Het bericht dat het maximum aantal ontwikkeladviezen is bereikt |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Maximum aantal ontwikkeladviezen bereikt» en «Nederland bereidt zich voor op andere tijden: scholingspot in recordtijd leeg»?1 2
Ja.
Hoe kan het dat het maximum aantal inschrijvingen zoveel sneller dan verwacht is bereikt? Waar waren eerdere verwachtingen op gebaseerd? Waarom is de behoefte aan deze vorm van ondersteuning zo onderschat?
Op 1 augustus is de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies in werking getreden en is het ontwikkeladviesportaal opengesteld. Vanaf die datum konden loopbaanadviseurs ontwikkeladviestrajecten registreren voor deelnemers die bij hen een traject gaan volgen. Er was in totaal plaats voor 22.000 registraties, zoals ook voorafgaand is gecommuniceerd. Op 31 augustus is sneller dan verwacht het maximale aantal trajecten bereikt. In een vroeg stadium was duidelijk hoe de regeling voor ontwikkeladviezen er in hoofdlijnen uit zou komen te zien en is hier ook over gecommuniceerd, bijvoorbeeld met de brief aan uw Kamer van 2 juli 2020 over de hoofdlijnen van NL leert door. Hierdoor konden loopbaanadviseurs al voordat de regeling in werking was getreden mensen werven. Zo konden vanaf het moment dat het ontwikkeladviesportaal vanaf 1 augustus open ging in korte tijd veel deelnemers worden geregistreerd.
Het aantal van 22.000 adviestrajecten, waarmee een bedrag van ruim € 14 miljoen gemoeid is, was gebaseerd op de ervaringen bij de regeling Ontwikkeladvies 45+. Voor die regeling was in eerste instantie weinig animo, waarna uiteindelijk in het laatste jaar in totaal 30.000 ontwikkeladviezen zijn uitgevoerd.
Bent u bereid het budget te verhogen, conform eerder amendement van het lid Smeulders, zodat het loket weer open kan en nog meer mensen zich kunnen aanmelden?3
De kosteloze ontwikkeladviezen die het kabinet beschikbaar stelt via de regeling NL leert door voorzien in een grote behoefte. In de brief aan uw Kamer van 28 augustus over het steun- en herstelpakket, is daarom reeds aangegeven dat het kabinet volgend jaar extra middelen beschikbaar stelt voor onder andere 40.000 ontwikkeladviezen. Met de aangenomen motie Smeulders/Tielen4 wordt het kabinet verzocht om 50.000 ontwikkeladviezen beschikbaar te stellen. Dit betekent dat er in totaal door het kabinet € 37 miljoen beschikbaar worden gesteld, waarmee we ruim 50.000 mensen kunnen helpen met een ontwikkeladvies. Zoals ik in het debat over de steunmaatregelen van 24 september jl. heb aangegeven, kan het ontwikkeladviesportaal vanaf 1 december dit jaar weer opengesteld worden voor nieuwe registraties.
Bent u ervan op de hoogte dat loopbaancoaches, in de korte tijd sinds de regeling open was gesteld, zich hebben voorbereid op de regeling en daarvoor investeringen hebben gedaan (met name in de verplichte arbeidsmarktscan)? Bent u ervan op de hoogte dat er, door de korte verstreken periode sinds 1 augustus, mensen zich al wel bij een loopbaancoach hebben aangemeld, maar dat zij nog niet bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn geregistreerd, en dat door het onverwachte sluiten van de regeling die mensen nu teleurgesteld moeten worden? Als u niet bereid bent het loket opnieuw open te stellen, bent u dan wel bereid het budget voor de ontwikkeladviezen in ieder geval te verruimen voor mensen die nu al zijn aangemeld en anders alsnog teleurgesteld moeten worden?
Ik ben blij dat we dit najaar al ruim 20.000 mensen kunnen helpen bij het in beeld brengen van hun mogelijkheden op de huidige, veranderende arbeidsmarkt. Tegelijkertijd begrijp ik heel goed dat er nu mensen teleurgesteld moeten worden vanwege het feit dat het maximum aantal trajecten al zo snel bereikt is. Daarom heeft het kabinet besloten om voor 2021 extra middelen beschikbaar te stellen voor ontwikkeladviezen. Er komt in totaal € 37 miljoen beschikbaar, waarmee ruim 50.000 mensen weer een ontwikkeladvies kunnen volgen. Daar komt bij dat het ontwikkeladviesportaal op 1 december weer opengesteld kan worden. Mensen die nu geen ontwikkeladvies kunnen volgen, kunnen zich vanaf 1 december weer via een loopbaanadviseur laten registreren voor een ontwikkeladviestraject.
Klopt het dat er nu vier maanden lang geen ondersteuning is voor mensen die zich willen omscholen? Vindt u dat niet een heel onwenselijke situatie? Moeten we niet juist de komende maanden hierin investeren?
De investering voor ontwikkeladviezen vanuit de overheid is aanvullend op dat wat privaat al geregeld wordt. Het is niet juist dat er de komende maanden niets mogelijk is. Er zijn voor burgers een aantal alternatieve routes om ontwikkeladviezen te volgen en te investeren in ontwikkeling en scholing. Zo bieden werkgevers en O&O-fondsen vaak de mogelijkheid om dit soort gesprekken te volgen, maar bieden ook vakbonden ondersteuning op dit gebied. En ook kunnen mensen bij leerwerkloketten in hun regio terecht met vragen over ontwikkeling.
Dat het maximum aantal inschrijvingen voor ontwikkeladviestrajecten in een korte tijd bereikt is betekent overigens ook niet dat deze trajecten allemaal al plaats hebben gevonden. De registratie in het portaal is slechts een administratieve handeling. De adviestrajecten zullen in het najaar door de loopbaanadviseurs verder worden uitgevoerd.
Daarnaast is op 4 september jl. de regeling NL leert door met inzet van scholing in werking getreden. Vanaf oktober kunnen opleiders een subsidieaanvraag indienen om kosteloos scholingsactiviteiten beschikbaar te stellen aan burgers. De verwachting is dat deze kosteloze scholing eind van het jaar voor deelnemers beschikbaar zal zijn. Verder biedt de SLIM-regeling, waarvoor in september subsidie kan worden aangevraagd, nog de mogelijkheid voor werkgevers in het mkb om subsidie aan te vragen voor ontwikkel- en loopbaanadviezen voor hun werknemers.
Kunt u nader toelichten wat de problemen zijn met betrekking tot de uitvoeringscapaciteit en hoe deze zo snel mogelijk opgelost kunnen worden?
De uitvoeringsorganisatie van mijn ministerie, Uitvoering van Beleid, heeft de uitvoering van de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies op zich genomen. UVB heeft de afgelopen maanden daarnaast ook nog de taak gekregen om de SLIM-regeling (voor het versterken van een leercultuur in het mkb) en de regeling NL leert door met inzet van scholing uit te voeren en heeft een belangrijke rol in de eindverantwoording van aanvragen op grond van de NOW-regeling.
Deze nieuwe regelingen komen bovenop de werkzaamheden die UVB al uitvoert. Dit alles betekent dat de taak van UVB de afgelopen periode in omvang sterk is toegenomen. Ik ben erg blij dat UVB deze extra taken kan uitvoeren, maar tegelijkertijd besef ik dat er een grens zit aan de capaciteit die op deze termijn ingezet kan worden. Op dit moment hebben we een punt bereikt waarop UVB geen direct beschikbare capaciteit heeft om op korte termijn meer trajecten te beoordelen. Zoals ik in het debat van 24 september jl. over het derde steun- en herstelpakket ook heb aangegeven kan ik melden dat, in goed overleg met UVB, het ontwikkeladviesportaal op 1 december weer opengesteld kan worden voor nieuwe registraties.
Is er daadwerkelijk sprake van een aanjaagfunctie, waar u in eerdere debatten op doelde? Komt er al meer geld vrij uit de sectorspecifieke fondsen?
De aanjaagfunctie van het crisispakket NL leert door komt vooral tot uiting in de regeling NL leert door met inzet van scholing. Deze regeling is op 4 september 2020 in werking getreden. In deze regeling is via de samenwerkingsverbanden een verplichte vorm van cofinanciering geregeld. Daarmee stimuleren we private partijen om door middel van een financiële bijdrage juist ook de zwaardere en duurdere (om)scholingstrajecten te kunnen aanbieden. Daarnaast kan de regeling NL leert door met inzet van ontwikkeladvies als vliegwiel dienen voor meer private investeringen op dit gebied. In zeer snel tempo hebben 22.000 mensen zich gemeld om een ontwikkeladvies te volgen. En er zijn nog meer mensen die graag een ontwikkeladvies willen volgen. Deze mensen worden er nu op gewezen dat zij ook via andere kanalen een adviestraject kunnen volgen, bijvoorbeeld via hun werkgever, O&O-fonds of vakbond.
De vernietigde dossiers |
|
Bart Snels (GL) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het grootste deel van de 9.000 vernietigde dossiers (namelijk 7.087 dossiers) is vernietigd na 29 november 2019, namelijk in 2020?
Ja dat klopt 7.087 beroepsdossiers zijn in 2020 vernietigd. Ik betreur het dat deze documenten vernietigd zijn. Zoals al in de tweede Voortgangsrapportage toegezegd zullen de ouders die het betreft hier geen negatieve gevolgen van mogen ondervinden.1 In de gelijk met deze antwoorden verstuurde derde Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag wordt tevens aangegeven dat er nog veel documenten wel beschikbaar zijn, we onderzoek doen naar van wie precies de beroepsdossiers vernietigd zijn en we met de Raad voor de Rechtspraak kijken of de betreffende beroepsdossiers nog op een andere manier beschikbaar zijn.
Klopt het dat diverse Wob-verzoeken uit 2019 en 2020 door deze vernietiging op een onvolledige manier openbaar zijn gemaakt?
Nee dat klopt niet. De betreffende beroepsdossiers bevatten informatie over individuele procedures van toeslaggerechtigden, bovendien bevatten deze dossiers privéinformatie van burgers. Individuele beroepsdossiers worden als zodanig niet openbaar gemaakt naar aanleiding van een Wob-verzoek.
Wanneer zijn de overige 1.913 dossiers precies vernietigd? Over welke jaren gaat het hier?
In totaal zijn er 8.938 dossiers vernietigd.2 In onderstaande tabel treft u een totaaloverzicht aan. Hierin is per aanleverjaar van het beroepsdossier voor toeslagen aangegeven hoeveel dossiers in welk jaar vernietigd zijn. Niet bekend is op welke data de vernietiging van 2014 heeft plaatsgevonden. In 2019 heeft de vernietiging plaatsgevonden tussen 1 januari en 14 maart, de vernietiging in 2020 heeft plaatsgevonden tussen 1 januari en 29 april. Nog niet bekend is op welke toeslaggerechtigden en welke jaren de vernietigde beroepsdossiers betrekking hebben. Dit wordt nog uitgezocht en daar zal ik u in een volgende Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag over informeren.
1.049
910
2019
797
2019
770
2020
1.121
2020
102
2014
3.757
2020
32
42
2014
1.439
2020
Dit betreft het door Doc-Direckt geregistreerde aanleverjaar.
Daarnaast zijn er 23 dossiers administratief bekend in het beheerssysteem van Doc-Direkt, maar niet fysiek.
Klopt het dat er in 2014 ook 144 dossiers zijn vernietigd en dat er toen niet is voldaan aan de 7-jaarstermijn? Van welk Combiteam Aanpak Facilitators (CAF)-zaken waren deze dossiers onderdeel?
Ja, dat klopt. Deze dossiers zijn in 2013 en 2014 bij het archief aangeleverd door Toeslagen. Door de vermenging in de administratie en het magazijn zijn deze dozen niet opgemerkt en is daarbij ook niet voldaan aan de 7-jaarstermijn. Momenteel wordt gekeken of te achterhalen is van welke personen de vernietigde dossiers zijn, dan is ook te achterhalen of deze betrokken waren bij een CAF-zaak. Hiervoor geldt ook dat ouders die het betreft hier geen negatieve gevolgen van mogen ondervinden.
Klopt het dat er in 2019 ook nog eens 1.707 dossiers zijn vernietigd? Klopt het dat niet bekend is op welke toeslagjaren de in 2014, 2019 en 2020 vernietigde dossiers exact zien, aangezien dit niet is opgenomen in het archiefbeheersysteem?
Ja dat klopt, zie hiervoor ook de tabel bij het antwoord op vraag 3. Zoals aangegeven wordt nog onderzocht of te achterhalen is op welke toeslaggerechtigden en welke jaren de vernietigde beroepsdossiers betrekking hebben.
Is de Landsadvocaat, die sinds oktober 2018 is betrokken in de toeslagenaffaire vanwege het bepalen van de volledigheid van dossiers, geïnformeerd over deze vernietiging van dossiers? Beschikte de Landsadvocaat dan wel over alle stukken? Hoe reageerde de Landsadvocaat op het bericht dat er dossiers waren vernietigd?
De vernietiging van de beroepsdossiers ziet op beroepszaken die reeds in eerdere jaren zijn afgerond en die onherroepelijk zijn komen vast te staan. In het geval de Landsadvocaat in een dergelijke beroepszaak betrokken is geweest, heeft hij destijds over de stukken kunnen beschikken. De Landsadvocaat is over het bericht van de dossiervernietiging niet apart geïnformeerd en heeft hierop niet gereageerd.
Heeft u geprobeerd een reconstructie te maken van de ten onrechte vernietigde dossiers zodat deze teruggevonden kunnen worden?
Zoals ook in antwoord 3 aangekondigd wordt gekeken of achterhaald kan worden op welke toeslaggerechtigden en welke jaren de vernietigde beroepsdossiers betrekking hebben. Met de Raad voor de Rechtspraak is overleg om te kijken of de betreffende beroepsdossiers nog op een andere manier beschikbaar zijn.
Op welke wijze is gegarandeerd dat het onderzoek naar de vernietiging van deze dossiers onafhankelijk is?
De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (hierna: IO&E) neemt de vroegtijdige vernietiging van dossiers mee in haar onderzoek naar het informatie- en archiefbeheer bij de Belastingdienst welke inmiddels gestart is. De IO&E is een zelfstandige inspectie die losstaat van de Belastingdienst. Afronding van het onderzoek is voorzien voor het eerste kwartaal van 2021.
Kunt u de hele mail- en briefwisseling betreffende het besluit over de beroepszaken van de Belastingdienst/Toeslagen in 2019 en 2020 aan de Kamer doen toekomen?
Bijgevoegd treft u een notitie van 10 juli jl. met daarbij een eerdere notitie van 29 juni jl. en een memo van 25 juni jl. rondom de vernietigde dossiers. De namen van medewerkers zijn hierbij niet zichtbaar gemaakt.
Heeft er iemand gewaarschuwd om deze dossiers niet te vernietigen? Zo ja, wie? Wat is er met het signaal gebeurd?
Er zijn geen documenten of signalen gevonden waaruit een dergelijke waarschuwing blijkt.
Kunt u alle stukken over de vernietiging van deze 9.000 dossiers aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, behoudens vragen 9 en 11 die zijn gebundeld.
Het bericht 'Eerste coronabesmetting vastgesteld in Grieks vluchtelingenkamp Moria' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Eerste coronabesmetting vastgesteld in Grieks vluchtelingenkamp Moria»? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Deelt u de mening dat in het vluchtelingenkamp Moria waar te veel mensen te dicht op elkaar verblijven en de benodigde medische voorzieningen grotendeels ontbreken, dit het risico op verdere verspreiding van COVID vergroot?
Deelt u de mening dat zonder interventie de consequenties vanwege slechte hygiëne en de kwetsbare gezondheid van veel mensen verdere verspreiding van COVID de humanitaire crisis ernstig zal vergroten?
Bent u naar aanleiding van de uitbraak van COVID bereid zich in te spannen voor het zo snel als mogelijk opzetten van adequate zorg? Zo ja, deelt u de mening dat de expertise en ervaring die Artsen zonder Grenzen in dit verband op Lesbos heeft daarbij van groot belang is en hoe gaat u zorgen dat hier gebruik van wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de uitbraak van COVID tot onmiddellijke en omvangrijke evacuatie van vluchtelingen uit de overvolle kampen naar veiligere locaties moet leiden? Zo ja, bent u naast uw bestaande voornemen tot herplaatsing van een gering aantal minderjarige vluchtelingen ook bereid minderjarige vluchtelingen in Nederland op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is het staand beleid dat kwetsbare migranten door de Griekse autoriteiten vanuit de Griekse eilanden worden overgebracht naar het vasteland. Mede met het oog op COVID-19 zijn sinds het voorjaar circa 26.000 kwetsbare migranten en vluchtelingen, waaronder alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv), overgebracht naar het Griekse vasteland. In geval van Lesbos gaat het om 12.000 personen, d.w.z. bijna de helft van de populatie migranten en vluchtelingen op het eiland in maart 2020. Daarnaast zijn Griekse autoriteiten voornemens om in de week van 28 september 2.000 erkende vluchtelingen over te plaatsen vanaf Lesbos naar het Griekse vasteland. Al met al is het totaal aantal migranten en vluchtelingen dat aanwezig is op de Griekse eilanden afgenomen van circa 42.000 begin 2020 naar 26.000 in september 2020. Dit is een afname van 38%.
Tevens heeft Griekenland direct na de eerste branden 406 amv die nog op Lesbos verbleven overgeplaatst naar het vasteland. Gelet op de uitzonderlijke situatie op Lesbos heeft het kabinet besloten de Griekse overheid aan te bieden om 50 amv en 50 migranten in gezinsverband met minderjarige kinderen over te nemen. Hierover is uw Kamer op de hoogte gesteld in de Kamerbrief van 10 september jl.3 en waarover uitgebreid is gesproken tijdens het Algemeen Overleg op 10 september. Inmiddels hebben meer dan 10 EU-lidstaten zich bereid getoond om de groep van circa 400 amv’s op te vangen, als ook andere kwetsbare groepen. Onder coördinatie van de Europese Commissie vindt overleg plaats om dit zo snel mogelijk te bewerkstelligen.
Het bericht dat de scholingspot van ‘NL leert door’ leeg is |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Klopt de in het artikel genoemde constatering dat 22.000 mensen via het loket «Nederland leert door» een aanvraag hebben gedaan voor gratis scholing en advies? Klopt het ook dat het loket «Nederland leert door» sinds 1 september jongstleden gesloten is en mensen geen aanvragen meer kunnen doen?1
Ja, het klopt dat sinds 1 augustus dit jaar 22.000 mensen zich via een loopbaanadviseur hebben aangemeld voor een kosteloos ontwikkeladvies en dat het ontwikkeladviesportaal, waar deze trajecten werden geregistreerd, op 1 september jl. gesloten is. NL Leert Door bestaat uit twee regelingen, naast de regeling voor ontwikkeladvies is er ook een regeling voor scholing die recent op 5 september jl. in werking is getreden.
In hoeverre hebben werknemers, ondernemers of werkzoekenden gedurende de afgelopen maanden via andere loketten, fondsen of subsidiepotten gebruik gemaakt van scholing en advies?
