Het bericht dat plastic afval nauwelijks gerecycled wordt |
|
Cem Laçin (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat er nauwelijks afnemers zijn voor gerecycled plastic en de hoeveelheden zich inmiddels ophopen?1
De daling van de prijs van virgin plastics als gevolg van de dalende olieprijs verslechtert de concurrentiepositie van recyclaat. Daarnaast is, mede door bijvoorbeeld de stilvallende productie in de auto-industrie, het aantal afnemers van recyclaat afgenomen.
Kunt u verder toelichten waarom het hier «een grote uitdaging» betreft? Hoe pakt u deze uitdaging op?
Plasticrecyclaat kan in prijs nog niet concurreren met virgin plastic. Voor een substantieel deel van de plasticstroom ontbreekt een hoogwaardige toepassing en daarmee een volwassen marktvraag naar het recyclaat.
De coronacrisis legt dergelijke structurele uitdagingen binnen de sector bloot. Ook vóór de coronacrisis was de uitdaging voor de kunststofketen om de verschillende soorten plastic hoogwaardig te kunnen recyclen en het recyclaat af te kunnen zetten.
Er is niet één oplossing voor deze situatie. Ik wil samen met alle betrokken partijen kijken wat er gedaan kan worden. Binnenkort organiseert het Versnellingshuis CE een rondetafelbijeenkomst. Hierin worden de relevante spelers uit de kunststofketen bij elkaar gebracht om te bezien wat op korte en op langere termijn nodig is en hoe de samenwerking binnen de keten kan worden versterkt. Hierbij betrekt het Versnellingshuis de partijen uit het netwerk van het Plastic Pact NL en de Transitieagenda Kunststoffen.
Het is daarbij belangrijk om op korte en op lange termijn vast te houden aan de gestelde doelstellingen. De recycling van plastics wordt gestimuleerd door middel van verschillende wettelijke normen en verwerkingsstandaarden. Deze normen en standaarden gelden ook in tijden van crises en bieden de recyclingmarkt zekerheid.
Tegelijkertijd zet ik op Europees niveau in op het versnellen van de in het Europese Actieprogramma Circulaire Economie aangekondigde verplichting voor toepassing van plastic recyclaat in nieuwe producten en verpakkingen.
Kunt u uiteenzetten wat u sinds de brandbrief van de branchevereniging in april 2020 inmiddels hebt ondernomen?
Ik ben in gesprek met de betrokken partijen en heb recent een werkbezoek aan Van Werven Recycling afgelegd waar ik de groeiende voorraad recyclaat zelf heb kunnen zien en heb gesproken over de problemen die spelen en de mogelijke oplossingsrichtingen. Zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 2, komt er binnenkort een rondetafelbijeenkomst om dit ook in een breder gremium te bespreken.
Daarnaast financier ik de versnelling van lopende normalisatie (NEN-)trajecten voor de ontwikkeling van private normen met afspraken over de specificaties van recyclaat. Dit is een belangrijke stap in de verdere marktontwikkeling in toepassing van recyclaat.
Deelt u de mening dat dit probleem aantoont dat niet alles aan de markt overgelaten kan worden en het oplossen van dit probleem wet- en regelgeving van de overheid vergt?
Niet alles kan aan de markt worden overgelaten, maar de overheid kan ook niet alles oplossen. Het gaat om de toepassing van een juiste mix van beleidsinstrumenten waarbij steeds gekeken moet worden wat het geëigende niveau is om zaken te regelen. Als het gaat om een verplichting van een bepaald percentage recyclaat in kunststofproducten, dan ben ik ervan overtuigd dat dit in EU-verband tot stand moet komen.
Op welke wijze kan een minimumeis voor hergebruikt plastic de recycling bevorderen? Wordt hiermee ook een minimum hoeveelheid te gebruiken gerecycled plastic bedoeld?
Hiermee wordt inderdaad een minimum hoeveelheid te gebruiken plastic recyclaat bedoeld. Als dit verplicht wordt gesteld, zijn alle producenten van kunststofproducten verplicht om een percentage recyclaat in nieuwe producten «bij te mengen». Dit zorgt voor een grotere vraag naar recyclaat.
Wacht u op een Europees besluit, dat er misschien nooit komt? Waarom bent u niet bereid dit nu al voor Nederland te regelen?
Het voorschrijven dat een product een verplicht percentage recyclaat moet bevatten is effectiever op EU-niveau en waarborgt het gelijke speelveld. Ik heb tijdens de Milieuraad op 23 juni jongstleden bij de Europese Commissie erop aangedrongen om binnen een jaar tot een Europese verplichte toepassing van plastic recyclaat te komen en zal dit blijven doen. Diverse bedrijven en regionale overheden hebben al aangeboden om de lidstaten en de Europese Commissie te ondersteunen in deze versnelde aanpak.
Mogelijk kan het recent bekendgemaakte herstelpakket van de Commissie helpen om de problemen met recyclaat te bespoedigen en ook aanleiding zijn om dit wetgevingsvoorstel te bespoedigen.
Vooruitlopend op Europese wet- en regelgeving zijn er afspraken gemaakt in het Europees en Nederlands Plastic Pact om de toepassing van recyclaat te bevorderen. De Europese Commissie heeft bovendien in de Green Deal en in het nieuwe actieplan voor een circulaire economie aangekondigd dat zij voor onder meer verpakkingen, voertuigen en bouwmaterialen een verplicht percentage recyclaat zal voorstellen (in 2021/2022). Daarnaast zijn er al (EU-)voorschriften die een verplicht percentage recyclaat voorstellen: kunststoffen drankflessen van maximaal 3 liter moeten op grond van de SUP richtlijn vanaf 2025 voor minstens 25 procent uit gerecyclede kunststoffen bestaan en vanaf 2030 voor minstens 30 procent.
Het bericht ‘Paleis Noordeinde deze zomer niet open voor publiek’ |
|
Joost Sneller (D66), Salima Belhaj (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Paleis Noordeinde deze zomer niet open voor publiek»?1
Ja.
Waarom zouden paleis Noordeinde en de Koninklijke Stallen niet kunnen leren van hoe musea sinds 1 juni opereren en alsnog hun deuren kunnen openen voor publiek?
Paleis Noordeinde is een van de drie paleizen die op grond van artikel 4 van de Wet financieel statuut van het koninklijk huis aan de Koning tot gebruik ter beschikking worden gesteld. Het paleis fungeert als werkpaleis van de Koning. De toegang tot de paleizen is een aangelegenheid waarvoor artikel 41 van de Grondwet geldt: de Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn huis in. Hierbij worden alle relevante overwegingen betrokken, in het bijzonder de maatregelen die gelden ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus (COVID-19).
De Rijksvoorlichtingsdienst en de Dienst koninklijk huis (Koninklijke Verzamelingen) werken overigens op dit moment een (online) alternatief uit voor de openstelling, die voor 2020 was voorzien. Het paleiscomplex is het gehele jaar ook virtueel te «bezoeken» via Google Street View.
Deelt u de observatie dat de gangen van menig museum smaller zijn en de trappen en overige zalen minder ruim dan die op paleis Noordeinde? Hoe beoordeelt u dit argument dat de Koninklijke Verzamelingen aandraagt om de deuren deze zomer gesloten te houden voor publiek?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat paleis Noordeinde en de Koninklijke Stallen altijd al werken met een beperkt aantal toegangskaartjes over een beperkt aantal dagen binnen bepaalde tijdslots?
Ja.
Kunt u reflecteren op de gedachte dat de bezoekersaantallen gewoon gehandhaafd kunnen worden, en er tevens recht gedaan kan worden aan de coronamaatregelen, als het paleis en de stallen juist méér dagen worden opengesteld en bezoekers worden verdeeld over die dagen?
Het is, gelet op het bovenstaande in antwoord op de vragen 2 en 3, niet aan de orde om te reflecteren op alternatieve wijzen van openstelling van de paleizen.
Bent u bereid met de Koninklijke Verzamelingen in overleg te treden en een dergelijk scenario uit te werken, opdat bezoekers deze zomer voor het eerst in twee jaar het paleis en de stallen weer kunnen bezoeken?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb toegelicht werken de Rijksvoorlichtingsdienst en de Dienst Koninklijk Huis (Koninklijke Verzamelingen) op dit moment een (online) alternatief uit voor de openstelling die voor 2020 was voorzien. Overigens wijs ik er op dat in de zomer van 2019 het paleis Noordeinde en de Koninklijke stallen opengesteld zijn, zij het dat deze openstelling gedurende één weekend kwam te vervallen na het overlijden van Prinses Christina op 16 augustus 2019.
Het bericht ‘Theater Markant wil wel showroom voor Nederland worden’ |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Theater Markant wil wel showroom voor Nederland worden»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u van het protocol dat theater Markant heeft opgesteld?
Ik heb veel waardering voor de creativiteit, waarmee Theater Markant en Tausch vorm proberen te geven aan een nieuw verdienmodel. Onderzoek van TNO wijst op dit moment echter uit, dat het gebruik van spatschermen binnen niet veilig genoeg is. Het gebruik van spatschermen in de buitenlucht, bijvoorbeeld op terrassen, is wel veilig bevonden.
Deelt u de mening dat aangezien het niet rendabel is voor instellingen zoals theaters, podia en bioscopen om slechts 30 tot 100 man toe te laten, het belangrijk is dat dit soort initiatieven gestimuleerd worden door de overheid?
In theaters, bioscopen en concertzalen geldt vanaf 1 juli geen maximum meer van 30 personen. Vanaf dan is de ruimte leidend in plaats van het aantal bezoekers. Wel moeten de basisregels, zoals 1,5 meter afstand houden, in acht genomen worden.
Ik besef dat maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het Coronavirus onvermijdelijke gevolgen hebben voor de culturele sector. We zien dat daardoor ook theaters, podia en bioscopen zwaar getroffen worden, net als andere sectoren. Ik heb oog voor de precaire situatie waarin de sector zit. Daarom ben ik samen met mijn collega’s van EZK, VWS en J&V in goed overleg met de evenementenbranche, die zich heeft verenigd in de Alliantie van Evenementenbouwers. De Alliantie zal, onder andere met behulp van een bijdrage van verschillende ministeries waaronder OCW, via de Topsector Creatieve Industrie werken aan een Fieldlab-aanpak. Het Fieldlab heeft tot doel wetenschappelijke kennis te combineren met innovaties uit de sector om inzichtelijk te maken hoe de gezondheidsrisico’s kunnen worden beperkt en de druk op de openbare ruimte en het OV voorkomen wordt. De sector zal zelf enkele testlocaties selecteren en daarmee voor de volle breedte van de eventindustrie voor binnen- en buitenevents belangrijke vraagstukken in relatie tot veilige openstelling gaan testen.
Bent u bereid te onderzoeken, indien nodig met de opstellers, of het mogelijk is om dit protocol landelijk uit te rollen en daarbij ook adviezen van het RIVM en TNO mee te nemen?
Protocollen worden opgesteld door de sector en het is aan de sector om een protocol landelijk uit te rollen. De overheid kan daarbij alleen adviseren. Pilots, zoals in het voorbeeld van Theater Markant, zouden zich ook kunnen melden bij het Fieldlab. Afstemming over wie zich kan aansluiten bij de experimenten is vervolgens aan de sector.
Heeft u kennisgenomen van het initiatief «Werkgroep Laat ons weer zingen»?2
Ja, ik heb kennisgenomen van dit initiatief.
Bent u bereid serieus naar het voorstel van dit initiatief te kijken om weer te mogen zingen onder strenge voorwaarden, zoals anderhalve meter afstand houden, geen grote groepen en mits het buiten is waar goede ventilatie mogelijk is?
Professionele en amateurkoren en zanggroepen mogen repeteren en optreden als zij hierbij de aanvullende richtlijnen van het RIVM opvolgen. Zo moet tussen elk koorlid in ieder geval minimaal 1,5 meter afstand zijn, bij voorkeur niet achter elkaar, maar in een zigzag formatie. Daarnaast worden uit voorzorg extra maatregelen voor de ventilatie (binnen) geadviseerd, naast de gebruikelijke preventieve adviezen.
Het bericht dat er een dreiging is van een extreme tak van IS |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van een onderzoeksbureau dat lokale overheden het gevaar van de «Hazimi-beweging», een radicale tak van IS, onderschatten?1
Zoals reeds beschreven in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 45 gaan de volgelingen van de Saoedische geleerde Ahmed Umar al-Hazimi sneller over tot verkettering van andere moslims dan andere jihadisten. In die zin zijn zij extremer dan jihadisten die georiënteerd zijn op ISIS. Dat wil echter niet zeggen dat er ten opzichte van ISIS-aanhangers een hogere geweldsdreiging van Hazimi-aanhangers uitgaat.
De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of extremistische uitingen door individuen. In casusoverleggen wordt een inschatting gemaakt van de risico’s en worden handelingsperspectieven en interventies met verschillende (lokale en landelijke) partners afgestemd en ingezet. Er is daarbij ook aandacht voor de specifieke ideologie die iemand aanhangt. Dit is ook het geval indien een persoon de Hazimi-ideologie aanhangt.
Is er een actueel beeld hoeveel aanhangers van deze beweging in Nederland actief zijn? Zo ja, hoeveel zijn dat er? Zo nee, waarom niet?
In DTN 45 is gesteld dat het aantal volgelingen van sheikh al-Hazimi in Nederland wordt geschat op enkele tientallen personen. Voor zover mij bekend is dat aantal sindsdien redelijk stabiel gebleven.2
Is er afstemming met de lokale overheden die belast zijn met de re-integratie van terugkeerders uit IS-gebied over het gevaar van deze beweging? Worden gemeenten voldoende ondersteund bij de aanpak van deradicalisering? Zo nee, waarom niet?
Het DTN rapporteert periodiek over ontwikkelingen in de dreiging en er verschijnen regelmatig openbare publicaties van de AIVD en/of NCTV over verschillende fenomenen, bijvoorbeeld over Nederlandse jihadistische vrouwen en minderjarigen bij ISIS. Lokale adviseurs van de NCTV attenderen lokale overheden op deze publicaties en ondersteunen lokale casusoverleggen met kennis en expertise. Voor advies en eventuele vragen kunnen de lokale overheden terecht bij de NCTV of andere (landelijke en/of lokale) organisaties met expertise, zoals het Landelijk Steunpunt Extremisme.
Binnen detentie worden gemeenten reeds betrokken bij het opstellen van een re-integratieplan waarin wordt ingezet op deradicalisering. Dit wordt vormgegeven binnen een Multidisciplinair Afstemmingsoverleg Resocialisatie (MAR) van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) waar de betrokken gemeente en Reclassering vaste partners zijn. Na detentie wordt de betrokkene vanuit het lokale casusoverleg onder regie van de gemeente met diverse zorg- en veiligheidspartners gemonitord en het re-integratieplan verder vormgegeven. Een lokaal adviseur van de NCTV kan een gemeente hierin adviseren.
Is er meer landelijke regie na de omstreden aanpak van deradicalisering in Arnhem? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van februari 2019 over de aanpak van radicalisering in Arnhem, legt de burgemeester verantwoording voor de lokale aanpak van radicalisering af aan de gemeenteraad4. De burgemeester van de gemeente Arnhem heeft de aanpak in Arnhem in 2019 extern laten evalueren5. Al met al heeft Arnhem volgens de onderzoekers van de Universiteit Utrecht een krachtige uitgangspositie en kan van daaruit haar radicaliseringsaanpak verder versterken.
Zoals toegelicht in de rapportage integrale aanpak terrorisme6, spelen gemeenten als bevoegd gezag voor openbare orde en veiligheid een cruciale rol in het tegengaan van radicalisering en het reduceren van dreiging die uit kan gaan van extremistische personen. Het Rijk draagt een landelijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de gehele aanpak op extremisme en terrorisme en voor de samenwerking tussen betrokken ketenpartijen. Het Rijk ondersteunt gemeenten actief met als doel ze te versterken in hun regierol richting partners, op een wijze die recht doet aan de lokale situatie. Hierbij wordt specifiek geïnvesteerd in het ontsluiten van kennis en kunde, zodat lokale verschillen in de aanpak niet ontstaan uit willekeur, maar door de toepassing van maatwerk in de lokale context. De afgelopen jaren zijn gemeenten waar de problematiek het meest speelt intensief ondersteund, onder andere met zogenoemde versterkingsgelden. De aangevraagde activiteiten passen binnen de beleidsvisie van mijn departement en het daaruit voortvloeiende bestedingskader. Momenteel wordt de huidige nationale contraterrorisme strategie (2016–2020) geëvalueerd, zodat de inzichten hieruit meegenomen kunnen worden in de gedachtevorming voor de nieuwe strategie. De persoonsgerichte aanpak maakt onderdeel uit van deze evaluatie.
