Het schrappen van de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU), Harmen Krul (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Hoeveel leerlingen ontvangen dit schooljaar godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op een openbare basisschool?
Ongeveer 50.000 leerlingen ontvangen vormingsonderwijs. Daarnaast zijn scholen vanuit de wettelijke kaders verplicht om aandacht te besteden aan identiteitsvorming via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Dit onderwijs moet gegeven worden aan alle leerlingen.
Hoe verhoudt uw voornemen om de subsidie op het godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te schrappen zich tot de wettelijke opdracht van artikel 192 van de Wet op het primair onderwijs om subsidie te verstrekken aan de organisatie voor vormingsonderwijs en de duidelijke kaders die daarvoor bij de wetsbehandeling geschetst zijn? Onderkent u dat het schrappen van de subsidie niet mogelijk is zonder wetswijzing?
Met het wegvallen van de bekostiging aan het Centrum voor Vormingsonderwijs (hierna: CvV), valt hun bron van financiering weg. De bekostiging is op dit moment wettelijk geborgd. Voor de beëindiging van de subsidie wordt een voorstel tot wetswijziging gedaan. De financiering is nog voorzien in 2025 en 2026. De komende tijd wordt het juridische proces rondom het stopzetten van de subsidie per 2027 in gang gezet.
Wat is uw reactie op de constatering van het Centrum voor Vormingsonderwijs dat «[m]et dit voornemen het openbaar onderwijs op achterstand [wordt] gezet ten opzichte van het bijzonder onderwijs», omdat openbare scholen nu niet meer tegemoet kunnen komen «aan de terechte vraag naar levensbeschouwelijke vorming»?1
Scholen zijn vanuit de wettelijke kaders ook verplicht aandacht te geven aan de identiteitsontwikkeling van kinderen via onder andere het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht. Scholen (zowel openbaar als bijzonder) worden dus niet op achterstand gezet, maar blijven dezelfde bekostiging houden om invulling te geven aan deze wettelijke kaders.
Vanwege de taakstelling moeten er keuzes gemaakt worden. Hierbij is ervoor gekozen het primaire proces van onderwijs (kort gezegd: het verplichte curriculum, opgenomen in de kerndoelen en de burgerschapsopdracht) te ontzien. Vormingsonderwijs is niet opgenomen in dit verplichte curriculum. Hiervoor is vastgelegd dat het aanvullend op verzoek van ouders kan worden aangeboden, ter verrijking van de identiteitsontwikkeling van kinderen.
Verwacht u dat scholen na het schrappen van de subsidie evengoed in staat zijn de leerlingen in de gelegenheid te stellen godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen? Kunt u die verwachting onderbouwen? Hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat de subsidie in verband staat met het gewenste hoge kwaliteitsniveau, wat onder andere tot uitdrukking komt in het toepassen van de bevoegdheidseisen?
Die verwachting is er niet. Openbare scholen worden niet bekostigd om godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te geven. Dat past niet bij de aard van openbaar onderwijs. Wel zijn openbare scholen verplicht om via onderwijs over kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht leerlingen voor te bereiden op deelname aan een pluriforme samenleving. Hierbij doen leerlingen kennis op van de verschillende wereldreligies. Ze leren zich ook vanuit hun eigen waarden te verhouden tot mensen met een andere (levensbeschouwelijke) overtuiging. Het vormingsonderwijs is een aanvullend aanbod, buiten het verplichte curriculum van de school. De beëindiging van de subsidie aan het CvV raakt niet het primaire proces van scholen.
De hoge kwaliteit van het huidige vormingsonderwijs komt mede door de bevoegdheidseisen aan vakleerkrachten. Eventuele vragen ten aan de kwaliteit hebben geen rol gespeeld in het voorgenomen besluit de subsidie te beëindigen. Aan deze afweging ligt vooral ten grondslag dat we het primaire proces willen ontzien en dat de versterking van burgerschapsonderwijs ook bijdraagt aan identiteitsontwikkeling.
Erkent u dat levensbeschouwelijk vormingsonderwijs meer is dan «leerlingen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten», maar het ook gaat over het stellen van levensvragen, het zoeken naar een persoonlijk antwoord daarop en het helpen ontwikkelen van een eigen levensbeschouwelijke identiteit en op deze manier geen opdracht vanuit burgerschap is, zoals het Centrum voor Vormingsonderwijs stelt?
Ja, identiteitsvorming van leerlingen is van wezenlijk belang. We zien dat vormingsonderwijs breder is dan alleen kennis laten opdoen van verschillende godsdiensten. Bij vormingsonderwijs is de docent niet neutraal maar geeft hij vanuit de eigen overtuiging les. Vormingsonderwijs draagt echter niet alleen bij aan identiteitsvorming. Onderwijs over bijvoorbeeld het kennisgebied Geestelijke stromingen en de burgerschapsopdracht draagt ook bij aan de identiteitsontwikkeling van kinderen. Dit aanbod is verplicht vanuit de wet en kerndoelen. In de aangescherpte burgerschapsopdracht van 2021 is opgenomen dat de school leerlingen kennis over en respect voor verschillen in o.a. godsdienst en levensovertuiging moet bijbrengen. De aanvullende waarde van deze subsidieregeling is daarmee afgenomen, zeker daar waar het vormingsonderwijs wordt verstrekt in carrouselvorm. Bij het carrouselmodel ontvangen leerlingen namelijk in lessenserie vormingsonderwijs over verschillende levensbeschouwingen, in plaats van dat leerlingen het hele jaar les krijgen over één specifieke levensbeschouwing. Wij denken dat scholen met het onderwijs over burgerschap en Geestelijke stromingen een groot deel van het aanbod van vormingsonderwijs zullen opvangen en dat leerlingen voldoende ruimte krijgen om te leren van en over elkaars geloof en levensovertuigingen en daarbij hun eigen identiteit verder te ontwikkelen.
Heeft u voorafgaande dit besluit gesproken met ouders die veel waarde hechten aan dit godsdienstig onderwijs of levensbeschouwelijk onderwijs? Wat kunt u delen over deze gesprekken?
Voorafgaand aan dit besluit is niet direct gesproken met ouders van kinderen die vormingsonderwijs ontvangen. Dat is ook niet gangbaar bij dergelijke besluiten. Wel geeft het evaluatierapport enkele inzichten in de positie van ouders ten aanzien van het vormingsonderwijs in de praktijk. Uit de eerste resultaten blijkt dat het aanbod aan vormingsonderwijs op veel scholen in beperkte mate tot stand komt op verzoek van ouders, terwijl het de uitdrukkelijke bedoeling van de regeling is dat ouders de vragende partij zijn. Het evaluatierapport zal begin volgend jaar naar uw Kamer gestuurd worden.
Kunt u deze vragen separaat beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
De vragen zijn op 27 november aan uw Kamer gezonden.
Kinderopvang voor speciaal onderwijs |
|
Senna Maatoug (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van gemeenten zoals Leiden en Amsterdam over het gebrek aan kinderopvang voor kinderen op het speciaal onderwijs? Hoe beoordeelt de regering deze zorgen?1, 2
Wij vinden het belangrijk dat er voor elk kind een passende plek is in de kinderopvang. Ook voor kinderen die meer ondersteuning nodig hebben.
We herkennen de zorgen van meerdere gemeenten zoals Leiden en Amsterdam, maar ook van kinderopvangorganisaties, scholen en ouders. Diverse zorgen zijn in verschillende gesprekken met diverse stakeholders en onderzoeken3 naar voren gekomen en deze nemen we serieus. Tegelijkertijd is het neerzetten van kinderopvangaanbod met extra ondersteuning complex en vraagt dit om een stevige samenwerking tussen kinderopvangorganisatie, gemeente en zorg- en/of onderwijspartijen.
We zien dat er mooie voorbeelden in de praktijk ontstaan. Zo ook in de gemeente Amsterdam die budget gereserveerd heeft voor buitenschoolsopvang plus (bso+) om juist voor kinderen die naar het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs gaan een passende plek na schooltijd te bieden. De gemeente is tevreden over de organisaties die deze opvang bieden. Hiermee zijn ook ouders geholpen: zij hoeven niet noodgedwongen te stoppen met werken of minder te gaan werken.
Samen met de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport stimuleren we de doorontwikkeling van inclusievere vormen van kinderopvang.4 We zetten in op kennisdeling en het makkelijker maken van samenwerking tussen de verschillende sectoren. Er wordt momenteel een handreiking ontwikkeld voor gemeenten, kinderopvangorganisaties en zorg- en onderwijspartijen. Hierin komen ook handvatten en voorbeelden van hoe er meer bso bij scholen voor speciaal (basis)onderwijs gerealiseerd kan worden. Zo hopen we dat steeds meer partijen hun rol pakken en hierin samen optrekken en investeren. Zodat nog meer kinderen met een ondersteuningsbehoefte zich ook op de opvang kunnen ontwikkelen en hun ouders kunnen werken. Hierover kunt u meer lezen in de gezamenlijke beleidsreactie op het rapport Druk op de Keten die de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport u mede namens ons toestuurt.
Kunt u de wetsgeschiedenis op dit punt schetsen en daarbij in ieder geval de motie van de leden Van Aartsen-Bos en de memorie van toelichting van de Wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met buitenschoolse opvang betrekken?3, 4
In 2006 is de motie Van Aartsen/Bos aangenomen.7 Deze leden constateerden een groot spanningsveld tussen de arbeidstijden van werkende ouders en de schooltijden van hun kinderen in het primair onderwijs, en dat zij daardoor voor de opvang van hun kinderen aangewezen zijn op de voor- en naschoolse opvang. In de motie werd verzocht de wet- en regelgeving zodanig aan te passen dat scholen worden verplicht hetzij voor- en naschoolse opvang te bieden, hetzij faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen en de randvoorwaarden hierbij aan te geven. Om aan deze motie invulling te geven zijn de Wet op het primair onderwijs en de Wet medezeggenschap gewijzigd. Hierdoor zijn scholen in het primair onderwijs nu verantwoordelijk om buitenschoolse opvang te organiseren indien een of meer ouders hierom verzoeken.8 Dit betekent dat zij voor- en naschoolse opvang moeten bieden, of het mogelijk maken dat andere partijen dat doen en de randvoorwaarden hierbij aan te geven. Het schoolbestuur is dus niet verplicht dit zelf te organiseren. Buitenschoolse opvang is namelijk nadrukkelijk geen vorm van onderwijs. Omdat er ten tijde van deze wijziging onvoldoende bekend was over mogelijke problemen tussen de aansluiting van scholen en de opvang voor leerlingen in het speciaal onderwijs is het speciaal onderwijs niet meegenomen in deze wijziging. In de memorie van toelichting is daarom opgenomen dat er onderzocht zou worden hoe het speciaal onderwijs invulling kan geven aan deze verplichting.9 Over dit onderzoek leest u meer bij het antwoord op vraag 5.
Hoe beoordeelt u de uitspraak in deze memorie van toelichting dat op het speciaal onderwijs kinderen zitten met dusdanige beperkingen «dat de reguliere kinderopvang niet altijd voldoende toegerust is om deze kinderen op te vangen»?
Deze uitspraak is vandaag de dag nog van toepassing. Kinderen die naar het speciaal (basis)onderwijs gaan, gaan vaak niet naar de reguliere kinderopvang omdat hier niet altijd de benodigde expertise en ondersteuning beschikbaar is. Er zijn echter wel mooie voorbeelden en pilots van kinderopvang voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Is het nog steeds onvoldoende bekend «in hoeverre er voor wat betreft de aansluiting tussen de scholen en de opvang problemen zijn voor ouders en kinderen», zoals in deze memorie van toelichting staat?
Nee, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Op welke manier is aan de toezegging, die in deze memorie van toelichting staat, voldaan dat onderzocht zal worden hoe het speciaal onderwijs invulling kan geven aan deze verplichting? Wat waren de uitkomsten van dit onderzoek? Bent u bereid dit onderzoek te actualiseren?
In 2007 hebben Sardes en de CED groep onderzoek gedaan naar de behoefte aan buitenschoolse opvang (bso) voor kinderen uit het speciaal (basis)onderwijs en de uitvoeringspraktijk daarvan. En naar welke (financiële) knelpunten een vorm van bso in de weg staan en hoe de praktijk denkt over een verplichting.10 Het onderzoek laat zien dat er verschillende vormen van bso zijn waar kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte naartoe kunnen. Zowel reguliere vormen van opvang, als opvang die aansluit bij de school voor speciaal (basis)onderwijs (vaak bso+ genoemd). Succesfactoren die daarbij genoemd worden zijn: goed opgeleid personeel dat ervaring heeft met de doelgroep, kleine groepen waarin ieder kind voldoende aandacht krijgt en er rust gewaarborgd is, een goede ruimte zowel binnen als buiten en goede contacten met ouders en school. Uit het onderzoek bleek ook dat de behoefte aan bso groter is dan het op dat moment beschikbare aanbod (het ging in 2007 om 10.000 kinderen en jongeren extra die naar bso zouden gaan als er goed aanbod was). En dat in sommige gevallen men niet weet dat er aanbod beschikbaar is. De meeste ouders wilden dat hun kind naar een reguliere bso dicht bij huis kan, zodat ze aansluiting hebben met kinderen uit de buurt en/of naar dezelfde opvang kan als een broertje of zusje. Ook de experts uit het onderwijsveld wensten, met een kleine meerderheid, vooral geïntegreerde vormen van bso. Over de wettelijke verplichting was men verdeeld. Er werd onderschreven dat leerlingen uit het speciaal (basis)onderwijs dezelfde garanties verdienen ten aanzien van bso-aanbod. Maar niet iedereen vond dat dat deze verplichting bij de scholen belegd zou moeten worden. De uitvoeringspraktijk is erg ingewikkeld voor scholen, zie daarvoor ook het antwoord op vraag 6.
In 2008 heeft Sardes vervolgonderzoek gedaan.11 Hieruit kwam naar voren dat, ondanks dat scholen geen verplichting hebben om bso aan te bieden, scholen langzaam begonnen met het organiseren van opvang na reguliere schooltijd. Ongeveer 1 op de 6 scholen voor speciaal (basis)onderwijs bood destijds bso aan. Verder maakte het merendeel van de kinderen en ouders gebruik van het speciale aanbod van de school en niet de reguliere opvang dichtbij huis. Met als reden dat het personeel daar toegerust is om opvang voor hun kind te verzorgen, maar ze vinden het ook belangrijk dat hun kind niet ver hoeft te reizen van school naar bso. Een groot verschil met het eerste onderzoek is dat ouders hier aangaven een voorkeur te hebben voor bso in de wijk. De verwachting van de onderzoekers is dat de ouders uit het onderzoek uit 2008 helaas in de praktijk hebben ervaren dat bso nabij thuis toch niet passend is voor hun kind. Daarbij was het volgens de onderzoekers niet in te schatten hoeveel extra vervoersbewegingen er bij komen als meer kinderen gebruik gaan maken van bso.
Vorig jaar heeft de Staatssecretaris van VWS uw Kamer het onderzoeksrapport Druk op de Keten gestuurd.12 Gelijktijdig stuurt de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport u mede namens ons een beleidsreactie op dit rapport. Dit onderzoek laat zien dat de druk op de gehele keten van kinderopvang, onderwijs en zorg voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte is toegenomen in de periode 2016–2019. Naast de cijfers die uit dit onderzoek naar voren komen hebben we ook vanuit diverse gemeentes en andere partijen, zoals aangegeven bij vraag 1, recente signalen ontvangen dat de druk in de afgelopen jaren verder is toegenomen. Aangezien we door recente signalen een helder beeld hebben is aanvullend onderzoek niet nodig.
Wat voor afweging ziet u met betrekking tot een mogelijke verbreding van de wettelijke plicht om buitenschoolse opvang te regelen voor het speciaal onderwijs c.q. speciale scholen voor basisonderwijs, net zoals artikel 45, lid 2 van de Wet op het primair onderwijs dit regelt voor basisscholen?
Het verbreden van een wettelijke plicht naar het speciaal onderwijs is complex en vraagt veel van scholen. Daarbij wil ik allereerst benadrukken dat buitenschoolse opvang geen vorm van onderwijs is en daarmee geen kerntaak van scholen is. In het hoofdlijnenakkoord van dit kabinet is afgesproken dat de verbetering van de beheersing van basisvaardigheden lezen, schrijven en rekenen de komende jaren centraal moet staan in het onderwijs. We zetten hier daarom middelen voor in.
Tegelijkertijd zien we ook dat er een behoefte is aan meer en passend aanbod van opvang voor de groep kinderen die extra ondersteuning nodig heeft. Daarom gaan we de komende periode graag het gesprek aan met betrokken partijen over de knelpunten die er nu zijn en hoe we die gezamenlijk weg kunnen nemen. We zullen de mogelijkheden van een wettelijke verplichting als een van de opties bespreken en verkennen met het veld. Daarbij zetten we in ieder geval nu al in op het stimuleren van meer aanbod via kennisdeling, door de eerder genoemde handreiking. We betrekken daarbij ook de beweging richting inclusief onderwijs. Er blijft daarmee altijd een vorm van speciaal onderwijs bestaan, maar er zullen vanwege deze beweging ook steeds meer leerlingen gezamenlijk naar een school in de buurt gaan. Het ligt dus ook voor de hand om te bezien wat dit betekent voor het aanbod van buitenschoolse opvang.
Met betrekking tot een wettelijke verplichting zijn de volgende overwegingen in ieder geval relevant:
De afstand van thuis naar school en de reistijd kunnen erg verschillen. Veel leerlingen worden ’s ochtends opgehaald en thuisgebracht door taxivervoer en op verschillende tijdstippen op school afgezet. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer ligt bij de gemeenten en wordt bekostigd uit het gemeentefonds. Op basis van de huidige regeling13 hoeven alleen de kosten te worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Als de leerlingen niet alleen van en naar school, maar ook van en naar de opvang moeten worden gebracht moeten aanvullende afspraken gemaakt worden. Het is niet in te schatten hoeveel en welke extra vervoersbewegingen er dan bij komen. Daarom is het ook niet mogelijk om een inschatting te geven van de kosten. Daarnaast is het nu al vaak ingewikkeld genoeg om voldoende vervoer te organiseren door een tekort aan taxichauffeurs. Ook zou het kunnen betekenen dat de kinderen na hun schooldag nog langer onderweg zijn naar de kinderopvang of naar huis doordat andere kinderen op verschillende locaties moeten worden afgezet.
Deelt u de opvatting dat het juist voor kinderen op het speciaal onderwijs van belang is dat de kinderopvang goed is geregeld?
Ieder kind verdient goede kinderopvang, ook kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Wij streven er naar dat de kinderopvang idealiter zo inclusief mogelijk wordt in de toekomst. Dit sluit ook aan bij de doelstellingen van de Nationale strategie voor implementatie van het VN-verdrag Handicap waarvan op dit moment de werkagenda wordt gemaakt. Hoe we dit kunnen bereiken zullen we de komende periode, samen met het veld, nader uitwerken.
Acht u het wenselijk om kinderen uit het speciaal onderwijs hetzelfde wettelijke recht op kinderopvang te geven als kinderen in het reguliere onderwijs? Bent u het ermee eens dat idealiter de kinderopvang ook zo inclusief mogelijk wordt, zodat kinderen met en zonder beperking elkaar al op jonge leeftijd tegenkomen?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke manier kan een dergelijke wettelijke verplichting worden vormgegeven?
De afwegingen, die ik u bij vraag 6 heb geschetst, dienen gemaakt te worden om te bepalen of een wettelijke verplichting wenselijk en haalbaar is. Bij de gesprekken met het veld is het een mogelijkheid om een wettelijke verplichting als een van de opties te bespreken en verkennen.
Wat voor oplossing ziet u (nog meer) voor kinderen die niet terecht kunnen bij een kinderdagcentrum of de kinderopvang vanwege de benodigde zorg?
Voor kinderen met een ondersteuningsbehoefte die naar het speciaal (basis)onderwijs gaan is er soms ook gespecialiseerd aanbod vanuit een (jeugd)zorgaanbieder mogelijk. Daarnaast zien we op dit moment in het hele land veel goede voorbeelden van samenwerking tussen scholen, kinderopvang en zorgpartijen, zodat kinderen met een ondersteuningsbehoefte ook zoveel mogelijk naar een reguliere kinderopvang met extra ondersteuning (vaak plusopvang genoemd) kunnen gaan. Dit wordt nu vaak in kleinere groepen met extra ondersteuning en expertise geboden. Ook nu al zijn hier dus mogelijkheden voor, en die willen we stimuleren, bijvoorbeeld via het delen van kennis en goede voorbeelden middels de handreiking die wordt ontwikkeld.
Bent u bereid om met betrokken partijen in gesprek te gaan over de mogelijkheden om kinderopvang voor kinderen in het speciaal onderwijs wettelijk te verankeren?
Ja. Zie verder het antwoord bij vraag 6.
Bent u bereid om met betrokken partijen in gesprek te gaan over de mogelijkheden om kinderopvang voor kinderen in het speciaal onderwijs beter te faciliteren en te stimuleren?
Ja. Zie verder het antwoord bij vraag 6.
Het delen van alternatieve opties voor het uitstellen van de curriculumherziening. |
|
Sandra Beckerman , Doğukan Ergin (DENK), Ilana Rooderkerk (D66), Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de scenarioverkenning ten behoeve van aanpassingen in het proces van de kerndoelenherziening (specifiek: nota #47559751) delen met de Kamer vóór het commissiedebat over de curriculumherziening en het masterplan basisvaardigheden op woensdag 16 oktober 2024? Zo nee, waarom niet?
Bij deze schrijf ik u dat ik niet aan uw verzoek kan voldoen. De genoemde nota is de nota ter ondertekening voor aanlevering van het wetsvoorstel herziening wettelijke grondslagen kerndoelen bij de Raad Sociaal Domein. In lijn met het kabinetsbrede beleid rondom openbaarmaking worden stukken ter voorbereiding van de ministerraad en onderraden in principe niet openbaar gemaakt om de eenheid van kabinetsbeleid te waarborgen. Genoemde nota diende ter voorbereiding van de bespreking in de onderraad en zal ik derhalve dan ook niet openbaar maken.
Kunt u deze vraag vóór woensdag 16 oktober 10:00 beantwoorden?
Ja.
Het rapport 'Van wet naar werkelijkheid: Bewegingsonderwijs op de basisschool' |
|
Michiel van Nispen |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het rapportVan wet naar werkelijkheid: Bewegingsonderwijs op de basisschool?1
Uit het onderzoek van het Mulier Instituut blijkt dat ongeveer twee derde van de scholen2 voldoet aan de wettelijke verplichting van 90 minuten (advies: twee keer 45 minuten) bewegingsonderwijs per week, gegeven door een bevoegd (vak)leerkracht. Al deze scholen hebben zich ingespannen om aan die norm te voldoen en dat is een compliment waard.