Er zijn verschillende mogelijkheden voor werknemers, ondernemers of werkzoekenden om een ontwikkel- of loopbaanadvies te kunnen krijgen of aan scholing deel te nemen. Zo bieden werkgevers en O&O-fondsen vaak mogelijkheden om loopbaanadviestrajecten of scholing te volgen en kunnen werkenden ook via vakbonden adviestrajecten volgen. Ik heb geen informatie over hoeveel er door private partijen de afgelopen maanden is geïnvesteerd in scholing en ontwikkeling.
Naast private investeringen zijn er ook verschillende publieke regelingen voor advies en scholing. Zo kunnen mensen bijvoorbeeld bij regionale leerwerkloketten terecht voor vragen over ontwikkeling en kunnen mkb-ondernemingen via de SLIM-regeling onder meer subsidie aanvragen voor ontwikkel- en loopbaanadviestrajecten voor werkenden in hun organisatie en voor het opzetten van bedrijfsscholen. Ook in de SLIM-regeling blijken ontwikkel- en loopbaanadviezen populair. In het eerste aanvraagtijdvak voor individuele ondernemingen – dat in maart dit jaar open stond – is door 1100 mkb-ondernemingen subsidie aangevraagd voor (onder meer) ontwikkel- en loopbaanadviezen. In hoeverre deze adviezen ook hebben plaatsgevonden kan ik nog niet zeggen, omdat de projecten nog lopen.
Voor de zomer heb ik aan uw Kamer toegezegd dat ik na de zomer een brief stuur met een routekaart voor LLO. Daarin zal ik meer uitgebreid terug- en vooruitblikken op het LLO-beleid en zal ik ook ingaan op wat we op dat moment weten over het gebruik van verschillende regelingen met betrekking tot advies en scholing.
Is bekend hoeveel geld er vanuit werkgevers, opleidings- en ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen) en mensen zelf is besteed aan scholing en advies gedurende de afgelopen maanden? Zo ja, kunt u deze gegevens met ons delen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat loopbaanadvies en na-, om- en bijscholing een gedeelde verantwoordelijkheid is van werkgevers, de overheid en mensen zelf? Hoe zorgt u ervoor dat de in het tweede steunpakket beschikbaar gestelde vijftig miljoen euro aangevuld wordt met geld van werkgevers en sectoren?
Ja die mening deel ik, met de kanttekening dat primair sociale partners en mensen zelf aan zet zijn en de overheid een faciliterende rol heeft. En we zien ook dat sociale partners, veel werkgevers en mensen zelf hun verantwoordelijkheid pakken. De investeringen van de overheid zijn er vooral op gericht om mensen die moeilijk hun weg kunnen vinden te ondersteunen en te stimuleren met scholing en ontwikkeling aan de slag te gaan. Of om in bijzondere gevallen, zoals in de huidige crisis, als vliegwiel te fungeren voor meer private investeringen. Zo wordt in de regeling NL leert door met inzet van scholing cofinanciering gevraagd van O&O-fondsen, juist om ook grotere en zwaardere (om)scholingstrajecten te kunnen realiseren.
Wat is het beroepsniveau van de mensen die een aanvraag hebben gedaan? In welke sectoren zijn/waren deze mensen werkzaam?
Op dit moment is er nog geen inzicht in beroepsniveau van de deelnemers of de sectoren waarin zij werken. Bij de registratie van ontwikkeladviestrajecten moesten de loopbaanadviseurs slechts een beperkt aantal gegevens van deelnemers doorgeven om vast te kunnen stellen dat het gaat om echte mensen en unieke deelnemers. Er komt een monitor waarin meer uitgebreid gekeken wordt naar de deelnemers aan het ontwikkeladvies. Daarin wordt ook meegenomen wat hun opleidingsniveau is en in welke sector zij werken. De eerste resultaten van deze monitor zullen naar verwachting in het vierde kwartaal beschikbaar zijn.
Deelt u de mening dat advies en scholing vooral voor laag- en middelbaaropgeleiden (meer) waarde heeft? Hoe zorgt u ervoor dat juist zij van de mogelijkheden gebruik maken?
Nee die mening deel ik niet. Het is zeker niet vanzelfsprekend dat hoger opgeleiden wel eenvoudig zelf de weg kunnen vinden op de arbeidsmarkt of dat scholing voor hen geen waarde heeft. Dat geldt temeer voor de crisis waar wij ons nu in bevinden. Deze crisis stelt ons voor uitdagingen waar wij niet eerder mee te maken hebben gehad. En dit zorgt ervoor dat ook voor hoger opgeleiden van ontwikkeladvies en scholing van groot belang kunnen zijn om inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt. Wel is het zo dat laag- en middelbaaropgeleiden meer moeite kunnen hebben met het vinden van hun weg op de arbeidsmarkt en het inschatten van hun kansen en mogelijkheden, en minder vaak van (na-, om- en bij-)scholing gebruik maken. Om hen te stimuleren de ontwikkeladviezen te gebruiken, zijn voor de communicatie over de regeling stakeholders, zoals de vakbonden, actief betrokken om deze groepen gericht te benaderen.
Deelt u de mening dat scholingsbudgetten vooral gericht zouden moeten zijn op het scholen in en naar tekortsectoren, zoals zorg, informatietechnologie en onderwijs? Hoe zorgt u ervoor dat «NL leert door» voorrang verleent aan scholing in en naar tekortsectoren?
Ja die mening deel ik, met de kanttekening dat scholing voor iedereen op elk moment van grote waarde kan zijn. Het crisispakket NL Leert Door richt zich op iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt, omdat de coronacrisis ons allemaal kan raken. Daarom is het van belang dat iedereen zijn arbeidsmarktpositie blijft versterken door te leren en ontwikkelen. Scholing die wordt aangevraagd met de regeling uit NL Leert Door moet arbeidsmarktrelevant zijn, ofwel bijdragen aan een betere en duurzame arbeidsmarktpositie. Dat kan in een tekortsector zijn, maar bijvoorbeeld ook in kansberoepen. Om dit verder te stimuleren is een deel van het budget beschikbaar exclusief voor samenwerkingsverbanden (een samenwerking tussen een opleider enerzijds en bijvoorbeeld een O&O-fonds of branchevereniging anderzijds), zodat zij scholingsactiviteiten (waaronder ook omscholing) voor een bepaalde sector kunnen realiseren. Zo kunnen ook de tekortsectoren een aanvraag indienen en zo ondersteuning krijgen in het scholen in en naar hun sector.
Per wanneer komen de op 28 augustus jongstleden door u aangekondigde budgetten voor dienstverlening, scholing en ontwikkeling beschikbaar? Is het mogelijk om deze versneld in te zetten ten behoeve van advies en scholing?
In de brief van 28 augustus jl. is uw kamer geïnformeerd over het steun- en herstelpakket. In dat pakket zijn middelen beschikbaar voor dienstverlening, scholing en ontwikkeling. Voor de ontwikkeladviezen zal er in 2021 € 37 miljoen beschikbaar worden gesteld, waarmee ruim 50.000 mensen een ontwikkeladvies kunnen volgen. Tijdens het debat over deze steunmaatregelen van 24 september jl. heb ik aangegeven dat de middelen voor ontwikkeladviestrajecten vanaf 1 december 2020 beschikbaar komen. Het ontwikkeladviesportaal kan vanaf die datum weer opengesteld worden, zodat mensen zich weer via een loopbaanadviseur kunnen registreren voor een ontwikkeladviestraject.
Wat is uw ambitie ten aanzien van het aantal mensen dat gedurende deze coronacrisis gebruik maakt van loopbaanadvies en na-, om- en bijscholing? Welke kwantitatieve verwachtingen zijn gebruikt voor het bepalen van de budgetten en zijn hierbij specifieke doelen gesteld met betrekking tot opleidingsniveau en/of tekortsectoren? Welke financieringsbronnen naast «NL leert door» verwacht u dat daarbij worden gebruikt en in welke mate?
Met het pakket aan maatregelen in NL leert door wordt – ter overbrugging van de periode tot wanneer STAP beschikbaar is – scholing aangeboden via opleiders en geïnvesteerd in ontwikkeladvies. Hiermee krijgen mensen handvatten om in deze uitdagende tijd op de arbeidsmarkt aan de slag te gaan met ontwikkeling en scholing. In 2020 is er € 50 miljoen beschikbaar voor ontwikkeladviezen en (online) scholing. Hiermee worden 22.000 ontwikkeladviezen gefinancierd, waarmee een bedrag van ruim € 14 miljoen gemoeid is. Dit aantal was gebaseerd op een inschatting van het aantal trajecten dat de uitvoerder in de periode van augustus tot december 2020 zou kunnen afhandelen en de ervaringen bij de regeling Ontwikkeladvies 45+. Voor die regeling was in eerste instantie weinig animo, waarna uiteindelijk in het laatste jaar in totaal 30.000 ontwikkeladviezen zijn uitgevoerd.
Voor (online) scholing verwacht ik 50.000 tot 80.000 scholingstrajecten te kunnen financieren, hiervoor is in totaal € 34 miljoen beschikbaar. De reden voor deze verdeling heeft er in de eerste plaats mee te maken dat de middelen voor dit jaar bedoeld zijn en we de scholing ook dit jaar willen kunnen aanbieden. Bovendien is de regeling voor (online) scholing een nieuw soort regeling, waarvan we nog niet goed weten hoe deze zal werken en in hoeverre deze vorm aanslaat bij en bruikbaar is voor mensen die scholing willen volgen. We zullen daarom ook een effectevaluatie inzetten om te onderzoeken hoe de regelingen zijn verlopen en of de regelingen effectief en doelmatig zijn.
Voor 2021 worden er door het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor deze vormen van ondersteuning. Zo komt er € 37 miljoen beschikbaar, waarmee nog eens 50.000 mensen een ontwikkeladviestraject kunnen volgen. Het portaal voor registratie van deze trajecten kan op 1 december aanstaande reeds geopend worden. Verder wordt er nog eens € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor een tweede tranche online scholing. Hiermee kunnen ongeveer 80.000 extra scholingstrajecten worden gefinancierd. Er is voorzien in een effectevaluatie om te onderzoeken hoe de regelingen zijn verlopen en of deze effectief en doelmatig zijn geweest.
Bovendien wordt er in 2021 ook geïnvesteerd in maatwerktrajecten met doelgerichte ondersteuning, scholing en begeleiding naar ander werk. Er wordt € 72 miljoen beschikbaar gesteld voor subsidie aan samenwerkingsverbanden van sectoren, sociale partners, O&O-fondsen en andere betrokkenen om werkenden die hun baan dreigen te verliezen met cofinanciering maatwerktrajecten aan te kunnen bieden. De maatwerktrajecten kunnen voorzien in scholing, maar ook in bredere arrangementen gericht op ondersteuning van werkenden. Hierbij kan gedacht worden aan ontwikkeladvies, EVC en begeleiding naar ander werk in beroepen en sectoren waar kansen liggen. Naar verwachting kunnen ca 70.000 mensen hiervan gebruik maken.
De coronacrisis kan ons allemaal raken. Hoewel van sommige sectoren duidelijk is dat ze hard geraakt worden door de coronacrisis, blijft heel moeilijk te voorspellen waar, wanneer en bij wie de klappen precies zullen gaan vallen. Dat maakt het ook lastig om regelingen te richten op bijvoorbeeld opleidingsniveau of sector waarin iemand werkzaam is. Daar komt bij dat het op die manier richten van de regelingen uitvoeringstechnisch complex is en meer tijd vergt, terwijl het tegelijkertijd zaak is om de ondersteuning in de vorm van ontwikkeladvies en scholing in zeer korte tijd beschikbaar te kunnen stellen. Daarom zijn er tot op heden geen specifieke doelen gesteld met betrekking tot het opleidingsniveau en of/tekortsector. Wel proberen wij via communicatie bepaalde doelgroepen, die een grotere kans lopen om bijvoorbeeld het werk te verliezen, te bereiken. Bovendien komt er een monitor voor beide regelingen die onder andere inzicht moet geven in de eigenschappen en kenmerken van deelnemers.
Hoe zorgt u ervoor dat werkzoekenden, werkenden, ondernemers en zelfstandigen geïnformeerd worden over alle beschikbare en financiële mogelijkheden voor om- en bijscholing naar een tekortberoep?
Informatie over mogelijkheden voor om- en bijscholing in brede zin zal onder meer worden gedeeld via hoewerktnederland.nl en slimwerkgeven.nl. Daarnaast is er rondom NL leert door een communicatiecampagne ingericht die er op gericht is om de regelingen vanuit NL leert door kenbaar te maken. Die campagne zal, gelet op de uitbreiding van de beschikbare middelen in 2021, worden gecontinueerd. Daarbij zal er ook aandacht komen voor communicatie over de nieuwe subsidie voor samenwerkingsverbanden voor het aanbieden van maatwerktrajecten.
Als het gaat om communicatie over regelingen vanuit de overheid zal aan de hand van het doel en de doelgroep van de regeling boven dien worden bezien of en in hoeverre het nodig is om de regeling specifiek onder de aandacht te brengen bij deze doelgroep. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van bijvoorbeeld radio, online advertenties en de inzet van sociale media. Bij de inkoop kan rekening worden gehouden met waar bepaalde doelgroepen het beste vertegenwoordigd zijn.
Daarnaast kan informatie verspreid via een netwerk van stakeholders, die dichtbij de doelgroep staat en zicht heeft op belanghebbende van de regeling, zoals ook is gebeurd bij NL leert door. Denk hierbij aan vakbonden, werkgeversorganisaties, leerwerklokketen, UWV, branches en sectoren.
De polymerase chain reaction-test (PCR-test) |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u – gelet op het feit dat uw summiere reactie in uw schrijven aan de Kamer d.d. 28 augustus 2020 onvoldoende inhoudelijk en specifiek is waar het gaat om de polymerase chain reaction-test (PCR-test) – alsnog antwoord geven op de door vragensteller ingediende 14 vragen van 18 augustus 2020 inzake de PCR-test? Indien nee, waarom niet?1 2
Het bericht ‘WhatsApp-fraude explodeert: ‘Ik snap niet hoe ik erin ben getrapt’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «WhatsApp-fraude explodeert: «Ik snap niet hoe ik erin ben getrapt»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de omvang van dit probleem is? Zo ja, in hoeveel gevallen wordt er aangifte gedaan of melding gemaakt door slachtoffers en in hoeveel gevallen niet? Zo nee, zijn er redenen bekend waarom niet?
De exacte omvang van hulpvraagfraude (ook wel vriend-in-nood-fraude genoemd), is niet bekend, omdat niet alle slachtoffers aangifte doen bij de politie of een melding maken bij hun bank of de Fraudehelpdesk (FHD). Hoewel de exacte omvang niet bekend is kan wel geconcludeerd worden dat er sprake is van een stijging sinds 2019 van het aantal meldingen en aangiftes van deze vorm van fraude.
Bij de FHD zijn tot 1 augustus 2020 7.907 meldingen binnengekomen van hulpvraagfraude. In heel 2019 waren dat er 2.663. Ook de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) meldt dat Nederlandse banken in de maanden maart, april en mei van dit jaar drie keer zoveel meldingen van oplichting via social media hebben ontvangen ten opzichte van de laatste drie maanden van 2019. Het aantal aangiftes bij de politie lag voor de coronacrisis op circa 120 tot 150 aangiftes per week. Sinds april van dit jaar is het mogelijk om digitaal aangifte te doen bij de politie en kwamen tot augustus circa 700 aangiftes per week binnen. De politie wijdt de toename van de aangiftes van hulpvraagfraude deels aan het feit dat het makkelijker is om melding te doen, maar ook aan de feitelijke toename van deze vorm van fraude. De feitelijke toename kan volgens de politie mogelijk verklaard worden doordat mensen tijdens de Corona-crisis meer online zijn gegaan om contact te hebben met hun familie en bekenden. Sinds augustus is het aantal aangiftes iets afgenomen.
In hoeveel gevallen van aangifte of melding wordt er ook daadwerkelijk vervolgd? In hoeveel gevallen wordt er na vervolging een straf opgelegd? Kan een overzicht worden gegeven van het aantal opgelegde straffen naar soort? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel aangiftes of meldingen hebben geleid tot een vervolging is niet inzichtelijk. Het OM registreert hulpvraagfraude via bijvoorbeeld WhatsApp niet apart. Er worden voor het begaan van hulpvraagfraude soms forse straffen opgelegd. Zo hebben twee mannen uit Deventer die mensen via WhatsApp hebben opgelicht een celstraf van 2,5 jaar en 3 jaar opgelegd gekregen.2
Heeft u zicht op het daderprofiel? Zo ja, wat is kenmerkend voor dit profiel? Hoe zit dit aan de slachtofferkant? Zo nee, wat wordt er concreet gedaan om deze profielen in beeld te krijgen?
Bij hulpvraagfraude gaat het in de meeste gevallen om een georganiseerde samenwerking van verschillende daders en medeplichtigen: katvangers/geldezels3, katvanger-ronselaars, pinners, oplichters, hackers en verkopers van de benodigde kennis4. De politie heeft het beste zicht op de katvangers/geldezels, die ook de grootste groep daders vormen. Dit zijn vaak jongeren en/of personen met een sociaaleconomisch zwakkere positie. De politie onderzoekt op verschillende manieren de verschillende dadertypes en de mogelijke (persoonsgerichte)barrières om deze vorm van fraude tegen te gaan.
De politie, FHD, Slachtofferhulp Nederland (SHN) en NVB hebben het beeld dat de meeste slachtoffers ouder zijn dan vijftig jaar. Het is op basis van de informatie van de politie, FHD en SHN niet met zekerheid te stellen dat vijftigplussers ook een hoger risico lopen op slachtofferschap.
Onder welke voorwaarden staan banken garant bij dit soort vormen van financiële criminaliteit? In hoeveel gevallen hebben slachtoffers tot nu toe hun geld teruggekregen? In hoeveel gevallen gebeurt dit niet?
In principe staan banken niet garant voor dit soort vormen van financiële criminaliteit. Wel zijn banken voor bepaalde soorten bancaire fraude wettelijk verplicht5 om schade te vergoeden. Bij bancaire fraude is er sprake van misbruik van betaalmogelijkheden die de bank aan klanten ter beschikking stelt. Hierbij geldt dat over het algemeen overgegaan wordt tot schadevergoeding wanneer de klant niet grof nalatig is geweest. Of er sprake is van grove nalatigheid is afhankelijk van het individuele geval en wordt uiteindelijk bepaald door de rechter. Wel hebben de banken gezamenlijk met de Consumentenbond een vijftal uniforme veiligheidsregels opgesteld die meer duidelijkheid geven over de vergoeding van schade als gevolg van fraude6; houd je beveiligingscodes geheim, zorg ervoor dat je bankpas nooit door een ander gebruikt wordt, zorg voor een goede beveiliging van de apparatuur die je gebruikt voor je bankzaken, controleer je bankrekening, en meld incidenten direct aan de bank en volg aanwijzingen van de bank op. Wanneer aan deze vijf veiligheidsregels is voldaan, kan de klant erop rekenen dat de schade vergoed wordt.
