Onnodig hoge subsidies voor Carbon Capture and Storage (CCS) en de lobby van de fossiele industrie |
|
Lammert van Raan (PvdD), Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland ritselt in Brussel vergroeningssubsidie voor Shell»?1
Ja.
Beaamt u dat de plannen voor grootschalige afvang en opslag van CO2 ten behoeve van de zware industrieën bij de Rotterdamse haven aan het ministerie zijn aangereikt door de fossiele industrie, zoals bovengenoemd bericht stelt? Zo nee, op basis van welke input zet het ministerie in op grootschalige afvang en opslag van CO2 en sinds wanneer?
CO2-afvang en opslag (CCS) is een technologie waar al tientallen jaren lang onderzoek naar wordt gedaan en beleid op wordt gevoerd. Niet alleen vanuit Nederland, maar ook vanuit de EU. Al in 2009 is de Europese CCS-richtlijn opgesteld en zijn er eerder ook subsidies voor CCS-projecten beschikbaar gesteld vanuit de EU. Zo ook voor het Nederlandse ROAD-project in het Rotterdamse havengebied, waar CO2-afvang was voorzien bij de MPP3-kolencentrale op de Maasvlakte. In het huidige klimaatbeleid zal de CO2-afvang en opslag worden toegepast bij de energie-intensieve en zware industrie, waar het een relatief goedkope technologie is om de nationale klimaatopgave te behalen. Diverse Klimaatrapporten (o.a. IPCC) geven aan dat CCS een noodzakelijke technologie is voor het behalen van de klimaatdoelen en uiteindelijk ook om negatieve emissies te realiseren. De plannen voor CCS zijn dan ook niet nieuw.
Toen in 2017 duidelijk werd dat de initiatiefnemers van het CCS-project ROAD de plannen voor dit project niet wilden doorzetten, is op initiatief van het Havenbedrijf Rotterdam destijds bekeken of er voldoende interesse was vanuit de markt om op de uitgewerkte plannen en al uitgevoerde werkzaamheden van ROAD voort te bouwen. Hier is het Porthos-project uit ontstaan. Porthos vangt de CO2 af bij verschillende industriële bronnen in hetzelfde havengebied en zal deze opslaan in hetzelfde gasveld dat voor ROAD in beeld was. De plannen voor CCS in het Rotterdamse havengebied bestaan dus al langer, en zijn dan ook niet door de industrie aangereikt.
Klopt het dat de fossiele industrie de overheid heeft gevraagd om directe financiering van de overheid en een lobby bij de EU voor extra fondsen en gunstige regelgeving?
Nee, dat klopt niet. In het regeerakkoord is afgesproken dat de SDE++-regeling verbreed wordt en naast de stimulering van hernieuwbare energie ook CO2-reductiemaatregelen in o.a. de industrie zal bevatten, waaronder ook CCS. Naar aanleiding daarvan zijn gesprekken gevoerd met verschillende partijen om te onderzoeken op welke wijze de ondersteuning in de SDE++ het meest effectief en efficiënt kan worden vormgegeven. Het uitgangspunt hierbij is altijd geweest dat de technieken op basis van kostenefficiëntie met elkaar concurreren binnen de SDE++, zo ook CCS. In het Klimaatakkoord is vervolgens afgesproken dat CCS alleen via de SDE++ gesubsidieerd wordt en niet daarnaast ook op andere wijze. Industriële partijen hebben altijd aangegeven dat er wat hen betreft subsidie nodig is voor het afdekken van de onrendabele top voor maatregelen om CO2-uitstoot te verminderen. Middels de SDE++ wordt deze onrendabele top voor allerlei maatregelen overbrugd. Bij SDE++-subsidie is er overigens geen sprake van directe financiering van projecten. Die verantwoordelijkheid, en daarmee ook het risico, ligt bij de partij zelf.
Ook vanuit Europa zijn fondsen beschikbaar voor de ondersteuning van CCS projecten. Om aanspraak te maken op deze fondsen heeft de overheid haar steun uitgesproken voor een aantal van deze Nederlandse projecten door uit te spreken dat de ontwikkeling van CCS past in het Nederlandse klimaatbeleid.
Klopt het dat de fossiele industrie bovendien aan de overheid heeft verzocht om de aansprakelijkheid op zich te nemen voor transport en opslag van de energie, en bij voorkeur borg te staan voor significante risico’s als de verantwoordelijkheid van de CO2-opslag op lange termijn? Zo ja, op basis van welke argumenten vindt u deze eisen gerechtvaardigd?
Nee, dat is onjuist. In de reguliere contacten met de betrokken ondernemingen, waaronder staatsdeelnemingen, komen tal van onderwerpen aan bod. Ook de opslag van CO2 en de daaraan verbonden (wettelijke) aansprakelijkheden is onderwerp van gesprek. Onder de Mijnbouwwet en het ETS-systeem is de exploitant van het transportsysteem en de opslagvergunninghouder verantwoordelijk voor de CO2 die getransporteerd en opgeslagen wordt. Nadat het opslagveld gevuld is, wordt deze door de vergunninghouder afgesloten en gemonitord gedurende een periode van (in beginsel) 20 jaar. Daarna, en pas als genoegzaam is aangetoond dat de CO2 goed is opgeslagen, wordt de vergunning ingetrokken en gaat het beheer en de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie over op de staat. De voormalig vergunninghouder is verplicht te voorzien in de kosten voor het beheer gedurende een periode van 30 jaar en de staat kan kosten op de voormalig vergunninghouder verhalen indien er onzorgvuldig is gehandeld voorafgaand aan de intrekking van vergunning. Daarnaast gelden de aansprakelijkheidsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Het kabinet ziet geen aanleiding om deze wettelijke bepalingen te wijzigen. De kosten kunnen worden ingeprijsd in het tarief dat de exploitant vraagt voor het transporteren en opslaan van de CO2, net zoals in andere projecten ook risico’s worden ingeprijsd.
Staat de overheid ook garant voor significante risico’s of lange termijn verantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld getijdenenergie of geothermie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de getijdencentralen in Zeeland en hoe de Staat hiervoor garant zal staan, gezien de belofte aan de fossiele industrie?
Geothermie is een belangrijke bron van duurzame en schone energie, maar de techniek is relatief nieuw in ons land. Daarom wordt de Mijnbouwwet uitgebreid met een groot aantal bepalingen die specifiek gelden voor geothermie. Deskundigen constateren dat er op verreweg de meeste plaatsen in ons land geen of nauwelijks risico’s worden verwacht bij conventionele geothermie op een diepte tot rond de 4 kilometer, mits een passende voorzorg in acht wordt genomen. Deze voorzorg heeft ook betrekking op langere termijn risico’s die kunnen ontstaan doordat afgekoeld water wordt teruggebracht in de ondergrond. Wat betreft schade: in algemene zin is de aansprakelijkheid door mijnbouw geregeld tot 30 jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis, en daarnaast zijn er allerlei waarborgen die ervoor zorgen dat onverhoopte schade door geothermie altijd vergoed zal worden. In de context van uitbreiding van de Mijnbouwwet inzake geothermie zal ik nader ingaan op veiligheidsnormering, voorzorg en waarborgen rond schade.
De overheid staat niet garant voor significante risico’s of lange termijn verantwoordelijkheid voor getijdenenergie. Wat betreft de stand van zaken rondom het Getij Grevelingen project kan worden gemeld dat de ministers van IenW, LNV en EZK deskundigen hebben gevraagd een advies uit te brengen over de technische, juridische en financiële haalbaarheid van het project Getij Grevelingen. Over de uitkomsten en de te nemen vervolgstappen zijn Rijk en regio met elkaar in gesprek. Zodra hier meer duidelijkheid over is, zal dit met de Kamer gedeeld worden. Uitgangspunt blijft de waterkwaliteit en de natuur van de Grevelingen duurzaam te verbeteren. Wat betreft de stand van zaken rondom het Tidal Technology Center geldt dat het Rijk en de regio met elkaar in overleg zijn over de vervolgstappen.
Beaamt u dat ambtenaren van de Staat aan de fossiele industrie hebben gesuggereerd om te doen alsof de CO2-opslagambities aan de hoge kant zijn, maar dat de industrie akkoord zal gaan vanwege de noodzaak om de Nederlandse klimaatdoelstellingen te behalen? Zo ja, vindt u dit soort afspraken passen bij een onafhankelijke overheid?
Ambtenaren van mijn departement hebben dat niet gesuggereerd. In het regeerakkoord van 2017 staat een indicatieve tabel van PBL voor het 49% klimaatdoel met daarin een totaal opslagvolume van 20 Mton per jaar. Door verschillende partijen uit het bedrijfsleven is toen gereageerd dat dit aan de hoge kant is. EZK heeft aangegeven dat de industrie duidelijk moet zijn of zij CCS als techniek nodig hebben om hun reductiedoelstelling te bereiken en in welke mate. In het klimaatakkoord is uiteindelijk een plafond afgesproken van 10 Mton gesubsidieerde CCS per jaar. Dit werd door de sector als ambitieus, maar haalbaar en noodzakelijk voor het klimaatdoel geacht.
Klopt het dat het niet meenemen van de nationale CO2-heffing niet dient om de onrendabele top van projecten te verkleinen, maar dat dit wel het (neven)effect is? Zo ja, hoe groot is dit (neven)effect op de marktprijs van CCS, op de subsidiehoogte en op de kostprijs van CCS?
Het klopt dat de CO2-heffing niet dient om de onrendabele top van projecten te verkleinen. De CO2-heffing dient als stok achter de deur voor de reductieopgave van de industrie uit het Klimaatakkoord. De CO2-heffing gaat uit van een hoger reductiedoel voor te vermijden emissies dan het ETS. Hiermee worden de potentiële kosten voor deze emissies verhoogd, zeker in verhouding tot de kosten voor dezelfde emissies in andere landen, die naast het ETS geen nationale heffing voor de industrie hanteren. De heffing stimuleert bedrijven om in Nederland te investeren in reductiemaatregelen om deze additionele potentiële kosten te ontlopen. De SDE++ zorgt daarnaast als wortel voor een verlaging van de onrendabele top van deze investeringen ten opzichte van fossiele varianten. Deze beleidsmix van wortel en stok zorgt ervoor dat de industrie de reductie-opgave realiseert, terwijl het risico op weglek zoveel mogelijk wordt beperkt.
Beaamt u dat het (neven)effect duidelijk wordt wanneer de volgende twee scenario’s met elkaar worden vergeleken voor een Europese emissiehandelssysteem (ETS) gerechtigd bedrijf dat minder efficiënt produceert dan verglijkbare bedrijven in Europa, met als aanname dat de ETS-prijs 40 euro per ton is in 2030 en de nationale CO2-heffing oploopt tot 125 euro per ton? A.) In scenario A doet het bedrijf niets. De uitstoot boven de Europese benchmark kost 40 euro per ton (ETS) + 85 euro per ton (CO2-heffing) = 125 euro per ton CO2. B.) In scenario B installeert het bedrijf een CCS-installatie ter grootte van de uitstoot boven de Europese benchmark. Op deze CCS-installatie kan het bedrijf in 2021 100 euro per ton Stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE) aanvragen, bestaande uit 60 euro per ton overheidsbijdrage (die als SDE wordt uitgekeerd) en 40 euro per ton marktwaarde CO2 (alleen gebaseerd op de ETS-prijs). In dit scenario is de wortel voor dit bedrijf dus 60 euro per ton (SDE) plus de stok voor dit bedrijf het niet hoeven betalen van 125 euro per ton (vermeden CO2-taks in 2030) = 185 euro per ton. Beaamt u dat de 125 euro per ton die de Minister een stok in scenario A noemt, in scenario B ervoor zorgt dat de wortel enorm wordt?
Nee, zoals in het antwoord op vraag 7 beschreven is de CO2-heffing de stok die borgt dat het bedrijf investeert in het reduceren van nationaal te vermijden emissies ten opzichte van het ETS. De wetenschap dat bij niet reduceren de vermijdbare emissies beboet worden dient bedrijven aan te zetten tot reductiemaatregelen. De wortel maakt deze investeringen aantrekkelijker doordat het bedrijf met de SDE++ deze reductiemaatregelen kostenneutraal kan doen ten opzichte van de fossiele variant. De beperkte en tijdelijke beschikbaarheid van deze SDE++ middelen stimuleert het bedrijf om de beslissing tot reductie op tijd te nemen en de heffing voor te blijven.
Kunt u uitleggen hoe hoog de echte kostprijs is van CCS? Klopt het dat de echte kostprijs van een CCS-installatie hoger ligt dan de huidige aangenomen kostprijs in het SDE-model, aangezien sommige vermeden kosten niet zijn meegenomen in de SDE-berekeningen, zoals de nationale CO2-heffing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt de subsidie-intensiteit van CCS dan zo laag ingeschat in de SDE-berekeningen? Of klopt het dat de daadwerkelijk kostprijs inderdaad zo laag is en kan hiermee gesteld worden dat de CCS dus over-gesubsidieerd is?
De kostprijs van CCS zal voor elk CCS-project uniek zijn. Tevens zal het (bijvoorbeeld) afhankelijk zijn of het een bestaande of nieuw te bouwen installatie betreft. PBL geeft in haar advies in het kader van de SDE++ 2020 ronde middels de door haar berekende basisbedragen een inschatting van deze kostprijs voor verschillende CCS-subcategorieën. Daarbij is door PBL uitgegaan van de meest kosteneffectieve oplossing. Voor minder effectieve projecten kan de kostprijs dan ook hoger liggen dan de door PBL berekende basisbedragen. Daarbij geldt dat in de SDE++ verschillende technieken met elkaar concurreren om subsidie en zo de kosteneffectiviteit bevorderen. Tenslotte zal in de SDE++ bij onder andere de categorieën CCS een overstimuleringstoets plaatsvinden om eventuele overwinsten te corrigeren.
Voor wat betreft de nationale CO2-heffing verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 7 en 8.
Beaamt u dat het niet meerekenen van de nationale CO2-heffing in de SDE-subsidie zeer voordelig is voor bedrijven, gezien uw antwoord op vragen van de Partij voor de Dieren2, dat de nationale CO2-heffing een sterke prikkel is om CCS-projecten te realiseren, omdat hiermee de nationale heffing niet betaald hoeft te worden? Zo ja, hoe vergelijkt u deze uitspraak met uw opmerking dat de nationale CO2-heffing niet leidt tot overstimulering van CCS?
De CO2-heffing is ingesteld om de doelen uit het Klimaatakkoord te realiseren en niet om bedrijven voor de heffing te laten betalen. De opbrengsten van de heffing zijn daarom ook op 0 geraamd. Indien bedrijven aangezet worden om op tijd voldoende emissies te reduceren en daarmee de heffing ontlopen, is de heffing succesvol. Voor sommige bedrijven zal CCS een aantrekkelijke reductiemethode zijn om de heffing voor te blijven, terwijl voor andere bedrijven andere reductiemaatregelen zoals elektrificatie aantrekkelijker zullen zijn. Om ervoor te zorgen dat CCS andere reductiemaatregelen in de SDE++ niet verdringt, gelden er begrenzingen zoals een plafond en de «zeef» in de SDE++. Tenslotte zal in de SDE++ bij onder andere de categorieën CCS een overstimuleringstoets plaatsvinden om eventuele overwinsten te corrigeren.
Beaamt u dat het Trinomics review over de SDE++ methodiek, dat stelt dat «Het toevoegen van de heterogene technieken waarbij een laag volume aan projecten wordt verwacht mogelijk een negatieve impact heeft op de efficiëntie van de SDE++. De kans op oversubsidiëring binnen deze technieken is groter dan in die van andere technieken net als de kans dat de subsidiehoogte juist té laag is voor de meeste projecten om aan te bieden» tegenstrijdig is met uw antwoord dat SDE++ een geschikt instrument is voor grootschalig uitrol van CO2-reducerende technieken?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om SDE++ te herzien en per wanneer?
Nee, de SDE++ is nog steeds een geschikt instrument voor grootschalige uitrol van CO2-reducerende technieken. Dat is ook de conclusie van de review van Trinomics. Wel brengt dit nieuwe uitdagingen met zich mee. Bij de heterogene technieken heb ik daarom onder andere PBL verzocht om in eerste instantie uit te gaan van kosteneffectieve projecten, om oversubsidiëring tegen te gaan. Ook wordt eventuele oversubsidiëring achteraf gecorrigeerd worden middels de al eerder genoemde overstimuleringstoets. In de SDE++ 2021 ronde, op basis van een marktconsultatie en advies van PBL, ben ik voornemens om een aantal subcategorieën toe te voegen om recht te doen aan de diversiteit van projecten in de markt, zoals ik heb beschreven in de Kamerbrief van 22 februari jl. (Kamerstuk 31 238, nr. 329). Eventuele verfijning en eventuele verbeterpunten verwacht ik ook voor de SDE++ 2022.
Beaamt u dat CO2-opslag ook voortdurend energie kost, omdat er continu druk op de opgeslagen CO2 moet staan en meestal aardgas wordt gebruikt als drukgas? Zo ja, hoeveel energie en aardgas kost het om CO2 onder druk op te slaan en is deze energievraag meegenomen in de ketenemissies en vervolgens de rangorde?
De opslag van CO2 vraagt inderdaad energie om de benodigde druk in het transportsysteem op te bouwen. Dit gebeurt met behulp van een compressor. Binnen de SDE++ concurreren verschillende technieken met elkaar op basis van de benodigde subsidie per vermeden ton CO2. In de rangorde wordt rekening gehouden met de directe emissies (scope 1) en indirecte emissies in de elektriciteitssector (scope 2) bij de verschillende technieken. Deze directe en indirecte emissies (scope 1 en 2) worden op dit moment al zo goed als mogelijk meegenomen in de bepaling van de rangschikking. Voor CCS geldt daarbij wel dat de uitstoot door het gebruik van energie in het transportnetwerk voor eventuele additionele compressie en injectie van CO2 in het lege gasveld niet wordt meegenomen. Deze wordt door PBL op hooguit 2% geschat. Overige emissies in de keten (scope 3) worden niet meegenomen omdat dit zeer uiteenlopende, project-specifieke emissies zijn, die niet kunnen worden berekend in een generiek instrument als de SDE++.
Klopt het dat ketenemissies niet worden meegenomen in de SDE-berekeningen? Zo ja, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Beaamt u dat er grote verschillen zitten tussen het PBL-conceptadvies van de SDE++ in 2021 en het eindadvies, en dat windenergie en zon-op-dak in het conceptadvies hoger in de rangschikking stonden dan CCS, met -43 euro per ton CO2 voor windenergie, 24 euro per ton CO2 voor zon-op-dak en 39 euro per ton CO2 voor CCS, maar dat CCS in het eindadvies hoger is komen te staan, met 22 euro per ton CO2 voor CCS, 38 euro per ton CO2 voor windenergie en 91 euro per ton CO2 voor zon-op dak? Hoe kan het dat de verschillen tussen concept en eindadvies zo groot zijn?
Ja. De concept- en eindadviezen van PBL kunnen aanzienlijk verschillen. Redenen hiervoor zijn dat er op basis van de marktconsultatie nieuwe inzichten ten aanzien van de investerings- en exploitatiekosten kunnen ontstaan. Ook verschijnt het conceptadvies bijna een jaar eerder dan het eindadvies, en voordat de nieuwste Klimaat- en Energieverkenning (KEV) beschikbaar is. Daardoor worden de aannames voor de emissiefactor en energieprijzen in het conceptadvies gebaseerd op een oudere uitgave van de KEV dan in het eindadvies.
Beaamt u dat subsidies voor zonne- en windenergie door zeer veel verschillende partijen (meer dan 4.000 in de afgelopen ronde) worden aangevraagd in vergelijking met enkele bedrijven, die subsidie voor CCS projecten hebben aangevraagd?
Ja, hoewel dit bij zonne-energie veel meer het geval is dan bij windenergie.
Beaamt u dat zeven partijen voor CCS niet voor voldoende marktwerking zorgen om tot een zo laag mogelijke prijs te komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit voorkomen?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat wanneer een zonne- of windproject niet door gaat, dit niet resulteert in het tijdelijk niet kunnen uitgeven van 2,1 miljard euro, zoals wel het geval zou zijn mochten de huidige CCS-projecten geen doorgang vinden, gezien het hierbij gaat om enkele partijen?
Voor alle projecten zullen eventuele vrijgevallen middelen opnieuw moeten worden ingezet en wordt bij het bepalen van het openstellingsbudget rekening gehouden met het feit dat een deel van de projecten niet door zal gaan of minder CO2-reductie zal realiseren.
Hoeveel zonne- en windenergie had er in de vijf jaar tijd, die een bedrijf heeft voor het realiseren van een CCS-installatie, kunnen komen voor de 2,1 miljard euro CCS subsidie, gezien zonne- en windenergie sneller zijn uitgerold en eerder beginnen met CO2-besparen?
Zie antwoord vraag 17.
Loopt Nederland niet een veel groter risico om het klimaatdoel niet te halen wanneer er ingezet wordt op CCS, bijvoorbeeld als de kosteninschatting toch niet juist blijkt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Als Nederland niet inzet op CCS loopt Nederland een groot risico om de klimaatdoelen niet te halen. In het Klimaatakkoord is rekening gehouden met 7,2 Mton CCS, omdat dit volgens het PBL past binnen het kostenefficiente reductiepad van de industrie. M.a.w. andere maatregelen nemen is voor de industrie veel duurder. In de berekende kosten van CCS zoals opgenomen in het basisbedrag in de SDE++ zitten enkele risico-opslagen. De verwachting is dat bij succesvolle uitrol van projecten de daadwerkelijke kosten lager kunnen uitvallen. Voordat bedrijven een aanvraag indienen voor SDE++ subsidie, zullen zij uitgebreide technische studies hebben uitgevoerd om de kosten goed in beeld te hebben. Ook is het een vereiste bij de aanvraag voor SDE++ subsidie om een goed onderbouwde en sluitende business case in te dienen. Hiermee wordt bekeken of het project haalbaar is. Indien blijkt dat CCS toch te duur is voor bedrijven, zullen zij geen subsidie aanvragen voor CCS maar andere maatregelen nemen omdat deze goedkoper zijn.
Het maatregelenpakket voor rijexamens |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de analyse van de brancheverenigingen van autorijscholen dat het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) het probleem overschat, omdat er nog geen theorie-examens afgenomen kunnen worden en het niet zo is dat rijscholen meer rijlessen zullen gaan geven ten opzichte van de normale situatie, omdat in verband met de coronavoorzorgsmaatregelen meer tijd per rijles nodig is?1 Kunt u derhalve nader inzicht geven in de noodzaak om maatregelen te nemen?
Het CBR heeft berekend dat er per 2 maart 610.000 examens moesten worden ingehaald. Dat is ook het uitgangspunt bij de maatregelen in het plan van aanpak van de Taskforce Examenafname van het CBR. Daarbij is, op basis van een rondvraag bij rijscholen, rekening gehouden met circa 30% meer rijlessen dan normaal.
Maatregelen om de examencapaciteit te vergroten (100 extra examinatoren aantrekken, overwerk en het langer in dienst houden van gepensioneerden) heeft het CBR al in gang gezet. Een besluit over aanvullende maatregelen (zoals het eventueel tijdelijk schrappen van de tussentijdse toets) zal het CBR eind mei nemen. Daarbij wordt op dat moment gekeken naar de slagingspercentages en het aanbod van examenkandidaten. Mocht dan blijken dat de reserveringstermijnen niet tot een onacceptabel niveau zijn gestegen, dan zijn aanvullende maatregelen op dat moment niet nodig.
Klopt het dat er nauwelijks inspraak is geweest op het uiteindelijke door het CBR voorgestelde maatregelenpakket? Herkent u de onvrede in de branche over de meedenksessies? Hoe waardeert u dat?
Het CBR heeft bij het ontwikkelen van de maatregelen dialoogsessies gehouden met jongeren (als grootste klantengroep) en een aantal (20) rijscholen die via de brancheverengingen zijn aangedragen. Ook alle brancheverenigingen zijn betrokken. Alle deelnemers hebben een verslag van de bijeenkomst ontvangen. Daarnaast zijn de brancheverenigingen voorafgaand aan de publicatie van het plan van aanpak geïnformeerd. Alle deelnemers hebben ten slotte, nadat uw Kamer is geïnformeerd, een terugkoppeling ontvangen over hoe de resultaten van de meedenksessie zich vertaald hebben in het plan van aanpak.
De resultaten van de meedenksessies zijn belangrijke input geweest voor het plan van aanpak en de volgorde van maatregelen die daarin wordt voorgesteld. De belangrijkste conclusie van de sessies was namelijk dat er breed draagvlak was om gezamenlijk vooral in te zetten op het verminderen van het aantal herexamens (en dus het verhogen van de slagingspercentages) zodat aanvullende maatregelen zoveel mogelijk voorkomen kunnen worden. Op de andere terreinen waar instroom beperkt kan worden (het tijdelijk schrappen van de tussentijdse toets, het tijdelijk schrappen van het faalangstexamen en het tijdelijk verhogen van de examenleeftijd naar 18 jaar) is dit draagvlak minder groot. In de bijlages van het plan van aanpak van de Taskforce Examenafname die u heeft ontvangen zijn de verslagen van de dialoogsessies opgenomen.
Dat er bij rijscholen onvrede bestaat wordt door het CBR herkend. Het CBR geeft in het plan ook nadrukkelijk aan dat de inzet van de aanvullende maatregelen indien mogelijk voorkomen moet worden. Ik vind het van belang dat de wachttijden voor een rij-examen examen binnen de gestelde termijnen (de afgesproken KPI) liggen. Dat is zowel in het belang van de mensen die een rijbewijs willen halen, als van de rijsholen.
Ziet u mogelijkheden om de tussentijdse toets niet te schrappen, maar bijvoorbeeld te beperken tot de leerlingen die het echt nodig hebben als tussenstap naar het echte examen in overleg met de rijscholen?