Aan de andere kant is het zorgwekkend dat ongeveer een derde van de basisscholen nog niet voldoet aan de wettelijke norm. Het is belangrijk dat kinderen voldoende gymles krijgen. Dit legt de basis om later gezond door het leven te gaan en daarom moet in het primair onderwijs voldoende aandacht worden besteed aan de kerndoelen voor bewegen en sport.
Wat bent u van plan om te doen om scholen beter te ondersteunen, zodat zij wel kunnen voldoen aan de norm van 90 minuten bewegingsonderwijs per week?
Ik verwacht van alle scholen dat ze voldoen aan de wettelijke verplichtingen die gelden voor het onderwijs, inclusief de urennorm voor bewegingsonderwijs. Scholen en gemeenten hebben zich drie jaar kunnen voorbereiden op deze norm, die er tevens op uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer is gekomen.3
Tot en met vorig jaar konden scholen ook gebruik maken van de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs. Vanuit de voormalige prestatieboxmiddelen was € 8 miljoen per jaar beschikbaar waarmee een extra impuls kon worden gegeven aan de kwaliteit van bewegingsonderwijs. Op verzoek van de Tweede Kamer4 is bovenstaande subsidieregeling gemaakt om scholen, in eerste instantie voor twee jaar, te ondersteunen bij de wettelijke verplichting van 90 minuten bewegingsonderwijs. In totaal hebben 1613 scholen in het primair onderwijs deelgenomen aan de subsidieregeling, verdeeld over twee jaren.
Recent is besloten de gereserveerde middelen voor bewegingsonderwijs op te nemen in de rijksbrede subsidietaakstelling.5 Dit maakt dat we in de toekomst geen extra geld hebben om eventueel scholen te ondersteunen bij het voldoen aan de urennorm voor bewegingsonderwijs. Vanuit de lumpsumbekostiging kunnen scholen het bewegingsonderwijs betalen.
Zoals ook te lezen in het rapport van het Mulier Instituut is de verwerking van gymlessen in de roosters een uitdaging voor scholen. Scholen geven aan dat het lesrooster te vol is. Ik werk daarom aan herziening van het curriculum. Niet alleen vanwege de benodigde tijd voor sport en bewegen, maar zeker ook vanwege de prioriteit die ik wil geven aan lezen, schrijven en rekenen. Met een scherpere focus dringen we de overladenheid terug en creëren we ruimte voor scholen om zich te focussen op wat prioriteit heeft.
Bent u bereid om te onderzoeken waarom sommige gemeenten onvoldoende sportaccommodaties beschikbaar kunnen stellen? Bent u bereid om daarbij ook te kijken naar de risico’s die het ravijnjaar hiervoor veroorzaakt?
We weten dat het niet altijd makkelijk is om voldoende en kwalitatief goede accommodaties voor gymles te vinden. Voor zover dat niet al gebeurt moeten scholen en gemeenten hier samen mee aan de slag. De gemeente heeft de wettelijke taak om te zorgen voor de accommodaties. Scholen hebben verder de rol en ook de verantwoordelijkheid om tijdig het gesprek aan te gaan met gemeenten over het ontbreken van voldoende geschikte ruimte voor gymlessen.
Ik ga ervan uit dat gemeenten op de hoogte zijn van het belang van voldoende accommodaties en, indien nodig, zelf onderzoek doen naar de stand van zaken en mogelijkheden voor verbetering in hun gemeente. Wel blijft het Ministerie van OCW in gesprek met de PO-Raad, de Vereniging Sport en Gemeenten, de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding en de Academies voor Lichamelijke Opvoeding over knelpunten in het bewegingsonderwijs en hoe deze vanuit goede samenwerking met het veld opgepakt kunnen worden.
Bent u bereid om te onderzoeken op welke manier er meer vakleerkrachten kunnen worden aangetrokken en behouden voor het bewegingsonderwijs?
Uit het rapport blijkt dat steeds meer scholen werken met een vakleerkracht, daar ben ik blij om. Uiteraard mogen scholen het bewegingsonderwijs ook laten verzorgen door een bevoegde groepsleerkracht.
Echter, het lerarentekort treft het hele onderwijs en daarmee ook het bewegingsonderwijs. Daarom werkt het Ministerie van OCW hard aan het terugdringen van het gehele lerarentekort. Specifiek onderzoek vanuit het Ministerie van OCW naar enkel vakleerkrachten bewegingsonderwijs ligt dan ook niet in de rede.
Wel is er een aantal gunstige ontwikkelingen die de toename en het behoud van (vak)leerkrachten bewegingsonderwijs moet bespoedigen. Denk hierbij aan de combinatie tussen de PABO en ALO voor studenten die zowel in de klas als in de gymzaal aan de slag willen gaan. Deze ontwikkelingen juich ik toe en ik ben ervan overtuigd dat dit een positieve impuls geeft aan het aantal vakleerkrachten voor bewegingsonderwijs dat in het primair onderwijs aan de slag wil gaan.
Hoe reageert u op het feit dat «een aanzienlijk deel van de schoolleiders en vakleerkrachten die nog niet aan de eisen voldoen, weinig motivatie toont om in de toekomst de belemmeringen aan te pakken»? Welke stappen bent u van plan om te zetten om scholen te overtuigen van de noodzaak van voldoende bewegingsonderwijs?
De urennorm bewegingsonderwijs is een wettelijke verplichting voor alle scholen in het primair onderwijs en het speciaal basisonderwijs. Het is de taak van scholen en gemeenten om hier uitvoering aan te geven. Zij hebben drie jaar de tijd gehad om zich voor te bereiden op deze norm. Ik verwacht dus van scholen dat zij aan deze wettelijke verplichting voldoen. Van gemeenten verwacht ik dat zij zich optimaal inzetten om scholen bij deze taak te ondersteunen.
Indien de Inspectie van het Onderwijs merkt dat er sprake is van een structureel niet willen en/of kunnen halen van de urennorm, kan zij een herstelopdracht verstrekken aan de school.
De hoge parkeertarieven bij ziekenhuizen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV), Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gratis parkeren bij een ziekenhuis verdwijnt: slechts handvol ziekenhuizen biedt het nog aan»1?
Ja.
Deelt u de mening dat ziekenhuizen te allen tijde bereikbaar en toegankelijk moeten zijn met zowel de auto als het openbaar vervoer, ook voor mensen die minder te besteden hebben?
Ja. Ik vind het belangrijk dat ziekenhuizen voor alle mensen goed bereikbaar zijn. Ook de bereikbaarheid van ziekenhuizen met eigen vervoer en/of openbaar vervoer is uiteraard van belang. Als mensen minder te besteden hebben, kunnen zij zich ten aanzien van de parkeerkosten wenden tot het betreffende ziekenhuis of gemeente over welke mogelijkheden er zijn om die kosten te beperken.
Hoe beoordeelt u het feit dat inmiddels bij 98 van de in totaal 105 ziekenhuizen in Nederland betaald parkeren is ingevoerd? Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de tarieven bij een aantal ziekenhuizen oplopen tot wel 30 euro per dag, voor mensen rond het sociaal minimum een fors bedrag?
Vooropgesteld moet worden dat hoge parkeertarieven bij ziekenhuizen voor patiënten en bezoekers natuurlijk niet prettig zijn en hoog kunnen oplopen bij frequent ziekenhuisbezoek. Vooral als men lang of vaak naar het ziekenhuis moet. Het parkeerbeleid en de tarieven zijn een verantwoordelijkheid van ziekenhuizen en gemeenten. Zo zijn parkeertarieven vooral hoger bij ziekenhuizen in grote steden, waar de parkeertarieven in algemene zin vaak al hoger zijn. Dit komt omdat de kosten van de grond, alsmede andere kosten die samenhangen met het exploiteren van een parkeergelegenheid, moeten worden gedekt.
Het is belangrijk dat ziekenhuizen hun patiënten goed en actief informeren over de mogelijkheden die er zijn om bij veelvuldig gebruik en langdurig verblijf de parkeerkosten te beperken, bijvoorbeeld door te wijzen op de beschikbare kortingsmogelijkheden.
Ten aanzien van de stapeling van kosten is relevant dat er op verschillende manieren voor wordt gezorgd dat de zorguitgaven voor patiënten worden beperkt. Zo is er vanuit het Ministerie van VWS voor het vervoer van en naar het ziekenhuis voor specifieke groepen patiënten de regeling ziekenvervoer. Alle typen vervoer kunnen vergoed worden: de eigen auto, taxi en openbaar vervoer. In deze regeling is tevens voorzien in een hardheidsclausule voor patiënten die langdurig lang moeten reizen. Het vervoer wordt niet alleen vergoed bij een behandeling, maar omvat ook het vervoer naar consulten, onderzoek en controles die als onderdeel van de behandeling noodzakelijk zijn. Daarnaast is het mogelijk dat patiënten een logeervergoeding kunnen krijgen in plaats van een vergoeding voor vervoerskosten. Daarnaast kunnen parkeerkosten fiscaal aftrekbaar zijn bij de aangifte inkomstenbelasting. Voor specifieke zorgkosten geldt dat deze aftrekbaar zijn als deze kosten boven een drempel uitkomen die gebaseerd is op het inkomen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het ziekenhuis bereikbaar blijft voor mensen met een smalle beurs? Kunt u hierbij specifiek ingaan op a) de hoge parkeerkosten en b) de hoge kosten van het openbaar vervoer en het verdwijnen van reisvoorzieningen in de regio2?
Mensen met een smalle beurs kunnen zich tot het betreffende ziekenhuis of gemeente wenden voor de mogelijkheden de parkeerkosten te beperken. De prijzen voor het regionale openbaar vervoer, bus, tram, metro en regionale treindiensten, zijn in 2024 niet toegenomen, omdat dat deze prijsstijgingen volledig zijn gecompenseerd door de aangenomen motie Bikker. Daarnaast hebben de decentrale ov-autoriteiten via de motie Bikker ook € 150 miljoen per jaar gekregen om de dienstregeling op peil te houden, dan wel de kwaliteit van het ov te verbeteren.
Hoeveel van de ziekenhuizen besteden hun parkeergelegenheid uit aan commerciële partijen, zoals Q-Park of Interparking?
Ik beschik niet over deze informatie.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als de inkomsten van parkeertarieven niet bij ziekenhuizen zelf maar bij commerciële partijen terechtkomen die primair gericht zijn op het maken van winst?
Of de parkeergelegenheid bij een ziekenhuis in handen is van het ziekenhuis zelf of in handen is van een commercieel bedrijf is een keuze die lokaal wordt gemaakt. In algemene zin ben ik wel van mening dat buitensporige winsten bij parkeergelegenheden van ziekenhuizen onwenselijk zijn.
Wat zijn de gevolgen voor de begroting van ziekenhuizen als de parkeertarieven omlaag zouden gaan? Vindt u ook dat het een slechte zaak is als ziekenhuizen deze winsten nodig hebben om hun begroting sluitend te maken en dat patiënten met een smalle beurs hier uiteindelijk de dupe van zijn?
De gevolgen van lagere parkeertarieven op de begroting van ziekenhuizen hangen af van keuzes die ziekenhuizen maken, dat is hun eigen verantwoordelijkheid.
De tarieven van parkeergelegenheden van ziekenhuizen kunnen niet worden losgezien van de lokale situatie. De hoogste parkeertarieven bij ziekenhuizen zijn met name te zien in grote steden, waar de parkeertarieven vaak al hoger zijn. Het vaststellen van lagere parkeertarieven bij deze parkeergelegenheden kan bijvoorbeeld negatieve effecten met zich meebrengen als de parkeertarieven bij die ziekenhuizen lager worden dan in het omringende gebied. Want dan is de kans groter dat ander publiek de auto bij het ziekenhuis parkeert. Dit kan ten koste gaan van de bereikbaarheid van het ziekenhuis voor patiënten en bezoekers. Overigens betekent laatstgenoemde niet dat de parkeertarieven voor patiënten ook hoog moeten zijn. Zoals eerder aangegeven kunnen ziekenhuizen ervoor kiezen om de parkeerkosten voor patiënten te verminderen, bijvoorbeeld door het aanbieden van uitrijkaarten of andere kortingsmogelijkheden.
Waarom werkt maar een deel van de ziekenhuizen met uitrijkaarten voor bezoekers? Deelt u de mening dat het buiten de deur houden van dagjesmensen en winkelend publiek geen steekhoudend argument is om hoge parkeertarieven te vragen omdat uitrijkaarten voor bezoekers hier een relatief simpele oplossing voor is?
Het is de verantwoordelijkheid en keuze van individuele ziekenhuizen om met uitrijkaarten voor bezoekers te werken, en we zien voorbeelden dat dit in de praktijk ook gebeurt.
Wat is uw reactie op het rapport van reizigersorganisatie Rover3 waaruit blijkt dat ziekenhuizen in Nederland beter bereikbaar moeten worden met het openbaar vervoer? Welke vervolgstappen gaat u nemen naar aanleiding van het rapport?
Ik vind het een goede zaak dat Rover aandacht heeft voor de bereikbaarheid van ziekenhuizen met het openbaar vervoer. Het rapport maakt duidelijk dat de situatie verschilt per ziekenhuis. Bij veel ziekenhuizen gaat het goed. Waar er aandachtspunten zijn moeten verantwoordelijke partijen bekijken wat daaraan verbeterd kan worden. Ik zal het rapport van Rover onder de aandacht brengen van de brancheorganisaties van ziekenhuizen (NVZ en NFU) en zorgverzekeraars (ZN) maar ook bij decentrale ov-autoriteiten. Zij kunnen bij de totstandkoming van de programma’s van eisen voor het vervoer in een bepaald gebied de goede bereikbaarheid van ziekenhuizen meenemen.
Hoe ziet u de rol van zorgverzekeraars in het verbeteren van de bereikbaarheid van ziekenhuizen? Deelt u de mening van Rover dat zij hier meer regie in moeten pakken?
Zorgverzekeraars kunnen een rol spelen, bijvoorbeeld door in hun gesprekken en contractonderhandelingen met ziekenhuizen aandacht te vragen voor het verbeteren van de bereikbaarheid.
Bent u bereid in gesprek te gaan met ziekenhuizen, zorgverzekeraars en Rover over hoe de bereikbaarheid en toegankelijkheid van ziekenhuizen geborgd kan worden door enerzijds parkeren betaalbaar te houden en anderzijds te zorgen voor goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer? Zo ja, hoe en wanneer gaat u hier vervolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
De verantwoordelijkheid voor de hoogte van parkeertarieven ligt bij ziekenhuizen. Ik zal het rapport van Rover over de bereikbaarheid van ziekenhuizen met het openbaarvervoer onder de aandacht brengen van de brancheorganisaties van ziekenhuizen (NVZ en NFU) en zorgverzekeraars (ZN).
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Marktconcentratie op de schoolboeken- en schoolboekendistributiemarkt |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u inzage geven in de verdeling van marktaandelen van uitgeverijen op de schoolboekenmarkt?1
In mijn brief2 over digitalisering en leermiddelen ga ik uitgebreid in op de brede ontwikkelingen op de leermiddelenmarkt en de fundamentele verschuivingen die daar plaatsvinden.
Er zijn op de leermiddelenmarkt meerdere uitgevers actief. De tussenresultaten van onderzoek door KPMG3 laten voor het voortgezet onderwijs (vo) zien dat de drie grootste uitgevers (Noordhoff, Malmberg en ThiemeMeulenhoff) een geschat marktaandeel hebben van rond de 77% in de periode 2018–2023. Het Ministerie van OCW beschikt niet over specifieke marktaandelen van afzonderlijke uitgevers.
Voor het primair onderwijs (po) beschikt het Ministerie van OCW niet over actuele gegevens over de verdeling van marktaandelen. Op basis van onderzoek uit 20164 is bekend dat de markt voor methoden grotendeels door vier grote uitgevers (Noordhoff, Zwijsen, ThiemeMeulenhoff en Malmberg) wordt bediend. Zij hebben een geschat gezamenlijk marktaandeel van ongeveer 80%.
Heeft u inzichtelijk wat de marktaandelen van uitgevers zijn per vakgebied? Zijn er monopolisten of bijna-monopolisten bij specifieke schoolvakken?
In het vo zijn twee grote distributeurs en één kleinere actief (VanDijk, Iddink en OsingadeJong). Ook verzorgen sommige uitgevers op beperkte schaal een distributiefunctie.5 Het Ministerie van OCW beschikt niet over exacte cijfers van de marktaandelen.
In het po zijn twee distributeurs actief: Heutink en de Rolf groep. Op basis van onderzoek uit 20163 wordt het marktaandeel van Heutink geschat op 70% en de Rolf groep op ongeveer 30%.
Kunt u inzage geven in de verdeling van marktaandelen voor schoolboekendistributeurs?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u voor al deze bedrijven uiteenzetten welke bedrijfsvorm zij hanteren en welke eigenaar zij hebben?
Door overnames op de leermiddelenmarkt zijn vrijwel alle educatieve uitgeverijen en distributeurs in handen van internationaal beursgenoteerde bedrijven of van private equity. Noordhoff is in handen van private equity bedrijf NPM Capital, De Rolf Groep van BB Capital en VanDijk van Intersaction. ThiemeMeulenhoff en Zwijsen vallen onder de Duitse Klett Gruppe. Malmberg, Iddink, Magister en Itslearning zijn eigendom van het Finse beursgenoteerde bedrijf Sanoma. Heutink en Reinders vallen onder private equity bedrijf Nalka uit Zweden,Heutink ICT en Cloudwise worden beheerd door het Franse private equity bedrijf Seven2 en het Canadese private equity bedrijf Constellation is eigenaar van Topicus (ParnasSys, Somtoday).
Vindt u het wenselijk dat de markt van schoolboeken en schoolboekendistributie zodanig geconcentreerd is?
Ik vind het belangrijk dat scholen kunnen kiezen uit een ruim aanbod van goede en betaalbare leermiddelen om evidence-informed onderwijs te kunnen bieden.
Op dit moment heeft een klein aantal distributeurs en uitgevers een groot marktaandeel in handen. Daar staan relatief veel scholen en schoolbesturen tegenover. Dit kan mogelijk voor onwenselijke kwetsbaarheden zorgen, als het gaat om concurrentie op prijs en kwaliteit, een gelijk speelveld voor aanbieders, de continuïteit van de levering van leermiddelen en de keuzevrijheid voor scholen. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking. Zij kan optreden als marktmacht zou ontstaan door een fusie of overname (boven bepaalde omzetdrempels) of als een onderneming met een economische machtspositie daar misbruik van maakt.
In mijn brief over Digitalisering en Leermiddelen uit ik mijn zorgen over de toenemende druk op de levering van leermiddelen door de verschuivingen in de markt. Door de relatief hoge marktconcentratie kan het (gedeeltelijk) uitvallen van een leverancier al snel leiden tot grote verstoringen in het proces.
Het is belangrijk dat het onderwijs een goede en gebundelde vraag stelt aan leveranciers en op die wijze duidelijke wensen ten aanzien van prijs en kwaliteit in de markt zet. De coöperatie SIVON ondersteunt scholen hierbij. Om zicht te krijgen op welke handelingsperspectieven er zijn om de marktwerking te verbeteren en toetredingsdrempels weg te nemen laten de ministeries van OCW en EZ onderzoek uitvoeren. Naar verwachting wordt dit onderzoek begin volgend jaar opgestart.
Vindt u het wenselijk dat scholen de facto bij maar twee aanbieders een aanbesteding kunnen doen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u dat scholen en leraren voldoende keuze hebben in lesmethoden en uitgevers?
Hoewel scholen voor veel vakken kunnen kiezen uit meerdere aanbieders zie ik dat, door recente consolidaties op de leermiddelenmarkt, de keuzemogelijkheden van scholen verder onder druk kan komen te staan.
Daarom zet ik in op het versterken van de vraagarticulatie van scholen via coöperatie SIVON. Zij ondersteunt scholen om gezamenlijk een sterke, professionele vraag naar leermiddelen uit te zetten in de markt en zo concurrentie op prijs, aanbod en kwaliteit te stimuleren. Daarnaast ontwikkelt SIVON een keuzetool die scholen helpt om een compleet overzicht te krijgen van het aanbod en de prijzen.
Ook zie ik een belangrijke rol weggelegd voor open leermateriaal, om de kwaliteit en pluriformiteit van de leermiddelenmix op scholen te bevorderen. Via het Nationaal Groeifondsprogramma «Impuls Open leermateriaal» stimuleer ik het evidence-informed gebruiken, delen en maken van open leermateriaal in het funderend onderwijs.
Wat vindt u van de verticale marktintegratie op de markt voor schoolboeken, waarbij één bedrijf een uitgeverij, distributeur, leerlingvolgsysteem én leerlingadministratiesysteem kan bezitten?
Al een tijd is de markt voor schoolboeken in beweging. Uitgevers, distributeurs en aanbieders van leerlingadministratiesystemen, leerlingvolgsystemen en elektronische leeromgevingen betreden elkaars markt om scholen alle diensten te kunnen bieden. Dit blijkt onder andere uit de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken uit 20216. Op korte termijn kan dit de concurrentie vergroten, op langere termijn kan dit echter leiden tot leveranciersafhankelijkheid.
Scholen verwachten dat toepassingen voor de elektronische leeromgeving, leerlingadministratie en leermiddelen op elkaar aansluiten. Dit kan verwevenheid en interactiviteit van verschillende producten en diensten in de hand werken.
Scholen dienen echter altijd vrij te zijn in de keuze van schoolboeken en applicaties, ook als deze van andere bedrijven afkomstig is. Via het programma Edu-V7 zet ik in op het vergroten van de interoperabiliteit tussen verschillende systemen door gebruik te maken van dezelfde standaarden voor gegevensuitwisseling.
Binnen Edu-V werk ik met steun vanuit het Nationale Groeifonds samen met de sectororganisaties PO-, VO- en MBO-raad en de brancheorganisaties van uitgeverijen (MEVW), distributeurs (VEDN) en educatieve softwareleveranciers (VDOD) aan de realisatie van een digitale (leermiddelen-)infrastructuur, zodat in de educatieve leermiddelenketen gegevens eenvoudig, betrouwbaar en veilig kunnen worden uitgewisseld. Hierdoor zijn scholen minder afhankelijk van leveranciers en kunnen nieuwe leveranciers makkelijker toetreden tot de markt. In de markt moeten alternatieven beschikbaar blijven en overstappen moet altijd mogelijk zijn.
