De humanitaire gevolgen van tyfoon Rai op de Filipijnen |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
de Th. Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige humanitaire gevolgen van de tyfoon RAI op de Filipijnen, waarbij minstens 375 doden en 500 gewonden te betreuren zijn?1
Ja. Up-to-date informatie over de gevolgen van deze tyfoon bereikt ons via onze ambassade in Manila, via OCHA, de VN-organisatie die de internationale noodhulp coördineert en via ECHO, de noodhulporganisatie van de EU.
Is het juist dat de Europese Unie inmiddels besloten heeft om specifieke humanitaire hulpverlening te geven ter waarde van € 1,7 miljoen? Acht u dat voldoende?
Bij de respons hebben de Filipijnse autoriteiten – en met name de National Disaster Risk Reduction and Management Council (NDRRMC) – het voortouw. Op verzoek van de regering en in aanvulling op hulpverlening door nationale en lokale instanties coördineert OCHA de internationale respons. OCHA en het Humanitarian Country Team (HCT) stelden inmiddels samen met het NDRRMC een needs assessment en een responsplan op. WFP, UNICEF en andere organisaties die deel uitmaken van het HCT voeren hulpacties uit. Het Filipijnse Rode Kruis is actief, het Filipijnse bedrijfsleven stelt diensten en geld beschikbaar en binnen de Filipijnse samenleving zijn er eveneens hulpinitiatieven. Vanuit diverse landen en ook vanuit de ASEAN wordt hulp in verschillende vorm aangeboden. De EU maakte EUR 1,7 miljoen vrij. Gezien de omvang van de schade heeft het HCT een beroep gedaan op het CERF, het VN-noodhulpfonds voor acute crises. Nederland is daarvan een grote donor. Uit dit fonds wordt USD 12 miljoen beschikbaar gemaakt.
Is het juist dat er in de getroffen regio grote behoefte is aan schoon drinkwater, voedsel en elektriciteit?
De tyfoon heeft in 10 regio’s gezorgd voor aanzienlijke ontheemding en veroorzaakte grote schade aan huizen, wegen, elektrische voorzieningen communicatie-infrastructuur etc. Noodhulp aan getroffenen richt zich onder meer op voedsel, WASH, medische zorg, onderdak en andere basisvoorzieningen. Na de tyfoon Haiyan (2013) heeft de Filipijnse regering geïnvesteerd in preparedness en early warning. In de aanloop naar de tyfoon Rai werd een half miljoen mensen geëvacueerd. Daardoor is het aantal doden en gewonden dat valt te betreuren vele malen kleiner dan negen jaar geleden.
Heeft Nederland besloten om uit het beschikbare humanitaire budget extra middelen te doneren voor het helpen bestrijden van de gevolgen van deze grote natuurramp? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Nederlandse noodhulpbeleid richt zich op een internationaal humanitair systeem dat zo optimaal mogelijk en in samenwerking functioneert én op het voorspelbaar en «ongeoormerkt» financieren van VN-partners als OCHA, UNICEF en WFP, van het VN-fonds CERF, de Rode-Kruisbeweging en de Dutch Relief Alliance. Op die manier maakt Nederland het organisaties mogelijk snel te reageren daar waar de nood het hoogst is, zoals nu bij deze respons (zie ook het antwoord op vraag 2). De Nederlandse overheid heeft in dit licht geen extra middelen beschikbaar gesteld.
Bent u bereid, zeker als er nog geen extra middelen zijn toegekend aan de Filipijnen, om hier een extra (financiële) inspanning als Nederland op te leveren?
Afhankelijk van de wijze waarop de situatie zich met betrekking tot de noden en de respons ontwikkelt, kan begin 2022 worden bezien of een extra Nederlandse bijdrage wenselijk en mogelijk is.
Bent u bereid, gelet op de urgentie, om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het coalitieakkoord |
|
Pieter Omtzigt , Farid Azarkan (DENK), Laurens Dassen (Volt), Lammert van Raan (PvdD), Caroline van der Plas (BBB), Liane den Haan (GOUD), Tom van der Lee (GL), Wybren van Haga (BVNL), Chris Stoffer (SGP), Teun van Dijck (PVV), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, één voor één beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja.
Met hoeveel zekerheid zijn de plannen in dit coalitieakkoord voldoende om de aangescherpte doelstelling van 2030 (Commissie-Remkes) te halen?
In het coalitieakkoord is ervoor gekozen om het advies van de Commissie Remkes voor een aanscherpte doelstelling van 2030 te volgen, om de natuur te herstellen en de biodiversiteit te verbeteren. Er is voor de integrale gebiedsgerichte aanpak 25 miljard vrijgemaakt.
Op 12 november jl. is met de Kamerbrief Voortgang Stikstof (Kamerstuk 35 334, nr. 170) uw Kamer geïnformeerd over de analyses die de kennisinstellingen PBL, RIVM en WUR hebben gemaakt ten behoeve van de te maken keuzes omtrent een integrale aanpak.
De ambtelijke inschatting o.b.v. het PBL-rapport is dat de aangescherpte doelstelling van 2030 zoals benoemd in het coalitieakkoord binnen bereik kan komen als aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt. Het doelbereik hangt bijvoorbeeld sterk af van een succesvolle ruimtelijke inrichting van het pakket en de vormgeving van de maatregelen. Om hierbij perspectief te bieden aan de boer, en ruimte te laten voor het ondernemerschap, wordt ingezet op het leveren van maatwerk in de uitvoering van dit beleid.
Om het precieze doelbereik te bepalen is een aanvullende doorrekening noodzakelijk, na verdere uitwerking van de plannen. De vormgeving van de uitvoering is namelijk ook zeer belangrijk voor de doeltreffendheid en doelmatigheid en daarmee voor de prognose of de aangescherpte doelstelling ermee wordt gerealiseerd. Op verschillende manieren zal worden ingeregeld dat de doelen onontkoombaar zullen worden gehaald.
Zijn er ramingen gemaakt van de effecten van de stikstofmaatregelen? Kunt u deze delen met de Kamer?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, is uw Kamer op 12 november jl. met de Kamerbrief Voortgang Stikstof (Kamerstuk 35 334, nr. 170) geïnformeerd over de analyses die de kennisinstellingen PBL, RIVM en WUR hebben gemaakt ten behoeve van de te maken keuzes omtrent een integrale aanpak. In meegestuurde rapporten wordt de samenhang tussen de stikstofopgave, de klimaatopgave en de opgave op waterkwaliteit kwantitatief en kwalitatief nader geduid. De rapporten geven een beeld van de effecten van diverse maatregelenpakketten, de sociaaleconomische consequenties en het toekomstperspectief voor in het bijzonder de landbouwsector.
Wat betekent de ambitie van de coalitie om de natuur van Caribisch Nederland beter te beschermen voor het Chogogo Hotel op Bonaire?
De doelen en ambitie voor de natuur van Caribisch Nederland zijn vastgesteld in het Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 (NMBP). In het nieuwe coalitieakkoord is incidenteel 35 miljoen euro gereserveerd voor de uitvoering van de eerste fase (tot 2025) van het Natuur en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. De openbare lichamen zijn en blijven verantwoordelijk voor het eilandelijk natuurbeheer. Het maken van een afweging tussen publieke belangen zoals natuur en private belangen zoals een hotel is dan ook primair aan het betreffende bestuurscollege van het openbaar lichaam. (Ruimtelijke) ontwikkelingen zijn mogelijk binnen het wettelijk kader, handhaving is daarvoor essentieel. Om die reden zullen de bij het NMBP betrokken ministeries de openbare lichamen ondersteunen in het vaststellen van toezicht en handhavingsprogramma’s voor natuur en milieu. Met betrekking tot de activiteiten van het Chogogo hotel is het vergunning proces niet goed doorlopen. Op korte termijn zal dit worden hersteld door het nemen van een besluit door het openbaar lichaam over de aanvraag voor een vergunning voor uitvoering van de activiteiten. Om de situaties zoals het Chogogo hotel in de toekomst te voorkomen zullen de bij het NMBP betrokken ministeries de openbare lichamen ondersteunen in het vaststellen van toezicht en handhavingsprogramma’s voor natuur en milieu.
Welk doel is er gesteld onder de carbon credits om de verdienmodellen van boeren te versterken? En hoe hangt dit samen met de voorgestelde Europese verordeningen rondom landgebruik en emmissiereductie in de landbouw?
«Carbon credits» worden in het coalitieakkoord genoemd als een van de mogelijke nieuwe verdienmodellen die het kabinet zal stimuleren. Het nationale beleid t.a.v. koolstoflandbouw («carbon farming»), waaronder «carbon credits» vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. Zoals gesteld in de recente mededeling van de Europese Commissie «Sustainable Carbon Cycles» COM(2021) 800 kan koolstoflandbouw een belangrijke bijdrage leveren aan het bereiken van de doelen van het voorstel tot wijziging van de LULUCF-verordening: 310 Mton CO2-equivalent netto koolstofverwijderingen per jaar op EU-niveau in 2030 en klimaatneutraliteit in de gehele landsector op EU-niveau in 2035. Met klimaatneutraliteit in de gehele landsector bedoelt de Commissie een balans tussen broeikasgasemissies van landgebruik, vee en kunstmestgebruik enerzijds en koolstofverwijderingen in terrestrische ecosystemen anderzijds. Het kabinet is nog bezig met het bestuderen van de genoemde Commissiemededeling, in februari 2022 zal het BNC-fiche aan uw Kamer worden verzonden.
Erkent u de kritiek en angst van boeren dat het geld uit het fonds voor de transitie van de landbouw vooral zal worden besteed aan advies of consulten? Hoe gaat u er voor zorgen dat de gelden in het fonds voor de landbouw terecht komen op het boerenerf?
Het transitiefonds is bedoeld om tijdens een meerjarige transitie mogelijk te maken dat doelen op het terrein van stikstof, natuurherstel, klimaat en water gerealiseerd worden met een gebiedsgerichte aanpak. De inrichting van de wijze van vrijgeven van gelden uit het transitiefonds en van de wijze van monitoring zal erop gericht zijn dat de besteding van de middelen doelmatig is. Dit zullen we «lerend» doen: van ervaringen hoe we met zoveel mogelijk tempo doelmatig stappen kunnen zetten willen we leren en doorvertalen in eventuele aanpassing van onze werkwijze.
Voor een belangrijk deel gaat het werken aan de doelen op het terrein van stikstof, natuurherstel, klimaat en water leiden tot veranderingen op het boerenerf l. Buiten kijf staat dat dit veel meer inhoudt dan «vooral advies of consulten». Deze doelen kunnen nooit gehaald worden met «vooral advies of consulten». Het vergt inzet van een mix van maatregelen met maatwerk op gebiedsniveau. Perspectief voor boeren, het verstandig gebruik maken van innovaties en het komen tot andere verdienmodellen zijn hier belangrijke onderdelen van.
Wat definieert u als duurzaam voedsel dat gestimuleerd dient te worden, aangezien het coalitieakkoord spreekt over het stimuleren van lokaal en duurzaam voedsel? En hoe hangt dit samen met de voorgestelde EU gelden en campagnes voor stimulatie van biologisch voedsel?
Duurzaam voedsel is afkomstig uit duurzame landbouw, waarbij met respect voor milieu, natuur, water en dierenwelzijn vee gehouden wordt en/of plantaardige producten geteeld worden, én dat past binnen een gezond en duurzaam voedingspatroon volgens de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum. Om duurzaam voedsel herkenbaar en de keuze ervoor makkelijker te maken, wordt vaak gebruik gemaakt van een keurmerk met een logo als hulpmiddel op de verpakking van voedingsmiddelen. Er zijn op dit moment tien topkeurmerken op het gebied van duurzaamheid. Deze zijn terug te vinden in de Keurmerkenwijzer van Milieu Centraal en scoren het hoogst op het gebied van controle, transparantie en ambitieniveau ten aanzien van milieu, dierenwelzijn of mens en werk. Biologisch voedsel is een voorbeeld van duurzaam voedsel. Het wettelijk geborgde Europees keurmerk voor biologisch is één van de tien topkeurmerken. Een product met een biologische keurmerk voldoet aan de EU-regels en eisen voor biologische landbouw, die via een EU-verordening vastgelegd zijn. Op basis van de boer-tot-bord strategie heeft de Europese Commissie op 25 maart 2021 een «Actieplan voor de ontwikkeling van de biologische productie» gepubliceerd, waarvoor de Europese Commissie financiële middelen heeft uitgetrokken.
Welke rol gaat het fonds voor de landbouw spelen in het financieel ondersteunen van extensiveren, aangezien het coalitieakkoord spreekt over een gebiedsgerichte aanpak voor extensivering, innovatie, legalisering en verplaatsing.? Acht u dit genoeg om de doelen rondom klimaat en extensivering te halen?
Het doel van het transitiefonds van cumulatief € 25 miljard is het mogelijk maken om doelen op het terrein van stikstof, natuurherstel, klimaat en water te realiseren met een integrale gebiedsgerichte aanpak. Deze aanpak bestaat uit een mix van maatregelen met maatwerk op gebiedsniveau. Extensivering is een van de mogelijke maatregelen om de doelen te realiseren. Provincies stellen voor deze aanpak gebiedsplannen op, in samenspraak met medeoverheden en andere betrokkenen, onder meer gebaseerd op de verplichtingen uit de stikstofwet, zoals die medio 2021 in werking is getreden. Deze gebiedsplannen moeten uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van de stikstofwet door de provincies worden opgeleverd. Elk gebiedsplan zal onder meer inzicht bieden in de inzet van maatregelen en middelen en de daarmee te behalen resultaten. Voor de stikstof, natuur, klimaat en water opgaven is de optelsom van gebiedsplannen van belang. Alle opgaven, ook die voor klimaat, kennen immers nationale (reductie)doelen Om te verzekeren dat de aanpak in de gebieden de- benodigde broeikasgasreductie oplevert, en tevens het benodigde voor de andere doelen op het terrein van natuurherstel en waterkwaliteit, zal het kabinet kaders meegeven aan de provincies voor de planvorming en toezien op doelbereik in de uitvoering. Dit gebeurt in goed overleg met het IPO en vraagt nadere uitwerking en besluitvorming. U wordt hier zo spoedig mogelijk over geïnformeerd.
Is het de bedoeling dat provincies meer ruimte krijgen om eigen keuzes te maken voor de inzet van middelen voor opkoop dan wel innovatieve stalsystemen en managementmaatregelen afhankelijk van gebiedsprocessen?
Zoals in het coalitieakkoord staat vermeld komt er een Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) waarin bestuurlijke afspraken met provincies worden gemaakt om gebiedsgericht de opgaven ten aanzien van natuurherstel, klimaat en water te halen. Dit programma moet nog worden uitgewerkt; hierin zal o.a. worden gekeken hoe beslist wordt over de inzet van maatregelen en middelen. Er zijn verschillende mogelijkheden, waarbij van belang is dat goed gekeken wordt dat de verandering goed aansluit op de veranderideeën van de betrokken boeren. Dit punt zal bij de vormgeving van het NPLG door ons met provincies worden besproken. Tevens worden voorwaarden vastgelegd aan de inzet van rijksbudget en de instrumenten die het kabinet beschikbaar stelt.
Is invoering van de door de commissie Remkes voorgestelde afrekenbare stoffenbalans een randvoorwaarde voor aanscherping van de doelstellingen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering?
Het kabinet laat momenteel verkenningen doen naar de mogelijkheden voor doelsturing via een Afrekenbare Stoffen Balans (ASB). Deze verkenningen zijn in de afrondende fase en uw Kamer zal hierover binnenkort geïnformeerd worden.
Wordt voor het opstellen van het voorstel tot wijziging van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering eerst een analyse gemaakt van de haalbaarheid van de voorgestelde versnelling van de doelstellingen?
Zoals ook in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangegeven, is Uw Kamer op 12 november jl. met de Kamerbrief Voortgang Stikstof (Kamerstuk 35 334, nr. 170) geïnformeerd over de analyses die de kennisinstellingen PBL, RIVM en WUR hebben gemaakt ten behoeve van de te maken keuzes omtrent een integrale aanpak. De met de Kamerbrief meegestuurde rapporten geven ook een beeld van de effecten van diverse maatregelenpakketten, de sociaaleconomische consequenties en het toekomstperspectief voor in het bijzonder de landbouwsector. De ambtelijke inschatting o.b.v. het PBL-rapport is dat, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden, een integrale, gebiedsgerichte aanpak de aangescherpte doelstelling van 2030 binnen bereik kan komen. Het precieze te verwachten doelbereik vraagt om een aanvullende doorrekening van de nadere uitgewerkte van de integrale, gebiedsgerichte aanpak door PBL en RIVM. Hierbij zal ook de vormgeving van de uitvoering nader getoetst moeten worden om te komen tot een realistische prognose. Al deze informatie wordt meegenomen bij de voorgenomen wijziging van de middels de Wet stikstofreductie en natuurverbetering vastgelegde doelstellingen conform het coalitieakkoord. U wordt hier zo spoedig mogelijk nader over geïnformeerd.
Is het de bedoeling om onteigening in het kader van de stikstofaanpak zoveel mogelijk te voorkomen?
Het kabinet heeft gekozen voor een integrale, gebiedsgerichte aanpak voor substantiële stikstofreductie en het aanpakken van andere drukfactoren. Hiermee wordt gewerkt aan het onontkoombaar behalen van de doelen van de VHR, en daarmee ook aan de voorwaarden voor eenvoudiger toestemmingsverlening op termijn. Het onontkoombaar maken van doelen, instrumenten en middelen is noodzakelijk voor de doelmatigheid en voorspelbaarheid van deze aanpak in het onomstotelijk realiseren van de opgave. Dit is nodig voor natuurherstel, het bieden van een toekomstperspectief voor de boeren en de juridische houdbaarheid voor infra- en woningbouwprojecten. De gebiedsgerichte aanpak moet ervoor zorgen dat de doelen worden gehaald terwijl gelijktijdig recht wordt gedaan aan de leefbaarheid en het ondernemerschap van boeren en andere bewoners in het gebied. Het pakket is nadrukkelijk integraal ingestoken met het oog op het bieden van perspectief voor blijvers en stoppers binnen de landbouw, om te voorkomen dat agrarische ondernemers binnen afzienbare tijd meerdere malen geconfronteerd worden met verschillende opgaven of dat maatregelen worden genomen die voor de ene opgave wel, maar de andere opgave niet werken. Dat pakket bestaat uit een waaier aan mogelijkheden, zoals de opkoop van veehouderijen, inzet op stalinnovatie en het stimuleren van omschakeling voor de boeren die blijven. Onteigening is hierbij als sluitstuk van de aanpak niet uitgesloten wanneer dit voor het behalen van de doelen onontkoombaar is.
Is het de bedoeling om het traject voor het legaliseren van PAS-knelgevallen te versnellen?
We werken zo snel als mogelijk aan legalisering om boeren en andere initiatiefnemers zekerheid te bieden voor hun activiteiten. Van de eerste meldingen staat al vast dat ze legaal zijn op basis van intern salderen. Wettelijk is vastgelegd dat drie jaar na het vaststellen van het legalisatieprogramma (januari 2025) alle maatregelen moeten zijn uitgevoerd die nodig zijn voor het legaliseren van de meldingen en meldingsvrije activiteiten. Voor het legaliseren is het immers nodig dat er stikstofruimte ontstaat via de saneringsregeling varkenshouderij en uitvoering van de landelijke beëindigingsregeling veehouderijen en de gerichte opkoopregeling.
Is het de bedoeling om in de gebiedsgerichte aanpak op basis van de ecologische analyses verder te kijken dan stikstof en de focus op de kritische depositiewaarden los te laten?
Het is de bedoeling om samen met betrokken stakeholders in de gebiedsgerichte aanpak integraal te kijken naar de opgave ten aanzien van stikstof, natuurherstel, klimaat en water. Hierbij zullen voor de natuuropgave alle drukfactoren, waaronder stikstof, betrokken worden. Voor stikstof is de doelstelling door dit kabinet gesteld om in 2030 74% van het Natura 2000-areaal onder de kritische depositiewaarde te brengen. Daarbij wordt, conform het coalitieakkoord, ook het perspectief voor de landbouw in een bepaald gebied meegenomen. De ecologische analyses ondersteunen de gebiedsgerichte aanpak door per gebied inzicht te geven in de opgave voor het verbeteren van de staat van instandhouding. De kritische depositiewaarden blijven daarbij onverminderd relevant, aangezien het verminderen van stikstofdepositie essentieel blijft voor zowel de staat van de natuur als de mogelijkheden voor nieuwe gebiedsontwikkelingen.
Hoe wilt u verdergaan met het traject voor de totstandkoming van een landbouwakkoord, waarvoor de Sociaal Economische Raad (SER) inmiddels een verkenning heeft afgerond?
De SER heeft in mei 2020 een verkenning uitgevoerd naar een landbouwakkoord uitgevoerd. Het rapport daarover, «Naar duurzame toekomstperspectieven voor de landbouw» is aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 35 600, nr. 58). Er moet nog besluitvorming plaatsvinden over op welke wijze opvolging wordt gegeven aan deze verkenning. Daarna zal ik uw Kamer nader informeren.
Wordt bij het voornemen om te onderzoeken op welke wijze een bijdrage van de consument aan de verduurzaming van de landbouw vormgegeven zou kunnen worden, gedacht aan een vorm van heffing op voedingsproducten?
We onderzoeken op welke wijze een bijdrage van de consument aan de verduurzaming van de landbouw vormgegeven zou kunnen worden. Uw Kamer wordt hier zo snel mogelijk over geïnformeerd.
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja, dat kan.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Alle vragen worden nu beantwoord, waarbij bij een aantal vragen verwezen wordt naar de nadere uitwerking van het coalitieakkoord.
Hoe hoog wordt de nieuwe basisbeurs voor studenten?
Op dit moment wordt gewerkt aan de nadere uitwerking van een nieuw studiefinancieringsstelsel. Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Hoe hoog wordt de compensatie voor de leenstelselgeneratie? Klopt het dat een bedrag van € 1 miljard leidt tot een compensatie van zo’n € 1.500 per student?
Het totale bedrag dat voor de tegemoetkoming beschikbaar is, is € 1 miljard. De hoogte van de tegemoetkoming per student hangt af van de omvang van de doelgroep en de vormgeving van de regeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de nadere uitwerking van de tegemoetkoming voor studenten voor wie geen basisbeurs beschikbaar is geweest. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Hoe hoog zal de gemiddelde leenstelselcompensatie per student zijn wanneer de basisbeurs aankomend collegejaar (per 1 september 2022) zou worden ingevoerd in plaats van in 2023–2024?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. Het is uitvoeringstechnisch niet mogelijk om de basisbeurs al per 1 september 2022 in te voeren. In algemene zin kan wel gesteld worden dat hoe meer studenten in aanmerking komen voor de tegemoetkoming, hoe lager het bedrag per student zal zijn.
In hoeverre wordt de Lissabondoelstelling (3% bruto binnenlands product voor onderzoek en ontwikkeling) met dit coalitieakkoord bereikt?