Zijn er instanties of stichtingen bekend die bestuurd worden door aanhangers van de Hazimibeweging of waar aanhangers van deze beweging actief zijn? Zo ja, is daar een (lokale) subsidierelatie mee?
Nee, er zijn op dit moment geen instanties of stichtingen bekend die bestuurd worden door aanhangers van de Hazimi-stroming en die het Hazimi-gedachtegoed uitdragen. De aanhangers van deze stroming zijn veelal online actief.
Het bericht ‘Roemenië schrapt seksuele voorlichting’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Roemenië schrapt seksuele voorlichting»?1 2
Ja.
Hoe vindt u het dat onder druk van de orthodoxe kerk het Roemeense parlement zwichtte om seksuele voorlichting geen verplicht schoolvak te laten zijn in Roemenië?
In 2018 werd een wetsinitiatief ingediend, dat beoogde seksuele voorlichting als een standaard onderdeel van het Roemeense onderwijs curriculum in te voeren. Dit voorstel werd begin dit jaar aangenomen met steun vanuit parlementariërs van nagenoeg alle partijen. Deze nieuwe wet vormt een grote vooruitgang voor de toegankelijkheid van seksuele voorlichting in Roemenië, gezien deze tot op heden geen vast onderdeel van het onderwijsaanbod vormde.
Het amendement waarover in juni gestemd werd, voegt ouderlijke toestemming als voorwaarde voor deelname aan de voorlichting toe. Dit amendement treedt pas in werking wanneer de Roemeense president zijn goedkeuring heeft verleend. De president heeft het wetsvoorstel ter beoordeling voorgelegd aan het Constitutioneel Hof. Zij zullen een uitspraak doen over de verenigbaarheid met de Grondwet. Tot die tijd zal het wetsvoorstel niet in werking treden.
Maakt u zich net als wij zorgen over de toenemende invloed die conservatieve krachten uitoefenen op vrouwen en lhbti’ers in Roemenië en de omliggende regio? Bent u het eens dat dit niet past binnen de waarden van de Europese Unie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet beschouwt invloeden die een bedreiging kunnen vormen voor de realisatie van vrouwenrechten, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en gelijke rechten voor LHBTI’s als zorgelijk, en volgt de ontwikkelingen daarover wereldwijd, ook binnen de EU, met aandacht. In het Verdrag inzake de Europese Unie is in artikel 2 neergelegd dat onder meer eerbied voor de menselijke waardigheid en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust. Dat geldt evenzeer en onverkort voor vrouwen en LHBTI’s.
Dergelijke initiatieven vinden in Roemenië overigens niet vanzelfsprekend weerklank bij de meerderheid van de bevolking. Zo werd in 2018 bij het referendum over de grondwettelijke definitie van het huwelijk – waarbij voorgesteld werd de gender-neutrale tekst te wijzigen naar «een huwelijk tussen man en vrouw» – de kiesdrempel niet behaald.
Deelt u daarnaast de mening dat seksuele voorlichting van groot belang is in het tegengaan van tienerzwangerschappen en seksuele overdraagbare aandoeningen, juist in een land met het op een na hoogste aantal tienerzwangerschappen van Europa? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. De International Technical Guidance on Sexuality Education3 van de Verenigde Naties concludeert dat seksuele voorlichting onder meer bijdraagt aan verminderd risicovol seksueel gedrag, en frequenter gebruik van condooms en andere anticonceptiemiddelen. Dit heeft weer effect op het verminderen van tienerzwangerschappen en verspreiding van seksueel overdraagbare aandoeningen. Nederland bepleit dan ook toegang tot seksuele voorlichting als onderdeel van haar inzet op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
Hebt u uw zorgen over de invloed van conservatieve krachten uitgesproken tegen uw Roemeense ambtsgenoot? Hebt u zich hierover uitgesproken in EU-verband? Bent u van plan dit op korte termijn te doen? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven volgt het kabinet de ontwikkelingen op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, vrouwenrechten en gelijke rechten van LHBTI’s nauwlettend.
De onderhavige wetswijzing ligt op dit moment ter beoordeling bij het Roemeense Constitutionele Hof. Ook is de wetswijziging onderwerp van het debat tussen de Roemeense regering en het maatschappelijk middenveld. Het kabinet waardeert de betrokkenheid van de diverse Roemeense spelers hierin en acht het in dit stadium aan hen om de koers voor Roemenië te bepalen.
In bredere zin zet de Ambassade in Boekarest zich in samenwerking met het maatschappelijk middenveld actief in voor vrouwenrechten en gelijke rechten voor LHBTI’s. Meest recentelijk door een bijdrage aan een publiek statement met like-minded landen ter gelegenheid van de Internationale dag tegen homofobie, bifobie en transfobie (IDAHOT).
Het bericht 'Zes locaties in beeld voor stookfabriek in Vierpolders' |
|
Barry Madlener (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zes locaties in beeld voor stookfabriek in Vierpolders»?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat er voor biomassainstallaties maar één geschikte locatie is, namelijk in uw dromen?
Nee.
Bent u op de hoogte van het feit dat er bij biomassa netto méér CO2 vrijkomt dan bij kolen en gas? Deelt u de conclusie dat uw klimaatbeleid, dat geënt is op juist minder CO2-uitstoot, van tegenstrijdheden aan elkaar hangt?
Het gebruik van biomassa is gedurende de transitie een nuttig en noodzakelijk alternatief voor het gebruik van aardgas. Het uitgangspunt van het kabinet is dat alleen duurzame biomassa werkelijk bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering. Duurzame biomassa is klimaatneutraal vanwege de kringloop waarbij in de groeifase CO2 uit de lucht wordt opgenomen, waarna diezelfde hoeveelheid CO2 weer vrijkomt bij de energieopwekking en er weer nieuwe vegetatie wordt aangeplant.
Deelt u de mening dat het verbranden van hout slechter is voor mens, dier en natuur dan het gebruik van aardgas? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het te zot voor woorden is dat tuinders hun kassen niet langer met gas, maar met een biomassainstallatie willen verwarmen? Hoe kan men dit in ’s hemelsnaam «duurzaam» noemen?
Zie antwoord vraag 3.
Maken deze achterhaalde biomassaprojecten aanspraak op subsidie? Zo ja, hoeveel? Valt deze subsidie binnen de 14 miljard euro die u de komende jaren voor biomassa beschikbaar wilt stellen?
Nee, ik heb uw Kamer in mijn brief van 15 november 2019 (zie Kamerstuk 32 813, nr. 404) geïnformeerd over de biomassa-installaties die tot dat moment een subsidiebeschikking hadden ontvangen. Voor de bedoelde biomassa-installatie is nog geen subsidie toegekend.
Bent u ertoe bereid deze houtstookprojecten onmiddellijk te stoppen en hier geen cent aan uit te geven?
Zoals ik in mijn brief van 1 juli 2020 heb aangegeven, geeft het kabinet uitvoering aan de motie Sienot c.s. (kenmerk 2020D26309) over het gebruik van vaste houtige biomassa voor energietoepassingen. Er wordt geen nieuwe subsidie beschikbaar gesteld voor het gebruik van vaste houtige biomassa voor de productie van uitsluitend elektriciteit. Ook zal in de najaarsronde van de SDE++ in 2020 geen subsidie aangevraagd kunnen worden voor warmteproductie door verbranding van houtige biomassa middels installaties met een vermogen < 5 MWth. Het kabinet zal bovendien, uitgaande van de tijdige beschikbaarheid van de concrete emissie-eisen, borgen dat installaties voor de verbranding van vaste houtige biomassa die in 2021 SDE++ subsidies aanvragen al aantoonbaar moeten voldoen aan de verwachte aanscherping van de aangescherpte emissie-eisen voor installaties tussen de 0,5 en de 50 MWth, die in 2022 van kracht moeten worden. Tot slot zal in het duurzaamheidskader voor biomassa waar het kabinet aan werkt, een eindjaar worden opgenomen voor de subsidiering van warmteproductie met vaste houtige biomassa en zal ik een uitfaseringsstrategie maken voor 2021 waarin ik op hoofdlijnen toelicht hoe het gebruik van vaste houtige biomassa voor warmte moet worden afgebouwd. Het kabinet streeft ernaar het genoemde duurzaamheidskader zo snel mogelijk na de zomer aan uw Kamer te kunnen aanbieden. Een belangrijke bouwsteen hiervoor is het advies dat op dit moment door de SER wordt opgesteld. De SER streeft ernaar dit advies in juli af te ronden. Hiermee voldoe ik ook aan het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, die mij heeft gevraagd om deze planning (Kamerstuk 32 813, nr. 489/kenmerk 2020D19253).
De persverklaring van Hizb ut Tharir dat vervolging voor de aanbeveling tot vrouwenbesnijdenis een poging zou zijn om moslims te criminaliseren |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Persverklaring 704, vrouwenbesnijdenis de zoveelste poging om moslims te criminaliseren»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat deze politieke organisatie openlijk in een proactieve persverklaring verklaart niet tegen vrouwenbesnijdenis te zijn en ook niet tot het aanbevelen daartoe, zich niet verhoudt tot de vrije waarden van de Nederlandse samenleving en bovendien stigmatiserend kan werken voor moslims die deze vrije waarden wel onderschrijven?
Iedereen in deze samenleving dient de vrijheid te hebben om eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het recht op zelfbeschikking is verankerd in de Nederlandse democratische rechtsstaat en cultuur en dit dient te allen tijde gewaarborgd te worden.
Vrouwenbesnijdenis is in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling. Indien sprake is van het aanzetten tot geweld dan wel (een poging tot) het plegen van geweld, kunnen de politie en het OM hier tegen optreden. Iedereen die vrouwelijke genitale verminking (VGV) uitvoert of meewerkt aan de besnijdenis van een meisje is strafbaar en kan worden vervolgd.
Het uitbrengen van een dergelijke persverklaring waarin geen afstand wordt genomen van dergelijke strafbare feiten heeft een negatieve weerslag op de beeldvorming over de islamitische gemeenschappen als geheel en is daarmee onacceptabel.
De casus, waar de organisatie Hizb ut Tahrir in haar persverklaring aan refereert, is door het OM op 5 juni jl. geoordeeld dat sprake is van opruiing en het aanzetten tot mishandeling, en daarmee tot geweld. Dit heeft geresulteerd in een eis van 120 uur werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Het betreft een rechtszaak eerste aanleg.2
Hoe zou u de organisatie Hizb ut Tharir omschrijven en wat is uw oordeel over haar positie in de Nederlandse samenleving?
Hizb ut Tahrir (HuT) is te typeren als een radicale pan-islamistische beweging. HuT is anti-zionistisch. De beweging heeft een afkeer van seculiere regeringen en ideologieën en schrijft een confronterende en sterk polariserende boodschap voor. Kenmerkend voor de HuT is zijn volharding in politiek en de focus op herstel van het kalifaat. De HuT roept niet op tot geweld, maar kan wel aanzetten tot radicalisering en sociaal-isolationisme. Tot op heden lijkt het bereik van en de ontvankelijkheid voor het gedachtegoed van de HuT in Nederland beperkt gebleven.
Op welke wijze houdt de Nederlandse overheid momenteel toezicht op deze organisatie?
Bevoegde instanties houden doorlopend nieuwe ontwikkelingen in de gaten met betrekking tot organisaties die (mogelijk) een dreiging vormen voor de democratische rechtsorde. Gemeenten worden hierin gekend om daar waar nodig te kunnen inzetten op het vergroten van de weerbaarheid en/of handhaving. Als het gaat om problematisch gedrag wordt gebruik gemaakt van de driesporen aanpak (interactie en dialoog, confronteren en handhaven of verstoren). Indien sprake is van mogelijke radicalisering kan de persoonsgerichte aanpak door gemeenten worden ingezet. Dat kan ook bij een vermoeden van radicalisering bij personen die de ideologie van HuT aanhangen. Ik zie momenteel geen aanleiding nadere maatregelen te treffen tegen de organisatie. Het OM, de politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert en dat is ook gerechtvaardigd
Is u bekend dat de organisatie in veel islamitische landen verboden is en ook in sommige andere EU-landen zoals Duitsland, onder andere vanwege antisemitische uitingen? Is een verbod ook in Nederland overwogen en zo ja, waarom is hier niet toe overgegaan?
Het is mij bekend dat in 2003 een «Betätigungsverbot», een verbod op de activiteiten van HuT op Duits grondgebied, is ingesteld. In Nederland kan een verzoek tot verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW worden gedaan door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank. Het is aan het Openbaar Ministerie, niet aan het kabinet, om zich uit te spreken over de vraag of er in casu aanleiding bestaat om een dergelijk verzoek te doen.
Het regeerakkoord stelt dat de verbodsbepalingen voor radicale organisaties die tot doel hebben om onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen moeten worden uitgebreid door aanpassing van artikel 2:20 BW. De regering heeft op 18 december 2019 een daartoe strekkend wetsvoorstel ingediend (Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ter verruiming van de mogelijkheden tot het verbieden van rechtspersonen).3 Het wetsvoorstel is in behandeling bij uw Kamer.
Ziet u aanleiding nadere maatregelen te treffen tegen de organisatie naar aanleiding van de recente persverklaring? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u mogelijkheden op basis van de uit het regeerakkoord voortvloeiende wijziging van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek op te treden tegen deze organisatie en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering naar de organisatie te laten kijken en mogelijke maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce PG & OBF) heeft tot doel de informatiepositie van Rijk en gemeenten te versterken, ontwikkelingen te duiden, het handelingsperspectief van gemeenten en Rijk te vergroten en ongewenste buitenlandse financiering aan te pakken.
De bevoegde instanties volgen de ontwikkelingen en tegelijkertijd zet de regering in op het vergroten van de weerbaarheid van de islamitische gemeenschap en van vrouwen in het bijzonder. Dat is voor nu het meest passend.
Het bericht ‘Onderzoek: dreiging door extreme afsplitsing van IS’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoek: dreiging door extreme afsplitsing van IS»?1
Ja.
In het rapport van onderzoeksbureau NTA wordt gesteld dat de Hazimi-beweging als extremer geldt dan IS en dat de beweging naar schatting bijna honderd aanhangers telt in Nederland, herkent u dit beeld? Zo ja, wat is de actuele situatie rondom deze beweging en welke dreiging gaat ervan uit? Zo nee, waarom niet en wat gaat u hieraan doen?
Zoals reeds beschreven in Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) 45 gaan de volgelingen van de Saoedische geleerde Ahmed Umar al-Hazimi sneller over tot verkettering van andere moslims dan andere jihadisten.2 In die zin zijn zij extremer dan jihadisten die georiënteerd zijn op ISIS. Dat wil echter niet zeggen dat er ten opzichte van ISIS-aanhangers een hogere geweldsdreiging van Hazimi-aanhangers uitgaat. In DTN 45 is gesteld dat het aantal volgelingen van sheikh al-Hazimi in Nederland wordt geschat op enkele tientallen personen. Voor zover mij bekend is dat aantal sindsdien redelijk stabiel gebleven.
Is bij u bekend hoeveel Nederlandse oud-IS aanhangers zich hebben aangesloten bij de Hazimi-beweging? Zo ja, hoe verhoudt de Hazimi-beweging zich qua aantallen tot huidige de IS-beweging in Nederland? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze data op orde te krijgen?
Het is niet nauwkeurig aan te geven hoeveel voormalige ISIS-aanhangers nu gerekend moeten worden tot Hazimi-aanhangers. Zoals gesteld kunnen waarschijnlijk enkele tientallen jihadisten in Nederland gerekend worden tot volgelingen van sheikh al-Hazimi. Het totale aantal jihadisten in Nederland is, zoals vermeld in DTN 52, ruim vijfhonderd.3
Nuance door training en advies (NTA) stelt ook dat veel Hazimi-aanhangers over het hoofd worden gezien door lokale overheden, herkent u dit beeld? Wordt er op dit moment door lokale overheden beleid gevoerd ten aanzien van de Hazimi-beweging? Zo nee, waarom niet en wat wordt er momenteel concreet gedaan om dit op orde te krijgen?
