Het bericht ‘Verdachte chauffeur dodelijk ongeval Waalhaven reed eerder motoragent en fietsster aan’. |
|
Peter de Groot (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verdachte chauffeur dodelijk ongeval Waalhaven reed eerder motoragent en fietsster aan»?1
Ja.
Klopt het dat de verdachte chauffeur eerder betrokken was bij het aanrijden van een motoragent in 2015?
Is deze zaak destijds door de officier van justitie aan de strafrechter voorgelegd? Zo ja, was er sprake van een misdrijf?
Viel het door de verdachte vertoonde rijgedrag onder de in 2020 in de Wegenverkeerswet beschreven roekeloosheid?
Is de verdachte voor deze aanrijding veroordeeld? Zo ja, wat was de strafmaat? Is de verdachte een rijontzegging gegeven?
Is er door de rechter beoordeeld of er sprake was van opzet bij het aanrijden van de motoragent, zoals door het slachtoffer is beweerd?
Klopt het dat de verdachte chauffeur vorig jaar nog een ongeluk veroorzaakte, waarbij een 79-jarige vrouw om het leven kwam?
Is deze zaak destijds door de officier van justitie aan de strafrechter voorgelegd? Was hier sprake van een misdrijf?
Is de verdachte voor deze aanrijding veroordeeld? Zo ja, wat was de strafmaat?
Is de verdachte als recidivist aangemerkt, waarbij het in de tweede zaak mee weegt dat hij al eerder een ernstig ongeluk heeft veroorzaakt?
Was er in een van de drie gevallen sprake van drank- en/of drugsgebruik door de verdachte?
Indien er in het meest recente geval sprake was van het opzettelijk aanrijden van het slachtoffer, valt dat dan nog onder artikel 6 van de Wegenverkeerswet?
Aangezien er sprake is van een lopend strafrechtelijk onderzoek, kan ik over deze kwestie in het bijzonder geen nadere mededelingen doen.
In het algemeen geldt dat bij een vermoeden van opzettelijk aanrijden, doodslag of moord ten laste kan worden gelegd. Indien opzet niet bewezen kan worden, zou artikel 6 WVW een mogelijkheid kunnen zijn. In een dergelijk geval is het van belang te bewijzen of de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van het verkeersongeval. Wat er ten laste gelegd zou kunnen worden, hangt echter af van de specifieke omstandigheden van het geval en het is aan het OM om dit te bepalen. Recidive speelt een rol bij de afdoeningsbeslissing door de officier van justitie.
Weegt het bij een eventuele vervolging mee dat de verdachte al tweemaal eerder een ongeluk heeft veroorzaakt?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe vaak heeft er in de afgelopen tien jaar een ongeval plaatsgevonden, waar een motoragent bij betrokken was? Is er een bepaalde trend te zien in het aantal ongevallen?
Het is niet mogelijk uit de politiesystemen cijfers te genereren van het aantal ongevallen waarbij een motoragent betrokken is. Overigens zou zo’n getal op zichzelf niet te interpreteren zijn. Zulke ongevallen moeten worden afgezet tegen de taakstelling, het aantal voertuigkilometers en in relatie tot de inzet (bijvoorbeeld wel of niet rijden met optische en geluidssignalen).
Is de verkeersveiligheid van motoragenten voldoende geborgd?
Politiemotorrijders krijgen een specialistische rijopleiding die door de Politieacademie wordt verzorgd. Deze is intensief, gedegen en optimaal gericht op de verkeersveiligheid van zowel de politiemotorrijder als het overige wegverkeer. Daarnaast volgt elke motorijder periodiek een rijvaardigheidstraining van de Politieacademie waarin zijn vaardigheden worden getoetst en bijgeschaafd. De motorkleding van de politiemotorrijder komt in nauwe samenspraak met de motorrijders zelf tot stand. Zo wordt voorzien in optimale persoonlijke bescherming van de motorrijder en zichtbaarheid bij de uitvoering van zijn taken.
Wordt de werkwijze van/voor motoragenten regelmatig geëvalueerd? Indien dit niet het geval is, of de laatste evaluatie al een lange tijd geleden is, is er door dit ongeval de noodzaak ontstaan dit op korte termijn te doen om zo een verkeersveilige deelname aan het verkeer te versterken? Zo niet, waarom niet?
De werkwijze van motoragenten wordt doorlopend geëvalueerd. Binnen het eigen team gebeurt dit nagenoeg altijd na gecoördineerde en/of bijzondere inzetten en in het algemeen binnen de lijnverantwoordelijkheid en de professionele collegiale feedback binnen het eigen team. Daarnaast vindt periodiek een rijvaardigheidstraining van de Politieacademie plaats (zie ook het antwoord bij vraag 15). Elk ongeval zal op zichzelf worden onderzocht en eventuele daaruit voortkomende leerpunten worden waar nodig landelijk breed gedeeld. In dit specifieke geval wordt onderzoek gedaan door een externe commissie waarbij ook de voorgeschiedenis wordt meegenomen5. Verder is er binnen het team aandacht voor de mogelijke schadelijke mentale gevolgen bij andere collega’s.
Helaas hebben motoragenten, ondanks de specialistische opleidingen, evaluaties en rijvaardigheid ook te maken met externe factoren, zoals onvoorspelbaar of gevaarlijk rijgedrag van derden en is dan kwetsbaarder dan een agent in de auto. Hoewel politiemotorrijders ook op dat aspect opgeleid en getraind worden komt het helaas voor dat motoragenten het slachtoffer worden van gevaarlijk rijgedrag van andere deelnemers op de weg. Zoals ik in mijn brief6 van 19 juli jl. aan uw Kamer heb gemeld, staat agressie richting agenten en andere hulpverleners hoog op de agenda in mijn gesprekken met de Korpschef. Tijdens mijn bezoek met de korpschef aan de eenheid Rotterdam op 14 juli jl. is er uitvoerig gesproken over de risico’s van het werk en de agressie die agenten daar soms bij tegenkomen. De korpschef en ik nemen dat zeer serieus en zetten ons in voor een veilig werkklimaat.
De berichten dat bedrijven voor ruim €4 miljard aan loonsteun moeten terugbetalen en dat dit voor veel ondernemers dreigt uit te draaien op een financiële strop. |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Bedrijven moeten ruim € 4 mrd. aan leunsteun terugbetalen» en «Financiële strop voor bedrijven dreigt nu controle eerste ronde noodsteun vastloopt»?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom zeven op de tien bedrijven 4,2 mrd Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW)-steun moeten terugbetalen en dit mogelijk een financiële strop voor bedrijven dreigt te worden? Klopt het dat de terugbetaling van de coronasteun op een financiële strop dreigt uit te draaien, omdat accountants de vereiste goedkeurende verklaring niet op tijd kunnen aanleveren en bedrijven de coronasteun dan volledig moeten terugbetalen?
Bedrijven die achteraf toch meer omzet hebben gedraaid dan vooraf was ingeschat en hierdoor een te hoog voorschot hebben ontvangen, dienen het teveel ontvangen bedrag terug te betalen. Hetzelfde geldt voor de werkgevers die hun totale loonsom niet op peil hebben gehouden. Het vaststellingsproces van de NOW loopt nog, waardoor het nog onduidelijk is hoeveel NOW-steun er uiteindelijk wordt uitgekeerd. Daarmee kan er ook nog niet gezegd worden dat het gaat om zeven op de tien bedrijven voor een totaal aan € 4,2 miljard.
Voor de NOW 1 hebben nu circa 64 duizend bedrijven een vaststellingsaanvraag ingediend. Van circa 76 duizend bedrijven heeft UWV deze nog niet binnen2. Gezien de grote variëteit in bedrijven en in de subsidiebedragen is het niet goed te duiden of het huidige beeld van de definitieve vaststellingen een representatief beeld geeft. Zodra er meer vaststellingen hebben plaatsgevonden kan een beter beeld gegeven worden over de terugbetalingen en de nabetalingen.
Van de vaststellingen die tot nu toe zijn gedaan, komt ongeveer 80% van de terugvorderingen van de NOW 1, doordat er een betere omzet is gedraaid dan vooraf was ingeschat. 71% van het totale terugvorderingsbedrag in de NOW 1 tot nu toe komt voort uit het feit dat de omzetdrempel van 20% niet is gehaald. Voor de NOW 2 gaat het tot nu toe zelfs om 94% van het totale terugvorderingsbedrag. Doordat de NOW een tegemoetkoming is in de loonkosten als er sprake is van omzetderving, is de wijze waarop deze terugvordering wordt berekend, in lijn met de doelstelling, namelijk het behoud van werkgelegenheid. In de aankomende achtste editie van de monitoringsbrief zal wederom de meest actuele stand worden gegeven.
Recentelijk hebben onderzoekers in de ESB (Schellekens et al.3, 4) een inschatting gemaakt over onder andere het aantal terugvorderingen op basis van steun- en omzetdata op ondernemingsniveau van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met behulp van deze gegevens komen de onderzoekers tot de conclusie dat zeven van de tien bedrijven NOW-steun moet terugbetalen met een totaalbedrag van € 4,2 miljard.
De analyse kent echter een aantal beperkingen. De eerste belangrijke beperking is dat er in de data geen rekening is gehouden met de terugvorderingen die grotendeels nog moeten plaatsvinden. Bedrijven kenden van tevoren niet hun daadwerkelijke omzetverlies en hebben, zoals de onderzoekers ook aangeven, dit omzetverlies overschat. Het is aannemelijk dat op basis van de definitieve afrekening de verleende steun lager zal uitvallen. Op basis van het dan vastgestelde daadwerkelijke omzetverlies zal vervolgens namelijk een deel van de bedrijven (een deel van) het verleende voorschot moeten terugbetalen.
Ten tweede zijn de omzetcijfers slechts beschikbaar voor een deel van de sectoren, namelijk de sectoren groothandel, vervoer en opslag, horeca, informatie en communicatie, specialistische zakelijke diensten en overige zakelijke dienstverlening. Cijfers van sectoren als de detailhandel, industrie, agrarische sector, bouw en recreatieve sector ontbreken. Sommige NOW-ontvangers hoeven bovendien geen btw-aangifte te doen, waardoor deze omzetcijfers sowieso ontbreken.
Ten derde overlapt de NOW-aanvraagperiode niet geheel met de btw-aangifteperiode. Dit kan de cijfers vertekenen wanneer juist in de maanden die buiten de gebruikte btw-periode vallen omzetverlies geleden is.
Als laatste is er in de data geen rekening gehouden met concernverbanden. Een individueel bedrijf kan bijvoorbeeld minder omzetverlies hebben gehad dan vooraf verwacht, maar het concern (het niveau van de NOW-aanvraag) kan wel evenveel of meer omzetverlies hebben geleden.
Na 31 oktober 2021 sluit het vaststellingsloket voor de NOW-1 en daarna zal de subsidie van werkgevers die nog geen vaststellingsaanvraag hebben gedaan, op nihil worden vastgesteld. Dat betekent dat zij de gehele NOW-1 subsidie moeten terugbetalen. Door drukte bij accountantskantoren en andere organisaties die een derdenverklaring mogen verstrekken, is het lastig om deze verklaringen tijdig te verkrijgen. Ook de recent afgeronde gesprekken over de aanpassingen van de controle van de NOW-groep hebben ertoe geleid dat accountants in enkele gevallen hebben moeten wachten met het afgeven van een accountantsverklaring. In alle NOW-regelingen is reeds opgenomen dat werkgevers die een accountantsverklaring nodig hebben maar deze nog niet kunnen overleggen, op verzoek binnen 14 weken de vaststellingsaanvraag aan kunnen vullen met een accountantsverklaring. Dit is in de uitvoering zo ingeregeld dat werkgevers bij het doen van een vaststellingsaanvraag bij UWV de optie kunnen aanvinken dat zij nog wachten op een accountantsverklaring. Vanaf het moment dat zij de vaststellingsaanvraag doen en deze optie aanvinken, hebben ze recht op 14 weken uitstel. Zij dienen vervolgens de aanvraag opnieuw in te dienen, deze keer met de accountantsverklaring. Het is wel van groot belang dat er een vaststellingsaanvraag wordt gedaan op uiterlijk 31 oktober 2021 en dat er tijdens de aanvraag wordt aangegeven dat de verklaring nog volgt. Alleen dan kan de werkgever gebruiken maken van de 14 weken termijn om een aanvraag te doen die volledig is en dus inclusief verklaring. De aanvraag zal na het aanvinken van de optie worden afgebroken, waarna de werkgever zodra hij de accountantsverklaring heeft ontvangen opnieuw de vaststellingsaanvraag kan indienen bij UWV – binnen veertien weken na de eerste vaststellingsaanvraag.
Op dit moment geldt deze termijn van 14 weken alleen voor accountantsverklaringen. Ook rondom de afgifte van de derdenverklaringen speelt drukte de sector parten, mede omdat deze derdenverklaringen ook door accountants afgegeven kunnen worden. In de praktijk zijn het ook vaak accountants die derdenverklaringen afgeven. Het is daarom wenselijk dat werkgevers die een derdenverklaringen moeten aanleveren daarvoor ook een extra termijn van 14 weken krijgen. De NOW- regelingen (NOW-1, -2, -3 en -4) worden hier op korte termijn op aangepast. Ook voor deze werkgevers geldt uiteraard dat ze uiterlijk 31 oktober 2021 een vaststellingsaanvraag moeten doen.
Naast bovengenoemde aanpassing zet de Minister van SZW samen met UWV in op aanvullende en uitgebreide communicatie over de naderende deadline voor de vaststellingsaanvragen van 31 oktober en de 14 weken om de aanvraag aan te vullen met een accountants- of derdenverklaring. Het kabinet heeft vertrouwen dat deze aanvullende communicatie en de wijzigingen ervoor zorgen dat de op dit moment ervaren belemmeringen worden weggenomen en dat vele werkgevers richting de sluitingsdatum van 31 oktober a.s. een vaststellingsaanvraag zullen doen teneinde een nihilstelling te voorkomen. Uiteraard blijft de Minister van SZW dit proces en de voortgang hierbij goed monitoren.
Klopt het dat dit bedrag nog hoger kan uitvallen omdat er nu alleen gekeken is naar het verwachte omzetverlies versus de daadwerkelijk gerealiseerde omzetten op basis van CBS-cijfers in 29 sectoren? Zo ja, hoeveel hoger kan dit bedrag nog uitvallen?
Zoals bij antwoord 2 aangegeven, kent het onderzoek beperkingen, waardoor het bedrag een schatting is. In de aankomende achtste editie van de monitoringsbrief zal wederom de meest actuele stand worden gegeven. Ook wordt uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de uitputting via de SZW-begroting en verantwoording.
Kunt u tevens aangeven hoeveel bedrijven de overige coronaregelingen moeten terugbetalen en welke bedragen hiermee gemoeid zijn (tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers – TOZO, Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 – TOGS/Tegemoetkoming Vaste Lasten – TVL en overig)?
De uitkomsten betekenen niet dat circa 35% van de ondernemingen de TOGS voorwaarden doelbewust hebben geschonden. RVO schat in dat een groot deel van de ondernemingen een andere interpretatie van de beleidsregel, een andere perceptie van de voorwaarden en een onjuiste inschatting van de verwachting(en) hadden. Daarbij was ook sprake van een paniekreactie van ondernemers die gedwongen moesten sluiten.
Aan welke voorwaarden moeten bedrijven voldoen bij de terugbetaling van de coronaregelingen? Binnen welke termijn moet er worden terugbetaald en tegen welke rente?
UWV hanteert ruime terugbetalingstermijnen voor wat betreft de NOW. Via de website van UWV kunnen werkgevers een betalingsregeling treffen tot en met 36 maanden. Als dit niet genoeg is, kan er telefonisch contact worden gelegd met UWV en wordt er samen gekeken naar de mogelijkheden. Ook is een betaalpauze van een jaar mogelijk. Over het terug te betalen bedrag hoeft geen rente te worden betaald.
Voor ondernemers die leningen bedrijfskapitaal aangaan, geldt dat deze ook terugbetaald moeten worden. In de Tozo (Tozo 5) is geregeld dat de looptijd van de Tozo lening bedrijfskapitaal per 1 juli 2021 is verlengd van maximaal drie jaar en zes maanden tot 5 jaar. De rente van de lening bedrijfskapitaal bedraagt 2%. Bedrijven hoeven de rente en aflossing van de lening bedrijfskapitaal pas terug te betalen vanaf 1 januari 2022. In het tijdvak van 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2022 wordt er geen rente opgebouwd over de hoofdsom.
Zoals op 28 juni in de 2e Voortgangsrapportage TVL aan de Tweede Kamer is meegedeeld5, hanteert de RVO ruimhartige termijnen en biedt waar nodig maatwerk, om te voorkomen dat ondernemers door een terugbetaling verder in de problemen raken. Bij het terugbetalen van de TVL kan een ondernemer kiezen voor terugbetaling in zes maandelijkse termijnen of twaalf maandelijkse termijnen. Ook kan een ondernemer aangeven graag een persoonlijke betalingsregeling te treffen. Hiervoor wordt door de RVO persoonlijk contact opgenomen. Indien een ondernemer voor meerdere TVL-periodes moet terugbetalen, volgen deze terugbetalingsverplichtingen elkaar op. Over het terug te betalen bedrag hoeft geen rente betaald te worden. Dat is zo bij zowel terugbetalingstermijnen van zes en twaalf maanden, als bij een persoonlijke betalingsregeling.
Bent u bereid maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat er meer coulance komt, bedrijven meer tijd krijgen voor het verkrijgen van een goedgekeurde verklaring van de accountant en de kosten van de accountant worden gecompenseerd en bent u bereid bedrijven meer tijd te gunnen voor het terugbetalen van eventueel teveel ontvangen coronasteun? Zo neen, waarom niet?
Zoals bij vraag 2 is aangegeven, kan een werkgever op verzoek 14 weken extra de tijd krijgen om een accountantsverklaring op te sturen en wordt dit in de NOW-regelingen ook mogelijk gemaakt voor een derdenverklaring. De werkgever moet dan wel uiterlijk op 31 oktober 2021 een vaststellingsaanvraag hebben ingediend bij UWV. Met betrekking tot terugbetalingen zijn UWV en RVO al zeer coulant met de gehanteerde termijnen en de mogelijkheden hierbij, zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven. Compensatie van de accountantskosten is niet aan de orde. Wel houdt de Minister van SZW een vinger aan de pols wat betreft de administratieve lasten. Dat is ook de reden dat recentelijk zes administratieve lastenverlichtingen op de controle van de NOW zijn aangekondigd6.
De situatie van de door Nederland naar Bahrein uitgezette asielzoeker A.S. |
|
Jasper van Dijk (SP), Hanneke van der Werf (D66), Don Ceder (CU), Kati Piri (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier stelt u zich op de hoogte van de situatie van de heer A.S in de Bahreinse gevangenis? Met welke frequentie doet u dit?
De Nederlandse ambassade in Koeweit heeft met regelmaat contact met de autoriteiten in Bahrein alsook met partnerlanden die ambassades gevestigd hebben in het land zelf. Ook heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig contact met de Nederlandse advocaat van de heer A.S. en met maatschappelijke organisaties die bij deze zaak betrokken zijn.
Belemmeren de Bahreinse autoriteiten op enige manier het contact tussen A.S. en zijn Nederlandse advocaat? Wat doet u om deze belemmeringen te op te lossen?
A.S. is tot op heden niet in staat gesteld een machtigingsformulier te ondertekenen waardoor zijn Nederlandse advocaat kan worden gevolmachtigd. De Nederlandse ambassade in Koeweit heeft geprobeerd hierin te faciliteren, maar tot dusver heeft dit geen resultaat gehad. De ambassade zal zich hiervoor blijven inspannen.
Brengen medewerkers van de Nederlandse ambassade bezoek aan A.S.? Zo ja, hoe vaak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat Nederland hem regelmatig moet blijven bezoeken en zich van zijn situatie op de hoogte moet blijven stellen zolang hij nog gevangen gehouden wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder gesteld in beantwoording van Kamervragen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 3406), is de heer A.S. geen Nederlands staatsburger, en komt dus niet in aanmerking voor consulaire bijstand. Nederland volgt evenwel de zaak van A.S. als onderdeel van het reguliere mensenrechtenwerk van de ambassade in Koeweit. Nederland heeft de zorgen over deze zaak verschillende keren overgebracht aan de Bahreinse autoriteiten.
Wat zijn de resultaten geweest van de Nederlandse interventies bij Bahrein om A.S. vrij te krijgen? Blijft u hiermee doorgaan? Welke mogelijkheden hebt u om Bahrein verder onder druk te zetten als de autoriteiten blijven weigeren hem vrij te laten? Bent u bereid ook in Europees verband actie te ondernemen ten opzichte van Bahrein?
De Nederlandse ambassade heeft als onderdeel van het reguliere mensenrechtenwerk de rechtszaken van A.S. gevolgd. De Nederlandse overheid treedt op grond van internationale afspraken niet in de rechtsgang van een ander land. Wel kan Nederland de autoriteiten in een land aanspreken op het belang van een eerlijke en humane behandeling. Wat betreft de zaak van A.S. heeft Nederland in diplomatieke contacten de zorg omtrent een eerlijk proces en humane behandeling aangekaart. Detentieomstandigheden en de mensenrechtensituatie in het algemeen in Bahrein worden in hoog ambtelijke, diplomatieke en politieke contacten aan de orde gesteld. Dit gebeurt ook in Europees verband. Tijdens de EU-Bahrein mensenrechtendialoog die plaatsvond in februari 2021 werd nadrukkelijk aandacht gevraagd voor omstandigheden in gevangenissen en het recht op een eerlijk proces.
Welke informatie heeft u over de omstandigheden waaronder hij gevangen zit?
Zie antwoord op vraag 7.
Kunt u bevestigen dat A.S. in de afgelopen periode minstens 10 dagen geboeid in isolatie is gehouden, zonder toegang tot toilet en met nauwelijks voldoende te eten of te drinken, zoals bronnen gemeld hebben? Bent u bereid hierover opheldering te vragen bij de Bahreinse autoriteiten?
Naar aanleiding van deze berichtgeving heeft de Nederlandse ambassade in Koeweit contact opgenomen met de Bahreinse autoriteiten en zorgen uitgesproken over de situatie van A.S. De autoriteiten hebben toegezegd hierop terug te komen met meer informatie. Ik kan op dit moment niet bevestigen of de berichtgeving klopt.