Het CBR dringt bij rijscholen aan om leerlingen alleen examen te laten doen als ze veilige zelfstandige bestuurders zijn en klaar zijn voor het behalen van het rijbewijs. Dan zijn er veel minder herexamens nodig en hoeven er geen aanvullende maatregelen te worden genomen. Het doel is dat het slagingspercentage eind mei met 4% punt gestegen is. Mocht het verbeteren van de slagingspercentages door de rijscholen niet succesvol blijken te zijn, dan is het tijdelijk schrappen van de tussentijdse toets de maatregel die het meeste extra examencapaciteit oplevert in relatief korte tijd: 80.0000 extra examenplekken per jaar. Het CBR is in het geval het slagingspercentage niet verbetert een voorstander om de maatregel in de volle breedte te nemen en alle nog niet geplande tussentijdse toetsen te schrappen. Uitzonderingen op de regel maken de uitvoerbaarheid lastig en zorgen er ook voor dat de maatregel minder effect heeft waardoor deze langer ingezet zal moeten worden.
Deelt u de mening dat het eventueel schrappen van het faalangstexamen juist een averechts effect zal hebben op het slagingspercentage en het aantal benodigde examenritten?
Het is belangrijk dat leerlingen door rijscholen worden aangeleverd op het moment dat zij echt examen gereed zijn. Als het slagingspercentage voldoende stijgt zijn extra maatregelen mogelijk niet nodig. Het tijdelijk schrappen van het faalangstexamen is een maatregel die pas wordt overwogen als het verbeteren van de slagingspercentages onvoldoende gerealiseerd wordt en het tijdelijk schrappen van de tussentijdse toets onvoldoende demping van de reserveringstermijnen oplevert. Wat het effect van het tijdelijk niet afnemen van het faalangstexamen op de slagingspercentages heeft is op voorhand niet te zeggen.
Hoe waardeert u het feit dat het tijdelijk verhogen van de leeftijdsgrens naar 18 jaar forse financiële impact kan hebben voor rijscholen met jongere examenkandidaten, terwijl zij het vanwege de coronamaatregelen al moeilijk hebben?
Het verhogen van de examenleeftijd naar 18 jaar is de laatste maatregel die het CBR zal overwegen indien de slagingspercentages niet verbeteren en de overige maatregelen onvoldoende effect hebben. Het plan voorziet allereerst in het verhogen van de examencapaciteit van het CBR door het werven en opleiden van 100 extra examinatoren, overwerk en het inzetten van gepensioneerde examinatoren. Daarnaast wordt de rijschoolbranche gevraagd alles in het werk te stellen om het slagingspercentage te verhogen door alleen kandidaten examen te laten doen die kans op slagen hebben. Hierdoor zijn er minder herexamens nodig.
Alleen als dat onvoldoende oplevert wordt gekeken naar het tijdelijk schrappen van de tussentijdse toets. Mocht dit nog niet voldoende opleveren, dan kan het faalangstexamen tijdelijk geschrapt worden. Het verhogen van de examenleeftijd komt daarna pas als laatste maatregel op tafel. Het CBR hoopt ook dat deze maatregel niet nodig zal zijn, maar wil het uitdrukkelijk wel als mogelijkheid achter de hand houden.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat goed presterende rijscholen niet de dupe worden van de genoemde maatregelen en van de negatieve communicatie over de lage slagingspercentages van een deel van de rijscholen, maar dat er gericht beleid komt om ervoor te zorgen dat rijscholen met lage slagingspercentages beter gaan scoren?
Dat er rijscholen zijn met lage slagingspercentages is een feit. Ruim 800 rijscholen hebben een slagingspercentage dat lager ligt dan 20% (gemiddeld 11%). 1.500 rijscholen scoren lager dan 30%. In een deel van de rijschoolbranche is kwaliteit een probleem. Ik heb dhr. Roemer eind vorig jaar gevraagd een advies uit te brengen hoe de kwaliteit van de rijschoolbranche te verbeteren. Dit advies heeft u op 14 april ontvangen. Daarnaast besteedt het CBR veel aandacht aan het actief voorlichten van jongeren en hun ouders over de weg naar het rijbewijs. Dat gebeurt via de eigen website en via social media. Burgers krijgen rijbewijstips, onder andere over het vinden van een rijschool. De slagingspercentages van rijscholen zijn daarbij een aspect. Die zijn te vinden via de CBR Rijschoolzoeker.
Ziet u mogelijkheden om met benutting van ongebruikte zaalruimte en leegstaande panden elders de theorie-examens deels weer op te starten met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen zoals die ook op het voortgezet onderwijs en mbo-scholen gelden?
Het CBR heeft voldoende capaciteit beschikbaar zodra er theorie-examens weer afgenomen mogen worden. Tot op heden is dat echter nog niet toegestaan. Zodra de beperkende maatregelen vervallen, kan het CBR door overwerk en extra openstellingen snel opschalen naar 200%. Zo zouden de reserveringstermijnen van het theorie-examen relatief snel genormaliseerd kunnen worden. Het CBR heeft protocollen klaarliggen hoe zij op een verantwoorde en veilige wijze de theorie-examens weer kan afnemen. Daar zijn geen additionele zaalruimtes voor nodig.
Hoe waardeert u het signaal dat het CBR aanstaande examenkandidaten zoveel mailings stuurt met de uitstraling «weet wat je doet» dat het afbreuk doet aan het zelfvertrouwen van examenkandidaten?
Dat is niet de gedachte en intentie van de berichtgeving van het CBR. Het CBR informeert kandidaten over het belang om goed voorbereid op het examen te komen.
Het wegnemen van de juridische belemmeringen voor naturalisatie van RANOV-vergunninghouders |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie denkt u specifiek nog nodig te hebben voor u de motie Jasper Van Dijk en Van Toorenburg kunt uitvoeren?1
Het gaat hier in het bijzonder om een actueel en cijfermatig inzicht in zowel de wel als niet genaturaliseerde ranov-vergunninghouders. Het laatste onderzoek naar niet-genaturaliseerde ranov-vergunninghouders is uit 2017. Ik vind het belangrijk om op basis van actuele en volledige informatie een besluit te nemen.
Waarom stelt u hier een nieuw onderzoek naar in, in plaats van de kennis uit de bestaande onderzoeken te gebruiken om de motie uit te voeren?
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verricht het cijfermatige onderzoek naar de actuele groepssamenstelling. Tezamen met de bevindingen van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) wordt één rapportage opgesteld. Het WODC spreekt vertegenwoordigers van de advocatuur, vluchtelingenwerk, gemeenten en ambtenaren over de blijkens de vorige onderzoeken ervaren knelpunten om een naturalisatieverzoek in te dienen. Er is daarmee sprake van twee verschillende trajecten binnen het onderzoek, waarbij iedere instantie zijn eigen mogelijkheden en expertise inbrengt.
Waarom kunnen uw ambtenaren de bevindingen uit de al bestaande onderzoeken niet zelf inventariseren om met die kennis de gesignaleerde belemmeringen weg te nemen en zo de motie uit te voeren? Kunnen de ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) u ook niet de benodigde recente informatie aanleveren zonder dat het WODC daartussen moet zitten?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom gebruikt u WODC-onderzoek voor politieke doeleinden, namelijk vertraging van de uitvoering van een aangenomen motie? Deelt u de mening dat u, vooral na de WODC-affaire, het WODC ver zou moeten houden van politiek gemotiveerd onderzoek?
Het onderzoek vraagt slechts enkele maanden tijd en is mijns inziens noodzakelijk om een geactualiseerd beeld te hebben van de problematiek inzake het niet indienen van een naturalisatieverzoek door ranov-vergunninghouders. Het is op dit moment daarom zinvol om de beschikbare kennis op een rij te zetten en deze, samen met de nieuwe data, door experts te laten duiden. Het WODC is een onafhankelijke instelling. Verzoeken die bij het WODC worden neergelegd komen voort uit een kennisbehoefte die gekoppeld is aan beleidsmatige en politieke vraagstukken.
Hebben medewerkers van het WODC intern bezwaar geuit tegen deze onderzoeksopdracht? Kunt u aangeven wat de inhoud van deze bezwaren was?
Binnen het WODC is gesproken hoe een volgend onderzoek eruit zou kunnen zien. Een herhaling van het onderzoek uit 2015 werd niet wenselijk gevonden, omdat dit naar verwachting geen aanvullende inzichten zou opleveren. Het WODC heeft vervolgens een nieuwe onderzoeksopzet uitgewerkt.
Het artikel 'Afgewezen zorgaanbieders glippen weer binnen via de achterdeur' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Afgewezen zorgaanbieders glippen weer binnen via de achterdeur»?1
Ja.
Hoe komt het dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid zorgcontracten aangaat of verlengt met de stichting OnderDak waarvan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) eerder stelde dat die aanbieder «onvoldoende zicht op de organisatie van de zorg (heeft) waardoor de kwaliteit, continuïteit en veiligheid van zorg onvoldoende is gewaarborgd» en waar de gemeente Arnhem niet meer mee wil samenwerken?
Stichting Onderdak heeft meegedaan aan een aanbestedingsprocedure in 2019 en is toegelaten wegens het voldoen aan de gestelde eisen. DJI was toen op de hoogte van het feit dat Stichting Onderdak begin 2019 een negatief inspectierapport had ontvangen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Bij een vervolgbezoek van de IGJ later datzelfde jaar is gebleken dat de stichting verbeteringen had doorgevoerd en inmiddels voldeed aan de norm. DJI was hiervan bij gunning op de hoogte.
DJI heeft kennis genomen van de ontwikkelingen tussen Stichting Onderdak en de gemeente Arnhem. Het feit dat de gemeente Arnhem (Inkoop Sociaal Domein Centraal-Gelderland) later in 2020 heeft besloten geen nieuwe overeenkomst aan Stichting Onderdak te gunnen, is op zichzelf onvoldoende reden voor DJI om de overeenkomst vroegtijdig te beëindigen. Voor DJI is het van belang dat zorgaanbieders voldoen aan de door DJI gestelde eisen. Daar kan een organisatie nog steeds aan voldoen, ook al beëindigt een andere inkopende organisatie een contract of verlengt deze niet.
Was het Ministerie van Justitie en Veiligheid ervan op de hoogt dat de IGJ eind 2019 weer vertrouwen in Stichting OnderDak uitsprak en dat de gemeente Arnhem na de inschrijving begin 2020 OnderDak weigerde omdat ze niet aan de kwaliteits- en/of rechtmatigheidseisen voldeden? Zo ja, welke actie heeft het ministerie daarop ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld bij het antwoord op vraag 2 was DJI op de hoogte van het door de IGJ uitgesproken vertrouwen in Stichting Onderdak eind 2019. DJI wist ook dat gemeente Arnhem geen nieuw contract met de stichting afsloot in 2020. Voor DJI was dit reden om het contractmanagement te intensiveren, om zekerheid te krijgen over de kwaliteit en rechtmatigheid van de door Stichting Onderdak geleverde zorg. Het intensiveren van het contractmanagement kan onder andere bestaan uit het opvragen van een verbeterplan, monitoring hierop door een periodiek voortgangsrapport van de zorgaanbieder inclusief een gesprek hierover en materiële controle.
Was bekend dat OnderDak zorgkosten bij VGZ declareerde voor niet geleverde zorg? Is er sprake van een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van fraude?
Het was bij DJI niet bekend dat Stichting Onderdak zorgkosten bij VGZ declareerde voor niet geleverde zorg.
Het Openbaar Ministerie doet in het belang van een eventueel strafrechtelijk onderzoek geen uitspraak over de vraag of in een specifiek geval al dan niet een strafrechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd.
Heeft de IGJ na 2019 nog onderzoek naar OnderDak gedaan?
In 2019 hebben de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de WMO toezichthouder GGD-Gelderland-Midden gezamenlijk bezoeken gebracht aan Stichting OnderDak, te weten op 13 en 28 maart 2019 en een hertoetsbezoek op 17 oktober 2019. De twee rapporten hierover zijn gepubliceerd op de website van de IGJ.
Het in vraag 1 van deze Kamervragen aangehaalde citaat is afkomstig uit het eerste rapport: «De toezichthouders concluderen dat er binnen Stichting OnderDak onvoldoende zicht is op de organisatie van de zorg die Stichting OnderDak levert waardoor de kwaliteit, continuïteit en veiligheid van zorg onvoldoende is gewaarborgd.»
Uit het bezoek op 17 oktober blijkt dat er verbeteringen zijn doorgevoerd, de door de toezichthouders geconstateerde tekortkomingen zijn daarmee weggenomen.
Signalen over stichting Onderdak zoals in het artikel van Follow the Money neemt de IGJ mee in haar risicotoezicht. Vooralsnog heeft IGJ geen aanleiding gezien om opnieuw een bezoek te brengen aan stichting Onderdak.
Hoeveel (ex-)delinquenten hebben er sinds 2017 zorg gekregen bij Stichting OnderDak?
In deze periode hebben 135 cliënten met een strafrechtelijke titel bij Stichting Onderdak verbleven.
Deelt u de mening van de voormalige directeur van de Pompekliniek dat bedrijven waar ex-delinquenten worden geplaatst extra goed moet worden gescreend? Zo ja, waarom is dat in het geval van de Stichting OnderDak niet gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat bij het inkopen van forensische zorg goed gekeken moet worden of een inschrijvende zorgaanbieder goede kwaliteit forensische zorg kan leveren en dat dit rechtmatig gebeurt. DJI stelt bij een aanbesteding daarom ook eisen op waar een zorgaanbieder moet voldoen. Ik ben echter ook van mening dat de eisen ten aanzien van kwaliteit om te beginnen aan de voorkant, tijdens een aanbesteding, nog scherper geformuleerd kunnen worden. Ik werk daarom samen met de sector aan een kwaliteitskader forensische zorg en streef ernaar dit in te laten gaan vanaf 1 januari 2022.
In het kwaliteitskader wordt in overeenstemming met de sector beschreven wat goede forensische zorg is. Hiermee worden DJI, zorgaanbieders en professionals handvatten geboden wat onder goede forensische zorg verstaan wordt.
Is het waar dat zorgkantoren, ministeries en gemeenten elkaar niet mogen informeren over hun ervaringen met een zorgbedrijf? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wordt er tussen deze organisaties informatie uitgewisseld over zorgbedrijven?
Iedere organisatie die in Nederland zorg inkoopt is er zelf verantwoordelijk voor dat zij zorg inkoopt bij zorgaanbieders die goede kwaliteit leveren en rechtmatig hun zorg declareren. Daartoe stellen zij eisen op waar zorgaanbieders aan moeten voldoen. Tijdens een inkoopprocedure vraagt de inkopende partij daarvoor ook gegevens op bij de zorgaanbieder zodat getoetst kan worden of de zorgaanbieder aan de gestelde eisen voldoet. Privacyregels zijn in deze context geen belemmering voor het beoordelen of een zorgaanbieder goede kwaliteit levert en rechtmatig declareert.
De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) bieden geen grondslag voor domeinoverstijgende gegevensdeling tussen zorgkantoren (Wlz) en gemeenten. Zonder een dergelijke wettelijke grondslag laat de AVG niet toe dat er persoonsgegevens worden uitgewisseld. Een werkgroep van vertegenwoordigers van zorgkantoren en gemeenten bracht in december 2020 een advies uit met betrekking tot de gegevens die gemeenten en zorgkantoren nodig hebben bij het verdiepend dossieronderzoek naar pgb-fraude en fraude bij zorg in natura. In de 3e voortgangsrapportage rechtmatige zorg (Kamerstuk 28 828, nr. 126) heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangegeven dat de komende maanden wordt bekeken of en hoe het advies van de werkgroep kan worden vertaald door aanpassingen in de wetgeving om hiertoe bilaterale gegevensuitwisseling mogelijk te maken. Deze uitwerking is momenteel gaande.
In het antwoord op vraag 14 ga ik uitgebreid in op het Wetsvoorstel bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg. Met dit wetsvoorstel worden grondslagen gecreëerd voor de uitwisseling van gegevens, waaronder persoonsgegevens, indien dat noodzakelijk is voor de bestrijding van fraude in de zorg.
In hoeverre weten slecht presterende of frauderende zorgbedrijven vanwege privacyregels hun praktijken voor inkooporganisaties te verbergen?
In hoeverre zorgbedrijven hun praktijken weten te verbergen is niet te zeggen. Wel is het zo dat er beperkingen zijn aan het delen van persoonsgegevens, vanwege het recht op privacy. Tegelijkertijd is het voor een effectieve aanpak van fraude in de zorg van belang dat inkooporganisaties de juiste informatie hebben. Een betere uitwisseling van gegevens tussen gemeenten en zorgkantoren ten behoeve van fraudeonderzoek kan hieraan bijdragen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 vindt op dit moment een uitwerking van het advies plaats met betrekking tot die gegevensuitwisseling. Daarnaast kan het Waarschuwingsregister zorgfraude aan een betere informatiepositie bijdragen. Gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars kunnen elkaar waarschuwen voor partijen die fraude plegen in de zorg. In het antwoord op vraag 14 kom ik uitgebreider terug op dit Waarschuwingsregister.
In hoeverre komt het door de versnipperde zorgwetgeving dat inkooporganisaties van zorg niet weten of een zorgaanbieder de benodigde kwaliteit biedt of dat zij niet weten dat een andere inkooporganisatie een zorgaanbieder heeft afgewezen?
Inkooporganisaties stellen bij het inkopen van zorg de benodigde kwaliteitseisen op. Daarnaast houdt de IGJ toezicht op de algemeen geldende kwaliteitseisen voortkomend uit wet- en regelgeving. In veel gevallen maakt de IGJ bevindingen openbaar: https://www.igj.nl/onderwerpen/openbaarmaking. Van deze openbare bevindingen kunnen inkooporganisaties gebruik maken en zorgkantoren doen dit in elk geval ook.
Dat inkooporganisaties van elkaar bepaalde informatie niet hebben, komt doordat er beperkingen zijn aan het delen van persoonsgegevens. De trajecten genoemd in de antwoorden op vragen 8 en 9, kunnen bijdragen aan het verbeteren van de informatiepositie van inkooporganisaties.
Heeft de IGJ wel zicht op alle partijen? Zo ja, wat doet de IGJ met signalen van verzekeraars en gemeenten over zorgaanbieders die frauderen of slechte zorg aanbieden? Staan daarbij regels of praktische problemen in de weg? Zo nee, hoe komt dat?
Wanneer de IGJ ten aanzien van de kwaliteit en veiligheid van zorg gebreken of risico’s constateert, dan kan zij met haar bestaande handhavingsinstrumentarium optreden. Daarnaast is de IGJ één van de ketenpartners van het samenwerkingsverband Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). Via dit knooppunt wisselen de ketenpartners signalen over mogelijke zorgfraude met elkaar uit.
Signalen over zorgfraude van het IKZ worden door IGJ-inspecteurs beoordeeld op de risico’s voor kwaliteit en veiligheid van de geboden zorg. Wanneer de IGJ in haar toezicht op kwaliteit en veiligheid van de zorg het vermoeden heeft dat er bij een zorgaanbieder mogelijk sprake is van declaratiefraude, dan informeert de IGJ via het samenwerkingsverband IKZ de ketenpartners die daarop toezien zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), zorgverzekeraars en/of zorgkantoren en in het geval het Wmo zorg betreft de (toezichthouder van de) betrokken gemeente.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat bedrijven die geen contract meer met een gemeente hebben hun heil zoeken bij de Wet langdurige zorg (Wlz), via een contract of via een pgb? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is voor zorgaanbieders niet zomaar mogelijk om zorg vanuit de Wlz te leveren. Het CIZ is verantwoordelijk voor de indicatiestelling van de Wet langdurige zorg. Aan de hand van de zorginhoudelijke toegangscriteria wordt de zorgbehoefte van de cliënt vastgesteld en daarmee of de cliënt in aanmerking komt voor de Wlz. Het gaat hier om 24-uurszorg en/of toezicht in de nabijheid. Pas wanneer de zorgaanbieder cliënt(en) heeft met een Wlz-indicatie kan er een contract worden afgesloten met een zorgkantoor (zorg in natura) of is zorg via een pgb mogelijk.
In het geval van zorg in natura is het aan het zorgkantoor om te beoordelen of de zorgaanbieder aan de kwaliteitseisen voldoet. Bij een voorkeur voor pgb regelt het zorgkantoor een bewustekeuzegesprek met de cliënt en eventueel zijn of haar gewaarborgde hulp. Pas als, zowel bij zorg in natura als pgb, volgens de zorgkantoren aan de vereisten/waarborgen is voldaan, kan financiering van de zorg plaatsvinden.
Hoe kan het dat zowel Menzis als de IGJ aangeven weinig grip te hebben op het toezicht op de besteding van pgb’s? Wat vindt u hiervan?
Het zorgkantoor of de gemeente beoordeelt vooraf via een bewustekeuze- of keukentafelgesprek of een cliënt in aanmerking komt voor het pgb. Via het kader voor pgb-vaardigheid toetsen zij of een cliënt in staat is om het pgb te beheren. Ook toetst het zorgkantoor of de gemeente het (budget)plan en zorgovereenkomsten en -beschrijvingen van de zorg die de budgethouder wil inkopen. Pas op het moment dat aan alle voorwaarden wordt voldaan, inclusief een controle op de weigeringsgronden, wordt een pgb toegekend.
Het toezicht van IGJ ziet niet op de besteding van de pgb’s. Na toekenning van het pgb is de budgethouder verantwoordelijk voor de besteding van het pgb. Wel hebben zorgkantoren controles ingebouwd. Zo voeren zij risicogestuurd toezicht uit en gaan zij minimaal eens per drie jaar op huisbezoek bij een budgethouder. Daarnaast kunnen zij een onderzoek instellen naar de besteding van een pgb als er signalen zijn dat er sprake is van onjuiste besteding. Gemeenten hebben vergelijkbare mogelijkheden om de uitgaven te controleren. In die gevallen waarin budgethouders hun pgb’s clusteren in een collectieve woonvoorziening is het zicht op bestedingen soms lastiger; er zit een spanning in het gebruik van het individuele pgb-instrument voor collectieve wooninitiatieven. Dit vraagstuk is daarom onderdeel van een onderzoek naar 25 jaar pgb, dat momenteel wordt uitgevoerd.
Zorgkantoren en gemeenten toetsen dus aan de voorkant of iemand in staat is om een pgb te beheren. Met de agenda pgb heb ik ook ingezet op verbetering van de voorlichting en toerusting van (potentiële) budgethouders en hun vertegenwoordigers, om verkeerd of oneigenlijk gebruik van het pgb te voorkomen. De veronderstelling is dat er bij een strenge toets aan de voorkant meer ruimte is na toekenning van het pgb. Daarbij houden de zorgkantoren en gemeenten echter wel een vinger aan de pols bij de besteding van de middelen.
Gaat het wetsvoorstel Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg ervoor zorgen dat de uitwisseling van gegevens over zorgbedrijven wel mogelijk wordt? Zo nee, waarom niet? Is het waar dat uiteindelijk een zorgkantoor of gemeente alsnog zelf kan bepalen of er wel of geen onderzoek wordt gedaan?
Het wetsvoorstel biedt instanties in het zorgdomein grondslagen voor de uitwisseling van gegevens, waaronder persoonsgegevens, indien dat noodzakelijk is voor de bestrijding van fraude in de zorg. Instanties bepalen zelf of, en zo ja welke maatregelen zij treffen of vervolgstappen, zoals nader onderzoek, zij ondernemen. Het wetsvoorstel regelt of verandert de mogelijkheden daartoe niet.
Het wetsvoorstel vormt het kader voor twee afzonderlijke instrumenten voor gegevensuitwisseling ten behoeve van bestrijding van fraude in de zorg:
Met het WR kunnen zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten elkaar onderling (persoons)gegevens verstrekken over rechtspersonen en natuurlijke personen ten aanzien van wie de gerechtvaardigde overtuiging bestaat dat zij fraude in de zorg hebben gepleegd. Zij kunnen elkaar zo waarschuwen voor partijen die fraude plegen in de zorg. Een gewaarschuwde instantie bepaalt zelf of, en zo ja welke beheersmaatregelen vervolgens worden getroffen bij bijvoorbeeld het al dan niet aangaan of het voortzetten van een overeenkomst met een zorgaanbieder.
Via het IKZ kunnen (persoons)gegevens bij elkaar gebracht worden van 9 verschillende instanties in het zorgdomein2 als er sprake is van signalen die aanleiding geven tot een vermoeden van fraude in de zorg. Hierdoor wordt een signaal verrijkt tot een sterker signaal, zodat uiteindelijk een of meer daartoe geëigende instanties in een betere informatiepositie worden gebracht en het verrijkte signaal kunnen gebruiken bij de uitoefening van hun taken. Het is aan die geëigende instantie(s) vervolgens al dan niet nader onderzoek te doen of anderszins gevolg te geven aan een verrijkt signaal.
Het inreisverbod vanuit landen buiten Europa, en dan met name Zuid-Afrika |
|
Wybren van Haga (FVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een inreisverbod geldt voor mensen die van buiten Europa naar Nederland willen reizen?
Ja, dat klopt. Momenteel zijn er verschillende beperkingen van kracht voor personen die van buiten Europa naar Nederland willen reizen; i) het EU-inreisverbod en aanvullend hierop ii) een vliegverbod voor reizigers afkomstig uit India, Zuid-Afrika, de Dominicaanse Republiek, Brazilië, Argentinië, Bolivia, Chili, Colombia, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, Panama, Paraguay, Peru, Suriname, Uruguay en Venezuela.
Op 18 maart 2020 heeft Nederland in navolging van de aanbevelingen van de Europese Commissie het EU-inreisverbod ingesteld voor personen die reizen uit derde landen om verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan. Het gaat om een inreisbeperking voor alle niet essentiële reizen van personen vanuit derde landen naar Europa. Unieburgers en hun gezinsleden alsmede die van derdelanders met een verblijfsvergunning zijn vrijgesteld van het inreisverbod. Het inreisverbod kent verder een aantal uitzonderingscategorieën. Er is daarnaast een EU-veilige landenlijst, waarop de enige landen staan die momenteel niet onder het EU-inreisverbod vallen.
Naast het EU-inreisverbod geldt er voor een aantal landen – waar door de WHO bestempelde Variants of Concern (VOCs) meer voorkomen dan in Nederland – een vliegverbod. Dit is een aanvullende nationale maatregel, bovenop het EU-inreisverbod. Door het vliegverbod zijn de uitzonderingscategorieën van het EU-inreisverbod niet meer van toepassing. Echter kunnen er in bijzondere gevallen voor Nederlanders die naar Nederland willen reizen en Schengenburgers – mits zij aantoonbaar op doorreis zijn – uitzonderingen zijn. Om de import van VOCs te voorkomen heeft het OMT eerder geadviseerd om vliegverboden voor eerdergenoemde landen in te stellen en te handhaven. Een vliegverbod wordt ingesteld door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, op aanwijzing van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Geldt dit inreisverbod in gelijke mate voor alle landen, of is bijvoorbeeld voor Zuid-Afrika een strenger regime in verband met de Zuid-Afrikaanse variant van het coronavirus? Zo ja, waarom is het inreisverbod voor Engeland dan wel opgeheven?