De lokale, persoonsgerichte aanpak wordt ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of extremistische uitingen door individuen. In casusoverleggen wordt een inschatting gemaakt van de risico’s en worden handelingsperspectieven en interventies met verschillende (lokale en landelijke) partners afgestemd en ingezet. Er is daarbij ook aandacht voor de specifieke ideologie die iemand aanhangt. Dit is ook het geval indien een persoon de Hazimi-ideologie aanhangt.
Onderzoeker Torre Hamming stelde in 2018 al dat de Nederlander Abu Asim al-Magribby een centrale rol speelt binnen de Hazimi beweging, herkent u dit beeld?2 Zo ja, welke rol speelt Abu Asim al-Magribby momenteel binnen de Hazimi beweging en in hoeverre spelen andere Nederlanders een rol in de internationale Hazimi-beweging? Zo nee, waarom niet en wat gaat u doen om deze data op orde te krijgen?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele personen. In algemene zin kan ik u melden dat personen en bewegingen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het OM, politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert. Op de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ik niet ingaan.
Het NTA stelt in hun onderzoek dat de Hazimi beweging online actief is op kanalen zoals Facebook en Telegram, herkent u dit beeld? Zo ja, hoe zien de online-activiteiten van de Hazimi-beweging eruit en bent u bereid maatregelen te nemen tegen (online) verspreiding van deze beweging? Zo nee, waarom niet?
Aanhangers van de Hazimi-beweging voeren dogmatische en ideologische discussies op jihadistische webfora. Op landelijk niveau zet de overheid zich in om terroristische en extremistische uitingen, zowel online als offline, geen vat te laten krijgen op de samenleving. Zo wordt er ingezet op een integrale multidisciplinaire aanpak van extremistisch en terroristisch gebruik van het internet. De Internet Referral Unit (IRU) bij de politie ondersteunt deze aanpak door het signaleren en het verzoeken tot verwijderen van jihadistische content.
Kan bij het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) specifiek worden ingegaan op de laatste ontwikkelingen rondom de dreiging van de Hazimi beweging? Zo nee, waarom niet?
Het DTN is een onafhankelijk product van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het DTN vormt voor de NCTV en partners een leidraad voor het anticiperen op dreigingen en als communicatie-instrument voor het Nederlandse contraterrorismebeleid. Indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zal in het DTN worden in gegaan op de Hazimi-beweging.
Het bericht dat de Kansspelautoriteit machteloos staat tegen gokelementen in videogames |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van reporter radio over de machteloosheid van de Kansspelautoriteit (Ksa) als het aankomt op het handhaven van de Wet op de kansspelen (Wok) en gokelementen in videogames?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere vragen over dit specifieke onderwerp?2
Ja.
Kan worden verduidelijkt wat de status, dan wel het resultaat, is van het onderzoek naar de twee aanbieders die eerder weigerden hun videogame aan te passen om zo toch, volgens de Ksa, aan de Wok te voldoen? Heeft de Ksa deze aanbieders voor de rechter gedaagd? Zo nee, waarom niet?
Ik merk op dat de Kansspelautoriteit (Ksa) over al dan niet lopende, individuele zaken geen uitspraken kan doen. Wel kan ik in het algemeen het volgende opmerken.
Wanneer een (rechts)persoon zonder vergunning een kansspel aanbiedt, kan de Ksa verschillende maatregelen treffen. Zij kan bijvoorbeeld eerst een normoverdragend gesprek voeren en, als dat niet het gewenste effect heeft, bestuursrechtelijke sancties opleggen, zoals een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete. De Ksa maakt opgelegde sancties in beginsel via haar website openbaar. Zowel de Ksa als ik hechten aan snelle handhaving en in de regel is dat mogelijk. Uiteraard is het onwenselijk als tussen het moment van constatering van overtreding van de Wok en feitelijke effectuering van de handhaving daarvan veel tijd ligt. Dit kan echter het gevolg zijn van het succesvol aanwenden van rechtsmiddelen door de aanbieder (bezwaar- en beroepsprocedures).
Op welke manier denkt de Ksa snelle handhaving van de Wok af te dwingen bij aanbieders van videogames die zich volgens de Ksa niet aan de regels houden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat meer dan twee jaar nadat de Ksa concludeerde dat een aantal videogames niet aan de Wok voldeed, een spel als Fifa nog steeds niet aan de regels voldoet? Is een dergelijk lange handhavingstermijn wel uit te leggen als het om de gezondheid (verslavingsgevaar) van veelal jeugdigen gaat? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de kritiek, zoals die naar voren komt in het item van reporter radio, dat de regels, zoals geformuleerd in de huidige Wok, niet duidelijk genoeg zijn?
In de Wet op de kansspelen geldt op basis van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, het verbod om gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars plaatsvindt door kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij een vergunning is verleend door de Kansspelautoriteit. Dit artikel is techniek-neutraal geformuleerd, juist met het oog op nieuwe ontwikkelingen. In de Leidraad beoordeling kansspelen heeft de Kansspelautoriteit de verbodsbepaling nader uitgewerkt. Zij heeft tien spellen met loot boxes onderzocht en geconcludeerd dat bij vier spellen vanwege het aanbod van loot boxes de Wet op de kansspelen is overtreden. Ik zie op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat de regels in de Wok niet duidelijk genoeg zijn.
Waarom lukt het volgens u de Ksa tot nu toe niet om het verbod op gokelementen in videogames bij alle aanbieders te handhaven? Waar ligt dat aan?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen voor het VAO Kansspelen beantwoorden?
Ja.
Het rapport Evaluatie stikstofberekeningen Lelystad Airport (advies 3456) van de Commissie voor de m.e.r. d.d. 31 maart 2020 |
|
Eppo Bruins (CU), Suzanne Kröger (GL), Jan Paternotte (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wordt in AERIUS voor het berekenen van de depositie ten gevolge van wegverkeer de standaardrekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit gebruikt, zoals de werkgroep in de Evaluatie stikstofberekeningen Lelystad Airport adviseert?
De depositiebijdrage van wegverkeer wordt in AERIUS Calculator inderdaad berekend met een implementatie van Standaardrekenmethode 2 (SRM2). Dit is ook toegelicht in de documentatie bij AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/berekening-depositiebijdrage-bronnen-sector-verkeer-en-vervoer/.
Klopt het dat in AERIUS voor emissiebronnen uit alle andere sectoren dan wegverkeer de depositie wordt berekend met OPS?
De depositiebijdrage van andere bronnen dan wegverkeer wordt in AERIUS Calculator inderdaad berekend met het rekenmodel OPS. Dit is ook toegelicht in de documentatie bij AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/berekening-verspreiding-en-deposities-met-ops/.
Klopt het dat in AERIUS met SRM2 de depositie tot een rekengrens van 5 km links en rechts van de weg wordt berekend? Zo ja, wat is de (technisch) inhoudelijke reden dat depositie verder dan 5 km links en rechts van de weg wordt afgekapt?
De implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator hanteert inderdaad een maximale rekenafstand van 5 kilometer tot de weg. Deze keuze is gemaakt omdat berekende bijdragen van wegverkeer op enkele kilometers van de weg op het detailniveau van een hectare niet meer betekenisvol zijn te herleiden tot een individueel project. Deze maximum rekenafstand wordt niet alleen toegepast bij berekeningen van de depositiebijdrage van wegenprojecten in het MIRT, maar bijvoorbeeld ook bij het bepalen van de depositiebijdrage door de verkeersaantrekkende werking van woningbouwprojecten. Ook in de technische beschrijving van SRM2 van het RIVM is aangegeven dat voor wegverkeer op basis van SRM2 niet tot willekeurig grote afstanden mag worden gerekend. Door uit te gaan van een maximale rekenafstand van 5 km bij de doorrekening van individuele projecten, wordt hieraan invulling gegeven in AERIUS Calculator.
SRM2 is specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en houdt rekening met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte- en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. OPS houdt daar geen rekening mee. Ook de consistentie met het rekenmodel dat wordt gebruikt in de monitoring van luchtkwaliteit langs wegen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) speelt een rol in de keuze voor SRM2 bij de berekeningen voor deposities van wegverkeer.
Het gebruik van dit model is daarbij eerder door de Raad van State geaccepteerd, inclusief een maximale rekenafstand. De maximale rekenafstand geldt bij projectspecifieke berekeningen. Voor het vaststellen van de bijdrage van wegverkeer aan de totale landelijke deposities wordt wel landsdekkend gerekend. Dat is mogelijk omdat de bijdragen dan niet herleidbaar hoeven te zijn tot een specifiek project.
Als de met SRM2 berekende bijdragen op meer dan enkele kilometers van de weg niet meer betekenisvol zijn te herleiden tot een individueel project, geldt dat dan niet net zozeer voor andere sectoren en andere depositiemodellen, zoals OPS? Zo nee, waarom niet?
Er zijn goede redenen om voor wegverkeer met SRM2 te rekenen en een maximale rekenafstand van 5 kilometer te hanteren (zie hiertoe ook het antwoord op vraag 3). In hoeverre ook voor andere bronnen een maximale rekenafstand (vergelijkbaar met wegverkeer) kan worden gehanteerd, vraagt om nader onderzoek.
Het kabinet komt na de zomer met een uitgebreidere inhoudelijke kabinetsreactie op zowel het eindadvies van het Adviescollege Stikstofproblematiek als het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof.
Bent u ervan op de hoogte dat volgens de technische omschrijving van SRM2 door het RIVM1 SRM2 niet ontwikkeld is voor afstanden groter dan 3,5 km van de weg? Is die technische omschrijving nog geldig? Zo ja, waarom wordt in AERIUS SRM2 dan toegepast tot 5 km, dus buiten het toepassingsgebied? Zo nee, wat is er aangepast aan SRM2 om het tot 5 km toepasbaar te maken?
In het RIVM-rapport met de technische beschrijving van SRM2 is weliswaar aangegeven dat de bijdrage van SRM2-wegen in de Monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt berekend tot 3.5 kilometer van de weg, maar voor projectspecifieke berekeningen van de luchtkwaliteit is de NSL-Rekentool beschikbaar (https://www.nsl-monitoring.nl/rekenen/). De implementatie van SRM2 in deze rekentool rekent tot 5 kilometer van de weg. Bij de implementatie van SRM2 in AERIUS Calculator is aangesloten op de maximale rekenafstand die ook wordt gehanteerd in de NSL Rekentool2. AERIUS Calculator is voorgeschreven in de regeling natuurbescherming voor het berekenen van projectspecifieke stikstofdepositiebijdragen.
Klopt het dat de depositie veroorzaakt door een (drukke) weg veelal ook op afstanden groter dan 5 km significant is?
De depositiebijdrage van extra verkeer als gevolg van een individueel project is op afstanden groter dan 5 kilometer niet meer betekenisvol te herleiden tot een individueel project op het detailniveau van een hectare.
Dat betekent niet dat er voorbij 5 kilometer geen sprake kan zijn van stikstofdepositie als gevolg van wegverkeer. Stikstofemissies kunnen zich tot honderden kilometers en verder verspreiden voordat ze op het oppervlak neerslaan. Een relatief groot deel van de emissies verspreidt zich tot ver van de bron, maar de logaritmische toename van het oppervlak waarover de emissies zich verspreiden zorgt ervoor dat de depositiebijdrage per hectare buiten 5 kilometer een fractie is van wat binnen 5 kilometer per hectare neerslaat3.
In welke mate komt de totale depositie berekend voor wegverkeer met SRM2 overeen met de depositie berekend met OPS (voor eenzelfde emissie met dezelfde emissie-kenmerken als uitstoothoogte, warmte-inhoud, spreiding en temporele variatie)? Welk percentage van de depositie mist ruwweg door het afkappen bij 5 km in SRM2?
De wijze waarop de verspreiding van emissies in SRM2 is gemodelleerd verschilt van de wijze waarop dat in OPS gebeurt. Dat betekent dat de berekende depositiebijdrage van een bron met OPS verschilt van de berekende depositiebijdrage van dezelfde bron met SRM2.
De modellering in SRM2 is gericht op de lokale verspreiding van emissies van wegverkeer op buitenstedelijke wegen. OPS is niet toegespitst op een specifieke broncategorie en vooral bedoeld voor grootschalige berekeningen. SRM2 is specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en houdt rekening met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte- en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. OPS houdt daar geen rekening mee. Dat maakt SRM2 meer geschikt voor projectspecifieke berekeningen van wegverkeer dan OPS.
Het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof stelt in haar eindrapport dat het grootste gedeelte van de NH3- en NOX-deposities neerslaat op een grotere afstand dan 5 kilometer van de bron. Uit figuur 1 in het eindrapport volgt dat grofweg 80–90% van de NH3 emissies en 90–95% van de NOX-emissies voorbij 5 kilometer neerslaat. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het oppervlak waarover de depositie neerslaat logaritmisch toeneemt met de afstand tot de bron waardoor de depositie per hectare verder van de bron sterk afneemt. Zie antwoord op vraag 6.
Hoe verhoudt de depositie berekend met SRM2 zich tot die berekend met OPS dicht bij de weg, zeg op afstanden van 100 m, 500 m, en 1, 2, 3, 4 en 5 km?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 leiden de verschillen in de wijze van modellering tussen SRM2 en OPS tot verschillen in de berekende deposities. De verschillen zijn ook afhankelijk van de precieze locatie van de bron, wegkenmerken en de locatie van de rekenpunten.
Klopt het dat SRM2 door het afkappen bij 5 km geen enkele depositie berekent voorbij de afstandsgrens ongeacht de hoeveelheid emissies, terwijl OPS rekent zonder afstandsgrens, en dus per definitie meer depositie berekent voorbij de afstandsgrens?
De maximale rekenafstand van 5 kilometer tot de weg in SRM2 betekent inderdaad dat AERIUS Calculator geen depositiebijdragen van wegverkeer berekent voorbij 5 kilometer. Deze maximale rekenafstand is onafhankelijk van de omvang van de emissies van de bron. OPS hanteert geen maximale rekenafstand en kan in AERIUS Calculator voor individuele projecten depositiebijdragen berekenen op grotere afstanden dan 5 kilometer.
Zouden SRM2 en OPS dezelfde depositie opleveren indien de afkapping uit SRM2 wordt verwijderd?
Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Is voor het berekenen van deposities SRM2 net zo veelvuldig getoetst op geschiktheid als het OPS-model? Door welke instantie heeft de toetsing plaatsgevonden? Is deze toetsing openbaar gemaakt en beschikbaar?
Standaardrekenmethode 2 (SRM2) is uitgebreid gevalideerd, in windtunnels en veldexperimenten. Dit is beschreven in hoofdstuk 3 van de technische beschrijving van het RIVM bij de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014–0109.pdf). Daarin zijn ook de betrokken instanties genoemd en verwijzingen opgenomen naar rapporten.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen ten aanzien van SRM2 gedaan door TNO in een audit van AERIUS uit 20152, welke bestond uit drie opties: a) De definitie van SRM2 aanpassen, b) geen source depletion meenemen of c) SRM2 vervangen door OPS? Welke actie is sindsdien ondernomen en welke van de opties is gekozen?
TNO constateerde in het genoemde doelmatigheidsonderzoek in 2015 dat bij gebruik van SRM2 voor depositieberekeningen in AERIUS een correctie wordt toegepast voor de zogenoemde source depletion. Dit is een correctie die gebruikt wordt om in rekening te brengen dat de concentratie van een stof met de afstand tot de bron niet alleen daalt als gevolg van verdunning, maar ook door depositie van die stof. De keuzes die TNO voorstelde hadden tot doel om AERIUS transparanter en eenvoudiger te maken. Er waren geen inhoudelijke bezwaren tegen toepassen van SRM2 met een correctie voor source depletion. Er is destijds gekozen voor een correctie voor source depletion om te komen tot een betrouwbare berekening van de deposities.
