Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
De benoeming van Timmermans tot minister van staat |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van mijn eerdere vragen over deze kwestie van 26 juli jongstleden? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat inmiddels door een grote groep advocaten aangifte is gedaan tegen Timmermans wegens haatzaaien en groepsbelediging? Zo nee, waarom niet? Kunt u bevestigen dat hij daarmee verdachte is in een strafzaak? Zo nee, waarom niet? Vindt u het gepast dat een Minister van staat tevens verdachte is in een strafzaak? Vindt u het gepast dat een Minister van staat antisemitische uitlatingen heeft gedaan?
Ik kan dit niet bevestigen.
Klopt het dat het Centraal Joods Overleg u heeft opgeroepen publiekelijk en ondubbelzinnig afstand te nemen van de antisemitische uitspraken van Timmermans? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid gehoor te geven aan dat verzoek? Zo nee, waarom niet?2
Het Centraal Joods Overleg heeft mij op 26 juli 2026 aangeschreven over de kwestie.
Kunt u aangeven of reeds in de ministerraad gesproken is over het feit dat Nederland nu een Minister van staat heeft die door velen als een openlijke Jodenhater wordt beschouwd? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de geheimhoudingsplicht, vastgelegd in artikel 26 van het Reglement van orde voor de ministerraad, kan ik geen uitlatingen doen over hetgeen al dan niet besproken is in de ministerraad.
Kunt u aangeven waarom u er vooralsnog voor lijkt te kiezen een verdachte in een strafzaak, wiens uitspraken door het Centraal Joods Overleg als antisemitisch zijn bestempeld, aan te houden als Minister van staat? Is het niet beter voor het aanzien van uw kabinet en van ons land om deze benoeming zo snel mogelijk in te trekken?
Zie het antwoord op vraag 2 en de antwoorden op de vragen van het lid Markuszower (Groep Markuszower) aan de Minister-President over het interview van Ilja Leonard Pfeiffer met Frans Timmermans (kenmerk: 2026Z16543).
De beperkte opname van klimaatindicatoren in de BHOS-indicatorenlijst |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in het nieuwe BHOS-indicatorenoverzicht op het thema klimaat slechts één indicator staat, namelijk het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie?
Ja.
Bent u van mening dat klimaatadaptatie en -weerbaarheid een substantieel onderdeel moeten vormen van het Nederlandse klimaatbeleid, mede gegeven dat meer dan 50% van de klimaatfinanciering naar adaptatie gaat?
Ja, dat is ook het geval.
Waarom is klimaat beperkt tot één indicator, terwijl adaptatie de helft van de klimaatfinanciering beslaat en beleidsmatig als prioriteit wordt benoemd?
De aan de Kamer toegezonden lijst betreft het BHOS-indicatorenoverzicht dat tot nu toe werd opgenomen in deel D, bijlage 4, van het BHOS-jaarverslag. In dit overzicht was het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie de afgelopen jaren de enige indicator voor het thema klimaat.
Zoals toegelicht in de brief van 11 mei jl. (Kamerstuk 31 865, nr. 302) wordt de verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag BHOS 2027 verbeterd. De afzonderlijke indicatorentabel vervalt en indicatoren en streefwaarden worden voortaan in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag. Daarmee ontstaat meer ruimte om de resultaten op klimaat, waaronder adaptatie, in samenhang en in context te presenteren.
Bent u van mening dat de huidige klimaatindicatoren ontoereikend zijn, gegeven de beperkte reikwijdte en discrepantie met de financiering (meer dan 50% naar adaptatie)?
De nieuwe verantwoordingssystematiek is erop gericht een completer en samenhangender beeld te geven van de behaalde resultaten op de beleidsdoelstellingen, waaronder resultaten op het gebied van klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve gegevens als informatie over bredere ontwikkelingen en resultaten. Ook resultaten op het gebied van klimaatadaptatie binnen andere beleidsterreinen worden hierbij meegenomen. Zo wordt binnen de inzet op water en voedselzekerheid onder meer gemonitord hoeveel mensen toegang krijgen tot een verbeterde waterbron en hoeveel hectare landbouwgrond wordt bereikt met activiteiten gericht op duurzaam landgebruik. De resultaten worden in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes? Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes?
Zie antwoord vraag 4.
Zo nee, waarom acht u het aanvaardbaar dat een substantieel deel van het klimaatbeleid en de klimaatfinanciering onzichtbaar blijft in de BHOS-verantwoording?
Zie antwoord vraag 4.
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Het interview van Ilja Leonard Pfeijffer met Frans Timmermans |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht/artikel?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u het in uw hoofd heeft gehaald om zo'n controversiële antisemiet te benoemen tot Minister van staat? Bent u, indien u niet bereid bent deze benoeming terug te draaien, bereid de heer Timmermans in plaats daarvan een andere, bij zijn optreden passende eretitel te verlenen – bijvoorbeeld «ereminister van de antisemieten en controverses» – zodat voor het publiek duidelijk is waar het kabinet werkelijk voor kiest? Zo nee, waarom niet?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de Staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het lijdt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Klopt het dat de heer Timmermans in dit interview letterlijk stelt: «In het Midden-Oosten wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen, terwijl de Palestijnen letterlijk in zee worden gedreven – en erger»? Kunt u bevestigen dat hij in hetzelfde interview stelt dat de regeringspartijen in Israël van mening zijn dat Israël «alleen maar kan overleven als de Palestijnen weg zijn», en dat hij deze redenering vergelijkt met de redenering van de nazi's ten aanzien van het «Arische ras»?2
De tekst van het interview is voor een ieder te lezen.
Deelt u de opvatting dat het gelijkstellen van het beleid van de democratisch gekozen regering van de enige Joodse staat ter wereld aan de nazi-ideologie van de Endlösung een klassieke vorm van antisemitisme is, zoals ook wordt omschreven in de werkdefinitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), die vergelijkingen tussen hedendaags Israëlisch beleid en het nationaalsocialisme expliciet als voorbeeld van antisemitisme aanmerkt? Zo nee, waarom niet?
Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Deelt u de opvatting dat er, anders dan de heer Timmermans stelt, in het geheel geen sprake is van genocide of uitroeiing van het Palestijnse volk, en dat het gebruik van deze term dan ook feitelijk onjuist is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het woord «uitgeroeid» in combinatie met een expliciete verwijzing naar de Holocaust en het «Arische ras» niet zomaar kritiek op Israëlisch beleid is, maar een vergaande relativering van de Holocaust en een vorm van Israël-demonisering, beide kernelementen van antisemitisme volgens de IHRA-definitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat uitspraken van een Minister van staat een groter gezag en een grotere maatschappelijke uitstraling hebben dan die van een gewone burger of oud-politicus, juist omdat aan deze eretitel de aanspreekvorm «excellentie» is verbonden en de titel wordt toegekend wegens bijzondere verdiensten voor het openbaar bestuur? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is het kabinet, gelet op die bijzondere positie, bereid om formeel te (laten) beoordelen of de in vraag 3 t/m 6 genoemde uitspraken van de heer Timmermans zich verdragen met het aanzien van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet en op basis van welke afweging niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Heeft u, of een van uw ambtsvoorgangers dan wel bewindspersonen, sinds het interview contact gehad met de heer Timmermans over deze uitspraken? Zo ja, wat was de uitkomst van dat contact? Zo nee, bent u daartoe alsnog bereid?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de constatering dat andere levende Ministers van staat in hun publieke optredens doorgaans een terughoudende, beschouwende en niet-partijpolitieke toon aanhouden, gericht op staatsrechtelijke reflectie of bestuurlijke ervaring, en zich doorgaans onthouden van uitgesproken, ideologisch gekleurde stellingnames over actuele, verdelende politieke twistpunten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven of er in de afgelopen tien jaar precedenten zijn van een zittende Minister van staat die een vergelijkbaar breed uitgesponnen, sterk gekleurd en op de actualiteit toegespitst interview heeft gegeven, met expliciete politieke stellingnames over onder meer het Midden-Oosten-conflict, Europese verkiezingen, individuele politici en partijen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het geven van een dergelijk interview, waarin de heer Timmermans zich niet beperkt tot reflectie of advies maar actief en scherp politiek stelling neemt – onder meer door zijn eigen opvolgers en politieke tegenstanders te typeren en partijpolitieke aanbevelingen te doen – zich moeizaam verhoudt tot de aard van de eretitel Minister van staat, die immers wordt geacht boven de dagelijkse partijpolitieke strijd te staan? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit onderbouwen met voorbeelden van vergelijkbaar optreden van andere Ministers van staat?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met de uitspraak die de heer Timmermans in 2014 als Minister van Buitenlandse Zaken deed in het televisieprogramma Pauw, dat er bij een slachtoffer van vlucht MH17 een zuurstofmasker over de mond was aangetroffen, met de toevoeging «die heeft dus de tijd gehad om dat te doen»?3
De aangehaalde mediaberichtgeving is openbaar. Het is verder niet aan mij om deze berichtgeving uit het verleden te recenseren.
