De uitrol van 5G |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het essay van prof. John Wiliam Frank in de Journal of Epidemiology & Community Health waarin hij pleit voor betere toepassing van het voorzorgsprincipe bij de uitrol van 5G?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u zijn constatering dat er steeds meer bewijs is dat blootstelling aan hoogfrequente elektromagnetische velden behorend bij de uitrol van 5G mogelijk negatieve biologische effecten heeft?
De conclusies en adviezen in dit artikel komen niet overeen met die van de collectieven van wetenschappelijke experts (zoals de WHO, ICNIRP en de Gezondheidsraad) die de onderzoeksliteratuur systematisch beoordelen en die ik voor de beleidsvorming als uitgangspunt neem.
Hoe waardeert u de constatering dat de advisering door en de richtlijnen van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection/World Health Organization zich ten onrechte beperken tot de thermische effecten van elektromagnetische straling?
De stelling dat de onafhankelijke internationale wetenschappelijke organisatie «bewijzen voor niet-thermische effecten negeert» is onjuist. Om gezondheidsschade van sterke elektromagnetische velden te voorkomen heeft ICNIRP, de door de WHO erkende internationale commissie die zich bezighoudt met de bescherming tegen mogelijke gezondheidseffecten van niet-ioniserende straling, blootstellingslimieten opgesteld voor radiofrequente elektromagnetische velden. Deze limieten beschermen (ruim) tegen opwarmingsschade aan het lichaam door een te hoge blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden.2 De blootstellingslimieten zijn vijftig keer lager dan het niveau waarbij in onderzoek gezondheidseffecten optraden.3 De limieten zijn door ICNRIP vastgesteld op basis van alle beschikbare wetenschappelijke onderzoeken naar allerlei denkbare mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan elektromagnetische velden. Alleen de schadelijke effecten op de gezondheid als gevolg van overmatige opwarming worden als voldoende bewezen geacht om daarvan blootstellingslimieten af te leiden. De blootstellingslimieten van ICNIRP zijn overgenomen in de aanbevelingen door de Raad van de Europese Unie met het oog op de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden4 en worden ook toegepast bij het voldoen aan de productveiligheidseisen voor apparatuur die in de handel wordt gebracht.5 Nederland hanteert, net als veel andere EU-lidstaten, deze blootstellingslimieten. De website van ICNIRP vermeldt dat zij wordt gefinancierd door nationale en publieke instellingen en een streng beleid van transparantie en onafhankelijkheid hanteert. Alle financiën van ICNIRP, inclusief donaties, zijn openbaar, evenals de persoonlijke belangen van de leden.6
ICNIRP doet uitvoerig meta-onderzoek op het gebied van elektromagnetische velden en gezondheid.7 In maart 2020 zijn deze limieten laatstelijk bevestigd en gepreciseerd op basis van de actuele stand van de wetenschap.8 ICNIRP heeft in de nieuwe blootstellingslimieten extra rekening gehouden met het gebruik van hogere frequenties ten behoeve van nieuwe technologieën (zoals 5G) en heeft om de gezondheidsbescherming verder te borgen nieuwe eisen toegevoegd ter limitering van de temperatuurstijging in het lichaam.9 Uit zeer uitvoerige meta-analyse van ICNIRP blijkt dat er geen wetenschappelijke basis is om te concluderen dat er bij blootstelling aan deze elektromagnetische velden met veldsterktes ónder deze limieten gezondheidsschade optreedt.10 ICNIRP heeft daarbij rekening gehouden met de wetenschappelijke kwaliteit en de onzekerheden van de door hen beoordeelde onderzoeken. De Gezondheidsraad adviseert om de nieuwste ICNIRP-richtlijnen in Nederland te gebruiken als basis voor het blootstellingsbeleid. Op 25 mei 2020 oordeelde de rechtbank dat het Nederlandse telecombeleid gebaseerd is op deugdelijke én actuele onderzoeken van deskundigen. De rechtbank concludeerde bovendien dat de gehanteerde strenge blootstellingslimieten en het toezicht daarop in orde zijn en dat de Staat het zogenoemde voorzorgsbeginsel naleeft.11
Hoe waardeert u zijn pleidooi om eerst meer onafhankelijk onderzoek te doen naar de gezondheidseffecten alvorens het 5G-netwerk met hoogfrequente elektromagnetische velden uit te rollen?
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie12 op het Gezondheidsraadadvies komt de Gezondheidsraad in zijn rapport tot de conclusie dat het beschikbare wetenschappelijke onderzoek laat zien dat een verband tussen frequenties die voor 5G gebruikt (zullen) worden en ziekten niet is aangetoond en ook niet waarschijnlijk is. Frequenties zoals de 700 MHz-band en de 3,5 GHz-band zijn al jaren in gebruik voor de huidige telecommunicatiesystemen of andere toepassingen zoals WiFi, zonder dat dit heeft geleid tot bewezen gezondheidsschade. Uit wetenschappelijke onderzoeken zijn geen bewijzen gevonden voor negatieve effecten op de gezondheid onder de internationaal gehanteerde blootstellingslimieten. Volgens de WHO, Europese Commissie en ICNIRP is er op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat het gebruik van de 26 GHz-band bij blootstelling onder de limieten negatieve gezondheidseffecten oplevert.13 Zoals eerder aangegeven heeft ICNIRP in de nieuwe blootstellingslimieten extra rekening gehouden met het gebruik van hogere frequenties ten behoeve van nieuwe technologieën.14 Ook bij het gebruik van 5G-technieken dient de blootstelling onder de geldende blootstellingslimieten te blijven. Agentschap Telecom houdt toezicht op de blootstellingslimieten en doet veldsterktemetingen door het gehele land om te controleren of de blootstellingslimieten niet worden overschreden.15 De werkelijk gemeten blootstelling door AT ligt over het algemeen een factor 10 onder de blootstellingslimieten. Dit geldt ook voor metingen aan 5G-systemen.16
Het kabinet zal zoals geadviseerd door de Gezondheidsraad inzetten op meer onderzoek. De komende jaren worden meer onderzoeksresultaten verwacht, bijvoorbeeld van het internationale epidemiologisch onderzoeksproject COSMOS17 waaraan Nederland deelneemt. Dit betreft een zeer groot internationaal cohortonderzoek waarin enkele honderdduizenden mensen gevolgd worden, met als doel lange termijn gezondheidseffecten te achterhalen. Dit zogeheten COSMOS-project loopt in ieder geval tot 2023. Daarnaast wordt in 2022 een uitgebreide wetenschappelijke analyse van de WHO verwacht. In navolging van de aanbevelingen in het advies van de Gezondheidsraad, beziet het kabinet op dit moment hoe het een extra bijdrage kan leveren aan (internationaal) onderzoek dat zich richt op gezondheidseffecten van blootstelling aan elektromagnetische velden in de 26 GHz-band en scenariostudies om de blootstelling van individuen als gevolg van draadloze communicatiesystemen (3G, 4G en 5G) zichtbaar te maken.
Het kabinet houdt de vinger aan de pols en blijft de nieuwste wetenschappelijke resultaten volgen. Het Kennisplatform EMV en organisaties zoals het RIVM, Gezondheidsraad en GGD’en spelen een belangrijke rol in de advisering en ontsluiting van kennis op het gebied van EMV. In het Kennisplatform EMV18 werken RIVM, TNO, DNV GL, GGD GHOR Nederland, Agentschap Telecom en ZonMw samen om wetenschap te duiden en kennis te ontsluiten voor burgers, professionals, werknemers en lagere overheden.
Gaat u zorgen voor meer onderzoek naar de gezondheidseffecten – thermische en niet-thermische – van hoogfrequente elektromagnetische straling bij de verwachte blootstelling in de toekomst? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 4.
Wat betekent het genoemde onderzoek voor de uitrol van het 5G-netwerk in Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Het gebruik van politiepaarden en -honden bij oproerbeheersing |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Is het juist dat bij een verboden demonstratie in Amsterdam een politiepaard werd aangevallen met een ploertendoder en daarbij gewond raakte?1
Ja, dat is juist. Tijdens de demonstratie in Amsterdam zijn verschillende politiepaarden geslagen met een ploertendoder. Naar de daders loopt een onderzoek. De politie heeft aangegeven dat het met de gewond geraakte paarden weer goed gaat.
Is het juist dat bij een verboden demonstratie in Eindhoven enkele politiepaarden uitgleden en één politiepaard in paniek losbrak en wegrende?2
Ja. Er zijn twee paarden uitgegleden, waarvan één daarbij ten val kwam. Dit ondanks het gebruik van zogeheten stiftjes in de hoefijzers om uitglijden te voorkomen. Het gevallen paard is zonder ruiter terug naar de paardentrailer gerend. Dit is instinctief gedrag van het dier.
Hoeveel politiepaarden- en honden zijn er sinds de verboden demonstratie op het Museumplein in Amsterdam op 17 januari jongstleden ingezet en hoeveel daarvan zijn gewond geraakt?
Tussen 17 en 31 januari 2021 heeft de Bereden Politie 10 inzetten gehad. Het aantal paarden per inzet varieerde tussen 8 en 36. De politie heeft aangegeven dat er in de genoemde periode in totaal 178 paarden zijn ingezet.
In Amsterdam is één paard gewond geraakt aan het hoofd als gevolg van een klap met een ploertendoder. Twee paarden hebben een schaafwond overgehouden aan de inzet en vier paarden zwellingen.
Erkent u dat paarden vluchtdieren zijn en derhalve de instinctieve reactie hebben om aan een angstige situatie te willen ontkomen?
Zowel mensen als dieren kunnen in een stressvolle situatie verschillende vormen van gedrag vertonen. Door middel van selectie, opleiding en training kan dit gedrag door mensen en werkdieren worden beheerst. Paarden zijn vooral kuddedieren. Van deze eigenschap maakt de politie gebruik bij alle trainingen en inzetten van politiepaarden. Door het werken in een groep ondervinden paarden steun aan elkaar.
Erkent u dat politiepaarden en -honden een verhoogd risico lopen om blootgesteld te worden aan geweld? Vindt u dat acceptabel?
Net als medewerkers van de ME lopen politiepaarden en hun ruiters bij een inzet risico om blootgesteld te worden aan geweld. Ik vind dat een acceptabel risico, gegeven de situatie. Politiepaarden zijn goed getraind voor deze situaties en voorzien van beschermingsmiddelen. Bovendien is het inzetten van politiepaarden in dit soort situaties een bewezen effectief middel. Over het algemeen heeft de aanwezigheid van paarden en honden een preventieve werking en voorkomt het vaak dat er geweld moet worden aangewend. Met behulp van de inzet van paarden kan een mensenmassa snel worden verplaatst dan wel uit elkaar gedreven worden. Daarnaast kan een specifieke groep mensen worden ingesloten. De heftige gebeurtenissen in Amsterdam en Eindhoven zijn wat dat betreft uitzonderingen.
Op welke manier waarborgt u het welzijn van de politiepaarden en -honden bij oproerbeheersing?
Bij ME-inzetten hebben politiepaarden en -honden een toegevoegde waarde. Ze worden, weloverwogen en terughoudend, ingezet in situaties waarin dat verantwoord wordt geacht. De politiepaarden en -honden raken doorgaans zelden gewond tijdens een ME-inzet. Als zij worden ingezet is dit altijd kortstondig en doelgericht. De dieren worden voorafgaand aan een ME-inzet, indien nodig, van extra beschermingsmiddelen voorzien en er wordt een afweging gemaakt of het te bereiken doel, handhaving van de openbare orde en veiligheid, opweegt tegen het gevaar voor mens en dier. De inzet van de politiepaarden en -honden geschiedt, gezien de omstandigheden, zo veilig mogelijk. Dierenwelzijn is daarbij een van de afwegingen.
Dierenwelzijn heeft, net als optimale training en verzorging, bij de politie altijd een hoge prioriteit. De politiepaarden komen tijdens ME-inzetten altijd als groep (gebruik makend van hun kudde-instinct) in actie, waardoor ze tijdens de inzet steun aan elkaar hebben. Het werken in een groep zorgt voor rust. Bij de samenstelling van de groep is er aandacht voor welke ruiters en paarden goed kunnen samenwerken.
Beenbeschermers en neusplaten worden altijd aangebracht. Tijdens een inzet zelf worden ook altijd zo veel mogelijk rustmomenten ingebouwd. Zo staan paarden voorafgaand aan een charge altijd (in relatieve rust) achter het commandovoertuig opgesteld en nooit oog-in-oog met de relschoppers. Zo nodig, worden ook gelaatschermen of oordoppen gebruikt. Ook na afloop krijgen de paarden de juiste nazorg.
Bent u bereid alternatieven te onderzoeken voor de inzet van politiepaarden- en honden bij oproerbeheersing? Zo ja, binnen welk tijdsbestek? Zo nee, waarom niet?
Politiepaarden en honden hebben in de praktijk bewezen dat zij een de-escalerend effect hebben tijdens ordehandhavend optreden. De inzet van deze dieren maakt dat een deel van de ordeverstoorders uit eigen beweging de betreffende locatie verlaat. Zonder de inzet van de eerdergenoemde dieren zou de politie zich genoodzaakt zien om geweld te moeten gebruiken tegen een grotere groep ordeverstoorders met kans op een grotere escalatie van de gevaarsituatie en een ingrijpendere vorm van geweld door de politie jegens ordeverstoorders, en vice versa.
De politie geeft aan dat zij relevante ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van politiepaarden en -honden continue in de gaten houdt. Er is tot op heden nog geen geschikt alternatief voor de inzet van politiepaarden en -honden ten aanzien van crowd control, crowd management en riot control. In die situaties werkt de inzet deze dieren – meer dan elk ander middel – de-escalerend.
Het bericht dat de Friese bodem niet meer terugveert na ondergrondse zoutwinning |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Friese bodem veert niet meer op na ondergrondse zoutwinning»?1
Ja.
Welke voorwaarden zijn er destijds gesteld bij het afgeven van een vergunning voor het winnen van steenzout uit de ondergrond in Fryslân?
Frisia heeft voor de winning van steenzout in Friesland een vergunning verkregen, op basis waarvan zij op een tweetal locaties op land steenzout mocht winnen. Dit betreft de winning uit Barradeel I en Barradeel II. De winning uit Barradeel I, het eerste winningsgebied van Frisia, is gestopt. De winning uit Barradeel II is nog gaande. De belangrijkste voorwaarde die gesteld is bij afgifte van de vergunning voor Barradeel II is dat de winning direct wordt beëindigd als de bodemdaling boven de cavernes groter is dan 30 cm of ergens in het winningsgebied Barradeel groter is dan 35 cm.
Klopt het dat door verkeerde aannames werd verwacht dat stroperig zout uit de omgeving zou toestromen om de ontstane holtes te vullen en permanente bodemdaling te voorkomen? Zo ja, wanneer is dit bij u bekend geworden?
Het klopt niet dat er van een verkeerde aanname is uitgegaan. Het staat vast dat in de diepe ondergrond aanwezig zout – vanwege zijn natuurlijke «stroperige» eigenschappen – vanzelf stroomt in de richting van de holtes (cavernes), die door de oplosmijnbouw zijn gecreëerd. Dat dit in de praktijk ook is gebeurd, blijkt uit het feit dat het totale volume van het aan de ondergrond onttrokken zout veel groter is dan het volume van de ondergrondse caverne.
Het verschil tussen het volume van het gewonnen zout en het volume van de holte wordt het convergentievolume genoemd. Dit volume manifesteert zich aan het oppervlak als bodemdaling. Zolang de winning voortduurt, blijft de bodemdaling toenemen. Zodra de winning wordt gestaakt en de druk in de cavernes wordt verhoogd, stopt de bodemdaling. Dit is ook waargenomen met de GPS-meting op de Barradeel I locatie alwaar de winning is gestopt.
Mogelijk zal het centrum van de bodemdalingskom na enige tijd iets omhoog komen. Of dit ook daadwerkelijk zal gebeuren – en in welk tempo – is onderwerp van voortgaande analyse van de monitoring gegevens. Dit mogelijke «terugveer»-effect is geen onderdeel van de in de vergunning gestelde eisen omtrent de maximale bodemdaling. Dat betekent dat er bij de berekening van de maximaal toegestane bodemdaling geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de bodem terugveert en de bodemdaling daardoor op termijn zou kunnen verminderen.
Heeft een permanent verlaagde bodem gevolgen voor de gebouwen in Fryslân of gevolgen voor natuur en/of milieu?
Een permanent verlaagde bodem kan gevolgen hebben voor gebouwen en/of natuur en milieu. Het antwoord op de vraag of er sprake is van impact van deze mogelijke gevolgen is beschreven in het in 2018 door SodM gepubliceerde rapport «Staat van de sector Zout»2. Het SodM geeft aan dat een geleidelijke bodemdaling ook een geleidelijk verloop heeft in tijd en ruimte waardoor er geen directe schade aan gebouwen zal optreden. Wel komt het aardoppervlak iets lager te liggen waardoor er twee indirecte schade veroorzakende effecten kunnen plaatsvinden. Deze mogelijke effecten zijn gerelateerd aan de eventuele aanpassing van het waterpeilbeheer en zijn sterk afhankelijk van de lokale situatie. Een verandering van de waterhuishouding kan leiden tot schade aan gebouwen, natuur en milieu en mogelijk ook verzilting.
Wat betreft het winningsgebied Barradeel heeft in 2010 een gebiedscommissie, bestaande uit de betrokken partijen3, een gebiedsplan opgesteld waarbij ook is gekeken naar maatschappelijke aspecten zoals leefbaarheid, landschap en natuur. In het desbetreffende gebied zijn maatregelen genomen om de effecten van de zout- en gaswinning te compenseren en daarmee schade te voorkomen.
Mocht er schade ontstaan door een lagere bodem als gevolg van de steenzoutwinning, waar kunnen claimanten dan terecht? Hebben zij te allen tijde recht op vergoeding?
Artikel 177, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een mijnbouwonderneming aansprakelijk is voor schade als gevolg van bodembeweging door zijn mijnbouwactiviteiten. Schade kan op dit moment gemeld worden bij de mijnbouwonderneming. Sinds medio 2020 is de onafhankelijke Commissie Mijnbouwschade ingericht. Op korte termijn zal de Commissie Mijnbouwschade de mogelijke schadegevallen ten gevolge van de zoutwinning gaan behandelen. De Commissie Mijnbouwschade zal op basis van de melding onderzoeken of er inderdaad sprake is van schade door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten en stelt, als hier sprake van is, vast wat de hoogte van de vergoeding voor deze schade zou moeten zijn die door de mijnbouwonderneming moet worden betaald aan de gedupeerde. Daarbij is het uitgangspunt dat burgers die schade hebben als gevolg van bodembeweging door mijnbouwactiviteiten daar niet mee blijven zitten.
Wat voor gevolgen heeft een lagere bodem door ondergrondse zoutwinning voor de waterhuishouding van Fryslân?
Bodemdaling kan leiden tot aanpassingen van het waterpeilbeheer. Wetterskip Fryslân beheert het waterpeil. In het desbetreffende gebied is de peilverlaging tot een minimum beperkt teneinde de verzilting niet te versterken. Het Wetterskip Fryslân heeft daarom gekozen voor waterhuishoudkundige maatregelen zoals: het aanleggen van waterbergingen, overloopgebieden, drainage, en de vernieuwing van gemalen. De maatregelen komen grotendeels voort uit het eerder genoemde gebiedsplan. Deze maatregelen zorgen ervoor dat schade wordt voorkomen en dat de effecten van de gas- en zoutwinning worden gecompenseerd.
