De onderbetaling van medewerkers bij de coronacallcenters |
|
Paul Smeulders (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «FNV vindt «onderbetaling» medewerkers coronacallcenters «oneerlijk en gênant»«?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Waarom is opnieuw gekozen voor Teleperformance? Welke eisen zijn gesteld bij de aanbesteding en vielen fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en het opbouwen van pensioen ook onder die eisen? Zo nee, waarom niet?
Binnen een zeer korte tijd moest er een partij worden gevonden die een callcenter kon opzetten om burgers te woord te staan m.b.t. vaccinaties. GGD GHOR Nederland heeft voor Teleperformance gekozen omdat geen andere partij was die een callcenter voor vaccinatie tijdig operationeel kon krijgen. De enige oplossing was om medewerkers die al werkzaam waren bij het callcenter over testen in te zetten voor het nieuw op te zetten callcenter dat zich bezig ging houden met vaccineren.
De volgende eisen zijn gesteld door VWS aan GGD GHOR bij het opzetten van het callcenter:
Bij de aanbesteding, vanwege dwingende spoed een onderhandelingsprocedure zonder aankondiging (ofwel, een onderhandse aanbesteding), is als eis gesteld dat de opdrachtnemer op de hoogte dient te zijn van én de diensten dient te verrichten in overeenstemming met arbeidsrechtelijke kaders die bij of krachtens de wet van toepassing zijn.
Vindt u ook dat het feit dat deze medewerkers geen pensioen opbouwen in strijd is met de ambitie om het aantal mensen zonder pensioen terug te dringen?
Door diverse onderdelen van de rijksoverheid wordt personeel ingehuurd. Wanneer dit gebeurt is het betreffende onderdeel van de rijksoverheid formeel geen werkgever van deze gedetacheerden en heeft in die zin geen directe invloed op de arbeidsvoorwaarden. Ook bij de callcenters van Teleperformance doet zich deze situatie voor. Wel is in artikel 27 van de Algemene Rijksvoorwaarden voor Diensten (ARVODI) bepaald dat de partij die die de opdracht aanneemt en daarmee de formele werkgever is, zich als goed werkgever dient te gedragen en zich te houden heeft aan alle relevante wet- en regelgeving op het gebied van de inhuur van personeel evenals de eventueel geldende cao. Overigens zijn cao-partijen, waaronder FNV en CNV, in de cao voor de call-centra geen pensioenregeling overeengekomen. Wel hebben zij afgesproken een onderzoek te doen naar de wenselijkheid om een pensioenregeling voor alle medewerkers in de cao op te nemen.
Vindt u ook dat de overheid ten minste het goede voorbeeld zou moeten geven om ervoor te zorgen dat elke werknemer pensioen opbouwt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is de overheid geen formeel werkgever en heeft daardoor geen directe invloed op de arbeidsvoorwaarden. Teleperformance wordt geacht zich aan de geldende wet-en regelgeving te houden en een eventueel geldende cao toe te passen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Teleperformance om betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover mij bekend zijn er geen signalen dat Teleperformance niet voldoet aan de geldende wet-en regelgeving en een eventueel geldende cao niet toepast. Daarnaast is het maken van afspraken over arbeidsvoorwaarden een zaak van werkgevers en werknemers waar de overheid zich in beginsel niet in mengt. Ik zie daarom geen aanleiding tot een gesprek.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat arbeidsvoorwaarden nauwelijks een rol spelen bij grote aanbestedingen zoals deze?
Zoals aangegeven in bovenstaande beantwoording is de overheid formeel geen werkgever waardoor er geen directe invloed is op de arbeidsvoorwaarden. Opdrachtnemers worden geacht zich aan de geldende wet-en regelgeving te houden en een eventueel geldende cao toe te passen. Betrokken partijen die menen dat de geldende wet-en regelgeving of een geldende cao niet is nagekomen, kunnen via de rechtbank een civiele procedure starten dan wel de Inspectie SZW verzoeken om een onderzoek te doen. Ook is er de mogelijkheid om via civiele ketenaansprakelijkheid zoals geregeld in artikel 7:616a BW e.v. het geldende (cao) loon te vorderen.
Het bericht ‘Banken draaien duimschroeven mkb’er strakker aan in tweede lockdown’ |
|
Helma Lodders (VVD), Aukje de Vries (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Banken draaien duimschroeven mkb’er strakker aan in tweede lockdown»?1
Ja.
Herkent u het geschetste beeld dat de bereidheid van banken om mkb-bedrijven te helpen, afneemt? Zo ja, kunt u dit verklaren? Waar zitten de knelpunten? Zijn banken terughoudend omdat de kapitaaleisen kredietverlening bemoeilijken of omdat ze niet bereid zijn tot verliesfinanciering? Wat betekent dit voor de kredietverlening na de coronapandemie?
Organisaties die ondernemers vertegenwoordigen geven aan dat er ondernemers zijn die een afnemende financieringsbereidheid bij banken ervaren als ze bij de bank aankloppen met een kredietvraag. Het kabinet spreekt regelmatig met (vertegenwoordigers van) banken over de rol van banken met betrekking tot de steun voor bedrijven in de coronapandemie. In deze gesprekken zijn de signalen van ondernemers overgebracht en is aangegeven dat als banken onderdeel van de oplossing in de coronacrisis willen zijn, zij ondernemers waar verantwoord zouden moeten steunen.
Banken gaven aan dat de additionele kredietvraag als gevolg van de coronacrisis tot op heden beperkt is doordat de liquiditeitsnood van ondernemers grotendeels door de noodpakketten geledigd wordt. De aanvragen voor een tweede betaaluitstel van aflossingen zijn in verhouding tot het aantal aanvragen voor het eerste (generieke) betaaluitstel, zeer beperkt. Banken gaven in de gesprekken aan dat een deel van de afgewezen kredietvragen ondernemers betreft die voor de coronacrisis al in de problemen waren.
Daar waar banken aan het begin van de pandemie operationeel gezien nog genoopt waren tot generiek beleid, gaan banken nu op zoek naar passende oplossingen toegespitst op de specifieke behoefte van de onderneming, bijvoorbeeld via (individueel) aanpaste of verlengde aflossingsschema’s of nieuwe (staatsgegarandeerde) financiering.
Voor banken geldt prudentiële regelgeving die bedoeld is om de financiële stabiliteit te waarborgen. Wij hebben geen signalen dat prudentiële regelgeving een goede afweging omtrent het al dan niet verlenen van krediet negatief beïnvloedt.
Voor sommige bedrijven kan gelden dat de financiële positie en het perspectief mogelijk geen aanknopingspunten bieden voor verder uitstel van betaling of nieuwe financiering. In dat geval moet met hulp van intensieve begeleiding gezocht worden naar een andere oplossing. Dit is geen eenvoudige boodschap en wij verwachten van banken dat zij deze keuzes niet lichtvoetig maken, maar het is in het belang van de klant, de bank én de maatschappij dat banken geen onverantwoorde risico’s nemen.
Desalniettemin verwachten we van banken dat ze ondernemers daar waar mogelijk blijven ondersteunen, zowel nu in deze fase als in de herstelfase die voor ons ligt.
Wat vindt u van de recente uitspraak van de IMF-hoofdeconoom Gita Gopinath dat zonder voldoende kredietverlening van het economische herstel weinig terecht zal komen? Welke rol ziet u weggelegd voor de banken in Nederland om economisch sterk uit de coronacrisis te komen?
In dit kader is de eerste zorg van het kabinet dat er voldoende perspectief moet zijn voor bedrijven. Als bedrijven een gezond toekomstperspectief geboden kan worden, zal de bereidheid om te (blijven) investeren toenemen en kan de economie zich weer herstellen. Om hiervoor te zorgen moeten we enerzijds de gezondheidscrisis aanpakken, zodat maatregelen waar bedrijven zo onder lijden kunnen worden afgebouwd, en anderzijds zullen we bedrijven moeten ondersteunen zodat ze in deze onzekere tijden financieel overeind kunnen blijven. Voor dat tweede heeft het kabinet fors ingezet op het ondersteunen van ondernemers met verschillende steunmaatregelen, waaronder de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), Tegemoetkoming Loonkosten Personeel (NOW), Borgstelling MKB-kredieten (BMKB-C), Garantie Ondernemingsfinanciering (GO-C), Corona-Overbruggingslening (COL), de Klein Krediet Corona regeling (KKC) en diverse mogelijkheden tot belastinguitstel. Banken hebben bijvoorbeeld in de periode van maart tot en met juli 2020 meer kleine kredieten verstrekt met een korte looptijd dan het jaar daarvoor, alhoewel ondanks deze stijging de toegang van het mkb tot krediet een aandachtspunt blijft.
Het doel van deze aanpak is om ervoor te zorgen dat als de coronapandemie op zijn einde loopt, bedrijven weer volop kunnen investeren en de economie sterk kan herstellen. Het is dan ook van belang dat er voldoende financieringsmogelijkheden zijn voor deze bedrijven. Banken spelen hierin een grote rol; zij zijn in Nederland het belangrijkste financieringskanaal voor bedrijven. In het gesprek met de banken benadrukt het kabinet het belang dat zij in de kern gezonde bedrijven met een financieringsbehoefte zullen blijven voorzien van voldoende krediet om hun investeringen te kunnen doen. De overheid draagt hier ook aan bij met de verlenging van garantieregelingen.2Tot slot is het ook van belang dat banken zelf financieel gezond blijven, en dat is dan ook waar de prudentiële regels op gericht zijn.
Mede met het oog op de herstelfase spant het kabinet zich de komende periode in om met belangrijke schuldeisers gezamenlijke richtlijnen te ontwikkelen voor een soepelere en efficiënte behandeling van saneringsverzoeken van ondernemers die door de coronacrisis zijn geraakt. Banken hebben als belangrijke schuldeiser hierbij een essentiële rol. Een gezamenlijke benadering van deze problematiek zal naar verwachting het toekomstperspectief voor het bedrijfsleven verbeteren.
Bovendien zal het TOA-krediet in de kern gezonde mkb-bedrijven straks in staat stellen om vanuit een WHOA (Wet homologatie onderhands akkoord)-traject een doorstart te maken.3
Maakt de beschikbaarheid van kredieten na de huidige pandemie deel uit van het reguliere overleg dat u met de banken hebt? Kan de Kamer de gespreksverslagen ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Op verschillende niveaus vindt regelmatig overleg plaats tussen de ministeries, toezichthouders en de banken, over zowel hun steun voor het bedrijfsleven alsmede hun eigen schokbestendigheid. Daarbij ligt in het kader van de steun voor het bedrijfsleven de nadruk tot nu toe vooral op hoe we ondernemers door de coronacrisis heen kunnen helpen. Daarbij wordt ook het vizier gericht op de toekomst en wat nodig is om ondernemers overeind te houden in de herstelfase en wordt, naast liquiditeit, verder ook aandacht besteed aan de eigenvermogenspositie van het mkb. Het kabinet verwacht van de banken dat ze ook in de herstelfase in de kern gezonde bedrijven blijven ondersteunen en is daarover in goed overleg met banken. Zo is dit recent aan bod gekomen in een bestuurlijk overleg d.d. 9 februari jongstleden met de Nederlandse banken, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), MKB-Nederland en De Nederlandsche Bank (DNB).
Van het bestuurlijk overleg met de banken, dat wordt voorgezeten door EZK, worden geen formeel vastgestelde verslagen opgesteld. Op hoofdlijnen is in het bestuurlijk overleg van 9 februari jongstleden besproken dat de banken een belangrijke rol spelen in de crisis en in de toekomst na de crisis. Banken schetsten een tweeledig beeld: enerzijds zijn er bedrijven die er ondanks de crisis goed voor staan, anderzijds zijn er bedrijven die het moeilijk hebben of moeilijk gaan krijgen. Banken benadrukten zich te richten op het ondersteunen van ondernemers in moeilijkheden, waarbij er geen pasklare generieke oplossingen zijn en dat er per onderneming gekeken wordt naar passende oplossingen toegespitst op de specifieke behoefte. MKB-NL noemde dat een deel van de ondernemers niet de weg kan vinden naar financiering. In het overleg is afgesproken om vooral naar het herstel- en investeringsvermogen van bedrijven te kijken en met de betrokken partijen om tafel te gaan, om onder meer te bespreken hoe met schulden kan worden omgegaan. Er is in het overleg afgesproken dat de banken, MKB-NL en de overheid samen gaan optrekken om:
Welke maatregelen overweegt het kabinet om een goede kredietverlening te bevorderen? Kunt u een overzicht geven van het gebruik en de benutting van de huidige garantieregelingen? Waar vindt onderbenutting plaats? Wat zijn daarvan de redenen? In hoeverre is het noodzakelijk het pakket aan garanties aan te passen, zodat het gebruik beter wordt?
Zoals in het antwoord op vraag 3 staat, heeft het kabinet verschillende steunmaatregelen opgezet om bedrijven financieel te ondersteunen. Veel van deze regelingen leveren een bijdrage aan het op gang houden van de kredietverlening, zowel (indirect) door bedrijven financieel te ondersteunen, waardoor de kredietwaardigheid en daarmee de kans dat een bedrijf in aanmerking komt voor een krediet wordt verhoogd, als direct door bijvoorbeeld kredieten te garanderen.
De NVB rapporteert in haar Coronamonitor van 5 maart jl. het totaal aantal offertes dat aan ondernemers is uitgebracht en het daarmee gemoeide leningbedrag.4 Als we kijken naar het gebruik van de garantieregelingen is er in de coronaperiode door de banken voor ruim 2,8 miljard euro aan offertes uitgebracht, waarvan ruim 1,2 miljard euro met de reguliere garantieregelingen en 1,6 miljard euro met het corona-instrumentarium. Hiermee zijn bedrijven gefinancierd die anders niet of veel moeilijker aan financiering waren gekomen door de coronacrisis. Het steunpakket doet goed zijn werk, en ademt mee met de crisis zolang dat nodig is.
In de monitor is te vinden dat ten aanzien van de Kleine Kredieten Corona garantieregeling (KKC) voor een bedrag van 59 miljoen euro aan leningen is geoffreerd. Het garantiebudget voor 2021 is 250 miljoen. Voor wat betreft de Borgstellingsregeling MKB Kredieten (BMKB) is tot nu toe 975 miljoen euro aan reguliere BMKB-leningen leningen en de BMKB-Corona leningen 767 miljoen euro verstrekt.5 Het garantiebudget voor 2021 is 1,5 miljard (BMKB en BMKB-C samen). Tot slot is aan Garantie Ondernemingsfinanciering Corona-leningen (GO-C) voor een bedrag van 701 miljoen euro geoffreerd. Het garantiebudget voor 2021 is 2,5 miljard euro (inclusief reguliere GO-leningen).
Voor de GO(-C) en de KKC blijft het gebruik achter bij de initiële prognose in het voorjaar van 2020. Bij die initiële prognoses in het voorjaar van 2020 was het nog onvoorspelbaar hoe de kredietbehoefte van bedrijven zich zou ontwikkelen. Intussen melden de banken ook dat de noodpakketten sindsdien zijn uitgebreid en tegemoet komen aan een groot deel van de liquiditeitsbehoefte.
Kan tevens een overzicht gegeven worden van de benutting van de landbouwregelingen zoals de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten? Herinnert de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zich haar uitspraak «Als wij een regeling maken, reken ik erop dat zij die ook aanbieden en dat ze dat doen in de wetenschap dat wij als overheid garant staan» uit november 2020? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Zo ja, wat is de uitkomst ervan? Op welke manier wilt u ondernemers helpen die buiten het recent afgekondigde steunmaatregelenpakket vallen?
Vanaf 18 maart 2020 tot 1 maart 2021 zijn door de banken in verband met de coronacrisis 207 kredieten onder de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten Corona (BL-C) verstrekt. Hiervan zijn 147 kredieten verstrekt in de sierteeltsector (snijbloemen, potplanten en bloembollen). Totaal gaat het om krediet van 84,5 miljoen euro waarvoor de overheid (deels) garant staat. De overige kredieten zijn breed verspreid over de overige agrarische bedrijfstakken, met inbegrip van visserij- en aquacultuurbedrijven. Het gemiddeld versterkte krediet bedrag is circa 0,4 miljoen euro (bron: RVO6).
Op 14 december heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit u geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de tegemoetkoming voor de sierteelt, het horecasegment van de voedingstuinbouw en de fritesaardappelen. Bij de eerste Incidentele Suppletoire Begroting 2021 zijn tevens middelen conform meest recente inzichten aan de LNV-begroting toegevoegd. RVO werkt aan de afronding van de beoordeling en afhandeling van de aangevraagde tegemoetkomingen. Tot en met heden is aan ondernemers in de sierteelt en het horecasegment van de voedingstuinbouw ongeveer 150 miljoen euro uitgekeerd en aan ondernemers in de fritesaardappelen een bedrag van ongeveer 39 miljoen euro. Een aantal aanvragen is ingetrokken of afgewezen en een aantal aanvragen is nog niet beoordeeld, waardoor de uiteindelijke benutting nog enigszins kan verschuiven.
Met de banken is, via de Klankbordgroep Agrarische Zaken, regelmatig overleg over de BL-C. De banken maken ook gebruik van deze regeling zoals uit de genoemde cijfers is te lezen. Het kabinet wil het bedrijfsleven breed ondersteunen met generieke regelingen. Daarin zijn aanpassingen gedaan waardoor zoveel mogelijk sectoren, ook de land- en tuinbouw, hierop een beroep kunnen doen.
Welke rol ziet u voor zichzelf om te zorgen dat banken en ondernemers elkaar beter weten te vinden? Welke stappen hebt u gezet dan wel gaat u nog zetten? Deelt u de mening dat juist de Minister van Financiën hier een cruciale rol kan innemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe doet u dat?
Het kabinet zet vol in op het ondersteunen van bedrijven om deze moeilijke tijd door te komen. Hierin pakt de overheid een leidende rol door actief regelingen beschikbaar te stellen voor ondernemers, rechtstreeks en via banken.
Als Minister van Financiën heb ik doorlopend contact met banken, net als de bewindspersonen van EZK. Daarbij spreek ik hen ook aan op hun verantwoordelijkheid richting ondernemers en bespreken wij hoe we gezamenlijk zoveel mogelijk bedrijven gezond door de coronacrisis kunnen loodsen.
Verder onderstreept het kabinet het belang van bekendheid van de financieringsregelingen bij ondernemers en ondernemersorganisaties, zodat ondernemers en banken elkaar beter te weten vinden. De KVK speelt een centrale rol in de voorlichting van ondernemers over het steunpakket, met het KVK-coronaloket. Uit cijfers van de KVK blijkt dat sinds het begin van de coronacrisis bijna 90.000 «corona-vragen» van ondernemers zijn beantwoord door het KVK-coronaloket, en de bijbehorende Coronaloketpagina meer dan 6 miljoen keer online is geraadpleegd. Ook helpt het loket ondernemers verder met haar reguliere dienstverlening middels de Financieringsdesk en de KVK Gids voor bedrijfsfinanciering. Recent heeft in samenwerking tussen EZK, VNO-NCW, MKB-NL en de NVB een webinar plaatsgevonden voor brancheorganisaties waarin ook is ingegaan op de werking van de financieringsregelingen. Daarnaast vinden op dit moment, in samenwerking tussen EZK, RVO en Stichting MKB Financiering (SMF), voorlichtingssessies plaats voor niet-bancaire financiers om zo de werking van de financieringsregelingen opnieuw onder de aandacht te brengen.
Welke maatregelen in de fiscaliteit neemt u om ook andere financieringsvormen aantrekkelijker te maken?
Het kabinet helpt ondernemers ook door het ruimhartige uitstel van betaling van belastingschulden aan ondernemers. Ten aanzien van de fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen doet het kabinet momenteel onderzoek naar een budgettair neutrale invoering van een vermogensaftrek in combinatie met een aanscherping van de earningsstrippingmaatregel in de vennootschapsbelasting. Dit onderzoek zal in het voorjaar aan uw Kamer worden gestuurd.
Daarnaast ondersteunt het kabinet op verschillende manieren non-bancaire financiers ten behoeve van het brede mkb. Te denken valt aan Qredits, maar ook aan het non-bancaire luik binnen de BMKB. Tevens kondigde het kabinet eind oktober, als onderdeel van het steun- en herstelpakket, een drietal fondsinitiatieven aan.7 Een daarvan betreft een verkenning, samen met Invest-NL en European Investment Fund (EIF), naar een fonds dat gericht is op alternatieve financiers, om zo het bestaande financieringsaanbod voor het mkb in Nederland te verbreden. Ook onderzoekt het Rijk momenteel, samen met Invest-NL, de mogelijkheden voor een Deep Tech fonds waarmee geïnvesteerd kan worden in kennisintensieve start- en scale-ups. Tevens werken EIF, Invest-NL en EZK samen met betrekking tot het Dutch Future Fund waarmee scale-ups met een grote kapitaalbehoefte geholpen kunnen worden.
Verder heeft het kabinet een uitgebreid instrumentarium om de beschikbaarheid van durfkapitaal voor startups en scale-ups te bevorderen. Onderdeel van dit instrumentarium zijn het Innovatiekrediet, de SEED Capital- en Seed Business Angel-regeling en de regeling Vroegefasefinanciering. Deze instrumenten worden uitgevoerd door RVO.nl. Met COL-leningen, uitgevoerd door de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en in samenwerking met Techleap zijn bedrijven zonder een bancaire kredietrelatie ondersteund (o.a. start-ups, familiebedrijven).
Kunt u de vragen één voor één voor het verkiezingsreces beantwoorden?
Het is helaas niet mogelijk gebleken om de antwoorden voor het verkiezingsreces naar de Kamer te sturen.
Satellietgegevens landbouwgrond |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke gegevens een boer moet aanleveren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zodat eventuele subsidies kunnen worden vastgesteld en de juiste controles kunnen worden gedaan omtrent landbouwgronden?
Voor het aanvragen van GLB-subsidie (rechtstreekse betalingen) geeft de boer alle landbouwpercelen op die hij op de peildatum 15 mei van het aanvraagjaar in gebruik heeft. Dit doet hij met de Gecombineerde Opgave. Per perceel geeft hij aan welk gewas er wordt geteeld, de gebruikstitel van het perceel, of hij op het perceel betalingsrechten gaat verzilveren, of hij het perceel inzet voor de vergroening (ecologisch aandachtsgebied) en of er sprake is van de inzaai van vanggewassen.
Klopt het dat alle boeren in Nederland in de maand mei deze gegevens moeten aanleveren bij de RVO, wanneer worden de controles uitgevoerd en op welk moment krijgen de boeren uitslag van de metingen en uitsluitsel of de juiste gegevens zijn aangeleverd?