Kunt u bevestigen dat het Openbaar Ministerie destijds heeft moeten vaststellen dat deze uitspraak feitelijk onjuist was, omdat het masker bij het slachtoffer om de nek zat en niet over de mond, en dat de heer Timmermans naar aanleiding hiervan publiekelijk excuses heeft moeten aanbieden aan de nabestaanden?4
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het doen van feitelijk onjuiste, emotioneel zeer beladen uitspraken over de laatste momenten van slachtoffers van een vliegramp, richting hun nabestaanden, een ernstige zaak is die zwaar dient mee te wegen bij de beoordeling van iemands geschiktheid voor een eretitel?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de verklaring van oud-minister Ronald Plasterk (PvdA), die in de Volkskrant van 27 december 2016 en nadien herhaaldelijk heeft gesteld dat de heer Timmermans na zijn terugkeer in de Tweede Kamer in 2010 gedurende ongeveer een half jaar feitelijk geen fractiewerk heeft verricht, omdat hem niet meteen de portefeuille Buitenlandse Zaken werd toegekend?5
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat Plasterk hierover het volledige verhaal als volgt heeft weergegeven: «Hij speelde het snoeihard. Timmermans zei eenmaal terug in de Kamer: «Ik wil de buitenlandportefeuille.»» Toen de partijleiding dat weigerde, zei Timmermans: «Nou, dan doe ik gewoon niks», waarna Plasterk concludeert: «Echt, die heeft een half jaar niks gedaan. Ik vond het een rare vertoning»?6
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat een volksvertegenwoordiger die willens en wetens weigert zijn werk te doen omdat hij een bepaalde portefeuille niet krijgt, terwijl hij gewoon zijn volledige Kamervergoeding bleef ontvangen, zich niet gedraagt zoals van een dienaar van het algemeen belang mag worden verwacht?
Het is niet aan mij om het doen en laten van een (voormalig) volksvertegenwoordiger te kwalificeren. Zie voorts het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de bredere kwalificatie die Ronald Plasterk in november 2024 publiekelijk aan de heer Timmermans heeft gegeven, onder verwijzing naar in elk geval de volgende voorbeelden:
Ja.
Bent u voorts bekend met:
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit patroon van feitelijk onjuiste en tegenstrijdige beweringen, herkend en benoemd door zowel partijgenoten als buitenstaanders, een probleem van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid raakt dat zwaarder weegt dan een incidentele misstap?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de berichtgeving, onder meer van de Duitse krant Die Welt en het Nederlandse Wynia's Week, dat de Europese Commissie onder verantwoordelijkheid van de heer Timmermans als uitvoerend vicevoorzitter voor de Green Deal, contracten is aangegaan met klimaat-ngo's waarbij financiering afhankelijk werd gesteld van lobbyactiviteiten van die ngo's bij het Europees Parlement en tegen bijvoorbeeld kolencentrales, ten gunste van zijn eigen Green Deal-beleid?9
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat het zou gaan om een bedrag van ten minste 750 miljoen euro tot mogelijk 7 miljard euro, afhankelijk van de bron en de onderzochte periode?
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat de Europese Rekenkamer in 2025 scherpe kritiek heeft geuit op het gebrek aan transparantie en toezicht bij de financiering van deze ngo's, en dat de Taxpayers Association of Europe naar aanleiding hiervan een strafklacht heeft ingediend?
Zie het antwoord op vraag 13.
Klopt het dat een meerderheid in het Europees Parlement (D66, CDA, VVD) een voorstel voor een onafhankelijke audit naar deze kwestie heeft weggestemd?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat, ongeacht de uiteindelijke juridische uitkomst, het gebrek aan transparantie rond miljarden aan publiek geld tijdens het bewind van Timmermans op zijn minst een ernstige smet werpt op zijn bestuurlijke nalatenschap?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de constatering dat de Green Deal, waarvoor de heer Timmermans als «vader» en architect wordt gezien, mede aan de basis heeft gelegen van een verslechterde Europese concurrentiepositie, zoals beschreven in het rapport «The future of European competitiveness» van Mario Draghi (september 2024), waarin wordt gewezen op regeldruk en hoge energiekosten als knelpunten voor de Europese industrie?10
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat Europese energieprijzen structureel circa drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten, dat de Nederlandse boerensector langdurig heeft geprotesteerd tegen de Europese stikstof- en natuurdoelen die uit dit beleid voortvloeiden, en dat ook de heer Timmermans zelf in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen erkent dat «energieprijzen bij ons tot drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten»?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het feit dat de architect van dit beleid zelf, jaren later, in het openbaar erkent dat de kosten voor de Europese industrie en voor gewone huishoudens torenhoog zijn opgelopen, een relevant gegeven is bij het beoordelen of hij zich «bijzonder verdienstelijk» heeft gemaakt voor het openbaar bestuur?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de optelsom van de in vraag 3 t/m 29 genoemde kwesties – een vergelijking van Israëlisch beleid met het nazisme, herhaaldelijk gesignaleerde onwaarheden (ook door partijgenoten), een lobbyschandaal met miljarden aan publiek geld, en een beleidsnalatenschap die de Europese economie fors heeft geschaad – bij elkaar genomen zwaarder wegen dan wanneer het om een enkel incident zou gaan, en dat dit relevant is voor de beoordeling of iemand nog wordt geacht zich «buitengewoon verdienstelijk» te hebben gemaakt voor het openbaar bestuur, de maatstaf die het kabinet zelf hanteert bij de toekenning van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten hoe de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat tot stand is gekomen?
Een benoeming tot Minister van staat vindt plaats bij koninklijk besluit, op voorstel van de Minister-President, die het besluit medeondertekent, en na melding hiervan in de ministerraad.
Klopt het dat deze benoeming, samen met die van de heren Remkes en De Graaf, op 10 juli 2026 plaatsvond bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad en op voorstel van u als Minister-President?
Zie het antwoord op vraag 31.
Kunt u bevestigen dat de heer Timmermans op 29 oktober 2025 is teruggetreden als partijleider en Kamerlid, en dat hij dus nog geen negen maanden uit de actieve, dagelijkse partijpolitiek was op het moment van zijn benoeming tot Minister van staat?
Nee. Het terugtreden van de heer Timmermans als partijleider en Kamerlid heeft op verschillende dagen plaatsgevonden.
Kunt u dit afzetten tegen andere recente benoemingen tot Minister van staat, waaronder:
Zie het antwoord op vraag 2. De duur van de periode tussen de laatste hoofdfunctie en de benoeming tot Minister van staat is niet van doorslaggevende betekenis voor de benoeming.
Deelt u de opvatting dat de heer Timmermans, in vergelijking met al deze precedenten, de enige is die vanuit een actief, uitgesproken en verdelend partijleiderschap – en niet vanuit een onafhankelijke, boven de partijen staande functie zoals de Raad van State of het Kamervoorzitterschap – in een ongekend kort tijdsbestek tot Minister van staat is benoemd, en dat dit haaks staat op de gebruikelijke praktijk waarbij deze eretitel wordt toegekend aan personen die al geruime tijd uit de actieve, dagpolitieke arena zijn getreden?
Zie het antwoord op vraag 34.
Welke overweging heeft het kabinet gemaakt om van deze gebruikelijke praktijk af te wijken, en is daarbij meegewogen dat de heer Timmermans, ook ná zijn aftreden als Kamerlid, actief politiek en maatschappelijk commentaar is blijven leveren, onder meer in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen?
Zie het antwoord op vraag 34.
Is het juist dat de titel Minister van staat geen wettelijke basis kent, geen vastomlijnde toekenningscriteria heeft, en volledig ter discretie van de ministerraad wordt toegekend?12
Zie het antwoord op vraag 31 en 34.
Deelt u, indien vraag 37 bevestigend wordt beantwoord, de opvatting dat dit tevens betekent dat het kabinet een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om alleen personen voor te dragen wier optreden onomstreden verenigbaar is met de waardigheid van deze eretitel, en dat deze verantwoordelijkheid extra zwaar weegt wanneer, zoals hier, wordt afgeweken van de gebruikelijke termijn tussen aftreden en benoeming?
Zie het antwoord op vraag 34.
Is het kabinet bekend met het feit dat de titel Minister van staat in de Nederlandse geschiedenis tweemaal is ingetrokken: in 1819 bij Gijsbert Karel van Hogendorp, wegens zijn kritiek op het financiële beleid van Koning Willem I, en in 1947 bij Dirk Jan de Geer, wegens diens houding tijdens de Duitse bezetting?13
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze precedenten aantonen dat het intrekken van de titel een bestaand en niet louter theoretisch instrument is, dat het kabinet ter beschikking staat wanneer het optreden van een Minister van staat niet langer verenigbaar wordt geacht met de eretitel?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het intrekken van de titel Minister van staat, net als de toekenning ervan, zou plaatsvinden bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad?
Voor de intrekking geldt dezelfde procedure als voor de verlening. Zie hiervoor het antwoord op vraag 31.
Is het kabinet bereid een dergelijk besluit voor te bereiden ten aanzien van de heer Timmermans, gelet op de in deze vragen genoemde uitspraken en kwesties? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie hier geen aanleiding toe. Zie de hiervoor gegeven antwoorden.
Bent u bereid deze vragen op de meest spoedige termijn en één voor één te beantwoorden?
Ja.
Sluiting Twentekanaal |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het vrijgeven van CBS-data aan migratieonderzoeker dr. Jan van de Beek |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit artikel?1
Ja.
Deelt u de mening dat de microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet toebehoort aan het CBS of aan universiteiten, maar aan de Nederlandse belastingbetaler, die deze data via zijn belastinggeld heeft gefinancierd en met zijn persoonsgegevens heeft gevuld? Zo nee, van wie is die data dan wel volgens u?