Gebruikt AERIUS momenteel een versie met source depletion? Erkent u dat deze volgens TNO in het genoemde rapport niet voldoet aan de SRM-eisen omdat het niet aan meetgegevens is getoetst (pag. 19)? In geval van gebruik van een versie met source depletion door AERIUS, hoe garandeert u dan de geschiktheid van SRM2 in het licht van deze opmerking van TNO?
AERIUS Calculator houdt bij de berekening van de depositiebijdragen door wegverkeer rekening met source depletion. De opmerking van TNO in het genoemde rapport betekent niet dat de SRM2 implementatie in AERIUS Calculator niet geschikt is. In het genoemde rapport concludeert TNO namelijk dat AERIUS Calculator geschikt is voor het berekenen van de effecten van projecten ten behoeve van toestemmingsbesluiten. TNO stelt daarbij dat de rekenkern (OPS en SRM2) van voldoende kwaliteit is, en dat het OPS-model en SRM2 op de juist wijze zijn geïmplementeerd in AERIUS Calculator.
De depositiebijdragen van wegverkeer worden in AERIUS Calculator berekend door een combinatie van Standaardrekenmethode (SRM2) en OPS. AERIUS berekent eerst de concentratiebijdrage met SRM2. Vervolgens wordt de depositiebijdrage berekend door de concentratiebijdrage te corrigeren voor de source depletion en vervolgens te vermenigvuldigen met de depositiesnelheid. Zowel de source depletion als de depositiesnelheid zijn door RIVM afgeleid met OPS. Dit is beschreven in de technische beschrijving van de SRM2 implementatie in AERIUS5.
In het rapport maakt TNO de opmerking dat de correctie voor source depletion niet is opgenomen in de beschrijving van SRM2 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In AERIUS Calculator zijn de concentratiebijdragen berekend conform de beschrijving van SRM2 in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit. De correctie voor source depletion en de vermenigvuldiging met de depositiesnelheid zijn nabewerkingen op de berekende concentraties met SRM2 die bedoeld zijn om te komen tot een betrouwbare berekening van de deposities.
Is SRM2 volgens u geschikt om een betrouwbare depositie te berekenen?
Het kabinet beschouwt op basis van het oordeel van het RIVM SRM2 als een geschikte methode op de depositiebijdrage van wegverkeer te berekenen. Belangrijk inhoudelijk argument is dat SRM2 rekening houdt met typische wegkenmerken zoals de hoogteligging en schermen. Gebruik van SRM2 voor depositieberekeningen zorgt ook voor consistentie met het rekenmodel dat wordt gebruikt voor luchtkwaliteitsberekeningen en is voorgeschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007). SRM2 wordt al meer dan 10 jaar toegepast in de Monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en wordt ook toegepast bij de toetsing of projecten voldoen aan de Europese normen voor bijvoorbeeld fijnstof en stikstofdioxide.
Een bericht van Hogeschool InHolland op Facebook |
|
Harm Beertema (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Hogeschool InHolland op 3 juni jl. op Facebook heeft geplaatst?1
Ja.
Erkent u dat Hogeschool InHolland zich daarmee zonder enig voorbehoud affilieert met de Blacklivesmatter-beweging die in de Verenigde Staten en elders heeft geleid tot buitensporig en onbeheersbaar geweld, moord, brandstichting en plundertochten, mede onder leiding van het subversieve Antifa? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de Kamerbrief kabinetsaanpak van discriminatie2 d.d. 15 juni staat expliciet beschreven dat een inclusieve leeromgeving om beleid vraagt dat enerzijds het bewustzijn en de kennis van studenten en leerlingen over diversiteit vergroot en anderzijds scholieren weerbaarder maakt. Bewustmaking, kennisneming van en het delen van ervaringen zijn elementen die in de Facebookpost worden gestimuleerd.
De hogeschool zelf verklaart de ontstane ophef te betreuren. Inholland wil een hogeschool zijn waar iedereen zich thuis moet kunnen voelen, waar verschil er mag zijn en waar de talenten van ieder individu worden benut. Diversiteit ziet de hogeschool als kracht. Er wordt veel aandacht besteed aan onderwerpen als diversiteit en inclusie en de hogeschool voert structureel de dialoog met collega’s en studenten.
Deelt u de opvatting dat Hogeschool Inholland met het plaatsen van dit bericht op haar Facebook-pagina zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing en flagrante politieke indoctrinatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, het bevorderen van goed burgerschap is een taak van het onderwijs. De manier waarop instellingen deze taak op zich nemen laten wij als maatwerk over aan de instellingen zelf.
Bent u van mening dat van «...samen leren, samen durven...» waar in het bericht op Facebook over gesproken wordt, geen sprake kan zijn als Inholland expliciet en uitsluitend verwijst naar wat blanke studenten kunnen doen tegen racisme en daarbij ook nog verwijst naar de uiterst haatvolle en opruiende speech van Akwasi, waarin zelfs gedreigd werd met fysiek geweld tegen Zwarte Piet, de racistische website withuiswerk.nl en het eveneens racistische boek «Hallo Witte Mensen» van Anousha Nzume? Zo nee, waarom niet?
Het recente rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau, «Ervaren discriminatie II», dat op verzoek van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opgesteld, laat zien dat discriminatie een grote impact heeft op het leven van individuen. Zoals beschreven in de Kamerbrief kabinetsaanpak van discriminatie d.d. 15 juni zijn de conclusies van het SCP-rapport te zien als stimulans om discriminatie binnen de school/instelling aan te pakken en bespreekbaar te maken, ook vanuit het thema Burgerschap. De Facebookpost van Hogeschool InHolland is te zien als een aanmoediging om discriminatie bespreekbaar te maken. Naar aanleiding van de gebeurtenissen van de afgelopen weken organiseert de hogeschool een reeks gesprekken over diversiteit en inclusie. Sinds 2017 loopt binnen de hogeschool daarnaast al de onderzoekslijn diversiteitsvraagstukken en is er een structurele verankering van de discussie over diversiteit en inclusie in een community of practice.
Erkent u dat de door de universiteiten en hogescholen aangestelde en gefaciliteerde «diversity officers» bij uitstek het voorbeeld zijn van politieke indoctrinatie in het hoger onderwijs en bent u bereid om met de Vereniging van Universiteiten (VSNU) in gesprek te gaan om hogescholen en universiteiten te bewegen hun zogenaamde «diversity officers» te ontslaan, omdat het nadrukkelijk geen taak is van de academische gemeenschap om studenten te bewegen in de richting van anarchisme, ondermijnend en splijtend actievoeren, temeer omdat de Nederlandse belastingbetaler zich in overgrote meerderheid afkeert van dergelijke subversie? Zo nee, waarom niet?
Nee, de onderwijsinstellingen hebben de vrijheid het onderwijs zelf in te richten binnen de wettelijke kaders. Het is aan de instellingen om te bepalen of er wel of geen diversity officers aangesteld worden. Hier is sprake van maatwerk.
Bent u tenslotte bereid om de VSNU te bewegen wetenschappelijke onderzoeken en publicaties die nuance aanbrengen, waartoe het artikel van Syp Wynia een goede basis biedt, omdat die betogen dat in Nederland bij uitstek nauwelijks sprake is van institutioneel racisme, onder de aandacht te brengen van docenten, hoogleraren en studenten? Zo nee, waarom niet?2
Nee, dat is aan hogeronderwijsinstellingen.
Het bericht 'Corona jaagt ov-reizigers de deelauto in' |
|
Carla Dik-Faber (CU), Rutger Schonis (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Corona jaagt ov-reizigers de deelauto in»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe u het gebruik van deelauto’s op een veilige manier gaat stimuleren?
Via mijn inzet in het kader van de Green Deal Autodelen II stimuleer ik het gebruik van autodelen. Zie ook mijn antwoorden op vragen 7, 8 en 9. Om veilig gebruik van de deelauto te stimuleren tijdens de coronacrisis heeft de BOVAG, samen met deelautoaanbieders en in afstemming met het Ministerie van IenW, een sectorbreed hygiëneprotocol2 opgesteld voor de deelauto. De maatregelen uit dit protocol worden door de deelautoaanbieders gecommuniceerd met de gebruikers van de deelauto’s zodat zij de deelauto veilig kunnen gebruiken.
Klopt het dat het gebruik van deelauto’s in de coronacrisis met 15% is toegenomen en dat deze toename het gevolg is van mensen die het openbaar vervoer (OV) mijden? Zo ja, deelt u de opvatting dat dit een zorgwekkende ontwikkeling is en dat we ervoor moeten zorgen dat mensen niet bang moeten zijn om het OV weer te gaan benutten?
Verschillende aanbieders van deelauto’s, waaronder Greenwheels en Snappcar, hebben aangegeven dat het gebruik van de door hen aangeboden deelauto’s met meer dan 15 procent is gestegen. Deze bedrijven geven tevens aan dat zij hun klanten niet actief bevragen, maar uit onderzoek3 van de BOVAG blijkt dat het om een relatief kleine groep mensen gaat die momenteel het OV mijden en gebruik maken van een deelauto (20.000 a 25.000 personen). Ik deel de opvatting dat mensen niet bang moeten zijn om het OV weer te benutten mits ze zich houden aan de afgesproken coronamaatregelen voor het OV.
Valt redelijkerwijs te verwachten dat deze toename van automobiliteit gaat zorgen voor meer drukte en files op de wegen? Zo ja, bent u dan bereid een oproep te doen namens de rijksoverheid, waarin mensen duidelijk wordt gemaakt dat het OV veilig is en het gebruik ervan grote congestieproblemen op de wegen zal voorkomen?
Ik verwacht, gezien de relatief geringe omvang van deze vorm van automobiliteit, geen groot effect op de drukte en de files op de wegen.
Deelt u de inschatting dat deze ontwikkeling waarschijnlijk gevolgen heeft voor de CO2-uitstoot? Bent u bereid er alles aan te doen om de groep particulieren die is overgestapt naar de auto weer in het OV te krijgen om meer CO2-uitstoot te voorkomen?
Gezien de relatief kleine groep die nu voor de deelauto kiest zal het effect op de CO2 uitstoot naar verwachting gering zijn.
Deelt u de analyse van de onderzoekers dat er alleen een stijging waarneembaar is op de particuliere markt? Kunt u uw strategie toelichten bij het benaderen en overtuigen van deze particulieren om weer te kiezen voor het OV?
Wat betreft de stijging op de particuliere markt moet ik afgaan op de analyse van de klantendata van de deelautoaanbieders. Zij stellen dat de stijging zich vooral voordoet bij deelautogebruik door particulieren, niet de zakelijke rijder. Ik zie geen reden hieraan te twijfelen.
Het kabinet heeft besloten om per 1 juli a.s. een verdere opschaling van de bezetting in het OV mogelijk te maken4. Zo wordt er voor gezorgd dat er meer mensen met het OV kunnen reizen. Vanaf 1 juli vervalt het advies dat het OV alleen voor noodzakelijke reizen is, iedereen kan dus weer met het OV. Het mondkapje blijft verplicht. Ook blijft het belangrijk drukte te mijden en te spreiden en blijven we vooralsnog zoveel mogelijk thuiswerken.
Deelt u de opvatting dat het delen van auto’s ervoor kan zorgen dat minder autobezit nodig is en dat initiatieven zoals SnappCar, Buurauto en deelinitiatieven van burgercoöperaties kunnen bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelstellingen?
Ja. Zie hiervoor o.a. ook mijn inzet in de GreenDeal autodelen.
Deelt u de visie dat het belangrijk is om in het beleid van de rijksoverheid consequent in te zetten op de elektrische deelauto?
Dit kabinet streeft naar 100 procent zero emissie nieuwverkoop van personenauto’s in 2030. Onze inzet binnen de Green Deal Autodelen II en de City Deal elektrische deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling, is om het proces van elektrificatie van de deelauto te versnellen.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het kiezen van elektrische deelauto’s gestimuleerd kan worden op platforms zoals SnappCar waar 50.000 auto’s beschikbaar worden gesteld?
Ik ben bereid om met de sector het gesprek hierover aan te gaan. Dit sluit overigens ook goed aan op mijn inzet in de GreenDeal autodelen II.
Kunt u nader toelichten waarom het niet mogelijk is om de subsidie voor aanschaf van nieuwe of tweedehands elektrische auto’s ook beschikbaar te stellen voor elektrische deelauto’s van coöperaties? Op welke manier krijgen coöperaties een stimulans om een elektrische deelauto aan te schaffen?
De subsidieregeling elektrische personenauto’s particulieren (SEPP) is, conform de afspraken uit het klimaatakkoord, uitsluitend opgezet voor particulieren (natuurlijke personen). Coöperaties kunnen weliswaar bestaan uit particulieren maar zijn wat betreft de rechtsvorm geen natuurlijk-persoon. Bij SEPP is de natuurlijk persoon het subsidie-object. Daarom ontvangt de particulier ook zelf/persoonlijk de subsidie en niet het autobedrijf of de leasemaatschappij. De uitvoering van de subsidieregeling zou te complex worden om andere doelgroepen hieraan toe te voegen. Particulieren kunnen overigens wel hun via SEPP gesubsidieerde elektrische personenauto’s inzetten om te delen via een platform als Snappcar.
Coöperaties hebben net als alle andere natuurlijke personen en rechtsvormen wel een BPM-vrijstelling bij de aanschaf van een elektrische personenauto en zij hebben een vrijstelling op de motorrijtuigenbelasting tot 2025. Indien de coöperatie winst maakt, kunnen zij in 2020 tevens gebruik maken van het fiscale voordeel op elektrische personenauto’s via de Milieu investeringsaftrek (MIA).
Het bericht ‘IOM deplores killing 30 trafficked migrants Libya’ |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IOM deplores killing 30 trafficked migrants Libya»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de dood van 30 migranten naar aanleiding van een vuurgevecht, waarbij een smokkelaar betrokken was? Kunt u het bericht bevestigen? Kunt u aangeven wat er is gebeurd?
Het kabinet betreurt ten zeerste het incident op 27 mei 2020 waarbij 30 migranten zijn gedood in Mezda, ten zuiden van Tripoli. Deze migranten zijn om het leven gekomen bij een vuurgevecht in een opslagplaats gebruikt door mensensmokkelaren/handelaren. Het is heel ingewikkeld om meer precieze en geverifieerde informatie te verkrijgen omdat het gebied zeer onveilig is en moeilijk te bereiken voor internationale organisaties. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid zich via de JBZ-raad en eventuele andere diplomatieke kanalen uit te spreken voor een onderzoek door de autoriteiten naar dit incident, zodat de daders kunnen worden opgespoord en berecht? Zo nee, waarom niet?
Direct na het incident heeft de EU-delegatie namens alle EU-lidstaten met vertegenwoordiging in Libië (w.o. Nederland) een verklaring uitgebracht waarin de dood van de migranten wordt veroordeeld.2 Daarnaast heeft Nederland in een nationale verklaring in de Mensenrechtenraad op 18 juni jl. afschuw uitgesproken over het incident en de Libische autoriteiten opgeroepen tot een grondig onderzoek met als doel de daders ter verantwoording te brengen.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie voor inwoners en migranten in Libië, gelet op de Coronacrisis en de gevechten die nog steeds in verschillende delen van Libië plaatsvinden?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Libië nauwgezet. De uitbraak van het Covid-19 virus in Libië baart het kabinet zorgen. De gezondheidszorg in Libië is niet voldoende geëquipeerd om een eventuele grootschalige uitbraak van het virus het hoofd te bieden. Dit legt extra druk op een bevolking die door toedoen van het voortdurende conflict al lange tijd onder zware omstandigheden leeft. Een duurzaam staakt-het-vuren heeft absolute prioriteit. Nederland steunt daarom het door de VN geleide politieke proces.
Op welke wijze zet Nederland zich, al dan niet via de EU, concreet in voor het verbeteren van de situatie voor inwoners van Libië en groepen migranten die in Libië verblijven?