Ja, het EU-inreisverbod geldt -behoudens voor de landen die zijn uitgezonderd1 – in gelijke mate voor alle landen. Het vliegverbod is een aanvullende maatregel en is ingesteld voor landen waar VOCs, waaronder de Zuid-Afrikaanse variant, meer voorkomen dan in Nederland. Deze maatregel is ook voor Zuid-Afrika van kracht.
Het EU-inreisverbod is voor het VK onverminderd van kracht, terwijl het vlieg- en aanmeerverbod voor het VK op 9 maart is opgeheven. Wat betreft het vlieg- en aanmeerverbod heeft het OMT geadviseerd dat door de uitgebreide verspreiding van de Britse variant in Nederland, het vlieg- en aanmeerverbod voor het VK niet langer invloed hebben op de varianten van de epidemie in Nederland, en dat die verboden met ingang van 9 maart 2021 konden worden opgeheven.2 Het kabinet heeft dit advies overgenomen.
Klopt het dat een ontheffing mogelijk is voor langeafstandsgeliefden op het inreisverbod vanuit bijvoorbeeld Zuid-Afrika?
De langeafstandsgeliefden vallen wel onder de uitzonderingscategorieën van het EU-inreisverbod voor Nederland, maar niet onder de uitzonderingen op het vliegverbod.
Klopt het dat geen ontheffing op het inreisverbod mogelijk is voor familiebezoek vanuit bijvoorbeeld Zuid-Afrika? Zo ja, waarom niet? Zo nee, onder welke voorwaarden is familiebezoek vanuit bijvoorbeeld Zuid-Afrika dan wel mogelijk?
Dat klopt. Bepaalde familieleden zijn wel uitgezonderd van het EU-inreisverbod3, maar niet van het vliegverbod. Slechts in bijzondere gevallen kunnen er voor personen met de Nederlandse nationaliteit die naar Nederland willen reizen en Schengenburgers, mits zij aantoonbaar op doorreis zijn, uitzonderingen op het vliegverbod zijn.
Klopt het dat een bewuste keuze is gemaakt voor een strenge interpretatie van III (7) uit de COVID-19 Richtsnoeren betreffende personen die zijn vrijgesteld van de tijdelijke beperking van niet-essentiële reizen naar de EU wat betreft de uitvoering van Aanbeveling (EU) 2020/912 van de Raad van 30 juni 2020 waardoor noodhulp voor een familielid in Nederland uitgesloten is van de opheffing van een inreisverbod voor dringende gezinsredenen?
De implementatie van de aanbeveling is aan de lidstaten. Familieleden van EU-burgers en van derdelanders (met een verblijfsvergunning) mogen inreizen, wanneer zij vallen onder de in dit verband gehanteerde definities van gezinslid. Ook geldt het EU-inreisverbod niet voor EU-burgers, personen met een verblijfsvergunning of visum voor lang verblijf (MVV). Daarnaast zijn er uitzonderingen op het EU-inreisverbod. Zo kan, wanneer familieleden niet onder de gehanteerde definitie van gezinslid vallen, een uitzondering worden gemaakt wanneer sprake is van zwaarwegende omstandigheden voor familiebezoek of humanitaire overwegingen. Hierbij gaat het echt om reizen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld om afscheid te nemen van een terminaal ziek familielid of het bijwonen van een begrafenis. Deze uitzonderingsgronden gelden alleen voor het inreisverbod en niet voor landen waarvoor een vliegverbod geldt.
Kunt u het verschil verklaren tussen de behandeling van langeafstandsgeliefden enerzijds en familiebezoek anderzijds?
Langeafstandsgeliefden en de in antwoord 5 genoemde familieleden, die niet onder gehanteerde definities van gezinslid vallen, zijn beiden uitzonderingscategorieën op het EU-inreisverbod. Voor beide categorieën geldt ook dat zij geen uitzondering vormen op het vliegverbod.
Het bericht ‘Hij heeft me gewoon opgelicht’. |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hij heeft me gewoon opgelicht» over uitbuiting in de Aziatische horeca?1
Ja.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is doorgegaan met het afgeven van vergunningen tijdens de coronacrisis en de sluiting van de horeca, dus toen er geen werk was?
Op grond van de structurele regeling voor de Aziatische horecasector, die mede op verzoek van de Tweede Kamer tot stand is gekomen, kunnen Aziatische restaurants gespecialiseerde koks uit het buitenland halen indien dit nodig is. Een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) wordt door de IND verstrekt indien aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. De coronacrisis heeft niet geleid tot aanpassing van de voorwaarden om van de regeling gebruik te kunnen maken. Eén van de voorwaarden is dat de vacature ten minste drie weken voor het indienen van de aanvraag voor een gvva bij het UWV wordt gemeld. Bij de aanvraag van de gvva moet de werkgever de reden voor het openstellen van de vacature aangeven en verklaren dat de kok nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het is uiteraard niet de bedoeling dat er een beroep op de regeling wordt gedaan zonder dat er sprake is van een arbeidsplaats.
In algemene zin blijkt inderdaad dat corona grote effecten heeft gehad op de horeca. Maar uit onderzoek van UWV (minst kansrijke beroepen2) blijkt wel dat de arbeidsplaatsen voor koks vaker behouden zijn gebleven dan die voor ander horecapersoneel. Dat kan komen doordat een groot aantal restaurants is opengebleven voor bezorging, waardoor koks nog steeds nodig waren in de restaurants. Daarnaast hebben koks vaker een vast contract dan bijvoorbeeld medewerkers in de bediening, waardoor zij minder snel hun werk verliezen.
Hoe kan de situatie ontstaan dat pas in Nederland iemand erachter komt dat er geen werk is?
Ik vind het van groot belang dat arbeidsmigranten bij aankomst in Nederland goed opgevangen worden door hun werkgever. Dat een werkgever een kok naar Nederland haalt en de kok er vervolgens na aankomst achter komt dat er geen werk is, is natuurlijk onacceptabel.
Zoals hierboven aangegeven, moet de werkgever de beschikbaarheid van een arbeidsplaats drie weken voor het doen van de aanvraag melden bij UWV. Bij de aanvraag wordt een door de werkgever ondertekende conceptarbeidsovereenkomst overgelegd. Door de relevante vragen te beantwoorden en de aanvraag te ondertekenen, bevestigt de werkgever dat hij een kok nodig heeft. Mocht door omstandigheden toch blijken dat de kok niet meer nodig is, dan is het aan de werkgever om de aanvraag in te trekken. Indien de vreemdeling reeds in Nederland is, is de werkgever verplicht om door te geven dat er geen gebruik wordt gemaakt van de gvva. In dat geval zal de gvva door de IND worden ingetrokken. Zolang de gvva niet is ingetrokken, is de werkgever gehouden het loon dat op de vergunning staat vermeld te betalen aan de kok, ook als er niet wordt gewerkt.
Klopt het dat er gebruik mag worden gemaakt van een tussenpersoon om een werkvisum aan te vragen?
Ik hecht veel waarde aan de naleving van de Nederlandse arbeidswetten. De werkgever is verplicht zich te houden aan deze wetten en is verantwoordelijk voor de omstandigheden van de vreemdelingen die hij naar Nederland haalt. Dit is niet anders als de werving en selectie of de aanvraag namens hem door een tussenpersoon is gedaan.
Er zijn geen regels die verbieden dat een tussenpersoon wordt ingeschakeld voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod of voor het, namens de werkgever en de vreemdeling, indienen van een aanvraag. Het is echter de werkgever, al dan niet via een gemachtigde, die een aanvraag voor een gvva bij de IND indient en ondertekent. Bij de aanvraag moet de conceptarbeidsovereenkomst worden overgelegd die is ondertekend door de werkgever. Een gvva wordt geweigerd indien in de conceptarbeidsovereenkomst afspraken zijn gemaakt die in strijd zijn met de Nederlandse arbeidswetten. Op de wijze van werving in het land van herkomst heeft de Nederlandse overheid helaas weinig zicht.
Klopt het dat de werkgever wel altijd degene is die de vergunning moet ondertekenen en degene is die het contract afsluit?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de werkgever dus uiteindelijk altijd verantwoordelijk is voor de omstandigheden van iemand die naar Nederland is gekomen? Klopt het dat een tussenpersoon daar geen rol in heeft, zoals in het artikel wordt beschreven?
Zie antwoord vraag 4.
Gelden er normen voor deze tussenpersonen, zoals bijvoorbeeld een maximumprijs die voor deze bemiddeling gevraagd mag worden?
In de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) is inderdaad bepaald dat een uitzendbureau geen tegenprestatie mag bedingen van de arbeidskracht. Onder het bereik van dezelfde wet valt ook de dienstverlening waarbij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt beoogd. In de Waadi wordt dit omschreven als arbeidsbemiddeling. Voor zover er sprake is van arbeidsbemiddeling mag de arbeidsbemiddelaar op grond van de Waadi geen tegenprestatie bedingen van de werkzoekende voor de verleende arbeidsbemiddeling (artikel 3 Waadi). Indien de Waadi van toepassing is geldt derhalve dat enkel met de werkgever een tegenprestatie bedongen kan worden voor de verleende arbeidsbemiddeling. Hiervoor geldt geen maximumprijs.
De Waadi is niet van toepassing buiten Nederland. Indien een Nederlandse werkgever een tussenpersoon buiten Nederland een opdracht geeft die onder arbeidsbemiddeling zoals gedefinieerd in de Waadi valt, is de werkgever gehouden aan de regels op grond van de Waadi. Aangezien niet alle benodigde feiten en omstandigheden bekend zijn om te kunnen beoordelen of en zo ja, wat er tussen de Nederlandse werkgever en de tussenpersoon respectievelijk werkende afgesproken wordt en de dienstverlening in Azië plaatsvindt, kan niet beoordeeld worden of het verbod op tegenprestatie uit de Waadi van toepassing is.
Is het net zoals bij een uitzendbureau dat de vergoeding voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van arbeid (als de tussenpersonen dat al doen) doorgerekend zouden moeten worden aan de werkgever?
Zie antwoord vraag 7.
Als dat nog niet het geval is, zou dat een oplossing kunnen bieden om situaties waarbij iemand al met een grote schuld begint, te voorkomen?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de uitbreiding voor de gecombineerde vergunningen verblijf en arbeid (GVVA) voor Aziatische koks alleen geldt vanaf niveau 4?
De regeling is bedoeld voor noodzakelijke gekwalificeerde koks op het functieniveau 4 (specialiteiten kok), 5 (souschef) en 6 (chef-kok) in specialistische restaurants waar overwegend land-specifiek Aziatisch voedsel wordt bereid uit één of meer van de volgende keukens: Chinees, Indiaas, Indonesisch, Japans, Koreaans, Maleis, Thais, Tibetaans en Vietnamees. In de aanvraag moet worden onderbouwd waarom een kok op dit niveau noodzakelijk is.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of de werkzaamheden ook op dat niveau zijn? Geldt hierbij ook een minimuminkomensgrens?
Wanneer de Inspectie SZW bij de werkgever een controle uitvoert op naleving van de arbeidswetten, wordt onder meer gekeken of gewerkt wordt in overeenstemming met de voorwaarden waaronder de gvva is verstrekt.
Bij de aanvraag moet door de werkgever worden onderbouwd dat de vreemdeling over de benodigde kwalificaties beschikt en moet hij verklaren dat hij een kok nodig heeft op niveau 4, 5 of 6. Om dit aan te tonen kan naast gewaarmerkte diploma’s ook een certificaat worden overgelegd waarmee de kwalificaties worden aangetoond. Uit het certificaat moet blijken dat de kok de taken zoals beschreven binnen de functie beheerst. Ook moet de werkgever bij de aanvraag verklaren dat hij heeft geverifieerd dat de kok over de benodigde kwalificaties beschikt. Indien er wordt getwijfeld aan de waarde van het diploma of certificaat kan het UWV de werkgever verzoeken te laten verifiëren wat de waarde is van het document en dat het gaat om een gekwalificeerde kok. De werkgever is verplicht een marktconform loon te betalen voor de koks. Daarnaast wordt de gvva alleen verleend als de werkgever heeft ingestemd met de voorschriften waaronder het betalen van het cao-loon inclusief de (half)jaarlijkse verhogingen.
Hoe kan het dat er vergunningen worden afgegeven voor vacatures waarbij de omschrijving is «Sobere leefwijze, kan ontberingen verdragen en hard werken» of «Goed uithoudingsvermogen», «werk van vijftig uur per week, vier vrije dagen per maand, dertienhonderd euro per maand»?
Ik realiseer mij de ernst van de beelden die dergelijke vacatureteksten schetsen. Iedereen in Nederland heeft recht op eerlijk, gezond en veilig werk en het is ontoelaatbaar dat arbeidsmigranten, vanwege hun kwetsbare positie, worden uitgebuit of anderszins worden benadeeld door hun werkgever. De werkgever dient zich te houden aan de wet- en regelgeving die geldt in Nederland.
De vacatureteksten waar in de artikelen op wordt gewezen zien op werving in het land van herkomst. Op de wijze van werving in het land van herkomst is helaas weinig zicht door de Nederlandse overheid. Wel is er zicht op de vacature zoals die in Nederland bij het UWV wordt gemeld. Bij de vacaturemelding bij UWV worden standaardvragen gesteld o.a. over de arbeidsvoorwaarden en het loon. Indien de vacaturemelding daar aanleiding voor geeft, wordt de werkgever erop gewezen dat deze niet in overeenstemming zijn met de geldende wet- en regelgeving. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een gvva wordt door UWV vervolgens zorgvuldig gekeken naar de concept-arbeidsovereenkomst die is afgesloten met de werkgever in Nederland. Indien de arbeidsovereenkomst voorwaarden vermeldt die in strijd zijn met de arbeidswetten, zoals de Arbeidstijdenwet, Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag of de Arbeidsomstandighedenwet, en het geldende cao-loon is dit een grond om de aanvraag te weigeren. Met een vacature en/of arbeidsovereenkomst waarin omschrijvingen staan zoals in uw vraag aangehaald, zal een vergunning niet verleend worden.
De Inspectie SZW houdt toezicht op naleving van de arbeidswetten door de werkgever in Nederland en beoordeelt bij een controle of de feiten en omstandigheden in overeenstemming zijn met wet- en regelgeving. In geval van overtreding worden er (bestuursrechtelijke) sancties opgelegd. Signalen van arbeidsuitbuiting worden bovendien beoordeeld door de directie Opsporing van de Inspectie SZW, waarna een strafrechtelijk onderzoek onder gezag van het Openbaar Ministerie kan volgen.
Hoe kan de situatie ontstaan dat het restaurant gesloten is, er wel noodsteun wordt ontvangen, een arbeidsmigrant lange uren moet maken en onder minimumloon verdient?
Ik hecht er veel waarde aan te benadrukken werkgevers zich te allen tijde, dus ook in tijden van de coronacrisis, dienen te houden aan geldende wet- en regelgeving. De Arbeidsomstandighedenwet, Arbeidstijdenwet, Wet arbeid vreemdelingen en Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag stellen duidelijke regels.
Het kabinet acht het van belang dat bedrijven, indien nodig, een beroep kunnen doen op een tegemoetkoming in de loonkosten om het structurele omzetverlies in tijden van coronacrisis tegen te gaan. Dit geldt ook voor de horeca die vele tegenslagen heeft moeten verduren in het afgelopen jaar. Het doel van de NOW is het behoud van werkgelegenheid. Indien er een ernstig vermoeden is van misbruik en oneigenlijk gebruik van de NOW heeft UWV de mogelijkheid om een aanvraag NOW te weigeren, de voorschotbetaling op te schorten, het voorschot (gedeeltelijk) terug te vorderen, de subsidievaststelling in te trekken of te wijzigen.
Werkgevers zijn verantwoordelijk voor goede, eerlijke, gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, conform wet- en regelgeving. Signalen van overtreding van de arbeidswetten of (vermoedens van) arbeidsuitbuiting kunnen zowel telefonisch als via de website, ook anoniem, worden gemeld aan de Inspectie SZW. Voor arbeidsmigranten uit derdelanden geldt dat de werkgever gehouden is het loon te betalen zoals dat vermeld staat op de gvva. Wanneer de Inspectie SZW constateert dat niet aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan, kan de werkgever worden beboet voor een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.
Verder is in de regeling opgenomen dat de sector zelf dient bij te dragen aan het verbeteren van het imago van de sector. Zo is opgenomen dat de sector onder meer moet inzetten op verbetering van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, waardoor de sector aantrekkelijk wordt voor werkzoekenden, zittende werknemers, stagiairs en leerlingen aan MBO-opleidingen tot Aziatische kok. Zo wordt de sector aantrekkelijker om in te stromen dan wel door te stromen, en wordt de uitstroom van personeel beperkt. Ook in dit licht zijn de signalen van misstanden die naar voren komen in het onderzoek van Investico erg zorgwekkend. Hierover zal ik dan ook in gesprek gaan met de sectorvertegenwoordigers.
Wat zijn de mogelijkheden om het gedwongen terugbetalen van (een deel van) het loon aan te pakken?
Allereerst besef ik dat de desbetreffende koks die naar Nederland komen in een kwetsbare positie kunnen verkeren en vaak niet weten wat hun rechten zijn. Werkgevers zijn verantwoordelijk om arbeidsmigranten bij aankomst in Nederland goed op te vangen en dienen zich te houden aan de arbeidswetgeving. Op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is het in beginsel niet toegestaan om bedragen in te houden op of te verrekenen met het minimumloon van een werknemer. Voor kosten voor gecertificeerde huisvesting en een zorgverzekering geldt onder voorwaarden een uitzondering op dat verbod. Daarnaast moet het wettelijk minimumloon waar een werknemer recht op heeft giraal worden betaald. Het doel van deze verplichtingen is te waarborgen dat werknemers de vrije beschikking hebben over het voor de betreffende werknemer geldende wettelijk minimumloon. Als de Inspectie SZW constateert dat een werkgever de WML overtreedt, legt zij sancties op. Als er bijvoorbeeld wordt vastgesteld dat hierdoor sprake is van onderbetaling aan de werknemer, dan bestaat voor de werkgever een nabetalingsverplichting. Indien de werkgever daar geen gehoor aan geeft kan hem een last onder dwangsom worden opgelegd.
Als iemand gedwongen wordt om een deel van zijn geld af te staan, dan kan er sprake zijn van afpersing of diefstal, wat strafbare feiten zijn waarvoor een strafrechtelijk traject kan worden ingezet. Bovendien kan gedwongen (terug)betaling ook een mogelijk signaal zijn van arbeidsuitbuiting, wat eveneens strafrechtelijk kan worden onderzocht. Mocht een van beide leiden tot vervolging dan kan de werknemer vergoeding van de geleden schade vorderen in de strafrechtelijke procedure.
Klopt het dat een werkgever niet anderhalve maand loon in mag houden als borg of een boetebeding kan opnemen om iemand te dwingen de contractperiode vol te maken?
De vraag of een werknemer een contractperiode moet volmaken of deze tussentijds kan opzeggen, hangt af van de afspraken die de werkgever en werknemer daarover maken. Voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geldt dat deze in principe niet tussentijds kan worden opgezegd door de werkgever of door de werknemer. Dat is alleen anders wanneer de mogelijkheid om tussentijds op te zeggen voor zowel de werkgever als de werknemer schriftelijk in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Is dat zo, dan kan de werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds opzeggen conform de geldende opzegbepalingen. Is de opzegmogelijkheid niet bedongen, dan zijn de werkgever en werknemer beiden volgens de hoofdregel gebonden aan de volledige contractduur. Wanneer de werknemer in dat geval toch tussentijds de arbeidsovereenkomst opzegt, is de werknemer een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd aan de werkgever. Deze schadevergoeding is veelal gelijk aan het loon over de resterende duur van de arbeidsovereenkomst. Deze vergoeding kan eventueel gematigd worden door de kantonrechter.
Het is de werkgever niet toegestaan om, alvast vooruitlopend op de mogelijk voortijdige opzegging van de werknemer, een financiële zekerheid te eisen door een borg in te houden op het loon. Dat geldt zeker niet als dat zou betekenen dat de werknemer gedurende anderhalve maand minder dan het minimumloon of in zijn geheel geen loon zou ontvangen. Bedingen die de werkgever het recht geven bepaalde bedragen in te houden op het loon zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek nietig, al geeft de wet hierop limitatief enkele uitzonderingen. Een borg die dient ter volmaking van het contract, valt daar echter niet onder. Als de werkgever een boete wil opleggen aan de werknemer die de arbeidsovereenkomst tussentijds opzegt, dan moet die mogelijkheid schriftelijk in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen. Of een dergelijk boetebeding rechtsgeldig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en zal door de rechter moeten worden beoordeeld. Daarbij speelt onder meer een rol of het beding voldoet aan de formele wettelijke eisen. De wet bepaalt bovendien dat de werkgever niet voor hetzelfde feit een boete kan opleggen en daarnaast ook nog een schadevergoeding kan eisen.
Bent u bereid met de brancheorganisatie voor Aziatische horeca, Vereniging Chinese-Aziatische Horeca Ondernemers (VCHO), in gesprek te gaan om te komen tot een sterkere invulling van de afspraak in het convenant om misbruikt en uitbuiting aan te pakken?
De signalen uit het onderzoek van Investico inzake misbruik van de toelatingsregeling voor Aziatische koks zijn erg zorgwekkend. Daarnaast signaleren de Nederlandse vertegenwoordigingen in China, die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf, en de Immigration Liaison Officers van de IND in China dat in bepaalde zaken aanvragers grote sommen geld hebben betaald aan tussenpersonen. De berichtgeving van Investico dat in vacatureteksten ten behoeve van dit verblijfsdoel arbeidsomstandigheden worden omschreven die niet zijn toegestaan binnen de Nederlandse arbeidswetten is door de Nederlandse vertegenwoordiging in China gecontroleerd. Zij bevestigen dat dergelijke vacatureteksten op een Chinese website zijn gevonden. Verder zijn er signalen van de Nederlandse vertegenwoordigingen in China dat de koks die naar Nederland komen niet altijd gekwalificeerd zijn doordat er gebruik wordt gemaakt van valse, vervalste of ten onrechte afgegeven koksboekjes. Bovenstaande signalen zouden indicaties kunnen zijn van mensenhandel. Wanneer er dergelijke signalen naar voren komen zijn er door de Nederlandse vertegenwoordigingen in China verzoeken tot heroverweging ingediend bij de IND. In de gevallen waarin deze signalen hard konden worden gemaakt, zijn de gvva’s ingetrokken.
Hoewel niet vast staat dat deze signalen duiden op feitelijk grootschalig misbruik van de regeling, zijn de signalen dermate ernstig dat het kabinet, zoals aangekondigd in mijn brief van heden aan de Kamer, het voornemen heeft om de regeling voor de Aziatische horeca te laten vervallen voor koks met een nationaliteit van buiten de Europese Unie bij een eerste aanvraag. De voorgenomen wijziging zal inhouden dat het, terwijl wordt onderzocht of de regeling in aangescherpte vorm kan herleven of definitief komt te vervallen, niet meer mogelijk is voor koks die niet reeds op grond van deze regeling rechtmatig in Nederland verblijven, om een geslaagd beroep te doen op de regeling. In het kader van dit onderzoek zal ook gesproken worden met de sectorvertegenwoordigers.
Ontmijningsprojecten in Nagorno-Karabach |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van het gevaar voor de burgerbevolking van achtergebleven explosieve oorlogsresten zoals granaten, raketten en clustermunitie, na het recente conflict in Nagorno-Karabach?1
Ik ben bekend met het feit dat een groot aantal explosieve oorlogsresten is achtergebleven als gevolg van de oorlog in en rond Nagorno-Karabach, en met het gevaar dat deze oorlogsresten vormen voor de bevolking ter plaatse. De exacte omvang hiervan is echter moeilijk vast te stellen; er is op dit moment vrijwel geen toegang tot delen van het gebied voor internationale organisaties, m.u.v. het Internationale Comité van het Rode Kruis.
Bent u bereid om middelen uit het Contingency Fund van het Mine Action and Cluster Munitions Programme 2020–2024 in te zetten om deze explosieve oorlogsresten in Nagorno-Karabach zo spoedig mogelijk op te helpen ruimen? Zo nee, waarom niet?
Alhoewel ik onderschrijf dat de explosieve oorlogsresten zo snel mogelijk moeten worden geruimd, zijn de omstandigheden ter plaatse er op dit moment niet naar om dit project van de HALO Trust financieel te steunen. De situatie in Nagorno-Karabach is zeer sterk gepolitiseerd. Zelfs VN-organisaties als UNDP, UNHCR, UNESCO en UNICEF krijgen op dit moment nog geen toegang tot het betreffende gebied omdat er geen overeenstemming is tussen de betrokken partijen over bijvoorbeeld de wijze van inreizen. Bijdragen aan dit project zou kunnen leiden tot verdere polarisering en politisering.
Nederland hoopt in de toekomst te kunnen bijdragen aan humanitaire ontmijning van dit gebied, maar daarvoor moet aan bepaalde randvoorwaarden worden voldaan. Dit betreft o.a. toegang tot het gebied, hetgeen op dit moment niet wordt geboden. Nederland steunt de covoorzitters van de Minsk Groep, en anderen, die proberen te bemiddelen teneinde voortgang te maken op deze en andere belangrijke punten. Met bovenstaande benadering sluit Nederland aan bij het beleid van de EU.
Zowel Armenië als Azerbeidzjan wensen assistentie bij ontmijning. Nederland onderzoekt samen met internationale partners de mogelijkheden voor een bijdrage aan een eventueel regionaal fonds voor ontmijning bijvoorbeeld onder auspiciën van de United Nations Mine Action Service (UNMAS) en het United Nations Development Programme (UNDP). Een dergelijk fonds zou, zodra de omstandigheden het toelaten, een goed (financieel) instrument kunnen zijn voor de ontmijning in het hele gebied dat werd getroffen door het conflict.