Banken zijn niet verplicht om schade te vergoeden als er sprake is van niet-bancaire fraude. Bij niet-bancaire fraude is sprake van een slachtoffer die onbewust of onder valse voorwendsels zelf opdracht geeft voor de uitvoering van de betaling aan de fraudeur.
Wanneer een klant zelf een betaalopdracht initieert, zoals het geval is bij hulpvraagfraude via WhatsApp, dan is de bank verplicht deze uit te voeren. Dit is alleen anders als de bank vermoedt dat er sprake is van fraude, bijvoorbeeld omdat de fraudedetectiesystemen aanleiding geven tot twijfel (in antwoord 6 en 8 wordt toegelicht wat banken verder doen ter voorkoming van fraude). Het is echter voor banken lastig om te zien of er sprake is van fraude als de klant zelf de betaalopdracht geeft.
Het kan dat in bepaalde gevallen van niet-bancaire fraude banken uit coulance overgaan tot een vergoeding. Dit is een eigen overweging van de bank op basis van de omstandigheden van het geval. Omdat dit gaat over een eigen overweging van de bank heb ik hierover geen cijfers tot mijn beschikking.
Op welke manieren proberen banken deze vorm van criminaliteit te voorkomen? Wat doen banken concreet om slachtoffers te waarschuwen en naderhand te adviseren?
De NVB en Betaalvereniging Nederland hebben aangegeven dat zij verschillende initiatieven ondernemen ter preventie van fraude, zoals het voorlichten van klanten om hen bewust te maken van potentiële frauderisico’s. Dit gebeurt onder andere via veiligbankieren.nl en via de eigen kanalen van de banken. Ook werken banken bij voorlichting samen met andere organisaties, waaronder de ouderenbonden. In september hebben de banken bijvoorbeeld bijgedragen aan de campagne «Senioren en Veiligheid» waarin onder andere aandacht werd besteed aan hulpvraagfraude via WhatsApp7.
Verder hebben de banken ter voorkoming van fraude de IBAN-naam check ingevoerd. Bij deze check krijgen klanten een melding als de naam en het rekeningnummer die de klant invoert niet in overeenstemming zijn met de gegevens die bekend zijn bij de bank.
Daarnaast werken de banken met verschillende fraudedetectiesystemen om frauduleuze transacties op te sporen en te onderzoeken. De monitoring vindt plaats op basis van vele indicatoren. In samenwerking met de politie wordt op basis van bepaalde modus operandi gekeken welke indicatoren gehanteerd kunnen worden om de fraudedetectiesystemen verder te verbeteren. Omwille van veiligheid kunnen banken hier verder geen toelichting op geven.
Wanneer een mogelijk frauduleuze transactie gedetecteerd wordt door het fraudedetectiesysteem, wordt de transactie apart gezet en onderzocht door een medewerker van de bank, waarbij vrijwel altijd contact gezocht wordt met de klant. Met deze fraudedetectiesystemen kunnen banken dus tijdig fraude signaleren en klanten hiervoor waarschuwen. Gezien de grote aantallen overboekingen die dagelijks worden uitgevoerd is het ondoenlijk om ter controle een telefoontje te plegen naar elke klant. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de privacy van de klant.
Gegeven het stijgende aantal slachtoffers en de enorme economische impact, deelt u de mening dat er meer moet worden gedaan om dit soort fraude tegen te gaan? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te treffen en hierbij de fraudehelpdesk, politie en banken te betrekken?
Vanwege het stijgende aantal slachtoffers sinds de corona crisis is mijn ministerie snel overgegaan tot voorlichting van het publiek. De meest effectieve aanpak van fraude is namelijk het voorkomen dat mensen slachtoffer worden. Mijn ministerie betrekt hierbij o.a. de politie, de banken, fraudehelpdesk en andere private organisaties. Zo publiceerde het jongerenplatform scholieren.com in samenwerking met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en mijn ministerie in augustus jl. een video gericht op jongeren met uitleg over hulpvraagfraude zodat zij ook hun (groot)ouders waarschuwen. In september startte mijn ministerie de campagne «Senioren en Veiligheid» met als doel senioren bewust te maken en handelsperspectief te bieden om slachtofferschap van o.a. hulpvraagfraude) te voorkomen. Ook onze partners zetten zich in om slachtofferschap te voorkomen.
In repressieve zin wordt deze fraudevorm serieus opgepakt door politie en het OM, bijvoorbeeld met de invoering van de internetaangifte. De aanpak van hulpvraagfraude wordt centraal opgezet en gecoördineerd. De aangiftes worden landelijk gebundeld zodat snel zicht is op de zaken die kansrijk zijn. Dit heeft inmiddels geleid tot een aantal succesvolle opsporingsonderzoeken en strafzaken8.
Daarnaast wordt door het kabinet ook ingezet op het verder versterken van het financieel rechercheren door onder meer het proces van vorderen van gegevens bij banken en andere betaaldienstverleners te automatiseren. Per 10 september jl. is de Wet en het Besluit verwijzingsportaal bankgegevens in werking getreden. Het Verwijzingsportaal bankgegevens maakt het mogelijk dat geautomatiseerd binnen 30 seconden identificerende gegevens van banken en andere betaaldienstverleners kunnen worden verkregen ten behoeve van opsporingsonderzoeken. Zo kan de politie sneller en beter financieel onderzoek doen naar mogelijke fraudeurs. Het vorderen van saldo- en transactiegegevens is een volgende stap bij financieel onderzoeken omdat het wenselijk is ook dit proces te versnellen wordt samen met de aangesloten diensten en de banken gewerkt aan het automatiseren van dit proces. Verder werken de banken nauw samen met de politie in de Electronic Crimes Taskforce (ECTF) en zetten zij zich in op de aanpak van geldezels van verschillende soorten fraude, waaronder ook deze vorm.
Wat kunnen banken doen om deze vorm van criminaliteit te voorkomen? Is het mogelijk dat er een telefoontje vanuit de bank ter controle van de overboeking naar ouderen wordt gepleegd met de vraag of zij zeker zijn van deze overboeking?
Zie antwoord vraag 6.
Welke informatie heeft de Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU) over deze transacties? Welke informatie hebben zij over daders? Heeft de FIU daarnaast in de gaten om hoeveel dadergroepen gaat dit?
De Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU-Nederland) is op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) het enige en centrale meldpunt, waar diverse meldingsplichtige instellingen ongebruikelijke transacties dienen te melden die kunnen wijzen op witwassen en terrorisme financiering. Deze meldingen van ongebruikelijke transacties kunnen ook betrekking hebben op fraude, maar dit betreft bijvangst. Over de jaren 2016 tot en met begin september 2020 heeft de FIU in totaal bijna 4.900 meldingen van ongebruikelijke transacties van meldingsplichtige instellingen ontvangen, die mogelijk verband kunnen houden met fraude, waaronder hulpvraagfraude. Vanaf 2018 ziet de FIU een sterk toenemende trend. In 2018 ging het nog om circa 200 meldingen van ongebruikelijke transacties, in 2019 was dat aantal 1.060 en in 2020 waren er tot en met begin september bijna 3.400 meldingen. Ongebruikelijke transacties die na analyse door het hoofd van de FIU-Nederland verdacht zijn verklaard zijn, ook op voornoemd thema, ter beschikking gesteld aan de diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Door de opsporing wordt op uiteenlopende wijzen gebruik gemaakt van de verdachte transacties, onder meer als sturingsinformatie, als startinformatie voor een strafzaak of als onderdeel van het bewijs in een strafzaak. Deze informatie kan dan ook behulpzaam zijn voor het in kaart brengen van daders en dadergroepen.
Welke mogelijkheden zijn er om slachtoffers preventief te waarschuwen? Hoe vaak is er daadwerkelijk gehandeld naar deze mogelijkheden?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen om deze nieuwe, schadelijke vorm van financiële criminaliteit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 7.
De maatschappelijke kosten en baten van zonne-energieprojecten |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Maatschappelijke kosten-batenanalyse naar toekomstige inpassing van drie alternatieven voor opwek van zonne-energie» van Berenschot en Kalavasta?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat, vanuit maatschappelijk oogpunt, zon op bedrijfsdaken sterker gestimuleerd zou moeten worden?
Deze conclusie is in lijn met het kabinetsbeleid op dit terrein. Zoals aangegeven in mijn brief van 23 augustus 2019 (Kamerstuk 34 682, nr. 29) in reactie op de moties van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 32 813, nr. 204 en Kamerstuk 34 682, nr. 25) zet het kabinet erop in om met zon-PV daken en onbenutte terreinen zoveel mogelijk te benutten en landbouw en natuur zoveel mogelijk te ontzien. Met de inzet op zon-op-dak-projecten, die over het algemeen een hoger percentage eigen verbruik hebben, wordt bovendien het elektriciteitsnet zoveel mogelijk ontlast.
Het kabinet is met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en maatschappelijke organisaties een voorkeursvolgorde overeengekomen, die voorziet in het ontzien van landbouw- en natuurgronden en het stimuleren van zon op daken. De voorkeursvolgorde is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die provincies en gemeenten kunnen benutten om af te wegen waar zon-PV het beste kan worden ingepast. Omdat voor de realisatie van grootschalige zon-PV-projecten een vergunning nodig is, is het beleid voor ruimtelijke ordening op deze wijze sturend bij de realisatie van zon-PV-projecten.
In dit licht werkt het kabinet tevens aan wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin krijgen gemeenten de bevoegdheid om via een zogenoemde maatwerkregel in het omgevingsplan te eisen dat nieuwe gebouwen die niet al onder de voorgenomen BENG-eisen vallen, zoals onverwarmde industriehallen, hun dak gebruiken voor opwek van duurzame energie of klimaatadaptatie.
Deelt u de mening dat zonne-energieprojecten met een hogere maatschappelijke waarde (inclusief indirecte en externe kosten) ook een betere businesscase dienen te hebben? Zo nee, waarom niet?
Deze stelling deel ik niet. In het geval dat projecten met een hoge maatschappelijke waarde door private partijen dienen te worden uitgevoerd, is het nodig dat de uitvoering hiervan ook rendabel is. Daarbij is het niet nodig dat deze projecten een betere businesscase hebben. Het instrumentarium dat door de verschillende overheden beschikbaar wordt gesteld, levert hieraan een bijdrage.
Deelt u de mening dat het van belang is om middels subsidies ervoor te zorgen dat zonne-energieprojecten met een hogere maatschappelijke waarde een betere businesscase hebben? Zo nee, waarom niet?
De SDE++ subsidieert de onrendabele top van zonne-energieprojecten. Daarmee krijgen deze projecten een voldoende aantrekkelijke businesscase. Het verder verbeteren van de businesscase zou leiden tot overstimulering en hogere kosten voor de energietransitie. Het Rijk en medeoverheden hebben verschillende andere instrumenten tot hun beschikking die er gezamenlijk toe moeten leiden dat de investeringen van onder andere private partijen leiden tot maatschappelijk gewenste uitkomsten. Zo worden veel beslissingen die van invloed zijn op de omgeving, zoals de inpassing van zonne-energie, beïnvloed door het ruimtelijke instrumentarium.
Bent u ook van mening dat zonneweides doorgaans een betere businesscase hebben dan zonprojecten op bedrijfsdaken, terwijl zonneweides maatschappelijk gezien minder wenselijk zijn? Zo ja, op welke wijze wilt u het voor investeerders en ontwikkelaars aantrekkelijker maken om zon op daken te realiseren in plaats van op land? Bent u bereid hiervoor de Stimulering Duurzame Energietransitie (SDE++)-regeling verder aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de SDE+(+) is CO2-reducerende projecten te stimuleren door de onrendabele top van deze projecten af te dekken. Daarbij is de SDE++ techniekneutraal: technieken met een gelijk risicoprofiel ontvangen een gelijk financieel rendement. Wel was het in het verleden zo dat in de SDE+ gestuurd werd op de laagste kostprijs. Projecten met een lagere kostprijs kwamen hierdoor eerder aan bod dan projecten met een hogere kostprijs. Dit betekende onder andere dat zonneweides eerder aan bod kwamen dan zon-PV op daken.
In de SDE++ concurreren projecten niet langer op basis van kostprijs maar op basis van subsidiebedrag (basisbedrag – verwacht correctiebedrag). Dit betekent dat in de SDE++ de relatieve rangschikking van systemen met eigen verbruik zal verbeteren ten opzichte van systemen zonder eigen verbruik. Zon-op-dak-projecten gebruiken doorgaans een groot deel van de opgewekte energie zelf, in tegenstelling tot veldsystemen. Hierdoor zullen zon-op-dak-projecten eerder voor subsidie in aanmerking komen.
In het rapport dat wordt aangehaald, wordt uitgegaan van een vrij laag aandeel eigen gebruik bij zon op dak (namelijk 30%), waardoor zon op dak niet eerder aan bod zou komen dan grondgeboden systemen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gaat uit van 60% gemiddeld eigen verbruik over het gehele vermogensspectrum, waardoor dit wel het geval is. Ik ben daarom niet van mening dat zonneweides een betere businesscase hebben dan zonprojecten op daken. Daarom ben ik ook niet voornemens om de SDE++-regeling op dit punt verder aan te passen.
Zou u bovenstaande vragen voor het algemeen overleg Klimaat en energie dat op 24 september 2020 gepland is willen beantwoorden?
Het algemeen overleg Klimaat en Energie, dat op 24 september 2020 gepland stond, is vervallen. Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Ten koste van mens en milieu' |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ten koste van mens en milieu»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat de modellen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gebaseerd zijn op een beperkt aantal metingen en aannames waarbij steeds meer kanttekeningen worden geplaatst?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gebruikt als input voor haar modellen de stikstofuitstoot van de landbouw uit de Emissieregistratie. Deze stikstofuitstoot wordt jaarlijks berekend met het NEMA-model (NEMA staat voor Nationaal Emissiemodel voor Ammoniak). Over deze berekening wordt gerapporteerd in Emissies naar lucht uit de landbouw door Wageningen University & Research (WUR), dat de berekening uitvoert onder begeleiding van de werkgroep NEMA van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM). De berekeningen van emissies uit de landbouw en uit stallen zijn gebaseerd op een veelheid van metingen en aannames en wordt jaarlijks verbeterd op basis van nieuwe inzichten en gegevens. Hiermee hebben we een robuust model voor de uitstoot en depositie van stikstof in Nederland.
Klopt het dat er vooral met modellen gewerkt wordt en dat de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) ervan uit gaat dat de modellen er 25 procent naast kunnen zitten?
De materie is complex, waardoor modellen, ook die van TNO, helaas onzekerheden bevatten. Het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof onder voorzitterschap van de heer Hordijk heeft in hun eindadvies aanbevelingen gedaan om te komen tot een vermindering van de onzekerheden. Ik heb uw Kamer op 13 oktober jl. de kabinetsreactie gestuurd op dit eindadvies. De inzet van het kabinet is om de onzekerheden te beperken.
Klopt het dat de verschillende bestanden met dieraantallen, dierproductierechten en (gemeentelijke) vergunningen niet aan elkaar gekoppeld zijn of met elkaar worden vergeleken?
Gegevens over het aantal gehouden dieren en dierproductierechten zijn bekend bij RVO. Deze worden, binnen de grenzen van de AVG, aan elkaar en aan andere gegevens gekoppeld en waar nodig aan een nadere inspectie onderworpen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Vergunningen die door provincies of gemeenten worden afgegeven worden gecontroleerd door het betreffende bevoegde gezag.
Kunt u uitgebreid ingaan op de vraag waarom omgevingsdiensten boeren regelmatig controleren op milieu en omgevingsvergunningen maar zij niet controleren of de boeren voldoende dier- of fosfaatrechten hebben en wat vindt u hier van?
Het controleren van de mestproductie aan de hand van onder meer dierrechten en fosfaatrechten, is een verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt in dit geval uitgevoerd door RVO en de NVWA. Het is ten principale zo dat de overheidslaag die de vergunning of rechten uitgeeft ook de uitvoering en handhaving voor zijn rekening neemt.
Wat vindt u ervan dat in veel gevallen fraude lucratief is?
Ik vind fraude in alle gevallen een zeer kwalijke zaak, zeker ook richting ondernemers die zich wel netjes aan de regels houden. Door de pakkans te vergroten en met stevige (financiële) consequenties te confronteren neemt de fraudeprikkel af. De pakkans wordt vergroot door risico gebaseerd te controleren met gebruikmaking van gecombineerde datastromen. Het is een continu proces om dit te verbeteren en verder te optimaliseren. In de herbezinning van het mestbeleid is een van de doelen om de mestketen transparanter te maken en de uitvoering en handhaving te vereenvoudigen.
In hoeverre wordt gebruik gemaakt van de in het artikel beschreven mogelijkheid dat satellietdata en plaatselijke metingen een grote rol kunnen spelen bij het verbeteren van de cijfers van het RIVM en kunt u ook in gaan op wat er sinds onze vragen hierover in oktober 2018 verder mee gebeurd is?2
Satellietdata kunnen een waardevolle aanvulling zijn op andere metingen, maar kunnen ze niet vervangen, onder andere omdat de meteorologische omstandigheden van invloed zijn op het waarnemingsvermogen van satellieten. Overigens bevestigen de satellietdata de beelden die het RIVM al op basis van metingen bepaalt.
In hoeverre wordt er op meerdere plaatsen een regionaal meetnetwerk opgezet met snuffelpalen zodat metingen beter gecombineerd kunnen worden met modellen, zoals nu in Noord-Brabant gebeurt?
In Nederland zijn meerdere regionale meetnetwerken actief. Enerzijds zijn dit formele meetstations in beheer van regionale uitvoerings- en omgevingsdiensten en GGD’s en anderzijds gaat dit om sensormetingen(snuffelpalen) in beheer van bedrijven, gemeenten of burgerinitiatieven. De meetstations van de verschillende diensten en GGD’s die onderdeel uitmaken van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden door het RIVM gebruikt bij het kalibreren van modelberekeningen. De sensormetingen zijn momenteel echter nog van onvoldoende kwaliteit om gebruikt te worden in het kader van modelkalibratie. Door de snelle ontwikkelingen op het gebied van sensormetingen wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) de voorbereiding getroffen voor een pilot om ervaring op te doen met (regionale) sensornetwerken en de rol die dit soort metingen (fijnstof en NO2) kunnen vervullen in aanvulling op het LML en modelberekeningen. Het is momenteel nog niet duidelijk waar deze pilotprojecten precies gerealiseerd zullen worden. Daarbij is op te merken dat de regionale sensormetingen in de provincie Noord-Brabant enkel fijnstof en NO2 betreffen, en geen NH3. Dit komt doordat de kwaliteit van de huidige NH3-sensoren voor de lage concentraties NH3 in de buitenlucht nog onvoldoende is. In het geval van ammoniak zal er op korte termijn dan ook geen sprake zijn van sensormetingen die gecombineerd kunnen worden met formele modelberekeningen.
Het bericht ‘Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender»?1
Ja.
Klopt het dat de instroom in de jeugdzorg in het eerste kwartaal van 2020 is afgenomen met 30 procent? Zo ja, welke verklaringen heeft u voor deze afname?