Het kabinet heeft in het najaar van 2019 additionele bijdragen aan UNHCR en IOM in Libië (resp. EUR 3,3 mln. en EUR 2,1 mln.) gedaan om de verslechterde humanitaire situatie van vluchtelingen, migranten en intern ontheemden het hoofd te bieden. Deze bijdragen worden o.a. ingezet voor financiële ondersteuning (in contanten) aan vluchtelingen en intern ontheemden in stedelijke centra in Libië, opvang en het faciliteren van vrijwillige terugkeer van migranten, en evacuatie van kwetsbare vluchtelingen vanuit Libië naar het nieuwe ETM Rwanda. Via het EU-Trustfund for Africa (EUTF) is tot op heden € 408 mln. gemobiliseerd voor projecten in Libië, waarbij bijna de helft ten goede aan vluchtelingen, migranten en intern ontheemden. Daarnaast worden er momenteel middels EUTF extra middelen vrij gemaakt voor ondersteuning van migranten en vluchtelingen i.h.k.v. de Coronacrisis.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de sluiting van Libische detentiecentra? Welke inspanningen levert Nederland concreet om deze centra zo snel mogelijk te sluiten?
Zoals uw Kamer bekend, zet het kabinet zich in voor het verbeteren van de situatie van migranten en vluchtelingen in de Libische detentiecentra met als doel de uiteindelijke sluiting daarvan. Hier heeft Nederland in bovengenoemde nationale verklaring in de Mensenrechtenraad wederom tot opgeroepen. Ook de bijdragen genoemd in het antwoord op vraag 5 zijn mede gericht op het sluiten van de centra door hieruit afkomstige migranten en vluchtelingen elders op te vangen. De inzet is hen te helpen om Libië te verlaten of zich te vestigen in stedelijke gebieden. Hoewel het aantal migranten en vluchtelingen dat vastzit en het aantal centra is de afgelopen jaren gedaald is, bevinden zich volgens cijfers van UNHCR momenteel nog ca. 2.000 personen in de officiële detentiecentra.
De oprichting van de Inclusieve Vaccin Alliantie |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
In hoeverre kan de oprichting van de zogeheten «Inclusieve Vaccin Alliantie» samen met Duitsland, Frankrijk en Italië worden gezien als een opmaat naar één gezamenlijke Europese inkoop van een vaccin/vaccins tegen het coronavirus?1
Nederland heeft met Duitsland, Frankrijk en Italië een stevige stap naar voren gezet, omdat snelheid nodig is en de situatie erom vraagt nu te handelen om te komen tot een vaccin tegen het coronavirus. Daarbij is het uitgangspunt vooropgezet dat elke afspraak voor alle EU-lidstaten onder dezelfde condities als voor de initiatiefnemers toegankelijk zou moeten zijn. Het initiatief van de Alliantie is niet onopgemerkt gebleven en het is goed dat nu ook de Europese Commissie een stap naar voren heeft gezet met de presentatie van de EU Vaccin Strategie op 17 juni jl. Daarbij zijn de vier landen van de Alliantie inmiddels gevraagd om samen met de Commissie in een Joint Negotiation Team de al lopende maar ook aankomende onderhandelingen te gaan voeren. De Commissie heeft daarbij een budget van 2,7 miljard euro beschikbaar gesteld. We stellen onze kennis en kunde graag ter beschikking aan deze brede Europese samenwerking.
Verwacht u dat op korte termijn meer landen aanhaken bij deze alliantie? Zo ja, met welke landen worden op dit moment gesprekken gevoerd over toetreding?
Er wordt op dit moment met een aantal EU-lidstaten gesprekken gevoerd over toetreding tot de overeenkomst die de Inclusieve Vaccin Alliantie met AstraZeneca heeft gesloten. Ik verwacht dat een flink aantal EU-lidstaten zich bij deze overeenkomst zal aansluiten.
Overweegt u samen met uw collega’s ook om de alliantie uit te breiden met landen die zich buiten Europa bevinden en die eveneens streven naar een wereldwijd toegankelijk en betaalbaar vaccin?
Een van de uitgangspunten van de Alliantie is om te investeren in bredere toegankelijkheid van vaccins voor ook kwetsbare landen. De onderhandelingen en afspraken concentreren zich momenteel op het maken van afspraken voor EU-lidstaten, maar hierbij wordt wel bezien hoe aan deze bredere toegankelijkheid kan worden voldaan. Daarnaast is er vanuit landen die geen lid van de EU zijn interesse getoond in de afspraak die de Alliantie met AstraZeneca heeft gemaakt. Momenteel wordt nog bezien hoe daarmee kan worden omgegaan.
Hoe verhoudt het streven van de alliantie enerzijds om te verzekeren dat voldoende vaccins beschikbaar komen voor inwoners van Europese landen zich tot het streven van de alliantie anderzijds om ook bij te dragen aan het verzekeren van vaccins voor kwetsbare landen, zoals op het Afrikaanse continent? Gaat het eerste voor op het tweede en is hierbij sprake van een bepaalde verdeelsleutel?
We volgen meerdere paden om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van vaccins te vergroten. De Alliantie is primair bedoeld om de Europese bevolking van vaccins te voorzien, maar in het MoU is nadrukkelijk opgenomen dat de Alliantie zich zal inzetten voor het vergroten van de beschikbaarheid buiten de EU – en met name voor kwetsbare landen. De landen van de Alliantie hebben bijvoorbeeld forse financiële bijdragen toegezegd aan CEPI, die inmiddels met AstraZeneca een vergelijkbaar contract heeft afgesloten voor de levering van het «Oxford vaccin».
Hoe verhoudt de oprichting van de Inclusieve Vaccin Alliantie zich tot andere internationale initiatieven die streven naar een wereldwijd toegankelijk en betaalbaar vaccin en waar Nederland zich aan heeft gecommitteerd, zoals de Covid-19 pool?2 Bestaat er een risico dat deze initiatieven elkaar in de weg kunnen gaan zitten?
Om zo snel mogelijk een veilig en effectief vaccin tegen het coronavirus beschikbaar te krijgen zijn verschillende initiatieven nodig. Een spoor is het daarbij inzetten op kennisdeling, een ander spoor is het om te investeren in concrete beschikbaarheid van grotere hoeveelheden (kandidaat-)vaccins. Inderdaad moet worden voorkomen dat initiatieven elkaar in de weg gaan zitten. Daarom is het goed dat de inspanningen van de Inclusieve Vaccin Alliantie en de EU Vaccin Strategie elkaar versterken.
Op welke manieren gaan u en uw ambtsgenoten concreet proberen om via de alliantie de productie van een vaccin in Europese faciliteiten te stimuleren?
Met AstraZeneca is afgesproken dat de vaccins zoveel mogelijk in de EU geproduceerd zullen worden. De EU Vaccin Strategie bevat eveneens de mogelijkheid om te investeren in het uitbreiden van de productiecapaciteit in Europa.
Voorts wordt de productie in de EU gestimuleerd door procedures waar mogelijk te versnellen. Voor de helderheid, de toelating van een uiteindelijk vaccin zal inhoudelijk echter hetzelfde blijven, op dit gebied gaat het dan eerder om het vergroten van de capaciteit bij de beoordeling van resultaten.
De btw-verlaging op o.a. groente en fruit in Duitsland. |
|
Femke Merel Arissen (PvdT) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Duitsland gaat economie stimuleren met pakket van recordomvang», waarin melding wordt gemaakt van een tijdelijke verlaging van de «mehrwertsteuer» van 19 tot 16 procent?1 Kent u het bericht «Groente en fruit goedkoper na Duits steunpakket btw»2 waarin wordt vermeld dat het lage btw-tarief van 7% naar 5% gaat?
Ja.
Kunt u de (te verwachten) effecten beschrijven van de Duitse btw-verlaging op de Nederlandse economie?
De effecten van de Duitse btw-verlaging op de Nederlandse economie zijn onzeker, maar om een aantal redenen is te verwachten dat de effecten beperkt zijn. Ten eerste betreft het betrekkelijk kleine aanpassingen van de tarieven. Ten tweede betreft het tijdelijke aanpassingen. Het is de vraag in hoeverre de btw-verlaging wordt doorgerekend in verlaging van de consumentenprijzen. Potentieel kan de verlaging van de Duitse btw leiden tot een toename van de consumptie in Duitsland. Een stijging van de consumptie kan positieve effecten hebben op Nederlandse ondernemers die leveren aan afnemers in Duitsland, zoals de landbouwsector. De toename van de consumptie in Duitsland kan ook deels voortvloeien uit verschuivingen van koopstromen tussen EU-landen. Dit kan betekenen dat Nederlandse ondernemers in de grensregio enige klandizie verliezen. Nederlanders kunnen namelijk meer over de grens gaan kopen en Duitsers kunnen minder in Nederland gaan kopen.
In aanloop naar de verhoging van het verlaagde btw-tarief in Nederland van 6% naar 9% in 2019, is door ITEM onderzoek gedaan naar de mogelijke grenseffecten.3 Op basis van dat onderzoek is geconcludeerd dat de grenseffecten van een verandering van de btw-tarieven van enkele procenten naar verwachting beperkt zijn. De bestaande prijsverschillen tussen landen variëren sterk per product en zijn vaak groter dan enkele procenten btw.
Kunt u specifiek ingaan op de gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemers in de grensregio?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat ondernemers in de grensstreek door de coronacrisis al extra zijn getroffen door het deels sluiten van de grenzen voor personenverkeer en dat deze btw-verlaging in Duitsland dit versterkt?
Het kabinet zijn geen cijfers bekend over regio-specifieke effecten van de coronacrisis. Uiteraard is het van belang dat wij oog houden voor de effecten van verschillende nationale en internationale beleidsontwikkelingen.
Welke maatregelen zijn er feitelijk mogelijk om de negatieve gevolgen voor ondernemers in de grensstreek te compenseren? Hoe beoordeelt u deze maatregelen en gaat u deze maatregelen treffen? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet heeft voor ondernemers die moeilijkheden ervaren tijdens de coronacrisis diverse fiscale maatregelen getroffen, zoals bijzondere uitstel van betaling van belastingen of een belastingvrije Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19. Aan de hand van de reeds genomen maatregelen wordt ondersteuning geboden aan bedrijven die de directe gevolgen ondervinden van de coronacrisis. Daarentegen zijn maatregelen die gekoppeld zijn aan de geografische ligging van ondernemers strijdig met de neutraliteit van het beleid. Gelet op het bovenstaande en de naar verwachting beperkte gevolgen in Nederland van de Duitse btw-verlaging, liggen aanvullende maatregelen naar aanleiding van de Duitse btw-verlaging momenteel nog niet voor de hand.
Hoe staat u tegenover een vergelijkbare, tijdelijke verlaging van de btw in Nederland? Overweegt u zo’n tijdelijke btw-verlaging? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de btw-verlaging in Duitsland en België bekijkt het kabinet wat verstandig is om te doen op dit punt. Momenteel is het kabinet niet voornemens de btw-tarieven in Nederland tijdelijk te verlagen. Nut en noodzaak lijken beperkt, gezien de naar verwachting beperkte effecten. In theorie biedt een btw-verlaging een algemene stimulans aan de koopkracht. Het is echter onbekend hoe de tariefsverlaging zou worden doorberekend in de prijzen en wie hiervan profiteert. Een algemene btw-verlaging begunstigt voornamelijk de sectoren met veel omzet, terwijl juist sectoren met omzetverlies de stimulans nodig hebben. In de vrijetijdssector lijkt de stimulering van de afzet überhaupt niet aan de orde, gelet op de beperkte capaciteit door de regels omtrent afstand houden. Een tijdelijke verlaging zou bovendien ongericht zijn in het compenseren van de ondernemers in de grensstreek en leiden tot veel administratieve kosten voor bedrijven voor aanpassing van prijzen in de winkels en ict-systemen. Het verlagen van de btw-tarieven voor een half jaar is dus naar verwachting ondoelmatig. De introductie van een nieuw, nog niet bestaand tarief is bovendien op korte termijn IT-technisch niet mogelijk voor de Belastingdienst.
Kunt u uiteenzetten wat de (te verwachten) effecten zijn op de Nederlandse economie indien een vergelijkbare tijdelijke btw-verlaging ook in Nederland ingevoerd zou worden, waarbij u aandacht besteedt aan de effecten voor producenten, het midden en kleinbedrijf en consumenten, of bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Zoals in vraag 6 is aangegeven, bestaat twijfel of een btw-verlaging in Nederland de gewenste effecten heeft. Het kabinet begrijpt de wens om een onderzoek te doen, om de wenselijkheid van beleidsopties in kaart te brengen. Het kabinet ziet echter af van een onderzoek naar een btw-verlaging in reactie op de Duitse btw-verlaging, omdat dit pas tot resultaten leidt tegen de tijd dat Duitsland de btw-tarieven weer verhoogt en omdat de maatregel niet uitvoerbaar is voor de Belastingdienst op korte termijn.
Kunt u uiteenzetten wat de (te verwachten) effecten zijn voor de Nederlandse economie indien u besluit de btw op alle in Nederland geproduceerde producten tijdelijk te verlagen of geheel vrij te stellen van btw, waarbij u in uw antwoord aandacht besteedt aan de effecten voor producenten, het mkb en consumenten, of bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
De Europees geharmoniseerde BTW-richtlijn 2006 staat niet toe om een onderscheid te maken naar afkomst van een product. In de btw geldt als hoofdregel dat de levering van een goed of dienst belast is naar het btw-tarief van het land van bestemming. Dit betekent dat een voedingsmiddel afkomstig uit Frankrijk, Duitsland of China belast is tegen hetzelfde btw-tarief als een voedingsmiddel afkomstig uit Nederland.
Kunt u aangeven wat het effect is geweest van de verhoging van het lage btw-tarief3 van 6 naar 9 procent op de consumptie van groente en fruit? Bent u bereid om de verhoging van de btw op groente en fruit te verlagen of minimaal terug te draaien, hetzij tijdelijk hetzij structureel? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment heeft het Kabinet niet de beschikking over data over de consumptie van groente en fruit in 2019. Meerdere factoren beïnvloeden de consumptie van groente en fruit. Aangezien de btw in 2019 niet alleen is verhoogd op groente en fruit, maar ook op alle andere voedingsmiddelen, is naar verwachting de consumptie van groente en fruit niet gedaald door deze maatregel.
Bent u een voorstander van een hogere groente- en fruit consumptie, nu ook artsen en wetenschappers, waaronder van het RIVM, stellen dat meer aandacht voor preventie, een gezondere levensstijl, mensen weerbaarder maakt in de strijd tegen het coronavirus?
Het kabinet is er voorstander van dat Nederlanders zoveel mogelijk eten volgens de Schijf van Vijf. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlanders betekent dat een hogere groente- en fruitconsumptie. De afgelopen weken is onder andere door wetenschappers en medici aandacht gevraagd voor het belang van een gezonde leefstijl om weerbaarder te zijn tegen de gevolgen van een coronabesmetting. Het kabinet deelt de oproepen dat een gezonde leefstijl belangrijk is. Dat geldt natuurlijk altijd, ook los van COVID-19. De Staatssecretaris van VWS is in gesprek met deze wetenschappers en artsen om te bezien op welke wijze gezonde leefstijl – ook op korte termijn- kan worden gestimuleerd.
Bent u bekend met het feit dat veel Nederlandse ouderen te weinig groente en fruit eten en dat dit hun gezondheid schaadt?
Van de volwassen Nederlanders eet zo’n 16% de dagelijks aanbevolen hoeveelheid groenten en zo’n 13% dagelijks aanbevolen hoeveelheid fruit (bron: www.wateetnederland.nl). Hier is nog veel ruimte voor verbetering. De consumptie neemt, zeker voor groenten, toe met de leeftijd. De ouderen doen het dus relatief goed. Dit neemt niet weg dat er ook bij ouderen gezondheidswinst te behalen is als ze meer groente en fruit eten.
Indien u de consumptie van voldoende groente en fruit in Nederland belangrijk vindt, welke maatregelen neemt het kabinet of heeft het kabinet genomen om de consumptie van groente en fruit te verhogen en welke effecten zijn daarvan bekend of worden daarvan verwacht? Stellen de resultaten u tevreden? Zo nee, welke extra inspanningen zijn nodig?