Kent u situaties van vendor lock-in wegens marktconcentratie?
Ik zie het risico van vendor lock-in vanwege marktconcentratie in de leermiddelenmarkt. Ik vind het belangrijk dat scholen te allen tijde kunnen overstappen van leverancier. Het is mij bekend dat bij enkele producten en diensten op de leermiddelenmarkt de impact van overstappen van leverancier aanzienlijk kan zijn, bijvoorbeeld bij leerlingadministratiesystemen. Of in zo’n geval sprake is van misbruik van een dominante marktpositie door een onderneming kan door de ACM onderzocht worden. De ACM is belast met het toezicht op de naleving van de Mededingingswet. De Minister van EZ geeft in zijn Kamerbrief over toekomstbestendig mededingingsbeleid8 aan momenteel te onderzoeken of het huidige mededingingsinstrumentarium dient te worden aangevuld zodat de ACM in meer situaties kan ingrijpen.
Krijgt u ook signalen van leraren dat lesmethoden te dik zijn, te veel plaatjes bevatten en te weinig kennis bevatten? Wat vindt u hiervan en wat kunt u hiertegen doen?
Ik ontvang signalen over de overladenheid van lesmethoden en hecht er veel waarde aan dat het voor docenten helder is wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Daarbij is het essentieel dat docenten toegang hebben tot leermiddelen die hen effectief ondersteunen in het overbrengen van deze kennis. Een methode die overvol is of onvoldoende onderbouwd, draagt hier niet aan bij.
Daarom introduceer ik in de brief over digitalisering en leermiddelen een gecombineerde aanpak. Nieuwe, heldere conceptkerndoelen bieden docenten inzicht in het onderscheid tussen wat zij verplicht moeten aanbieden en wat zij optioneel kunnen aanbieden. Een landelijk kwaliteitskader voor leermiddelen geeft zowel docenten als leermiddelenontwikkelaars een duidelijk beeld van goed onderbouwde kwaliteitscriteria en de aansluiting hiervan bij de kerndoelen. Om de effectieve inzet van leermiddelen te bevorderen, richt ik een brede kwaliteitsalliantie voor leermiddelen in, waarin docenten, bestuurders en leermiddelenmakers samenwerken. Door te investeren in onderzoek naar de kwaliteit en effectiviteit van leermiddelen vergroot ik onze kennis over wat werkt voor welke leerling en in welke context.
Met deze aanpak kunnen docenten doordachte en gerichte keuzes maken bij het evidence-informed gebruik van leermiddelen, terwijl leermiddelenontwikkelaars duidelijkheid krijgen over wat leerlingen moeten kennen en kunnen en hoe dit effectief in hun methoden verwerkt kan worden.
Hoeveel geld krijgen scholen voor de inkoop van leermiddelen?
Iedere school krijgt een vast lumpsumbedrag per leerling. Hiervan betaalt de school haar personeel, de huisvestingskosten en lesmateriaal. De school beslist zelf hoe het geld wordt verdeeld. Scholen krijgen geen vast bedrag voor de inkoop van leermiddelen.
Hoeveel scholen geven meer geld uit dan het bedrag wat zij krijgen van de regering? Kunt u delen wat dit bedrag gemiddeld is?
Tot en met 2022 is voor de berekening van de lumpsumfinanciering een richtbedrag voor de bekostiging van lesmateriaal gespecificeerd in de regeling bekostiging exploitatiekosten VO. Vanaf 2023 is er geen sprake meer van een richtbedrag.
Voor het vo weet ik op basis van de tussenresultaten van het onderzoek door KPMG dat de gemiddelde jaarlijkse uitgaven van scholen per leerling voor vo leermiddelen in de periode 2019–2023 toeneemt van € 253 naar € 284 (exclusief btw).
Vindt u het wenselijk dat bedrijven op de schoolboekenmarkt weinig tot geen ondernemersrisico kennen door het vaste bedrag dat scholen krijgen?
Ik ga niet over het ondernemersrisico van private organisaties. Scholen schaffen leermiddelen aan bij distributeurs en uitgevers en bepalen daarbij zelf het bedrag dat zij aan leermiddelen besteden. Er is geen vast bedrag voor de inkoop van leermiddelen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over de marktconcentratie op de schoolboekenmarkt?
Ja, ik ben in gesprek met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over de ontwikkelingen op de leermiddelenmarkt.
Wat vindt u van het businessmodel van een substantieel aantal uitgeverijen waarbij er aan het einde van het schooljaar kilo’s aan leerwerkboeken moeten worden weggegooid?
Uit het oogpunt van doelmatige besteding van middelen en duurzaamheid moedig ik uitgeverijen en scholen aan om hun leermiddelenbeleid en inkoopproces goed op het leermiddelengebruik van scholen af te stemmen. De coöperatie SIVON heeft een handreiking opgesteld om scholen en leveranciers te ondersteunen om duurzame keuzes te maken ten aanzien van hun leermiddelen.9
Hoeveel papier wordt aan het einde van ieder schooljaar weggegooid omdat het een leerwerkboek betreft of omdat de uitgever ieder jaar een nieuwe editie op de markt brengt?
In het vo wordt gebruik gemaakt van het LiFo-model. Scholen maken daarbij gebruik van digitale leermiddelen en kunnen optioneel een papieren leerwerkboek bestellen, dat eigendom blijft van de leerling. Welke keuzes scholen, ouders en leerlingen maken als het gaat om het weggooien, hergebruik of recyclen van dit materiaal is mij niet bekend.
Hoeveel zijn ouders kwijt aan niet-herbruikbare leerwerkboeken? Is dat meer of minder dan 20 jaar geleden?
De Wet Gratis Schoolboeken, ingevoerd in 2008, heeft geregeld dat scholen, en niet ouders, verantwoordelijk zijn voor de aanschaf van lesmateriaal. Ouders betalen dus niet voor leerwerkboeken.
Hoe staat het met het door uw ambtsvoorganger in augustus 2023 aangekondigde onderzoek naar een duurzamer en goedkoper systeem voor schoolboeken?
Het onderzoek naar prijsontwikkeling van leermiddelen en de leermiddelenmarkt in het vo loopt. De onderzoekers hebben op basis van aangeleverde data een tussenrapportage opgesteld met hierin voorlopige bevindingen en conclusies. Deze tussenrapportage wordt met de Kamer gedeeld als bijlage bij de Kamerbrief over digitalisering en leermiddelen. De tussenresultaten geven inzicht in de relatief hoge mate van concentratie aan zowel de vraag- als aanbodzijde, de ontwikkeling dat scholen in toenemende mate leermiddelen direct inkopen bij uitgevers zonder tussenkomst van distributeurs en de sterke stijging van het aandeel van LiFo, dat ten koste gaat van traditionele folio leermiddelen.
De informatie uit de tussenrapportage is niet compleet, waardoor belangrijke kostenaspecten voor scholen nu niet zichtbaar zijn. De tusseninformatie is dan ook niet geschikt voor besluitvorming en beleidsvorming. De verwachting is dat het onderzoek begin 2025 wordt afgerond, waarna uw Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten.
Wat kunt u doen om herbruikbare boeken te stimuleren?
Zie het antwoord op vraag 15.
Bent u bekend met de rekensom van schoolbestuur Quadraam waarbij er voor elf scholen 60.000 kilo aan papier wordt weggegooid?2
Ik ben bekend met het bericht, maar niet de exacte rekensom die hieraan ten grondslag ligt.
Zie het antwoord op vraag 18. Met het onderzoek naar de prijsontwikkeling van leermiddelen verken ik hoe de markt van schoolboeken meer duurzaam en kostenefficiënt kan worden. Hiermee geef ik invulling aan de aangenomen motie Bisschop11.
Hoeveel papier wordt jaarlijks in totaal weggegooid aan het einde van het schooljaar?
Er zijn geen exacte gegevens beschikbaar over hoeveel papier jaarlijks wordt weggegooid aan het einde van het schooljaar. Zie ook de antwoorden op vragen 18 en 20.
Kunt u (eventueel samen met scholen) eisen stellen aan de mogelijkheid om het digitale licentie en het fysieke materiaal van elkaar te scheiden?
Het is niet aan mij om deze eisen te stellen. Scholen en schoolbesturen kunnen professioneler inkopen en gezamenlijk optrekken naar marktpartijen. In hun programma’s van eisen kunnen zij opnemen dat zij de digitale licentie van het fysieke materiaal gescheiden aangeboden willen krijgen. Aanbieders stemmen hun aanbod af op de eisen en wensen van scholen.
Op welke manier kunt u sturen op het businessmodel van uitgeverijen?
Als staatsecretaris stuur ik niet op businessmodellen van uitgeverijen. Mijn inzet is erop gericht de kwaliteit van het onderwijs te stimuleren. Hiertoe is het van belang dat scholen gezamenlijk optrekken en professioneel inkopen en een duidelijke wens en vraag bij marktpartijen neerleggen. Op deze manier hebben scholen invloed op het aanbod in de markt en krijgen zij de leermiddelen die ze nodig hebben voor het bieden van evidence-informed onderwijs, tegen een goede prijs-kwaliteitsverhouding.
Kunt u afspraken maken met scholen en uitgeverijen over minimumeisen aan lesmethoden?
Het is belangrijk dat scholen op basis van heldere kerndoelen, hun eigen leerlingpopulatie en onderwijskundige visie komen tot een pakket aan eisen en wensen waar hun lesmateriaal aan moet voldoen en deze vraag helder uit te zetten in de markt voor leermiddelen. Om het gesprek over kwaliteitsnormen ten aanzien leermiddelen tussen scholen en uitgeverijen te faciliteren heb ik een leermiddelenaanpak geformuleerd die ik uiteenzet in het antwoord op vraag 10.
Hoe waarborgt u dat lesmethoden dekkend zijn voor de kerndoelen?
Leermiddelenmakers vertalen de nieuwe kerndoelen in de lesmethoden. Ik ben in overleg met de brancheorganisatie van de uitgevers (MEVW) als onderdeel van het implementatietraject van de curriculumherziening. De MEVW gaat aan de slag om de nieuwe kerndoelen in het lesmateriaal te verwerken. Scholen in het po en vo worden gefaseerd in staat gesteld om met de nieuwe kerndoelen te gaan werken, naar verwachting vanaf schooljaar 2026/2027.
Hoe waarborgt u dat lesmethoden niet overvol zijn?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe waarborgt u dat lesmethoden evidence informed zijn?
Zie het antwoord op vraag 10.
Op welke manier ontvangt u inzichten en feedback uit de professionals in het onderwijs over de kwaliteit van lesmethoden en het functioneren van de schoolboekenmarkt?
Scholen kunnen zich direct of via vertegenwoordigende organisaties melden bij het Ministerie van OCW met inzichten en feedback over de kwaliteit van lesmethoden en het functioneren van de markt. Dit doen zij ook. Daar is het recent verschenen leermiddelenmanifest12 van een brede coalitie van onderwijspartijen een goed voorbeeld van.
Op welke manier ontvangt u inzichten en feedback van (ouders van) schoolgaande kinderen over de kwaliteit van lesmethoden en het functioneren van de schoolboekenmarkt?
Ik ontvang met enige regelmaat berichten van ouders en leerlingen over de kwaliteit van leermiddelen. Belangrijker is dat zij hun feedback over lesmethoden doorgeven aan de school, bijvoorbeeld via de medezeggenschapsraad. Scholen zijn primair verantwoordelijk voor een effectieve inzet van leermiddelen en kunnen met verbeterwensen het goede gesprek met uitgevers voeren.
Kunt u deze vragen vóór de behandeling van de OCW-begroting in de Tweede Kamer beantwoorden?
Ja.
Passend onderwijs aan kinderen met Long COVID en andere infectieziekten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u cijfers of is er een inschatting te maken van het aantal kinderen dat door Long COVID en/of een andere acute virus of bacteriële infectie met een ernstige energie limitering (zoals ME/CVS, QVS, Chronische lyme, Post sepsis en Pans/ Pandas) tijdelijk of langer niet naar school kunnen of konden gaan?
Ondanks dat COVID-19 bij kinderen vaak mild verloopt, komt post-COVID ook bij kinderen voor. Post-COVID kan kinderen van alle leeftijden treffen.
Het RIVM heeft in het kader van het gezondheidsonderzoek COVID-19 een vragenlijstonderzoek gedaan onder 5.283 jongeren tussen 12 en 25 jaar (juni 2024).1 Op basis van zelfrapportage gaf 3% van de jongeren aan nog langdurig klachten na een coronabesmetting te hebben. Bijna de helft van de jongeren die zelf zegt post-COVID te hebben, gaf aan niet volledig mee te kunnen doen op school of de opleiding. Van de andere in de vraag genoemde aandoeningen is niet bekend welk deel van de kinderen tijdelijk niet meer naar school kan of kon gaan. Dit wordt niet geregistreerd.
Herkent u de signalen vanuit ouders en belangenorganisaties die aangeven dat er nog vaak sprake is van onbekendheid van de effecten van deze aandoeningen? Herkent u het beeld dat dit tot onwenselijke situaties kan leiden tussen ouders en school, maar ook kinderen het gevoel kunnen krijgen niet begrepen en uitgesloten te worden?
Wij herkennen het signaal dat deze soms ingrijpende aandoeningen nog relatief onbekend zijn. Het is spijtig om te horen dat kinderen en hun ouders daardoor soms tegen onbegrip aanlopen. We proberen daar oplossingen voor te bieden.
Patiënten met postinfectieuze klachten ten gevolge van Q-koorts en COVID-19, waaronder ouders en kinderen, kunnen terecht bij de nazorgorganisaties Q- en C-support voor advies en begeleiding op maat. Daar waar nodig geven zij extra informatie aan professionals zoals een huisarts, jeugdarts, maar ook de school, leerplichtambtenaren, veilig thuis of andere betrokken dienstverleners.2
Het Ministerie van VWS investeert in kennisontwikkeling via onder andere het ZonMw post-COVID programma, waarin specifieke aandacht is gevraagd voor onderzoek naar kinderen. Hierdoor wordt getracht meer begrip te krijgen van de ziekte en te komen tot een curatieve oplossing. Een ander voorbeeld is actieonderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS. In samenwerking met Ingrado is een infographic over maatwerkonderwijs voor jongeren met ME/CVS gemaakt en onder de aandacht gebracht in het veld, met specifieke aandacht voor leerplichtambtenaren.3 Deze infographic is ook te gebruiken voor leerlingen met andere postinfectieuze aandoeningen, waar dezelfde symptomen optreden.
Hoe beoordeelt u het dat er signalen blijven komen van ouders, belangenorganisaties en scholen die aangeven dat de ondersteuning aan deze kinderen ontoereikend is? Herkent u ook de signalen dat deze kinderen soms (dreigen) uitgeschreven (te) worden en thuis komen te zitten omdat passende ondersteuning ontbreekt?
Het is ongewenst als jongeren niet de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Het is aan scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs om te zorgen dat er een aanbod is voor alle leerlingen binnen de regio. Zij ontvangen ook middelen die zij kunnen inzetten voor de ondersteuning van leerlingen die dat nodig hebben. De wet- en regelgeving biedt ook al enige ruimte om maatwerk te kunnen bieden, bijvoorbeeld door een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht, waardoor een jongere (tijdelijk) wel naar school kan blijven gaan, maar niet voor de volledige tijd aanwezig hoeft te zijn. Omdat we zien dat er behoefte is aan meer maatwerk, heb ik een wetsvoorstel in voorbereiding om de mogelijkheden te vergroten, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijslocatie en -tijd. Deze mogelijkheden kunnen ook helpen voor kinderen met post-COVID en andere postinfectieuze aandoeningen.
Wat is sinds de vorige schriftelijke vragen precies gedaan om de kennis met betrekking tot Kinderen met Long COVID te vergroten, ook in de praktijk?1
Via het ZonMw programma «Post-COVID: onderzoeksprogramma, kennisinfrastructuur en expertisenetwerk» zet de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in op kennisontwikkeling. Binnenkort zal, voortkomend uit dit programma, in het UMC Utrecht een project starten waarin post-COVID bij kinderen wordt onderzocht om diagnostische markers en doelen voor behandelingen te identificeren.5 We zijn ons ervan bewust dat onderzoek onder kinderen erg belangrijk is om hen perspectief te bieden. In de laatste subsidieronde van het post-COVID ZonMw programma is nog nadrukkelijker aandacht gevraagd voor onderzoek onder kinderen.6
Het Instituut Verantwoord Medicijngebruik (IVM) en C-Support hebben op verzoek van ZonMw in 2023 een inventarisatie uitgevoerd naar de kennis en het lopende onderzoek op het gebied van post-COVID. In opdracht van ZonMw vindt een update plaats. In die update is ook aandacht voor kinderen (onder andere diagnose en symptomen).
Daarnaast is in de afgelopen periode gewerkt aan verdere informatievoorziening. Over post-COVID bij kinderen en jongeren geeft C-support informatie aan zowel patiënten als professionals (onder andere jeugdartsen). C-support wordt gefinancierd vanuit het Ministerie van VWS.
Het Instituut Verantwoord Medicijngebruik (IVM) brengt elke twee maanden een post-COVID journaal uit met actuele zaken en de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van post-COVID. Het IVM voert daarvoor regelmatig literatuur updates uit en verwerkt dit in de post-COVID journaals. Deze journaals zijn gericht op zorgprofessionals. Ook is daarin aandacht voor kinderen.7 Het post-COVID journaal is in opdracht van ZonMw en vervangt sinds begin 2024 het eerdere coronanieuws.
Ook vanuit andere organisaties wordt er ingespeeld om de kennis met betrekking tot kinderen met post-COVID te vergroten. Op initiatief van stichting Kinderen met LongCovid en mede dankzij ZonMw financiering, is eerder dit jaar door hen de brochure «Jouw leerling met long covid» opgesteld. De brochure biedt praktische informatie voor leerkrachten in het basisonderwijs en voorgezet onderwijs en is breed verspreid.8 9
Wat wordt er gedaan om bekendheid te geven op scholen dat het Sars- COVID 2 virus zich ook via de lucht verspreidt? En dat goede luchtkwaliteit (ventilatie en luchtfiltering zoals Hepa’s of UV) belangrijk is om herhaaldelijke besmettingen te voorkomen van leerlingen en onderwijspersoneel?
Het onafhankelijke kenniscentrum Ruimte-OK heeft in opdracht van het Ministerie van OCW speciaal voor scholen het programma «Optimaal ventileren op scholen» opgesteld. Dit programma bestaat uit verschillende onderdelen: er wordt kennis gedeeld met scholen door middel van diverse handreikingen, adviezen en andere kennisitems. Scholen kunnen gratis bellen of mailen met de helpdesk als zij vragen hebben over ventilatie. En scholen kunnen kosteloos een expert van het hulpteam uitnodigen voor een dagbezoek op school. Tijdens dit bezoek maakt de expert op basis van een rondgang door de school de huidige situatie inzichtelijk en geeft concrete adviezen en aanbevelingen.
Daarnaast maakt het zorgen voor frisse lucht onderdeel uit van de basisadviezen bij het voorkomen van luchtweginfecties. Deze basisadviezen worden zowel door het RIVM als op rijksoverheid.nl uitgedragen.
Meer informatie over het onderzoek naar mobiele luchtreinigers op scholen vindt u in de recent aan uw Kamer toegezonden Periodieke Kamerbrief onderwijshuisvesting.10
Wat is het algemene advies bij griep- en verkoudheidsklachten voor leerlingen en hoe wordt dit gecommuniceerd?
De algemene richtlijn voor influenza wordt geformuleerd door de Landelijke Coördinatie Infectieziektenbestrijding (LCI), een onderdeel van het RIVM. Deze is te vinden via de website van het RIVM.11 Er gelden generieke adviezen die helpen om verspreiding van luchtwegvirussen te beperken. Aangegeven wordt dat het verstandig is om thuis te blijven als je ziek bent, in je elleboog te hoesten of te niezen, regelmatig handen te wassen en voor voldoende frisse lucht te zorgen. Deze adviezen zijn ook te vinden op de website van de rijksoverheid.12
Er zijn geen specifieke adviezen voor leerlingen in dit kader.
Deelt u de mening dat fysiek onderwijs altijd uitgangspunt moet blijven, maar voor kinderen die om welke reden dan ook het (tijdelijk) niet volhouden om hele dagen aanwezig te zijn in de klas, afstandsonderwijs wel een recht zou moeten zijn? Zo ja, is dit op iedere school technisch mogelijk of gaat u dat op korte termijn nu regelen? Zo nee, hoe rijmt u dit met het recht op onderwijs en de leerplicht?
Fysiek onderwijs is een belangrijk uitgangspunt, voor elke doelgroep. Tegelijkertijd is voor specifieke groepen afstandsonderwijs belangrijk om zich te kunnen blijven ontwikkelen. Mijn doel is dat digitaal afstandsonderwijs een volwaardig onderdeel wordt van het stelsel van passend onderwijs, zoals eerder ook aan uw Kamer gecommuniceerd.13 Daarvoor is een wetswijziging noodzakelijk, die in voorbereiding is. Daarnaast blijft het belangrijk dat de mogelijkheden voor digitaal afstandsonderwijs die er nu al zijn binnen het funderend onderwijs, ten volle worden benut. Het Actieprogramma Digitale School ondersteunt scholen daarbij en stimuleert de verdere ontwikkeling van digitaal afstandsonderwijs. Een belangrijk onderdeel van het Actieprogramma is de subsidieregeling Digitale School. Doel van deze regeling is een landelijk dekkend aanbod te ontwikkelen van (boven-)regionale digitale voorzieningen voor afstandsonderwijs. Zo kunnen scholen en samenwerkingsverbanden maatwerk met digitaal afstandsonderwijs geven aan zieke leerlingen, waaronder leerlingen met post-COVID. De subsidie is toegekend aan 16 coalities van samenwerkingsverbanden.
Is bekend of de stijging van het aantal kinderen in cluster 3 van het speciaal onderwijs ook te maken kan hebben met een toenemend aantal kinderen dat langdurig ziek is?
Nee, dit is niet bekend.
Is bekend hoe vaak ouders en scholen terecht komen bij de Onderwijsconsulenten of de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs of de Landelijke Geschillencommissie Onderwijs, omdat ze er niet uitkomen als het gaat over de ondersteuning van een kind dat met Long COVID of een ander ziektebeeld met ernstige energie limitering kampt?
Nee, dit is bij ons niet bekend.