Ja, dat klopt. De Gecombineerde Opgave is de opgave waarmee gegevens ten behoeve van de landbouwtelling, de mestwetgeving en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) worden ingediend. Het indienen van deze opgave is mogelijk vanaf 1 maart en de aanvraagperiode sluit op 15 mei. Tijdens het online doen van de opgave vinden controles plaats, zoals op de geregistreerde grenzen van een perceel en of een perceel niet dubbel wordt opgegeven. Bij een mogelijke foute opgave krijgt de aanvrager een waarschuwing en heeft hij direct de mogelijkheid om aanpassingen/herstel door te voeren.
Na ontvangst van de opgave door RVO.nl starten administratieve controles en controles ter plaatse. Wanneer RVO.nl informatie nodig heeft van de aanvrager, ontvangt die daarvan bericht.
RVO.nl stuurt vanaf 1 december van het aanvraagjaar de beschikking op de ingediende aanvraag, waarin eventuele geconstateerde afwijkingen staan vermeld.
Is het mogelijk dat bijna een jaar na dato een aangifte nog steeds niet is gecontroleerd?
De aanvraag voor GLB inkomenssteun (basisbetaling, vergroening, extra betaling jonge landbouwers en de graasdierpremie) wordt betaald, nadat alle controles zijn afgerond. De GLB-inkomenssteun mag RVO.nl vanaf 1 december van het aanvraagjaar aan de landbouwers overmaken. Ruim 95% van de aanvragen is gecontroleerd, beschikt en uitbetaald in december.
Vrijwel alle aanvragen zijn op uiterlijk 30 juni in het jaar volgend op de aanvraag gecontroleerd en betaald, conform Europese regelgeving. In een incidenteel geval is het om specifieke redenen niet mogelijk om de aanvraag te beschikken, zoals bijvoorbeeld een lopende beroepszaak.
Kunt u toelichten welke functie satellieten hebben bij het controleren van de opgegeven oppervlakte en op welke manier wordt bepaald wat voor perceel het betreft?
Data van satellieten met een hoge ruimtelijke resolutie van 50 cm worden gebruikt als onderdeel van het meten van de opgegeven landbouwpercelen. De Europese Commissie beschouwt 50 cm als de laagste resolutie die mag worden gebruikt voor het meten van perceelsoppervlakten. Voor het controleren van de oppervlakte worden standaard (veel scherpere) luchtfoto’s gebruikt en in sommige gevallen worden oppervlakten met GPS-apparatuur op de grond gemeten.
Op basis van de satellietdata wordt zo mogelijk het gewas en het landbouwkundig gebruik van het perceel vastgesteld. Indien dit op basis van de satellietdata en/of luchtfoto’s niet mogelijk is, vindt dit plaats met een controle ter plaatse.
Op welke wijze herkennen satellieten landbouwgrond en op welke manier wordt natuurinclusieve landbouw herkend?
Zie het antwoord op vraag 4.
Voor wat betreft natuurinclusieve landbouw: natuurinclusieve landbouw als zodanig kan niet door satellieten worden herkend.
Is het mogelijk dat landbouwgrond die natuurinclusief wordt gebruikt door satellieten niet als zodanig geclassificeerd wordt? Zo ja, wat is daarvan de reden?
Zie het antwoord op vraag 5.
Is het mogelijk dat door de aanwezigheid van een boom in een weiland landbouwgrond niet meer als zodanig geclassificeerd wordt? Zo ja, op welke manier wordt een boer dan gestimuleerd om toch bomen te laten staan op zijn grond?
Een boom in een weiland is geen reden om de grond niet meer als landbouwgrond te classificeren. Er mogen bomen tot het aantal van 50 per ha staan om nog als landbouwgrond te worden geclassificeerd, voor zover landbouwactiviteiten kunnen worden verricht. De oppervlakte die deze bomen innemen, wordt ook niet van de subsidiabele landbouwgrond afgetrokken.
Alleen in geval dat sprake is van een cluster van bomen of struiken, waarbij de bomen zo dicht op elkaar staan dat het eenvoudigweg niet meer mogelijk is er met landbouwmachines tussen door te gaan, met een omvang die groter is dan 50 m2, wordt dit niet beschouwd als subsidiabele landbouwgrond.
Kunt u reflecteren op de methode van het classificeren van landbouwgrond door de RVO en op welke manier de RVO omgaat met landbouwgrond welke wordt ontzien door de boer voor natuur bijvoorbeeld vanwege een dassenburcht waardoor een gedeelte van de landbouwgrond niet goed wordt begraasd en verwildert?
De EU verplicht de lidstaten om landbouwgrond in een perceelsregister vast te leggen. De grond in uw voorbeeld mag geen onderdeel zijn van de in het perceelsregister vastgelegde landbouwgrond, omdat het niet landbouwkundig gebruikt wordt.
Binnen de regeling «Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer» binnen het GLB zijn wel mogelijkheden om beheersactiviteiten en inkomensverlies ten behoeve van het behoud of de inrichting van leefgebieden te vergoeden.
Is het mogelijk dat een boer de satellietbeelden kan krijgen als basis voor zijn opgave, net zoals de belastingdienst in bepaalde gevallen ook al gegevens vooraf invult?
De boer heeft de beschikking over een recente luchtfoto, als basis voor zijn opgave. Daarnaast worden de perceelsgrenzen getoond. Naast deze informatie worden ook andere beschikbare gegevens vooraf ingevuld in de opgave. De boer kan onvolkomenheden in zijn opgave zien en aanpassen.
Bent u het ermee eens dat natuurinclusieve landbouw gestimuleerd moet worden en dat boeren niet onevenredig «gestraft» dienen te worden wanneer natuuronderdelen deel uit maken van hun landbouwgrond? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Ik ben het met het lid de Groot eens dat natuurinclusieve landbouw een belangrijke bijdrage kan leveren aan meerdere doelen in het agrarisch gebied, waaronder niet in de laatste plaats landschap en biodiversiteitsherstel. Daarvoor kijk ik ook naar manieren om het toepassen van natuurinclusieve principes te stimuleren en eventuele belemmeringen weg te nemen.
Met het oog op het nieuwe GLB heb ik me tot nu toe ingezet voor voldoende nationale ruimte in de definities van «landbouwgrond» en «subsidiabele hectare» om de gewenste transitie van de Nederlandse landbouw ook met het GLB goed te kunnen ondersteunen. In de lopende triloogonderhandelingen zal ik me daarop blijven inzetten. Een voorbeeld hiervan is om natte teelten subsidiabel te maken in het nieuwe GLB, zodat in veenweidegebieden meer natuurinclusief kan worden geteeld. Een ander concreet voorbeeld is om de landschapselementen onder de subsidiabele landbouwgrond te brengen, zodat er een positieve prikkel ontstaat om landschapselementen te behouden en beheren. In de Raadspositie van het GLB is ook opgenomen dat landbouwgrond, die niet langer subsidiabel is vanwege maatregelen op het gebied van klimaat en leefomgeving, subsidiabel blijft.
In het bredere kringloopbeleid zet ik daarnaast in op het zoveel mogelijk integreren van natuurinclusieve principes ten behoeve van een duurzame, volhoudbare en natuurvriendelijke landbouw.
De antwoorden op de vragen over het bericht 'Schonere diesel tanken kan sinds kort ook in Roden' |
|
Erik Ziengs (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de antwoorden op de Kamervragen over het bericht «Schonere diesel tanken kan sinds kort ook in Roden»?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat de vragenstellers teleurgesteld zijn in de antwoorden die louter een feitelijke weergave zijn en geen antwoord geven op de vragen over alternatieve duurzame brandstoffen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het vervelend om te horen dat de vraagstellers teleurgesteld zijn. De antwoorden waaraan u refereert schetsen de werking waarmee Nederland alle hernieuwbare energie, dus ook alternatieve hernieuwbare brandstoffen zoals HVO, op dit moment ondersteunt.
Zou u vanwege de constatering die deze leden uit de antwoorden maken, dat u geen voorbeelden kent van bedrijven die omgeschakeld zijn op HVO100, kunnen verklaren waarom u daar niet van op de hoogte bent?
HVO100 is recent op bredere schaal in de markt geïntroduceerd. Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen rond en de inzet van HVO in wegtransport maar niet bekend met individuele bedrijven die zijn omgeschakeld naar HVO100. Ik ondersteun de transitie naar verdere CO2 reductie binnen de inzet van hernieuwbare brandstoffen samen met de sector. Met de implementatie van de Richtlijn hernieuwbare energie (RED II) is mijn ministerie met de markt voor hernieuwbare energie in gesprek, van aanbieders van HVO(100), ethanol tot hernieuwbare waterstof.
Wanneer gaat u kennisnemen van deze voorbeelden en in gesprek met deze ondernemers die door het huidige beleid en de fiscale behandeling onnodige hoge kosten moeten maken om te verduurzamen, zeker in een tijd waarin bijvoorbeeld ondernemers het in de recreatiesector toch al zwaar hebben door corona? Wanneer wordt de kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze gesprekken?
Ik spreek regelmatig partijen uit de markt en sta altijd open om het gesprek aan te gaan met partijen die overstappen op hernieuwbare brandstoffen. Vanuit I&W is de Brandstoffentafel opgericht om de ontwikkeling van duurzame brandstoffen te bevorderen, en aan te sluiten bij ontwikkelingen in het buitenland en de kansen op groene groei te pakken. De tafel is een publiek-privaat initiatief met deelname van bedrijven, kennisinstellingen, NGOs en de overheid. Daarnaast organiseren mijn ministerie en de NEa verschillende sessies voor de sector in het kader van de RED II implementatie; door deze implementatie worden de door de VVD-fractie genoemde brandstoffen gestimuleerd. Ook via de nieuwsbrief van de NEa wordt de markt regelmatig op de hoogte gehouden.
De Nederlandse systematiek om de RED II te realiseren, de jaarverplichting, stuurt binnen de beleidskaders op een kostenefficiënte invulling van de verplichting tot een toenemend aandeel hernieuwbare energie in vervoer. Dit mechanisme borgt dat ondernemers niet voor onnodig hoge kosten komen te staan. De mate waarin dit beleid stimulerend gaat werken voor HVO100 en bioLNG is met name afhankelijk van de nadere invulling in het Besluit energie vervoer voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2030. Het Besluit zal ik nog voor
de zomer aan de Kamer sturen.
Zou u kunnen uitleggen waarom u alleen vasthoudt aan stimulering van nul emissie auto’s en het gebruik van brandstoffen met een forse emissiereductie, zoals HVO100 en bioLNG, financieel zeer onaantrekkelijk maakt voor ondernemers die geen financiële ruimte hebben om over te gaan tot elektrische auto’s maar wel een bijdrage wil leveren aan verduurzaming? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de Kamervragen over het bericht «Schonere diesel tanken kan sinds kort ook in Roden2, zet ik met de implementatie van de RED II, conform het Klimaatakkoord, in op een toenemend aandeel hernieuwbare energie. Afgezien van een aantal begrenzingen op bepaalde grondstoffen zijn de brandstofleveranciers vrij in de keuze met welke energievorm zij aan deze verplichting voldoen, mits deze aan de duurzaamheidseisen uit de richtlijn voldoen.
Ik zet voor personenvervoer in op zero emissie. Voor zwaar wegtransport zet ik voor de transitieperiode in op een toename van het aandeel hernieuwbare brandstoffen via de RED II implementatie. Ook voor zwaar wegtransport is het uiteindelijke doel zero emissie maar in de transitiefase zullen juist brandstoffen als HVO en bioLNG onder deze verplichting opgeschaald en ingezet worden. HVO en bioLNG worden namelijk als dieselvervangers ingezet voor zware vervoerssectoren waar nog geen alternatieven voorhanden zijn. Deze brandstoffen concurreren daarom momenteel niet met de inzet op elektrische auto’s. De brandstoffen passen in het brede plaatje om vervoer te verduurzamen. Ondernemers die omschakelen naar hernieuwbare brandstoffen dragen hierdoor bij aan onze doestelling.
Kunt u bevestigen dat het doel van uw beleid is om de automobilist te dwingen om zo snel mogelijk over te stappen op zero-emissie auto’s, die op korte termijn voor veel sectoren niet toepasbaar zijn of onevenredige kosten met zich meebrengen, terwijl de transitie naar HVO100 en BioLNG juist via deze sectoren voor snellere verduurzaming zorgt? Zo nee, waarom niet?
De Visie Duurzame Energiedragers in mobiliteit en het Duurzaamheidskader hebben sectoren geïdentificeerd met langere transitiepaden naar zero emissie zoals zwaar wegtransport, luchtvaart en zeevaart waarbij transitiebrandstoffen zoals HVO(100) en bioLNG moeten bijdragen. Voor personenvervoer zijn momenteel al alternatieven in de markt en zet ik in op zero emissie. De inzet op zero emissie voor personenvervoer geeft meer ruimte voor de toepassing van HVO en bioLNG in de zwaar wegtransport, luchtvaart en zeevaart.
Deelt u de mening dat u met uw huidige beleid kansen laat liggen en daarmee de verduurzaming op achterstand zet? Kunt u een uitgebreide reflectie geven waarom u niet overgaat tot het stimuleren van alternatieven die naast de zero-emissieauto’s een stevige bijdrage kunnen leveren aan de reductiedelingen?
Voor het personenvervoer zijn er al alternatieven op de markt. Voor de sectoren waar nog geen alternatieven beschikbaar zijn, zoals zwaar wegtransport zet ik in op een toenemend aandeel hernieuwbare brandstoffen. Door de ophoging van de jaarverplichting moeten brandstofleveranciers meer hernieuwbare brandstoffen gaan inzetten in vervoer. Ik reken daarbij op de inzet van transitiebrandstoffen zoals HVO(100) en bioLNG. Doordat het personenvervoer elektrificeert zullen de hernieuwbare brandstoffen met name in zwaar wegtransport ingezet moeten worden richting 2030. De kaders voor deze hernieuwbare brandstoffen zijn uiteengezet in het Klimaatakkoord.
HVO100 en bioLNG zijn brandstoffen die nog in ontwikkeling zijn. De productiecapaciteit moet nog opgeschaald worden. De verwachting is dat de verdere opschaling zich de komende jaren zal voltrekken door de verhoogde nationale jaarverplichting, gebaseerd op de toenemende Europese inzet vanuit de Richtlijn hernieuwbare energie. Ook stimuleer ik met 200 mln euro de inzet van onder meer bioLNG met de openstelling van de SDE++ voor geavanceerde hernieuwbare brandstoffen.
Zo meldde de gemeente Harlingen onlangs dat er in de haven een bioLNG installatie komt, waarbij rederij Doeksen heeft aangegeven bioLNG in de toekomst te willen inzetten in hun nieuwste passagiersschepen. HVO is ook inzetbaar in de scheepvaart en de conversietechnologie is vergelijkbaar met hetgeen benodigd is voor de inzet van biokerosine in de luchtvaart; dit is in lijn met de voorwaarden uit het duurzaamheidskader. Ik ben me er dus zeer van bewust dat deze brandstoffen een stevige bijdrage leveren aan de reductiedoelstellingen.
Wat gaat u doen om de vraag naar HVO100 en bioLNG te vergroten nu u op de hoogte bent van de voordelen van deze brandstoffen voor de verduurzaming? Welke mogelijkheden ziet u om de stijgende vraag te versnellen?
Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 7 zal de vraag naar deze brandstoffen stijgen met de ophoging van de jaarverplichting. De RED II implementatie is een belangrijke stap, maar in verschillende trajecten kijk ik waar ik binnen de kaders van het Klimaatakkoord en de RED II implementatie het proces kan versnellen. Hiervoor zullen gesprekken met de ondernemers en de verschillende platforms en brancheorganisaties gevoerd gaan worden.
Momenteel worden er op een aantal vlakken gekeken hoe bepaalde hernieuwbare brandstoffen verder ondersteund kunnen worden. Ten eerste is bioLNG opgenomen als route in de SDE++ voor geavanceerde hernieuwbare brandstoffen. Naast de jaarverplichting zal er dus extra stimulans komen vanuit de SDE++ om bioLNG te ontwikkelen. Ten tweede wordt er ook in het traject vrachtwagenheffing gekeken hoe brandstoffen zoals HVO100 en LNG binnen de jaarverplichting versneld gestimuleerd kunnen worden voor zwaar wegvervoer. Voor de voortgang verwijs ik naar de laatste kamerbrief van de vrachtwagenheffing3.
Ziet u naast de stijgende vraag nog andere mogelijkheden om de prijs van HVO100 aantrekkelijker te maken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
In welke mate zal voor HVO100 een verzoek om teruggaaf van accijns slagen? Hoe vaak is een dergelijk verzoek voor HVO100 gehonoreerd in de afgelopen jaren? Hoe gaat u de mogelijkheid van teruggaaf van accijns effectief communiceren naar relevante partijen? Hoe zit dit voor bioLNG?
De slagingskans is afhankelijk van het feit of voldaan is aan de voorwaarden.
De teruggaafregeling beoogt compensatie te bieden voor de lagere energie-inhoud van biobrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen in vergelijking met de traditionele fossiele brandstoffen. Voor biobrandstoffen of hernieuwbare brandstoffen geldt dat op verzoek een teruggaaf kan worden verleend, mits aan de voorwaarden in de Wet op de accijns is voldaan. Enkele van die voorwaarden zijn dat teruggaaf slechts wordt verleend indien de biobrandstof of hernieuwbare brandstof een lagere energie-inhoud heeft dan de gelijkwaardige fossiele brandstof en indien 10 procent of meer van de in de motorbrandstof aanwezige energie afkomstig is van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof.
De teruggaaf van accijns bedraagt een percentage van het accijnstarief van de gelijkwaardige motorbrandstof. Dit percentage is gelijk aan het verschil in energie-inhoud van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof en die van de gelijkwaardige motorbrandstof, uitgedrukt als percentage van de energie-inhoud van de gelijkwaardige motorbrandstof. Voor de vaststelling van de energie-inhoud per volume van de biobrandstof of hernieuwbare brandstof en die van de gelijkwaardige motorbrandstof wordt voor zover mogelijk uitgegaan van hetgeen hiertoe is opgenomen in bijlage III van de Richtlijn hernieuwbare energie. In die bijlage is de energie-inhoud van de meeste op dit moment bekende biobrandstoffen opgenomen alsmede die van benzine en diesel.
Of HVO100 of bioLNG voldoen aan de voorwaarden, dient uit een eventuele teruggaafaanvraag te blijken. Indien de energie-inhoud vergelijkbaar is met de fossiele variant, komen zij niet in aanmerking voor een teruggaaf van accijns. Indien de energie-inhoud lager is dan die van de fossiele variant en aan de andere voorwaarden is voldaan, kan mogelijk sprake zijn van een gedeeltelijke teruggaaf van accijns.
Sinds de invoering van deze teruggaafregeling wordt op de website van de rijksoverheid en van de Douane reeds aangegeven dat, onder voorwaarden, een teruggaaf van accijns mogelijk is voor biobrandstoffen en hernieuwbare brandstoffen.
Welke mogelijkheden ziet u naast de stijgende jaarverplichting om het gebruik van HVO100 en bioLNG aantrekkelijk te maken?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u een overzicht geven van mogelijke maatregelen die het gebruik van HVO100 en bioLNG kunnen stimuleren, zoals bepaalde vormen van subsidie en/of fiscale prikkels (graag inclusief financiële consequenties)?
Zie het antwoord op vraag 8.
Zijn er naast de afspraak uit het Klimaatakkoord om bij de stijgende verplichting niet meer voedsel- en voedergewassen (zoals plantaardige oliën) in te zetten dan het niveau van 2020, nog andere belemmeringen voor de omzetting van de in oorsprong restproducten zoals plantaardige oliën en restafval? Zo ja, welke?
De RED II introduceert een limiet op Annex IXb-grondstoffen (zoals gebruikt frituurvet). Deze limiet stelt vast dat deze grondstoffen maximaal op 1,7% (3,4% inclusief dubbeltelling) mogen bijdragen aan de transportverplichting uit de Richtlijn. In het Besluit energie vervoer wordt deze limiet bezien voor de Nederlandse context.
Hoe gaat u mogelijke logistieke problemen bij de grootschalige distributie van HVO100 en bioLNG voorkomen? In welke mate voert u gesprekken met de relevante producenten en pomphouders? Zijn er belemmeringen om grootschalige productie en distributie van HVO100 en bioLNG te versnellen? Zo ja, welke?
De huidige HVO-productie is nog in de opschalingsfase. Een aantal producenten heeft aangegeven HVO productie te willen initiëren binnen Nederland. Uiteraard stimuleren we deze ontwikkelingen om de verdere opschaling van HVO te versnellen. HVO kan ingezet worden in de bestaande infrastructuur (pomp, brandstoffen en motoren), waar voor LNG geldt dat er infrastructuur opgezet moet worden. Wat betreft bioLNG heeft Nederland de afgelopen jaren de LNG markt ondersteund om LNG infrastructuur op te zetten (trucks en vulpunten), waaronder de laatste 2 jaar een subsidieregeling via IenW. Verder ben ik voornemens om de inzet van biogas binnen de jaarverplichting via het gasnet te laten lopen. Momenteel is dit niet mogelijk voor bioLNG. De aanpassing zal onderdeel zijn van de Regeling energie vervoer. Dit zal de opschaling van bioLNG in Nederland verder ondersteunen.
Wat zijn de verschillen tussen HVO100 en bioLNG? Kunnen beide op afzienbare termijn brandstoffen grootschalig geproduceerd en gedistribueerd worden?
HVO100 staat voor 100% Hydrotreated Vegetable Oils. HVO is een hoogwaardige hernieuwbare dieselvervanger. In principe kunnen de meeste dieselvoertuigen op HVO rijden, omdat deze voldoet aan de dieselnorm. BioLNG staat voor Liquified Natural Gas gemaakt uit biogrondstoffen. BioLNG is weliswaar een dieselvervanger, maar kan niet in een dieselvoertuig, hiervoor is een andere motor en andere tankinfrastructuur nodig. BioLNG is compact en is daardoor goed in te zetten voor de lange afstand (zwaar wegtransport, scheepvaart). Vanuit dit perspectief lijkt HVO makkelijker op te schalen dan bioLNG. Echter de grondstoffen voor beide brandstoffen zijn veelal complementair en zorgen voor een verbreding van de grondstoffenbasis. Beide brandstoffen zijn nodig om de opschalende ambities te realiseren.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Eerdere antwoorden over burgerdoden in Uruzgan |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA), Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over een artikel in dagblad Trouw waarin een veteraan onthult mogelijk verantwoordelijk te zijn voor burgerdoden in Uruzgan, Afghanistan, medio 2007?1
Ja.
Kunt u, aangezien u deze zaak uiterst serieus neemt, een uitputtend overzicht geven van al uw handelingen naar aanleiding van het verhaal van de veteraan?