De kosten voor deze maatregelen zijn mede door Frisia en Vermilion betaald. In het antwoord op vraag 4 ben ik ingegaan op mogelijke effecten van het aanpassen van het peilwaterbeheer.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van een veranderende waterhuishouding zijn voor de inwoners van Fryslân?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn deze nieuwe inzichten voor u aanleiding om de zoutwinning die nog plaatsvindt te heroverwegen en de negatieve neveneffecten in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de berichtgeving4 geeft mij geen nieuw inzicht en ook geen aanleiding voor een heroverweging. De conclusies in het bericht komen niet overeen met het wetenschappelijke feit dat zout in de diepe ondergrond (onder invloed van druk en temperatuur) vloeit. In de vergunningverlening is rekening gehouden met de mogelijke effecten en risico’s. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 7 zijn schadebeperkende maatregelen genomen om de mogelijk effecten te compenseren.
Bent u bereid om stappen te nemen om de mogelijke schade beter in kaart te brengen en de inwoners van Friesland op de hoogte te stellen van de mogelijke gevolgen?
Ik wil niet dat bewoners blijven zitten met schade ten gevolge van bodembeweging door mijnbouw. Bewoners die menen dat zij schade hebben kunnen zich op dit moment melden bij de mijnbouwonderneming. Zij kunnen ook de Technische commissie bodembeweging vragen om een advies over de oorzaak van de schade en het schadebedrag. Op korte termijn zal de Commissie Mijnbouwschade meldingen over schade door zoutwinning gaan behandelen. De gesprekken hierover met de mijnbouwondernemingen zijn in een vergevorderd stadium.
Wat betreft de zoutwinning onder de Waddenzee (winningsvergunning Havenmond) hebben Frisia, Stichting Bescherming Historisch Harlingen (SBHH), de gemeente Harlingen en de provincie Fryslân op 18 maart 2019 een overeenkomst gesloten. Hierin zijn afspraken gemaakt over het aanleggen van een aanvullend meetnet in de binnenstad van Harlingen in combinatie met een «Early Warning System». Onder de titel «Pilot Harlingen»5 wordt de Samenwerkingsovereenkomst de komende jaren verder uitgewerkt en uitgevoerd. Via deze pilot worden de eventuele gevolgen van de zoutwinning nauwgezet in kaart gebracht en worden ook inwoners geïnformeerd.
De afgebroken CAO-onderhandelingen bij de supermarkten |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Overleg supermarkt-cao weer afgebroken: «Geld klotst tegen de plinten»?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht. Het is jammer dat cao-partijen bij de supermarkt-cao nog niet tot overeenstemming zijn gekomen. Het proces van onderhandelingen verloopt soms vlot, maar heeft soms ook wat meer tijd nodig om tot een goed einde te worden gebracht. Ik hoop dat partijen er uiteindelijk samen uit gaan komen en een evenwichtig onderhandelingsresultaat weten te bereiken.
Deelt u de mening dat supermarkten in 2020 een recordomzet hebben geboekt van 45 miljard euro, een stijging van 11 procent ten opzichte van 2019?
Uit het aangehaalde artikel begrijp ik dat uit onderzoek van marktonderzoeker IRI volgt dat supermarkten 45 miljard euro hebben omgezet in 2020, hetgeen een stijging van 11 procent zou betekenen ten opzichte van 2019. Dat is inderdaad fors.
Hebt u gezien dat in het nieuwe jaar de klinkende cijfers gewoon doorzetten, met in de eerste week van 2021 alweer een groei van negen procent?
In hetzelfde artikel heb ik gelezen dat in de eerste week van 2021 sprake zou zijn van een groei van 9 procent.
Bent u het eens met de stelling dat deze cijfers een loonsverhoging rechtvaardigen voor de circa 300.000 supermarktmedewerkers, in lijn met de eis van de vakbonden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat de coronacrisis veel vraagt van Nederland en dat ook supermarktmedewerkers hard hebben gewerkt om de supermarkten draaiende te houden. Het is echter niet aan mij om me te mengen in de cao-onderhandelingen in een specifieke sector en te oordelen over de rechtvaardiging van een structurele en/of incidentele loonsverhoging. Het is aan de betrokken werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om te onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden en een cao af te sluiten. Cao-partijen weten bovendien het beste welke afspraken in een specifieke sector passend zijn.
Is een (extra) loonsverhoging ook niet logisch vanwege de hoge werkdruk als gevolg van corona?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een moreel appel te doen op de werkgevers vanwege het feit «dat het geld tegen de plinten klotst»? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is het aan werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen en een cao af te sluiten. Het onderhandelingsproces in een specifieke sector is dan ook geen zaak waar ik mij in kan mengen.
Hebt u gezien dat een Kamermeerderheid voorstander is van een hoger minimumloon? Bent u bereid het minimumloon met tien procent te verhogen als een eerste stap richting 14 euro per uur? Zo nee, waarom niet?
Ik ben ervan op de hoogte dat meerdere partijen voor een hoger wettelijk minimumloon (WML) pleiten in hun verkiezingsprogramma’s. De wijze waarop partijen dit invullen is echter verschillend. Zoals eerder aangegeven in mijn brief van januari vorig jaar,2 ben ik niet voornemens het WML in de resterende kabinetsperiode te verhogen. Overigens is het WML niet het enige dat bepalend is voor het inkomen van werknemers. Ook het bredere stelsel van inkomensondersteuning via de fiscaliteit en toeslagen speelt een rol. Goede weging van een verhoging van het WML dient dan ook in een bredere samenhang met deze instrumenten te worden bezien.
Het bericht “Zoekgebieden, phishing en AERIUS” van dhr. Hanekamp |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zoekgebieden, phishing en AERIUS» van de heer Hanekamp»?1
Ja.
Kunt u antwoord geven op de vraag die in het artikel gesteld wordt: «Wat maakt het dat in Nederland er willens en wetens wordt vastgehouden aan een modellensystematiek met een fundamenteel gebrek dat resulteert in een nooit haalbaar detailniveau?»
In het artikel van de heer Hanekamp wordt het oordeel aangehaald van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof over het gebruik van AERIUS Calculator bij toestemmingsverlening. Zoals aangeven in de kabinetsreactie van 13 oktober 2020 (met het kenmerk 2020Z18692), is het kabinet ervan overtuigd dat met het structurele pakket een basis wordt gelegd om – in lijn met het advies van het Adviescollege – minder gedetailleerd te kunnen rekenen. Samen met het RIVM onderzoekt het kabinet in hoeverre aanpassing van de rekenkundige grenswaarde van 0,005 mol/ha/jr mogelijk is. Daarnaast wordt het AERIUS instrumentarium continu doorontwikkeld en geactualiseerd op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. De aanbevelingen van het Adviescollege ondersteunen deze doorlopende ontwikkeling.
Kunt u toelichten wat precies wordt verstaan onder maatgevende hexagonen, waar deze liggen en hoe de «maatgevendheid» bepaald wordt?
Maatgevende hexagonen betreffen de in AERIUS gebruikte hexagonen waarvan verwacht wordt dat daarop de hoogste depositiebijdrage in een gebied plaatsvindt. Ze worden geselecteerd uit de alle relevante hexagonen in dat gebied (relevante hexagonen zijn locaties in het gebied waar habitattypen en/of leefgebieden voorkomen die in het gebied beschermd worden). Het selecteren van maatgevende hexagonen is alleen bedoeld als hulpmiddel voor AERIUS Aankoop Calculator in het kader van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden, die is gericht op het kunnen opkopen door provincies van «piekbelasters»: bedrijven die een relatief hoge stikstofbelasting veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden die stikstofgevoelig én overbelast zijn. Voor het in beeld brengen van de bijdrage van verschillende bedrijven aan de stikstofdepositie in natuurgebieden is het niet noodzakelijk om alle relevante hexagonen in de analyse te betrekken.
Hoe het selectieproces werkt, wordt uitgelegd in de «Toelichting op rekenmethodiek Aankoop Calculator» op de website https://aankoopcalculator.aerius.nl.
De maatgevende hexagonen worden niet gebruikt voor andere doeleinden en hebben geen juridische status.
Kunt u aangeven of het klopt dat er geen eenduidige definitie van «zoekgebied» is? Zo ja, waarom is dit het geval en welke definitie zou volgens u gehanteerd moeten worden? Zo nee, wat is volgens u de definitie van zoekgebied?
Onder zoekgebied wordt verstaan: een locatie waarvan onduidelijk is of een bepaald habitattype of leefgebied daadwerkelijk aanwezig is of niet. De reden voor het onderscheiden van deze categorie is dat een habitat in principe in het hele gebied waar het voor is aangewezen beschermd is. Inperking van die bescherming kan alleen als zeker is dat het habitat in bepaalde delen van een gebied afwezig is. In de praktijk betekent dit dat zo goed mogelijk in beeld wordt gebracht waar een habitat met zekerheid aanwezig is en met zekerheid afwezig is, met als restcategorie een zoekgebied. Bij habitattypen is het aandeel zoekgebied vrij klein, omdat de karteringen van vegetaties in het algemeen voldoende duidelijkheid bieden. Bij leefgebieden van soorten is dat aandeel groter, omdat daar gelet moet worden op zowel fysieke kenmerken (met name vegetatie) als op de aanwezigheid van een soort. Want leefgebied is pas relevant als een soort er ook daadwerkelijk gebruik van maakt. Bij het maken van de kaarten voor leefgebieden is geconcludeerd dat het lastig is om met zekerheid te stellen dat een geschikt leefgebied níet «bezet» is. Dat een soort recent niet is gezien op een locatie kán veroorzaakt zijn door een te geringe waarnemingsinspanning. Vandaar dat er een relatief groot areaal te boek staat als «mogelijk bezet leefgebied», wat in AERIUS wordt aangeduid als zoekgebied.
Wat vindt u van de conclusie in het artikel: «Het niet goed zoeken of vinden of kennis hebben van habitats in een bepaald hexagon kan eenvoudig gekoppeld worden aan de ontwikkeling van nieuwe natuur»?
Dat is een onjuiste conclusie. De term «zoekgebied» wordt bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie Gelderland gebruikt voor de realisatie van nieuwe natuur. Maar er is geen inhoudelijke relatie tussen het gebruik van dezelfde term in AERIUS en in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie.
Kunt u reageren op de vijf observaties die in het artikel genoemd worden?
Per geciteerde observatie geef ik hieronder een reactie (cursief de observaties en niet-cursief mijn reactie):
De Aankoop Calculator kan niet iets tot een obstakel voor natuurbehoud en -ontwikkeling máken: alleen uit onderzoek kan blijken of iets daadwerkelijk zo'n obstakel is. Langdurig en grondig onderzoek laat zien dat stikstof vanuit de landbouw een belangrijke oorzaak is van de ongunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige natuur in Nederland.
In het genoemde rapport wordt geconstateerd dat de vergelijking van oppervlakten habitattypen in heden en verleden wordt gehinderd door veranderende interpretaties van habitattypen, andere basisgegevens en daadwerkelijke veranderingen. Het bieden van helderheid is inderdaad heel belangrijk, maar is tijdrovend specialistisch werk. Daardoor kon het nog niet worden afgerond, maar de inspanningen van de betrokken overheden zijn hier wel op gericht.
Het is inderdaad belangrijk dat het aandeel «zoekgebieden» zo klein mogelijk wordt als gevolg van het met zekerheid onderscheiden van stikstofgevoelig en niet-stikstofgevoelig habitat. De natuurbaten van de opkoopregeling zijn echter niet wezenlijk afhankelijk van deze verheldering.
Als uitvoering van de motie Geurts/Harbers (Kamerstuk 35 600, nr. 30) zal een maatschappelijke kosten-batenanalyse worden uitgevoerd waarin. Er vindt nog besluitvorming plaats of de aankoop hierin zal worden meegenomen.
Bent u het eens met de slotconclusie dat «veel te veel van de benodigde data, berekeningen, definities, kaarten enzovoort worden óf niet óf onduidelijk óf moeilijk/nauwelijks vindbaar (non-)gecommuniceerd»? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te veranderen? Zo nee, waarom niet?
Met die conclusie ben ik het niet eens. Zowel het kabinet als de betrokken (kennis)instellingen, zoals het RIVM, PBL en Bij12 achten transparantie in het stikstofdossier van groot belang en doen er alles aan om helder te communiceren over onder meer de staat van de natuur, stikstofdepositie-effecten, bronmaatregelen en toestemmingsverlening. Op de website van het RIVM zijn alle meetresultaten en modellen beschikbaar en door iedereen in te zien of te gebruiken. Ook het belangrijkste instrument voor stikstofberekeningen, AERIUS, is open-source software en dus voor iedereen inzichtelijk en beschikbaar. Op de websites van de rijksoverheid (www.aanpakstikstof.nl) en Bij12 (www.bij12.nl) zijn diverse handreikingen, factsheets, beleidsregels te vinden. Ook is er een helpdesk Stikstof en Natura 2000 ingericht om burgers, ondernemers en agrariërs wegwijs te maken.
Kunt u reageren op de vijf conclusies in het artikel over de AERIUS-aankoopcalculator?
De vijf conclusies zijn een uitwerking van de stelling «Het is duidelijk dat de AERIUS aankoopcalculator mystificeert op meerdere niveaus, zoals daar bijvoorbeeld zijn: ...». Per geciteerde conclusie geef ik hieronder een reactie (cursief de conclusies en niet-cursief mijn reactie):
De rekenwijze is qua nauwkeurigheid gelijk aan die van de andere AERIUS-producten. De rekenwijze van de Aankoop Calculator is door het gebruik van de maatgevende hexagonen iets robuuster en voldoende voor het doel waarvoor de calculator is gemaakt: een hulpmiddel voor het opkopen van «piekbelasters».
De onzekerheden zijn hetzelfde als bij de bestaande AERIUS-producten, zo blijkt uit de toelichting (genoemd in het antwoord op vraag 3). Voor uitleg over die onzekerheden, zie de documenten op www.aerius.nl.
In de genoemde toelichting is de methode uitgelegd. De maatgevende hexagonen zijn zichtbaar voor de provincies die met de calculator werken. Ze kunnen op verzoek openbaar worden gemaakt.
Dat het gunstig voor de natuur is als «piekbelasters» worden opgekocht, staat vast, omdat die opkoop (met name lokaal) leidt tot vermindering van stikstofdepositie en daarmee tot een gezondere natuur.
Dat is een feitelijk juiste constatering. Maar het is niet nodig om op voorhand voor elk onderdeel van het beleid een MKBA te laten opstellen. De effecten van het structurele pakket (waar opkoop deel van uitmaakt) zijn doorgerekend door het PBL. Na de PAS-uitspraak van de Raad van State kan er overigens ook geen twijfel over bestaan dat de stikstofdepositie teruggebracht moet worden, ook om economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.
Het bericht 'Bouwen met hout? Dat is niet duurzaam, zegt de norm' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouwen met hout? Dat is niet duurzaam, zegt de norm»?1
Ja.
Klopt volgens u de analyse dat de huidige milieunorm (MilieuPrestatie Gebouwen, MPG) het gebruik van hout ontmoedigt, omdat hout niet als CO2-opslag wordt gezien?
Ik deel de analyse dat opslag van CO2 in hout en andere biobased bouwproducten niet tot uitdrukking komt in de huidige berekening van de milieuprestatie van bouwwerken. De reden hiervoor is dat in de berekening conform de Europese norm EN15804 ermee wordt gerekend dat de opgenomen CO2 in de afvalfase van de biobased bouwproducten weer vrijkomt. Ik verwijs u voor een uitgebreidere toelichting hierop naar mijn antwoorden op vragen van het lid Van Eijs.2
Dat betekent niet dat de huidige Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken het gebruik van hout ontmoedigt. Bouwwerken waarin veel biobased materialen worden toegepast, hebben gemiddeld een goede score voor de milieuprestatie.
Bent u bekend met het recente onderzoek van TNO,waaruit blijkt dat houtbouw positief is voor het klimaat, mits het hout afkomstig is uit goed beheerde bossen?2
Ja.
Deelt u het inzicht dat CO2 opgeslagen in hout dat wordt gebruikt in de bouw in ieder geval de komende decennia opgeslagen zal blijven, zelfs al wordt het hout verbrand? Deelt u de conclusie dat hierdoor op z’n minst tijd wordt gewonnen om de klimaatcrisis aan te pakken?
Ik deel dit inzicht en de conclusie met enkele kanttekeningen. De klimaateffecten van bouwmaterialen dienen over de hele levenscyclus te worden beschouwd. Hout in de bouw kent verschillende toepassingen met verschillen in levensduur en verwerking bij einde levensduur. Hout toegepast voor bijvoorbeeld aftimmering, of kozijnen en gevels heeft een levensduur tot zo’n 20 jaar. Dergelijke toepassingen leveren naar mijn verwachting geen of slechts een beperkte bijdrage aan de klimaatambities. Hout toegepast voor constructies heeft in potentie een veel langere levensduur. In sommige gevallen kan dit ook nog worden hergebruikt als constructiehout. Dergelijke toepassingen kunnen in mijn ogen zeker een bijdrage leveren aan de klimaatambities. Voor die lange levensduur en eventueel hergebruik moet dan wel voldoende onderbouwing zijn. Die onderbouwing dient plaats te vinden binnen een gelijk speelveld voor alle bouwmaterialen en moet zorgvuldig worden uitgewerkt om te voorkomen dat CO2-emissie wordt afgewenteld op toekomstige generaties. Daarnaast heeft de toepassing van hout meer milieueffecten dan alleen CO2-emissie. Dit is deels het gevolg van het productieproces van hout en deels het gevolg van de manier waarop het hout wordt verwerkt in gebouwen.4 Ook dit zal zorgvuldig moeten worden uitgezocht zodat er geen ongewenste milieueffecten ontstaan. Overigens gelden deze kanttekeningen niet alleen voor hout maar voor alle materialen toegepast in de bouw.
Deelt u het inzicht dat, gezien de doelen die zijn gesteld rondom de circulaire economie het in principe niet zou moeten voorkomen dat over een aantal decennia hout gebruikt in de bouw, nutteloos wordt verbrand?
Ja.
Deelt u de mening dat het gebruik van hout in de bouw, uiteraard bij goed bosbeheer, een belangrijk middel kan zijn in het halen van onze klimaatdoelen?
Ja, als rekening wordt gehouden met de uitgangspunten die ik heb gegeven in mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met de Franse norm waardoor vanaf 2022 50% van de materialen van publiek gefinancierde gebouwen moet bestaan uit biobased materialen, waaronder hout?3 Bent u bereid te onderzoeken of deze norm in Nederland ook ingevoerd kan worden?
Ja, en ik ben bereid te onderzoeken of een dergelijke norm in Nederland ingevoerd kan worden. Ik zal dit doen in het kader van de ambitie van de rijksopdrachtgevers zoals Rijksvastgoedbedrijf en Rijkswaterstaat om vanaf 2030 al hun opdrachten circulair te gaan aanbesteden.6 Dit betekent dat volgens circulaire principes wordt uitgevraagd. Een van die circulaire principes is ontwerpen met lagere milieu impact door het toepassen van biobased materialen, zoals hout.