Wat is precies de reden dat u een aanvraag voor een subsidie voor ontmijningsactiviteiten in dit gebied door de HALO Trust hebt afgewezen, terwijl u deze organisatie wel ondersteunt bij hun werk in andere gevaarlijke gebieden zoals Somalië, Oekraïne en Afghanistan? Om welke redenen sluit het werk van de HALO Trust in dit gebied niet aan bij uw buitenlands beleid?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen zou het volgens u hebben als Nederland besluit de HALO Trust wel subsidie te verstrekken voor ontmijningsactiviteiten in Nagorno-Karabach?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is de reden geweest om in 2009 te stoppen met de steun aan de ontmijningsactiviteiten van de HALO Trust in Nagorno-Karabach? Wat is er toen veranderd in de situatie op grond waarvan deze beslissing toen genomen is?
Nederland heeft in 2007 nieuwe prioriteiten voor de inzet van het Stabiliteitsfonds gesteld, waarbij Nagorno-Karabach niet als prioriteitsgebied werd aangemerkt. Als gevolg van die keuze is besloten de financiering af te bouwen. Ook werd destijds opgemerkt dat de situatie sterk was gepolitiseerd wegens het voortdurende conflict tussen Azerbeidzjan en Armenië over dit gebied. Belangrijke reden dat Nagorno-Karabach niet langer als prioriteitsgebied werd aangemerkt, was gelegen in het feit dat Azerbeidzjan en Armenië geen partij zijn bij het Verdrag van Ottawa dat het bezit, gebruik en de productie van anti-personeelslandmijnen verbiedt. Dit betekent dat niet kan worden uitgesloten dat in al ontmijnde gebieden opnieuw mijnen worden gelegd.
Als voorzitter van het Verdrag van Ottawa roept Nederland deze landen op om alsnog partij te worden bij het Verdrag van Ottawa. Dit biedt aanvullende mogelijkheden voor ondersteuning bij het ontmijnen alsook steun bij het vernietigen van voorraden anti-personeelslandmijnen.
Bent u op de hoogte van het feit dat Noorwegen wel subsidie verleent aan de HALO Trust voor de ontmijningsactiviteiten in Nagorno-Karabach? Bent u op de hoogte van de redenen voor deze verschillende afweging die Nederland en Noorwegen kennelijk gemaakt hebben? Zo nee, bent u bereid om bij uw Noorse collega navraag te doen naar hun redenen om die steun wel te blijven verlenen?
Ja, het is mij bekend dat Noorwegen HALO financieel steunt in Nagorno-Karabach. Ik ben niet op de hoogte van de afwegingen die Noorwegen heeft gemaakt; derde landen worden daar doorgaans niet van op de hoogte gebracht. Landen maken eigenstandige afwegingen, zo ook Nederland.
Wat is de reden dat er door de Verenigde Naties wel steun gegeven kan worden aan de ontmijningsactiviteiten in Azerbeidzjan?2
UNDP heeft al vele jaren, samen met UNMAS, een relatie met ANAMA, de Azerbeidzjaanse ontmijningsautoriteit. Er is een lopend project van 2017 tot 2023. Als onderdeel van de VN-brede respons op recente conflict is nieuw geld beschikbaar gesteld om de bestaande activiteiten op te schalen. Voor de bredere inzet verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 t/m 4.
De vrijwilligheid bij de brandweer die onder druk staat |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de kritiek van de voorzitter van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV), dat hij, na aanvankelijk niet eens uitgenodigd te zijn, niet meer bij het voorstel voor besluitvorming werd betrokken door de denktank die gaat over de zogenaamde taakdifferentiatie? Zo nee, waarom niet?1
Het was aan de Denktank om een analyse te maken, niet om een voorstel voor besluitvorming aan te dragen. De voorzitter van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) heeft deelgenomen aan de laatste bijeenkomst van de denktank voorafgaand aan het overleg van het Veiligheidsberaad (VB) en mij op 22 februari jl. Op basis van de laatste denktankbijeenkomst heeft de portefeuillehouder Brandweer van het VB een voorstel voor de vervolgslag voorgelegd aan het VB en mij.
Kunt u nog eens reflecteren op de vraag waarom de VBV niet is uitgenodigd terwijl de plannen de brandweervrijwilligers zeer zullen raken?
In eerste instantie is er voor gekozen om in de gezamenlijkheid van de 25 werkgevers – de besturen van veiligheidsregio’s en de Brandweerkamer en met mij als stelselverantwoordelijke – vanuit werkgeversoptiek naar dit vraagstuk te kijken. Vervolgens is gesproken met de diverse vakorganisaties en is de voorzitter VBV toegetreden tot de inmiddels ingestelde denktank taakdifferentiatie.
Klopt het dat voor álle vrijwillige brandweerposten iets gaat veranderen door deze eventuele nieuwe regels, maar dat dit slechts in een voetnoot vermeld wordt in het rapport? Vindt u dit een eerlijke manier van informatievoorziening?2
Er is geen sprake van nieuwe regelgeving. Het gaat om bestaande Europese en internationale wet- en regelgeving die ook door de veiligheidsregio’s als werkgevers van het brandweerpersoneel moet worden nageleefd.
De kern van de opdracht is om in lijn met die regelgeving te komen tot een nadrukkelijk en fundamenteel onderscheid tussen vrijwilligers enerzijds en beroepskrachten anderzijds bij de brandweer.3 Het rapport bevat onder meer een indicatie van de personele consequenties van de onderdelen van de denkrichting die als startpunt zijn genomen. Welke onderdelen van die denkrichting uiteindelijk gekozen worden en in welke uitvoering moet nader worden bezien. Wat de uiteindelijke verandering betekent kan dan ook nu nog niet worden bepaald. Het rapport geeft duidelijk de indicaties aan voor de onderdelen van de specifieke analyse.
Kunt u reflecteren op de argumenten van twee rechtsgeleerden die bepleiten dat de Europese regels geen afbreuk hoeven doen aan de vrijwilligheid van onze brandweer, en dat als dat wel zo is het Europees recht aangepast moet worden en niet onze regels met betrekking tot de brandweer?3
Er is geen twijfel over dat er op dit moment door de veiligheidsregio’s wordt gewerkt in strijd met Europese en internationale wet- en regelgeving. In het licht van de bescherming van de rechten van werknemers acht ik het van het grootste belang dat deze regelgeving wordt nageleefd en gerespecteerd.
Ik vind het ook niet passend om te tornen aan de rechtsbescherming van werknemers.
Op het gebied van de gekazerneerde en geconsigneerde vrijwilligers is de schending van Europese en internationale wet- en regelgeving het meest manifest. Voor die groep geldt dat zij aangemerkt moet worden als deeltijdwerkers in de zin van de Deeltijdrichtlijn. Er kan daarom niet worden gewerkt met gekazerneerde en geconsigneerde vrijwilligers; de betreffende taken moeten door de veiligheidsregio’s worden uitgevoerd door beroeps of anders worden ingericht.
Een vrije instroomvrijwilliger blijft ook in de toekomst vrijwilliger. Alleen het takenpakket van deze vrijwilliger verandert door taakdifferentiatie. Welke verandering dat precies is, is nu nog niet aan te geven. Het is afhankelijk van enerzijds de huidige taken en anderzijds het nog te bepalen onderscheid aan taken tussen de vrijwilligers en de beroeps.
De twee rechtsgeleerden stellen in het artikel dat de oplossing ligt in «de erkenning dat de niet-toepassing van bepaalde EU-regels voor werknemers inherent is aan de aard van het vrijwilligerschap, dit in lijn met arresten als Wouters en Deliège». De argumenten voor deze redenering van de rechtsgeleerden zijn mij niet bekend, daarom kan ik er hier niet op in gaan.
Wel kan ik melden dat uit deze arresten5, kortgezegd, volgt dat als bepaalde entiteiten een niet-economische activiteit verrichten, zij hierdoor niet onder het vrij verkeer (o.a. van diensten) en het mededingingsrecht vallen. Uit de arresten kan echter niet worden afgeleid dat werknemers niet vallen onder de bescherming die hen wordt geboden op grond van Europese richtlijnen (zoals de Arbeidstijdenrichtlijn (2003/88/EG) en de Deeltijdrichtlijn (97/81/EG)). Deze bescherming voor werknemers geldt ongeacht wie hun werkgever is.
Het antwoord op de vraag of een brandweermens werknemer is, hangt af van de vraag of iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning. Is daar sprake van, dan wordt een persoon gezien als werknemer, ongeacht de benaming die betrokken partijen daarvoor gebruiken. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het arrest Nijvel6 waarin is bepaald dat het feit dat de brandweervrijwilliger naar nationaal recht niet de hoedanigheid heeft van beroepsbrandweerman maar van vrijwilliger, niet relevant is voor zijn kwalificatie als werknemer in de zin van de Arbeidstijdenrichtlijn.
Deelt u de mening dat we moeten waken voor eerste- en tweederangs brandweerpersoneel en dat dit risico groot is door de taakdifferentiatie? Zo nee, waarom niet?
Het is onjuist en stigmatiserend om een dergelijk onderscheid te maken tussen beroepsbrandweermensen en vrijwilligers. Zowel vrijwilligers als beroeps hebben een volwaardig takenpakket. Zo worden bijvoorbeeld de in de eerder aan uw Kamer toegezonden notitie «Inzicht in consequenties denkrichting» door beide groepen alle repressieve basis brandweertaken uitgevoerd.7
Deelt u de mening dat wanneer er getornd wordt aan het vrijwilligersschap, het risico op een nog grotere leegloop van de brandweer reëel is en dat een gevaar oplevert, zeker nu er al een tekort aan brandweervrijwilligers is? Zo nee, waarom niet?
Het is op dit moment nog niet bekend hoe de veiligheidsregio’s invulling geven aan hun verantwoordelijkheid om te werken in lijn met de vigerende wet- en regelgeving, en daarmee ook nog niet wat de gevolgen zijn voor het personeelsbestand van de brandweer.
Kunt u het vervolgtraject uiteenzetten en garanderen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet zonder dat de Kamer zich hierover uitspreekt? Zo nee, waarom niet?
Nee, over de exacte invulling van het vervolgtraject vindt nog besluitvorming door de veiligheidsregio’s plaats. Ik zal uw Kamer hierover op een later moment informeren. Ik merk overigens op dat het de beleidsvrijheid van de veiligheidsregio’s betreft om binnen de vigerende wet- en regelgeving de inrichting van hun organisatie te bepalen.
Het artikel 'Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten' |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten»?1
Ja.
Kunt u een verdere toelichting geven hoe deze fout met de beslagvrije voet heeft kunnen plaatsvinden?
Voor de berekening van de beslagvrije voet wordt onder andere gebruik gemaakt van gegevens uit de Polisadministratie van het UWV. Er is gebleken dat ruim 200 gemeenten de vakantietoeslag van bijstandsgerechtigden niet maandelijks maar in een ander ritme, doorgaans jaarlijks, doorgeven aan de Polisadministratie. Binnen de systematiek van de loonaangifteketen is dit toegestaan. Daarom benadruk ik dat er geen sprake is van een fout van de betreffende gemeenten. De rekenmodules waarmee de beslagvrije voet wordt berekend, gaan ervanuit dat inkomensverstrekkers de vakantietoeslag maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. De beslagvrije voet bedraagt bij inkomens rond het bijstandsniveau 95% van het inkomen inclusief vakantietoeslag. Wanneer de vakantietoeslag niet elke maand aan de Polisadministratie wordt doorgegeven, komt uit de rekenmodules voor de beslagvrije voet een te lage beslagvrije voet (95% van het inkomen exclusief vakantiegeld).
Kunt u een overzicht geven bij welke gemeenten dit is misgegaan? Kunt u daarbij ook aangeven welke maatregelen deze gemeenten gaan nemen om het teveel geinde geld terug te geven? Op welke termijn gaat dat gebeuren?
Er is geen sprake van een fout van gemeenten. Zij mogen de vakantietoeslag maandelijks dan wel in een ander ritme doorgeven aan de Polisadministratie. In de bijlage2 is een lijst opgenomen met alle gemeenten, waarbij is aangegeven of zij de vakantietoeslag maandelijks of in een ander ritme doorgeven.
Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Gerechtsdeurwaarders zorgen op hun beurt voor een herberekening (met terugwerkende kracht) van de beslagvrije voet op basis van de juiste inkomensgegevens. De Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft alle gerechtsdeurwaarders verzocht om de te veel ingehouden inkomsten door te storten naar de mensen zelf bij wie te veel inkomsten zijn ingehouden. Als de gerechtsdeurwaarder geen rekeningnummer heeft van de betrokkene, zal de gerechtsdeurwaarder het geld terugstorten naar de gemeente die dit op haar beurt direct doorstort naar de betreffende inwoner. Dit kan zolang dit geld nog op de derdengeldrekening van de gerechtsdeurwaarder staat. Wanneer de gerechtsdeurwaarder het ingehouden bedrag al heeft doorgestort naar de schuldeiser, moet een oplossing op maat worden gezocht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een schuldeiser die het te veel ingehouden bedrag zelf terugstort aan de schuldenaar of dat er afspraken worden gemaakt zodat er de navolgende maanden minder op het inkomen wordt ingehouden.
Klopt het dat dit probleem met de beslagvrije voet mogelijk groter is en dat dit mogelijk ook bij UWV en werkgevers speelt? Bent u bereid om het, in het artikel door u aangekondigde, onderzoek met de Kamer te delen? Gaat u in dit onderzoek ook in op de zorg dat het probleem mogelijk ook speelt bij mensen van wie wel de goede vakantietoeslag is doorgegeven maar die bijvoorbeeld tijdelijk zijn gekort op hun bijstandsuitkering?
Het ketenbureau van het Ministerie van SZW bekijkt op dit moment welke inkomensverstrekkers de vakantietoeslag anders dan maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. Deze informatie wordt gebruikt bij het vinden van een structurele oplossing teneinde gelijksoortige problemen te voorkomen in de toekomst. Bij het uitwerken van deze structurele oplossing worden mogelijke verkeerde berekeningen na een tijdelijke korting op de uitkering ook meegenomen.
Bent u van mening dat een dergelijke fout bij mensen in de schulden er toe leidt dat mensen gewoonweg geen geld meer hebben voor de huur of boodschappen en daarbovenop er een risico kan ontstaan op extra schulden of wellicht zelfs huisuitzettingen?
Een te lage beslagvrije voet kan inderdaad ongewenste gevolgen hebben. Daarom werken het ketenbureau en de ketenpartijen nauw samen om de processen en systemen continu te monitoren en optimaliseren. Er is direct actie ondernomen toen bekend werd dat de beslagvrije voet te laag werd vastgesteld. Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Gerechtsdeurwaarders zorgen op hun beurt voor een herberekening (met terugwerkende kracht) van de beslagvrije voet op basis van de juiste inkomensgegevens.
Bent u daarom van mening dat dit zo spoedig mogelijk dient te worden opgelost, om zodoende te voorkomen dat mensen in de schulden nog verder in de problemen worden geholpen door fouten van de overheid?
Zie antwoord vraag 5.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om er voor te zorgen dat deze mensen gecompenseerd en geholpen worden?
Er is met de KBvG afgesproken dat de gerechtsdeurwaarders alle beslagen die in de periode 1 januari–31 maart jl. zijn gelegd controleren. In die gevallen waarin de beslagvrije voet te laag is vastgesteld wordt deze direct aangepast. Mensen die dit betreft worden snel geholpen. Het ketenbureau heeft daartoe samen met de KBvG en VNG een werkinstructie opgesteld voor gemeenten en gerechtsdeurwaarders.
Bent u tevens van mening dat de houding, zoals geschetst in het artikel, van de deurwaarders kwalijk is? Vindt u daarom ook dat zij verantwoordelijk zijn en daarom alles op alles dienen te zetten om de door hun teveel geinde bedragen terug te geven aan de mensen waarbij teveel geld is geïnd?
Ik vind dat iedereen de beslagvrije voet moet krijgen waar hij of zij recht op heeft. Om de beslagvrije voet goed te kunnen berekenen is een rekenmodule ontwikkeld waarmee alle gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet op dezelfde manier kunnen berekenen, conform de regels die hiervoor in de wet zijn opgenomen. Zoals ik bij het antwoord op vraag 2 heb uiteengezet, berekent de rekenmodule de beslagvrije voet onder meer op basis van gegevens uit de Polisadministratie. Gerechtsdeurwaarders gebruiken de rekenmodule. Net zoals dat er in dit geval geen sprake is geweest van een fout van gemeenten, is er ook geen sprake van een fout van gerechtsdeurwaarders.
De zorgplicht bij gerechtsdeurwaarders houdt in dat deze zowel de rechten van de schuldeiser als de schuldenaar in ogenschouw neemt. Hij werkt weliswaar in opdracht van een schuldeiser, maar tegelijkertijd is een gerechtsdeurwaarder onafhankelijk en onpartijdig. Vanuit dat oogpunt proberen zij zowel voor de schuldenaar als schuldeiser te voorkomen dat onnodige kosten worden gemaakt. In dit specifieke geval heeft de KBvG mij desgevraagd gemeld haar leden nadrukkelijk te hebben verzocht om gelden die zij nog onder zich hebben door te storten naar de mensen of terug te storten naar de gemeente. Daar waar dit niet meer mogelijk is, omdat de gelden al zijn doorgestort naar de schuldeiser worden schuldeisers verzocht om dit terug te storten. Het ketenbureau blijft hierover in gesprek met de KBvG.
Bent u ook van mening dat er een zorgplicht bij deurwaarders ligt om er zeker van te zijn dat mensen in de schulden niet onnodig extra in de problemen worden geholpen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe kijkt u aan tegen de goede suggestie van de voorzitter van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden dat gemeenten gewoon vijf procent van het totaal inkomen dienen af te dragen in plaats van het huidige ingewikkelde stelsel?
Ik vind dit een goede suggestie en onderzoek op dit moment of deze optie als permanente oplossing kan dienen. Ik zal uw Kamer hierover nader informeren bij de volgende voortgangsbrief over de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.
Bent u bereid om deze suggestie verder te onderzoeken en de resultaten hierover naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 10.
Het uitvoeringsprogramma Waddenagenda en de impactanalyse |
|
Aukje de Vries (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie van de leden Remco Dijkstra en Geurts over de positie en activiteiten van economische sectoren voldoende borgen (Kamerstuk 35 570 XII, nr. 65) uit november 2020? Hoe wordt uitvoering gegeven aan deze motie en welke acties zijn reeds in gang gezet?
Ja, deze motie1 is mij bekend. De motie bestaat uit twee onderdelen. Naar aanleiding van gesprekken met de landbouwsector is de Agenda voor het Waddengebied 2050 (hierna: Agenda) aangepast in lijn met het eerste dictum van de motie2. Het belang en daarmee de positie en activiteiten van economische sectoren, zoals de pootaardappelsector, maar ook breder de landbouw en het toerisme maken deel uit van de Agenda en zijn daarmee geborgd. Er wordt aangegeven in de Agenda dat de landbouw een belangrijke bron van inkomsten is en dat het kustgebied van de Waddenzee tot de beste landbouwgebieden van Europa behoort. Ook in de toekomst blijven de havens, toerisme, landbouw en visserij de belangrijkste motoren van de economie in het Waddengebied.
De partijen in het Waddengebied, waaronder ook de economische sectoren, werken samen aan het Uitvoeringsprogramma Waddengebied 2021 – 2026 (hierna: Uitvoeringsprogramma). De intentie van het Uitvoeringsprogramma is om een overzicht te geven van de diverse (lopende en te starten) projecten en programma’s en deze in samenhang te zien. Het gaat hierbij om projecten en programma’s die bijdragen aan het behalen van de in de Agenda geformuleerde doelstellingen voor de Waddenzee en het Waddengebied. De betrokken partijen houden zelf hun formele verantwoordelijkheid, inclusief (financiële) besluitvorming over de uit te voeren delen van het Uitvoeringsprogramma.
Zie antwoord 3 voor het 2e dictum van de motie aangaande een impactanalyse.
Welke partijen zijn of worden allemaal betrokken bij het uitvoeringsprogramma voor de Waddenagenda? Hoe zijn of worden partijen als de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV), de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV), de pachters achter de Waddenzeedijk, et cetera, maar ook het midden- en kleinbedrijf (MKB) en de toeristische sector, betrokken? Hoe is geborgd dat al deze partijen nadrukkelijk een rol krijgen bij het uitvoeringsprogramma (en andere beleidsstukken in het Waddengebied)? Hoe worden gemeenten en gemeenteraden betrokken, want er was zeker bij een deel van de volksvertegenwoordigers in het gebied onvrede over hun rol en betrokkenheid bij de Waddenagenda? En hoe worden de provincies en provinciale staten betrokken? Wat is de tijdplanning voor het uitvoeringsprogramma?
De in de vraag genoemde partijen zijn op verschillende manieren betrokken bij het opstellen van het Uitvoeringsprogramma. Hierbij wordt uitgegaan van de sinds 2020 van toepassing zijnde governance structuur voor het Waddengebied3.
Zo worden de partijen via het Omgevingsberaad Waddengebied (hierna: Omgevingsberaad) geïnformeerd over de aanpak en voortgang van het Uitvoeringsprogramma. Het Bestuurlijk Overleg Waddengebied (hierna: BO Waddengebied) besluit over het Uitvoeringsprogramma na advisering door het Omgevingsberaad. In het BO Waddengebied zijn, naast het Rijk, de gemeenten, de provincies en de waterschappen vertegenwoordigd. Het is aan de leden van het BO Waddengebied (overheden) en het Omgevingsberaad (stakeholders) om hun eigen achterban te informeren over en te betrekken bij het opstellen van en de besluitvorming over het Uitvoeringsprogramma. De betrokkenheid van burgers en lokale ondernemers (het MKB) in het Waddengebied ligt primair op het lokale en regionale niveau, indien wenselijk gefaciliteerd door het regieteam.
In het regieteam Uitvoeringsprogramma (hierna: regieteam) wordt gezamenlijk gewerkt aan het Uitvoeringsprogramma. In het regieteam zitten vertegenwoordigers namens de economische sectoren (havens, landbouw en visserij), de natuur-en milieuorganisaties, de provincies, de Waddenkust- en eilandgemeenten, de waterschappen, het Omgevingsberaad, de Beheerautoriteit Waddenzee (hierna: Beheerautoriteit) en het Rijk. Daarnaast vindt er op gezette tijden apart overleg plaats met vertegenwoordigers van de landbouwsector, onder andere met LTO-Noord, NAV, NMV en de pachters achter de Waddenzeedijk. Betrokkenheid van de toeristische sector loopt via het Omgevingsberaad. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd met de beantwoording van eerdere Kamervragen4.
Voor afzonderlijke programma’s, maatregelen en initiatieven, zoals het programma Eems-Dollard 2050 (ED2050), maar ook voor de implementatie van pilots voor Green Shipping, geldt dat deze een eigen besluitvormingsprocedure doorlopen. Ook hiervoor geldt dat het belangrijk is om alle relevante partijen te betrekken bij en te informeren over de besluitvorming en te maken afweging. Het Omgevingsberaad kan hierbij een adviserende rol spelen.
In het BO Waddengebied van afgelopen december is afgesproken om komende zomer het dan voorliggende concept Uitvoeringsprogramma – na bespreking in het Omgevingsberaad – met elkaar te bespreken. Over de uitkomst van de bespreking in het BO Waddengebied zal ik uw Kamer per brief informeren. Na bespreking in het BO Waddengebied zal de dan voorliggende versie verder besproken worden met partijen in het Waddengebied om betrokkenheid bij en draagvlak voor het Uitvoeringsprogramma te vergroten. Betrokken partijen worden hierover nog nader geïnformeerd. Het streven is om eind dit jaar het Uitvoeringsprogramma vast te stellen. In aanloop naar het Commissiedebat Water op 9 juni a.s. wordt uw Kamer geïnformeerd onder andere over de laatste stand van zaken omtrent het Uitvoeringsprogramma.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de impactanalyse? Wat is de tijdsplanning voor de impactanalyse? Hoe ziet de opdracht voor deze impactanalyse eruit en wilt u deze met de Kamer delen als bijlage bij de antwoorden op deze vragen? Beseffen de bewindspersonen dat de bedoeling van de impactanalyse uitsluitend is gericht op de sociaaleconomische gevolgen en de gevolgen voor de economische sectoren in het gebied, en in de keten? Kunt u bevestigen dat de impactanalyse enkel ziet op de sociaaleconomische effecten? Zo nee, waarom wordt er geen invulling gegeven aan de wens van de Kamer? Hoe worden de bij vraag 2 genoemde partijen betrokken bij de impactanalyse?
Parallel aan het opstellen van het Uitvoeringsprogramma wordt gewerkt aan het opstellen van een brede impactanalyse om zo de effecten op economie en ecologie in balans met elkaar te kunnen afwegen conform de scope van de Agenda. Het gaat hierbij om de effecten op landbouw, visserij, recreatie & toerisme, haven, bereikbaarheid, klimaat, leefbaarheid, energie, delfstoffen, defensie, natuur en landschap/cultureel erfgoed. In aanvulling op de motie Dijkstra en Geurts, zoals beschreven in het 2e dictum, wordt er dus breder gekeken dan naar alleen de sociaaleconomische effecten. In overleg met de betrokken partijen, waaronder de economische sectoren, wordt een aanpak voor een impactanalyse voorbereid en opgesteld. Overeenkomstig deze beschrijving is een extern bureau gevraagd een aanpak op te stellen. Er zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van bestaande methodieken. De te ontwikkelen impactanalyse heeft betrekking op de maatregelen zoals benoemd in het nog op te stellen Uitvoeringsprogramma. Het gaat zowel om maatregelen met ruimtelijke impact als ook om acties die op een andere manier impact (kunnen) hebben op de economische sectoren, maar ook op de ecologie.
In het komende BO Waddengebied wordt de aanpak besproken. Over de uitkomst van de bespreking hiervan zal ik uw Kamer per brief informeren. Daarnaast wordt uw Kamer in aanloop naar het eerder genoemde Commissiedebat Water geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de impactanalyse.
Op welke manier wordt het project buitendijkse slibsedimentatie en met name de gevolgen van dit project betrokken en afgestemd met het Uitvoeringsprogramma Waddengebied? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom dit niet gebeurt? Kunt u zich voorstellen dat ondernemers in de verschillende sectoren het overzicht en het draagvlak kwijtraken indien er geen samenhang is tussen verschillende projecten en uitvoeringsagenda’s? Hoe gaat u dat verbeteren?