Naar aanleiding van het gemelde incident, zijn direct de interne rapportages bezien die op punten gelijkenissen vertonen met de wapeninzet die in het artikel is beschreven. Ook is contact opgenomen met het Openbaar Ministerie. Op basis van de informatie uit het artikel alleen, kon echter geen wapeninzet uit het voorjaar van 2007 in Afghanistan een-op-een worden gekoppeld aan het artikel in Trouw. Na overleg met het OM is daarom door het Ministerie van Defensie contact opgenomen met de veteraan om meer informatie over het gemelde voorval te verkrijgen. Dit gesprek vond plaats op 24 december 2020. Op basis van aanvullende informatie die uit het gesprek naar voren is gekomen, is er een interne rapportage gevonden die overeenkomsten heeft met het gemelde voorval van de veteraan. Deze rapportage is in januari 2021 verstrekt aan het OM.
Zoals aan uw Kamer is gemeld, is het OM op 23 december 2020 een feitenonderzoek gestart (Kamerstuk 27 925, nr. 763). Om te voorkomen dat een eventueel eigen onderzoek van het Ministerie van Defensie het onderzoek van het OM belemmert, kies ik er voor om de afronding van dit feitenonderzoek af te wachten, voordat ik een besluit neem om een eigen onderzoek te starten. Zodra ik een besluit heb genomen, zal ik u daarover uiteraard informeren conform de nieuwe procedure.2 Het is en blijft overigens aan het OM zelf om nader te communiceren over (de uitkomst van) het feitenonderzoek.
Hoe verklaart u dat het door de veteraan gemelde incident, in ieder geval vooralsnog, niet terug te vinden is in de archieven? Wat zegt dit over de volledigheid van deze archieven?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel rapportages heeft u in de archieven aangetroffen in de periode waarin u heeft gezocht? Kunnen deze met de Kamer gedeeld worden? Zo nee, waarom niet?
Na het gesprek met de veteraan is een interne rapportage gevonden die overeenkomsten heeft met het gemelde voorval. Deze rapportage is aan het OM verstrekt ten behoeve van het onderzoek. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, kies ik er voor om de afronding van het feitenonderzoek van het OM af te wachten, ook wat betreft verstrekking van rapportages aan uw Kamer.
Kunt u aangeven of elk gebruik van geweld in Afghanistan ook inhoudelijk, dus niet enkel protocollair, door de Koninklijke Marechaussee dan wel het openbaar ministerie is onderzocht? Welke procedures golden hier?
De procedure ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op de rechtmatigheid van het geweldgebruik is vastgelegd in de aanwijzing van het College van procureurs-generaal inzake de handelwijze bij geweldsaanwending door militairen (Stc. 2006, nr. 233, p. 11). Ieder geweldgebruik wordt door een daartoe aangewezen commandant schriftelijk gerapporteerd middels een After Action Report (AAR). Dit rapport maakt deel uit van de operationele informatievoorziening aan de Commandant der Strijdkrachten en dient onder meer als basis voor de juridische verantwoording van het geweldgebruik. De rapporterende commandant is verantwoordelijk voor een juist en volledig schriftelijk feitenrapport van elke geweldsaanwending die heeft plaatsgevonden. Het AAR bevat als vast onderdeel een beoordeling van de commandant over de rechtmatigheid van het geweldgebruik. Indien de commandant van oordeel is dat een hem of haar ter kennis gekomen gedraging onder de gegeven omstandigheden een strafbaar feit betreft, zoals bedoeld in artikel 78 Wet militair tuchtrecht (Wmt), is hij (daarnaast) wettelijk verplicht hiervan aangifte te doen. Elk AAR wordt tevens ter beschikking gesteld aan de Koninklijke Marechaussee (KMar), die in het uitzendgebied wettelijk is belast met de uitvoering van de militaire politietaak. De KMar stelt over dezelfde geweldsaanwending een rapport op en stuurt dat samen met het rapport van de commandant door naar het Openbaar Ministerie in Arnhem. Dit stelt het Openbaar Ministerie in staat om in een vroegtijdig stadium te bepalen of er behoefte bestaat aan aanvullende informatie dan wel of de informatie in het rapport aanleiding geeft om een nader feitenonderzoek of opsporingsonderzoek in te stellen.
Kunt u in detail toelichten waarom u staande houdt dat in de periode van 2006 tot 2010 in Uruzgan geweld nooit onrechtmatig is toegepast? Is elke inzet van geweld, ongeacht de aard ervan, steevast ook inhoudelijk onderzocht op rechtmatigheid? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het geweldgebruik in Afghanistan heeft het Openbaar Ministerie in de feitelijke toedracht van een geweldsaanwending of in de ernst van de gevolgen van een geweldsaanwending een beperkt aantal keer aanleiding gezien om een feitenonderzoek uit te voeren. Ik verwijs u in dit verband naar de Kamerbrief van 29 april 2011 (Eerste Kamer 2010–2011, 31 487 (R1862), H, p. 5). Er was in die gevallen nog geen sprake van een verdenking van een strafbaar feit, maar wel behoefte aan meer gedetailleerde informatie om een goed beeld te verkrijgen van de relevante feiten en omstandigheden rondom de geweldsaanwending. Deze onderzoeken hebben niet alsnog geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. Zoals tevens in voornoemde Kamerbrief staat vermeld, is in één geval, na aangifte door de commandant, een strafrechtelijk onderzoek naar geweldstoepassing in Afghanistan uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek is de zaak destijds geseponeerd. Het blijft echter altijd mogelijk dat zich in een later stadium nieuwe informatie over een wapeninzet aandient, die aanleiding geeft tot een hernieuwde toets van de rechtmatigheid.
Zo bleek bij de inventarisatie naar Nederlandse betrokkenheid bij de geconstateerde misstanden onder Australische speciale eenheden dat er bij het OM momenteel nog één feitenonderzoek loopt uit de Uruzgan-periode. Het betreft hier de wapeninzet van twee Nederlandse gevechtshelikopters ter ondersteuning van Australische speciale eenheden op 11 juni 2009. In 2018 had het OM gemeld dat er geen onderzoek meer liep naar deze inzet. Op grond van nieuwe informatie heeft het OM echter besloten om een aanvullend feitenonderzoek in te stellen, dat momenteel nog niet is afgerond.
Ik maak hierbij meteen van de gelegenheid gebruik om u te informeren over de stand van zaken van de inventarisatie naar Nederlandse betrokkenheid bij de geconstateerde misstanden onder Australische speciale eenheden, waar uw Kamer eerder over is geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nrs. 1111 en 1112). Uit de inventarisatie zijn geen aanwijzingen van betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de misstanden van de Australische speciale eenheden naar voren gekomen. In welke mate Nederlandse militairen geluiden hebben bereikt van de Australische misstanden is niet uit de inventarisatie op te maken.
De melding door een Nederlandse militair over Australische misstanden, waar uw Kamer ook eerder over is geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nrs. 1111 en 1112), wordt nog onderzocht.
Kunt u nu wel antwoord geven op vraag 6 t/m 10 in de eerdere vragensessie over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Het is op dit moment niet mogelijk om deze vragen te beantwoorden. Het OM voert momenteel een onderzoek uit en heeft met het Ministerie van Defensie afgesproken dat Defensie geen getuigen en/of potentiele verdachten spreekt en dat Defensie informatie aan het OM verstrekt die van belang is voor het onderzoek. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Kunt u, bij benadering, aangeven bij hoeveel incidenten in Uruzgan inhoudelijk onderzoek is gedaan naar de rechtmatigheid? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Is de andere veteraan, die getuige is geweest van het door de veteraan in Trouw onthulde incident en het grotendeels heeft bevestigd, inmiddels gehoord? Zo nee, waarom niet? Zijn andere getuigen van het incident inmiddels gehoord? Zo nee, waarom niet?
De getuigen zijn door de KMar onder gezag en aansturing van het OM gehoord. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van het feitenonderzoek dat het Openbaar Ministerie inmiddels is gestart?
Het feitenonderzoek wordt onder leiding van het Openbaar Ministerie door de Koninklijke Marechaussee uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
Waarom kunt u niet preciezer aangeven hoeveel burgerdoden er zijn gevallen (mede) door optreden van Nederland in de periode 2006–2010 in Uruzgan?
Kunt u alsnog een volledige lijst van incidentmeldingen met (mogelijke) burgerdoden vrijgeven zoals eerder, in 2009, deels al eens is gedaan?2 Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie zal een zoekslag maken naar incidentmeldingen over (het vermoeden van) burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet van de periode september 2009 tot het einde van de inzet in Uruzgan in 2010. Als uit deze zoekslag aanvullende meldingen over het vermoeden van burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet naar voren komen, wordt de vrijgegeven lijst uit 2009 aangevuld en met de Kamer gedeeld.
Werden de slachtoffers van het Nederlandse optreden in Uruzgan op systematische wijze bijgehouden? Zo ja, hoe gebeurde dit? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie hield geen systematische registratie bij van het aantal slachtoffers ten gevolge van Nederlands optreden, omdat dit vanwege de situatie ter plekke niet doenlijk was.
Zijn steevast «battle damage assessments» uitgevoerd na inzet van geweld? Is het waar dat een TigerShark drone (of wellicht een ander vliegtuig) beschikbaar was voor «battle damage assessments»? Is die drone gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn rapporten van de vluchten gemaakt? Hoeveel rapporten zijn opgesteld?
Zie antwoord 11 voor de vraag over BDA’s. De Tigershark was geen inzetmiddel van Nederlandse eenheden in het missiegebied, maar stond ter beschikking van een coalitiepartner. Naast de beperkte beschikbaarheid van de Tigershark, heeft dit systeem een beperkte actieradius, waardoor deze op veel operaties niet kon worden ingezet. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Het bericht ‘Vrees voor Chinese spionage via douanescanners in haven Rotterdam’ |
|
Helma Lodders (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor Chinese spionage via douanescanners in haven Rotterdam»?1
Ja.
Klopt het dat bij de Nederlandse douane in de Rotterdamse haven, op vliegvelden en bij distributiecentra scanners worden gebruikt van het Chinese bedrijf Nuctech voor het controleren van goederen? Zo ja, voor welke taken worden deze scanners precies ingezet? Worden alle scanners als «standalone» gebruikt? Zo nee, hoeveel niet?
De Nederlandse Douane (hierna: de Douane) zet in de Rotterdamse haven, op de vliegvelden en bij distributiecentra scanners in, waaronder scanners van Nuctech. De scanners worden ingezet voor controle van goederen die de EU binnenkomen en uitgaan in o.a. containers, reizigersbagage, post- en koerierspakketten. Met de X-Ray scans wordt een scanbeeld gemaakt van de inhoud van containers. In de Rotterdamse haven zijn zeven grote ladingscanners geïnstalleerd, waaronder vier van Nuctech. Deze scanners zijn door middel van een gesloten glasvezel netwerk verbonden met het douanekantoor Maasvlakte. Alle overige scanners in gebruik bij de Douane worden «standalone» gebruikt.
Op welke Nederlandse vliegvelden en bij welke Nederlandse distributiecentra wordt gebruik gemaakt van Nuctech scanners? Zijn er nog andere Nederlandse instellingen/sectoren waar gebruik wordt gemaakt van Nuctech scanners? Zo ja, welke?
Nuctech maakt scanners voor uiteenlopende doeleinden. De overheid houdt geen totaaloverzicht bij van scanapparatuur die wordt gebruikt door de instellingen en sectoren.
Specifiek voor de Douane geldt dat de Douane Nuctech scanners inzet op de luchthavens Schiphol en Maastricht Aachen Airport voor vracht en reizigersbagage. Op Rotterdam The Hague Airport zet de Douane de scanners in voor reizigersbagage. Tevens zet de Douane scanners van Nuctech in bij distributiecentra, zoals de postsorteercentra.
Is er een risico- en veiligheidsanalyse vooraf gegaan aan het besluit om de scanners van Nuctech aan te schaffen in onze mainports? Zo ja, is hierbij advies ingewonnen van (digitale) veiligheidsexperts over bijvoorbeeld het inbouwen van achterdeurtjes en het hanteren van een mogelijkekill switch? Zo nee, waarom niet?
De Douane besteedt structureel – onafhankelijk welke leverancier scan apparatuur levert – aandacht aan de bescherming en beveiliging van gegevens. Scan-apparatuur wordt door de Douane aangeschaft via wettelijk voorgeschreven inkoopprocedures op grond van de Aanbestedingswet. In een aanbesteding wordt getoetst of op een inschrijver de wettelijke uitsluitingsgronden uit de Aanbestedingswet van toepassing zijn.
Daarnaast maakt de Douane bij nieuwe aanbestedingen gebruik van het instrumentarium om risico’s voor de nationale veiligheid bij inkoop en aanbesteding te adresseren. Dit instrumentarium is eind 2018 ontwikkeld ter ondersteuning van het ten aanzien van nationale veiligheidsrisico’s verscherpt inkoop- en aanbestedingsbeleid voor de rijksoverheid. Bij de aanbesteding van de Nuctech scanners is het instrumentarium niet toegepast, omdat de quickscan op dat moment nog niet geïmplementeerd was. Bij toekomstige scan- en detectie aanbestedingen wordt het instrumentarium wel toegepast. Een nadere toelichting op dit beleid en instrumentarium wordt gegeven bij de beantwoording van vraag 5.
Tevens laat de Douane een externe audit uitvoeren op de scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting, om te verzekeren dat de scan- en detectieprocessen zo veilig mogelijk zijn ingericht. De opdracht voor dit onderzoek is in september geïnitieerd nadat de Douane signalen ontving over de Nuctech scanners en het onderzoek zal in maart starten. Het doel van het onderzoek is om inzicht te verschaffen in het niveau van de informatiebeveiliging van de scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting. Ook wil de Douane geïnformeerd worden over mogelijke risico’s en advies over eventuele mitigerende maatregelen. Verwacht wordt dat de resultaten van het onderzoek in de zomer beschikbaar zijn. Daarnaast wordt in samenspraak met andere relevante overheidspartijen aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarin de resultaten van deze externe audit worden meegenomen.
Hoe beoordeelt u het grootschalige Nederlandse gebruik van Nuctech scanners in onze mainports met het oog op de constatering van onze inlichtingendiensten dat China een «offensief cyberprogramma heeft tegen Nederlandse belangen" en dat het daarom «onwenselijk is voor de uitwisseling van gevoelige informatie/of vitale processen afhankelijk te zijn van IT-producten of diensten uit een land als China»?2
Zoals in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA)3 beschreven, is een toenemende afhankelijkheid van buitenlandse technologie een gegeven, aangezien geen land beschikt over alle kennis en productiemiddelen om technologisch onafhankelijk te opereren. Wel bestaat het risico dat met technologische toeleveringen de digitale spionage- en sabotagemogelijkheden toenemen.
Risico’s voor de nationale veiligheid kunnen met name ontstaan wanneer deze technologie de Nederlandse vitale infrastructuur raakt, of wanneer deze technologie raakt aan gevoelige kennis en informatie. Een aanvullend risico kan ontstaan als er betrokkenheid is van leveranciers uit bepaalde landen die via nationale wet- en regelgeving gedwongen kunnen worden tot medewerking aan inlichtingenactiviteiten. De risico’s voor de nationale veiligheid worden verder vergroot als het landen betreft die een offensief cyberprogramma voeren tegen de Nederlandse belangen en wanneer (technische) mogelijkheden om risico’s te adresseren niet voorhanden zijn.
Om de weerbaarheid tegen deze dreiging te vergroten werkt de Minister van Justitie en Veiligheid samen met partners binnen en buiten de overheid aan de aanpak statelijke dreigingen, waarover uw Kamer op 3 februari j.l. de laatste stand van zaken heeft ontvangen4. Bij elke casus moet worden bezien hoe risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat maatregelen die hiertoe genomen worden proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid.
Met betrekking tot het door uw Kamer genoemde vraagstuk is specifiek het overheidsbeleid dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten relevant. Bij de aanschaf van gevoelige apparatuur zal volgens dit beleid bij aanschaf en implementatie rekening gehouden worden met zowel eventuele risico’s in relatie tot de leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om de toegang tot systemen door derden. Dit ten aanzien van nationale veiligheidsrisico’s verscherpt inkoop en aanbestedingsbeleid is eind 2018 geïmplementeerd voor de rijksoverheid.
Ter ondersteuning van dit beleid is instrumentarium ontwikkeld dat organisaties handvatten biedt bij het maken van een risicoanalyse en het nemen van mitigerende maatregelen. Behoeftestellende partijen zijn zelf verantwoordelijk voor de toepassing van dit instrumentarium en het meewegen van nationale veiligheidsrisico’s. Het instrumentarium is ter beschikking gesteld binnen de rijksoverheid en medeoverheden, alsmede aan organisaties die onderdeel zijn van de vitale processen. De Douane past dit instrumentarium toe bij nieuwe aanbestedingen.
Hoe beoordeelt u het besluit van Litouwen, Canada en de Verenigde Staten om de Nuctech scanners te weren vanwege het risico op spionage en misbruik van data door de Chinese overheid? Hoe beoordeelt u de constatering van de Amerikaanse Senaat dat Nuctech indirect is verbonden met het Chinese leger? Hoe beschouwt u bovenstaande in het licht van het Nederlandse gebruik van de Nuctech scanners en bijbehorende veiligheidsrisico’s voor Nederland en in hoeverre bent u van mening dat aanschaf van Nuctech scanners nadere overweging verdient?
Het kabinet heeft aandacht voor ontwikkelingen in technologieën en kwetsbaarheden daarin. Ook de internationale (beleids)ontwikkelingen worden door het kabinet gevolgd.
Nederland maakt altijd een eigenstandige afweging. De Nederlandse overheid beziet de risico’s die verbonden zijn aan producten en bedrijven op een zorgvuldige «case by case» basis.
Bij de beoordeling van risico’s ten aanzien van spionage, beïnvloeding of sabotage door statelijke actoren of andere partijen bij (digitale) producten hanteert het kabinet de overwegingen die zowel bij c20005 als bij de veiligheid van de telecomnetwerken6 zijn gebruikt:
Deze overwegingen worden meegenomen is het in ons antwoord op vraag 4 genoemde aanvullende onderzoek, dat in samenspraak met andere relevante overheidspartijen wordt uitgevoerd.
In algemene zin kan worden gesteld dat de Chinese overheid nauw betrokken is bij het Chinese bedrijfsleven, zowel via staatsbedrijven als private bedrijven, en dat er sprake is van nauwe verwevenheid tussen civiele en militaire sectoren in China. Dit wordt ook beschreven in de beleidsnotitie «Nederland-China: een nieuwe balans»7. Over het kennisniveau van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan.
Deelt u de mening dat het uit veiligheidsoogpunt zeer onwenselijk is dat een Chinees staatsgecontroleerd bedrijf nauw is betrokken bij strategische plekken in onze grensbewaking? Zo ja, bent u bereid om preventieve maatregelen te nemen die risico’s op Chinese spionage beperken? Bent u bereid hiervoor onderzoek te laten doen naar het Nederlands gebruik van Nuctech scanners? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in de beantwoording van vraag 5 omschreven, bestaat het risico dat met technologische toeleveringen digitale spionage- en sabotagemogelijkheden toenemen.
Risico’s voor de nationale veiligheid kunnen met name ontstaan wanneer deze technologie de Nederlandse vitale infrastructuur raakt, of wanneer deze technologie raakt aan gevoelige kennis en informatie. Een aanvullend risico kan ontstaan als er betrokkenheid is van leveranciers uit bepaalde landen die via nationale wet- en regelgeving gedwongen kunnen worden tot medewerking aan inlichtingenactiviteiten. De risico’s voor de nationale veiligheid worden verder vergroot als het landen betreft die een offensief cyberprogramma voeren tegen de Nederlandse belangen en wanneer (technische) mogelijkheden om risico’s te adresseren niet voorhanden zijn.
Bij elke casus moet worden bezien hoe eventuele risico’s voor de nationale veiligheid beheersbaar kunnen worden gemaakt. Uitgangspunt is dat maatregelen die hiertoe genomen worden proportioneel zijn. Dit vergt een gedetailleerde analyse van de te beschermen belangen, de dreiging en de (huidige) weerbaarheid.
Zoals ook vermeld bij de beantwoording van vraag 4, laat de Douane een externe audit uitvoeren op de scan- en detectiesystemen en daaraan gerelateerde IT-inrichting, om te verzekeren dat de scan- en detectieprocessen zo veilig mogelijk zijn ingericht. De opdracht voor dit onderzoek is in september geïnitieerd nadat de Douane signalen ontving over de Nuctech scanners. Daarnaast wordt in samenspraak met andere relevante overheidspartijen aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarin de resultaten van deze externe audit worden meegenomen.
Sociale ondernemingen die niet alle coronasteun ontvangen |
|
William Moorlag (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sociale onderneming De Oude Keuken tussen wal en schip met coronasteun»?1
Ja.
Bent u ook van mening dat sociale ondernemingen, zoals De Oude Keuken, een enorm belangrijke rol en functie hebben in de samenleving, bijvoorbeeld bij het aan het werk helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt?
Sociale of maatschappelijke ondernemingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken op het terrein van bijvoorbeeld de arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, maar ook op andere terreinen zoals energie en klimaat, zorg en onderwijs. In beginsel kunnen alle ondernemingen een bijdrage hieraan leveren, maar vanwege hun focus op maatschappelijke impact nemen sociale ondernemingen hierbij een bijzondere positie in2.
Maakt u zich ook grote zorgen, gezien sociale ondernemingen vaak weinig buffers hebben, dat er door deze coronacrisis veel sociale ondernemingen op omvallen staan?
De coronacrisis hakt er bij iedereen in en dat is voelbaar in alle sectoren, bij werkenden, burgers en bij alle ondernemingen waaronder de sociale ondernemingen. Het kabinet spant zich daarom in om zo goed als kan baanbehoud en bedrijvigheid te ondersteunen. Het kabinet zet zich hier vanaf de start van de crisis voor in door middel van de omvangrijke steun- en herstelpakketten, waaronder de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de Tegemoetkoming in de Vaste Lasten (TVL) en de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Het generieke steun- en herstelpakket ademt mee en leidt daarmee automatisch tot meer steun voor ondernemers die langer dicht moeten.
Bent u van mening dat het hebben van een «verkeerde» SBI-code, hetgeen het geval is bij De Oude Keuken en bij andere sociale ondernemingen met een horecafunctie, er niet toe mag leiden dat zij geen aanspraak kunnen maken op alle noodzakelijke overheidssteun, zoals de Eenmalige opslag Horeca Voorraad en Aanpassingen (HVA)?
Vanaf het vierde kwartaal 2020 kunnen alle sectoren gebruik maken van de TVL (met uitzondering van de financiële instellingen) ongeacht de SBI-code. Dat geldt dus ook voor sociale ondernemingen zoals De Oude Keuken. De TVL-tegemoetkoming wordt berekend met behulp van de SBI-code waarmee per sector het vastelastenpercentage kan worden vastgesteld. Een onderneming kan TVL alleen op basis van de SBI-code van de hoofdactiviteit aanvragen. De TVL-subsidie wordt op basis van het hele omzetverlies berekend, inclusief het omzetverlies van de nevenactiviteit3.