Bent u bekend met het bericht dat in de gevangenis waar A.S. vast zit, een medegevangene overleden is als gevolg van het onthouden van de juiste medische zorg?1 Klopt het dat er gevangenen in de gevangenis waar A.S. gevangen zit, overleden zijn aan COVID-19?
Ja ik ben bekend met deze berichtgeving. Uit navraag bij de Bahreinse autoriteiten blijkt dat tenminste één gevangene aan COVID-19 is overleden.
Wat is de reactie geweest van de Bahreinse autoriteiten op de oproep van het VN Hoge Commissariaat voor de mensenrechten om een onafhankelijk onderzoek naar de dood van de in vraag 8 bedoelde gevangene in te stellen en om alle politieke gevangen vrij te laten?2 Wat moet wat u betreft hierop de vervolgstap zijn?
Voor zover bekend heeft Bahrein niet officieel gereageerd op de oproep van het Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten van de VN. Wel hebben de Bahreinse autoriteiten sinds de COVID-uitbraak aan in elk geval duizend gevangenen pardon verleend en hebben zij tevens toegezegd de veiligheid en gezondheid in de gevangenissen te zullen waarborgen. Dit neemt niet weg dat er nog steeds zorgen zijn over de omstandigheden in gevangenissen in Bahrein. Nederland zal aandacht blijven vragen voor verbetering van detentieomstandigheden in Bahrein, zowel in bilateraal als multilateraal verband.
Het weggeven van 10.000 Nederlandse paspoorten aan gelukszoekers |
|
Geert Wilders (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat 10.000 gelukszoekers, die zich niet of heel moeilijk tot Nederlander konden laten naturaliseren omdat zij bepaalde documenten niet konden overhandigen, een Nederlands paspoort cadeau krijgen?1
De gebruikte kwalificaties in de vraagstellingen herken ik niet. Er gelden voor de verkrijging van het Nederlanderschap stringente voorwaarden. De naturalisatievoorwaarden, waaronder de voorwaarden omtrent openbare orde en nationale veiligheid, en ook de bij naturalisatie bestaande regel inhoudende dat indien de IND twijfel heeft aan de gestelde persoonsgegevens en/of nationaliteit het naturalisatieverzoek wordt afgewezen, gelden onverminderd. In mijn brief van 7 juli 2021 heb ik toegelicht waarom ik, op basis van het onlangs afgeronde WODC/IND-onderzoek, heb besloten tot een categoriale vrijstelling voor Ranov-vergunninghouders van de voorwaarden om voor het verkrijgen van het Nederlanderschap alsnog identiteits- en nationaliteitsdocumenten te overleggen.
Waarom worden asielzoekers, die zo oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers, door u beloond voor hun slechte gedrag?2
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitleggen waarom u heeft besloten te capituleren voor de druk uit de asielindustrie?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitleggen waarom dit kabinet wel met het grootste gemak uitzonderingen voor gelukszoekers wil maken, maar de gewone Nederlander om het minste of geringste wordt gepakt? Zo nee, waarom niet?
Het is, vanwege het ontbreken van een concrete situatie, onduidelijk waar deze vraag op doelt. Ik kan hier derhalve geen uitleg over geven.
Kunt u vertellen hoeveel van deze gelukszoekers gelogen hebben over hun identiteit of geboortepapieren? En als u denkt dat dit niet het geval is, waar is dat dan op gebaseerd?
De gebruikte kwalificatie in de vraagstellingen herken ik niet. In 2007 en 2008 (de Ranov-regeling sloot op 1 januari 2009) hebben vreemdelingen die gebruik maakten van de Ranov-regeling, voor zover getwijfeld werd aan hun identiteit, eenmalig het aanbod gekregen om onjuiste persoonsgegevens te herstellen zonder dat daar consequenties aan werden verbonden. Daarna konden deze vreemdelingen hun persoonsgegevens alleen nog via de gebruikelijke weg wijzigen in de basisregistratie personen (BRP) op basis van een brondocument, zoals een geboorteakte. Het aantal personen dat bij het verstrekken van het verblijfsrecht heeft gelogen over hun persoonsgegevens is onbekend.
Kunt u vertellen hoeveel criminelen en misdadigers er tussen deze groep zitten, aangezien Nederland geen idee kan hebben wie het zijn omdat ze vaak geen geldig buitenlands paspoort of een geboorteakte hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, van welke feiten worden zij verdacht of voor welke feiten zijn zij veroordeeld?
Ik begrijp uit uw vraag dat u wilt weten of er onder de personen voor wie nu naturalisatie mogelijk wordt gemaakt, personen zijn die een strafbaar feit hebben begaan. Op basis van de systemen kan ik geen cijfers voor deze specifieke deelgroep achterhalen. Ik kan wel aangeven welke criteria werden en worden gehanteerd. Allereerst wil ik wijzen op het beleid aangaande openbare orde in de Ranov-regeling, neergelegd in WBV 2007/11, waarover ook is gesproken met de Tweede Kamer. Verder geldt dat strafbare feiten kunnen leiden tot intrekking van een verblijfsvergunning indien ten minste is voldaan aan de strafmaat in de glijdende schaal (artikel 3.86 Vb). Per geval worden dan ook de individuele omstandigheden meegewogen en vindt toetsing plaats aan artikel 8 EVRM (recht op privé en gezinsleven). Indien de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, is er vanzelfsprekend ook geen aanleiding om tot naturalisatie over te gaan. Daarnaast bepaalt de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap dat een optie- of naturalisatieverzoek wordt geweigerd als sprake is van een verblijfsvergunning die kan worden ingetrokken. Kan de verblijfsvergunning niet op grond van de Vreemdelingenwet 2000 worden ingetrokken, dan betekent dat niet dat betrokkene zonder meer Nederlander kan worden. In de optie- en naturalisatieprocedure geldt een eigenstandig en uitgebreid openbare ordebeleid.
Deelt u de mening dat het strooien met Nederlandse paspoorten een enorme aanzuigende werking heeft op de asielinvasie? Zo nee, waarom niet?
De gebruikte kwalificaties in de vraagstellingen herken ik niet. Van het strooien met paspoorten is geen sprake. Voor het wel of niet sluiten van de grenzen voor asielzoekers en migranten uit islamitische landen verwijs ik naar eerdere antwoorden3 op vergelijkbare vragen van dezelfde fractie.
Bent u daarom bereid direct te stoppen met uw vertroetelbeleid en geen cadeautjes meer aan asielzoekers uit te delen en de grenzen te sluiten voor asielzoekers en migranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Onderzoek: Sekseverschil blijft bij onderzoek naar corona vaak onderbelicht’ |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Tamara van Ark (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Onderzoek: Sekseverschil blijft bij onderzoek naar corona vaak onderbelicht»?1
Ja.
Deelt u de analyse van de onderzoeker dat er meer aandacht moet worden besteed aan sekseverschillen in klinische studies naar COVID-19?
De studie heeft gebruik gemaakt van de informatie die openbaar beschikbaar is op clinicaltrials.gov. Deze informatie is vaak incompleet en wordt pas verlaat bijgewerkt. Zo is van slechts een zeer klein aantal studies een statistisch analyseplan te vinden. Daarom vind ik het lastig conclusies te verbinden aan de analyse die is gedaan in deze studie.
Bent u het er mee eens dat het openbaar maken van de data al kan helpen om de sekseverschillen te bestuderen?
Ja ik ben het ermee eens dat openbaarheid van data kan helpen. Daarom worden voor geneesmiddelen, waarvoor in Europa een handelsvergunning is verleend, de studiedata gepubliceerd op de klinische data website van de het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA).2 EMA is momenteel bezig met een uitbreiding van deze data website. In de volgende fase zullen ook individuele patiënten data (geanonimiseerd) gepubliceerd worden.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat meer data openbaar wordt gemaakt en bent u bereid ook die stappen te zetten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het er mee eens dat geneesmiddelenautoriteiten EMA en de FDA, zoals ook in het artikel worden beschreven, verder zullen moeten gaan dan alleen aanbevelingen opstellen om met sekseverschillen om te gaan?
Het zijn niet alleen aanbevelingen. In de richtlijn voor geneesmiddelonderzoek en -beoordeling is beschreven hoe effecten van geneesmiddelen in relevante subgroepen moeten worden geëvalueerd. Naast sekse zijn er namelijk ook andere belangrijke variabelen waarvoor effectverschillen worden bekeken. Denk bijvoorbeeld aan leeftijd, ras of onderliggende aandoeningen. Indien klinische relevante verschillen worden gevonden in deze analyses, leidt dit tot aangepaste (doseer)adviezen in, of waarschuwingen bij, het bedoelde gebruik van een geneesmiddel zoals beschreven in de productinformatie.
Bent u ervan op de hoogte dat Long COVID, in tegenstelling tot de acute klachten die bij covid horen, vaker tot klachten leidt bij vrouwen?2
Ik herken het signaal dat de klachten horend bij Long COVID mogelijk vaker bij vrouwen voorkomen. De populatie die bij acute klachten als gevolg van COVID-19 in het ziekenhuis werd opgenomen, bestond voor een belangrijk deel uit (oudere) mannen met onderliggend lijden. Echter blijkt dat ook patiënten die thuis een COVID-19 besmetting hebben doorgemaakt te maken kunnen krijgen met Long COVID, waaronder mogelijk meer vrouwen en jongeren. Ik vind het belangrijk dat er verder onderzoek wordt gedaan naar deze bevindingen zodat hiermee in beleid, praktijk en onderwijs rekening kan worden gehouden. Zo doet het RIVM onderzoek naar hoeveel mensen met Corona op langere termijn nog klachten hebben, wat deze klachten precies zijn en hoe ernstig ze zijn4. Ook wordt vanuit het RIVM onderzocht of voorspeld kan worden welke mensen langdurig klachten houden en welke mensen juist niet.
Deelt u de opvatting dat het in dat licht nog zorgelijker is dat artsen niet altijd de klachten van vrouwen even serieus nemen als klachten van mannen, zoals professor Oertelt-Prigione stelt, maar ook eerder uit onderzoeken is gebleken?3
Ik vind het belangrijk dat artsen te allen tijde klachten van patiënten serieus nemen, dat geldt uiteraard ook voor klachten als gevolg van Long COVID. Ik heb echter geen signalen dat artsen in Nederland de klachten als gevolg van Long COVID niet serieus nemen.
Long COVID heeft de aandacht van onder andere de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Zowel de FMS6 als de NHG7 hebben kennisagenda’s voor Long COVID ontwikkeld. Op 1 juli 2020 is door beroepsgroepen de handreiking «Behandeling en begeleiding van post-COVID-19 patiënten» opgesteld. In deze handreiking staan aanbevelingen voor zorgverleners over hoe zij zorg kunnen verlenen aan de patiëntengroep die klachten en beperkingen heeft overgehouden aan een COVID-19 infectie. Vorig jaar is door verschillende beroepsgroepen aangegeven dat er rekening moet worden gehouden met nieuwe feiten en inzichten. Daarom stel ik, via ZonMw, gelden beschikbaar voor de doorontwikkeling van een multidisciplinaire integrale richtlijn COVID-19 nazorg, in samenwerking met (para)medische beroepsgroepen en patiëntenvertegenwoordiging.
Hoe kan verder worden bevorderd dat vrouwen met Long COVID klachten wel hulp zoeken, ook als zij daar niet toe geneigd zijn door de verwachte reactie van een arts?
Ik vind het belangrijk dat patiënten met klachten bij de huisarts terecht kunnen. Zo kunnen huisartsen tijdig advies geven of patiënten verwijzen voor verdere hulp. Samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) wil ik patiënten met aanhoudende klachten oproepen om zich bij hun huisarts te melden. De huisarts kijkt samen met de patiënt welke klachten er zijn. Op Thuisarts.nl kunnen patiënten terecht voor informatie rondom COVID-19 en aanhoudende klachten.
Daarnaast heb ik opdracht gegeven tot de oprichting van C-support om Covid-19-patiënten die langer dan 3 maanden klachten houden te informeren, te adviseren en te ondersteunen. C-support ondersteunt patiënten met COVID-19 en (medische) professionals met aandacht op de nazorg. Zij hanteert een integrale aanpak op het medische domein, het domein van werk en inkomen en het (psycho)sociale domein. Samen met de patiënten zoekt C-support naar een passende oplossing, bijvoorbeeld door te helpen de weg te vinden in het reguliere zorgaanbod.
Wordt er op dit moment bij de behandeling van Long COVID klachten voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen mannen en vrouwen?
Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de aard, omvang en duur van aanhoudende klachten na COVID-19, de onderliggende pathofysiologie en risicofactoren voor het ontwikkelen van deze symptomen als ook inzicht in de behandeling, namelijk de herstel- en nazorg, die patiënten met deze aanhoudende klachten hebben ontvangen. Dit onderzoek richt zich op zowel lichamelijk, cognitief, mentaal als op het algemeen welbevinden/kwaliteit van leven.
De onderzoeken naar aanhoudende klachten en ontvangen herstel- en nazorg maakt zo veel mogelijk gebruik van lopend onderzoek en cohorten. In de onderzoeken is aandacht voor de verschillende risicopopulaties, waaronder vrouwen. Ook wordt er vanuit onderzoek gekeken naar de doorlopen zorgpaden van patiënten met aanhoudende klachten. Vanuit de doorontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijn COVID-19 nazorg wordt gekeken naar integrale herstel- en nazorg, zoals energiemanagement, mogelijkheid van medicamenteuze behandelopties en cognitieve revalidatie. Het is van belang om per patiënt(groep) te beoordelen wat het beste behandeltraject is, waarbij rekening dient te worden gehouden met de eigenschappen en voorkeuren van de individuele patiënt. Ik blijf met ZonMw continu in gesprek over noodzakelijk onderzoek voor effectieve herstelzorg naar Long COVID. Over de verdere acties en inzet omtrent Long COVID heb ik u recent geïnformeerd in een kamerbrief8.
Het bericht dat het financieel steunen van IS niet wordt bestraft |
|
Geert Wilders (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de rechtbank Limburg vandaag Laarbi A. heeft vrijgesproken van het financieren van terrorisme en van deelname aan een terroristische organisatie?1
Ik ben op de hoogte van de uitspraak van de rechtbank Limburg.
Bent u ervan op de hoogte dat Laarbi A.met zijn Stichting Babycare terrorisme heeft gefinancierd en dat hij heeft deelgenomen aan IS of Jabhat al-Nusra? Zo nee, waarom niet?
Laarbi A. werd onder meer ervan verdacht dat hij samen met zijn Stichting Babycare terrorisme heeft gefinancierd.
De twee verdachten in deze zaak zijn door de rechtbank Limburg vrijgesproken van het financieren van terrorisme en van deelname aan een terroristische organisatie. Het Openbaar Ministerie heeft via een persbericht medegedeeld hoger beroep te zullen instellen tegen deze uitspraak van de rechtbank Limburg.2
Deelt u de mening dat het op deze wijze steunen van IS iemand medeplichtig maakt aan alle vreselijke gruweldaden die IS heeft gepleegd? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet, ga ik niet in op specifieke gevallen. In zijn algemeenheid is er sprake van terrorismefinanciering als er sprake is van handelingen die tot doel hebben terroristische activiteiten direct dan wel indirect mogelijk te maken.
Terrorismefinanciering is evenwel breder dan financiële steun alleen. Het gaat om alle vormen van bijstand aan terroristische groeperingen of individuele personen met terroristisch oogmerk. Daarbij is niet de herkomst van het geld (of de op geld waardeerbare voorwerpen of middelen) relevant, maar het doel waarvoor het wordt gebruikt en door wie het wordt gebruikt.
Kunt u uitleggen waarom een Nederlandse rechter vindt dat het uitdelen van luiers en babymelk in een gebied, dat wordt gecontroleerd door IS of Jabhat al-Nusra, mogelijk moet zijn en waarom de aard van de uitgedeelde hulpgoederen wordt beschouwd als humanitaire hulp en niet als het financieren van terrorisme? Zo nee, waarom niet?
De rechtbank Limburg heeft geoordeeld dat in deze zaak de verdachten moeten worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. De overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen, staan in het vonnis. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om een rechterlijke uitspraak toe te lichten.
Deelt u de mening dat deze uitspraak van deze D66-rechters te schandalig voor woorden is en bent u bereid deze rechters bij de Hoge Raad aan te dragen voor ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van het ambt? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om een oordeel te geven over een uitspraak van een rechtbank. Het Openbaar Ministerie kan – als zij het niet eens is met de inhoud van een rechterlijke uitspraak – daartegen hoger beroep (en eventueel daarna cassatie) instellen. Er volgt dan een nieuwe behandeling van de zaak. Het is aan rechters in hoger beroep om een juridisch oordeel te vellen over de uitspraak van de rechtbank.
De inhoud van een rechterlijke uitspraak is geen reden voor ontslag van een rechter en zou dat nooit mogen zijn. In Nederland kennen we een onafhankelijke rechterlijke macht; dat betekent onder meer dat rechters niet worden gekozen en dat rechters niet kunnen worden ontslagen als de inhoud van hun uitspraak partijen of anderen onwelgevallig is. Daaraan zal ik niet tornen. Ik ben dan ook niet bereid om de wet te wijzigen.
Bent u bereid de wet te wijzigen zodat rechters in de toekomst makkelijker kunnen worden ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk een systeem van gekozen strafrechters in te voeren omdat dit zal leiden tot een rechtvaardigere samenleving en meer veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het feit dat geadopteerden op dit moment 835 euro moeten betalen voor het wijzigen van hun achternaam naar hun oorspronkelijke achternaam. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat geadopteerden nu in alle gevallen 835 euro moeten betalen aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid als zij na hun 18e verjaardag hun achternaam willen wijzigen naar hun oorspronkelijke achternaam (de achternaam die zij voor adoptie hadden)?1
Ja dat klopt.
Bent u het er mee eens dat het eigenlijk heel raar is dat iemand fors moet betalen om zijn of haar oorspronkelijke achternaam aan te kunnen nemen; zeker als in ogenschouw wordt genomen dat die persoon, vanwege de vaak zeer jonge leeftijd waarop adoptie plaatsvindt, geen enkele stem had in het wijzigen van de oorspronkelijke achternaam naar de nieuwe achternaam? Zo nee, waarom niet?
In gevallen waarin naamswijziging wordt gevraagd moeten leges worden betaald. Uitgangspunt daarbij is dat diensten van de overheid kostendekkend worden uitgevoerd. Het feit dat geadopteerden vanwege de veelal jonge leeftijd waarop de adoptie plaatsvond geen stem hebben gehad in het wijzigen van hun oorspronkelijke naam maakt dit niet anders. Ouders plegen immers keuzes voor hun kinderen te maken die kinderen zelf wellicht niet zouden hebben gemaakt. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de geslachtsnaam die ouders bij geboorte van hun biologische kinderen kiezen. Als het kind als meerderjarige de naamskeuze van de ouders wil herzien, kan dat maar ook dan moeten leges worden betaald. Ik zie vooralsnog geen reden in deze gevallen het uitgangspunt los te laten dat diensten van de overheid kostendekkend moeten worden uitgevoerd.
Bent u bereid nog eens heel goed te kijken naar de huidige kosten die verbonden zijn aan het wijzigen van de achternaam voor geadopteerden en daarbij serieus te overwegen het wijzigen van de achternaam naar de oorspronkelijke achternaam voor deze groep mensen gratis dan wel veel goedkoper te maken? Zo ja, per wanneer kunnen we hier actie op verwachten? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het uitgangspunt van kostendekkendheid worden de kosten van naamswijziging periodiek tegen het licht gehouden. Ook bekijkt Justis, de dienst die verzoeken om naamswijziging namens de Minister voor Rechtsbescherming beoordeelt, of de procedure efficiënter kan worden ingericht. Zo is vorig jaar de mogelijkheid geïntroduceerd om verzoeken om naamswijziging digitaal in te dienen. Dit heeft nog niet geleid tot een beperking van de kosten. Het proces van naamswijziging is een arbeidsintensief proces en moet met een hoge mate van zorgvuldigheid worden uitgevoerd. Zodra ik daartoe vanuit het perspectief van kostendekkendheid mogelijkheden zie, zal ik de leges aanpassen. Vooralsnog zijn die mogelijkheden er niet.
Klopt het dat bij een verzoek tot het wijzigen van de achternaam ook de mening van de adoptieouders wordt gevraagd? Zo ja, waarom is dat het geval? Bent u het er mee eens dat een geadopteerde te allen tijde zijn of haar achternaam zou moeten kunnen wijzigen naar zijn of haar oorspronkelijke achternaam, ongeacht wat de adoptieouders daar van vinden? Zo nee, waarom niet?
Het Besluit geslachtsnaamswijziging kent op dit moment geen specifieke bepaling die ziet op de situatie waarin iemand zijn oorspronkelijke geslachtsnaam terug wil nadat hij of zij geadopteerd is. Een geadopteerde (vanaf 18 jaar) kan op basis van de hardheidsclausule van artikel 7 van het Besluit zijn oorspronkelijke geslachtsnaam herkrijgen. Hoe de adoptieouders hierover denken is daarbij niet van belang, zij worden hier niet over gehoord.
Het artikel 'De 28-jarige Marjolein had spijt van de Laatste-Wil-pil. Justitie doet nu onderzoek naar haar zaak' |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De 28-jarige Marjolein had spijt van de Laatste-Wil-pil. Justitie doet nu onderzoek naar haar zaak»?1
Ja, dat artikel is mij bekend.
Kunt u een overzicht geven van de verschillende rechtszaken die er op dit moment lopen met betrekking tot de Coöperatie Laatste Wil (CLW) en aangeven wanneer de uitspraken van deze rechtszaken worden verwacht?
De CLW is een civiele procedure begonnen tegen de Staat over – kort gezegd – de rechtmatigheid van het verbod op hulp bij zelfdoding. Het is nog niet bekend wanneer de uitspraak in deze rechtszaak wordt verwacht. Voor zover mij bekend zijn er op dit moment verder geen rechtszaken waarbij de CLW partij is.
Wat vindt u ervan dat er opnieuw sprake van is dat een jonge vrouw met psychische klachten en suïcidale neigingen haar leven heeft beëindigd met een illegaal verkregen zelfdodingsmiddel (zie ook de casus van de toen 19-jarige Ximena)?
Het bericht in de Volkskrant dat deze jonge vrouw met psychische klachten en suïcidale neigingen een dodelijk chemisch middel innam om haar leven te beëindigen, na haar daad daarvan spijt kreeg en door haar ingeroepen hulp niet meer mocht baten, vind ik afschuwelijk en uitermate tragisch. Er is aangifte gedaan tegen de Coöperatie Laatste Wil wegens hulp bij zelfdoding. Over het strafrechtelijk onderzoek dat door de officier van justitie van het parket Den Haag is gestart kan ik echter vanwege het belang van het onderzoek verder geen mededelingen doen.