In het kader van het project Pilot buitendijkse slibsedimentatie wordt door Rijkswaterstaat onderzocht onder welke condities slib kan sedimenteren in het buitendijkse gebied van de Dollard. Het uiteindelijke doel is het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit, met name in het middendeel van de Eems-Dollard, door het verminderen van de troebelheid. Hierdoor neemt de primaire productie toe, versterkt het voedselweb en komen de doelen voor ecologische waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) en natuur (Natura 2000) binnen bereik. Eind 2020 is de MIRT-voorkeursbeslissing genomen voor het project en het voorkeursalternatief (hierna: VKA) vastgesteld. De partijen betrokken bij het programma ED2050 zijn hierover geïnformeerd. Het is belangrijk dat partijen in de omgeving goed zijn aangesloten bij het project. Het VKA wordt de komende periode verder uitgewerkt in overleg met onder andere particuliere eigenaren/pachters van de kwelders, waterschap Hunze en Aa’s, gemeente Oldambt, gemeente Eemsdelta, Stichting het Groninger Landschap, de Waddenvereniging, Groningen Seaports en Natuurmonumenten. De betrokkenheid van LTO-Noord loopt via het programma ED2050, de NAV en NMV zijn niet direct betrokken bij het project. Daarnaast zal in overleg met de kweldereigenaren ook worden bekeken wat de sociaaleconomische gevolgen zijn. Het uitgangspunt is dat Rijkswaterstaat samen met de betrokken partijen tot een breed gedragen oplossing komt.
Het project maakt onderdeel uit van het in 2016 gestarte programma ED20505 en het programma ED2050 maakt onderdeel uit van de activiteiten binnen het Platform Economie en Ecologie in Balans (E&E). Het programma ED2050 is één van de – eigenstandige – lopende gebiedsprocessen die zal worden opgenomen in het nog op te stellen Uitvoeringsprogramma. De wijze van besluitvorming en de verantwoordelijkheden blijven overeenkomstig de gemaakte de afspraken binnen het programma ED2050. Zie bijlage 1 voor nadere toelichting E&E, ED2050 en het project zelf. Naast deze pilot lopen er nog diverse andere projecten in het Eems-Dollard gebied als onderdeel van het programma ED2050. Voorbeelden hiervan zijn de Kleirijperij, de pilot ophogen landbouwgronden en de pilot binnendijkse slibsedimentatie in het gebied Groote Polder – Eemszijlen (zie ook antwoord 6).
Wat zijn de gevolgen van het project buitendijkse slibsedimentatie in het kader van het Programma Grote Wateren en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)? Wat is het gebied waar dit project speelt? Klopt het dat dit alleen het Eems-Dollard-gebied raakt? In hoeverre zijn er verder nog plannen op dit punt? In hoeverre zijn alle partijen zoals genoemd onder punt 2 betrokken bij dit project? Hoe worden de gevolgen voor economische sectoren meegenomen bij dit project? Wat is doel, nut en noodzaak van dit project?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is er precies besproken tijdens de bestuurlijk overleggen MIRT van november 2020 als het gaat om een aantal projecten in het kader van de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW), te weten «Verzachten randen van het Wad Koehool-Lauwersmeer, Eemszijlen/Binnendijkse Slibsedimentatie, Friese IJsselmeerkust en Buitendijkse Slibsedimentatie Eems-Dollard»? Om wat voor projecten gaat het hier precies? In hoeverre lopen deze projecten vooruit op het uitvoeringsprogramma en de impactanalyse Waddenagenda? Waarom is hier niet gekozen voor een samenhang in voorbereiding en uitvoering?
In het BO MIRT Noord-Nederland van november 20206 is kennisgenomen van de (regionale) MIRT-beslissingen van de in de vraag genoemde projecten (zie bijlage 2). Het gaat hierbij om de startbeslissing en in het geval van het project Pilot buitendijkse slibsedimentatie om de voorkeursbeslissing7. De projecten worden gefinancierd uit de PAGW. Het doel van de PAGW is om te komen tot ecologisch gezonde, toekomstbestendige grote wateren waarin hoogwaardige natuur goed samengaat met een krachtige economie. De middelen hiervoor zijn afkomstig uit de envelop Natuur en Waterkwaliteit en vormt daarmee de grondslag voor genoemde projecten.
In bijlage 3 worden de projecten Friese IJsselmeerkust en Kustontwikkeling Groote Polder – Eemszijlen (Binnendijkse Slibsedimentatie) nader toegelicht. Ten aanzien van het project Friese IJsselmeerkust merk ik op dat deze valt onder de scope van de Agenda IJsselmeergebied 20508 en niet onder de Agenda voor het Waddengebied 2050. Voor de toelichting op de projecten Dijkversterking Waddenzeedijk Koehool – Lauwersmeer en Pilot buitendijkse slibsedimentatie verwijs ik respectievelijk naar antwoord 7 en antwoord 4 en 5.
Zoals aangegeven bij antwoord 1 wordt met het Uitvoeringsprogramma een overzicht gegeven van de diverse (lopende en te starten) projecten en programma’s welke bijdragen aan het behalen van de in de Agenda geformuleerde doelstellingen voor de Waddenzee en het Waddengebied. De drie genoemde projecten in het Waddengebied zijn enkele van de lopende projecten. Daarnaast kennen de drie projecten elk hun eigen dynamiek en besluitvormingsprocedure. Wel vindt er onderling contact plaats als het gaat om te betrekken partijen en te onderzoeken effecten. De samenhang in de voorbereiding en de uitvoering van de projecten met betrekking tot binnen- en buitendijkse slibsedimentatie komt tot uiting in het programma ED2050.
Wat houdt het project dijkversterking Waddenzeedijk Koehool – Lauwersmeer precies in? Wat houdt de dijkversterking Koehool – Lauwersmeer, dat plaatsvindt in combinatie met het verbeteren van het landschap en de natuur samen met de omgeving, precies in? In hoeverre loopt dit project vooruit op de Waddenagenda en het uitvoeringsprogramma en de impactanalyse? Hoe verhoudt dit project zich tot de onder punt 1 genoemde motie? Wat zijn de gevolgen van deze dijkversterking? Wat zijn de gevolgen voor gebruikers van het buitendijkse gebied en van het binnendijkse gebied direct langs de Waddenzeedijk? Hoe zijn of worden partijen, zoals gemeenten en economische sectoren, die actief zijn in dit gebied, betrokken? Klopt het dat de zomerpolders met het huidige gebruik ook bijdragen aan de biodiversiteit, zoals de weidevogels? Is er voor de projecten, die nu in gang gezet worden, een nulmeting uitgevoerd, zodat de reeds aanwezige biodiversiteit, zoals de weidevogels, door deze projecten niet in geding komt? Bent u bereid om in overleg te gaan met Wetterskip Fryslân en te vragen om een pas op de plaats te maken en eerst in samenwerking met de gebruikers van het gebied de nulmeting uit te voeren, zodat de aanwezige waarden in beeld zijn en er niet onder mogen lijden? Zo nee, waarom niet?
Het dijkversterkingsproject Koehool- Lauwersmeer vloeit voort uit het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) dat onderdeel is van het Nationale Deltaprogramma. Het gaat hierbij om een bijna 50 kilometer lang traject tussen het buurtschap Koehool tot na het dorp Paesens-Moddergat. Het traject valt binnen de gemeenten Waadhoeke en Noardeast-Fryslân. De dijk moet versterkt worden omdat een deel van de dijk niet voldoet aan de geldende veiligheidsnormen. Hierbij is de nieuwe normering (2017) gehanteerd met een tijdshorizon van 50 jaar (tot 2073) waarbij verwachte effecten van klimaatverandering/zeespiegelstijging zijn meegenomen. De geschatte kosten voor het verbeteren van de veiligheid van de dijk zijn ongeveer € 300 miljoen. Het landelijke HWBP betaalt hiervan 90 procent en het Wetterskip Fryslân de resterende 10%. De versterking van ecologie en omgeving worden door andere programma’s betaald, waaronder de PAGW.
Zoals aangegeven in de beantwoording op eerdere Kamervragen9 pakt het Wetterskip Fryslân de dijkversterking op samen met lokale ondernemers, inwoners, belangenorganisaties (It Fryske Gea, Staatsbosbeheer, Vogelbescherming Nederland, Waddenvereniging, Stichting Holwerd aan Zee, LTO Noord, pachtersvereniging, Collectief Waadrâne en dorpsbelangen), provincie Fryslân, gemeente Noardeast-Fryslân, gemeente Waadhoeke en het Rijk. De landbouworganisaties zijn daarnaast ook vertegenwoordigd in de Stuurgroep Koehool-Lauwersmeer10. Ook worden bijvoorbeeld de schapenhouders die delen van de dijk pachten, actief betrokken bij de plannen voor de uitvoering. Daarnaast is er ook intensief contact met de desbetreffende perceel eigenaren c.q. pachters.
Vanwege het sterke fysieke raakvlak tussen de dijkversterking Koehool-Lauwersmeer, het brede gebiedsproces daaromheen en de opgave vanuit PAGW voor de Waddenzee, bereiden het Wetterskip Fryslân, de provincie Fryslân en Rijkswaterstaat (namens de PAGW) een samenwerking voor. It Fryske Gea, maar ook gemeenten en de landbouw, worden als gebiedspartner betrokken bij de uitwerking; zowel als eigenaar van een groot deel van de kwelders langs de Friese Kust als organisatie met veel lokale kennis van systemen, ecologie en stakeholders. De dijkversterking wordt waar mogelijk gecombineerd met het verbeteren van het landschap en de natuur, samen met de omgeving. In het kader van PAGW is € 37,5 miljoen beschikbaar gesteld voor het realiseren van het PAGW-doel als onderdeel van «verzachten randen van het Wad». Het gaat hierbij om het ontwikkelen van gradiënten land-water en zoet-zout. Ook worden de mogelijkheden voor een koppeling met Holwerd aan Zee onderzocht.
Momenteel voeren het Wetterskip Fryslân en de provincie Fryslân in afstemming met Rijkswaterstaat (namens de PAGW) en samen met de verschillende stakeholders (waaronder de pachters van de zomerpolders) een regionale MIRT-verkenning uit. Eind vorig jaar is de startbeslissing genomen. In de verkenning wordt rekening gehouden met de natuurwaarden die de zomerpolders nu hebben voor weidevogels en met de belangen van bijvoorbeeld pachters van de zomerpolders. Via een milieueffectrapportage zullen verschillende alternatieven of varianten in beeld worden gebracht en worden beoordeeld op hun bijdrage aan de doelstellingen en de effecten op onder andere natuur en milieu (bijvoorbeeld weidevogels en biodiversiteit) en landbouw (bijvoorbeeld verzilting)11. Hiertoe zal een nulmeting worden opgesteld. In de verkenning wordt ook gekeken naar de gevolgen voor zowel het binnendijkse als buitendijkse gebied langs de Waddenzeedijk, indien daar maatregelen in beeld zijn. De definitieve keuze voor een bepaald alternatief wordt gemaakt na overleg met de relevante partijen en sectoren in het projectgebied. Het is op dit moment nog niet mogelijk om aan te geven wat de gevolgen zijn van dit project. Gelet op de inrichting van het proces en de (geplande) onderzoeken in het kader van de verkenning, waaronder een nulmeting, zie ik op dit moment geen aanleiding om een pas op de plaats te maken. De partijen worden betrokken bij het project en de zorgen worden aan de orde gesteld in de (geplande) onderzoeken om zo tot breed gedragen oplossingen te komen.
Wat is de status van een (de gemeentelijke) beheersverordening in relatie tot de Waddenagenda en de dijkversterking van de Waddenzeedijk?
Een beheersverordening is vergelijkbaar met een bestemmingsplan en is bedoeld voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen worden voorzien. Een beheersverordening legt de bestaande situatie vast. Voor nieuwe ontwikkelingen wordt een afzonderlijk ruimtelijk plan gemaakt met een eigen inspraakprocedure. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat geen procedurevoorschriften voor het vaststellen van een beheersverordening.
Van de (destijds) 17 eiland- en kustgemeenten hebben 13 gemeenten er in 2014 voor gekozen om gezamenlijk een beheersverordening «Waddenzee en Noordzee» te ontwikkelen. In plaats van 13 bestemmingsplannen is er nu één beheersverordening. Dit plan legt de bestaande situatie vast voor zover die niet valt onder regelingen van andere overheden, zoals de structuurvisie Waddenzee of de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De overige vier (voormalige) Waddengemeenten, Den Helder, De Marne, Súdwest-Fryslân en Franekeradeel, hebben hun deel van het plangebied opgenomen in een andere ruimtelijke regeling.
De Agenda kent geen initiatieven met betrekking tot het aanpassen van bestemmingen of verordeningen van zomerpolders en erkent de cultuurhistorische, ecologische en agrarische waarde ervan. Geen van de betrokken partijen rond de Agenda heeft de intentie om de afspraken in de gemeentelijke beheersverordening ter discussie te stellen. Overeenkomstig de beheersverordening wordt voor het dijkversterkingsproject Koehool- Lauwersmeer een afzonderlijk ruimtelijk plan gemaakt met een eigen inspraakprocedure. Dit zal ook gelden voor toekomstige versterkingen van de Waddenzeedijk.
Bent u bereid net na de zomer (of zoveel eerder als mogelijk) de Kamer te informeren over de voortgang van het uitvoeringsprogramma en de wijze waarop de verschillende agrarische-, economische- en toeristische sectoren betrokken zijn bij de verdere uitwerking van het uitvoeringsprogramma en de wijze waarop u gewerkt heeft aan het noodzakelijke draagvlak? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zowel in aanloop naar het Commissiedebat Water op 9 juni als het Commissiedebat Wadden op 13 oktober wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Uitvoeringsprogramma, de impactanalyse, de wijze waarop de diverse sectoren en partijen hierbij worden betrokken en de wijze waarop gewerkt wordt aan draagvlak. Daarnaast zal ik uw Kamer, zoals ook aangegeven bij antwoord 2, informeren over de uitkomst van het komende BO Waddengebied.
Bent u bereid de uitkomst van de impactanalyse (conform de opdracht van de Kamer) zo snel mogelijk met de Kamer te delen?
Ja, ik ben bereid de uitkomst van de impactanalyse (conform de beschrijving in antwoord 3) met de Kamer te delen.
Het bericht dat ruim 10.000 ontvangers van bijstand de dupe zijn geworden van een fout bij gemeenten |
|
René Peters (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in ruim 200 gemeenten bij bijstandsgerechtigden met schulden, beslag gelegd is op meer geld dan wettelijk mag volgens de beslagvrije voet?1
Ja.
Is het juist dat de betreffende gemeenten de vakantietoeslag niet doorgaven aan de polis-administratie van het UWV, waardoor er tientallen euro’s per maand te veel is ingehouden?
De desbetreffende gemeenten geven de vakantietoeslag in een ander ritme dan maandelijks door aan de Polisadministratie. De Polisadministratie is onderdeel van de loonaangifteketen. In de loonaangifteketen is het toegestaan om de vakantietoeslag per maand of per andere tijdseenheid door te geven. De loonaangiftes die gedaan zijn, zijn dus correct. Helaas heeft deze werkwijze in de praktijk tot de vervelende situatie geleid dat in sommige gevallen de beslagvrije voet te laag is vastgesteld, omdat de rekenmodules voor de beslagvrije voet ervan uitgaan dat de vakantietoeslag maandelijks wordt doorgegeven.
Kunt u bij benadering aangeven hoeveel mensen hiervan de dupe zijn geworden?
Bij naar schatting 10.000 tot 15.000 beslagleggingen op bijstandsuitkeringen is een te lage beslagvrije voet vastgesteld.
Is het juist dat dit probleem ontdekt werd door het gebruik van een nieuwe rekenhulp door deurwaarders?
Sinds de inwerkingtreding van de wet vereenvoudiging beslagvrije voet per 1 januari jl. wordt de beslagvrije voet niet langer handmatig berekend aan de hand van gegevens die mensen zelf aanleveren. De berekening van de beslagvrije voet gebeurt nu via rekenmodules die gebruikmaken van gegevens uit de Polisadministratie en de Basisregistratie Personen. Aan de hand van de uitkomsten van de rekenmodules – waaronder die van de gerechtsdeurwaarders – constateerden zowel gemeenten als gerechtsdeurwaarders dat er mogelijk een te lage beslagvrije voet werd berekend bij bijstandsgerechtigden.
Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat deze fout opnieuw gemaakt gaat worden en de bijstandsgerechtigden met schulden de dupe worden van het verkeerd toepassen van de beslagvrije voet?
Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Door deze handmatige aanpassing wordt voorkomen dat er opnieuw beslagen met een te lage beslagvrije voet worden gelegd op bijstandsuitkeringen. Ondertussen werk ik aan een structurele, geautomatiseerde oplossing.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de gedupeerde bijstandsgerechtigden worden gecompenseerd?
De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft haar leden verzocht om de mensen die het betreft actief op te zoeken, direct de beslagvrije voet aan te passen en indien mogelijk het te veel ingehouden bedrag terug te storten. Als de gerechtsdeurwaarder het bedrag al heeft doorgestort aan de schuldeiser wordt naar een oplossing op maat gezocht. Het te veel ontvangen bedrag terugvragen bij de schuldeiser en het tijdelijk niet innen zijn mogelijke invullingen van een maatwerkoplossing.
Het bericht dat 11.000 vergunninghouders in de tweede helft van dit jaar een woning moeten krijgen |
|
Alexander Kops (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Nederland een woningtekort heeft van zo’n 300.000 woningen en het daardoor voor de gewone Nederlander haast onmogelijk is een geschikte woning te vinden?1
Ja. Ik vind het belangrijk dat iedereen die in Nederland verblijft een geschikte woning kan vinden. Op dit moment staat de woningmarkt onder druk. Daarom heb ik verschillende maatregelen genomen om het woningtekort te verkleinen, waaronder het (wederom) beschikbaar stellen van 50 miljoen euro voor 2021 als stimulans voor de bouw van (flexibele) huisvesting voor kwetsbare groepen, waaronder vergunninghouders.
Hoe haalt u het in uw hoofd om 11.000 gelukszoekers binnen een half jaar een woning te geven terwijl Nederlanders vaak jaren moet wachten op geschikte woonruimte?2
Het kabinet kiest ervoor, en is daar ingevolge internationale en Europese wet- en regelgeving ook toe gehouden, om asielbescherming te bieden aan hen die daar recht op hebben. De verwachting is dat in de komende maanden (april t/m september 2021) 11.000 asielzoekers voor een asielvergunning in aanmerking komen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelt halfjaarlijks de taakstelling vast voor de huisvesting van vergunninghouders door gemeenten, aan de hand van het verwachte aantal verblijfsvergunningen dat door de IND wordt verstrekt. De gemeente is verantwoordelijk voor het huisvesten van vergunninghouders conform de halfjaarlijkse taakstelling. Veelal wordt op basis van prestatieafspraken met woningcorporaties gezocht naar een woning passend bij de gezinssituatie. Dit is echter niet verplicht. Gemeenten kunnen ook op andere manieren in huisvesting voorzien voor deze vergunninghouders.
Meer dan de wijze waarop de woningen worden verdeeld, is vooral het beschikbare woningaanbod van doorslaggevend belang voor de wachttijd voor sociale huurwoningen. Het aanjagen van de woningbouwproductie in gespannen regio’s en het beter benutten van de bestaande voorraad, is dan ook van groot belang om de kansen van alle woningzoekenden te vergroten.
Bent u het eens dat deze voorkeursbehandeling van gelukszoekers een klap in het gezicht is van al die Nederlanders die geen woning kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er wordt in Nederland geen onderscheid gemaakt op basis van nationaliteit. Iedereen in Nederland wordt in gelijke gevallen gelijk behandeld, een uitgangspunt dat in de Grondwet is verankerd. Van voorkeursbehandeling van vergunninghouders en/of discriminatie van andere groepen woningzoekenden is geen sprake. Zoals gezegd is alle inzet erop gericht om de kansen van woningzoekenden te vergroten.
Specifiek ten aanzien van vergunninghouders geldt dat tijdige huisvesting niet alleen in het belang van deze vergunninghouders is, maar ook van de Nederlandse samenleving: snelle huisvesting laat vergunninghouders sneller participeren in en bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Bovendien worden door een snelle doorstroom naar huisvesting de maatschappelijke impact en financiële kosten die gepaard gaan met de opvang van asielzoekers beperkt.
Deelt u de mening dat het op stel en sprong regelen van woningen voor deze gelukszoekers pure discriminatie is van de gewone Nederlander? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze 11.000 gelukszoekers geen woning toe te wijzen, maar een enkeltje thuisland zodat deze woningen vrij blijven voor Nederlandse woningzoekers en de grenzen te sluiten voor nieuwe gelukszoekers? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet kiest ervoor, en is daar ingevolge internationale en Europese wet- en regelgeving ook toe gehouden, om asielbescherming te bieden aan hen die daar recht op hebben. Terugkeer is voor hen niet aan de orde. Zoals u bekend vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk.
Het bericht dat artsen alarm slaan over lachgas |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat artsen aangeven dat overvloedig gebruik van lachgas niet alleen het zenuwstelsel kan aantasten, maar dat het ook kan leiden tot bloedstolsels met hartinfarcten en andere vaatafsluitingen als gevolg?1
Ja.
Hoe verklaart u het feit dat een drug dat hartinfarcten tot gevolg kan hebben, onder jongeren als relatief onschuldig bekend staat?
Er wordt doorlopend meer bekend over de schadelijkheid van het gebruik van lachgas als drug en ook over de soms onomkeerbare schade die dit tot gevolg heeft. Ondanks dat er steeds meer bekend is over de risico’s en negatieve effecten van gebruik blijft lachgas een middel dat door een deel van de gebruikers als onschuldig wordt gezien. Dit blijkt ook uit verschillende onderzoeken.2 Hier spelen verschillende factoren een rol bij, waaronder het gegeven dat lachgas niet onder de Opiumwet valt en het middel makkelijk verkrijgbaar is. Sociale media en de leefwereld van gebruikers spelen ook een rol in het onschuldige imago van lachgas.3 Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat sommige gebruikers lachgastanks als statussymbool zien.4 Het Trimbos-instituut geeft daarnaast aan dat het opvallend is dat gebruikers, ondanks verhalen over de ernstige gevolgen van lachgasgebruik via de media of hun directe omgeving toch blijven gebruiken, ook als zij klachten ervaren.
Of en wanneer de bekendheid over de risico’s van het gebruik van lachgas als drug tot een kantelpunt leidt in de perceptie van jongeren over deze drug is moeilijk te zeggen. Wel is duidelijk dat inzet op de omgeving van de gebruiker hier een belangrijke rol in kan spelen. Zij moet over de juiste handvatten beschikken om gebruik te signaleren en bespreekbaar te maken. Het Trimbos-instituut heeft een reeks aan verschillende materialen ontwikkeld welke ook onlangs zijn herzien waarin dergelijke handvatten worden geboden.5 Daarnaast zet ik ook dit jaar in op preventie. Zo zal het Trimbos-instituut de handreiking over lachgas herzien en onderzoek doen naar het beter bereiken van ouders van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond die lachgas als drug gebruiken.
Kunt u aangeven op welke terreinen er nu allemaal gezondheidsschade wordt geconstateerd door het gebruik van lachgas als partydrug? Kunt u ook een inschatting geven hoeveel jongeren dit betreft?
In de risicobeoordeling van het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) en het onderhavige informatierapport worden de verschillende gezondheidsrisico’s uitvoerig beschreven.6 Tot nu toe is in ieder geval bekend dat het gebruik van lachgas als drug kan leiden tot bevriezingsverschijnselen en brandwonden door bevriezing en verschillende vormen van neurologische schade. Vorig jaar zomer sloegen neurologen alarm nadat uit een rondgang bleek dat er 64 gevallen van (gedeeltelijke) dwarslaesies te herleiden waren naar het gebruik van lachgas als drug.7 In sommige gevallen is de ontstane neurologische schade onomkeerbaar. Ook zijn er signalen dat het gebruik verslavender is dan op voorhand gedacht en dat er vaatschade kan intreden.8
Het is niet eenvoudig een schatting te geven van het aantal jongeren dat in meer en mindere mate deze verschillende vormen van gezondheidsschade ondervindt. Uit Het Grote Uitgaansonderzoek van 2020 blijkt dat gevoelloosheid of tintelingen in handen of voeten tijdens of kort na het gebruik de meest genoemde bijwerking van het gebruik van lachgas als drug zijn. Deze bijwerkingen worden genoemd door 41% van de laatste jaar-gebruikers van lachgas, ongeacht de frequentie van gebruik.9 Ook noemt ruim één op de tien (12%) laatste-jaar gebruikers van lachgas «gewenning en de craving (hunkering om opnieuw te gebruiken) als ongewenst gevolg van [hun] lachgasgebruik».10 Deze cijfers zeggen op zichzelf niets over de schade die eventueel kan optreden, maar zijn wel een belangrijk signaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb toegelicht, blijkt uit de risicobeoordeling van het CAM dat het niet mogelijk is om een veilige bovengrens van gebruik vast te stellen. Het is evident dat de kans op ernstige schade groter wordt bij een toename van gebruik, maar ook eenmalig excessief gebruik en zelfs beperkt gebruik kunnen tot aanzienlijke gezondheidsschade leiden.11
In oktober vorig jaar heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn zorgen rondom het problematisch gebruik van lachgas. Ik heb toen ook verwezen naar het aantal meldingen over lachgas bij het Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC) tot en met augustus 2020.12 Uit navraag bij het NVIC over jaarcijfers van 2020 blijkt dat in totaal 144 meldingen over lachgas zijn geregistreerd. In 69% van de gevallen ging het om frequent gebruik en in 67% van de gevallen om zwaar gebruik. Het NVIC kwalificeert zwaar gebruik als het gebruik van 50 ballonnen of meer per keer. In 53% van de gevallen ging het om frequent zwaar gebruik in 51% van de gevallen om gebruik uit een tankje of cilinder. In 43% van de gevallen werd een gevoel van tintelingen of verdoofd gevoel omschreven. Deze cijfers laten op alle onderdelen een stijging zien ten opzichte van 2019. Op basis van eerste gegevens is de prognose dat het aantal meldingen in 2021 onverminderd hoog blijft.