Nederland heeft in Europees verband afgesproken om 2,5% van het bbp te besteden aan R&D en te streven naar 3%. In 2019 (het laatste peiljaar) besteedde Nederland 2,18% van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling. Met het nieuwe coalitieakkoord zet het kabinet koers naar een kenniseconomie waarbij we, in lijn met de Lissabondoelstelling, investeren in vrij en ongebonden onderzoek en ontwikkeling. Zo investeren we structureel € 700 miljoen per jaar in vervolgopleidingen en onderzoek, richten we een fonds op voor onderzoek en wetenschap van in totaal € 5 miljard over 10 jaar. Daarnaast wordt binnen het Nationaal Groeifonds het budget voor de pijlers kennisontwikkeling en onderzoek, ontwikkeling en innovatie verhoogd met € 6,7 miljard. Ondanks deze forse investeringen is de verwachting dat we deze kabinetsperiode nog niet het streven van 3% bereiken. In hoeverre dit wordt gehaald is echter ook afhankelijk van de (hoogte van de) private investeringen en de stand van het bbp zelf. Daarover zijn op dit moment de cijfers nog niet beschikbaar.
Wordt het Regenboogakkoord integraal overgenomen? Zo niet, welke maatregel uit het Regenboogakkoord wordt niet overgenomen?
Het Regenboog Stembusakkoord is door een grote meerderheid van de Tweede Kamerfracties ondertekend, namelijk door VVD, CDA, D66, GL, SP, PVDA, PvdD en 50PLUS. Ook Volt en BIJ1 hebben aangegeven dat ze het akkoord onderschrijven. In het coalitieakkoord staat dat we blijven werken aan de acceptatie, veiligheid en emancipatie van de LHBTQI+ gemeenschap en dat het Regenboogakkoord hiervoor de basis is. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Staat de taakstelling vanwege het niet verhogen van de studierente nog steeds in de boeken bij OCW of is deze taakstelling inmiddels geschrapt?
De geraamde generale opbrengst (structureel € 226 miljoen) van de SF-rentemaatregel uit het regeerakkoord «Vertrouwen in de Toekomst» is afgeboekt van art. 6 (hbo) en art. 7 (wo) toen in 2019 werd besloten de rentemaatregel in te trekken. Hier is met het coalitieakkoord geen wijziging in aangebracht. Bij Voorjaarsnota wordt bezien hoe deze afboeking met een concrete maatregel kan worden ingevuld en/of alternatief kan worden gedekt op de OCW-begroting.
Welk bedrag en percentage van de extra onderwijsuitgaven in het coalitieakkoord gaan naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo)? Hoe verhoudt dit zich tot het aantal studenten op het mbo, hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo)?
Hoe de investeringen uit het regeerakkoord precies over de sectoren worden verdeeld – in bedragen, percentages en per student – is afhankelijk van de uitwerking van de diverse maatregelen. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. In de begroting van OCW wordt een tabel opgenomen waarin intensiveringen zijn uitgesplitst naar sectoren.
Kunt u aangeven welke verhoging u beoogt voor de salarisverhoging van leraren/schoolleiders, op welke schaal en hoe het budget verdeeld is tussen deze twee groepen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Wat is uw doelstelling voor het lerarentekort in 2025?
Zoals in het coalitieakkoord staat, investeren wij in leraren en schoolleiders om zo de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Door te investeren in (bij)scholing en professionele ontwikkeling, in het verlagen van de werkdruk en in de verbetering van de arbeidsvoorwaarden maken we het aantrekkelijk om te gaan en blijven werken in het onderwijs. Dat zijn belangrijke stappen om het lerarentekort aan te pakken en de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Over de verdere uitwerking en doelstelling van de aanpak van de tekorten informeren wij de Kamer, dit voorjaar conform de toezegging gedaan in de decemberbrief (Kamerstuk 27 923, nr. 436).
Op wat voor manier wordt de strijd aangegaan om nepnieuws tegen te gaan, zonder daarbij de persvrijheid in het geding komt?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Hoe wordt de onafhankelijkheid van de pers op lokaal niveau gewaarborgd door de financiering over te hevelen naar landelijk niveau? Is daar niet meer voor nodig?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. Met het overhevelen van de financiering van lokale omroepen naar het Rijk beëindigt het kabinet de situatie waarin lokale omroepen, die geacht worden de lokale politiek kritisch te volgen, afhankelijk worden van de gemeente als subsidieverstrekker. Het advies van de Raad voor Openbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur dat het vorige kabinet heeft verstrekt, bevatte de aanbeveling om de financiering om deze reden over te dragen aan het Rijk. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Hoe gaat het kabinet «ieder kind gelijke kansen» geven en «oog voor de talenten van ieder kind», terwijl het recht op passend onderwijs al jaren bestaat en er desondanks duizenden scholieren thuis zitten omdat er geen passende school te vinden is?
Het is belangrijk dat elk kind de kans krijgt om zich maximaal te ontwikkelen. Daarbij is het uitgangspunt dat dit zoveel mogelijk in het reguliere onderwijs gebeurt, eventueel met extra ondersteuning die daarbij nodig is. Sommige jongeren hebben echter zo’n specifieke behoefte op het gebied van onderwijs of zorg dat zij een vorm van speciaal onderwijs nodig hebben. Om te zorgen dat er voor elke kind een plek is, is passend onderwijs ingevoerd. In 2020 is geconstateerd dat er met passend onderwijs goede slagen zijn gemaakt, maar ook dat verdere verbetering nodig is. Daarom is toen de verbeteraanpak passend onderwijs aangekondigd, waarin de maatregelen zijn beschreven om de volgende stappen te zetten. In het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst» heeft het kabinet afgesproken verder te gaan met de verbeteraanpak en ook te streven naar een volgende stap, waarin via inclusief onderwijs kinderen met en zonder een beperking of ziekte zoveel als mogelijk samen naar school gaan.
Waar komt het geld voor de gratis kinderopvang vandaan, en hoe wordt misbruik van deze regeling tegengegaan?
Het coalitieakkoord bevat naast investeringen in de kinderopvang ook vele andere investeringen en ombuigingen, alsmede aanpassingen aan de lastenkant van de begroting. De investeringen zijn daarbij niet expliciet gekoppeld aan specifieke ombuigingen of lastenverzwaring elders, maar worden ingepast binnen de nieuwe uitgaven- en lastenplafonds, zoals gebruikelijk is bij een nieuw coalitieakkoord. Net als bij elke regeling, zal ook bij de uitwerking van deze herziening aandacht zijn voor het risico van misbruik en oneigenlijk gebruik en het treffen van mitigerende maatregelen om het risico te minimaliseren. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de uitvoering van de voornemens ten aanzien van de kinderopvang ter hand nemen.
Gaat het onderbrengen van het gespecialiseerd voortgezet onderwijs bij het voortgezet onderwijs geen problemen opleveren en is dit niet juist strijdig met de wens dat ieder kind les op zijn niveau dient te hebben? Gaan leerlingen met speciale behoeften dan niet de meeste aandacht vragen van de toch al overbezette leraren?
Het uitgangspunt van het nieuwe kabinet blijft dat ieder kind les moet krijgen op een passend niveau. Het onderbrengen van het gespecialiseerd voortgezet onderwijs bij het voortgezet onderwijs betekent dan ook niet dat de vorm van onderwijs die daar nu wordt geboden en juist voor deze leerlingen passend is, zal gaan verdwijnen. Wel is het uitgangspunt om het gespecialiseerd voortgezet onderwijs onder hetzelfde wettelijke kader te laten vallen als het voortgezet onderwijs. Zo kunnen voor het gespecialiseerde voortgezet onderwijs zoveel mogelijk dezelfde afspraken gaan gelden als voor het overige voortgezet onderwijs, daarbij rekening houdend met de speciale behoeften van de doelgroep. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. Voor de langere termijn geldt dat in het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet zal streven naar inclusief onderwijs, waarbij kinderen met en zonder een beperking of ziekte zoveel als mogelijk samen naar school gaan. Het vorige kabinet heeft al de ambitie uitgesproken om in 2035 inclusiever onderwijs te hebben gerealiseerd, waarbij leerlingen met en zonder ondersteuningsbehoeften vaker samen dicht bij huis naar dezelfde school kunnen, als het kan in dezelfde klas zitten en elkaar ontmoeten op het schoolplein. Dit tijdpad is nodig omdat de stap naar inclusiever onderwijs veel vergt voor bijvoorbeeld de inrichting van de lessen, de vaardigheden van leraren, bekostiging van het onderwijs, wetgeving en ook aanpassen van huisvesting. Hiervoor wordt gezamenlijk met de betrokkenen uit het veld een routekaart ontwikkeld.
Waarom is er een relatief lang stuk aan digitalisering van het onderwijs gewijd, terwijl fysiek onderwijs toch de norm is en digitaal onderwijs uitzonderlijk?
Fysiek onderwijs is de norm en de coronacrisis heeft het belang hiervan onderstreept; fysieke nabijheid en sociale interactie is een essentieel onderdeel van goed onderwijs. Tegelijkertijd helpt een doordachte inzet van digitale toepassingen in de klas om de kwaliteit en kansengelijkheid te bevorderen en leraren zich te laten richten op de kern van het onderwijs. In de onderwijsparagraaf van het coalitieakkoord staat dat we het gebruik van digitale hulpmiddelen gaan faciliteren om de werkdruk van de leraar te verminderen en de onderwijskwaliteit te verbeteren. Daarnaast is in het coalitieakkoord opgenomen dat digitalisering kansen biedt voor onderwijs aan thuiszitters, bijvoorbeeld in de vorm van een Digitale School. Dit vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover nader geïnformeerd.
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja, voor zover het feitelijke vragen betreft.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja.
Wat betekent een klimaatdoelstelling van maximaal 1,5 graad? Hoeveel CO2-reductie hoort bij die doelstelling?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gaat op deze vraag in bij hun reflectie op de leefomgevingsthema’s in het coalitieakkoord 2021–2025. De conclusie is dat de 55-procentdoelstelling voor broeikasgasemissies van Europa ruwweg in overeenstemming is met 1,5°C als dit zonder sinks (opslag van CO2 in bossen of onder de grond) wordt gedaan, tijdelijke overshoot en negatieve emissies worden geaccepteerd en Europa geen extra verantwoordelijkheid neemt uit rechtvaardigheidsprincipes. Als eerlijkheidsprincipes zouden meewegen, komt de passende reductie in Europa groter uit dan in een kostenoptimaal pad. Voor eerlijkheidsprincipes bestaan ook andere mechanismen dan aangescherpte binnenlandse emissiereductiedoelen. Zo is in de klimaatconferentie in Glasgow ook opgeroepen ontwikkelingslanden ruimhartiger bij te staan in de te maken kosten voor klimaatmitigatie en -adaptatie, en de Europese Unie zou daar gehoor aan kunnen geven.
Welke fossiele subsidies/vrijstellingen/belastingenkortingen blijven de komende jaren bestaan? Kunt u aangeven om welke bedragen het gaat?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wat betekent «we ronden de procedure rond Ternaard af»? Wat zijn de gevolgen hiervan voor de plannen van Shell en andere bedrijven om gas te winnen onder de Waddenzee?
In het coalitieakkoord is aangegeven dat de lopende vergunningsprocedure voor de gaswinning Ternaard zal worden afgerond, maar dat daarna geen nieuwe vergunningen voor gaswinning onder de Waddenzee meer zullen worden afgegeven. Dit betekent dat de vergunningsaanvraag van de NAM voor de gaswinning Ternaard zal worden getoetst aan het huidige beleid en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
Welk CO2-reductie percentage hoort bij de onderkant van de bandbreedte van dit regeerakkoord (25,4 Mton reductie in 2030)?
25,4 Mton komt overeen met een extra reductie van ongeveer 11% in 2030 ten opzichte van 1990. Dit is een extra reductie ten opzichte van de 38–48% reductie in het basispad uit de Klimaat- en Energieverkenning 2021 (KEV 2021) van PBL. In de reflectie op het coalitieakkoord geeft PBL aan dat wanneer de 25,4 – 31,0 Mton reductie uit het coalitiepad gerealiseerd wordt, de totale reductie in 2030 uitkomt op 49% – 62%.
Wat houdt de subsidieregeling CO2-vrije gascentrales in? Wat zijn CO2-vrije gascentrales precies?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Klopt het dat hyperscale datacenters niet actief geweerd gaan worden?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kan de 35 miljard euro uit het klimaat- en transitiefonds ook aan houtige biomassa en carbon capture and storage (CCS) worden uitgegeven?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kan het zijn dat de ETS-bodemprijs onder de verwachte ETS-prijs komt te liggen, net zoals de nationale CO2-minimumprijs elektriciteitsopwekking?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Gaat de indirecte kostencompensatie ETS van ruim 80 miljoen euro door, nu in het coalitie-akkoord het plan staat om de marginale heffing bovenop de prijs in het Europese emissiehandelssysteem (ETS) te verhogen? Hoe verhoudt het compenseren van kosten die worden gemaakt door het ETS zich tot plannen om de kosten juist te verhogen? Is dat niet juist in strijd met elkaar?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wat betekent het afbouwen van het gebruik van houtige biomassa voor energie «waarbij we rekening houden met de kosteneffectiviteit»? Kan dit betekenen dat er toch wordt afgezien van het afbouwen van het gebruik van houtige biomassa voor energie?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wat wordt bedoeld met houtige biomassa «voor energiedoeleinden»?
Het betreft toepassingen van houtige biomassa voor energieproductie in energiecentrales, bij bedrijven en bij huishoudens.
Wat betekent «Biomassa wordt zo hoogwaardig mogelijk ingezet aan de hand van de cascaderingsladder» precies? Hoe ziet de cascaderingsladder eruit? Geldt dit voor alle biomassa of alleen houtige biomassa?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Waarom moet houtige biomassa voor iets ingezet worden? Is het een optie dat houtige biomassa blijft bestaan zoals het is, nl. in de vorm van bos?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Klopt het dat het de afgelopen kabinetsperiode niet mogelijk was om alle herkomst van alle houtige biomassa te traceren? Hoe komt dat en waarom zou dat aankomende kabinetsperiode anders zijn? Is het uitgesloten dat er straks weer een rapport verschijnt zoals «Wood pellet damage: How Dutch government subsidies for Estonian biomass aggravate the biodversity and climate crisis»?
In het Nederlandse systeem is in het geval van bosbiomassa de bron tot het niveau van het land van herkomst bekend evenals het gebruikte duurzaamheidscertificaat van het bos. Door de publieke toezichthouder is informatie tot op bosniveau te achterhalen, mocht daartoe aanleiding zijn.
Hoe verhouden de plannen voor houtige biomassa zich tot de in de Eerste Kamer aangenomen motie Koffeman c.s. waar de regering wordt verzocht definitief geen nieuwe of verlengde subsidies te geven op het stoken van houtige biomassa (Kamerstuk 35 668, nr. F)?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Klopt het dat er geen subsidie meer naar mestvergisting gaat en kan er de komende jaren nog op andere manieren dan via de SDE++ subsidie naar mestvergisters gaan?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Waarom wil de coalitie nog meer onderzoek doen naar «de mogelijkheden om financiële prikkels voor fossiele brandstoffen af te bouwen om vervolgens de financiële stimulering voor deze brandstoffen waar mogelijk te beëindigen», terwijl er al zo veel onderzoeken zijn gedaan waaruit concrete beleidsopties zijn voortgekomen, waaronder ambtelijke onderzoeken?
Dit is een vraag gericht aan de coalitiefracties en niet aan het kabinet.
Klopt het dat de duurzaamheidswinst van CCS in twijfel wordt getrokken en dat het een techniek is die niet bewezen effectief is (waar dan ook ter wereld) in de aanpak van klimaatverandering?
Nee, De techniek kan wel degelijk een effectieve bijdrage leveren, zoals blijkt uit diverse IPCC-rapporten, en wordt mondiaal al succesvol toegepast in 27 projecten met een jaarlijkse capaciteit van 37 Mton.
Op welke manier voorkomt CCS dat er meer olie en gas worden gewonnen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Via welke instrumenten kan er de komende kabinetsperiode subsidie worden verstrekt ten behoeve van houtige biomassa en CCS?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Via welke instrumenten worden er uitgaven gedaan ten behoeve van kernenergie?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wat zal het aandeel grijze, blauwe, groene en paarse waterstof en eventueel andere soorten waterstof zijn waar het kabinet op inzet (in percentages van het totaal)? Valt er onder groene waterstof ook waterstof die is geproduceerd met behulp van houtige biomassa?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoe kan het dat het coalitie-akkord volledig duurzame energievoorziening voor Caribisch Nederland beoogt, terwijl Bonaire Brandstof Terminals B.V. nieuwe olie-infrastructuur gaat verzorgen op Bonaire, waardoor dit eiland voor de komende 30 à 40 jaar vastzit aan fossiele brandstoffen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Op welke termijn wordt het bouwen van de kerncentrales verwezenlijkt? Welk type centrale zal worden gebouwd? Waar zullen deze komen te staan? Wanneer zullen deze actief worden? Welk aandeel van CO2 reductie van de gehele benodigde CO2 reductie voor 2030 moet hiermee verwezenlijkt worden?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoeveel CO2 vrije gascentrales verwacht u te kunnen (om)bouwen met de subsidie in het coalitieakkoord. En welk aandeel in de energiemix moeten deze gascentrales gaan spelen tegenover nucleair en hernieuwbaar?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Welke verhoging van de marginale heffing bovenop de prijs van het ETS acht u nodig om de klimaatambitie van ten minste 55% te verwezenlijken?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Welk bedrag is er via welke subsidiestroom gereserveerd om CO2 neutrale technologieën te ontwikkelen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
U heeft een tussendoel voor 2030 om het gebruik van primaire abiotische grondstoffen te halveren. Hoe wilt u in het uitvoeringsprogramma circulaire economie deze halvering meetbaar maken en monitoren?
Deze vraag wordt mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) beantwoord, die coördinerend bewindspersoon is ten aanzien van de circulaire economie. In januari 2021 is de eerste Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) verschenen (Kamerstuk 32 852, nr. 138). PBL geeft hiermee inzicht in de voortgang van de transitie naar een circulaire economie en de resultaten die worden bereikt met de ingezette maatregelen ten behoeve van de circulaire economie. Begin 2022 verschijnt een beknopte voortgangsrapportage, gevolgd door de tweede ICER in het eerste kwartaal van 2023.
Ten aanzien van de 2030-doelstelling wordt, zoals gemeld aan de Kamer (Kamerstuk 32 852, nr. 170), vanuit het Ministerie van IenW, samen met de andere betrokken ministeries en de maatschappelijke partners van het Grondstoffenakkoord, gewerkt aan het nader concretiseren van deze doelstelling om te komen tot specifieke doelen op het niveau van (clusters van) prioritaire productgroepen. Hierover zal de Staatssecretaris van IenW voor de zomer 2022 een bericht aan de Kamer sturen.
Welke bedrijven vallen er onder de tien tot twintig grootste uitstoters? Welk percentage van de Nederlandse emissies valt er onder de ketens achter deze bedrijven? Worden deze ketens meegenomen in de maatwerkafspraken?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar de website van de Nea voor de emissiecijfers (https://www.emissieautoriteit.nl/), waaruit blijkt welke bedrijven in de top 10 – 20 staan. Het antwoord op het laatste deel van de vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoeveel geld van het klimaatfonds wordt er specifiek beschikbaar gesteld voor de subsidiëring van hernieuwbare energie en welk aandeel van de energiemix gaat hernieuwbaar via het klimaatfonds hierdoor spelen in 2030 en 2040?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoeveel CCS wordt er verwacht nodig te zijn, lees hoever zal het plafond mogelijk verhoogd worden, om de klimaatdoelen uit het coalitieakkoord te halen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoeveel subsidie krijgt een gemiddelde woningeigenaar bij aanvraag onder het Nationaal isolatie programma? Hoeveel woningen verwacht u te isoleren met de totale hoeveelheid beschikbare subsidie onder alle subsidieprogramma’s en de uitbreiding in het regeerakkoord? Hoe verhoudt deze hoeveelheid zich tot de Europese (voorgestelde)plannen voor de gebouwde omgeving?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoeveel hybride warmtepompen verwacht u met de regeling in het coalitieakkoord in Nederland aan te brengen tot 2030, en hoe verhoudt deze hoeveelheid zich tot de Europese (voorgestelde)plannen voor de gebouwde omgeving?
Het gaat volgens het Coalitieakkoord om 150.000 warmtepompen per jaar vanaf 2025. Het antwoord op het laatste deel van de vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Welk percentage voor belasting op kerosine acht u nodig om het vliegen dusdanig te ontmoedigen om de klimaatdoelen te halen? Hoe verhoudt deze belasting zich tot de voorgestelde EU verordening op dit thema?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Blijft het doel van 55% CO2-reductie in 2030, zoals de coalitie op wil nemen in de Klimaatwet, een streefdoel, net zoals de huidige doelstelling van 49% CO2-reductie (artikel 2, tweede lid van de Klimaatwet)?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wordt voor het opstellen van het voorstel tot wijziging van de Klimaatwet eerst een analyse gemaakt van de haalbaarheid van de voorgestelde doelstelling van 55% CO2-reductie in 2030, met in achtneming van onder meer de knelpunten in het energienet en het tekort aan technisch personeel?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Is het de bedoeling om de maatregelen met het oog op extra CO2-reductie in ETS-sectoren bovenop wat Europa vraagt te koppelen aan het uit de markt nemen van emissierechten voor serieuze emissiereductie op Europees niveau, rekening houdend met het waterbedeffect?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Welk tijdpad voor de bouw van twee nieuwe kerncentrales heeft u voor ogen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Betekent de genoemde normering voor hybride warmtepompen de facto dat de normale CV-ketel verboden gaat worden?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Waarom is, ondanks de aangenomen motie voor het zo snel mogelijk tolvrij maken van de Westerscheldetunnel (Kamerstuk 35 570-A nr. 67) en de unanieme steun van de Kamer voor het opstellen van het draaiboek voor het tolvrij maken van de Westerscheldetunnel (Kamerstuk 35 570-A nr. 64), gekozen voor het parkeren van het tolvrij maken van de Westerscheldetunnel tot 2030 of mogelijk zelfs later, in de wetenschap dat de tolheffing al in 2033 zou vervallen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Komt er een kwantitatieve doelstelling voor verlaging van de regeldruk voor ondernemers en professionals?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wanneer worden de heldere afstandsnormen voor de bouw van windmolen op land ingevoerd? Op basis waarvan zullen die afstandsnormen gelden en wat gebeurt er met windmolens die al gebouwd zijn en niet voldoen aan die afstandsnormen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wat is de definitie van een hyperscale datacentrum? Wat gebeurt er met de regie rond datacentra die kleiner zijn dan hyperscale?
Dit zijn zeer grootschalige datacenters (vaak meer dan 10 hectare en een vermogen van meer dan 70 megawatt) van meestal grote techbedrijven zoals Microsoft en Google. Het antwoord op het tweede deel van deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kunt u aangeven hoe u precies de realisatie van nieuwe grootschalige energie-infrastructurele projecten gaat versnellen? Welke obstakels gaat u wegenemen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke specifieke maatregelen u kunt en gaat nemen om te zorgen voor voldoende vakmensen bij de voorgenomen energietransitie van dit kabinet?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke regelingen u gaat versimpelen voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) met betrekking tot verduurzaming?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wanneer kan er een knoop worden doorgehakt over de bouw van twee nieuwe kerncentrales? Kunt u een tijdlijn geven?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kunt u aangeven met welke hoeveelheid u het CCS plafond wilt gaan verhogen? Wat is hier het netto-effect van op de CO2-uitstoot?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Hoe gaat u de precies de regeldruk aanpakken voor mkb?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Wat bedoelt u precies met «(reële) bedrijfsopvolging eenvoudiger en eerlijker te maken»?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kunt u nader toelichten waarom de klimaat gerelateerde fondsen met een looptijd van 10–15 jaar kwalificeren als een incidentele ruimte?