Bent u het ermee eens dat mensen met psychische klachten en/of suïcidale neigingen te allen tijde moeten kunnen rekenen op goede, passende zorg? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel uw mening dat mensen met psychische klachten en/of suïcidale
neigingen moeten kunnen rekenen op goede, passende zorg. Het is de plicht van de overheid kwetsbare mensen te beschermen. De meeste mensen vinden tijdig de zorg die zij nodig hebben. Helaas moeten mensen met sommige (complexe) psychische aandoeningen (te) lang daarop wachten. Op 26 mei jl. is de discussienota Zorglandschap ggz gemaakt. De discussienota zorglandschap ggz schetst beleidsopties voor een toekomstbestendige ggz. De afgelopen maanden is gesproken met een groot aantal mensen dat op uiteenlopende manieren betrokken is bij de ggz zoals behandelaren, cliënten en naasten, wetenschappers en onderzoekers. De beleidsopties die naar aanleiding daarvan zijn opgesteld moeten nader worden bediscussieerd, uitgewerkt en onderbouwd. Dit kan zeker helpen bij het bieden van goede, passende zorg in de toekomst. Besluitvorming is uiteraard aan een nieuw kabinet.
Klopt het dat mensen met psychische klachten en/of suïcidale neigingen door vrijwilligers van CLW via huiskamerbijeenkomsten op een laagdrempelige manier informatie wordt verschaft over het verkrijgen en gebruik van zelfdodingsmiddelen? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ik kan mij alleen baseren op hetgeen op de website van de CLW staat en daarop wordt over huiskamerbijeenkomsten het volgende vermeld: «De groepsgrootte is niet beperkt. De richtlijn is vijf of zes personen. Alle leden van de CLW zijn welkom, eventueel met introducé.»
Het zou kunnen dat ook (jonge) mensen met psychische klachten en/of suïcidale neigingen de huiskamerbijeenkomsten bezoeken.
Ik vind het onwenselijk dat middel X in omloop is en dat mensen in anonimiteit en zonder begeleiding van een arts of andere professional deze fatale stap kunnen zetten. Mijn beleid is er daarom op gericht om een drempel op te werpen in de beschikbaarheid voor consumenten van bepaalde stoffen. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van 3 september 2018.2
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen met suïcidale neigingen en/of psychische klachten worden doorverwezen naar de juiste psychische hulpverleningsinstanties?
Sinds 2014 bestaat de landelijke agenda suïcidepreventie, met doelstellingen en activiteiten voor meerdere jaren, met als doel om samen met partners binnen en buiten de zorg te werken aan minder suïcidepogingen en suïcides. In de derde landelijke agenda (2021–2025) is één van de doelstellingen het opleiden, bijscholen en toerusten van professionals. Veel professionals binnen en buiten de zorg komen in aanraking met suïcide(pogingen), maar kampen met handelingsverlegenheid op dit onderwerp. Het is daarom belangrijk om professionals hierin (beter) toe te rusten. Daarom wordt samen
met opleidingsinstituten en beroepsgroepen ingezet op het ontwikkelen
van (e-)modules en trainingsmateriaal voor (zorg)professionals en het inbedden van deze modules in opleidingsprogramma’s.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat nog meer mensen met psychische klachten en/of suïcidale neigingen op laagdrempelige wijze informatie kunnen krijgen over het verkrijgen en gebruik van zelfdodingsmiddelen? Hoe ziet u dit in het kader van de in 2018 gemaakte afspraken in het convenant met de chemische industrie?
Het Ministerie van VWS probeert zo veel als mogelijk is de chemische stofnaam van stof «X» geheim te houden. De stof wordt ook in onderlinge communicatie tussen VWS en anderen bij voorkeur niet bij naam genoemd. Ook de partijen die deelnemen aan de in 2018 opgestelde code proberen de aandacht voor de stof zo klein mogelijk te houden. Daarnaast probeert de industrie en de gespecialiseerde handel in chemische producten de verkoop van de stof aan consumenten zoveel mogelijk te beperken. In verband met een eventuele zoektocht naar alternatieve routes ga ik hier niet verder in op de methoden die hiervoor gebruikt worden. Tegelijkertijd valt er voor het Ministerie van VWS weinig te doen aan de openbare informatie die via allerlei routes toegankelijk is. Handel in de stof is niet volledig te verbieden.
Is er contact tussen het Ministerie van VWS en CLW over de wens van CLW om zelfdodingsmiddelen te legaliseren en/of is er naar aanleiding van deze casus contact met CLW geweest?
De CLW heeft aangegeven met het Ministerie van VWS (opnieuw) in gesprek te willen over een zogenaamde «proeftuin», waarbinnen de werkwijze van de CLW rondom het dodelijk poeder kan worden getest zonder straf- of tuchtrechtelijke gevolgen. Dit verzoek is door het ministerie afgewezen vanwege de demissionaire status van het kabinet én de beleidslijn (code met veldpartijen) van het huidige kabinet dat het onwenselijk is dat bepaalde stoffen die geschikt zijn voor suïcide gemakkelijk voor particulieren beschikbaar zijn.
Naar aanleiding van de casus van de 28-jarige Marjolein heeft het Ministerie van VWS contact gehad met de CLW.
Het bericht ‘Onvoldoende steun voor gedragscode conversietherapie’ |
|
Jeanet van der Laan (D66), Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onvoldoende steun voor gedragscode conversietherapie»?1
Ja.
Hoe kan het dat het initiatief om tot een gezamenlijke gedragscode te komen die duidelijk maakt wat goede geestelijke zorg is voor LHBTI-personen, is mislukt?
Het is mijn inziens te vroeg om van een mislukking te spreken. In afstemming met de Minister van VWS heb ik vorig jaar het Humanistisch Verbond aangezocht om samen met de geloofskoepels tot een gedragscode te komen. Het CIO en het CMO hebben aangegeven hier niet aan mee te willen werken. Het Humanistisch Verbond heeft mij verzocht om de regie weer naar mij toe te trekken, wat ik ook zal doen.
Wat is uw reactie op het feit dat het initiatief om tot een gezamenlijke gedragscode is mislukt? En wat is uw reactie op het feit dat er dus onvoldoende steun is onder religieuze koepels om af te spreken dat er voor conversietherapie geen plaats is bij deze geestelijke koepels?
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2. Ik acht het te vroeg om te kunnen concluderen dat religieuze koepels niet willen afspreken dat er bij die koepels geen plaats is voor homoconversie praktijken.
Waarop baseerde u de veronderstelling dat partijen hebben aangegeven, het belang van een dergelijke code te onderschrijven en zich in te willen zetten voor het expliciteren van een breed gedragen norm, aangegeven in de beleidsreactie op het rapport «Voor de Verandering»?2 Wat is er in de tussentijd veranderd?
Die veronderstelling baseerde ik op het gegeven dat in het onderzoek «Voor de verandering» bevestigd wordt dat de meeste gelovigen positief tegenover lhbti-ers staan en afwijzend tegenover pogingen om iemand seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen. Dit is onveranderd.
Op welke manier heeft u zich de afgelopen tijd ingezet om het onderwerp onder de aandacht te brengen van de verschillende koepelorganisaties van geloofsgemeenschappen? Waarom heeft dit niet het gewenste resultaat opgeleverd?
Om een beter begrip te krijgen van de gedragscode en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, heb ik mij eerder deze maand door het Humanistisch Verbond, dat als opdrachtnemer fungeerde om samen met de geloofskoepels tot een dergelijk document te komen, laten informeren. Mede naar aanleiding van dat gesprek overleg ik deze maand nog met het CIO. Op ambtelijk niveau is in de afgelopen maanden op verschillende momenten met het Humanistisch Verbond en het CIO over dit onderwerp contact onderhouden.
Op welke manier gaat u alsnog religieuze gemeenschappen aansporen om zich uit te spreken tegen conversietherapieën van LHBTI-personen?
Mijn intentie is om geloofskoepels ervan te overtuigen dat een door de geloofsgemeenschappen onderschreven gedragscode kan bijdragen aan het verder uitbannen van homoconversie praktijken.
Deelt u de constatering van het Humanistisch Verbond dat door het uitblijven van een gedragscode, enkel een wettelijk verbod op conversietherapie een fundamenteel signaal kan afgeven dat daarvoor in Nederland geen plek is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het van groot belang dat inspanningen om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen effectief worden voorkomen en tegengegaan. Bij de vraag hoe dit het beste vorm kan krijgen gaat het om een zorgvuldige afweging, waarin de rechten van LHBTI-personen en grondrechten centraal staan en waarin onderzocht wordt wat nodig is voor een effectieve bestrijding, zoals is uiteengezet in de beleidsreactie op het onderzoek «Voor de verandering»3. Om die reden zal het kabinet een brede, maar gerichte verkenning uitvoeren naar mogelijke, effectieve nadere maatregelen, waaronder wet- en regelgeving. In deze verkenning wordt eveneens de optie voor enige vorm van een wettelijk verbod meegenomen. Op grond van de uitkomsten van die verkenning kan een weloverwogen keuze worden gemaakt voor de wijze waarop homoconversiepraktijken het meest succesvol kunnen worden voorkomen en tegengegaan.
Het bericht 'Pride optocht Georgië afgeblazen na bestorming LHBTI-kantoor' |
|
Hatte van der Woude (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pride optocht Georgië afgeblazen na bestorming LHBTI-kantoor»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het geweld, het vandalisme, en de bedreigingen waarvan deelnemers aan de Pride optocht, organisatoren en journalisten in Tbilisi slachtoffer zijn geworden?
Ik veroordeel dit geweld. Dit is ook uitgesproken in de gezamenlijke verklaring die in de middag van 5 juli is uitgegaan van een aantal ambassades en internationale vertegenwoordigingen in Georgië, waaronder de VN, VS, EU Delegatie en een aantal landen waaronder Nederland. In deze verklaring werden de Georgische leiders en de politie opgeroepen om snel te handelen om allen te beschermen die van hun grondwettelijke rechten gebruik wilden maken om samen te komen en om journalisten te beschermen die vrijheid van pers uitoefenen. Ook werden de autoriteiten in deze verklaring opgeroepen om geweld publiekelijk te veroordelen.
Hoe beoordeelt u deze verklaring van Tblisi Pride: «De autoriteiten hebben de veiligheid van de gemeenschap en onze supporters niet gewaarborgd. We kunnen niet straten vol gewelddadige mensen op gaan, die gesteund worden door de autoriteiten en het patriarchaat, en zo mensenlevens in gevaar brengen»?2 Hebben de autoriteiten vooraf en tijdens de gewelddadigheden voldoende gedaan om de veiligheid van deelnemers en journalisten te beschermen?
Ik deel de inschatting van Tbilisi Pride dat deelnemers aan de Pride vanwege de gewelddadigheden op 5 juli te grote veiligheidsrisico’s liepen en dat de Pride organisatie daarom niet anders kon dan de «March of Dignity» afgelasten.
Twee eerdere evenementen in het kader van Tbilisi «Pride Week» konden onder beveiliging van de politie plaatsvinden: een filmvertoning (op 1 juli in een nachtclub in het centrum) en het muziekfestival «Queer Fest» (op 3 juli, op een open locatie buiten het centrum). Voor dit «Queer Fest» leverde de ambassade een financiële bijdrage. Aan beide evenementen werd deelgenomen door de Nederlandse ambassadeur.
Volgens het Georgische Ministerie van Binnenlandse Zaken zijn op 5 juli 3.200 politieagenten ingezet, verspreid over verschillende locaties. Deze inzet is niet voldoende geweest om de veiligheid van deelnemers en journalisten te beschermen, getuige de bestorming van het Pride kantoor, de agressie richting andere kantoren en het geweld tegen de deelnemers en journalisten. Op 11 juli overleed cameraman Lekso Lashkarava, een van de journalisten die bij de gewelddadigheden op 5 juli was aangevallen.
Het is dan ook van belang dat de Georgische overheid grondig onderzoek doet naar de gewelddadigheden, vanuit de verantwoordelijkheid van de autoriteiten om de vrijheid van meningsuiting, vereniging en media te beschermen, evenals de rechten van LHBTI. Het is daarbij cruciaal dat de Georgische overheid niet alleen strafrechtelijk onderzoek doet naar misdrijven die op de dag zelf zijn gepleegd (dit onderzoek is gestart), maar ook strafrechtelijk onderzoek naar de organisatoren van gewelddadige tegendemonstraties en naar uitingen van hate speech en bedreigingen.
Op welke manier heeft Nederland aangedrongen bij de autoriteiten in Georgië om de Pride-optocht adequaat te beschermen? Op welke niveaus heeft Nederland contact gezocht met Georgië om de veiligheidsrisico’s en de uit de hand gelopen situatie in Tblisi aan te kaarten? Wat hebben deze gesprekken opgeleverd?
Op 30 juni heeft de Nederlandse ambassadeur samen met andere ambassadeurs en diplomatieke vertegenwoordigers de Minister van Binnenlandse Zaken in een gezamenlijke demarche opgeroepen om de veiligheid van alle Pride evenementen te waarborgen, inclusief de mars op 5 juli. Daarbij onderstreepte Nederland het belang van een geslaagde Pride in het kader van vrijheid van vereniging en meningsuiting, onder bescherming van de staat, inclusief bescherming van LHBTI-rechten als universele mensenrechten. De Minister gaf aan dat de politie de veiligheid van een mars op 5 juli in een open ruimte in het centrum niet kon waarborgen.
Eveneens op 30 juni riepen de ambassades en vertegenwoordigingen van de VN, VS, EU Delegatie, Nederland en andere landen de Georgische autoriteiten in een publieke verklaring op om de vrijheid van vereniging en meningsuiting tijdens «Pride Week» te beschermen en om alle evenementen mogelijk te maken zonder dat deelnemers moesten vrezen voor haat en geweld.
Op 1 juli gaf het Ministerie van Binnenlandse Zaken een verklaring uit waarin het ministerie aangaf voor adequate veiligheidsmaatregelen te zorgen bij het evenement later die dag (de filmvertoning) en daartoe in contact te staan met de organisatoren van het evenement
Op 4 juli, aan de vooravond van de geplande mars, heeft de Nederlandse ambassadeur op niveau viceminister opnieuw om bescherming voor de Pride mars en de deelnemers gevraagd.
Was de Nederlandse ambassadeur voornemens om deel te nemen aan de Pride-optocht? Wat waren hierbij de belangrijkste overwegingen?
Ja. Hiermee wilde de Nederlandse ambassadeur solidariteit tonen met de LHBTI-gemeenschap in Georgië en het belang onderstrepen dat iedereen vrij en zonder vrees gebruik moet kunnen maken van het recht op vereniging en meningsuiting, zoals in de Grondwet van Georgië is verankerd. Toen de gewelddadigheden op 5 juli uitbraken is na een zorgvuldige afweging besloten om om veiligheidsredenen af te zien van deelname, en zag ook de Pride organisatie zich genoodzaakt om de mars af te gelasten.
Hoe heeft Nederland zich ingezet om tijdens de gewelddadigheden de slachtoffers een veilige plek te bieden?
Tijdens de gewelddadigheden op 5 juli heeft de Nederlandse ambassadeur bij de autoriteiten op niveau viceminister zorgen geuit over de veiligheid van de Pride organisatoren en gevraagd om hen bescherming te bieden. In reactie werd aangegeven dat de politie zijn uiterste best deed om op gewelddadigheden te reageren of te voorkomen.
In de middag van 5 juli riep een aantal ambassades, waaronder Nederland, de Georgische leiders en de politie in een publieke verklaring op om snel te handelen om iedereen te beschermen en om geweld publiekelijk te veroordelen.
Op 6 juli is de Pride organisatie een crowdfunding begonnen om transport te kunnen huren, waarmee Pride-medewerkers zich veilig kunnen verplaatsen zonder van openbaar vervoer gebruik te hoeven maken. De ambassade heeft in contact met Pride aangegeven dat zij hiervoor ook het noodfonds kunnen inzetten, dat deel uitmaakt van het project waarmee de ambassade Tbilisi Pride als organisatie uit het Mensenrechtenfonds ondersteunt.
Wat gaat Nederland in de toekomst doen om eraan bij te dragen dat de Pride in Georgië veilig kan plaatsvinden?
Nederland blijft deelnemen aan overleg met andere ambassades, internationale organisaties en de LHBTI-gemeenschap inclusief Pride om te bepalen hoe het beste kan worden bijgedragen dat Pride in Georgië veilig kan plaatsvinden en hoe kan worden bijgedragen aan het vergroten van tolerantie en bevordering van gelijke rechten voor LHBTI in Georgië, zoals we ook in andere landen doen
Nederland zal bilateraal en in EU-verband blijven aandringen op onderzoek door de Georgische autoriteiten naar de gewelddadigheden op 5 juli. Ook zal Nederland via diverse kanalen de autoriteiten blijven oproepen om zich in te zetten voor een veilige Pride.
In de jaarlijkse EU-Georgië mensenrechtendialoog op 6 juli jl., heeft de EU grote zorgen geuit over de gebeurtenissen van 5 juli. In de gezamenlijke persverklaring veroordeelden de EU en Georgië de onaanvaardbare aanvallen tegen activisten en media, die hebben geleid tot afgelasting van de mars. Georgië bevestigde dat het onderzoek naar de gewelddadigheden is gestart. Ook werd gesproken over het belang om hate speech aan te pakken, evenals oproepen tot haat en intolerantie.
Op 15 juli richtten de EU ambassadeurs in Georgië inclusief Nederland zich in een open brief tot de Minister van Binnenlandse Zaken, kopie aan de premier en aan de Ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken, waarin zij hun zorgen uitten over het geweld op 5 juli en betreurden dat de autoriteiten niet publiekelijk hadden opgeroepen om Pride te beschermen, andere noodzakelijke maatregelen hadden genomen om hate speech te voorkomen en uiteindelijk onvoldoende bescherming hadden geboden. Ook werd in deze brief opgeroepen tot onderzoek naar de gewelddadigheden en tot handhaving van de rechtsstaat, inclusief het voorkomen van oproepen tot haat en intolerantie.
Nederland blijft zich ook in bredere zin inzetten voor de bevordering van gelijke rechten en bescherming van LHBTI in Georgië. Uit het Mensenrechtenfonds worden in Tbilisi verschillende LHBTI-organisaties inclusief Tbilisi Pride ondersteund. Hiermee worden activiteiten uitgevoerd, die zijn gericht op capaciteitsopbouw, grotere acceptatie in de samenleving, betere bescherming (o.a. juridische bijstand), meer begrip voor LHBT in onderwijs, gezondheidszorg, media en politiek.
Het Ministerie van OCW verleent financiële steun aan ILGA Europe om ook in landen buiten de EU LHBTI-organisaties te helpen in capaciteitsopbouw.
Ontbossing voor biodiesel uit palm en soja. |
|
Barry Madlener (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «10 Years Of EU’s Failed Biofuels Policy Has Wiped Out Forests The Size Of The Netherlands – Study»?1
Ja.
Deelt u de onderzoeksresultaten, waarin gesteld wordt dat de productie van biodiesel uit palmolie en soja gezorgd heeft voor het kappen van bossen ter grootte van een land als Nederland? Zo nee, waarom niet?
Alle ingezette grondstoffen voor biobrandstoffen in Nederland en Europa moeten voldoen aan strenge duurzaamheids- en reductiecriteria. Als deze hier aan voldoen dan is de klimaatwinst helder. Toch is het terecht dat de onderzoekers kritisch zijn vanwege het ontbossingsrisico gerelateerd aan het gebruik van palm- en sojaolie voor biobrandstoffen. Zowel in Nederland als in Europa zijn wij ons bewust van dit risico. In Nederland is het daarom al jaren de praktijk, die ook is vastgelegd in ons nationale klimaatakkoord en bestendigd in de recent door de Kamers aangenomen Wet milieubeheer3, om deze beide gewassen niet te gebruiken als biobrandstoffen. Het kabinet wil voedsel- en voedergewassen sowieso zo min mogelijk gebruiken voor biobrandstoffen. Dit past binnen de doelstelling van het kabinet om biomassa zo hoogwaardig mogelijk in te zetten en ook bij het ontwikkelen van de circulaire economie.
Specifiek voor biodiesel geldt dat deze duurzame brandstof in Nederland uitsluitend geproduceerd wordt uit afvalstoffen en residuen, zoals de jaarlijkse rapportage van de Nederlandse Emissieautoriteit ook laat zien4. Dergelijke grondstoffen hebben geen impact op landgebruik en negatieve effecten zoals ontbossing. Deze aanpak is daarmee niet tegenstrijdig aan beleid om wereldwijd meer bos te realiseren. Deze afvalstoffen halen tot wel 80% CO2-reducties in de keten ten opzichte van fossiele energie. De klimaatwinst is daarmee helder. Het totaal verbieden van biodiesel is daarmee geen effectief middel in de opgave om CO2 te reduceren.
EU-breed geldt dat gewassen met een hoog-ILUC risico (op het moment alleen palmolie) vanaf 2023 worden uitgefaseerd naar nul in 2030 en dat geen groei is toegestaan ten opzichte van het gebruik in 2019. Conform de motie van de leden Kroger en Lacin5 neemt het kabinet bij de actualisering van de wetenschappelijke data waarop het ILUC-risico van grondstoffen wordt bepaald een proactieve rol op zich door onder andere zijn kennis op dit domein te delen. Conform de motie van het lid Schonis6 spant het kabinet zich daarbij in om ook sojaolie aan te laten merken als een grondstof met een hoog-ILUC risico. Ook in Europees verband wordt in toenemende mate ingezet op de productie van biobrandstoffen uit afvalstoffen en residuen.
Bent u het eens met de stelling dat we per direct moeten stoppen met biodiesel, gezien het feit dat ontbossing en habitatverlies het vervangen van gewone diesel niet rechtvaardigen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u het antwoord op eerdere Kamervragen herinneren, waarin staat «dat het van groot belang is dat er in Nederland en wereldwijd meer bos kan groeien»?2 Deelt u de conclusie dat dat haaks staat op het biodieselbeleid, waarmee wordt bijgedragen aan de rampzalige kaalkap van bossen? Wilt u deze vernietigende klimaatfarce werkelijk op uw geweten hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u biodiesel in Nederland verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Beseft u dat uw klimaatbeleid het klimaat niet ten goede komt, sterker nog: de natuur vernietigt? Zo nee, waarom niet?