De opslag HVA is gericht op bedrijven met een hoofdactiviteit SBI-code 56 eet- en drinkgelegenheden en geldt dus niet voor andere ondernemingen met ook een horecafunctie.4 Indien een onderneming kan aantonen dat bij de activiteiten waarmee de onderneming op 15 maart 2020 was ingeschreven in het handelsregister een andere SBI-code voor hoofdactiviteit passend zou zijn, dan kan deze onderneming daar binnen de gestelde termijnen beroep op doen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Om voor de HVA in aanmerking te komen moet dit dus om de hoofdactiviteit met SBI-code 56 eet- en drinkgelegenheid gaan.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat sociale ondernemingen met een verkeerde SBI-code toch de hoognodige overheidssteun krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid, omdat de problemen bij sociale ondernemingen breder spelen dan alleen een verkeerde SBI-code, in overleg met Social Enterprise Nederland extra steun aan sociale ondernemingen te bieden zodat zij deze coronacrisis doorkomen?
In de brief van 21 januari jl. heeft het kabinet het economische steun- en herstelpakket vanaf Q1 2021 fors uitgebreid.5 Het kabinet heeft blijvend oog voor de impact van de crisis en de beperkende maatregelen. De afgelopen maanden is er vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat veelvuldig contact geweest met het bedrijfsleven en verschillende branche- en belangenorganisaties, waaronder met Social Enterprise Nederland. Deze gesprekken zet het kabinet de komende tijd voort.
De nadelige gevolgen voor Groninger en Friese gemeenten van de herverdeling van het gemeentefonds |
|
Henk Nijboer (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Groninger gemeenten boos over nieuwe verdeling gemeentefonds»?1
Is het waar dat uit de voorgenomen herijking van het Gemeentefonds op Groningen-stad na alle Groninger gemeenten en veel Friese gemeenten minder geld uit dat fonds gaan krijgen? Zo ja, hoe kan dat? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Deelt u de mening dat, als vrijwel alle gemeenten in een provincie door de herijking van het Gemeentefonds minder gaan krijgen, er dan geen sprake kan zijn van een eerlijke verdeling? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u ook de mening dat, met een structurele verlaging van de uitkering uit het Gemeentefonds, de getroffen gemeenten niet langer in staat zullen zijn om hun taken naar behoren uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Beseft u dat veel gemeenten financieel in de touwen hangen? Beseft u dat zwembaden dreigen te sluiten, het voortbestaan van dorpshuizen wordt bedreigd en dat voorzieningen onder druk staan? Waarom maakt u deze problemen nog groter?
Hoe gaat u de bewoners van een gemeente zoals Oldambt, die al door krimp wordt bedreigd, uitleggen dat hun gemeente ook nog eens 130 euro per inwoner per jaar minder zou gaan krijgen, of de bewoners van Stadskanaal waar de gemeente al moeite heeft het hoofd financieel boven water te houden?
Waarom laat u, als u nu al kunt zien dat de herverdeling van het Gemeentefonds voor gemeenten in Groningen en Friesland oneerlijk uitpakt, de oplossing van het probleem aan een nieuw kabinet over?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat na de herijking van het Gemeentefonds er wel sprake zal zijn van een eerlijke verdeling?
Het bericht 'Vergunningverlening ligt opnieuw stil' |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vergunningverlening ligt opnieuw stil»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State (20 januari 2021) waarin op grond van de wetswijziging die dit jaar ingegaan is, werd bepaald dat bij intern salderen geen nieuwe vergunning nodig is?
Ja.
Herkent u het gevaar dat in het artikel wordt geschetst, waarbij voor bepaalde bedrijfsontwikkelingen die momenteel vergunningsvrij zijn in de toekomst mogelijk wel een vergunning nodig is als gevolg van een update van AERIUS? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, waarom niet?
Een update van AERIUS leidt tot gewijzigde rekenresultaten ten opzichte van de vorige versie die mogelijk tot andere conclusies leiden voor de vergunningverlening. Dit is zijn algemeenheid zo. Het is nu eenmaal nodig om AERIUS steeds van de beste inzichten en gegeven te voorzien. In de regelgeving is daarom vastgelegd dat steeds met de dan vigerende versie van AERIUS gerekend moet worden.
Als gevolg van de uitspraak kan en mag voor aanvragen met intern salderen geen vergunning meer verleend worden. Dat betekent dat bedrijven voortaan vergunningvrij de bedrijfsvoering kunnen wijzigen, als zij niet meer stikstof gaan uitstoten dan vastgelegd in een eerdere toestemming. Daarbij is het toetsingsmoment in AERIUS voor een bedrijfswijziging het moment van realisatie van de bedrijfswijziging. Effecten van een latere wijziging van AERIUS hebben hier geen effect. Ondernemers kunnen de AERIUS-gegevens bewaren. Die gegevens kunnen later bij (eventuele) toets- en handhaving van de uitvoering van de activiteit als uitgangspunt voor controle worden gebruikt.
De uitspraak betekent dat in de praktijk desgewenst op andere wijze rechtszekerheid zal moeten worden geboden. In zijn algemeenheid kan een bevoegd gezag dat doen door op aanvragen om een natuurvergunning die uitsluitend betrekking hebben op intern salderen te reageren door een positieve afwijzing van de aanvraag of door het buiten behandeling laten van de aanvraag. Beide besluiten zijn vatbaar voor bezwaar en beroep en kunnen dus in rechte vast komen te staan. Aan zo’n besluit kunnen geen voorschriften worden verbonden, maar het besluit kan wel de aangevraagde situatie vastleggen op basis van de geldende AERIUS versie, zodat bijvoorbeeld toekomstige wijzigingen in AERIUS geen gevolgen hebben voor de betrokken activiteit.
Hoe gaat u voorkomen dat iedere herziening van AERIUS leidt tot veranderde inzichten omtrent vergunningplicht?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u voorkomen dat een wijziging in de emissiefactoren gaat leiden tot alsnog een vergunningsplicht voor reeds uitgevoerde projecten, waarvan het gevolg kan zijn dat dat een object deels niet meer gebruikt wordt, dat er extra emissiereductie toegepast moet worden of alsnog stikstof aangekocht moet worden?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u zich voorstellen dat deze situaties zorgen voor onzekerheid en spanning in de agrarische sector en dat het er mogelijk toe leidt dat bedrijfsontwikkelingen uit voorzorg niet meer worden gedaan? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat de uitspraak tot onzekerheid leidt. Samen met provincies breng ik de scope en consequenties voor het stikstofbeleid van de uitspraak in kaart. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan de wijze waarop aan ondernemers zoveel mogelijk duidelijkheid geboden kan worden. En ook aan de wijze waarop toezichthouders zicht kunnen houden op de bedrijfssituatie in relatie tot naleving van stikstofuitstoot en -depositie. Ik verwacht uw Kamer hierover voor de zomer nader te kunnen informeren.
Heeft u in beeld welke gevolgen het heeft wanneer de situatie die in het artikel wordt geschetst werkelijkheid wordt?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat de situatie die in het artikel wordt geschetst veel wegheeft van de situatie die zich momenteel voordoet omtrent de PAS-melders en andere knelgevallen?
Het lijkt mij evident dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat er een nieuwe golf aan «met PAS-melders en andere knelgevallen» vergelijkbare ondernemers ontstaat. Echter, de vergelijking gaat niet op: de PAS-melders zijn in de knel gekomen doordat de PAS als basis voor toestemmingsbesluiten in het kader van de Wet natuurbescherming is komen te vervallen door de uitspraak van de RvS van 29 mei 2019. Deze groep PAS-melders hebben wél een toestemmingsbesluit nodig voor hun activiteiten. Conform de uitspraak van de RvS over de Logtsebaan is er bij intern salderen helemaal geen toestemmingsbesluit nodig omdat verslechteringseffecten zijn uitgesloten.
Ik breng samen met provincies de gevolgen van de uitspraken van de Raad van State met betrekking tot Logtsebaan zorgvuldig in kaart, om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te kunnen bieden aan initiatiefnemers.
Hoe groot acht u de kans dat de situatie, zoals in het artikel geschetst, werkelijkheid wordt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u van plan om te voorkomen dat de situatie, zoals in het artikel geschetst, werkelijkheid wordt? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Opslag van nucleair afval net over de grens |
|
Gijs van Dijk (PvdA), William Moorlag (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onrust over opslag nucleair afval net over de grens»?1
Ja.
Begrijpt u dat mensen in de grensstreek van Groningen en Drenthe zich ongerust maken over de risico’s van de opslag van kernafval in zoutkoepels in het aanliggende Emsland? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de ongerustheid over de risico’s van een eventuele eindberging van radioactief afval in Emsland. Het Ministerie van IenW heeft regelmatig contact met de betrokken Duitse overheden en zal participeren in inspraakprocedures. Ik vind het belangrijk dat ook Nederlandse burgers inspraak hebben bij besluitvorming over een Duitse eindberging als die in de buurt van de grens met Nederland zou komen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Op dit moment heeft Duitsland geen concreet voornemen om radioactief afval in zoutkoepels in Emsland, of elders, op te slaan. Wat wel aan de orde is, is dat de Duitse overheid een proces is gestart voor een locatiekeuze voor een eindberging voor hoogradioactief afval. Daarover heeft het Duitse Bundesgesellschaft für Endlagerung (BGE) in het najaar een tussenrapportage2 gepubliceerd met de resultaten van de eerste analyse van bestaande geologische gegevens over de ondergrond van Duitsland. De tussenrapportage onderscheidt enerzijds de gebieden die ongeschikt zijn voor de definitieve berging van hoogradioactief afval, en anderzijds de gebieden die wijzen op een mogelijk geschikte geologische situatie. In deze 90 mogelijk geschikte deelgebieden, die gezamenlijk 54 procent van de oppervlakte van Duitsland beslaan, lijkt het de moeite waard om in het verdere verloop van de procedure nader onderzoek te doen, aldus de tussenrapportage. Een deel van de mogelijk geschikte gebieden bevindt zich aan of in de buurt van de grens met Nederland.
De verdere planning van het proces voor locatiekeuze is als volgt, aldus BGE op haar site www.bge.de. BGE werkt een locatievoorstel uit voor regio's die in fase twee bovengronds zouden kunnen worden verkend. Daarbij zal het publiek actief worden geïnformeerd en zal het publiek gelegenheid tot inspraak worden geboden, conform de verplichtingen van het Verdrag van Aarhus. Ook in verdere fasen van het proces zal gelegenheid tot inspraak worden geboden. «Het publiek» betreft iedereen, dus – indien zo’n locatie nabij Nederland zou zijn – ook inwoners, organisaties en overheden van Nederland.
Is het u bekend dat in Groningen en Drenthe in het verleden veel bezorgdheid, onrust en protest is geweest tegen plannen om kernafval in zoutkoepels in Noord-Nederland op te slaan? Zo ja, welke lessen dienen hier naar uw oordeel uit te worden getrokken?
Het is mij bekend dat onderzoek in een eerder stadium tot bezorgdheid in verschillende regio’s heeft geleid. Ik vind het van groot belang om mensen tijdig te betrekken bij het proces van het tot stand brengen van een eindberging. Ik heb daarom in 2019 een meerjarige opdracht gegeven om daartoe een participatief besluitvormingsproces te doordenken, gericht op een maatschappelijke overeenstemming over eindberging van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen. Het Rathenau Instituut is de uitvoerder van deze opdracht.3
Hiermee is een traject gestart waarin op participatieve wijze een maatschappelijk proces wordt ontworpen rond de besluitvorming over eindberging van radioactief afval. Het Rathenau Instituut zal de opgedane resultaten en bevindingen gebruiken om mij te adviseren over de te nemen stappen in een maatschappelijk gedragen besluitvormingsproces rond eindberging van radioactief afval.
Bent u bereid om aan de Duitse regering de zorg en onrust van Nederlanders in de grensstreek over te brengen over de ontwikkeling van plannen om kernafval in zoutkoepels? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van groot belang dat Nederlandse overheden en burgers inspraak hebben bij de besluitvorming in Duitsland. Het VN-Verdrag van Espoo4 verplicht Duitsland ertoe om Nederland in het zoekproces naar een geschikte locatie te betrekken bij mer-procedures. Inspraak is om die reden mogelijk via de door de Duitse overheid te zijner tijd aan te geven route.
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 2, heeft de Duitse overheid vooralsnog geen concrete plannen omtrent de ondergrondse opslag van radioactief afval, maar is er sprake van onderzoek naar mogelijk geschikte aardlagen. Als locatiekeuze in Duitsland aan de orde komt, zal inspraak door het publiek mogelijk zijn. Als Duitsland dan locaties in de buurt van de grens met Nederland zou gaan overwegen, moeten ook de mensen aan de Nederlandse zijde van de grens worden geïnformeerd en moet hen gelegenheid tot inspraak worden geboden: dit is geregeld in het VN-verdrag van Espoo.
Zowel Duitsland, Nederland als de Europese Unie behoren al sinds 1991 tot de ondertekenaars van het VN-verdrag van Espoo. In het Verdrag van Espoo zijn de verplichtingen van partijen vastgelegd om inspraak door buurlanden op een milieueffectrapport te organiseren wanneer er sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieueffecten over de grenzen heen. Het bevat ook de algemene verplichting van staten om elkaar op de hoogte te stellen en te raadplegen over alle grote projecten die worden overwogen die over de grenzen heen een aanzienlijke nadelige milieu-impact kunnen hebben.
Daarnaast overleggen de Nederlandse en Duitse landelijke overheden sinds 1977 jaarlijks over kerninstallaties en nucleaire veiligheid in het grensgebied in de Nederlands-Duitse commissie inzake kerninstallaties (NDKK).
Het gaat in dit stadium van het Duitse onderzoek om een wetenschappelijke oriëntatie op mogelijke locaties. Daarover hoeft Duitsland Nederland niet in te lichten, maar zij heeft dit wel gedaan. Voorafgaand aan de publicatie van de tussenrapportage2 heeft de Duitse overheid de Nederlandse overheid in NDKK-verband geattendeerd op de verschijning ervan.
Bent u bereid de Duitse regering te verzoeken af te zien van de opslag van kernafval in zoutkoepels in de grensstreek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze worden Nederlandse overheden en burgers betrokken bij de besluitvorming in Duitsland en op welke wijze kunnen zij bedenkingen en bezwaren kenbaar maken?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het, mede gelet op het voorzorgsprincipe, ongewenst om kernafval dat vele eeuwen gevaarlijk blijft in zoutkoepels op te slaan? Zo nee, waarom niet?
In Nederland zal de ANVS te zijner tijd, als er een vergunning voor een eindberging aangevraagd wordt, de veiligheid beoordelen.
Berging in de diepe ondergrond wordt op dit moment, ook internationaal, 5 6, gezien als de meest veilige en duurzame wijze om hoogradioactief afval op de lange termijn te beheren.7 Gericht technisch onderzoek moet uitwijzen welke aardlagen in een land geschikt of niet geschikt zijn. Als het ontwerp voor een eindberging daadwerkelijk ontwikkeld wordt, is er een vergunning nodig voor de bouw en exploitatie.
Acht u het mogelijk dat het met zekerheid te voorspellen is dat aan het opbergen van kernafval in zoutkoepels geen gevaren kleven voor mensen en hun leefomgeving? Zo ja, op basis waarvan?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u, met de kennis van nu, dat het niet verantwoord is om kernafval in Nederland, meer in het bijzonder in Noord-Groningen, waar in de jaren ’70 van de vorige eeuw serieuze plannen toe bestonden, op te slaan in zoutkoepels die bloot kunnen staan aan bodembeweging al dan niet veroorzaakt door winning van aardgas of grondstoffen uit de ondergrond? Zo nee, waarom niet?
De mogelijke invloed van seismische activiteit wordt meegenomen in de beoordeling van de veiligheid van een eindberging.
De gang van zaken rond het naar buiten brengen van het besluit over de opening van kinderopvang en basisscholen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom heeft het kabinet bij monde van de Minister van Financiën al naar buiten gebracht dat de basisscholen zo goed als zeker worden heropend, voordat het Outbreak Management Team (OMT)-advies er lag?
In afwachting van het OMT-advies was er binnen het kabinet, net als bij veel mensen in het land, de hoop dat het primair onderwijs zo snel mogelijk weer op een verantwoorde manier open zou kunnen. Fysiek onderwijs is sociaal-maatschappelijk en voor het welzijn van kinderen enorm belangrijk.
Waarom adviseert het OMT, dat bestaat uit leden met een medische achtergrond, ook op grond van maatschappelijke redenen in plaats van puur op basis van medisch wetenschappelijk onderzoek?
Het RIVM roept het OMT bij elkaar bij een uitbraak van een infectieziekte. Specialisten en experts met verschillende achtergronden en kennis over de desbetreffende ziekte, worden daarvoor uitgenodigd. Zij bespreken op basis van actuele informatie, hun vakkennis en beschikbare wetenschappelijke literatuur hoe de uitbraak bestreden kan worden. Ook gaan ze in op de risico’s en onzekerheden van maatregelen. Het OMT levert een advies op aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het BAO toetst het inhoudelijke advies op bestuurlijke haalbaarheid en uitvoerbaarheid.
In meerderheid erkent het OMT dat er op grond van diverse maatschappelijke afwegingen dringend ruimte gewenst is voor perspectief en enige versoepeling, ondanks de risico’s die dat met zich meebrengt op verspreiding van het virus, mits deze uiteraard niet te groot zijn. Het OMT stemt dan ook in met een advies om nu als eerste het primair onderwijs en de kinderopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar al wel te heropenen.
Ik ben van mening dat het erkennen van de maatschappelijke afwegingen niet hetzelfde is als adviseren op basis van maatschappelijke redenen. In de advisering van het OMT spelen vanzelfsprekend ook andere aspecten dan strikt epidemiologisch een rol, zoals de te verwachten compliance en de impact van maatregelen op de gezondheid. Strikt epidemiologisch zou het immers het beste zijn als iedereen de hele dag thuis bleef. Een mate van haalbaarheid wordt in de afweging betrokken. Tot slot is het aan het OMT om te bepalen waar zij in hun advisering al dan niet aandacht aan besteden.
Welke wetenschappelijke onderzoeken ten aanzien van de mate van besmettelijkheid en verspreiding onder kinderen van die leeftijd bij de verschillende virusmutaties liggen ten grondslag aan het besluit tot openen van kinderopvang en basisscholen? Welke wetenschappelijke achtergrond heeft het OMT gebruikt bij het tot stand komen van het advies?
De experts van het OMT adviseren op basis van actuele informatie, vakkennis, nationaal en internationaal onderzoek en beschikbare wetenschappelijke literatuur. Bij het advies t.a.v. de scholen is ook gebruik gemaakt van de uitkomsten van het onderzoek in Lansingerland en van informatie over de stand van zaken in het VK en Ierland.
Wat is in de afgelopen twee weken precies veranderd ten aanzien van het aantal besmettingen, aantal ziekenhuis- en IC-opnames en de risicokaart? In hoeverre zijn de grenswaarden voor versoepelingen bereikt? In welke regio’s geldt het niveau «zeer ernstig» niet meer?
Op zowel de website van het RIVM, als op het coronadashboard kunt u zien wat er de afgelopen twee weken precies veranderd is ten aanzien van het aantal besmettingen, aantal ziekenhuis- en IC-opnames. Dit wordt ook meestal nader toegelicht in de technische briefing aan uw Kamer van de heer Van Dissel.
Hoe was de verhouding binnen het OMT voor/tegen het nu al heropenen van de kinderopvang en basisscholen, afgezien van de unanieme wens om tot heropening over te gaan?
Om een open gedachtewisseling in het OMT mogelijk te maken, worden geen uitspraken gedaan over deze gedachtewisseling en blijft de bespreking vertrouwelijk.
Het advies van het OMT wordt wel openbaar gemaakt. Indien het OMT niet unaniem is, wordt uiteengezet hoe de verhouding ligt. In het advies is daarover opgenomen: «Een aantal OMT-leden geeft aan dat zij de risico’s op dit moment te groot achten om überhaupt over een versoepeling, zoals heropenen van de scholen, positief te willen adviseren. Zij zouden de situatie liefst eerst nog een aantal weken willen volgen, onder voortzetting van de huidige maatregelen».
In hoeverre neemt u op basis van het gegeven dat kinderen meestal niet ernstig ziek worden na een coronabesmetting, bewust het risico op een toename van het aantal besmettingen, toenemende druk op de zorg en een kans op het langer moeten laten voortduren van andere coronamaatregelen? Hoe is dit te rijmen met de strategie van maximaal indammen? Wat wordt verstaan onder «geen bijzonder risico» voor kinderen?
Het besluit om het primair onderwijs en de kinderopvang weer te openen, heeft inderdaad twee aspecten in zich. Aan de ene kant lopen de kinderen zelf geen bijzondere risico’s door deze nieuwe variant. Kinderen worden ook van deze variant over het algemeen niet ernstig ziek. Dat kinderen naar school kunnen, dient een groot maatschappelijk belang. Dat belang is afgewogen tegen het risico op toename van het aantal besmettingen. Om het risico daarop te verkleinen, worden er bij het openen van de scholen extra maatregelen genomen.
Welke wetenschappelijke studies zijn er die aantonen dat hybride onderwijs tot schadelijke effecten bij kinderen leidt, anders dan leerachterstanden bij sommige groepen leerlingen, die met extra inspanningen voor deze groep zouden kunnen worden opgevangen?
Zoals de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media in een brief1 in november 2020 aan uw Kamer heeft geschreven, heeft onderzoek van Oxford University2 laten zien dat Nederlandse basisschoolleerlingen in de maanden van de sluiting van de scholen weinig tot geen progressie hebben geboekt. Onderzoek van Cito3 bevestigt dat de leergroei bij leerlingen tijdens het afstandsonderwijs minder was dan andere jaren. Daarnaast hebben meerdere maatschappelijke organisaties recentelijk de noodklok geluid dat de sluiting van de scholen ook grote effecten heeft op het sociaal-emotionele welbevinden van kinderen. Zij wijzen hierbij op onderzoek van het NRC. Onderzoeken bevestigen verder dat jongeren en jongvolwassenen, meer dan andere leeftijdsgroepen, door de coronamaatregelen mentale gezondheidsproblemen ervaren, zoals eenzaamheid, somberheid en angst.4 Tot slot waarschuwt een onderzoek uit 2016 (Haluppa5) voor de negatieve impact van online leren op o.a. de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen.
Welke maatregelen moeten deze week nog genomen worden om scholen veilig te kunnen openen? Wat is het draaiboek, op hoeveel scholen moeten welke maatregelen nog worden genomen?
Op basis van het 98e OMT-advies zijn de volgende maatregelen genomen om scholen veilig te kunnen heropenen:
Het bron- en contactonderzoek wordt stevig aangescherpt. Als een kind positief wordt getest, gaat in principe de hele klas in thuisquarantaine.
