forse daling van de dekkingsgraad van het pensioenfonds of pensioenkorting voor alle betrokkenen, een grond kunnen zijn om van onvoorwaardelijke toezeggingen af te wijken? Welke grond in de (Pensioen)wet bestaat daarvoor?
Wijziging van de pensioenovereenkomst is een oplossing die op langere termijn ervoor kan zorgen dat de financiële situatie van een pensioenfonds verbetert. Of en hoe de financiële situatie verandert, is afhankelijk van de inhoud van de pensioenovereenkomst. In de Pensioenwet is in artikel 19 bepaald dat een werkgever de pensioenovereenkomst alleen kan wijzigen zonder instemming van de werknemer, indien deze wijzigingsbevoegdheid in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
In artikel 19 Pensioenwet gaat het om wijzigen van pensioenaanspraken naar de toekomst toe, artikel 20 Pensioenwet betreft de bescherming van wijzigen van pensioenaanspraken uit het verleden. Artikel 134 van de Pensioenwet geeft een pensioenfonds bijvoorbeeld in een uiterst geval de mogelijkheid om de verworven aanspraken en pensioenrechten te verminderen. Alle overige sturingsmaatregelen uit het herstelplan moeten dan al (tevergeefs) zijn ingezet. De Pensioenwet biedt een grond om pensioenaanspraken op basis van de artikelen 19 en 20 te wijzigen, maar daarbij moeten wel de juiste procedures en voorwaarden gevolgd worden. Als dat niet zo is, kan een wijziging in strijd zijn met de wet.
In hoeverre bieden de bestaande bepalingen in de Pensioenwet, zoals die over collectieve waardeoverdracht bij een gewijzigde pensioenovereenkomst (art. 83 Pensioenwet), voldoende aanknopingspunten voor de transitie naar een nieuw pensioenstelsel?
In de uitwerking van het pensioenakkoord is de bescherming van de bestaande pensioenaanspraken en -rechten een aandachtspunt. U wordt hierover nader geïnformeerd in de hoofdlijnennotitie die voor de zomer naar de Uw Kamer wordt toegestuurd.
Hoe worden de rechten van bestaande deelnemers (zowel werkenden als de huidige gepensioneerden) bij de overgang naar het nieuwe stelsel beschermd? Deelt u de mening dat fondsen zeer zorgvuldig moeten omgaan met het opgebouwde pensioen van mensen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over Pensioenonderwerpen op 19 februari 2020?
Beantwoording voor het algemeen overleg Pensioenonderwerpen van 19 februari 2020 is helaas niet gelukt.
De schadelijke effecten van SHDI-pesticiden op planten, dieren en mensen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Evolutionarily conserved susceptibility of the mitochondrial respiratory chain to SDHI pesticides and its consequence on the impact of SDHIs on human cultured cells»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit onderzoek aantoont dat Succinate Dehydrogenase Inhibitors (SDHI’s) niet alleen schade toebrengen aan doelsoorten (schimmels) maar ook aan regenwormen, bijen en zelfs mensen, doordat deze inhibitors een onderdeel van de cellulaire ademhaling (de Krebscyclus) verstoren?
Ik heb het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), als Nederlandse toelatingsautoriteit, gevraagd om de studie van Bénit (2019) te beoordelen. Het Ctgb geeft aan dat het betreffende onderzoek een in vitro studie betreft met uit dode schimmels, bijen en regenwormen geïsoleerde mitochondriën en met menselijke cellen. Daarin worden bij directe blootstelling aan bepaalde concentraties van SDHI-stoffen effecten op de mitochondriën gevonden. Aangezien de mitochondriale ademhalingsketen voorkomt in veel verschillende organismen, is dit niet onverwacht.
De resultaten van deze in vitro studie kunnen echter niet direct vertaald worden naar effecten op mens of dier. Daarvoor is verder onderzoek nodig. De studie toont volgens het Ctgb niet aan dat de aangetroffen effecten ook daadwerkelijk optreden als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op basis van SDHI-stoffen. Dit is afhankelijk van de blootstelling in de praktijk en het gedrag van een stof in een mens of dier. Een mens kan een veel hogere blootstelling hebben dan een schimmel, honingbij of regenworm voordat schadelijke effecten optreden, vanwege de verschillen in volume en gewicht. Daarnaast is het zo dat de toegelaten SDHI-stoffen over het algemeen een snelle afbraak en uitscheiding uit het lichaam laten zien waardoor lage systemische concentraties te verwachten zijn. In proefdierstudies zijn verder geen onacceptabele negatieve effecten van SDHI-stoffen aangetroffen.
De Franse toelatingsautoriteit Anses geeft in een rapport van januari 2019 aan dat er geen gevallen bekend zijn van schadelijke effecten bij de mens als gevolg van toepassing van SDHI-gewasbeschermingsmiddelen. Verder ziet Anses geen reden voor onmiddellijke terugtrekking van alle SDHI-stoffen. Anses raadt wel aan om betere detectiemethoden te ontwikkelen voor het optreden van negatieve effecten van SDHI-stoffen op mitochondriën (mitotoxiciteit), omdat de huidige proefdierstudies niet altijd de mogelijke effecten voldoende kunnen aantonen. Anses is op dit moment nog bezig met een vervolgonderzoek waarvan de eerste resultaten in de eerste helft van 2020 gepubliceerd zullen worden. Het Ctgb sluit zich aan bij de bevindingen uit het Anses-rapport en wacht de resultaten van het vervolgonderzoek af.