CBS heeft onlangs een kwartaalupdate met gegevens over het eerste kwartaal 2020 met betrekking tot de arbeidsmarkt zorg en welzijn op AZW StatLine gepubliceerd en hierbij een nieuwsbericht uitgebracht waarin deze afname van 30% wordt gemeld. Echter, de in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche.
Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgwekkend. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 medewerkers in Q1 2020).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020.
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Deelt u de mening, ook van de FNV, dat het verminderen van de administratieve lasten in de jeugdzorg een deel van de oplossing zou kunnen zijn om personeelsverloop- en ziekteverzuim tegen te gaan?
Ja.
Wanneer en op welke wijze voert u de unaniem door de Kamer aangenomen motie-Wörsdörfer c.s. uit waarin u opdracht krijgt bij ministeriële regeling regels te stellen met als doel het aanzienlijk verminderen van de uitvoeringskosten en het stroomlijnen van de verantwoordingseisen en administratieve processen binnen de jeugdhulpsector?2
De afspraak uit het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg» is «dat VNG en VWS een project zullen starten om te komen tot een vereenvoudiging van productcodes met normen voor cliëntgebonden tijd, niet-cliëntgebonden tijd en reistijd.» Indien deze normen worden afgesproken zal dit als gevolg hebben dat bijvoorbeeld het bijhouden van een (digitale) agenda voor professionals voldoende is. Ik ben voornemens om de vereenvoudiging van de productcodes vast te leggen in een ministeriele regeling, streefdatum is 1 januari 2022.
Wat is de uitkomst van de gesprekken tussen de regering en gemeenten om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen met als doel een minimale uniformiteit tussen en binnen de 42 zorgregio’s zoals verzocht in de motie van 18 november 2019?3
De uitwerking om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen zit op meerdere vlakken. Zo richt de Norm van Opdrachtgeverschap van de VNG zich op zorgvuldigheidseisen bij inkoop, de verplichting tot het beperken van administratieve lasten en het gebruik van de i-standaarden. In het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» worden eisen gesteld aan de regionale samenwerking. Mijn wens om verantwoordingseisen voor de jeugdhulp op regionaal niveau te stroomlijnen, is verwerkt in dat wetsvoorstel.
Heeft u gesprekken gevoerd met branchepartijen over het verminderen van administratieve lasten van hun kant, zoals door de VVD-fractie gevraagd tijdens het wetgevingsoverleg Onderdeel Jeugd en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en J&V 2020 van 18 november 2019?4 Wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? In hoeverre monitort u de daadwerkelijke resultaten van deze gesprekken in de praktijk voor jeugdzorgmedewerkers? In hoeverre zullen nog meer van dit soort gesprekken plaatsvinden?
VWS heeft vanuit het programma Ontregel de Zorg en onder leiding van Rita Verdonk als speciaal adviseur voor de jeugdzorg, diverse gesprekken gevoerd met betrokken partijen over het verminderen van administratieve lasten en regeldruk, waaronder het stoppen met tijdschrijven. Dit heeft o.a. geresulteerd in de ondertekening van het convenant «Stoppen met tijdschrijven» door VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) op 11 juni 2020. Zo gaan werknemers en werkgevers in de CAO vastleggen dat er geen vermijdbaar tijdschrijven meer plaatsvindt. Gemeenten en jeugdhulpaanbieders hebben afgesproken geen vermijdbaar tijdschrijven meer op te nemen in de contracten inspannings- en output gericht. VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) hebben regelmatig overleg over de voortgang en monitoring van de afspraken uit het convenant.
Heeft u signalen ontvangen dat jeugdzorgmedewerkers graag meer inspraak in hun werkzaamheden willen hebben? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om de inspraak van jeugdzorgpersoneel te vergroten?
VWS is bekend met de wens van professionals om meer inspraak te hebben. Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
Het bericht ‘Farmalobby wil dekking tegen claims over vaccins’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Farmalobby wil dekking tegen claims over vaccins»?1
In het artikel bevestigt de woordvoerder van de Europese Commissie dat de regels over aansprakelijkheid niet zullen veranderen. Dat beeld deel ik. Tegelijkertijd geeft de woordvoerder aan dat het een andere vraag is of regeringen van landen farmaceutische bedrijven op de een of andere manier zullen vrijwaren van toekomstige claims. Daarmee bedoelt de woordvoerder, zo blijkt uit uitlatingen van de Commissie, dat lidstaten bijvoorbeeld onder bepaalde voorwaarden financiële compensatie kunnen bieden bij claims die zien op een verborgen gebrek van een vaccin dat niet bekend was op het moment van toelating. De vermeende suggestie uit het artikel dat de Europese Commissie in de contracten een vrijstelling van de wettelijke productaansprakelijkheid voor farmaceuten zou hebben geregeld, is niet aan de orde.
Deelt u de mening dat deze lobby de ware intenties van big farma blootlegt, te weten cashen op de crisis in plaats van de pandemie uit te roeien?
De farmaceutische bedrijven waarmee de Commissie in gesprek is, zijn bedrijven die erkennen dat de wereld op dit moment in een crisis verkeert. Zij tonen hun commitment door veel geld en energie te stoppen in het ontwikkelen van een veilig vaccin dat een einde zal brengen aan de pandemie. Van sommige van de vaccins tegen Covid-19 die zij ontwikkelen, zijn er hoge verwachtingen. Tegelijkertijd kent het ontwikkelen van vaccins veel onzekerheden. De farmaceutische bedrijven werken er hard aan om te voldoen aan de strenge eisen die binnen de Europese Unie gelden voor de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van de vaccins, zoals ook blijkt uit het gezamenlijke persbericht dat negen grote farmaceutische bedrijven op 8 september 2020 hebben uitgebracht.3 Ik herken het beeld niet dat farmaceutische bedrijven vooral geld willen verdienen in plaats van de pandemie te willen bestrijden.
Kunt u garanderen dat de Europese regels over aansprakelijkheid van toepassing zijn en blijven op farmabedrijven die zich bezighouden met de ontwikkeling van coronavaccins?
De Europese Commissie heeft ook tijdens een bijeenkomst van de commissie voor volksgezondheid op 7 september 2020 in het Europees parlement verklaard dat alle wetgeving van de EU inzake productaansprakelijkheid volledig wordt gerespecteerd en dat de rechten van burgers onaangetast blijven.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk moet zijn farmabedrijven te beschermen tegen rechtszaken?
Ja. In de Geneesmiddelenrichtlijn is opgenomen dat het toekennen van een handelsvergunning niets afdoet aan de aansprakelijkheid van een fabrikant en vergunninghouder. In Nederland is dat geregeld in het Burgerlijk Wetboek; dat is onverkort van toepassing. Als een geneesmiddel wordt gebruikt in lijn met de goedgekeurde indicaties, ligt de aansprakelijkheid bij de fabrikant of vergunninghouder.
Welk precedent is er voor het vrijstellen van de farmaceutische industrie van aansprakelijkheid, zowel binnen als buiten de EU?
Een aantal jaren geleden is voor de behandeling van een Ebola patiënt Favipiravir toegediend. Dit product was op dat moment alleen in Japan geregistreerd voor de indicatie ernstige influenza en de fabrikant was toen gevrijwaard van aansprakelijkheid, omdat het product op dat moment geen registratie voor de indicatie Ebola had. Een ander geval betrof het behandelen van een Lassakoorts patiënt met Ribavirine, een product dat geregistreerd is voor de behandeling van patiënten met chronische hepatitis B. Ook in dit geval was de fabrikant gevrijwaard omdat het product niet voor de indicatie Lassakoorts was geregistreerd.
Welke afspraken zijn er in bestaande contracten met farmabedrijven met betrekking tot bescherming voor eventuele rechtszaken?
In algemene zin geldt dat de contracten die getekend worden door de Europese Commissie voorzien in een geheimhoudingsverklaring voor alle betrokken partijen inclusief de vertegenwoordigers van de 27 lidstaten. Hierdoor kan niet ingegaan worden op specifiek gemaakte afspraken in die contracten.
De Europese wetgeving inzake productaansprakelijkheid wordt volledig gerespecteerd en blijft op het bedrijf rusten. De rechten van burgers blijven volledig onaangetast. In zoverre bieden de overeenkomsten de bedrijven dus geen bescherming voor eventuele rechtszaken.
Wel worden in de overeenkomsten afspraken gemaakt over een vrijwaring door de Lidstaten van de farmaceutische bedrijven ten aanzien van claims van derden. Voor deze vrijwaringssituatie gelden specifieke en strikte voorwaarden.
Wat is uw reactie op de uitspraak van AstraZeneca bestuurder Dobber: «Dit is een unieke situatie waarin wij als bedrijf simpelweg het risico niet kunnen nemen. Wij vragen in onze contracten om vrijstelling. Voor de meeste landen is het acceptabel om deze risico's zelf te dragen, omdat dat in het nationale belang is.»?
Zie antwoord 3.
Hoeveel zou zo’n dekking de staat mogelijkerwijs kunnen kosten?
Omdat er in de Europese Unie geen sprake is van vrijstelling van productaansprakelijkheid, is een dekking daarvoor ook niet aan de orde. Eventuele zeldzame bijwerkingen van een vaccin, komen soms pas na registratie bij toepassing op grote schaal aan het licht. Vooraf is een dekking daarom moeilijk in te schatten.
Wat is uw reactie op de rechtvaardiging die lobbyorganisatie the European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) aanhaalt met betrekking tot de extra risico’s die ontstaan met het zo snel mogelijk ontwikkelen van een vaccin?
In het statement van negen grote farmaceutische bedrijven zie ik bevestiging van het feit dat deze bedrijven alles op alles zetten om een veilig vaccin tegen COVID-19 op de markt te brengen. Het is belangrijk om te benadrukken, dat hoewel bepaalde procedures in de vaccinontwikkeling versneld / parallel uitgevoerd worden, de eventuele toelating van de vaccins tot de markt (registratie) net zo kritisch en zorgvuldig door de EMA zal worden beoordeeld.
Wat vindt u ervan dat farmabedrijven stellen dat er onvermijdelijk risico’s ontstaan bij de snelheid waarmee de vaccins tot stand komen? Hoe kan dit het geval zijn terwijl vaccins, net als in normale tijden, alle vereiste goedkeuringen moeten verkrijgen en alle gebruikelijke procedures moeten doorlopen?
We willen natuurlijk zo snel mogelijk een vaccin tegen het coronavirus, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit en veiligheid. De COVID-19 vaccins die worden ontwikkeld moeten aan de hoogste zorgvuldigheids- en veiligheidseisen voldoen. Er zijn verschillende stappen in de ontwikkeling die versneld kunnen worden door bijvoorbeeld klinische studies parallel te laten verlopen en de productie vast te starten, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 9 heb aangegeven. Ik wil nogmaals benadrukken dat bij de zoektocht naar een vaccin de snelheid nooit boven zorgvuldigheid mag gaan. COVID-19 vaccins zullen bij toelating tot de markt aan dezelfde eisen moeten voldoen als elk ander vaccin. Medicijnautoriteiten zoals de EMA en het CBG zien hier streng op toe.
Als, zoals beweerd wordt, de snelheid niet ten koste gaat van de nauwkeurigheid, en vaccinontwikkeling aan alle gebruikelijke checks en balances onderworpen wordt, wat zou dan de rechtvaardiging zijn voor een uitzonderingspositie met betrekking tot claims, waarvan wordt verwacht dat zij een gevolg zullen zijn van de snelheid van vaccinontwikkeling?
Zoals ik in de beantwoording op eerdere vragen heb aangegeven staan de veiligheid en werkzaamheid van een vaccin voorop. De medicijnautoriteiten zullen niet anders beoordelen dan bij andere vaccins en ook na het beoordelingsproces blijft het belangrijk de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin te monitoren. Net als bij andere medicijnen bestaat de mogelijkheid dat na toelating onbekende of zeldzame bijwerkingen naar voren komen, die tijdens het onderzoek niet zichtbaar waren.
Vaccinproducenten maken hoge kosten om zo snel als mogelijk een vaccin beschikbaar te stellen. Er worden daarom afspraken gemaakt om een stuk van het financiële risico af te dekken voor producenten om tijdig een veilig vaccin op de markt te brengen. In de afspraken die met vaccinproducenten worden gemaakt gaat het onder andere over het vrijwaren/compenseren voor bepaalde aansprakelijkheden onder strikte condities. Deze afspraken staan helemaal los van de toelatingsprocedure.
Deelt u de mening dat de snelheid waarmee vaccins nu tot stand komen juist in het teken moet staan van werkzaamheid en veiligheid van het vaccin? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, een vaccin moet ten alle tijden zo veilig mogelijk zijn. Dit is niet alleen belangrijk voor het effectief bestrijden van deze pandemie, maar is ook essentieel om het draagvlak voor vaccinaties in het algemeen hoog te houden.
Het bericht ‘Granuliet duizend keer gevaarlijker dan gedacht: Rijkswaterstaat maakte rekenfout’. |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Granuliet duizend keer gevaarlijker dan gedacht: Rijkswaterstaat maakte rekenfout»1 uit de Gelderlander en het artikel «Rijkswaterstaat maakt cruciale rekenfout bij omstreden granulietstort»2 van Zembla?
Heeft Rijkswaterstaat inderdaad een ernstige rekenfout gemaakt bij de risicoberekening van de granulietstort in de Gelderse natuurplas Over de Maas?
Welke gevolgen heeft dit, indien hier sprake van is, dan voor de eerder verstrekte vergunningverlening ten aanzien van het storten van granuliet?
Wat zijn de concrete gevaren voor het drinkwater, de flora en fauna en de bewoners in gemeente West Maas en Waal en regio indien deze informatie klopt?
Kunt u gezien de mogelijke schadelijke gevolgen nog deze week bovenstaande vragen beantwoorden?
Het bericht ‘Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: 'Zo gaat het kapot’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: «Zo gaat het kapot?»1
Ja.
Wat is uw reactie op de nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat in de eerste drie maanden van dit jaar zich maar 3700 nieuwe werknemers hebben gemeld, ten opzichte van 5300 in het eerste kwartaal van 2019? Bent u het ermee eens dat deze daling van 30% zeer zorgwekkend is en oproept tot acute actie?
De in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche. Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgelijk. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 in Q1 2020 medewerkers).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020. Zie ook het antwoord op vraag 5, waarin de instroom in- en exclusief administratieve mobiliteit is weergegeven. Het is belangrijk dat mensen kiezen om in de jeugdzorg te werken en dat dat nog steeds met flinke aantallen gebeurt. Tegelijkertijd is het zorgelijk dat de instroom dit jaar lager is dan vorig jaar. Ik heb hier samen met het veld actie op ingezet, een gezamenlijke aanpak gericht op zowel het behoud van personeel als ook het vergroten van de instroom. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat gaat u op korte termijn doen om deze dalende instroom aan te pakken, wetende dat er al een groot tekort is aan jeugdzorgmedewerkers en dat de wachtlijsten oplopen?
Er is sprake van een krappe arbeidsmarkt Zorg en Welzijn- breed, een complex vraagstuk dat niet op korte termijn is opgelost. Meer personeel is zeker niet de enige oplossing, we zetten alles op alles om de mensen die in de jeugdzorg werken te behouden. Langs diverse sporen wordt ingezet op de aantrekkelijkheid van de jeugdzorg voor potentiële jeugdzorgwerkers.
In samenwerking met gemeenten, aanbieders, vakbonden en beroepsorganisaties nemen we actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Met het actieprogramma Zorg voor de Jeugd nemen we maatregelen die bijdragen aan het vakmanschap van professionals en het bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt. Met het actieprogramma Werken in de Zorg wordt gewerkt aan een aanpak voor de gehele sector zorg en welzijn. Met de brief van 15 september jl. hebben de Minister van VWS, de Minister voor Medische Zorg en Sport en ik uw Kamer geïnformeerd over de voorzetting en intensivering van deze brede aanpak3. In alle regio’s werken partijen samen aan instroom en behoud van medewerkers voor de sector. Daarnaast werkt VWS samen met de sector aan het terugdringen van administratieve lasten bij zorgaanbieders en professionals in de jeugdzorg. Rita Verdonk is hiervoor als speciaal adviseur van het programma Ontregel de Zorg aangesteld.
Aanvullend hierop werken Jeugdzorg Nederland, FNV en CNV, met ondersteuning van VWS en JenV, aan projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp. Tot eind 2022 heb ik hier een financiële bijdrage van € 2,4 miljoen voor beschikbaar gesteld. Vanuit de Arbeidsmarkttafel Jeugd lopen concrete projecten met werkgevers en professionals. Dat gaan we doen door goede ideeën en praktijken in de branche te benutten door ze op te halen, te versterken en te delen met anderen. Een van de projecten is gericht op het thema inwerken en begeleiden van nieuwe medewerkers. In dit specifieke project ligt de focus op drie manieren van inwerken en begeleiden die aantoonbaar werken in de praktijk. De werkzame inzichten worden breed gedeeld in de jeugdsector en werkgevers zullen gefaciliteerd worden om de inzichten concreet toe te passen. Andere projecten vanuit de arbeidsmarkttafel zijn gericht op modern werkgeverschap, een landelijke voorziening met loopbaanpaden en vacatures, het verminderen van agressie en arbeidsmarkteffecten van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)-registratie.
Heeft u in beeld waarom zo weinig mensen zich aanmelden als jeugdzorgmedewerker? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Kunt u een overzicht geven van het aantal mensen dat in de jeugdzorg werkt, de instroom en de uitstroom vanaf 2010? Wat zijn de gevolgen van de decentralisatie voor het personeelsbestand?
Wat is de loonkloof tussen de mediane werknemer en de bestuurders in de jeugdzorg?
VWS beschikt niet over deze gegevens.
Wat is de salarisontwikkeling van mensen die in de jeugdzorg werken over deze hele periode? Hoe verhouden de salarissen zich tot die van mensen met een vergelijkbare opleiding in andere sectoren?
Sinds 2010 zijn de cao-lonen in de jeugdzorg in totaal 15,5% gestegen.
1,25% per 1-11-2010
2% per 1-5-2012
2% per 1-10-2014
0,4% per 1-1-2015
1,85% per 1-1-2016
1,65% per 1-7-2017
2% per 1-7-2018
4% per 1-1-2020
Bron: CAO’s Jeugdzorg.
Het startsalaris van een jeugdzorgwerker D of activiteitenbegeleider (schaal 7) met een mbo-opleiding ligt tussen de € 2.299 en € 2.375. Dit is iets meer dan een hoofdagent (mbo 4) wiens startsalaris ongeveer tussen de € 2.060 en € 2.131 ligt7. Op hbo-niveau ligt het salaris van een startende jeugdzorgwerker C (schaal 8) tussen de € 2.403 en € 2.484. Een jeugdzorgwerker met hbo-opleiding kan doorgroeien naar de functie jeugdzorgwerker A (schaal 10); in die schaal ligt het startsalaris tussen € 2.833 en € 2.931. Het startsalaris van een jeugdzorgwerker C ligt iets lager dan dat van een startende leraar; die verdient tussen de € 2.678 en € 2.7478.
Volgens vakbond FNV worden jeugdzorgmedewerkers onderbetaald, is de werkdruk te hoog, zijn zij teveel tijd kwijt aan onnodige administratieve klussen en hebben zij te weinig inspraak in het te voeren beleid, bent u bereid om aan deze oorzaken iets te doen? Kunt u per oorzaak een antwoord sturen?