We zetten in op sneller en vaker testen. Op dit moment hebben onderwijsmedewerkers al voorrang bij de teststraten. In aanvulling daarop starten we met sneltesten van personeel in het primair onderwijs.
Op basis van het generiek kader van het RIVM worden aanvullende maatregelen genomen om het risico op verspreiding van het virus te beperken. Voorbeelden hiervan zijn gespreide begin- en eindtijden, of gespreide pauzes.
De aanvullende maatregelen zijn in overleg met de vertegenwoordigers in het onderwijsveld verwerkt in een servicedocument om de scholen te ondersteunen in het uitvoeren van de landelijke maatregelen. Tot slot blijven uiteraard de algemene maatregelen van kracht, zoals het wassen van handen en het thuisblijven bij klachten. Zo waarborgen we gezamenlijk de veiligheid van de leerlingen en het personeel in de scholen.
Wordt bij besluit tot heropening van scholen nu wel rekening gehouden met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)-richtlijn, die zegt dat als anderhalve meter niet kan, de school niet veilig open kan? Is duidelijk welke scholen open kunnen volgens deze richtlijn en welke (nog) niet?
Het OMT geeft op basis van alle beschikbare informatie, waaronder richtlijnen van de WHO, wetenschappelijke kennis, nationale data en de situatie in Nederland, advies. Uit het laatste advies van het OMT blijkt dat het verantwoord is om de basisscholen en de kinderopvang weer volledig te openen, waarbij het volgen van de maatregelen uit het generiek kader van het RIVM als voorwaarde geldt. In dit kader, dat door het OMT is bekrachtigd, is opgenomen dat de anderhalve meter afstand in het primair onderwijs niet geldt voor leerlingen onderling en tussen leerlingen en onderwijspersoneel. Uiteraard houden leerkrachten en andere onderwijsmedewerkers deze veilige afstand onderling wel. Dit advies heeft het kabinet overgenomen. In samenwerking met de vertegenwoordigers van het onderwijsveld worden aanvullende maatregelen op basis van het generiek kader uitgewerkt om gezamenlijk de veiligheid van leerlingen en het personeel in de scholen te waarborgen.
Hoe zeker is het dat aan alle voorwaarden voor het openen van kinderopvang en basisscholen kan worden voldaan?
Zie antwoord op vraag 9.
Hoe wordt zeker gesteld dat de GGD meer testen aankan? Is er voldoende voorraad van alles, is op alle scholen duidelijk wie er wanneer getest wordt en kan dat dan ook meteen geregeld worden?
De GGD’en zijn verantwoordelijk voor het testen in spoor 1 (de basistestinfrastructuur, gericht op de opsporing en bestrijding van het virus). Tot dit spoor behoort ook het testen op onderwijsinstellingen wanneer er sprake is van een uitbraak van het COVID-19-virus. In die situaties kunnen de GGD'en snel testcapaciteit beschikbaar stellen om zo nodig risicogericht grootschalig te testen.
Hoe is het gegeven dat kinderen meestal geen klachten hebben, te rijmen met uw stelling dat «het heel belangrijk is dat kinderen met klachten (conform de recent aangepaste handreikingen voor kinderen tot en met twaalf jaar) niet naar school gaan en zich laten testen»? Hoe kan zo zeker worden gezegd dat zo wordt voorkomen dat de besmettingen worden verspreid en te vaak hele klassen in quarantaine moeten?
Het hebben van klachten die passen bij corona, is een belangrijke voorspeller van besmetting en besmettelijkheid. Het dringende advies is daarom om kinderen met klachten thuis te houden en te laten testen. Zo beperken we introducties door kinderen met klachten op scholen en zo ook dat de klasgenoten van deze kinderen naar huis gestuurd moeten worden. Mocht er toch sprake zijn van een introductie, dan gaat de klas inclusief de leraar in principe in thuisquarantaine om verdere verspreiding – ook door kinderen die (nog) geen klachten hebben – zoveel mogelijk te voorkomen.
Hoe wordt zeker gesteld dat de GGD bron-en contactonderzoek (bco), voorwaarde voor heropening, aankan? Hoe kan het bco plaatsvinden terwijl er nog zulke hoge besmettingscijfers zijn, terwijl de hoge besmettingscijfers nu net de reden waren dat bco werd gestopt?
De GGD’en zijn nooit gestopt met het uitvoeren van bron- en contactonderzoek (BCO). Wanneer de aantallen besmettingen hoog oplopen, gaan de GGD'en over van regulier BCO op risicogestuurd BCO. Risicogestuurd BCO kan worden uitgevoerd in verschillende fasen. In zijn reguliere vorm kunnen dagelijks 4.400 BCO's plaatsvinden; bij risicogestuurd BCO kan dat aantal stijgen tot dagelijks 28.000 BCO’s. Het fasemodel heeft tot doel dat in ieder geval iedere dag álle mensen met een positieve testuitslag worden gebeld en van instructies worden voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóórafgaand aan het plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus van 4 februari aanstaande?
Het is niet gelukt deze vragen voor 3 februari 2021 te beantwoorden.
Het rapport ‘The Sobering Truth: Incentivizing Alcohol Death and Disability’ |
|
Mahir Alkaya (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van Vital Strategies met de titel «The Sobering Truth: Incentivizing Alcohol Death and Disability»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de strekking van dit rapport, namelijk dat onder meer financiële steun aan projecten in ontwikkelingslanden waar alcoholproducenten bij betrokken zijn, bijdraagt aan de toename van de alcoholproblematiek in de betreffende landen en daarmee in strijd is met de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) van de Verenigde Naties, waarin landen zich hebben gecommitteerd aan het versterken van de preventie en de behandeling van schadelijk alcoholgebruik (SDG 3.5), dit zowel op nationaal als internationaal niveau?
Het rapport baseert zich wat Nederland betreft op steun aan NGO’s, gericht op het verbeteren van de voedsel- en inkomenszekerheid van boeren in Afrika. Deze boeren leveren gewassen aan de voedselmarkt, met onder meer bierproducenten als afnemers. Wat bierproducenten voorheen moesten importeren, kunnen ze nu lokaal inkopen; reden voor hun financiële bijdrage aan het project. Hierbij gaat het niet om verhoging van de productie, maar om lokalisering van de inkoop, wat de lokale economie ten goede komt. Deze projecten dragen daarmee bij aan SDG 2 en SDG 8 zonder af te doen aan de inspanningen op SDG 3.5.
Herinnert u zich het antwoord op Kamervragen dat er tussen 2007 en begin 2018 € 6,5 miljoen subsidie in het kader van ontwikkelingssamenwerking is verleend aan projecten in Afrikaanse landen waarbij Heineken betrokken was? Is er sinds begin 2018 door de Nederlandse overheid nog (direct of indirect) subsidie verleend aan ontwikkelingsprojecten, in Afrika en andere ontwikkelingslanden, waarbij Heineken of andere Nederlandse alcoholproducenten betrokken waren? Zo ja, kunt u een overzicht geven van die subsidies?2
In 2018 is EUR 300.000 toegekend aan het CREATE project. Ook Heineken investeert in dit project, dat is uitgevoerd door NGO’s. Het betreft een optopping van de bestaande subsidiebeschikking uit 2013. De lopende projecten zijn inmiddels afgerond en er zijn geen nieuwe subsidies verstrekt.
Zijn de projecten, waarvan u eerder aangaf dat er in 2018 in zes Afrikaanse landen partnerschappen waren waarin Heineken partner of afnemer was, inmiddels tegen het licht gehouden naar aanleiding van de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo ja, wat was de uitkomst?
Er was geen indicatie van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de projecten en deze zijn dan ook niet tegen het licht gehouden. Wel zijn de subsidiebepalingen verder aangescherpt. Ik ben tevens in gesprek gegaan met Heineken over al hun activiteiten in relatie tot IMVO, inclusief seksueel grensoverschrijdend gedrag.
De berichtgeving uit 2018 over seksueel grensoverschrijdend gedrag bij brandpromoters heeft bij Heineken een substantiële verandering teweeg gebracht in het creëren van een veilige werkomgeving. In een brief aan de Tweede Kamer van 8 februari 2019 in aanloop naar het AO SEAH heeft Heineken deze aanpak verder toegelicht. Heineken laat daarin weten in samenwerking met de brandpromoters, NGO’s, externe onderzoeksbureaus en andere bedrijven het beleid op het garanderen van een veilige werkomgeving te hebben aangescherpt. Hieronder vallen ook de genoemde projecten. De implementatie van dit beleid is in 2019 extern geëvalueerd en hierover is gerapporteerd op de website van Heineken.
Klopt het het, zoals de auteur van het artikel «Heiniken in Afrika: de hulp blijft achter op de handel» uit maart 2019 beweert, dat Heineken het programma dat ertoe moest leiden dat Afrikaanse brouwerijen meer lokale grondstoffen gebruiken «off track» (buiten werking) is, omdat de doelstelling van 60% lokale productie naar verwachting in 2020 bij lange na niet zou worden gehaald? Hoe beoordeelt u deze situatie?3
Ik ben op de hoogte van de doelstelling om in 2020 60% van de grondstoffen in Afrika lokaal in te kopen en dat Heineken verschillende activiteiten onderneemt om lokale gewassenproductie te verbeteren. Navraag leert dat deze doelstelling in zicht is; knelpunt betreft nog het mouten van gerst.
Voor het kabinet is het belang van lokaal inkopen door Heineken ondergeschikt aan het belang van de lokale boeren om hun inkomens-en voedselzekerheid te verhogen. Deze doelstelling was dan ook geen onderdeel van de gezamenlijke projecten.
Deelt u de mening dat de projecten waarbij Heineken betrokken was geen subsidie hadden mogen ontvangen, omdat de regering alleen subsidie mag verlenen als het een bedrijf betreft dat daartoe zelf de middelen niet heeft? Wat is uw reactie op het feit dat Heineken in het programma Zembla heeft toegegeven dat het bedrijf de ontwikkelingsprojecten waaraan subsidie is verstrekt ook zonder overheidssteun zou hebben uitgevoerd? Deelt u de mening dat de financiële steun aan deze projecten daarmee onterecht is geweest?
Deze mening deel ik niet. Additionaliteit van de overheidsbijdrage is een voorwaarde voor een partnerschap met het bedrijfsleven. Dat is geen mathematische toets, maar afhankelijk van de marktomstandigheden. Het uitgangspunt voor de overheid daarbij is hoe op de meest efficiënte en effectieve manier zoveel mogelijk boeren in staat gesteld kunnen worden hun productie op duurzame wijze te verbeteren.
Er is bekeken of Heineken zonder Nederlandse subsidie op dezelfde schaal en met gelijke snelheid dezelfde kwalitatief hoogwaardige en blijvende ontwikkelingsimpact had kunnen realiseren in de nog onderontwikkelde markten in de betrokken landen. De samenwerking met de Nederlandse overheid en NGO’s stelde Heineken in staat meer boeren te bereiken en de productieketen duurzamer in te richten. Uit de jaarlijkse rapportage blijkt dat de samenwerking het bedrijf toegang heeft gegeven tot een uitgebreid netwerk met relevante expertise en ervaring, waardoor op een grotere schaal betere resultaten ten gunste van de betrokken boeren behaald hebben kunnen worden. De Nederlandse bijdrage heeft geleid tot een structurele verhoging en verbetering van productie door boeren die tot dan toe nauwelijks in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Zo is de inkomenspositie van meer dan 40.000 Ethiopische boeren versterkt en is hun gerstopbrengst meer dan verdubbeld van 2.4 ton/ha naar 5.2 ton/ha. Er is daarmee aan de voorwaarde van additionaliteit voldaan.
Bent u bereid voortaan geen steun meer te verlenen aan projecten in ontwikkelingslanden waar Nederlandse alcoholproducenten bij betrokken zijn, maar te investeren in projecten gericht op het verminderen van de mede door producenten als Heineken veroorzaakte alcoholproblematiek in deze landen, opdat wordt bijgedragen aan het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen?
De private sector vervult een sleutelrol bij het behalen van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, ook in ontwikkelingslanden. De Nederlandse overheid werkt daarom samen met bedrijven aan de prioriteiten van het ontwikkelingsbeleid, binnen de kaders van het IMVO-beleid. Het kabinet sluit geen potentiële partnerschappen uit die hier binnen passen.
Kunt u aangeven hoe u, in het kader van uw handelsbeleid, de wereldwijde bedrijvigheid van Heineken ondersteunt, vooral op groeimarkten op het Afrikaanse continent en in Azië? Deelt u de opvatting dat dergelijke steun, zeker ook in het kader van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen, ongepast is vanwege de zeer substantiële sterfte- en ziektelast ten gevolge van alcoholconsumptie?
Ambassades en RVO leveren Heineken het standaardpakket aan ondersteuning voor internationaal ondernemen. Deze dienstverlening bestaat onder andere uit advies over zaken als exportregels, vinden van zakenpartners, ondernemersklimaat, in en uitgaande handelsmissies en subsidies en financieringsregelingen gericht op het verkleinen van risico’s voor ondernemers.
Bij aanvragen voor ondersteuning uit het buitenlandinstrumentarium wordt getoetst in hoeverre bedrijven aan IMVO-richtlijnen, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, voldoen. Dit houdt onder meer in dat er geen aanvragen ondersteund worden die verband houden met sterke drank.
Het artikel 'If poor countries go unvaccinated, a study says, rich ones will pay' |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «If poor countries go unvaccinated, a study says, rich ones will pay»1 en de bijbehorende studie, uitgevoerd in opdracht van de internationale Kamer van Koophandel?
Ja.
Hoe beoordeelt u de daarin genoemde analyse en schatting dat de schade aan de wereldeconomie, mede als gevolg van ongelijke verdeling en distributie van COVID-19-vaccins tussen rijke landen en ontwikkelingslanden, tussen de 1,8 biljoen en 9 biljoen dollar zal bedragen?
Een eerlijke wereldwijde verdeling van vaccins is zowel vanuit gezondheidsperspectief als om economische redenen van groot belang. De WHO roept op om wereldwijd in ieder geval de meest kwetsbare 20% van de bevolking in te enten om de pandemie in te kunnen dammen. De sociaaleconomische kosten van het achterblijven van lage en lage-middeninkomenslanden bij vaccinaties zijn groot. Daarom is het ook voor Nederland belangrijk in te zetten op een eerlijke wereldwijde verdeling van vaccins. Nederland heeft zich daarom, net als de Europese Commissie en andere EU lidstaten, aangesloten bij de COVAX facility en heeft 85 mln EUR bijgedragen aan de Access to Covid Accelarator (ACT-A), het mondiale coördinatiemechanisme om lage en middeninkomenslanden (LMICs) te voorzien van vaccins, beschermende middelen, diagnostische tests en geneesmiddelen.
Deelt u de mening dat het mede mogelijk maken van vaccinatie van mensen in ontwikkelingslanden niet alleen een kwestie is van medemenselijkheid, maar dat een meer evenwichtige verdeling van vaccins ook economisch van groot belang is, bij uitstek voor open handelslanden zoals Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waardeert u in dat licht het feit dat Europa en de Verenigde Staten voldoende vaccins hebben gekocht om twee tot drie keer hun bevolking te vaccineren, terwijl op basis van het meest optimistische COVAX-scenario maximaal 20% van de mensen in lage inkomenslanden eind 2021 gevaccineerd zullen zijn?
Kritiek op het feit dat de rijkste 15% van landen nu al meer dan 50% van de te verwachten wereldwijde vaccinproductie hebben opgekocht, is begrijpelijk. De gezamenlijke inkoop van vaccins ten behoeve van de EU is echter niet alleen belangrijk voor onze eigen nationale vaccinvoorziening maar geeft ook een belangrijke impuls aan de ontwikkeling van producten en opschaling van productiecapaciteit in Europa. Het kabinet heeft omwille van de snelheid ingezet op gezamenlijke inkoop in Europees verband. Het kabinet is ervan overtuigd dat met de directe bijdrages o.a. aan COVAX, maar ook met de politieke steun aan bijdrages van de EU en de Wereldbank, Nederland een belangrijke bijdrage levert aan het internationale debat over, en de inzet op, internationale solidariteit. Ik verwijs u naar mijn eerdere brief van 18 december 2020 aan uw Kamer over solidaire verdeling van vaccins.
Welke keuzes liggen aan deze ongelijkheid ten grondslag, zowel van westerse overheden als van overheden in ontwikkelingslanden?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er maatregelen die overheden in Europa en de Verenigde Staten, waaronder Nederland, kunnen nemen, of overwegen te nemen, om niet alleen zorg te dragen voor het vaccineren van de eigen burgerbevolking maar tevens oog te hebben voor de noodzaak van voldoende vaccins in ontwikkelingslanden?
Om zorg te dragen voor eerlijke en wereldwijde toegang tot COVID-vaccins, geneesmiddelen en diagnostica is de Access to COVID Tools-accelerator (ACT-A) opgezet. Dit initiatief wordt gecoördineerd door WHO en uitgevoerd in nauwe samenwerking met vele verschillende organisaties. ACT-A heeft 3 technische pijlers (vaccins, diagnostica en geneesmiddelen) en een 4e pilaar die zich richt op versterken van gezondheidssystemen. De vaccin-pijler van ACT-A, de COVAXis erop gericht landen te voorzien van betaalbare COVID-19 vaccins voor 20% van hun bevolking. 92 lage en lage-middeninkomenslanden kunnen gebruik maken van een speciale voorziening (COVAX AMC). COVAX heeft inmiddels 2 miljard vaccins zeker gesteld, waarvan 1,3 miljard voor 92 lage en lage-middeninkomenslanden en begin deze maand met vaccineren.
Nederland heeft zich net als de Europese Commissie en andere EU lidstaten aangesloten bij de COVAX facility en heeft 85 mln. EUR bijgedragen aan ACT-A.
Hoe beoordeelt u de bewering dat de 27 miljard dollar voor ACT-A, bovenop de reeds toegezegde 11 miljard dollar, een fractie is van de economische schade die het gevolg kan zijn van het voortduren van de COVID-19-crisis in andere delen van de wereld?
In de brandbrief die de WHO samen met andere internationale partners in december 2020 stuurde over het financieringstekort voor ACT-A werd aangegeven dat de totale financieringsbehoefte van ACT-A minder dan 1% is van hetgeen G20 landen reeds gecommitteerd hebben voor economische stimuleringspakketten. Dekking van het financieringstekort van ACT-A vergt een brede aanpak die verder gaat dan financiering uit ODA-middelen.
Welke gevolgen heeft de langdurige verstoring van mondiale handelsketens, als gevolg van het doorwoekeren van COVID-19 bij een gebrekkige mondiale distributie van vaccins, voor de Nederlandse economie?
Exacte gevolgen zijn op dit moment niet te voorspellen. In zijn algemeenheid zijn verstoringen van mondiale waardenketens nadelig voor de Nederlandse economie. Op 28 januari 2021 is de Kamer per brief geïnformeerd over de kwetsbaarheden van het Nederlandse bedrijfsleven voor verstoringen van mondiale waardenketens.
In hoeverre en op welke wijze is het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, ook in het licht van de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie, betrokken bij de besluitvorming over de Nederlandse bijdrage aan het wereldwijd beteugelen van COVID-19?
De besluitvorming voor de Nederlandse inbreng in de internationale gremia wordt voorbereid via de reguliere interdepartementale afstemmingskanalen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is aangesloten op de voorbereidende standpuntbepaling over COVID-19 gerelateerde onderwerpen die in EU-verband aan de orde komen, zoals reizen, testen en vaccinatie (in de EU en wereldwijd). Het gaat dan bijvoorbeeld om afstemming van kabinetsreacties, instructies en beoordeling van nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiches). Aspecten waar de specifieke aandacht van het Ministerie van EZK naar uitgaat zijn onder meer de sociaaleconomische impact van voorstellen, innovatie- en (farma)industriebeleid en de gevolgen voor de interne markt en het vrije verkeer.
Bent u bereid om de in het artikel aangehaalde scenario’s inzake de schade aan de wereldeconomie op lange termijn te betrekken bij toekomstige besluiten over de Nederlandse inzet tegen COVID-19 wereldwijd en bij de binnenlandse exit-strategie?
Het kabinet betrekt bij toekomstige besluiten met betrekking tot de inzet tegen COVID 19 een veelheid aan informatie en mogelijke scenario’s.
Het bericht ‘Onverwacht zwanger door nieuw koperspiraaltje' |
|
Corinne Ellemeet (GL), Nevin Özütok (GL), Kirsten van den Hul (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onverwacht zwanger door nieuw koperspiraaltje»?1
Ja.
Klopt het dat bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het afgelopen jaar 24 meldingen zijn binnengekomen over Ballerine?
Er zijn diverse kanalen waar klachten en bijwerkingen gemeld kunnen worden. Meldingen van zorgverleners en patiënten over bijwerkingen komen terecht bij het MEBI. Tussen 24 januari 2020 (datum eerste melding) en 19 januari 2021 zijn 33 meldingen ontvangen over de Ballerine spiraal. 31 meldingen kwamen van zorgverleners en 2 van patiënten. De meldingen gaan vooral over (gedeeltelijke) uitstoting van het spiraaltje of onverwachte zwangerschap. Patiënten met klachten kunnen zich ook melden bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Voor de uitzending heeft zich daar één patiënt gemeld in verband met een onverwachte zwangerschap. Distributeur Titus Health Care geeft aan 258 klachten uit Nederland aan de fabrikant te hebben doorgegeven over voornamelijk het uitstoten van het spiraaltje door het lichaam, maar ook perforaties en onverwachte zwangerschappen. Van de fabrikant (OCON) ontving de IGJ in 2020 vervolgens 5 meldingen over de Ballerine spiraal. Het gaat concreet om 5 perforaties, waarvan 4 tot een onverwachte zwangerschap hebben geleid.
Kunt u aangeven waar de meldingen over expulsies van de Ballerine terecht komen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten welke stappen u onderneemt om de risico’s van de Ballerine in kaart te brengen?
De IGJ werkt momenteel aan een duiding van alle informatie. Deze informatie halen zij uit het lopende onderzoek van de betrokken Franse notified body naar de Ballerine spiraal, de antwoorden van de Franse notified body en Franse bevoegde autoriteit op de vragen die de IGJ hun heeft gesteld en analyses naar aanleiding van de binnengekomen meldingen.
IGJ zal een samenvatting van de uitkomsten van de gedane duiding publiceren op haar website. Indien de uitkomsten daartoe aanleiding geven zal de IGJ in samenspraak met de Franse toezichthouder passende maatregelen treffen.
Daarnaast was op basis van de ingekomen meldingen bij het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) al een attendering in voorbereiding. Een dergelijke waarschuwing is bedoeld om (kennis over) al eerder geïdentificeerde risico’s bij het gebruik van implantaten in de dagelijkse praktijk te verspreiden onder zorgverleners en patiënten.
Hoe zorgt u ervoor dat de gezondheid van vrouwen die kiezen voor een koperspiraaltje goed wordt gewaarborgd?