Bent u ervan op de hoogte dat kinderen met Long COVID een grotere kans hebben op herbesmetting? En dat een van de grote lessen van de coronapandemie is dat de luchtkwaliteit op scholen beter moeten om kinderen veilig onderwijs te kunnen bieden, ook bij eventuele volgende pandemieën. Zo ja, zijn er nu maatregelen genomen opiedere school? Zo nee, waarom niet?
Het is ons niet bekend dat kinderen met Long COVID een grotere kans hebben op herbesmetting. Wel hebben wij signalen ontvangen dat een herbesmetting met Sars-CoV-2 bij patiënten met post-COVID kan leiden tot een lichamelijke terugval. Onderzoek naar post-COVID, ook waar het post-COVID bij kinderen betreft, is nog volop in ontwikkeling. Dit brengt met zich mee dat er nog geen duidelijke conclusies hierover zijn.
Er is op diverse wijzen ondersteuning geboden door het Rijk bij het verbeteren van het binnenklimaat in schoolgebouwen. Dit door middel van het eerder genoemde programma «optimaal ventileren op scholen», door middel van de subsidieregelingen SUVIS en Maatwerkregeling ventilatie en door middel van de CO2-meterverplichting die op 1 juli 2025 in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt opgenomen en waarvoor scholen eerder al een vergoeding kregen in de lumpsum. Ik verwijs u daarnaast naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze vindt er controle en handhaving plaats als de luchtkwaliteit op scholen onvoldoende is en risico geeft op gezondheidsschade bij leerlingen en onderwijspersoneel? Welke normen worden gehanteerd en wat welke actie wordt ondernomen als die niet op orde zijn? Wie is primair verantwoordelijk voor de luchtkwaliteit binnen schoolgebouwen?
Er zijn geen wettelijke normen voor luchtkwaliteit in scholen opgenomen in wet- en regelgeving, enkel bouwvoorschriften ten aanzien van installaties. Op deze bouwvoorschriften, verankerd in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving, wordt toezicht gehouden door het gemeentelijk Bouw- en woningtoezicht. Daarnaast zijn schoolbesturen op grond van de Arbowetgeving eveneens verplicht om zorg te dragen voor een gezond binnenklimaat in schoolgebouwen voor werknemers.
De onacceptabele uitsluiting van PVV-bewindspersonen door UN Women bij de aftrap van een campagne tegen geweld tegen vrouwen en meisjes in Enschede. |
|
Hidde Heutink (PVV), Martine van der Velde (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat UN Women PVV-bewindslieden, te weten Staatssecretarissen Ingrid Coenradie en Vicky Maeijer, heeft geweigerd bij de aftrap van een campagne tegen geweld tegen vrouwen en meisjes in Enschede, uitsluitend vanwege hun politieke kleur?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat een VN-organisatie zoals UN Women, die zegt op te komen voor vrouwenrechten, vrouwelijke bewindslieden uitsluit enkel op basis van hun politieke affiliatie? Zo nee, waarom niet?
Indien bewindslieden omwille van hun politieke affiliatie worden uitgesloten is dat volstrekt onaanvaardbaar.
Het kabinet zet zich in voor de gelijkwaardigheid van vrouwen en de aanpak van geweld tegen vrouwen. De Staatssecretaris voor Langdurige en Maatschappelijke Zorg en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hebben hierin een cruciale rol, bijvoorbeeld bij de aanpak van femicide en huiselijk geweld. Zij zullen zich hiervoor blijven inzetten, zoals zij ook voornemens waren te doen bij de startbijeenkomst van Orange the World.
UN Women Nederland is een stichting van hoofdzakelijk vrijwilligers die valt onder het Nederlands recht. Het is geen onderdeel van de Verenigde Naties.2
Deelt u de mening dat het uitsluiten van democratisch gekozen vertegenwoordigers op basis van hun politieke kleur de fundamenten van onze democratische rechtsstaat schaadt en dat dit soort uitsluiting onacceptabel is voor een VN-organisatie? Zo nee, waarom niet?
Ongelijke behandeling op basis van politieke gezindheid is onacceptabel. Dit uitgangspunt betreft een belangrijk onderdeel van onze rechtsstaat en is daarom ook verankerd in artikel 1 Grondwet en in de Algemene wet gelijke behandeling. Juist bij een cruciaal onderwerp als het bestrijden van geweld tegen vrouwen is het van belang dat de politiek en de maatschappij zich eensgezind uitspreken, ongeacht politieke kleur.
Bent u ervan op de hoogte dat UN Women in Nederland wordt geleid door voormalig GroenLinks-Europarlementariër Marije Cornelissen? Hoe kan het dat een VN-organisatie onder haar leiding politieke uitsluitingen maakt die lijken voort te komen uit haar eigen politieke voorkeuren? Welke concrete stappen gaat u nemen om deze politieke discriminatie te stoppen?
Ik ben op de hoogte van het feit dat mevrouw Cornelissen de algemeen directeur van UN Women Nederland is. UN Women Nederland is een Nederlandse stichting en geen VN-organisatie. Het staat de stichting vrij om zelfstandig afwegingen te maken over wie zij willen uitnodigen voor hun evenementen en hoe zij zich uiten, zolang dit binnen de kaders van de wet gebeurt. De keuzes en uitingen van deze organisatie omtrent dit evenement zijn niet gedaan namens de Verenigde Naties dan wel namens de Nederlandse Rijksoverheid.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat juist vrouwelijke Staatssecretarissen van de PVV worden uitgesloten van een campagne tegen geweld tegen vrouwen door een organisatie die zegt specifiek op te komen voor vrouwenrechten?
Geweld tegen vrouwen is volstrekt onacceptabel en een groot probleem in de Nederlandse samenleving. Het kabinet veroordeelt dit stevig en werkt op diverse manieren aan het bestrijden en voorkomen hiervan. Leden van het kabinet spreken zich dan ook publiekelijk uit tegen geweld tegen vrouwen en steunen initiatieven die zich inzetten voor vrouwenrechten. Orange the World is een belangrijke campagne waarbij het kabinet graag bewindspersonen had afgevaardigd om steun uit te spreken. Dit is een doel van het gehele kabinet, ongeacht de politieke gezindheid of het geslacht van individuele bewindspersonen.
Kunt u bevestigen dat de gemeente Enschede overweegt zich terug te trekken uit de organisatie van het evenement indien UN Women haar discriminerende houding jegens PVV-bewindspersonen niet herziet? Is het kabinet bereid de gemeente hierbij te ondersteunen indien zij deze terechte stap zet?
De gemeente Enschede heeft zich inmiddels teruggetrokken uit de organisatie van het Orange the World evenement en heeft een persbericht uitgebracht om haar overwegingen nader toe te lichten.
Het bericht ‘’Olifant in kamer’ blijft ongenoemd in debat over dalende homoacceptatie' |
|
Claudia van Zanten (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht ««Olifant in kamer» blijft ongenoemd in debat over dalende homoacceptatie» en zo ja, wat is uw reactie hierop?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Het is een slechte zaak dat minder dan de helft van de Amsterdamse jongeren (43%) uit de tweede en vierde klas het normaal vindt dat twee personen van hetzelfde geslacht verliefd op elkaar worden. Dit druist in tegen de democratische waarden van de rechtstaat. Het kabinet staat voor een samenleving waarin iedereen veilig over straat kan en iedereen zichzelf kan zijn. Acceptatie is ontzettend belangrijk, omdat het bijdraagt aan een open samenleving waarin iedereen kan zijn wie die wil zijn en verliefd kan worden op wie diegene wil. Zoals toegezegd in de beantwoording van Kamervragen van lid Becker (VVD)2, ga ik naar aanleiding van de uitkomsten van de GGD Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 een onderzoek laten uitvoeren naar de dalende acceptatie van lhbtiq+ personen onder jongeren, met aandacht voor de rol van sociale media en conservatieve denkbeelden.
Hoe verklaart u dat de acceptatie van LHBTI+-personen in Nederland, inclusief grote steden en dorpen, significant is afgenomen en welke landelijke trends ziet u?
Iedereen moet vrij en veilig zichzelf kunnen zijn in Nederland, of dat nu in de grotere stad is of in een kleinere dorpskern. Uit bestaand onderzoek komt een gemengd beeld naar voren over acceptatie van lhbtiq+ personen. Er is niet eenduidig sprake van een daling. Het onderzoek «Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa» uit 2022 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geeft een landelijk beeld dat de acceptatie onder respondenten (18+) lijkt te stagneren.3 Het SCP constateerde in 2022 geen verdere toename van de acceptatie, maar ook geen afname.
Daarnaast geeft het onderzoek «Seks onder je 25e» uit 2023 van Rutgers en Soa Aids Nederland een aanvullend beeld. De resultaten tonen aan dat de landelijke acceptatie lager ligt onder jongere jongeren (13–15 jaar) dan onder oudere jongeren (19 tot 24 jaar).4 Uit het onderzoek blijkt dat de acceptatie van homoseksualiteit juist is toegenomen de afgelopen jaren. In 2012 had 50% van de ondervraagde jongens en 25% van de meiden negatieve opvattingen over homoseksualiteit tegenover 25% van de jongens en 10% van de meiden in 2023.
Tot slot wijs ik erop dat de resultaten van de Gezondheidsmonitor Jeugd 20235 geen landelijk beeld geven, omdat de vraag over acceptatie van homoseksualiteit in slechts een aantal regio’s is uitgevraagd. Ook is de monitor niet representatief voor de acceptatie van lhbtiq+ personen in brede zin, omdat de vraag alleen over homoseksualiteit gaat.
Zoals eerder in antwoord 1 en 3 is aangegeven, ga ik een onderzoek laten uitvoeren naar de oorzaken van de dalende acceptatie van lhbtiq+ personen onder jongeren, met daarin aandacht voor de rol van sociale media en conservatieve denkbeelden6 De resultaten verwacht ik voor de zomer van 2025 met uw Kamer te delen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat nog maar 43% van de Amsterdamse jongeren accepteert dat twee mensen van hetzelfde geslacht verliefd op elkaar worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u naar aanleiding van de recente berichtgeving toezeggen om het sociaal en cultureel planbureau te verzoeken opnieuw verder landelijk onderzoek te doen naar de achterliggende oorzaken van de dalende homoacceptatie?
Ik neem aan dat u in uw vraag verwijst naar de opvolging van het onderzoeksrapport «Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa»7, dat samen met de LHBT-monitor tot 2022 iedere twee jaar werd uitgevoerd door het SCP. Zoals mijn ambtsvoorganger uw Kamer heeft laten weten op 1 december 2023 in de Voortgangsrapportage Emancipatie 2022–20238, wordt de voormalige LHBT-monitor van het SCP voortgezet als Lhbtiqa+-monitor. Deze wordt uitgevoerd door een onderzoeksconsortium bestaande uit Panteia, Movisie en Ipsos I&O (voorheen I&O Research). De eerstvolgende editie van de Lhbtiq+-monitor verschijnt in november 2024. In deze monitor zullen ook nieuwe landelijke cijfers verschijnen over de lhbtiq+-acceptatie van personen boven de 18 jaar, voortbouwend op de wijze waarop het SCP dit voorheen deed in het terugkerende rapport «Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa».
Ik vind het erg belangrijk dat er in het onderzoek wordt gekeken naar een verscheidenheid aan factoren. De nieuwe Lhbtiq+-monitor die ik hierboven noemde, neemt onder andere de factoren opleidingsrichting en religie mee.
Bent u het ermee eens dat dit onderzoek vooral moet kijken naar culturele, religieuze en sociale factoren die bijdragen aan de huidige situatie van homoacceptatie?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre erkent u dat radicale groepen, waaronder sommige religieuze- en culturele gemeenschappen, een rol spelen in het creëren van een onveilige omgeving voor LHBTI+-personen en welke stappen onderneemt u om dit probleem aan te pakken?
Religieuze en culturele factoren spelen een rol bij de houding tegenover lhbtiq+ personen. Het rapport «Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa 2022» van het SCP splitst opvattingen over homo- en biseksualiteit uit naar sociaal-demografische kenmerken.9 Dit onderzoek laat zien dat niet-religieuze mensen hier vaker positieve opvattingen over hebben (82%) dan religieuze mensen, waaronder door Rooms-katholieken (69%), aanhangers van de Protestantse Kerk (51%) en overige religies (45%). De categorie overige religies bestond onder anderen uit gereformeerde protestanten, moslims, hindoes en boeddhisten.Het rapport World Values Survey 2023 beschrijft de factor van religie bij acceptatie van homoseksualiteit.10 Dit onderzoek laat zien dat niet-religieuzen meer accepterend zijn over homoseksualiteit, gevolgd door PKN hervormden, Rooms-katholieken, PKN gereformeerden, orthodox-protestanten en moslims. Een negatieve houding tegenover lhbtiq+ personen is echter nog niet hetzelfde als daadwerkelijk overgaan tot geweld.
Uit het WODC-onderzoek «Richten op de regenboog»11 naar daderprofielen van daders van geweld tegen lhbtiq+ personen blijkt dat daders bovengemiddeld vaak man zijn en antecedenten hebben, maar dat er «geen grote verschillen» zijn gevonden wat betreft onder andere nationaliteit. Een klein deel van de daders geeft expliciet aan een religie te belijden. Volgens de onderzoekers is de mate waarin religie een rol speelt bij lhbtiq+-gerelateerd geweld echter moeilijk te duiden. Omdat migratieachtergrond niet als zodanig wordt geregistreerd in strafdossiers, hebben de onderzoekers hierover geen uitspraken kunnen doen.
Uit onderzoeken blijkt dat er, naast lhbtiq+-acceptatie, veel factoren zijn die een rol spelen bij de veiligheid van lhbtiq+ personen. Ik werk samen met de Minister van Justitie en Veiligheid aan een aanpak voor het bevorderen van de veiligheid van lhbtiq+ personen. Voor deze aanpak wordt nu in kaart gebracht wat de huidige problemen en oorzaken zijn.
Ik ondersteun daarnaast de Alliantie Verandering van binnenuit. De alliantie is een samenwerkingsverband tussen Movisie, Consortium Zelfbeschikking en LCC+ die zich richt op gesloten gemeenschappen, met een afstand tot de samenleving en conservatief zijn in hun gedachtegoed. De alliantie werkt aan het realiseren van gendergelijkheid en lhbtiq+-gelijkheid in de Nederlandse samenleving. Zo zet de alliantie zich in op het van «binnenuit» verandering bevorderen in gesloten gemeenschappen, met mensen die zelf onderdeel zijn van zulke gemeenschappen.
In 2022 gaf een rapport in Amsterdam aan dat vooral jonge mannen met een niet-westerse achtergrond homo’s discrimineren; kan tijdens het nieuwe landelijke onderzoek van het sociaal en cultureel planbureau specifiek worden stilgestaan bij de homoacceptatie onder mensen met een niet-westerse achtergrond?2
Dit soort onderzoeken zijn belangrijk, omdat het ons een beter inzicht geeft in hoe de acceptatie van lhbtiq+ personen is in Nederland. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 en 5, verschijnt de eerstvolgende editie van de lhbtiqa+-monitor in november 2024. Daaruit zal blijken in hoeverre de nieuwe cijfers iets kunnen zeggen over verschillen in lhbtiq+-acceptatie naar migratieachtergrond.
Het rapport waar de leden naar refereren focust voornamelijk op de ervaring en perspectieven van 15 geïnterviewden uit de lhbtiq+-gemeenschap en biedt dus, landelijk gezien, weinig directe informatie over de daders van de ervaren discriminatie. De onderzoekers geven de kanttekening dat door de gekozen opzet het onderzoek niet pretendeert een representatieve weergave te geven.
Kunt u in gesprek gaan met de burgemeester van Amsterdam om verdere dalende acceptatie onder jonge mensen met een niet-westerse achtergrond te voorkomen?
Er is goed contact met de gemeente Amsterdam over de resultaten van het onderzoek en de zorgen die dit baart. Ik moedig de gemeente Amsterdam aan om op basis van de resultaten stappen te zetten om acceptatie onder jongeren meer te stimuleren. In de gemeente Amsterdam worden al gesprekken gevoerd op scholen die hebben meegedaan met de vragenlijst voor de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023. Ik voer zelf ook veel gesprekken over acceptatie en acht het niet nodig om hierover een separaat gesprek te voeren.
Hoe kijkt u aan tegen het recente onderzoek van EenVandaag waar 51% van de LHBTI+’ers aangeeft dat het slecht gaat met de acceptatie?3
Ook hier verwijs ik naar de lhbtiq+-monitor die in november 2024 uitkomt. Deze monitor zal een nader beeld geven van de acceptatie.
Het is overigens schrijnend dat de helft van de ondervraagde lhbtiq+ personen aangeeft dat het niet goed gaat met de hoeveelheid acceptatie die zij ervaren in Nederland. Zoals reeds in het antwoord op vraag 3 is beschreven, zorgt acceptatie ervoor dat iedereen zichzelf kan zijn en verliefd kan worden op wie diegene wil. Ik vind het ernstig dat het gevoel dat je mag zijn wie je bent niet voor iedereen vanzelfsprekend is in onze samenleving. Ik wil er daarom ook alles aan doen om dit te verbeteren.
En hoe kijkt u aan tegen het feit dat 72% van de deelnemers van het onderzoek van EenVandaag het aanstootgevend vindt als vrouwen elkaar op de mond kussen?
Ik ben enorm gemotiveerd om de acceptatie van lhbtiq+ personen in heel Nederland te bevorderen. Ik werk samen met de Minister van Justitie en Veiligheid aan een nieuwe aanpak ter verbetering van de veiligheid van lhbtiq+ personen. In deze samenwerking worden de problemen en oorzaken op dit moment in kaart gebracht. De nieuwe aanpak moet er toe leiden dat ongewenst gedrag bij de bron kan worden aangepakt.
Zoals in eerdere antwoorden is gemeld, laat ik een onderzoek uitvoeren naar de oorzaken van de dalende acceptatie onder jongeren, met in elk geval aandacht voor de rol van sociale media en conservatieve denkbeelden. Ik zal uw Kamer voor de zomer van 2025 informeren over de resultaten.
Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om de acceptatie van LHBTI+-personen in heel Nederland te bevorderen, aangezien de regenboogakkoorden tot nu toe niet het gewenste resultaat opleveren?
Het bericht 'Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo af zonder diploma' |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw meer jongeren van middelbare school of mbo af zonder diploma»?1
Ja.
Wat vindt u van het gegeven dat 176.000 jongeren zonder een havo-, vwo- of mbo-2 school verlaat? Wat vindt u van het feit dat dit de afgelopen drie jaar met ruim veertig procent is gestegen?
Het aandeel van de jongeren dat geen onderwijs volgt en niet werkt (zogenoemde NEET-jongeren), is in Nederland het laagst van alle EU- en OESO landen.2, 3 De toename van het aantal jongeren zonder startkwalificatie dat geen onderwijs volgt, is zorgelijk. Wel heeft 70% van deze jongeren werk. Door de zeer krappe arbeidsmarkt is het voor veel jongeren op korte termijn aantrekkelijk om te stoppen met hun opleiding en te gaan werken. Jongeren zonder startkwalificatie hebben echter een grotere kans om hun baan na verloop van tijd kwijt te raken. Daarom is het tegengaan van ongediplomeerde uitstroom naar werk een belangrijk onderwerp in het actieplan voortijdig schoolverlaten (vsv), waarbij ingezet wordt op het aantrekkelijker maken van het onderwijs voor jongeren die willen werken. In maart 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan vsv.
Niet voor alle jongeren is het halen van een startkwalificatie mogelijk of passend. Veel van de 54.000 jongeren zonder startkwalificatie die geen onderwijs volgen of werk hebben, kampen met ziekte of persoonlijke problemen. Hierdoor is terugkeer naar school of werk niet altijd zelfstandig mogelijk. Deze jongeren hebben hier vaak ondersteuning bij nodig. Het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk zorgt dat jongeren deze ondersteuning krijgen. Nog voor het kerstreces stuurt het kabinet dit wetsvoorstel naar de Kamer.
Waardoor denkt u dat jongeren voortijdig stoppen met hun opleiding? Heeft u meer inzicht in de redenen waarom jongeren stoppen?
Jongeren verlaten om verschillende redenen voortijdig het onderwijs. Vaak is het een combinatie van oorzaken die bijdragen aan de schooluitval. De belangrijkste oorzaken zijn:4
Hoe reflecteert u op de uitkomst dat mentale problemen vaak een reden zijn om met een opleiding te stoppen? Wat zijn de plannen van het kabinet om de mentale gezondheid van jongeren te verbeteren?
Mentale problemen zijn een belangrijke reden waarom jongeren stoppen met hun opleiding. Jongeren met psychische problematiek vallen twee keer vaker uit dan andere jongeren, blijkt uit onderzoek van het CBS.5 Daarom wil ik deze problematiek vroegtijdig signaleren en laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning organiseren, zowel op school als in de overgang naar de arbeidsmarkt. In het actieplan vsv heb ik daarom aangekondigd dat ik wil dat scholen en gemeenten hierover verplicht afspraken maken. Dit is onderdeel van het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk en de bijbehorende regeling.
Het verbeteren van de mentale gezondheid van mbo-studenten is één van de doelstellingen van de Werkagenda mbo. Scholen en studenten komen, na gezamenlijk het gesprek aan te zijn gegaan over mentaal welzijn, tot een visie, beleid en laagdrempelige voorzieningen voor studenten. Veel mbo-instellingen zijn daarnaast aangesloten bij de integrale aanpak Gezonde School en Welbevinden op School. Vanuit deze aanpakken worden handvatten geboden om schoolbreed te werken aan het welzijn van studenten, bijvoorbeeld met hulp van een GGD-adviseur. Ook subsidieer ik de komende jaren het programma STIJN, dat als doel heeft om de kennis- en ondersteuningsstructuur te verbeteren die partijen rondom de student in staat stelt om effectief aan het studentenwelzijn te werken. Ten slotte is er afgelopen voorjaar een onderzoek uitgevoerd naar stress en prestatiedruk onder mbo-studenten.6 Een beleidsreactie op dit onderzoek zal ik dit najaar met uw Kamer delen.