Welke actie gaat uw ministerie ondernemen om de MPG en de MKI (Milieu Kosten Indicator) aan te passen, zodat houtbouw wordt gestimuleerd?
In mijn antwoord op vragen van lid van Eijs heb ik toegezegd te bepalen hoe de waardering van de milieueffecten van de opslag van CO2 in biobased materialen, waaronder hout, kan worden opgenomen in onze nationale systematiek. Ik hanteer daarbij als uitgangspunten dat een daaruit volgende aanpassing zal plaatsvinden binnen de ruimte die de Europese kaders daarvoor bieden en zonder afwenteling van milieueffecten, bijvoorbeeld op komende generaties.
Kunt u een reactie geven op het manifest «Een eerlijk speelveld voor een duurzamer Nederland»?4
Ik ben positief over het manifest. Ik waardeer het dat partijen uit de bouw zelf het initiatief nemen om duurzamer te willen bouwen en daarmee mede invulling geven aan mijn beleidsvoornemens. Uit het grote aantal ondertekenaars van het manifest en het feit dat de ondertekenaars uit de hele bouwketen komen (leveranciers, architecten, adviseurs, bouwers, ontwikkelaars, kennisinstituten, opdrachtgevers, een financiële instelling) maak ik op dat het draagvlak groot en breed is. Ook vind ik het positief dat de partijen in het manifest stellen dat hun doel is een eerlijk speelveld waarin elk materiaal adequaat wordt gewaardeerd in de specifieke toepassing in een gebouw. Dat sluit aan bij mijn beleid om alle maatregelen op een gelijke manier te waarderen op het niveau van het bouwwerk zodat partijen in elke situatie vrij zijn om te kiezen voor het optimale pakket aan maatregelen.
Op welke manier wordt de motie Van der Lee5 over het bevorderen van het gebruik van duurzaam hout in de bouw uitgevoerd?
De motie is uitgevoerd met de huidige uitvraag in de proeftuinen aardgasvrije wijken naar de inzet van hoogwaardig hergebruik en hernieuwbare grondstoffen9 en met het laten opstellen van het rapport «Ruimte voor Biobased Bouwen».10 In het kader van de Strategische Verkenning Biobased Bouwen wordt op de Innovatie Expo op 8 april 2021 de Challenge Verstedelijking gelanceerd, om met alliantiepartners de realisatie van biobased bouwen in de praktijk te versnellen.11
Onvoldoende reguliere zorg door strategische belangen van ziekenhuizen en onvoldoende regie van zorgverzekeraars |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de restcapaciteit van de reguliere zorg tijdens de eerste coronagolf deels onbenut is gebleven?1 Wat is uw reactie?
Er zijn mij geen feiten bekend over zorgcapaciteit die tijdens de eerste golf doelbewust onbenut is gebleven. Tijdens de eerste coronagolf waren er ingrijpende acties nodig in de zorg om de plotselinge toename van patiënten op de verpleegafdelingen en de Intensive Care (IC). Waar deze patiëntenstroom aanvankelijk in Noord-Brabant en later ook op andere plekken een grotere zorgbelasting als gevolg had, werd nationaal gereageerd door de reguliere zorg af te schalen om de stroom covid-patiënten op te kunnen vangen of over te nemen uit andere centra. De afschaling van de reguliere zorg verschilde aanvankelijk per regio en zelfs per instelling. Dit maakte in de acute setting van de eerste covid-golf dat inzicht in de resterende capaciteit van de reguliere zorg moeilijk in kaart te brengen was. Een belangrijke les na de eerste golf was dat bij eventuele volgende golven van de pandemie zo veel mogelijk voorkomen zou moeten worden dat reguliere zorg afgeschaald wordt. Daarop zijn maatregelen genomen, zoals de uitbreiding van de covid-zorgcapaciteit met het Opschalingsplan2 van 30 juni 2020 en met het tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de covid-19 pandemie3 dat ik op 23 oktober heb gedeeld met de Kamer.
Klopt het dat ziekenhuizen met veel coronapatiënten weigerden patiënten door te verwijzen naar ziekenhuizen die nog wel plek hadden voor reguliere zorg uit angst patiënten kwijt te raken? Zo ja wat is uw reactie hierop?
Als gevolg van het grote aantal covid-patiënten dat in ziekenhuizen werd opgenomen en de uitval van zorgverleners, kon een deel van de reguliere zorg niet geleverd worden. Bij het besluit om patiënten over te plaatsen spelen veel verschillende overwegingen, waaronder natuurlijk het belang van continuïteit in de behandeling en de eigen voorkeur van patiënten. Er zijn geen concrete signalen bekend dat financiële overwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om patiënten al dan niet over te plaatsen of door te verwijzen. Door het ontsluiten van informatie over het aanbod van reguliere zorg en door het bevorderen van financiële afspraken is het zo efficiënt mogelijk benutten van de beschikbare capaciteit bevorderd.
Gedurende de eerste covid-golf bleef de (semi-)acute en kritiek planbare zorg beschikbaar, en tevens werden manieren gevonden om zorg te vervangen zoals bijvoorbeeld het videoconsult om zorg op afstand te blijven leveren. Wanneer afspraken voor reguliere zorg werden uitgesteld had dit niet als gevolg dat mensen géén zorg zouden ontvangen. Overigens zijn patiënten niet afhankelijk
van een verwijzing om te wisselen van zorgaanbieder. Zij kunnen zelf contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling, of rechtstreeks met een andere zorgaanbieder.
Klopt het dat na de eerste golf aanbieders van electieve zorg patiënten die op zorg wachtten, niet mochten behandelen omdat ziekenhuizen die veel coronapatiënten behandelden, dit als oneerlijke concurrentie zagen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Nee, er zijn geen afspraken gemaakt tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars dat bepaalde zorg niet geleverd mocht worden. Er zijn nooit beperkingen opgelegd in het verlenen van zorg aan individuele patiënten. De insteek vanaf die periode was juist gericht op het aangaan van diverse vormen van samenwerking.
Klopt het dat het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis aanbood patiënten van omliggende ziekenhuizen over te nemen, maar dat van dit aanbod nauwelijks gebruik werd gemaakt? Hoe is dit te rijmen met het feit dat de Nederlandse ziekenhuizen vorig jaar de oncologische zorg met 70% moesten terugdraaien?
Ja, het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis heeft dit aangeboden en daar is beperkt gebruik van gemaakt. Dat betekent echter niet dat patiënten geen zorg hebben ontvangen, bijvoorbeeld omdat omliggende ziekenhuizen hun eigen patiënten hebben kunnen opereren of er minder patiënten gediagnostiseerd of verwezen waren en daarom minder behandelingen aan de orde waren. De voornaamste reden voor de afname in oncologische zorg was het stopzetten van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker is. Het bevolkingsonderzoek resulteert normaliter in veel verwijzingen voor oncologische zorg. Het door u genoemde percentage van 70% afschaling van de oncologische zorg in Nederland in 2020 herken ik niet; zie verder ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat het Alexander Monro Ziekenhuis een protocol ontwikkelde voor veilige overname van borstkankerpatiënten, maar dat hiervan onvoldoende gebruik is gemaakt? Wat is uw reactie?
Het klopt dat het Alexander Monro Ziekenhuis (AMZ) een protocol heeft opgesteld voor veilige overname van borstkankerpatiënten. De capaciteit die ter beschikking was in het AMZ is niet volledig benut, onder andere omdat er minder verwijzingen hebben plaatsgevonden bijvoorbeeld omdat mensen niet naar de huisarts durfden te gaan of de zorg niet verder wilden belasten. Daarbij zijn er ook patiënten die niet de voorkeur hadden om verwezen te worden naar een andere zorginstelling en/of een andere behandelend arts om eerder zorg te kunnen ontvangen.
Hoeveel oncologische patiënten in de regio Amsterdam hebben moeten wachten op zorg, terwijl zij wel terecht haden gekund bij het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis? Hoeveel patiënten met borstkanker hebben moeten wachten op een behandeling terwijl zij wel terecht hadden gekund bij het Alexander Monro Ziekenhuis?
Specifiek voor de regio Amsterdam is deze informatie niet beschikbaar. Daarentegen heeft het Integraal Kankercentrum Nederland geconstateerd dat in de periode van maart 2020 tot en met mei 2020 als gevolg van de coronacrisis minstens vijfduizend kankerdiagnoses in Nederland nog niet waren gesteld. Dit is 20–25% lager dan gebruikelijk. Het aantal nieuwe kankerpatiënten in deze maanden lag duidelijk lager dan in dezelfde periode in de drie voorgaande jaren. In juni, juli en augustus was het aantal nieuwe kankerpatiënten weer vrijwel gelijk aan de voorgaande jaren.
Uit de data van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) blijkt dat operaties of andere oncologische behandelingen zoals chemo- en radiotherapie niet op grote schaal voor langere tijd zijn uitgesteld. De afname in productie bij oncologische zorg was relatief beperkt en in lijn met de verwijzingen. De wachttijden voor oncologische aandoeningen zijn niet toegenomen en de NZa heeft geen aanwijzing dat patiënten langer hebben moeten wachten op oncologische zorg. Daarbij hebben patiënten zelf de mogelijkheid om te wisselen van zorgaanbieder indien zij van mening zijn te lang te moeten wachten op zorg.
Hoe kan het dat volgens schattingen 2000 patiënten met borstkanker en 1000 patiënten met darmkanker niet geholpen konden worden, terwijl er wel een aanbod voor zorg lag?
Het is mij onbekend hoe deze specifieke schatting tot stand is gekomen. Zoals hierboven beschreven lijkt dit om patiënten te gaan bij wie de diagnose nog niet gesteld is, voor een groot deel vanwege het bevolkingsonderzoek dat stil was gezet. Momenteel gaan de bevolkingsonderzoeken ondanks de grote druk op de zorg weer door en is er zelfs sprake van inhaalzorg.
Kunt u uitleggen welke rol de organisatie van de zorg en het huidige stelsel van marktwerking gespeeld hebben bij het feit dat mensen geen zorg kregen terwijl die wel beschikbaar was?
Zoals in voorgaande antwoorden is uitgelegd, zijn er geen feiten of signalen bekend over het (al dan niet doelbewust) onthouden van zorg aan mensen terwijl die wel beschikbaar was.
De coronacrisis is een ongekend ingrijpende gebeurtenis geweest in het medisch zorglandschap, waarbij zeker tijdens de eerste coronagolf moest worden gezocht naar nieuwe vormen van organisatie van zorg die aansloten bij de crisissituatie. Er was een veel grotere behoefte aan samenwerking en regie dan in een normale situatie, bijvoorbeeld op het gebied van coördinatie van IC-capaciteit, en die ruimte is er ook binnen het huidige stelsel. Zorgverzekeraars hebben intensief samengewerkt om de zorg toegankelijk te kunnen houden. Ze hebben bijvoorbeeld snel samen regelingen kunnen en mogen optuigen om zorgaanbieders financieel comfort te geven. Hierin was marktwerking nadrukkelijk niet het leidende principe, maar continuïteit van zorg en hiermee zijn de randvoorwaarden geschapen waarbinnen zorgaanbieders zich maximaal konden richten op het belang van de patiënt.
Welke rol hebben zorgverzekeraars gespeeld bij de opvang van coronapatiënten en de daaruit voorkomende noodzakelijke herverdeling van de reguliere zorg?
De zorgverzekeraars vervullen een bemiddelende rol bij de herverdeling van patiënten wanneer patiënten hierom vragen. Tevens zitten zij aan de ROAZ-tafel en hebben zij hier een informerende en adviserende rol bij patiëntenspreiding. De ROAZ-vertegenwoordigers van de zorgverzekeraars zijn de marktleiders voor de desbetreffende regio en daarmee ook gemandateerd om lokale financiële issues te bespreken en tot op zeker hoogte afspraken hierover te maken, zodat er snel gehandeld kan worden.
Zou het gezien de regierol van zorgverzekeraars logisch zijn van zorgverzekeraars te verwachten dat zij hun rol juist ten tijde van een pandemie waarmaken en zorgen dat zoveel mogelijk patiënten de juiste zorg krijgen door te bemiddelen in het verplaatsen van die zorg naar ziekenhuizen die wel ruimte hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd?
Net zoals in normale tijden is het ook in crisistijd het van groot belang om de juiste zorg te bieden aan zoveel mogelijk patiënten. De zorgverzekeraar zorgt voor goede afspraken met zorgaanbieders om continuïteit te waarborgen voor patiënten. De NZa heeft nader onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van zorg door de wachttijden landelijk en regionaal in kaart te brengen en te vergelijken met de treeknorm. De treeknorm is de maximaal aanvaardbare wachttijd waarbinnen de patiënt zorg moet kunnen krijgen, zoals afgesproken door veldpartijen in het Treekoverleg en vastgelegd in het «Toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw»4. Deze wachttijden laten een gemengd beeld zien. Het aantal overschrijdingen van de treeknorm voor de polikliniek en diagnostiek lag in juni en juli van 2020 ongeveer op het niveau van begin 2020. Voor behandelingen in het ziekenhuis is er sprake van een lichte stijging van het aantal overschrijdingen van de treeknorm, waarbij er behoorlijke regionale verschillen zijn. Voor verschillende behandelingen in het ziekenhuis waren de wachttijden ook voor de corona-uitbraak al langer dan de Treeknormen.
Patiënten zijn zelf ook actief op zoek gegaan naar behandelingen buiten de ziekenhuizen om, in zelfstandige klinieken, of ze zochten contact met hun zorgverzekeraar. Zorgverzekeraars zetten zich actief in om te bemiddelen bij wachttijden. Deze zorgbemiddeling door de zorgverzekeraars richt zich op de niet-acute zorg en heeft een hoge slagingskans. De behoefte tijdens de pandemie lag vooral op de acute zorg en het verplaatsen hiervan; hier is de spreiding van de patiënten een (meer) medische aangelegenheid en zie je dat de bemiddeling tussen ziekenhuizen onderling, in ROAZ-verband en van (huis)arts tot arts plaatsvindt. De rol voor de zorgverzekeraar is hier het creëren van het kader dat de financiering de patiënt kan blijven volgen.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars liever de wachtlijsten wat lieten oplopen dan extra te betalen voor zorg in een andere kliniek? Hoe is dit te rijmen met de wettelijke zorgplicht die zorgverzekeraars hebben? In hoeverre is die zorgplicht geschonden?
Ik ken geen feiten of signalen over zorgverzekeraars die doelbewust de wachtlijsten zouden hebben laten oplopen. Met alle ziekenhuizen en klinieken zijn in 2020 continuïteitsregelingen getroffen, wat maakte dat zij gecompenseerd zijn voor productieverlies. Daarbij is steeds aangegeven dat bij het verplaatsen van patiënten naar een kliniek de financiering moet volgen en dat tussen ziekenhuis en kliniek een financiële afrekening moet plaatsvinden. Anders wordt de zorg dubbel betaald en dat is ook in een pandemie niet gewenst en verantwoord. Zorgverzekeraars werken samen met de NZa aan het inzichtelijk krijgen van de beschikbare capaciteit en nemen deze inzichten mee naar de ROAZ-tafels en zorgbemiddeling.
Het is belangrijk om hierbij te realiseren dat klinieken niet alle reguliere zorg kunnen leveren, omdat ze hiervoor niet geëquipeerd zijn. Het is daarom in een situatie als de covid-pandemie onvermijdelijk dat sommige wachtlijsten oplopen.
Deelt u de mening dat de vangnetregeling van zorgverzekeraars niet mag betekenen dat reguliere zorg die elders geleverd kan worden, wordt uitgesteld?
Ik deel de mening dat het onwenselijk is als er reguliere zorg onnodig wordt uitgesteld, omdat er een vangnetregeling is. De vangnetregeling van verzekeraars heeft dat ook niet als doel. Ongeacht het bestaan van een vangnetregeling kunnen verzekerden die te lang moeten wachten bij een bepaalde zorgaanbieder zich melden bij hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling.
Zorgverzekeraars hebben op basis van hun zorgplicht ook de taak om ziekenhuizen aan te spreken als dergelijke situaties zich zichtbaar voordoen en zij monitoren hier dan ook op.
Wat zouden de kosten zijn geweest van het wel vergoeden van deze reguliere zorg in andere klinieken? Welk percentage van de reserves van zorgverzekeraars betreft dit?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 en 2, zijn er geen feiten bekend over patiënten die tijdens de eerste golf doelbewust niet zijn doorverwezen of overgeplaatst naar een zorginstelling waar nog capaciteit zou zijn geweest. De door u gevraagde kostinschatting is derhalve niet te maken.
Is er op dit moment nog steeds sprake van onbenut aanbod in ziekenhuizen? Klopt het dat daarnaast zeker 100.000 mensen wachten op een uitgestelde operatie? Wat is op dit moment de stand van zaken ten aanzien van aantallen mensen die wachten op verschillende vormen van zorg? Kunt u een overzicht geven?
In algemene zin kan gesteld worden dat de ziekenhuizen er op dit moment alles aan doen om enerzijds de voortdurende en hoge instroom van covid-patiënten zo goed mogelijk op te vangen, waarbij ook afschaling van reguliere zorg nodig is om voldoende personeelscapaciteit voor de covid-bedden vrij te spelen; en anderzijds alles op alles zetten om de reguliere zorg zo goed mogelijk doorgang te kunnen laten vinden. De NZa monitort de ontwikkelingen en rapporteert onder meer over het aantal verwijzingen dat niet heeft plaatsgevonden gedurende deze crisis. Een deel van deze verwijzingen zal niet ingehaald hoeven worden, omdat klachten vanzelf zijn overgegaan of op een andere manier aan de zorgvraag (bijvoorbeeld door de huisarts) is voldaan. Gezien de huidige ernst van covid-besmettingen en de dreiging van een eventuele nieuwe piek als gevolg van de VK-variant is de niet-kritiek planbare zorg vooralsnog nationaal afgeschaald, zoals op 12 januari is gecommuniceerd naar uw Kamer5. Uiteraard wordt getracht om eventuele uitgestelde zorg zo snel mogelijk weer in te halen, zodra de omstandigheden daartoe weer een mogelijkheid bieden.
Wat is de stand van zaken van overleg tussen ziekenhuizen, zorgverzekeraars en zelfstandig behandelcentra (ZBC's) ten aanzien van het inhalen van planbare zorg en het aanbieden van reguliere zorg? Is er al een begin gemaakt met deze inhaalslag of blijft het nog bij overleg? Kunt u dit zo spoedig mogelijk inventariseren en de Kamer hierover gedetailleerd informeren?
In december is de Kamer geïnformeerd dat Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) overeenstemming hebben bereikt over een regeling inzake de contractering 2021 en specifiek over hoe om te gaan met de financiële consequenties van covid-19 in 20216. Deze regeling biedt, onder andere, een passende vergoeding voor gederfde inkomsten en de extra kosten door de uitbraak van covid. Daarnaast zijn er afspraken opgenomen over hoe om te gaan met de uitgaven met betrekking tot inhaalzorg die in 2021 zal worden verleend.
Met de zelfstandige klinieken zijn reguliere (lokale, bilaterale) inkoopafspraken voor 2021 gemaakt of is dit proces nog in de afrondingsfase. ZN overlegt periodiek met NVZ, NFU en ZKN of de huidige financiële afspraken toereikend zijn voor de situatie.