De duurzaamheidscriteria van de Europese Richtlijn hernieuwbare energie (RED) zijn leidend voor de toepassing van biobrandstoffen. Ook in het nationale Duurzaamheidskader Biogrondstoffen, die het advies van de SER overneemt, zijn deze criteria leidend bij de toepassing van biogrondstoffen. Deze criteria, zoals «mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen verkregen van land met een hoge biodiversiteitswaarde», dienen ongewenste effecten zoals door uw fractie geschetst te voorkomen. Alleen biobrandstof die aantoonbaar voldoet aan de criteria mag worden ingezet. Nationaal en Europees span ik mij in om deze criteria te blijven borgen en kwetsbaarheden te voorkomen, bijvoorbeeld via de ketenanalyse biodiesel7 en de joint statement8 over toezicht en transparantie.
Hoeveel bossen moeten nog sneuvelen voor uw klimaatwaanzin?
Zie antwoord vraag 6.
De subsidie Verduurzaming en Verbetering voor gedupeerden in Groningen, die binnen 5 dagen op is. |
|
Sandra Beckerman (SP), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u er van op de hoogte dat het budget van dit jaar voor de subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen binnen vijf dagen op is?1 Wat is hier op uw reactie?
Ja, hiervan ben ik op de hoogte. Het is een goed teken dat veel eigenaren gebruik maken van de subsidieregeling die wordt uitgevoerd door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN). De regeling heeft voor particuliere eigenaren die binnen het aardbevingsgebied wonen, maar wiens gebouw niet in het versterkingsprogramma is opgenomen (Blok E1), vijf dagen opengestaan voor het subsidieplafond voor dit jaar is bereikt. Dit jaar was € 75 mln. beschikbaar, waar door meer dan 8.100 eigenaren een aanvraag hebben ingediend. Eigenaren die dit jaar nog geen aanvraag hebben ingediend, kunnen in de volgende ronde hun aanvraag indienen. Dit jaar was er € 75 mln. beschikbaar, volgend jaar is € 150 mln. beschikbaar en in 2023 nogmaals € 75 mln. Er is in overleg met maatschappelijke organisaties voor gekozen om de subsidie over drie jaar verspreid open te stellen om eigenaren, die nu nog niet weten welke maatregelen zij aan hun huis willen treffen, ook in de volgende jaren de mogelijkheid te bieden de subsidie aan te vragen. Daarnaast heeft de gefaseerde openstelling ook tot doel om de uitvoeringscapaciteit van aannemers, installateurs en andere uitvoerders over de jaren te verspreiden. Hiermee wordt ook voorkomen dat er mogelijk een prijsopdrijvend effect ontstaat door de sterke vraag in een bepaald jaar.
Deelt u de mening dat iedereen recht heeft op hetzelfde bedrag en het een domme keus is onvoldoende budget beschikbaar te stellen? Bent u bereid het budget te verhogen uit de algemene middelen zodat alle rechthebbenden aanspraak kunnen maken op de regeling?
De subsidie voor woningverbetering is onderdeel van de bestuurlijke afspraken die door Rijk en Regio zijn gemaakt op 6 november 2020. Naast de subsidie voor eigenaren die in het versterkingsprogramma zitten, is afgesproken dat het Rijk € 300 mln. beschikbaar stelt voor particuliere eigenaren wiens gebouw niet in het versterkingsprogramma is opgenomen maar die wel in het aardbevingsgebied wonen. Dit om een kwaliteitsimpuls te geven aan de woningvoorraad in het aardbevingsgebied. Voor deze particuliere eigenaren was het niet altijd duidelijk of hun huis nog in het versterkingsprogramma van NCG opgenomen zou worden. Eigenaren hebben daardoor mogelijk onderhoud en verbeteringen uitgesteld. Deze subsidie- vormgegeven in overleg met de Regio- is bedoeld om eigenaren in staat te stellen achterstallig onderhoud te verrichten en hun woning te verbeteren. Deze tegemoetkoming is niet, zoals u stelt, iets waar alle eigenaren «recht op hebben» zoals bij vergoeden voor schade door waardedaling of fysieke schade het geval is. Het komt eigenaren tegemoet en stimuleert hen om verbeteringen aan hun gebouw te plegen om het wooncomfort te verhogen. De subsidie is dan ook niet vrijblijvend, de eigenaar moet een prijsopgave indienen bij de aanvraag en vervolgend deze investeringen plegen. Daarnaast kan, met nog twee rondes te gaan, nog geen inschatting gemaakt worden over de uitputting van het budget.
Hoeveel woningen in het aangewezen gebied komen in aanmerking voor de Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000? Hoeveel woningen in het aangewezen gebied komen in aanmerking voor de Subsidie Verduurzaming Groningen – € 10.000? Hoeveel woningen in het aangewezen gebied komen in aanmerking voor de Subsidie Verduurzaming Groningen – € 17.000?
Alle eigenaren die in het versterkingsprogramma zijn opgenomen, kunnen een subsidie aanvragen (Kamerstuk 33 529, nr. 830). Eigenaren in Blok A komen in aanmerking voor een subsidie tot € 7.000 om hun gebouw te verduurzamen. In totaal zitten in Blok A circa 13.500 adressen, waarvan 11.700 in aanmerking komen voor subsidie2. In de bestuurlijke afspraken is opgenomen dat eigenaren van wie het gebouw op oude inzichten is beoordeeld en waarvan de uitvoering van de versterkingswerkzaamheden nog niet is gestart, een nieuwe beoordeling op nieuwe inzichten kunnen aanvragen. Daarvoor kunnen zij naast een tegemoetkoming van € 13.000 die vrij te besteden is, in plaats van de € 7.00 subsidie voor verduurzaming, € 17.000 aanvragen voor de woningverbeteringssubsidie. Aangezien dit een keuze van eigenaren is, is nog niet op voorhand te zeggen hoeveel eigenaren hiervoor zullen kiezen. Daarnaast kunnen eigenaren van wie het gebouw op norm is op basis van oude inzichten, in plaats van € 7.000 verduurzamingssubsidie, een aanvraag doen voor € 17.000 woningverbeteringssubsidie. Aangezien nog niet alle beoordelingen beschikbaar zijn, is dit aantal nog niet in te schatten.
Eigenaren in Blok C kunnen een subsidie van € 17.000 aanvragen om hun gebouw te verbeteren. Dit geldt voor circa 9.000 adressen. Daarnaast zijn er circa 4.000 adressen door de aardbevingsgemeenten geselecteerd, die een soortgelijke subsidie ontvangen (Blok B). Hiervoor stellen de gemeenten momenteel een subsidieregeling op.
Zoals benoemd, is voor Blok E1 in totaal € 300 mln. beschikbaar. Daarbij kan per adres een maximale subsidie van € 10.000 worden aangevraagd. Indien elke aanvrager het maximale bedrag aanvraagt, kunnen hier 30.000 eigenaren van gebruik maken. De eerste ronde leert echter dat niet iedereen het volledige bedrag aanvraagt. Voor de eerste € 75 miljoen zijn door meer dan 8.100 eigenaren een aanvraag ingediend. Ingeschat wordt dat er circa 53.000 gebouwen met woonbestemming onder de voorwaarden voor de subsidie voor Blok E1 vallen.
Hoeveel woningen staan er totaal in het aangewezen gebied? Hoeveel woningen, binnen het gebied, komen niet voor genoemde regelingen in aanmerking en waarom niet?
In de beantwoording van deze vraag richt ik me met name op de groep particuliere eigenaren in Blok E1. Dit omdat eigenaren van wie het gebouw in het versterkingsprogramma is opgenomen, de genoemde subsidie kunnen aanvragen. Eigenaren in Blok E komen in aanmerking voor de betreffende subsidie, mits hier voldoende budget voor beschikbaar is. In gezamenlijkheid met de regionale bestuurders zijn na de bestuurlijke afspraken de randvoorwaarden verder uitgewerkt die aangeven welke eigenaren de subsidie kunnen aanvragen. Dat zijn particuliere eigenaren met een gebouw in de postcodes waar de waardedalingsregeling van IMG geldt, aangevuld met de postcodes 9679, 9681 en 9682 in de gemeente Oldambt, omdat in deze postcodes ook andere adressen in het versterkingsprogramma zijn opgenomen. Daarnaast is bepaald dat alleen particuliere eigenaren een aanvraag kunnen doen en dat gebouwen die vanaf 2016 zijn gebouwd, uitgezonderd zijn van de regeling. Voor deze laatste voorwaarde is om twee redenen gekozen. De eerste reden is dat nieuwe gebouwen de eerste 5–10 jaar nagenoeg geen grootschalig onderhoud nodig hebben, en zodoende ook minder (achterstallig) onderhoud kennen. De tweede reden is dat sinds april 2014 eigenaren een bijdrage kunnen ontvangen voor de meerkosten van aardbevingsbestendige nieuwbouw via de nieuwbouwregeling. Omdat eigenaren de regeling pas echt hebben kunnen toepassen in het ontwerpen van hun huis, wordt zodoende als begindatum 1 januari 2016 opgenomen in de regeling. Voor deze eigenaren is er geen noodzaak om eventueel onderhoud uit te stellen aangezien zij via de nieuwbouwregeling al aanspraak hebben kunnen maken op aardbevingsbestendige maatregelen aan hun nieuwgebouwde woning. Dit geldt voor ongeveer 8.500 eigenaren.
Tevens is woningcorporatiebezit (circa 22.000 adressen) uitgesloten van deze regeling omdat met de woningcorporaties separate afspraken zijn gemaakt over een tegemoetkoming voor onderhoud en verduurzaming van hun bezit. Zoals beantwoord in vraag 3, wordt ingeschat dat circa 53.000 gebouwen onder deze voorwaarden vallen.
Kan overzichtelijk worden weergegeven: Hoeveel regelingen zijn er in totaal voor Groninger gedupeerden ter compensatie of als subsidie inmiddels in het leven geroepen? Welke zijn dat precies? In welke gemeente en/of postcodegebied gelden ze? Hoeveel mensen komen er in aanmerking voor iedere regeling? Hoeveel Groningers hebben van al die regelingen gebruik gemaakt? Hoeveel dus niet? Hoeveel geld is er voor elke regeling gereserveerd? Is dat voldoende gebleken?
Bij de beantwoording van deze vragen is een overzicht opgenomen (bijlage 1)3 van de regelingen, subsidies en schadevergoedingen die zich primair richten op bewoners en gerelateerd zijn aan de gaswinningsproblematiek. Daarnaast zijn (in bijlage 2)4 alle regelingen en subsidies opgenomen die ter compensatie volledig vanuit het Rijk zijn opgesteld. Hierbij wordt ingegaan op de financiële aspecten, het doelbereik en de beschikbare budgetten. Verschillende regelingen voor schadevergoeding door het IMG en subsidies voor de uitvoering van de versterkingsoperatie zijn hierin zodoende niet opgenomen. Deze worden achteraf verhaald op de NAM.
Wanneer de uitgaveplafonds van alle vergoedings- en subsidieregelingen zijn bereikt, wat is dan het vervolg? Worden tekorten vanuit andere regelingen binnen het bestuursakkoord gehaald? Of wordt er dan geld buiten het akkoord beschikbaar gesteld?
Voor de eigenaren waarvan hun gebouw onderdeel uitmaakt van het versterkingsprogramma (Blok A en C), geldt dat per adres het gehele subsidiebedrag kan worden aangevraagd. Op basis van inschattingen van het aantal eigenaren dat een aanvraag zou kunnen indienen, is een subsidieplafond opgenomen van € 266 miljoen. Mocht dit budget niet toereikend zijn, bijvoorbeeld als meer eigenaren een herbeoordeling aanvragen dan in eerste instantie ingeschat was, dan zal wijziging van het subsidieplafond geschieden door middel van publicatie van een wijziging van deze regeling in de Staatscourant. Zoals eerder geschetst, geldt dit niet voor Blok E1, daarvoor is in totaal maximaal € 300 mln. beschikbaar. In het overzicht zijn de andere regelingen opgenomen, waarbij is aangegeven in hoeverre hiervoor een uitgaveplafond geldt.
Wanneer er gekeken wordt naar groep E1, uit het bericht, is dan de beschikbare € 300 miljoen genoeg voor iedereen uit die groep? Zo nee, wat gebeurt er met degenen die te laat zijn? Waarom is er voor gekozen om jaarlijks een bepaald bedrag beschikbaar te stellen?
Zoals beantwoord bij vraag 3 en 4 zal – indien elke aanvrager het maximale bedrag aanvraagt – niet iedereen binnen de doelgroep gebruik kunnen maken van de subsidie. Mocht een eigenaar nu nog geen aanvraag hebben ingediend, kan hij of zij daar volgend jaar een aanvraag voor doen. In het antwoord op vraag 1 is benoemd waarom ervoor is gekozen, om de subsidie over drie jaar verspreid open te stellen.
Begrijpt u Groningers die het aanvragen van deze subsidie als «wedstrijdje» ervaren? Denkt u dat dat bijdraagt aan herstel van vertrouwen? En aan het verbeteren van de gezondheid? Wilt u uw antwoord toelichten?
De duiding van deze subsidie als zijnde een «wedstrijdje» herken ik niet. Het karakter en de beoogde doelstelling van de subsidieregeling heb ik in de beantwoording van de tweede vraag geschetst. Met de subsidieregeling kunnen eigenaren hun gebouw verduurzamen, achterstallig onderhoud aanpakken of bijvoorbeeld een nieuwe keuken plaatsten. Ik begrijp dat dit voor eigenaren aantrekkelijk is, waardoor veel eigenaren gebruik willen maken van de subsidie. De regeling is voor iedereen gelijk. De volgende ronde wordt wederom voor alle eigenaren die nog niet de gehele € 10.000 subsidie hebben ontvangen, geopend. Iedereen heeft evenveel kans om een aanvraag voor de subsidie in te dienen. Het aanvraagproces is zo makkelijk mogelijk gemaakt waarbij minimale vereisten zijn opgesteld. Zo hoeven aanvragers alleen een prijsopgave te doen voor wat zij met de subsidie voornemens zijn te doen. Voor de volgende rondes hebben eigenaren voldoende tijd om hun aanvraag voor te bereiden. Daarnaast zijn bewoners via verschillende kanalen geïnformeerd over het bestaan en de toepassing van de regeling. Ook kunnen eigenaren advies krijgen over de mogelijke besteding van de subsidie van het Energieloket Groningen.
Deelt u de mening dat ook deze regeling weer leidt tot nog meer verdeeldheid in de samenleving? En tot meer stress? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie de beantwoording op vraag 8.
Zijn mensen die al jaren in de ellende zitten, allen in staat om op tijd deze subsidie aan te vragen? Zijn mensen zonder computer, in staat om dit op tijd aan te vragen? Zijn ouderen in staat om dit op tijd aan te vragen? Hoe gaat u om met mensen die achter het net vissen?
Het SNN is de uitvoeringsorganisatie die de regeling uitvoert. SNN is een regionale organisatie, zij kent de problematiek en voert verschillende subsidieregelingen rondom het versterkingsprogramma uit. SNN heeft een contactcentrum waar aanvragers hun vragen kunnen stellen en de medewerkers van SNN kunnen aanvragers ondersteuning bieden met de aanvraag. Eigenaren hebben de mogelijkheid om schriftelijk de subsidieaanvraag in te dienen. In aanloop naar de openstelling van de subsidieregeling konden eigenaren het SNN al goed vinden en hebben zij telefonisch veel vragen gehad waardoor mensen hun aanvraag al goed konden voorbereiden. Daarnaast kunnen eigenaren iemand machtigen om de aanvraag in te dienen. Zo worden eigenaren maximaal in staat gesteld om een aanvraag in te dienen.
Hoe draagt deze « chaotische brei aan vergoedings- en subsidieregelingen»2 bij aan duidelijkheid voor de inwoners van Groningen? Hoe helpen deze regelingen bij een adequate oplossing van de echte problemen?
De NCG en de IMG zetten zich volop in om de versterkingsoperatie en de schadeafhandeling zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen voor bewoners. De negatieve gevolgen van de aardbevingen zijn echter voor iedereen anders: voor woningeigenaren die te maken hebben met waardedaling van hun huis, voor huurders die tijdelijk uit hun huis moeten omdat hun huurwoning wordt versterkt tot moeilijk uitlegbare verschillen tussen buren. Daarom beoogt het Rijk met verschillende regelingen Groningers tegemoet te komen. Zodoende zijn de verschillende regelingen en tegemoetkomingen (zoals weergeven in het overzicht) in het leven geroepen om een adequate maatwerkoplossing te kunnen bieden. Deze zijn dan ook niet in één regeling te vatten. Het is van belang dat Groningers weten waar zij aanspraak op maken en hoe zij dit kunnen aanvragen. Daarover worden Groningers door alle betrokken partijen goed geïnformeerd. Bij vragen kunnen zij zich wenden bij de partij die de regeling uitvoert zoals in het overzicht op is genomen en bij de NCG.
In uw beantwoording op de vragen van het lid Beckerman (SP), geeft u aan eigenaren die vallen onder blok A, B, C en E1, zoals in het Bestuursakkoord wordt gesproken, worden of zijn geïnformeerd over onder welk blok zij vallen (Aanhangsel handelingen 3065). Welke groepen mensen zijn nog niet geïnformeerd? Hoe krijgen zij informatie over deze regelingen?
Alle eigenaren in het versterkingsprogramma zijn door hun gemeente geïnformeerd dat hun gebouw in het versterkingsprogramma is opgenomen. Zoals in de eerdere beantwoording op de vragen over het Bestuursakkoord van lid Beckerman geschetst, zijn de bewoners op wie de bestuurlijke afspraken van invloed zijn, geïnformeerd over wat het voor hen betekent. Zo heeft de NCG aan eigenaren die in aanmerking komen voor een herbeoordeling op basis van de nieuwe inzichten (Blok A) voor 1 januari jl. een brief gestuurd. Ook worden eigenaren tijdens hun contact met de bewonersbegeleiders van de NCG gedurende het versterkingstraject geïnformeerd over de regelingen. Verder worden eigenaren tijdens hun contact met de bewonersbegeleiders van de NCG gedurende het versterkingstraject geïnformeerd over de regelingen uit de bestuurlijke afspraken. Dit gebeurt bijvoorbeeld tijdens het bespreken van het versterkingsadvies. In de gesprekken over de planvorming voor de versterking bespreekt de NCG ook met de eigenaar hoe de regelingen kunnen worden ingezet bij de versterking en hoe deze regelingen op dat moment goed kunnen werken voor de eigenaar. Bijvoorbeeld door de maatregelen voor verduurzaming en woningverbetering tegelijk met de versterking door dezelfde aannemer te laten uitvoeren. Dit voorkomt dat de eigenaar meerdere keren overlast ervaart door werkzaamheden en zo de versterking zo gestructureerd en compleet mogelijk uitgevoerd kan worden. De eigenaren van Blok B zijn door hun gemeente en de NCG geïnformeerd over wat de bestuurlijke afspraken voor hen betekenen en wat voor aanvullend maatwerk wordt aangeboden. Dit wordt momenteel verder door de gemeenten uitgewerkt.
Specifiek voor eigenaren in Blok E1 is een campagne opgezet om mensen te attenderen op de subsidieregeling. Naast informatie op de websites van het SNN, de NCG en gemeenten, zijn er radiospots geweest op RTV Noord, advertenties op social media (Facebook en Instagram) en in huis-aan-huistitels van NDC en NoordPers. Op het moment dat het subsidieplafond bereikt was, is de campagne aangepast waarbij wordt verwezen naar de volgende ronde in 2022. In aanloop naar de tweede ronde start er een vervolgcampagne in het najaar van 2021. Daar maakt ook een persoonlijke brief onderdeel van uit.
Hoeveel subsidieaanvragen zijn er inmiddels bij de andere blokken gedaan? Hoeveel zijn daarvan gehonoreerd? En hoeveel afgewezen? Hoe staat het met het budget dat daarbij gereserveerd is?
Tot 27 augustus jl. zijn door eigenaren in Blok A 192 aanvragen ingediend voor de € 7.000 subsidie voor verduurzaming. In totaal is voor € 1.043.215,82 aangevraagd. Er is nog geen subsidie toegekend. Het SNN beoordeelt momenteel deze aanvragen. SNN streeft ernaar binnen 8 weken na aanvraag tot een besluit te komen. Dit betekent dat op dit moment nog alle 192 aanvragen in behandeling zijn. Voor de eerdere Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld zijn 484 aanvragen ingediend en is voor € 2.039.204,46 aan subsidie gehonoreerd. Eigenaren in Blok C kunnen € 17.000 aanvragen. Hier zijn 2.199 aanvragen voor ingediend voor een aangevraagd bedrag van € 30.832.225,76. Daarvan zijn 542 aanvragen gehonoreerd. En zijn 1.657 aanvragen nog in behandeling. De subsidieregeling is sinds 1 juni 2021 inwerking getreden. Daarnaast is het belangrijk om op te merken dat de regeling vijf jaar openstaat, zodat eigenaren de subsidie kunnen aanvragen wanneer zij in hun woning willen investeren en wanneer zij bijvoorbeeld hun beoordeling hebben ontvangen en duidelijkheid hebben of hun gebouw moet worden versterkt.
De wijze waarop de stikstofdepositie berekend wordt en de vergelijking met de kritische depositiewaarden |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is de veronderstelling juist dat de kritische depositiewaarde voor H7110A en H7120ah (actieve hoogvenen) bepaald is op basis van de kritische depositiewaarde voor het vegetatietype Erico-Spagnetum magellanici dat gekenmerkt wordt door het ontbreken van bomen?1 2 3
Deze veronderstelling is deels juist. De betreffende KDW'n (beide 500 mol N/ha/jaar) zijn namelijk niet gebaseerd op een berekening voor één vegetatietype. Op p. 59 van het aangehaalde rapport staat weliswaar dat alleen type 11BA01 (Erico-Sphagnetum magellanici) bepalend is voor H7110A en H7120ah, en niet de andere samenstellende vegetatietypen, maar de betreffende modeluitkomsten zijn niet gebruikt voor de KDW, omdat de auteurs die uitkomsten niet betrouwbaar achtten. In zulke gevallen wordt teruggevallen op een deskundigenoordeel om binnen de empirische range een keuze te maken (p. 17 van het rapport). Daarom staat op p. 37 van het rapport dat (en waarom) de KDW voor H7110A is gebaseerd op het middelpunt van de empirische range. Dat geldt ook voor H7120ah. De empirische KDW-range is bepaald voor de gezamenlijk voorkomende vegetatietypen in (min of meer) boomloze hoogvenen in verschillende delen van Europa. Daarbinnen is het Erico-Sphagnetum magellanici wel het meest beeldbepalend. De onderzochte vegetatietypen betreffen inderdaad geen hoogveen met bomen, hoewel dit zogenoemde hoogveenbos of berkenbroekbos van nature onderdeel uitmaakt van hoogveenlandschappen. Voor met bomen begroeide hoogvenen en voor het vergelijkbare habitattype Hoogveenbossen (H91D0) is geen empirische KDW-range beschikbaar; in plaats daarvan is de KDW voor H91D0 en de variant «hoogveenbossen» van Herstellende hoogvenen (H7120hb) gebaseerd op een deskundigenoordeel. Deze KDW is beduidend hoger dan die van de boomloze delen van hoogvenen.