Een gezonde leefstijl is waar veel maatschappelijke organisaties, kennisinstituten en gemeenten zich met het Nationaal Preventieakkoord (NPA) en het Nationaal Sportakkoord landelijk en lokaal voor inzetten. Een van de doelen uit het NPA is dat alle inwoners van Nederland eten en drinken op een wijze die bijdraagt aan een gezond gewicht en een gezond voedingspatroon. De Schijf van Vijf is hier de leidraad voor en consumptie van voldoende groente en fruit is daar een belangrijk onderdeel van. Om de gezonde keuze makkelijker te maken wordt bijvoorbeeld op diverse plekken zoals school- en sportkantines en ziekenhuizen gewerkt aan een gezondere voedselomgeving en stimuleert de horecabranche haar leden meer groente aan te bieden. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van VWS toe naar de introductie van een nieuw voedselkeuzelogo, Nutri-Score, waarbij de hoeveelheid groente en fruit in een product mede bepaalt hoe gezond een product scoort. De staatsecretaris van VWS heeft uw Kamer 22 juni geïnformeerd over de voortgang van het Nationaal Preventieakkoord. Specifiek voor deze tijd van coronacrisis staan op het Loket Gezond leven van het RIVM leefstijladviezen voor thuis, ook omdat voor heel veel Nederlanders de woon- en werkomgeving opeens is veranderd; thuis werken, thuis eten, minder gelegenheid om te sporten. Gezonde keuzes maken is voor veel mensen dan ook een nog grotere uitdaging dan normaal.
De waardedalingsregeling in het Groninger aardbevingsgebied. |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel van RTV Noord over de teleurstelling van oud-hoogleraar De Kam inzake de inhoud van de waardedalingsregeling?1 Wat is daarop uw reactie?
De adviescommissie Hammerstein heeft advies uitgebracht over de vraag welke van de zes bekende onderzoeksmethodes om waardedaling vast te stellen, het beste kan worden gebruikt om schade door waardedaling vast te stellen. De commissie heeft na een grondige vergelijking aanbevolen de methode van Atlas voor Gemeenten te gebruiken. De kwartiermaker IMG heeft, zoals ook voorgesteld en conform de gewijzigde motie van de leden Agnes Mulder en Sienot (Kamerstuk 35 250, nr. 39), de commissie Hammerstein gevraagd alsnog ook te adviseren over de methode van Invisor, welke methode nog niet was gepubliceerd ten tijde van het uitbrengen van het oorspronkelijke advies door de adviescommissie Hammerstein. In een aanvullend advies heeft de adviescommissie Hammerstein uitvoerig gemotiveerd waarom de eerder door haar geselecteerde methode nog steeds de voorkeur verdient. De commissie heeft namelijk wetenschappelijke en methodologische bezwaren tegen deze methode en beoordeelt de uitkomsten als niet plausibel. Zo gaf de methode uitkomsten waarbij woningen in de kern van het aardbevingsgebied zich in de afgelopen jaren ongeveer op dezelfde manier ontwikkelden als woningen in de meest gewilde delen van de Randstad. De kwartiermaker komt tot de conclusie dat er onvoldoende argumenten zijn om te kiezen voor deze methode en ziet geen reden om af te wijken van de aanbevelingen van de commissie Hammerstein.
De kwartiermaker IMG heeft daarom geen aanleiding gezien om voor een andere methode te kiezen en zal de waardedaling vaststellen aan de hand van de onderzoeksmethode van Atlas voor Gemeenten. Uit de Tijdelijke wet Groningen vloeit voort dat het IMG geheel onafhankelijk zijn werkwijze vaststelt. Desondanks vind ik het jammer om te moeten vernemen dat de heer De Kam de gekozen methode door het IMG niet ondersteunt.
Gaat het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) ook de mensen die de afgelopen jaren veel te weinig compensatie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) hebben gekregen alsnog tegemoetkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bewoners die al van de NAM een vergoeding voor waardedaling hebben ontvangen, kunnen niet opnieuw een aanvraag om vergoeding van schade door waardedaling indienen bij het IMG. Het IMG is niet bevoegd om reeds vergoede schades door NAM opnieuw te beoordelen.
Wat gaat u doen om deze mensen alsnog te compenseren voor het verlies dat zij hebben geleden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waarom is er gekozen voor de voorwaarde om in aanmerking te komen voor waardedalingscompensatie dat minstens 20% in het postcodegebied schade heeft?
Dit is een afweging van het IMG. Het IMG i.o. heeft daar het volgende over gecommuniceerd: Het IMG i.o. neemt de aanbevelingen van de Adviescommissie Waardedaling over. Deze adviseert de gebiedsafbakening uit de methode van Atlas voor Gemeenten te gebruiken en dit toepassingsgebied zekerheidshalve ruim vast te stellen. Het gebied waar sprake is van waardedaling, is vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de verkoopprijzen van 45.000 woningen in het aardbevingsgebied met woningen in de rest van Nederland. Uit deze grootschalige vergelijking komt naar voren dat in postcodegebieden vanaf 40% toegekende schademeldingen significant sprake is van waardedaling. Bewoners in postcodegebieden met 20–40% toegekende schademeldingen komen echter ook voor schadevergoeding in aanmerking, omdat waardedaling daar niet uitgesloten kan worden. De grens van 20% is dus geen voorwaarde, maar een resultante van het door Atlas voor Gemeenten uitgevoerde onderzoek.
Hoe vaak komt het voor dat eigenaren niet in aanmerking komen voor compensatie van waardedaling omdat ze in een buurt met veel huurders wonen die hun schade niet melden en daarom niet aan de 20% schademeldingen komen?
Het IMG heeft laten weten dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat geen of minder vaak schade wordt gemeld aan verhuurde woningen. Zo heeft het IMG i.o. bijvoorbeeld ook specifiek een convenant afgesloten met de woningcorporaties om de aan hun woningbezit ontstane schade af te handelen. Zie voorts het antwoord op vraag 6 met betrekking tot het ruim afbakenen van het toepassingsgebied.
Deelt u de mening dat iedereen wiens huis in waarde is gedaald door mijnbouwactiviteiten, ook buiten de postcodegebieden, recht heeft op compensatie van waardedaling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in antwoord op vraag 4 is aangegeven, wordt het toepassingsgebied zekerheidshalve ruim afgebakend door schadevergoeding toe te kennen in postcodegebieden vanaf 20% toegekende schademeldingen. In postcodegebieden met minder dan 20% toegekende schademeldingen wordt een tegenovergesteld effect gevonden. De waarde van deze woningen is gestegen in vergelijking met woningen in de rest van Nederland, zo blijkt uit de onderzoeksmethode van Atlas voor Gemeenten. Van een verminderde waardeontwikkeling is bij deze woningen dus geen sprake.
Klopt het dat mensen in Drenthe die ook met waardedaling van hun huis te maken hebben, niet in aanmerking komen voor waardedalingscompensatie? Zo ja, wat vindt u daar van? Zo nee, hoe en wanneer worden deze mensen geïnformeerd over hun mogelijkheden om de compensatie aan te vragen?
Indien er in de provincie Drenthe daadwerkelijk sprake is van schade door waardedaling, wordt die vergoed. Zo is op de website van het IMG i.o. bijvoorbeeld te zien dat voor de Drentse gemeente Aa en Hunze, een procentuele waardedaling is vastgesteld. Voor het overige is er dus geen sprake van waardedaling. Zie voor verdere toelichting op het toepassingsgebied het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u er van dat mensen 200 meter van het postcodegebied wonen, grote schades hebben, maar niet gecompenseerd worden?
Het IMG i.o. geeft aan dat de compensatie voor waardedaling losstaat van fysieke schade aan woningen. Het kan dus inderdaad, zoals toegelicht in antwoord op vraag 5 en 6, voorkomen dat bij een woning met fysieke schade geen sprake is van waardedaling. De fysieke schade wordt afzonderlijk vergoed.
Vindt u het rechtvaardig dat mensen in de kern van het bevingsgebied iedereen gecompenseerd wordt, maar dat mensen die verder weg wonen, bijvoorbeeld in Delfzijl en Hoogezand, naar verhouding minder compensatie krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij het vaststellen van de schade als gevolg van waardedaling hanteert het IMG de onderzoeksmethode van Atlas voor Gemeenten. Daarin is, nadat het toepassingsgebied is vastgesteld, onderzocht of er verklarende factoren zijn voor de omvang van de waardedaling binnen het gebied. De ligging in het gebied (imago-effect) en het aantal ondervonden aardbevingen blijken de verklarende factoren te zijn: de waardedaling in de kern van het aardbevingsgebied blijkt groter te zijn dan aan de randen van het gebied. Het percentage waardedaling kent daarom twee componenten. In de eerste plaats een imago-effect van 2,7%. Dit percentage bevat een toeslag van 0.4% ten gunste van de bewoner die rekening houdt met eventuele onzekerheden. Het tweede component bevat een percentage dat afhankelijk is van het aantal ondervonden aardbevingen op de plek van de woningen. Dit betekent bijvoorbeeld dat in het zwaarst door aardbevingen getroffen deel van Loppersum 18,4% wordt toegekend in plaats van de gemeten 16,3% waardedaling. De gemeenten Delfzijl en Hoogezand vallen overigens geheel binnen het toepassingsgebied van de waardedalingsregeling.
Wat gaat u doen om de regeling rechtvaardiger te maken?
Ik benadruk hier graag de onafhankelijkheid van het IMG. Het IMG bepaalt binnen de gestelde wettelijke kaders haar eigen werkwijze en oordeelt over wie uiteindelijk een vergoeding ontvangt voor schade door waardedaling.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden voor 22 juni 2020 zodat ze betrokken kunnen worden bij het algemeen overleg Mijnbouw/Groningen?
Ja.
Het debat over burgerslachtoffers in Irak op mei 2020 |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u, aangezien u stelt dat niemand de tragische gevolgen van de aanval op Hawija ontkent of bagatelliseert, uiteenzetten wat deze tragische gevolgen precies zijn? Welk dodental hanteert u hierbij en van hoeveel gewonden gaat u uit?
U bent reeds in de Kamerbrieven van 4 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 670), 25 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 673), 24 maart jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 707), 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 711) en in de debatten over dit onderwerp geïnformeerd over de tragische gevolgen van deze aanval.
Bent u bereid bij CENTCOM te informeren waarom u verkeerd bent ingelicht over het aantal doden dat in de officiële telling werd gehanteerd voor de aanval op Hawija? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u het antwoord van CENTCOM met de Kamer delen?
De Kamer is hier in de brief van 24 maart jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 707) reeds over geïnformeerd. Daarin geef ik aan dat ik en marge van de Munich Security Conference (12–15 februari jl.) de heer Esper heb gesproken over deze kwestie, evenals over de brief die ik hem in dat kader had gestuurd. Het antwoord van dhr. Esper is de Kamer reeds bekend.
Wilt u contact opnemen met het internationale Rode Kruis om navraag te doen naar hun informatie over de burgerslachtoffers van de aanval op Hawija die in 2015 is gedeeld en te vragen of u de Kamer over deze informatie kunt informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief met antwoorden op nadere vragen over de wapeninzet in Hawija van 25 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 673), deelde ICRC in augustus 2015 met de ambassade in Bagdad een vertrouwelijke lijst van onbevestigde gevallen van burgerslachtoffers in Irak waarbij de anti-ISIS coalitie mogelijk betrokken was. In contacten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met ICRC voorafgaand aan de Kamerbrief van 25 november 2019 herbevestigde ICRC reeds het vertrouwelijke karakter van deze lijst. Zie voorts de voorgenoemde Kamerbrief.
Bent u bereid bij CENTCOM te informeren of filmmateriaal van de aanval op Hawija publiek gemaakt kan worden? Zo nee, waarom niet? Bent u, aangezien u zelf pleit voor meer transparantie, zelf voorstander van het vrijgeven van dit videomateriaal? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is reeds beantwoord in de brief van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 712, zie het antwoord op vragen 7 t/m 9).
Wat is uw reactie op de uitlating van NRC-journalist Kees Versteegh, die stelt dat het aantal van minimaal zeventig burgerslachtoffers voor Hawija dat meteen na de aanval werd gerapporteerd in internationale media al vrij snel door de Amerikanen deels geverifieerd werd via militaire satellieten, verkenningsvliegtuigen, drones en informanten ter plaatse? Kunt u dit bevestigen? Hebt u kennis van deze gedeeltelijke verificatie? Wat is er precies gedeeltelijk geverifieerd? Indien u dit niet weet, bent u bereid hier opheldering over te vragen bij de VS?1
Zoals in de brief van 4 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 670) wordt aangegeven voert CENTCOM standaard onderzoek uit wanneer er sprake is van een vermoeden van burgerslachtoffers. Zoals wordt aangegeven in de brief van 25 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 673) heeft het Ministerie van Defensie kort na de wapeninzet kennis genomen van het initiële CENTCOM-rapport over de wapeninzet van 15 juni 2015, en op 22 januari 2016 van de uitkomst van het aanvullende onderzoek naar het targeting proces (het zogenaamde AR 15–6 onderzoek). Het zijn deze onderzoeksrapporten waar het Ministerie van Defensie zich op baseert. De Kamer is op 21 april jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 709) geïnformeerd dat beide rapporten door de VS zijn vrijgegeven, wat de Kamer in staat stelt om zelf kennis te nemen van de inhoud ervan.
Bent u ermee bekend dat een ander coalitieland eerder heeft aangegeven de aanval op Hawija te hebben geweigerd?2
Deze vragen zijn reeds geadresseerd in de brieven van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vraag 2 en Kamerstuk 27 925, nr. 712, zie het antwoord op vragen 31 en 32). Het is het Ministerie van Defensie niet bekend dat een ander land de aanval zou hebben geweigerd.
Klopt het dat u voorafgaand aan het debat met de Kamer op 14 mei 2020 geen contact hebt opgenomen met andere landen van de coalitie met de vraag of, en zo ja, waarom, zij de aanval op Hawija hebben geweigerd?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid contact op te nemen met de verschillende landen die in juni 2015 Irak bombardeerden en te vragen wie eerder de uiteindelijk door Nederland uitgevoerde aanval op Hawija heeft geweigerd, waarom dat het geval was en, indien het land dat weigerde daarmee akkoord is, de Kamer hierover (desnoods, indien door het betreffende land gewenst, vertrouwelijk) te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel landen bombardeerden Irak in juni 2015? Welke landen waren dat?
Dit zijn negen landen, te weten Australië, België, Canada, Denemarken, Frankrijk, Jordanië, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten.
Klopt het dat u voorafgaand aan het debat op 14 mei 2020 geen navraag hebt gedaan bij CENTCOM of de term «meer waarschijnlijk dan niet» vaker wordt gehanteerd in de officiële telling van de coalitie? Zo ja, waarom hebt u daar geen navraag naar gedaan?
Zoals op 7 mei jl. in antwoord op gelijksoortige vragen (ingezonden 7 april 2020 met kenmerk 27 925, nr. 707) is aangegeven, betreft het hier een registratiesysteem dat niet door het Ministerie van Defensie wordt beheerd (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vragen 47 t/m 49 en 53). Daarom kunnen deze vragen niet door het ministerie worden beantwoord.
Klopt het dat het vaker voorkomt dat in de lijst van de door CENTCOM zelf onderzochte incidenten een dodental niet is bevestigd maar «meer waarschijnlijk dan niet» wordt geacht, zoals in het geval van Hawija? Indien u dit niet weet, wilt u hier dan navraag naar doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat de doden die CENTCOM in de eigen telling bijhoudt allemaal «meer waarschijnlijk dan niet» worden geacht en men aangaande deze lijst niet de term «bevestigd» hanteert?
Zie antwoord vraag 10.
Worden er verschillende termen gebruikt voor de mate van waarschijnlijkheid in de telling van burgerdoden van CENTCOM? Zo ja, welke termen worden voor de verschillende incidenten gebruikt?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat het vaker voorkomt dat in de lijst van de door CENTCOM zelf onderzochte incidenten een specifiek dodental is opgenomen, terwijl men niet precies weet hoeveel doden er zijn gevallen, zoals in het geval van Hawija? Indien u dit niet weet, wilt u hier dan navraag naar doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u toelichten op basis van wat voor informatie besloten is tot de aanval op Mosul in september 2015, waarbij vier burgerdoden vielen, en hoe het mogelijk was dat deze informatie niet deugde?
Deze vragen zijn reeds op 10 februari jl. geadresseerd in antwoord op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 1667, zie het antwoord op vraag 19), waarbij onder andere is verwezen naar het door de VS zelf uitgegeven openbare memorandum over het CIVCAS Closure Report van deze wapeninzet. Daarnaast is het eigen onderzoek van het Ministerie van Defensie naar deze wapeninzet openbaar gemaakt op 17 februari jl. (Kamerstuk 27 925, nrs. 682 en 705). In dit onderzoek is onder andere opgenomen op basis van welke informatie de aanval is uitgevoerd.