Bent u het eens dat het ontvangen van een stagevergoeding kan bijdragen aan het op school houden van jongeren, omdat zij minder financiële stress ervaren en niet de voorkeur geven aan het hebben van een betaalde baan boven het behalen van hun diploma? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat studenten een passende vergoeding moeten krijgen voor hun stage. In het Stagepact MBO 2023–2027 is met vertegenwoordigers van studenten, mbo-scholen, docenten, werknemers, werkgevers en overheden afgesproken dat elke student een passende vergoeding voor de stage krijgt. Dit bestaat uit een onkostenvergoeding en daarbovenop stimuleren we dat in elke cao-afspraken staan over een passende stagevergoeding. We zien echter dat slechts 41% van de mbo-studenten een stagevergoeding ontvangt. Dat moet beter Uit een analyse van de 40 effectrapportages die de regio’s over schooljaar 2022–2023 ingevuld hebben, blijkt dat de meest voorkomende reden van studenten om voortijdig de school te verlaten is: «De krappe arbeidsmarkt in combinatie met de financiële noodzaak om inkomen te hebben».
In de Kamerbrief van april 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de monitoring door het Ministerie van SZW en het CBS. Begin volgend jaar informeer ik uw Kamer over de ontwikkeling op het geven van stagevergoedingen. Hiernaast doe ik naar aanleiding van de motie van de leden Stultiens en Ergin momenteel onderzoek naar een wettelijke minimumstagevergoeding.7 Op basis van dit onderzoek stuur ik in begin 2025 een brief om uw Kamer op de hoogte te stellen van de resultaten en de mogelijke vervolgstappen.
Wat gaat het kabinet de komende periode doen om het aantal voortijdig schoolverlaters terug te dringen? Gaat u het aanvalsplan voortijdig schoolverlaters doorzetten, en zo ja op welke manier? Zijn er financiële middelen voor de uitvoering van dit plan? Denkt u dat u het doel, minder dan 18.000 schoolverlaters in het mbo in 2026, gaat halen?
Het kabinet houdt vast aan het actieplan vsv en de in de Werkagenda mbo afgesproken doelstelling van 18.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2026.
Met het actieplan vsv zetten we een grote stap naar minder schooluitval. De ervaring leert dat niet alle uitval voorkomen kan worden. 18.000 vsv’ers in 2026 is zeer ambitieus. Daarom zet het kabinet ook in op het ondersteunen van jongeren naar duurzaam werk, waarvoor nog voor het kerstreces van 2024 een wetsvoorstel aan de Kamer wordt gestuurd. Het ombuigen van de stijging van het aantal jongeren met mentale problemen is essentieel om het doel te bereiken. Verder is een krappe arbeidsmarkt van invloed door de aanzuigende werking op jongeren om aan het werk te gaan. Met het wetsvoorstel Van school naar duurzaam werk krijgen scholen en de gemeenten aanvullende middelen om ondersteuning te bieden aan jongeren bij het behalen van een diploma en het vinden van duurzaam werk. In maart 2025 stuur ik een brief aan uw Kamer over de voortgang van het actieplan vsv.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
Ja.
De niet ingevulde bezuiniging op het basis en voortgezet onderwijs en het mbo |
|
Jan Paternotte (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is het niet gelukt om deze bezuinigingen te verwerken in de OCW-begroting?
De Tweede Kamer is op 24 oktober 2024 geïnformeerd over de concrete verwerking van de subsidietaakstelling op de OCW-begroting, met een Kamerbrief en een nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2025.
De voorlopige verwerking, zoals opgenomen in de ontwerpbegroting die op Prinsjesdag is gepresenteerd, komt daarmee te vervallen.
Wij hebben een welbewuste keuze gemaakt bij het voorlopig verwerken van de subsidietaakstelling (maatregel 40) uit het Hoofdlijnenakkoord. Die keuze is ook nader toegelicht in de Kamerbrief van 18 september 2024 in reactie op verzoek van het lid Jetten voorafgaand aan de Algemene Politieke Beschouwingen1.
De subsidietaakstelling is € 75 miljoen in 2025 en loopt op tot structureel € 361 miljoen. De taakstelling is voor 2025 ingevuld met concrete maatregelen. Deze maatregelen zijn verwerkt in de ontwerpbegroting van OCW die op Prinsjesdag naar de Tweede Kamer is gestuurd. De ontwerpbegroting heeft betrekking op het jaar 2025 en voor OCW was het van groot belang dat de Tweede Kamer op Prinsjesdag een ontwerpbegroting zou ontvangen waarin de taakstelling voor 2025 concreet was verwerkt. Dit om het parlement in staat te stellen haar budgetrecht zo goed mogelijk uit te oefenen. Daarnaast zijn de betrokken instellingen en organisaties onlangs geïnformeerd over het voornemen tot beëindiging of vermindering van subsidie of bekostiging.
Kunt u de verdeling van de bezuiniging binnen twee weken naar de Kamer sturen? Zo nee, wanneer dan wel?
Sinds de start van dit kabinet hebben wij een zorgvuldig en verantwoord besluitvormingsproces gevolgd om de subsidietaakstelling structureel uit te werken. Tegelijk erkennen wij het belang van een goede parlementaire behandeling en respecteren wij het budgetrecht van uw Kamer. OCW informeert de Tweede Kamer ruim vóór de begrotingsbehandeling hoe de subsidietaakstelling vanaf 2026 structureel wordt ingevuld middels de voornoemde Kamerbrief en een nota van wijziging op de ontwerpbegroting.
Waarom is ervoor gekozen om de bezuiniging in te boeken op allerlei initiatieven voor het basis- en middelbaar onderwijs en stageplekken voor (voornamelijk) mbo-studenten, ondanks uw claim dat er geen inhoudelijke keuzes zijn gemaakt?
Het feit dat subsidiebudgetten in de Ontwerpbegroting met dergelijke grote bedragen zijn verlaagd, vooruitlopend op een nota van wijziging met structurele invulling van de taakstelling, roept veel vragen op. Dat is begrijpelijk.
In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de ombuigingen volgend uit het akkoord worden verwerkt op de departementale begrotingen bij ontwerpbegroting 2025. Dit geldt dus ook voor de subsidietaakstelling.
Omdat meer tijd nodig was om de subsidietaakstelling in te vullen is er gekozen om de subsidietaakstelling voorlopig te verwerken op drie grote subsidiebudgetten. De budgetten in de begroting zijn verlaagd, maar er werden vooralsnog géén concrete maatregelen genomen en er waren geen consequenties in de buitenwereld. Dit staat ook toegelicht in de begroting en in de voornoemde Kamerbrief van 18 september 2024.
Er is specifiek gekozen voor deze drie subsidiebudgetten omdat dit grote subsidiebudgetten zijn. Er is geen individueel subsidiebudget op de OCW-begroting dat groot genoeg is om de volledige subsidietaakstelling op te verwerken. Daarom heeft OCW het aantal subsidiebudgetten waarop de taakstelling wordt ingeboekt zo klein mogelijk gehouden.
Deelt u dat deze initiatieven van onmisbare waarde zijn voor kinderen en jongeren?
In de voornoemde Kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling toegelicht.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op onderwijs aan zieke leerlingen en Ziezon?
Ja, dat kunnen wij bevestigen. De budgetten die zijn bedoeld voor de huidige activiteiten van «onderwijs aan zieke leerlingen» en Ziezon zijn geen onderdeel van de invulling van de subsidietaakstelling. Ook na invulling van de subsidietaakstelling blijft hier budget voor beschikbaar.
Dit geldt ook voor de activiteiten en organisaties die worden genoemd in vragen 6 t/m 11; te weten het omzetten van lesmateriaal naar braille door Dedicon, onderwijs aan nieuwkomers door lowan, Ouders & Onderwijs, het Nederlands Gebarencentrum, het LAKS en de techniekhavo.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het omzetten van lesmateriaal naar braille door Dedicon?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op onderwijs aan nieuwkomers door lowan?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op Ouders & Onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het Nederlands Gebarencentrum?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op het LAKS?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat u niet gaat bezuinigen op de techniekhavo?
Zie het antwoord op vraag 5.
Als u niet van plan bent om deze initiatieven weg te bezuinigen, heeft u contact gehad met de betrokken organisaties om deze boodschap te delen? Vindt u het een voorbeeld van goed bestuur om een bezuiniging ergens in te boeken zonder daarover met de betrokken organisaties te spreken?
Hier is helder over gecommuniceerd. Het oogmerk van zorgvuldigheid en verantwoordelijkheid ziet ook op de relatie tussen OCW en subsidieontvangers. OCW heeft in deze relatie vanzelfsprekend goed bestuur te betrachten. De wijze van verwerking in de begroting heeft hier in grote mate mee te maken.
De ontwerpbegroting van OCW wordt namelijk samen met de nota van wijziging door het parlement geautoriseerd, nadat het parlement ook over de subsidietaakstelling haar oordeel heeft uitgesproken. Omdat de nota van wijziging gaat over de subsidietaakstelling vanaf 2026 kunnen organisaties ruim van tevoren worden geïnformeerd zodat zij rekening kunnen houden met de consequenties van de subsidietaakstelling.
Daarnaast heeft OCW met betrokken organisaties gesprekken gevoerd die consequenties ondervinden van de subsidietaakstelling.
Deelt u dat het waardevol is voor mbo-studenten om in de praktijk te leren? Zo ja, waarom boekt u dan een bezuiniging hierop in?
De korting op de Regeling Praktijkleren staat toegelicht in de voornoemde Kamerbrief.
Hoeveel stageplekken worden nu gefinancierd vanuit de subsidieregeling praktijkleren?
In 2024 worden ongeveer 170.000 leerwerkplaatsen (in de sectoren vo, mbo en hbo en wo) gefinancierd via de Regeling praktijkleren.
Hoeveel stageplekken gaan er naar inschatting verloren door een mogelijke bezuiniging van 152 miljoen euro op een totaal van 250 miljoen euro voor deze plaatsen?
Wij vinden het niet opportuun om te reflecteren op een voorlopige verwerking van een mogelijke bezuiniging. In de voornoemde Kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling nader toegelicht. De Regeling praktijkleren wordt vanaf 2030 structureel met circa € 11,9 miljoen verlaagd. Dit heeft naar verwachting weinig significante impact gezien het feit dat in de toekomst in het mbo de studentenaantallen nog zullen dalen.
Heeft u gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het mbo over deze bezuiniging?
Er is gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het mbo om toe te lichten dat de voorlopige verwerking van de subsidietaakstelling, op het subsidiebudget «Regeling praktijkleren», in de begroting geen inhoudelijke consequenties heeft.
Kunt u alle onderliggende stukken bij de totstandkoming van de OCW-begroting én de onderwijsparagraaf van het regeerprogramma met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Wanneer de Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de invulling van de subsidietaakstelling, dan worden alle beslisnota’s die ten grondslag hebben gelegen aan die Kamerbrief en de nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2025 actief openbaar gemaakt.
Verdere onderliggende stukken bij de onderwijsparagraaf van het Regeerprogramma worden op grond van eenheid van kabinetsbeleid niet openbaar gemaakt.
Wanneer bent u op de hoogte gebracht van de totaalsom die uw ministerie moet bijdragen aan de rijksbrede subsidietaakstelling?
In het Hoofdlijnenakkoord is bepaald dat de subsidietaakstelling wordt verdeeld naar rato van de subsidiegrondslag op de begrotingen waarbij de grondslag eerst wordt verlaagd met de specifieke budgetkortingen uit het hoofdlijnenakkoord. De uitwerking van deze verdeling is door het Ministerie van Financiën gedeeld met de overige departementen op 3 juli 2024 ten behoeve van de ministerraad van 5 juli 2024 waar het kabinet heeft ingestemd met de Startbrief. De Startbrief is een kabinetsinterne brief en bevat de technische vertaling van de budgettaire afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord naar de Rijksbegroting. Het besluit over de Startbrief is gepubliceerd in de besluitenlijst van de ministerraad van 5 juli 2024.
Welke subsidieregelingen zijn nog meer overwogen bij het inboeken van deze additionele bezuiniging van bijna 400 miljoen euro per jaar structureel?
De invulling van de subsidietaakstelling is bezien over de volle breedte van de OCW-begroting. In de voornoemde kamerbrief wordt de concrete verwerking van de subsidietaakstelling toegelicht.
Waarom is er, vergeleken met voorgaande jaren, in het subsidieoverzicht voor artikelen 1 en 3 van de OCW-begroting voor 2025 een nieuwe post «overige subsidies» gecreëerd op de OCW-begroting om op te bezuinigen?
De post «Overige subsidie» is niet nieuw en staat al lange tijd in de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» van de begrotingsartikelen 1 (Primair onderwijs) en 3 (Voortgezet onderwijs). De begroting van OCW bevat ook een bijlage met een subsidieoverzicht per begrotingsartikel. Dit subsidieoverzicht sluit aan op de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» bij de begrotingsartikelen. De post «Overige subsidies» is in de ontwerpbegroting 2025 toegevoegd aan het subsidieoverzicht in de bijlage om het overzicht beter aan te laten sluiten op de voornoemde tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid».
Welk selectiecriterium ligt eraan ten grondslag om gerekend te worden tot «overige subsidies»?
In de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid» bij de begrotingsartikelen wordt een uitsplitsing gemaakt van het instrument subsidies. De prioriteiten van dit kabinet en de grote budgetten worden op een aparte regel genoemd. Dit geldt bijvoorbeeld voor subsidieregelingen als Basisvaardigheden en School en Omgeving. Ook grote instellingssubsidies zoals Kennisnet worden apart vermeld. De overige, kleinere instellingssubsidies, projectsubsidies en kleinere subsidieregelingen worden niet apart genoemd, maar zijn onderdeel van de regel «Overige subsidies». Een nadere uitsplitsing van alle subsidies per artikel is opgenomen in het Subsidieoverzicht in Bijlage 4 van de begroting.
Kunt u deze vragen binnen twee weken elk afzonderlijk beantwoorden?
Op 15 oktober 2024 heeft de Tweede Kamer een uitstelbrief ontvangen voor de beantwoording van deze vragen, omdat voor de beantwoording meer tijd nodig was. In de antwoorden op de vragen 6 t/m 11 wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5.
Het bericht 'School van Anneloes kost ouders 7100 euro per jaar: ‘Dag begint niet met wiskunde, maar meditatie’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «School van Anneloes kost ouders 7.100 euro per jaar: «Dag begint niet met wiskunde, maar meditatie»»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Hoeveel aanvragen zijn er de laatste jaren geweest voor een B3-school en hoeveel zijn er hiervan af- en toegewezen?
Particulieren die een onderwijsvoorziening oprichten (primair en voortgezet onderwijs), moeten dit melden aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, afdeling Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) legt vervolgens een kennismakingsbezoek af en kort daarna een adviesbezoek, waarna de inspectie een (bindend) advies uitbrengt aan de leerplichtambtenaar van de vestigingsplaats van de school.
In de periode van 2020 tot en met 2023 heeft de inspectie 85 adviesbezoeken gedaan. Er waren meer aanvragen, maar de aanvragers zetten die niet in alle gevallen door. Wanneer de aanvraag niet doorgezet wordt, legt de inspectie ook geen adviesbezoek af.
De onderstaande tabel bevat een uitsplitsing per jaar en in positieve en negatieve adviezen. In de periode van 2020 tot en met 2023 is er dus zes keer een negatief besluit afgegeven. Dit aantal negatieve besluiten betreft echter maar vier scholen, omdat er sprake is van twee herhaalde aanvragen voor dezelfde school.
2020
11
10
1
2021
15
14
1
2022
39
36
3
2023
20
19
1
Hoe komt het dat er steeds meer ontheffingen worden gegeven voor een B3-school?
Er is geen sprake van ontheffingen, maar van erkenning van b3-scholen. Er worden steeds meer b3-scholen als zodanig erkend, omdat er steeds meer b3-scholen starten die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.
We weten uit eerder onderzoek dat ouders verschillende redenen hebben om hun kind in te schrijven op een b3-school.2 Voorbeelden hiervan zijn een keuze voor kleinschaliger onderwijs of onderwijs dat beter aansluit bij de levens- of opvoedingsovertuiging van de ouder. Dit jaar voert de inspectie ook een onderzoek uit naar beweegredenen van ouders, leraren en oprichters die kiezen voor een b3-school. Hierbij is onder meer aandacht voor een mogelijke verandering in die beweegredenen. Naar verwachting zal de inspectie eind 2024 de eerste resultaten presenteren. Hier zal uw Kamer uiteraard van op de hoogte worden gesteld.
Wat is de reden dat ouders ervoor kiezen hun kinderen in te schrijven voor een B3-school?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe ontwikkelen leerlingen op een B3-school, waar over het algemeen een beperkt aantal leerlingen zit, hun sociale vaardigheden?
Net als reguliere scholen hebben b3-scholen de wettelijke taak om de ontwikkeling van sociale vaardigheden van leerlingen te bevorderen.3 De inspectie houdt toezicht op de kwaliteitseisen die gesteld worden aan b3-scholen en zo ook op de eis op het gebied van sociale vaardigheden.4
B3-scholen mogen aan minder eisen voldoen dan het bekostigde onderwijs, wat is hier de reden van en welke eisen gelden niet voor B3-scholen?
Het particulier onderwijs, waar b3-scholen onder vallen, heeft met minder wet- en regelgeving te maken dan het reguliere onderwijs, omdat er geen bekostigingsrelatie bestaat tussen de overheid en particuliere scholen. Dit leidt tot een belangrijk verschil tussen bekostigde scholen en particuliere scholen, dat ook in artikel 23 van de Grondwet tot uitdrukking komt. In het regulier onderwijs zorgt de bekostigingsrelatie ervoor dat de beschikbare publieke middelen zo rechtvaardig mogelijk over alle reguliere scholen verdeeld worden. Daartegenover staat dat de scholen aan bepaalde eisen moeten voldoen om die bekostiging te kunnen krijgen.
In het particulier onderwijs bestaat die bekostigingsrelatie niet; b3-scholen ontvangen geen geld van de overheid en hoeven dus ook aan minder eisen te voldoen. Dat neemt niet weg dat voor particuliere scholen wel degelijk regels gelden, aangezien het ook op deze scholen gaat om het onderwijs aan leerplichtige kinderen, waarvoor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijkheid draagt. Deze regels zijn bedoeld om ook op particuliere scholen een aantal minimumwaarborgen aan goed en veilig onderwijs te kunnen garanderen. In artikel 1a1, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 staan alle eisen die van toepassing zijn op b3-scholen. Alle andere eisen uit de WPO en WVO 2020 zijn niet van toepassing op die scholen.
Hoe houdt de onderwijsinspectie toezicht bij B3-scholen op de basisvaardigheden die kinderen moeten leren en hoe zijn de ontwikkelingen en resultaten van de basisvaardigheden van kinderen die staatsexamen hebben gedaan?
Alle erkende b3-scholen worden iedere twee jaar door de inspectie onderzocht aan de hand van het onderzoekskader niet-bekostigd onderwijs van de betreffende sector (primair onderwijs of voortgezet onderwijs). In dit onderzoekskader is opgenomen dat scholen moeten zorgen voor een ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen. Daarnaast dienen scholen een aanbod in Nederlandse taal en rekenen-wiskunde te hebben dat dekkend is voor de kerndoelen en de referentieniveaus als uitgangspunt heeft.
Hoeveel docenten werken als zzp-er op B3-scholen en wat is de reden dat zij kiezen voor een B3-school en niet voor het reguliere basisonderwijs? Hoe kijkt u er tegenaan dat deze docenten kiezen om zzp-er te zijn op een B3-school terwijl er enorm veel tekorten zijn in het reguliere onderwijs?
Het Ministerie van OCW heeft geen overzicht van het aantal docenten dat op een b3-school werkt, en dus ook niet of docenten op een b3-school in vast dienstverband of als zzp-er werken.
De beweegredenen van docenten om te kiezen voor een b3-school hoop ik in beeld te krijgen middels het lopende onderzoek van de inspectie waar ik eerder naar verwees.
Bent u het ermee eens dat meer toezicht en vooral strengere eisen op het thuisonderwijs nodig zijn in het belang van het kind? Zo ja, wanneer komt het toegezegde wetsvoorstel over meer eisen aan thuisonderwijs naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit ben ik met u eens. In de huidige situatie zijn geen wettelijke eisen gesteld aan het thuisonderwijs. Daarom wordt momenteel een wetsvoorstel uitgewerkt, zoals ik ook aangegeven heb in de verzamelbrief van 27 juni jl.5 Met dit wetsvoorstel wil ik minimale eisen stellen aan het thuisonderwijs voor kinderen die zijn vrijgesteld van de leerplicht vanwege richtingsbezwaren van de ouders. Het is immers van belang dat ook deze leerlingen het onderwijs ontvangen waar ze recht op hebben. De Tweede Kamer wordt later dit jaar over de voortgang van dit wetsvoorstel geïnformeerd.
Het bericht 'AOb waarschuwt voor 'onopgemerkte bezuiniging': in Randstad vanaf 2026 minder geld voor leraren' |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AOb waarschuwt voor «onopgemerkte bezuiniging»: in Randstad vanaf 2026 minder geld voor leraren»?1
Ja.
Hoeveel scholen in randstadregio’s krijgen in totaal meer geld om leraren beter te belonen?
In 2024 krijgen schoolbesturen voor 291 (vo-)scholen bekostiging vanuit de Regeling versterking functiemix vo-leraren in de Randstadregio’s, verdeeld over 129 besturen. Het budget voor de functiemix wordt over alle scholen in de Randstad verdeeld. De functiemix gaat niet alleen naar scholen in de grote steden in de Randstad, maar ook naar scholen in kleinere gemeenten in het stedelijke- en landelijke gebied binnen de Randstad. In totaal gaat de functiemix naar ca. 45% van alle scholen in Nederland.
Om welk bedrag per school gaat dit?
In 2024 gaat dit om gemiddeld € 265.000 per school.
Hoeveel krijgen deze leraren gemiddeld bovenop hun reguliere salaris?
Deze leraren krijgen geen bedrag bovenop hun reguliere salaris, maar zij zijn (structureel) in een hogere salarisschaal ingedeeld. De beloning van leraren in het maximum van schaal LC is per maand ongeveer € 1.000 (16%) hoger dan in het maximum van LB. Door de structurele aanvullende bekostiging uit de «Regeling Versterking Functiemix vo-leraren in de Randstadregio’s» kunnen de desbetreffende scholen meer leraren in een hogere schaal belonen. De beloning is het salaris plus vakantiegeld, eindejaarsuitkering en toelagen die iedere leraar krijgt.
Wat zijn scholen gemiddeld kwijt per leraar, inclusief personeelskosten?
Een leraar in het voortgezet onderwijs (vo) «kost» een schoolbestuur gemiddeld ongeveer € 8.700 per maand in 2024. Het schoolbestuur draagt daarvan gemiddeld ongeveer € 2.500 per maand af aan werkgeverslasten, zoals de pensioenpremie. De beloning die de leraar krijgt is (bruto) dus gemiddeld ongeveer € 6.200 euro per maand. Deze cijfers zijn gebaseerd op de cao vo 2023–2024.