Ook is het mogelijk, na gezamenlijk overleg in het ROAZ, om personeel van zelfstandige behandelcentra (ZBC’s) in te zetten in ziekenhuizen om bij te dragen aan de covid-zorg en (semi-) acute zorg. Klinieken die hun medewerkers uitlenen voor behoud van de continuïteit van de meer acute zorg (categorie 1,2,3) en de zorg voor coronapatiënten worden door de zorgverzekeraars financieel gecompenseerd als daarvoor hun eigen zorg moet worden afgeschaald.
Van deze regeling wordt vooralsnog beperkt gebruik gemaakt omdat in de praktijk blijkt dat partijen toch kiezen voor het in standhouden van zoveel mogelijk capaciteit voor juist ook de (urgentere) reguliere zorg. De concrete vraag vanuit ziekenhuizen komt nog niet op gang omdat zij nu zelf ook steeds meer kans zien de reguliere zorg weer op te pakken. Toch is het goed deze maatregel achter de hand te houden voor het waarborgen van de acute zorg zoals beschreven in het tijdelijk beleidskader.
Wanneer zorg wordt uitgesteld is het begrijpelijk dat mensen willen weten wanneer hun zorg wel door kan gaan. Hiervoor kan contact op worden genomen met de behandelaar en/of zorgverzekeraar. In zijn algemeenheid is namelijk niet te zeggen wanneer behandelingen plaats kunnen vinden, dit verschilt per individu en is afhankelijk van de aandoening. Wanneer er weer ruimte komt voor de reguliere zorg, zullen zeker ook stappen worden gezet om extra inhaalzorg te realiseren. Dit zal een geleidelijk proces zijn dat samenhangt met verschillende factoren zoals ziekteverzuim onder zorgverleners.
Kunt u garanderen dat dat, wat in de eerste coronagolf gebeurde nu, niet meer kan voorkomen en dat alle plaatsen in de reguliere zorg die beschikbaar zijn, ook daadwerkelijk worden gebruikt voor patiënten? Zo ja, wat is er veranderd? Zo nee, waarom niet?
De lessen van de eerste coronagolf zijn opgenomen in het «Tijdelijk beleidskader waarborgen acute zorg in de covid-19 pandemie» van 23 oktober. Met dit beleidskader wordt getracht om zoveel mogelijk reguliere zorg doorgang te laten hebben door middel van een evenwichtige spreiding van covid-19 patiënten in Nederland.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden vóór het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
De vragen afzonderlijk beantwoorden is gelukt, beantwoording voor het eerstvolgende debat helaas niet.
Het bericht 'Boeren ontevreden over maatregelen ganzen verjagen' |
|
Gerard van den Anker (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Boeren ontevreden over maatregelen ganzen verjagen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de schade aan gewassen door dieren, met name ganzen, zwanen en mezen, in de meeste provincies is toegenomen de afgelopen jaren?
Het klopt dat sinds de jaren ’90 de uitgekeerde schadebedragen gestegen zijn. De afgelopen vijf jaar schommelt het uitgekeerde schadebedrag rond de 24 miljoen euro. Van de getaxeerde schade wordt ca 85% veroorzaakt door verschillende soorten ganzen.
Kunt u bevestigen dat de maatregelen voor natuurherstel en -ontwikkeling onder andere als doel hebben om de biodiversiteit te vergroten?
Met het programma Natuur geeft het kabinet een stevige impuls aan natuurherstel- en verbetering door voor de periode 2021–2030 jaarlijks een bedrag te investeren in het versterken en intensiveren van het natuurbeleid, oplopend tot € 300 miljoen per jaar (totaal € 3 miljard). Met de middelen zullen versneld maatregelen worden genomen om de negatieve gevolgen van overmatige stikstofdepositie op de natuurkwaliteit te verminderen en de natuur en biodiversiteit te verbeteren.
Deelt u dan ook de verwachting dat het aantal dieren dat faunaschade veroorzaakt, waaronder ganzen, zwanen en mezen, ook de komende jaren zal toenemen als gevolg van de maatregelen voor natuurherstel- en ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Ganzenbeleid, evenals beleid voor natuurherstel en -ontwikkeling is een verantwoordelijkheid van provincies. Uitgangspunt bij dit beleid is het vinden van een balans tussen het bieden van voldoende bescherming en het voorkomen, bestrijden en vergoeden van schade.
Dankzij de combinatie van waterrijke gebieden, waar ganzen broeden en slapen, met eiwitrijke graslanden waar ganzen foerageren, is Nederland een aantrekkelijk land voor ganzen en andere watervogels. De precieze aard van schadeproblematiek kan per gebied sterk verschillen. De relatie tussen beheer, populatieontwikkelingen en optredende schade is bovendien complex. Naast ingrepen in het landschap, en andere vormen van beheer, waaronder verjaging en afschot, spelen ook veranderingen in klimaat, agrarisch landgebruik en migratiepatronen een belangrijke rol2. Om die redenen wordt bij natuurherstel en -ontwikkeling altijd gestreefd naar lokaal maatwerk, waarbij alle partijen, waaronder agrariërs, zo goed mogelijk worden betrokken.
Het is mijns inziens daarom niet in zijn algemeenheid te stellen dat maatregelen voor natuurherstel- en ontwikkeling zonder meer zullen leiden tot een toename van faunaschade.
Is de constatering juist dat er van de drie miljard euro die op dit moment beschikbaar is voor natuurherstel en -ontwikkeling, geen geld is uitgetrokken voor de vergoeding van faunaschade als gevolg van de maatregelen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 stel zijn de daar genoemde maatregelen en bijbehorende middelen bedoeld om de negatieve gevolgen van overmatige stikstofdepositie op de natuurkwaliteit te verminderen en de natuur en biodiversiteit te verbeteren. Hierbij zijn geen middelen voor faunaschade gereserveerd.
Bent u het ermee eens dat bij de maatregelen voor natuurherstel en -ontwikkeling een belangrijke rol is weggelegd voor de agrarische sector en hiervoor een stimulerend beleid voor agrariërs wenselijk/noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar bestaat volgens u die rol dan uit?
Onze agrariërs kunnen met natuurinclusieve kringlooplandbouw een belangrijke bijdrage leveren aan natuurherstel en -ontwikkeling. Denk bijvoorbeeld aan het verweven van landschapselementen (de zogenaamde groenblauwe dooradering) die versnippering van natuur tegengaat. Niet voor niets zet ik met de LNV-visie hierop in, onder andere met stimulerend beleid in de vorm van een omschakelprogramma (Kamerstuk 35 334, nr. 126).
Bent u het ermee eens dat in het kader van stimulerend beleid de maatregelen voor natuurherstel- en ontwikkeling, die het maatschappelijke belang dienen, niet voor rekening van de agrariërs mogen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het met u eens dat waar deze maatregelen faunaschade tot gevolgen hebben voor agrariërs, zij daarvoor binnen de gebruikelijke kaders dienen te worden gecompenseerd.
Kunt u toelichten waarom faunaschade niet integraal is opgenomen in het budget voor natuurherstel en -ontwikkeling? Over welke onderzoeken naar faunaschade beschikt u?
Zoals ik in het antwoord bij vraag 5 toelicht is er geen directe relatie tussen natuurherstel en ontwikkeling en een toename van faunaschade.
Wanneer beschermde, inheemse diersoorten, zoals ganzen, zwanen en mezen, schade aan landbouwgewassen toebrengen, kunnen grondgebruikers in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. BIJ12 verzorgt het tegemoetkomingsproces namens de 12 provincies. Om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, wordt van een grondgebruiker verwacht dat deze eerst zelf een redelijke inspanning pleegt om schade te voorkomen.
BIJ12, evenals individuele provincies, laat veelvuldig onderzoek uitvoeren naar faunaschade. Voor een overzicht verwijs ik u naar de website van BIJ12.
Tegemoetkomingen in faunaschade worden gefinancierd uit provinciale middelen. De hoogte van de uitgekeerde tegemoetkoming wordt bepaald met behulp van taxaties. De totale hoogte van de vergoedde faunaschade is dus gebaseerd op daadwerkelijk ondervonden opbrengstdervingen en staat los van maatregelen en budgetten voor natuurherstel en -ontwikkeling. Er zit geen plafond aan de tegemoetkomingen voor faunaschade aan landbouwgewassen.
Op welke manier bent u voornemens deze toenemende faunaschade te vergoeden en waar komen de financiële middelen vandaan?
Zie antwoord vraag 8.
Het schrappen van artikel 8b uit het Besluit gebruik meststoffen ter uitvoering van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn |
|
Helma Lodders (VVD), Barry Madlener (PVV), Wybren van Haga (FVD), Jaco Geurts (CDA), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat vanwege de geldende coronamaatregelen de fysieke bijeenkomsten van de Tweede Kamer beperkt zijn en de gelegenheid om moties in te dienen momenteel tot een minimum beperkt is?
Ja.
Bent u bereid om een verzoek van de VVD, CDA, SGP, PVV en FvD om artikel 8b uit het Besluit gebruik meststoffen te schrappen, vooruitlopend op het indienen van een motie waarbij u opgeroepen wordt dit artikel te schrappen (dit artikel is op 29 december 2020 toegevoegd en op 6 januari 2021 gepubliceerd), in te willigen? Bent u het ermee eens dat dit artikel een geïntegreerde teelt in de weg staat, omdat bijvoorbeeld de mechanische onkruidbestrijding onmogelijk wordt gemaakt (terwijl dit juist een van de doelstellingen is in de geïntegreerde teelt) en de selectie van pootgoed, ook met mechanische ondersteuning bij de teelt van pootaardappelen onmogelijk wordt? Hoe verhoudt dit zich tot uw beantwoording van de schriftelijke vragen van VVD en CDA op 30 september 2020, waarin u heeft verwezen naar de milieueffectrapportage van maatregelen in het kader van het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn van Wageningen Environmental Research, waarin aangegeven staat dat er een aantal kennishiaten zijn, zoals dat bijvoorbeeld enkel experimenteel onderzoek heeft plaatsgevonden in een niet representatief gebied voor Nederland, namelijk alleen in hellende, erosiegevoelige gebieden, en dat er daarnaast geen gegevens bekend zijn voor de Nederlandse situatie met vlakke percelen? Kunt u dit verder toelichten, aangezien in dit rapport tevens staat dat verondersteld wordt dat de maatregel niet effectief is voor kleigronden, waarmee deze maatregel in de praktijk niet bijdraagt aan de doelen van de Nitraatrichtlijn, maar wel zorgt voor het verhogen van de regeldruk, het stimuleren van chemische onkruidbestrijding en het ontstaan van onwerkbare situaties?1
In mijn beantwoording van de schriftelijke vragen, gesteld door de leden Lodders (VVD) en Geurts (CDA) (Aanhangsel Handelingen II 2020/21, nr. 242), heb ik toegelicht dat de optie van het aanleggen van drempeltjes is gewijzigd naar aanleiding van de reacties die op de consultatieversie van het ontwerpbesluit zijn uitgebracht.
Het voorstel van LTO is overgenomen om tijdens of na het aanleggen van de ruggen mechanisch kleine drempeltjes te maken tot een afstand van maximaal 2 meter. Bij pootaardappelen is deze maatregel inderdaad lastiger toepasbaar, daarom is in het ontwerpbesluit voorzien in meerdere opties voor de landbouwer.
De optie van het frezen van een opvanggreppel is daarom verbreed waarbij een landbouwer afwaterende greppels of infiltratiesleuven aanlegt die bij normale weersomstandigheden het afstromende water opvangen en niet afwateren op de watergang. Hierdoor kan de landbouwer de voor zijn perceel meest passende greppel of infiltratiesleuf aanleggen. Ook is een derde optie toegevoegd, namelijk het verbreden van de teeltvrije zone langs watergangen. Dat houdt in dat langs de het betreffende perceel grenzende watergang aan onbeteelde en onbemeste zone wordt aangelegd van minimaal 3 meter breed. Boeren hebben dus de keuze de mogelijkheid te kiezen die op het eigen perceel en in de eigen bedrijfsvoering het beste uitvoerbaar is.
Het rapport «Milieueffectrapportage van maatregelen zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn» maakt deel uit van de verplichte plan-milieueffectrapportage die in het kader van de totstandkoming van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn in 2017 is doorlopen. In 2020 is door Wageningen Universiteit & Research als vervolg hierop veldonderzoek2 uitgevoerd naar het effect van drempels in percelen met aardappels geteeld in ruggen op vlakke percelen in Noord- en Zuid-Limburg. In dit onderzoek zijn een ruggenteelt met een drempel, een ruggenteelt zonder drempel en een teelt met een ruwe rug (aangelegd door een gitter-roller) met elkaar vergeleken.
De eerste onderzoeksresultaten laten zien dat in de ruggenteelt met drempels een duidelijk effect op het volume oppervlakkig afstromend water werd gemeten. Met de vermindering van de oppervlakkige afstroming spoelde ook minder sediment af. Ook bij de ruw aangelegde ruggen werd minder oppervlakkige afstroming gemeten, zij het minder geprononceerd. Het blokkerende effect nam lopende het seizoen af. Op de percelen waar in de loop van 2020 hevige neerslag optrad, zijn drempels weggespoeld. Analyse van de concentraties in het opgevangen afgestroomde water en sediment wordt nog uitgevoerd. Komend jaar zal verder onderzoek plaatsvinden waarnaar publicatie zal plaatsvinden in de tweede helft van 2022.
Hierbij is het goed op te merken nutriënten die niet afspoelen kunnen worden benut door de teelt en dat is in het voordeel van de landbouwer. Door de drempeltjes filtreert het water in het gehele perceel in en stroomt het niet af naar een lager gedeelte binnen het perceel, waardoor schade wordt voorkomen. Bij een langere periode van droogte wordt regen beter benut.
Het niet invoeren van deze maatregel betekent dat het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn niet volledig wordt uitgevoerd en dus niet volledig wordt voldaan aan de voorschriften van de Nitraatrichtlijn. Een meerderheid van uw Kamer verzoekt mij nu echter deze maatregel te schrappen. Aan dit verzoek zal ik als volgt gehoor geven. Omdat het besluit reeds gepubliceerd is, is het op dit moment niet mogelijk het besluit aan te passen en dus ook niet mogelijk een artikel te schrappen. De enig mogelijke stap is om, na afloop van de nahang, per koninklijk besluit tot gedifferentieerde inwerkingtreding over te gaan. Dat betekent dat ik in het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit zoals dat – na afloop van de nahang die op 6 januari jl. is gestart (Kamerstuk 33 037, nr. 382) – zal worden vastgesteld, artikel 8b van het Besluit gebruik meststoffen niet in werking zal laten treden. Dit betekent dat landbouwers op klei en löss niet verplicht zijn drempels tussen ruggen, of één van de andere opties daarvoor, toe te passen om afspoeling van meststoffen te voorkomen.
Deze maatregel was voorzien in het kader van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn. Het nemen van maatregelen om afspoeling van nutriënten te beperken blijft onverkort van belang. Ik zal dit dan ook opnieuw bezien bij het opstellen van het zevende actieprogramma Nitraatrichtlijn ten behoeve van de verantwoordelijkheden in het kader van de waterkwaliteit. Het zou met het oog op de invulling van het zevende Nitraatactieprogramma behulpzaam zijn als de sector hiervoor het komende groeiseizoen zelf vrijwillig maatregelen treft. Hierbij kunnen landbouwers gebruik maken van reeds opgedane kennis en ervaring via bijvoorbeeld het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.
De dwang op commerciële advocatuur om gesubsidieerde rechtsbijstand te gaan verlenen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel waardering heeft u voor sociaal advocaten, die al jaren gedwongen worden voor een te lage vergoeding hun belangrijke werk te doen?
Ik meen dat sociaal advocaten belangrijk werk verrichten met grote maatschappelijke waarde. Daarom is een van de hoofddoelen van de stelselvernieuwing om betere vergoedingen te bewerkstelligen voor advocaten en mediators die in het stelsel werkzaam zijn.
Was uw uitspraak tijdens het algemeen overleg over de gesubsidieerde rechtsbijstand op 20 januari jl. om de commerciële advocatuur te dwingen gesubsidieerde rechtsbijstand te gaan verlenen een doordacht plan of heeft u dat ter plekke als idee opgeworpen?1
Dit is niet iets nieuws. In de contourennota van 9 november 2018 heb ik reeds aangegeven dat de strikte waterscheiding in de advocatuur tussen sociaal advocaten en commerciële advocatenkantoren onwenselijk is en in het verleden ook anders was. Daarbij heb ik ook vermeld dat ik in gesprek ga met commerciële kantoren om te bezien op welke wijze zij bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van een meer duurzaam stelsel voor rechtsbijstand. Het uitgangspunt daarbij was en is een grotere solidariteit binnen de beroepsgroep en het in gezamenlijkheid invulling geven aan de toegang tot het recht van minder bedeelden. Hoewel op enkele plaatsen initiatieven zijn ontstaan, is een echte structurele toenadering tot nu toe uitgebleven. Dan is het niet vreemd dat ik een minder vrijblijvende aanpak ga verkennen.
Hoe duidt u de kritiek op die uitspraak van u, in het bijzonder in het licht van het uitblijven van forse structurele investeringen in de gesubsidieerde rechtsbijstand?2 3 4
Uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt dat ik vooral voor ogen heb dat de gehele advocatuur een bijdrage levert aan het stelsel. Ik wil met een minder vrijblijvende aanpak commerciële advocatenkantoren op de bestaande sociale advocatuur een aanvullende bijdrage laten leveren ten behoeve van een meer solidair stelsel. In mijn antwoord op vraag 4 ga ik nader in op wat die bijdrage kan behelzen.
Waarom denkt u zelf dat de commerciële advocatuur tot nu toe niet in de gesubsidieerde rechtsbijstand inspringt en wat heeft u daar de afgelopen jaren aan gedaan?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, zijn er al de nodige initiatieven ontstaan waarbij de commerciële advocatuur een bijdrage levert aan het stelsel. Zoals het samenwerkingsverband tussen Houthoff en Meesters aan de Maas waarbij stagiaires van Houthoff een bijdrage leveren aan de rechtsbijstand die wordt verleend door de toegevoegde advocaten van Meesters aan de Maas.
Daarnaast gaat de Raad voor Rechtsbijstand (Raad) met de innovatievoorziening van zesmaal € 1 mln. – waarvan € 2 mln. al is uitgetrokken voor de jonge aanwasregeling – innovatieve ideeën voor de samenwerking tussen commerciële kantoren en sociale advocatuur stimuleren. De Raad werkt hierbij samen met de NOvA, VSAN, commerciële kantoren, universiteiten en hbo’s.
De NOvA heeft oud-deken Walter Hendriks als kwartiermaker aangesteld die het komende jaar samen met commerciële kantoren de reeds ontstane initiatieven verder gaat uitbouwen en intensiveren.