Het betreft een incidentele ruimte aangezien het een eindige reeks extra middelen voor de betreffende periode betreft en geen structurele verhoging van de begroting.
Komt de 25 miljard euro die nu gereserveerd is voor het Stikstoffonds bovenop de miljarden die al gereserveerd waren in het basispad? Wat zijn de totale uitgaven aan stikstof aan het einde van 2035?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Komt de 35 miljard euro die nu gereserveerd is voor het Klimaatfonds bovenop de miljarden die al gereserveerd waren in het basispad? Wat zijn de totale uitgaven aan klimaat aan het einde van 2030?
Ja, de middelen zijn additioneel ten opzichte van de middelen in het basispad. De totale uitgaven aan klimaat aan het einde van 2030 vergt nog een nadere uitwerking. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Het coalitieakkoord |
|
Chris Stoffer (SGP), Wybren van Haga (BVNL), Pieter Omtzigt , Caroline van der Plas (BBB), Laurens Dassen (Volt), Tom van der Lee (GL), Liane den Haan (GOUD), Henk Nijboer (PvdA), Teun van Dijck (PVV), Lammert van Raan (PvdD), Farid Azarkan (DENK) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Wordt de aanbeveling van de 16e Studiegroep Begrotingsruimte omtrent brede welvaart volledig overgenomen? Dat wil zeggen, wordt er expliciet gestuurd op brede welvaart, wordt bij de formatie duidelijk gemaakt wat de belangrijkste doelen zijn, wordt er jaarlijks gerapporteerd over de politiek gekozen indicatoren en wordt de rapportagecyclus van het Planbureau voor de Leefomgeving en Sociaal en Cultureel Planbureau aangesloten op de begrotingscyclus?
Klopt het dat de lasten (inclusief basispad) voor gezinnen de komende vier jaar gaan stijgen? Waarom spreekt u van «lastenverlichting» als mensen «minder meer belasting» gaan betalen?
Is er (per begroting) een budgettaire ondergrens afgesproken waar maatregelen in het coalitieakkoord aan moeten voldoen in het kader van «een akkoord op hoofdlijnen»?
Kunt u aangeven welke maatregelen wél in het coalitieakkoord zijn opgenomen, maar (nog) geen plek hebben gekregen in de budgettaire bijlage? Wat gaat er met deze maatregelen gebeuren?
Is het gebruikelijk om te werken met een inverdieneffect van 42%? Welke percentages zijn gehanteerd bij vorige regeerakkoorden? Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn bij dit coalitieakkoord als het inverdieneffect van het vorige regeerakkoord werd gehanteerd?
Wat zijn de inverdieneffecten na de kabinetsperiode?
Kunt u de ramingen van de staatsschuld ook weergeven voor de jaren na 2026?
Kunt u tabel 1 (samenvatting financieel beeld) & tabel 2 (beleidsmatige lastenontwikkeling) van de budgettaire bijlage uitbreiden met de jaren 2026–2030?
Kunt u de beleidsmatige lastenontwikkeling uitsplitsen in de categorieën (inkomen & arbeid, vermogen & winst, milieu, overig)?
Kunt u de koopkrachttabel ook uitsplitsen per jaar (2022, 2023, 2024 en 2025)? Hoe komt de koopkrachttabel eruit te zien als de meest recente inflatiecijfers worden meegenomen in plaats van de achterhaalde inflatiecijfers?
Hoe verhoudt het creëren van steeds meer fondsen zich tot budgetdiscipline?
Hoe zal uitvoering worden gegeven aan de aangenomen motie Van Raan/Nijboer over verkennen op welke manier de Monitor Brede Welvaart en de Klimaat- en Energie Verkenning gesynchroniseerd kunnen worden met de begrotingscyclus (Kamerstuk 35 925, nr. 140) en de motie Van Raan c.s. over de MBW en de KEV integreren in de besluitvorming rondom het Belastingplan (Kamerstuk 35 927, nr. 72)?
Welke mogelijkheden zijn er om coronasteungelden in te zetten voor zowel herstel als voor verduurzaming, zodat het mes aan twee kanten snijdt?
Hoe gaat de coalitie aan de slag met de aanbevelingen uit de initiatiefnota van GL, D66, CU en CDA «Van oliedom naar gezond verstand: verduurzaming van de financiële sector»? Welke plannen heeft de coalitie voor verduurzaming van de financiële sector?
Wanneer zal het kabinet de nationale plannen aangaande de Recovery and Resilience Facility (RRF) gelden indienen bij de Europese Commissie? En welke afspraken uit het coalitieakkoord worden hierin meegenomen?
Zijn er concrete afspraken gemaakt over het terugkeren naar begrotingsregels?
Welke uitgavenkaders zijn vastgesteld voor de komende kabinetsperiode?
Waarom is er bij het bepalen van het coalitiedoel van het EMU-saldo van -1,75% gerekend met een rente van 0% en een structurele bbp-groei van 3%. Waar zijn deze getallen op gebaseerd en hoe realistisch zijn deze variabelen?
Kunt u de uitgaven van het Stikstoffonds en het Klimaat- en transitiefonds per jaar uitsplitsen in de periode 2026–2030?
Klopt het dat in het coalitieakkoord wordt uitgegaan van 0% rente en een jaarlijkse groei van het bbp met 3%? Waarop zijn die aannames gebaseerd?
Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn als de rente gaat stijgen?
Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn als het bbp minder hoog uitkomt?
Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn als de aannames omtrent de het bbp, de rente en de inflatie niet uitkomen?
Kunt u vanaf het basispad per jaar de beleidsmatige lastenontwikkeling weergeven en dit uitsplitsen naar burgers, bedrijven, buitenland en totaal lastenverzwaring (vergelijkbaar met tabel 2 uit de budgettaire bijlage coalitieakkoord, maar dan vanaf het basispad)?
Kunt u het basispad per jaar geven van de uitgaven en lasten, en dit uitsplitsen naar ombuigingen, intensiveringen, lastenverlichting en lastenverzwaring (vergelijkbaar met tabel 1 uit de budgettaire bijlage coalitieakkoord)?
Klopt het dat met het voorliggende coalitieakkoord de beleidsmatige lasten over de gehele periode voor alle groepen alsnog toenemen (namelijk voor burgers met 1,6 miljard, voor bedrijven met 19,9 miljard en voor het buitenland met 0,6 miljard)?
Welke maatregelen uit het basispad zorgen alsnog voor een (structurele) lastenverzwaring eind 2025? Kunt u deze maatregelen opsommen, toelichten en uitsplitsen naar burgers, bedrijven en buitenland?
Kunt u in de medianentabel uit de budgettaire bijlage coalitieakkoord per inkomensgroep aangeven hoeveel de groep wat betreft koopkracht er in euro’s op vooruit gaat? Graag tevens per jaar tot en met 2025 uitsplitsen.
Kunt u verklaren waarom de beleidsmatige lastenontwikkeling over de kabinetsperiode toeneemt en de koopkracht eveneens toeneemt?
Welke aannames omtrent de inflatie, uitvoering van verschillende maatregelen, hervorming van de huurtoeslag, invulling van de 3 miljard lastenverlichting en de loonontwikkeling liggen ten grondslag aan de koopkrachtcijfers?
Kunt u aangeven hoe de lastenverlichting van 3 miljard precies is verdeeld onder gezinnen, werkenden en middeninkomens?
Kunt u per jaar een overzicht opstellen van de geraamde inkomsten van het Rijk onderverdeeld naar: directe belastingen, indirecte belastingen, Zorgverzekeringswet, premies werknemersverzekeringen en premies volksverzekeringen?
Nemen de sociale lasten als percentage van de loonkosten toe of af op basis van het regeerakkoord? Kunt u een overzicht geven per jaar en onderscheid maken tussen werkgevers en werknemers?
Met hoeveel loopt de overheidsschuld op in 2025 in miljarden?
Met hoeveel loopt het begrotingstekort op in 2025 in miljarden?
Hoeveel zal het kabinet in totaal extra uitgeven in 2025?
Kunt u, in lijn met de aangenomen motie Van Weyenberg c.s. (Kamerstuk 35 572, nr. 60), de gevolgen van het coalitieakkoord op de vermogensongelijkheid in Nederland in kaart brengen?
Wat is uw doelstelling op het gebied van vermogensongelijkheid? Welke Gini-coëfficiënt in 2025 is voor u acceptabel?
Klopt het, op basis van de budgettaire raming van € 400 miljoen per jaar, dat de vliegticketbelasting gemiddeld wordt verhoogd met € 14 per ticket?
Welke inkomens vallen er onder uw definitie van een «middeninkomen» (bruto/netto, individueel en per huishouden)?
Waarom is er geen geld ingeboekt in de budgettaire tabel voor de maatregel om de btw op groente en fruit naar 0% te verlagen? Wanneer verwacht u deze maatregel ingevoerd te hebben?
Wat zijn precies de gevolgen van de versoepeling van de wet excessief lenen? In hoeverre gaat deze versoepeling bijdragen aan het voorkomen van onevenwichtige situaties?
Wordt beoogd om per 2025 alle huurinkomsten te belasten op basis van werkelijk rendement?
Klopt het dat de hypotheekrenteaftrek de komende kabinetsperiode niet verder wordt afgebouwd?
Waarom wordt de jubelton pas in 2024 afgeschaft? Is het technisch mogelijk om de jubelton al eerder af te schaffen?
Is de aanpak van belastingontwijking een speerpunt voor dit nieuwe kabinet?
Kunt u zowel voor pakket A als pakket B uit het advies van de Commissie ter Haar (deel 1) aangeven welke maatregelen niet worden overgenomen en hoeveel belastinginkomsten er hierdoor worden mislopen?
Welke maatregelen uit het advies van Commissie ter Haar (deel 2) worden wel overgenomen en welke niet?
Wat is uw doelstelling in 2025 voor het aantal onbelaste miljarden dat via Nederland naar belastingparadijzen wordt gesluisd?
Klopt het dat er in het coalitieakkoord geen afspraken zijn gemaakt over het initiatiefwetsvoorstel «conditionele exitheffing in de dividendbelasting»? Is het daarmee een vrije kwestie voor de Kamer of hebben coalitiepartijen afspraken gemaakt hierover buiten het coalitieakkoord om?
Klopt het dat niet het volledige toeslagenstelsel wordt afgeschaft, maar alleen de kinderopvangtoeslag, en dat er voor de andere toeslagen herzieningen binnen hetzelfde stelsel gepland staan? Indien dit klopt, waarom gaat het toeslagenstelsel niet volledig op de schop, gezien het leed dat het met zich mee heeft gebracht en de overeenstemming die er leek te zijn over het afschaffen van toeslagen? Indien het toeslagenstelsel volledig op de schop gaat, wat gaat ervoor zorgen dat mensen genoeg overhouden om normaal van rond te komen?
Kan er per fiche met bouwsteen uit bijlage 1 van het syntheserapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel worden aangeven of de coalitie de beleidsoptie heeft overgenomen en in welke vorm (overgenomen dan wel gedeeltelijk overgenomen of niet overgenomen)?
Kunt u nader duiden aan welke wijziging in de tariefstructuur van de energiebelasting gedacht wordt?
Welke lastenverzwaring door onder meer de wijzigingen in de energiebelasting brengt het coalitieakkoord met zich mee voor de glastuinbouw?
Uit het lastenoverzicht blijkt dat zelfstandigen voor de verlaging van de zelfstandigenaftrek meer dan gecompenseerd worden via een verhoging van de arbeidskorting. Welke afspraken zijn gemaakt over die verhoging van de arbeidskorting, nu blijkbaar al wel duidelijk is dat deze verhoging de verlaging van de zelfstandigenaftrek meer dan compenseert?
Op welke wijze is opvolging gegeven aan de aangenomen motie Van der Staaij/Omtzigt (Kamerstuk 35 925, nr. 48) waarin uitgesproken is dat een volgend kabinet concrete maatregelen moet nemen om de belastingkloof tussen een- en tweeverdieners te verkleinen?
Wordt de verhuurderheffing per 2023 geheel afgeschaft of wordt de heffing vanaf 2023 geleidelijk afgeschaft?
Kunt u een indicatie geven hoe de klimaatlasten neerslaan bij zowel het grootbedrijf, het middenbedrijf als kleine ondernemers?
Kunt u in een tabel inzage geven in de voorgenomen wijzigingen in de tarieven van de energiebelasting en Opslag Duurzame Energie- en Klimaattransitie (ODE), voor beide zowel gas als elektriciteit?
Kunt u aangeven hoe de tax payers advocate vormgegeven zal worden en hoeveel budget hij ter beschikking krijgt?
Is er in de koopkrachtberekeningen rekening mee gehouden dat ongeveer 92% van de huishoudens nog op gas stookt?
Met hoeveel gaat de energierekening voor een huishouden omhoog dan wel omlaag bij een gebruik van 3.500 kwh aan elektriciteit en 1.500 m3 aan gas?
Kunt u de vennootschapsbelasting lastenverzwaring nader toelichten en de opbrengsten nader specificeren, welke aannames zijn bij deze maatregel gemaakt?
Kunt u de stelling nader specificeren dat de (versnelde) afbouw van de zelfstandigenaftrek ruim wordt gecompenseerd door de verhoging van de arbeidskorting?
Kunt u in het kader van tabaksaccijns nader toelichten wat een pakje sigaretten ongeveer gaat kosten?
Kunt u aangeven wat de lastenverzwaring die samenhangt met de aanscherping verbruiksbelasting niet-alcoholische dranken nader uitsplitsen in niet-alcoholische dranken en verhoging van het minimumtarief voor bier, doet met de prijs voor 1 liter frisdrank respectievelijk bier?
Wat is het effect van de accijnsverhogingen op de inflatie?
Hoe concreet is het voornemen om het btw-tarief op groente en fruit te verlagen naar 0%?
Hoeveel huishoudens maken gebruik van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)?
Wat is de budgettaire opbrengst per jaar van de afbouw van de IACK?
Kunt u nader toelichten wat u bedoelt met: «We ondersteunen de voorstellen van de Europese Commissie voor een belasting op kerosine op EU-niveau.»?
Wat is het effect van het afschaffen van de middelingsregeling voor werkenden?
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de voorstellen uit het coalitieakkoord die op Europees niveau in onderhandeling zijn, dan wel waarvan een Commissievoorstel verwacht wordt? Kunt u daarbij aangeven in welke fase van onderhandeling deze dossiers zijn?
Voor een volledig overzicht van voorstellen die op Europees niveau in onderhandeling zijn, verwijst het kabinet naar het zogenaamde legislative train schedule van het Europees Parlement1. Hierin is ook de status van de besprekingen te zien. Bovendien is de implementatie van een interinstitutionele wetgevingsdatabase (One-stop-IT-shop), één digitaal EU-portaal van Europees Parlement, Europese Commissie en Raad met daarin de voortgang van wetgevende onderhandelingen met alle relevante documenten van de drie instellingen, in voorbereiding.
Tevens ontvangt uw Kamer, conform de tussen uw Kamer en het kabinet overeengekomen EU-informatie-afspraken2, ten aanzien van EU-wetgevingsdossiers per vakdepartement per kwartaal een overzicht van de stand van zaken in de onderhandelingen en wordt uw Kamer ook middels geannoteerde agenda’s en verslagen van Raden geïnformeerd over de dossiers die in onderhandeling zijn. Ten aanzien van het «Fit-for-55-klimaatpakket», waarnaar in het coalitieakkoord verwezen wordt, ontvangt uw Kamer iedere 4 à 6 weken een reguliere update omtrent de stand van zaken van het krachtenveld en het verloop van de onderhandelingen.
Voor een overzicht van Commissievoorstellen die verwacht worden, verwijst het kabinet naar het Commissie Werkprogramma 2022 en de kabinetsreactie daarop3. Voor een meer actuele agenda van te verwachten voorstellen van de Europese Commissie verwijs het kabinet naar de – via een openbare website te raadplegen – agendaplanning van de Commissie colleges4.
In hoeverre zorgt dit coalitieakkoord dat er wordt voldaan aan de internationale 0,7% norm voor ontwikkelingssamenwerking? Kunt u de percentages per jaar geven voor 2022–2030?
In onderstaande tabel staat het verwachte ODA-percentage op basis van de maatregelen uit het coalitieakkoord (intensivering ontwikkelingssamenwerking en actualisatie EU-toerekening) voor de kabinetsperiode:
2022
2023
2024
2025
0,62%
0,63%
0,63%
0,65%
Aan het einde van de kabinetsperiode (2025) bedraagt het ODA-percentage uitgaande van de laatste CPB-raming (MEV, bij Miljoenennota) 0,7% BNI minus ongeveer EUR 0,5 miljard.
Klopt het dat, als Nederland niet voldoet aan de hervormingseisen van de Recovery & Resilience Facility, er dan voor € 5,8 miljard wordt bezuinigd op de begroting van Buitenlandse Zaken?
De verwachte ontvangsten voor Nederland uit het Recovery and Resilience Fund (RRF) worden verwerkt op de begroting van Buitenlandse Zaken. Dit kabinet hecht veel belang aan een stevig en ambitieus plan (RRP). Door in te zetten op structurele hervormingen en investeringen die aansluiten bij de landspecifieke aanbevelingen en de groene en digitale transities, kan maximaal gebruik gemaakt worden van de Europese middelen uit het RRF.
Het gaat in totaal om EUR 5,8 miljard, verdeeld over 2023 t/m 2026. De ontvangstenraming is in de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord opgenomen als negatieve uitgaven. Daarom staat er een min voor de bedragen, dit betreft geen bezuiniging.
Klopt het dat er een wettelijke verplichting is om Europese richtlijnen uit te voeren? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit specifiek opgenomen is in het coalitieakkoord?
Artikel 288 van het EU-Werkingsverdrag (VWEU) bepaalt dat een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, maar dat het aan de nationale instanties is om hiervoor de vorm en middelen te kiezen. Europese richtlijnen bevatten derhalve een opdracht aan lidstaten om de bepalingen ervan binnen een bepaalde termijn om te zetten in nationaal recht. Wanneer een richtlijn niet tijdig of niet volledig wordt omgezet wordt er inbreuk gemaakt op het EU-recht. De Commissie kan dan een inbreukprocedure starten, wat uiteindelijk kan leiden tot het aanhangig maken van de zaak bij het Hof van Justitie. In het coalitieakkoord wordt het streven uitgesproken om als Nederland een leidende rol in te nemen om de EU slagvaardiger, economisch sterker, groener en veiliger te maken. In dat licht is ook verwoord dat EU-richtlijnen worden uitgevoerd.
Hoe definieert u slimme industriepolitiek? Hoe verhoudt dit zich tot het Frans-Duitse voorstel voor het creëren van «European champions»?
Met een slimme industriepolitiek beoogt het huidige kabinet om een juiste balans te vinden tussen vrije marktwerking en daar waar nodig gewenst proportioneel overheidsingrijpen. Het vorige kabinet heeft hieromtrent – ook in relatie tot de discussie over Europese kampioenen – een proactieve koers internationaal en in de EU gevoerd, met oog voor het bevorderen van een gelijk speelveld en het behoud en handhaving van een effectief en politiek onafhankelijk mededingings- en staatssteunkader. Tegelijkertijd wordt erkend dat proportionele overheidsinterventies nodig kunnen zijn om te kunnen anticiperen en reageren op internationale geopolitieke en geo-economische ontwikkelingen, bijvoorbeeld om de risico’s van strategische afhankelijkheden te kunnen mitigeren. Het nieuwe kabinet zal t.z.t. uw Kamer informeren over de Nederlandse inzet en strategie omtrent het industriebeleid.
Hoe verhoudt de nationale incasso van digitale dienstbelasting, vliegtaks, CO2-grensheffing en minimum tarief voor winstbelasting zich tot het eigen-middelen voorstel van de Europese Commissie en het Europees Parlement?
De Europese Commissie heeft op 22 december jl. voorstellen gepresenteerd voor nieuwe eigen middelen gebaseerd op een koolstofheffing aan de grens (Carbon Border Adjustment Mechanism «CBAM»), op Emissions Trading System (ETS)-opbrengsten en op de belasting op herverdeelde winsten van de grootste en meest winstgevende bedrijven, waaronder grote digitale bedrijven. Het kabinet zal uw Kamer hierover met een BNC-fiche nader informeren.
Kunt u aangeven welke verbeteringen u nodig acht voor het spitzenkandidaat-systeem?
Zoals opgenomen is in het coalitieakkoord zal het kabinet dit systeem en mogelijke verbeteringen nader onderzoeken. Over de bevindingen hieromtrent zal het kabinet uw Kamer informeren.
Kunt u aangeven binnen welke kaders verdragswijziging naar aanleiding van de conferentie over de toekomst van Europa in het Nederlands en Europees belang zijn?
De Conferentie over de Toekomst van Europa heeft als doel burgers bij de EU te betrekken en hen te bevragen over hun wensen en verwachtingen ten aanzien van de EU. Dit proces loopt momenteel nog. Het kabinet is van mening dat de aanbevelingen vanuit de Conferentie eerst moeten worden afgewacht, voordat kan worden gesproken over hoe hier invulling aan te geven. Op basis van de aanbevelingen van de Conferentie, verwacht per medio 2022, zal het kabinet bezien welke inzet nodig is om deze in concrete resultaten om te zetten en of dit verdragswijziging vereist. Het kabinet staat open voor eventuele verdragswijziging, als deze de belangen van Nederland en de Europese Unie bevordert. Dit is ook in lijn met de motie Sjoerdsma, Amhaouch, Van Dijk.5 Afhankelijk van de aanbevelingen zal het kabinet de Nederlandse inzet en kaders formuleren en uw Kamer hierover informeren.
Kunt u een overzicht geven van de minimaal noodzakelijke elementen van een Europawet? Hoe verhoudt deze wet zich tot het te verwachten Europese Commissievoorstel over meer transparantie?
Zoals opgenomen in het coalitieakkoord, zal het kabinet zich inspannen om besluitvorming in de EU transparanter te maken voor burgers en nationale parlementen en resultaten en toegevoegde waarde van EU-beleid zichtbaarder te maken. Dit zal worden verankerd in een Europawet. De invulling van deze Europawet verdient nadere uitwerking, waarbij lering zal worden getrokken uit eerdere initiatiefwetten op dit terrein vanuit uw Kamer en de inrichting van soortgelijke wetten in andere lidstaten. Tevens zullen daarbij relevante ontwikkelingen op EU-niveau in acht worden genomen.
Wat betekent intensievere samenwerking met en ondersteuning van landen op de Westelijke Balkan? Wat is het belangrijkste element in die samenwerking?