Welke SDHI’s zijn toegestaan in de EU? Kunt u een overzicht geven, per stof, wanneer deze voor het laatst door de European Food Safety Authority (EFSA) beoordeeld is en tot wanneer de toelating geldt?
In onderstaande tabel staan de in de EU goedgekeurde stoffen weergegeven met een SDHI-werkingsmechanisme en de vervaldatum van de EU-goedkeuring2.
In Nederland zijn verschillende gewasbeschermingsmiddelen op basis van SDHI-fungiciden toegelaten. Het aantal toelatingen is weergegeven in onderstaande tabel3.
Flutolanil
Ja
28-02-2021
2
10.065
Isofetamid
Ja
15-09-2026
geen
Fluopyram
Ja
31-01-2024
9
19.008
Carboxin
Ja
31-05-2021
geen
Benzovindiflupyr
Ja
02-03-2023
2
0
Bixafen
Ja
30-09-2023
4
3.888
Fluxapyroxad
Ja
31-12-2022
11
9.100
Isopyrazam
Ja
31-03-2023
6
2.928
Penflufen
Ja
31-01-2024
4
2.434
Penthiopyrad
Ja
30-04-2024
3
108
Sedaxane
Ja
31-01-2024
4
930
Boscalid
Ja
31-07-2020
7
19.601
Kunt u bevestigen dat er pesticiden op de Nederlandse markt zijn waarin SDHI’s voorkomen? Zo ja, om welke middelen gaat het en welke stoffen komen daarin voor?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Voor welke toepassingen worden middelen met SDHI’s in Nederland gebruikt en wat zijn daar de jaarlijkse verkoopvolumes van?
Middelen op basis van SDHI-fungiciden worden gebruikt ter bestrijding van schimmelziekten in verschillende akkerbouw- en sierteeltgewassen. Voor meer informatie over de toelatingen, de toepassingen en de beoordelingen van het Ctgb, verwijs ik u naar de toelatingendatabank op de Ctgb-website https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations
De afzetgegevens van 2018 (meest recente jaar beschikbaar) zijn opgenomen in de tabel in het antwoord op vraag 3.
Kunt u een overzicht geven, per middel, wanneer deze voor het laatst door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeeld is en tot wanneer de toelating geldt?
In principe is een middel toegelaten tot de expiratiedatum van de werkzame stof plus 1 jaar. Dat jaar is nodig voor het uitvoeren van de herbeoordeling van het middel, volgend op de herbeoordeling van de werkzame stof. Voor informatie over de beoordeling van middelen verwijs ik naar de toelatingendatabank op de Ctgb-website https://toelatingen.ctgb.nl/nl/authorisations
Is bij de laatste beoordeling van SDHI’s het effect op mitochondriën in menselijke cellen meegenomen in het toetsingskader? Zo ja, wat waren de bevindingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De meest recente beoordeling van een werkzame stof met het SDHI-werkingsmechanisme betreft de EFSA-conclusie voor pydiflumetofen in september 2019. Hierbij concludeert EFSA dat relevantie van dit effect voor de mens niet uitgesloten kan worden, maar ziet dit echter niet als een kritiek zorgpunt. De Europese besluitvormingsprocedure van deze werkzame stof is nog niet afgerond.
Zijn er in de dossiers die het Ctgb bekeken heeft met betrekking tot SDHI-pesticiden aanwijzingen gevonden voor neurologische effecten of aandoeningen? Zo ja, welke?
Het Ctgb heeft bij de overgrote meerderheid van de in Nederland toegelaten SDHI-gewasbeschermingsmiddelen geen neurotoxische eigenschappen geconstateerd. Alleen bij de werkzame stof benzovindiflupyr werden enkele aanwijzingen gevonden van milde, tijdelijke neurologische effecten na acute blootstelling. Een vergelijkbaar effect werd niet waargenomen na herhaalde blootstelling bij een gelijk blootstellingsniveau. De effecten na acute blootstelling aan benzovindiflupyr zijn meegenomen bij het bepalen van de veilige grenswaarden voor deze stof. Bij gebruik volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift zijn er dan ook geen neurologische effecten te verwachten bij consumenten, toepassers, werkers, omstanders en omwonenden.
Kunt u bevestigen dat een groep van 460 internationale wetenschappers oproept om SDHI’s niet langer toe te laten als landbouwgif en wat is uw reactie daarop?2
Ik ben bekend met deze oproep. Ik vind het van groot belang dat nieuwe wetenschappelijke inzichten worden bekeken en heb het Ctgb dan ook, als Nederlandse toelatingsautoriteit, gevraagd om deze informatie te beoordelen. Het Ctgb ziet, net als de Franse toelatingsautoriteit Anses, geen aanleiding om direct in te grijpen op bestaande toelatingen en wacht eerst verder onderzoek af.