Graag zou ik dergelijke initiatieven – die nu te sporadisch en op louter vrijwillige basis plaatsvinden – een steviger fundament willen geven ten behoeve van een meer solidair stelsel. De bijdrage vanuit de commerciële advocatenkantoren kan op meerdere manieren worden geleverd. Ik denk bijvoorbeeld aan een bijdrage in de infrastructuur van kantoren zoals het delen van kennis over bedrijfsvoering, het ter beschikking stellen van expertise, kennisdeling (o.a. door stages) of de inzet van innovatieve (ICT) systemen. Ook sluit ik niet uit dat een bijdrage in financiële vorm geleverd kan worden via bijvoorbeeld het oprichten van een fonds. Daarbij wil ik ook kijken hoe het in de landen om ons heen is georganiseerd. In België bijvoorbeeld is deelname aan de gesubsidieerde rechtsbijstand een verplicht onderdeel van de beroepsopleiding. Dit zou in een behoefte kunnen voorzien, aangezien advocaat-stagiaires van commerciële kantoren zo procedeerervaring kunnen opdoen en het meer solidariteit creëert binnen de beroepsgroep.
Hoe zou dwang of stimulans dat probleem oplossen?
Het probleem dat ik zie is dat de bijdrage vanuit de commerciële advocatuur aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand momenteel te vrijwillig en sporadisch wordt vormgegeven. Met een minder vrijblijvende aanpak wil ik bewerkstelligen dat commerciële advocaten meer dan nu het geval is hun steentje gaan bijdragen ten behoeve van de rechtshulp aan minder draagkrachtige en vaak ook kwetsbare rechtzoekenden.
In hoeverre denkt u überhaupt dat de expertise van de commerciële advocatuur aansluit op de behoeften van rechtszoekenden die aanspraak kunnen maken op de gesubsidieerde rechtsbijstand?
Ik wil niets afdoen aan het goede en belangrijke werk dat sociaal advocaten verrichten. Ik onderken dat het verlenen van rechtsbijstand aan de doelgroep van de Wet op de rechtsbijstand om andere kwaliteiten en vaardigheden vraagt dan advisering in een fusietraject of omtrent een merkenrechtelijk geschil. Dat neemt niet weg dat commerciële advocatenkantoren een waardevolle aanvulling kunnen leveren op de bestaande sociale advocatuur. Dit kan bijvoorbeeld door best practices en innovaties vanuit de commerciële praktijk te delen. Uit de enquête van de Raad voor Rechtsbijstand onder sociaal advocaten is ook gebleken dat sociaal advocaten bepaalde digitale kennissystemen niet gebruiken, onder meer vanwege hoge kosten. Door het ter beschikking stellen van dergelijke systemen door commerciële kantoren kan dit bijdragen aan de kwaliteit van de dienstverlening door sociaal advocaten. Desalniettemin voorziet ook het inzetten van stagiaires van commerciële kantoren in een wederzijdse behoefte, zoals blijkt uit het voorbeeld van Houthoff en Meesters aan de Maas genoemd in het antwoord op vraag 4.
Weet u eigenlijk na al die jaren wel wat het werk van sociaal advocaten inhoudt?
Ik meen dat ik me de afgelopen jaren een goed beeld heb kunnen vormen van het werk van sociaal advocaten.
Deelt u de mening dat de krimpende groep sociaal advocaten die al ervaring hebben met gesubsidieerde rechtsbijstand beter in staat zijn om rechtszoekenden die recht hebben op gesubsidieerde rechtsbijstand bij te staan dan commerciële advocaten die deze ervaringen missen? Op welke wijze wordt de kwaliteit van de geleverde gesubsidieerde rechtsbijstand hier beter van?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 2 en 6.
Wie wordt er nu uiteindelijk beter van dit plan, is dat de rechtszoekende (die mogelijk te maken krijgt met minder kwaliteit en specialisatie), is dat de sociaal advocaat (waarvoor nog minder zaken overblijven en de vergoeding onverminderd laag blijft) of is dat de commercieel advocaat (die hier kennelijk ook niet op zit te wachten)?
Mijns inziens alle drie, maar bovenal de rechtzoekende.
Moet de conclusie niet zijn dat helemaal niemand hier beter van wordt? Bent u bereid dit plan diep weg te stoppen en hier niet meer mee aan de slag te gaan?
Neen
Het verdwijnen van Vietnamese alleenstaande kinderen uit de COA-opvang |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat twee van de kinderen onder de 39 mensen die op 23 oktober 2019 in Essex dood werden aangetroffen in de koelcontainer van een mensensmokkelaar, vijf maanden lang in de Nederlandse beschermde opvang hebben verbleven?
De gebeurtenis in Essex is een uiterst ernstige zaak met een hartverscheurende afloop. Na een grootschalig Europees onderzoek zijn er in de Essex-zaak veroordelingen geweest voor mensensmokkel.
In Nederland zal gereflecteerd worden op deze zaak en zal worden bezien welke mogelijke lessen hier uit getrokken kunnen worden.
De problematiek van minderjarige Vietnamese vreemdelingen die verdwijnen uit de opvang is al langer in de migratieketen bekend. Zoals aan uw Kamer gemeld per brief van 23 maart 2020 worden amv’s bij wie op voorhand een risico op verdwijning bestaat, vanwege bijvoorbeeld een reëel vermoeden dat zij slachtoffer zijn van mensenhandelaren, in de beschermde opvang geplaatst. Vietnamese minderjarigen worden in Nederland standaard in de beschermde opvang geplaatst. In de beschermde opvang vinden extra maatregelen en toezicht plaats om de amv’s binnen de opvang te beschermen tegen personen met kwade bedoelingen. Tevens wordt in de beschermde opvang gebruik gemaakt van een multidisciplinaire risicoanalyse van de kwetsbaarheden van de betreffende amv’s. De beschermde opvang is echter een besloten en niet een gesloten opvangvorm. Ondanks de inzet die door medewerkers wordt gepleegd om dit te voorkomen, kan een amv uit de beschermde opvang vertrekken.
Conform deze standaardwerkwijze zijn ook de twee genoemde jongens in de beschermde opvang geplaatst. Het klopt dat zij hier ongeveer vijf maanden hebben verbleven. Het klopt ook dat de twee door de politie zijn gevolgd toen zij de opvang verlieten. Naar aanleiding van een verdenking mensensmokkel is ervoor gekozen om een observatieteam (OT) van de politie in te zetten om zicht te krijgen op de bewegingen van de jongens en op degenen die zich daarbij mogelijk schuldig zouden maken aan mensensmokkel. Het OT is de jongens in het kader van de grensoverschrijdende observatie, gevolgd tot een adres in België. Op basis van de standaardprocedure grensoverschrijding is hiervoor contact opgenomen met de Belgische autoriteiten. De verdenking mensensmokkel was gericht tegen een niet bekend persoon (NN01) en gebaseerd op signalen van mensensmokkel zoals het feit dat één van de jongens eerder deel uitmaakte van een groep gesmokkelde personen die werd aangetroffen in Hoek van Holland en de veronderstelling dat het aannemelijk was dat na eventueel vertrek uit de beschermde opvang hij hulp zou krijgen van een ander of anderen. De Belgische politie liet weten dat het adres in België niet bekend stond als mensensmokkeladres of anderszins. Een concrete verdenking tegen een persoon is niet ontstaan. Omdat er op dat moment geen concrete wetenschap van mensensmokkel was, is er volgens de politie en het OM geen sprake geweest van doorlaten (ex artikel 126ff Sv). Daarnaast zijn de jongens steeds onder controle gehouden/geweest van het Nederlandse observatieteam waarna in afstemming het initiatief is overgedragen aan de Belgische autoriteiten.
Klopt het dat de betreffende twee kinderen door de politie zijn gevolgd nadat zij de opvang hadden verlaten, maar dat de politie uiteindelijk niet heeft ingegrepen om de taxi van de twee kinderen te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u verklaren waarom de politie niet heeft aangenomen dat het hier om strafbare mensenhandel ging, waarop het juridische doorlaatverbod van toepassing is?
Zie antwoord vraag 1.
Is het juist dat voor een verdenking van mensenhandel in het geval van minderjarigen het waarnemen van dwang geen vereiste is?
In algemene zin geldt inderdaad dat voor mensenhandel jegens een minderjarige niet is vereist dat door de dader dwang is toegepast (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 2⁰, van het Wetboek van Strafrecht). In dat geval is wel vereist dat de dader de bedoeling heeft gehad om een ander uit te buiten of door een derde te laten uitbuiten. Bij vervolging ter zake van mensenhandel is het aan de rechter om te beoordelen of mensenhandel in het gegeven geval wettig en overtuigend is bewezen.
Wordt bij het doen van aangifte van mensensmokkel door een minderjarige automatisch uitgegaan van mensenhandel, op basis waarvan een B8-vergunning kan worden verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Mensensmokkel en mensenhandel zijn twee verschillende delicten, al kunnen ze in combinatie voorkomen. Mensensmokkel is het helpen van mensen waardoor zij zich illegaal toegang tot of doorreis door een land kunnen verschaffen. Migranten kiezen en betalen hier doorgaans zelf voor. Mensensmokkel is een misdaad tegen de staat. Mensenhandelis het werven, vervoeren, overbrengen, opnemen of huisvesten van mensen, met gebruik van dwang (in brede zin) en met het doel die mensen uit te buiten. Dat hoeft niet grensoverschrijdend te gebeuren. De (beoogde) uitbuiting is de kern van mensenhandel. Het is daarmee een misdaad tegen de persoon.
Bij de geringste aanwijzing dat sprake is van mensenhandel biedt de politie of KMar aan het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd aan in de zin van paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire, waarna het slachtoffer de mogelijkheid krijgt om aangifte te doen van mensenhandel. Wanneer aangifte wordt gedaan van mensenhandel stuurt de politie of KMar de kennisgeving hiervan door aan de IND, de IND merkt deze kennisgeving ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een B8-vergunning.
Hoe vaak is sinds de door u nieuw ingevoerde werkinstructies inzake Vietnamese AMV’s (alleenstaande minderjarige vreemdelingen) het vertrek van een AMV door een voogd als vertrek met bekende bestemming aangemerkt, waardoor de politie stopt met onderzoeken? Erkent u dat hierdoor mogelijk onderzoeken worden stopgezet die van groot belang kunnen zijn voor het oprollen van mensenhandel? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit herken ik niet. De nieuwe werkafspraken tussen politie/AVIM, COA, Nidos en de DT&V, waar uw Kamer bij brief van 23 maart 2020 over is geïnformeerd, hebben tot doel om vast te leggen, wie, wat, wanneer moet doen als geconstateerd wordt dat een minderjarige is vertrokken uit de opvang, waaronder de beschermde opvang. Ze zien niet specifiek op Vietnamese amv’s. In de werkafspraken is de mogelijkheid opgenomen dat een amv, naast vertrokken met onbekende bestemming, ook kan worden aangemerkt als vertrokken naar een bekende bestemming. Hier is sprake van indien de amv afwezig is uit zijn of haar gebruikelijke omgeving, maar de verblijfplaats bekend is bij de voogd en er bij de voogd vertrouwen is dat het goed gaat met de pupil en de zorg is overgenomen door ouders of derden (bijv. een instelling). Dit gebeurt enkele keren per jaar. Amv’s ten aanzien van wie twijfels bestaan over zijn of haar veiligheid zullen niet worden aangemerkt als met bekende bestemming vertrokken.
Wordt bij een vermoeden dat een Vietnamese AMV op korte termijn mogelijk de beschermde opvang wil verlaten direct de politie geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onderneemt de politie hierop meteen actie door de opvang in de gaten te houden en AMV’s te volgen? Zo nee, waarom niet?
Medewerkers van de beschermde opvang zijn alert op signalen die kunnen duiden op het voornemen van een amv om de beschermde opvang te verlaten. De beschermde opvang heeft korte lijnen met de politie en signalen die mogelijk duiden op een verdwijning worden met de politie gedeeld.
Afhankelijk van de melding, kan de politie bepalen waartoe ze gemachtigd is om actie te ondernemen. Niet elk plotseling vertrek hoeft te maken te hebben met mensensmokkel of -handel. Als er concrete indicaties zijn die onderzocht kunnen worden op het gebied van mensensmokkel, dan wel mensenhandel, zal respectievelijk de KMar, dan wel de politie nader onderzoek doen en bezien welke maatregelen kunnen worden ingezet.
Bent u bekend met het feit dat de op 23 oktober 2019 dood aangetroffen mensen in de koelcontainer van een vrachtwagen hadden betaald voor wat door de mensenhandelaren als «VIP-reis» werd verkocht? Bent u het er mee eens dat alle mogelijke inspanningen moeten worden verricht om dit soort schurken in de gevangenis te krijgen? Zo ja, welke concrete stappen heeft u hierin gezet, of gaat u nog zetten?
Hetgeen gebeurd is, is zeer ernstig met een verschrikkelijke afloop. Er is door betrokken instanties hard gewerkt, zowel nationaal als internationaal, om deze zaak te onderzoeken en de daders te vervolgen.
Direct nadat het Essex-drama bekend werd, heeft het Nederlandse Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) onderzocht of, en zo ja in welke mate, er linken zijn met Nederland. Het EMM heeft de informatievragen vanuit het buitenland (en dus ook het Verenigd Koninkrijk) beantwoord en ook ongevraagd andere informatie gedeeld welke mogelijk van waarde was voor het ESSEX onderzoek. Nederland heeft geen zitting genomen in het Joint Investigation Team (JIT) omdat er geen sprake was van zicht op medeverdachten of strafbare feiten ten aanzien van het feit gepleegd in Nederland.
Inmiddels heeft de Britse justitie veroordelingen uitgesproken met betrekking tot mensensmokkel tegen meerdere verdachten waaronder een aantal personen waarover Nederland informatie heeft gedeeld met het Verenigd Koninkrijk.
Heeft u in de nieuwe werkinstructies rondom Vietnamese AMV’s expliciet geregeld dat Vietnamese AMV’s proactief en met oog voor de psychische gesteldheid van de kinderen moeten worden benaderd om ze uit te leggen welke bescherming ze in Nederland kunnen krijgen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Nee, hier is al oog voor in de begeleiding binnen de beschermde opvang.
In de beschermde opvang gelden beschermingsmaatregelen die tot doel hebben om verdwijningen zoveel mogelijk tegen te gaan. De vrijheidsbeperkende beschermingsmaatregelen van de amv worden gedurende het verblijf gefaseerd verruimd. Ondertussen krijgen amv’s intensieve begeleiding om hun weerbaarheid te vergroten. Ook krijgen zij voorlichting over mensenhandel en/of mensensmokkel.
Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven zien de werkafspraken niet specifiek op Vietnamezen en niet op de begeleiding van amv’s in de opvang.
Op welke manier wordt samengewerkt met de regering en opsporingsdiensten van het Verenigd Koninkrijk om het mensenhandelnetwerk rond Vietnamese AMV’s op te rollen? Tot welke resultaten heeft dit tot nu toe geleid?
In algemene zin wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid met de collega’s in het Verenigd Koninkrijk op beleidsniveau samengewerkt op het gebied van mensenhandel.
De problematiek van de fenomenen mensensmokkel en mensenhandel is groter dan alleen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Vandaar ook dat samenwerking en informatie-uitwisseling bij de bestrijding van de mogelijke internationaal opererende criminele netwerken op Europees niveau plaatsvindt in het kader van EMPACT, ondersteund door Europol. Binnen EMPACT THB is er ook een nieuw programma dat zich richt op het onderwerp Vietnamese THB. Nederland is samen met Duitsland en Spanje projectleider van dit programma. Op operationeel niveau vindt ook samenwerking plaats, indien hier aanleiding voor is (zoals bijv. de zaak Essex), vanuit onder andere de politie en de KMar.
Zie verder ook het antwoord onder 8.
Het voorstel van de gemeente Amsterdam tot het plaatsen van windturbines in het IJmeer, op korte afstand van de woonwijk IJburg. |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de plannen van de gemeente Amsterdam om windturbines te plaatsen in het IJmeer?1
Ja.
Kunt u aangeven of het klopt dat binnen dit plan ook wordt gedacht aan afstanden tussen de 350 en 500 meter van een bestaande woonwijk?
Mij is bekend dat binnen de plannen aan deze afstanden gedacht wordt, waarbij het van belang is om te melden dat het nog een zoekgebied betreft en de plannen nog niet definitief zijn.
Lopen de omwonenden hierdoor niet extra risico op gezondheids- en welzijnsschade vanwege de zeer korte afstand waarop de windturbines worden geplaatst ten opzichte van de woonwijk? Kunt u dit toelichten mede ook vanuit het voorzorgsbeginsel?2
Windturbines mogen in de omgeving van woningen worden gebouwd. Wel gelden er regels om eventuele geluidsoverlast en last van slagschaduw te beperken. Deze milieunormen gelden ook in dit geval. Dit draagt ertoe bij dat risico’s op gezondheids- en welzijnsschade tot het aanvaardbare minimum zijn beperkt. In het wetenschappelijk onderzoek dat tot nu toe is gedaan zijn geen duidelijke aanwijzingen gevonden voor een direct verband tussen windturbinegeluid en gezondheidseffecten, anders dan hinder en mogelijk slaapverstoring. Aangezien de huidige geluidsnormering al gericht is op het beperken van hinder en slaapverstoring, zie ik geen noodzaak om uit voorzorg strengere normen te hanteren.
Kunt u aangeven of er op meer locaties in ons land wordt gewerkt met afstandscriteria vanaf 350 meter?
Er zijn geen specifieke afstandscriteria. Wel kunnen op grond van de normering voor veiligheid, ten behoeve van het beperken van het plaatsgebonden risico, minimale afstanden worden bepaald tussen een windturbine en bewoning. Daarnaast zijn er normen voor geluid en slagschaduw. De bevoegde gezagen dienen die normen bij de planvorming in acht te nemen. Binnen die normen wordt de plaatsing van windturbines overwogen.
Indien kan worden voldaan aan de gestelde geluidsnorm en de norm voor slagschaduw is een afstand van 350 meter mogelijk. Vooraf dient een geluidsonderzoek plaats te vinden, waarbij de geluidsbelasting wordt berekend op basis van de geluidproductie van de windturbine, in combinatie met gegevens over de windsnelheden gedurende het jaar. Daarbij moet worden aangetoond dat het geluid van de windmolens nabij woningen binnen de grenswaarden blijft. Als blijkt dat een windpark te veel geluid maakt, moet de ontwikkelaar voor technische aanpassingen zorgen, bijvoorbeeld een lagere maximum draaifrequentie of een kleiner vermogen. Slagschaduw kan hinder veroorzaken als de turbine dicht bij een woning of ander kwetsbaar object staat. Hier zijn normen voor om de hinder te beperken. Een gevel met ramen mag bijvoorbeeld niet meer slagschaduw ontvangen dan 17 dagen per jaar en niet meer dan 20 minuten per dag. Dit kan worden bereikt door (op zonnige dagen) de windturbine tijdelijk stil te zetten op het moment dat betreffende gevel met ramen geconfronteerd wordt met te veel slagschaduw.
Een initiatiefnemer van een windmolen is verplicht op basis van jaarlijkse draaigegevens aan te kunnen tonen dat wordt voldaan aan de wettelijke geluidnormen en deze gegevens minimaal vijf jaar te bewaren. Zo kan de overheid zien of een exploitant zich houdt aan de geluidsnormen. Als de geluidsnormen worden overschreden, kan de overheid een dwangsom opleggen of de windmolen laten stilzetten.
Of, wanneer en hoe lang een windturbine moet worden stilgezet valt niet in algemene zin aan te geven, dit is per specifieke situatie verschillend, mede afhankelijk van het aantal woningen of andere kwetsbare objecten in de omgeving.