We hebben te maken met een grote arbeidsmarktopgave en hoog personeelsverloop voor de jeugdsector. Ik neem de zorgen van professionals als het gaat om salaris, werkdruk, regeldruk en administratieve lasten en inspraak bij hun organisaties – dan ook uiterst serieus. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de sector, van werkgevers, werknemers, gemeenten, brancheorganisaties en vakbonden om deze knelpunten aan te pakken.
Professionals verdienen dat ze goed worden toegerust voor hun belangrijke werk. En hier hoort ook een passende beloning bij. Hier hoort ook bij dat gemeenten faire tarieven betalen aan jeugdzorgorganisaties waardoor professionals meer tijd en ruimte krijgen om goede zorg te verlenen. Omdat er in de praktijk veel discussie is bij gemeenten en aanbieders hierover, ben ik voornemens om in een AMvB kostprijselementen van een redelijk tarief vast te leggen. Dit schept zowel voor gemeenten als aanbieders houvast.
De werkdruk binnen organisaties in de jeugdzorg is vaak hoog. Werkplezier en veerkracht zijn enorm belangrijk om het werk te kunnen en willen blijven doen. Kenmerken van goede werkgevers die medewerkers aan zich weten te binden zijn onder meer de inzet van voldoende personeel, aandacht voor de inzetbaarheid van medewerkers en aandacht voor de ontwikkeling van medewerkers. Vanuit de Arbeidsmarkttafel brengen we de werkzame elementen van goed werkgeverschap in beeld en delen we de kennis over wat werkt binnen de sector.
Met landelijke en regionale schrapdagen werken we aan het terugdringen van regeldruk en administratieve lasten. Voor de zomer zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met gemeenten, werkgevers en vakbonden over het stoppen van vermijdbaar tijdschrijven in de jeugdzorg. Afgesproken is dat gemeenten voortaan bij nieuwe contracten geen verplichting meer zullen opnemen tot vermijdbaar tijdschrijven. Werknemers en werkgevers gaan hier ook afspraken over maken in de CAO.
Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
Vanuit het actieprogramma Werken in de Zorg wordt zorg breed gewerkt aan het terugdringen van de personeelstekorten in de zorg, zoals die in de jeugdbranche. Met de brief van 15 september jl. hebben de Minister van VWS, de Minister voor Medische Zorg en Sport en ik uw Kamer geïnformeerd over de voortzetting en intensivering van de brede aanpak van de arbeidsmarktknelpunten. Deze aanpak richt zich onder meer op de waardering en zeggenschap van professionals, het verminderen van werkdruk en administratieve lasten.
Kunt u aan jeugdzorginstellingen uitleggen hoe zij hun roosters nog rond moeten krijgen, aangezien ook de uitstroomcijfers van jeugdzorgmedewerkers zeer hoog zijn, met een lage instroom en hoge uitstroom?
Ik kan me goed voorstellen dat het ingewikkeld is om in tijden van groot verloop van personeel de roosters rond te krijgen. Ik heb veel waardering en respect voor de wijze waarop zorgaanbieders continuïteit van zorg bieden.
Komen op het ministerie signalen binnen van jeugdzorginstellingen die acute personeelstekorten hebben? Zo ja, wat doet u hiermee?
VWS spreekt regelmatig jeugdzorginstellingen, gemeenten, professionals en brancheorganisaties over de arbeidsmarktsituatie van de jeugdzorg. Jeugdzorginstellingen zien in toenemende mate dat het krijgen en behouden van goed gekwalificeerd personeel lastig is vanwege krapte op de arbeidsmarkt. Er zijn bij VWS geen signalen bekend van jeugdzorginstellingen die acute personeelstekorten hebben. Ook uit navraag bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Jeugdautoriteit is dit niet gebleken.
Hoe zorgt u ervoor dat kinderen in de jeugdzorg niet de dupe worden van dit tekort aan medewerkers? Kunt u garanderen dat hierdoor geen gevaarlijke situaties ontstaan?
Als je zorg nodig hebt zijn een vertrouwd gezicht en continuïteit van professionals belangrijk. Werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor het leveren van goede zorg en de inzet van voldoende personeel. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van de jeugdzorg. De IGJ informeert mij indien zij handhavend optreedt wanneer de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid bij een specifieke jeugdzorgaanbieder in het geding is.
Het sluiten van de COVID-19 kliniek op Lesbos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Covid-19-kliniek op Lesbos. Hallucinant»?1
Ja.
Is het waar dat de in het bericht genoemde Covid-19 kliniek van Artsen zonder Grenzen naast kamp Moria op last van de Griekse regering is gesloten?
Ja.
Is het waar dat er daarna met onder andere Nederlandse financiering een andere Covid-19 noodkliniek is gebouwd?
In maart van dit jaar is een verzoek vanuit de Griekse autoriteiten om steun bij de beheersing van COVID-19 binnengekomen, dat op 16 april jl. ook via het Union Civil Protection Mechanism (UCPM) van de EU is ingediend. Nederland stond welwillend tegenover het verlenen van steun, temeer omdat de strijd tegen COVID-19 niet aan de landsgrenzen stopt. Op de lijst met gevraagde goederen stond o.a. een hospitaaltent. Na intern beraad en overleg met de Griekse autoriteiten is op 23 april jl. besloten dat Nederland deze in de vorm van een hospitainer kon leveren. Het mobiele veldhospitaal bood Griekenland flexibiliteit in de COVID-respons, om tijdelijk capaciteit te verhogen daar waar dat nodig is. Op 24 april jl. is het Nederlandse aanbod officieel door de Griekse autoriteiten geaccepteerd.
Helaas is de hospitainer tijdens de branden in Moria tussen 8 en 10 september jl. beschadigd geraakt, waardoor deze op dit moment niet inzetbaar is.
Is het waar dat terwijl Artsen zonder Grenzen aan het lobbyen was om sluiting van hun kliniek op Moria te voorkomen, Nederlandse ambtenaren in overleg met Griekse collega’s waren over de opening van een nieuwe noodkliniek? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het besluit om de mobiele hospitainer te schenken is op 23 april jl. genomen. Dit is ruim voordat het kabinet bekend werd dat de kliniek van Médecins Sans Frontières (MSF) vanwege juridische kwesties diende te worden gesloten. Dit bericht bereikte de ambassade in juli, en is op 30 juli jl. middels een persbericht door MSF naar buiten gebracht.
Is er verband tussen de sluiting van de kliniek van Artsen zonder Grenzen en het openen van de andere kliniek? Zo ja, wat is dat verband? Zo nee, is er dan sprake van toeval?
Bij het aanbieden en accepteren van de hospitainer is niet over een specifieke locatie gesproken. Zoals gebruikelijk bij dergelijke steun via het UCPM was het kiezen van een locatie, de wijze van inzet en bemensing de verantwoordelijkheid van de Griekse autoriteiten.
Het kabinet heeft dan ook geen aanwijzingen om te veronderstellen dat er een causaal verband bestaat tussen het aanvaarden van de schenking van de hospitainer in april jl. door de nationale autoriteiten en de sluiting van de kliniek van MSF in juli jl. door de lokale autoriteiten op grond van lokale wet- en regelgeving.
Deelt u de mening dat de kliniek van Artsen zonder Grenzen belangrijk werk verrichtte ten aanzien van het bestrijden van corona onder vluchtelingen op Lesbos? Zo ja, waarom heeft u er dan toch voor gekozen om een andere kliniek mede te financieren en waarom heeft u geen pogingen in het werk gesteld om de voortzetting van de kliniek van Artsen zonder Grenzen te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 3 en 4. Het besluit om in te gaan op het Griekse verzoek om een mobiel hospitaal te doneren staat in tijd en plaats los van de discussie tussen MSF en de Griekse autoriteiten. Dat MSF belangrijk werk verricht staat buiten kijf.
Hoeveel Nederlandse belastinggeld gaat er gemoeid met de oprichting van de nieuwe noodkliniek?
De kosten voor de uitgeruste hospitainer inclusief transport bedroegen Euro 1.243.154,–.
In hoeverre wordt er bij het opzetten en laten functioneren van de nieuwe noodkliniek samenwerking gezocht met Artsen zonder Grenzen die over de benodigde kennis en ervaring beschikt?
De inzet van het mobiele hospitaal, d.w.z. het kiezen van een locatie, de wijze van inzet en bemensing was aan de Griekse autoriteiten. Wij hebben vernomen dat in dit kader ook sprake was van overleg tussen de Griekse autoriteiten en MSF.
Worden er op dit moment door de nieuwe noodkliniek daadwerkelijk zieke vluchtelingen met verdachte symptomen opgevangen? Zo ja, vanaf welke datum is de kliniek operationeel en hoeveel patiënten zijn er opgevangen? Zo nee, waarom niet en hoe en door wie wordt die hulp sinds de sluiting van de kliniek van Artsen zonder Grenzen dan wel gegeven?
Tijdens de branden in Moria tussen 8 en 10 september is de hospitainer beschadigd geraakt, waardoor deze op dit moment niet in gebruik is. Er wordt bezien of deze op de korte termijn weer inzetbaar is. Daarvoor werd de hospitainer ingezet door de Griekse autoriteiten om COVID-19 testen uit te voeren. Er zijn ongeveer 2000 testen afgenomen.
Het bericht 'Hack bij Apollo Vredestein toont zwakke cyberbeveiliging Nederlandse bedrijven' en het bericht 'Overheid wist wie kwetsbaar was, maar liet bedrijven toch gehackt worden' |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hack bij Apollo Vredestein toont zwakke cyberbeveiliging Nederlandse bedrijven»1 en het bericht «Overheid wist wie kwetsbaar was, maar liet bedrijven toch gehackt worden»?2
Ja.
In hoeverre deelt u de zorgen van IT-experts over de informatiebeveiliging bij Nederlandse bedrijven? Klopt het dat veel bedrijven nog onvoldoende zijn beschermd tegen cybercriminaliteit en kwetsbaar zijn voor bijv. hacks en gijzelsoftware? Hoezeer ziet u daarbij verschil tussen grote, middelgrote (tot 250 werknemers) en kleine bedrijven (minder dan 25 werknemers)?
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s op het gebied van digitale dreigingen. Cybersecurity is daarom een prioriteit van dit kabinet, dat hierin extra investeert. De aanpak is vormgegeven in de Nederlandse Cyber Security Agenda uit 2018. Er zijn sindsdien al veel belangrijke maatregelen in gang gezet bij de overheid, (vitale) bedrijven en andere organisaties. Deze maatregelen richten zich op preventie, maar ook op onze respons op digitale incidenten. Voor een overzicht van concrete stappen die zullen worden gezet om Nederland digitaal veilig te houden verwijs ik u graag in het bijzonder naar de tabel «Versterking Cybersecuritystelsel: Respons en Weerbaarheid» in de kabinetsreactie op het WRR rapport «Voorbereiden op digitale ontwrichting»3 en de beleidsreactie op het Cyber Security Beeld Nederland 20204.
De digitale weerbaarheid is ondanks die inzet nog niet overal op orde. Daarom blijven partijen kwetsbaar voor cyberincidenten zoals hacks of gijzelsoftware. Kleinere MKB-ers hebben de basis nog niet altijd goed op orde of hebben geen maatregelen getroffen.
Grotere bedrijven hebben meer met incidenten te maken dan kleinere ondernemers. Een groter werknemersbestand en complexere ICT-infrastructuur spelen hierbij een belangrijke rol. Dit vergroot het aanvalsoppervlak5.
Voor elk bedrijf zijn, ongeacht de grootte, goede beveiligingsmaatregelen en preventie van belang. Daarom zal de inzet om de digitale weerbaarheid van de Nederlandse samenleving te borgen en te verbeteren, zoals uiteengezet in bovengenoemde documenten, de komende jaren over de hele breedte moeten worden voortgezet om de ontwikkelingen bij te kunnen houden.
Welke kwetsbaarheden t.a.v. cyberbeveiliging komen bij bedrijven het meest voor? Deelt u de analyse van Deloitte Cyber Risk Services dat cybercriminelen «hun doelwit vaak niet kiezen aan de hand van de branche waarin een bedrijf zit, maar aan de hand van de gebruikte technologie»? Hoe kan in uw ogen het bedrijfsleven zich hier het beste tegen beschermen? Zijn er sectoren waarin het aantal cyberaanvallen (of pogingen daartoe) groter is dan in andere sectoren? Indien ja, welke?
Kwetsbaarheden komen voor in verschillende verschijningsvormen en kunnen door kwaadwillenden misbruikt worden. Veel voorkomende vormen van cybercriminaliteit zijn phishing, plaatsen van gijzelsoftware en malware, met als mogelijk gevolg uitval van diensten, vernietiging van data en datalekken. Essentiële onderdelen van een goede aanpak voor cyberveiligheid in het bedrijfsleven zijn onder meer: inventarisatie van kwetsbaarheden, tijdig uitvoeren van updates, toegangsmanagement, het gebruik van veilige instellingen. Naast eigen maatregelen kunnen ondernemingen een cybersecuritybedrijf in de arm nemen om adequate maatregelen te treffen.
De analyse van Deloitte deel ik over het algemeen. Het lijkt er minder toe te doen in welke bedrijfstak een bedrijf actief is. Uit het CSBN 2020 blijkt dat uiteenlopende sectoren en organisaties doelwit zijn van digitale aanvallen. Dit komt overeen met de uitkomsten van de Cybersecurity monitor 2019 van het CBS. Daaruit blijkt namelijk dat incidenten ongeveer gelijk plaatsvinden voor alle bedrijfstakken. Vaak is financieel gewin een beweegreden om een (cyber)delict te plegen. Bij maximaal financieel gewin als beweegreden kan de kwetsbaarheid van een bedrijf (bij het personeel, technologie of netwerk) een groter risico vormen om slachtoffer te worden dan de branche waarin het bedrijf opereert. De karakteristieken van het internet geven criminelen immers de mogelijkheid om vele potentiele slachtoffers tegelijkertijd te benaderen.
Daarentegen kan ook het verkrijgen van bedrijfsgevoelige informatie een beweegreden zijn om een cybercrime delict te plegen. In dit geval is de branche waarin een bedrijf opereert wel van belang.
Is bekend hoeveel (cyber)veiligheidsincidenten bij bedrijven zich dit jaar in Nederland hebben voorgedaan? Geldt hiervoor een meldplicht? Zo ja, hoe krijgt een dergelijke melding opvolging en wordt er lering uit getrokken? Zo nee, denkt u dat een meldplicht meerwaarde kan hebben? Hoe vaak is het tot dusver voorgekomen dat de overheid heeft ingegrepen ingeval bedrijven kwetsbaar bleken op het gebied van (cyber)beveiliging, en op welke manieren?
Er is geen volledig beeld van het aantal incidenten of het aantal keren dat de overheid heeft ingegrepen dat zich in het afgelopen jaar bij bedrijven in Nederland heeft voorgedaan.
Voor vitale aanbieders, die krachtens de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) zijn aangewezen als aanbieder van essentiële dienst (AED), geldt een wettelijke meldplicht in geval van digitale incidenten met (potentiële) aanzienlijke gevolgen voor de continuïteit van de dienstverlening bij zowel het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) als de (sectorale) toezichthouder. Daarnaast geldt ook voor vitale aanbieders, die krachtens de Wbni zijn aangewezen als andere vitale aanbieder (AAVA) een meldplicht voor incidenten met (potentiële) aanzienlijke gevolgen voor de dienstverlening bij het NCSC.
Bij een melding van een bovenbedoeld incident zal het NCSC, gelet op zijn wettelijke taken in de Wbni, de betrokken vitale aanbieder waar nodig adviseren en anderszins bijstaan teneinde de continuïteit van zijn diensten te waarborgen en herstellen. Informatie betreffende een gemeld incident, die relevante dreigingsinformatie bevat voor bijvoorbeeld andere vitale aanbieders, wordt bovendien in het kader van de wettelijke taakuitoefening, door het NCSC met die andere aanbieders gedeeld, zodat daarmee de kans op soortgelijke incidenten bij andere aanbieders kan worden verkleind. De toezichthouders houden toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, waaronder die betreffende de meldplicht. De toezichthouder kan indien nodig ook ingrijpen bij niet-naleving van de meld- en zorgplicht.
Naast de meldplicht voor bovenbedoelde vitale aanbieders bevat de Wbni ook een meldplicht van incidenten met aanzienlijke gevolgen voor de dienstverlening voor digitale dienstverleners (cloudcomputerdiensten, online marktplaatsen en online zoekmachines) bij zowel de (sectorale) toezichthouder als het CSIRT voor digitale diensten. Voor andere niet-vitale aanbieders geldt op zich geen wettelijke meldplicht van incidenten. Hoewel een incident of aanval voor een individueel bedrijf grote gevolgen kan hebben, is met name ook de maatschappelijke impact daarvan bij een niet-vitale aanbieder minder groot dan bij vitale aanbieders. Uiteraard kunnen deze bedrijven wel ook aangifte doen als zij slachtoffer zijn van cybercriminaliteit. Ook worden deze bedrijven aangemoedigd om op vrijwillige basis incidenten door te geven aan onder meer het DTC en de fraudehelpdesk, en kunnen zij incidenten met aanzienlijke gevolgen ook melden bij het NCSC. Op basis hiervan kunnen, binnen de geldende wettelijke kaders, bijvoorbeeld waar nodig ook andere organisaties gewaarschuwd worden.
Wat zijn de redenen waarom veel bedrijven nog onvoldoende zijn beschermd tegen cybercriminelen? Heeft dit in uw ogen te maken met bewustzijn, liggen hier financiële motieven aan ten grondslag, of anderszins?
Uit verschillende onderzoeken en gesprekken van het DTC met ondernemers komt naar voren dat voor een deel te maken heeft met bewustzijn. Een deel van de ondernemers weet onvoldoende van het onderwerp af of weten niet waar ze de informatie kunnen halen en welke tools ze goed kunnen inzetten.
Er kan ook een bewuste (bedrijfseconomische) keuze voor een bedrijf aan ten grondslag liggen: cybersecurity vergt capaciteit en investeringen en dergelijke investeringsbeslissingen moeten bedrijven afwegen tegen de eventuele risico’s en schade die een incident kan veroorzaken.
Welke maatregelen neemt het kabinet om de cyberbeveiliging bij Nederlandse bedrijven te verhogen? Betreft dit dwingende of vrijwillige maatregelen? Hoe kan de overheid ondernemers helpen de juiste maatregelen te nemen? Past dit binnen de reikwijdte van het MKB-Actieplan? Bent u over dit thema in gesprek met ondernemers(organisaties)?
In vraag 2 en 4 is reeds ingegaan op de bredere strategische inzet voor cybersecurity vanuit de NCSA, en de wettelijke kaders betreffende het melden van incidenten.