Hoe rijmt u deze bezuiniging met het toenemende lerarentekort in met name de Randstad en uw ambitie om de onderwijskwaliteit te verbeteren?
Bij de aanpak van het lerarentekort spelen de onderwijsregio’s een belangrijke rol en daar blijf ik vol op inzetten. De onderwijsregio’s richten zich op het werven, matchen, opleiden, begeleiden en professionaliseren van onderwijspersoneel. Daarnaast zetten we verschillende andere stappen om het lerarentekort aan te pakken, waaronder het inzetten op zij-instroom. Ook werken we hard aan het verbeteren van de onderwijskwaliteit met het Masterplan Basisvaardigheden en de curriculum-herziening. Deze ambities komen samen in het Herstelplan, waar we samen met het veld stappen zetten. Met de beschikbare middelen voor het verbeteren van de onderwijskwaliteit en het terugdringen van het lerarentekort moeten scherpe keuzes gemaakt worden. Daarbij is de effectiviteit van de Regeling versterking functiemix vo-leraren in de Randstadregio’s als het gaat om het behoud van leraren niet eenduidig aangetoond.2
Hoe reflecteert u op de uitspraak van de Algemene Onderwijsbond (AOb)dat dit kan leiden tot financiële problemen bij scholen?
In zijn algemeenheid geldt dat de uitgaven van besturen die staan tegenover de daling in de bekostiging als gevolg van het afschaffen van de Regeling versterking functiemix vo-leraren in de Randstadregio’s niet meteen verdwijnen, aangezien leraren hun rechten op grond van hun arbeidsovereenkomst behouden als zij in een hogere salarisschaal werken. Dit betekent dat schoolbesturen de daling in hun bekostiging op de korte termijn moeten opvangen binnen hun begroting. Doordat de afschaffing vanaf 1 januari 2026 geldt, kunnen schoolbesturen er in hun begroting alvast rekening mee houden dat zij vanaf 2026 deze middelen niet meer ontvangen.
Sommige schoolbesturen zullen deze daling in de bekostiging makkelijker kunnen opvangen dan andere schoolbesturen. Indien schoolbesturen de investering in hogere beloning van onderwijsgevend personeel ook op langere termijn willen handhaven, hebben zij uiteraard de mogelijkheid om andere keuzes te maken bij de inzet van de middelen die zij in totaal ontvangen.
Hoe beoordeelt u de analyse van uw ambtenaren, waarin staat dat deze bezuiniging kan leiden tot een plotseling gat in de begrotingen van scholen ter grootte van twee procent van de totale begroting?2
Onderstaande tabel geeft weer hoeveel besturen de bekostiging vanuit de Functiemix Randstad (FMR) ontvangen. Van de 273 bekostigde vo-schoolbesturen, ontvangen er 129 middelen voor de Functiemix Randstad (circa 47%).
Het wegvallen van de middelen voor de Functiemix leidt tot minder inkomsten. Dit kan oplopen tot 2,1% ten opzichte van de basisbekostiging indien alle vestigingen van een schoolbestuur in de Randstad gelegen zijn.
Gemiddeld gezien leidt het wegvallen van de middelen van de Functiemix tot 1,8% minder bekostiging ten opzichte van de basisbekostiging (voor de schoolbesturen die middelen ontvangen vanuit de Functiemix). Afhankelijk van de overige ontvangsten van schoolbesturen (zoals aanvullende bekostiging of subsidies), bedraagt dit een kleiner percentage van de totale ontvangsten.
Hoe beoordeelt u de conclusie van uw ambtenaren dat er mogelijkerwijs een ingroeipad en alternatieve ombuigingen nodig zijn, in plaats van de plotselinge afschaffing van deze middelen?
Ik acht een ingroeipad bij deze maatregel niet noodzakelijk. De afschaffing van de regeling functiemix treedt in werking per 1 januari 2026. Schoolbesturen kunnen in aanloop daar naartoe het wegvallen van de bekostiging inpassen binnen hun begroting.
Bent u in gesprek met de VO-raad en lerarenbonden om de impact van deze bezuiniging te achterhalen? Zo nee, waarom niet?
We zijn voortdurend in gesprek met de sociale partners, waaronder de VO-raad, AOb, FvOv en CNV, waaronder ook over de afschaffing van de Regeling Functiemix Randstad en de potentiële effecten daarvan. De sociale partners hebben bij mij hun zorgen geuit. Zij benoemen dat niet alleen de financiële situatie van schoolbesturen op de korte termijn relevant is, zij maken zich ook zorgen over de (langdurige) effecten op de arbeidsmarkt en daarmee ook op de klas. Signalen en voorbeelden die de partners hebben ontvangen uit het veld zijn onder andere dat schoolbesturen hun promotiebeleid stopzetten om de verwachte daling in inkomsten te compenseren, of dat het carrièreperspectief voor leraren op sommige scholen op slot gaat. Zij geven aan dat deze bezuiniging vooral voor eenpitters en kleinere besturen grote gevolgen heeft. Zij hebben ook aangegeven dat zij reorganisaties niet uitsluiten. Ik blijf de komende periode met de partners in gesprek over de effecten die zij zien.
Gaat u voor het doorvoeren van deze onnodige bezuiniging een analyse met de Kamer delen over de financiële gevolgen voor scholen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bij het antwoord op vraag 7 en 8 kunt u de financiële analyse terugvinden.
Bent u bereid te kijken naar een ingroeipad? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 9, acht ik een ingroeipad bij deze maatregel niet noodzakelijk. De afschaffing van de regeling functiemix treedt in werking per 1 januari 2026. Schoolbesturen kunnen in aanloop daar naartoe het wegvallen van de bekostiging inpassen binnen hun begroting.
Bent u bereid deze bezuiniging te schrappen, vanwege de lerarentekorten in de Randstad en de financiële klap voor scholen?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Met de beschikbare middelen moeten er scherpe keuzes gemaakt worden bij het terugdringen van het lerarentekort en het verbeteren van de onderwijskwaliteit en ik blijft me daarvoor inzetten, zoals aangegeven in mijn reactie bij vraag 6. De effectiviteit van de functiemix is daarbij echter niet eenduidig aangetoond.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de behandeling van de OCW-begroting beantwoorden?
Ja.
Reclame voor en samenwerking met extern aanvullend onderwijs |
|
Anita Pijpelink (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Van de Minister mag het niet, maar kwart van ouders zegt dat middelbare school commercieel bijlesbureau aanraadt»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe reflecteert u op de uitkomst van EenVandaag dat ruim een kwart van de scholen nog reclame maakt voor aanvullend onderwijs, ook na de verzonden richtlijnen en wat kunnen oorzaken zijn van het niet volgen van deze richtlijnen?
Er moet goed en voldoende onderwijs worden gegeven op scholen. Het inkopen van extra bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining zou daarom in principe niet nodig moeten zijn.
Samen met de PO-Raad en VO-raad heb ik vorig jaar de oproep gedaan om niet samen te werken met commerciële bijlesbureaus en tevens geen reclame te maken voor commerciële aanbieders. De Monitor Aanvullend Onderwijs 2025 zal het effect van de richtlijnen voor het eerst meten. Met deze monitor onderzoeken we ook oorzaken van het mogelijk niet volgen van de richtlijnen. Indien blijkt dat de richtlijnen niet afdoende effectief zijn, zal ik mij beraden op eventuele vervolgmaatregelen.
Hoe reflecteert u op de uitkomst van de Monitor aanvullend onderwijs 2023 dat meer dan twintig procent van de voortgezet onderwijs (vo)-scholen die samenwerkt met een externe aanvullend onderwijsaanbieder hiervoor reclame maakt in oudergesprekken en dat op een kwart van de vo-scholen reclamefolders wordt verspreid?2
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen steengoed onderwijs moeten krijgen op school. Het inkopen van extra bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining zou in principe niet nodig moeten zijn. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat voor scholen samenwerking met externe partijen soms noodzakelijk is. Er komt immers veel op scholen af. In zulke gevallen raad ik, samen met de PO-Raad en VO-raad, aan om zoveel mogelijk samen te werken met partijen zonder winstoogmerk. Bovendien dient dit aanvullende aanbod dan kosteloos toegankelijk te zijn voor iedere leerling.
Hoe zijn deze vormen van reclame nog mogelijk na de wens van de Kamer om met scholen afspraken te maken met het doel dat er geen reclame wordt gemaakt voor private aanbieders van schaduwonderwijs?3
Samen met de PO-Raad en VO-raad heb ik vorig jaar een oproep gedaan aan schoolbesturen en de OCW-richtlijnen voor aanvullend onderwijs onder de aandacht gebracht, waarvan uw Kamer op 6 juli jl. een afschrift heeft ontvangen.4
Het stemt mij positief dat vorig schooljaar de meeste leerlingen gebruik maakten van kosteloos aanbod van aanvullend onderwijs, terwijl zij in het schooljaar 2018–2019 nog vaker betaald aanvullend onderwijs volgden. Dit bleek uit de Monitor Aanvullend Onderwijs 2023. De Monitor Aanvullend Onderwijs 2025 zal het effect van de richtlijnen voor het eerst in beeld brengen.
Wat vindt u ervan dat scholen ouders soms doorverwijzen naar commerciële bureaus voor kinderen met een leerachterstand of extra ondersteuning en bent u het ermee eens dat de doelen van passend onderwijs waren dat de school dit zelf zou bieden? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat het onderwijs aan deze verwachting kan voldoen?
Om elk kind een passende onderwijsplek te bieden hebben scholen een zorgplicht en zijn samenwerkingsverbanden verantwoordelijk voor een dekkend netwerk van voorzieningen in de regio. Dit betekent dat scholen en samenwerkingsverbanden verantwoordelijk zijn voor het bieden van de juiste ondersteuning aan kinderen. Dit kan ook (deels) georganiseerd worden door bijvoorbeeld het inhuren van specifieke expertise bij externe bureaus. Deze expertise moet dan echter via de school en zonder extra kosten voor ouders of verzorgers worden aangeboden aan leerlingen. Het mag niet zo zijn dat scholen de verantwoordelijkheid die zij hebben voor het bieden van extra ondersteuning ontlopen door kinderen door te verwijzen naar commerciële bureaus.
Is het volgens u wenselijk dat gezinnen zich nu gedwongen voelen voor grote bedragen aanvulling te zoeken op het publieke onderwijsaanbod?
Op scholen moet goed en voldoende onderwijs worden gegeven. Als een leerling extra hulp nodig heeft, dan zou de school bijvoorbeeld kosteloos extra bijles of huiswerkbegeleiding kunnen bieden. Vanzelfsprekend staat het ouders vrij om bijles te regelen voor hun kinderen.
Hoe kijkt u naar gezinnen die zich mogelijk ook gedwongen voelen aanvulling te zoeken op het publieke onderwijs voor hun kinderen, maar dit simpel weg niet kunnen betalen?
Indien een leerling extra hulp nodig heeft, dan zou de school zelf extra bijles of huiswerkbegeleiding kunnen bieden. Die extra begeleiding dient op school én van de school te zijn.
Wat zijn de effecten van reclame op scholen voor dit externe aanvullend onderwijs op de kansenongelijkheid?
Zoals ik in de brief aan schoolbesturen heb aangegeven, wekt reclame voor betaald aanvullend onderwijs de indruk dat het noodzakelijk en vanzelfsprekend is voor onderwijssucces. Dat is niet zo. Scholen horen alleen aanvullend onderwijs aan te bieden dat op én van school is. Iedere leerling moet daar kosteloos aan kunnen meedoen.
Bent u het ermee eens dat er naast het stellen van richtlijnen over reclame voor aanvullend onderwijs op scholen, aanvullend beleid nodig is om dit volledig tegen te gaan?
Zoals eerder aangegeven, zal de Monitor Aanvullend Onderwijs 2025 de effecten van de richtlijnen voor het eerst in beeld brengen. Ik verwacht dit onderzoeksrapport in het najaar van 2025 met de Kamer te kunnen delen.
Bent u van plan om zoals geadviseerd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een wettelijk verbod op reclame voor private aanbieders van aanvullend onderwijs toe te zeggen? Zo ja, wanneer bent u van plan met een voorstel te komen waarin dit verbod geregeld wordt? Zo nee, waarom niet?4
Met de PO-Raad en VO-raad heb ik vorig jaar een oproep gedaan aan schoolbesturen om geen reclame te maken voor commerciële bijlesbureaus. Ik vind het belangrijk om de effecten van deze oproep en de OCW-richtlijnen voor aanvullend onderwijs eerst duidelijk in kaart te brengen. Een eerste gelegenheid daarvoor biedt de Monitor Aanvullend Onderwijs 2025.
In het rapport «Publiek karakter voorop» waarschuwde de Onderwijsraad al voor de verstrengeling tussen privaat en publiek bekostigd onderwijs, in hoeverre is er iets gedaan met deze waarschuwing?5
De Onderwijsraad waarschuwde met haar rapport inderdaad dat privaat aanbod en private middelen steeds meer verweven raken met de publiek bekostigde scholen. De beleidsreactie op dit rapport onderstreepte dat in eerste instantie investeringen in de kwaliteit van het publieke onderwijs noodzakelijk zijn om deze ontwikkeling tegen te gaan.7 Daarnaast zijn duidelijke kaders voor de omgang met privaat aanbod nodig om de verstrengeling tussen privaat en publiek bekostigd onderwijs te verminderen. Ik heb hier als eerste stap invulling aan gegeven met de oproep aan schoolbesturen, de OCW-richtlijnen voor aanvullend onderwijs en de handreiking «inhuur externe partijen».
Hoe reflecteert u op de uitkomst van de Monitor aanvullend onderwijs 2023 dat van de gemeenten met beleid op aanvullend onderwijs vijf procent samenwerkt met for-profit aanbieders en tien procent middelen verstrekt aan deze aanbieders?
Uit de monitor blijkt dat een kwart van de gemeenten actief beleid voert ten aanzien van aanvullend onderwijs. Van de gemeenten die zich actief bezighouden met aanvullend onderwijs zet slechts 10% van de gemeenten financiële middelen inzet ten behoeve van commerciële aanbieders.8 Ik zie dat het merendeel van de gemeenten middelen verstrekken aan niet-commerciële organisaties en rondom aanvullend onderwijs juist beleid voeren ter bevordering van kansengelijkheid. Daarom zie ik geen aanleiding om hier verder afspraken over te maken met gemeenten.
In hoeverre worden er gesprekken gevoerd met gemeenten over de verstrekking van middelen aan commerciële bijlesbureaus?
Zie antwoord 12.
Gaat u tegemoetkomen aan de wens volgend uit de motie Kwint/Westerveld om afspraken te maken met gemeenten om te voorkomen dat zij financieel of in natura commerciële bijlesbureaus faciliteren?6
Zie antwoord 12.
Het bericht 'Tien jaar Passend Onderwijs: hogere kosten en meer thuiszitters' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Tien jaar Passend Onderwijs: hogere kosten en meer thuiszitters»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de afgelopen tien jaar steeds meer leerlingen gebruikmaken van het speciaal onderwijs, ondanks dat de ambitie van passend onderwijs juist was om meer leerlingen in het reguliere klaslokaal passend onderwijs te bieden?
Na de invoering van passend onderwijs is er de eerste jaren een (lichte) daling geweest van het aantal leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs, de afgelopen jaren zien we weer een lichte stijging. Inmiddels zijn er ook wachtlijsten voor instroom in het gespecialiseerd onderwijs en dat vind ik ongewenst, omdat hierdoor leerlingen niet op de gewenste school terecht kunnen of zelfs helemaal thuis komen te zitten. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid om naar het gespecialiseerd onderwijs te gaan, blijft bestaan voor die kinderen die dat nodig hebben.
De stijging van het aantal leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs is onderdeel van bredere maatschappelijke ontwikkelingen en de krapte in de gehele keten van kinderopvang, onderwijs en zorg. Hiernaast heeft het onderwijs met grote uitdagingen te maken zoals het lerarentekort.
Ik heb uw Kamer via de voortgangsrapportage over de verbeteraanpak passend onderwijs2 eerder geïnformeerd over welke stappen er op korte en (middel)lange termijn gezet worden om de groei van het gespecialiseerd onderwijs aan te pakken. In het kort wordt gewerkt aan:
Hoe verklaart u de stijging van het aantal kinderen op het speciaal onderwijs sinds de invoering van de Wet Passend Onderwijs?
Het onderzoek Druk op de Keten3 laat zien dat de toename van leerlingen binnen het gespecialiseerd onderwijs geen op zichzelf staand probleem is, maar onderdeel van bredere maatschappelijke ontwikkelingen en de krapte in de gehele keten van kinderopvang, onderwijs en zorg. Het onderzoek geeft aan dat er verschillende verklarende factoren zijn die bijdragen aan de druk op de keten. Zo neemt de druk op gezinnen toe door instabiliteit in het gezin, bijvoorbeeld door vechtscheidingen of geldzorgen. Dat heeft invloed op de ontwikkeling van kinderen en de ondersteuning die ze nodig hebben. Andere verklarende factoren zijn de psychologisering, medicalisering en individualisering van maatschappelijke problemen, de prestatiedruk in het onderwijs en de individualisering van de samenleving. Of betere vroegsignalering, zodat sneller duidelijk wordt welke kinderen extra ondersteuning nodig hebben.
Kunt u deze groei uitsplitsen naar de verschillende clusters en hoe verhoudt dit zich tot de leerlingaantallen in het speciaal basisonderwijs en het praktijkonderwijs?
De cijfers van de Staat van het Onderwijs uit 20234 laten zien dat de stijging van leerlingen vooral in de clusters 3 (zeer moeilijk lerende en meervoudig beperkte leerlingen) en cluster 4 (psychische stoornissen en gedragsproblemen) zit. In cluster 1 en cluster 2 neemt het totaal aantal leerlingen nog altijd af, omdat het daar vaak lukt om leerlingen op een reguliere school met ondersteuning een plek te geven.
Cijfers van DUO vanaf 2014 laten deze ontwikkeling ook zien. In 2014 zat 1,4 procent van het aantal leerlingen in het funderend onderwijs op het speciaal basisonderwijs, 1,1 procent in het praktijkonderwijs en 2,8 procent van de leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. In 2023 is het aantal leerlingen procentueel gelijk gebleven in het speciaal basisonderwijs, een kleine stijging naar 1,2 procent in het praktijkonderwijs en is het deelnamepercentage in het (voortgezet) speciaal onderwijs gestegen naar 3,1 procent. Deze stijging is vooral zichtbaar in het speciaal onderwijs binnen scholen voor cluster 3 waar een stijging van 0,3 procentpunt heeft plaats gevonden. De uitsplitsing per verschillende clusters in leerlingenaantallen zijn als bijlage bijgesloten.
Deelt u de conclusie van schoolbesturen dat kinderen vaker kampen met psychische of mentale problemen dan voorheen en welke oorzaken ziet u voor de toename van leerlingen met een hulpvraag?
Uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar de mentale gezondheid van jongeren en studenten in Nederland blijkt inderdaad dat er sprake is van een verslechtering in de mentale gezondheid van tieners (vooral meisjes) en jongvolwassenen en dat de cijfers over leerlingen aan het eind van het basisonderwijs ook een dalende trend laten zien.5 Er zijn verschillende oorzaken, die op hun beurt niet per se met elkaar te maken hoeven hebben. Naast de meer concrete schooldruk door toetsen en huiswerk spelen het belang dat de samenleving als geheel hecht aan presteren, en de druk die jongeren daardoor ervaren een grote rol. Op 23 april jl. is uw Kamer nader geïnformeerd over de verschillende oorzaken en over welke acties het kabinet in gang heeft gezet om het welzijn van jongeren en studenten te verbeteren.6
Klopt het dat u met de pilot Zorg in onderwijstijd al bezig bent met ontschotting tussen budgetten voor kinderen met een hulpvraag en wat zijn de voorlopige resultaten hiervan?
De pilot Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en bijbehorend onderzoek zijn afgerond. Uit het onderzoek van DSP/Oberon blijkt dat een groot deel van de (v)so-scholen knelpunten ervaart in de organisatie en financiering van ZiO. De pilot Hart van Brabant is een succesverhaal van het collectief organiseren van zorg op school, maar laat ook zien dat het veel afstemming en energie vraagt. In de Kamerbrief van 30 maart 2023 is een uitgebreide beleidsreactie gegeven op het onderzoeksrapport van DSP/Oberon.7
Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn VWS en OCW bezig met het aanpassen van wet- en regelgeving zodat het op meer plekken eenvoudiger wordt om ZiO collectief te organiseren zoals in Hart van Brabant. Ook wordt gewerkt aan een handreiking om beleidsmakers en professionals te ondersteunen bij het maken van afspraken over zorg en onderwijs. Hierover heb ik u eerder geïnformeerd met de brief aan de Tweede Kamer over de verbeteraanpak passend onderwijs van 10 mei 20248.
Hoe verhoudt de toenemende vraag naar gespecialiseerd onderwijs zich tot de ambitie voor thuisnabij onderwijs en welke stappen neemt u hiervoor?
Ik vind het belangrijk dat elk kind de ondersteuning kan krijgen die nodig is om naar school te kunnen. Een van de oplossingsrichtingen om op de lange termijn het aantal doorverwijzingen naar het gespecialiseerd onderwijs te doorbreken is om ervoor te zorgen dat op meerdere scholen de mogelijkheden van ondersteuning omhoog gaat. Hierover, en over welke stappen er op korte en (middel)lange termijn gezet kunnen worden om de wachtlijsten terug te dringen, heb ik uw Kamer via de voortgangsrapportage over de verbeteraanpak passend onderwijs9 eerder al over geïnformeerd. Een korte weergave van deze stappen vindt u ook bij mijn antwoord op vraag 2. Hier wordt bijvoorbeeld aan gewerkt door het vormgeven van een multidisciplinair schoolteam, daarbij wordt de expertise van het gespecialiseerd onderwijs of de (jeugd)zorg onderdeel van het netwerk om de school heen. Ook via de inzet van de brugfunctionaris en de formulering van een landelijke norm voor basisondersteuning dragen we hier aan bij.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat, ondanks de ambitie om het aantal thuiszitters terug te dringen, steeds meer kinderen thuiszitten en hoe verklaart u de stijging van het aantal kinderen dat thuis komt te zitten?