Nee, het CBS verzamelt, verwerkt en beheert deze gegevens in het kader van zijn wettelijke taak en stelt microdata uitsluitend onder strikte voorwaarden beschikbaar voor statistische en wetenschappelijke doeleinden, met inachtneming van de geheimhoudingsplicht en de geldende privacywetgeving. De data zelf hebben in strikte zin geen eigenaar, het CBS is wel de eigenaar van de database. Aangezien het gaat om (gepseudonimiseerde) data op individueel niveau, moet grote zorgvuldigheid worden betracht ten aanzien van toegang tot en gebruik van de data.
Is het waar dat een compleet gefinancierd vervolgonderzoek van dr. Jan van de Beek op De grenzeloze verzorgingsstaat stilligt, enkel en alleen omdat geen enkele universiteit bereid is als gastheer te fungeren voor toegang tot CBS-microdata? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Dat kan ik niet beoordelen omdat ik geen inzicht heb in de overwegingen van universiteiten om al dan niet met dr. Jan van de Beek samen te werken of om in het kader van een specifiek onderzoek een aanvraag te doen voor toegang tot CBS-microdata. Universiteiten zijn autonoom in het bepalen van hun onderzoeksagenda en in de keuze met welke onderzoekers en onderzoeken zij willen samenwerken. Niet alleen universiteiten, maar ook andere erkende onderzoeksinstellingen kunnen onder voorwaarden toegang krijgen tot CBS-microdata. Dat een universiteit niet als gastheer wil optreden, betekent daarom niet zonder meer dat onderzoek met CBS-microdata onmogelijk is. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Erkent u dat het onaanvaardbaar is dat universiteiten via het gastheerschap feitelijk een vetorecht hebben over welk migratieonderzoek wel en niet mag plaatsvinden met data van het Nederlandse volk? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een vetorecht van universiteiten over de vraag welk migratieonderzoek, of ander onderzoek, wel of niet kan plaatsvinden met CBS-microdata. De microdata die het CBS verzamelt, verwerkt en beheert om aan zijn wettelijke taak te voldoen zijn data op individueel niveau. Het is van groot belang dat hier zorgvuldig mee wordt om gegaan. Daarom zijn deze data in beginsel niet toegankelijk. Onder strikte voorwaarden die de zorgvuldigheid en rechtmatigheid van omgaan met deze data en dus de bescherming van persoonsgegevens waarborgt (zie ook het antwoord op vraag 5) kan microdata wel beschikbaar gesteld worden voor statistisch en wetenschappelijk onderzoek. Het CBS is verantwoordelijk voor de toegang tot de microdata. Universiteiten bepalen dus niet of onderzoekers toegang krijgen tot CBS-microdata; zij bepalen uitsluitend of zij zelf bij een bepaald onderzoek betrokken willen zijn of daarvoor als organisatie een aanvraag willen doen. Niet alleen universiteiten komen in aanmerking voor een machtiging om met microdata te werken, ook andere erkende onderzoeksinstellingen die voldoen aan de strikte voorwaarden maken hier gebruik van.
Bent u bereid onmiddellijk te bewerkstelligen dat dr. Van de Beek deze data krijgt, desnoods buiten de universiteiten om, en dit vervolgonderzoek zonder verdere vertraging kan starten? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bevoegd. De Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (hierna: de Wet CBS) bepaalt dat de directeur-generaal van de statistiek (hierna: DG CBS) op verzoek, ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek een verzameling gegevens uitsluitend kan verstrekken (of daartoe toegang verlenen) aan in de Wet CBS genoemde organisaties en instellingen, zoals universiteiten, maar ook andere organisaties en instellingen. De Wet CBS maakt toegang tot deze data niet mogelijk voor natuurlijke personen. Een verzoek wordt alleen ingewilligd als de verzoekende instelling of organisatie naar het oordeel van de DG CBS voldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de verzameling van gegevens voor andere doeleinden wordt gebruikt dan statistisch of wetenschappelijk onderzoek. De DG CBS heeft in aanvulling op de Wet CBS bepaalde voorwaarden gesteld aan de toegang tot microdata en heeft deze neergelegd in de Beleidsregel toegang instellingen tot microdata CBS2.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Het bericht ‘Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: 'Schokkend'’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: «Schokkend»»?1
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Bovendien lopen de lezingen van partijen over het verloop van de zitting uiteen. Ik kan de gang van zaken tijdens de zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare (VEC). Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Wat vindt u van de uitgesproken dreiging tijdens de zitting om locaties te sluiten al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 was er vanuit het Ministerie van VWS niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
In hoeverre bedreigt dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Het is aan de rechter om onafhankelijk en onpartijdig uitspraak te doen. Het is niet aan mij om vooruit te lopen op de beoordeling door de rechter of om mij uit te spreken over de mogelijke invloed van uitlatingen van partijen op een lopende gerechtelijke procedure.
Ik ga ervan uit dat alle betrokken partijen de onafhankelijkheid van de rechtspraak respecteren en de uitspraak van de rechter zullen afwachten en respecteren.
Erkent u dat dit een voorbeeld is van slecht bestuur waar de continuïteit van zorg van kinderen, en respect voor de rechtspraak, overduidelijk niet voorop staat? Welke gevolgen verbindt u daaraan?
Ik begrijp de zorgen die aan deze vraag ten grondslag liggen. Tegelijkertijd is het niet aan mij om op basis van berichtgeving en stellingen die onderdeel zijn van een lopende gerechtelijke procedure een oordeel te geven over het bestuur van een private zorgaanbieder.
Wel geldt voor mij onverkort dat de belangen van de kinderen en de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van hun zorg voorop moeten staan. VEC is als zorgaanbieder verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg. Ik spreek VEC en alle andere betrokken partijen hierop aan en blijf de ontwikkelingen nauwlettend volgen.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en beschikt over verschillende wettelijke handhavingsinstrumenten wanneer de kwaliteit of veiligheid daartoe aanleiding geeft. De beoordeling of en wanneer deze instrumenten moeten worden ingezet, is aan de IGJ. De recente bevindingen van de IGJ die betrekking hebben op de locaties Waalre en Rijswijk zijn daarbij onderdeel van haar toezicht.
Herinnert u zich de uitspraak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in hun rapport van 20 mei jl. dat zij «beperkt vertrouwen [heeft] in de verbeterkracht van de organisatie en het urgentiebesef van de bestuurder»?2 Deelt u de analyse dat deze verbeterkracht nog steeds nergens te vinden is bij het huidige bestuur?
Ja, ik ben bekend met het rapport en de daarin opgenomen bevindingen van de IGJ. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en heeft daarbij ook aandacht voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor goede zorg.
Het is niet aan mij om een zelfstandig oordeel te geven over de verbeterkracht van het bestuur van VEC. De IGJ heeft als toezichthouder een eigenstandige verantwoordelijkheid om de kwaliteit en veiligheid van de zorg te beoordelen en, waar nodig, handhavend op te treden. De IGJ heeft in juni een aanwijzing opgelegd aan VEC (locaties Waalre en Vleuten) nadat uit het toezicht bleek dat er risico’s waren voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Recent heeft de IGJ opnieuw een rapport uitgebracht met daarin ontwikkelingen uit het toezicht voor de locaties Wezep en Rijswijk. Ik blijf in nauw contact met de IGJ over ontwikkelingen uit het toezicht.
Is de dreiging van sluiting van de overige locaties voordat voor alle kinderen een passende plek is gevonden aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Berichtgeving over een mogelijke eerdere sluiting is op zichzelf geen grond om het bestuur van een private zorgaanbieder over te nemen. De wettelijke mogelijkheden voor ingrijpen in het bestuur van een zorgaanbieder zijn aan specifieke voorwaarden gebonden. Artikel 29 biedt de mogelijkheid voor de IGJ om een last onder bestuursdwang op te leggen indien een eerder door haar opgelegde aanwijzing of bevel niet wordt nageleefd. Dat is nu niet aan de orde. De IGJ houdt doorlopend toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg bij VEC. Hierbij ziet zij er onder andere op toe dat de overdracht van cliënten zorgvuldig plaatsvindt.
Mijn inzet is er op dit moment primair op gericht om te voorkomen dat de zorgcontinuïteit voor de betrokken kinderen in gevaar komt. Voor de resterende locaties Wezep en Rijswijk heeft VEC aangegeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Ik zie er nauwlettend op toe dat deze toezegging wordt nagekomen en dat voor ieder kind tijdig passende zorg beschikbaar blijft.
Is de uitgesproken dreiging door Villa ExpertCare om locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. In het geval het gerechtshof besluit het verzoek van de cliëntenraad te honoreren, beïnvloedt dat de rol van de IGJ zoals hierboven uitgelegd niet.
Wat gaat u anders doen dan voorheen om te voorkomen dat de overige twee locaties gaan sluiten, aangezien uw inzet tot nu toe niet heeft kunnen voorkomen dat er twee locaties zijn gesloten?
VEC heeft besloten de zorgverlening op haar locaties te beëindigen. Het is niet aan de overheid om een private zorgaanbieder te dwingen zorg te blijven aanbieden. Mijn inzet is daarom, samen met de andere betrokken partijen, steeds gericht geweest op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor ieder kind.