Kunt u aangeven of het klopt dat deze afstand is toegestaan in Nederland, zolang voldaan wordt aan de gestelde gemiddelde geluidsnormen en normen voor slagschaduw? Zo ja, wat betekent dit voor de tijd dat een turbine daardoor moet worden stilgezet, het businessplan, en op welke wijze wordt dit gecontroleerd en hoe wordt hierop gehandhaafd? Zo nee, welke afstandsnormen gelden er in Nederland, welke consequenties hebben deze normen voor plannen die deze normen overschrijden en op welke wijze wordt hierop gecontroleerd en gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen wat precies de functie en het doel van participatie en inspraak van omwonenden is, welke reikwijdte deze hebben en wanneer deze gevolgen heeft voor plannen waarop zij betrekking hebben?
In algemene zin heb ik in mijn brief van 22 maart jl. over de versterking en vernieuwing van de democratie3 aangegeven dat participatie van inwoners belangrijk is voor de kwaliteit en draagvlak van besluitvorming en beleid in het lokale bestuur. Een belangrijk uitgangspunt voor succesvolle participatie is dat burgers, ondernemers en maatschappelijke partijen ook daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen. Het programma Democratie in Actie (DiA) ondersteunt gemeenten bij versterking en vernieuwing van democratie en bestuur. Daarbij zijn ook instrumenten ontwikkeld en ondersteuning beschikbaar voor gemeenten om werk te maken van participatie, bijvoorbeeld met burgerfora en het uitdaagrecht.
Bij het realiseren van hernieuwbare energieprojecten hebben zowel het bevoegd gezag als de initiatiefnemer een rol en verantwoordelijkheid waar het gaat om het betrekken van de omgeving en het verkrijgen van draagvlak. Het gaat hierbij zowel om het betrekken van de omgeving bij de besluitvorming en het ontwerp van het project, als het maken van afspraken met de omgeving over financiële participatie, conform de afspraak hierover in het Klimaatakkoord.
Er zijn voorbeelden te noemen van projecten waar projecten zijn aangepast in overleg met de omgeving. Het is belangrijk om hierbij te noemen dat «op acceptabele wijze» subjectief is: wat voor de één «acceptabel» is, hoeft niet acceptabel te zijn voor een ander. Bij windpark Nij Hiddum-Houw is in overleg met de rondom het park ingestelde Omgevingsadviesraad (OAR) gekozen voor negen grotere turbines in plaats van 18 kleinere, is de positie van één van de turbines verschoven en zijn er diverse geluidsbeperkingen afgesproken. Andere voorbeelden van participatie bij projecten rondom windenergie op land zijn onder andere te vinden op https://www.energieparticipatie.nl/community/praktijkverhalen.
Ook bij het opstellen van de Regionale Energiestrategieën (RES’en) wordt momenteel een belangrijke basis gelegd voor de discussie over de wenselijkheid van ontwikkelingen. Iedere RES-regio organiseert participatie van inwoners op een manier die past bij de kenmerken en plannen van de regio. Dit kan ook gaan om financiële participatie of maatschappelijke initiatieven. Daarmee kunnen ideeën opgehaald worden en kan een beeld verkregen worden van het draagvlak voor windenergie; zowel voor wat betreft de landschappelijke inpassing van potentiële locaties als het beoogde vermogen. Op basis daarvan kunnen overheden randvoorwaarden stellen aan de locatiekeuze en invulling van windprojecten. Daarbij nemen overheden niet alleen draagvlak in beschouwing, maar bijvoorbeeld ook impact op het landschap, netinfrastructuur en energieopbrengst.
Kunt u voorbeelden geven van projecten rond windenergie op land, waarbij de participatie en inspraak er voor heeft gezorgd dat de plannen niet doorgingen, dan wel op voor de participerende omwonenden op acceptabele wijze werden aangepast?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uitleggen waarom Nederland niet kiest voor het model in Beieren, waar de norm geldt dat de afstand tot windturbines wordt bepaald door de tiphoogte van de turbine x 10?
In Nederland is niet gekozen voor afstandsnormen, maar voor geluidsnormen en normen voor veiligheid en slagschaduw omdat die een meer gerichte op de specifieke situatie afgestemde afweging mogelijk maken.
Elk land kan in de daar geldende systematiek een methode van afweging kiezen. De omstandigheden binnen een land spelen ook een rol bij de keuze van instrumenten.
Bent u van mening dat Beieren (of andere landen) deze norm ten onrechte heeft gesteld? Zo ja, wat is hiervan de onderliggende argumentatie?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bevestigen dat bij het vaststellen van de geluidsnormen en de afstand tussen windturbines en de bebouwde kom, geen andere belangen zijn meegewogen dan de gezondheid en het welzijn van omwonenden? Zo nee, welke andere belangen spelen hierbij een rol en in welke mate gaan deze ten koste van de gezondheid en het welzijn van omwonenden?
Bij de vaststelling van geluidsnormen is er expliciet op toegezien dat de normstelling qua verwachte hinder in lijn is met de normstelling voor andere geluidbronnen (zie Nota van Toelichting bij wijziging milieuregels windturbines (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2010-749.html)). Net zoals bij andere geluidbronnen wordt een beperkte kans op hinder als aanvaardbaar beschouwd. Voor de geluidsnormering, en daarmee voor de afstand tot bebouwing, speelt het bieden van een voldoende mate van bescherming tegen hinder en slaapverstoring een doorslaggevende rol.
Kunt u aangeven hoeveel en op welke schaal (hoe vaak, op welk moment en de hoogte van de overschrijding) de huidige windturbines op land de gestelde geluidsnormen en normen voor slagschaduw het afgelopen jaar (vastgesteld) hebben overtreden, welke handhavingsmaatregelen hierop zijn getroffen en in welke verhouding de overtredingen staan ten opzichte van het aantal ontvangen klachten van omwonenden? Zo nee, bent bereid dit te onderzoeken?
De handhaving van de geluidsnormen en normen voor slagschaduw ligt bij decentrale bevoegde gezagen (omgevingsdiensten, in opdracht van gemeenten). In geval van twijfel kan in de praktijk worden gecontroleerd of een windturbine voldoet aan het geaccrediteerde geluidproductieniveau en kan hierop worden gehandhaafd. Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bestaat geen landelijk overzicht van overtredingen, handhavingsmaatregelen en klachten van omwonenden met betrekking tot windturbines op land in het afgelopen jaar. Het ligt ook niet in de rede dat een andere instantie dan het bevoegd gezag dat er over gaat een dergelijk overzicht bijhoudt. Bij windturbines is er sprake van lokaal maatwerk, waarbij er naast de regels uit het Activiteitenbesluit vaak ook nog maatwerkvoorschriften worden gesteld. In antwoord op een eerdere Kamervraag zijn voorbeelden genoemd van gevallen waarin een dwangsom was opgelegd wegens overtreding van maatwerkvoorschriften voor geluid van windturbines (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 952, antwoord op vraag 4).
Het bericht 'Wat er met Ali, Samoal, Ibrahim gebeurde na hun uitzetting naar Soedan' |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA), Joël Voordewind (CU) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wat er met Ali, Samoal, Ibrahim gebeurde na hun uitzetting naar Soedan» d.d. 22 januari jl.?1
Ja.
Hoeveel asielzoekers zijn er het afgelopen decennium teruggestuurd naar Soedan?
In de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2020 zijn er vanuit de caseload van de DT&V, afgerond op tientallen, in totaal 190 Soedanese vreemdelingen aantoonbaar vertrokken naar Soedan. In circa 160 gevallen betrof dit zelfstandig vertrek, in circa 30 gevallen betrof dit gedwongen vertrek.
Is het u bekend hoeveel daarvan bij aankomst zijn aangehouden en/of vastgezet door de Soedanese veiligheidsdienst NISS? Zo ja, wat is uw oordeel hierover? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend hoeveel asielzoekers zijn aangehouden dan wel vastgezet door de NISS na terugkeer omdat monitoring geen deel uitmaakt van het Nederlandse terugkeerbeleid. Op het moment dat een asielzoeker wordt uitgezet houdt dat in dat deze persoon geen recht op asielbescherming heeft in Nederland. Hij/zij heeft in dat geval de volledige asielprocedure doorlopen en heeft de mogelijkheid gehad om rechtsmiddelen in te stellen tegen een afwijzende beschikking. Indien de afwijzende beschikking in (hoger) beroep is vast komen te staan of niet in rechte is aangevochten, is het voorafgaand aan terugkeer aannemelijk dat hij/zij geen individueel risico loopt op ernstige schade of vervolging bij terugkeer. Nederland heeft op dat moment aan al haar verplichtingen voldaan in het kader van het (internationaal) vreemdelingenrecht. Er bestaat geen verplichting, internationaal of anderszins, om toe te zien op de situatie ná terugkeer. Het uitgangspunt is een goed doorlopen procedure en een zorgvuldige besluitvorming.
Daarnaast zal het in de regel niet mogelijk zijn om gebeurtenissen die zich mogelijk hebben voorgedaan na terugkeer in het land van herkomst in causaal verband te stellen met de in Nederland doorlopen asielprocedure. Ook om die reden zou monitoring geen waarde hebben.
Bovendien past monitoring door de Nederlandse overheid niet binnen het normale diplomatieke verkeer. Omgekeerd zou het ook niet passen wanneer autoriteiten van andere landen zouden monitoren hoe het Nederlanders in Nederland vergaat.
Welke rol hebben de waarschuwingen van mensenrechtenorganisaties over uitzettingen naar Soedan gespeeld bij de besluitvorming van de uitzetting?
Bij beleidsprocessen omtrent het asiel- en terugkeerbeleid wordt gebruik gemaakt van een ambtsbericht en van andere gezaghebbende bronnen ten aanzien van het betreffende land. Een ambtsbericht bundelt feitelijke en objectieve informatie; daarbij wordt gebruik gemaakt van zowel openbare bronnen als informatie verkregen uit vertrouwelijke bronnen. Hierbij wordt informatie zoveel mogelijk geverifieerd door een breed scala aan bronnen te gebruiken.
In het algemeen ambtsbericht Soedan d.d. oktober 2019 zijn de signalen van mensenrechtenorganisaties over uitzettingen naar Soedan expliciet benoemd. Uit de afweging van alle beschikbare informatie is echter gebleken dat de situatie in Soedan in algemene zin veilig genoeg is om tot uitzetting over te gaan en dat er geen reden is om aan te nemen dat Soedanezen die terugkeren naar hun land van herkomst enkel om deze reden in de bijzondere aandacht van de Soedanese autoriteiten staan.
Het nieuwe ambtsbericht wordt op korte termijn verwacht. Ook in dit ambtsbericht zal er aandacht besteed worden aan terugkeer vanuit het buitenland.
Op welke wijze en/of in samenwerking met wie of welke organisatie onderzoekt u hoe het teruggestuurde asielzoekers vergaat in de eerste periode na hun uitzetting?
Zie antwoord vraag 3.
Op basis van welke gegevens kwam u tot de conclusie dat het ondanks de conflicten veilig genoeg is in Soedan om asielzoekers uit te zetten?
Zie antwoord vraag 4.
Is het waar dat de NISS een van de beruchtste veiligheidsdiensten van Afrika is en dat gedurende het bewind van president Omar al-Bashir Soedanese burgers met willekeurige arrestaties, intimidatie en bruut geweld geconfronteerd zijn? Zo ja, hoe komt u op basis hiervan tot de conclusie dat Soedan een veilig land is? En zo nee, waarom niet?
In zowel het Algemeen Ambtsbericht Soedan d.d. oktober 2019 als het Algemeen Ambtsbericht Soedan d.d. juni 2017 is opgenomen dat de NISS zich schuldig maakte aan intimidatie, arrestatie, (langdurige) detentie en geweld tegen, onder andere, ngo-medewerkers, journalisten, demonstranten, politiek activisten en mensenrechtenverdedigers. Tevens is bekend dat de NISS en andere veiligheidstroepen vrijwel onbeperkte immuniteit genoten gedurende het bewind van al-Bashir.
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op vraag 4 en 6, is uit de afweging van alle beschikbare informatie echter gebleken dat Soedan in algemene zin veilig genoeg is om tot uitzetting over te gaan als na zorgvuldige toetsing van een individuele vrees niet is gebleken. Voorts is in bovengenoemde ambtsberichten opgenomen dat in het kader van terugkeer alleen mensen die door de Soedanese autoriteiten als een bedreiging worden beschouwd, mogelijk in de negatieve aandacht komen te staan van de autoriteiten en daardoor een risico lopen op mensenrechtenschendingen. Er is daarom geen reden geweest om aan te nemen dat alle Soedanezen die terugkeren naar hun land van herkomst enkel om deze reden in de bijzondere aandacht van de Soedanese autoriteiten staan.
Bent u van mening dat Soedan zich aan de afspraak gehouden heeft en meewerkt aan uitzettingen die plaatsvinden in omstandigheden van veiligheid en waardigheid en met volledige naleving van internationale mensenrechten? Zo ja, kunt u dit toelichten? En zo nee, welke gevolgen heeft het dat Soedan zich niet aan de afspraak gehouden heeft?
Met het sluiten van het Memorandum of Understanding between The Ministry of Foreign Affairs of the Republic of Sudan and The Repatriation and Departure Service of the Ministry of the Interior and Kingdom Relations in the Netherlands in 2011 werd een stap gezet naar verbetering van de operationele terugkeersamenwerking met Soedan. Nadien bleek dat sommige van de gemaakte afspraken niet altijd werden nagekomen. Dit betrof echter operationele punten zoals lange doorlooptijden bij verzoeken de nationaliteit van (vermeende) onderdanen vast te stellen en het vervolgens uitblijven van afgifte van laissez-passers voor gedwongen vertrek.
Ondanks de aangrijpende ervaringen die in het NRC artikel zijn beschreven, heb ik geen concrete en onderbouwde signalen ontvangen van ernstige onregelmatigheden die gerelateerd waren aan de uitzetting van Soedanese asielzoekers. Zo heb ik ook vermeld in eerdere antwoorden op Kamervragen over uitzettingen naar Soedan. Een signaal dat is ontvangen in dit verband is geverifieerd en bleek niet gefundeerd, in die zin dat van enig verband met de doorlopen asielprocedure of de uitzetting niet is gebleken.2 Tot op heden heb ik geen nieuwe concrete en onderbouwde signalen ontvangen.
Zoals ik in mijn antwoorden op vragen 4 en 6 heb aangegeven is er op basis van alle beschikbare informatie geen reden om aan te nemen dat Soedanezen enkel vanwege het feit dat zij terugkeren in de bijzondere aandacht van de Soedanese autoriteiten staan. In mijn antwoorden op vragen 3 en 5 heb ik daarnaast uiteengezet welke individuele waarborgen er bestaan voordat er wordt overgegaan tot de uitzetting van een asielzoeker. Om deze reden ben ik van mening dat de terugkeer naar Soedan omkleed is met voldoende waarborgen en zie daarom ook geen aanleiding om op dit moment de samenwerking met Soedan anders in te vullen.
Uiteraard blijf ik de situatie nauwlettend in de gaten houden en mochten er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, zal ik beoordelen of dat grond is voor beleidsaanpassing.
Waarom is er doorgegaan met het aandringen op de afgifte van tijdelijke reisdocumenten voor uitzettingen, ondanks het feit dat er (internationaal) nieuwe getuigenissen van mishandeling naar buiten zijn gekomen?
In mijn beantwoording op vragen 4 en 6 heb ik reeds uiteengezet op welke wijze de signalen en getuigenissen over uitzettingen mee zijn gewogen bij de besluitvorming omtrent het terugkeerbeleid naar Soedan. Zoals daar is aangegeven is uit de afweging van de beschikbare informatie gebleken dat de situatie in Soedan in algemene zin veilig genoeg is om tot uitzetting over te gaan en dat er geen reden is om aan te nemen dat Soedanezen die terugkeren naar hun land van herkomst enkel om deze reden in de bijzondere aandacht van de Soedanese autoriteiten staan. In lijn daarmee geldt dat de DT&V streeft naar een goede terugkeersamenwerking met alle relevante herkomstlanden waarmee Nederland diplomatieke contacten onderhoudt en waar naartoe gedwongen terugkeer kan plaatsvinden. Dit geldt ook voor Soedan.
Voorts is het zo dat een asielzoeker niet eerder wordt uitgezet dan nadat diens asielmotieven individueel zijn beoordeeld. Indien de IND de asielaanvraag heeft afgewezen heeft de vreemdeling altijd de mogelijkheid om hiertegen rechtsmiddelen (beroep en hoger beroep) in te stellen. Is de asielaanvraag afgewezen en is deze afwijzing naar aanleiding van een (hoger) beroep bevestigd door de rechter, of niet in rechte aangevochten, dan kan de asielzoeker worden uitgezet.
Heeft u in 2017 contact opgenomen met de Belgische regering waar getuigenissen van zes uitgezette Soedanezen hebben geleid tot de oproep tot aftreden van de Staatssecretaris? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was het resultaat van dat contact?
Er is in 2017 inderdaad contact geweest met de Belgische regering. Zij was destijds in afwachting van een rapport van het Belgische Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). De situatie in België was niet vergelijkbaar met de situatie in Nederland omdat de Soedanezen in kwestie geen asielaanvraag hadden ingediend. Over dit rapport en hoe dit zich verhoudt tot het Nederlandse beleid heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer eerder geïnformeerd. Kortheidshalve verwijs ik u naar deze reacties.3
Voorts heeft het CGVS in zijn rapport aangegeven dat zij geen absolute zekerheid of duidelijkheid heeft kunnen verkrijgen over de vraag of de feiten die worden genoemd in de getuigenissen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat een aantal belangrijke stukken uit de drie belangrijkste getuigenissen niet waarheidsgetrouw zijn, in die mate dat die vaststelling ernstige twijfel doet ontstaan bij de rest van de getuigenis.4
Vindt u een telefoongesprek via een slechte, regelmatig verbroken verbinding met een duur van 10–15 minuten voldoende om tot conclusies te kunnen komen? Zo ja, waarom?
Zoals u weet kan ik niet ingaan op individuele zaken. Wel kan ik u mededelen dat, daar waar conclusies worden getrokken, deze altijd zijn gebaseerd op alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden.
Waarom kwam u tot het oordeel dat een beleidswijziging of vervolgonderzoek niet nodig was ondanks de resultaten van het onderzoek van zowel het Nederlandse instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) als het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) die tot de conclusie komen dat «mishandeling cq. marteling het meest waarschijnlijke criminalistische kader van causale toedracht (is)»?
Uit de onderzoeken die u aanhaalt is niet gebleken dat er een causaal verband bestaat tussen de in Nederland doorlopen asielprocedure en de bevindingen van deze onderzoeken. Om deze reden bestond er geen aanleiding om het beleid ten aanzien van Soedan te herzien. Over dit oordeel is uw Kamer uitgebreid geïnformeerd in een eerdere beantwoording op vragen van uw Kamer, kortheidshalve verwijs ik u naar deze beantwoording.5
Kunt u een overzicht geven van de informatie op basis waarvan u het afgelopen decennium heeft geoordeeld dat het in Soedan in algemene zin veilig genoeg is, en hoe definieert u «veilig genoeg» in het geval van Soedan?