Per 26 mei 2021 is de Europese Medical Device Regulation (MDR) van toepassing, die nog strengere eisen zal stellen aan het op de markt komen en blijven van medische hulpmiddelen. Er zullen bijvoorbeeld strengere eisen gesteld worden aan het leveren van klinisch bewijs en het actief volgen van de medische hulpmiddelen die al op de markt zijn. Daarnaast zullen gemelde problemen met medische hulpmiddelen, ook vanuit andere Europese landen, openbaar inzichtelijk worden via een grotendeels openbare Europese database (EUDAMED). Ik ben ervan overtuigd dat de MDR de patiëntveiligheid ten goede zal komen. Verder roep ik zorgverleners, fabrikanten en patiënten op hun klachten en bijwerkingen met betrekking tot medische hulpmiddelen te blijven melden via de beschikbare kanalen, zodat problematiek snel aan het licht zal komen en er actie kan worden ondernomen indien nodig. De attendering die het MEBI binnenkort zal uitbrengen is alvast een concrete actie die voortvloeit uit het aantal gedane meldingen.
Deelt u de opvatting van arts en epidemioloog Bijl dat het bij een aantal aspecten aan de wet- en regelgeving van medische hulpmiddelen rammelt? Zo ja, welke specifieke aspecten?
Onder de huidige wet- en regelgeving is inderdaad ruimte voor verbetering. Dit was ook de aanleiding tot de voornoemde nieuwe regelgeving, de MDR. Onder de MDR zullen strengere eisen gesteld worden aan de notified body’s om een gelijke, hoge kwaliteit van aangemelde instanties in de EU te bevorderen en te waarborgen. Er zullen ook scherpe eisen worden gesteld aan klinisch bewijs, met name voor hoog-risico-producten zoals implantaten. Verder komt er een striktere controle voor hoog-risico-producten nog voordat zij op de markt komen. Zo zal meestal klinisch onderzoek door de fabrikant nodig zijn, waaruit de veiligheid en effectiviteit blijkt. Daarnaast kan een extra controle door onafhankelijke experts plaatsvinden. De traceerbaarheid van medische hulpmiddelen zal worden verbeterd, waardoor patiënten eerder geïnformeerd zullen worden bij problemen met hun implantaat. Verder verplicht de verordening fabrikanten om actief de veiligheid en prestaties van hun medische hulpmiddelen te monitoren (post-market surveillance) om op die manier kwaliteit en veiligheid te kunnen borgen.
Fabrikanten dienen periodiek veiligheidsverslagen per medisch hulpmiddel te publiceren in EUDAMED. Een belangrijke doelstelling van EUDAMED is het vergroten van algehele transparantie, onder andere via betere toegang tot informatie voor zorgverleners en patiënten. Ook maatregelen die opgelegd zijn door Europese inspecties zullen openbaar worden. Lidstaten kunnen straks makkelijker informatie over incidenten, calamiteiten en corrigerende maatregelen uitwisselen. Ik ben ervan overtuigd dat de aanstaande verbeteringen in de wet- en regelgeving de patiëntveiligheid zeker ten goede zullen komen.
Kunt u toelichten hoe u ervoor gaat zorgen dat de gebruikers van medische hulpmiddelen zoals de Ballerine goed op de hoogte worden gebracht van eventuele voor- en nadelen?
Allereerst zie ik hierin een belangrijke taak voor zorgverleners. Patiënten moeten door artsen zorgvuldig en met nadruk geïnformeerd worden over het doel van een behandeling, de te verwachten gevolgen, de risico’s voor de gezondheid, de alternatieve onderzoeks- of behandelingsmethoden en de vooruitzichten met betrekking tot de gezondheid. Dit is wettelijk verankerd in de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO). Patiënten wil ik oproepen om de drie goede vragen van Samen Beslissen aan hun behandelend arts te stellen: «Wat zijn de mogelijkheden?» «Wat zijn de voor- en nadelen van die mogelijkheden?» «Wat betekent dat in mijn situatie?»
Ook fabrikanten hebben een rol in het goed informeren van zorgverleners over hun medische hulpmiddelen en hen te trainen op de veilige toepassing daarvan. Daarnaast speelt het MEBI een aanzienlijke rol in het verzamelen van bijwerkingen en het vervolgens uitbrengen van attenderingen daarover aan zorgverleners en patiënten. De Europese database EUDAMED zal ervoor gaan zorgen dat er meer transparantie komt over de beschikbaarheid van de verschillende medische hulpmiddelen inclusief relevante informatie over klinische bewijs en klachten.
Ik verwacht dat al deze middelen een bijdrage leveren aan het inzicht in de voor- en nadelen van een specifiek implantaat, zodat een patiënt samen met de behandelend arts een goede afweging kan maken.
Klopt het dat «notified bodies» (aangemelde instanties) beoordelen of een medisch hulpmiddel op de markt mag komen en dat deze «notified bodies» vrijwel altijd akkoord gaan met deze markttoelating gebaseerd op onderzoek aangeleverd door een fabrikant?
Vooruitlopend op de MDR worden al veel strengere eisen aan notified body’s gesteld dan voorheen het geval was. Een Europees team beoordeelt of de notified body voldoet aan de eisen uit de MDR. Dit team bestaat uit de lidstaat waar de instantie gevestigd is, experts uit twee andere lidstaten en de Europese Commissie. Deze gezamenlijke beoordeling is ingesteld om een gelijke, hoge kwaliteit van notified body’s in de EU te bevorderen en te waarborgen.
Na aanwijzing door de bevoegde autoriteit staan notified body’s, die gevestigd zijn in Nederland, onder toezicht van de IGJ. Het is de verantwoordelijkheid van de notified body om na een intensieve procedure te beoordelen of hoog-risico-producten, zoals de Ballerine spiraal, op de Europese markt mogen worden toegelaten. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door onafhankelijke (klinische) experts uit verschillende lidstaten die aantoonbaar kennis en ervaring hebben met dergelijke hulpmiddelen. Bij deze beoordeling wordt onder andere grondig nagegaan of de klinische onderbouwing voldoende is, welke klinische onderzoeken eventueel zijn uitgevoerd én of deze klinische onderzoeken de veiligheid en prestaties van het desbetreffende hulpmiddel voldoende ondersteunen. Indien deze experts concluderen dat de ondersteuning voor veiligheid en prestaties onvoldoende is, zal een notified body toegang tot de Europese markt weigeren.
Deelt u de opvatting dat de controle op medische hulpmiddelen en implantaten gebrekkig is en dat ernstige bijwerkingen vaak lang onopgemerkt blijven?
Patiënten moeten kunnen vertrouwen op de veiligheid van medische hulpmiddelen en die van implantaten in het bijzonder. De beschikbaarheid van veilige implantaten is voor veel patiënten van wezenlijk belang. Helaas zijn er in het verleden inderdaad incidenten geweest met verschillende implantaten. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom eerder al diverse verbeteracties in gang zet. Vanaf 26 mei 2021 zal de MDR en het daarbij behorende EUDAMED van toepassing zijn, waarmee ik zonder twijfel een aanzienlijke vooruitgang verwacht qua patiëntveiligheid, controle en transparantie. Zie mijn antwoorden op vraag 5 en 6. Het melden van bijwerkingen, incidenten en calamiteiten via de bekende kanalen uit mijn antwoord op vragen 2 en 3 blijft van grote betekenis om eventuele problematiek snel aan het licht te brengen. Hiervoor zal ik aandacht blijven vragen. Daarnaast zal ik kwaliteitsregisters van de medisch specialistische beroepsgroepen actief blijven stimuleren in het kader van verbeteren van de kwaliteit van zorg rondom implantaten. Verder zet de IGJ in 2021 een extra thematisch onderzoek op implantaten in, waarmee ik een intensivering verwacht van het toezicht op implantaten.
Kunt u aangeven hoe u het huidige beleid inzake medische hulpmiddelen en implantaten gaat verbeteren?
Zie antwoord vraag 9.
De veiligheid van medewerkers bij de NVWA |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat u signalen heeft ontvangen dat er een aanzienlijke groep medewerkers is bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) die zich niet herkent in de conclusies uit de rapportage «Op weg naar een vitale organisatie Dierenwelzijn»? Zo ja, wat gaat u met deze signalen doen?1
Ja, medewerkers van de NVWA, afkomstig uit de twee teams dierenwelzijn hebben aangegeven zich niet te herkennen in de conclusies uit de rapportage. Met hen is op 1 februari 2021 gesproken over de rapportage «Op weg naar een vitale organisatie Dierenwelzijn» en hun gevoelens daarover. Medewerkers en het management hebben aangegeven hierover verder in gesprek te willen.
Kunt u bevestigen dat u signalen heeft ontvangen dat er medewerkers worden geïntimideerd binnen de NVWA wanneer zij ervoor kiezen contact op te nemen met de politiek over ernstige zorgen met betrekking tot voedselveiligheid en dierenwelzijn? Zo ja, hoe gaat u hun veiligheid waarborgen?
Het uitgangspunt van mijzelf en ook van de interim- IG is een veilige werkomgeving voor alle medewerkers van de NVWA. Ik vind het belangrijk dat alle NVWA-medewerkers de vrijheid en veiligheid voelen om zich uit te spreken over mogelijke misstanden naar collega’s, direct leidinggevenden, hoger leidinggevenden en waar nodig ook aan de IG. Mochten medewerkers zich onvoldoende gehoord voelen door het management, dan kunnen zij terecht bij vertrouwenspersonen, integriteitscoördinator, incidenten-postbus en Huis voor de Klokkenluiders. Naast deze bestaande interne procedures stel ik een externe integriteitscommissie in met een eigen meldpunt.
Kunt u bevestigen dat u niet afwijzend staat tegenover direct contact tussen medewerkers van de NVWA en de politiek, indien zij ernstige zorgen willen aankaarten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb uw kamer aangegeven dat ik contact tussen medewerkers van de NVWA en de politiek niet verbied. Ik zie wel graag dat signalen of mogelijke misstanden worden besproken op de plek waar ze opgelost kunnen en behoren te worden. En dat is eerst en vooral bij de NVWA zelf.
Hoe is het mogelijk dat in het rapport passages zijn opgenomen die herleidbaar zijn tot personen, zoals ook in de aanbiedingsbrief benoemd wordt?
Het rapport is niet opgesteld met het oogmerk dit extern te verspreiden. Tijdens de gesprekken die zijn gevoerd is niet aangegeven dat dit zou kunnen leiden tot een rapport dat ook buiten de NVWA beschikbaar zou zijn. De IG heeft mij er op gewezen dat passages in het rapport voorkomen die herleidbaar zijn naar functies en daarmee naar personen. In het kader van transparantie heb ik ervoor gekozen het rapport toch aan te reiken aan uw Kamer.
Waarom is deze keuze gemaakt en deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is? Is dit een normale gang van zaken bij dergelijke interne rapportages en bent u van mening dat dit een veilige werkomgeving oplevert?
Ik ben me er van bewust dat deze tussenrapportage niet is opgesteld met het oogmerk deze extern te verspreiden. Tijdens de gesprekken die zijn gevoerd is niet aangegeven dat dit zou kunnen leiden tot een rapportage die ook buiten de NVWA beschikbaar zou zijn. Er staan dan ook passages in die herleidbaar zijn naar functies, en daarmee naar personen. Omdat ik veel waarde hecht aan transparantie richting uw Kamer heb ik er toch voor gekozen om dit rapport openbaar te maken
Hoe verhouden de passages die daar betrekking op hebben zich tot uw reactie op het 2Solve-rapport, waarin u stelt dat de NVWA een veilige werkomgeving moet bieden waar ruimte is voor onderling aanspreken?2
Een veilige werkomgeving voor alle medewerkers van de NVWA is een randvoorwaarde voor de uitvoering van goed toezicht. Vanwege het belang hiervan voor een professionele organisatie is de IG vanuit de herbezinning het ontwikkeltraject «leiding geven, leiding ontvangen» gestart, waarbij medewerkers en leidinggevenden worden ondersteund om met elkaar de goede gesprekken te voeren.
Hoe beoordeelt u dat uit de lijst van geïnterviewden blijkt dat slechts «een aantal teamleden van de overige teams» betrokken zijn bij het opstellen van het rapport? Van hoeveel mensen is hier sprake en bent u van mening dat dit leidt tot een eenzijdig beeld?
Het rapport «Op weg naar een vitale organisatie Dierenwelzijn» handelt over het domein dierenwelzijn welke in de afdeling Dier van de NVWA binnen 17 teams wordt uitgevoerd, waaronder de twee specifieke dierenwelzijnsteams. Daarom zijn met name medewerkers werkzaam in die teams geïnterviewd. De IG heeft signalen ontvangen dat niet-geïnterviewde medewerkers, die ervaringen hebben met de twee specifieke dierenwelzijnsteams, graag nog willen spreken over deze ervaring. Deze gesprekken zijn mogelijk en zullen gevoerd worden.
Deelt u de mening dat hoe de dierenwelzijnsteams te werk gaan, juist een voorbeeld is van hoe het wel moet volgens het 2Solve-rapport en uw reactie daarop?
In reactie op het 2Solve-rapport heb ik aangegeven dat een stevige en consequente handhaving in alle onderdelen van de NVWA de norm is. Het interventiebeleid is hierbij leidend. In de Nederlandse veehouderij is geen bedrijf gelijk en geen situatie identiek. Het vastgestelde en door de NVWA kenbaar gemaakte interventie- c.q. handhavingsbeleid is leidend voor de uitvoering van het toezicht op dierenwelzijn. Binnen het interventiebeleid is ruimte om intern het gesprek te voeren binnen de professionele ruimte om waar nodig gemotiveerd en met maatwerk afwijkend te beslissen. Het gaat hier uitdrukkelijk niet om particuliere, niet ambtelijke opvattingen zoals die in de maatschappij bestaan en natuurlijk ook bij NVWA-medewerkers kunnen spelen. Om tot uniform toezicht te komen is het daarom belangrijk dat casuïstiek met elkaar wordt gedeeld, besproken en leidend is voor vervolgoptreden. De dierenwelzijnsteams verrichten met name inspecties in zaken waarin het dierenwelzijn ernstig in het geding is. Juist ook deze inbreng van dierenwelzijnsteams is nodig om tot uniforme handhaving te komen.
Klopt het dat de opsteller van het interne rapport bij de presentatie de opmerking gemaakt heeft dat je «serieus de vraag kunt stellen of een harde hand nodig is» bij de werkwijze van de dierenwelzijnsteams? Zo ja, hoe verhoudt deze opmerking zich tot uw reactie op het 2Solve-rapport dat stelt dat «een stevige en consequente handhaving in alle onderdelen van de NVWA de norm is»?3
Ik kan dat noch bevestigen noch ontkennen dat deze uitspraak is gedaan aangezien ik niet bij de presentatie aanwezig was. Voor het overige deel van de vraag verwijs ik naar vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg NVWA gepland op 2 februari 2021?
Ik heb deze vragen zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het mogelijk uitsterven van haaien en roggen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meer dan driekwart van haaien en roggen met uitsterven bedreigd»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van het bericht dat het aantal haaien en roggen met 70% is afgenomen vanwege overbevissing op open zee, waar de regels lastig te zijn handhaven?
Ja.
Klopt het dat haaien en roggen voornamelijk als bijvangst gevangen worden, of vindt er ook nog gerichte visserij op sommige soorten haaien of roggen plaats? Zo ja, waar vindt deze plaats en wat doet Nederland eraan om dit te stoppen?
Exacte cijfers hierover ontbreken, maar een groot gedeelte van haaien en roggen wordt inderdaad als bijvangst gevangen. Daarnaast vindt er wereldwijd ook gerichte visserij op haaien en roggen plaats. Deze gerichte visserij is vaak kleinschalige visserij in Afrika, Azië en Midden- en Zuid-Amerika. Precieze cijfers hierover ontbreken. Er vindt echter ook grootschalige, gerichte visserij op haaien en roggen plaats binnen visserij eheerorganisaties (RFMO’s).
Er wordt door Nederland nergens ter wereld gericht op haaien en roggen gevist. Nederland zet zich via de Europese Unie binnen RFMO’s altijd in voor wetenschappelijk gebaseerde vangstmogelijkheden, en verzet zich altijd tegen het zogenoemde ontvinnen van haaien.
Klopt het dat bijvoorbeeld de kortvinmakreelhaai vaak als bijvangst wordt gevangen, onder andere tijdens de tonijnvisserij in de Atlantische Oceaan, en dat vissers de kortvinmakreelhaai mogen binnenhalen wanneer deze dodelijk verwond is?
Ja.
Klopt het dat Europa niet voor een moratorium op de vangst van de kortvinmakreelhaai heeft gestemd tijdens de bijeenkomst van de International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (ICCAT) in november 2020, zoals The Guardian stelt? Zo ja, welke EU-lidstaten hebben tegen een moratorium op de vangst van de kortvinmakreelhaai gestemd en wat was het alternatieve voorstel van Europa?2
Dit is correct. Nederland heeft zich binnen de EU actief ingezet voor het volgen van het wetenschappelijk advies van ICCAT; in dit geval voor een zogenoemd moratorium. Alle andere EU-lidstaten met een visserijbelang binnen ICCAT hebben tegen een moratorium gestemd. De overige lidstaten hebben zich onthouden van een expliciete inbreng in deze interne EU-discussie. Op basis van de discussie binnen de EU heeft de Europese Commissie ingestemd met een bijvangstmogelijkheid van 280 ton kortvinmakreelhaai binnen ICCAT.
Bent u bereid om zich actief in te zetten voor het moratorium op de vangst van de kortvinmakreelhaai in aanloop naar een nieuwe ICCAT-bijeenkomst dit jaar? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik zal mij binnen ICCAT nadrukkelijk blijven inzetten voor het consequent volgen van het wetenschappelijk advies; in deze dus voor een moratorium. Hierbij moet ik wel aangeven dat Nederland geen direct visserijbelang heeft binnen ICCAT, terwijl vooral voor de Mediterrane EU-lidstaten zeer grote visserijbelangen spelen. Dit maakt de discussie binnen de Europese Unie niet eenvoudig.
Alternatieve zorg tijdens de lockdown |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de petitie «Houd alternatieve zorg open tijdens lockdown» d.d. 28 januari 2021 ruim 20.000 keer is ondertekend?1
Ja, ik ben ermee bekend dat de petitie «Houd alternatieve zorg open tijdens lockdown» meer dan 20.000 keer is ondertekend.
Bent u op de hoogte dat volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in 2019 circa 740.000 mensen (4,3% van de bevolking) minstens een keer contact hebben gehad met een alternatieve genezer?2
Ja, ik ben op de hoogte van het rapport van het CBS «Gezondheid, leefstijl, zorggebruik en -aanbod, doodsoorzaken; vanaf 1900».
Deelt u de mening dat het sluiten van alternatieve zorg vanwege de coronacrisis bij veel patiënten tot gezondheidsschade leidt, omdat reguliere zorg voor hen niet afdoende is? Hoe weegt u deze gezondheidsschade ten opzichte van de gezondheidswinst die wordt geboekt door de lockdown?
Het tijdelijke verbod op het uitoefenen van contactberoepen hield ook een verbod op het verlenen van alternatieve zorg in. Ik realiseer me dat dit besluit veel impact heeft op mensen die hiervan gebruik willen maken. Het epidemiologisch beeld half december vorig jaar was evenwel dusdanig ernstig dat het kabinet genoodzaakt was om een heftig en ingrijpend besluit te nemen door maatregelen af te kondigen die de volle breedte van de samenleving treffen en die feitelijk neerkomen op een lockdown. Het beleid was gericht op het beperken van contactmomenten en reisbewegingen, zonder de noodzakelijke medische zorg te verhinderen. Dit is de zorg die bekostigd wordt uit publieke middelen en wettelijk wordt gereguleerd.
Sinds 3 maart is het verbod op contactberoepen opgeheven. In mijn brief van 23 februari licht ik toe dat dit onder meer vanuit het oogpunt van welzijn is gedaan. Hierbij gelden wel een aantal aanvullende maatregelen. Namelijk dat klantgegevens geregistreerd dienen te worden ten behoeve van het bron- en contactonderzoek, klanten dienen te reserveren, dat er een gezondheidscheck uitgevoerd dient te worden en dat er een mondkapje gedragen moet worden.
Bent u bereid om in de geest van de aangenomen motie over een oplossing voor mensen die niet terechtkunnen bij hun chiropractor of osteopaat ook tot een oplossing te komen voor andere alternatieve geneeswijzen, zoals voor de mensen die gebruikmaken van zorg van een haptotherapeut?3
Inmiddels is de uitoefening van contactberoepen weer toegestaan, waardoor ook contactberoepen in de alternatieve geneeswijzen weer uitgeoefend kunnen worden.
Kent u de oproep van de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen om de toegang tot lactatiekundige zorg te waarborgen?
Ja, ik ben bekend met de oproep van de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen om de toegang tot lactatiekundige zorg te waarborgen.
Onderschrijft u het belang van borstvoeding voor een goed werkend immuunsysteem en lactatiekundige zorg als onderdeel van «de eerste 1.000 dagen» en «kansrijke start»?
Ja, ik onderschrijf het belang van lactatiekundige zorg voor borstvoeding.
Hoe kan het dat lactatiekundige zorg niet toegankelijk is en jeugdzorg wel, terwijl lactatiekundige zorg onderdeel is van de jeugdgezondheidszorg?4
Lactatiekundigen zijn zelfstandige beroepsbeoefenaars. De zorg van de lactatiekundige valt niet onder de jeugdgezondheidszorg en ook niet onder de zorg die verleend wordt op grond van de zorgwetten. Zodoende viel dit beroep niet onder de niet noodzakelijke contactberoepen en zijn zij tijdelijk niet toegankelijk geweest.
Bent u bereid het Outbreak Management Team (OMT) om advies te vragen over het openen van deze vormen van zorg?
Aangezien het verbod op de uitoefening van contactberoepen is losgelaten zie ik geen aanleiding een OMT-advies aan vragen hierover.
Deelt u de mening dat het toevoegen van alternatieve zorgverleners en lactatiekundigen aan de lijst van medische contactberoepen die hun beroep mogen uitoefenen urgentie heeft in de exitstrategie, zodat ernstige en blijvende gezondheidsschade zoveel mogelijk wordt voorkomen? In welke fase in de exitstrategie bent u bereid deze zorgverleners hun beroep te laten uitoefenen?
Inmiddels is het uitoefenen van contactberoepen weer toegestaan. De alternatieve zorg is weer opgestart en lactatiekundigen kunnen hun beroep uitoefenen. Het opheffen van het verbod op het uitoefenen van contactberoepen maakte onderdeel uit van de eerste versoepelingen van de lock-down.
Het bericht ‘Commissie neemt belangrijke maatregelen voor een verenigd front tegen COVID-19’ |
|
Hayke Veldman (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie neemt belangrijke maatregelen voor een verenigd front tegen COVID-19»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat lidstaten dringend meer genoomsequentieanalysen moeten uitvoeren, voor minstens 5% en bij voorkeur 10% van de positieve testresultaten? Waarom wordt dit percentage in Nederland niet gehaald?