Sinds mijn eerdere berichtgeving is de inzet verder geïntensiveerd. Zo is een onafhankelijk intermediair aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid daarvan te versterken. Ook blijf ik in nauw contact met de betrokken zorgverzekeraars, zorgkantoren, de IGJ en de NZa om de ontwikkelingen te volgen en waar nodig partijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Voor de twee resterende locaties heeft VEC aangegeven deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
Gezien de urgentie en dreigende sluiting, bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De IGJ heeft mij laten weten dat er op dit moment geen sprake is van een acute situatie of dreigende sluiting van de resterende locaties, omdat de kwaliteit en veiligheid van de zorg op de locaties Wezep en Rijswijk op dit moment voldoende zijn geborgd. Wel heeft de IGJ voor locatie Wezep om een verbeterplan gevraagd, wat onder meer ziet op het beter borgen van voldoende personele inzet, het tijdig informeren en betrekken van cliëntvertegenwoordigers en betrokken professionals bij de planning, roosters en het vinden van een passend zorgalternatief, en het structureel uitvoeren en vastleggen van teamoverleggen. De IGJ heeft daarbij aangegeven dat dit geen reden is tot ingrijpen en dat zij de voortgang van de verbetermaatregelen nauwlettend volgt. Daarnaast heeft VEC aangegeven deze locaties in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Om die reden worden deze Kamervragen beantwoord binnen de gebruikelijke termijnen.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eelco Heinen (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Oxfam Novib |
|
Mona Keijzer , Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
"Belastingdienst hield datakluis op slot tijdens verzamelen gegevens parlementaire enquête" |
|
Nicole Moinat (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze berichten?1 2 3 4 5 6 7
Ja.
Op welke wijze gaat u de plechtige belofte van uw ambtsvoorganger die destijds persoonlijk excuses aangeboden heeft aan de gedupeerde toeslagenouders alsnog waarmaken en de toeslagenouders recht doen, nu blijkt dat relevante documentatie over hun eigen zaak jarenlang bewust of onbewust is achtergehouden in de datakluis?
Wij begrijpen dat de datakluis bij veel gedupeerde toeslagenouders, burgers en ondernemers nieuwe vragen oproept. De toeslagenaffaire heeft het vertrouwen van ouders die slachtoffer zijn geworden van de toeslagenaffaire in de overheid ernstig geschaad. Daarbij erkennen wij nogmaals dat hier fouten zijn gemaakt, hier niet adequaat op is gehandeld en dat verbetering nodig is. Het herstel van de financiële en emotionele schade van gedupeerde toeslagenouders is nodig en urgent. Ook erkent dit kabinet onverkort de ernst van de toeslagenaffaire en de impact daarvan op de levens van ouders, kinderen en hun naasten. Voormalig Minister-President Rutte heeft namens het kabinet excuses aangeboden voor de toeslagenaffaire. De inspanning van de Staatssecretaris Herstel Toeslagen is erop gericht de hersteloperatie spoedig, rechtmatig en met aandacht voor de zorgen van ouders te volbrengen.
Het kabinet acht het van groot belang dat alle relevante informatie zorgvuldig wordt geïnventariseerd en betrokkenen inzage krijgen in de op hen betrekking hebbende gegevens. Dat geldt voor gedupeerde toeslagenouders, maar eveneens voor burgers en ondernemers die voorkomen in FSV, RAM of de datakluis. Het kabinet werkt eraan om deze informatie zorgvuldig en zo spoedig mogelijk beschikbaar te stellen. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 naar aanleiding van het onafhankelijk onderzoek van BDO is geschetst op welke wijze wij de komende tijd de omvangrijke datakluis zullen doorzoeken en verwerken. Daarin is – ten opzichte van de Kamerbrieven van 15 april 2026 en 22 mei 2026 – nadrukkelijk een derde spoor toegevoegd, namelijk de wijze waarop wij recht willen doen aan de verzoeken van burgers en bedrijven om toegang tot informatie uit of over de datakluis. De Kamer wordt, zoals eerder toegezegd, geïnformeerd over de voortgang en de wijze waarop betrokkenen toegang krijgen tot hun eigen dossier. Voor het kabinet blijft het uitgangspunt dat herstel alleen mogelijk is als openheid en transparantie vooropstaan. In de Kamerbrief van 10 juli 2026 bent u geïnformeerd over het instellen van een externe commissie per 1 oktober 2026.
In onze brief van 15 april 2026 hebben wij reeds aangegeven dat we ervoor waken dat documenten die relevant zijn voor PEFD, POK of andere leveringen, zullen worden gedeeld. Daarnaast benadrukken wij dat het aantreffen van deze gegevens geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt over de situatie van gedupeerden in het herstelproces. Ook verandert het niets aan de uitgangspunten van de hersteloperatie dat het verhaal van de ouder altijd leidend is en dat zij ruimhartig worden gecompenseerd voor geleden schade.
Wanneer krijgen de toeslagenouders, maar ook andere burgers en ondernemers die voorkomen in Fraude Signalering Voorziening (FSV), Riscio Analyse Model (RAM) en overige onderdelen van de datakluis, inzage en afschrift van de stukken die specifiek op henzelf betrekking hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u, gelet op de urgentie en de politieke gevoeligheid van deze kwestie, bereid deze vragen persoonlijk en binnen één week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Omdat er meer vragen zijn gesteld over dit onderwerp hebben wij ervoor gekozen de Kamer in één keer te infomeren. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Het artikel 'Woningbouw blijft op slot ondanks stikstofingreep kabinet: Nieuwe steden zullen er niet komen' |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , van Essen |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Woningbouw blijft op slot ondanks stikstofingreep kabinet: Nieuwe steden zullen er niet komen»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de aangekondigde stikstofmaatregelen voorlopig nauwelijks extra woningbouwprojecten zullen losmaken omdat de rekenkundige ondergrens niet wordt verhoogd?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. is het landelijke pakket aan maatregelen voor natuurherstel gepresenteerd. Dit pakket wordt juridisch geborgd en is gericht op het stapsgewijs en per gebied op gang brengen van vergunningverlening. Op die manier kan ook weer op juridisch houdbare wijze extra woningbouw gerealiseerd worden.
Daarnaast voert het kabinet zo snel mogelijk een juridisch houdbare, wetenschappelijke onderbouwde rekenkundige ondergrens in. Activiteiten met een beperkte stikstofneerslag hebben dan vaak geen vergunning meer nodig voor het onderdeel stikstof. Om tot een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens te komen, is nog een aantal stappen nodig. De invoering is nu uiterlijk eind 2027 voorzien.
Bent u op de hoogte van een notitie van het Economisch Instituut voor de Bouw waarin staat dat 96 procent van de woningbouwprojecten doorgang kan vinden bij een rekenkundige ondergrens van één mol? Hoe beoordeelt u deze analyse?2
Het rapport van het Economisch Instituut voor de Bouw (hierna: EIB) uit juli 2025 geeft een overzicht van de effecten van het invoeren van een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar op de vergunningverlening voor nieuwbouwwoningen. Mede daarom spant het kabinet zich in om uiterlijk eind 2027 een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren.
Ik wil daarbij wel opmerken dat het rapport nog uitgaat van een rekenkundige ondergrens van 1,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat alle projecten met een bijdrage van (voor afronding) 0,9949… mol/ha/jaar of minder onder de ondergrens vallen. Destijds was dit een logische aanname. In oktober 2025 heeft prof. Petersen zijn expertoordeel echter verduidelijkt.3 Sindsdien stuurt het kabinet aan op een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar, waarbij alle projecten met een bijdrage van (voor afronding) 0,49… mol/ha/jaar of minder onder de ondergrens vallen. Hierdoor zal het effect van de rekenkundige ondergrens op de woningbouw minder groot zijn dan het EIB veronderstelt.
Ook zie ik dat in het rapport kritiek wordt geuit op de Raad van State en wordt gesteld dat de invoering van een rekenkundige ondergrens ecologisch veilig en wetenschappelijk verantwoord is. In zijn analyse gaat het EIB echter voorbij aan de betekenis van Europese wetgeving, in het bijzonder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Hoewel het EIB terecht stelt dat de VHR geen specifieke rekenkundige ondergrens voor stikstofdeposities voorschrijft en de noodzaak benadrukt van een maatschappelijke belangenafweging, ontbreekt in zijn analyse aandacht voor de verplichting van de Nederlandse Staat de nodige maatregelen te treffen voor de instandhouding van de natuur en voor passende maatregelen om verslechtering van de natuur te voorkomen of tegen te gaan (artikel 6, eerste en tweede lid, Habitatrichtlijn). Met het pakket dat is gepresenteerd in de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw»4 geef ik onder andere invulling aan de verplichtingen uit de VHR.
Hoeveel woningbouwprojecten en hoeveel woningen zouden volgens de meest recente berekeningen van het kabinet eerder gerealiseerd kunnen worden indien de rekenkundige ondergrens op korte termijn wordt verhoogd naar één mol?
Als gevolg van de invoering van de rekenkundige ondergrens zullen de uitdagingen rondom stikstof voor woningbouwprojecten in veel gevallen worden opgelost, mits de invoering van de rekenkundige ondergrens op een juridisch houdbare manier gebeurt. Net als alle andere sectoren is de woningbouw niet gebaat bij een rekenkundige ondergrens die juridisch geen standhoudt. Zorgvuldigheid is daarom geboden.