Is de veronderstelling juist dat het in Aerius voorkomt dat H7110A en H7120ah ingetekend zijn op plaatsen waar ook groepen bomen voorkomen en waar het vegetatietype Erico-Spagnetum magellanici derhalve niet kan voorkomen?
Bij H7110A is dat niet het geval: alle locaties waar dit habitattype voorkomt, zijn boomloos en bestaan voor minimaal 70 (en meestal 100) procent uit het genoemde vegetatietype. Bij H7120ah komt het echter wél voor dat gekozen is voor de KDW-variant «actieve hoogvenen» terwijl actueel hoogveenbossen aanwezig zijn, waarvoor de KDW-variant «hoogveenbossen» beschikbaar is.
Deelt u de mening dat het vergelijken van de vanwege de aanwezigheid van groepen bomen relatief hoge depositie in een bepaald hexagoon met een kritische depositiewaarde die gebaseerd is op een vegetatietype zonder bomen geen eerlijke vergelijking is?
Om te bepalen of die vergelijking eerlijk is, is het belangrijk om te kijken naar de reden om te kiezen voor een bepaalde KDW-variant.
De provincie die de habitatkaart opstelt, kan voor Herstellende hoogvenen slechts één habitatcode vermelden: H7120. Onder die code vallen in de praktijk vele vegetatietypen, die vaak door elkaar heen voorkomen. Die vegetatietypen hebben het karakter van – grofweg – drie soorten begroeiingen: veenmosrijke begroeiingen, vochtige heide en hoogveenbos. De KDW is nogal verschillend voor deze drie begroeiingen. Daarom zijn in het KDW-rapport drie KDW-varianten opgenomen voor H7120. Deze staan dus niet op een habitatkaart, maar kunnen wel worden toegepast in AERIUS. Specifiek voor H7120 geldt echter in elk hoogveengebied de doelstelling «kwaliteitsverbetering». Dat betekent in de praktijk dat (vergraste) vochtige heide deels overgaat in veenmosrijke begroeiingen, als gevolg van een verbeterde waterhuishouding. Iets dergelijks geldt voor met bomen begroeid hoogveen: de verbossing van het hoogveen is grotendeels ontstaan door turfwinning en verdroging, maar de overmaat aan hoogveenbos (dat zelf ook zorgt voor teveel verdamping) wordt nu teruggedrongen door hogere waterstanden en door het kappen van bomen.
De provincie ziet zichzelf voor de keuze gesteld of in AERIUS de KDW-variant wordt opgenomen die past bij het meest optimaal ontwikkelde herstellende hoogveen (variant «actieve hoogvenen») of dat lokaal een KDW-variant wordt opgenomen die past bij de huidige, deels ongewenste situatie (variant «vochtige heiden» of «hoogveenbossen»). Vanwege de instandhoudingsdoelstelling is er veel voor te zeggen dat in het algemeen gekozen is voor de variant «actieve hoogvenen», ook al komt er actueel bos voor. Als uit het beheerplan blijkt dat in bepaalde delen van het terrein permanent bos aanwezig zal zijn, ligt het echter voor de hand dat voor die delen (alsnog) gekozen wordt voor de KDW-variant «hoogveenbossen».
Is de veronderstelling juist dat er veel hexagonen zijn waar zowel ingetekende stikstofgevoelige habitattypen voorkomen als bossen of groepen bomen die niet tot dit habitattype behoren (met een inherent hogere depositiesnelheid dan grasland of heide) en dat bij depositieberekeningen hier geen onderscheid in gemaakt wordt?
Deze locaties kunnen betrekking hebben op twee situaties. Op heideterreinen kunnen bomen groeien zonder dat sprake is van bos; het betreft in zo'n geval bijvoorbeeld het habitattype Droge heiden (H4030). De struikheivegetatie heeft een gevoeligheid voor stikstof die hoort bij H4030, maar door de aanwezigheid van bomen wordt meer stikstof ingevangen dan op een boomloze heide. Een andere situatie betreft de overgang van heide naar bos. Het is bekend dat op dit soort overgangen meer stikstof door de heide wordt ingevangen dan in landschappen zonder bos. De depositie wordt namelijk niet alleen bepaald door de ter plekke aanwezige vegetatiestructuur (die bij heide laag is), maar ook door de vegetatiestructuur die in de directe omgeving aanwezig is. Als er naast de heide een bos voorkomt (met een hoge vegetatiestructuur), wordt de luchtbeweging deels door dat bos bepaald en dat leidt tot een wat hogere depositie dan als dat bos niet aanwezig is.
Dat met dit fenomeen in AERIUS rekening wordt gehouden, is dus terecht. De terreinruwheid wordt, zoals hierboven uitgelegd, bepaald door de «bovenwindse ruimtelijke geschiedenis». De minimale afstand voor het meenemen van deze ruimtelijke geschiedenis ligt boven de 100 m voor elke windrichting. Daarom wordt de terreinruwheid van elke locatie berekend over een gebied met minimaal 250 m doorsnee. Een nadere toelichting over dit onderwerp is opgenomen op de webpagina www.rivm.nl/relevante-ruimtelijke-schaal-van-droge-depositiemodellering-in-kader-van-programmatische-aanpak.
Is de veronderstelling juist dat in bijvoorbeeld Natura 2000-gebied Borkeld de berekende overbelasting op bijvoorbeeld het habitattype H4030 (droge heiden) deels veroorzaakt wordt doordat bij deze hexagonen ook de inherent hogere depositie in omliggende, niet gekarteerde bossen meegerekend wordt?
Ja, om de reden die in het antwoord op vraag 4 is genoemd.
Deelt u de mening dat gelet op voorgaande het bepalen van het percentage stikstofgevoelige natuur dat te maken heeft met overschrijding van de kritische depositiewaarde middels depositieberekeningen op hexagoonniveau een vertekend beeld van de werkelijkheid kan geven?
Nee, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 4.
Bent u voornemens te bezien hoe deze vertekening van de werkelijkheid voorkomen dan wel gecorrigeerd kan worden?
Voor zo'n correctie bestaat geen aanleiding.
Bent u voornemens bij uitbreiding van het meetnet voor droge depositie meetpunten bij verschillende typen landgebruik en terreinruwheid te plaatsen, zodat een representatief meetnet ontwikkeld wordt en meer inzicht verkregen wordt in de daadwerkelijke depositiesnelheid bij verschillende landschapstypen?
De komende uitbreiding van het meetnet is hier mede op gericht. Zie voor een nadere uitleg: www.rivm.nl/publicaties/op-weg-naar-een-optimale-meetstrategie-voor-stikstof.
Hoe waardeert u de positieve effecten van bomenrijen en windsingels naast emissiebronnen en van oplopende bosranden op het wegvangen van stikstof en het beperken van de verspreiding ervan?4 5
Uit de genoemde rapporten blijkt dat met name de aanleg van bosstroken in de directe omgeving van emissiebronnen (zoals boerderijen) bij kan dragen aan de vermindering van depositie in omliggende natuurgebieden. Daarmee is deze aanleg in beginsel aan te merken als een nuttige maatregel in het kader van het stikstofbeleid. De maatregel heeft echter pas een substantieel effect als de bosstrook vrij omvangrijk is en zo dicht mogelijk bij de bron wordt aangelegd. Dat heeft uiteraard financiële en ruimtelijke consequenties die moeten worden afgewogen tegen het effect van de maatregel.
Is de veronderstelling juist dat deze maatregelen in beleid en praktijk nog weinig aandacht krijgen?
Dat is inderdaad het geval. Het rapport uit 2015 van Alterra is opgesteld voor het project «Proeftuin Natura 2000 Overijssel», waarin maatregelen voor vermindering van depositie zijn verkend. Concreet is deze maatregel aan de orde geweest bij het Overijsselse gebied Agelerbroek. Maar in de huidige set bronmaatregelen is hij niet opgenomen.
Wat gaat u doen om de inzet van deze maatregelen te stimuleren?
Ik zal stimuleren dat deze maatregel bij de gebiedsgerichte uitwerking alsnog wordt meegenomen.
De documentaire ‘Goede Moeders’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de documentaire «Goede Moeders»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat is uw reactie op het algemene beeld dat geschetst wordt in de documentaire over de manier waarop met moeders of ouders wordt omgegaan die opnieuw zwanger zijn nadat een eerder kind of kinderen uit huis zijn geplaatst?
In de documentaire komen de problemen van zwangere moeders van wie de kinderen eerder uit huis zijn geplaatst op zeer indringende wijze aan de orde. Wij zijn onder de indruk van de dilemma’s waarvoor de verloskundige zich gesteld ziet. Bij een beslissing over een uithuisplaatsing dienen zowel het belang van de ouder(s) als van het (ongeboren) kind, dat recht heeft op bescherming en veiligheid, zorgvuldig te worden gewogen en onderbouwd. Een kwetsbare situatie in het verleden wil niet automatisch zeggen dat er geen veerkracht is vandaag. Om die reden is het van belang dat de bij het gezin betrokken professionals, zoals verloskundigen, in kaart brengen hoe de feitelijke situatie is, op het moment dat de situatie in een gezin verandert, bijvoorbeeld bij een nieuwe zwangerschap. De Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en het sectorspecifieke afwegingskader geven professionals een goede handreiking wanneer melden bij Veilig Thuis (hierna: VT) noodzakelijk is. Zoals bij vermoedens van acute of structurele onveiligheid en/of wanneer een professional zelf niet in staat is om hulp te organiseren die leidt tot duurzame veiligheid. VT is er ook voor iedereen om laagdrempelig (anoniem) advies te vragen.
Als een kind zodanig opgroeit dat het in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en ouders niet (binnen een voor het kind aanvaardbare termijn, met hulpverlening) hun opvoedingsverantwoordelijkheid zullen waarmaken, kan VT of de gemeente een verzoek tot onderzoek doen bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK). In de documentaire werd benoemd dat de kinderen in de documentaire na het onderzoek van de RvdK niet uit huis geplaatst zijn.
Wat zijn de regels omtrent het melden van een nieuwe zwangerschap van een moeder bij wie eerder een kind uithuisgeplaatst is? Aan wie moet de verloskundige dit melden? Wat moet deze verloskundige precies melden en met welke reden moet een verloskundige dit melden? Is deze melding verplicht of mag de verloskundige ook naar eigen inzicht beslissen dat dit niet nodig is?
Een verloskundige heeft de verantwoordelijkheid om te handelen volgens de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling bij vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Het enkele gegeven dat eerdere kinderen uit huis zijn geplaatst, is geen reden voor een professional, zoals een verloskundige, om te (moeten) melden bij VT.
De eerste stap van de Meldcode is het in kaart brengen van signalen. In de tweede stap van de Meldcode staat dat overlegd moet worden met een collega en dat eventueel VT geraadpleegd kan worden. VT kan dan meedenken en adviezen geven hoe de professional zelf met de signalen om kan gaan. Ook kunnen zij samen bespreken of een formele melding bij VT in de betreffende casus nodig is. Melden bij VT is noodzakelijk als een professional zelf vindt dat sprake is van acute of structurele onveiligheid in die situatie en/of de professional zelf niet in staat is om hulp te organiseren die leidt tot duurzame veiligheid. Om dat goed te kunnen beoordelen, heeft elke beroepsgroep een afwegingskader. Voor verloskundigen is het sectorspecifieke afwegingskader opgesteld door de beroepsvereniging voor verloskundigen, de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV).2 Dit afwegingskader ondersteunt een verloskundige bij de stappen 4 (het wegen van het huiselijk geweld of de kindermishandeling) en 5 (het beslissen of een melding bij VT noodzakelijk is en, vervolgens bij het beslissen of het zelf bieden/organiseren van hulp (óók) mogelijk is) van de Meldcode., Het afwegingskader beschrijft wanneer, en op basis van welke overwegingen, het melden van vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling als een beroepsnorm en daarmee als noodzakelijk wordt beschouwd. Van een meldplicht is in Nederland geen sprake.
Wat doet stichting Veilig Thuis met zo’n melding van een verloskundige? Kunt u schematisch uiteenzetten bij wie zo’n melding vervolgens terecht komt en wie er wat mee doet?
De werkwijze van VT is vastgelegd en schematisch weergegeven in het handelingsprotocol Veilig Thuis.3 Als een professional contact opneemt met VT kan dit zijn:
Ad 1)
Met professionals die advies vragen bespreekt Veilig Thuis wat de adviesvrager zou kunnen doen om de onveiligheid met direct betrokkenen te bespreken en wat de professional kan doen om de onveiligheid aan te pakken. De VT-medewerker kan ook ondersteunen in de voorbereiding van of bij gesprekken met de direct betrokkenen bij kindermishandeling en huiselijk geweld.
In geval van een advies blijft de professional zelf verantwoordelijk voor de aanpak en voor de stappen die eventueel moeten worden ondernomen. Een professional kan bij twijfel samen met de medewerker van VT bepalen of het advies van VT (voorlopig) voldoende handvatten geeft om als professional zelf met de betrokkenen op een adequate manier met de zorgen om te gaan of dat een melding aangewezen is. In uitzonderingssituaties, zoals wanneer het veiligheidsrisico voor de direct betrokkene of anderen hoog en acuut is, kan Veilig Thuis besluiten tot een ambtshalve melding.
Ad 2)
Wil een professional, in dit geval de verloskundige, een melding doen dan wordt de melding door VT altijd in ontvangst genomen en vastgelegd. In het eerste contact bespreekt de VT-medewerker met de professional de situatie, de vervolgstappen; de verantwoordelijkheid voor het zicht op veiligheid; de samenwerking tussen Veilig Thuis en de melder; de afstemming met de direct betrokkenen en de wijze van communiceren. Vervolgens voert VT binnen vijf werkdagen na melding een veiligheidsbeoordeling uit. Hierbij wordt binnen VT waar nodig de expertise van vertrouwensartsen, gedragswetenschappers en/of aandachtfunctionarissen op verschillende deelterreinen betrokken.
Het doel van de veiligheidsbeoordeling is dat VT zicht krijgt op de veiligheid in het gezin of huishouden en op basis daarvan tot het besluit komt bij welke professional en organisatie de verantwoordelijkheid wordt belegd voor het nemen van de vervolgstappen waar de melding aanleiding toe geeft. Hierna zijn twee opties mogelijk:
Op welke manier wordt in het onderzoek dat vervolgens gedaan wordt aan waarheidsvinding gedaan? Gebeurt dit aan de hand van objectieve maatstaven en bewijzen? Bent u het met de mening eens dat dit soort zwaarwegende onderzoeken alleen aan de hand van objectieve maatstaven en bewijzen gedaan moet worden? Zijn de mensen die dit onderzoek doen hiertoe voldoende toegerust en opgeleid en wordt er aandacht gegeven in de opleiding aan objectief rapporteren? In hoeverre kunnen culturele verschillen ook oorzaak zijn van misverstanden?
VT beoordeelt of een melding voldoende aanleiding geeft tot een onderzoek, waarna beoordeeld moet worden of de geuite vermoedens van kindermishandeling en/of huiselijk geweld kunnen worden bevestigd, weerlegd dan wel geen van beide. In het onderzoek van VT moeten feiten worden gescheiden van meningen. Dit wordt gedaan op verschillende manieren: er wordt hoor en wederhoor toegepast (en dit wordt vastgelegd in het dossier), hypothesen worden onderbouwd met feiten en de weergave van de melding en informatie door professionals wordt door hen geaccordeerd. Als wordt verwezen naar onderzoek of diagnostiek wordt de volledige rapportage daarvan als bijlage toegevoegd aan het onderzoek.
Er wordt eerst onderzocht of passende professionele hulp verleend kan worden. Doel daarbij is dat VT zo nodig veiligheidsvoorwaarden vaststelt en inzet op vervolghulp gericht op directe en stabiele veiligheid en herstel.
Als sprake is van mogelijk acute of structurele onveiligheid dient VT de politie in kennis te stellen of de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) te verzoeken om een onderzoek, als niet voldaan kan worden aan de veiligheidsvoorwaarden die met het gezin worden afgesproken in het kader van vrijwillige hulpverlening. Ook de gemeente of een gecertificeerde instelling kunnen een verzoek tot onderzoek doen bij de RvdK. De RvdK kan besluiten om de rechter te vragen een kinderbeschermingsmaatregel uit te spreken. Als de rechter tot een kinderbeschermingsmaatregel besluit voeren de gecertificeerde instellingen kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen in het kader van de jeugdreclassering uit.
Voor de RvdK en de gecertificeerde instellingen (hierna: GI’s) geldt een wettelijke verplichting in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 3.3 Jeugdwet). Zij moeten zich richten op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. De besluitvorming moet worden onderbouwd, waarbij feiten, visies van betrokkenen en de interpretaties duidelijk zijn gescheiden. De RvdK hanteert de kwaliteitseisen van onderzoek zoals vastgesteld in het kwaliteitskader.4 De GI’s werken daarbij volgens de richtlijn «Feiten volledig en naar waarheid aanvoeren».5 Medewerkers van de GI en RvdK worden opgeleid om feitelijk te rapporteren. De medewerkers van de RvdK die de onderzoeken uitvoeren en de jeugdzorgmedewerkers van de GI zijn SKJ-geregistreerd en werken volgens de afgesproken professionele standaarden (bestaande uit de Beroepscode en de Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming). Hierbinnen zijn aandachtspunten voor het omgaan met migrantengezinnen geformuleerd. In de omgang met migrantengezinnen is het belangrijk rekening te houden met culturele verschillen. Uitgangspunt is dat zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de culturele context, tenzij het gaat om gedragingen, waarden en normen die in strijd zijn met de Nederlandse wetgeving.
Herkent u het beeld dat in de documentaire wordt geschetst dat als er eenmaal iets in het dossier staat, dit er niet of er met heel veel moeite weer uit wordt gehaald, zelfs als gebleken is dat de informatie onjuist is? Zo ja, hoe kunt u ervoor zorgen dat onjuistheden sneller uit een dossier worden gehaald?
Het is mij bekend dat het in de praktijk voorkomt dat ouders en kinderen menen dat door de betreffende organisaties, zoals VT, de GI’s of de RvdK, geen goed feitenonderzoek is gedaan en dat onjuiste informatie in dossiers en verzoekschriften blijft staan.
Het uitvoeren van goed feitenonderzoek is een belangrijke opgave voor alle partijen in de jeugdbescherming samen. Al deze organisaties werken met kaders/richtlijnen om ervoor te zorgen dat de in het kader van de dossiervorming verkregen informatie een zo objectief en correct mogelijk beeld geeft. Als in rapportages, verzoekschriften e.d. informatie is opgenomen waarvan op een later moment blijkt dat deze niet juist is, moet dit duidelijk kenbaar in het dossier zijn en mag de onjuiste informatie niet verder worden verwerkt. Indien ouders en/of kinderen van mening zijn dat foutieve informatie door een betreffende organisatie ten onrechte niet wordt gecorrigeerd, dan kunnen zij hierover een formele klacht indienen bij desbetreffende organisatie. Het advies is wel altijd om eerst het gesprek aan te gaan. Zo hebben de organisaties de mogelijkheid om onjuistheden in dossiers te corrigeren. Ook is er het Advies en Klachtbureau Jeugdzorg, waar mensen terecht kunnen voor gratis onafhankelijke hulp en bijstand6.
Wat heeft u gedaan met alle vragen, moties en een rondetafelgesprek vanuit de Kamer rondom het verbeteren van waarheidsvinding zoals bijvoorbeeld de motie Bergkamp? Wat zijn de concrete opbrengsten geweest van het actieplan Verbetering Feitonderzoek dat drie jaar geleden is opgezet? Hoe verhoudt zich dit met het interne rapport hierover waar NRC Handelsblad deze week over bericht?2 3
Bij motie van het lid Bergkamp is in 2016 gevraagd om een actieplan waarheidsvinding.9 In samenspraak met vele partijen, waaronder de betrokken instellingen RvdK, VT, GI, ouderorganisaties, gemeenten en rechtspraak is in 2017 gestart met de voorbereidingen voor het opstellen van dit actieplan. Dit heeft geresulteerd in het Actieplan Verbetering Feitenonderzoek in de Jeugdbeschermingsketen, dat in 2018 aan uw Kamer is gestuurd. Doel van dit actieplan is te komen tot goed feitenonderzoek en beter onderbouwde besluiten in de praktijk, met betrokkenheid van ouders en kinderen. Het actieplan beschrijft vier actielijnen met daarbinnen verschillende acties, die binnen de organisaties, in regionaal verband en op landelijk niveau worden ontwikkeld en uitgevoerd. De uitvoering van het actieplan vindt plaats onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RvdK, het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en Jeugdzorg Nederland namens de GI’s. De uitvoering van het actieplan loopt tot en met einde 2021. Over de tussenresultaten van dit actieplan is uw Kamer regelmatig geïnformeerd, via de rapportages van Zorg voor de Jeugd. Volgend jaar staat de eindevaluatie van het actieplan gepland. Dan zal worden onderzocht in hoeverre de opgaven uit het actieplan zijn gerealiseerd, wat de concrete effecten daarvan zijn en wat er eventueel aan vervolgacties nog nodig is. Ik verwijs u naar de brief aan uw Kamer van 6 juli 2021 waarin gereageerd is op het artikel in de NRC over een jeugdbeschermingscasus. In deze brief wordt ook ingegaan op het belang van goed feitenonderzoek en het actieplan.
Hoe vaak komt het voor dat besloten wordt dat een moeder of ouders in een goede positie worden bevonden om het pasgeboren kind te behouden en zelf op te voeden, maar tegelijk niet eerdere uithuisgeplaatste kind of kinderen terugkrijgen? Hoe gaan die twee oordelen samen? Welke afwegingen spelen hierbij mee? Uit wiens belang wordt geredeneerd?