Het kabinet hecht belang aan samenwerking met en tussen de Westelijke Balkan-landen op het terrein van de rechtsstaat, veiligheid en stabiliteit, migratie, klimaat en connectiviteit. Voortdurende aandacht voor hervorming van de rechtsstaat, alsmede de strijd tegen de georganiseerde misdaad en corruptie, is essentieel voor de toekomst van de regio: dit creëert zekerheid, versterkt het vertrouwen van de burger en bevordert investeringen met het oog op economische groei. Goed nabuurschap, verzoening, het afzien van polariserend taalgebruik en het oplossen van uitstaande geschillen zijn geen vanzelfsprekendheid in de Westelijke Balkan. De internationale gemeenschap, inclusief de Europese Unie, is daarom actief betrokken bij veiligheid en stabiliteit in de regio. Nederland zet het postennet en regionale netwerken in ter ondersteuning van dit beleid.
De landen op de Westelijke Balkan worden door de EU en de lidstaten bijgestaan middels verscheidene instrumenten. Het Nederlandse MATRA-programma helpt bij de opbouw en versterking van rechtsstaat en democratie. Via het EU Instrument voor Pretoetredingssteun worden (potentiële) kandidaat-lidstaten ondersteund in hun toetredingsproces en bij de daarvoor noodzakelijke hervormingen. Daarnaast streeft de Commissie ernaar om via het vorig jaar aangekondigde Economic and Investment Planvoor de Westelijke Balkan sociaaleconomische ontwikkeling in de regio te stimuleren.
Welk percentage van de verhoogde gelden voor ontwikkelingssamenwerking wordt besteed aan eerstejaars asielopvang?
Door een stijgende asielinstroom is de ODA-toerekening eerstejaarsopvang asielzoekers uit DAC-landen hoger dan eerder vermeld in de HGIS-nota 2022. Deze verhoging verhoudt zich als volgt tot de extra middelen uit het coalitieakkoord
2022
2023
2024
2025
300.000
300.000
300.000
500.000
–153.549
–177.227
–212.582
–219.863
De raming opvangkosten eerstejaarsasielzoekers wordt volgens de reguliere systematiek in het voorjaar van 2022 bijgesteld. Als dit tot een aanpassing van de asieltoerekening leidt, wordt dit volgens de huidige systematiek verwerkt op verdeelartikel 5.4 op de BHOS-begroting.
In onderstaande tabel staat het verwachte ODA-percentage op basis van de maatregelen uit het coalitieakkoord (intensivering ontwikkelingssamenwerking en actualisatie EU-toerekening) voor de kabinetsperiode:
2022
2023
2024
2025
0,53%
0,55%
0,55%
0,56%
Kunt u een overzicht geven van de bijdrage vanuit ontwikkelingssamenwerking aan technologische innovatie en digitalisering in lage- en middeninkomenslanden?
Zoals ook blijkt uit de BHOS-begroting voor 2022 zijn er geen aparte bedragen gereserveerd voor technologische innovatie en/of digitalisering. Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen om deze belangrijke speerpunten niet te vertalen naar aparte budgetlijnen, maar ze vorm te geven door samen met (potentiële) uitvoerders en ontvangers te zoeken naar de beste technologische en/of digitale oplossingen voor ontwikkelingsvraagstukken. In de activiteiten die op deze wijze tot stand zijn gekomen zullen daarom ook veelal geen aparte bedragen zijn opgenomen voor innovatie en/of digitalisering. Wel heeft het vorige kabinet structureel 5 miljoen euro vrijgemaakt ten behoeve van het Innovatiefonds dat bedoeld is om het innovatief vermogen van het MKB in ontwikkelingslanden en in Nederland aan te jagen. Hiermee draagt het fonds bij aan de ontwikkeling van (technologische) innovaties voor ontwikkelingsuitdagingen in de pre-competitieve fase, een terrein waarop banken nog nauwelijks actief zijn. Ten aanzien van digitalisering geldt, dat tijdens de afgelopen beleidsperiode de BHOS Digitaliseringsagenda is opgesteld, als basis voor de inzet op het thema. Voorbeelden zijn het Geodata for Agriculture and Water (G4AW) programma waarmee boeren, vissers en veehouders middels satellietdata hun productie kunnen optimaliseren, en het Prospects Partnerschap dat vluchtelingen en gastgemeenschappen helpt om digitale vaardigheden te ontwikkelen die toegang verschaffen tot de arbeidsmarkt.
Kunt u aangeven welk gewicht wordt toebedeeld aan het beperken van migratie in partnerschappen met derde landen, specifiek in het kader van de Afrika-strategie?
Het kabinet zal een Afrikastrategie formuleren, waar uw Kamer op een later moment verder over geïnformeerd wordt. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld middels het BNC-fiche inzake de overkoepelende mededeling van de Commissie over het asiel- en migratiepact, zet de Europese Commissie in op veelomvattende, gebalanceerde, op maat gemaakte partnerschappen op basis van wederzijdse belangen om de Europese migratiedoelstellingen te verwezenlijken. Hiertoe heeft de Commissie landenspecifieke actieplannen opgesteld.
Wat zijn de (objectieve) definities van «gedeelde waarden, afspraken of de democratische rechtsstaat» rondom toepassing van het rechtsstaatmechanisme, en hoe wordt voorkomen dat hierbij afbreuk gedaan wordt aan de culturele en religieuze eigenheid van lidstaten?
De gemeenschappelijke Europese waarden waar de Unie op berust zijn vastgelegd in artikel 2 van het EU-verdrag (VEU), namelijk: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Aan deze waarden hebben ook nieuwe lidstaten zich gecommitteerd bij toetreding tot de EU, waardoor alle lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. Deze gemeenschappelijke Europese waarden doen geen afbreuk aan de culturele en religieuze eigenheid van lidstaten.
Waarom is ervoor gekozen ook in te zetten op afschaffing van het vetorecht bij «civiele missies», terwijl lidstaten zelf dienen te gaan over de inzet van militairen?
Op dit moment vindt besluitvorming over het starten van zowel civiele als militaire EU-missies plaats op basis van unanimiteit.
In het licht van de toenemende instabiliteit nabij Europa, de snelle opkomst van nieuwe – veelal hybride – dreigingen en veranderende geopolitieke verhoudingen is het meer dan ooit noodzakelijk om als EU snel, effectief en eensgezind op het wereldtoneel op te treden. In dit kader leveren civiele EU-missies een belangrijke bijdrage middels advisering en capacity building en aan de bredere aanpak van onder andere hybride dreigingen, cyberbeveiliging, terrorisme en radicalisering. Snelheid en daadkracht zijn daarbij vereist. Om die redenen ziet het kabinet aanleiding om in te zetten op gekwalificeerde meerderheid bij besluitvorming over het instellen van civiele missies, waarin politie-, grensbewaking- en civiele experts worden ingezet. Het EU-verdrag sluit besluitvorming op basis van gekwalificeerde meerderheid over de inzet op militair- en defensieterrein uit.
Besluitvorming over de inzet van de Nederlandse krijgsmacht is en blijft, conform de Grondwet, een nationale competentie.
Wat wordt materieel/formeel bedoeld met «modernisering» van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP)?
Het kabinet neemt een constructieve benadering ten aanzien van de modernisering van SGP, wanneer deze is gericht op de houdbaarheid van de schulden en opwaartse economische convergentie. Met «modernisering» van het SGP wordt verwezen naar de discussie over de mogelijke herziening van de begrotingsregels. De Nederlandse inbreng voor de consultatiesessies is toegelicht in de kamerbrief van 10 december jl.6 Het kabinet zal zich inzetten voor een gezond en prudent macro-economisch beleid en benodigde hervormingen door lidstaten, gericht op houdbare schulden, meer economische groei en opwaartse convergentie. Hierbij stelt het kabinet effectieve handhaving als eis.
Wat is concreet de inzet van de nieuwe coalitie om besluitvorming in de EU «transparanter» te maken, ook in termen van informatievoorziening aan het parlement?
Het kabinet zet zich samen met een aantal gelijkgezinde lidstaten sinds lange tijd ervoor in om het EU-transparantiebeleid te moderniseren en de EU-besluitvormingsprocedure inzichtelijker en toegankelijker te maken. In 2019 presenteerde Nederland samen met 9 andere lidstaten het non-paper «increasing transparency and accountability of the EU» met daarin concrete suggesties ter modernisering van transparantie in de Raad en het EU-besluitvormingsproces. Deze inzet heeft een aantal concrete resultaten opgeleverd7. Nederland heeft samen met Duitsland en Denemarken in het kader van de Conferentie over de Toekomst van Europa een zogenaamde transparency pledge gelanceerd om aandacht te genereren voor het belang van transparantie. De aanbevelingen die voortvloeien uit de Conferentie, ingegeven door burgerconsultaties in lidstaten en op Europees niveau, kunnen een nieuwe beleidsagenda op dit terrein voeden.
Is de nieuwe coalitie voorstander van EU-uitbreiding met landen in de Westelijke Balkan?
Het kabinet steunt het EU-perspectief van de landen van de Westelijke Balkan. Het beleid t.a.v. EU-uitbreiding is strikt, fair en betrokken. Het kabinet streeft naar een uitbreidingsproces gebaseerd op merites waarbij voortgang in het toetredingsproces afhankelijk is van de implementatie van de benodigde hervormingen. Het kabinet ondersteunt de ambitie van de Europese Commissie om het toetredingsproces geloofwaardiger, politieker, dynamischer en voorspelbaarder te maken zoals uiteengezet in de mededeling over de herziening van de uitbreidingsmethodologie van maart 2020 (Kamerstuk 21 501, nr. 20 , nr. 1511.), waarbij er meer nadruk ligt op de rechtsstaat en het toepassen van conditionaliteit.
Omvat de inzet voor geloofsvrijheid, waaronder christenvervolging, ook de (blijvende) aanstelling van een speciaal gezant voor godsdienstvrijheid en het reserveren van substantiële en gerichte financiële middelen binnen onder andere het Mensenrechtenfonds?
De positie van een speciaal gezant voor religie en levensovertuiging zal ook in deze kabinetsperiode worden gecontinueerd. Het thema vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid en het beleid voor versterking van het maatschappelijk middenveld, waarvoor substantiële financiële middelen beschikbaar zijn binnen het Mensenrechtenfonds en het programma Power of Voices.
Omvat «het verbeteren van de relaties en samenwerking tussen Israëliërs en Palestijnen» ook een blijvende inzet op het tegengaan van disproportionele agendering tegen Israël in VN-gremia en binnen de EU?
Ja. Zoals aan uw Kamer geschreven (Kamerstuk 32 735, nr. 287) vormt deze inzet onderdeel van het Nederlandse lidmaatschap van de Mensenrechtenraad 2020–2022. Het Koninkrijk blijft samen met onze partners werken aan het geleidelijk afbouwen van het aparte agendapunt 7 van de Mensenrechtenraad («Mensenrechtensituatie in de Palestijnse gebieden en andere bezette Arabische gebieden»), onder andere door resoluties samen te voegen of over te hevelen naar andere agendapunten. Ook in de Algemene Vergadering van de VN streeft Nederland ernaar het gehele pakket aan resoluties die betrekking hebben op het Midden-Oosten Vredesproces (MOVP) te verbeteren en de disproportionele aandacht voor Israël tegen te gaan (zie Kamerstuk 26 150, nr. 198 en Kamerstuk 23 432, nr. 485). De Nederlandse inzet is gericht op het samenvoegen van resoluties, het tweejaarlijks maken van resoluties, het verminderen van het aantal rapportages, het zoveel mogelijk inkorten van resoluties, het verwijderen van dubbelingen, en het beter in balans brengen van de inhoud van de teksten. Daarnaast is het voor Nederland van belang om waar mogelijk een zo groot mogelijke EU-eenheid te bewaren in multilateraal verband. Daartoe maakt Nederland zich sterk in de voorbereidingen van VN mensenrechtenfora als ook tijdens de onderhandelingen van resoluties. Deze inzet is conform de gewijzigde motie Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374).
Wat zijn of worden de bouwstenen van de «Nederlandse «Global Health» Strategie» en welke rol krijgt moeder- en kindzorg ter voorkoming/vermijding van «abortusdiensten» in de vorm van zwangerschapsafbrekingen daarbinnen?
Het kabinet zal, mede op basis van het in februari verwachte AIV advies ter zake, bouwstenen formuleren en een nadere invulling geven aan een Nederlandse Global Health Strategie.
Is de nieuwe coalitie voornemens opnieuw jaarlijks 250.000 «abortusdiensten» mogelijk te maken, of worden nadrukkelijk alternatieven onderzocht en mogelijk gemaakt?
Het kabinet zet in op keuzevrijheid en het brede spectrum van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Dit omvat onder andere het verbeteren van toegang tot basisgezondheidszorg, zorg rondom zwangerschap en bevalling, moderne anticonceptiemiddelen, hiv-testen, counseling en medicatie, seksuele voorlichting aan jongeren en veilige abortuszorg.
Er bestaat geen internationaal overeengekomen methodiek voor het tellen van abortusdiensten. Daarom is het niet mogelijk om exact aan te geven hoeveel veilige abortusdiensten of zwangerschapsafbrekingen Nederland de afgelopen vijf jaar mogelijk heeft gemaakt. Het kabinet hanteert, in lijn met de WHO, een brede definitie van een abortusdienst, die naast de onderbreking van de zwangerschap ook vaak voorlichting en counseling vooraf en achteraf omvat, als ook post-abortuszorg – bijvoorbeeld wanneer een vrouw na een onveilige abortus in levensgevaar is.
Welk deel van de extra 500 miljoen euro aan ontwikkelingshulp zal geïnvesteerd worden in opvang in de regio?
Het ODA-budget wordt op basis van het coalitieakkoord verhoogd met EUR 300 miljoen in 2022, 2023 en 2024 en EUR 500 miljoen structureel vanaf 2025. Na verwerking van de stijgende asieltoerekening worden de resterende middelen verdeeld. Deze extra middelen betreffen zowel uitgaven aan opvang in de regio alsook extra uitgaven aan het wereldwijde vaccinatieprogramma COVAX, klimaatadaptatie en klimaatmitigatie. Over de exacte verdeling van de resterende extra middelen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Wat behelst het plan: «Samen tegen Mensenhandel»?
«Samen tegen Mensenhandel» is het interdepartementale en integrale programma tegen mensenhandel dat gestart is in 2018 en heeft als belangrijkste doel het aantal slachtoffers van mensenhandel naar beneden te brengen. Graag verwijs ik uw kamer naar de voortgangsbrief programma samen tegen mensenhandel die uw Kamer op 17 november jl. is toegekomen voor een meer gedetailleerd overzicht van de ondernomen acties8.
Waarom wil het kabinet IS-vrouwen terughalen om te berechten, terwijl van tevoren duidelijk is dat het bewijs van alle terroristische activiteiten die deze hebben gepleegd, vaak moeilijk zo niet onmogelijk is en zij meestal binnen 12 maanden weer deel uitmaken van onze samenleving?
Het kabinet zal de in de vorige periode ingeslagen weg met betrekking tot uitgereisde IS’ers voortzetten. Dit betekent dat bij de afweging om al dan niet tot repatriëring van uitreizigers en hun kinderen over te gaan, individuele omstandigheden leidend zijn en de verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen. Naast het voorkomen van straffeloosheid weegt het kabinet ook altijd de internationale betrekkingen, de veiligheid in het gebied en de veiligheid van betrokkene(n) mee. Daarbij wordt uiteraard ook oog gehouden voor het belang van de nationale veiligheid.
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 9 november 2021 (kenmerk 29 754, nr. 624) hecht het kabinet er belang aan dat uitreizigers die worden verdacht van terroristische misdrijven worden berecht. Teruggekeerde syriëgangers krijgen, zo laat eerste onderzoek zien, vrijwel altijd [bij zelfs geringe betrokkenheid] aanzienlijke (onvoorwaardelijke) vrijheidsstraffen opgelegd. Verder maakt de Wet Langdurig Toezicht mogelijk om daarnaast door de strafrechter langdurig intensief overheidstoezicht onder strenge voorwaarden op te leggen.
Worden de niet-Europese NAVO-partners minder betrokken bij de samenwerking die de EU voor ogen heeft dan de Europese partners en werkt dit niet polariserend?
Nee. Het belang van EU-NAVO samenwerking wordt breed onderkend, zoals ook blijkt uit de verschillende gezamenlijke verklaringen en de intensieve onderlinge communicatie. Alleen vorig jaar al vonden over en weer 25 cross-briefings plaats, onder meer in de NAVO Noord-Atlantische Raad (NAR) en het EU Politiek en Veiligheidscomité (PSC).
Nederland is voorstander van het versterken van defensiesamenwerking met omringende Europese landen, waar het zowel de EU als de NAVO versterkt en zet zich hier ook actief voor in. Een voorbeeld betreft de recente toetreding van Canada, Noorwegen en de VS tot het – in EU verband gelanceerde – Permanent Gestructureerde Samenwerking (PESCO) initiatief op het gebied van militaire mobiliteit.
Wat worden de taken en de juridische legitimatie van de Europese Veiligheidsraad?
Dit kabinet zal de opties voor een Europese Veiligheidsraad nader onderzoeken, hierover in gesprek gaan met partners en vervolgens met voorstellen komen.
Hoe wordt ongewenste immigratie gedestimuleerd en hoe wordt mensensmokkel concreet aangepakt?
Het kabinet heeft gekozen voor een brede, integrale aanpak van het migratievraagstuk met als doel om migratie veilig en gecontroleerd te laten verlopen. Uw kamer is jaarlijks over deze aanpak geïnformeerd9. De aanpak van mensensmokkel is een van de prioriteiten in de integrale migratieagenda. Het interdepartementaal team mensensmokkel is hier verantwoordelijk voor. Dit team bestaat uit de betrokken departementen en hun uitvoeringsorganisaties zoals de Koninklijke Marechaussee, het OM en de politie. De aanpak behelst onder andere controles bij grensovergangen, internationale uitwisseling van informatie over smokkelnetwerken, en vervolging van mensensmokkelaars en hun organisaties. Het «barrièremodel mensensmokkel»10 geeft inzicht in het soort interventiemogelijkheden dat overheden kunnen gebruiken in de strijd tegen mensensmokkel.
Wat houden de «Migratiepartnerschappen met derde landen» in?
De inzet van het kabinet is om binnen het EU-migratiebeleid in te zetten op migratiepartnerschappen met derde landen die materieel voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag om migratiestromen te beheersen en terugkeer te realiseren. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld middels het BNC-fiche inzake de overkoepelende mededeling van de Commissie over het asiel- en migratiepact11, zet de Europese Commissie in op veelomvattende, gebalanceerde, op maat gemaakte partnerschappen op basis van wederzijdse belangen om de Europese migratiedoelstellingen te verwezenlijken. Hiertoe heeft de Commissie landenspecifieke actieplannen opgesteld. Het kabinet dringt aan op verdere concretisering en implementatie van de actieplannen met versterkte coördinatie en concrete doelen, waarbij effectief gebruik wordt gemaakt van relevante instrumenten.
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja.
Klopt het dat er in dit coalitieakkoord cumulatief 10,7 miljard euro wordt uitgetrokken voor Defensie als je kijkt naar de periode 2022–2025, cumulatief 25,7 miljard euro in de periode 2022–2030 en maar liefst 55,7 miljard euro cumulatief in de periode 2022–2040?
Ja, als de structurele reeks uit het coalitieakkoord wordt doorgetrokken tot 2040 zijn dit de bedragen die worden uitgetrokken voor Defensie. Deze gelden komen bovenop de bestaande middelen in de Defensiebegroting.
Wat wordt bedoeld met «onderhoud en intensivering van defensie-uitgaven» waarin deze kabinetsperiode 10,7 miljard euro wordt geïnvesteerd? Welk bedrag gaat waar naartoe?
In het coalitieakkoord is onder de noemer «intensivering» 1,85 miljard euro structureel gereserveerd voor het versterken van de krijgsmacht. Uit deze middelen wordt structureel 0,5 miljard euro gereserveerd voor modernisering van het loongebouw en arbeidsvoorwaarden. De overige middelen worden gereserveerd voor gevechtsondersteuning, inzetvoorraden, digitalisering, innovatie en nieuwe (cyber)capaciteiten en wapensystemen. Voor het inlopen en wegwerken van achterstanden bij vastgoed, IT, instandhouding en onderhoud van materieel bij Defensie is onder de noemer «onderhoud» structureel 1,15 miljard euro gereserveerd.
Structureel is in het coalitieakkoord daarmee 3 miljard euro gereserveerd voor intensivering en onderhoud. Binnen de kabinetsperiode is het bedrag hoger door incidentele aanvullende uitgaven. In 2024 wordt de begroting verhoogd met 4,1 miljard euro en in 2025 met 4,2 miljard euro.
Hoe de middelen uit het coalitieakkoord precies worden uitgegeven, vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. Dit zal leiden tot de nieuwe Defensienota. In de Defensienota werkt het kabinet het coalitieakkoord voor Defensie verder uit in doelstellingen en beleidsmaatregelen.
Hoe verhoudt de zinsnede «Een krachtige NAVO blijft de hoeksteen van onze collectieve verdediging» zich tot de plannen voor verregaande Europese defensiesamenwerking, ook op het vlak van commandovoering en uitvoering?
Europa moet in de toekomst zelfstandig kunnen optreden wanneer de Europese belangen in het geding zijn. Daarom zet het kabinet in op de verdieping van de samenwerking met omringende Europese landen, versterken we op EU-niveau de samenwerking in de vorm van gemeenschappelijke missies en oefeningen en speelt Nederland een actieve rol in de Europese ontwikkeling van defensiecapaciteiten. Dit komt ook de NAVO ten goede. De inspanningen die Defensie levert en de extra middelen uit het coalitieakkoord versterken dan ook onze bijdrage in zowel NAVO-verband als in Europees verband.
Gaat de nieuwe coalitie op defensiegebied streven naar taakspecialisatie binnen de EU? Zo ja, met welke landen en binnen welke kaders wordt hierover samenwerking gezocht?
In de Defensievisie 2035 is aangegeven dat Defensie gaat inzetten op verdere specialisatie binnen de NAVO en EU. Dit onderwerp wordt nu al geregeld opgebracht in internationaal verband, en Nederland heeft specialisatie expliciet ingebracht tijdens de strategische dialoogfase over het Strategisch Kompas (Kamerstuk 21 501-28-229). Het coalitieakkoord benadrukt de noodzaak van het versterken van specialismen. De Nederlandse inzet wordt verder uitgewerkt in de Defensienota. Uw Kamer ontvangt bovendien nog een brief waarin nader wordt ingegaan op de rationale van specialisatie, welke vormen mogelijk zijn en waar kansen en risico’s liggen.
Wat zijn concreet de voornemens voor strategische autonomie voor onze defensie-industrie en het bevorderen van een gelijker speelveld, ook in het licht van het beleid van lidstaten als Frankrijk?
Zoals hierboven beschreven, wordt het coalitieakkoord verder uitgewerkt in de nieuwe Defensienota.
Kunt u aangeven hoe Defensie binnen 3 jaar 4 miljard euro extra per jaar gaat uitgeven? Kunt u aangeven waarop die grote intensivering gebaseerd is?