Het is schrijnend wanneer een kind thuis zit, zonder goed onderwijs. Het is dan ook mijn nadrukkelijke ambitie om dit terug te dringen, maar het is helaas de afgelopen jaren ook een taai probleem gebleken. Ik zet in op concrete maatregelen die er voor zorgen dat leerlingen nu al weer naar school kunnen. Ik doe dat bijvoorbeeld via WEL in ontwikkeling, de subsidieregeling die ik voorbereid voor onderwijsaanbod voor niet-ingeschreven kinderen en jongeren («rommelpotje») en via het experiment onderwijszorgarrangementen.
Daarnaast werk ik aan het wijzigen van de wet op een aantal onderdelen:
Klopt het dat 13.700 kinderen nu thuiszitten, nog exclusief het aantal kinderen dat met toestemming thuiszit, en hoeveel kinderen zitten er momenteel in totaal thuis en ontvangen dus geen onderwijs?
De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren die thuiszitten zijn van de «Leerplichttelling» over het schooljaar 2022–2023. Deze cijfers zijn begin mei met de Kamer gedeeld samen met de Kamerbrief verbeteraanpak passend onderwijs. Het aantal leer- en kwalificatieplichtige kinderen dat tijdens het einde van schooljaar 2022–2023 niet stonden ingeschreven op een school en ook geen vrijstelling hadden (absoluut verzuim) was 13.707. Van deze groep volgden 4440 kinderen aan het einde van het schooljaar weer onderwijs. Daarnaast waren er 3881 kinderen die 4 weken of langer niet naar school gingen. Aan het einde van het schooljaar 2022–2023 waren dit nog 1682 kinderen. Echter, zijn deze aantallen exclusief het aantal kinderen dat met toestemming thuiszit.
Ook ik wil volledig inzicht in het aantal leerlingen dat niet naar school gaat. Alleen als we leerlingen echt in beeld hebben, kunnen we samen met hen kijken wat ze nodig hebben om te leren. Daarom dien ik binnenkort het wetsvoorstel Terugdringen Verzuim in. In dit wetsvoorstel krijgen scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, leerplicht en OCW beter inzicht in de aanwezigheid van leerlingen (ook de leerlingen die nu langdurig geoorloofd – vaak ziek gemeld – verzuimen). Op dit moment is het nog niet mogelijk omdat het niet verplicht is voor scholen om geoorloofd verzuim te registreren. Daarnaast wil ik zoals toegezegd in het debat passend onderwijs van dit voorjaar beter zicht krijgen op de leerlingen in de categorie absoluut verzuim, en ben ik voornemens daar aanvullend onderzoek naar te laten doen.
Hebben deze leerlingen allemaal een onderwijsvrijstelling ontvangen en zo ja, op welke gronden?
Nee, de meeste van bovenstaand genoemde leerlingen hebben geen onderwijsvrijstelling. Als een leerling wegens lichamelijke of psychische redenen niet in staat is onderwijs te volgen, kan een leerling vrijstelling op basis van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet krijgen. Deze vrijstelling vijf onder a wordt door de jeugdarts afgegeven. En krijgt een leerling dus niet zomaar. Er bestaat geen uitgesplitst overzicht op welke specifieke gronden leerlingen deze onderwijsvrijstelling krijgen. Andere kinderen of jongeren zitten thuis zonder vrijstelling, bijvoorbeeld omdat zij wachten tot er een plek vrijkomt op een andere school of omdat er geen passende ondersteuning kan worden geboden.
Vindt u het acceptabel dat zoveel leerlingen vrijgesteld zijn van onderwijs?
Nee, het uitgangspunt is wat mij betreft dat zo min mogelijk leerlingen een vrijstelling moeten krijgen. En de praktijk laat zien dat een vrijstelling vaak ook niet nodig is. Met het wetsvoorstel Terugdringen verzuim neem ik dan ook een aantal maatregelen om onnodige vrijstellingen (als een onderwijsaanbod wel mogelijk en passend is) tegen te gaan:
Op deze manier wordt er beter bekeken wat een kind wel kan en waar dat zou kunnen. Zo ontstaat er een ander perspectief op ontwikkeling in plaats van dat er geen perspectief is en dus een volledige of permanente vrijstelling wordt gegeven.
Kunt u uitleggen wat de gevolgen zijn dat de samenwerkingsverbanden de gelden verdelen tussen het reguliere onderwjs en het passend onderwijs, waarbij meer kinderen die naar het speciaal onderwijs gaan tot gevolg heeft dat er minder geld is voor passend onderwijs binnen het reguliere onderwijs?
Samenwerkingsverbanden en scholen in de regio hebben in het kader van passend onderwijs gezamenlijk de opdracht om ervoor te zorgen dat er voor elk kind een onderwijsplek is. Het doel van passend onderwijs is dat alle kinderen een plek krijgen die past bij hun ondersteuningsbehoefte. In het regulier onderwijs waar het kan, soms met extra ondersteuning, en in het speciaal onderwijs als intensievere begeleiding nodig is.
De samenwerkingsverbanden ontvangen bekostiging voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en -voorzieningen voor de lichte en zware ondersteuning. Kinderen met een lichte of zware ondersteuningsbehoefte kunnen zowel in het regulier als in het gespecialiseerd onderwijs zitten. Dit betekent dat samenwerkingsverbanden de bekostiging de zij hiervoor ontvangen, zowel inzetten voor ondersteuning in het regulier onderwijs als voor het gespecialiseerd onderwijs. De gedachte hierachter is dat het samenwerkingsverband een integrale afweging kan maken op welke schoolsoort een leerling het best tot zijn of haar recht komt en mogelijk welke ondersteuning daarbij nodig is. Deze bekostiging wordt bepaald op basis van het totaal aantal leerlingen dat is ingeschreven op de scholen die zijn aangesloten bij het samenwerkingsverband.
Bij de doorverwijzing van leerlingen naar het gespecialiseerd onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband. Als een samenwerkingsverband voor een leerling een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) afgeeft, ontvangt de school in het speciaal basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs een vast bedrag, op basis van de categorie van de tlv voor de ondersteuning van de leerling. Het doorverwijzen van leerlingen naar het gespecialiseerd onderwijs leidt dus binnen het samenwerkingsverband tot een lager beschikbaar budget voor ondersteuning van leerlingen in het regulier onderwijs. Het is aan het samenwerkingsverband om te bepalen hoe de resterende bekostiging wordt verdeeld over de ondersteuning in het reguliere onderwijs.
Hoe verklaart u dat volgens onderzoek kinderen in het voortgezet speciaal onderwijs minder vaak een diploma of certificaat ontvangen dan kinderen op het reguliere onderwijs?
In het artikel wordt aangegeven dat leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs minder vaak een startkwalificatie halen dan kinderen in het regulier onderwijs. Een groep leerlingen die in het gespecialiseerd onderwijs zitten is vrijgesteld van de kwalificatieplicht, daarmee is deze voorzichtige conclusie dus niet geheel onverwacht. Tegelijkertijd zijn er sterke signalen dat de kansen van jongeren uit het vso minder gunstig zijn. Dit beeld blijkt ook uit de jaarlijkse Staat van het Onderwijs van de Inspectie van het Onderwijs waarin ieder jaar aandacht wordt gevraagd voor ongunstigere kansen voor leerlingen met een vso-achtergrond op aansluiting op de arbeidsmarkt of bij het behalen van een volledig diploma. Er is meer onderzoek nodig naar deze signalen. Het beeld uit de jaarlijkse Staat van het Onderwijs onderstreept het belang van de ingezette koers naar inclusief onderwijs.
Welk deel van de leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs stroomt door naar een vervolgopleiding?
Gemiddeld stroomt ongeveer de helft van de leerlingen gelijk uit het voortgezet speciaal onderwijs door naar vervolgonderwijs, tussen de 35 en 38 procent daarvan volgt een mbo-opleiding. Net iets meer dan de helft – variërend over de jaren tussen 51 tot 54 procent – stroomt niet of niet gelijk door naar vervolgonderwijs. Sommige van deze jongeren gaan later alsnog door met vervolgonderwijs. Als we specifiek kijken naar de jongeren die het uitstroomprofiel vervolgonderwijs volgen dan stroomt het overgrote deel (56%) door naar het mbo, een klein deel van de leerlingen (4%) door naar het hbo, stroomt een deel van de jongeren door naar het regulier voortgezet onderwijs (12%) of het volwassenonderwijs (2%). Ruim een kwart van deze groep (tussen 21% en 31%) heeft na uitstroom geen inschrijving bij vervolgonderwijs. Van de resterende één procent is niet geregistreerd wat de leerlingen zijn gaan doen.
Het bericht ‘Pleidooi voor AI-richtlijn op scholen: 'Risico's groot, bewustzijn laag'’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het pleidooi van de Algemene Onderwijsbond (AOb) voor een AI-richtlijn op scholen?1
Ja.
Welk inzicht heeft u in het gebruik van artificiële intelligentie (AI) door scholen? Heeft u een overzicht van welke AI-tools worden ingezet door scholen zelf?
In algemene zin hebben we inzicht in het gebruik van AI door scholen en welke tools dat zijn. In de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO, voorheen MYRA) 2023 van Kennisnet, de PO-Raad en de VO-raad is leraren gevraagd naar het gebruik van digitale middelen2. In het primair onderwijs maakte in 2023 63 procent van de leraren gebruik van dashboards waarop de voortgang van leerlingen te volgen is (Snappet, Gynzy, Prowise Learn, Rekentuin) en 40 procent gebruikte adaptieve gepersonaliseerde digitale leermiddelen.3 In het voortgezet onderwijs betrof dit respectievelijk 31 procent en 29 procent van de leraren.4 In de MDO 2025 zal leraren specifiek gevraagd worden of zij AI (apps of toepassingen) bij de lessen en lesvoorbereiding gebruiken en over welke kennis en vaardigheden zij op dit terrein beschikken
Heeft u inzicht in de manier waarop door leerlingen gebruik wordt gemaakt van AI voor het maken van werkstukken en huiswerkopdrachten en hoe scholen hiermee omgaan?
Ik heb geen inzicht in de manier waarop leerlingen thuis gebruik maken van AI voor het maken van werkstukken en huiswerkopdrachten.
Op welke wijze heeft AI een plek in de nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid? Wanneer zijn deze definitief verankerd?
Begin maart 2024 heeft de SLO de conceptkerndoelen digitale geletterdheid opgeleverd. In deze concepten is AI expliciet opgenomen. Momenteel worden de kerndoelen op scholen beproefd op bruikbaarheid en wordt geëvalueerd hoe goed ze aansluiten bij de praktijk. Daarnaast zal dit najaar de wetenschappelijke Curriculumcommissie een advies uitbrengen over de conceptkerndoelen.
In oktober ontvangt uw Kamer een brief waarin wordt toegelicht hoe hier invulling aan wordt gegeven.
Vindt u het goed dat leerlingendata terechtkomt in handen van grote AI-bedrijven? Hoe verhoudt dit zich tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en wat gaat u hieraan doen?
Ik vind het belangrijk dat de (digitale) veiligheid en privacy van de onderwijsomgeving van leerlingen en onderwijspersoneel geborgd is. Het is in de eerste plaats aan de schoolbesturen om hun (digitale) onderwijs vorm te geven, en daarbij te kiezen of, en zo ja welke, AI-producten ze hierbij inzetten. AI kan het onderwijs ondersteunen, mits bewust gekozen en verantwoord toegepast. De handreiking AI van Kennisnet biedt handvatten om te zorgen voor sociale veiligheid en een pedagogisch klimaat bij AI op school.5 Daarnaast is het van groot belang dat de persoonsgegevens van leerlingen bij het gebruik van AI-systemen goed worden beschermd. De website Aanpak IBP van Kennisnet helpt scholen om de AVG goed na te leven. Relevant is onder meer dat de school een verwerkersovereenkomst afsluit met de leverancier van het AI-systeem waarin contractueel wordt vastgelegd dat de leverancier de gegevens alleen mag gebruiken voor de doelen die de school aangeeft. Ook is de school in de meeste gevallen verplicht om een data protection impact assessment (DPIA ofwel een privacyonderzoek) uit te voeren als in een AI-systeem persoonsgegevens worden verwerkt, waarmee de privacyrisico’s in kaart worden gebracht en maatregelen genomen worden om deze te beperken. Omdat dit voor scholen intensief en tijdrovend kan zijn, voeren de ICT-coöperaties SURF en SIVON namens de onderwijssector DPIA’s uit op digitale producten die in het onderwijs gebruikt worden. Dat doen ze niet alleen bij Nederlandse aanbieders, maar ook voor grote internationale bedrijven zoals Google en Microsoft. In dit kader zijn afspraken gemaakt met onder andere Zoom, Google en Microsoft over het beschermen van de privacy van leerlingen, studenten en medewerkers. Ik bevorder via het Programma Digitaal Veilig Onderwijs dat SIVON ook DPIA’s kan uitvoeren op andere digitale producten die in het funderend onderwijs worden gebruikt.
Denkt u dat leerkrachten en scholen voldoende toegerust zijn om AI veilig in te zetten en de inzet ervan door leerlingen te herkennen en te bespreken?
Ik vind het belangrijk dat het onderwijs AI op een doordachte en verantwoorde manier toepast, met aandacht voor publieke waarden zoals privacy en kansengelijkheid en dat leraren bewuste en weloverwogen keuzes kunnen maken over het gebruik van AI. Leraren moeten de technologie kunnen gebruiken, en begrijpen hoe AI-systemen werken, wat hun beperkingen zijn en welke ethische vraagstukken daarbij komen kijken. Dit vraagt van leraren dat zijzelf ook digitaal vaardig zijn.
Daarom ondersteun ik leraren op verschillende manieren bij de inzet van AI in het onderwijs. Er zijn concrete handvatten beschikbaar, zoals de handreiking AI in het onderwijs van Stichting Kennisnet die scholen helpt verantwoorde keuzes te maken rondom AI, met richtlijnen voor beleid en professionalisering. En er is de gratis online AI-cursus van de Nederlandse AI-coalitie voor docenten in het primair en voortgezet onderwijs. Het Expertisepunt Digitale Geletterdheid biedt daarnaast ondersteuning aan het po, vo, s(v)o en mbo. Tot slot werken we samen met Vlaanderen aan digitale professionalisering voor leraren. We gaan samen onderzoeken hoe we leraren op slimme manieren beter kunnen ondersteunen bij het aanleren van digitale vaardigheden.
Bent u bekend met het bericht «Meer kennis algoritmen nodig op scholen, «anders risico op discriminatie»»?2
Ja.
Deelt u de zorgen van het College voor de Rechten van de Mens over dat de inzet van adaptieve leermiddelen kan leiden tot kansenongelijkheid?
Ik ben het met het College eens dat het van belang is dat systemen die gebruikt worden in het onderwijs niet leiden tot uitsluiting of discriminatie. Kinderen mogen nooit de dupe worden van discriminatie, ook niet wanneer die impliciet in algoritmes is ingebouwd. Hoewel de onderzoekers aangeven dat er op dit moment geen concrete voorbeelden te vinden zijn van discriminatie of uitsluiting door algoritmes in het funderend onderwijs, is het ook in de toekomst van belang dat dit geen plaats krijgt in de (digitale) onderwijssystemen. Daartoe is recent de nieuwe AI-verordening in werking getreden. Deze Europese wet stelt verdere grenzen aan de toepassing van algoritmes in het onderwijs. Zo wordt het gebruik van een aantal typen AI en algoritmes ingedeeld in de hoog-risico-categorie, waarin extra eisen zijn opgenomen. Systemen die zich richten op onder andere toelating tot het onderwijs of het beoordelen van een passend onderwijsniveau vallen in deze categorie. Als onderwijsinstellingen deze systemen willen inzetten, dienen zij aanvullende maatregelen te treffen om te voorkomen dat gebruik van deze systemen kansenongelijkheid in de hand werkt.
Op welke wijze wordt toezicht gehouden op de algoritmes van programma’s zoals Snappet, Gynzy en andere lesmethoden?
Op Europees niveau biedt de recent geïntroduceerde AI-verordening een juridisch kader om ervoor te zorgen dat AI-systemen veilig en ethisch worden ingezet. De komende tijd zal ik samen met de onderwijssector verkennen hoe we de maatregelen binnen de AI-verordening het beste kunnen vormgeven.
Op nationaal niveau speelt het Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI) een belangrijke rol in het waarborgen van de kwaliteit, kansengelijkheid en de regie van leraren in de verantwoorde ontwikkeling en toepassing van AI in het onderwijs. Zo maakt NOLAI in het wetenschappelijk programma de pedagogische, maatschappelijke en sociale gevolgen van intelligente technologie in onderwijs inzichtelijk. In het onlangs gepubliceerde referentiekader wordt de werkwijze van het Onderwijslab uitgelegd.7 Daarnaast biedt het opschalingsplan van NOLAI waardevolle inzichten in de integratie van AI-producten in het onderwijs, waarbij de visie van scholen en de vaardigheden van leraren centraal staan. Leraren worden uitgerust met de benodigde kennis en tools om AI op een verantwoorde en effectieve manier in hun onderwijspraktijk te integreren en zorgt voor een duurzame en brede implementatie van AI-producten in het funderend onderwijs.
Hoe gaat u transparantie, uitlegbaarheid en de eerlijkheid van deze algoritmes waarborgen?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u inzicht in hoeveel scholen zelfstandig richtlijnen of beleid hebben opgesteld voor het gebruik van AI?
Ik vind het belangrijk dat scholen bewuste en verantwoorde keuzes maken over het gebruik van AI op basis van een AI-beleid dat past bij de visie op onderwijs en de kernwaarden van de school. Scholen kunnen hiervoor gebruikmaken van het Vier-in-balans model8 en de Handreiking AI in het onderwijs9 van Kennisnet. In de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 zullen onder meer vragen worden opgenomen over visie en beleid van het schoolbestuur omtrent AI, en of de school richtlijnen heeft over verantwoord gebruik van AI in de klas.
Bent u bereid om in gesprek te gaan samen met de AOb en scholen die vooroplopen als het gaat om AI-beleid om lessen te trekken voor een eventuele landelijke richtlijn?
In onze huidige digitale maatschappij, waar technologische innovaties zich snel ontwikkelen, is het noodzakelijk dat we scholen ondersteunen bij de doordachte inzet en gebruik van AI in de klas. In het kader van de gesprekken die ik zal voeren met de onderwijssector over de AI-verordening en hoe we de maatregelen en het toezicht daarop vormgeven, ga ik graag in gesprek met de AOb, de andere onderwijspartners en scholen. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat er al op verschillende manieren ondersteuning wordt geboden aan schoolbestuurders, schoolleiders en leraren. Door inzichten te bundelen kunnen we de samenwerking tussen alle betrokken partijen versterken.
Bent u bereid om samen met de AOb de handschoen op te pakken voor een richtlijn voor AI in de klas? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Het bericht 'Kinderen voor wie geen plaats is op school zijn een goudmijn voor slimme ondernemers' |
|
Nico Uppelschoten (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen voor wie geen plaats is op school zijn een goudmijn voor slimme ondernemers» van Follow the Money?1
Ja.
Was u en bent u ermee bekend dat er bij veel van thuiszittersinitiatieven onbewezen en alternatieve methodes ingezet worden die op zijn minst ineffectief zijn, maar die mogelijk ook schadelijk zijn voor de leerlingen? Zo ja, wat is uw reactie hierop en hoe wordt hierop ingegrepen?
Ons uitgangspunt is dat ieder kind mee moet kunnen doen in het onderwijs, ook als er extra ondersteuning of hulp nodig is. Scholen en samenwerkingsverbanden helpen kinderen die thuiszitten om terug naar school te gaan. De onderwijsinspectie houdt toezicht op scholen en samenwerkingsverbanden.
Het is goed dat voor alle leerlingen een passende plek wordt gezocht waar zij zich naar hun eigen vermogen kunnen ontwikkelen en uiteraard is het belangrijk dat het onderwijsaanbod kwalitatief goed is. Dat is in principe een plek binnen het formeel – bekostigd – onderwijs, juist omdat er dan toezicht is en het aanbod valt onder verantwoordelijkheid van de school.
In sommige gevallen is het (tijdelijk) niet mogelijk om een plek in het onderwijs te vinden. Ouders vinden dan soms een plek bij dagbesteding of in de jeugdhulpverlening, vaak gericht op terugkeer naar het onderwijs.
Dit soort initiatieven – die zich meer richten op het welzijn van thuiszittende leerlingen – werken vaak binnen het kader van de Jeugdwet. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is dan de aangewezen partij om in te grijpen wanneer de kwaliteit en veiligheid van jeugdhulp in het geding is.
Duidelijk is dat juist voor kinderen en jongeren die al langere tijd thuiszitten – en via een specifiek aanbod weer tot ontwikkeling kunnen komen (vaak een eerste stap op weg naar schoolinschrijving) – het van groot belang is dat dit aanbod van goede kwaliteit is en dat zij een passende en veilige plek hebben om te werken aan hun ontwikkeling.
Tot slot werkt het Kabinet aan een wetsvoorstel om de mogelijkheden voor maatwerk – ook op het snijvlak van onderwijs en zorg – te vergroten, zodat vaker en liefst altijd een goede en passende plek binnen het formele onderwijs georganiseerd kan worden.
Hoe waarborgt u dat thuiszittersinitiatieven zullen gaan voldoen aan minimale kwaliteitseisen, gezien het gebrek aan toezicht en betrokkenheid van personen zonder kwalificaties?
Scholen werken samen met samenwerkingsverbanden om voor iedere leerling die extra ondersteuning nodig heeft onderwijs te regelen of om kinderen die thuiszitten weer terug naar school te krijgen. De inspectie houdt toezicht op scholen en samenwerkingsverbanden. In dit toezicht onderzoekt de inspectie of het samenwerkingsverband voldoende doet om thuiszitten te voorkomen en terug te dringen. Daarbij hoort ook toezicht op de kwaliteit van bovenschoolse voorzieningen, gericht op het terugdringen van langdurig verzuim of het voorkomen van schooluitval.
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven bestaan er echter ook initiatieven waar geen toezicht op is. Het gaat hierbij om particuliere initiatieven die geen bekostiging vanuit het Ministerie van OCW ontvangen. Indien het gaat om jeugdhulpverlening, is sprake van toezicht door de IGJ.
Welke maatregelen worden genomen om misbruik van publieke middelen te voorkomen door ondernemers die thuiszittersinitiatieven opzetten?
Het Ministerie van OCW werkt momenteel, samen met het Ministerie van VWS aan een wetsvoorstel, waardoor het voor scholen en samenwerkingsverbanden makkelijker wordt om binnen de kaders van de wet en met het daarbij behorende toezicht, zelf maatwerkoplossingen op het snijvlak van onderwijs en zorg te organiseren.