Uit cijfers van de Monitor Drugs Incidenten blijkt dat in 2019 het aantal gemelde incidenten met lachgas beperkt is, maar wel is verdubbeld in één jaar tijd. Bij de meeste meldingen was lachgas als enige drug geconsumeerd en een derde van de patiënten was zwaar onder invloed.13 Ook hieruit blijkt dat er een toename is van het aantal incidenten met lachgas. Dit betekent echter niet dat in al deze gevallen ook de gezondheidsschade is ingetreden waar ik hierboven naar heb verwezen.
Deelt u ook de conclusie van de artsen van het OLVG dat deze nieuwe bevindingen nogmaals duidelijk maken dat het recreatief gebruik van lachgas zo snel mogelijk landelijk verboden moet worden? Bent u het tevens eens met de stelling dat dit in ieder geval geregeld moet zijn voordat het uitgaansleven weer op gang komt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om zo snel mogelijk landelijke maatregelen tegen het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik te treffen. Een aanpak op basis van strafbaarstelling van gebruik is overigens, zoals ik eerder aan uw Kamer heb toegelicht, niet overwogen.14 Het gebruik van drugs op grond van de Opiumwet is niet strafbaar. De Opiumwet is primair gericht op bescherming van de volksgezondheid. Het gebruik van drugs is daarom bewust buiten de werkingssfeer van de Opiumwet gelaten om te voorkomen dat door strafbaarstelling mensen geen hulp zouden zoeken als zij als gevolg van hun drugsgebruik in de problemen komen.15 Dit uitgangspunt geldt voor alle middelen die op één van de lijsten bij de Opiumwet staan. Dit uitgangspunt wil ik in alle gevallen handhaven en geldt dus ook voor lachgas wanneer dat na inwerkingtreding van het Ontwerpbesluit aan lijst II bij de Opiumwet is toegevoegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid en ik hebben uw Kamer onlangs over de voortgang van de maatregel geïnformeerd; ik betreur het ten zeerste dat de voortgang van het Ontwerpbesluit onvoorziene vertraging heeft opgelopen. Ik kan niet vooruitlopen op de hervatting van het uitgaansleven. Uiteraard afhankelijk van parlementaire behandeling, had de maatregel met een ambitieuze planning mogelijk aankomende zomer in werking kunnen treden, als er geen vertraging door gebrek aan financiële dekking was ontstaan.
Kunt u aangeven waarom de inwerkingtreding van het verbod op recreatief gebruik van lachgas per 1 januari 2021 praktisch niet uitvoerbaar is gebleken?2
In het voorjaar van 2020 heeft de wetstechnische voorbereiding iets meer tijd in beslag heeft genomen dan vooraf ingeschat. Lachgas is het eerste gas dat binnen het bereik van de Opiumwet wordt gebracht en er zijn verschillende brede eigenlijke toepassingen van lachgas die van het Opiumwetverbod uit artikel 3 Opiumwet (Ow) uitgezonderd moeten worden. Ik heb hierin voor een zorgvuldige aanpak gekozen. De technische voorbereiding voor het Ontwerpbesluit is al enige tijd inhoudelijk gereed, zie daarvoor ook het antwoord op vraag 7. Zoals in maart jl. aan uw Kamer gecommuniceerd, is daarna verdere vertraging ontstaan door gebrek aan financiële dekking binnen de huidige begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor kosten gemoeid met de uitvoering van het voorgenomen Lachgasbesluit.17 Zonder deze dekking kan de politie het voorgenomen verbod niet handhaven.
Hoe verklaart u dat een landelijk verbod niet uitvoerbaar is gebleken, maar dat inmiddels de helft van de gemeenten blijkbaar wel een lokaal verbod heeft kunnen instellen?3
Zoals de Minister van Justitie en Veiligheid en ik aan uw Kamer hebben geïnformeerd, is er op dit moment onvoldoende dekking binnen de huidige begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de claim van de politie ten aanzien van handhavingslasten te dekken. Dit betekent niet dat het verbod als zodanig onuitvoerbaar is; op dit moment zijn daar alleen niet voldoende middelen voor beschikbaar. Tevens verschillen de aard en reikwijdte van het ontwerpbesluit en de verboden die gemeenten op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening instellen wezenlijk van elkaar. De lokale verboden zien voornamelijk op overlast en/of gebruik in daarvoor aangewezen gebieden in een gemeente. Met het ontwerpbesluit worden alle handelingen met lachgas verboden, behalve het gebruik van lachgas. Zie daarover mijn antwoord op vraag 4. Ook worden alle eigenlijke toepassingen van lachgas van het Opiumwetverbod uit artikel 3 Ow uitgezonderd. Daarnaast is het zo dat de Opiumwet binnen het strafrecht en de APV in beginsel binnen het bestuursrecht valt. Dit verschil heeft andere implicaties ten aanzien van de handhavingslasten. Als lachgas op lijst II bij de Opiumwet staat, betekent dat bijvoorbeeld dat als lachgas wordt aangetroffen dat altijd moet worden ingenomen (behalve in de gevallen die zijn uitgezonderd van het verbod). Daarom heeft een landelijk verbod meer impact op de handhaving, wat financiële consequenties met zich meebrengt die tot nu toe nog niet zijn gedekt. Het is aan de lokale driehoek in elke gemeente om een afweging en prioritering te maken. Dit geldt ook voor de handhaving van APV-verboden.
Klopt het dat de wetgeving gereed is om de verkoop van lachgas als partydrug aan banden te leggen? Zo nee, wat zijn de knelpunten? Zo ja, waarom is dit niet al naar de kamer gestuurd?
Het ontwerpbesluit is al enkele maanden inhoudelijk gereed. De ontstane vertraging is ontstaan door het gebrek aan financiële dekking voor de claim van de politie binnen de huidige begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zonder deze financiële dekking kan een voorstel niet worden voorgelegd aan de ministerraad en dus ook niet aan de Kamer worden verzonden. Zoals eerder aan uw Kamer toegelicht is in het geval van lachgas het bestaande beleid toegepast en wordt lachgas als enkele stof onder het bereik van de Opiumwet gebracht. Hoewel deze toevoeging formeel niet tot een extra taak leidt, ontstaan door dit besluit wel enige bijzondere omstandigheden, omdat lachgas als eerste gasvormige stof onder het bereik van de Opiumwet wordt geplaatst. Knelpunten als testmogelijkheden, opslag en vervoersaspecten kunnen in beginsel voor alle stoffen gelden die onder het bereik van de Opiumwet vallen. Wel is het zo dat het bijzondere karakter van lachgas als eerste gasvormige substantie onder de Opiumwet bij uitzondering een toevoeging aan de algemene middelen van de politie rechtvaardigt. Hiermee wordt de politie in staat gesteld met betrekking tot gasvormige substanties nu en in de toekomst invulling te geven aan haar bestaande taak.19
Wat is de huidige planning om lachgas op lijst II bij de Opiumwet te plaatsen?
Zoals onlangs per brief aan uw Kamer geïnformeerd, laten de Minister van Justitie en Veiligheid en ik het besluit over het voorgenomen lachgasverbod gezien de demissionaire status van het kabinet over aan een nieuw kabinet.20 Dit betekent dat naar alle waarschijnlijkheid helaas geen aangepaste regelgeving zal worden ingevoerd voor het voorjaar 2022.
Het duperen van bijstandontvangers met schulden |
|
Jasper van Dijk (SP), Bart van Kent (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ruim 10.000 ontvangers bijstand de dupe van fout bij gemeenten»?1
Ik betreur het dat mensen zijn geconfronteerd met een te lage beslagvrije voet, vooral omdat het gaat om mensen die veelal al in een financieel kwetsbare positie verkeren. Zoals ik in de brief aan uw Kamer van 1 juni jl. heb aangegeven, is het onwenselijk dat mensen hinder ondervinden van de knelpunten die gepaard gaan met de implementatie van de vereenvoudigde beslagvrije voet.2 Het gaat daarbij ook over het knelpunt rond verrekenen van toeslagen en het lager uitvallen van de beslagvrije voet in sommige gevallen waarbij sprake was van een salarisuitbetaling per vier weken in plaats van per maand, zoals ook in voornoemde brief aan uw Kamer is gemeld.
Een dergelijke omvangrijke operatie als de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet kan niet zonder knelpunten worden uitgevoerd. Zoals bekend gaat het hier om een intensieve samenwerking tussen het UWV, SVB, CJIB, Belastingdienst, LBIO, alle gemeenten, waterschappen en lokale belastingsamenwerkingen én meer dan 700 gerechtsdeurwaarders. Daarnaast kent de nieuwe keten voor derdenbeslag een nauwe verwevenheid met de loonaangifteketen in verband met het gebruik van de Polisadministratie. Alle betrokken organisaties werken bijzonder hard om de ontstane knelpunten zo snel mogelijk op te lossen, met zo weinig mogelijk hinder voor mensen die het betreft. Ik doe een oproep aan organisaties die vanuit hun professie nauw betrokken zijn bij deze materie, zoals de LOSR, om knelpunten die zij tegenkomen te melden.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zou regelen dat deurwaarders hun schuldenaren nooit met een te laag inkomen achterlaten, hoe kon dit zo verkeerd gaan?
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is een duidelijke verbetering ten opzichte van de oude regelgeving. De nieuwe systematiek is eenvoudiger voor de burger en zorgt dat er geen gevallen meer zijn waarbij de beslagvrije voet wordt «gehalveerd» omdat mensen geen gegevens aanleveren aan de beslagleggende partij. Waar voorheen in 75% van de gevallen de beslagvrije voet aanzienlijk lager werd vastgesteld dan de bedoeling was, wordt onder de nieuwe wet aan iedereen een robuuste beslagvrije voet geboden op basis van gegevens die bij elke beslagleggende partij bekend en gelijk zijn.
Zoals ik in mijn antwoord op de eerste vraag heb geschetst, kent een implementatietraject van deze omvang altijd opstartproblemen. Mijn inzet is erop gericht om deze tot een minimum te beperken. Waar deze toch optreden, is het zaak om deze snel te identificeren en vervolgens op te lossen. De betrokken partijen en het ketenbureau van het Ministerie van SZW werken hier hard aan.
Hoeveel mensen zijn gedupeerd?
Bij naar schatting 10.000 tot 15.000 beslagleggingen op bijstandsuitkeringen is een te lage beslagvrije voet vastgesteld.
Geven de ruim 200 gemeentes die de mist in gingen, de vakantietoeslag inmiddels wel door aan de polisadministratie van het UWV?
Voor de berekening van de beslagvrije voet wordt onder andere gebruikgemaakt van gegevens uit de Polisadministratie van het UWV. Er is gebleken dat ruim 200 gemeenten de vakantietoeslag van bijstandsgerechtigden niet maandelijks maar in een ander ritme, doorgaans jaarlijks, doorgeven aan de Polisadministratie. Binnen de systematiek van de loonaangifteketen is dit toegestaan. Daarom benadruk ik dat er geen sprake is van een fout van de betreffende gemeenten. De gemeenten die de vakantietoeslag in een ander ritme doorgeven, mogen dat dan ook blijven doen. De rekenmodules waarmee de beslagvrije voet wordt berekend, gaan ervanuit dat inkomensverstrekkers de vakantietoeslag maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie. De beslagvrije voet bedraagt bij inkomens rond het bijstandsniveau 95% van het inkomen inclusief vakantietoeslag. Wanneer de vakantietoeslag niet elke maand aan de Polisadministratie wordt doorgegeven, komt uit de rekenmodules voor de beslagvrije voet een te lage beslagvrije voet (95% van het inkomen exclusief vakantiegeld). Gemeenten die de vakantietoeslag niet maandelijks doorgeven aan de Polisadministratie verhogen de beslagvrije voet voorlopig handmatig tot 95% van het inkomen. Deze werkwijze is tijdelijk. Voor de uitwerking van de structurele oplossing zullen de rekenmodules aangepast worden.
Speelt dit probleem ook bij andere uitkeringsverstrekkers of bij werkgevers?
Op dit moment wordt door het ketenbureau bekeken welke inkomensverstrekkers op eenzelfde wijze de vakantietoeslag doorgeven als de in vraag 4 genoemde gemeenten. Deze informatie wordt gebruikt bij het vinden van een structurele oplossing teneinde gelijksoortige problemen te voorkomen in de toekomst.
Is er zicht op in hoeverre deurwaarders daadwerkelijk het te veel geïnde geld terugstorten naar de gedupeerden?
De Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft alle gerechtsdeurwaarders verzocht om de te veel ingehouden inkomsten door te storten naar de mensen zelf bij wie te veel inkomsten zijn ingehouden. Als de gerechtsdeurwaarder geen rekeningnummer heeft van de betrokkene, zal de gerechtsdeurwaarder het geld terugstorten naar de gemeente die dit op haar beurt direct doorstort naar de betreffende persoon. Dat kan zolang dit geld nog op de derdengeldrekening van de gerechtsdeurwaarder staat. Wanneer de gerechtsdeurwaarder het ingehouden bedrag al heeft doorgestort naar de schuldeiser, moet een oplossing op maat worden gezocht. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een schuldeiser die het te veel ingehouden bedrag zelf terugstort aan de schuldenaar of dat er afspraken worden gemaakt zodat er de navolgende maanden minder op het inkomen wordt ingehouden. Exacte aantallen hieromtrent zijn helaas niet te noemen. Tot nu toe ontvangt de KBvG geen signalen waaruit blijkt dat er geen gehoor wordt gegeven aan de oproep. Indien de KBvG in individuele gevallen verneemt dat herstel uitblijft, zal hieromtrent contact worden opgenomen met het betreffende kantoor. Gerechtsdeurwaarders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van toezicht. Als hiertoe aanleiding is, kunnen er vanuit het toezicht maatregelen worden genomen.
Bent u bereid te inventariseren welke gerechtsdeurwaarders de beslagvrije voet niet respecteren, niet meer deel te laten nemen aan aanbestedingen?
Elke beslagleggende partij dient bij beslag op periodieke inkomsten de beslagvrije voet te respecteren. Dit geldt ook voor gerechtsdeurwaarders. Zij leggen deze beslagen in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Zij zijn hiertoe bij wet aangewezen. Bij de uitvoering van hun wettelijke taken en ook voor wat betreft het in acht nemen van de beslagvrije voet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan toezicht.
Bij aanbestedingstrajecten wordt niet specifiek de eis gesteld dat een gerechtsdeurwaarder zich moeten houden aan de beslagvrije voet. Het meer algemene uitgangspunt dat gerechtsdeurwaarders zich moeten houden aan geldende wet- en regelgeving – waaronder die inzake de beslagvrije voet – is hiervan uiteraard wel onderdeel. Wanneer hieraan niet wordt voldaan, kan de opdrachtgever in overleg treden met de desbetreffende gerechtsdeurwaarder om zorg te dragen dat alsnog wordt voldaan aan de verplichtingen.
Wat is de volgorde van invorderen en het hanteren van de beslagvrije voet als de gemeente nog een verrekening heeft van leenbijstand?
In geval de gemeente een vordering heeft van terug te vorderen leenbijstand, is deze vordering preferent, net als andere terugvorderingen binnen het sociale zekerheidsdomein. Een dergelijke terugvordering gaat voor op concurrente vorderingen, zoals consumptieve kredieten, telefonie of van webwinkels. Bij het terugvorderen van de leenbijstand dient de gemeente de beslagvrije voet in acht te nemen.
Gaat u regelen dat alle gedupeerden hun geld terugkrijgen en of niet meer hoeven af te dragen de komende maanden om de schade in te lopen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de voorzitter van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden: «Ze hadden kunnen weten dat ze te veel ontvangen. Wanneer je vervolgens dit «blind» doorstort naar de schuldeiser, dan heb je ook een verantwoordelijkheid om dit proactief terug te halen. De deurwaarder kan ervoor zorgen dat er de komende maanden geen afdracht plaatsvindt om de schade in te lopen.»?
De KBvG heeft haar leden verzocht om de mensen die het betreft actief op te zoeken, direct de beslagvrije voet aan te passen en indien mogelijk het te veel ingehouden bedrag terug te storten. Als de gerechtsdeurwaarder het bedrag al heeft doorgestort aan de schuldeiser wordt naar een oplossing op maat gezocht (zie hierover nader het antwoord op vraag 6).
Hoe verklaart u dat de «checks» bij de deurwaarders op een te lage beslagvrije voet kennelijk niet hebben gewerkt en dat zij voor deze mensen niet hebben voldaan aan de zorgplicht om de schuldenaren met genoeg leefgeld achter te laten? Hoe gaat u zorgen dat dit in de toekomst beter gaat?
Het knelpunt is snel aan het licht gekomen door intensieve samenwerking tussen gerechtsdeurwaarders en gemeenten. Het ketenbureau en de ketenpartijen blijven nauw samenwerken om de processen en systemen continu te monitoren en optimaliseren, zodat eventuele knelpunten zo snel mogelijk aan het licht komen en kunnen worden opgelost. Gerechtsdeurwaarders en andere beslagleggende partijen stellen de beslagvrije voet vast op basis van gegevens uit de Polisadministratie en de BRP. Zoals ook tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet met uw Kamer is gewisseld, bestaat er een kans dat de beslagvrije voet op basis van deze gegevens niet correct is. Het is daarom belangrijk dat de burger of betrokken hulpverlener de gebruikte gegevens controleert. De burger heeft uiteindelijk als enige de beschikking over alle actuele gegevens om de beslagvrije voet correct te kunnen berekenen. Dit laat uiteraard onverlet dat alle beslagleggende partijen, waaronder de gerechtsdeurwaarders, zich moeten inspannen om de beslagvrije voet zo precies mogelijk te berekenen.
Bent u bereid om de tijdelijke oplossing die nu gevonden is permanent te maken door gemeenten vijf procent van het totaal inkomen te laten afdragen?
Op dit moment onderzoek ik of deze optie als permante oplossing kan dienen.
Kunnen er nog meer fouten zitten in de berekening van de beslagvrije voet? Zo ja, hoe komen deze aan het licht?
Een implementatietraject van deze aard en omvang gaat gepaard met knelpunten. Ik benadruk dat de ketenpartijen – gerechtsdeurwaarders, gemeenten, waterschappen, UWV, de SVB, de Belastingdienst, het CJIB en het LBIO – en het ketenbureau alles in het werk stellen om deze in voorkomende gevallen zo snel mogelijk te identificeren en op te lossen. Daarbij benadruk ik het belang van de eerdergenoemde controlerende functie van de burger of diens hulpverlener (zie hierover het antwoord op vraag 11). Eventuele misrekeningen of onjuiste dan wel verouderde gegevens moeten zo snel mogelijk worden doorgegeven aan de beslagleggende partij, zodat zij de beslagvrije voet kan herzien.
Bent u bereid te onderzoeken welke problemen er zijn met de berekening van de nieuwe beslagvrije voet en dit met de Kamer te delen?
De toenmalig Staatssecretaris van SZW heeft uw Kamer bij brief van 8 december 2020 medegedeeld dat het Ministerie van SZW en de ketenpartijen intensief contact onderhouden om samen een vinger aan de pols te houden.3 Dat zal ook de komende tijd zo blijven. Recentelijk heb ik uw Kamer een voortgangsbrief gestuurd met daarin onder meer de knelpunten die zich hebben voorgedaan in de eerste maanden na inwerkingtreding van de wet.4 Ik zal uw Kamer regelmatig op de te hoogte houden van de voortgang.
Waar kunnen mensen zich melden als zij vermoeden dat de beslagvrije voet verkeerd wordt berekend?
Mensen die vermoeden dat de beslagvrije voet verkeerd is berekend kunnen dit controleren via de rekentool op het online burgerportaal (www.uwbeslagvrijevoet.nl). Als zij concluderen dat een verkeerde beslagvrije voet is berekend of als zij twijfelen over de berekende beslagvrije voet, kunnen zij zich melden bij de beslagleggende partij. Als er meerdere beslagen op een inkomstenbron zijn gelegd, beantwoordt de coördinerende deurwaarder vragen over de beslagvrije voet. De gegevens van de beslagleggende partij staan op de brief die mensen ontvangen als er beslag op hun inkomen is gelegd (zgn. modelmededeling).
Gaat u een leidende rol op zich nemen om te zorgen dat problemen centraal gemeld worden en dat gecontroleerd wordt dat problemen structureel naar behoren worden opgelost?
Ja. Het Ministerie van SZW heeft het ketenbureau voor de keten voor derdenbeslag opgericht. Het ketenbureau heeft onder meer tot taak het registeren en delen van knelpunten en heeft een coördinerende rol bij het oplossen daarvan. Op deze manier wordt geborgd dat de verschillende ketenpartijen oplossingen uniform implementeren.
Wilt u deze vragen, gezien de prangende problematiek, met spoed beantwoorden?
De beantwoording van de vragen is zo spoedig als mogelijk opgesteld. Dit vergde meer tijd dan gebruikelijk in verband met interdepartementale en externe afstemming.
Het bericht ‘Ook in coronatijd ernstige incidenten, zoals bijna-botsingen, op Schiphol. Onderzoeksraad voor Veiligheid: ‘Ernst onvoldoende duidelijk’ |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook in coronatijd ernstige incidenten, zoals bijna-botsingen, op Schiphol. Onderzoeksraad voor Veiligheid: «Ernst onvoldoende duidelijk»»?1
Ja.
Klopt het dat er afgelopen jaren 28 runway incursions en 47 afgebroken starts waren?
Ja, dat klopt.
Hoe reageert u op de waarschuwing van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat partijen nog steeds onvoldoende doordrongen lijken te zijn van de ernst van de boodschap?
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) heeft in 2017 in het rapport «Veiligheid Vliegverkeer Schiphol» een reeks aanbevelingen gedaan om de veiligheid op Schiphol verder te verbeteren. Sinds het verschijnen van het rapport wordt door zowel de sectorpartijen als het ministerie hard gewerkt aan de opvolging van de aanbevelingen. In 2019 heb ik onafhankelijke onderzoekers gevraagd om de opvolging van de aanbevelingen te evalueren. De evaluatie wees uit dat bij een groot deel van de aanbevelingen tegemoet was gekomen aan de achterliggende zorg en daarmee sprake was van adequate opvolging. Bij zes van de vierentwintig (deel)aanbevelingen waren volgens de onderzoekers wel maatregelen getroffen of gepland die effectief zijn, maar was het op het moment van de evaluatie nog onzeker in hoeverre die maatregelen de achterliggende zorg konden wegnemen. De afgelopen periode zijn extra inspanningen geleverd om specifiek op die zes aanbevelingen resultaten te boeken. Later dit jaar zal ik nogmaals laten evalueren hoe de opvolging van de aanbevelingen van de OvV ervoor staat.
Hoe verklaart u dat er vorig jaar 28 runway incursions waren bij 241.000 vliegbewegingen2, terwijl er in 2019 28 runway incursions waren bij 516.000 vliegbewegingen en in 2018 31 runway incursions bij 518.000 vliegbewegingen? Hoe verklaart u dat het risico op runway incursions in 2020 tweemaal zo groot is geworden ten opzichte van voorgaande jaren, terwijl het qua verkeersdrukte juist tweemaal zo rustig was op Schiphol?
Runway incursions worden gemeld bij het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL). In de Staat van Schiphol wordt toegelicht dat 16 van de 28 meldingen bij het ABL op één dag in januari 2020 hebben plaatsgevonden, op deze dag werd gedurende 25 minuten namelijk door 16 vliegtuigen op de Zwanenburgbaan geland terwijl deze gesloten was.
De procedure voor ingebruikname van een baan is dat LVNL vanaf de verkeerstoren de luchthaven informeert over het tijdstip dat zij een baan in gebruik wil nemen. Hierna volgt een inspectie van de baan door de luchthaven. Als dat heeft plaatsgevonden, vraagt LVNL formeel de baan voor ingebruikname aan bij de luchthaven. Op 18 januari 2020 heeft het informeren over het tijdstip en het aanvragen van de inspectie plaatsgevonden. De baanverlichting en de stopbars zijn aangezet. De laatste stap van de procedure – het telefonisch vragen aan de luchthaven om de baan formeel beschikbaar te stellen – is door LVNL echter niet uitgevoerd, zo is uit eigen onderzoek van LVNL gebleken.
Over deze situatie en het ontstaan hiervan heb ik u op 9 maart geïnformeerd. De OvV is een onderzoek gestart naar dit voorval en de sector (ISMS) heeft technische maatregelen genomen om een dergelijk voorval te voorkomen. Over de uitkomsten van het OvV onderzoek zal ik u informeren.
Hoe verklaart u dat er vorig jaar 47 afgebroken starts waren bij 241.000 vliegbewegingen terwijl er in 2019 ook 58 afgebroken starts waren bij 516.000 vliegbewegingen? Hoe verklaart u dat het risico op afgebroken starts vorig jaar haast tweemaal zo groot is geworden ten opzichte van 2019, terwijl het qua verkeersdrukte tweemaal zo rustig was op Schiphol?
Bij het ABL worden ook de afgebroken starts gemeld. De ILT heeft onlangs in de Staat van Schiphol opgemerkt dat het aantal gemelde afgebroken starts in 2020, met aanzienlijk minder vliegverkeer op Schiphol dan in 2019, in verhouding hoger is. De ILT blijft dit monitoren en zal voor beide jaren analyseren om welk type vliegtuigen en maatschappijen het gaat en de reden als deze erbij is opgegeven.
Zijn er meer in het algemeen redenen te bedenken waarom het aantal voorvallen zo fors toeneemt bij minder druk(te)?
Het is in de luchtvaartsector verplicht om allerlei typen voorvallen bij het ABL te melden, ook als er geen sprake is van een direct risico of gevaar voor de veiligheid. Dit leidt tot een groot aantal meldingen van voorvallen zonder groot risico. In gebruiksjaar 2020 zijn er ongeveer 4.500 meldingen van voorvallen op Schiphol. In verhouding met het aantal vliegtuigbewegingen is dit vergelijkbaar met 2019.
Een algemene reden voor een minder grote afname van bepaalde voorvallen – bijvoorbeeld afgebroken starts – is op basis van de beschikbare informatie niet te geven.
Hoe verhouden de waargenomen statistische risico’s in 2020 zich tot omliggende grote luchthavens in hetzelfde jaar? Is op luchthavens zoals Heathrow, Charles de Gaulle of Frankfurt ook eenzelfde forse toename van voorvallen te zien?