Zoals hierboven beschreven, worden de ambities in het coalitieakkoord vertaald naar realistische doelstellingen en beleidsmaatregelen in de nieuwe Defensienota. De Defensienota zal duidelijk maken hoe en waaraan het defensiebudget specifiek wordt uitgegeven. In het coalitieakkoord is benadrukt dat we leven in een wereld met veranderende machtsverhoudingen en instabiliteit rond Europa. Door de opstelling van landen als Rusland en China en de sterkere focus van de VS op Azië moeten we onze vrijheid, veiligheid en welvaart actiever beschermen. Met de huidige inrichting en staat van de organisatie is Defensie onvoldoende toegerust voor toekomstige (en sommige huidige) dreigingen. In NAVO-verband is in 2014 afgesproken om de defensie-uitgaven in 10 jaar te bewegen richting 2% van het bbp. Met de uitgaven uit het coalitieakkoord brengt het kabinet de defensie-uitgaven als percentage van het bbp in 2024 en 2025 volgens de huidige verwachting naar het niveau van het Europees NAVO-gemiddelde van 1,85% bbp.
Tot welke «internationale verplichting» wordt het defensiebudget opgehoogd: de NAVO-norm of het Europees gemiddelde van het BNP?
Met de uitgaven uit het coalitieakkoord brengt het kabinet de defensie-uitgaven als percentage van het bbp in 2024 en 2025 volgens de huidige verwachting naar het niveau van het Europees NAVO-gemiddelde van 1,85% bbp. Dit betreft het geprognosticeerde gemiddelde van de defensie-uitgaven door de Europese NAVO-bondgenoten.
Kunt u onderstaande vragen behandelen als feitelijke vragen, waarbij de gestelde vragen doorgaans niet van alle bovengenoemde fracties het standpunt vertegenwoordigen?
Ja.
Kunt u onderstaande (feitelijke) vragen, voorafgaand aan het plenair debat over de regeringsverklaring, een voor een beantwoorden of, indien een antwoord op een bepaalde vraag nog niet beschikbaar is, aangeven op welke datum het antwoord op deze vraag wel beschikbaar is?
Ja.
Komt in elke wet een hardheidsclausule? Zo nee, voor welke wetten maakt u een uitzondering en waarom?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Kunt u aangeven over welke wetsvoorstellen is afgesproken deze in te trekken, dan wel aan te houden?
Het kabinet heeft besloten om op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid het volgende voorstel in te trekken: Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Faillissementswet en enige andere wetten in verband met de bevoorrechting van vorderingen, het verbinden van een bijzonder verhaalsrecht aan bepaalde vorderingen en de invoering van de mogelijkheid van een vereenvoudigde afwikkeling van faillissement (Kamerstuk 22 942).
Is € 200 miljoen extra geld voor de politie genoeg om te voldoen aan de wettelijke norm van minimaal 1 wijkagent per 5.000 inwoners? Wordt dit ook door de politie bevestigd?
De korpschef heeft mij bericht dat er d.d. eind augustus jl. 3.593 wijkagenten waren. Op dat moment telde Nederland volgens cijfers van het CBS 17.515.152 inwoners. Op basis daarvan (17.515.152/ 5.000) zouden er 3.503 wijkagenten moeten zijn. Met 3.593 zitten we dus 90 wijkagenten boven de norm van 1 wijkagent op 5.000 inwoners.
Wat is feitelijk het verschil tussen het strafbaar stellen van illegaliteit en het middel van de ongewenstverklaring van uitgeprocedeerde asielzoekers?
Op dit moment is nog niet aan te geven op welke wijze de ongewenstverklaring zal worden aangepast; dit vergt nog nadere uitwerking.
Kunt u een definitie geven van ongewenste migratiestromen?
Er is geen vaste definitie te geven van ongewenste migratiestromen. Het kabinet wil migratie zoveel mogelijk veilig en gestructureerd laten verlopen, ongewenste migratiestromen zoveel mogelijk beperken en het draagvlak voor migratie in onze samenleving behouden en versterken. Daar hoort in ieder geval bij dat irreguliere migratie zoveel mogelijk wordt tegen gegaan.
Bent u bekend met het Blue Card Initiative? Hoe verhoudt zich dit tot het creëren van meer structuur in de arbeidsmigratie en het aantrekken van de kennismigratie in dit akkoord?
Ja, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is bekend met de Richtlijn Europese blauwe kaart. De Europese blauwe kaart is een verblijfsvergunning die wordt afgegeven aan kennismigranten op grond van de EU-richtlijn inzake de toegang en verblijf van derdelanders met het oog op een hooggekwalificeerde baan. Deze richtlijn is onlangs herzien. Uw Kamer is over de inhoud van deze herziening geïnformeerd in het verslag van de JBZ-Raad van 7 en 8 juni 2021. Deze Europese blauwe kaart bestaat naast de nationale kennismigrantenregeling.
Nederland is positief over de herziening van de Europese blauwe kaart. EU-beleid inzake migratie van kennismigranten heeft een toegevoegde waarde aangezien het de EU, en daarmee ook de lidstaten, aantrekkelijker kan maken voor kennismigranten. Dit gezamenlijke beleid kan beter op EU-niveau geregeld worden dan door de lidstaten afzonderlijk. Door de herziening sluit de Europese blauwe kaart beter aan op de Nederlandse systematiek ten aanzien van het aantrekken van kennismigranten. Daarmee sluit de herziene richtlijn Europese blauwe Kaart ook aan bij de wens uit het coalitieakkoord om meer structuur te creëren in arbeidsmigratie.
Kunt u aangeven of het verder werken aan een fundamentele herziening van het gezamenlijk Europese asielsysteem (GEAS) met een kopgroep van gelijkgestemde lidstaten ook een mogelijk loslaten van de pakketbenadering betekent?
Op de betekenis kan niet vooruitgelopen worden; deze passage vergt een nadere uitwerking.
Kunt u een definitie geven van een humanitaire crisis of van een fors hogere instroom? Kunt u een definitie geven van een (migratie-)crisis?
Er is geen vaste definitie te geven van een fors hogere instroom en migratiecrisis. Of het een crisis in de migratieketen betreft is namelijk afhankelijk van verschillende exogene en endogene factoren, waardoor een bepaalde situatie soms wel tot een crisis kan leiden en soms niet.
Wat betekent het versterken van de bescherming van de buitengrenzen van de EU binnen internationale verdragen? Hoe verhoudt zich dit tot de voorstellen voor de herziening van de Schengen Borders Code?
Het kabinet zet reeds in op het versterken van de bescherming van de buitengrenzen van de EU. Dit dient te gebeuren binnen de kaders die gesteld zijn door internationale verdragen, zoals het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Er wordt ingezet op betere informatiedeling en coördinatie van grensbeheer op Europees en nationaal niveau. Ook wordt een actieve bijdrage geleverd aan het ondersteunen van Frontex en de landen die de buitengrens van EU en Schengen vormen. De herziening van het Schengenevaluatie- en monitoringsmechanisme en screening- en grensprocedure zijn belangrijke instrumenten om het beheer aan de buitengrenzen te versterken. Het voorstel tot wijziging van de Schengengrenscode is op 14 december jl. door de Europese Commissie gepresenteerd. Ook daarin wordt onder andere ingezet op het verder versterken van de buitengrenzen, het toezicht in de binnengrenszone en het tegengaan van secundaire migratiestromen. Uw Kamer wordt binnenkort middels het BNC-traject over het kabinetsstandpunt ten aanzien van dit voorstel geïnformeerd.
Zal geld voor zelfstandige gemeentelijke opvang beschikbaar blijven in het geval van onverwachts hoge instroom en crises?
Hoe de gemeentelijk opvang wordt ingericht is onderwerp van nadere uitwerking voor de komende periode.
Bij benadering, welk percentage van het miljard dat structureel wordt geïnvesteerd in het versterken van veiligheid gaat naar cybersecurity?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Waaruit zal de maatschappelijke bijdrage van de «gehele advocatuur» bestaan? Gaat het om financiële middelen? Moet de sociale advocatuur ook bijdragen?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Bij benadering, welk percentage van de investeringen in het bestrijden van ondermijnende criminaliteit zal naar preventieve maatregelen gaan?
Preventie is een belangrijk onderdeel van de brede aanpak van ondermijning. Het komt daarom in vrijwel elk onderdeel van de aanpak zichtbaar of minder zichtbaar terug. Zo wordt er binnen regionale versterking gewerkt aan projecten gericht op het voorkomen van crimineel gebruik van panden en de aanpak van hotspots en worden er bij de aanpak van criminele geldstromen maatregelen genomen ter voorkoming van witwassen. Ook bij bijvoorbeeld de aanpak van logistieke knooppunten/mainports wordt veel aandacht besteed aan het voorkomen van crimineel handelen. Voor preventie met gezag, gericht op het voorkomen van jonge aanwas, is er via de Prinsjesdaggelden € 82 mln. beschikbaar gesteld. Dit beslaat ca 20% van het volledige bedrag van € 434 mln.
Daarnaast is er bij het coalitieakkoord in 2022 een bedrag van € 50 mln. beschikbaar gesteld voor preventie oplopend naar € 200 mln. structureel. Deze gelden zijn onder andere bestemd voor de preventie van jeugdcriminaliteit in algemene zin en een brede domein overstijgende wijkaanpak met daarbinnen een belangrijke rol voor politie en justitie. Omdat deze preventieve maatregelen breder zijn dan de investeringen in het bestrijden van ondermijnende criminaliteit is het niet mogelijk om een totaalpercentage te noemen.
Uit welke maatregelen uit de aanpak van bestrijding van de maffia in Italië wil de coalitie lessen trekken?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd. In de brief van 21 november jl is een aantal maatregelen genoemd om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en de veiligheid tijdens de rechtszaak en detentie voor zowel gedetineerden als personeel te vergroten. Een deel van deze maatregelen is geïnspireerd op Italiaans voorbeeld. Deze maatregelen worden, naast andere, in de komende periode nader uitgewerkt.
Welke lokale partijen moeten beter gegevens kunnen uitwisselen en om welke gegevens gaat het?
Het antwoord op deze vraag vergt nadere uitwerking en besluitvorming van het kabinet. U wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Er wordt met gelijkgezinde en ons omringende landen gewerkt aan het bewaken van grenzen, relocatie en verdere operationele samenwerking in geval van een humanitaire crisis of een forse hogere instroom van asielzoekers, wanneer is sprake van een humanitaire crisis en aan welke aantal moet worden gedacht bij een forse hogere instroom van asielzoekers?
Zie het antwoord op vraag 10.
In hoeverre wordt de € 200 miljoen, die wordt uitgetrokken voor het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) in verband met een hogere instroom en bezetting, ook voldoende geacht voor het creëren van een stabiele financiering van een robuuste asielketen op de lange termijn?
In hoeverre de structureel uitgetrokken € 200 miljoen voldoende gaat bijdragen is sterk afhankelijk van de zich daadwerkelijk voortdoende in- door- en uitstroom in het asieldomein. Komende periode worden plannen uitgewerkt om de organisaties op basis van deze structureel hogere financiële reeks stabiel en flexibel in te richten en de sturing te versterken.
Heeft u de ambitie uitgereisde IS-ers te vervolgen voor medeplichtigheid aan genocide, aangezien de Kamer heeft vastgesteld dat IS genocide gepleegd heeft?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een persoon strafrechtelijk wordt vervolgd, en zo ja, voor welke strafbare feiten. Het hangt van de feiten en omstandigheden van elk individueel geval af welke strafbare feiten aan een verdachte kunnen worden tenlastegelegd. Of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat een verdachte een bepaald strafbaar feit heeft begaan, is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen.
Hoe verhoudt het feit dat de netto uitgaven voor de begroting justitie en veiligheid tussen 2022 en 2026 dalen zich tot alle ambities op dat terrein in het regeerakkoord?
De daling van de netto-uitgaven van JenV in de periode 2022–2026 vloeit voort uit enerzijds incidentele factoren aan de uitgavenkant en anderzijds stijgende niet-belastingontvangsten uit hoofde van boetes en transacties. Aan de uitgavenkant zijn met name de incidentele schadevergoedingen in 2022 uit hoofde van de toepassing van de wet tegemoetkoming schade (waterschade Limburg) relevant. Afgezien van deze specifieke factoren is te zeggen dat er geen sprake is van dalende netto-uitgaven op de JenV-begroting die een belemmering vormen voor de realisatie van de ambities uit het coalitieakkoord.
In welk opzicht is de uitbreiding van de Landelijke vreemdelingenvoorzieningen (LVV) gericht op terugkeer?
Op dit moment is nog niet aan te geven op welke wijze de uitbreiding van de LVV naar een landelijk dekkend netwerk zal plaatsvinden. Dit vergt nog nadere uitwerking.
Hoeveel geeft u in totaal extra uit aan asielopvang?
In het coalitieakkoord wordt voor de periode 2022–2025 rekening gehouden met een extra uitgave van € 1,1 miljard, zoals opgenomen in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord.
Waarom verwacht u een hogere asielinstroom en hoe hoog is die?
Sinds het begin van de zomer van 2021 zien we een toename in het aantal eerste asielaanvragen en de instroom van nareizigers. Deze verhoogde instroom wordt o.a. veroorzaakt door de afgenomen reisbeperkingen rondom Covid en de instroom van Afghaanse evacués. De asielinstroom is daarmee weer vergelijkbaar met de asielinstroom van voor de Covid-19 pandemie.
Voor 2022 gaat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vooralsnog uit van een hogere asielinstroom dan voor 2021.1 Dit aantal betreft de verwachting op basis van de inzichten, aannames en onzekerheden die op het moment van opstellen van kracht waren. De verwachting wordt periodiek bijgesteld, voorafgaand aan de reguliere momenten in de Rijksbegroting (de najaarsnota / voorjaarsnota).
Zitten in de uitgaven voor een hoger asielinstroom tevens de directe en indirecte maatschappelijke kosten verwerkt? Zo nee, waarop raamt u de directe en indirecte maatschappelijke kosten?
De J&V uitgaven voor hogere asielinstroom hebben betrekking op de uitvoeringskosten van de partijen in de migratieketen. Er is geen raming van directe en indirecte maatschappelijke kosten en baten.
Hoe verhoudt de verplichting van personeelsleden om leerlingen en collega’s met homoseksuele neigingen te verklikken, zich tot de rechtspositie van onderwijspersoneel?1
Laat ik voorop stellen dat ik het ten zeerste afkeur als onderwijspersoneel gedwongen wordt om privéinformatie over leerlingen of hun collegae te delen én als onderwijspersoneel uit de LHBTIQ+ gemeenschap op deze manier in een benarde situatie wordt gebracht. De verplichting om leerlingen en collegae te «verklikken» zorgt voor een situatie waarin medewerkers geen vrijheid hebben om een veilig team te vormen en zichzelf te zijn. Tevens is een dergelijke verplichting in strijd met de wetgeving.
De rechtspositie van onderwijspersoneel en de sociale veiligheid op scholen is juridisch gewaarborgd.2 Zo moeten werkgevers te allen tijde zorgen voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden. Bovendien dient het bevoegd gezag zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin personeel en leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten. Het verplicht melden van een homoseksuele gerichtheid van collega’s is volstrekt onacceptabel en past niet bij een dergelijke cultuur.
Deelt u de mening dat een dergelijke verplichting volkomen haaks staat op de vertrouwensrol die het onderwijspersoneel heeft ten opzichte van leerlingen die aan hun zorg zijn toevertrouwd?
Ja, leerlingen moeten kunnen rekenen op een schoolklimaat waarin zij zich veilig en geaccepteerd weten. Om dat te kunnen waarborgen is het van belang dat zij in vertrouwen dingen kunnen delen met onderwijspersoneel. Een verplichting voor onderwijspersoneel om bij het bevoegd gezag melding te maken van iets persoonlijks als de seksuele gerichtheid van leerlingen, staat hier volledig haaks op.
Deelt u de mening dat een verplichting om collega’s te verklikken getuigt van slecht werkgeverschap?
Ja, zie de antwoorden op de vragen 1 en 2.
Ziet u in deze casus redenen reden om de rechtspositie van onderwijspersoneel te versterken opdat de schoolleiding deze niet langer kan verplichten tot gedrag dat strijdig is met hun vertrouwensrol? Zo ja, hoe kan deze versterking gestalte krijgen? Zo neen, waarom niet?
Er wordt momenteel gekeken of het in algemene zin nodig is de rechtspositie van onderwijspersoneel verder te versterken, zoals ook is aangegeven in het Coalitieakkoord. Daarbij worden de resultaten van de evaluatie van de Wet Veiligheid op School ook meegenomen.
Het bericht dat meer tribunes in het Goffertstadion onveilig zijn en herstelmaatregelen nodig voor heropening. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Kent het bericht «Meer tribunes Goffertstadion onveilig, herstelmaatregelen nodig voor heropening»?1
Ja.
Wat is uw reactie inzake de constatering dat meer tribunes in het NEC stadion onveilig blijken te zijn en scheuren blijken te hebben?
Ik heb hierover contact opgenomen met de gemeente Nijmegen. De gemeente Nijmegen en NEC hebben vervolgonderzoek laten uitvoeren door Royal Haskoning DHV. Eerder was door Royal Haskoning DHV geconstateerd dat bij het op 17 oktober 2021 bezweken tribune-element sprake was van een ontwerpfout. Uit het vervolgonderzoek is nu gebleken dat ook de overige tribunedelen, met uitzondering van acht kortere delen, dezelfde fout in de berekende wapening hebben. Er zullen herstelmaatregelen worden uitgevoerd aan de tribunes. Hiervoor is op 27 december 2021 een omgevingsvergunning afgegeven. De Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) ziet namens het College van burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen toe op goede uitvoering hiervan. Na uitvoering van de herstelwerkzaamheden wordt door de gemeente besloten over de heropening van het stadion.
Wat heeft u gedaan naar aanleiding van de scheuren van het NAC stadion die in 2016 zijn geconstateerd?
De gemeente is bevoegd gezag als het gaat om constructieve veiligheid van gebouwen. Ik heb daarom navraag gedaan bij de gemeente Breda. Deze heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de scheuren in het NAC stadion in 2016 herstelmaatregelen zijn uitgevoerd. Mijn ambtsvoorgangers hebben hierbij geen betrokkenheid gehad.
Wat is de relatie tussen de scheuren in het NEC stadion die nu zijn geconstateerd en de scheuren in het NAC stadion die in 2016 zijn geconstateerd?
De constructie van de tribunes van het NAC-stadion is anders dan die van het NEC-stadion. Wel was ook bij het NAC-stadion sprake van een ontwerpfout waardoor de scheurvorming is ontstaan.
Deelt u de opvatting dat er de afgelopen jaren te veel incidenten zijn geweest met betrekking tot de bouwveiligheid van stadions?
Ja. Mijn ambtsvoorganger heeft eerder ook acties genomen ter verbetering. Na het gedeeltelijk instorten van het dak van het AZ-stadion (augustus 2019) is in juni 2020 een protocol2 gepubliceerd dat door stadioneigenaren kan worden gebruikt bij het periodiek beoordelen van de constructieve veiligheid van de stadions. November 2020 heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid vervolgens zijn rapport over deze instorting gepubliceerd en daarin de aanbeveling gedaan aan de Minister van BZK om voor grote publieksgebouwen (waaronder stadions) een wettelijke periodieke beoordeling in te voeren. Deze aanbeveling is overgenomen en over de aanpak is uw Kamer op 29 januari 2021 (Kamerstuk 28 325, nr. 216) en 24 september 2021 (Kamerstuk 28 325, nr. 222) geïnformeerd. Beide brieven waren geagendeerd voor het recente commissiedebat Bouwregelgeving van 11 november 2021. Bij dit debat heeft mijn ambtsvoorganger de aanpak om te komen tot een wettelijke periodieke beoordeling verder toegelicht en is daarbij ook ingegaan op de instorting van de tribune van NEC-stadion.
Ik werk thans aan de benodigde wijziging van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) die ik naar verwachting in dit voorjaar aan uw Kamer zal voorleggen in het kader van de voorhangprocedure. In de bijbehorende regelgeving zal gebruik worden gemaakt van een NTA3 voor de periodieke beoordeling van de constructieve veiligheid van grote publieksgebouwen. Deze NTA wordt thans in opdracht van het Ministerie van BZK opgesteld door NEN in samenspraak met relevante partijen zoals het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht, eigenaren van grote publieksgebouwen en deskundigen op het gebied van constructieve veiligheid.
Deelt u de mening dat de problemen met betrekking tot de bouwveiligheid van stadions structureel zijn?
Ja en daarom wordt door mij ook gewerkt aan een structurele verbetering in de vorm van een wettelijke periodieke beoordeling zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 5.
In hoeverre bent u van mening dat alle gemeenten in Nederland de expertise in huis hebben om de bouwveiligheid van stadions te borgen?
Gemeenten zijn bevoegd gezag met betrekking tot de constructieve veiligheid van gebouwen waaronder stadions. Het is aan gemeenten om te zorgen dat zij beschikken over voldoende expertise. Gemeenten hoeven echter niet alle expertise in huis te hebben, maar kunnen ook gebruik maken van een deskundige regionale omgevingsdienst of in voorkomende gevallen externe deskundigen inhuren. Ik ben van mening dat gemeenten dit op een goede wijze kunnen invullen. De gemeenteraad kan het College van burgemeester en Wethouders hierop aanspreken.
De wettelijke periodieke beoordeling voor de constructieve veiligheid, waaraan ik thans werk, zal overigens het toezicht door gemeenten vereenvoudigen. Eigenaren van grote publiek gebouwen (waaronder stadions) moeten in de toekomst verplicht een periodieke beoordeling laten uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. De gemeente kan vervolgens eenvoudig nagaan of deze beoordeling is uitgevoerd en kan waar nodig direct handhaven als de beoordeling niet is uitgevoerd of als daarbij bepaalde tekortkomingen zijn geconstateerd.
Kunt u uiteenzetten hoe België omgaat met de bouwveiligheid van stadions? Wat zijn de voor- en nadelen van hoe België dat doet?
In België zijn de veiligheidseisen voor voetbalstadions vastgelegd in specifieke regelgeving voor voetbalstadions4. In het kader hiervan is er in België ook een afzonderlijke overheidsdienst, de zogenaamde Voetbalcel, en geldt er een verplichte periodieke beoordeling van de constructieve veiligheid van voetbalstadions door een onafhankelijke deskundige. Ik heb geen zicht op de voor- en nadelen van de wijze waarop dit in België wordt gedaan.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de expert-groep in België zodat de bouwveiligheid van stadions in Nederland wordt verbeterd?
Zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 5 werk ik thans aan de benodigde wijziging van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) die ik naar verwachting in dit voorjaar aan uw Kamer zal voorleggen in het kader van de voorhangprocedure. In de bijbehorende regelgeving zal gebruik worden gemaakt van een NTA voor de periodieke beoordeling van de constructieve veiligheid van grote publieksgebouwen. Deze NTA wordt thans in opdracht van het Ministerie van BZK opgesteld door NEN in samenspraak met relevante partijen zoals het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht, eigenaren van grote publieksgebouwen en deskundigen op het gebied van constructieve veiligheid. Ik heb in dit kader aan NEN gevraagd om ook buitenlandse praktijkvoorbeelden van periodieke beoordelingen te bezien op bruikbare elementen voor de op te stellen NTA. NEN heeft al een groot aantal voorbeelden beschouwd. Ik zal NEN specifiek vragen om ook de Belgische periodieke beoordelingen hierbij mee te nemen.