Het NCSC heeft wettelijk primair tot taak om vitale aanbieders en organisaties die deel uitmaken van de rijksoverheid te informeren en adviseren over dreigingen en incidenten met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen en ook overigens bij te staan bij het treffen van maatregelen om de continuïteit van hun diensten te waarborgen of te herstellen. Voor het opvolgen van adviezen of het gebruik maken van bijstand van het NCSC geldt dat dit vriiwillig is. Daarnaast heeft het NCSC ook tot taak om dreigingsinformatie, die in het kader van de primaire taakuitoefening is verkregen, waar nodig te delen met bijvoorbeeld andere bij ministeriële regeling aangewezen computercrisisteams.
Voor het niet-vitale bedrijfsleven is er het Digital Trust Center (DTC) dat informatie verstrekt over de noodzaak van bescherming en dat ook tools (zoals de basisscan cyberweerbaarheid) en adviezen beschikbaar stelt, zodat zij zich beter tegen cyberincidenten kunnen beschermen. Het DTC heeft wel een inspanningsverplichting om ondernemers te bereiken met concrete informatie en adviezen, maar bedrijven hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan de bedrijven zelf om deze adviezen op te volgen. Het DTC stimuleert de samenwerking tussen de bedrijven zodat bedrijven elkaar kunnen helpen de weerbaarheid te vergroten. Op dit moment zijn er 29 van dergelijke samenwerkingsverbanden bij het DTC aangesloten en verdere groei is voorzien.
Om het bewustzijn en de actiebereidheid van het bedrijfsleven te verhogen worden door JenV en EZK (doelgroepgerichte) bewustwordingscampagnes breed ingezet op preventie van cybercrime (zoals «Eerst checken dan klikken» en »Doejeupdates»). De overheid helpt hiermee ondernemers om veilig digitaal te ondernemen.
Specifiek voor het MKB is er het actieplan MKB. Daarmee ondersteunt de overheid ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) bij grote uitdagingen, zoals digitalisering, personeel en financiering. Een onderdeel daarvan is het verhogen van de cyberweerbaarheid.
In het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) werken overheid en bedrijfsleven nauw samen om criminaliteit te voorkomen en terug te dringen. Het NPC heeft onder andere cyber(security) als onderwerp geprioriteerd in het actieprogramma «Veilig Ondernemen 2019–2022». Dit actieprogramma dient ter versterking van de digitale veiligheid in het MKB. Daarnaast worden er ook dit jaar weer (digitale) bijeenkomsten georganiseerd door Platforms Veilig Ondernemen om de bewustwording in het MKB te vergroten.
Verder ondersteunt het Ministerie van JenV, in samenwerking met het DTC (Ministerie van EZK) en het Ministerie van BZK, initiatieven van gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden Veiligheid en Platforms Veilig Ondernemen (PVO) gericht op het vergroten van de cyberweerbaarheid van bedrijven. Eind oktober worden deze initiatieven geformaliseerd in een City Deal. In deze City Deal ontwikkelen interbestuurlijke partners, het bedrijfsleven en kennisinstellingen nieuwe aanpakken om de doelgroepen beter te bereiken en gedragsverandering te bewerkstelligen. Binnen deze City Deal wordt tevens de verbinding gelegd met het actieprogramma «Veilig Ondernemen 2019–2022». Dit actieprogramma dient ter versterking van de digitale veiligheid in het MKB.
Klopt de berichtgeving dat een cybercrimineel eerder dit jaar verschillende Nederlandse bedrijven en buitenlandse organisaties heeft gehackt, waardoor wachtwoorden van medewerkers op straat zijn komen te liggen, het Ministerie van Justitie en Veiligheid hier van tevoren voor was gewaarschuwd, maar niets deed omdat het Nationaal Cyber Security Center (NCSC) organisaties buiten het wettelijk mandaat ligt, t.w. de rijksoverheid en bedrijven in «vitale sectoren», niet kan informeren? Hoezeer deelt u de mening met de Stichting Digitale Infrastructuur Nederland dat de nationale veiligheid niet wordt gediend met dit beleid?
Het NCSC informeert zijn primaire doelgroep (Rijk, vitaal) gericht over voor hun relevante digitale dreigingen. Daarnaast informeert het NCSC het brede publiek door het uitbrengen van algemene beveiligingsadviezen over kwetsbaarheden. Deze adviezen zijn voor iedereen toegankelijk en terug te vinden op de website van het NCSC. Het NCSC is bekend met bedoelde buitgemaakte gegevens door misbruik van een kwetsbaarheid in Pulse Secure VPN-software. Het NCSC heeft eerder een beveiligingsadvies uitgebracht voor deze kwetsbaarheid met inschaling kans op misbruik Hoog en vervolgschade Hoog.6 Het is primair ieders eigen verantwoordelijkheid om deze adviezen op te volgen.
Zoals hierboven in het antwoord op vraag 6 is vermeld, heeft het NCSC primair als wettelijke taak om vitale aanbieders en onderdelen van de rijksoverheid te informeren en adviseren over en bij te staan bij dreigingen en incidenten met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen. Doel hiervan is het voorkomen of beperken van de uitval van voor de samenleving vitale diensten en daarmee de risico’s op maatschappelijke ontwrichting weg te nemen.
Daarnaast heeft het NCSC, voor zover noodzakelijk ter voorkoming van nadelige maatschappelijke gevolgen, krachtens de wet als taak om informatie over dreigingen en incidenten met betrekking tot netwerk- en informatiesystemen van andere organisaties (waaronder ook persoonsgegevens), die is verkregen bij analyses ten behoeve van de primaire taak, door te verstrekken aan bijvoorbeeld andere bij ministeriele regeling aangewezen computercrisisteams.
In de genoemde casus m.b.t. Pulse Secure VPN-software bestond, gezien de aard van de gegevens, ten tijde van het incident geen mogelijkheid voor het NCSC om de betreffende dreigingsinformatie rechtmatig via het Landelijk Dekkend Stelsel met schakelorganisaties te delen, teneinde die organisaties in staat te stellen die dreigingsinformatie aan hun achterban te verstrekken. Inmiddels zijn bijvoorbeeld verschillende computercrisisteams bij ministeriële regeling aangewezen, waaraan voor hun achterbannen relevante dreigingsinformatie, met inbegrip ook van persoonsgegevens, kan worden gedeeld.
Het DTC is opgericht ter verhoging van de digitale weerbaarheid van bedrijven in Nederland die geen vitale aanbieder zijn. Het DTC maakt deel uit van het Landelijk Dekkend Stelsel. Momenteel wordt door het Ministerie van EZK gewerkt aan het laten voldoen van het DTC aan de voorwaarden waardoor het DTC krachtens de Wbni aangewezen zou kunnen worden als organisatie waaraan het NCSC concrete dreigingsinformatie die betrekking heeft op het niet-vitale bedrijfsleven kan delen. Het DTC zou dan de bedrijven over de dreigingsinformatie kunnen informeren. Het Ministerie van EZK is bezig met de voorbereidende werkzaamheden hiervoor en hun streven is dat deze nieuwe dienstverlening begin volgend jaar kan starten.
In bovenvermelde kabinetsreactie op het WRR-rapport is als een van de verschillende maatregelen opgenomen dat wordt geïnventariseerd welke wettelijke bevoegdheden de overheid heeft bij digitale crisissituaties, zodat kan worden bezien waar eventuele aanvullingen nodig zijn.
In hoeverre onderkent u het risico dat cybercriminelen ook niet-vitale bedrijven grote schade kunnen toebrengen en deze als leveranciers van de vitale sector ook weer vitale bedrijven kunnen beschadigen? Wat kunt en gaat u doen om dit risico te mitigeren?
De impact van incidenten in de vitale infrastructuur, de snelheid van technologische ontwikkelingen, de verandering van (cyber)dreigingen en de toenemende onderlinge verwevenheid van vitale infrastructuur maakt dat het kabinet blijvende aandacht heeft voor het verhogen en borgen van de weerbaarheid van de vitale infrastructuur. De primaire verantwoordelijkheid voor de continuïteit en weerbaarheid van vitale processen ligt bij de vitale aanbieders zelf. Daarbij hoort het verkrijgen van inzicht in dreigingen en kwetsbaarheden, risico’s en het ontwikkelen en onderhouden van capaciteiten waarmee de weerbaarheid van vitale processen wordt verhoogd en geborgd. Aandacht voor risico’s die kunnen ontstaan in de leveranciersketen (inclusief niet-vitale bedrijven) maakt hier onderdeel van uit. In 2018 is voor veilige inkoop en aanbesteding binnen het Rijk een instrumentarium ontwikkeld en ingevoerd door het kabinet. Dit instrumentarium is ook beschikbaar gesteld voor de vitale infrastructuur en biedt daarmee een middel voor vitale aanbieders om risico’s voor de nationale veiligheid in de toeleveranciersketen in kaart te brengen voordat een opdracht wordt aanbesteed of gegund.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat cyberbeveiliging zowel in het vitale als niet-vitale bedrijfsleven, maar ook binnen de overheid, structureel geborgd wordt én blijft?
Zoals reeds aangegeven in de antwoorden op vragen [2, 4 en 7] wordt er structureel ingezet op het verhogen van cybersecurity en heeft het kabinet hier ook in geïnvesteerd.
De overheid treft continu maatregelen om haar digitale dienstverlening blijvend veilig aan te bieden en investeert in de digitale weerbaarheid en herstelvermogen van de openbare sector. Dat betekent aandacht voor preventieve maatregelen, goede detectie van aanvallen en een adequate respons. Het vergroten van de feitelijke veiligheid en oefenen met herstel na een mogelijk ontwrichtende incident hebben daarbij de nadruk. Ik heb uw Kamer in meer detail geïnformeerd in de Agenda Digitale Overheid, NL DIGIbeter7 en in de Strategische I-agenda Rijksdienst 2019–2021, editie 20208.
Het bericht ‘Kifid: bank mag betaalrekening beëindigen als consument geen US TIN of CLN wil aanvragen’ en het bericht ‘Wijziging annex II FATCA-verdrag’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kifid: bank mag betaalrekening beëindigen als consument geen US TIN of CLN wil aanvragen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een van de argumenten van de bank om de bankrekening stop te zetten, «het bewust onjuist informatie verstrekken2» op de vraag «bent u fiscaal inwoner van een ander land?» meer zegt over de vraagstelling dan over het gegeven antwoord? Deelt u de mening dat de vraag te technisch en onduidelijk is geformuleerd, dat sommige Nederlanders niet weten wat een «fiscaal inwoner» is en dat deze informatie ook onvoldoende actief door de bank wordt verstrekt? Zo ja, bent u voornemens om de banken te wijzen op hun informatieverplichting richting de consument en hen te vragen de communicatie over een uiterst ingewikkeld onderwerp als de regelgeving rond de wet naleving belastingplicht buitenlandse rekeningen (FATCA) zowel in vragenlijsten als op de website en andere communicatiemiddelen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De casus waarover het KIFID besliste kent hele specifieke feitelijke omstandigheden. Ik ben daarom van mening dat uit de gang van zaken in die casus geen algemene conclusies kunnen worden getrokken.
Ik ben het met u eens dat de vragen technisch zijn. Daarom is er door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de banken de afgelopen jaren veel informatie verstrekt over de gevolgen van de FATCA. Ook in het kader van de Common Reporting Standard (CRS) – die ziet op de uitwisseling van bankinformatie tussen belastingdiensten in ruim 100 landen, waaraan de VS niet mee doen – zijn de banken verplicht aan hun klanten te vragen wat hun fiscale woonstaat is en het fiscaal identificatienummer (TIN) van die staat. Voor de uitvraag van deze gegevens is een formulier ontwikkeld door de banken en de NVB, in nauw overleg met het Ministerie van Financiën.
In dit formulier wordt aan de hand van enkele vragen vastgesteld waar iemand fiscaal inwoner is. Om de term «fiscaal inwoner» uit te leggen, is er een verklarende woordenlijst toegevoegd aan het formulier. De formulieren zijn voorgelegd aan een bureau dat is gespecialiseerd in overheidscommunicatie. Het bureau heeft de formulieren aangepast op leesbaarheid.
De NVB heeft de formulieren ter beschikking gesteld aan alle banken en heeft aandacht besteed aan de FATCA en de CRS op zijn website. Dat is overigens ook gedaan op de websites van het Ministerie van Financiën en van de Belastingdienst. Op de website van de Belastingdienst is sinds 2016 FATCA-informatie te vinden voor bedrijven en particulieren.3 Ik zal erop toezien dat die sites gemakkelijk bereikbaar en toegankelijk blijven.
Naast de ontwikkeling van formulieren en informatie op hun websites hebben de banken vanaf de inwerkingtreding van de FATCA, brieven gestuurd aan hun klanten om hen te informeren dat zij mogelijk Amerikaan zijn en dat dat betekent dat zij ook belastingverplichtingen hebben in de VS. Deze brieven zijn herhaaldelijk gestuurd, omdat banken weinig respons ontvingen van klanten.
Het blijft belangrijk dat het voor Nederlandse klanten met ook de Amerikaanse nationaliteit duidelijk is wanneer een klant onder de FATCA-regelgeving valt en dus wanneer de klant een US TIN aan moet leveren of desgewenst afstand kan doen van de Amerikaanse nationaliteit. Ik zal banken vragen aandacht te blijven houden voor duidelijke informatieverstrekking over FATCA.
Deelt u tevens de mening dat ook de informatieverstrekking en de communicatie van de Belastingdienst hierin tekortschiet, gezien het feit dat er op de site van de Belastingdienst alleen FATCA-informatie is te vinden voor bedrijven (naast de link naar een artikel in de Staatscourant uit 2016)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier wilt u ook de communicatie vanuit de Belastingdienst over dit ingewikkelde onderwerp verbeteren richting de individuele Accidental Americans? Kunt u hierin samen optrekken met de banken, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), de Accidental Americans en de Americans Overseas?
Zie antwoord vraag 2.
Betekent deze uitspraak uit het bericht in vraag 1 dat deze consument straks niet meer beschikt over een basisbetaalrekening wanneer de betreffende financiële instelling het niet-bindende advies opvolgt? Zo ja/nee, kunt u garanderen dat Nederlandse US persons (die niet de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) overtreden) te allen tijde kunnen beschikken over een betaalrekening?
In algemene zin is de vraag of al dan niet een basisbetaalrekening moet worden geopend pas aan de orde als de aanvrager niet (meer) beschikt over een andere betaalberekening. Daarnaast geldt, zoals ook door het Kifid is onderschreven, dat ook bij een basisbetaalrekening voldaan moet worden aan de eisen gesteld bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft).
In de uitspraak geeft het Kifid aan dat de bank in dit specifieke geval het openen van een basisbetaalrekening onder de richtlijn Betaalrekeningen mag weigeren als de consument hiervoor een aanvraag indient. Het Kifid geeft ook aan dat het Convenant inzake een Pakket Primaire Betaaldiensten (het Convenant Basisbankrekening) van toepassing is op de consument. De bank kan, in het geval dat wordt overwogen een basisbetaalrekening te weigeren, verplicht stellen dat de consument samen met een erkende hulpverleningsinstantie de aanvraag voor een basisbetaalrekening indient onder het Convenant Basisbankrekening. Ook kan de bank verplicht stellen dat de basisbetaalrekening door een erkende hulpverleningsinstantie wordt beheerd. Het is aan de consument om een erkende hulpverleningsinstantie te vinden die bereid is om samen een aanvraag voor een basisbetaalrekening in te dienen. Of het risico op witwassen en/of belastingontduiking in dit geval voldoende gemitigeerd is door het inschakelen van een hulpverleningsinstantie (conform het Convenant Basisbankrekening), is in de eerste plaats ter beoordeling van de betreffende bank.
Zijn financiële instellingen alleen op basis van vermoedens van overtreding van de Wwft al bevoegd rekeningen te sluiten/blokkeren of moeten banken hier ook daadwerkelijk hard bewijs voor aanleveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder de Wwft zijn de daar onder vallende instellingen verplicht om een cliëntenonderzoek uit te voeren. De bank moet dit cliëntenonderzoek met succes uitvoeren, voordat zij een relatie met een klant aan mag gaan. Het cliëntenonderzoek houdt onder meer in dat de instelling gegevens vergaart over de identiteit van de cliënt. Ook worden er met het cliëntenonderzoek gegevens vergaard die de instelling in staat moeten stellen een inschatting te maken van het risico op witwassen en terrorismefinanciering. Dit vereist in de meeste gevallen medewerking van de cliënt. De financiële instelling dient de ontvangen informatie te verifiëren. Als de financiële instelling niet in staat blijkt te zijn voldoende gegevens te vergaren en/of de gegevens te verifiëren zal de financiële instelling moeten besluiten om de zakelijke relatie niet aan te gaan of deze te beëindigen. Banken kunnen op grond van de Wwft het openen of aanhouden van een betaalrekening ook weigeren zonder vermoeden van overtreding of hard bewijs. Een te hoog risico op betrokkenheid bij witwassen of terrorismefinanciering is voldoende grond voor weigering.
Welke middelen heeft u om te voorkomen dat financiële instellingen alleen op basis van het ontbreken van een TIN/SSN bankrekeningen blokkeren of sluiten? Bent u bereid deze middelen in te zetten?
Ik blijf in gesprek met de banken over de redenen van het sluiten en bevriezen van rekeningen van US Persons. Zoals ik in mijn beantwoording op eerdere Kamervragen heb aangegeven is het in beginsel aan banken zelf om te bepalen welke klantengroepen zij bedienen. Als banken rekeningen sluiten of bevriezen van Nederlanders met ook de Amerikaanse nationaliteit, is van belang dat daarbij de geldende wet- en regelgeving wordt nageleefd. Als de betrokken cliënt het niet eens is met het oordeel van de bank om de dienstverlening te beëindigen kan de cliënt hiertegen een klacht indienen bij de bank en vervolgens bij het Kifid dan wel de kwestie voorleggen aan de rechter.
Herinnert u zich uw antwoord op vragen van de leden Omtzigt, Van Weyenberg en Lodders3 «Ik wil overigens wel nogmaals benadrukken dat ik het voorbarig vind als banken rekeningen sluiten, blokkeren of bevriezen met als enige reden dat geen TIN is verkregen»?
Ja.
Hoe valt uw antwoord onder vraag 5 te rijmen met het besluit van nota bene een staatsbank om de rekening van een consument te sluiten op basis van het ontbreken van een TIN en de hiertoe ondersteunende uitspraak van het onafhankelijke klachteninstituut Kifid? Wat betekenen uw woorden in het licht van deze uitspraak?