Overweegt u aanvullende wet- of regelgeving om ervoor te zorgen dat thuiszittersinitiatieven voldoen aan zowel onderwijskundige als zorgstandaarden? Zo ja, welke tijdslijnen worden hiervoor gehanteerd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel – zie ook het antwoord op vraag 4 – dat naast de ruimte voor maatwerk vergroot, ook nadere eisen stelt aan scholen en samenwerkingsverbanden bij het bieden van maatwerk. De verwachting is dat leerlingen op deze manier beter binnen het reguliere stelsel geholpen worden, en dat scholen en samenwerkingsverbanden verantwoording afleggen.
Daar waar het gaat om initiatieven die bekostigd worden vanuit de Jeugdwet – omdat zorg nodig is en onderwijs deels of geheel (tijdelijk) niet mogelijk is – zijn de kwaliteitseisen, zoals gesteld binnen de Jeugdwet van toepassing. Het gaat dan om landelijke kwaliteitseisen en eisen met betrekking tot de veiligheid, gezondheid en rechtspositie van het kind.
Het bericht 'Gebruik laptop op veel scholen verplicht, lang niet elke ouder kan dat betalen' |
|
Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gebruik laptop op veel scholen verplicht, lang niet elke ouder kan dat betalen»1?
Ja.
Hoe reflecteert u op het groeiende aantal ouders dat een aanvraag doet bij een particuliere organisatie, zoals Stichting Leergeld, omdat zij schoolspullen voor hun kinderen niet kunnen betalen en hoe reflecteert u op het feit dat het groeiende aantal vooral laptops betreft?
Ieder kind in Nederland dient goed onderwijs te krijgen. Scholen in het primair en voortgezet onderwijs ontvangen hiervoor bekostiging, waar zij onder andere leermiddelen van aanschaffen. Scholen maken in toenemende mate gebruik van digitaal lesmateriaal waar een device voor nodig is. Met name in het voortgezet onderwijs is dit het geval, zo blijkt uit de meest recente evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken.2 Als ouders een laptop niet kunnen of willen betalen moet de school zorgen voor een volwaardig alternatief. De school kan ouders daarnaast wijzen op specifieke financieringsmogelijkheden, bijvoorbeeld via Stichting Leergeld of regelingen van gemeenten. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de school in de basis voorziet en dat de ondersteuning van deze organisaties aanvullend is.
Er zijn mij op dit moment geen signalen bekend dat leerlingen geen toegang hebben tot het onderwijs vanwege het ontbreken van een device. Samen met het Ministerie van SZW zoek ik dit conform motie-De Hoop3 nader uit. Met een onderzoek breng ik in beeld welke regelingen er, publiek en privaat georganiseerd, in gemeenten zijn en of alle leerlingen in het funderend onderwijs over een device kunnen beschikken voor het volgen van onderwijs. Over de uitkomsten van dit onderzoek informeer ik de Kamer dit najaar.
Vindt u dat sprake is van kansengelijkheid in het onderwijs als blijkt dat een groeiend aantal ouders de kosten van (digitale) leermiddelen niet kan opbrengen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het aanvaardbaar dat particuliere organisaties moeten bijspringen om kinderen te voorzien in schoolspullen die nodig zijn om onderwijs te volgen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat laptops of andere digitale leermiddelen als essentieel leermiddel kunnen worden aangemerkt, nu zoveel scholen deze verplichten? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat laptops of andere devices op steeds meer scholen essentieel zijn voor het volgen van onderwijs. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat scholen de aanschaf van laptops of vergelijkbare digitale leermiddelen door ouders niet verplicht stellen. Als ouders een laptop niet kunnen of willen betalen moet de school zorgen voor een volwaardig alternatief of kan de school verwijzen naar andere vormen van ondersteuning.
Is er inzicht in hoeverre scholen die laptops voorschrijven deze ook zelf aan de leerlingen leveren en zo ja, treedt u op tegen scholen die ouders gedeeltelijk of geheel voor de kosten op laten draaien? Zo nee, waarom niet?
Voor schooljaar 2020–2021 is met de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken in kaart gebracht dat iets meer dan tien procent van de scholen een device zelf beschikbaar stelt aan leerlingen. De meerderheid van de scholen vraagt ouders om een vrijwillige bijdrage. Zij stellen dit niet verplicht. De Inspectie van het Onderwijs ziet er signaalgestuurd op toe dat scholen zich houden aan de regels rondom de vrijwillige ouderbijdrage.
Snapt u de frustratie van ouders als ze enerzijds een laptop moeten aanschaffen voor school en anderzijds zien dat er elk jaar veel schoolboeken worden weggegooid, omdat ze maar één jaar meegaan?
Ja, de frustratie van ouders hierover is begrijpelijk. Tegelijkertijd is het lesmateriaal steeds vaker digitaal en worden papieren schoolboeken minder gebruikt. Uit het oogpunt van doelmatige besteding van middelen en duurzaamheid en, moedig ik scholen aan om hun leermiddelenbeleid en inkoopproces goed op hun leermiddelengebruik af te stemmen. De coöperatie SIVON heeft een handreiking opgesteld om scholen en leveranciers te ondersteunen om duurzame keuzes te maken ten aanzien van hun leermiddelen.4 Ik roep aanbieders op om scholen voldoende duurzame keuzemogelijkheden te bieden.
Vindt u ook dat het weggooien van schoolboeken eigenlijk niet meer kan in een samenleving waar we zoveel mogelijk proberen te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u voornemens om digitale leermiddelen onder de Wet Gratis Schoolboeken te laten vallen? Zo nee, waarom niet?
Digitale leermiddelen vallen reeds onder de Wet Gratis Schoolboeken (WGS). Devices vallen niet onder de definitie van gratis leermiddelen volgens de WGS, omdat dit elektronische informatiedragers zijn en geen leermiddelen. Ik heb geen voornemens om devices onder de WGS te laten vallen. Dat zou bovendien structureel aanvullende middelen vragen (€ 201 mln. voor het voortgezet onderwijs, € 516 mln. voor primair en voortgezet onderwijs). Hier is geen budgettaire ruimte voor.
De herkansingsperiode voor leerlingen op het Voortgezet Speciaal Onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de herkansingsperiode voor leerlingen op het Voortgezet Speciaal Onderwijs soms nog tot begin september loopt, terwijl de uiterste aanmeld- of wijzigingstermijn voor een vervolgopleiding 31 augustus is?
Ja.
Bent u bekend met de signalen die onder meer worden gedeeld door het Leerlingenbelang-VSO (LBVSO) over jongeren die zich niet kunnen inschrijven voor hun vervolgopleiding omdat ze nog niet in de gelegenheid zijn gesteld hun herexamen te maken?
Ja.
Welke afspraken zijn gemaakt om ervoor te zorgen dat leerlingen die hun herkansing begin september hebben (en dan hun diploma halen) zich net als andere leerlingen kunnen inschrijven voor de opleiding van hun voorkeur?
Herkansingen vinden zo veel mogelijk plaats vóór 1 september, zodat v(s)o-leerlingen tijdig hun diploma kunnen ontvangen en aan hun vervolgopleiding kunnen beginnen. Voor vso-leerlingen die eindexamen doen via het staatsexamen zijn de herkansingen doorgaans begin september, op hun eigen vso-school. Als zij hierdoor in de problemen komen met de doorstroom naar het vervolgonderwijs, is het mogelijk om een verplaatsingsverzoek in te dienen, zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Vanwege de planning van de staatsexamens en de daarvoor benodigde examenbetrokkenen is het tot nog toe onhaalbaar om álle herkansingen (en uitgestelde examens) eind augustus te hebben afgerond. Ik vind dat ook heel onwenselijk. Voor 2025 en verder geef ik de examenketen de opdracht om het mogelijk te maken voor de specifieke groep leerlingen die willen doorstromen naar het hbo en wo hun herkansingen af te leggen vóór 1 september en om daarvoor voldoende examenbetrokkenen te werven, zie verder mijn antwoord op vraag 9.
Voor het inschrijven in het hbo en wo geldt voor álle aspirant-studenten hetzelfde: dit kan zodra zij aan de toelatingsvoorwaarden voldoen1. Als een aspirant-student vóór 1 september nog niet voldoet aan alle voorwaarden, bijvoorbeeld doordat hij nog een herkansing moet maken, mag hij dus (nog) niet worden ingeschreven. Dit mag zodra hij zijn diploma heeft behaald en daarmee aan de toelatingsvoorwaarden voldoet.
De wet stelt verder geen voorwaarden aan de datum van inschrijving; in principe mogen hogescholen en universiteiten studenten dus gedurende het hele jaar inschrijven (mits zij aan de toelatingseisen voldoen). Aspirant-studenten die dit jaar mogelijk in de problemen zijn gekomen door te late herkansingen kunnen altijd contact opnemen met de instelling om te vragen naar mogelijkheden rondom late inschrijvingen. Uit het contact met de koepelorganisaties Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) blijkt dat instellingen veelal pragmatisch handelen. Daar waar het niet mogelijk is om de aspirant-student na 1 september in te schrijven, heeft dat vaak te maken met organisatorische redenen (zie daarvoor ook het antwoord op vraag 6). Ik spreek de verwachting uit dat, daar waar mogelijk, universiteiten en hogescholen begripvol zullen omgaan met aanmeldingen van aspirant-studenten uit het vso die vanwege de herkansingen na 1 september niet tijdig hun diploma behalen.
Hoe zijn deze afspraken gecommuniceerd naar leerlingen, onderwijsinstellingen en ouders?
Vso-scholen worden elk jaar op de vso-voorlichtingsdagen van het staatsexamen (september/oktober) voorgelicht over de examinering en alles wat daarbij komt kijken. Op basis van de signalen die ik dit jaar heb ontvangen, moet ik helaas constateren dat de informatie over (de planning van) de herkansingen en de mogelijke gevolgen voor de doorstroom naar het vervolgonderwijs misschien onvoldoende bekend is geweest. Ik zal de communicatie op dit punt dan ook verbeteren, samen met de examenketen. Het gaat hierbij om betere voorlichting aan de vso-scholen, maar zeker ook aan de vso-leerlingen zelf en hun ouders/verzorgers (zie verder het antwoord op vraag 9).
Welke begeleiding of ondersteuning krijgen leerlingen hierbij?
Vso-leerlingen (en hun ouders/verzorgers) die vragen hebben over de planning van de herkansingen kunnen zich richten tot hun vso-school. Voor leerlingen die door de planning van herkansingen mogelijk in de problemen komen bij de start van hun vervolgopleiding kan de vso-school nagaan of het mogelijk is om de herkansing(en) af te leggen op de centrale afnamelocatie (dit jaar waren deze op 29, 30 of 31 augustus). Dit beoordeelt de vso-school in overleg met de locatievoorzitter van het staatsexamen. Dergelijke verzoeken kunnen al worden ingediend vanaf het moment dat bekend is dat de leerling een vak moet herkansen. Daarnaast is het ook mogelijk om pas later, wanneer het herkansingsrooster bekend is (dit jaar rond 20 augustus), een verzoek tot verplaatsing naar de centrale afnamelocatie in te dienen. Aan veel van deze verzoeken kon gehoor worden gegeven.
Voor de leerlingen die vanwege omstandigheden niet in staat zijn om de herkansing te doen op een centrale locatie en waarvoor een afname op de eigen school passender is, is het vooralsnog in beperkte mate mogelijk geweest om de herkansingen te verplaatsen naar een moment vóór 1 september. Dat dit niet altijd mogelijk was, heeft te maken met het moment waarop de verzoeken werden ingediend en de beperkte mogelijkheden om hiervoor examenbetrokkenen te regelen.
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 3 en 4 geef ik de examenketen de opdracht om het mogelijk te maken voor de specifieke groep leerlingen die willen doorstromen naar het hbo en wo hun herkansingen af te leggen vóór 1 september en om daarvoor voldoende examenbetrokkenen te werven; en ben ik daarnaast voornemens om de communicatie over (de planning van) de herkansingen te verbeteren. Zie voor meer toelichting hierop het antwoord op vraag 9.
Bent u het ermee eens dat in het kader van kansengelijkheid, maar ook in het verlengde van (internationale) afspraken, zoals bijvoorbeeld het VN-verdrag Handicap, deze leerlingen net zoveel recht hebben als anderen op het beginnen met een vervolgopleiding en dus niet geweigerd mogen worden?
Ik ben het ermee eens dat deze aspirant-studenten net zo veel recht hebben als andere aspirant-studenten om te mogen beginnen aan een vervolgopleiding. Net als alle andere aspirant-studenten moeten zij daarvoor voldoen aan de toelatingsvoorwaarden van het hbo en wo2. Voldoen zij daar (nog) niet aan, dan kunnen zij (nog) niet worden ingeschreven. Wél mogen de onderwijsinstellingen deze aspirant-studenten op een later moment in het studiejaar inschrijven en laten beginnen aan hun opleiding, zodra zij voldoen aan de voorwaarden. Of dat ook kán is aan de instellingen zelf: zij stellen zelf de precieze regels vast voor de procedure van inschrijving3, waaronder of inschrijving ná 1 september mogelijk is.
Dat hogescholen en universiteiten doorgaans een uiterlijke inschrijfdatum hanteren heeft onder meer te maken met de vele praktische zaken die ermee samenhangen, zoals het organiseren van de introductie, het indelen van werkgroepen, het koppelen van een student aan studiebegeleiding. Daarnaast is de inhoud van het onderwijsprogramma ook relevant; studenten die later instromen beginnen immers met een (kleine) achterstand. Het is aan instellingen zelf om te bepalen hoe ze hiermee omgaan. Dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de aspirant-student en de vervolgopleiding. Aspirant-studenten die vragen hebben over de mogelijkheden voor een late inschrijvingen, kunnen altijd contact opnemen met hun toekomstige onderwijsinstelling, zoals ook aangegeven in het antwoord vraag 3. Daarbij spreek ik de verwachting uit dat universiteiten en hogescholen hier begripvol mee zullen omgaan.
Naast het bovenstaande zie ik mogelijkheden om voor de specifieke groep vso-leerlingen over wie het hier gaat (havo/vwo, staatsexamen, directe doorstroom naar hbo- of wo-opleiding) de herkansingen vóór 1 september te laten plaatsvinden. Zie voor meer toelichting het antwoord op vraag 9.
Zo ja, gaat u met leerlingen en het LBVSO regelen dat alle leerlingen die begin september slagen voor hun herexamens, zich kunnen inschrijven en dus ook kunnen starten met een vervolgopleiding?
In de zomermaanden hebben verschillende vso-scholen verzoeken ingediend om herkansingen te verplaatsen naar de centrale afnamelocatie, zodat leerlingen niet in de knel zouden komen met hun inschrijving in het vervolgonderwijs. Voor veel van die leerlingen bleek een verplaatsing mogelijk (met het oog op zowel de specifieke situatie van de leerling als de capaciteit van het staatsexamen). Helaas bleek dit niet voor iedereen een (geschikte) oplossing, en zijn er dus enkele leerlingen die hun herkansing begin september hebben moeten maken. Zij kunnen altijd contact opnemen met hun toekomstige onderwijsinstelling om te vragen naar de mogelijkheden rondom latere inschrijving (zie ook het antwoord op vraag 3).
Zoals aangekondigd in het antwoord op vraag 3 worden er voor 2025 en verder afspraken gemaakt met de examenketen over de mogelijkheden om de herkansingen van deze specifieke groep leerlingen vóór 1 september te laten plaatsvinden, zodat problemen bij de doorstroom naar het vervolgonderwijs zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen.
Bent u het er ook mee eens dat deze planning nadelig is voor leerlingen omdat ze op deze manier introductieweken en andere kennismakingsactiviteiten missen terwijl de overstap naar een vervolgopleiding een grote stap is? Zo ja, wat wordt er gedaan om te zorgen dat deze jongeren zo snel mogelijk aansluiting vinden bij de opleiding en studiegenoten?
Ja, het is onwenselijk als aspirant-studenten introductieweken en andere kennismakingsactiviteiten missen. Vandaar ook dat in het vervolg wordt nagestreefd dat herkansingen voor leerlingen die het vo-diploma nodig hebben voor hun doorstroom naar het hoger onderwijs, worden ingepland vóór 1 september. Daarmee vergroten we hun mogelijkheden om deel te nemen aan deze activiteiten.
Welke afspraken gaat u maken om dit gedoe in de toekomst te voorkomen?
Zoals aangegeven in enkele van de voorgaande antwoorden geef ik de examenketen de opdracht om de herkansingen van deze specifieke groep leerlingen (havo/vwo, die direct willen doorstromen naar een hbo- of wo-opleiding) in te plannen vóór 1 september in de situaties waarin dat noodzakelijk is voor een probleemloze doorstroom naar het vervolgonderwijs. Voor de vso-leerlingen voor wie het afleggen van een herkansing op een centrale locatie géén mogelijkheid is, zal indien nodig aan de vso-scholen worden gevraagd om de school vóór 1 september beschikbaar te stellen zodat deze leerlingen op de eigen school de herkansing kunnen doen. Om dit mogelijk te maken, zullen extra examinatoren beschikbaar moeten zijn. Ik geef de examenketen dan ook de opdracht om ervoor te zorgen dat deze geworven worden.
Tot slot zet ik met de examenketen in op betere communicatie naar zowel examenbetrokkenen, vso-scholen als vso-leerlingen en hun ouders/verzorgers over de planning van herkansingen en de mogelijkheden om een herkansing te verplaatsen op het moment dat deze leidt tot problemen met de doorstroom naar het vervolgonderwijs. Hierdoor probeer ik ook te voorkomen dat leerlingen onnodige stress ervaren zodra de herkansing zorgt voor problemen bij de doorstroom naar hbo- of wo-opleidingen.
Bent u bereid om deze vragen met de hoogste spoed te beantwoorden om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen voor deze leerlingen en hun belangenbehartigers?
Ja.
Het bericht 'Bulgaria’s new anti-LGBTQ+ law is official. Opponents beg EU to take action' |
|
Bente Becker (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bulgaria’s new anti-LGBTQ+ law is official. Opponents beg EU to take action»?1
Ja.
Bent u het eens dat deze Bulgaarse wet in strijd is met de beginselen van de Europese Unie inzake non-discriminatie en gelijkheid?
Op 7 augustus jl. heeft het Bulgaars parlement een amendement op de onderwijswet aangenomen. Dit omvat een verbod op «propaganda» van «niet-traditionele seksuele gerichtheid» en «alternatieve genderidentiteiten» in en om scholen. Het kabinet acht de aanname van dit amendement een zorgelijke ontwikkeling die een negatieve impact heeft op kinderen en lhbtiq+-personen. Het is nu primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te beoordelen of de wetswijziging in strijd is met het Unierecht. Nederland dringt er bij de Commissie op aan dit spoedig te doen. De Commissie heeft Bulgarije reeds om opheldering verzocht.
Wat is het Nederlandse standpunt over de zorgelijke toename van dergelijke anti-LHBTIQA+ wetten binnen Europa?
Nederland staat voor de bescherming en de bevordering van de Europese fundamentele rechten en Europese waarden. Het kabinet maakt zich zorgen over de toename van gerichte anti-lhbtiq+ wetten en wetswijzigingen die in de afgelopen jaren in EU-lidstaten zijn voorgesteld en geïntroduceerd.
Welke stappen onderneemt Nederland binnen de Europese Unie (EU) om dergelijke wetten, die als discriminerend beschouwd kunnen worden, aan te kaarten? Welke tools heeft Nederland tot haar beschikking om dit aan te kaarten? Mist u tools om Nederland een stem te geven om dit soort wetten aan te kaarten?
Nederland zal, in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten, zorgen over de wetswijziging bilateraal en in EU-verband aankaarten. Het is nu primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te beoordelen of de wetswijziging in strijd is met het Unierecht. Nederland dringt er bij de Commissie op aan dit spoedig te doen. Mocht EU-wetgeving overtreden worden, dan is het aan de Commissie om passende maatregelen te treffen met alle middelen die zij tot haar beschikking heeft, zoals het starten van een inbreukprocedure.
Welke stappen worden er door Nederland ondernomen in Europa om de LHBTIQA+ gemeenschap in Europa te beschermen tegen dergelijke discriminerende wetgeving?
Nederland ondersteunt de lhbtiq+ gemeenschap in de EU op verschillende manieren. Zo spreekt Nederland regelmatig steun uit voor gelijke rechten van lhbtiq+ personen, bijvoorbeeld via deelname aan Pride-evenementen of via publieke verklaringen. Ook steunt Nederland de Europese Commissie bij het toezien op de naleving van EU-wetgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van discriminatie. Daarnaast brengt Nederland bilateraal zorgen over als daar aanleiding toe is. Nederland steunt ook lhbtiq+ organisaties in Nederland en in andere lidstaten, waaronder financieel, en zal dit blijven doen.
Heeft u al op enig moment contact gehad met Bulgarije, via de Bulgaarse ambassade hier in Nederland of via de Nederlandse ambassade in Bulgarije, over deze wet? Zo ja, wat was de uitkomst hiervan? Zo niet, bent u van plan dit te doen?
Nederland heeft via de ambassade en de mensenrechtenambassadeur na aanname van de wetswijziging publiekelijk zorgen uitgesproken over de wetswijziging, daarbij steun aan de lhbtiq+ gemeenschap in Bulgarije uitgesproken en herbevestigd dat Nederland voor gelijke rechten voor iedereen staat. Ook in de Raad van Europa zijn deze zorgen uitgesproken. Nederland zal op korte termijn de zorgen over de wetswijziging zowel bilateraal als in EU-verband nader aankaarten. Het is nu primair aan de Europese Commissie, als hoedster van de Verdragen, om te beoordelen of de wetswijziging in strijd is met het Unierecht. Nederland dringt er bij de Commissie op aan dit spoedig te doen.
Overweegt u beiden om samen met andere EU-lidstaten met een gezamenlijke verklaring tegen deze wet te komen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om dit onderwerp aan te kaarten tijdens de volgende bijeenkomst in Europa? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier kan de Staatssecretaris van emancipatie bijdragen aan het versterken van de rol van maatschappelijke organisaties die strijden tegen LHBTIQA+ discriminatie in Bulgarije?
De Ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Buitenlandse zaken werken nauw samen op de inzet voor gendergelijkheid en gelijke rechten van lhbtiq+ personen in de Europese Unie. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap subsidieert daarnaast de Europese koepelorganisaties TGEU, ILGA Europe en IGLYO.2 Zij ondersteunen lhbtiq+ organisaties in onder andere Bulgarije.
Lopen er op dit moment Nederlandse projecten in Bulgarije omtrent de LHBTIQA+ gemeenschap?
Ja.