Bent u bereid om een pilot te starten met de expert-groep in België zodat de bouwveiligheid van stadions in Nederland wordt verbeterd?
In mijn antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven dat ik NEN zal vragen de Belgische informatie mee te nemen in de op te stellen NTA. Het starten van een pilot met de expert groep in België vind ik daarom niet nodig.
Kunt u uiteenzetten hoe het Verenigd Koninkrijk omgaat met de bouwveiligheid van stadions? Wat zijn de voor- en nadelen hoe het Verenigd Koninkrijk dat doet?
In het Verenigd Koninkrijk wordt gewerkt met de zogenaamde Green Guide5 die is opgesteld door de Sports Grounds Safety Authority (SGSA). Bij grote stadions worden periodieke beoordelingen van de constructieve veiligheid uitgevoerd. De Onderzoeksraad geeft een korte beschrijving van deze werkwijze in haar rapport over het AZ-stadion6. Ik heb geen zicht op de voor- en nadelen van de werkwijze in het Verenigd Koninkrijk.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de stadion-autoriteit in het Verenigd Koninkrijk zodat de bouwveiligheid van stadions in Nederland kan worden verbeterd?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 heb aangegeven, heb ik aan NEN gevraagd om ook buitenlandse praktijkvoorbeelden van periodieke beoordelingen te bezien op bruikbare elementen voor de op te stellen NTA. NEN heeft een groot aantal voorbeelden beschouwd waaronder ook de Green Guide. Dit betekent dat de informatie uit het Verenigd Koninkrijk inmiddels wordt betrokken bij de vormgeving van de wettelijke periodiek beoordeling van de constructieve veiligheid van grote publieksgebouwen, waaronder stadions.
Bent u bereid om in kaart te brengen hoe een stadion-autoriteit, zoals in het Verenigd Koninkrijk, kan worden ingevoerd in Nederland?
Overeenkomstig de aanbeveling van de Onderzoeksraad is de wettelijke periodieke beoordeling waaraan ik werk bedoeld voor alle grote publieksgebouwen en niet alleen voor stadions. Verder is het uitgangspunt dat de periodieke beoordeling aansluit bij de huidige systematiek van de Nederlandse bouwregelgeving en de bestaande toezichts- en handhavingstaken van gemeenten. De wettelijke periodieke beoordeling zal het toezicht door gemeenten vereenvoudigen. Eigenaren van grote publiek gebouwen (waaronder stadions) moeten in de toekomst verplicht een periodieke beoordeling laten uitvoeren door een onafhankelijke deskundige. De gemeente kan vervolgens eenvoudig nagaan of deze beoordeling is uitgevoerd en kan waar nodig direct handhaven als de beoordeling niet is uitgevoerd of als daarbij bepaalde tekortkomingen zijn geconstateerd. Een landelijke stadion-autoriteit, zoals in het Verenigd Koninkrijk, is hierbij niet nodig en is ook niet door de Onderzoeksraad aanbevolen. De invoering van een stadion-autoriteit vind ik daarom niet nodig.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De toekomst van de sportsector |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Paul Blokhuis (CU) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken van de inventarisatie van wat nodig is om de sportsector te helpen te overleven, aangezien u tijdens het Wetgevingsoverleg Onderdeel Sport en Bewegen van de begroting VWS 2021 en aanverwante zaken (d.d. 2 december jl.) aangaf nogmaals het gesprek met de sportsector hierover aan te gaan? Wanneer kan de Kamer een actie van u verwachten?1
Het Ministerie van VWS is met NOC*NSF en sportbonden in gesprek over de financiële positie van de bonden. Dit gesprek loopt al vanaf het aannemen van de motie Aartsen c.s. In het WGO van 2 december 2021 heeft Staatssecretaris Blokhuis aangegeven nogmaals het vergrootglas te leggen op de situatie van de sportbonden. Daarom werkt NOC*NSF aan een meer gedetailleerde inventarisatie van de coronagerelateerde schade bij bonden. Hierover vindt periodiek ambtelijk overleg plaats tussen VWS, NOC*NSF en financiële medewerkers van een aantal (grote en kleine) sportbonden. Deze inventarisatie is nog niet afgerond.
Verder wordt in deze setting, net als met gemeenten, exploitanten van sportaccommodaties en organisatoren van topsportevenementen en -competities, periodiek overlegd over de opzet en inzet van de steunmaatregelen die het kabinet heeft toegezegd om de financiële schade van de huidige lockdown te compenseren. De uitkomsten uit deze gesprekken worden zoveel mogelijk meegenomen in de uitwerking van de steunmaatregelen die zo spoedig mogelijk worden gepubliceerd.
Klopt het dat 42 procent van de 5- tot 11-jarige jongeren en 53 procent van de 12- tot 18-jarige jongeren minder is gaan sporten of met sporten is gestopt? Wat is de strategie om de sportsector te helpen om deze kinderen terug te krijgen naar de sportvereniging en wat is hiervoor nodig?
Diverse onderzoeken (NOC*NSF, Mulier Instituut, CBS, RIVM) volgen periodiek het sport- en beweeggedrag van de Nederlandse bevolking. Daarbij wordt ook de link gelegd met de maatregelen die in de betreffende periode gelden. De verschillende onderzoeken beschrijven eenzelfde trend waarbij de sportdeelname meebeweegt met de strikte maatregelen. Daarbij weet een gedeelte van de bevolking – vaak hoger opgeleid – in tijden van grote beperkingen wel een beweegalternatief te vinden, maar lager opgeleiden niet.
Voor de jongste jeugd (5 t/m 12 jaar) geldt dat het ledenaandeel sinds 2016 voorzichtig daalde van 52 naar 49 procent in 2019 (bron: NOC*NSF). Deze daling heeft zich in het eerste coronajaar 2020 verder doorgezet naar 47 procent. De sportdeelname in deze groep is in 2020 echter gedaald van een stabiele 80 procent in de jaren ervoor naar 65 procent. Vergelijkbare trends zijn te zien bij de categorie 12–18 jaar. Het lijkt er dus op dat het aantal beweegmomenten onder de jeugd wel degelijk is verminderd, maar zij verlaten niet zozeer massaal de verenigingen.
Is Nederland het enige land in Europa waar sport op deze wijze beperkt wordt? Zo nee, voor welke andere landen geldt dit ook? Wat is het coronaregime met betrekking tot sport in andere landen in Europa? Klopt het dat in andere landen het kunnen blijven beoefenen van sport, wetenschappelijk onderbouwd, juist wel mogelijk wordt gemaakt? Zo ja, hoe wordt deze wetenschappelijke informatie in Nederland meegewogen?
Ieder land maakt zijn eigen afwegingen over welke maatregelen passend zijn. Door verschillen in demografie, epidemiologische situatie, mate van vaccinatie, organisatie van de sport en verschillen in sportbeoefening zijn internationale vergelijkingen beperkt zinvol. In EU-verband worden vergelijkingen van maatregelen gedaan in een speciale werkgroep, maar maatregelen veranderen zo snel dat actuele vergelijkingen moeilijk te maken zijn. Op basis van adviezen van het OMT neemt het kabinet maatregelen. Het OMT weegt wetenschappelijk onderzoek mee in hun advisering.
Kunt u een overzicht geven wat er met betrekking tot sport mogelijk is in andere landen, uitgesplitst in top- en amateursport, jeugd en volwassenen, en binnen- en buitensport?
Nee. Maatregelen volgen elkaar snel op en zoals in het antwoord op vraag drie is aangegeven, is een dergelijke vergelijking ook beperkt zinvol.
Heeft u een beeld van de gezondheidsschade als gevolg van een lagere sportdeelname in de afgelopen anderhalf jaar? En heeft u een beeld van de langetermijneffecten van een lagere sportdeelname voor de gezondheidszorg?
Op dit moment is het RIVM bezig een studie af te ronden naar de impact van sportdeelname op de zorgkosten. Daarin zullen verschillende scenario’s van sportdeelname bij de bevolking doorgerekend worden. Ik verwacht dit onderzoek binnenkort naar de Kamer te kunnen sturen. Eerder concludeerden onderzoekers van de HAN2 al dat door het veranderde beweeggedrag onder 25-plussers 46.000 gezonde levensjaren verloren zijn gegaan.
Met hoeveel procent zijn de sportbestedingen in Nederland gedaald, aangezien in Engeland de bestedingen aan sport en sportbenodigdheden met 32 procent zijn gedaald en dit wordt gezien als voorbode voor een langetermijndaling van sportdeelname? Wat is de strategie om te voorkomen dat dit in Nederland tot een langetermijndaling van sportdeelname leidt?
De vraag met hoeveel procent de sportbestedingen zijn gedaald is nog niet eenduidig te beantwoorden. Het CBS heeft nog geen gedetailleerde cijfers over de consumentenbestedingen in 2020 of 2021 waaruit de bestedingen aan sport kunnen worden gedestilleerd. Wel zijn op sectorniveau cijfers beschikbaar over de «kern» van de sector sport en recreatie. Deze cijfers laten zien dat de toegevoegde waarde van deze sector in 2020 sterk is gedaald ten opzichte van 2019, net als het exploitatieoverschot («winst»). Deze cijfers gaan echter niet alleen over de sportsector, maar dus ook over recreatie, waar coronamaatregelen (omdat minder sprake is van abonnementen) een directer effect hebben op de omzet. Uit onderzoeken van banken, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van de Rabobank3, weten we dat de consumentenbestedingen aan sport in oktober 2021 juist weer ongeveer waren hersteld tot normale niveaus na een sterke daling in 2020. Dit gaat wel om cijfers van vóór de lockdown eind vorig jaar, dus het ligt in de lijn der verwachting dat hierdoor de consumentenbestedingen aan sport weer zijn gedaald. De cijfers laten wel herstel zien nadat coronamaatregelen voor dalingen hebben gezorgd.
Kortom, de cijfers zijn daarom geen indicatie dat er een structurele afname van sportdeelname is. Onderzoekers zien wel dat in tijden van beperkingen bepaalde groepen (in het bijzonder hoger opgeleiden) eenvoudig sport- en beweegalternatieven vinden. De lager opgeleiden worden bij iedere beperking veel directer teruggeworpen in hun dagelijkse sport- en beweeggedrag. Daarom houd ik vinger aan de pols en zal ik uw Kamer blijven informeren over verschuivingen in sport- en beweegdeelname op basis van de gegevens van het RIVM en het Mulier instituut.
Bovenstaande is geen reden om achterover te leunen. Ik denk aan de verschillen in sport- en beweegdeelname tussen groepen in de samenleving en aan het feit ongeveer de helft van de Nederlanders de beweegrichtlijnen niet haalt. Ik zal met voorstellen komen om meer mensen aan het sporten en bewegen te krijgen. Het doel voor 2040 is dat 75% van de Nederlanders aan de beweegrichtlijnen voldoet. Een vitale sportsector is daarbij essentieel.
Op welke wijze zijn bij het nemen van maatregelen noodkreten uit de sportsector, van bijvoorbeeld het NOC*NSF, de KNVB, de KNLTB, de POS en NLActief, betrokken bij de besluitvorming over de positie van sport? Hoe vaak en met wie heeft het kabinet gesproken met vertegenwoordigers uit deze sector? Kunt u een overzicht geven met welke vertegenwoordiger(s) van de sportsector u, uw voorganger of andere leden van het kabinet vanaf 1 maart 2020 hebben gesproken?
Sinds januari 2021 vindt elke week ambtelijk overleg plaats met vertegenwoordigers van NOC*NSF, Platform Ondernemende Sportaanbieders (POS), KNVB en VSG. Daarnaast is het Ministerie van VWS sinds januari 2021 ambtelijk aangesloten bij wekelijks overleg met grote en kleine sportbonden, NOC*NSF en POS. Sinds december 2021 bestaat er ook een werkgroep met een brede vertegenwoordiging van de sport die werkt aan de middellange en lange termijnstrategie voor sport en COVID-19. Daarnaast is er periodiek ambtelijk overleg met vertegenwoordigers van NOC*NSF en financiële medewerkers van enkele (grote en kleine) sportbonden over de inzet van de steunmaatregelen en de financiële positie van de bonden zelf. Ook zelf heb ik inmiddels gesprekken gevoerd met de bestuurders van NOC*NSF, de KNVB en NLActief en hierbij is ook aandacht besteed over de positie van sport bij de besluitvorming.
Wat doet het kabinet met signalen van diverse wetenschappers, zoals bijvoorbeeld hoogleraar Neuropsychologie Scherder, die waarschuwen dat de coronacrisis een bewegings- en gezondheidscrisis tot gevolg gaat hebben? Op welke wijze wordt gewerkt aan een strategie om te voorkomen dat Nederlanders minder fit, gezond en weerbaar zijn geworden? Wanneer kan de Kamer deze strategie verwachten?
Het kabinet weegt zoveel mogelijk informatie mee in de brede afweging van maatregelen, zo ook het belang van sport en bewegen. In de advisering van het OMT worden ook wetenschappelijke inzichten meegenomen. Op dit moment werkt het kabinet hard aan een brede maatschappelijke aanpak op de middellange en lange termijn. Hier worden ook de belangen van en de gevolgen voor de sport in meegenomen. Dit zal naar verwachting begin februari naar uw Kamer worden gestuurd. Verder maakt de strategie voor de (middel)lange termijn voor sport uiteraard ook onderdeel uit van de ontwikkeling van het sportbeleid en de brede preventieaanpak van het kabinet. Dit werk ik op dit moment uit en ik zal uw Kamer in het voorjaar hierover informeren.
Bedreigingen van Joodse studenten |
|
Hatte van der Woude (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (CDA), Ingrid van Engelshoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rabiate Israëlhaat aan Universiteit Leiden bedreiging voor Joodse studenten»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat docenten aan deze instelling zich pro-BDS uiten naar studenten toe? Zo ja, deelt u de mening dat deze politieke stellingname de academische vrijheid beperkt, doordat studenten niet meer uit durven gaan van een neutrale houding van de docent op dit onderwerp?
Het hoger onderwijs moet een veilige leeromgeving bieden. De Universiteit Leiden heeft mij geïnformeerd dat, mede naar aanleiding van de brief van Joodse studenten, op de Faculteit Geesteswetenschappen gesprekken zijn gevoerd met docenten en studenten over een veilige en inclusieve leeromgeving bij de behandeling van gevoelige onderwerpen en over het belang van de scheiding tussen politiek en onderwijs. Docenten die onderwijs geven over het Midden-Oosten zijn zich bewust van hun rol in het borgen en bevorderen van een open gesprek binnen de onderwijsomgeving ook wanneer er tussen studenten meningsverschillen zijn. In het enkele geval dat door een docent de grens tussen politiek en onderwijs is overschreden, is door het faculteitsbestuur corrigerend opgetreden.
Zoals mijn voorganger eerder heeft benadrukt staat naast de vrijheid van meningsuiting van studenten ook de academische vrijheid. Die houdt in dat docenten in vrijheid hun onderzoek kunnen doen, hun bevindingen naar buiten kunnen brengen én onderwijs kunnen geven – ook wanneer dat gevoelige onderwerpen betreft of wanneer studenten zich daar moeilijk in kunnen vinden. Bij academische vorming horen ook confrontatie, debat en lastige gesprekken. 2
Evenwel verbergt antisemitisme zich tegenwoordig dikwijls achter politieke uitingen. Deze kunnen in dit kader wel degelijk intimiderend zijn voor Joodse studenten en daarmee in de weg staan van een veilige leeromgeving.
In hoeverre acht u het gewenst dat een universiteit direct of indirect een vereniging financiert die BDS propageert, in het licht van het feit dat de rijksoverheid zich volledig onthoudt van dergelijke financiering?
De financiering van de studentenvereniging MENA betreft compensatie van de registratiekosten bij de Kamer van Koophandel (760 euro) en in 2021 een vergoeding van 421 euro van het Expertisebureau D&I voor hun algemene kosten en activiteiten. Het Expertisebureau D&I geeft ondersteuning voor evenementen aan diverse studentenorganisaties als wordt stilgestaan bij diversiteitsonderwerpen. De Universiteit Leiden heeft mij verder geïnformeerd dat MENA meerdere activiteiten waaronder een Academic Panel on Palestine heeft georganiseerd met sprekers op verschillende kennisgebieden en met verschillende perspectieven, voor wat betreft BDS zowel voor als kritisch ten aanzien van BDS.
Kunt u bevestigen of de diversiteitsofficier van de Universiteit Leiden inderdaad geen enkele actie heeft ondernomen na een brandbrief van Joodse studenten? Zo ja, deelt u de mening dat dit niet acceptabel is?
Naar aanleiding van de brief van Joodse studenten aan het College van Bestuur is er een gesprek georganiseerd tussen de voorzitter van het college, de diversiteitsofficier en de studenten. Daarna zijn er meerdere gesprekken geweest op faculteitsniveau om de sociale veiligheid in het onderwijs te verbeteren waar de diversiteitsofficier aanwezig was en betrokken was in de coördinatie.
In hoeverre erkent u dat het ontkennen van het bestaansrecht van Israël als het nieuwe antisemitisme wordt gezien of ervaren?
Wij erkennen dat het ontkennen van het bestaansrecht van Israël als antisemitisme kan worden gezien en ervaren. Bij de bestrijding van antisemitisme hanteert het kabinet de definitie van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) van antisemitisme als juridisch niet-bindende werkdefinitie3: «Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.» Uitingen van antisemitisme kunnen volgens de IHRA ook gericht zijn tegen de Staat Israël, opgevat als een Joods collectief gegeven. Bijvoorbeeld door het Joodse volk het recht op zelfbeschikking te ontzeggen, of door het met twee maten meten, in die zin dat van de Staat Israël een bepaald gedrag wordt geëist dat niet van andere democratische naties wordt verwacht of verlangd.4
Wat gaat u doen om te waarborgen dat Joodse studenten zich veilig en vrij voelen, zowel in fysieke zin als academisch, op universiteiten?
In een academische onderwijsomgeving is het van belang een open discussie te voeren waarin verschillende perspectieven naar voren gebracht kunnen worden. Ik vind het dan ook belangrijk dat alle studenten zich binnen hun opleiding en in academische discussies vrij voelen om zich uit te spreken. De Inspectie van het Onderwijs heeft studenten bevraagd of zij zich vrij voelen om hun mening te uiten binnen de opleiding. Een eerste beeld hiervan is te vinden in de «Gezamenlijke notitie persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef in het hoger onderwijs» van inspectie en NVAO.5 De inspectie zal hier verder over rapporteren in de komende Staat van het Onderwijs.
Voor universiteiten is het bieden van een veilige en inclusieve omgeving voor studenten en medewerkers een prioriteit. Om de sociale veiligheid te bevorderen hebben alle universiteiten vertrouwenspersonen, ombudsfunctionarissen en een klachtenprocedure om onveilige situaties te melden en aan te pakken. Bij gevallen van fysiek geweld, seksueel geweld, discriminatie of racisme wordt opgeroepen om aangifte te doen.
Het kredietregister. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek met betrekking tot de financiering van het midden- en kleinbedrijf (mkb) door banken?
Ja.
Goede toegang tot financiering is voor ondernemers een essentiële randvoorwaarde om te kunnen ondernemen. Dat was voor de coronacrisis het geval, maar dat is nu des te belangrijker.
De markt voor mkb-financiering kent diverse knelpunten. Op basis van de verschillende onderzoeken zien we dat onder meer het nog beperkte aandeel van alternatieve financiering, de lage rentabiliteit van kleine kredieten, gebrek aan kennis en overzicht van de financieringsmarkt bij ondernemers en informatieasymmetrie een optimale kredietverstrekking kunnen belemmeren.1 Met name kleine en risicovolle financieringen zijn moeilijker te verkrijgen vanwege hogere transactiekosten en risico’s.
Welke oplossingsrichtingen ziet u om de problematiek met betrekking tot de financiering van het mkb op te lossen?
Het kabinet richt zich op het verbeteren van de toegang tot financiering van het mkb door het wegnemen van onnodige belemmeringen en daarmee het dichten van de financieringskloof. Oplossingsrichtingen zijn gericht op vraag, aanbod en werking van de mkb financieringsmarkt. Het kabinet heeft al het nodige beleid daarvoor ingezet.
Met de verschillende instrumenten, zoals o.a. de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), en Qredits draagt het kabinet flink bij om de kredietverlening aan het mkb op peil te houden. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ondersteunt Qredits om zo het aanbod van kleine kredieten te verbreden bij een organisatie waar persoonlijke begeleiding onderdeel is van de dienstverlening.
Daarnaast stimuleert het kabinet de alternatieve financieringsmarkt op verschillende manieren zoals met (financiële) ondersteuning van de stichting MKB Financiering en met het DACI fonds, een fonds om het aanbod van funding voor alternatieve financiers te vergroten.
Verder heeft de KVK met de Financieringsdesk veel ondernemers verder geholpen en heeft zij een KVK Gids voor bedrijfsfinanciering. Deze gids laat zien hoe je een financieringsaanvraag voorbereidt en waarop financiers een ondernemersplan beoordelen. Ook geeft de gids een overzicht van financieringsvormen.
Het kabinet krijgt signalen, adviezen en doet zelf ook onderzoek zoals bijvoorbeeld evaluaties van de individuele instrumenten, maar ook onderzoek naar de mkb-financieringsmarkt in zijn geheel (Dialogic 2019) of naar specifieke belemmeringen. Zo heeft het Nederlands Comité voor Ondernemerschap het kabinet recent (1 november 2021) geadviseerd om met het oog op opportune investeringen in groei, maar ook verduurzaming en digitalisering, de daarvoor benodigde risicovollere financiering beschikbaar te maken voor het mkb middels een zogenaamd quasi equity fonds. Dit advies is op 21 november 2021 aan uw Kamer toegezonden.2 Het kabinet zal dit voorjaar uw Kamer een inhoudelijke reactie toesturen.
Daarnaast worden de BMKB en Qredits op dit moment geëvalueerd. De motie Van Strien vraagt om de uitkomsten van deze evaluaties tezamen te bezien met de lopende evaluatie van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) en een analyse van eventuele knelpunten en mogelijk oplossingen.3 Uiterlijk einde tweede kwartaal 2022 zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u bekend met het kredietregister?
Eerder heeft Staatssecretaris Keijzer uw Kamer in de brief van 23 februari 2021 geïnformeerd over het onderzoek «Nut en noodzaak Kredietregister». Onderzoekers stellen dat een kredietregister kan bijdragen aan een verbeterde toegang van mkb’ers tot financiering en van nieuwe kredietverleners tot de markt voor mkb-kredieten dat dit meerwaarde heeft. Tevens doen onderzoekers een aantal aanbevelingen voor de optimale inrichting van een kredietregister en wijzen op een aantal nog nader uit te zoeken aspecten.4 5
Naar aanleiding van de motie van het lid Amhaouch6 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer recent geïnformeerd over een plan van aanpak om een eventuele oprichting van een kredietregister te gaan verkennen.7 Ik laat uw Kamer hierbij weten dat ik voornemens ben dit plan van aanpak ter hand te nemen en dus de mogelijkheden van een kredietregister nader zal verkennen. Ik wijs uw Kamer er hierbij op dat er veel haken en ogen zitten aan een besluit over het al dan niet oprichten van een kredietregister. Het uitwerken van een optimale en effectieve uitvoeringsvorm is complex en vergt daarom zorgvuldig nader onderzoek en kritische afwegingen. Het plan van aanpak voorziet dan ook dat (extern) onderzoek op verschillende vlakken, waaronder de ervaringen in het buitenland met kredietregisters, nodig kan zijn en daar waar aangewezen, zal ik dat ook (laten) uitvoeren. Het kabinet zal het nadere externe onderzoek starten, en pas daarna een besluit nemen.