Op basis van welke informatie stemde de Red Card Holder van Nederland in met de aanval op Mosul? Beschikte hij over alle informatie over het doelwit of ontbraken allerlei details daarover omdat enkel de uitkomst van het inlichtingenproces werd gedeeld, zoals ook in het geval van de aanval op Hawija?
Zie antwoord vraag 15.
Is vastgesteld hoe de aanval op Mosul zo verschrikkelijk mis kon gaan? Zo ja, hoe is dat gedaan en wat is er vastgesteld? Kunt u toelichten hoe het dodental van vier van de aanval op Mosul in september 2015 is bevestigd? Op basis waarvan heeft CENTCOM besloten vier burgers op te nemen in de lijst van slachtoffers?
Zie antwoord vraag 15.
Zijn er aanbevelingen opgesteld naar aanleiding van de aanval op Mosul? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat CENTCOM/de coalitie geen obstakel vormde om het parlement jaren geleden al te informeren over de vele burgerdoden bij het bombardement op Hawija en dat het dus nationaal beleid was dat de Kamer niet in detail werd ingelicht hierover?
In de brief van 4 november 2019 (Kamerstuk 27 925, nr. 670) is hierover reeds het volgende aangegeven. Binnen de anti-ISIS coalitie wordt in een kerngroep van 13 landen op een zeer intensief niveau samengewerkt. Deze groep bestaat uit landen die een langdurige (militaire) relatie met elkaar hebben, waardoor er sprake is van een mate van vertrouwen die noodzakelijk is om in het hoogste geweldsspectrum met elkaar in een militaire coalitie te functioneren. Daarbij hoort dat partners geen uitspraken doen over nevenschade of burgerslachtoffers ten gevolge van wapeninzet van andere coalitiepartners, en dat ieder land eigenstandig bepaalt hoe hierover wordt gecommuniceerd. Wanneer door CENTCOM op basis van informatie van derden of op basis van eigen informatie kan worden vastgesteld dat een coalitiepartner mogelijk betrokken was bij mogelijke burgerslachtoffers, wordt het desbetreffende land daar zo snel mogelijk van op de hoogte gesteld. Het land in kwestie bepaalt vervolgens eigenstandig hoe met die kennis wordt omgegaan.
Kunt u bevestigen dat de VS al twee maanden na een vergelijkbaar omvangrijke miskleun, in Mosul in maart 2017, verantwoordelijkheid nam voor een aanval waarbij meer dan honderd burgerdoden vielen?3
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u toelichten wat u bedoeld met uw opmerking dat er afspraken waren op basis waarvan tijdens het vliegen, tijdens het opereren, geen informatie met wie dan ook gedeeld zou worden? Kunt u de letterlijke tekst(en) van deze afspraken met de Kamer delen?
Het antwoord op vraag 21 vloeit voort uit het feit dat, zoals in de brief van 4 november jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 670) is gemeld, het kabinet van oordeel was en is dat, gedurende de hele inzetperiode, het vrijgeven van de exacte locatie, datum en het vermoedelijke aantal burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet een te groot risico had gevormd voor de nationale, operationele en personele veiligheid en/of niet viel binnen de mogelijkheden van het opereren in de anti-ISIS coalitie. Vragen 22 en 23 zijn reeds geadresseerd in de brief van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vraag 4). Daarin staat ook aangegeven dat de Kamer tussen 2016 en 2019 op verschillende momenten is geïnformeerd over mogelijke burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet.
Wanneer werden deze afspraken gemaakt en door wie?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat uit de interne nota van uw ministerie deze afspraken niet blijken?4
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u toelichten op basis van welke informatie er bij uw ministerie geen andere gevallen bekend zijn, waarbij mogelijk sprake is van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet?
Deze vragen zijn reeds geadresseerd in de brief van 7 mei jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 710, zie het antwoord op vragen 8, 20, 21, 25 t/m 27, 83 t/m 85).
Kan uitgesloten worden dat Nederland betrokken is bij incidenten met burgerslachtoffers waar monitoringsorganisatie Airwars over rapporteert, waaronder incidenten die door Centcom niet zijn opgenomen in de officiële telling? Zo ja, hoe is dit uitgesloten?
Zie antwoord vraag 24.
Heeft u studie gemaakt van de data van Airwars en dit gelegd naast de eigen data? Zo nee, waarom dan niet?
Zie antwoord vraag 24.
Klopt het dat, wanneer bijvoorbeeld een ngo zich meldt bij Defensie met een vraag naar Nederlandse betrokkenheid bij een aanval met burgerslachtoffers, u hierover geen informatie verschaft als CENTCOM het specifieke incident niet heeft opgenomen in de eigen telling? Zo ja, waarom is dat het geval?
Zie antwoord vraag 24.
Kunt u toelichten waarom het nemen van verantwoordelijkheid voor de aanvallen op Hawija en Mosul mogelijk is, maar dat in andere gevallen vanwege redenen van veiligheid niet zou kunnen? Waarom zou het vrijgeven van datum, tijdstip en precieze locatie in andere gevallen wel onacceptabele gevolgen hebben voor de veiligheid? Waarop is deze analyse gebaseerd?
Zie antwoord vraag 24.
Kunt u precies, in detail, aangeven hoe u in de toekomst anders om wilt gaan met transparantie? Welke wijzigingen zijn er op dit terrein doorgevoerd?
Kunt u toelichten wat u ermee bedoelt dat, als er bij toekomstige missies ook maar enige aanwijzing is voor burgerslachtoffers of anderszins, de Kamer onverwijld geïnformeerd zal moeten worden, het liefst openbaar, maar vertrouwelijk als dat niet openbaar kan tijdens de missie?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de brief Voorstel procedure informeren Tweede Kamer bij het vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet in het kader van art. 100 van de Grondwet, die de Kamer op 23 juni jl. is toegekomen (Kamerstuk 27 925, nr. 723).
Kunt u de omstandigheden toelichten, waarin u openbaar informeren niet mogelijk acht?
Zie antwoord vraag 30.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met de opmerking dat de Kamer ook in staat moet zijn om haar controlerende taak te kunnen uitoefenen?
Ik doel daarmee op wat ik in het debat van 14 mei jl. aangaf, namelijk dat omdat het kabinet verantwoordelijk is voor de veiligheid van Nederland, dit soms betekent dat het kabinet wel transparanter wil zijn, maar dat het kabinet het nog niet kan zijn. Transparantie moet er immers niet toe leiden dat de vijand wijzer wordt gemaakt, dat is iedere keer een weging. In de brief Voorstel procedure informeren Tweede Kamer bij het vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van Nederlandse wapeninzet in het kader van art. 100 van de Grondwet, die de Kamer op 23 juni jl. is toegekomen (Kamerstuk 27 925, nr. 723), doe ik een concreet voorstel voor een gezamenlijk met de Kamer vast te stellen procedure voor de toekomst.
Klopt het dat u, als in de toekomst Nederland wederom betrokken is bij incidenten met burgerslachtoffers, de mogelijkheid openhoudt de Kamer hierover niet in detail te informeren, dat wil zeggen het parlement bijvoorbeeld niet te informeren over het (mogelijke/waarschijnlijke) aantal doden en de plaats van de aanval? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 31.
Zouden de incidenten in Hawija en Mosul wel direct en concreet (dus herleidbaar tot openbare informatie over de beide aanvallen) aan de Kamer zijn gemeld als uw nieuwe regels voor transparantie al zouden hebben gegolden voor de inzet van Nederlandse F-16’s in Irak in de strijd tegen IS? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zou het in deze gevallen dan om vertrouwelijk informeren gaan? Zo ja, waarom?
De Kamer zou hierover zo spoedig mogelijk zijn geïnformeerd, binnen de kaders van de verschillende veiligheidsoverwegingen (inzake personele, operationele en nationale veiligheid)5 alsmede de afspraken binnen de coalitie waarin Nederland op dat moment opereerde. Zie ook het antwoord op vraag 31.
Kunt u een update geven van uw inspanningen om de slachtoffers en nabestaanden van de aanvallen op Hawija en Mosul tegemoet te komen? Waarom is er in beide gevallen nog steeds geen regeling getroffen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief Voortgang transparantiebeleid burgerslachtoffers die de Kamer gelijktijdig met deze beantwoording is toegekomen.
Recente berichten in de media over gevaarlijke onbewaakte spoorovergangen |
|
Erik Ziengs (VVD), Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de onbewaakte overweg in Hooghalen, waar recent een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden, op de lijst stond van onbewaakte overwegen die zouden worden opgeheven? Kunt u aangeven wat de status is van de aanpak? Kunt u aangeven met welke partijen er in de afgelopen twee jaar overleg heeft plaatsgevonden? Welke afspraken zijn er over deze overweg gemaakt en waarom was deze nog niet opgeheven? Op welke termijn wordt deze overweg alsnog definitief afgesloten?
Ja, deze particuliere onbewaakte overweg is opgenomen in het Programma Niet Actief Beveiligde Overwegen (NABO). Sinds 2017 is ProRail al in gesprek met de diverse betrokkenen, waaronder de gemeente, provincie, landeigenaren en belanghebbenden, over de aanpak van deze overweg en een noordelijker gelegen onbewaakte overweg. Helaas zijn deze gesprekken nog niet afgerond. Deze onbewaakte overwegen kunnen pas worden gesloten nadat een ontsluitingsweg is aangelegd. Hier is onder andere overeenstemming voor nodig over het verwerven van de benodigde grond. Ik kan daarom geen termijn noemen waarop deze overwegen definitief gesloten kunnen worden. ProRail en de landelijk bemiddelaar onderzoeken momenteel of een tijdelijke oplossing, voor deze onbewaakte overwegen mogelijk is, zoals een tijdelijke ontsluitingsweg.
Kunt u inzicht geven in de voortgang van de aanpak van alle gevaarlijke overwegen, zowel van de openbaar toegankelijke overwegen als de overwegen die op particulier grondgebied gelegen zijn, die in het kader van het Programma Niet Actief Beveiligde Overwegen (NABO) moeten worden aangepakt en waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie-Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 34 775 A, nr. 36)? Ligt u op schema met het aanpakken van alle onbewaakte overwegen in het NABO-programma? Kunt u per NABO (openbaar toegankelijk en particulier) een tijdsplanning van de verwachte uitvoering geven?
Het is mijn ambitie om vóór 2024 ca. 180 onbewaakte overwegen op te heffen of te beveiligen. Het gaat daarbij om openbaar toegankelijke en particuliere onbewaakte overwegen. Met mijn brief van 12 juli 2018 heb ik uitvoering gegeven aan de motie-Van der Graaf (Kamerstukken II, 29 893, nr. 217). Met betrekking tot de voortgang kan ik melden dat inmiddels van de 180 NABO’s er 49 (ca. 30% van het totaal) definitief zijn gesloten. Ten aanzien van de voortgang van de aanpak van de overige NABO’s geldt dat ProRail over 76 NABO’s afspraken met partijen heeft gemaakt om die aan te pakken. Voor de 55 resterende NABO’s wil ProRail nog dit jaar afspraken maken zodat ook die voor 2024 kunnen worden aangepakt. Daarbij heeft ProRail wel aangegeven dat de aanpak van NABO’s, mede door juridische en bestuurlijke complexiteit, ingewikkeld is. De betrokkenheid en medewerking van provincies, gemeentes en burgers is een belangrijke succesfactor. Bij het antwoord op vraag 5 ga ik nader in op de aanpak van de NABO’s.
Hoeveel kost het onderhouden van een bestaande NABO ProRail per jaar? Kunnen deze kosten door ProRail worden ingezet bij het op redelijke wijze vergoeden van schade door de aanleg van ontsluitingswegen of herindeling van percelen, waardoor er sneller tot een oplossing kan worden gekomen? Zo nee, waarom niet?
Het onderhouden van een bestaande NABO kost ProRail jaarlijks ca. € 3.000,–. Met eventuele vrijgevallen onderhoudskosten wordt rekening gehouden in het budget voor de aanpak van NABO’s, waaronder voor eventuele financiële compensatie.
Is het budget dat beschikbaar is gesteld om de gevaarlijke NABO’s aan te pakken toereikend? Klopt het dat ProRail een extra budgetaanvraag heeft gedaan bij u en dat u geen extra geld ter beschikking wilt stellen om deze gevaarlijke NABO’s veiliger te maken of op te heffen?
ProRail heeft mij geïnformeerd dat het huidige budget ontoereikend is om de 180 NABO’s uit het programma aan te pakken. Ik heb daarom besloten om extra budget beschikbaar te stellen en heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief over de ontwikkelingen op het gebied van spoorveiligheid van 16 juni jl.1
Bent u bereid tot (bestuurlijke) afspraken te komen met provincies, gemeenten, grondeigenaren en ProRail om tot oplossingen en snelle afspraken te komen voor het oplossen van knelpunten bij het aanpakken van NABO’s?
Ja, het aanpakken van NABO’s kan namelijk alleen vanuit een gezamenlijke inspanning door de verschillende betrokken partijen. Dit doe ik dus samen met ProRail, decentrale overheden, recreatieve belangenorganisaties en burgers. De afgelopen periode heeft mijn ministerie, samen met de landelijk bemiddelaar, gesprekken gevoerd met diverse partijen (waaronder het Gemeentelijk Netwerk voor Mobiliteit en Infrastructuur en het Interprovinciaal Overleg) over de overwegenaanpak. Mede op basis van deze gesprekken gaan ProRail, mijn ministerie en de landelijk bemiddelaar, in die provincies en gemeentes waar NABO’s zijn, bijeenkomsten organiseren met als doel om de aanpak te versnellen en tot oplossingen te komen. Voor de landelijk bemiddelaar is hierin een belangrijke rol weggelegd. Ik heb daarom besloten om haar aanstelling met een jaar te verlengen.
Bent u bereid om in deze bestuurlijke afspraken lokale overheden opdracht te geven tot het inschakelen van een onafhankelijk taxateur wiens oordeel over de te vergoeden schade door de gemeente en ProRail wordt overgenomen in het compensatie-aanbod, om op deze wijze het proces van het afsluiten van NABO’s te versnellen in gevallen waar geen overeenstemming kan worden bereikt over de te vergoeden kosten met de perceeleigenaar?
Op dit moment maakt ProRail al gebruik van een onafhankelijke taxateur (uit de regio) voor het voeren van de onderhandelingen en het opstellen van de schadeloosstellingen. Ook bij de onbewaakte overwegen in Hooghalen wordt hiervan gebruik gemaakt. De hoogte van de schadeloosstelling wordt bepaald aan de hand van de (lokale) marktwaarde van de gronden en de standaard vergoedingsbedragen voor bijvoorbeeld het omrijden en de ondersteuning van deskundigen bij dit proces en het vervolg daarop. De aanbiedingen voor schadeloosstelling worden door ProRail altijd vooraf getoetst door een onafhankelijke taxateur.
Kunt u de Kamer op de hoogte houden van de vorderingen van deze bestuurlijke afspraken?
Ja, ik informeer uw Kamer ieder najaar over de aanpak van overwegen via de brief over de veiligheid op het spoor. Het betreft in algemene zin de voortgang met betrekking tot het realiseren van mijn doelstelling om 180 NABO’s voor 2024 te hebben aangepakt. Ik zal daarbij tevens de eventueel gemaakte bestuurlijke afspraken betrekken.
Deelt u de mening dat de aanpak met hekken, die in praktijk leidt tot het meerdere keren moeten oversteken van een spoorwegovergang door een persoon voordat er een voertuig overheen kan, leidt tot schijnveiligheid en dat hier zo snel mogelijk een alternatief voor gevonden moet worden?
De vraag of hekken kunnen leiden tot schijnveiligheid hangt sterk samen met het gecontroleerd gebruik ervan door de gebruiker. Het is daarom essentieel dat hekken op de juiste manier worden gebruikt. Als dat het geval is komen de hekken juist de veiligheid ten goede, omdat gesloten hekwerken werken als een extra attentie voor de gebruiker en het voorkomt dat mensen of dieren onbewust op het spoor terechtkomen. Er is door ProRail gekeken naar alternatieven, zoals het mechanisch bedienen van landhekken. De conclusie was dat dit in de praktijk niet goed functioneerde. Het beste alternatief is daarom om de onbewaakte overwegen definitief aan te pakken, zoals met het NABO-programma wordt beoogd.