In mijn beantwoording op vragen 4 en 6 heb ik uiteengezet op welke bronnen het asiel- en terugkeerbeleid voor specifieke landen in het algemeen wordt gebaseerd. Dit betreft hoofdzakelijk ambtsberichten alsmede andere gezaghebbende bronnen. Dit is het afgelopen decennium ook het geval geweest voor Soedan.
Ter verduidelijking wil ik benadrukken dat de situatie in Soedan het afgelopen decennium niet in algemene zin veilig werd geacht. Er bestaan wel degelijk individuen en bepaalde groepen die asielbescherming nodig hebben en in het verleden gold er ook een zogeheten «15c-situatie» voor delen van Soedan. Dit is ook altijd duidelijk uiteengezet in het asielbeleid met betrekking tot Soedan.
Soedan werd, en wordt, echter wel veilig genoeg geacht om personen terug te sturen indien zij, nadat zij de volledige asielprocedure hebben doorlopen en nadat de afwijzende beschikking in rechte vast is komen te staan, geen recht op asielbescherming hebben. In deze context wordt een land van herkomst veilig genoeg geacht indien er geen aanleiding is om te geloven dat een persoon enkel vanwege het feit dat hij terugkeert in de negatieve belangstelling van de autoriteiten van het land van herkomst zal staan.
Bent u bereid contact op te (laten) nemen met de uitgezette asielzoekers om te onderzoeken wat er met hen is gebeurd na de terugkomst in Soedan en hoe het hen nu vergaat? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoorden op vragen 3 en 5 heb ik reeds aangegeven en uiteengezet dat en waarom monitoring geen onderdeel uitmaakt van het Nederlandse terugkeerbeleid.
Het terugtrekken van Nederlandse banken uit de BES-eilanden |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de ABN AMRO voornemens is om bestaande rekeningen van particulieren en bedrijven op de BES-eilanden stop te zetten?
Ja.
Kan u aangeven wat dit betekent voor de beschikbaarheid van bancaire diensten van Nederlandse banken voor de inwoners van de BES-eilanden?
Samen met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties monitor ik doorlopend het aanbod van bancaire diensten in Caribisch Nederland. Ik acht het bestaan van een stabiel minimumaanbod voorwaardelijk voor economische ontwikkeling van Caribisch Nederland en de zelfontplooiing van de inwoners van de eilanden. Het in de vraag genoemde bericht gaat over het voornemen van ABN AMRO om eurorekeningen gehouden in Nederland van particulieren en bedrijven op Bonaire, Sint Eustatius en Saba stop te zetten of niet te openen omdat zij niet (langer) woonachtig zijn in Europees Nederland. In Caribisch Nederland (ook wel: BES-eilanden en officieel: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is de dollar het officiële betaalmiddel. Het aan kunnen blijven houden van een euro-betaalrekening helpt om transacties in Europees Nederland eenvoudiger te laten verrichten. Het sluiten van deze betaalrekeningen bemoeilijkt de toegang tot bancaire dienstverlening met Europees Nederland. De inwoners zijn hierdoor afhankelijk van de dienstverlening van lokale banken die voor overboekingen in euro’s extra provisies per transactie rekenen, vergelijkbaar met de tarieven voor overboekingen buiten het SEPA gebied vanuit Europees Nederland.
In hoeverre vindt u het van belang dat de inwoners van de BES-eilanden toegang tot bancaire dienstverlening van een bank die betaalverkeer met Europees Nederland laagdrempelig maakt, bijvoorbeeld door een rekening in euro’s aan te bieden?
Zie antwoord onder vraag 8.
In hoeverre maken inwoners van de BES-eilanden aanspraak op het recht op een basisbetaalrekening, zoals voorzien in de Wet Financieel Toezicht en de Richtlijn 2014/92/EU van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties?
Inwoners van de BES-eilanden, die de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn Burgers van de Europese Unie. In artikel 16, eerste lid, van de richtlijn betaalrekeningen is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat alle kredietinstellingen of een voldoende aantal kredietinstellingen aan de consumenten betaalrekeningen met basisfuncties aanbieden zodat de toegang daartoe voor alle consumenten op hun grondgebied gewaarborgd is1. De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede de andere landen van het Caribische deel van het Koninkrijk, hebben echter de status van Landen en Gebieden Overzee (LGO). Het derde deel van het VWEU, waarin de beleidsgebieden van de Unie staan beschreven, is niet van toepassing op LGO. De richtlijn betaalrekeningen is gebaseerd op dit derde deel. Inwoners van Caribisch Nederland hebben daarom op grond van de richtlijn geen recht op een basisbetaalrekening.
In hoeverre vallen inwoners van de BES-eilanden onder de definitie van «legaal in de Unie verblijvende consumenten», dat wil zeggen: een natuurlijke persoon die op grond van handelingen van de Unie of nationale wetten het recht heeft in een lidstaat te verblijven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe interpreteert u, in het licht van de bovenstaande definitie, het recht van de inwoners van de BES-eilanden zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, voortvloeiend uit het Europees Burgerschap?
Zie antwoord vraag 4.
Welke conclusies trekt u uit het antwoord op de vragen 5 en 6 voor het recht op een basisbetaalrekening voor de inwoners van de BES-eilanden?
Zie antwoord vraag 4.
Kan u aangeven hoe het Ministerie van Financiën in samenwerking met De Nederlandsche Bank in gesprek is getreden met de betaalvereniging Nederland en de vier grote banken en wat de uitkomsten van deze gesprekken waren?
Ik vind het belangrijk dat inwoners van Caribisch Nederland toegang hebben tot een minimumniveau van bancaire dienstverlening, waaronder het doen van transacties met Europees-Nederland. Dat niveau is momenteel aanwezig in Caribisch Nederland.2 Hierbij geldt wel de kanttekening zoals hierboven beschreven bij het antwoord op vraag 2 dat bankieren met Europees Nederland extra kosten met zich mee brengt voor inwoners van Caribisch Nederland als zij zijn aangewezen op de lokale banken.
Vorig jaar ben ik met de betrokken partijen in gesprek getreden om de drempels weg te nemen die het aanbieden van bancaire diensten in Caribisch Nederland door Nederlandse banken in de weg staan. Een van de belemmeringen voor Europees Nederlandse banken om eurorekeningen in Caribisch Nederland aan te bieden kwam voort uit de regelgeving die een specifieke vergunning op grond van de Wet financiële markten BES vereist voor het aanbieden van betaalrekeningen in Caribisch Nederland. Ik bereid daarom een wijziging van het Besluit financiële markten BES voor waardoor Europees Nederlandse banken betaalrekeningen in Caribisch Nederland mogen aanbieden zonder extra vergunning.
Uit de gesprekken met de banken bleek dat banken naast de wettelijke belemmering enkele praktische belemmeringen ervaren om eurobetaalrekeningen aan te bieden. Dit waren onder meer het ontbreken van postcodes en een BSN in Caribisch Nederland en het identificeren van cliënten op afstand. Een eerste inschatting van DNB en de Belastingdienst CN bood voldoende perspectief voor het wegnemen van deze praktische belemmeringen. Ondanks dat kwamen de banken tot de conclusie dat dienstverlening in Caribisch Nederland te kostbaar is of niet binnen het beleid van de bank past. Hierdoor wordt bankieren met Europees Nederland voor inwoners van Caribisch Nederland gecompliceerd. Naar aanleiding hiervan en van het in vraag 1 genoemde signaal hervat ik het gesprek met de banken over de ongewenste gevolgen van deze situatie voor inwoners van Caribisch Nederland. Daarbij zal ik onder meer wijzen op het feit dat de genoemde wettelijke belemmering zal worden weggenomen.
De-rubricering bilaterale verdragen van Nederland en de VS over plaatsing van kernwapens in Nederland. |
|
Sadet Karabulut |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie van een negentiental documenten door het National Security Archive over de bilaterale betrekkingen over atoomwapenpolitiek tussen Nederland en de Verenigde Staten?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom u deze documenten niet zelf wenste te openbaren?
Wat is de politieke relevantie van deze geheimhouding nu belangrijke kerndocumenten bevestigen wat algemeen bekend werd verondersteld, namelijk dat Nederland gedetailleerde afspraken over Amerikaanse kernwapens in ons land heeft gemaakt?
Zijn er behalve deze negentien documenten nog meer documenten die u naar aanleiding van deze publicatie inmiddels bereid bent te publiceren dan wel te de-rubriceren? Zo ja, wanneer? Indien nee, waarom niet?
Waarom hebt u in dat licht wel een aantal documenten vrijgegeven op 15 juli 2020 en was u niet bereid documenten die over hetzelfde onderwerp gaan en in dezelfde periode speelden niet openbaar te maken? Kunt u uw antwoorden toelichten?2
Op grond van overwegingen van staatsveiligheid kunnen geen mededelingen worden gedaan over geheime verdragen tussen Nederland en andere landen. Geheimhouding van verdragen is aan de orde, wanneer verdragen door openbaarmaking hun reden van bestaan verliezen. In hoeverre het noodzakelijk is het geheime karakter van een verdrag in stand te houden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een verdrag komt in aanmerking voor derubricering wanneer openbaarmaking van een verdrag niet langer de reden van het bestaan van dat verdrag aantast. Instemming van de andere verdragspartij(en) met openbaarmaking is een voorwaarde.
De vrijgave van documenten op 15 juli 2020 betreft de publicatie van de Technische en de Veiligheidsbijlage bij de Overeenkomst tussen Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, tot samenwerking inzake atoomgegevens (Parijs, 18 juni 1964) en het Protocol tot wijziging van de Veiligheidsbijlage bij de Overeenkomst (Brussel, 2 juni 1998). Uit onderzoek was gebleken dat de NAVO de twee bijlagen reeds gederubriceerd had, waarmee ook het Protocol openbaar gemaakt kon worden. In de brief aan uw Kamer dd. 15 juli 2020 [Kamerstuk 34 958, nr. 9] heeft de Minister van Buitenlandse Zaken toegezegd in het eigen departement en ook bij de andere verantwoordelijke departementen periodiek de mogelijkheid tot derubricering van vertrouwelijke en geheime verdragen onder de aandacht te blijven brengen.
Deelt u de opvatting dat naar aanleiding van de langdurige strijd van onderzoekers die uiteindelijk leidde tot publicatie op 15 januari 2021 er geen reden is verdere de-rubricering tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de memoranda van Overeenstemming (MoU’s) over kernwapens die deel uit maken van het op 2 juli 2018 afgesloten bilaterale raamverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten vrij te geven? Zo nee, waarom niet?3
Middels het raamverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten wordt voorzien in standaardbepalingen voor toekomstige bilaterale MoU’s voor defensiesamenwerking. Op grond van overwegingen van staatsveiligheid en/of bondgenootschappelijke en juridisch bindende afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over eventuele separate bilaterale of multilaterale overeenkomsten die verband houden met de kernwapentaak van Nederland in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging.
Hoe verhouden deze geheime bilaterale afspraken zich tot het transparantiebeleid dat Nederland en de NAVO hebben vastgesteld met betrekking tot kernwapens in Nederland?
Het kabinet heeft de afgelopen jaren meermaals aangegeven dat het, net als de Kamer, voorstander is van transparantie. In gesprekken met bondgenoten heeft het kabinet ook regelmatig gepleit voor (meer) transparantie, maar kreeg daar geen steun voor. Nederland is gebonden aan verdragsrechtelijke geheimhouding ten aanzien van bondgenootschappelijke afspraken. Daar liggen veiligheidsoverwegingen aan ten grondslag.
Deelt u de opvatting dat het in het licht van de ratificatie van het VN-Verdrag tot afschaffing van kernwapens een logische tussenstap op weg naar ratificatie is om deze verdragen openbaar te maken? Zo ja, kunt u deze bij de antwoorden op deze vragen voegen? Zo nee, wanneer verwacht u het wel te kunnen openbaren?
Nederland heeft deelgenomen aan de onderhandelingen over het verdrag voor het verbod van kernwapens (TPNW), maar heeft het verdrag niet ondertekend. Hierover is uw Kamer onder meer geïnformeerd middels de Kamerbrief van 14 juli 2017 [Kamerstuk 33 783 nr. 26]. De inwerkingtreding van het verdrag of resultaten van een recente peiling zijn voor het kabinet geen aanleiding de positie ten aanzien van het TPNW te veranderen.
Is het draagvlak onder de Nederlandse bevolking voor u relevant om tot ondertekening van het VN-Verdrag over te gaan? Deelt u de opvatting dat u veel draagvlak heeft om het Verdrag te tekenen, omdat een grote meerderheid van de bevolking zo’n stap steunt? Zo nee, waarom niet?4
Zie antwoord vraag 9.
Het gebrek aan voortgang in Groningen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de zorgen van de Veengroep uit Siddeburen?
Ja.
Herkent u dat er op tal van terreinen enorme vertragingen zijn en beloftes niet worden nagekomen?
De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie waren jarenlang in handen van NAM. Onvoldoende voortgang in beide operaties was één van de redenen waarom het Rijk heeft besloten deze operaties van NAM over te nemen. Voor schadeafhandeling geldt dat er een versnelling heeft plaatsgevonden, inmiddels komen er rond de 1.000 schademeldingen per week binnen bij het IMG en wordt 71% procent van de meldingen binnen een half jaar afgehandeld. Naast de afhandeling van deze fysieke schade heeft het IMG ook voort gemaakt met de andere vormen van schade zoals schade door waardedaling. Voor de versterkingsoperatie geldt dat er belangrijke afspraken zijn gemaakt, maar er ook nog veel moet gebeuren om de belofte van duidelijkheid en perspectief van bewoners volledig in te lossen. Voor de aanleg van glasvezel in Siddeburen geldt dat de operatie langer duurt dan vooraf aan bewoners gecommuniceerd. Rodin Broadband Groningen BV (hierna Rodin), het bedrijf dat werkt aan dit project, heeft laten weten via de regionale media dat de bewoners in het buitengebied van Siddeburen nog dit jaar worden aangesloten.
Snapt u dat bij bewoners de moed steeds verder in de schoenen zakt? Waarom heeft u het zover laten komen?
De problematiek in Groningen kan van bewoners veel vragen, dit wordt ook geconstateerd in het laatste rapport van Gronings Perspectief. Het kabinet neemt deze zorgen serieus. Ik hecht er echter ook aan om te benadrukken dat er ook enkele lichtpuntjes zichtbaar zijn, bijvoorbeeld op het gebied van schadeafhandeling: bewoners die schade melden bij het IMG hebben na deze ervaring meer vertrouwen in de instanties in Groningen en de doorlooptijd van een schademelding is de afgelopen periode enorm afgenomen, inmiddels wordt ruim 71% van de schademeldingen binnen zes maanden afgehandeld. Dit sluit aan bij de positieve beoordeling die schademelders het IMG na afloop geven, gemiddeld een 7.9. Daarnaast is er met het bestuurlijk akkoord financiële ruimte gemaakt voor de noodzakelijke verbeteringen. Dit ziet onder andere toe op de mogelijkheid om kwetsbare bewoners meer te helpen. Er is budget vrijgemaakt voor sociale en emotionele ondersteuning en is er een budget van 50 mln. beschikbaar gesteld om schrijnende situaties snel aan te kunnen pakken.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat mensen schades niet meer melden en de problemen domweg negeren (met als risico dat deze alleen maar groter worden)?
Het is bekend dat de schadeafhandeling onder de NAM niet goed verliep en dat dat sporen heeft achtergelaten in het vertrouwen van Groningers met schade. Dat is mede de reden dat de schadeafhandeling in handen van de overheid is gekomen. Met de oprichting van het IMG is de schadeafhandeling verbeterd en versneld. Een stuwmeer aan meldingen is weggewerkt, langlopende complexe schades worden afgehandeld en het reguliere proces is zodanig ingericht dat het sneller en soepeler gaat. Dit werpt inmiddels zijn vruchten af: schademelders beoordelen het IMG gemiddeld met een 7.9. Dat neemt niet weg dat er bewoners blijven die schades wellicht niet (meer) melden. Om deze groep alsnog zo veel mogelijk te bereiken heeft het IMG maatregelen doorgevoerd, zoals het instellen van mobiele steunpunten. Om signalen vroegtijdig te signaleren is het IMG bovendien doorlopend in gesprek met de maatschappelijke organisaties, vangnetten (Stut & Steun, Commissie Bijzondere Situaties) en regionale overheden.
Klopt het dat de beloofde glasvezelaanleg jaren vertraging heeft opgelopen?
Het klopt inderdaad dat de aanleg van snel internet naar de circa 14.000 zogenaamde «witte adressen»1 in de dunbevolkte gebieden van de provincie Groningen binnen het project «Snel Internet Groningen» vertraging heeft opgelopen. Het project komt voort uit de gelijknamige subsidieregeling, waarvoor in 2017 door de provincie Groningen een tender was uitgeschreven. Voor de regeling hebben de provincie Groningen, de Nationaal Coördinator Groningen en de Economic Board Groningen samen 40 miljoen euro beschikbaar gesteld (30 miljoen lening en 10 miljoen subsidie). In de regeling waren diverse voorwaarden opgenomen, waaronder de eis dat alleen «witte adressen» deel uitmaken van het project en de gemeenten in het aardbevingsgebied als eerste van snel internet moesten worden voorzien. Verder moest het project binnen twee jaar worden voltooid. De tender is destijds gewonnen door het bedrijf Rodin. De aanpak van Rodin is erop gericht om de adressen in het buitengebied te voorzien van snel internet via glasvezel of een draadloze verbinding.
Aanvankelijk had de aanleg in 2019 moeten zijn afgerond, maar door diverse oorzaken heeft de aanleg vertraging opgelopen. Rodin heeft inmiddels via de regionale media laten weten dat de bewoners in het buitengebied van Siddeburen nog dit jaar worden aangesloten en er momenteel met man en macht aan wordt gewerkt om dat te realiseren2. Ook geeft het bedrijf aan contact te hebben met de doelgroep in het gebied. Volgens de planning op de website van Rodin moet het snelle internet in mei van dit jaar in Siddeburen, maar ook in de rest van de gemeenten in het Groningse aardbevingsgebied, zijn aangelegd3. De provincie Groningen heeft regelmatig contact met Rodin over de voortgang van het project.
Overigens zijn er in de afgelopen jaren ook andere partijen in de provincie Groningen actief geworden met de aanleg van snel internet (via glasvezel) in de buitengebieden van de provincie, waardoor bepaalde gebieden inmiddels zijn of worden voorzien van snel internet door deze partijen.
Wat is de oorzaak van die vertraging?
De provincie Groningen heeft laten weten dat de vertraging onder meer is veroorzaakt door krapte op de aanneemmarkt als gevolg van sterk gewijzigde marktomstandigheden. Aanvankelijk was Rodin van plan om grote aannemers te contracteren voor de aanleg van het snelle internet in de provincie Groningen. Echter, omdat meer in het algemeen grote marktpartijen weer volop zijn gaan investeren in de aanleg van glasvezel en daarbij gebruik maken van deze grote aannemers, ontstond er een tekort aan grote aannemers om te voorzien in de aanlegcapaciteit. Daarop heeft Rodin besloten het project uit te laten voeren door regionale aannemers die ieder een deel van de werkzaamheden uitvoeren. Dit heeft extra tijd gekost. Daarnaast heeft ook Covid-19 een vertragend effect gehad op de aanlegwerkzaamheden, onder meer als gevolg van beperkingen bij aansluitwerkzaamheden in woningen en de toegenomen complexiteit bij het op afstand doorlopen van een vergunningstraject met gemeenten. Voorgenoemde ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat de aanleg van snel internet minder snel is gegaan dan verwacht en ook minder snel dan in een eerdere fase door betrokken organisaties is gecommuniceerd.