Het is niet bekend hoe vaak het voorkomt dat een eerder uithuisgeplaatst kind bij de geboorte van een baby wordt teruggeplaatst bij de ouders. Daarover zijn geen cijfers beschikbaar.
De vraag of een uithuisgeplaatst kind weer terug kan naar de ouders, wordt per kind en per situatie zorgvuldig gewogen. Daarbij wordt gekeken naar het belang van de ouders, het recht op familieleven, en het recht op bescherming en veiligheid van het kind. Bij een besluit over de vraag waar het kind uiteindelijk zal opgroeien, is het perspectief van het kind steeds leidend. Dit perspectief kan zich vertalen in een stabiele, continue plek bij bijvoorbeeld pleegouders, in het geval de ouders dit niet kunnen bieden. Maar het kan ook zijn dat terugplaatsing bij ouders wél weer tot de mogelijkheden behoort. Belangrijk is het kind niet te lang in onzekerheid te laten leven over waar het uiteindelijk zal opgroeien, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd en de ontwikkelfase van een kind.
Hoe wordt er met moeders omgegaan wiens pasgeboren kind vlak na de geboorte uit huis wordt geplaatst? Krijgen zij voldoende nazorg? Klopt het dat dit gebeurt bij moeders die nog borstvoeding geven of kolven, en klopt het dat zij deze melk niet aan hun kind mogen geven? Waarom niet?
Bij uithuisplaatsingen bij pasgeboren baby’s zal de acute, danwel structurele onveiligheidssituatie leidend zijn. Een dergelijke uithuisplaatsing is heel ingrijpend voor de baby, een gezin en de betrokken professionals. Als een pasgeboren kindje uit huis moet worden geplaatst, wordt bij de moeder (en de rest van het gezin) nagegaan of en hoe er continue begeleiding en hulpverlening moet plaatsvinden. De jeugdbeschermer van een GI begeleidt de ouders in deze moeilijke situatie en bij de contactmomenten met het kind.
De beslissing om borstvoeding af te bouwen of te kolven wordt zorgvuldig genomen, afhankelijk van de situatie en in het belang van de gezondheid en het welzijn van moeder en kind. De haalbaarheid en de mogelijkheden om het geven van borstvoeding doorgang te laten vinden worden altijd onderzocht. Een belangrijke voorwaarde is bijvoorbeeld dat de moedermelk gezond is om te geven aan de baby. Bij een uithuisplaatsing van een baby van een aan middelen verslaafde moeder kan dat bijvoorbeeld niet het geval zijn.
Bent u het met de mening eens dat moeders bij wie eerder een kind uit huis geplaatst is, niet als «verdachte» behandeld moeten worden bij een nieuwe zwangerschap, maar dat er gekeken moet worden naar hoe zij geholpen kunnen worden? Bent u het met de mening eens dat uithuisplaatsing van kinderen het allerlaatste middel moet zijn?
Kinderen hebben het recht om gezond en veilig op te kunnen groeien. Als er opvoed- of opgroeiproblemen zijn moet er ondersteuning en hulp geboden worden, zodat kinderen in beginsel thuis kunnen blijven wonen. Er zijn interventies, zoals Voorzorg en ook Veilige Start van de William Schrikker Groep, die helpen een moeder in staat te stellen hun kinderen een goede en veilige plek te bieden.10, 11
Dat laat onverlet dat er situaties denkbaar zijn waarbij het voor de veiligheid van de kinderen geboden is dat zij uit huis geplaatst worden. Dit wordt in iedere situatie individueel beoordeeld. Als er in de thuissituatie problemen zijn die de ontwikkeling van kinderen zeer ernstig bedreigen, kan de gemeente, VT of het OM de RvdK verzoeken te onderzoeken of gedwongen hulp nodig is. Na onderzoek door de RvdK kan de RvdK de kinderrechter om een kinderbeschermingsmaatregel vragen. Dit kan alleen als de ontwikkelingsbedreiging zeer ernstig is én ouders niet willen of kunnen meewerken met vrijwillige hulpverlening.
De RvdK doet het verzoek en de kinderrechter beslist uiteindelijk. In de meeste gevallen is dit in de vorm van een ondertoezichtstelling (OTS) van max 1 jaar. Wanneer hulp in de thuissituatie onvoldoende is om de bedreigde ontwikkeling af te wenden, kan een uithuisplaatsing (UHP) worden verzocht aan de kinderrechter. In de uitvoering van de OTS is de GI de verzoeker van de uithuisplaatsing. De kinderrechter machtigt dan de GI om een kind elders te plaatsen. Dit is inderdaad een uiterste maatregel. Gedurende de OTS en UHP is het doel altijd te onderzoeken of en hoe het kind weer thuis kan opgroeien. Het uitgangspunt dat een uithuisplaatsing voorkomen moet worden geldt ook als in een gezin al eerder een kind uithuisgeplaatst is. De GI bepaalt of het kind weer terug naar huis kan. De RvdK toetst dit besluit.
Hoe weegt u de uitspraak van een pedagoog in de documentaire dat «60% van de uithuisplaatsingen onterecht is»? Verschilt het aantal uithuisplaatsingen per regio?
Het onderzoek waar deze pedagoog zich op baseert, is mij niet bekend, zodat ik hier geen uitspraken over kan doen. Bij het CBS zijn gegevens beschikbaar over het gebruik jeugdhulp met verblijf gecombineerd met de cijfers over het gebruik van maatregelen jeugdbescherming/jeugdreclassering. Daarin zijn regionale verschillen te zien.
Wat is er gebeurd met de uitvoering van de Kamerbreed aangenomen motie van de leden Westerveld en Wörsdörfer, waarin gevraagd wordt om een plan van aanpak te maken om het aantal uithuisplaatsingen te verminderen en meer op gezinsgerichte hulp in te zetten? Waarom is dat plan van aanpak er niet gekomen ondanks dat de hele Kamer hierom gevraagd heeft?4
Tijdens het wetgevingsoverleg (WGO) van 23 november 2020 is de uitvoering van de motie van de leden Westerveld en Wörsdörfer, waarin gevraagd wordt om een plan van aanpak te maken om het aantal uithuisplaatsingen te verminderen en meer op gezinsgerichte hulp in te zetten, besproken.
Momenteel loopt naar aanleiding daarvan een onderzoek waarbij wordt teruggekeken naar een aantal uithuisplaatsingen en naar wat wel en wat niet gewerkt heeft en wat we daarvan kunnen leren. In dat WGO hebben we toegezegd op basis van dat onderzoek een rondetafelconferentie te organiseren met alle betrokken partijen in het derde kwartaal van 2021.13
In de brief van 28 mei 2021 heb ik u gemeld dat het huidige kabinet in gesprek gaat met de VNG om gegeven het advies van de Commissie van Wijzen de vervolgstappen te bepalen om te komen tot een «Hervormingsagenda jeugdzorg».
Het voorkomen van uithuisplaatsingen naar residentiële jeugdhulp (een van de beheersmaatregelen waarover Rijk en VNG overeenstemming hebben) is onderwerp van gesprek voor deze agenda. De definitieve vaststelling van de Hervormingsagenda is aan een nieuw kabinet in overleg met gemeenten en andere betrokken partijen.
Het Westnijlvirus en de tijgermug |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Raad van State heeft aangegeven dat in geval van muggenvondsten bij bedrijven, er op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geen enkele reden is om de bedrijfsnaam geheim te houden?1
De Raad van State ziet informatie omtrent muggen als milieu-informatie. Daarbij geldt dat meer informatie (zoals bedrijfsnamen) openbaar wordt gemaakt bij een Wob-verzoek. Voor de duiding van deze uitspraak is het onderscheid tussen passieve en actieve openbaarmaking van belang. De Wet openbaarheid bestuur (Wob) ziet toe op passieve openbaarmaking.
Er zijn nog steeds weigeringsgronden in de Wob die van toepassing kunnen zijn als er sprake is van milieu-informatie. Een weigeringsgrond is dat openbaarmaking het belang van controle en toezicht zou kunnen schaden. Het klopt inderdaad dat de weigeringsgrond dat er sprake kan zijn van onevenredige bevoor- of benadeling niet kan worden gebruikt. Dit is in lijn met de uitspraak van de Raad van State.
Kunt bevestigen dat de Raad van State heeft aangegeven dat in geval van muggenvondsten in een woonwijk, er uit oogpunt van privacy geen enkele reden is de X- en Y-coördinaten geheim te houden, zolang die gegevens maar niet tot één enkele woning zijn te herleiden?
In deze uitspraak van de Raad van State over een specifiek Wob-verzoek waren de X- en Y-coördinaten van vondstplekken geheel verwijderd, om deze niet herleidbaar te maken naar individuele personen/woningen die vrijwillig vallen in hun tuin laten plaatsen. De Raad van State oordeelde dat deze coördinaten niet openbaar mogen worden gemaakt, als deze herleidbaar zijn naar één of enkele personen. De Raad van State heeft in dit geval echter ook aangegeven dat als de laatste twee cijfers van de X- en Y-coördinaten weg werden gelaten, er in dit geval meerdere huizen (ongeveer 10) binnen de coördinaten vallen, waardoor de herleidbaarheid wegvalt. Aangegeven is dan ook dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de X- en Y-coördinaten in de documenten, die onder dit specifieke Wob-verzoek vallen, openbaar moest maken, zonder de laatste twee cijfers.
Kunt u bevestigen dat het enkel noemen van een woonwijk door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dus niet conform de uitspraak van de Raad van State is?
De uitspraak van de Raad van State ging over een Wob-verzoek, dus betrof het zogenaamde passieve openbaarmaking. Dit moet worden onderscheiden van het geldende kader voor toezichtinformatie die de NVWA actief openbaar maakt.2 De Raad van State heeft al vaker expliciet onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve openbaarmaking. De NVWA maakt zelf, dus niet op basis van verzoeken op grond van de Wob, maar uit oogpunt van transparantie, vindplaatsen op woonwijkniveau openbaar om zo bewoners te informeren. De bewoners in de wijk worden hier op zorgvuldige wijze bij betrokken, ook via persoonlijk contact en per brief. De openbaarmaking van vondsten van muggen op de website van de NVWA is een onderdeel van openbaarmaking. De uitspraak van de Raad van State ziet niet op deze openbaarmaking uit eigen beweging.
Bent u het eens met de stelling dat deze uitspraak ook gevolgen zou moeten hebben voor de actieve openbaarmaking van de vangstgegevens, die maandelijks door de NVWA op de website worden geplaatst? Zo ja, waarom vermeldt de NVWA op de website nu, naast de naam van de gemeente, uitsluitend de woonwijk waar de exotische muggen gevonden zijn?
Zoals aangegeven gaat de uitspraak van de Raad van State enkel over passieve openbaarmaking en niet over actieve openbaarmaking. De NVWA werkt in breder verband aan het verder actief openbaar maken van informatie. Daarin wordt ook informatie omtrent vindplaatsen van muggen meegenomen. De NVWA onderzoekt op dit moment op welke wijze informatie over muggenvondsten op een meer gedetailleerd niveau openbaar gemaakt kan worden. Daarbij wordt onderzocht op welke wijze deze openbaarmaking het beste kan aansluiten op de informatiebehoefte vanuit de samenleving. De NVWA beziet of dit het beste via X- en Y-coördinaten of bijvoorbeeld met behulp van postcodes kan gebeuren. Het doel is om de aanpassing in 2022 te realiseren.
Bent u het eens met de stelling dat, door het zo vaag te houden, de NVWA de bewoners bewust onwetend houdt over de precieze locatie?
Bewoners die in een gebied wonen waar een bestrijdingsactie wordt uitgevoerd, worden op zorgvuldige wijze per brief per huisadres op de hoogte gesteld. Bewoners en bedrijven geven aan voldoende geïnformeerd te worden door de NVWA zo bleek uit een in 2020 uitgevoerd klanttevredenheidsonderzoek3.
Bent u het ook eens met de stelling dat er – gelet op de uitspraak van de Raad van State – geen reden is om de bedrijfsnaam dan wel (een deel van) de X- en Y-coördinaten niet actief bekend te maken, en er bovendien uit oogpunt van de gewenste transparantie van de overheid alle reden is om deze gegevens wel bekend te maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven maakt de NVWA bij verzoeken op grond van de Wob bedrijfsnamen en X- en Y-coördinaten openbaar conform de uitspraak van de Raad van State. Bij de actieve openbaarmaking wordt met wijknamen gewerkt. Zoals verwoord in de antwoorden op de schriftelijke vragen die eerder ook zijn gesteld door het lid De Groot (D66) over het Westnijlvirus en de tijgermug (kenmerk 2021Z02410), weten bewoners over het algemeen wel de naam van de wijk waarin zij wonen, maar niet de X- en Y-coördinaten van hun woning. Zoals in antwoord op vraag 4 is aangegeven zal de NVWA in 2022 haar wijze van actieve openbaarmaking van muggenvondsten aanpassen om te voorzien in een meer gedetailleerde verstrekking van gegevens.
Kunt u bevestigen dat door de wijze waarop de NVWA nu handelt, men genoodzaakt is om voor elke nieuwe vondst een Wob-verzoek te doen?
Indien een derde belanghebbende meer informatie wil verkrijgen dan nu actief door de NVWA openbaar wordt gemaakt, kan daar inderdaad een Wob-verzoek voor worden gedaan. In de Wob-procedure worden de belangen van de indiener alsook de belangen van het betrokken bedrijf afgewogen tegen de criteria uit de Wet openbaarheid van bestuur.
Bent u van mening dat de huidige handelwijze van de NVWA onnodig veel gedoe oplevert en een enorme verspilling van tijd is, omdat vanwege de uitspraak van de Raad van State al vaststaat wat de uitkomst van een Wob-verzoek is, namelijk dat of de bedrijfsnaam of (een deel van) de coördinaten bekend worden gemaakt?
Het openbaar maken van bedrijfsinformatie moet zorgvuldig gebeuren en daartoe moeten alle belangen zorgvuldig worden afgewogen. Daarnaast is de openbaarmaking erop gericht om een zo groot mogelijke groep bewoners en bedrijven te informeren.
Bent u bereid om op de website naast het aantal muggen ook de datum te noemen waarop de vondst is gedaan?
De compensatie van de eigen bijdrage voor kinderopvang vanwege de sluiting door Corona |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat alle ouders die gebruik maken van kinderopvang, ongeacht of ze recht hebben op kinderopvangtoeslag of niet, recht hebben op compensatie van de eigen bijdrage hiervoor tijdens de verplichte sluiting door Corona? Zo nee, wanneer hebben ouders hier geen recht op?1
Ja, ouders met kinderopvangtoeslag hebben een tegemoetkoming van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ontvangen, op basis van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO (TTKO). Ouders die gebruik maken van kinderopvang die gesubsidieerd is door de gemeente (voorschoolse educatie, kortdurend peuteraanbod of op basis van een sociaal medische indicatie), hebben hun eigen bijdrage teruggekregen via hun gemeente of kinderopvangorganisatie. Voor personen die kinderopvang geheel zelf betalen was een aparte tegemoetkomingsregeling. Zij konden volgens de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO zonder overheidsvergoeding (TTKZO) tot 16 juli 2021 een tegemoetkoming aanvragen bij de SVB.
Hebben ouders ook recht op compensatie voor de eigen bijdrage die betaald wordt over de uren kinderopvang waar zij geen kinderopvangtoeslag over krijgen, terwijl zij daar wel recht op zouden hebben? Zo ja, hoe kunnen ouders dit aanvragen? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil met ouders die compensatie krijgen terwijl zij geen recht hebben op kinderopvangtoeslag?
Ouders hebben op basis van de TTKO geen recht op tegemoetkoming van de uren kinderopvang waar zij geen kinderopvangtoeslag over hebben gekregen. De tegemoetkoming voor ouders met kinderopvangtoeslag is gebaseerd op kinderopvangtoeslaggegevens waarover Belastingdienst/Toeslagen beschikte op de gehanteerde peildata. De tegemoetkoming is grosso modo gelijk aan de eigen bijdrage; sommige ouders hebben te veel tegemoetkoming gehad en sommige te weinig. Opgetreden verschillen ontstaan doordat ouders het juiste aantal uren kinderopvang en/of het inkomen – op of voorafgaand aan de peildatum – niet hebben (kunnen) doorgegeven bij Belastingdienst/Toeslagen. Een ouder kan meer kinderopvanguren hebben afgenomen dan op de peildatum bekend was of het inkomen kan naderhand hoger blijken dan aanvankelijk opgegeven.
Over het algemeen kunnen we stellen dat de regeling is geslaagd: ouders hebben binnen enkele maanden een tegemoetkoming gehad, zonder hier iets te voor te hoeven regelen, en zijn over het algemeen tevreden over de regeling. Het aantal bezwaren en beroepen is beperkt (minder dan 1%) en de sector is ongeschonden door de crisis gekomen.
Desalniettemin heeft een kleine groep ouders een substantieel lagere tegemoetkoming ontvangen. Dat vind ik onwenselijk; aan ouders is immers de oproep gedaan om de eigen bijdrage te blijven betalen ten tijde van de twee sluitingen van de kinderopvang. Ouders hebben massaal gehoor gegeven aan deze oproep. Bovendien hebben enkele rechtbanken geoordeeld dat sommige ouders een te lage tegemoetkoming hebben ontvangen. De rechterlijke uitspraken en het feit dat sommige ouders een financieel nadeel hebben van soms enkele honderden euro’s zijn voor mij aanleiding om de regeling kritisch tegen het licht te houden om te bezien hoe deze ouders nader kunnen worden tegemoetgekomen. De Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane en ik hebben besloten om de tegemoetkomingsregeling te herzien en voorts om geen hoger beroep in te stellen tegen de hierboven bedoelde rechterlijke uitspraken.
Tot slot geldt dat – in de situatie dat ouders te weinig kinderopvangtoeslag hebben ontvangen – zij met terugwerkende kracht hun kinderopvangtoeslagaanvraag kunnen aanpassen naar de feitelijk afgenomen uren kinderopvang. Ouders hadden tot medio 2021 de mogelijkheid om voor de kinderopvangtoeslag het aantal kinderopvanguren voor het kalenderjaar 2020 aan te passen, indien het daadwerkelijk aantal afgenomen en betaalde uren afwijkt van het aantal opgegeven uren. Ook voor het kalenderjaar 2021 hebben ouders de ruimte om wijzigingen van de kinderopvanguren aan te passen via het portaal van de dienst Toeslagen. Dit kunnen ouders doen voordat er een definitieve beschikking van de kinderopvangtoeslag is afgegeven. In de situatie dat voor minder uren kinderopvangtoeslag wordt ontvangen dan ouders afnemen en dit nog wordt doorgegeven, ontvangen ouders bij de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag een nabetaling van kinderopvangtoeslag. Daarnaast is voor toeslagjaar 2020 en 2021 de koppeling gewerkte uren criterium tijdelijk verruimd zodat ouders kinderopvangtoeslag kunnen ontvangen voor alle afgenomen uren kinderopvang (tot maximaal 230 uur per maand). Dit om te voorkomen dat ouders die door het coronavirus thuis zaten en minder uren konden werken, te maken zouden krijgen met een daling van de hoogte van hun recht op kinderopvangtoeslag. Het recht op kinderopvangtoeslag is namelijk mede afhankelijk van het aantal gewerkte uren.
Kunt u specifiek ingaan op de onderhands meegestuurde bron en waarom deze ouders geen recht zouden hebben op volledige compensatie? Indien zij hier wel recht op hebben, bent u bereid dit alsnog recht te zetten?
Zie antwoord op vraag 2.
Heeft u meer signalen ontvangen dat ouders nog niet volledig gecompenseerd zijn voor de eigen bijdrage voor de kinderopvang ten tijde van de verplichte sluiting door corona, terwijl zij wel recht hadden op compensatie? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat ook deze ouders gecompenseerd worden?
Zie antwoord op vraag 2.
De jarenlange afsluiting van rijbanen op de Haringvlietbrug |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er enorm veel weerstand is tegen de jarenlange afsluiting van rijbanen op de Haringvlietbrug?1
Ja, ik ben er van op de hoogte dat de maatregelen voor hinder zorgen voor de weggebruikers. Ik betreur dit ook ten zeerste. Ik ben echter genoodzaakt om deze maatregelen te treffen tot aan de vervanging van de klep omwille van de veiligheid van de weggebruiker en de beschikbaarheid van de brug.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 5 augustus 2021 (2021Z14129) is door samenwerking tussen Rijkswaterstaat, het Openbaar Ministerie en de Veiligheidsregio een oplossing gevonden om bij een maximum snelheid van 50 km/u twee versmalde rijstroken in beide richtingen te kunnen handhaven. Hiermee wordt de doorstroming ten aanzien van de eerder gecommuniceerde variant verbeterd. Deze maatregelen zijn per 23 augustus jl. in werking gesteld. Tevens wordt per 4 oktober a.s. in beide richtingen de linkerrijstrook op de Haringvlietbrug verbreed van 1,95 meter naar 2,35 meter. Hiermee wordt de doorstroming verbeterd, omdat inhalen makkelijker wordt gemaakt. Om de weginrichting aan te passen, heeft Rijkswaterstaat drie nachtafsluitingen nodig in het weekend van 1 tot 4 oktober. Om de nachtafsluitingen optimaal te benutten en hinder zoveel mogelijk te beperken, herstelt de aannemer tijdens de afsluitingen ook bestaande asfaltschade.
Bent u ervan op de hoogte dat wethouders, de ANWB, forenzen en truckers enorm lange files en omleidingen voorzien?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat de nieuw ontworpen klemmen die zijn aangebracht achteraf niet beter bestand waren tegen de verkeerstrillingen dan die van ervoor? Zo ja, waarom is hier onvoldoende onderzoek naar gedaan?
Het ontwerp van de nieuwe klemmen is in 2017 tot stand gekomen uit een expertmeeting van Rijkswaterstaat met verschillende aannemers en ingenieursbureaus. Daarbij is in de verschillende fases van het ontwerpen van de nieuwe klemmen, constant het ontwerp gevalideerd en geverifieerd. Na fabricage zijn er verschillende proeven gedaan en in 2018 zijn de klemmen aangebracht bij de brug. De nieuwe klemmen hebben echter tot onvoldoende resultaat geleid. In de klem moet de juiste voorspanning aanwezig zijn om vast te blijven zitten. De wijze van bevestiging van de klemmen is van invloed op het bereiken van de benodigde voorspanning. Momenteel wordt onderzocht of door een andere wijze van bevestiging de klemmen beter vast blijven zitten. Er is op dit moment echter nog geen zicht op een oplossing.