Heeft u een overzicht van woningbouwlocaties die door de voorgenomen aanscherping van de stikstofaanpak alsnog vertraging oplopen of niet door kunnen gaan? Zo ja, kunt u deze in een bijlage aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen voegen?
Het kabinet heeft een ambitieus samenhangend pakket gepresenteerd waarmee Nederland op juridisch geborgde wijze gefaseerd van het stikstofslot kan gaan. Ook Bouwend Nederland onderschrijft dit standpunt van het kabinet.5 Het kabinet heeft geen signalen ontvangen die dit standpunt tegenspreken.
Bent u bekend met signalen van gemeenten dat woningbouwlocaties nabij Natura 2000-gebieden door de aangekondigde maatregelen extra risico lopen op vertraging of afstel? Zo ja, welke signalen heeft u ontvangen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, heb ik dergelijke signalen van specifieke woningbouwplannen niet ontvangen, ook niet specifiek voor de zones. Woningbouwprojecten nabij Natura2000-gebieden blijven ruimtelijk mogelijk, uiteraard mits wordt voldaan aan de geldende regelgeving.
Het samenhangende pakket van het kabinet zorgt daarnaast dat vergunningverlening stapsgewijs weer mogelijk wordt. Het invoeren van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens zal aanvullende mogelijkheden bieden voor een groot deel van de woningbouwprojecten.
Deelt u de zorg dat Nederland dreigt te belanden in een situatie waarin niet langer politieke keuzes, maar juridisering en steeds strengere interpretaties van regelgeving leidend worden voor de volkshuisvesting? Zo nee, waarom niet?
Nee, die zorg deel ik niet. Bestaande regelgeving is binnen de kaders van de Nederlandse democratische rechtstaat tot stand gekomen. De rechter toetst besluiten van de overheid aan deze regels. Op die manier borgt de rechtsstaat de bescherming tegen willekeur en dat de overheid zich aan haar eigen wetten en internationale verdragen houdt.
Hoe verhoudt het uitstellen van de verhoging van de rekenkundige ondergrens zich tot de ambitie om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen? Acht u de ambitie na de recente kritiek nog steeds haalbaar?3
Zoals ik in eerdere antwoorden heb aangegeven, heeft het kabinet een ambitieus pakket gepresenteerd waarmee enerzijds gefaseerd vergunningverlening opnieuw mogelijk wordt en anderzijds zo snel mogelijk een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens ingevoerd kan worden. Ik verwacht dat dit een positieve bijdrage levert aan het realiseren van 100.000 woningen per jaar.
Erkent u dat er een verschil is tussen de rekenkundige ondergrens (in Aerius) en een drempelwaarde? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de rekenkundige ondergrens in aerius dat en wat weerhoudt u er dan van deze zo snel mogelijk te verhogen?
Ja, er is een wezenlijk verschil tussen de rekenkundige ondergrens en een drempelwaarde. Een rekenkundige ondergrens ziet op de wetenschappelijke limitatie van het model, terwijl een drempelwaarde aangeeft wat politiek/beleidsmatig toelaatbaar wordt geacht. Zoals in mijn eerdere beantwoording aangegeven, vindt het kabinet het van belang dat de invoering van een rekenkundige ondergrens op een juridisch houdbare manier gebeurt. Daarvoor zijn in ieder geval eerst nog voldoende beheersmaatregelen nodig, zoals ook geadviseerd door professoren Backes en Petersen.7 Als de beheersmaatregelen eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes.
Klopt het dat u verwacht dat pas na aanvullende jurisprudentie meer duidelijkheid ontstaat over de juridische houdbaarheid van een hogere ondergrens? Zo ja, waarom bent u die mening toegedaan? En hoe verhoudt dit zich tot Duitsland?
De grootste zekerheid over de juridische houdbaarheid van de rekenkundige ondergrens komt uit het volledig doorlopen van een juridische procedure waar de ondergrens onderdeel van is. Juridische zekerheid is maximaal als de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State de toepassing van de rekenkundige ondergrens als zodanig accepteert.
Het kabinet is echter overtuigd van de voorliggende onderbouwing en wil daarom zo snel mogelijk overgaan tot invoering van de rekenkundige ondergrens, ook als een dergelijke uitspraak van de Afdeling nog niet is gegeven. Zoals eerder aangegeven is er nog wel een aantal andere stappen nodig voordat de rekenkundige ondergrens houdbaar kan worden ingevoerd. Tegelijk wordt ook nog geprobeerd een geschikte procedure te vinden om de rekenkundige ondergrens snel juridisch te laten toetsen.
Bent u bereid om nog dit jaar met voorstellen te komen om de rekenkundige ondergrens te verhogen, zodat Programma Aanpak Stisktof (PAS)-melders kunnen worden gelegaliseerd en woningbouwprojecten niet langer onnodig op stikstof vastlopen?
Zoals aangekondigd in mijn brief van 26 juni jl. is het kabinet voornemens om zo snel mogelijk, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren. Parallel ben ik met een pakket aan maatregelen gekomen voor onder andere natuurherstel en is het Programma Maatwerkaanpak PAS-melder vastgesteld. Momenteel wordt een spoedwet opgesteld met daarbij een programma van maatregelen, waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden afgewezen. Deze stappen samen zullen onder meer PAS-melders en de woningbouw helpen.
In hoeverre is het uitblijven van een verhoging van de rekenkundige ondergrens een politieke keuze van het kabinet zelf en niet een rechtstreeks gevolg van Europese regelgeving? Mocht het een rechtstreeks gevolg van Europese regelgeving zijn kunt u dan de uitspraak van de hoogste Duitse bestuursrechter die de grens van 21 mol per hectare per jaar recent opnieuw bekrachtigd heeft, weerleggen?
Het kabinet kiest ervoor om de rekenkundige ondergrens op een zorgvuldige manier in te voeren. Voor de Nederlandse situatie acht het kabinet het, op basis van wetenschappelijke adviezen, noodzakelijk om eerst voldoende beheersmaatregelen te nemen, voordat overgegaan kan worden op invoering van de rekenkundige ondergrens. Daar wordt op dit moment samen met de provincies met voorrang aan gewerkt.
De Duitse context en systematiek voor natuurvergunningverlening is anders dan de Nederlandse. Er kunnen daarom niet zonder meer parallellen getrokken worden. Bij de onderbouwing van de rekenkundige ondergrens zoals die nu voorligt, zijn de Duitse ervaringen wel betrokken.
Klopt het dat Artikel 2, lid 3 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) lidstaten oproept om bij het stikstofbeleid rekening te houden met economische, sociale en culturele en lokale belangen? Zo ja, waarom houdt u hier geen rekening mee en maakt het boeren en woningbouw kapot?
Artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn schrijft voor dat bij het nemen van maatregelen rekening gehouden dient te worden met economische, sociale en culturele vereisten en lokale bijzonderheden. Dit geldt als een algemene richtlijn voor het nationale beleid, maar is niet bedoeld niet om specifieke, dwingende voorschriften voor de lidstaten uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn (onder meer het treffen van de nodige instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen om verslechtering van de natuur te voorkomen) opzij te kunnen schuiven.
Het kabinet is zich bewust van de grote belangen van de woningbouw en de agrarische sector. Juist om te voorkomen dat de vergunningverlening volledig op slot gaat, heeft het kabinet in juni een pakket aan stikstof-reducerende maatregelen aangekondigd in de vorm van een samenhangend pakket met het doel om enerzijds de vergunningverlening voor (onder meer de) boeren en de bouw los te trekken en anderzijds om de natuur te herstellen.
Welk concreet risico acht u groter: een juridische procedure of het jarenlang uitblijven van tienduizenden woningen voor starters, gezinnen en ouderen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn reactie op vraag 8, verwacht ik dat dit ambitieuze pakket een positieve bijdrage levert aan de ambitie van de realisatie van 100.000 woningen per jaar. Om deze woningen daadwerkelijk te realiseren is wel een juridische houdbare vergunning noodzakelijk. Verder benadruk ik dat in onze democratische rechtstaat de toegang tot de rechter open moet staan. Juridische procedures zijn een belangrijk onderdeel van de rechtstaat.
Kunt u toezeggen om in een bijlage bij deze schriftelijke vragen uitvoerig in te gaan op de juridische en politieke redenen waarom de rekenkundige ondergrens op dit moment niet kan worden verhoogd inclusief een weerlegging van de casus voor een ondergrens van één mol per hectare per jaar voor stikstofdeposities en een verdediging van het advies van de Raad van State (Kamerstuk 35 0334, nr. 393) (Kamerstuk 35 334, nr. 399)?4
In de beantwoording van een aantal vragen hierboven ben ik reeds ingegaan op de planning en noodzakelijke tussenstappen tot invoering van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens.
Daarnaast verwijs ik naar onder meer de kamerbrief «Voortgang op de wetswijziging alternatief voor de KDW en de rekenkundige ondergrens»9 waarin mijn voorganger is ingegaan op de destijds nog te nemen stappen. Deze stappen zijn onder meer opgepakt via de adviesvraag die is gedaan naar prof. Backes en prof. Petersen10. Deze reflectie is een belangrijke reden dat het kabinet eerst beheersmaatregelen ontwikkelt, voordat de rekenkundige ondergrens wordt ingevoerd.