Dergelijke informatie heb ik nu niet beschikbaar, ook de ILT beschikt – als toezichthouder op Nederlandse luchthavens – niet over gegevens van luchthavens buiten Nederlands grondgebied.
Welke maatregelen bent u van plan op korte termijn te nemen? Is het wel verantwoord om te wachten op een «comité dat al een paar jaar bezig is met de nodige verbeteringen», zoals het bericht stelt? Hoe ziet de planning eruit van de nog niet uitgevoerde, maar wel aanbevolen maatregelen?
Het comité dat genoemd is in het artikel in de Telegraaf3 is het zogeheten sectorbrede Integraal Safety Management Systeem (ISMS). Binnen het ISMS werken betrokken sectorpartijen samen aan maatregelen om de veiligheid op Schiphol verder te verbeteren. Er wordt dus niet gewacht op het ISMS, het ISMS is sinds 2018 operationeel en levert regelmatig maatregelen op die de veiligheid verbeteren. Via de roadmap veiligheidsverbetering, die gepubliceerd is in 2018, houden sectorpartijen alle voorgenomen, in ontwikkeling zijnde en uitgevoerde maatregelen op Schiphol bij. Sommige maatregelen op de roadmap worden over enkele jaren opgeleverd, andere op kortere termijn. In mijn brief aan uw Kamer van 9 maart 20214 heb ik aangegeven welke belangrijke maatregelen er de komende periode nog worden getroffen. Voor een volledig overzicht van de maatregelen van het ISMS verwijs ik u graag naar de roadmap, die te vinden is op integralsafetyschiphol.nl.
Vanuit haar verantwoordelijkheid houdt de ILT toezicht en rapporteert in de Staat van Schiphol over het functioneren van het ISMS en de voortgang van de roadmap.
Het bericht 'Zorgmedewerkers ervaren vaccinatiedruk' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgmedewerkers ervaren vaccinatiedruk»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht en de signalen die onder andere vakbonden afgeven?
We hebben intensief contact met zowel werkgevers- als werknemersorganisaties over het vaccinatieproces. De werkgeversorganisaties geven aan dat het vaccinatieproces voor zorgpersoneel zorgvuldig verloopt. In het proces is veel aandacht voor voorlichting en informatieverstrekking, waarbij het vrijwillige karakter van de vaccinatie wordt benadrukt. Vanuit de werknemersorganisaties hebben we echter wel enkele signalen ontvangen die erop wijzen dat werknemers de oproep om zich te laten vaccineren en de uitleg daarover als dwingend ervaren. Dit zijn zorgelijke signalen omdat er geen sprake mag zijn van dwang of drang richting werknemers om zich te laten vaccineren. Vaccinatie is en blijft vrijwillig.
Vanwege de bescherming van de volksgezondheid en de mogelijkheid de samenleving weer te openen, achten wij het van groot collectief belang om deelname aan het vaccinatieprogramma te stimuleren, maar het moet een vrije keuze blijven voor mensen om zich te laten vaccineren, dat is een grondrecht (artikel 8 EVRM). Het kabinet kiest daarom voor beleidsinterventies die de keuze voor vaccinatie kunnen beïnvloeden, maar de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Dit conform het advies van de Gezondheidsraad van 4 februari 2021 «Ethische en juridische afwegingen COVID-19-vaccinatie».
Is er nader inzicht te geven in de omvang van deze signalen, zowel in de zorg als eventueel in andere sectoren over (ervaren) vaccinatiedruk richting personeel vanuit directie of op de werkvloer onder collega’s?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee mag er geen sprake zijn van vaccinatiedwang of -drang. We hebben de werknemersorganisaties gevraagd om nader inzicht te geven in deze signalen. Daaruit bleek dat er inderdaad enkele meldingen zijn binnengekomen bij de vakbonden van zorgmedewerkers die vaccinatiedwang of -drang vanuit hun werkgever en/of collega’s ervaren. De vakbonden hebben ons laten weten dat het in de afgelopen vier weken om circa 20 meldingen ging. Vanwege de vertrouwelijkheid van de meldingen kunnen zij geen nadere info verschaffen over deze meldingen.
Daarnaast is bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) nagegaan of zij meldingen hebben ontvangen. De ISZW laat weten dat er geen meldingen binnengekomen zijn over vaccinatiedwang of -drang. De ISZW heeft op grond van de Arbeidsomstandighedenwet ook geen grondslag om hierop te handhaven. Er worden namelijk geen bepalingen uit de Arbeidsomstandighedenwet overtreden als er sprake is van (ervaren) vaccinatiedwang of -drang. Bij de IGJ is een enkel signaal binnengekomen waarin sprake was van een indirecte vorm van vaccinatiedrang. De IGJ heeft vanuit haar taakstelling geen aanleiding gezien om dit signaal verder in behandeling te nemen en is hier ook geen logisch aanspreekpunt voor.
Deelt u de mening dat er op geen enkele wijze sprake kan zijn van dwang of drang ter zake vaccinatie?
Zie het antwoord op vraag twee.
Wat wordt er gedaan aan informatievoorziening en voorlichting richting (zorg)personeel ter zake vaccinatie (enerzijds inzake de werking van het vaccin en anderszijds inzake de eigen afweging van een werknemer)?
We hebben intensief contact met zowel werkgevers- als werknemersorganisaties over de voortgang van het vaccinatieproces. Tijdens deze gesprekken is benadrukt dat vaccinatie vrijwillig is en dat er geen sprake kan zijn van dwang of drang richting werknemers.
Vanuit de overheid wordt ook aangestuurd op het voorkomen van drang bij de vaccinatiecampagne. In de huidige vaccinatiecampagne wordt vooral gebruik gemaakt van milde vormen van gedragsbeïnvloeding die de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Er wordt met name gebruik gemaakt van overreding en advisering om deelname aan het COVID-19-vaccinatieprogramma te stimuleren, door het belang van vaccineren te benadrukken. Overreding gaat over het met redelijke argumenten overtuigen van mensen om zich te laten vaccineren, zoals het geven van technische informatie over de werking van de vaccins en het gericht tegengaan van desinformatie. Advisering gaat over het in staat stellen van mensen om een geïnformeerde keuze te maken, zoals betrouwbare en wetenschappelijk onderbouwde informatie over de ontwikkeling van vaccins. In de publiekcommunicatie rondom vaccinatie wordt daarom vooral ingezet op het geven van transparante, toegankelijke en begrijpelijke informatie over de beschikbare vaccins, zodat iedereen een geïnformeerde keuze kan maken.
Wordt er actie ondernomen om vaccinatiedwang of -drang op de werkvloer te voorkomen c.q. tegen te gaan? Zo ja, welke actie?
Vaccinatie is en blijft vrijwillig. Deze vrijwilligheid wordt ook benoemd in onze gesprekken met de sociale partners en in de communicatiemiddelen die de overheid rondom de vaccinatie beschikbaar stelt. Vaccineren raakt immers het grondrecht van burgers op onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. En als iemand om religieuze redenen niet gevaccineerd wil worden, kan ook de vrijheid van godsdienst worden geraakt. Deze grondrechten zijn vastgelegd in het EVRM en de Nederlandse Grondwet.
Als een werknemer vaccinatiedwang- of drang vanuit de werkgever ervaart kan hij/zij dit het beste eerst met de werkgever bespreken. Zo nodig kan de werknemer binnen de eigen organisatie terecht bij de ondernemingsraad of de vertrouwenspersoon voor advies. Ook de arbodienst of de bedrijfsarts kan worden geraadpleegd. Het is belangrijk dat de werkgever weet welke bezwaren een werknemer eventueel heeft tegen vaccinatie. Als het om medische gegevens gaat, kan de werknemer deze met de bedrijfsarts bespreken. Dan kan gezamenlijk worden bekeken of mogelijk besmettingsgevaar van collega’s en/of patiënten/cliënten anders dan door vaccinatie kan worden weggenomen, bijvoorbeeld door het (blijven) dragen van beschermingsmiddelen, het (tijdelijk) vervullen van andere werkzaamheden of anderszins.
Op basis van het goed werkgeverschap en goed werknemerschap, zoals neergelegd in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek, mag van de werkgever en de werknemer worden verwacht dat zij in onderling overleg streven naar een passende oplossing. In het uiterste geval heeft de werkgever of de werknemer de mogelijkheid om naar de rechter te stappen als binnen de arbeidsrelatie geen overeenstemming bereikt kan worden over de door de werknemer (ervaren) vaccinatiedwang of -drang en de wens van de werkgever om besmettingsgevaar op de werkvloer zoveel mogelijk tegen te gaan.
Bent u bereid dit aan de orde te stellen in overleg met vakbonden en met name in overleg met werkgeversorganisaties?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 hebben we tijdens onze gesprekken met zowel werkgevers- als werknemersorganisaties nadrukkelijk aandacht voor de vrijwilligheid van vaccinaties en hebben we ook deze signalen besproken. We zullen de vrijwilligheid ook in de toekomst blijven benadrukken.
Het bericht ‘Vader van honderden’ en massadoneren van sperma. |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vader van honderden» in de Volkskrant1 naar aanleiding van het bericht «The Case of the Serial Sperm Donor» in de New York Times van 1 februari jl. en het daar op aansluitende televisie item?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat een donor zoals Jonathan internationaal honderden kinderen heeft verwekt en dat al die kinderen dus wereldwijd honderden halfbroertjes en -zusjes hebben, hetgeen – zoals uit onderzoek is gebleken en door Stichting Donorkind wordt bevestigd – zeer belastend kan zijn op psychosociaal gebied (uit ervaring is bekend dat boven het aantal van tien dit ongemakkelijk wordt)?3
Ik vind het onwenselijk wanneer donoren grote aantallen kinderen verwekken. Dit is echter niet te voorkomen zolang vrouwen in de privésfeer (dus buiten een kliniek om) met spermadonoren in zee gaan. Ik ben van mening dat het van groot belang is dat wensouders zich de consequenties realiseren van hun keuze om via internet of social media een spermadonor te vinden of daarvoor uitwijken naar het buitenland. Op die manier is geen zicht op het aantal kinderen dat verwekt is met de zaadcellen van een donor en kan het gebeuren dat een donorkind later geconfronteerd wordt met een groot aantal halfbroers en -zussen, wat voor sommigen heel belastend kan zijn. Ook kan sprake zijn van een anonieme donor waardoor afstammingsinformatie ontbreekt.
Hoe lang weet u al dat de norm van maximaal 25 kinderen/12 gezinnen per spermadonor gemakkelijk te omzeilen is, doordat iedere kliniek werkt met een zelf gegenereerde code per donor in plaats van bijvoorbeeld het burgerservicenummer en de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (SDKB) gegevens niet kan koppelen? Klopt het dat dit «lek» al in 2016 aan het licht kwam in het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), waarin werd gesteld: «De inspectie concludeert dat een betere informatie-uitwisseling tussen de klinieken en de SDKB noodzakelijk is», en dat u daar vooralsnog niets mee heeft gedaan?
Uit het door u genoemde rapport van de Inspectie uit 2016 bleek dat de verschillende klinieken op verschillende wijze met deze norm zijn omgegaan. Sommige klinieken hanteerden een maximum van 25 kinderen, andere klinieken keken naar het aantal gezinnen waar het semen voor gebruikt wordt.
In 2016 waren de meningen nog verdeeld over hoe de centrale registratie van het aantal kinderen per donor vorm gegeven zou moeten worden. In het rapport «Van donor tot donorkind: ketenzorg en registratiesystematiek in de huidige Nederlandse fertiliteitsklinieken op orde» (27 september 2016) merkte de IGJ (toen IGZ) hierover op dat veel klinieken hierin een rol zagen voor de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting (Sdkb), maar dat de Sdkb hier met haar wettelijke taakstelling geen mogelijkheden toe had. De inspectie heeft het Ministerie van VWS naar aanleiding van dit rapport geadviseerd in 2017 een vervolgevaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) uit te voeren met de focus op het Sdkb-register en de wettelijke taakopdracht van de Sdkb, inclusief de eventuele rol bij het monitoren van het maximaal aantal kinderen per donor. Het rapport van deze evaluatie4 heb ik op 29 mei 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden en mijn reactie op dit rapport op 26 september 20195. De aanbevelingen met betrekking tot het monitoren van het aantal kinderen per donor zijn verwerkt in het wijzigingsvoorstel van de Wdkb. Ik heb het advies van de Raad van State met betrekking tot dit wijzigingsvoorstel recentelijk ontvangen en zal het wetsvoorstel na verwerking van het advies zo spoedig mogelijk aanbieden aan de Tweede Kamer.
Het klopt dat de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) in 2017 het Ministerie van VWS op de hoogte heeft gebracht dat er sprake was van een donor die veel kinderen had verwekt in verschillende klinieken en mogelijk ook daarbuiten. Om uit te sluiten dat er meerdere donoren waren die een groot aantal kinderen had verwekt was de wens dat de Sdkb het gehele register zou doorzoeken op spermadonoren die in meerdere klinieken actief zijn (geweest) en te bezien hoeveel zwangerschappen er in totaal zijn geregistreerd van deze donoren. Dit was echter niet mogelijk omdat de Sdkb hier geen wettelijke grondslag voor had en heeft. Met de wijziging van de Wdkb, die zoals gezegd binnenkort aan de Tweede Kamer aangeboden wordt, wordt voorzien in de mogelijkheid van centrale monitoring van het maximaal aantal kinderen per donor. De IGJ heeft geen vervolgonderzoek verricht naar de aantallen bij de klinieken.
Waarom is geen gevolg gegeven aan het advies uit 2016 van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM) om over te gaan tot centrale registratie? Klopt het dat al in 2017 door de NVOG werd gewaarschuwd voor de desbetreffende donor? Klopt het dat de IGJ vervolgonderzoek heeft uitgevoerd naar de aantallen bij klinieken en dat ook uit een evaluatie van ZonMw in 2019 naar voren kwam dat de gegevens niet correct waren? Waren deze signalen bij u bekend en wat heeft u daarmee gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich uw opmerking in het algemeen overleg Medische ethiek, donorgegevens kunstmatige bevruchting en orgaandonatie van 15 oktober 2020, dat spermabanken uit het buitenland, dus ook Deense spermabanken, zich moeten houden aan het maximum aantal kinderen in ons land, toen u zei: «Het is natuurlijk wel zo dat, als klinieken in Nederland gebruikmaken van donorzaad uit het buitenland, gewoon de Nederlandse wetgeving geldt. Voor het gros van de kinderen die in Nederland worden geboren, geldt dus gewoon de Nederlandse wetgeving en daarmee gelden ook de eisen die in de Nederlandse wetgeving worden gesteld»?4
Ja.
Klopt het dat de IGJ al in 2016 erop heeft gewezen dat Cryos helemaal niet kan controleren of het Nederlandse maximum aantal wordt overschreden? Wat heeft u met dit bericht van de IGJ gedaan? Hoe is dit voor andere buitenlandse en/of commerciële klinieken waar Nederlandse klinieken mee samenwerken? Is er zicht op welke klinieken in Nederland werken met donorsperma uit buitenlandse klinieken?
De IGJ heeft in haar rapport «Van donor tot donorkind: ketenzorg en registratiesystematiek in de huidige Nederlandse fertiliteitsklinieken op orde» (27 september 2016) aangegeven aandacht te zullen vragen bij het Ministerie van VWS voor de mogelijke risico’s en onduidelijkheden rond het beleid van buitenlandse semenbanken in relatie tot de vereisten van de Wdkb en de monitoring van het aantal kinderen per donor.
Inmiddels kan Cryos vanwege veranderingen in de Deense wetgeving als spermabank geen donorsperma meer verzenden naar privéadressen. Verzending is alleen toegestaan naar goedgekeurde weefselcentra, vruchtbaarheidsklinieken, ziekenhuizen en geautoriseerde professionele zorgverleners. Cryos volgt ook het nationale quotum voor het aantal gezinnen dat een donor in een bepaald land kan gebruiken.
Ik heb geen zicht op welke klinieken in Nederland werken met donorsperma uit buitenlandse klinieken. Klinieken dienen de (persoonsidentificerende) gegevens van donoren van ei- en zaadcellen te registreren bij de Sdkb op basis van de Wdkb. Dit geldt ook wanneer bij een behandeling gebruik gemaakt wordt van buitenlandse donoren.
Wat is volgens u de Nederlandse norm van 25 kinderen/12 gezinnen voor Nederlandse donorkinderen en hun ouders waard wanneer een donor van een buitenlandse spermabank (zoals Cryos) in Nederland tot het gestelde maximum sperma kan doneren, maar tegelijkertijd ook in alle andere landen tot het maximum aldaar? Bent u het met mij eens dat het tegenstrijdig beleid is dat Nederlandse klinieken gebruik mogen maken van donoren van buitenlandse spermabanken, waarbij het aantal nakomelingen kan oplopen tot honderden kinderen, terwijl de norm in de Nederlandse wet is gesteld op 12 gezinnen (vrouwen)?
Voor het gebruik van buitenlandse donoren in Nederland geldt identieke wet- en regelgeving als voor het gebruik van Nederlandse spermabankdonoren en Nederlandse eigen donoren. De beroepsgroepen NVOG en KLEM hebben in het Landelijke standpunt spermadonatie7 opgenomen dat klinieken dienen te zorgen voor een juridisch geldend samenwerkingscontract met de buitenlandse spermabank. De standaard is dat klinieken alleen zaken doen met spermabanken die onder meer gebruik maken van een zogenaamd «pregnancy slot» om te zorgen dat het maximaal aantal van 12 vrouwen per buitenlandse donor niet wordt overschreden in Nederland. Ik kan niet voorkomen dat via de desbetreffende spermabank ook in andere landen gebruik gemaakt wordt van deze spermadonor. Wensouders dienen zich de consequenties van het gebruik van een buitenlandse donor te realiseren. Een van de consequenties is de mogelijkheid van een groot aantal nakomelingen. Het maximale aantal kinderen per donor wordt bepaald door verschillende aspecten tegen elkaar af te wegen. Deze aspecten zijn de kans op inteelt, de kans op het wijd verspreiden van een genetische aandoening, het belang van het kind, de overwegingen van de donor, en het belang van de wensmoeder en partner. In Europees verband ligt er een advies van een internationale gelegenheidswerkgroep van professionals over het maximale aantal kinderen per spermadonor, indien internationaal (binnen Europa) gebruikt. De aanbeveling van deze groep komt uit op 10–100 gezinnen waarbij men rekent op 2 kinderen per gezin8.
Bent u van plan met spoed een voorstel aan de Kamer voor te leggen om de mazen in de wet- en regelgeving te repareren? Bent u bereid in gesprek te gaan met de SDKB en andere partners om te kijken wat in de tussenliggende periode gedaan kan worden om «massadonatie» te voorkomen?
Met de wijziging van de Wdkb wordt wettelijk geborgd dat het sperma van een donor maar bij maximaal 12 vrouwen door Nederlandse klinieken mag worden gebruikt en wordt dit centraal door de Sdkb gemonitord. Ik hoop dit wijzigingsvoorstel na verwerking van het recentelijk ontvangen advies van de Raad van State zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer te verzenden. Toezicht op dit maximumaantal is evenwel niet mogelijk indien wensouders gebruik maken van donoren buiten de Nederlandse klinieken om.
Zolang het wetsvoorstel nog niet van kracht is, geldt de huidige situatie. De kliniek maakt een aantal afspraken met de donor. Een daarvan is dat de donor verklaart dat hij zich maar bij één spermabank inschrijft en dat hij zich onthoudt van donorschap langs andere kanalen zoals aanbiedingen via internet. Dit kan niet worden gecontroleerd en het is een kwestie van vertrouwen dat de donor deze afspraak nakomt.
Kunt u aangeven hoe de SDKB denkt over haar rol en de mogelijkheden om instemming te vragen van een buitenlandse spermadonor, gebruikt in een Nederlandse kliniek, als de donorkinderen bij hen aankloppen voor hun persoonsgegevens? Welke mogelijke obstakels voorziet de SDKB hierbij en wat gaat u hiermee doen?
Wanneer bij de Sdkb persoonsidentificerende gegevens van een donor worden opgevraagd stelt de Sdkb de donor van de voorgenomen verstrekking van de gegevens op de hoogte, alsmede van de gronden waarop dit voornemen berust. Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de kennisgeving kan de donor tegen de voorgenomen verstrekking bezwaar maken bij de Stichting. Verstrekking geschiedt niet dan nadat de beslissing op het bezwaar onherroepelijk is geworden. Om met de desbetreffende donor in contact te komen checkt de Sdkb, als het gaat om een in Nederland woonachtige donor, de Basisregistratie Personen (BRP) voor de huidige adresgegevens van de donor. Als het gaat om een buitenlandse donor neemt de Sdkb hiervoor contact op met de buitenlandse semenbank waar de donor zijn sperma heeft gedoneerd.
Bent u ook verontrust over het vermoeden, gebaseerd op forumberichten op internet, van Stichting Donorkind dat er een competitie bestaat tussen sommige massadonoren: wie kan de meeste kinderen verwekken? Bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Ik ben hiervan op de hoogte en vind dergelijke gedrag van donoren verwerpelijk. Ik ben niet bereid hier onderzoek naar te laten doen, omdat de uitkomst van een dergelijk onderzoek niet zal leiden tot een oplossing. Het gaat om handelingen in de privésfeer en daarop is geen toezicht mogelijk.
Wanneer wordt het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) aan de Kamer toegezonden? Waarom duurt het zo lang voordat dit wetsvoorstel naar de Kamer wordt gestuurd? De tweede evaluatie van de Wdkb is toch in april 2019 afgerond?
Ik verwacht het wetsvoorstel tot wijziging van de Wdkb op korte termijn naar de Tweede Kamer te kunnen verzenden. Het rapport van de tweede evaluatie van de Wdkb9 heb ik op 29 mei 2019 aan de Kamer aangeboden en mijn reactie op dit rapport op 26 september 2019. In die reactie heb ik aangegeven op welke punten de Wdkb gewijzigd zou worden naar aanleiding van de evaluatie. Het was noodzakelijk om de praktische invulling en de consequenties van de wetswijziging goed af te stemmen met betrokken partijen. Daarbij zijn ook de reacties betrokken die in het kader van de internetconsultatie over een concept van het wetsvoorstel zijn ingediend. Deze consultatie liep van begin juni tot eind juli 2020. De voortgang van het traject heeft enige vertraging opgelopen mede ook door de uitbraak van COVID-19.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat donoren die niet via klinieken doneren zich wel aan de regels houden? Wat vindt u van het idee van Moms on a Mission voor een registratiesysteem voor privédonaties, in casu geen apart registratiesysteem maar de mogelijkheid om te controleren of een donor waarmee je van plan bent een kind te krijgen al geregistreerd staat bij de SDKB, zodat wensouders hun eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen?
Ik heb geen middelen tot mijn beschikking om ervoor te zorgen dat donoren zich buiten de klinieken om aan de regels houden. Het is niet mogelijk een registratieplicht in te voeren voor handelingen in de privésfeer. Bovendien heeft registratie weinig zin als de donor vervolgens zijn diensten anoniem aanbiedt op bijvoorbeeld internet of in het buitenland en er wensouders zijn die van die diensten gebruik blijven maken. Registratie van donoren is geborgd wanneer spermadonatie via een Nederlandse kliniek plaatsvindt.
Ouders moeten ervan doordrongen zijn dat het gebruik van een spermadonor vanuit de ouderlijke verantwoordelijkheden niet lichtzinnig moet worden overwogen, en dat daarbij op hen een bijzondere verantwoordelijkheid ligt om dat zo te doen dat de gegevens van de donor op termijn voor het kind te achterhalen zijn en dat voor het kind bekend kan worden hoeveel halfbroertjes en -zusjes het heeft indien het kind behoefte heeft aan deze informatie. Ik adviseer wensouders daarom een spermadonor te vinden via een kliniek of om de spermadonatie van een eigen donor via een kliniek te laten plaatsvinden om zoveel mogelijk excessen te voorkomen.
Ouders die gebruik maken van een voor hen bekende donor beschikken zelf over de afstammingsinformatie van hun kind en zij kunnen deze informatie zelf aan hun kind ter beschikking stellen op een manier die zij passend vinden.
Ik onderstreep het belang van goede voorlichting. Voorlichting aan wensouders vindt plaats via klinieken en ook via particuliere websites. Fiom ontvangt van het Ministerie van VWS een instellingssubsidie als kenniscentrum op het gebied van onder meer afstammingsvragen. Zowel donorkinderen als donoren en wensouders kunnen bij Fiom terecht met allerlei vragen op dit terrein. Ook kunnen donorkinderen die op zoek zijn naar afstammingsinformatie en donoren van voor 2004 zich gratis inschrijven in de Fiom KID-DNA databank. Daarnaast is op 12 maart 2021 het digitale Landelijk informatiepunt donorconceptie officieel online gegaan. Het informatiepunt is tot stand gekomen door samenwerking tussen de Stichting donorkind, Stichting meer dan gewenst, Fiom en de Special Interest Group Gameetdonatie, die onderdeel is van de NVOG en het POINT-netwerk. Door de inrichting van dit digitale informatiepunt is alle informatie rond donorconceptie op één centraal punt te vinden. Het Ministerie van VWS financiert dit digitale informatiepunt (www.donorconceptie.nl).
Is het u bekend dat wensouders in toenemende mate kiezen voor een eigen donor? Bent u bereid om te kijken naar een mogelijkheid voor wensouders die gebruik maken van een eigen donor, buiten de klinieken om, om in een afstammingsregister de afstammingsinformatie voor het kind veilig te kunnen stellen? Bent u bereid om ook goede voorlichting rond thuisinseminaties en de mogelijke consequenties van deze route met een eigen donor in uw plannen mee te nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u aangeven hoe u de unaniem aangenomen motie Dik-Faber/Bergkamp zult uitvoeren, waarbij u ingaat op alle specifieke onderdelen van de motie, en op welke termijn u dat gaat doen?5
In de motie Dik-Faber/Bergkamp wordt de regering verzocht om11 de waarborgen, in lijn met het internationale verdrag voor de rechten van het kind, onder de aandacht te brengen in internationale gremia, bijvoorbeeld bij de Raad van Europa of andere overlegstructuren, waarbij nationale soevereiniteit het uitgangspunt blijft, en de Kamer hierover met regelmaat te informeren en12 in te zetten op het goed informeren van wensouders over de consequenties van het gebruik van buitenlandse donoren en daarbij ook de route en risico’s voor het achterhalen van donoren van buitenlandse semenbanken door Nederlandse nakomelingen specifiek in kaart te brengen.