Kan er op sommige plekken met aangepaste snelheid worden gereden bij onbewaakte overwegen? Zo nee, waarom niet?
Het langzamer rijden van treinen is geen goede structurele oplossing omdat een aangepaste snelheid van negatieve invloed kan zijn op de veiligheid op nabijgelegen actief beveiligde overwegen (AHOB’s). Als gevolg van een verminderende snelheid van het treinverkeer kunnen namelijk de dichtligtijden van actief beveiligde overwegen langer worden en dit vergroot (doorgaans) de kans op een incident op deze overwegen doordat de gebruiker zijn gedrag (bijv. slalommen tussen spoorbomen) hierop gaat aanpassen. Een (tijdelijk) aanpaste snelheid wordt alleen bij uitzondering toegepast wanneer ProRail dat vanwege veiligheid noodzakelijk acht.
Kunt u deze schriftelijke vragen beantwoorden vóór het aankomende schriftelijk overleg Spoorveiligheid/ERTMS van 18 juni 2020?
Ja.
Het bericht ‘Gemeente verleent vergunning voor Frans Klooster/Walram Site’ |
|
Harry van der Molen (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het bericht «gemeente verleent vergunning voor Frans Klooster/Walram Site» d.d. 03 juni 2020?1
Ja.
Wat vindt u van de vergunning die de gemeente Sittard-Geleen heeft gegeven aan het Frans Klooster/Walram site, waar onder andere een dependance van het Confucius Instituut komt?
Dat is de verantwoordelijkheid en de vrije keuze van de gemeente.
Het betreft overigens een dependance van het reeds bestaande Confucius Instituut Maastricht.
Weet u dat de directeur van het Confucius Instituut in België verdacht wordt van spionage voor de Chinese overheid en daardoor België niet meer in mag?2 Ziet u dit, en andere inmenging van China binnen kennisinstituten, als reden om strenger beleid te voeren rondom het Confucius Instituut in Nederland? Zo ja, hoe zou u dit vormgeven en gaat u daarbij ook lokale overheden en hoger onderwijsinstellingen betrekken? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennis genomen van het bericht uit België. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de zorgen over de Chinese invloed vanuit het Confucius Instituut op Nederland? Hoe verhoudt dit antwoord zich tot uw antwoord op eerder gestelde vragen, waar u aangeeft dat «het niet uit te sluiten valt dat het Confucius Instituut verplicht meewerkt aan opdrachten vanuit de Chinese inlichtingendienst»?3
In het algemeen geldt dat het Kabinet de bestaande zorgen deelt over mogelijke ongewenste buitenlandse inmenging in onderwijs- en kennisinstellingen. Daarom is het een traject gestart om te onderzoeken welke aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn, om ongewenste overbrenging van kennis en technologie naar het buitenland te voorkomen. Het Kabinet heeft tevens een aanpak ontwikkeld om ongewenste buitenlandse inmenging op diverse gebieden tegen te gaan.4
Dat betekent dat ik ook alert ben op het risico op mogelijke inmenging vanuit China in het bijzonder. Het is van belang meer zicht te krijgen op de mate waarin en wijze waarop er sprake is van (politieke) beïnvloeding door China, al dan niet via de Confucius Instituten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken bouwt aan het Kennisnetwerk China (zie vraag 6). Daar ben ik ook bij aangesloten. Er loopt momenteel op een aantal gerelateerde aspecten onderzoek naar de samenwerking met China. Als de resultaten gepubliceerd worden, wordt u daarover geïnformeerd.
Mocht daaruit blijken dat er aanleiding is om de samenwerking van (hoger) onderwijsinstellingen met het Confucius Instituut anders in te richten, dan zal ik dat gesprek met instellingen en – indien nodig – lokale overheden zeker aangaan.
Herinnert u zich de uitspraken van de Minister van Buitenlandse Zaken dat het kabinet in relatie met China nauw contact heeft met de Nederlandse onderwijsinstellingen om ze te wijzen op de risico’s die gepaard kunnen gaan met samenwerking met Confucius Instituten?4
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft destijds gemeld dat het Kabinet nauw contact heeft met de Nederlandse onderwijsinstellingen om ze te wijzen op de risico’s die gepaard gaan met samenwerken met buitenlandse instellingen, ook Chinese. Daarmee werden niet specifiek de Confucius Instituten bedoeld.
Hoe staat het met het netwerk dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zou gaan oprichten in het kader van de China-strategie, en de door het kabinet voorgenomen investeringen, in financiële zin en door menselijke inzet, in het delen van kennis met medeoverheden, universiteiten en het bedrijfsleven over datgene wat we in China graag beter zien en tegelijkertijd over waar we kansen en gelegenheden voor samenwerking zien?5
In mei 2019 heeft het kabinet de Chinanotitie gepresenteerd. Een van de hoofdbevindingen in deze notitie is dat de rijksoverheid beter in staat moet worden gesteld ontwikkelingen die verband houden met China te volgen. Er moet worden geïnvesteerd in kennis en capaciteit op alle niveaus, te beginnen met de rijksoverheid. Hiertoe dient het genoemde kennisnetwerk.
Dit netwerk groeit gestaag en is in toenemende mate actief. Bij verschillende departementen is geïnvesteerd in capaciteit hetgeen zich de komende jaren moet gaan vertalen in een betere kennisbasis bij de rijksoverheid op het gebied van China en het benodigde langetermijnperspectief. Ook zijn experts van buiten de rijksoverheid aangesloten bij het netwerk.
Door middel van activiteiten en gericht onderzoek vanuit het kennisnetwerk, wordt tegemoet gekomen aan de kennisbehoefte bij en het vereiste handelingsperspectief voor de rijksoverheid. Daardoor kunnen ook maatschappelijke partners als medeoverheden, universiteiten en bedrijfsleven beter geadviseerd worden over China-gerelateerde vraagstukken.
Is er contact geweest met u, de gemeente Sittard-Geleen en het Ministerie van Buitenlandse Zaken alvorens de gemeente besloot een vergunning te verlenen voor de Walram Site, waar ook een dependance van het Confucius Instituut komt? Zo ja, wat was uw insteek en de insteek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bij dit gesprek? Zo nee, waarom niet en bent u daar dan alsnog toe bereid?
Nee. Een gemeente maakt zélf de afweging wie of welke organisatie gebruik mag gaan maken van een gebouw. Bij die afweging neemt een gemeente onder andere de relevante juridische kaders in acht, zoals de wet Bibob.7 Contact met de rijksoverheid is ook niet noodzakelijk, alleen wanneer het een Rijksmonument zou betreffen. En in dat geval zou het contact alleen gaan over bouwtechnische aspecten.
Hoe past dit besluit van de gemeente Sittard-Geleen binnen de nieuwe China strategie, zoals bedoeld in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans»?6
Onze maatschappij kenmerkt zich door een open, internationale blik. Dat geldt ook voor onderwijs en wetenschap. Internationale samenwerking is essentieel voor het streven naar wetenschap en onderwijs op hoog niveau. Daarbij is het adagium: open waar het kan, beschermen waar het moet. Dat geldt ook voor de samenwerking met China. China biedt ons veel kansen, maar we moeten ons ook bewust zijn van mogelijke risico’s bijvoorbeeld ten aanzien van onze nationale veiligheid. In de beleidsnotitie over de China-strategie komt deze balans ook sterk naar voren.
(Kennis)instellingen, bedrijven en instanties zijn vrij in de keuze om samen te werken met buitenlandse partners, zolang er geen internationale of nationale (beperkende) maatregelen van toepassing zijn. Daarbij moet men een afweging maken tussen kansen en risico’s en het principe hanteren «open waar het kan, beschermen waar het moet». Dat geldt dus ook voor de gemeente Sittard-Geleen. Ik ga ervanuit dat de gemeente in staat is een afweging te maken tussen de kansen en de risico’s. Het is overigens goed om te realiseren dat het gaat om een dependance van het reeds bestaande Confucius Instituut Maastricht, geen nieuw instituut.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Wetenschapsbeleid d.d. 24 juni 2020?
Ja.
De doorvoer van ruim 10 miljoen kogelpatronen naar Turkije |
|
Bram van Ojik (GL), Sadet Karabulut (SP), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat op 6 april 2020 ruim 10 miljoen kogelpatronen afkomstig uit Tsjechië via de haven van Rotterdam naar Turkije zijn vervoerd?1
Ja.
Betreft het hier doorvoer met of zonder overlading?
Deze casus betreft doorvoer zonder overlading.
Hoe past deze doorvoer binnen uw beleid om sinds de Turkse inval van Noord-Syrië tot nader kennisgeving geen nieuwe vergunningen af te geven voor militaire goederen of «dual-use»-goederen met militair eindgebruik met eindbestemming Turkije?
Het aangescherpte beleid ten aanzien van Turkije geldt voor vergunningaanvragen ten aanzien van uitvoer, doorvoer en tussenhandel van militaire goederen. Dat zijn transacties waarvoor een vergunningplicht geldt. Op doorvoerzendingen zonder overlading, afkomstig uit een EU-lidstaat, NAVO-bondgenoot, Australië, Japan, Nieuw-Zeeland of Zwitserland rust geen vergunningplicht. Voor de genoemde doorvoertransactie is dan ook geen vergunning verstrekt.
Heeft u informatie over het doel waarvoor Turkije de munitie wil gebruiken? Zo nee, bent u bereid dit bij Tsjechië en/of Turkije op te vragen?
Het kabinet heeft naar aanleiding van deze casus contact opgenomen met de Tsjechische exportcontroleautoriteiten en het strikte Nederlandse exportcontrolebeleid t.a.v. Turkije opnieuw onder de aandacht gebracht. Daarover is ook de Tsjechische ambassadeur in Den Haag geïnformeerd. Uit navraag is gebleken is dat de goederen bestemd zijn voor de civiele markt.
De Tsjechische autoriteiten gaven verder aan dat het vergunningaanvragen voor de export van militaire goederen naar Turkije aan een case-by-case toetsing aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport onderwerpt. Ook de huidige zending is op deze wijze getoetst. De toetsingsprocedure gaf volgens Tsjechië geen aanleiding tot het afwijzen van de vergunningaanvraag.
Aangezien de goederen niet in Nederland maar in Tsjechië vergunningplichtig zijn, en gelet op de vertrouwelijke aard van de informatie kan het kabinet geen aanvullende informatie verstrekken aangaande het eindgebruik van de goederen.
Klopt het dat de.300 WIN MAG-munitie kan worden gebruikt in sluipschuttergeweren en dat.45 ACP-munitie wordt gebruikt door Turkse Special Forces? Zo ja, weet u of de via Rotterdam vervoerde munitie van deze kalibers ook naar special operation forces-eenheden gaat? Zo nee, welke Turkse troepen of diensten (zowel civiel als militair) zullen deze munitie gebruiken?
Het kabinet kan geen aanvullende informatie verstrekken aangaande de eindgebruiker van de goederen omdat die informatie van vertrouwelijke aard is en de goederen niet in Nederland maar in Tsjechië vergunningplichtig zijn.
Herinnert u zich dat u tijdens het VAO Wapenexportbeleid van 12 december 2019 over de eerdere doorvoer van ruim 50 kogelpatronen vanuit Tsjechië naar de Verenigde Arabische Emiraten het volgende zei: «Na de invoering van de presumption of denial was er in december 2018 de zaak van de kogelpatronen die vanuit Tsjechië via Nederland naar de VAE zijn gegaan. Ik vond dat ook een erg treurige casus. We hebben dit ook aangekaart bij Tsjechië. Het is sindsdien niet meer voorgekomen. We moeten vertrouwen op elkaars toetsing»?
Ja.
Wanneer heeft u Tsjechië op de export van kogels naar de Verenigde Arabische Emiraten aangesproken? Wat was de reactie van de Tsjechische regering hierop?
Het verantwoordelijke departement in Tsjechië is op 20 maart 2019 over deze casus benaderd. Nederland heeft vragen gesteld over het eindgebruik van de goederen en heeft daarbij nogmaals gewezen op het aangescherpte Nederlandse exportcontrolebeleid t.a.v. de VAE, Egypte en Saoedi-Arabië. Tsjechië verklaarde daarop de genoemde transactie te hebben getoetst aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en op basis daarvan tot een positief advies te zijn gekomen.
Daarnaast bepleit Nederland in de EU-raadswerkgroep COARM voortdurend bij alle EU lidstaten de wenselijkheid van een strikt wapenexportcontrolebeleid ten aanzien van de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië vanwege hun betrokkenheid bij het conflict in Jemen. Ook op politiek niveau wordt deze boodschap regelmatig herhaald. De Minister-President deed dat tijdens de Europese Raad van 18 oktober 2018 (conform motie-Van Ojik c.s. van 17 oktober 2018, Kamerstuk 21 501-20, nr. 1368). De Minister van Buitenlandse Zaken deed dit in november 2018 tijdens een zitting van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (conform motie-Sjoerdsma van 14 november 2018, Kamerstuk 21 501-02, nr. 1924) alsmede tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 18 maart 2019. En ook nog onlangs tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 mei 2020 (kamerstuk 21 501-02 nr 2159).
Hoe rijmt u uw uitspraak dat men binnen de EU moet vertrouwen op elkaars toetsing met de doorvoer van 10 miljoen kogelpatronen naar een land waarvoor Nederland geen wapenexportvergunningen wil afgeven? Bent u naïef geweest over de intenties van Tsjechië op dit punt?
Alle landen binnen de Europese Unie zijn verplicht om vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen of dual-use goederen met militair eindgebruik inhoudelijk te toetsen aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. EU-lidstaten hebben zich in oktober 2019 bovendien gecommitteerd aan een zeer strikte toepassing van deze criteria ten aanzien van Turkije. Dat Nederland vervolgens een aanvullend nationaal exportcontrolebeleid ten aanzien van Turkije heeft aangekondigd is een nationale beslissing geweest die uitsluitend gevolgen heeft voor transacties die in Nederland vergunningplichtig zijn. Alhoewel het kabinet graag zou zien dat alle landen binnen de Europese Unie een vergelijkbaar strikt beleid hanteren – en daar regelmatig voor pleit – bestaat daarvoor binnen de nationale regeringen en/of parlementen van de desbetreffende landen helaas geen draagvlak. Dit gegeven laat onverlet dat een vergelijkbare zending een Nederlandse exportcontroletoets niet zou hebben doorstaan. En die boodschap is ook gegeven aan de Tsjechische ambassadeur in Den Haag.
Bent u bereid om, gelet op de zich nu herhalende ondermijning van uw wapenexportbeleid door Tsjechië, de douane de doorvoer van militaire goederen uit Tsjechië mét en zónder overlading standaard te laten controleren? Zo nee, wat bent u dan van plan om te ondernemen om te voorkomen dat Tsjechië uw wapenexportbeleid blijft ondermijnen?
De grondslag van het Europese wapenexportbeleid is het vertrouwen van de lidstaten op de integriteit van elkaars toetsing aan de acht criteria die de lidstaten gezamenlijk hebben afgesproken. Het kabinet acht een standaardcontrole op uit Tsjechië afkomstige zendingen niet wenselijk omdat het indruist tegen die grondslag van het gezamenlijke EU-wapenexportbeleid. Dat laat onverlet dat het kabinet de andere EU lidstaten voortdurend probeert te overtuigen van de noodzaak op een zeer strikt wapenexportcontrolebeleid t.a.v. Turkije. Die inspanningen vinden op alle niveaus plaats. Helaas zijn niet alle lidstaten ertoe bereid om net als Nederland aanvullende exportcontrolemaatregelen t.a.v. Turkije in werking te stellen. Dat betekent overigens niet automatisch dat zij geen zorgvuldige toetsing aan de acht Europese criteria verrichten. Het kabinet verwacht dat de lidstaten zich aan de afspraken daaromtrent houden. Als het kabinet constateert dat deze afspraken worden geschonden – of vermoedens daartoe heeft – spreekt het de lidstaten daarop aan.