Tot slot verwijs ik naar de kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Hierin presenteert het kabinet een samenhangende aanpak aan stikstof-reducerende maatregelen, waarin de rekenkundige ondergrens een belangrijke rol speelt. Om over te kunnen gaan op invoering van de rekenkundige ondergrens zijn echter nog een aantal stappen te zetten. Deze worden in de komende tijd uitgewerkt, samen met provincies en andere medeoverheden. Het kabinet vertrouwt erop dat daarmee de rekenkundige ondergrens op een zorgvuldige manier uiterlijk het vierde kwartaal van 2027 kan worden ingevoerd, of spoediger indien mogelijk. Hiervoor onderzoeken we ook de snellere route van directe implementatie in de provinciale omgevingsverordening.
Klopt het dat u tijdens het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof aangaf dat de aangekondigde zoneringsaanpak niet ziet op woningbouwvergunningen maar op emissiereductie bij landbouw en industrie? Kunt u toezeggen dat deze zonering nooit onderdeel wordt van de vergunningverlening voor woningbouwprojecten? Indien u dat niet kunt, betekent dit dan dat u verkeerde info tijdens het debat gegeven heeft?
In dit debat heb ik aangegeven dat de Rijksinstructieregels voor de zoneringsaanpak niet toezien op woningbouw. De samenhangende aanpak van het hele pakket, waaronder de zonering, moet er juist toe leiden dat er weer meer ruimte komt voor onder meer woningbouw. In zoverre wil ik juist wel dat de aanpak onderdeel wordt van de natuurvergunningverlening van (woningbouw)projecten. Niet als beperking, maar als onderbouwing zodat het woningbouwproject kan doorgaan omdat er voldoende maatregelen worden genomen voor natuurbehoud. Ik merk daarbij op dat voor elk project een concrete toets moet worden verricht aan de geldende wet- en regelgeving, waaronder op het gebied van natuurbescherming.
Kunt u tevens uitsluiten dat provincies, gemeenten, omgevingsdiensten of rechters deze zones in de praktijk zullen betrekken bij vergunningverlening voor woningbouw?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 16 wil ik dat de aanpak onderdeel wordt van de onderbouwing dat onder andere woningbouwprojecten weer doorgang kunnen vinden. De beoordeling van nieuwe projectaanvragen, bijvoorbeeld voor woningbouw, blijft daarbij aan het betreffende bevoegd gezag.
Kunt u toezeggen om deze vragen binnen drie weken te beantwoorden?
Vanwege het reces is deze termijn helaas niet gehaald.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
De afsluiting van de Merwedebrug en de staat van de Nederlandse infrastructuur |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Merwedebrug per direct en voor onbepaalde tijd is afgesloten voor vrachtverkeer?
Ja
Wanneer werd voor het eerst geconstateerd dat het staal in de boogconstructie minder sterk was dan eerder werd aangenomen?
In voorbereiding voor werkzaamheden van het project A27 Houten – Hooipolder, waarbij een nieuwe brug naast de bestaande gebouwd gaat worden, zijn in 2025 en 2026 aanvullende herberekeningen en inspecties uitgevoerd. Hieruit bleek dat naast inspecties ook aanvullend materiaalonderzoek gewenst was. Afgelopen maanden zijn deze aanvullende onderzoeken door Rijkswaterstaat en TNO uitgevoerd. Op 16 juli zijn de voorlopige resultaten door TNO met Rijkswaterstaat gedeeld. De materiaaleigenschappen bleken slechter te zijn dan verwacht en hiermee was er noodzaak om met spoed de constructieve veiligheid van de brug opnieuw te beoordelen. Op 17 juli is op basis hiervan opgeschaald en is op zaterdag 18 juli om 17.30 uur een vrachtwagenverbod ingesteld.
Wanneer bent u hierover geïnformeerd?
Ik ben op 17 juli door Rijkswaterstaat geïnformeerd.
Welke onderzoeken en inspecties hebben geleid tot het besluit de brug met onmiddellijke ingang af te sluiten?
Zie beantwoording van vraag 2.
Waarom is gekozen voor een onmiddellijke afsluiting, terwijl de inspecties al eerder hadden plaatsgevonden?
Zie beantwoording van vraag 2.
Welke alternatieven zijn overwogen alvorens tot volledige afsluiting voor vrachtverkeer over te gaan?
Er zijn diverse opties overwogen; van volledige of gedeeltelijke afsluiting voor alle verkeer tot een relatief beperkte gewichtsbeperking. Er is overwogen om het verkeer naar 1 rijstrook terug te brengen, maar dat leverde onvoldoende gewichtsbeperking op om tot een acceptabele belasting van de brug te komen. Daarmee zou echter niet aan de constructieve veiligheid worden voldaan. Alles overwegende is er gekozen voor afsluiting voor vrachtverkeer zwaarder dan 3,5 ton en touringcars. De belasting op de brug van verkeer lichter dan 3,5 ton is relatief gering en vormt nu geen veiligheidsrisico voor de brug.
Waarom mogen lijnbussen, hulpdiensten en zwaar beladen bestelbussen met aanhanger de brug nog wel gebruiken, terwijl vrachtverkeer volledig wordt geweerd? Hoe verhoudt dit zich tot de constructieve overwegingen die aan het verbod ten grondslag liggen?
Gezien de kwaliteit van het staal is de noodzaak om per direct de (zware) belasting van de brug sterk te verminderen door een vrachtwagenverbod. Bestelbussen en personenauto’s zijn minder zwaar dan veel vrachtwagens en dragen maar beperkt bij aan de belasting van de brug. Alleen lichte bestelbussen tot 3,5 ton zijn toegelaten (voertuigcategorieën N1 en M1). Nood- en hulpdiensten en lijnbussen zijn de enige uitzonderingen die wordt gemaakt, omdat dit in verhouding niet vaak voorkomt en daarmee getolereerd kan worden voor wat betreft de constructieve veiligheid.
Welke technische grens is gehanteerd bij het bepalen welke voertuigen nog wel en welke niet meer over de brug mogen rijden?
De grenzen die hiervoor gebruikt worden zijn vastgelegd in de NEN8700 waarin de normen zijn vastgelegd voor de toetsing van de constructieve veiligheid in bestaande bouw en verbouw. Op basis hiervan kan bepaald worden welke gewichtsklassen van voertuigen nog toelaatbaar zijn gegeven de draagkracht van de brug.
Hoe lang verwacht u dat de afsluiting zal duren?
Op dit moment worden er nadere onderzoeken uitgevoerd naar de sterkte van de brug en passende maatregelen daarbij. De resultaten tot nu toe bevestigen de eerdere conclusies dat de brug niet voldoet aan de geldende normen, en bevestigen de noodzaak van de genomen maatregelen. Duidelijkheid over de duur van de maatregelen kan gegeven worden als er genoeg zicht is op de sterkte van de brug en de maatregelen die nodig zijn om de beperkingen op te mogen heffen. Omdat de onderzoeken nog lopen is daar nu nog geen antwoord op te geven.
Wanneer verwacht u de Kamer hierover nader te informeren?
Zodra daar aanleiding toe is, wordt de Kamer geïnformeerd.
Hoeveel vrachtwagens maakten vóór de afsluiting dagelijks gebruik van de Merwedebrug?
Voor de afsluiting reden er tussen de 7.000 en 8.000 vrachtauto's per dag per rijrichting over de brug.
Welke extra verkeersdruk verwacht u op de alternatieve routes?
Omdat het alleen een afsluiting voor vrachtverkeer is, is de verwachting dat de totale extra verkeerdruk op alternatieve routes beperkt is. Een indicatie van de extra reistijd voor het vrachtvervoer als gevolg van het omrijden op rustige momenten is tot 30–45 minuten, wat tijdens drukke momenten kan oplopen naar 45–60 minuten.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor de doorstroming op de A15, A16, A2 en overige omleidingsroutes?
Zie vraag 12. Als er al sprake is van extra verkeerdruk, is dat op de A16 (Moerdijkbrug) en de A2 en A59. Lokale alternatieven zijn beperkt vanwege het ontbreken van een rivierovergang.
Welke gevolgen heeft de toegenomen drukte op de omleidingsroutes voor de aanrijtijden van hulpdiensten in de regio? Hoe wordt de bereikbaarheid van nooddiensten geborgd?
Minimaal, zie ook beantwoording vraag 12. Met nood- en hulpdiensten is hierover afstemming. Zij kunnen gebruik blijven maken van de Merwedebrug.
Welke gevolgen heeft de afsluiting voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, nu door gelijktijdige beperkingen op onder meer de N3 en de A27 het aantal geschikte routes sterk afneemt? Hoe borgt u de veiligheid én de continuïteit van dit transport?
De geschatte extra reistijd voor vrachtverkeer als gevolg van het verbod van vrachtwagens op de Merwedebrug wordt ingeschat op rustige momenten op 30–45 minuten, tijdens drukke momenten kan dit oplopen tot 45 tot 60 minuten. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de verwachting dat dit helaas meer is, omdat – afhankelijk van de bestemming – de alternatieve verplichte routes beperkter zijn en er mogelijk verder omgereden moet worden.
Is onderzocht welke gevolgen de afsluiting heeft voor de bereikbaarheid van bedrijven, havens, distributiecentra en industriële locaties in de regio?
Nee, de afweging is gemaakt op basis van veiligheid. De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. Laat onverlet dat het duidelijk is dat impact voor bedrijven in de nabijheid van de brug het grootst is.