Essentieel voor een besluitvorming van het kabinet over de noodzaak en wenselijkheid van een kredietregister is de vraag of een kredietregister wel van toegevoegde waarde kan zijn voor het beoogde doel en zo ja, in welke vorm. Daar zal ik samen met andere betrokken departementen, zoals het Ministerie van Financiën, maar ook met de stakeholders goed naar kijken. Een kredietregister is pas wenselijk als er een uitvoeringsvorm realiseerbaar is die daadwerkelijk effectief en efficiënt bijdraagt aan het verbeteren van de toegang tot kredietverlening aan het mkb. Zo zal, onder andere, een optimale aansluiting van alternatieve financiers op het kredietregister een belangrijk aandachtspunt zijn. Een aandachtspunt op een ander vlak is dat er een balans gevonden moet worden tussen het belang van de mkb-ondernemer over wiens data het gaat en het belang van de financier die data nodig heeft voor het inschatten van het risico.
Deelt u de mening dat een kredietregister een effectieve manier kan zijn om de kredietwaardigheid van het mkb te registreren voor nieuwe financiers?
Zie antwoord vraag 3.
Welke oplossingsroutes ziet u om de problematiek met betrekking tot de financiering van het mkb op te lossen door de invoering van het kredietregister?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u de invoering van het kredietregister in Nederland wenselijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen welke OESO landen het kredietregister hebben ingevoerd?
Het is niet goed mogelijk gebleken om deze overzichten in dit korte tijdsbestek op te stellen en daarbij tevens inzichtelijk te maken op welke wijze de kredietregisters in die landen hebben bijgedragen om de toegang van mkb’ers tot financiering te vergroten.
Het eerder genoemde onderzoek over nut en noodzaak van een kredietregister heeft reeds gekeken naar welke landen in Europa over kredietregisters beschikken en de inrichting van deze kredietregisters.8 Deze kredietregisters verschillen op meerdere vlakken van elkaar. Ik zal bij het uitvoeren van het plan van aanpak bezien wat er nog nodig is aan informatie over buitenlandse kredietregisters.
Kunt u in dit overzicht aangeven welke oplossingsrichting die landen hebben gekozen om de problematiek met betrekking tot de financiering van het mkb op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u in dit overzicht aangeven in hoeverre het kredietregister in die landen een effectieve manier is om de problematiek met betrekking tot de financiering van het mkb op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om een onderzoek te laten uitvoeren naar de invoering van het kredietregister in Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat ondernemen en bedrijfsfinanciering van 10 februari 2022?
Het Commissiedebat is verplaatst naar 6 april 2022. Omdat de te nemen stappen niet lichtvoetig genomen moeten worden, heeft beantwoording iets langer op zich laten wachten. Ik heb deze vragen voor de datum van het nieuwe commissiedebat beantwoord.
Het bericht dat Wijk bij Duurstede ruim twee keer zoveel woningen wil bouwen. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «530 nieuwe woningen? Wijk bij Duurstede wil er ruim twee keer zoveel»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Is het waar dat veel gebied rondom Wijk bij Duurstede is aangewezen als buiten de zogeheten rode contouren in het buitengebied? Hoe kan deze gemeente dan toch uitbreiden en zo het woningtekort tegen gaan?
De provincie Utrecht maakt in haar Omgevingsbeleid en Omgevingsverordening onderscheid tussen «landelijk gebied» en «stedelijk gebied». De term «rode contouren» komt in de provinciale Omgevingsvisie en interim- Omgevingsverordening niet meer voor. Voorheen werd daarmee de begrenzing tussen stedelijk en landelijk gebied bedoeld. Delen van de gemeente Wijk bij Duurstede zijn gelegen in «landelijk gebied».
De provincie maakt uitbreiding in de gemeente Wijk bij Duurstede mogelijk als er een goede ruimtelijke onderbouwing ligt op basis van de ladder van duurzame verstedelijking, als de uitbreiding van belang is voor het behoud van de lokale vitaliteit en er met de uitbreiding geen provinciale belangen worden geschaad.
Klopt het dat door de zogeheten rode contouren een groot aantal woningbouwlocaties van de gemeente Wijk bij Duurstede is tegengehouden? Zo ja, om hoeveel woningbouwlocaties gaat het en om hoeveel woningen?
De Provincie Utrecht stelt voor woningbouw samen met de gemeenten regionale programma’s op. In dat kader heeft ook overleg met de gemeente Wijk bij Duurstede plaatsgevonden, waarbij de gemeente de bouw van 400 extra woningen op één uitbreidingslocatie heeft voorgedragen. De extra woningen komen bovenop het aantal van 250 woningen uit eerder beleid. De provincie heeft aangegeven op deze uitbreidingslocatie de ontwikkeling van maximaal 280 extra woningen toe te staan, omdat een hoger aantal naar verwachting leidt tot knelpunten op het provinciale wegennet. De ontwikkeling van extra woningen wordt op deze locatie dus beperkt door de verkeersontwikkeling op het wegennet. Provincie en gemeente hebben de afspraak gemaakt om de mobiliteitseffecten van extra woningbouw goed te monitoren en zo snel als mogelijk te bezien of er extra ruimte kan worden geboden om meer woningen te realiseren.
Hoe staat het met het overprogrammeren in de provincie Utrecht, hoeveel procent «hard» voor de komende 5 jaar en hoeveel procent «hard» en «zacht» voor de komende 15 jaar? Hoe staat het met uw toezegging om provincies op te roepen 130% overprogrammeren toe te staan?
Met alle provincies buiten de krimpregio’s is bestuurlijk afgesproken om een overprogrammering van 130% plancapaciteit tot 2030 te realiseren. In de brief van 1 december 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de plancapaciteit2.
Ook de provincie Utrecht stuurt op de realisatie van 130% plancapaciteit ten opzichte van de netto bouwopgave. Uit de inventarisatie van de plancapaciteit in oktober 2021 door ABF Research3 blijkt voor de periode tot en met 2030 in heel Utrecht ruim voldoende plancapaciteit aanwezig te zijn. In Utrecht is voor de periode tot en met 2030 137% harde en zachte plancapaciteit beschikbaar ten opzichte van de netto bouwopgave. Het aandeel harde woningbouwplannen in het totale aantal woningbouwplannen in de provincie Utrecht bedraagt tot 2025 45%, in de periode tot en met 2030 is dat aandeel 25%.
Uit de bovengenoemde ABF-rapportage blijkt dat er nog geen compleet beeld is over de plancapaciteit voor de periode na 2030. Zo hebben nog niet alle gemeentes gegevens geleverd over de woningbouwplannen c.q. plancapaciteit voor de periode na 2030. Daarnaast zal een deel van de (over programmeerde) plancapaciteit tot en met 2030 naar verwachting doorschuiven naar de periode 2031 t/m 2035. Uitgaande van dit niet complete beeld blijkt dat Utrecht voor de periode 2031–2035 plancapaciteit heeft voor 38.300 woningen ten opzichte van de in 2020 geraamde netto bouwopgave van 31.700 voor die periode. Dit is een overprogrammering van 120%. Mijn inzet is om met de komende inventarisaties een completer beeld te krijgen van de plancapaciteit voor de periode tot en met 2035.
Deelt u de mening dat er zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk gebouwd moet worden om de grote woningbouwopgave in Nederland te halen?
Ik deel uw mening dat alleen binnenstedelijk bouwen niet voldoende is om de bouwopgave tot 2030 voldoende snel in te vullen. Bij de keuze van te plannen en te ontwikkelen woningbouwlocaties moet een afweging gemaakt worden in relatie tot andere opgaven, waaronder bereikbaarheid, energie, klimaat en natuur. Ik voeg daar het faseringscriterium aan toe, wat kan eerder en sneller, binnen de afspraak van dit kabinet om snel de woningbouwproductie te verhogen tot 100.000 per jaar.
Bent u bereid om, ook voor de gemeente Wijk bij Duurstede, met de provincie Utrecht in gesprek te gaan om een aanpak vanuit de provincie te realiseren die de gezamenlijke opdracht voor de woningbouwopgave ondersteunt en versnelt, die het samenwerken tussen overheden stimuleert en het vertrouwen dat daarbij hoort als uitgangspunt neemt? Bent u bereid hier de Kamer over te informeren?
Ik onderschrijf dat het maken van heldere afspraken en samenwerking tussen overheden essentieel is om de woningbouwopgave te realiseren. In het coalitieakkoord is aangegeven dat ik de decentrale overheden zal ondersteunen bij het bepalen van woningbouwlocaties. Ik zal hierover met hen in gesprek gaan en in aanvulling daarop ter versterking van de regie op de woningbouw – zoals in het coalitieakkoord is aangegeven – nationale prestatieafspraken maken met de medeoverheden over de woningbouwopgave. Onderdeel daarvan zal ook systematische monitoring, bespreken van de voortgang en de manier van bijsturing zijn.
Voor wat betreft de huidige ondersteuning en samenwerking, maakt de gemeente Wijk bij Duurstede deel uit van de woondealregio Utrecht. Er is in het kader van deze woondeal en het programma U-NED regelmatig overleg tussen mijn ministerie, de provincie en de regio over de woningbouwopgave.
Over de voortgang van deze en toekomstige afspraken zal ik uw Kamer uiteraard informeren.
Deelt u de mening dat, gezien de grote woningbouwopgave, de provincie Utrecht het tegenhouden van woningbouwlocaties, ook in de gemeente Wijk bij Duurstede, zoveel mogelijk moet voorkomen en terugdraaien?
Ik vind het nog te vroeg om dit te beoordelen, maar het is van groot belang dat de realisatie van woningen wordt versneld tot 100.000 woningen per jaar. Voor deze versnelling moeten voldoende bouwlocaties beschikbaar zijn en is het noodzakelijk dat het percentage harde plancapaciteit op orde is.
Het artikel dat de IVBN oproept de nieuwe wet Opkoopbescherming aan te passen. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «IVBN roept politiek op de nieuwe wet Opkoopbescherming aan te passen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
IVBN heeft in een inspraakreactie op de Amsterdamse plannen voor een opkoopbescherming aangegeven dat de voorgenomen opkoopbescherming belemmerend gaat werken op de bouw en exploitatie van nieuwe huurwoningen. Nul20 heeft hier een bericht aan gewijd. In het bericht worden drie belemmerende voorbeelden benoemd:
De opkoopbescherming is bedoeld om te voorkomen dat bestaande koopwoningen worden opgekocht voor de verhuur, zodat de slagingskans wordt vergroot voor woningzoekenden die een woning willen kopen om hier zelf in te gaan wonen.
Als een gemeente een opkoopbescherming invoert moet zij aangeven in welke gebieden en voor welke categorieën van woonruimten de opkoopbescherming gaat gelden. Voor het aanwijzen van de categorieën van woonruimten gelden enkele beperkingen. Zo kunnen bijvoorbeeld enkel woningen worden aangewezen die vallen onder de door de gemeente gehanteerde WOZ-grens voor goedkope en middeldure koopwoningen. Tevens kunnen enkel woningen worden aangewezen die op de datum van inschrijving in de openbare registers van de akte van levering aan de nieuwe eigenaar vrij van huur en gebruik waren, in verhuurde staat waren voor een periode van minder dan zes maanden, of reeds werden verhuurd met een vergunning onder de opkoopbescherming. Woningen die op het moment van inschrijving van de akte van levering in de openbare registers vrij van huur en gebruik zijn, zijn woningen die beschikbaar zijn voor mensen die zelf in de woning willen wonen. Er zit immers geen huurder (meer) in de woning. Doordat ook woningen die minder dan zes maanden in verhuurde staat waren onder de opkoopbescherming vallen, is het niet mogelijk om de maatregel te ontwijken door de woning kort voor de verkoop te verhuren.
Deze vormgeving van de opkoopbescherming sluit goed aan bij het doel. De vormgeving zorgt er namelijk voor dat woningen in reeds verhuurde staat buiten de opkoopbescherming vallen en dat lege woningen, die beschikbaar zijn voor mensen die zelf in de woning willen gaan wonen, wel onder de opkoopbescherming komen te vallen.
De opkoopbescherming – zoals in eerste instantie in consultatie gebracht door de toenmalige Minister van BZK en door uw Kamer opgenomen in de wet via amendement_ – is primair vormgegeven en bedoeld voor de bestaande bouw. De vormgeving sluit niet goed aan bij nieuwbouwwoningen. Nieuwbouwwoningen zijn bij oplevering altijd vrij van huur of gebruik. De wetstekst zelf maakt echter niet expliciet of de mogelijkheden zich beperken tot bestaande bouw en nieuwbouwwoningen dus niet aangewezen kunnen worden onder de opkoopbescherming. Wanneer gemeenten ervoor kiezen om ook nieuwbouwwoningen aan te wijzen onder de opkoopbescherming kan de verwarrende en tegenstrijdige situatie ontstaan dat deze woningen gebouwd zijn met de intentie om te verhuren, maar niet kunnen worden verhuurd omdat zij aan de voorwaarden voor de opkoopbescherming voldoen. Gemeenten kunnen deze tegenstrijdige situatie voorkomen door nieuwbouwwoningen niet aan te wijzen als categorieën van woonruimten, door geen gebieden aan te wijzen waar nieuwbouw plaatsvindt of door te bepalen dat deze woningen middels een vergunning wel mogen worden verhuurd. Met een dergelijke afbakening spelen de eerste twee belemmerende voorbeelden uit het nieuwsbericht niet. Ik ga bezien of het nodig is om deze onduidelijkheid weg te nemen door in de wet te verduidelijken dat de opkoopbescherming enkel ziet op bestaande woningen.
De derde belemmering die in het artikel wordt benoemd wordt gezien bij complexgewijze aankoop van woningen. Ook bij complexgewijze aankoop geldt de opkoopbescherming als een woning in het complex op het moment van overdracht vrij van huur en gebruik is. Deze woning had immers ook los verkocht kunnen worden, waardoor hij geschikt is voor een koper die zelf in de woning wil gaan wonen. Ten aanzien van dit punt is het aan gemeenten zelf om te bepalen hoe ze hiermee omgaan. Zo kunnen zij deze woningen niet aanwijzen als categorieën van woonruimten en hebben zij de mogelijkheid om in de huisvestingsverordening te bepalen dat in die gevallen een vergunning om te verhuren wordt verleend. De wet biedt gemeenten tevens de mogelijkheid om een ontheffing van het verbod te verlenen.
Klopt het dat bij nieuwbouwprojecten in Amsterdam projectontwikkelaars vaak moeten schuiven tussen wat koopwoning is en wat huurwoning is?
IVBN geeft aan dat projectontwikkelaars vaak moeten schuiven tussen wat koopwoning en huurwoning is. Dit houdt in dat beleggers nog af te bouwen of net opgeleverde koopwoningen alsnog als huurwoningen afnemen. Er zijn geen cijfers bekend over hoe vaak dit in de praktijk voorkomt.
Klopt het dat om dit te kunnen doen projectontwikkelaars die nieuwbouwwoningen «definiëren» als «(nog) vrij van gebruik»?
Het is niet zo dat projectontwikkelaars nieuwbouwwoningen «definiëren» als «(nog) vrij van gebruik». Nieuwbouwwoningen worden per definitie vrij van gebruik opgeleverd. Er heeft immers nog geen huurder of gebruiker in de woning gezeten.
Klopt het dat die nieuwbouwwoningen onder de opkoopbescherming van Amsterdam vallen?
De gemeente Amsterdam past het voorstel naar verwachting_ zo aan dat nieuwbouwwoningen niet onder de gemeentelijke aanwijzing van de opkoopbescherming vallen voor zover het gaat om woningen waarvan de ontwikkeling is gestart voor de invoering van de opkoopbescherming, of indien ontwikkeld na 1 april 2022 is afgesproken dat het een huurwoning betreft of waarvoor een verhuurverbod in het erfpachtcontract is opgenomen.
Klopt het dat woningcorporaties en institutionele vastgoedbeleggers dan niet in die nieuwbouwwoningen mogen investeren en die nieuwbouwwoningen mogen verhuren?
Wanneer een gemeente er voor kiest om ook nieuwbouwwoningen aan te wijzen onder de opkoopbescherming kan de verwarrende en tegenstrijdige situatie ontstaan dat deze woningen gebouwd zijn met de intentie om te verhuren, maar niet kunnen worden verhuurd omdat zij aan de voorwaarden voor de opkoopbescherming voldoen. Gemeenten kunnen deze tegenstrijdige situatie voorkomen door nieuwbouwwoningen niet aan te wijzen als categorieën van woonruimten, door geen gebieden aan te wijzen waar nieuwbouw plaatsvindt of door te bepalen dat deze woningen middels een vergunning wel mogen worden verhuurd. Amsterdam kiest ervoor om nieuwbouwwoningen deels niet onder de gemeentelijke aanwijzing van de opkoopbescherming te laten vallen, waardoor dit probleem niet speelt. De opkoopbescherming zal in Amsterdam naar verwachting alleen gelden voor nieuwbouwwoningen die na 1 april 2022 in ontwikkeling worden genomen en waarvan is afgesproken dat het een koopwoning betreft, maar er geen verhuurverbod in het erfpachtcontract is opgenomen, bijvoorbeeld vanwege bouw op eigen grond.
Komt dit door hoe de opkoopbescherming landelijk is ingevoerd of hoe Amsterdam de opkoopbescherming gemeentelijk uitvoert?
Als in een gemeente het probleem wel speelt komt dit door een combinatie van de landelijke en gemeentelijk invoering. Zoals ik reeds bij vraag 2 heb aangegeven is de opkoopbescherming primair vormgegeven en bedoeld voor de bestaande bouw. In de wet staat echter niet expliciet genoemd dat nieuwbouwwoningen niet aangewezen kunnen worden onder de opkoopbescherming. Als een gemeente nieuwbouw aanwijst kan de verwarrende en tegenstrijdige situatie ontstaan dat deze woningen gebouwd zijn met de intentie om te verhuren, maar niet kunnen worden verhuurd omdat zij aan de voorwaarden voor de opkoopbescherming voldoet.
Deelt u de mening dat de opkoopbescherming niet op de rem moet staan van de nieuwbouw van woningcorporaties en institutionele vastgoedbeleggers?
Ja. De opkoopbescherming is bedoeld om te voorkomen dat bestaande koopwoningen worden opgekocht voor de verhuur. Dit vergroot de slagingskans voor woningzoekenden die een woning willen kopen om hier zelf in te gaan wonen. Het is niet de bedoeling dat de opkoopbescherming de bouw van nieuwe huurwoningen remt.
Indien dit komt door hoe de opkoopbescherming landelijk is ingevoerd, bent u bereid hiernaar te kijken en de rem van de nieuwbouw af te halen?
Gemeenten kunnen de opkoopbescherming zo inzetten dat het zich richt op het beschermen van koopwoningen in de bestaande bouw. Nieuwgebouwde woningen blijven dan buiten de reikwijdte van de opkoopbescherming waardoor er geen rem is op de bouw van nieuwe huurwoningen. De gemeente Amsterdam past het voorstel naar verwachting zo aan dat nieuwbouwwoningen nagenoeg niet onder de opkoopbescherming vallen. Ik volg de invoering van de opkoopbescherming in de verschillende gemeenten nauw. Ik vind het goed dat gemeenten met dit instrument mogelijkheden hebben om in bepaalde gebieden opkoop voor verhuur tegen te gaan. Het kan zijn dat een gemeente bij het gebruik van dit nieuwe instrument tegen problemen aanloopt. Ik vraag gemeenten ook actief om punten mee te geven waarnaar gekeken moet worden in een toekomstige evaluatie. Als er fundamentele problemen ontstaan door de invoering van de opkoopbescherming zal ik uiteraard eerder kijken naar een oplossing. Zoals ik reeds bij vraag 2 heb aangegeven bezie ik of het nodig is om de onduidelijkheid die ontstaat bij nieuwbouw weg te nemen door in de wet te verduidelijken dat de opkoopbescherming enkel ziet op bestaande woningen.
Indien dit komt door hoe Amsterdam de opkoopbescherming gemeentelijk uitvoert, bent u bereid samen met Amsterdam hiernaar te kijken en de rem van de nieuwbouw af te halen?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Thuiszorghulp heeft voortaan ook recht op sociale zekerheidsregelingen’. |
|
Marijke van Beukering-Huijbregts (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de rechter heeft geoordeeld dat mensen die onder de regeling dienstverlening aan huis werken – waaronder zorghulpen die betaald worden via Persoonsgebonden budget (PGB) – in aanmerking komen voor de Werkloosheidswet (WW)?1 2 3
Ja, ik ben bekend met de uitspraak en het bericht «Thuiszorghulp heeft voortaan ook recht op sociale zekerheidsregelingen».
Wat vindt u van deze uitspraak?
Het betreft een uitspraak van een rechtbank in een specifieke casus. UWV heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB). De uitspraak in hoger beroep wacht ik af en ik loop daar niet op vooruit.
Deelt u de analyse van de rechter dat er sprake is van (indirecte) discriminatie omdat het merendeel van de zorghulpverleners vrouw is?
De uitspraak ziet op de verzekeringsplicht voor de Werkloosheidwet (hierna: WW) van een PGB-dienstverlener die onder de Regeling dienstverlening aan huis (hierna: de Regeling) valt. Deze personen zijn op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW (hierna: de Uitzonderingsbepaling), niet verzekerd voor de WW als zij minder dan vier dagen per week diensten verlenen aan een particulier voor diens huishouding. In de uitspraak staat de vraag centraal of PGB-dienstverleners door dit artikel gediscrimineerd worden op basis van geslacht en dit in strijd is met het Europees recht.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van directe discriminatie. Wel stelt de rechtbank dat er sprake is van indirecte discriminatie, die niet objectief wordt gerechtvaardigd in het geval van PGB-zorgverleners. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze uitzonderingsbepaling meer vrouwen dan mannen treft en dat daarom sprake is van indirecte discriminatie.
Volgens de rechtbank beoogt de Regeling legitieme doelstellingen. Namelijk het voor particulieren aantrekkelijker maken deze vorm van hulp in te huren en om te voorkomen dat deze vormen van hulp zwart worden betaald. De rechtbank vindt echter het gekozen middel om deze doelstellingen te bereiken, de in het geding zijnde Uitzonderingsbepaling, voor de groep PGB-zorgverleners niet geschikt en noodzakelijk. De rechtbank concludeert dat de Regeling de werkgelegenheid voor persoonlijke dienstverleners die worden betaald uit een PGB, niet bevordert en dat een mogelijke vlucht naar de illegaliteit niet aan de orde is. Aan deze conclusie van de rechtbank ligt de stelling ten grondslag dat bij PGB-dienstverlening het PGB op basis van de wet toereikend moet zijn om zorg in te kunnen kopen die gelijkwaardig is aan zorg in natura en werkgeverslasten waar nodig publiek worden bekostigd. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat in het rapport van de commissie Kalsbeek wordt aangegeven dat er voor de ontvanger van een PGB geen reële keuze is om deze werkzaamheden zelf te doen en de Regeling voor die groep dus geen stimulans vormt persoonlijke dienstverlening in te schakelen die anders achterwege zou blijven. Dit betekent dat de Uitzonderingsbepaling wegens strijd met Europees recht naar het oordeel van de rechtbank buiten toepassing moet blijven en derhalve dat de PGB-zorgverlener in kwestie voor die werkzaamheden wel verzekerd was voor de WW.