Kunt u bevestigen dat er al in 2017 een mankement werd opgemerkt aan de Haringvlietbrug? Zo ja, waarom is er niet snel daarna al een gesprek geweest met belanghebbenden?
De signalen uit 2017 zijn serieus opgepakt. Zo is de klep met een spoedreparatie versterkt door een herontwerp van de klemmen welke tot stand is gekomen uit een expertmeeting van Rijkswaterstaat met verschillende aannemers en ingenieursbureaus. Aansluitend is een herberekening uitgevoerd ten aanzien van constructieve veiligheid van de klep. Uitkomst daarvan was, dat door de reparatie de restlevensduur kon worden opgerekt tot eind 2022/begin 2023 op voorwaarde dat het aantal brugopeningen beperkt zou worden. Hier zijn destijds de bestuurlijke partners en verschillende brancheorganisaties (o.a. Schuttevaer, HISWA-RECRON en TLN) in een daarvoor georganiseerd overleg van op de hoogte gesteld. Vervolgens is de aanpak van de brug opgenomen in het programma Vervanging en Renovatie en is gestart met de planfase. Deze planfase is in het eerste kwartaal van 2021 afgerond en op basis daarvan is gestart met de voorbereiding van de realisatie. De voorbereiding van de vervanging van de klep van de Haringvlietbrug is inmiddels in volle gang. In juli 2021 is formeel de aanbesteding gestart. In de voorbereiding op de aanbesteding en tijdens de planfase hebben al meerdere consultatiegesprekken met marktpartijen plaatsgevonden. Vanaf medio 2023 vindt naar verwachting de vervanging van de klep en de vernieuwing van de systemen plaats. Meer duidelijkheid over de haalbaarheid van deze planning kan begin volgend jaar gegeven worden als de aannemer die het werk gaat uitvoeren ook definitief gecontracteerd is. Daarnaast zijn er verschillende risico’s die voor vertraging kunnen zorgen. Hierbij kan gedacht worden aan gevolgen van langere levertijden voor bouwmaterialen.
Deelt u het inzicht dat het openhouden van twee rijstroken met de invoering van een trajectcontrole beter uitpakt voor de doorstroming dan het sluiten van één rijstrook? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat inzicht deel ik.
Deelt u het inzicht dat de sluiting van één rijstrook voor onder andere hulpdiensten en het openbaar vervoer enorm belemmerend kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Het sluiten van één rijstrook levert inderdaad belemmeringen op voor hulpdiensten, openbaar vervoer en het overige verkeer. Om deze reden is, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 5 augustus 2021 (2021Z14129) door samenwerking tussen Rijkswaterstaat, het Openbaar Ministerie en de Veiligheidsregio een oplossing gevonden om bij een maximum snelheid van 50 km/u twee versmalde rijstroken te kunnen handhaven.
Kunt u bevestigen dat Rijkswaterstaat het indienen van een «nadeelcompensatie» voor werkgevers op zich gaat nemen? Zo ja, wat houdt die «nadeelcompensatie» in? Zo nee, hoe worden werkgevers dan gecompenseerd?
Burgers en bedrijven die schade menen te ondervinden door maatregelen van Rijkswaterstaat kunnen compensatie aanvragen. Deze aanvragen worden beoordeeld aan de hand van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.
Is er al nagedacht over het voordragen van een compacter renovatieplan waarbij de renovatie van de Haringvlietbrug niet over zes jaren wordt uitgesmeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan men dit plan verwachten?
Rijkswaterstaat doet er alles aan om de vervanging van het beweegbare deel van de brug zo snel mogelijk te realiseren. De planning is daarom al maximaal versneld. Zo is een versnelde marktbenadering toegepast waarbij de aannemer eerder betrokken wordt bij het uitwerken van de oplossing. Ook is de interne kwaliteitstoetsing parallel uitgevoerd aan het opstellen van de contractstukken.
De vervanging van de klep wordt naar verwachting, uitgevoerd vanaf medio 2023. In deze periode zal de weg gedurende meerdere weken gestremd zijn voor het wegverkeer. Meer duidelijkheid over de haalbaarheid van deze planning kan begin volgend jaar geven worden als de aannemer die het werk gaat uitvoeren ook definitief aan boord is. Daarnaast zijn er verschillende risico’s die voor vertraging kunnen zorgen. Hierbij kan gedacht worden aan gevolgen van langere levertijden voor bouwmaterialen.
Bent u ervan op de hoogte dat uit onderzoek van TNO blijkt dat er jaarlijks slechts 1 miljard euro van de benodigde 2.5 miljard euro wordt uitgegeven aan het onderhoud van infrastructuur? Zo ja, waarom is dit niet opgeschaald? Zo nee, gaat u dit bedrag opschalen?
Het TNO rapport geeft een grove indicatie van de behoefte voor vervanging en renovatie van alle infrabeheerders in Nederland. De behoefte voor het instandhouden van de netwerken in beheer van Rijkswaterstaat is geëvalueerd door Horvat en PWC/REBEL en met de Kamer gedeeld.
De validatie van PWC│REBEL wijst uit dat de budgetbehoefte voor de periode 2022–2035 in de orde van gemiddeld € 1 miljard per jaar hoger ligt dan het beschikbare budget. Dit is exclusief het inlopen van het uitgesteld onderhoud en nieuwe ontwikkelingen. Met de uitkomsten van de validaties en de extra kosten die worden voorzien is eind 2020 besloten voor zowel 2022 als 2023 budget naar voren te halen om versneld onderhoudsmaatregelen uit te kunnen voeren. Per jaar is € 350 mln. aan budget naar voren gehaald. Het streven is om in aanvulling op eerdere impulsen opnieuw middelen uit latere jaren naar voren te halen om meer onderhoudswerkzaamheden in de periode tot en met 2023 uit te kunnen voeren. Het nieuwe Kabinet zal een afweging moeten maken over de financiering van de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem voor de jaren daarna. Zoals gemeld in de brief van 10 juni 2021 (Kamerstuk 35 570-A-61) is er vanaf 2024 sprake van een tekort op het budget voor instandhouding. Voldoende budget voor instandhouding is nodig om ongewenst uitstel van onderhoud te voorkomen en objecten tijdig te kunnen renoveren of vervangen.
De sloop van de Tweebosbuurt en de VN brief aan Rotterdam |
|
Sandra Beckerman (SP), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Wanneer komt u met uw reactie op de officiële mededeling van de Verenigde Naties over mogelijke mensenrechtenschendingen door het Rotterdamse woonbeleid met specifieke aandacht voor de sloop van de Rotterdamse Tweebosbuurt, die u heeft toegezegd in het commissiedebat Woningbouwopgave?1
Er is op 18 juni jl. een reactie verstuurd aan de VN op de brief met de vragen. Deze is terug te vinden op de website van de VN2. In het commissiedebat heb ik aangegeven uw Kamer te zullen informeren over eventueel contact met de VN over dit onderwerp. De Rapporteurs zijn door de gemeente Rotterdam uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek vindt mogelijk plaats in het derde kwartaal. Naar aanleiding daarvan zal ik u informeren.
Welke gesprekken heeft u inmiddels gevoerd met de betrokkenen, waaronder bewoners, de gemeente, Vestia en de VN-Rapporteurs? Welke conclusies kunnen daaruit worden getrokken? Welke gespreken gaat u nog voeren?
De beantwoording van de vragen van de VN is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Buitenlandse Zaken, Volksgezondheid, Welzijn en Sport (i.v.m. dakloosheid), de gemeente Rotterdam, het Nationaal Programma Rotterdam Zuid, en Vestia.
Het is met name aan Vestia om in gesprek te blijven met haar huurders. Ik zal de ontwikkelingen in de Tweebosbuurt blijven volgen en ik zal me hierover ook regelmatig laten informeren door de lokale partijen.
Welk belang hecht u aan de officiële mededeling van de Verenigde Naties over mogelijke mensenrechtenschendingen in Rotterdam? Bent u van mening dat wanneer Nederland wordt aangesproken op mensenrechtenschendingen deze serieus moeten worden genomen? Voelt u zich verantwoordelijk voor de aanklachten tegen schending van het mensenrecht op huisvesting en non-discriminatie gezien de rol van het Ministerie van BZK als partner in het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid? Zo nee, waarom niet?
VN-rapporteurs zijn deskundigen, aangesteld om onderzoek te doen naar een bepaald onderwerp of land en daarvan verslag uit te brengen. Nederland is een betrokken VN-lidstaat met een sterke inzet voor de bevordering van mensenrechten wereldwijd. Nederland heeft ook een open uitnodiging aan de VN-mensenrechtenexperts. Het kabinet treedt dan ook waar mogelijk in dialoog met de VN over het Nederlandse woonbeleid, omdat de VN-experts waardevolle observaties en aanbevelingen kunnen doen. Daarbij gaat het om observaties en mogelijke schending van mensenrechten en is er geen sprake van een aanklacht. Het Communiqué van VN-rapporteurs en de Nederlandse reactie daarop geven een beter beeld van de daadwerkelijke Rotterdamse situatie.
Is er overleg geweest met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Verenigde Naties over het opstellen van de officiële reactie van Nederland op het Communiqué van de VN-rapporteurs?2
Ja.
Heeft u kennis genomen van de reactie van de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb in de Raadsvergadering van 24 juni op het VN-Communiqué en de suggestie van mensenrechtenschendingen in Rotterdam? Deelt u de mening dat Nederland, en in casu de gemeente Rotterdam, zich niet zou moeten vergelijken met dakloosheid in Zuid-Afrika en Mumbai, zoals Aboutaleb deed, maar moet streven naar verbetering van mensenrechten ten opzichte van zichzelf?
Nederland is een betrokken VN-lidstaat met een sterke inzet voor de bevordering van mensenrechten wereldwijd. Het kabinet zoekt altijd naar mogelijkheden om in dialoog te treden met partijen zoals de VN over het Nederlandse woonbeleid, omdat de VN-experts waardevolle observaties en aanbevelingen kunnen doen.
Bent u net als de VN-rapporteurs van mening dat het proces rondom de sloop van de Tweebosbuurt niet zorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt u doen om het leed voor de gedupeerde bewoners te verzachten?
Ik vind het belangrijk dat de gemeente en de woningcorporatie de plannen zorgvuldig, rechtmatig en met oog voor de bewoners uitvoeren. Daar hebben de gemeente en de corporaties prestatieafspraken over gemaakt. Tevens is in de Overlegwet bepaald dat de verhuurder de huurder, de betrokken bewonerscommissie en de betrokken huurdersorganisatie op verzoek zo spoedig mogelijk schriftelijk informeert over zijn beleid en beheer dat rechtstreeks te maken heeft met de betrokken woongelegenheden en de woonomgeving daarvan. De Overlegwet bepaalt bovendien dat het recht op informatie van huurdersorganisaties en bewonerscommissies (en huurders) in ieder geval een aantal onderwerpen omvat, waaronder voorgenomen renovatie en voorgenomen sloop. Op dit moment is in deze casus een hoger beroep ingesteld, het is daarom aan de rechter om te beoordelen of de bewoners voldoende zijn betrokken.
Hoe rijmt u een zorgvuldig proces met het feit dat bewoners gedwongen zijn en worden om te verhuizen uit de buurt?
Bij zo’n ingrijpende operatie, waarin woningen worden gesloopt en nieuwe woningen worden teruggebouwd, moeten vanzelfsprekend de belangen van de bestaande bewoners goed worden meegewogen. Bijvoorbeeld omdat zij al dan niet tijdelijk moeten verhuizen of permanent naar een andere buurt verhuizen. Dat is voor bewoners, die soms al tientallen jaren in een bepaalde buurt wonen, een zeer ingrijpende gebeurtenis. Daarom zijn er wettelijke regels voor een verhuurder hoe deze in zo’n situatie moet handelen; bijvoorbeeld het aanbieden van vervangende woningen en een verhuiskostenvergoeding. In het huurrecht is bepaald dat de verhuurder moet aantonen dat er vervangende passende woonruimte voor de huurder beschikbaar is. Passend betekent niet per se dat de woning in ieder opzicht hetzelfde is. Het is en blijft de verantwoordelijkheid van Vestia om hier zorg voor te dragen, waarbij uiteraard discussie kan ontstaan over wat passend is. Om deze reden bevat Overlegwet ook de mogelijkheid om geschillen voor te leggen aan de huurcommissie en/of de rechter.
Deelt u de mening dat «Tweebossen» geen werkwoord mag worden en het VN-Communiqué consequenties moet hebben voor het woonbeleid? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid tot wijk- en stadsvernieuwing is een onmisbaar onderdeel van het woonbeleid dat op lokaal niveau gevoerd kan worden. Met wet- en regelgeving worden hier op nationaal niveau kaders voor opgesteld, zoals de Overlegwet. Deze kaderstellende wet- en regelgeving moet voldoen aan de eisen die de Grondwet en mensenrechtenverdragen daaraan stellen. Het woonbeleid moet op lokaal niveau worden ingevuld, via het lokale democratisch proces. Daarbij bestaat de mogelijkheid om geschillen aan de rechter voor te leggen. De situatie in de Tweebosbuurt geeft mij geen aanleiding deze inrichting van het woonbeleid aan te passen.
Bent u bereid om vanuit uw positie als partner in het Nationaal Programma Rotterdam Zuid (NPRZ) de woonpijler van het NPRZ te herzien? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is aan lokale partijen zoals de gemeente Rotterdam en corporaties als Vestia om concrete invulling aan de volkshuisvestelijke opgave te geven. Lokaal kan de beste afweging in de lokale context worden gemaakt.
Bent u het met de VN-Rapporteurs eens dat hun Communiqué niet louter een oproep is tot een dialoog, maar ook beoogt mogelijke mensenrechtenschendingen te stoppen? Bent u het met de VN-Rapporteurs eens dat een dialoog niet mogelijk is, wanneer mogelijke mensenrechtenschendingen ongehinderd voortgezet worden?
De VN-rapporteurs hebben meerdere zaken benoemd in hun brief. De gemeente Rotterdam heeft aan de VN-rapporteurs een uitnodiging verstrekt om hierover in dialoog te treden.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb aangegeven, moet de kaderstellende wet- en regelgeving onder meer voldoen aan de eisen die de Grondwet en mensenrechtenverdragen daaraan stellen. Daarbij is het aan de rechter om te toetsen of er voldaan is aan de wettelijke bepalingen. Gelet op deze waarborgen is er geen reden waarom de dialoog niet zou kunnen plaatsvinden.
Bent u van mening dat de sloop van de Tweebosbuurt stopgezet zou moeten worden, nu het VN-Communiqué afsluit met de oproep om maatregelen waaruit mensenrechtenschendingen voort kunnen vloeien, stop te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen richting de gemeente Rotterdam om de sloop stop te zetten?
Ik vind het van groot belang dat de juiste dialoog wordt gevoerd. Dat is in dit geval tussen de huurders, Vestia en de gemeente. Dit gesprek vindt plaats maar kent ook haar beperkingen in de tijd dat de zaak onder de rechter is. Juist omdat het onder de rechter is wil ik hier niet in treden.
Bent u bereid onderzoek te doen naar mogelijke schending van het recht op huisvesting en non-discriminatie en andere mensenrechten door het huidige Rotterdamse woonbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit onderzoek op zo kort mogelijke termijn uit te voeren, gezien de voortgaande uitvoering van het Rotterdamse woonbeleid?
Rotterdam heeft binnen de kaders van de wet de ruimte om haar lokale woonbeleid verder in te vullen. Het is aan de rechter om uitspraken te doen over in hoeverre bepaalde activiteiten passen binnen de wettelijke kaders.
Bent u bereid onderzoek te doen naar mogelijke (indirecte) discriminatie op basis van sociaaleconomische positie en/of migratieachtergrond door het woonbeleid dat volgens het VN-Communiqué gemeenschappen met een migratieachtergrond onevenredig treft? Wilt u zich hierbij specifiek richten op de (indirect) discriminerende aspecten van de «Rotterdamwet» en op potentiële (indirect) discriminerende gevolgen van herstructurering gericht op kwetsbare wijken, specifiek vanwege het NPRZ? Zo nee, waarom niet? Wilt u het woonbeleid laten toetsen op (indirect) discriminerende aspecten of effecten door het College voor de rechten van de mens? Zo nee, waarom niet?
Het woonbeleid van de gemeente Rotterdam is op democratische wijze vastgesteld. De gemeente Rotterdam streeft naar een inclusieve stad waar iedereen een plek heeft om zijn/haar thuis van te maken. Daarbij hoort ook het bieden van een kwalitatief goede en veilige omgeving, die perspectief biedt op een positieve sociaaleconomische ontwikkeling voor de bewoners. Deze inzet ligt ook ten grondslag aan het NPRZ, het project in de Tweebosbuurt is onderdeel van deze aanpak.
Voor dat deel van de bewoners dat direct met sloop en herhuisvesting te maken krijgt, kan dit een ingrijpende gebeurtenis zijn. Daarom biedt de wet- en regelgeving waarborgen voor de betrokkenheid van de bewoners en voor het aangeboden krijgen van passende nieuwe huisvesting. Uiteindelijk moet de herstructurering – en de aanpak van het NPRZ in zijn geheel – leiden tot betere en veerkrachtigere wijken op Rotterdam Zuid. In Rotterdam Zuid wonen veel mensen met een migratieachtergrond. Zij krijgen daardoor te maken met zowel de ingrijpende gevolgen van de herstructurering als met de beoogde positieve effecten van deze ingrepen. Dit staat los van hun migratieachtergrond.
Ook de «Rotterdamwet» is democratisch vastgesteld, waarbij bij het opstellen daarvan en tijdens de parlementaire behandeling veel aandacht is geweest voor mogelijke discriminerende aspecten. Daarbij zijn de opmerkingen van onder meer de Afdeling advisering van de Raad van State en van het College voor de Rechten van de Mens meegewogen. Verder merk ik in dit verband op dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens eerder heeft geoordeeld dat toepassing van selectieve woningtoewijzing op grond van de Wbmgp geen schending is van het EVRM en dat de beperking van de vrijheid van vestiging gerechtvaardigd is4.
Om deze redenen ben ik niet bereid om de in de vraag genoemde onderzoeken te laten doen.
Bent u bereid er bij de gemeente Rotterdam op aan te dringen om alle herstructureringsprojecten on hold te zetten, zolang het onderzoek naar mensenrechtenschendingen loopt? Zo nee, waarom niet?
Nee, het is aan lokale partijen zoals de gemeente Rotterdam en corporaties als Vestia om concrete invulling aan de volkshuisvestelijke opgave te geven. Lokaal kan de beste afweging in de lokale context worden gemaakt.
Bent u bereid om na het verschijnen van de Leefbaarometer 3.0 de onderbouwing van de vele herstructureringsplannen in Rotterdam-Zuid opnieuw te bekijken, op grond van een analyse met de nieuwe Leefbaarometer en de projecten tot die tijd on hold te zetten? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de gemeente Rotterdam om wel of geen gebruik te maken van de Leefbaarometer voor de onderbouwing van het lokale (woon)beleid. Dat geldt ook voor het eventueel herzien van plannen of projecten na het verschijnen van de Leefbaarometer 3.0. Het is niet aan mij om daar een oordeel over te hebben.
Bent u bereid om grondig te laten onderzoeken, ook over een langere termijn, in het geval van de uitverhuisde Tweebosbuurtbewoners, wat de effecten zijn geweest van de herstructurering op het gebied van hun sociaaleconomische positie en welzijn op andere vlakken? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Rotterdam heeft reeds een onderzoek aangekondigd over de effecten van de ingreep in de Tweebosbuurt en andere herstructureringsprojecten waar herhuisvesting een onderdeel is. Vestia en de andere corporaties ondersteunen dit voornemen en zullen dit onderzoek in samenwerking met de gemeente uitvoeren. De lokale partijen hebben het meeste inzicht in de gevoerde aanpak en zijn daarmee de aangewezen partij om hiermee aan de slag te gaan.
Wat moet er gebeuren voor de bewoners van de Tweebosbuurt en andere Rotterdammers die te maken kregen met het Rotterdamse woonbeleid, als er schendingen van hun mensenrechten worden vastgesteld?
Indien er op welke wijze dan ook bewijs zou zijn voor schendingen van mensenrechten moeten de verantwoordelijke organisaties op basis daarvan hun beleid aanpassen en de getroffenen bijstaan. Indien er vervolgens aanleiding zou zijn om aan te nemen dat dit niet zou gebeuren zou ik hierop toe zien. Ik merk wel op dat hier op dit moment geen sprake van is.
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de totstandkoming van het sloopbesluit van Vestia en de gemeente Rotterdam? Zo nee, waarom niet?
Nee, op dit moment is in deze casus een hoger beroep ingesteld, het is daarom in deze casus aan de rechter om te oordelen over het sloopbesluit. Overigens heeft de rechter op 13 april 2021 al bepaald dat de sloop kon starten.
Deelt u de mening dat zeggenschap van bewoners cruciaal is? Erkent u dat bewoners in de Tweebosbuurt onvoldoende zeggenschap hebben gehad? Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat zeggenschap voor bewoners in (toekomstige) herstructureringswijken wel goed geregeld wordt?
Op dit moment is in deze casus een hoger beroep ingesteld, het is daarom in deze casus aan de rechter om te beoordelen of de belangen van de bewoners geschaad zijn op en op gespannen voet staat met de wet. Zoals reeds aangegeven worden huurders beschermd door de wet en schrijft deze eveneens voor op welke wijze zij betrokken moeten worden.
Hoe kan het dat u die partner is binnen het NPRZ, heeft toegestaan dat de belofte van samenwerking met bewoners uit Rotterdam-Zuid niet of onvoldoende wordt nagekomen en vooral niet op het gebied van de pijler wonen?
Bewoners(organisaties) kunnen de rechter om een oordeel vragen of hun belangen zijn geschaad, zie hiervoor het antwoord op vraag 19.
Kunt u aangeven op welke manieren zeggenschap van bewoners volgens u verankerd is in het NPRZ, met name op de pijler wonen? Hoe verklaart u dat er telkenmale bewonersprotesten ontstaan, als er een (herstructurerings)project binnen de pijler wonen wordt aangekondigd?
De herstructurering van een buurt heeft een grote impact op alle betrokkenen, met name op de bewoners. Het is heel begrijpelijk dat er conflicterende belangen kunnen zijn en die tot een geschil kunnen leiden, daarom is er ook de mogelijkheid om geschillen voor te leggen aan de huurcommissie en/of de rechter.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van bewoners uit Rotterdam-Zuid dat zij niet centraal worden gesteld als zij gedwongen moeten verhuizen, terwijl het centraal stellen van bewoners juist wel het uitgangspunt is van het NPRZ?