Ad 1.
Landen kennen op het terrein van medische ethiek een grote mate van beleidsruimte. Om de nationale beleidsruimte op dit terrein te behouden heeft Nederland het Oviedo Verdrag niet geratificeerd. Daarmee is Nederland geen Party State maar slechts Member State, waardoor de invloed van Nederland beperkt is. Het Oviedo Verdrag, oftewel het Biogeneeskundeverdrag, bevat bepalingen omtrent de waardigheid en identiteit van het menselijk wezen. Het Verdrag biedt waarborgen ter eerbiediging van ieders integriteit en andere rechten en fundamentele vrijheden met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde.
Nederland neemt actief deel aan de vergaderingen van het Committee on bioethics (DH-BIO). Het DH-BIO geeft adviezen en kan geen bindende besluiten nemen. Als de gelegenheid zich voordoet, zal het Nederlandse standpunt actief worden uitdragen waarbij dan geldende nationale wet- en regelgeving uiteraard leidend is.13
Ad 2.
Voorlichting aan wensouders vindt plaats via klinieken en ook via particuliere websites. Op 12 maart 2021 is het digitale Landelijk informatiepunt donorconceptie officieel online gegaan. Het informatiepunt is tot stand gekomen door samenwerking tussen de Stichting donorkind, Stichting meer dan gewenst, Fiom en de Special Interest Group Gameetdonatie, die onderdeel is van de NVOG en het POINT-netwerk. Door de inrichting van dit digitale informatiepunt is alle informatie rond donorconceptie op één centraal punt te vinden. Daartoe behoort ook informatie over de consequenties van het gebruik van buitenlandse donoren. Het Ministerie van VWS financiert dit digitale informatiepunt (www.donorconceptie.nl). Daarnaast is Fiom beschikbaar als kenniscentrum op het gebied van afstammingsvragen om (individuele) vragen te beantwoorden en stelt Fiom informatie beschikbaar m.b.t. afstammingsvragen (www.fiom.nl).
Kent u het bericht «Rijnstate ziekenhuis hoeft identiteit zaaddonor niet bekend te maken»?6
Ja.
Deelt u ook het standpunt van de rechter dat de politiek bij de invoering van de Wdkb in 2004 met de toevoeging van de slot- en overgangsbepalingen niet genoeg rekening heeft gehouden met de belangen van donorkinderen, doordat al bestaande bekende donoren alsnog de mogelijkheid kregen om anoniem te blijven?
Ja dat standpunt deel ik en dat had ik ook al kenbaar gemaakt in mijn reactie op de tweede evaluatie van de Wdkb15.
Deelt u het standpunt dat conform internationale verdragen kinderen recht hebben om te weten van wie zij afstammen en dat het moeilijk voorstelbaar is dat belangen van een donor zwaarder wegen dan de belangen van het kind?
Ik onderschrijf het recht van ieder kind om te weten van wie hij of zij afstamt. Dat is ook het doel van de Wdkb en de reden dat deze wet is ingevoerd. Tegelijkertijd is het recht om te weten van welke ouders men afstamt niet absoluut. Het recht dient eventueel te wijken voor de rechten en vrijheden van anderen wanneer deze in het gegeven geval zwaarder wegen. De bepalingen uit het IVRK (artikel 7) en het EVRM (artikel 8) bieden de Europese lidstaten ruimte om bij het inrichten van het wettelijk stelsel de belangen van alle betrokken partijen tegen elkaar af te wegen en daarin een evenwichtige balans te treffen. De overgangsregeling van artikel 12 van de Wdkb is tegen die achtergrond tot stand gekomen. De wetgever heeft hierbij evenwel de situatie van B-donoren, zoals aan de orde in de zaak tegen Rijnstate, onvoldoende in ogenschouw gehad.
Herinnert u zich uw brief d.d. 26 september 2019 naar aanleiding van het rapport van de tweede evaluatie van de Wdkb, dat op 29 mei 2019 aan de Kamer is aangeboden, en waarin u onder meer het volgende aan de Voorzitter van de Tweede Kamer geschreven heeft?7 8
Ja. Het is echter onduidelijk waarnaar wordt verwezen bij verwijzing 8.
Wat vindt u ervan dat de rechter concludeert dat «de grens is bereikt van wat de rechter kan beslissen» en dat de politiek nu aan zet is? Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat donorkinderen alsnog kunnen achterhalen wie hun donorvader is?
De uitspraak van de rechtbank ziet op een behandeling die heeft plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). Het ziekenhuis in kwestie verkeert in een conflict van plichten. Enerzijds heeft het ziekenhuis zich jegens de moeder van het donorkind gecommitteerd om de persoonsidentificerende gegevens van de donor aan het donorkind te verstrekken na het bereiken van de leeftijd van zestien jaar, anderzijds is het ziekenhuis daartoe niet bevoegd vanwege het intrekken van de toestemming daartoe door de donor. Om te kunnen beoordelen of het ziekenhuis niettemin verplicht kan worden tot verstrekking van de persoonsidentificerende gegevens van de donor is de rechtbank van oordeel dat er een belangenafweging moet plaatsvinden tussen de belangen van het donorkind en de belangen van de donor. De rechtbank kan een dergelijke afweging niet maken, omdat de donor geen partij is in deze zaak. Volgens de rechtbank is de grens bereikt van wat de rechter kan beslissen en is de wetgever aan zet.
In mijn reactie op de tweede evaluatie van de Wdkb18 heb ik aangegeven eerst de uitspraak van de rechter in (een van de) twee rechtszaken af te wachten alvorens mij te beraden op eventuele vervolgstappen. De uitspraak van de rechtbank in de rechtszaak tegen Rijnstate is nu bekend. De uitspraak in een tweede zaak wordt uiterlijk 2 juni 2021 verwacht. In deze zaak gaat het ook om het verstrekken van persoonsidentificerende gegevens van een donor die ten tijde van zijn donatie een bekende donor wilde zijn en er later voor heeft gekozen anoniem te blijven. Ik wil ook de uitspraak in deze zaak afwachten. Afhankelijk van de uitspraak ben ik bereid een wetswijziging te initiëren. Een wetswijziging zou in kunnen houden dat gegevens van een B-donor van voor 2004 in principe worden verstrekt, tenzij de donor een zwaarwegend belang kan aantonen om niet over te gaan tot verstrekking van zijn persoonsidentificerende gegevens. Dit is meer in lijn met de geest van de Wdkb. Op deze manier worden B-donoren van voor 2004 op dezelfde wijze behandeld als de donoren van na 2004. Het is overigens ook mogelijk dat de rechtbank zal oordelen dat de kliniek waar de behandeling met de gedoneerde zaadcellen heeft plaatsgevonden op basis van de behandelovereenkomst persoonsidentificerende gegevens zou moeten verstrekken.
Wat vindt u ervan dat als een anonieme donor is overleden, familie niet wordt benaderd indien een donorkind informatie opvraagt over de donor en dat donorkinderen op andere manieren (DNA testen en stamboomonderzoek) vaak uiteindelijk toch uitkomen bij de familie – wat mogelijk nog invasiever is in de levens van mensen? Deelt u de mening dat het beschermen van de gegevens van anonieme donoren in feite achterhaald is, gezien de huidige ontwikkelingen op het gebied van internationale DNA databanken?
Ik veronderstel dat uw vraag betrekking heeft op de situatie dat een anonieme donor van voor 1 juni 2004 is overleden en zijn persoonsidentificerende gegevens niet kunnen worden verstrekt vanwege het ontbreken van instemming van de donor. Artikel 12 van de Wdkb voorziet niet in een vervangende regeling ingeval van overlijden van de donor. De situatie is anders in gevallen waarop artikel 3 van de Wdkb ziet. In dat geval is verstrekking van de persoonsidentificerende gegevens van de donor aan het donorkind het uitgangspunt en zal het overlijden van een donor niet automatisch betekenen dat geen verstrekking meer kan plaatsvinden.
Ik ben niet van mening dat het beschermen van de gegevens van anonieme donoren van voor 2004 achterhaald is; ook niet in het licht van de huidige ontwikkelingen op het gebied van internationale DNA databanken. Anonieme donoren van voor 2004 zijn altijd in de veronderstelling geweest dat zij anoniem zouden blijven. Deze donoren hebben recht op bescherming op basis van artikel 8 EVRM dat bepaalt dat het privéleven en gezinsleven van burgers moet worden beschermd.
Het bericht dat online discriminatie geen prioriteit heeft |
|
Jasper van Dijk (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat online discriminatie het verdient om aangepakt te worden omdat het zeer kwalijke gevolgen heeft? Zo nee, waarom niet?1
Ja, die mening deel ik.
Hoeveel aangiftes en meldingen van online discriminatie en haat zijn er geweest in 2019 en 2020? Hoeveel daarvan zijn behandeld door de politie? Hoeveel daarvan hebben tot sancties geleid tegen de dader?
Het Meldpunt internet discriminatie (MiND) ontving in 2019 een aantal van 692 meldingen; de cijfers over 2020 zijn nog niet bekend. Daarnaast worden veel meldingen direct gedaan bij online platformen en providers. Voor zover platformen transparant zijn over deze meldingen, zijn deze niet te specificeren naar online discriminatie en haat en/of naar meldingen van Nederlandse gebruikers. Aangiftes en meldingen van discriminatie en haat bij de politie worden niet gedifferentieerd naar online en offline.
Meldingen bij MiND en rechtstreekse meldingen bij platformen en providers zijn in beginsel gericht op het ontoegankelijk maken («verwijderen») van content, en niet op strafrechtelijke vervolging.
Omdat via social media in potentie (zeer) veel strafbare uitingen kunnen worden gedaan, helpen wegingsfactoren – zoals de ernst van het feit, de mate van verspreiding ervan en de maatschappelijke onrust die de uiting heeft veroorzaakt – het OM bij het maken van een selectie in welke zaken tot strafvervolging wordt overgegaan. Bij de vervolgingsbeslissing houdt het OM oog voor de brede aanpak van discriminatie; meegewogen wordt dat in sommige gevallen andere dan strafrechtelijke middelen een meer betekenisvolle bescherming kunnen bieden.
In de onlangs gepubliceerde jaarcijfers van het Openbaar Ministerie over 2020 geeft het OM aan dat het coronavirus er voor zorgde dat discriminatie op een andere manier zichtbaar werd dan voorheen; terwijl het OM in 2019 nog veel discriminatie rond de voetbalvelden registreerde, werd in 2020 bij het OM vooral online discriminatie geregistreerd. Er zijn geen cijfers beschikbaar die inzicht geven in het aantal strafrechtelijke veroordelingen van online discriminatie dan wel het aantal uitingen dat door providers en platformen ontoegankelijk is gemaakt.
Hoeveel fte is beschikbaar bij de politie en de opsporing om online discriminatie en haat tegen te gaan?
Bij het opmaken van een aangifte door de politie wordt geen onderscheid gemaakt of strafbare uitingen online worden gedaan dan wel in de fysieke ruimte. Daarnaast zijn bij de politie geen fte’s exclusief beschikbaar voor de opsporing van online discriminatie en het online aanzetten tot haat. De aanpak van misdrijven als discriminatie en aanzetten tot haat maken onderdeel uit van de reguliere politietaak. De inzet van de politie is mede afhankelijk van werkaanbod, prioritering door het lokaal gezag en beschikbare capaciteit.
Vindt u het aantal fte voldoende? Zo nee, wat gaat u hierop ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Nemen de online platforms op dit moment voldoende verantwoordelijkheid volgens u? Hoe verloopt de samenwerking tussen de platforms en de politie, bijvoorbeeld als het gaat om het delen van (persoons)gegevens?
Ik ben blij met de voortgang die op Europees en op nationaal niveau is geboekt om afspraken te maken met de grote platformen over het melden en verwijderen (Notice and Take Down) van illegale content, waaronder hate speech. Platformen als Facebook doen zichtbaar hun best om beter inzichtelijk te maken welke afwegingen ze maken bij het al dan niet verwijderen van content op hun platform. Toch ben ik van mening dat platformen meer kunnen – en ook zouden moeten – doen om online hate speech tegen te gaan, door het ontoegankelijk maken van strafbare en anderszins onrechtmatige uitingen, maar ook door het actief beperken van de verspreiding van intolerantie, het blootleggen van onjuiste assumpties en het organiseren van tegengeluid. Ik ben voornemens om – waar mogelijk samen met andere landen – verdergaande afspraken te maken om platformen ertoe te bewegen zich (nog) meer in te spannen om ongewenst online gedrag te voorkomen.
Hoe staat het in dit verband met de uitvoering van motie van het lid Jasper van Dijk om te inventariseren op welke manier de aanpak van racisme op internet geïntensiveerd kan worden?2
Ik realiseer mij dat deze motie al geruime tijd op verdere uitvoering wacht. De reden daarvoor is het belang van een aanpak die aansluit bij wat andere Europese landen doen om een goede invulling te geven aan een aanpak op nationaal niveau. Op EU-niveau wordt momenteel onderhandeld over de Digital Services Act (DSA), waarin onder andere de aansprakelijkheid van tussenpersonen als providers en platformen wordt geregeld. Ook heeft de Europese Commissie het voornemen om hate speech op te nemen in de lijst van EU-delicten, waardoor een effectievere handhaving mogelijk is. Tenslotte is een expertgroep, waarvan Nederland de vicevoorzitter levert, bezig om een nieuwe Aanbeveling (Recommendation) op te stellen inzake de aanpak van online discriminatie.
Op 10 maart 2021 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uw Kamer het rapport met de verkenning naar een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme aangeboden. Zij zal u voor het zomerreces informeren over het vervolg. Bij de versterking van de aanpak van discriminatie en racisme hoort ook een effectieve aanpak van discriminatie en racisme op het internet.
Gelet op het bovenstaande ga ik ervan uit dat voor het zomerreces een hernieuwde aanpak van online discriminatie en racisme aan uw Kamer wordt gepresenteerd.
De voorgenomen maar nooit uitgevoerde fusie tussen Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en ZonMW |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich mijn vragen uit 2018 over de voorgenomen maar nooit uitgevoerde fusie tussen NWO en ZonMW?1
Ja.
Bent u van mening dat met het wisselen van het voorzitterschap van NWO per 1 april 2021 de transitieperiode naar «het nieuwe NWO» afgesloten is?
In de evaluatie NWO2 wordt beschreven dat de Raad van Bestuur er goed in geslaagd is om de transitieplannen op adequate wijze in de organisatie door te voeren. Daarnaast concludeert de commissie dat de transitie nog niet helemaal voltooid is. Onder leiding van de Raad van Bestuur van NWO wordt gewerkt aan de (door)ontwikkeling van de NWO-organisatie.
Is er, gezien het feit dat de nieuwe voorzitter afkomstig is uit het domein van de Medische Wetenschappen (MW), enig zicht op het opnieuw ter hand nemen van de in de NWO-reorganisatie destijds zo bepleite fusie tussen NWO en ZonMW?
Nee, de huidige wijze van samenwerking voldoet. In de evaluatie van NWO wordt geconcludeerd dat het niet voor de hand ligt om op korte termijn nieuwe pogingen te ondernemen tot fuseren. De huidige samenwerkingsovereenkomst tussen NWO en ZonMw wordt door beide partijen als werkbaar en productief ervaren. Ook wij zien dat de samenwerking tussen NWO en ZonMw op grond van deze overeenkomst de afgelopen jaren sterk is verbeterd.
Bent u nog steeds van mening dat de taken van NWO en Zon te zeer van elkaar verschillen om deze in één wet te verenigen?
Ja. Bij de transitie van NWO was de oorspronkelijke doelstelling om tot een fusie te komen. De inbedding van ZonMw in NWO zou zijn beslag krijgen met het intrekken van de wet op Zon en de wijziging van de wet op de NWO. Gedurende het transitieproces zijn wij echter tot de conclusie gekomen dat een wetswijziging niet het juiste instrument is om deze doelstelling te realiseren. De taken en werkwijzen van NWO en Zon en de invulling van het opdrachtgeverschap door OCW en VWS verschillen te zeer van elkaar om in één wet te verenigen.
Op welke wijze bent u van plan om dan wél sturing te geven aan een meer formele inbedding van Zon in NWO? Welke stappen kunnen in de komende kabinetsperiode gezet worden om te komen tot een «ever closer union»?
Ik zie geen reden om te komen tot een formele inbedding, zie ook antwoord 3 en 4. De huidige samenwerking verloopt naar wederzijdse tevredenheid. Ook de evaluatiecommissie NWO constateert dat de huidige samenwerkingsovereenkomst tussen NWO en ZonMw als productief wordt ervaren en de samenwerking is verbeterd.
Ik ondersteun wel de conclusies van de evaluatiecommissie NWO dat er nog meer synergievoordelen behaald kunnen worden door de samenwerking in de toekomst verder te versterken. De commissie pleit ervoor extra aandacht te geven aan interdisciplinaire samenwerkingen. Daarbij kunnen NWO en ZonMw elkaars ervaringen hiermee benutten, bijvoorbeeld bij het verder ontwikkelen van instrumenten en beoordelingsprocedures die passen bij een multidisciplinaire benadering voor de hele kennisketen, en bij het beoordelen van maatschappelijke impact.
De Verwijsindex Risicojongeren |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat het in het algemeen overleg Huiselijk geweld/Kindermishandeling van 17 februari 2021 voor het begin van het tweede kwartaal van dit jaar toegezegde onderzoek naar de toepassing van de Verwijsindex Risicojongeren (VIR) nog in volle gang is?1
Ja.
Ligt het in de planning dat in dit onderzoek ook het perspectief van ouder en kind wordt meegenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid dit alsnog mee te nemen?
Ja. Gezien de uiteenlopende gebruikerservaringen en opvattingen over de Verwijsindex Risicojongeren (hierna: VIR) is het belangrijk dat de verschillende perspectieven op de VIR worden meegenomen in het verdiepend onderzoek. Als onderdeel hiervan worden het ouder- en kind perspectief meegenomen. De onderzoekers zullen hiertoe gesprekken voeren met een vertegenwoordiger van een ouderorganisatie en een jongerenorganisatie.
Wat is inmiddels de planning van dit onderzoek en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Ik heb uw Kamer in de brief «Stand van zaken opvolging van de wetsevaluatie Verwijsindex Risicojongeren»2 van 30 april jl. geïnformeerd over de verdere opvolging van de wetsevaluatie van de VIR. Na de zomer zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het verdiepend onderzoek en mijn beleidsreactie hierop geven. Eventuele vergaande besluitvorming over de toekomstbestendigheid van de VIR is aan het volgende kabinet.
Welke toetsing vindt er plaats met betrekking tot het correct toepassen van het afwegingskader om opgenomen te worden in de VIR en is dit onderdeel van het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De werking van de VIR, de toepassing en de toetsing daarop zijn in de Jeugdwet beschreven. Op de verdeling van de verantwoordelijkheden is het subsidiariteitsbeginsel van toepassing: regel lokaal wat lokaal kan en regel landelijk wat landelijk moet.
Het verdiepend onderzoek gaat in op de werking van dit stelsel en de algemene werking van een afwegingskader daarin. De vraag met betrekking tot het correct toepassen van het afwegingskader is geen onderdeel van het onderzoek, omdat dit hoort bij de taak van de gemeente richting de meldingsbevoegde professional.
Deelt u de mening dat het risico van stigmatisering en vooroordelen op de loer ligt nu de brede invalshoek lijkt geworden dat eenieder die een (simpele) hulpvraag heeft, opgenomen wordt in de VIR? Op welke wijze kan dit risico worden teruggedrongen?
Voorop staat dat ik het belang onderschrijf dat de VIR wordt gebruikt zoals bedoeld en beschreven wordt in de Jeugdwet (zie ook het antwoord op vraag 4). Dit wil zeggen dat ik van mening ben dat een meldingsbevoegde professional enkel bij een redelijk vermoeden van de in de Jeugdwet (artikel 7.1.4.1) genoemde risicosignalen een melding kan doen in de VIR. Risicosignalen zoals beschreven in de Jeugdwet zijn onder andere: de jeugdige staat bloot aan geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, enige andere vernederende behandeling, of verwaarlozing; de jeugdige is minderjarig en moeder of zwanger; de jeugdige heeft geen vaste woon- of verblijfplaats; de jeugdige verzuimt veelvuldig van school of ander onderwijsinstelling, dan wel verlaat die voortijdig of dreigt die voortijdig te verlaten en de jeugdige heeft meer dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende financiële problemen, psychische problemen, ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen. Het gaat om «risicosignalen»: de meldingsbevoegde professional moet ervan overtuigd zijn dat dit risico de ontwikkeling naar volwassenheid van de jeugdige in de weg staat. Als een registratie onterecht blijkt na een bezwaar, dan zal de registratie zoals verplicht op grond van de wet geheel verwijderd worden uit de regionale en landelijke VIR. Oók uit het historisch meldingenarchief.
Het beeld dat elke simpele hulpvraag stelselmatig leidt tot een melding in de VIR herken ik niet. Dit blijkt ook niet uit de evaluatie4 van de VIR door ZonMW.
Recent zijn er wel signalen ontvangen over onrechtmatig melden in de VIR. Naar aanleiding hiervan heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) onlangs haar leden toegelicht5 hoe de Verwijsindex correct te gebruiken conform de Jeugdwet. Daarbij heeft de VNG de gemeenten opgeroepen om de wettelijke eisen aan een melding te communiceren richting de organisaties en professionals met wie de gemeenten afspraken rondom de VIR heeft vastgelegd in een regionaal convenant.
Bij wie berust de verantwoordelijkheid om te toetsen of gemeenten de VIR correct toepassen?
In het correct toepassen van de VIR zijn twee niveaus: ten eerste het correct melden en ten tweede het correct bevorderen van het gebruik van de VIR. Het correct melden is aan de meldingsbevoegde professional op basis van de kaders in de wet. De gemeente ziet daarop toe. Het bevorderen van het correct gebruik van de VIR is een taak van de gemeente. Zie de beantwoording op vraag 4 voor een uitgebreide toelichting op de verantwoordelijkheidsverdeling.
Het bevorderen van het gebruik van de VIR is een gemeentelijke taak binnen de Jeugdwet, waar het reguliere toezicht op van toepassing is. Dit betekent dat de Wet Revitalisering Generiek Toezicht (Wet RGT) richting de gemeenten van toepassing is. Verder ziet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toe op de naleving van de Jeugdwet in het algemeen. In dat kader heeft de IGJ al een aantal keer aangegeven dat zij verwachten van gemeenten dat zij hun rol oppakken in het bevorderen van het gebruik van de VIR en daartoe afspraken maken met de desbetreffende organisaties.
Wordt in het onderzoek inzichtelijk gemaakt hoeveel gemeenten de VIR vanuit de oorspronkelijke basisbehoefte en invulling toepassen?
Nee. Voor meer toelichting op het verdiepend onderzoek en de doelen hiervan, verwijs ik u naar mijn recente brief «Stand van zaken opvolging van de wetsevaluatie Verwijsindex Risicojongeren»6 van 30 april jl.
Is het inzichtelijk hoeveel zogenoemde matches vanuit de VIR hebben geleid tot succesvolle ondersteuning van ouder en kind? Zo nee, deelt u de mening dat dergelijke kwalitatieve informatie relevant is voor het lerend vermogen van onder meer de jeugdinstellingen, Veilig Thuis en de Jeugdbescherming?
Zoals beschreven in mijn brief «Stand van zaken opvolging van de wetsevaluatie Verwijsindex Risicojongeren»7 van 30 april jl. biedt de huidige wetsevaluatie geen inzicht in de effectiviteit van de VIR ten aanzien van de doelstelling: vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegde professionals te bewerkstelligen, opdat zij jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen. Om inzicht in de effectiviteit van de VIR te verschaffen, wordt binnen het huidige onderzoek specifiek gekeken in hoeverre de VIR bijdraagt aan voorgenoemde doelstelling. Deze informatie is tevens relevant voor het lerend vermogen van de meldingsbevoegde organisaties en gemeenten.
Hoe is de informatievoorziening naar ouder en kind bij een opname in de VIR en hoe kunnen ouder en kind laagdrempelig inzicht krijgen of zij opgenomen zijn in de VIR?
De meldingsbevoegde professional dient ouders van jongeren tot 16 jaar en jongeren vanaf 12 jaar te informeren over een registratie in de VIR. Deze informatieplicht (Jeugdwet art. 7.1.5.1) houdt in dat ouders en/of jeugdigen geïnformeerd worden over: het signaal in de VIR, de reden daarvan en waar men terecht kan indien er bezwaar is. Enkel in uitzonderlijke gevallen, wanneer het in alle redelijkheid niet mogelijk is om ouders en/of jeugdige te informeren, of in het belang van de jeugdige niet wenselijk is, dan kan dit uitgesteld worden. Dit moet dan wel gemotiveerd en gedocumenteerd worden in het cliëntdossier van de meldingsbevoegde professional. Na het ontstaan van een (gezins)match en voorafgaand aan de samenwerking tussen de betrokken professionals, is er toestemming nodig van de jeugdige en/of de ouders (afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige) om inhoudelijke informatie uit te mogen wisselen. Daarnaast kan er een verzoek tot inzage worden gedaan bij de gemeente. Voor jeugdigen tot 12 jaar door de ouders, voor jeugdigen tussen de 12 en 16 jaar door de jeugdige en ouders gezamenlijk en voor jeugdigen van 16 jaar en ouder door de jeugdige zelf.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat bij het maken van de keuze tussen enerzijds het verbeteren en anderzijds het afschalen en vervangen van de VIR, gekomen wordt tot een instrument dat beperkt blijft tot het specifieke doel (adequate hulpverlening) en dat voorkomen wordt dat de VIR generiek gebruikt en gevuld wordt, hetgeen betrokken ouder en kind lang kan achtervolgen met alle (on)bewuste gevolgen van dien?
In het verdiepend onderzoek worden verschillende mogelijkheden verkend. Om ervoor te zorgen dat de (doorontwikkelde) VIR of een alternatief gebruikt wordt zoals bedoeld, staat in het huidige onderzoek de achterliggende doelstelling van de Verwijsindex centraal: vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegde hulpverleners te bewerkstelligen, opdat zij jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen. Op deze manier wordt een eventuele doorontwikkeling of alternatief bezien in relatie tot de achterliggende doelstelling van de VIR.