Vindt u niet dat bewoners in Groningen, en zeker die bewoners die in het aardbevingsgebied wonen, snel moeten profiteren van de economische stimuleringsmaatregelen, zoals de aanleg van snel internet? Waarom gebeurde dat nog niet? Dit duurt zo toch eindeloos en schaadt het vertrouwen?
Ik ben het eens met de stelling dat Groningers snel moeten profiteren van de economische stimuleringsmaatregelen. Voor een herstel van vertrouwen is het belangrijk dat dit zo spoedig mogelijk gebeurt.
Ongeregeldheden in Urk |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het gezamenlijk persbericht van de gemeente Urk, politie en openbaar ministerie «Zeer verontwaardigd zijn we over de gebeurtenissen»1 en het bericht «Brandstichting bij testlocatie Urk «grote schok» voor GGD»2 en herinnert u zich de antwoorden van uw ambtsvoorgangers op vragen van het lid Marcouch (PvdA) van alweer tien jaar geleden over rellen en vernielingen in Urk?3
Ja.
Deelt ook u de mening dat hetgeen in Urk is voorgevallen, niet alleen strafbaar is, maar ook blijk geeft van een verwerpelijke minachting van de inzet en opofferingen van professionals en burgers in de strijd tegen de corona-pandemie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat dit gewelddadig gedrag, de vernielzucht en de brandstichting onacceptabel zijn. En ik vind het betreurenswaardig dat mensen met hun gedrag het risico van verdere verspreiding van het virus vergroten. Bovendien zijn professionals hard nodig voor de strijd tegen corona en dienen zij dit ongehinderd te kunnen doen. Geweld tegen wie dan ook, en in het bijzonder tegen mensen met een publieke taak, is volstrekt onacceptabel.
Hoe komt het dat, nadat er ook recent al ongeregeldheden in Urk waren, en ondanks de aanwezigheid van extra politie en de Mobiele Eenheid, het toch zo uit de hand kon lopen?
De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister om daar in te treden.
Naar aanleiding van de ongeregeldheden heeft de gemeenteraad van Urk onderling gesproken over zijn eigen rol ten aanzien van openbare orde en veiligheid. De mogelijke oorzaak van de ongeregeldheden kwam daar (nog) niet aan de orde. De raad heeft zijn vertrouwen uitgesproken in de aanpak van de burgemeester en het college.
Heeft u contact opgenomen met de burgemeester van Urk over hetgeen voorgevallen is en wat er moet gebeuren om herhaling te voorkomen? Kunt u hem met raad en daad bijstaan? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet en gaat u dat alsnog doen?
Wanneer burgemeesters behoefte hebben aan ondersteuning of advies rond de bestuurlijke aanpak bij maatschappelijke onrust of vragen over hun persoonlijke veiligheid, kunnen zij terecht bij de Minister van BZK. In gevallen van intimidatie of bedreiging van een burgemeester wordt altijd persoonlijk contact met hem of haar opgenomen, zo ook met de burgemeester van Urk. Op 1 februari jl. heeft de Minister van BZK daarnaast een kort bezoek gebracht aan Urk en heeft zij gesproken met onder meer de burgemeester en de politie over de gebeurtenissen van de afgelopen dagen en de betrokkenheid van ouders bij het inperken van onrust. Naar aanleiding van de ongeregeldheden heb ook ik meermaals contact gehad met de burgemeester van Urk. Op 4 februari jl. is daarnaast gesproken met de burgemeester van Urk en een aantal andere burgemeesters over geleerde lessen en mogelijk handelingsperspectief bij maatschappelijke onrust.
Tegelijkertijd is het van belang dat op basis van de urgente behoeften bezien wordt wie daarvoor het beste de benodigde expertise en advies kan leveren. Voor advies over crisisbeheersing kan een burgemeester zich bijvoorbeeld ook wenden tot het Nederlands Genootschap van Burgemeesters worden. Daarnaast kan het Ondersteuningsnetwerk maatschappelijke onrust gevraagd worden voor advies. In dit netwerk zijn, onder coördinatie van het Ministerie van BZK, tevens de Ministeries van JenV, SZW en de VNG vertegenwoordigd.
Zijn er afdoende politiemensen of andere ordehandhavers in Urk om herhaling te voorkomen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe gaat u voor versterking zorgen?
Het is aan de burgemeester om te beoordelen of er voldoende politiemensen of andere ordehandhavers op Urk aanwezig zijn om herhaling te voorkomen. Indien dat niet het geval is kan deze om extra politieondersteuning vanuit de eenheid of bijstand vanuit andere eenheden vragen, zoals in dit geval ook is gebeurd.
Ik heb vernomen van de burgemeester dat al geruime tijd op Urk stevig wordt ingezet op handhaving door de politie, boa’s en gemeentelijk toezichthouders. Boa’s en gemeentelijk toezichthouders worden ingezet met specifieke aandacht voor de handhaving van de coronamaatregelen. De inzet van boa’s en gemeentelijk toezichthouders wordt afgestemd met de politie. Als de situatie ergens onrustig wordt, neemt de politie het over. Per maandag 25 januari kunnen boa’s domein I, onder voorwaarden, handhaven op de avondklok.
Echter, volgens de burgemeester is het mobiliseren van de samenleving het grootste goed en dat lijkt op Urk te slagen. Door de eigen inzet van de inwoners ontstaat er meer draagvlak in de samenleving om ongeregeldheden te voorkomen. Het exces van 23 januari lijkt niet exemplarisch.
In het weekend van 28 en 29 januari was het, mede door de inzet van politie maar zeker de inwoners voorop, zeer rustig.
Het bericht 'Proef met sneltesten voor studenten in Groningen op Zernike' |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Proef met sneltesten voor studenten in Groningen op Zernike»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht van het Dagblad van het Noorden.
Welk type sneltesten gaan gebruikt worden bij de pilot?
In de pilot op de Zernike Campus te Groningen wordt gebruik gemaakt van antigeensneltesten. Het gaat om de Abbott PANBIO COVID-19 Ag test. Gebaseerd op de huidige operationele snelteststraat kunnen er per dag maximaal 450 sneltesten worden afgenomen uitgaande van standaard openstelling tussen 09:00–16:30. Over de inrichting van alle pilots bent u reeds geïnformeerd in de bijlage «pilotoverzicht sneltesten in het mbo en ho» bij de Kamerbrief Stand van zaken COVID-19 van 23 februari jl2.
Hoeveel testen zullen er naar schatting per dag afgenomen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u meer details geven over hoe de pilot zal worden ingericht en uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van het RIVM dat de PCR-test op dit moment de «gouden standaard» is met een technische/analytische sensitiviteit van 96–99,5%?
De PCR-test is tot op heden de meest betrouwbare test om de aanwezigheid van het SARS-CoV-2 virus aan te tonen.
Wat is de technische/analytische sensitiviteit van de te gebruiken sneltesten?
De sensitiviteit van de Abbott PANBIO COVID-19 Ag test is 91,4% (94,1% voor monsters met Ct-waarde < 33). De specificiteit van de test is 99,8%3.
Uitgaand van de technische/analytische sensitiviteit van de sneltesten en het geplande aantal af te nemen testen per dag, hoeveel vals-positieve en vals-negatieve testuitslagen worden verwacht bij deze pilot?
Uitgaande van een geschatte dagelijkse testcapaciteit van 450 zal het geschatte aantal personen met een vals-negatieve testuitslag 0,22 per dag en het geschatte aantal personen met een vals-positieve testuitslagen 0,85 per dag zijn.
Wat is de consequentie als iemand positief test? Worden deze studenten dan fysiek uitgesloten van het maken van het tentamen?
Als een student een positieve sneltestuitslag ontvangt, wordt deze verwezen naar de GGD. Hen wordt dringend geadviseerd zich via een PCR-test laten testen op de aanwezigheid van het coronavirus. In deze groep kan (in beperkte gevallen) een vals-positieve sneltestuitslag zijn gegeven. Blijkt de PCR-test ook positief, dan gelden vanzelfsprekend de quarantaineregels die vanuit het kabinet worden opgelegd. Heeft de student of medewerker voorafgaand aan de onderwijsactiviteiten een negatieve PCR-test, kan zij hieraan fysiek deelnemen. Is de uitslag van de PCR-test niet tijdig bekend, is deze ook positief, of laat deze student of medewerker zich niet testen via de GGD, geldt dat er alternatieven beschikbaar zijn voor het fysieke tentamen. Deze kan op een later tijdstip of online worden gedaan. De onderwijsinstellingen zorgen ervoor dat de student geen last ondervindt van een positieve sneltest en treffen waar mogelijk voorzorgsmaatregelen.
Wanneer een student fysiek wordt uitgesloten van het maken van het tentamen, wordt er dan rekening mee gehouden dat deze student digitaal kan meedoen aan het tentamen, inclusief wellicht eventuele reistijd van de terugreis?
Zie antwoord vraag 8.
Welke concrete maatregelen worden genomen om fysieke besmetting als gevolg van vals-negatieve uitslagen te voorkomen?
In de pilots wordt er gewerkt binnen de geldende veiligheidsregels. Dit betekent ook dat de anderhalve meter maatregel in de pilots blijft gelden, behalve op plaatsen waar hiervoor reeds een uitzondering geldt (zoals: praktijkonderwijs voor contactberoepen). Daarnaast wordt er enkel gebruik gemaakt van gevalideerde (snel)testen of methodieken die door experts zijn opgezet, aangevuld met bestaande brancheprotocollen met daarin aanvullende maatregelen (zoals looproutes, spatschermen en mondkapjes). Op deze wijze blijft de veiligheid van iedere student en medewerker gewaarborgd en kan onder gecontroleerde omstandigheden geëxperimenteerd worden met sneltesten in het mbo, hbo en wo.
Bent u bereid de Kamer op de hoogte houden van tussentijdse bevindingen van het onderzoek door de Aletta Jacobs School of Public Health over de veiligheid en uitvoering tijdens tentamens, de verspreiding van het coronavirus, het gedrag en de juridische, technische en logistieke aspecten van de pilot?
Zoals aangegeven in de brief van 23 februari worden alle pilotregio’s gevraagd om op 1 mei resultaten op te leveren. De Tweede Kamer zal daarom in de loop van het tweede kwartaal nader worden geïnformeerd over de kennis die is opgedaan.
Wilt u deze vragen een voor een beantwoorden?
De antwoorden op vragen van het lid Van Dam over de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland inzake de e-screener |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw beantwoording van mijn vragen over «Uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland inzake de e-screener»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel wapens er per 31 december 2020 in Nederland aangeboden zijn bij en behandeld zijn door de politie om gedeactiveerd te worden?
In Nederland dienen vuurwapens conform de technische specificaties van de EU-uitvoeringsverordening gedeactiveerd te worden. De politie is in Nederland, conform artikel 43 van de Wet wapen en munitie, aangewezen als bevoegde autoriteit voor de controle op het onbruikbaar maken (deactiveren) van vuurwapens en de afgifte van een certificaat. Het deactiveren van vuurwapens geschiedt niet door de politie, maar door een erkende wapenhandelaar die daarin is gespecialiseerd.
Sinds het operationeel gaan van de bevoegde autoriteit, omstreeks september 2019, tot en met 1 februari 2021 zijn er 182 vuurwapens aangeboden bij de politie. Hiervan zijn er 107 vuurwapens door de politie gecontroleerd en gecertificeerd (peildatum 1 februari 2021).
Hoeveel wapens zijn er vanuit Nederland naar het buitenland verzonden om gedeactiveerd te worden? Is hier de afgelopen jaren een toename in te zien? Heeft dit te maken met een capaciteitsgebrek bij de politie om wapens te deactiveren?
De korpschef meldt mij, na overleg met de douane, dat deze cijfers niet transparant te maken zijn. De douane verleent alleen exportvergunningen die zien op de beweging van vuurwapens naar buiten Nederland (de grensoverschrijding). De administratieve regels zijn erop ingesteld dat daarna het zicht op die wapens weg is, omdat ze dan onder het zicht komen van het ontvangende land.
De verhuizing van een huisartsenpost naar Roosendaal |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tholen geschokt ook de huisartsenpost verhuist naar Roosendaal»?1
Ja.
Wat vindt u van dit bericht?
Ik begrijp dat wijzigingen in het zorgaanbod van acute zorg tot zorgen leidt bij mensen en dat het voorgenomen besluit om de huisartsenpost in Bergen op Zoom naar Roosendaal te verplaatsen onrust veroorzaakt bij de bewoners die gebruik maken van deze huisartsenpost. Daarnaast onderken ik het belang van een goede fysieke bereikbaarheid van acute zorg. Ik acht het daarom van belang dat besluitvorming over wijzigingen in het zorgaanbod van acute zorg op een goede manier verloopt en dat voor het nemen van een definitief besluit een aantal processtappen zorgvuldig worden doorlopen, waaronder vroegtijdige consultatie van bewoners, gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Ik heb van de stichting Huisartsenposten West-Brabant vernomen dat er inmiddels met de meeste externe stakeholders gesprekken hebben plaatsgevonden. Gesprekken met inwoners van de verzorgingsgebieden van de huisartsenposten in Bergen op Zoom en Roosendaal zijn vanwege Covid-19 uitgesteld, maar zullen alsnog plaatsvinden voordat er een definitief besluit wordt genomen. Het is uiteindelijk aan de stichting Huisartsenposten West-Brabant en de huisartsen in de regio, in samenspraak met de betreffende zorgverzekeraar(s) en binnen de normen gesteld voor toegankelijkheid en bereikbaarheid, om na het volgen van een zorgvuldig besluitvormingsproces keuzes te maken met betrekking tot hun zorgaanbod in de avond-, nacht-, en weekenduren.
Wat vindt u ervan dat uw ambtsvoorganger in het debat van 13 juni 2018 stelde dat er vroeg in het besluitvormingsproces en voor er een definitief besluit genomen wordt, alle partijen betrokken moeten worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt de handelwijze van Huisartsenkring West Brabant zich tot artikel 8a.4 van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) acute zorg?
Ik heb van de IGJ vernomen dat er nog geen melding is gemaakt van de voorgenomen verhuizing van de huisartsenpost in Bergen op Zoom naar Roosendaal, maar dat de casus hen wel bekend is. Gezien de voorgenomen verhuizing pas in 2025 zal plaatsvinden en ik van de stichting Huisartsenposten West-Brabant heb vernomen dat zij zullen handelen naar de concept AMvB acute zorg, ga ik ervanuit dat de instelling aan zijn verplichtingen uit de concept AMvB gaat voldoen.
Kunt u uiteen zetten welke partijen tot dusverre bij de besluitvorming over de verhuizing van de huisartsenpost naar Roosendaal betrokken zijn?
Van de stichting Huisartsenposten West-Brabant heb ik vernomen dat vóór het definitieve besluit over het verhuizen van de huisartsenpost in Bergen op Zoom naar Roosendaal gesprekken worden aangegaan met diverse externe stakeholders. Burgemeesters en wethouders van Bergen op Zoom, Tholen, Hoogerheide/Woensdrecht, en Steenbergen zijn in januari 2020 reeds geïnformeerd, en ook de zorgverzekeraars en de belangrijkste samenwerkingspartners in de regio zijn vroegtijdig geïnformeerd. Onder de te betrekken stakeholders vallen ook (vertegenwoordigers van) bewoners van het werkgebied van de huisartsenposten in Bergen op Zoom en Roosendaal, waarbij ook de inwoners van Tholen zullen worden meegenomen. Vanwege Covid-19 is besloten om de gesprekken met de bewoners van het werkgebied van de huisartsenposten in Bergen op Zoom en Roosendaal, die gepland stonden voor afgelopen zomer, uit te stellen. Deze zullen op een later moment alsnog plaatsvinden.
Zijn of worden de inwoners van Tholen gezien als een «betrokken partij»?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn de inwoners van Tholen voldoende meegenomen in de besluitvorming om de huisartsenpost te verhuizen naar Roosendaal? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is er in het besluitvormingsproces voldoende meegewogen wat de consequenties zijn als men ‘s avonds of in het weekend naar de huisartsenpost in Roosendaal moet gaan?
Ik heb van de stichting Huisartsenposten West-Brabant vernomen dat responstijden en bereikbaarheidstijden worden meegewogen in het besluitvormingsproces. Ik heb daarnaast van de NZa vernomen dat er door het RIVM een bereikbaarheidsanalyse is uitgevoerd. Hieruit blijkt dat, in de mogelijke toekomstige situatie, 97,8% van de inwoners van het verzorgingsgebied van de huidige huisartsenposten in Bergen op Zoom en Roosendaal binnen 30 minuten rijtijd per personenauto de post kan bereiken. De gehanteerde norm dat 90% van de inwoners van het verzorgingsgebied binnen 30 minuten met eigen auto een huisartsenpost moet kunnen bereiken wordt dus in de huidige en in de mogelijke toekomstige situatie gehaald. Specifiek voor de inwoners van Tholen geldt dat de reistijd vanaf Tholen in de mogelijke toekomstige situatie met 2 minuten wordt verlengd.
Is er overleg geweest met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over de verhuizing van de huisartsenpost naar Roosendaal en bereikbaarheid en aanrijtijden?
Zie antwoord vraag 8.
Valt de aanrijtijd voor auto’s nog binnen de 30 minuten-norm zoals beschreven op de website www.volksgezonheidenzorg.info?2
Zie antwoord vraag 8.
Is dit besluit dat de huisartsenkring West Brabant nu genomen heeft, definitief? Waarom wel? Waarom niet?
Ik heb van de stichting Huisartsenposten West-Brabant vernomen dat er vooralsnog sprake is van een voorgenomen besluit en dat het definitieve besluit formeel genomen wordt nadat alle gesprekken met de diverse externe stakeholders hebben plaatsgevonden, waaronder de uitgestelde gesprekken met de (vertegenwoordigers van) bewoners binnen het werkgebied van de huisartsenposten in Bergen op Zoom en Roosendaal.
Wat vindt u van de argumentatie van de Huisartsencoöperatie West-Brabant dat de verhuizing nodig is om de beste zorg te kunnen garanderen, gezien uit de statistieken blijkt dat huisartsenposten vier miljoen keer acute zorg verlenen los van de zorg die een Spoedeisende Hulp (SEH)-post levert?3
Binnen de normen gesteld voor toegankelijkheid en bereikbaarheid is het aan de stichting Huisartsenposten West-Brabant en de huisartsen in de regio, in samenspraak met de betreffende zorgverzekeraar(s) om keuzes te maken met betrekking tot hun zorgaanbod in de avond-, nacht-, en weekenduren en om de veiligheid en kwaliteit van de geleverde zorg te borgen. Ik vind het echter van belang dat besluitvormingsprocessen die raken aan de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de acute zorg zorgvuldig verlopen en dat betrokken partijen in de regio op een goede manier worden geïnformeerd en meegenomen in de overwegingen op basis waarvan besluiten worden genomen.