Zie het antwoord op vraag 20.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van Rotterdamse huurders dat zij ondanks de «Wet op het overleg huurders verhuurder» heel makkelijk buiten spel gezet kunnen worden?
Zie het antwoord op vraag 6.
Erkent u dat bewoners van de Tweebosbuurt na het besluit tot de sloop van de Tweebosbuurt het recht op zeggenschap en recht op terugkeer naar de Tweebosbuurt of naar de nieuw te bouwen woningen in het zogenaamde Blok S zelf hebben moeten afdwingen? Zo nee, waarom niet?
In het huurrecht is bepaald dat de verhuurder moet aantonen dat er vervangende passende woonruimte voor de huurder beschikbaar is. Passend betekent niet per se dat de woning in ieder opzicht hetzelfde is. Recht op terugkeer volgt niet uit de wet en ook niet uit het Sociaal plan van de Tweebosbuurt. In dat Sociaal plan, dat dateert van juli 2018 en dus van voor het sloopbesluit van de gemeente, was wel al een terugkeerregeling opgenomen, gericht op de nieuw te bouwen sociale huurwoningen. Als uitkomst van procesbegeleiding in 2020 is aan de terugkeerregeling een terugkeergarantie toegevoegd voor bewoners die eind oktober 2020 nog in de Tweebosbuurt woonden.
Ten aanzien van zeggenschap geldt dat op dit moment in deze casus een hoger beroep is ingesteld, het is daarom in deze casus aan de rechter om te beoordelen of de belangen van de bewoners geschaad zijn op en op gespannen voet staat met de wet. Zoals reeds aangegeven worden huurders beschermd door de wet en schrijft deze eveneens voor op welke wijze zij betrokken moeten worden.
Bent u op de hoogte van het feit dat bewonerscommissies niet worden uitgenodigd bij het maken van de prestatieafspraken in Rotterdam? Zo ja, wat heeft u gedaan om dat te voorkomen en wat gaat u daar nog tegen doen? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat woningcorporaties en gemeenten dit nu wel zullen uitvoeren?
In de Woningwet is bepaald dat de prestatieafspraken worden vastgelegd in de lokale driehoek van gemeente, corporatie(s) en huurdersorganisatie(s). De definitie van een huurdersorganisatie is dezelfde als die in de Wet op het overleg huurders verhuurder. Indien er geen overkoepelende huurdersorganisatie is, hebben bewonerscommissies deze positie. Naar ik heb begrepen is er in Rotterdam bij alle corporaties sprake van een overkoepelende huurdersorganisatie en nemen deze organisaties deel aan het lokale overleg. Er is daarmee geen formele aanleiding om ook een bewonerscommissie uit te nodigen.
Vindt u dat de bewoners uit de Tweebosbuurt door het gemeentebestuur van Rotterdam uitgenodigd dienen te worden voor een gesprek waar de VN toe hebben opgeroepen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het gemeentebestuur om deze afweging te maken. Lokaal kan de beste afweging in de lokale context worden gemaakt. Daarbij acht ik het van groot belang dat de dialoog tussen alle partijen voortgezet wordt.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van Vestia-directeur Straver die in het BNN/VARA-programma Opstandelingen stelt dat door «een flinke zak geld» vanuit het rijk met «uitvoeringstermijnen» ze haast moesten maken met de sloop? Erkent u dat de rijksmiddelen hiermee doorslaggevend zijn geweest? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid onderzoek te doen wat de effecten zijn voor bewoners van de speciaal voor Rotterdam-Zuid bedongen kortingen op de verhuurderheffing? Zo nee, waarom niet?3
Er is een regeling geweest waarmee een korting op de verhuurderheffing kon worden gevraagd voor sloop/nieuwbouw. Vestia heeft daar, naast andere corporaties, een aanvraag voor ingediend. De afweging om een aanvraag al dan niet in te dienen is aan de corporatie zelf. Ik zal met Vestia het gesprek aan gaan om verder te onderzoeken of de termijnen voor realisatie op negatieve wijze bij hebben gedragen aan het proces. Het is aan de lokale partijen zelf om onderzoek te doen naar de effecten van de ingreep op zichzelf.
Hoeveel Rijkssubsidie en kortingen op de verhuurderheffing (RVV) zijn er exact aangevraagd voor de sloop van de Tweebosbuurt? Heeft Vestia hiervoor reeds bedragen ontvangen? Kunt u alsnog besluiten de subsidie niet toe te kennen wanneer blijkt dat mensenrechten van bewoners zijn geschonden?
De door Vestia aangevraagde korting op de verhuurderheffing voor sloop is € 13,4 mln. Na afronding vindt de definitieve toekenning plaats. De definitieve toekenning vindt plaats op basis van de vooraf bepaalde kaders voor de activiteit.
Bent u op de hoogte van het feit dat Vestia gebruikmakend van de RVV op de plek van de te slopen woningen niet-DAEB woningen terugbouwt? Zo ja, voldoet dit aan de voorwaarden die de RVV stelt aan deze nieuwbouw? Zo nee, wat zijn de consequenties van dit nieuwe feit?
De heffingsvermindering voor sloop in de verhuurderheffing stelt geen voorwaarden aan wat er voor de gesloopte woningen in de plaats komt. Herstructurering valt ook als activiteit onder het gebied van de volkshuisvesting, net als het streven naar een qua inkomenssamenstelling meer gemengde wijk in een herstructureringsgebied. Corporaties kunnen binnen de grenzen van de Woningwet dus ook bijdragen aan wijkherstructurering, inclusief het vergroten van de diversiteit aan woningtypen in een wijk.
Naast de heffingsvermindering voor sloop kende de verhuurderheffing ook een heffingsvermindering voor nieuwbouw. Om voor deze heffingsvermindering in aanmerking te komen moet het gaan om woningen met een huur niet hoger dan de liberalisatiegrens. Indien het gaat om woningen waarvoor een dergelijke vermindering is aangevraagd zal, als de huur bij eerste toewijzing hoger dan de liberalisatiegrens ligt, de definitieve heffingsvermindering niet worden toegekend.
Bent u bereid om de eisen voor de RVV aan te scherpen? Kunt u hiermee voorkomen dat geen overhaaste besluiten tot sloop worden genomen, waarbij bewoners geen zeggenschap in de plannen hebben gehad?
De RVV is gesloten voor nieuwe aanvragen. Voor de huidige werkzaamheden zijn de aanmeldingen al op grond van de gestelde kaders beoordeeld. Bij afronding van de activiteit binnen de gestelde voorwaarden vindt definitieve toekenning plaats. Het is niet mogelijk om op al gedane toekenningen een aanscherping van de regels toe te passen. Partijen zijn immers begonnen met het investeren op basis van de bekende regels. Het overleg dat plaats moet vinden met de bewoners is reeds geregeld bij wet.
Deelt u de mening dat de eisen zo moeten worden ingericht dat als er DAEB woningen gesloopt worden er voldoende DAEB woningen worden teruggebouwd zodat een recht op terugkeer voor bewoners gegarandeerd kan worden?
Zie mijn antwoord op vraag 29.
Bent u bereid om te voorkomen dat met rijksgeld technisch goede betaalbare woningen worden gesloopt nu er zo’n groot tekort is aan deze woningen?
Landelijk is er een tekort aan woningen, niet alleen aan sociale huurwoningen. Dat betekent dat het voor veel groepen op de woningmarkt nu lastig is om een passende woning te vinden. Ik vind het belangrijk dat zowel de doelgroep voor sociale huurwoning alsook starters en mensen met een middeninkomen betere kansen krijgen op een woning. Naast de bouwopgave (de kwantiteit) die hierbij hoort, moet ook gekeken worden naar kwalitatieve aspecten. Daarom ligt mijn focus bij de woondeals en bij de inzet van de Woningbouwimpuls op het realiseren van meer betaalbare woningen en op woningen die aansluiten bij doelgroepen waar de behoefte het grootst is. Ook in Rotterdam is sprake van een tekort aan woningen. Voor deze lokale situatie is het in eerste instantie aan de gemeente Rotterdam om over de benodigde woningvoorraad in samenspraak met de provincie Zuid-Holland een goede afweging te maken.
Neemt u deze ontwikkelingen in Rotterdam en het VN-Communiqué mee in uw inzet voor een landelijke aanpak van kwetsbare wijken, waarbij ook de woonpijler van het NPRZ door het Ministerie van BZK wordt opgevoerd als lichtend voorbeeld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u mensenrechten en inspraak vanaf nu garanderen bij de aanpak van de woningvoorraad in kwetsbare buurten en wijken in Nederland?
Ik vind het van groot belang om alle signalen, zeker ook een signaal van de VN, mee te nemen in de invulling van beleid.
Hoe voert u de aangenomen moties Beckerman 35 517, nrs. 60 en 61 uit? Heeft u reeds in kaart gebracht of en op welke wijze het kabinet zelf financieel bij kan dragen om deze langlopende ellende voor Vestia en tienduizenden huurders voorgoed op te lossen? Zo ja, hoe? Zo nee wanneer wordt dit uitgevoerd en de Kamer geïnformeerd?
Hierover heb ik op 8 juli jongstleden geïnformeerd (Vergaderjaar 2020–2020, met kenmerk 29 453, nr. 539)6.
Klopt het dat de Rotterdamse woningcorporaties al jaren geleden waarschuwden voor een aankomend tekort van 9.000 sociale huurwoningen in 2030 terwijl de Woonvisie beoogt 13.500 betaalbare woningen te onttrekken aan het goedkoopste segment? Bent u het eens met de VN-Rapporteurs dat dit het vinden van onderdak door grote groepen Rotterdammers nog moeilijker zal maken?
Ik heb begrepen dat er in de aanloop naar het Regioakkoord uit 2019 bij de bespreking van het regionale woningbehoefteonderzoek een verschil van mening heeft bestaan tussen de corporaties in Rotterdam en de gemeente Rotterdam over de aannames omtrent de ontwikkeling van de sociale huurvoorraad tot aan de 2e aftoppingsgrens in handen van particuliere verhuurders. De corporaties waren van mening dat deze sneller zou afnemen dan de gemeente en kwamen tot de conclusie dat de corporaties in 2030 nog 105.600 woningen zouden moeten bezitten om aan de totale woningbehoefte in het segment tot de 2e aftoppingsgrens te kunnen voldoen, terwijl de gemeente volgens haar aannames op 96.400 woningen van corporaties uitkwam.
Bovenstaande verschil van inzicht doet niets af aan de conclusie zoals voor Rotterdam in het Regioakkoord 2019 geland (en die is ondertekend door de corporaties, regiogemeenten en Provincie Zuid-Holland), namelijk dat gezien het feit dat de omvang van de sociale doelgroep in Rotterdam kleiner is dan de voorraad en met het oog op het uitgangspunt van een evenwichtige verdeling van de sociale voorraad over de regio Rotterdam, in Rotterdam ingezet wordt op een afname van de sociale voorraad tot 2030.
Het bericht dat de VS Turkije op een lijst heeft geplaatst van landen die betrokken zijn bij de inzet van kindsoldaten |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken, minister buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Staten Turkije heeft geplaatst op een lijst van landen die betrokken zijn bij de inzet van kindsoldaten vanwege steun aan een Syrische strijdgroep, de Sultan Murad Brigade, die in het verleden ook door Nederland is gesteund?1
Het kabinet is bekend met het bericht.
Wat concludeert de Verenigde Staten precies over het gebruik van kindsoldaten door de Sultan Murad Brigade? Klopt het dat geconcludeerd wordt dat kindsoldaten niet alleen zijn gerekruteerd, maar ook zijn ingezet?2
In het rapport Trafficking in Persons (TIP) voor 2021 wordt gesproken van rekrutering van kindsoldaten door «Turkije gesteunde gewapende oppositiegroepen». In de persconferentie van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken op 1 juli 2021, naar aanleiding van de publicatie van het rapport, is gesteld dat de Sultan Murad Brigade kindsoldaten heeft gerekruteerd en ingezet.
Vanaf wanneer wist de Nederlandse regering of had het sterke aanwijzingen dat de Sultan Murad Brigade kindsoldaten rekruteert?
«De Sultan Murad Brigade is in 2016 door de VN Commission of Inquiry beschuldigd van rekrutering van kindsoldaten. In haar rapport van 11 augustus 2016 schrijft de Commissie dat deze groepering «jongens zo jong als 14» rekruteert. Deze bevindingen zijn zorgwekkend. Het kabinet acht de inzet van kindsoldaten onder alle omstandigheden onacceptabel.
Kunt u een precies overzicht geven van het materieel waarmee Nederland de Sultan Murad Brigade in Syrië heeft gesteund en van wanneer tot wanneer deze steun geleverd is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet doet, zoals eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 32 623, nr. 229), in het openbaar geen uitspraken over groepen die al dan niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland.
Waarom heeft, ondanks rekrutering en inzet van kindsoldaten door de Sultan Murad Brigade, Nederland deze gewapende groep een aantal jaar lang gesteund?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u deze steun, achteraf gezien, een foute beslissing?
Zie antwoord vraag 4.
Onderzoekt de externe commissie die momenteel kijkt naar het Nederlandse steunprogramma ook expliciet naar de inzet van kindsoldaten door groepen die van Nederland steun ontvingen? Deelt u de mening dat het goed is als ook specifiek naar dit aspect gekeken wordt?
De Commissie van onderzoek naar het Non Lethal Assistance (NLA) programma, dat de Nederlandse regering van 2015 tot 2018 in Syrië heeft uitgevoerd, heeft tot taak om onafhankelijk en naar eigen inzicht onderzoek te doen naar het NLA-programma. Ik wijs u in dit verband op het Instellingsbesluit van de Commissie (Kamerstuk 32 623, nr. 317 en Staatscourant 26 maart 2021, nr. 15469).
Prullemanderen stikstofregels |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Inkrimpen veestapel kost economie miljarden» en »Economisch klimaat sluipt achteruit»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat forse inkrimping of zelfs het verdwijnen van de veeteelt in bepaalde stikstofgevoelige gebieden de Nederlandse economie miljarden euro’s en tienduizenden banen kan kosten?
De heer Van Haga verwijst naar een krantenartikel, waarin uitspraken van een landbouweconoom van het CBS staan over de economische gevolgen van een advies van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aan de regering om de veeteelt in bepaalde stikstofgevoelige gebieden fors in te krimpen of te doen verdwijnen.2 Besluitvorming over de uitvoering van dit advies, evenals over andere adviezen aan de regering over de stikstofaanpak, moet nog plaatsvinden.
In het aangehaalde artikel geeft een landbouweconoom van het CBS aan dat het «agro-complex» van de vee-industrie € 10 miljard toegevoegde waarde heeft en ruim 300.000 banen omvat.3 De landbouweconoom concludeert, aldus het artikel, dat als de veestapel met de helft wordt ingekrompen, ook de helft van de toegevoegde waarde verdampt. Deze conclusie berust op een onderliggende aanname dat een krimp in toegevoegde waarde proportioneel zou zijn aan een krimp in de veestapel. Dit is echter niet per definitie het geval; de productiviteit en toegevoegde waarde verschillen immers per bedrijf en per sector binnen het agro-complex. Zo hebben duurzamere bedrijven bijvoorbeeld vaak een hogere marge en daarmee meer toegevoegde waarde per product. Indien een veehouderij bijvoorbeeld zou extensiveren, met als gevolg een kleiner aantal dieren, kan het relatief aantrekkelijker worden om in te zetten op kwaliteitsverbeteringen om zo de toegevoegde waarde te verhogen.4
Als een sector door veranderend beleid (of door veranderende marktomstandigheden) krimpt, dan gaat hierbij inderdaad economische activiteit verloren. Gezien het aanpassingsvermogen van de economie, zou een dergelijk verlies echter veelal tijdelijk zijn. Een verlies van economische activiteit in een sector (zoals bijvoorbeeld de agrarische sector) als gevolg van eventuele maatregelen dient te worden afgewogen tegen het verlies of mislopen van economische activiteit in alle sectoren als gevolg van het eventueel niet nemen van deze maatregelen (door onder andere de stikstofproblematiek). Zo wordt het totale economische effect van eventuele inkrimpingsmaatregelen gedempt. Uiteindelijk zal het kabinet bij het maken van beleid veelomvattend diverse publieke belangen dienen te wegen waarbij het kabinet altijd de sociaaleconomische consequenties van de voorgestelde maatregelen beziet.
Wat vindt van het feit dat de door ons zelf opgelegde stikstofregels daar de oorzaak van zijn?
Het kabinet vervult met de maatregelen die het neemt om de stikstofproblematiek op te lossen de verplichtingen die volgen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van Nederland: de Raad van State.5 Het betreft derhalve geen «zelf opgelegde stikstofregels», maar het voldoen aan wet- en regelgeving en het volgen van rechtelijke uitspraken, zoals van een overheid binnen een rechtstaat verwacht mag worden.
Wat vindt u van het feit dat regionale werkgeversorganisaties stellen dat ze zonder het stikstofbeleid al voor miljarden aan duurzame investeringen in de regio’s hadden kunnen bijdragen aan de brede welvaart ter plaatse?
Het is mij bekend dat de stikstofproblematiek voor forse belemmeringen heeft gezorgd voor onder andere duurzame investeringen. Dit is uiteraard een onwenselijke situatie. Vanaf het moment dat de Raad van State op 29 mei 2019 stelde dat de Programmatische Stikstof Aanpak niet als basis voor de toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden, zetten het kabinet en de decentrale overheden zich in om oplossingen te vinden voor bedrijven die in Nederland willen investeren. Voorbeelden betreffen onder meer extern salderen, het stikstofregistratiesysteem (SSRS) en de partiële bouwvrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de bouwsector.
Ook de komende tijd blijven het kabinet en de decentrale overheden zich inspannen om belemmeringen door stikstof voor onder andere duurzame investeringen weg te nemen. Daarbij geldt wel dat Nederland gehouden is aan de juridische verplichting om de natuur te doen herstellen en verbeteren. Hierbij is ook het perspectief van brede welvaart en de kwaliteit van de natuur voor onze leefomgeving van belang. Bij toestemmingverlening voor activiteiten met stikstofuitstoot dienen daarom altijd de effecten voor de natuur in ogenschouw genomen te worden. Het kabinet zet met de structurele aanpak stikstof in op natuurverbetering, ten eerste om te zorgen dat Nederland op termijn weer aan de natuurdoelstellingen voldoet, maar ook om te zorgen dat daarmee weer meer ruimte voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen ontstaat.
Deelt u de mening dat de stikstofregels heuse banenverdelgers zijn en dat ze onze economie grote schade toebrengen? Zo ja, wilt u zich hard maken om deze onzalige regels te schrappen, zodat onze economie weer kan floreren?
Met betrekking tot de stelling dat de stikstofregels heuse banenverdelgers zijn en dat ze onze economie grote schade toebrengen verwijs ik graag naar het antwoord op vraag 2. Met betrekking tot het schrappen van «deze onzalige regels» wil ik nogmaals wijzen op het feit dat er geen sprake is van «zelf opgelegde stikstofregels», maar het voldoen aan wet- en regelgeving en het volgen van rechtelijke uitspraken, zoals van een overheid binnen een rechtstaat verwacht mag worden.
Wat vindt u van het feit dat regionale werkgeversorganisaties het volgende stellen: «Als we ook de nationale woningnood, onze kwetsbare wijken, onze slechte onderwijsscores, het gebrek aan structuurversterkende investeringen (kennis, innovatie, duurzaamheid) en bijvoorbeeld onze bereikbaarheid niet flink aanpakken, dan prijzen we ons uit de markt en haken investeerders af.»? Graag een gedetailleerd antwoord met uw oplossingen
Het is goed dat ruim 50 gemeenten en (ondernemers)organisaties een gezamenlijk manifest hebben opgesteld waarin zij richting een volgend kabinet een pleidooi doen om samen te werken aan versterking van het Nederlands vestigingsklimaat. Deze partijen spreken ook hun zorgen uit over hoe het Nederlandse vestigingsklimaat zich ontwikkelt. Zorgen die ik vaker hoor tijdens gesprekken met partijen uit het veld.
Sterke clusters – met hun unieke samenwerking tussen grote bedrijven, mkb-bedrijven en kennisinstellingen – zijn belangrijk voor ons huidig en toekomstig verdienvermogen en dragen daarmee bij aan het versterken van de brede welvaart. Een aantrekkelijk vestigings- en investeringsklimaat is een belangrijke randvoorwaarde voor de verdere ontwikkeling van deze clusters (zoals Brainport Eindhoven, Foodvalley in Wageningen en chemiecluster Chemelot) en komt daarmee dus de brede welvaart in Nederland ten goede. Het is de rol van de overheid om de randvoorwaarden te scheppen waarin bedrijven kunnen ondernemen. Dit doet het Rijk niet alleen; ons vestigingsklimaat is mede het resultaat van jarenlange inspanning van Rijk en regio op velerlei terreinen. Het is dan ook een verantwoordelijkheid van ons allen, zowel publieke als private partijen, om onze goede positie te behouden en waar mogelijk te verbeteren.
In het manifest wordt een zestal terreinen genoemd waar de schrijvers graag samen met een komend kabinet publiek-privaat de schouders onder zetten, waaronder leefklimaat, beroepsbevolking, bereikbaarheid, en kennis en innovatie. Op een aantal van de genoemde terreinen heeft het huidige kabinet al stappen gezet. Concrete voorbeelden hiervan op terrein van beroepsbevolking zijn de investering van € 8,5 miljard voor het Nationaal Programma Onderwijs en de opening van de Subsidieregeling omscholing naar kansrijke beroepen in de ICT en techniek op 1 september 2021. Ook via het Nationaal Groeifonds, waarmee de komende 5 jaar € 20 miljard wordt geïnvesteerd in projecten op gebied van Research & Development en innovatie, kennisontwikkeling en infrastructuur, stimuleert het kabinet investeringen in ons toekomstig verdienvermogen.
Momenteel wordt er aan een actieagenda voor de industrie gewerkt, waarin ook de punten uit het manifest Vestigingsklimaat worden meegenomen. In deze actieagenda wordt nadrukkelijk ingegaan op het vestigingsklimaat, dat een belangrijke randvoorwaarde is voor het versterken van de industrie, en waar dit mogelijk kan worden verbeterd. De uiteindelijke uitwerking van de actieagenda is aan een volgend kabinet.