Ik verwijs hiervoor naar de uitspraak van het Kifid. In deze uitspraak oordeelt het Kifid dat er naast het ontbreken van een US TIN ook sprake is van andere redenen op grond waarvan de bank bevoegd was de relatie met de betrokken klant te ontbinden.5
Klopt het dat
Banken kunnen ervoor kiezen om, «depositorekeningen» met een saldo van minder dan 50.000 dollar (peildatum 31 december) niet te rapporteren, ongeacht wanneer zij zijn geopend. Onder depositorekening vallen ook (basis)betaalrekeningen.6
Een rekening van een US person wordt gerapporteerd aan de VS ongeacht of er een TIN aanwezig is. Een financiële instelling loopt dan echter eventueel het risico om door de IRS aangemerkt te worden als niet compliant. Op grond van Amerikaanse wetgeving moeten Amerikaanse staatsburgers namelijk over een TIN beschikken. Ongeacht of US persons wel of geen belasting ontduiken voldoen zij zonder TIN niet aan de Amerikaanse regelgeving. Bij het ontbreken van een TIN zal de VS niet zelf de belastingplichtige gaan benaderen maar zal er eerst met de financiële instelling en Belastingdienst in gesprek worden gegaan om vast te stellen waarom de TIN ontbreekt. Bij de beoordeling of een financiële instelling eventueel sancties zouden worden opgelegd speelt de inspanning die de financiële instelling heeft geleverd om de TIN te bemachtigen, een rol.7
Banken zijn verplicht om op aanvraag een basisbetaalrekening te openen tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is op grond van artikel 4:71f Wet financieel toezicht (Wft). Een van de weigeringsgronden is als niet wordt voldaan aan de eisen van de Wwft. Het enkel ontbreken van een US TIN is geen weigeringsgrond in de zin van artikel 4:71f Wft. Voor de eisen van de Wwft verwijs ik u naar het antwoord bij vraag 4.
Deelt u de zorgen over de positie van de belastingbetaler/consument in zaken tegen de overheid of financiële instellingen, aangezien de individuele burger niet dezelfde middelen heeft als de overheid en/of financiële instellingen? Op welke manier worden de rechten van de consument in zaken tegen financiële instellingen met een leger aan adviseurs, advocaten en juristen beschermd?
Ik zie ook dat burgers vaak niet dezelfde middelen hebben als financiële instellingen in het geval van een geschil, maar ben van mening dat de rechten van de consument in zaken tegen financiële instellingen voldoende worden beschermd, onder andere doordat consumenten een klacht in kunnen dienen bij het Kifid. Het Kifid is onpartijdig en onafhankelijk. De geschillencommissie streeft naar een gelijk speelveld voor consumenten, ondernemers en financiële dienstverleners. Het Kifid geeft aan rekening te houden met een eventuele kennisachterstand van consumenten en ondernemers. Bovendien is het aanhangig maken van een procedure bij de geschillencommissie van Kifid gratis.
Bent u bekend met het bericht «Wijziging annex II FATCA-verdrag»?4
Ja
Waarom heeft de VS eenzijdig besloten de regelgeving rond de FATCA-registraties te veranderen met alle gevolgen voor «sponsered entities» en «sponsoring entities» van dien? Deelt u de mening dat dit weer een typisch voorbeeld is van het wijzigen van de spelregels tijdens het spel? Zo nee, waarom niet?
Door Bijlage II van de NL IGA aan te passen is kort gezegd bewerkstelligd dat, ondanks de aanpassingen van de regelgeving door de VS, de huidige situatie met betrekking tot sponsored entities in stand blijft. De regelgeving over de werking van FATCA staat primair beschreven in de US Final Regulations. Deze zeer uitgebreide Amerikaanse regelgeving werkt in feite unilateraal vanwege de grote rol en betekenis van de Amerikaanse financiële markten en de dollar voor het business model van financiële instellingen. Hierdoor zijn financiële instellingen wereldwijd verplicht aan die regels te voldoen.
Eind maart 2019 heeft de VS nieuwe regels gepubliceerd die zien op de sponsored entities9 onder de FATCA. Voor 25 maart 2019 was het zo dat een sponsored entity compliant was als de sponsoring entity alle FATCA-registraties voldeed, zonder dat de sponsored entity daarvoor zelf actie moest ondernemen en moest worden geregistreerd bij de IRS. Met de wijziging van de regelgeving van de VS was dat niet langer het geval.
De reden dat in eerste instantie er niet voor is gekozen om de sponsored entities specifiek aan te wijzen als «non reporting financial institutions» is dat de VS destijds met alle landen in de wereld IGA’s moest sluiten. Zij bleken toen al snel te weinig capaciteit te hebben om met elk land te overleggen over de op te nemen vrijgestelde financiële instellingen en rekeningen. De VS heeft om die reden een model Annex II opgesteld waarin verschillende typen Non-Reporting FI’s en Excluded Accounts zijn opgenomen. Door middel van artikel 4, zevende lid, van de IGA kon een land ervoor kiezen dat financiële instellingen ook toegang hebben tot begrippen die gedefinieerd zijn in de Final Regulations als die gunstiger voor hen uitwerken dan dezelfde begrippen zoals opgenomen in de IGA. Nederland heeft toen besloten om de vrijstellingen die al in de Final Regulations stonden niet op te nemen. Opname werd als overbodig beschouwd nu daar ook via artikel 4, zevende lid, van de IGA een beroep op zou kunnen worden gedaan.
Beide verdragspartijen hebben echter niet voorzien dat de IRS jaren later de vereisten rondom het Sponsoring regime heeft aangepast, waardoor sponsored entities zelf zouden moeten gaan rapporteren. De VS hebben toen meegewerkt aan het herstellen van een situatie die tussen verdragspartners niet beoogd was.
Om welke reden heeft Nederland er in eerste instantie niet voor gekozen de «sponsored entities» aan te wijzen als «non reporting financial institutions» in de Annex II van de intergouvernementele overeenkomst (IGA)? Waarom hebben andere landen hier wel meteen afspraken over gemaakt met de VS?
Zie antwoord vraag 12.
Wat waren de gevolgen geweest voor deze 1700 «sponsored entities» en 130 «sponsoring entities» als Nederland deze aanvullende afspraken met de VS niet had gemaakt?
Nederland heeft deze aanvullende afspraken gemaakt, zodat de IRS zich niet op het standpunt zou kunnen stellen dat Nederlandse financiële instellingen niet aan de certificeringsvoorwaarden hebben voldaan. Zij zouden als non-compliant of zelfs significant non-compliant kunnen worden aangemerkt waarbij de VS een 30% bronbelasting als sanctie kan inroepen als de financiële instellingen niet binnen 18 maanden na het aangemerkt worden als significant non-compliant de omissie hebben hersteld. De aanvullende afspraken maken duidelijk dat de VS dit niet zullen doen en dat de Nederlandse financiële instellingen ook niet aan de periodieke certificeringsverplichting hoeven te voldoen.
Welke (extra) informatie moeten deze 1700 «sponsored entities» en 130 «sponsoring entities» aanleveren bij de IRS en op welke manier wordt de privacy van deze bedrijven en hun klanten gewaarborgd?
Door de aanvullende afspraken hoeven deze entiteiten geen extra informatie aan te leveren. Zij zullen net als daarvoor de informatie die zij volgens de Nederlandse regelgeving ter implementatie van FATCA aan de Nederlandse belastingdienst verstrekken, rapporteren, zonder additionele verplichtingen.
Welke garantie is er, in het licht van het Amerikaanse besluit om de regelgeving voor «sponsored entities» en «sponsoring entities» aan te passen, dat de regelgeving voor andere soorten entiteiten die nog niet verplicht zijn te rapporteren aan de IRS niet wordt aangepast?
Het zou kunnen dat er in de toekomst een situatie ontstaat waarin de VS de Final Regulations wijzigt waardoor er een discrepantie kan ontstaan met de verplichtingen voor financiële instellingen die voortvloeien uit de IGA. De VS heeft zich in dit geval als goede verdragspartner opgesteld door ervoor te zorgen dat financiële instellingen van partnerlanden niet slechter af zijn door een wijziging van de Final Regulations. Ik acht het daarom niet aannemelijk dat regelgeving voor andere soorten entiteiten die nog niet verplicht zijn te rapporteren eenzijdig door de VS wordt gewijzigd.
Deelt u de steeds groter wordende zorgen over de FATCA-regelgeving, nu, naast de in eerdere sets schriftelijke vragen van (onder andere) het lid Lodders benoemde problematiek5, ook blijkt dat steeds meer Nederlandse/Europese bedrijven specifieke informatie moeten delen met de Amerikaanse belastingdienst en dat het nu zelfs voor het Kifid klaarblijkelijk gerechtvaardigd is om bankrekeningen van consumenten op basis van het ontbreken van een TIN/SSN te blokkeren of te weigeren?
De FATCA-regelgeving is ingevoerd in 2014. De VS heeft met betrekking tot de sponsored entities laten zien een oplossingsgerichte houding te hebben. Dit staat los van de verplichting om een US TIN aan te leveren. Daarnaast spelen er in de desbetreffende Kifid zaak specifieke feitelijke omstandigheden bovenop het enkel missen van een TIN/SSN, waardoor het Kifid geoordeeld heeft dat in dat geval het beëindigen van een bankrekening gerechtvaardigd was.
Het bericht ‘Nog steeds doodverklaard: verwisselingsfout van drie jaar terug blijft Fred Marree achtervolgen’ |
|
Jan Middendorp (VVD), Harry van der Molen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Nog steeds doodverklaard: verwisselingsfout van drie jaar terug blijft Fred Marree achtervolgen»?1
Ja.
Is het waar dat de gemeente Rotterdam bij de aangifte van een overlijden in het najaar van 2017 de naam van een overledene heeft verwisseld met die van haar eerste contactpersoon, de heer Fred Marree?
Ja.
Welke consequenties heeft deze fout gehad voor de betrokkene? Is het waar dat zijn zorgverzekering is beëindigd, zijn paspoort en rijbewijs ongeldig zijn verklaard en zijn pensioen is stopgezet?
Naar aanleiding van uw vragen heb ik navraag laten doen bij de gemeente Rotterdam. De aangifte van het overlijden zette het gegevensverkeer in werking, waardoor de gegevens automatisch naar afnemende instanties gingen, met alle gevolgen van dien. Van de gemeente begreep ik dat zij de instanties direct na de fout hebben benaderd om de fout en gevolgen zo snel mogelijk recht te trekken.
Welke stappen heeft de gemeente Rotterdam gezet nadat deze fout aan het licht was gekomen?
Van de gemeente Rotterdam vernam ik dat de afnemende instanties direct na de fout door de gemeente zijn gebeld om de fout en gevolgen recht te trekken. Volgens de gemeente heeft de heer Marree zich bij een aantal instanties zelf gemeld met een door de gemeente afgegeven zogeheten «attestatie de vita».
Op welke wijze is de gemeente Rotterdam de betrokkene tegemoetgekomen in de schade als gevolg van deze fout?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag vier schreef, vernam ik van de gemeente Rotterdam dat zij zich direct na de fout hebben ingespannen om de fout en gevolgen zo snel mogelijk recht te trekken. Ook begreep ik van de gemeente dat de heer Marree op kosten van de gemeente een nieuw reisdocument heeft ontvangen en dat deze bij hem is thuisbezorgd.
Deelt u de mening dat, waar de overheid een fout maakt in een van de basisregistraties, diezelfde overheid niet alleen de fout moet corrigeren, maar ook de nadelige gevolgen van de fout voor de betrokkene moet oplossen?
Als de overheid een fout maakt, dan moet de overheid die fout herstellen. In de Agenda NL DIGIbeter2 gaf ik aan dat ook de gevolgen van het gebruik van een onjuist gegeven snel moeten worden hersteld. In mijn brief over Regie op Gegevens van 11 juli 20193 liet ik aan uw Kamer weten dat een integrale en persoonlijke benadering nodig is om de gevolgen van onjuiste gegevens te herstellen. Het kabinet stimuleert en ondersteunt de onderlinge samenwerking en de uitwisseling van kennis en ervaring tussen overheidsorganisaties bij het oplossen van problemen. Daarom heb ik vorig jaar een toolbox «Maatwerk met de Awb» laten ontwikkelen waarmee ambtenaren maatwerk kunnen bieden bij het herstellen van fouten4. Voor de overheid moet steeds de burger en zijn of haar specifieke situatie leidend zijn bij het oplossen van deze problemen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het inrichten van een gezaghebbend centraal meldpunt waar burgers/geregistreerden terecht kunnen voor het melden en oplossen van problemen met de basisregistraties, zoals gevraagd bij de Kamerbreed aangenomen motie-Van der Molen/Middendorp (Kamerstuk 26 643, nr. 630)?
In vervolg op mijn brief van 25 november 2019 (Kamerstuk 32 761, nr. 153) heb ik de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens opdracht gegeven om in samenwerking met de beheerders van de basisregistraties het centraal meldpunt op te zetten. Bij het opzetten van het meldpunt betrek ik nadrukkelijk de ervaringen en verwachtingen van burgers en de ervaringen die zijn opgedaan met het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude, dat ook wordt beheerd door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens. Mijn verwachting is dat het meldpunt voor basisregistraties begin 2021 van start kan gaan.
Het bericht: minister die niet reageert op omstreden vertrekpremie directeur woningcorporatie Woonbron |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minister reageert niet op provocatie Woonbron»?1 Wat is hierop uw reactie?
Ja. Het toezicht op de naleving van de Wet normering topinkomens is voor zover het de woningcorporaties betreft gemandateerd aan de Autoriteit woningcorporaties (Aw). De Aw heeft op 20 augustus jl. gereageerd naar het bestuur van Woonbron op de betreffende tekst in het jaarverslag.
Wat is uw mening over het feit dat de Rotterdamse woningcorporatie Woonbron in haar jaarrekening 2019 vasthoudt aan de opvatting dat zij niet onrechtmatig zou hebben gehandeld bij het verstrekken van een ontslagvergoeding aan de in juli 2018 vertrokken directeur? Kunt u dit toelichten?
De gang van zaken is voor de Aw aanleiding geweest om in overleg te treden met Woonbron. De Aw geeft aan dat tekst zoals opgenomen in het jaarverslag geen recht doet aan het indringende en constructieve gesprek dat de Aw en de Raad van Commissarissen van Woonbron met elkaar hadden. De tekst doet ook geen recht aan de afspraak dat Woonbron zich committeert aan de beleidslijn van BZK en de Aw inzake de VPL premie.
Waarom wacht u met het geven van een reactie op deze kwestie totdat een eerstvolgende, pas in 2021 te verwachten, beoordelingsbrief over Woonbron verschijnt?
Dat is niet het geval, zie het antwoord op vraag 1.
Overweegt u, net als in januari 2020 gebeurde in de affaire Laurens Wonen, de Autoriteit woningcorporaties een aparte brief te laten sturen waarin u uw ongenoegen over Woonbrons opstelling in de kwestie kunt uiteenzetten?2
Nee, voor een aparte brief is geen noodzaak. Woonbron heeft namelijk na de in het antwoord op vraag 1 aangehaalde reactie van de Aw op 3 september het volgende bericht op haar website geplaatst:
Wat was de uitkomst van het eerder gevoerde verantwoordingsgesprek tussen de Autoriteit woningcorporaties en de commissarissen van Woonbron?
De uitkomst van het gesprek was voor de Aw op dat moment zodanig dat de kwestie wat haar betreft afgehandeld was.
Het bericht ‘Experts: liquiditeitscrisis vraagt om soepelere btw-teruggave’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Experts: liquiditeitscrisis vraagt om soepelere btw-teruggave»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het huidige kabinet er alles aan moet doen om de liquiditeitspositie van het mkb, als motor van de Nederlandse economie, te versterken in deze onzekere periode?
Binnen de mogelijkheden doet het kabinet er heel veel aan om de liquiditeitspositie van bedrijven te verbeteren. Wat de fiscaliteit betreft denk ik daarbij vooral aan de bijzondere regeling voor uitstel van betaling vanwege de coronacrisis die is getroffen voor onder meer de btw en de loonbelasting. Ook bevatten de eerder tot stand gekomen noodpakketten meerdere tijdelijke financiële regelingen buiten de fiscaliteit om bedrijven te ondersteunen. Het gaat bijvoorbeeld om de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en verschillende extra kredietmogelijkheden (waaronder BMKB en GO-C) die het mogelijk maken dat geld in de bedrijven blijft.
Welke stappen heeft het kabinet reeds gezet om de liquiditeitspositie van bedrijven te verbeteren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een inschatting geven hoeveel deze feitelijk «te veel» afgedragen btw bedraagt? Waarop is de teruggavetermijn van een jaar gebaseerd? Wat zouden de consequenties zijn als deze termijn werd verkort?
Deze btw-teruggaafregeling ziet in het algemeen op een ondernemer die goederen en diensten inclusief btw levert aan een andere ondernemer die op zijn beurt over zijn leveringen ook btw in rekening moeten brengen aan zijn afnemers.
Eerstbedoelde ondernemer die de goederen of diensten levert aan een andere ondernemer wordt de in de factuur begrepen btw verschuldigd op het tijdstip waarop hij de factuur uitreikt aan zijn afnemer. De afnemende ondernemer krijgt op hetzelfde tijdstip het recht om die in rekening gebrachte btw in aftrek te brengen op de btw die hij verschuldigd wordt voor de leveringen aan zijn afnemers.
In de normale situatie vermeldt en betaalt de leverende ondernemer de in zijn vorderingen begrepen btw in zijn eerstvolgende periodieke btw-aangifte, terwijl de afnemende ondernemer die btw in aftrek brengt in zijn eerstvolgende btw-aangifte. In deze situaties blijft er dan ook geen geld «in de staatskas» en in die zin is er dus niet «te veel» btw afgedragen.
Wanneer de vordering die een ondernemer heeft, oninbaar blijkt te zijn ontstaat de situatie dat die ondernemer wel al de in die vordering begrepen btw aan de Belastingdienst heeft afgedragen, terwijl hij die van de afnemer niet zal ontvangen. De afnemende ondernemer op zijn beurt betaalt de vordering met de daarin begrepen btw niet, maar heeft de niet-betaalde btw wel in aftrek gebracht op zijn aangifte. Dit is inherent aan het huidige btw-systeem.
Wanneer een afnemer niet betaalt, zou bij de leverende ondernemer een liquiditeitsprobleem kunnen ontstaan. Ondernemers kunnen daarom teruggaaf krijgen van in een vordering begrepen btw wanneer komt vast te staan dat de afnemer de vordering niet of niet geheel zal betalen. Omdat het soms lang kan duren voordat zoiets definitief kan worden vastgesteld, ontstaat op basis van de wet het recht op teruggaaf in ieder geval wanneer na één jaar nog niet is betaald. In de gevallen waarin binnen een jaar komt vast te staan dat de vordering niet zal worden betaald, wordt de teruggaaf uiteraard op dat eerdere moment verleend. Als de teruggaaf is verleend en daarna wordt de vordering alsnog betaald, dan moet door de ondernemer een correctie worden aangebracht. Hij dient de btw dan alsnog af te dragen aan de Belastingdienst.