Bent u bekend met signalen dat individuele transportbedrijven tienduizenden euro's per week of zelfs per dag extra kosten verwachten? Hoe beoordeelt u deze signalen?
De signalen zijn mij bekend. De afsluiting van de Merwedebrug is echter niet zonder reden. De resultaten van het materiaalonderzoek waren dusdanig dat er direct ingegrepen moest worden. Daarbij is gekozen voor een maatregel die ertoe leidt dat de constructieve veiligheid van de brug kan worden gewaarborgd en de andere weggebruikers, de hulpdiensten en het openbaar vervoer nog veilig gebruik kunnen blijven maken van de brug. Transportbedrijven kunnen een beroep doen op de regeling voor nadeelcompensatie.
Gaat u de economische schade voor ondernemers en de logistieke sector in kaart brengen?
In dit soort gevallen treedt de Regeling Nadeelcompensatie in werking. Partijen die schade lijden kunnen bij Rijkswaterstaat een verzoek om nadeelcompensatie indienen.
Welke gevolgen verwacht u voor consumentenprijzen indien deze extra transportkosten langere tijd aanhouden?
Hierover kan ik geen uitspraken doen, omdat dit van heel veel factoren afhankelijk is.
Deelt u de opvatting dat deze keer voorkomen moet worden dat compensatie voor ondernemers uitblijft, zoals dat volgens ondernemers het geval was na de afsluiting van 2016, waarbij de schade grotendeels werd afgedaan als ondernemersrisico? Op welke wijze zorgt u ervoor dat de bestaande regeling voor nadeelcompensatie ditmaal wel toereikend is voor de getroffen ondernemers?
Op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat er aanspraak op nadeelcompensatie voor zover er schade wordt geleden die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» biedt een laagdrempelige toegang tot een beoordeling. Dat zal ook bij de huidige afsluiting het geval zijn.
Bent u bereid ondernemers tegemoet te komen indien de afsluiting langdurig blijkt?
Ja. De «Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024» houdt rekening met de omstandigheden. Zo moet bij het bepalen van het normaal maatschappelijk risico worden betrokken of de afsluiting een normale of niet-normale maatregel is en ook of er sprake is van een langdurige maatregel. Een onafhankelijke commissie brengt hierover advies uit.
Bent u bereid tijdelijk een uitzondering te maken op de kilometerheffing voor de extra omrijkilometers die rechtstreeks voortvloeien uit deze afsluiting?
Nee, de Wet vrachtwagenheffing biedt geen mogelijkheid voor een tijdelijke uitzondering van extra omrijkilometers. Eigenaren van vrachtwagens moeten per gereden kilometer betalen voor het gebruik van het heffingsnetwerk. Het heffingsnetwerk is vastgelegd in de wet. Verder zou een dergelijke uitzondering niet uitvoerbaar zijn. Ondernemers kunnen wel via Rijkswaterstaat een beroep doen op de wettelijk vastgelegde regeling voor Nadeelcompensatie. Overigens geldt in de periode van 1 september tot en met 31 december van dit jaar een tijdelijke verlaging van de tarieven van de vrachtwagenheffing met 22,3%. Daarmee komt het kabinet ondernemers tegemoet vanwege de hoge brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten.
Heeft Rijkswaterstaat onderzocht of gecontroleerd nachtelijk vrachtverkeer onder voorwaarden mogelijk zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Vanuit constructieve veiligheid dient de belasting op de brug te worden verminderd. Dit geldt voor zowel overdag als ’s nachts. Personenauto's vormen door hun geringe gewicht ten opzichte van vrachtwagens maar een klein percentage van de belasting op de brug door het wegverkeer. Vrachtwagens veroorzaken het grootste gedeelte van de belasting. In de nacht neemt de belasting op de brug door minder personenverkeer maar weinig af. Het toelaten van vrachtverkeer tijdens de nacht zal waarschijnlijk leiden tot meer vrachtverkeer en dus een hogere belasting. Een belasting die voor deze brug op dit moment volgens de berekeningen niet toelaatbaar is.
Hoe beoordeelt u de kritiek dat de informatievoorziening en bewegwijzering in de eerste dagen onvoldoende waren?
De resultaten van het materiaalonderzoek waren onverwacht en dusdanig urgent dat onmiddellijke afsluiting voor vrachtverkeer onvermijdelijk was. De informatie over de afsluiting voor vrachtverkeer en touringcars is zo snel als mogelijk naar buiten gecommuniceerd. Het kost inderdaad enige tijd om de bebording en bewegwijzering goed op orde te krijgen. Deze is afgelopen week samen met de politie nagelopen en verder versterkt. Regelmatig wordt dit nog gecontroleerd en bezien of verdere aanpassingen noodzakelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om sluipverkeer door dorpen en woonkernen te voorkomen?
Zie vraag 13. Omdat er plaatselijk weinig alternatieven zijn om de rivier over te steken is de verwachting dat er weinig lokaal sluipverkeer zal zijn.
Welke gevolgen verwacht u van de gelijktijdige werkzaamheden aan de Papendrechtse brug, de Algerabrug en de afsluiting van de Merwedebrug voor de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland?
Zie ook de beantwoording van vraag 14. De gecombineerde afsluiting van de Papendrechtse en Algerabrug laat tot nu toe nog weinig effect zien op de bereikbaarheid van Zuidwest-Nederland als geheel. De verwachting op voorhand was dat de afsluiting van de Papendrechtsebrug circa 30 minuten vertraging oplevert. Aangezien de afsluiting van de Merwedebrug alleen effect heeft op het vrachtverkeer, heeft dit daarom geen aanvullend effect voor het gehele verkeersbeeld. Hierbij moet worden aangetekend dat dit beeld is opgebouwd in de relatieve rustige vakantieperiode.
Waarom is de vervanging van de Merwedebrug niet eerder gerealiseerd, terwijl al langer bekend was dat vervanging noodzakelijk was?
Tijdens de vorige tijdelijke afsluiting van de Merwedebrug in het najaar van 2016 werkte IenW al volop aan de planuitwerking voor de verbreding van de A27 tussen Houten en het knooppunt Hooipolder, inclusief de vervanging van onder andere de Merwedebrug. In 2020 is het Tracébesluit A27 Houten-Hooipolder onherroepelijk geworden. Vervolgens vond tijdens en na de Covid-periode de voorbereiding van de realisatie plaats en zijn begin 2023 de reguliere onderdelen gegund. Voor de complexe en risicovolle onderdelen, waaronder de Merwedebrug, eerst een ontwerpfase plaats door de aannemer en RWS.
Over de voortgang van de A27 Houten – Hooipolder is uw Kamer regelmatig geïnformeerd. Zo is in de MIRT-brief najaar 20241 gemeld dat het programma te maken heeft met aanzienlijk hogere kosten dan eerder was voorzien. Oorzaken hiervan betreffen prijsstijgingen, huidige marktspanning, een te lage initiële raming en voortschrijdend inzichten (onder andere onderschatting complexiteit en een slechtere staat van het areaal). 11 mei jl.2 is aan uw Kamer geïnformeerd dat de ontwerpfase van de Merwedebrug West is afgerond. Dit heeft geleid tot het definitief opdragen van de uitvoeringswerkzaamheden waarmee het project formeel is overgegaan in de realisatiefase.
Kan de bouw van de nieuwe Merwedebrug worden versneld nu de bestaande brug is afgesloten? Welke gevolgen heeft de eerdere fasering en versobering van het project A27 Houten-Hooipolder voor de duur van de huidige situatie?
De bestaande brug is enkel afgesloten voor vrachtverkeer, het andere verkeer blijft gewoon gebruik maken van de Merwedebrug.
In de huidige planning voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug is reeds fors ingezet op slimme bouwfasering om met name de eerste (westelijke) brug zo snel mogelijk beschikbaar te hebben ter vervanging van de huidige brug. Deze planning resulteert naar verwachting in een openstelling van de nieuwe Merwedebrug West in 20313.
De bouw van de nieuwe brug is complex. Zeker ook omdat de nieuwe brug op korte afstand wordt gebouwd van de bestaande brug. De bouwwerkzaamheden kunnen namelijk van invloed zijn op de huidige brug (zettingen, trillingen).
Voorkomen moet worden dat de bestaande brug door de werkzaamheden beschadigd raakt. De recent bekend geworden slechtere staat van de huidige brug, vergroot de bouwcomplexiteit en legt daarmee extra druk op de bouwplanning. Zo mag ook het bouwverkeer voor de bouw van de nieuwe Merwedebrug geen gebruik maken van de bestaande brug. Dit heeft consequenties voor de bouwlogistiek. De impact wordt op dit moment onderzocht. Een verdere versnelling van de bouw ligt hiermee niet voor de hand.
Welke onderhoudswerkzaamheden zijn de afgelopen tien jaar aan de Merwedebrug uitgevoerd?
De Merwedebrug heeft het einde van de technische levensduur bereikt. De onderhoudsopgave wordt dan groter en onvoorspelbaarder. De brug wordt regelmatig geïnspecteerd en daarbij geldt voor een aantal onderdelen in een verhoogd inspectieregime. De inspecties vormen de basis voor het onderhoud aan de brug. Het onderhoud betrof de afgelopen jaren zowel de verhardingen (deklagen en onderlagen) als de constructie zelf. Denk daarbij aan: reparatie en vervanging van de voegovergangen, herstel van scheuren en het verwijderen van corrosie (met name op het beweegbare deel). Ook het vervangen van de opleggingen en het conserveren van de hangerkabels is in de afgelopen periode nodig geweest om de brug beschikbaar en veilig te houden.