Ik begrijp de aanbeveling van de EC. Het RIVM volgt de ECDC-norm voor kiemsurveillance en haalt deze op dit moment ruimschoots. Het ECDC adviseert om minimaal een aselecte steekproef van 500 monsters per week te sequencen om inzicht te krijgen in circulerende varianten (kiemsurveillance). De afgelopen weken voerde het RIVM een oplopend aantal van in het totaal 600–900 sequenties per week uit. ErasmusMC voert 300–400 sequenties per week uit. Bij een COVID-19 incidentie van 25.000–30.000 positieven per week is dat ongeveer 3–5% van het totaal aan positieve monsters (zie voor de meest recente COVID-19 incidentie: https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/actueel). Bij een stijgende COVID-19 incidentie wordt dit percentage lager en bij een dalende COVID-19 incidentie wordt het hoger.
Het behalen van de door de Europese Commissie gestelde doelstelling van een sequentie-analysecapaciteit van ten minste 5% van de positieve testresultaten is geen doel op zich binnen het Nederlands beleid. Het RIVM vaart op wetenschappelijke adviezen van het ECDC en op eigen inhoudelijke kennis en inzichten om het minimaal aantal testen te bepalen, waarmee met voldoende zekerheid en voldoende «aanlooptijd» de circulatie van bepaalde varianten van het virus «SARS-CoV-2» kunnen worden gemonitord. Het RIVM is dan ook bezig op te schalen naar een hogere en duurzame capaciteit. Met 1500 monsters per week wordt het mogelijk om een nieuwe variant twee maanden voordat deze variant dominant wordt in Nederland te detecteren.
Sequencing wordt niet alleen gebruikt voor kiemsurveillance maar ook voor andere doeleinden, zoals bij het testen van reizigers uit risicogebieden, bij uitbraakonderzoeken en BCO. Hiervoor is een sequencecapaciteit nodig van naar schatting 750 monsters per week.
Totaal zou er daarmee een capaciteit van ongeveer 2250 monsters per week nodig zijn (eind april 2021 als streefdatum). De bovengenoemde opschaling zal rekening houden met deze behoefte.
Wat is het concrete plan (logistiek, tijdpad, rapportage) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om een nationale kiemsurveillance te kunnen waarborgen als ondersteuning van de beleidsbesluitvorming ter bestrijding van de pandemie?
Het RIVM schaalt op dit moment haar sequencecapaciteit verder op. Daarnaast is er in Nederland veel expertise beschikbaar op het gebied van sequencing van SARS-CoV-2. Daarom werkt het RIVM samen met de Dienst Testen, ErasmusMC, AmsterdamUMC en andere laboratoria via de relevante NVMM-werkgroepen (WMDI en NWKV). Om de sturing en regie te borgen wordt hiervoor een netwerk ingericht. Daarmee wordt het plan van het RIVM nader ingevuld. Dit plan is eind Q1 gereed. Er worden al veel gegevens gerapporteerd. (zie: https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/virus/varianten, https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/onderzoek/kiemsurveillance en het RIVM-nieuwsbericht, zoals https://www.rivm.nl/nieuws/aantal-meldingen-gelijk-aan-de-week-daarvoor).
Kunt u bevestigen dat er in Nederland tot nu toe slechts 400 sequences per week werden uitgevoerd? Welke plannen liggen klaar om dit aantal substantieel op te schalen?
Nee, zie antwoord 2.
Zie antwoord 3. Het nieuwe netwerk is belangrijk bij de bestrijding van SARS-CoV-2. De regie bij de oprichting van het netwerk wordt gevoerd door een stuurgroep. Hierin zijn het RIVM en Erasmus MC vertegenwoordigd, die beiden WHO- en ECDC-referentielab zijn tijdens de coronacrisis. Ook Amsterdam UMC, Dienst Testen en twee werkgroepen van de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM) sluiten hierbij aan. Deze werkgroepen zijn de Werkgroep Moleculaire Diagnostiek van Infectieziekten (WDMI) en de Nederlandse Werkgroep Klinische Virologie (NWKV). Het RIVM fungeert tevens als voorzitter van deze stuurgroep.
Hoe komt het RIVM aan het doel van 1.200–1.500 monsters per week? Hoe is dit gerelateerd aan de 5–10% van de op COVID-positief geteste resultaten genoemd door de Europese Commissie?
Zie antwoord 2.
Wanneer zal het door de RIVM geformuleerde doel voor COVID kiemsurveillance van 1.200–1.500 monters per week bereikt worden?
Dit wordt eind april 2021 gerealiseerd. Op dit moment schaalt het RIVM de sequencingcapaciteit verder op om te komen tot een hogere en duurzame capaciteit. Zie ook antwoord 2.
Kunt u aangeven waar en door wie het sequencen tot nu toe wordt gedaan?
Op dit moment worden SARS-CoV-2 sequencingactiviteiten in Nederland primair uitgevoerd door de beide COVID-19 referentielaboratoria bij het RIVM en ErasmusMC. Ook andere (vaak academische) centra sequencen SARS-CoV-2 monsters. Er wordt een uitvraag gedaan bij alle laboratoria die betrokken zijn in SARS-CoV-2 diagnostiek wat hun mogelijkheden zijn voor sequencen.
Is er tot nu toe gebruik gemaakt van andere voorzieningen en laboratoria dan die van het Erasmus MC en het RIVM? Zo ja, in welke mate is dit gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 3. Doel is om samen voldoende data te genereren en te delen voor de bestrijding van de pandemie.
De funderingsproblematiek in Friesland en over het artikel ‘Provincie Fryslân gaat huiseigenaren betrekken bij oplossen funderingsschade’ |
|
Paul Smeulders (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Provincie Fryslân gaat huiseigenaren betrekken bij oplossen funderingsschade»?1
Ja.
Aangezien in het veenweidegebied de afgelopen decennia de waterpeilen aanzienlijk zijn verlaagd om aan landbouwkundige wensen te voldoen en er om de effecten naar de omgeving te beperken effectbeperkende maatregelen zijn genomen om bijvoorbeeld schade aan funderingen aan woningen te voorkomen, kunt u aangeven wat voor maatregelen er genomen zijn en wie daarvoor verantwoordelijk is?
De belasting van de bodem en de gehanteerde grondwaterstanden in het stedelijk en landelijke gebied hangen sterk samen met de gewenste functies als wonen, landbouw en natuur. Deze worden via de ruimtelijke ordening bepaald. Het toekennen van functies via de ruimtelijke ordening is primair de taak van provincies en binnen gemeentelijke grenzen die van gemeenten. Waterschappen en gemeenten hebben vervolgens de taak om met het vaststellen van waterpeilen en stedelijk grondwater- en riolerings-beheer de maatschappelijk gewenste functies zo goed mogelijk én tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te accommoderen. Zij hebben hierbij een zorgplicht om schade aan functies en private eigendommen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen. Het afwegen van en omgaan met tegengestelde belangen maakt hier onderdeel van uit.
Een van de maatregelen die door waterschappen kan worden genomen om schade aan funderingen te voorkomen is het inrichten van aparte peilvakken rondom kwetsbare bebouwing (zoals «hoogwatercircuits»). Daarbinnen wordt door het waterschap het waterpeil hoger opgezet dan in de omliggende agrarische percelen. Verder kunnen technische maatregelen op het perceel worden genomen om infiltratie te vergroten en daarmee de grondwaterstand zoveel mogelijk op peil te houden. Bij perioden van langdurige droogte kan niet altijd worden voorkomen dat het grondwaterpeil wegzakt. Bij een groot peilverschil tussen het hoogwatercircuit en het omringende gebied is het ook niet altijd mogelijk om het waterpeil te handhaven. Daarnaast wordt, nog los van het peilbeheer, schade aan funderingen veroorzaakt door het gewicht van de gebouwen zelf in combinatie met slappe (meestal) veenbodem of een verouderde fundering.
Een goede voorbelasting van de bodem, het toepassen van lichtere ophoog- en bouwmaterialen bij de aanleg van gebouwen en infrastructuur en bij de inrichting en het beheer van de openbare ruimte en gericht stedelijk grondwater- en rioleringsbeheer zijn de belangrijkste maatregelen om bodemdaling in het stedelijke gebied en schade aan funderingen en gebouwen te voorkomen. Dit is vooral een opgave voor gemeenten, de bouwsector, eigenaren van gebouwen en percelen en netbeheerders. Private partijen – eigenaren van percelen, gebouwen en infrastructuur – zijn verantwoordelijk voor hun eigendommen en ook zij hebben een zorgplicht om schade zoveel mogelijk te voorkomen.
Welke rol heeft het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek in het proces van funderingsproblematiek?
Het Kenniscentrum Aanpak Funderingsproblematiek is een stichting die zich inzet voor de belangen van eigenaren die worden getroffen door funderingsproblemen. Hiertoe verzamelt zij kennis en geeft zij voorlichting over funderingsproblematiek. De stichting heeft een onbezoldigd bestuur en enkele medewerkers in dienst.
Kunt u toelichten wie er verantwoordelijk is voor de financiering van schade door bodemdaling in veenweidegebieden? Kunt u het juridisch kader hierbij specifiek schetsen?
Schade door bodemdaling kan ontstaan door inklinking van de bodem, het uitzakken van grondwater door droogte, door een gebrekkige fundering of overbelasting van een bestaande fundering. Bodemdaling kan het gevolg zijn van het rechtmatig uitoefenen van een taak of bevoegdheid door een overheidsorgaan of door onrechtmatig handelen door de overheid.
Als de schade het gevolg is van rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer dan kan een benadeelde bij het betreffende overheidsorgaan een verzoek om nadeelcompensatie indienen. Als de schade wordt veroorzaakt door onrechtmatig handelen door de overheid, dan kan de benadeelde het betreffende overheidsorgaan aansprakelijk stellen via de civielrechtelijke weg, bijvoorbeeld op basis van artikel 6:162 Burgerlijk wetboek (onrechtmatige daad).Het vaststellen van een peil voor oppervlaktewater (al dan niet op basis van een goedgekeurd peilbesluit) door het waterschap moet worden aangemerkt als een vorm van rechtmatig overheidshandelen
Wat betreft eventuele schadevergoeding als gevolg van een peilbesluit wordt gekeken naar de oorzaak/reden van de peilverandering. Afhankelijk van de reden moet een waterbeheerder wel of geen compenserende en/of mitigerende maatregelen treffen om schade door de peilverandering zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de rechtspraak wordt verschil gemaakt tussen peilwijziging (niet natuurlijk) en peilaanpassing als gevolg van maaivelddaling door inklinking en oxidatie (wel natuurlijk). Een peilwijziging verandert bewust de drooglegging, terwijl een peilaanpassing de natuurlijke bodemdaling volgt. die in heel wat gebieden in Nederland aan de orde is. Schade door een peilverlaging die een compensatie is van een natuurlijke maaivelddaling behoort tot het normaal maatschappelijk risico. Schade door een peilbesluit dat enkel verband houdt met de natuurlijke maaivelddaling is dan ook voor rekening van de ingelanden (bijv. woningeigenaren) zelf. Compenserende maatregelen voor burgers e.d. hoeven dan niet getroffen te worden. Als het om een peilwijziging gaat, met als doel de drooglegging (afstand tussen maaiveld en waterpeil) te wijzigen, dan kan, met een beroep op art. 7.14 van de Waterwet, eventuele schade hieruit wel voor rekening van de waterbeheerder komen.
Op wat voor wijze wordt bepaald welke effect beperkende maatregelen noodzakelijk zijn en of deze afdoende zijn? Kunt u hierbij ook specifiek aangeven hoe tot deze effectindicatoren is of wordt gekomen?
Onderstaande figuur2 geeft op hoofdlijnen weer hoe de afweging binnen waterschappen plaatsvindt. Bij het voornemen tot een peilwijziging in een peilbesluit wordt door het waterschap een zorgvuldige afweging gemaakt, waarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten worden gewaarborgd. Daarbij zal het waterschap oog hebben voor alle belanghebbenden, waaronder woningbezitters, en ook rekening houden met de effecten van peilbesluit op fundering van woningen.
Is dit onderzoek bij gebieden waar peilverlagingen zijn uitgevoerd, generiek uitgevoerd of is bij alle gebouwen, waaronder woningen, specifiek gekeken op welke wijze deze zijn gefundeerd?
Afwegingen over peilaanpassing of -wijziging worden gemaakt in een peilbesluit, dat per definitie is gebaseerd op de lokale omstandigheden en aanwezige functies en belangen. Elk peilbesluit is gebiedsspecifiek en wordt na zorgvuldig (veld)onderzoek en een afwegingsprocedure vastgesteld door de waterschapsbesturen. Daarbij wordt naar vele aspecten gekeken, waaronder ook de wijze van fundering van de aanwezige bebouwing.
Indien generiek onderzoek is uitgevoerd, bent u dan van mening dat hiermee voldoende zorgvuldig naar individuele situaties is gekeken? Kunt u dit toelichten?
Waterschappen hebben goed zicht op de lokale situatie en brengen de effecten van een peilbesluit in kaart (zie ook het figuur bij antwoord 5). Vanuit mijn positie kan ik niet beoordelen of voldoende zorgvuldig naar individuele situaties wordt gekeken.
Wie is verantwoordelijk voor het beheer van de oppervlakte- en grondwaterpeilen rondom woningen en andere gebouwen?
De gemeente heeft op grond van 3.6 Waterwet een grondwaterzorgplicht. Deze zorgplicht houdt in, dat de gemeente in het openbaar gemeentelijke gebied maatregelen moet treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. Mits die maatregelen doelmatig zijn en deze niet tot de verantwoordelijkheid van de waterbeheerder (meestal het waterschap) of de provincie behoren. Gemeenten hebben hiermee een inspanningsplicht gekregen om structurele grondwaterstandproblemen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De zorgplicht is alleen van toepassing op het treffen van waterhuishoudkundige maatregelen in de openbare ruimte. De gemeente is niet verplicht maatregelen te nemen op particuliere percelen.
Het waterschap houdt o.a. het water in sloten en vaarten op het juiste peil. Zij hebben samen met gemeenten de taak om met het vaststellen van waterpeilen en stedelijk grondwater- en rioleringsbeheer de maatschappelijk gewenste functies zo goed mogelijk én tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te accommoderen.
Private partijen – eigenaren van percelen, gebouwen en infrastructuur – zijn verantwoordelijk voor hun eigendommen. Zij hebben een zorgplicht om schade zoveel mogelijk te voorkomen. Hieronder vallen het goed funderen en onderhouden van gebouwen en percelen met inbegrip van daarin gelegen drainage- en rioleringssystemen en het operationeel beheer daarvan om water af te voeren dan wel vast te houden in en onder hun eigen percelen en terreinen. Ook het voldoende open houden van de bodem zodat neerslag de bodem kan indringen en het grondwater kan worden aangevuld valt daaronder.
In hoeverre moeten individuele huiseigenaren en eigenaren van andere gebouwen naar uw mening op de hoogte zijn van de effecten van grondwaterstandverlagingen in de aangrenzende landbouwgebieden en de effecten van die grondwaterstandverlagingen op de fundering van de woning en/of het gebouw?
Als er effect te verwachten is van een peilaanpassing op funderingen dan zou de woningbezitter op de hoogte moeten worden gebracht van de te verwachte effecten. Dat is ook in lijn met de beginselen van behoorlijk bestuur die bij de voorbereiding van dit soort besluiten in acht worden genomen.
De gemeente heeft op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en de grondwaterzorgplicht in het bijzonder de plicht te beoordelen welke belangen er in het geding zijn en hoe hiermee het best rekening kan worden gehouden. Als de gemeente in de openbare ruimte maatregelen treft (welke dan ook), dan hoort ook hierbij zorgvuldig gewerkt te worden. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zeker ook de grondwaterzorgplicht eisen dat steeds het grondwateraspect wordt meegewogen.
Datzelfde geldt voor het opstellen van peilbesluiten en maatregelen in het regionale watersysteem. Ook daar wordt nadrukkelijk het grondwateraspect meegenomen en worden voorgenomen besluiten en maatregelen zorgvuldig met de direct belanghebbenden overlegd en afgestemd. Voor een peilbesluit geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht. Iedereen kan hierbij een zienswijze indienen bij het bevoegd gezag (waterschap).
Bestaat er inzicht in het aantal woningen en/of gebouwen waar schade is ontstaan als gevolg van grondwaterstandverlagingen in de naastgelegen landbouwgebieden?
Nee, daar is geen specifiek onderzoek naar gedaan.
Welk onderzoek wordt er momenteel verricht om de problematiek in beeld te brengen?
Er wordt op dit moment geen onderzoek uitgevoerd om deze specifieke problematiek in beeld te brengen.
Hoe worden de betrokkenen geïnformeerd over de problematiek?
Aangezien er geen sprake is van onderzoek naar deze specifieke problematiek, is er geen sprake van communicatie met betrokkenen.
Wanneer wordt de kabinetsreactie verwacht op het advies van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur over bodemdaling in veenweidegebieden, die tijdens het wetgevingsoverleg Water en Wadden is toegezegd?
De kabinetsreactie op het advies van de Raad voor de Leefomgeving is op 12 februari jl. naar de Tweede Kamer verzonden.
Deelt u de mening dat deze bewoners niet langer in onduidelijkheid mogen verkeren en zo snel mogelijk geholpen moeten worden met een concreet plan van aanpak?
Ik juich het initiatief van de provincie Fryslân3 toe om huiseigenaren te helpen bij het zoeken naar oplossingen voor de funderingsproblematiek. Het is voor woningeigenaren belangrijk om te weten waar ze aan toe zijn en welk handelingsperspectief er is bij het omgaan met de funderingsproblematiek.
Experimenten met pensioenregelingen voor zelfstandigen |
|
Paul Smeulders (GL) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het risico dat een groeiende groep zelfstandigen niet verzekerd is bij overlijden en niet spaart voor de oude dag? Deelt u de mening dat hier een maatschappelijk probleem dreigt en dat het urgent is om dit probleem aan te pakken? Deelt u de mening dat het daarom van essentieel belang is dat niet opnieuw jaren verloren gaan, maar we nu doorpakken met een uitgebreide wettelijke experimenteerruimte, opdat passende structurele oplossingen dichterbij komen?
Zelfstandigen hebben diverse mogelijkheden om te sparen voor een inkomensvoorziening voor na hun pensioneren. De praktijk leert evenwel dat daarvan slechts beperkt gebruik wordt gemaakt. Hierdoor loopt een grote groep zelfstandigen het risico van een grote inkomensterugval als zij stoppen met werken.1 Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. Het is belangrijk dat ook zelfstandigen voldoende sparen voor de oude dag. Het wordt daarom wenselijk geacht om te bezien hoe de pensioenopbouw onder zelfstandigen kan worden gestimuleerd. In de zoektocht naar een structurele oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen worden verschillende oplossingsrichtingen uitgewerkt.
Als eerste oplossingsrichting wordt in het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen voorzien in het harmoniseren van de tweede en derde pijler. Deze voorgenomen maatregel vloeit voort uit de afspraken uit het Pensioenakkoord. Zoals bij vraag 13 beschreven wordt met deze maatregel onder meer de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler vergroot ten opzichte van de huidige situatie.
Een andere maatregel die bij kan dragen aan het stimuleren van pensioensparen en wordt uitgewerkt, is het experimenteren met het (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen. Zelfstandigen hebben naar huidig recht slechts zeer beperkt toegang tot de tweede pijler. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen introduceert daarom een experimenteerbepaling die ruimte biedt om bij algemene maatregel van bestuur experimenten met vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler mogelijk te maken. Door vrijwillige aansluiting van zelfstandigen aan een pensioenregeling in de tweede pijler bij wijze van experiment mogelijk te maken, wordt zelfstandigen een aanvullende – en mogelijk goed passende – vorm van pensioensparen aangeboden. Met de experimenten wordt beoogd te bezien in hoeverre een dergelijke aanvullende mogelijkheid de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Deze inzichten zijn relevant in de zoektocht naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. Dit wetsvoorstel heeft van december 2020 tot medio februari 2021 open gestaan voor openbare internetconsultatie. De reacties op de consultatie worden op dit moment nader bestudeerd.
Bent u bekend met signalen van verschillende aanbieders van pensioenregelingen over de beperkte experimenteerruimte voor pensioenregelingen voor zelfstandigen?1 Wat is uw reactie hierop?
Het wetsvoorstel toekomst pensioenen beoogt een experimenteerbepaling te introduceren die ruimte biedt om vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler mogelijk te maken. Het doel hiervan is te bezien in hoeverre een dergelijke aanvullende mogelijkheid de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Het streven is dat pensioenuitvoerders die interesse hebben in het uitvoeren van een experiment, gebruikmaken van de experimenteerruimte die geboden wordt. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt geregeld dat in het kader van de beoogde experimenten op een aantal onderdelen afgeweken mag worden van de Pensioenwet. Bij algemene maatregel van bestuur zal de experimenteerwetgeving verder worden ingevuld.
In het kader van de internetconsultatie van het wetsvoorstel toekomst pensioenen hebben een aantal pensioenuitvoerders, advies- en zelfstandigenorganisaties, FNV Zelfstandigen, het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie gereageerd op de voorgestelde experimenteerbepaling. De inbreng op de internetconsultatie illustreert dat verschillend wordt gedacht over de gewenste en juridisch mogelijke ruimte voor vrijwillige aansluiting door zelfstandigen in de tweede pijler, waarbij in verschillende reacties wordt gewezen op de consequenties van experimenten met vrijwillige aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler voor de taakafbakening en marktordening.
De reacties op de internetconsultatie worden op dit moment nader bestudeerd. De verdere uitwerking van de beoogde experimenteerwetgeving dient zorgvuldig te gebeuren, waarbij verschillende belangen dienen te worden afgewogen. Enerzijds het belang van de zelfstandige om toegang te hebben tot goede en passende pensioenvoorzieningen en anderzijds de houdbaarheid van de verplichtstelling door behoud van voldoende solidariteit en collectiviteit in de tweede pijler, het voorkomen van strijdigheid met (Europese) mededingings- en gelijke behandelingswetgeving en de uitvoerbaarheid van de experimenten voor pensioenuitvoerders en de Belastingdienst.
Ten behoeve van de nadere uitwerking van de experimenten ben ik in gesprek met pensioenuitvoerders, zelfstandigenorganisaties, het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie.
Hoe gaat u voorkomen dat aanbieders van pensioenregelingen niet van de experimenteerruimte gebruik gaan maken omdat deze hen niet genoeg mogelijkheden biedt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Waarom heeft u ervoor gekozen de experimenten een maximale looptijd van vier jaar te geven, en niet een aantal jaren langer? Waarop is de verwachting gebaseerd dat deze vier jaar voldoende tijd geeft om de effecten in kaart te brengen?