De keerzijde van de teruggaaf is dat de afnemende ondernemer het bedrag van de btw dat is begrepen in de niet-betaalde vordering en dat door hem reeds in aftrek is gebracht, moet terugbetalen aan de Belastingdienst. Deze keerzijde is van wezenlijk belang, maar blijft onvermeld in voornoemde publicatie waardoor ten onrechte de indruk wordt gewekt dat de betreffende btw «in de staatskas» blijft. Een verkorting van de termijn van één jaar zou leiden tot snellere teruggaven bij niet-betaling en noodzakelijkerwijs ook tot snellere verschuldigdheid bij de niet betalende afnemer. Verwacht wordt dat dan wel het aantal correcties achteraf op de bedragen van de teruggaaf en de nieuwe verschuldigdheid bij de betrokken ondernemers zullen toenemen, omdat vaak in een latere fase alsnog (een deel van) de betaling wordt gedaan. De kans op zo’n latere betaling is bij een termijn van drie maanden aanmerkelijk groter dan bij de huidige termijn van een jaar. Dit zou naar verwachting leiden tot extra administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
Ik meen, anders dan de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), dat de beperkte vooruitgang in de liquiditeitspositie van de ondernemer die een snellere teruggaaf krijgt niet of nauwelijks opweegt tegen de toename van de administratieve lasten voor diezelfde ondernemer. Zeker in deze uitzonderlijke tijden zal een dergelijke maatregel weinig toegevoegde waarde hebben omdat, zoals hiervoor is aangegeven in het antwoord op de vragen 2 en 3, voor ondernemers een bijzondere regeling voor uitstel van betaling van toepassing is vanwege de coronacrisis. Bovendien staat tegenover de beperkte liquiditeitsverbetering van de leverende ondernemer een verminderde liquiditeit bij de afnemer die de door hem, mogelijk achteraf ten onrechte, in aftrek gebrachte btw gecorrigeerd ziet.
Kunt u toelichten waarom u geen toevoegde waarde ziet in het verkorten van de btw-terugbetaaltermijn van één jaar naar bijvoorbeeld drie maanden en waarom er «geen toegevoegde waarde» zou zijn? Deelt u de mening dat in deze uitzonderlijke tijden zelfs een «beperkte» vooruitgang een verbetering kan zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Waar zit het verschil in inzicht tussen uw uitleg en die van bijvoorbeeld de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) die aangeeft wel een toegevoegde waarde te zien in het verkorten van de btw-terugbetaaltermijn?2
Zie antwoord vraag 4.
Welke beperkingen ziet u in de Europese btw-richtlijn? Wanneer zijn deze beperkingen door Nederland aangekaart bij de Europese Commissie of in de discussie over een toekomstbestendig btw-stelsel?
De bestaande wettelijke teruggaafregeling waarin ervan uitgegaan wordt dat een vordering oninbaar is uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden, past binnen de kaders van de Europese btw-richtlijn. De wettelijke regeling heeft ook geen aanleiding gegeven tot discussie met de Europese Commissie. In dit verband moet echter voor ogen worden gehouden dat op basis van de Europese regelgeving het uitgangspunt geldt dat ter zake van belaste prestaties btw moet worden afgedragen en dat de Europese richtlijn alleen teruggaaf van die btw toestaat in het geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling door de afnemer. Er van uitgaan dat een vordering oninbaar is uiterlijk drie maanden na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden, staat naar mijn mening op gespannen voet met die richtlijn.
Waarom kan de Belastingdienst in specifieke situaties wel overgaan tot het terugbetalen van de oninbare btw binnen een jaar? Waarom lukt het dan niet in het algemeen?
Het al dan niet verlenen van teruggaaf van «oninbare btw» is niet afhankelijk van de vraag of de Belastingdienst daartoe in staat is maar hangt samen met de wettelijke mogelijkheid daartoe. Zoals hiervoor is aangegeven dient de niet-betaling vast te staan voordat het recht op teruggaaf van de btw ontstaat. Vaak is dat pas na een langere periode dan één jaar. Zoals aangegeven bij de beantwoording van vragen 4, 5 en 6 kan in die gevallen de teruggaaf worden verleend na afloop van dat jaar, met dien verstande dat wanneer in later stadium de omvang van de niet-betaling definitief vaststaat alsnog een correctie kan volgen. Alleen in gevallen waarin binnen één jaar vast komt te staan dat de ondernemer de vordering geheel of gedeeltelijk niet zal ontvangen, kan de teruggaaf op een eerder tijdstip binnen dat jaar worden verleend.
Voor de volledigheid merk ik op dat het bedrag van de niet-betaalde vordering en de daarin begrepen btw niet van invloed is op de snelheid waarmee een eventuele teruggaaf kan worden verleend.
Waarom is in deze gevallen het voordeel voor de belastingplichtige aanzienlijk genoeg om over te gaan tot een snellere terugbetaling, maar wordt dit voordeel «beperkt» zodra er wordt overgegaan op een uniform, voor alle ondernemers geldende, tijdelijke terugbetalingstermijn van bijvoorbeeld drie maanden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om de teruggavetermijn van een jaar voor oninbare btw tijdelijk te verkorten, bijvoorbeeld naar drie maanden? Wat zou de procedurele route hiervoor zijn? Kan dit ook buiten een wetsaanpassing, bijvoorbeeld door middel van een besluit, of besluit gekoppeld met een latere wetswijziging?
Zoals hiervoor is aangegeven, zie ik weinig toegevoegde waarde in een tijdelijke verkorting van de teruggaaftermijn in deze bijzondere tijden, mede omdat er voor ondernemers ook een bijzondere regeling voor uitstel van betaling van btw van toepassing is. Bovendien moeten de Europese wettelijke kaders in deze worden gerespecteerd.
Indien een verkorting van de wettelijke termijn van één jaar naar bijvoorbeeld drie maanden wel gewenst is dan dient dit te geschieden bij formele wet, in dit geval een wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968.
Soms kunnen belastingplichtigen, vooruitlopend op een wetswijziging, op grond van een beleidsbesluit alvast handelen alsof de wetswijziging reeds tot stand gekomen is. Het gaat daarbij met name om beleidsbesluiten die voor een belastingplichtige gunstiger uitwerken dan de bestaande wettelijke bepalingen.
Een beleidsbesluit is niet geschikt om vooruitlopend op een wetswijziging onderwerpen te regelen die niet in alle opzichten gunstig uitwerken voor belastingplichtigen. Belastingplichtigen kunnen zich in die situatie immers blijven beroepen op de voor hen gunstiger uitwerkende bepalingen zoals die nog in de wet staan.
In het onderhavige geval zou een op de wet vooruitlopend beleidsbesluit begunstigend kunnen uitwerken voor ondernemers die een recht op teruggaaf hebben met betrekking tot de btw die is begrepen in niet betaalde vorderingen. Ondernemers die nu een jaar moeten wachten, kunnen dan eerder, bijvoorbeeld na drie maanden, een teruggaaf krijgen. Maar de afnemers van die ondernemer die de btw begrepen in de onbetaalde vordering, achteraf ten onrechte, in aftrek hebben gebracht, worden die btw dan niet pas na een jaar verschuldigd, maar al na drie maanden. Voor laatstbedoelde ondernemers zijn de wettelijke bepalingen dan gunstiger dan die van het beleidsbesluit. Om die reden zou een beleidsbesluit in deze situatie niet geschikt zijn om een verkorting van de bedoelde termijnen vooruitlopend op een wetswijziging te regelen.
Wat vindt u ervan dat de «rigide» houding van de Belastingdienst er nu toe kan leiden dat ondernemers facturen kwijtschelden? Is dat geen perverse consequentie van het huidige beleid, zeker gegeven de slechte economische omstandigheden?
Het is mij ook niet bekend dat ondernemers ervoor kiezen in sommige gevallen een vordering kwijt te schelden om een snellere teruggaaf te krijgen van de daarin begrepen btw.
Bent u bereid om verdere concrete beleidsopties te verkennen om ook op langere termijn de liquiditeitspositie van het mkb te verbeteren, en deze naar de Kamer te sturen?
In het noodpakket hebben we vanuit de Belastingdienst, vooral door de regeling voor bijzonder uitstel van betaling, geprobeerd om positief bij te dragen aan de liquiditeitspositie van bedrijven. Dat is echter geen structurele optie. Wel blijven de reguliere mogelijkheden van uitstel van betaling van kracht. Daartoe behoren kortdurend uitstel, een betalingsregeling, uitstel met zekerheid, uitstel van loonbelasting bij een verwachte teruggaaf omzetbelasting en uitstel van betaling bij bijzondere omstandigheden. Het is uiteraard primair aan bedrijven zelf om indien nodig de eigen liquiditeitspositie te versterken. Daarbij moet wel voorkomen worden dat het belastingstelsel tot onnodige extra druk leidt op de liquiditeitspositie. Dat zou bijvoorbeeld kunnen als belasting moet worden afgedragen op een moment waarop de daarvoor benodigde liquiditeit er redelijkerwijs nog niet kan zijn. In de regel is dat niet het geval. Bovendien blijven bij betalingsproblemen de genoemde reguliere mogelijkheden voor uitstel van betaling beschikbaar. Gelet op alle mogelijkheden die er zijn, zie ik geen aanleiding om verdere beleidsopties te verkennen
Kunt u de vragen voor Prinsjesdag beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Mogelijke integriteitsschendingen bij de verkoop van het pand Noordeinde 64/64a te Den Haag |
|
Henk Krol (INDEP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hebben werknemers en opdrachtnemers van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) een geheimhoudingsplicht? Loopt deze plicht door nadat het dienstverband of contract afloopt? Hoe wordt het naleven ervan gecontroleerd? Zijn er gevallen bekend waarin de geheimhoudingsplicht niet werd nageleefd?
Ja, voor zowel ambtenaren als opdrachtnemers als tijdelijk ingehuurd personeel geldt een geheimhoudingsplicht, die ook na het einde van het dienstverband of contract blijft gelden. Voor ambtenaren vloeit dit voort uit artikel 9 van de Ambtenarenwet 2017, voor externen wordt het model integriteitsverklaring gehanteerd dat als bijlage is opgenomen bij de Gedragscode Integriteit Rijk (Stcrt. 2019, nr. 71141). Belangrijk onderdeel van de Gedragscode Integriteit Rijk is dat integriteit voortdurend onderwerp van gesprek is, onder meer in personeelsgesprekken. Daarnaast zijn integriteitscoördinatoren belast met de behandeling van meldingen van vermeende integriteitsschendingen. Er zijn thans bij het Rijksvastgoedbedrijf geen gevallen bekend waarin de geheimhoudingsplicht niet werd nageleefd.
Is het u bekend dat ex-werknemers van het RVB betrokken zijn geweest bij de verkoop van het pand Noordeinde 64/64a? Welke functies bekleedden de ex-werknemers bij het RVB? Waaruit bestond die betrokkenheid en hoe beoordeelt u deze betrokkenheid?
Bij het verkoopproces van Noordeinde 64/64A is binnen het Rijksvastgoedbedrijf geen betrokkenheid van ex-werknemers of ex-opdrachtnemers waargenomen. Verder wacht ik het definitieve rapport van de ADR af; zie het antwoord op vraag 7.
Is er bij u een geval bekend waarbij een topambtenaar van het RVB korte tijd na beëindiging van de werkzaamheden zelf een commercieel bedrijf begon dat zich bezighoudt met onder meer de verkoop van vastgoed van het Rijk? Hoe beoordeelt u zo'n constructie? Werden er door het commerciële bedrijf actief werknemers geronseld bij het RVB? Kreeg de topambtenaar bij vertrek bij het RVB een afvloeiingsregeling?
Ja, ik ben bekend met een leidinggevende die ruim een jaar na het einde van het dienstverband bij het Rijksvastgoedbedrijf een bedrijf heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op het terrein van advisering met betrekking tot vastgoed-, project en facility management. Als leidinggevende van het Rijksvastgoedbedrijf – of diens rechtsvoorganger de Rijksgebouwendienst – heeft betrokkene geen functie gehad op het gebied van verkoop van vastgoed. Het is mij bekend dat een aantal ambtenaren de overstap heeft gemaakt naar het bedrijf van de betrokken leidinggevende. De Gedragscode Integriteit Rijk verzet zich niet in algemene zin tegen het starten van of overstappen naar een commercieel bedrijf door ambtenaren.
Is er bij de verkoop van het pand Noordeinde 64/64a sprake geweest van belangenverstrengeling en misbruik van voorkennis door ex-werknemers of ex-opdrachtnemers van het RVB?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre zijn de regels met betrekking tot integriteit bij aanbestedingen/zaken doen met het RVB nageleefd bij de verkoop van het pand Noordeinde 64/64a?1
In dit geval was geen sprake van een aanbesteding, maar van een verkoop aan de gemeente Den Haag. Onderdeel van het in vraag 7 genoemde onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR) is of daarbij overeenkomstig de geldende procedures is gehandeld.
Zijn er naar aanleiding van de verkoop van het pand Noordeinde 64/64a klachten ingediend en/of zijn er juridische procedures gestart op grond van de regeling «Scheiding van belang»?2
De nota «Scheiding van belang» is niet van toepassing, omdat de verkoop geen aanbesteding betreft. Ik ben bekend met brieven (van 2 september 2018 en 10 oktober 2019) van een advocaat die zich op het standpunt stelde dat de verkoop van Noordeinde 64/64A door de Staat aan de gemeente Den Haag onrechtmatig en vernietigbaar is en die daarom overwoog een juridische procedure te starten. Een procedure is tot op heden niet gestart.
Is het onderzoek van de Audit Dienst Rijk (ADR) over de verkoop van het pand Noordeinde 64/64a dat voor de zomer werd toegezegd, al afgerond? Zo nee, waarom is het onderzoek vertraagd? Bent u bereid het rapport van de ADR met spoed naar de Tweede Kamer te sturen en te voorzien van een kabinetsreactie?
Het onderzoek van de ADR heeft een langere doorlooptijd, omdat er meer werk uit voortvloeide dan aanvankelijk ingeschat. De planning van de ADR is er nu op gericht om in de maand oktober het onderzoek af te ronden, waarna de bestuurlijke reactie kan worden opgesteld. Ik verwacht dat ik in november het ADR-rapport inclusief de bestuurlijke reactie aan de Tweede Kamer kan toezenden.
De beveiliging van Nobelprijswinnaar dr. Denis Mukwege |
|
Martijn van Helvert (CDA), Sadet Karabulut (SP), Bram van Ojik (GL), Lilianne Ploumen (PvdA), Lammert van Raan (PvdD), Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de bescherming die Mission de l'Organisation des Nations Unies pour la stabilisation en République démocratique du Congo (MONUSCO) aan Nobelprijswinnaar Denis Mukwege kan bieden onvoldoende is om diens veiligheid te garanderen? Klopt het dat MONUSCO alleen patrouilles uitvoert langs de compound van het Panzi ziekenhuis en niet op de compound aanwezig is?
De bescherming die MONUSCO de afgelopen maanden kon bieden was om verschillende redenen – overdracht van taken naar de politie, beperkte capaciteit en als gevolg van COVID-19 – niet van hetzelfde niveau als voorheen. Nederland heeft daarom de afgelopen weken bij de VN aangedrongen op adequate bescherming voor dr. Mukwege. Medewerkers van de ambassade in Kinshasa, het ambassadekantoor in Goma, en de Permanente Vertegenwoordiging bij de VN in New York hebben die boodschap meerdere malen op hoog niveau bij zowel MONUSCO als het VN-hoofdkwartier afgegeven, waar het kon in gezelschap van gelijkgezinde landen. Nederland heeft ook in EU-kader aandacht gevraagd voor adequate bescherming van Dr. Mukwege.
Intussen is duidelijk geworden dat MONUSCO zal blijven bijdragen aan de beveiliging van dr. Mukwege. Op 9 september zijn circa 30 Nepalese MONUSCO-militairen aan de compound toegewezen om dr. Mukwege te beschermen, in afwachting van de beschikbaarheid van een nieuwe politie-unit. MONUSCO heeft bovendien toegezegd voor adequate bescherming te zullen zorgen totdat er in samenspraak met alle betrokkenen een duurzame oplossing gevonden kan worden.
Het kabinet is de VN en MONUSCO erkentelijk voor het leveren van een belangrijke bijdrage aan de veiligheid van dr. Mukwege en ook voor de toezegging dat MONUSCO zal blijven bijdragen aan adequate beveiliging. Nederland heeft bij MONUSCO benadrukt dat MONUSCO de plicht heeft om zorg te dragen voor een zorgvuldige en verantwoordelijke transitie en met klem verzocht actief toezicht te houden op het naleven van de toezeggingen door de Congolese autoriteiten. Nederland zal zowel MONUSCO als de Congolese autoriteiten blijven wijzen op hun verantwoordelijkheden. Het is een positief signaal dat zowel president Tshisekedi als de gouverneur van Zuid-Kivu nadrukkelijk hebben aangegeven dat de autoriteiten die verantwoordelijkheid zullen nemen en daarbij samen zullen werken met zowel MONUSCO als dr. Mukwege.
Bent u het eens dat dit onvoldoende is ter bescherming van de met de dood bedreigde dokter, het Panzi ziekenhuis en zijn patiënten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de Nobelprijswinnaar, arts en activist moet worden beschermd?
Ja. Dr. Mukwege speelt als Nobelprijswinnaar, arts en uitgesproken mensenrechtenverdediger een belangrijke rol bij de bestrijding van seksueel geweld, het op medisch en geestelijk vlak bijstaan van vrouwen en meisjes die daarvan slachtoffer zijn geworden, en het tegengaan van straffeloosheid, allereerst in oost-DRC zelf maar ook ver daarbuiten. Het is van groot belang dat hij in veiligheid zijn werk kan blijven doen in het Panzi-ziekenhuis in Bukavu.
Nederland zet zich in voor de bescherming van mensenrechtenverdedigers wereldwijd en voor ruimte voor het maatschappelijk middenveld.
Klopt het dat Denis Mukwege Nederland heeft gevraagd om een rol te spelen in zijn beveiliging?
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking had op 7 september jl. een telefonisch onderhoud met dr. Mukwege. De Minister sprak steun en betrokkenheid uit en liet dr. Mukwege weten dat Nederland de situatie rondom zijn veiligheid opnieuw bij de VN zou bepleiten.
Medewerkers van het ambassadekantoor in Goma hadden eerder al contact gezocht met dr. Mukwege. Op 28 augustus jl. bezochten zij hem in Bukavu en spraken met hem en zijn team over zijn persoonlijke veiligheid en de beveiliging van de ziekenhuiscompound. De zorgen die dr. Mukwege deelde hadden allereerst betrekking op de veiligheid van de patiënten in het ziekenhuis en andere betrokkenen die bedreigd worden.
Dr. Mukwege heeft Nederland niet expliciet gevraagd om hulp ten aanzien van zijn persoonlijke veiligheid. Hij was wel dankbaar voor de Nederlandse steun en belangstelling, en voor het recente project waarmee Nederland, o.a. door het plaatsen van beveiligingscamera’s en een alarminstallatie, bijdroeg aan de beveiliging van de compound. Nederland staat klaar om door middel van een nieuwe bijdrage opvolging te geven aan dat eerdere project en onderzoekt de mogelijkheden daartoe, samen met het team van Dr. Mukwege en eventuele andere donoren. Voor zover bekend is Nederland het enige land dat dr. Mukwege en het Panzi ziekenhuis recent bezocht.
Nederland zal aandacht blijven vragen voor de situatie in de DRC in de mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Nederland steunt bovendien de oproep van de VN Hoge Commissaris voor Mensenrechten voor een onafhankelijk onderzoek naar de bedreigingen tegen dr. Mukwege.
Bent u bereid te onderzoeken welke rol Nederland kan spelen bij de beveiliging van Denis Mukwege, het Panzi ziekenhuis en de patienten?
Zie antwoord vraag 4.