Welke lessen zijn getrokken uit de afsluiting van de Merwedebrug in 2016 en waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat opnieuw een langdurige afsluiting noodzakelijk is?
Bij de huidige afsluiting van de brug zijn de rapporten en aanbevelingen van de afsluiting in 2016 bij de hand genomen. Ook toen werd de brug voor verkeer zwaarder dan 3,5 ton afgesloten. De aanbevelingen hadden met name betrekking op een betere betrokkenheid van medeoverheden en andere belangrijke partijen, wat nu ook zorgvuldiger is gedaan. De aanleiding voor de afsluiting was echter verschillend: toen was er sprake van vermoeiing van de verbindingen in de brug en daar zijn ook passende maatregelen op getroffen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van verstevigingen en verscherpte inspecties, zie ook beantwoording vraag 29. Het onderzoek heeft uitgewezen dat het staal van de brug een andere kwaliteit heeft dan mocht worden aangenomen.
Hoeveel bruggen, tunnels, sluizen en viaducten in beheer van het Rijk bevinden zich momenteel in een staat waarbij aanvullende beperkingen of onverwachte afsluitingen niet kunnen worden uitgesloten?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Op 8 december 2025 zijn de meest recente rapportages met de Kamer gedeeld.4 De eerstvolgende Staat van de Infrastructuur wordt dit najaar gepubliceerd.
In de RWS-rapportage wordt ook gerapporteerd over kunstwerken die in een zodanige slechte staat verkeren dat gebruiksbeperkingen zijn opgelegd en/of die onder een verhoogd inspectieregime staan. In de meest recente rapportage gaat het om respectievelijk 80 objecten met een gebruiksbeperking en 104 objecten die onder een verhoogd inspectieregime staan.5 In de beleidsbrief van 24 april jl. is aangekondigd dat als we niets doen, het de verwachting is dat dit aantal in 2030 verdubbeld is. RWS stelt verschillende maatregelen in om de veiligheid op deze kunstwerken te waarborgen. Tegelijkertijd zijn de beschikbare middelen in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds en de beschikbare capaciteit helaas niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities te bekostigen en uit te kunnen voeren. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer van 19 juni jl. geïnformeerd.
Bij hoeveel rijkskunstwerken is momenteel sprake van uitgesteld onderhoud?
Jaarlijks publiceren Rijkswaterstaat en ProRail rapportages over de technische staat van de infrastructuur in Nederland. Daarin wordt onder meer inzicht geboden in de locaties waar onderhoudswerkzaamheden zijn uitgesteld en waarvoor op peildatum juli 2025 nog geen uitvoering is gepland in de periode 2026–2028. Voor RWS gaat het in totaal om 136 objecten per peildatum juli 2025. Dit is overigens een momentopname; de situatie kan gedurende het jaar wijzigen.
Welk bedrag is volgens u nodig om de huidige onderhoudsachterstand van Rijkswaterstaat volledig weg te werken?
De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek over 2024 het tekort voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de netwerken van Rijkswaterstaat geraamd op € 34,5 miljard voor de periode tot en met 20385. Het betreft de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem.
Acht u de huidige onderhoudsbudgetten voldoende om de veiligheid, betrouwbaarheid en economische functie van de Nederlandse infrastructuur structureel te waarborgen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
De middelen die beschikbaar zijn in het Deltafonds en Mobiliteitsfonds zijn niet toereikend om alle opgaven en (nieuwe) ambities op het gebied van infrastructuur te bekostigen. Niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. Dat betekent onvermijdelijk dat we scherpe keuzes moeten maken. Op 16 maart jl.6 is de Kamer geïnformeerd over de grote opgaven binnen het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds en de noodzaak om scherpe keuzes te maken; enerzijds wat we moeten en willen en anderzijds wat we kunnen met het geld dat we hebben. Over het afweegproces om te komen tot een prioritering is de Kamer op 19 juni jl.7 geïnformeerd.
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de begroting Infrastructuur en Waterstaat een integraal overzicht te sturen van:
Zie beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 34.
Deelt u de opvatting dat het steeds vaker onverwacht moeten afsluiten van bruggen, viaducten en andere vitale infrastructuur erop wijst dat Nederland te lang heeft geleund op uitgesteld onderhoud? Zo nee, waarom niet?
Ja, daarom ben ik samen met de Staatssecretaris van I&W bezig met het proces rondom het afweegkader, om de basis van onze netwerken weer op orde te brengen. Daarvoor is het noodzakelijk om samen met uw Kamer scherpe keuzes te maken en te prioriteren wat nu nodig is, wat later kan en wat we niet meer doen. Zie ook beantwoording van vraag 31, 32, 33 en 24.
Het bericht ‘Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare»1
Ja.
Klopt het dat multinational B. Braun heeft gedreigd de resterende locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving waarnaar u verwijst. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare (VEC) hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare. Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Deelt u de mening dat B. Braun hier een nieuwe ondergrens heeft bereikt door de rechtbank, de ouders en de kinderen te chanteren met dreigende sluiting van de laatste zorgvilla’s Expertcare met als doel de rechtsgang te frustreren? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 was het ministerie niet bij de zitting aanwezig en lopen de lezingen van partijen over het verloop daarvan uiteen; ook dat maakt een oordeel op dit moment niet aan mij. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de deuren van de twee zorglocaties geopend blijven totdat er een passende zorgplek is gevonden voor alle overgebleven kinderen?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, staat voor mij voorop dat voor ieder kind passende vervolgzorg beschikbaar moet zijn voordat de zorg wordt beëindigd. Om de zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid van het proces te versterken, heb ik een onafhankelijk intermediair aangesteld. Daarnaast werken zorgverzekeraars en zorgkantoren vanuit hun wettelijke zorgplicht aan passende vervolgzorg voor iedere individuele cliënt. Voor alle cliënten zijn bovendien cliëntspecifieke noodscenario's uitgewerkt voor het geval de continuïteit van zorg onverwacht onder druk komt te staan.
Voor de twee resterende locaties, Wezep en Rijswijk, heeft VEC aangeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en op een zorgvuldige overdracht van cliënten. Op 11 augustus heeft de IGJ twee toezichtsrapporten uitgebracht over de locaties Wezep en Rijswijk. Voor locatie Wezep heeft de IGJ verbetermaatregelen opgelegd. De IGJ blijft de uitvoering van deze verbetermaatregelen en de ontwikkelingen op beide locaties nauwlettend volgen.
Bent u van plan wetgeving voor te bereiden om te voorkomen dat een onderneming na ernstig falen nog zorg mag aanbieden, bijvoorbeeld een tijdelijk of permanent verbod om als zorgaanbieder op te treden na ernstige overtredingen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik niet voornemens wetgeving voor te bereiden die voorziet in een algemeen tijdelijk of permanent verbod voor een onderneming om als zorgaanbieder op te treden. Wel heb ik eerder aangekondigd dat ik deze casus op een later moment, nadat er voor de kinderen van VEC een oplossing is gevonden, grondig zal evalueren. Bij die evaluatie zal ik ook de toereikendheid van het bestaande wettelijke instrumentarium betrekken, om te bezien of dit voldoende mogelijkheden biedt om in vergelijkbare situaties tijdig en effectief in te grijpen.
'Aanstelling Judith Kuypers als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe is de selectie van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld tot stand gekomen?
Hoeveel kandidaten waren er voor de rol als Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Wat was de afweging van het kabinet om iemand te kiezen met ervaring uit de praktijk van een bepaalde instelling, ten opzichte van iemand die geen directe verbintenis heeft gehad met een specifieke instelling?
Deelt u de mening dat er beter voor een onafhankelijk persoon gekozen kon worden, in plaats van iemand met een groot verleden met het stelsel van de zorg voor vrouwen en huiselijk geweld?
Gezien het verleden van mevrouw Kuypers, hoe voorkomt u bepaalde vooroordelen en vooringenomenheid over met name Veilig Thuis bij de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Op basis waarvan is er vertrouwen in haar onafhankelijke rol en welke maatregelen worden genomen om (de schijn van) belangenverstrengeling tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar het feit dat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld het stelsel juist kritisch moet kunnen beoordelen, maar tegelijktijdig zelf jarenlang onderdeel is geweest van dat huidige stelsel?
Op het moment dat er een kritisch onderzoek nodig is naar de prestaties van Veilig Thuis van de afgelopen jaren, is de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld dan ook bereid om dit te onderzoeken over de periode waarin zij zelf betrokken was?
Kunt u zich voorstellen dat er veel slachtoffers zich niet gehoord voelen door instanties als Veilig Thuis en zich nu wederom weer niet gehoord voelen door de overheid met deze keuze voor de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Hoe worden slachtoffers en ervaringsdeskundigen de komende periode betrokken bij de hervorming van het stelsel en het werk van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld?
Onderschrijft u dat één van de belangrijke punten van de aanpak een betere samenwerking is tussen de verschillende partijen? Hoe borgt u dat er veel meer gezamenlijk wordt opgepakt en wordt behandeld vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid?
Hoe zorgt u ervoor dat de rol van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld ook echt het verschil kan maken en doorbraken kan forceren?
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.