Door het opnemen van een experimenteerbepaling in de Pensioenwet wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur op enkele onderdelen af te wijken van de Pensioenwet. Gelet op de uitzonderlijke omstandigheid dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van hogere regelgeving, dienen de experimenten conform de vaste uitgangspunten bij experimenteerwetgeving per definitie een tijdelijk karakter te hebben met een beperkte looptijd. Bij het vaststellen van de looptijd van de beoogde experimenten met pensioenopbouw door zelfstandigen is het evenwel ook van belang om te borgen dat er voldoende tijd beschikbaar is om conclusies te trekken over de effecten van de experimenten en de wenselijkheid van een eventuele bredere toepassing daarvan. Met het oog hierop wordt voorgesteld uit te gaan van een periode van ten hoogste vier jaar en met de voorwaarde dat een experiment dient te starten binnen een jaar na inwerkingtreding van de experimenteerbepaling. De verwachting is dat een looptijd van vier jaar een passende periode is om te kunnen experimenteren met de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler en de effecten hiervan te evalueren. De periode van vier jaar sluit aan bij de maximale experimenteerperiode die in andere experimenteerwetgeving wordt gehanteerd, vgl. bijvoorbeeld artikel 83 van de Participatiewet (drie jaar), artikel 130 van de Werkloosheidswet (vier jaar), artikel 3:65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (vier jaar) en artikel 82a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (vijf jaar).
Is het een vereiste van de experimenten dat ze na afloop, mochten ze niet structureel voortgezet worden, een mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting aan zelfstandigen aanbiedt, of is dit slechts een mogelijkheid?
Met de experimenten wordt onderzocht of het (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen de opbouw van pensioen door zelfstandigen stimuleert. Als de experimenten inderdaad succesvol blijken te zijn, dient (onder meer) de Pensioenwet te worden aangepast om de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler op structurele basis mogelijk te maken. Mocht onverhoopt blijken dat dit instrument onvoldoende soelaas biedt, dan kan beslist worden de experimenten niet structureel voort te zetten. Als dit het geval is, kunnen pensioenuitvoerders die gedurende de looptijd van de experimenten pensioenopbouw voor zelfstandigen hebben gefaciliteerd, deze zelfstandigen de mogelijkheid bieden hun pensioenopbouw voor een bepaalde duur op vrijwillige basis voort te zetten.
Pensioenuitvoerders hebben op basis van de huidige wetgeving de bevoegdheid om zelf te bepalen of zij de optie van vrijwillige voortzetting willen aanbieden. Uit onderzoek over de vrijwillige voortzetting3 blijkt dat vrijwel alle bedrijfstakpensioenfondsen een regeling van vrijwillige voortzetting kennen. Ik wil aan het principe van de eigen bevoegdheid voor pensioenuitvoerders om vrijwillige voortzetting aan te bieden, vasthouden. De beoogde experimentwetgeving zal dan ook geen verplichting opleggen aan pensioenuitvoerders om de optie tot vrijwillige voortzetting aan te bieden. Het wel opnemen van een wettelijke eis hiertoe, kan mogelijk een belemmering opwerpen voor het uitvoeren van een experiment door pensioenuitvoerders. Bovendien zou hierdoor de complexiteit toe kunnen nemen, als de betreffende pensioenuitvoerder deze mogelijkheid nog niet aanbiedt voor de huidige deelnemers. Het introduceren van complexiteit op dit punt is vanuit het oogpunt van ruimte bieden om te experimenteren ongewenst. Ik ga er bovendien vanuit dat de pensioenuitvoerders die (gewezen) deelnemers nu reeds de mogelijkheid bieden hun pensioenopbouw vrijwillig voort te zetten, zelfstandigen die deelnamen aan een experiment ook deze mogelijkheid zullen bieden.
Wat is uw overweging geweest om met de experimenteerruimte voor pensioenregelingen voor zelfstandigen enkel experimenten mogelijk te maken met vrijwillige pensioenregelingen – de zogenaamde vrijwillige «opt in»? Hoe verhoudt dit zich tot de aangenomen motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12), waarin de regering verzocht wordt de experimenten zo goed mogelijk te faciliteren?
Enkele partijen hebben de wens geuit om automatische aansluiting van zelfstandigen bij een pensioenregeling mogelijk te maken. De wens tot automatische aansluiting leeft met name bij enkele (verplichtgestelde) bedrijfstakpensioenfondsen. Het voorstel van de betreffende pensioenfondsen is dat het pensioenfonds gewezen deelnemers – die als zelfstandigen actief zijn in de betreffende sector – in principe aansluiten, maar tegelijkertijd de mogelijkheid bieden om niet mee te doen (opt-out).
Qua gedragseffecten is de verwachting dat automatische aansluiting een krachtig middel is. Op deze manier wordt de «default»-optie pensioensparen, waar deze voor zelfstandigen nu vaak niet-sparen is. Uit onderzoek blijkt dat als er een default voorhanden is, mensen geneigd zijn om daarvoor te kiezen c.q. geen actieve keuze maken waarmee wordt afgeweken van de default.
Toch verdient het faciliteren van automatische aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler zorgvuldige overweging. De ruimte om te experimenteren wordt geboden in de zoektocht naar een permanente oplossing voor het vraagstuk van pensioensparen door zelfstandigen. Het is daarom van belang dat bij de vormgeving van de experimenten met verschillende randvoorwaarden rekening wordt gehouden. Zo dienen de experimenten te voorzien in een behoefte van zelfstandigen. Ook is het uitgangspunt dat door de aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler de houdbaarheid van de verplichtstelling niet onder druk komt te staan. Kenmerken als collectiviteit en solidariteit dienen behouden te blijven als voorwaarden voor de verplichtstelling. Ook zal strijdigheid met het (Europees) mededingingsrecht en gelijke behandelingswetgeving moeten worden voorkomen. De aansluiting van zelfstandigen in de tweede pijler moet tevens uitvoerbaar zijn, zowel voor de pensioenuitvoerders als de Belastingdienst.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. De reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel worden op dit moment nader bestudeerd, waaronder de reacties op de beoogde experimenteerbepaling en de wens tot automatische aansluiting van zelfstandigen die bepaalde partijen hebben geuit. Op dit moment wordt gewerkt aan een analyse van de mogelijkheid en wenselijkheid tot het faciliteren van de wens tot automatische aansluiting van zelfstandigen, mede in het licht van de hierboven genoemde randvoorwaarden. In reactie op de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) zal ik uw Kamer hierover informeren.
Heeft u kennisgenomen van het wetenschappelijk onderzoek dat laat zien dat zelfstandigen meer pensioen gaan sparen bij een vrijwillige opt outin plaats van vrijwillige «opt in»?2 Bent u op de hoogte van het onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten naar de drempels voor pensioensparen?3 Met welke drempels krijgen mensen allemaal te maken? Erkent u dat automatische deelname met een vrijwillige «opt out» een oplossing is om deze drempels weg te nemen? Kun u dit toelichten voor de verschillende drempels voor pensioensparen?
Ik heb kennisgenomen van de aangehaalde onderzoeken van Netspar en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Het voorstel zoals besproken in het onderzoek van Netspar behelst dat zelfstandigen, bij het invullen van hun belastingaangifte, geconfronteerd worden met een zogenoemde pensioenspaarmodule. Op het voorstel om een pensioenspaarmodule in de belastingaangifte in te bouwen ga ik bij vraag 9 in. Verder laat het onderzoek van Netspar6 zien dat het aannemelijk is dat de beperkte pensioenopbouw door zelfstandigen onder andere veroorzaakt wordt door uitstelgedrag. De optimale route voor pensioensparen lijkt volgens dit onderzoek het stimuleren van sparen, zonder daarbij de keuzevrijheid te beperken. Het inrichten van een duidelijke keuzearchitectuur, zoals de pensioenspaarmodule, zou volgens het onderzoek een goede manier kunnen zijn om zelfstandigen meer pensioen te laten sparen.
Uit het onderzoek van de AFM7 blijkt dat veel Nederlanders een beperkt pensioenbewustzijn hebben. Dit wordt gezien als een van de redenen waarom zelfstandigen beperkt gebruikmaken van de huidige mogelijkheden om voor de oude dag te sparen. Pensioenbewustzijn is de mate waarin men op de hoogte is van pensioeninkomen bij ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid, weet of dat in de eigen situatie voldoende is, weet (indien gewenst) welke oplossingen er zijn en daar een afweging in maakt.8 Het doel van het vergroten van het pensioenbewustzijn is het aanzetten tot actie. Het ontbreken van pensioenbewustzijn komt bij alle werkenden voor, zowel bij werknemers als zelfstandigen.
Automatische deelname met vrijwillige opt out draagt niet direct bij aan het vergroten van het pensioenbewustzijn als zodanig. Het besef wat een goed pensioen is en weten wat in de eigen situatie nodig is voor een goed pensioen wordt hiermee niet vergroot. Automatische deelname met vrijwillige opt out kan wel bijdragen aan het doel van het bereiken van een toereikend pensioen voor de oude dag. Met automatische deelname wordt namelijk pensioensparen de «default»-optie en is een actieve handeling vereist om niet te sparen. Op die manier kan uitstelgedrag voorkomen worden.
Automatische deelname met vrijwillige opt out kan een aanvullend middel zijn om bij te dragen aan het doel om pensioenopbouw door zelfstandigen te stimuleren. Toch verdient het faciliteren van automatische deelname van zelfstandigen in de tweede pijler zorgvuldige overweging. Zie in dit kader mijn antwoord op vraag 6.
Bent u gegeven het feit dat dit bij kan dragen aan meer pensioensparen door zelfstandigen, bereid de experimenteerruimte te verruimen om zo experimenten mogelijk te maken die uitgaan van deelname met een vrijwillige «opt out»?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of de presentatie van een pensioenspaarmodule in de belastingaangifte van zelfstandigen er in de praktijk aan bijdraagt dat de deelname van zelfstandigen verhoogd wordt overeenkomstig met in wetenschappelijke onderzoek gedane suggesties?
De voorgestelde pensioenspaarmodule voor zelfstandigen komt er in het kort op neer dat er een aanvullende module wordt toegevoegd aan de belastingaangifte. De belastingadviseur van de zelfstandige wordt verplicht om deze module samen met de zelfstandige door te nemen. De zelfstandige wordt in de module gevraagd om de maximale jaarruimte te benutten en dit bedrag in leggen voor pensioen. Als een zelfstandige dit niet wil, zijn er mogelijkheden om voor een lager bedrag te kiezen. Er kan dan ook gekozen worden voor een spaarplan van vijf jaar. Naast een keuze voor een in te leggen bedrag dient ook een fondskeuze gemaakt te worden waarnaar de inleg wordt overgeboekt.
Een «pensioenspaarmodule» kan mogelijk bijdragen aan het vergroten van het pensioenbewustzijn onder zelfstandigen. De meerwaarde van het vergroten van het pensioenbewustzijn is groot. Tegelijkertijd is het de vraag of een verplicht in te vullen pensioenspaarmodule bij de belastingaangifte van zelfstandigen de juiste route hiervoor is. De voorgestelde pensioenspaarmodule als verplicht onderdeel van de belastingaangifte kent juridische en uitvoeringstechnische vragen. Op het juridische vlak gaat dit onder meer om de regels die gelden voor het adviseren over pensioenproducten. Een belastingadviseur kan alleen adviseren over de opbouw van een pensioen en een daarbij passend pensioenproduct indien hij een vergunning heeft op grond van de Wet op het financieel toezicht en aan bepaalde vakbekwaamheidseisen voldoet. Belastingadviseurs kunnen wel zonder vergunning zzp’ers erop wijzen dat het belangrijk is te sparen voor hun pensioen en wat de mogelijkheden zijn zonder een advies te geven over een specifiek pensioenproduct. Daarnaast heeft de belastingaangifte de wettelijke functie om opgave van gegevens te doen waarvan de kennisneming voor de heffing van belasting van belang kan zijn. De aangifte kan op basis van de huidige wet- en regelgeving niet worden gebruikt om belastingplichtigen te verplichten een pensioenmodule in te vullen. Een dergelijke verplichting past ook niet in uitgangspunten van het huidige belastingstelsel.
Niet onbelangrijk zijn bovendien uitvoeringstechnische knelpunten. Het proces voor het doen van belastingaangifte laat zich moeilijk verhouden tot een koppeling met een verplicht pensioenadvies. Het toevoegen van een verplichte pensioenspaarmodule aan de belastingaangifte verzwaart het proces rondom het doen van belastingaangifte en brengt de nodige uitvoeringstechnische consequenties met zich mee.
Het kabinet acht het dan ook niet opportuun om een onderzoek te starten naar het toevoegen van een pensioenspaarmodule aan de belastingaangifte van zelfstandigen. Het kabinet zet wel in op maatregelen om pensioensparen door zelfstandigen te stimuleren. Enerzijds door experimenten in de tweede pijler te faciliteren en hierover richting zelfstandigen actief te communiceren en anderzijds door de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler te vergroten.
Bent u bereid het onder de experimenteerruimte mogelijk te maken dat zelfstandigen de mogelijkheid geboden krijgen om nog tijdens hun werkzame periode geld te onttrekken aan hun pensioenbesparingen, omdat dit met het oog op inkomensfluctuaties pensioensparen aantrekkelijker kan maken?
Het doel van de experimenten is zelfstandigen te stimuleren pensioen op te bouwen. Zelfstandigen kunnen vaker dan werknemers te maken hebben met fluctuaties in het inkomen, waardoor zelfstandigen over het algemeen meer behoefte hebben aan flexibiliteit in de premie-inleg dan werknemers. Hier heb ik oog voor bij het nader uitwerken van de beoogde experimenteerbepaling.
Flexibiliteit bij de premie-inleg bestaat in de praktijk reeds voor zelfstandigen die in het kader van de verplichtstelling of een vrijwillige voortzetting deelnemen aan een pensioenregeling. De flexibele premie-inleg is gerealiseerd doordat zelfstandigen een flexibel pensioenkeuzeloon kunnen opgeven (met een bepaald minimum en maximum). Op grond hiervan kunnen zelfstandigen periodiek zelf bepalen over hoeveel procent van het inkomen zij pensioen willen opbouwen. Over dat gedeelte van het inkomen wordt vervolgens de pensioenpremie berekend. Op het moment dat een zelfstandige een periode minder inkomsten vergaard kan er via het aanpassen van de pensioengrondslag minder premie worden ingelegd. De mogelijkheid om zelfstandigen in een pensioenregeling vrijheid te bieden bij het opgeven van het pensioenkeuzeloon is ook in het kader van de beoogde experimenten mogelijk.
De vraag kan opkomen of het aanvullend hierop nodig is de mogelijkheid tot tussentijdse onttrekking van premie-inleg of pensioenvermogen te faciliteren voor de beoogde experimenten. Aan de vraag of het tussentijds onttrekken van premie-inleg of pensioenvermogen mogelijk moet worden gemaakt tijdens de experimentperiode liggen een aantal overwegingen ten grondslag. Allereerst kunnen er (financiële) nadelen aan kleven in het kader van solidariteit en collectiviteit, zeker als alleen zelfstandigen deze mogelijkheid hebben. Ook is het de vraag in hoeverre het een taak is die thuis hoort bij een pensioenuitvoerder en past bij de beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan de opbouw van pensioenvermogen in de tweede pijler en het uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat opgebouwd pensioen de pensioenbestemming verliest.
In de reacties op de internetconsultatie is ook aandacht gevraagd voor het faciliteren van de mogelijkheid tot tussentijdse onttrekking van premie-inleg. Dit onderwerp wordt op dit moment nader bezien, mede in het licht van de hierboven geschetst overwegingen.
Hoe gaat, indachtig de aangenomen motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12), geborgd worden dat aanbieders van pensioenregelingen inkomensgegevens van zelfstandigen op een eenvoudige manier aangeleverd krijgen? Bent u bereid een wettelijke grondslag te creëren voor gegevensdeling tussen aanbieders van pensioenregelingen en bijvoorbeeld de Kamer van Koophandel?
Naar huidig recht kunnen pensioenuitvoerders reeds gebruikmaken van zogeheten mutatie-overzichten van de Kamer van Koophandel (KvK). Deze mutatie-overzichten kunnen bijvoorbeeld inzicht bieden in de zelfstandigen die actief zijn in een bepaalde sector. De overzichten worden onder andere benut om zelfstandigen die onder de verplichtstelling vallen bij het pensioenfonds aan te sluiten. Hierbij is geen sprake van informatie-uitwisseling op basis van het burgerservicenummer (BSN). Voor de experimenten is een dergelijke bredere gegevensdeling tussen pensioenuitvoerder en de KvK gewenst bevonden door enkele pensioenuitvoerders.
Voor informatieverstrekking op basis van het BSN in het kader van de beoogde experimenten zal een wettelijke voorziening moeten worden getroffen. De Pensioenwet en de Handelsregisterwet bieden naar huidig recht namelijk geen grondslag voor verstrekking van het BSN door de KvK of inzage in het BSN in het Handelsregister door pensioenuitvoerders. Identificatienummers zoals het BSN kunnen de koppeling van verschillende bestanden aanzienlijk vergemakkelijken en daarmee een bedreiging voor de persoonlijke levenssfeer vormen (frauderisico’s). Een terughoudende houding bij het toestaan van informatie-uitwisseling op basis van het BSN is hiermee evident. Het gebruik van het BSN en het toestaan van informatie-uitwisseling tussen verschillende organisaties op basis van het BSN dient in dat licht derhalve altijd dragend gemotiveerd te worden, waarbij duidelijk wordt gemaakt waarom de informatie-uitwisseling noodzakelijk is en voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. In mijn appreciatie bij de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) heb ik eveneens aangegeven dat bij de overweging om bredere informatie-uitwisseling in het kader van de beoogde experimenten mogelijk te maken ook de privacywetgeving betrokken dient te worden.
In diverse reacties op de internetconsultatie van de experimenteerbepaling wordt ook aandacht gevraagd voor de bredere mogelijkheid tot informatie-uitwisseling. Op dit moment wordt een nadere analyse gemaakt. In reactie op de motie-Smeulders/Gijs van Dijk (Kamerstuk 35 555, nr. 12) zal ik uw Kamer hierover informeren.
Deelt u de mening dat de fiscale aantrekkelijkheid van pensioensparen voor zelfstandigen van invloed is op de mate waarin zij bereid zijn deel te nemen? Erkent u dat zelfstandigen die economische schade lijden door de coronacrisis nauwelijks voor hun pensioen kunnen sparen als het fiscale inkomensbegrip wordt gebaseerd op het verleden? Bent u daarom bereid als onderdeel van de experimenten een fiscaal bedrag forfaitair vrij te stellen?
Ik deel de mening dat de fiscale aantrekkelijkheid van pensioensparen van invloed kan zijn op de mate waarin het voor zelfstandigen aantrekkelijk is om te sparen voor hun pensioen. Het kabinet is dan ook met partijen betrokken bij het pensioenakkoord overeengekomen om stappen te zetten naar een meer arbeidsvormneutraal pensioenkader waardoor zelfstandigen, net als werknemers, ruimere mogelijkheden krijgen voor pensioenopbouw.
Voor zelfstandigen die economische schade lijden door de coronacrisis en daardoor bepaalde jaren een laag inkomen hebben geldt inderdaad dat er een periode minder fiscale ruimte kan zijn om voor pensioen te sparen. Het pensioengevende inkomen voor pensioenopbouw door zelfstandigen in de tweede pijler wordt bepaald op het inkomen drie jaar voorafgaand aan het jaar van pensioenopbouw. Hiervoor is gekozen vanwege administratieve redenen ten gunste van zelfstandigen.9
Een bedrag forfaitair vrijstellen ligt echter niet voor de hand. Het doorkruist de huidige systematiek waarbij de fiscale ruimte afhankelijk is van het daadwerkelijk gerealiseerde inkomen en creëert daarmee ongelijke opbouwmogelijkheden ten opzichte van werknemers terwijl het streven juist is om mogelijkheden van pensioenopbouw voor werknemers en zelfstandigen te harmoniseren.
De experimenteerbepaling is onderdeel van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen. De reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel worden op dit moment nader bestudeerd, waaronder de reacties op de beoogde experimenteerbepaling en de wens een fiscaal bedrag forfaitair vrij te stellen.
Welke andere sporen bewandelt u, naast de experimenteerruimte, om te onderzoeken hoe het pensioensparen bij zelfstandigen bevorderd kan worden?
Het kabinet is voornemens om met het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel toekomst pensioenen onder andere het verschil in fiscale premieruimte tussen de tweede en de derde pijler weg te nemen ten aanzien van oudedagsvoorzieningen. Hierdoor wordt het percentage van het pensioengevend inkomen dat fiscaal gefaciliteerd kan worden ingelegd in de derde pijler verhoogd naar het niveau dat zal gelden in de tweede pijler. Het gelijktrekken van de premiegrens leidt er toe dat zelfstandigen meer kunnen sparen voor de oude dag in de derde pijler.
Tot slot heb ik de Stichting van de Arbeid in juni 2020 gevraagd onderzoek te doen naar de pensioenopbouw door zelfstandigen. Eind december 2020 heb ik de uitkomsten van het onderzoek van de Stichting van de Arbeid ontvangen. Het onderzoek brengt de bestaande mogelijkheden voor zelfstandigen om binnen de tweede en derde pijler pensioen op te bouwen in kaart. Ook gaat de Stichting op hoofdlijnen in op de knelpunten die pensioensparen door zelfstandigen in de weg staan. De Stichting constateert dat zelfstandigen beperkt gebruikmaken van de mogelijkheden (zowel binnen de tweede als derde pijler) en dat zelfstandigen binnen de huidige wettelijke kaders beperkte toegang hebben tot de tweede pijler. De Stichting concludeert dat het vergroten van de toegankelijkheid van de tweede pijler voor zelfstandigen voordelen met zich meebrengt. Tegelijkertijd ziet de Stichting dat het binnen dezelfde kring brengen van werknemers en zelfstandigen niet eenvoudig is en een aantal risico’s kent. De Stichting heeft aangegeven voornemens te zijn een vervolg te geven aan het onderzoek. Zij wil een inventarisatie maken van aanvullende mogelijkheden om zelfstandigen meer toegang te verlenen tot de tweede pijler en vooral hoe die aanvullende mogelijkheden vormgegeven zouden kunnen worden in het nieuwe pensioenstelsel. Ik heb de Stichting laten weten graag bereid zijn om daaraan mee te werken.
Kunt u voorgaande vragen één voor één binnen drie weken te beantwoorden?
Ik heb uw Kamer 12 februari jl. geïnformeerd dat het binnen drie weken beantwoorden van de Kamervragen van het lid Smeulders (GroenLinks) over «experimenten met pensioenregelingen voor zelfstandigen» helaas niet haalbaar was. Hierbij ontvangt u de beantwoording op de gestelde Kamervragen.