De analyse van de rechter dat er sprake is van (indirecte) discriminatie ligt in hoger beroep voor aan de CRvB. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Klopt het dat deze uitspraak betekent dat een hele groep mensen, die onder de regeling dienstverlening aan huis werkt, nu wel recht heeft op WW, ook als er geen premies zijn afgedragen?
De rechtbank heeft de conclusie dat met de Uitzonderingsbepaling sprake is van indirecte discriminatie op grond van geslacht die niet wordt gerechtvaardigd, enkel getrokken voor PGB-zorgverleners. Deze uitspraak kan niet zonder meer doorgetrokken worden naar alle werknemers die vallen onder de Regeling. Zoals gezegd ligt de zaak nu nog onder de rechter. Als de CRvB deze uitspraak bevestigt, dan geldt voor de groep PGB-zorgverleners die vergelijkbaar zijn met de betrokkene in deze zaak, dat zij verzekerd zijn voor de WW. Voor het recht op een WW-uitkering is niet vereist dat er premies WW zijn afgedragen.
Voor de volledigheid merk ik op dat om recht te hebben op een WW-uitkering nog wel aan de gebruikelijke voorwaarden voor een WW-uitkering, zoals de wekeneis, moet worden voldaan.
Om hoeveel mensen gaat dit potentieel?
Volgens cijfers van de Sociale verzekeringsbank uit 2021 zijn er ongeveer 30.000 PGB-zorgverleners die werkzaam zijn onder de Regeling.
Kan deze uitspraak bredere werking hebben dan alleen op de WW, bijvoorbeeld ook op andere sociale zekerheidsregelingen of uitzonderingen in het arbeidsrecht voor mensen die onder de regeling dienstverlening aan huis werken?
Deze uitspraak van de rechtbank ziet specifiek op het al dan niet verzekerd zijn voor de WW en niet op andere sociale zekerheidsregelingen of uitzonderingen in het arbeidsrecht. Om uitspraken te kunnen doen over de mogelijke gevolgen voor deze andere rechtsgebieden wil ik de uitkomst in het hoger beroep afwachten.
Op welke manier gaat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) vanaf nu om met WW-aanvragen van mensen die onder de regeling dienstverlening aan huis hebben gewerkt?
Het betreft hier een uitspraak van één rechtbank in een individuele casus. Daarmee is geen sprake van bestendige jurisprudentie. Op basis van één enkele uitspraak kan UWV daarom nog niet concluderen dat al deze personen voortaan aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering. UWV blijft daarom in afwachting van het hoger beroep uitvoering geven aan de Uitzonderingsbepaling.
Wat betekent dit voor het eventueel afdragen van premies door particuliere werkgevers?
De rechtbank heeft geoordeeld dat de werkzaamheden van eiseres (PGB-zorgverlener) verzekerde arbeid is in de zin van de WW. De uitspraak van de rechtbank ziet uitsluitend op de verzekeringsplicht. Momenteel is onduidelijk wat de gevolgen van de uitspraak zouden kunnen zijn voor de premieheffing.
Wat denkt u dat de gevolgen zullen zijn op het zwart werken binnen de huishoudelijke hulp als er inderdaad premies zullen moeten worden afgedragen?
Wat de gevolgen zullen zijn op het zwart werken als er premies zullen moeten worden afgedragen, kan ik (nog) niet aangeven. Dit betreft vooralsnog een hypothetische situatie en ik wil niet vooruitlopen op de uitspraak van de CRvB. De uitspraak van de rechtbank ziet specifiek op de groep PGB-zorgverleners. Wat de gevolgen zullen zijn voor alle huishoudelijke hulpen, zoals de vraagstelling luidt, kan ik (nog) niet aangeven. Dat is pas aan de orde indien de gehele Regeling discriminerend zou zijn. Dat is niet wat de rechtbank heeft geoordeeld.
Daarnaast is zwart werken niet gelijk te stellen aan werken zonder arbeidsovereenkomst. Ook werknemers die het ontvangen loon niet aan de Belastingdienst opgeven en daarmee als het ware zwart werken, kunnen wel een arbeidsovereenkomst hebben en aanspraak maken op rechten die daaruit voortvloeien, ongeacht of deze afspraken schriftelijk zijn gemaakt. De zichtbaarheid en bijbehorende kwetsbaarheid zullen mogelijk wel een groter risico zijn als werkgevers geen afspraken meer in een schriftelijke arbeidsovereenkomst durven vast te leggen.
Wat betekent het voor de positie van de huishoudelijk werkers – waaronder veel vrouwen – als een groter deel van deze werkzaamheden weer zal plaatsvinden zonder arbeidsovereenkomst?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u het wenselijk om huishoudelijke hulpen ook recht te geven op WW?
In de Kabinetsreactie op het rapport van de commissie Kalsbeek4 stelde het toenmalige kabinet dat een slechtere rechts- en sociale zekerheidspositie van huishoudelijk werkers in beginsel onwenselijk is. Tegelijk werd daarbij geconstateerd dat er geen goed alternatief is voor de markt voor dienstverlening aan huis. Tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2021 is opnieuw aandacht besteed aan de sociale zekerheidsrechten ten aanzien van huishoudelijke werkers. In reactie hierop zijn in de kamerbrief d.d. 29 april 20215, naar aanleiding van de motie Smeulders/Bruins6 (die aanhaakte op de in juni 2020 uitgebrachte SER-verkenning «markt voor persoonlijke dienstverlening in internationaal perspectief»), onder meer twee varianten geschetst waaronder (een deel van de) huishoudelijk werkers binnen het stelsel van sociale zekerheid kunnen worden gebracht. Zoals uit deze Kamerbrief blijkt, zijn er evenwel aan deze varianten op het huidige stelsel grote nadelen verbonden. Naast de financiële dekking liggen deze nadelen in de controle en fraudegevoeligheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. In het coalitieakkoord is niet besloten tot wijziging van stelsel. Of het oordeel van de CRvB te zijner tijd alsnog aanleiding zal geven om aan te nemen dat huishoudelijke hulpen verplicht verzekerd zijn voor de WW, kan ik nu nog niet beoordelen.
Zijn er andere tussenvormen denkbaar waarbij mensen onder de regeling dienstverlening aan huis niet volledig zonder vangnet zitten, maar er geen premies hoeven worden geïnd?
Tussenvormen zonder premieafdracht zijn ongetwijfeld denkbaar, maar deze brengen vergaande implicaties met zich mee. Een recht op sociale zekerheid voor werknemers zonder dat de werkgever hier premies voor moet afdragen heeft verstrekkende gevolgen voor het stelsel. De financiering van werknemersverzekeringen geschiedt nu (deels) via premieheffing. Als je dat voor een bepaalde groep werknemers anders wilt regelen en tegelijkertijd de dekking van het stelsel wilt waarborgen, dan zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat de premies voor andere werkgevers hoger worden. Dit om de uitkeringslasten voor alle werknemers te kunnen betalen. Daarnaast levert dit ook vraagstukken op over controle op het arbeidsverleden van deze werknemers, het recht op uitkering en de fraudegevoeligheid van een dergelijke regeling.
Het artikel 'ASR-topman waarschuwt verzekeraars voor tweedeling in de maatschappij' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «ASR-topman waarschuwt verzekeraars voor tweedeling in de maatschappij»?1
Ja.
Wat vindt u van dit artikel?
Ik wil graag benadrukken dat dit artikel over verzekeringen in het algemeen gaat en niet specifiek over de zorgverzekeringen. Ik zal mij in de beantwoording van onderstaande vragen richten op de zorgverzekeringen.
Bent u het eens dat op essentiële verzekeringen, zoals zorgverzekeringen, geen aanbiedingen mogen gelden die de solidariteit tussen mensen ondermijnen?
Ik ben het met u eens dat solidariteit een belangrijke pijler is. De zorgverzekeringswet (Zvw) is dan ook gebaseerd op risicosolidariteit: iedereen heeft recht op dezelfde zorg uit het basispakket. Om dat te realiseren geldt er voor de basisverzekering een acceptatieplicht en een verbod op premiedifferentiatie. Dat betekent dat zorgverzekeraars alle verzekerden moeten accepteren tegen dezelfde premie. Zorgverzekeraars mogen verzekerden dus niet weigeren en ook geen hogere premie vragen aan verzekerden met bijvoorbeeld een slechtere gezondheid of een hogere leeftijd. Op die manier wordt de risicosolidariteit geborgd. Daarnaast is het zorgstelsel gebaseerd op inkomenssolidariteit. Zo ontvangen mensen met een laag inkomen via de zorgtoeslag een compensatie voor de premie en het gemiddeld eigen risico en wordt de helft van de kosten van de Zvw inkomensafhankelijk gedekt via de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) Zvw.
De solidariteit op de zorgverzekeringsmarkt heeft mijn voortdurende aandacht. Op dit moment is er nog een premiekorting van maximaal 5% mogelijk voor verzekerden die zich aansluiten bij een collectieve zorgverzekering. Het doel van deze collectiviteitskorting is om besparingen op de (zorg)kosten door (zorg)inhoudelijke afspraken terug te geven aan de verzekerde in de vorm van een premiekorting. De korting blijkt echter niet gefinancierd door besparingen op de (zorg)uitgaven, maar door een opslag op de premie. Dit tast de solidariteit aan en dat is onwenselijk. Daarom ligt er een wetsvoorstel bij uw Kamer om de collectiviteitskorting op de basisverzekering af te schaffen.
Ook heb ik voortdurend aandacht voor de kwaliteit van de risicoverevening die de risicosolidariteit van de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie houdbaar maakt. Ik verwijs u voor de onderzoeksagenda risicoverevening naar mijn brief van 9 september 2021 over de vormgeving van het risicovereveningsmodel 20222.
Kortom, ik ben van mening dat de solidariteit op de zorgverzekeringsmarkt geborgd is, waarbij ik voortdurend aandacht heb voor behoud en onderhoud van deze solidariteit.
Deelt u de mening dat voorwaarden stellen die mensen maar beperkt kunnen beïnvloeden, zoals gezondheid, eigenlijk niet toelaatbaar moeten zijn? Waarom deelt u deze mening wel, of waarom niet?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 heb gesteld is solidariteit een belangrijke pijler van de Zvw. Voor de basisverzekering geldt dat iedereen, ongeacht leeftijd en gezondheid, zich tegen dezelfde premie kan verzekeren. Op die manier is solidariteit goed geborgd.
De acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie zijn niet van toepassing op de aanvullende verzekering. De markt voor aanvullende verzekeringen is immers een vrije markt. Op de markt voor aanvullende zorgverzekeringen kunnen verzekeraars daarom wel voorwaarden stellen of een hogere premie vragen aan bepaalde groepen verzekerden. In de praktijk worden zulke voorwaarden overigens maar beperkt gesteld. Onderzoek wijst uit dat in 2021 slechts bij 2.4% van de aanvullende zorgverzekeringen sprake was van medische selectie (Zorgweb, onderzoek aanvullende verzekeringen 20213). Dit percentage is de afgelopen jaren afgenomen. Ook hebben de meeste verzekeringen een premie voor hun aanvullende verzekeringen die onafhankelijk is van de leeftijd van de verzekerde. In 2021 zijn er 5 zorgverzekeraars (van de in totaal 20 zorgverzekeraars) die de premie van één of meer aanvullende verzekeringen die zij aanbieden differentiëren naar leeftijd (Zorgweb, 2021). Het aantal zorgverzekeraars dat premiedifferentiatie naar leeftijd toepast neemt af. In 2016 en 2018 waren er 9 zorgverzekeraars die premiedifferentiatie naar leeftijd toe pasten.
Ik herken het beeld dat er een tweedeling ontstaat op de zorgverzekeringsmarkt niet. De solidariteit in de basisverzekering is geborgd door de acceptatieplicht en het verbod op premiedifferentiatie. Daarnaast komt het stellen van voorwaarden bij de aanvullende verzekeringen vrijwel niet voor.
Denkt u dat het aanbieden van dit soort verzekeringen zorgt voor meer tweedeling in de samenleving? Waarom denkt u van wel en waarom van niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid dit soort verzekeraars c.q. aanbiedingen te verbieden?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om voor zorgverzekeraars extra voorwaarden te stellen dat winsten altijd ingezet moeten worden om aan de buffer-verplichtingen te voldoen c.q. de premie te verlagen?
Nee, extra voorwaarden zijn niet nodig omdat positieve resultaten óf worden ingezet ter verlaging van de premie, óf ter aanvulling van de noodzakelijke solvabiliteit. Winstuitkering door zorgverzekeraars heeft nog nooit plaatsgevonden.
Het is zorgverzekeraars toegestaan winst na te streven en deze eventueel uit te keren. Desondanks hebben zorgverzekeraars nooit winst uitgekeerd; zij opereren zonder winstoogmerk. In de huidige statuten van Zorgverzekeraars Nederland is bepaald dat aangesloten zorgverzekeraars niet primair gericht zijn op het maken van winst. Positieve resultaten van zorgverzekeraars blijven binnen de zorg. Deze worden voor het overgrote deel aan de premiebetaler teruggegeven, via een lagere premie. Het overige wordt aan de reserves toegevoegd om te blijven voldoen aan de wettelijke reserve-eisen voor (zorg)verzekeraars.
Ik zie derhalve geen aanleiding om voor zorgverzekeraars extra voorwaarden te stellen dat winsten altijd ingezet moeten worden om aan de buffer-verplichtingen te voldoen c.q. de premie te verlagen. Bovendien is het opleggen van zulke voorwaarden aan de besteding van positieve resultaten moeilijk verenigbaar met het huidige privaatrechtelijk verzekeringsstelsel.
De fors hogere elektriciteits- en gasprijzen |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gas- en stroomprijzen weer op recordniveau»1 en met het bericht «Gazprom zet export via Yamal stil, prijzen gasmarkt naar ongekend niveau»2 ?
Ja, ik ben bekend met beide berichten.
Deelt u de mening en urgentie dat hier sprake is van een Europese energiecrisis waarvan de gevolgen heel fors kunnen zijn voor bedrijven en huishoudens? Deelt u de constatering dat er sprake is van «paniek op de gasmarkt»? Wat doet u om deze energiecrisis het hoofd te bieden?
De energiemarkten laten op dit moment ongekend hoge prijzen zien op de spot- en forwardmarkten. Op de Europese gasmarkten reflecteren deze hoge prijzen het feit dat er momenteel een hoge wintervraag naar gas is in combinatie met aanbod dat maar beperkt aan deze vraag kan voldoen. Deze onevenwichtigheid op de gasmarkt is een mondiaal verschijnsel met eveneens hoge prijzen in Azië, Zuid-Amerika en in mindere mate in de Verenigde Staten. In de afgelopen weken zijn de gasprijzen in Europa gestegen ten opzichte van andere markten. Zo is er momenteel een prijspremie van circa 30% ten opzicht van Aziatische markten. Dit leidt er onder meer toe dat LNG momenteel veel meer dan voorheen zijn weg vindt naar de Europese markten. Gas is duur, maar hoge prijzen leiden ook tot nieuwe aanbodstromen van LNG. Door de hoge prijzen is er een aantal bedrijven dat hun productie (en gasconsumptie) nu terugschroeft. Daardoor stijgen de eindproductprijzen. Bedrijven die geen concurrerende kostenpositie hebben of niet in staat zijn de eindproductprijzen te verhogen kunnen door de energieprijsstijgingen in de knel komen. Het extra aanbod en het terugschroeven van vraag vermindert de druk op de gasmarkt.
Op de Europese elektriciteitsmarkten laten de spot- en forwardmarkten eveneens zeer hoge prijsniveaus zien. Deze hoge prijzen komen voornamelijk voort uit een hoge wintervraag naar elektriciteit in combinatie met tegenvallende Europese productie van hernieuwbare energie uit waterkracht en wind en het uitvallen van meerdere nucleaire centrales in Frankrijk. Regelbaar vermogen in de vorm van kolen- en gasgestookte elektriciteitscentrales -met hoge productiekosten- moeten dit opvangen.
In de Europese gasleveringszekerheidsverordening (verordening (EU) 2017/1938) worden in artikel 11 drie crisisniveaus uitgewerkt. Deze zijn: a) niveau van vroegtijdige waarschuwing, b) alarmniveau en c) noodsituatieniveau. In het Bescherm en Herstelplan Gas dat in september 2019 met de Kamer is gedeeld, zijn de taken en rollen van alle betrokken, markt en overheid, binnen deze niveaus uitgewerkt. Op dit moment is er op de gasmarkt sprake van hoge prijzen op de spot- en forwardmarkten en wordt de voortgang nauwkeurig gemonitord, maar is er geen sprake van het bereiken van de eerste fase van het crisisniveau, waarbij netbeheerder GTS moet overgaan tot het nemen van passende maatregelen. De overheid houdt echter vinger aan de pols om de markt te monitoren.
De regering heeft diverse maatregelen genomen om de leveringszekerheid te borgen voor de beschermde afnemers. Uit het oogpunt van leveringszekerheid zijn met Shell en Exxon afspraken gemaakt over de inzet van de gasopslagen Alkmaar, Norg en Grijpskerk in de komende jaren. Niet alleen is vastgesteld dat de laagcalorische opslagen bij het begin van het koudeseizoen voldoende gevuld moeten zijn, maar ook dat er tot en met het einde van het koudeseizoen voldoende gas in de opslagen moet blijven. GTS heeft in het kader van de leveringszekerheid geadviseerd om Norg het begin van het koudeseizoen met 4 miljard m3 te vullen. Dit is door NAM-partijen met ruim 900 miljoen m3 (circa 4,9 miljard m3) overschreden. De huidige vulvolumes van alle opslagen in Nederland zijn (stand heden) circa 4,5 miljard m3 (circa 60%) voor laagcalorische opslagen3 en circa 4,5 miljard m3(circa 45%) voor hoogcalorisch gasopslagen. De laagcalorische opslagen zijn daarmee, gemeten aan het eerdere advies van GTS, voldoende gevuld om leveringszekerheid te borgen voor de beschermde gebruikers. Afgezet tegen het jaarlijks verbruik in Nederland zitten de opslagen in Nederland procentueel gezien ongeveer net zo vol als die in Frankrijk en Italië. Door de overcapaciteit in Nederland vertekent het vergelijken van percentages van vulgraden.
De vulgraad van de hoogcalorische opslagen is lager dan in andere jaren. De gasmarkt is een Europese markt en ook de hoogcalorische gasopslagen worden ingezet op een Europese markt. Dat wil zeggen dat het opgeslagen gas ook gecontracteerd kan zijn voor buitenlandse afnemers, zoals gas voor Nederlandse afnemers ook nu opgeslagen kan zijn in buitenlandse gasopslagen. Van belang is daarom om de leveringszekerheid ook vanuit een Europees perspectief te bezien. De gemiddelde vulgraad van de Europese opslagen was aan het begin van het koudeseizoen met 77% (huidige stand circa 58%) krap ten opzichte van andere jaren, maar onderzoeken en stresstesten4 van de Europese Commissie en Europese netbeheerders en toezichthouders (ENTSO-G, ACER) laten zien dat de gasinfrastructuur voldoende robuust is en de opslagen in principe voldoende zijn gevuld om ook een koude winter door te komen. ENTSO-G geeft daarbij aan dat de huidige vulgraden ertoe kunnen leiden dat in een scenario van een koude winter in combinatie met relatief weinig hernieuwbare energieproductie, de gasopslagen aan het eind van de winter relatief leeg zijn (< 30%). Flexibiliteit bij een eventuele piekvraag in het vroege voorjaar door een koudeperiode zal dan moeten komen van extra import van bijvoorbeeld LNG (+5–10%).
Mocht er ondanks alles onverhoopt toch een ernstig fysiek tekort aan gas ontstaan dat niet meer door de markt op grond van prijssignalen en vrijwillige afschakeling kan worden opgevangen, dan is, conform het Bescherm- en Herstelplan Gas, in eerste instantie GTS aan zet. Zij kunnen dan de maatregelen nemen die passen bij het niveau van vroegtijdige waarschuwing en alarmering. Mocht dat niet afdoende blijken te zijn dan wordt overgegaan naar een noodsituatie zoals omschreven in het Bescherm- en Herstelplan Gas (Kamerstuk 29 023, nr. 252). De overheid zal dan in eerste instantie een oproep doen tot vermindering van het gasverbruik. Als volgende stap kan de overheid genoodzaakt zijn om niet-beschermde afnemers zoals bedrijven af te schakelen. Dit om ervoor te zorgen dat er voldoende gas beschikbaar blijft voor beschermde afnemers zoals huishoudens, ziekenhuizen, et cetera. Het Ministerie van EZK is in overleg met bedrijfsleven om ook op deze situatie voorbereid te zijn, om in dat geval een abrupte afschakeling te voorkomen.
Welke oorzaken liggen aan deze energiecrisis ten grondslag? Welke rol speelt de teruggevallen gaslevering via de Yamal pijpleiding in Rusland hierin, als ook de lagere productie van elektriciteit door hernieuwbare energiebronnen, het in onderhoud zijn van Franse kerncentrales, een hoge CO2-prijs en een lage vulgraad van de Europese gasvoorraden?
Voor een analyse van de hoge gasprijzen verwijs ik allereerst naar de Kamerbrief «Gasprijzen en het functioneren van de internationale gasmarkt» (Kamerstuk 32 813, nr. 481) die op 1 november met uw Kamer is gedeeld, alsmede antwoorden op schriftelijke Kamervragen van meerdere leden van uw Kamer over stijgende gasprijzen. Sinds het verschijnen van deze Kamerbrief zijn de gasprijzen en met name ook de prijzen voor de periode na het koudeseizoen fors verder gestegen. Geopolitieke spanningen met Rusland, het uitblijven van besluitvorming over eventuele ingebruikname van Nordstream 2, maar ook het zeer recente stilvallen van transit door de Yamalpijplijn zorgen er voor dat er onzekerheid is in de markt over de ontwikkeling van vraag en aanbod na het koudeseizoen. De huidige lage vulgraden van gasopslagen betekenen dat de opslagen onder normale omstandigheden vrij leeg (onder de 30% gemiddeld in Europa) uit het koudeseizoen zullen komen. Dit zal tot extra zomervraag leiden om de opslagen weer op niveau te krijgen voor volgende winter en dat werkt door op de prijzen in 2022.
Kunt u de prijsontwikkelingen van de afgelopen maanden weergeven? Welke prijsontwikkelingen verwacht u de komende weken, maanden en jaren? Klopt het dat handelsplatforms laten zien dat handelaren een langjarige energiecrisis verwachten, zoals een gasprijs op de Title Transfer Facility (TTF) van boven de 100 euro/MWh voor de winter van 2022/2023?
Er is niet één prijs voor gas. Op de gasbeurs TTF is het mogelijk om gas op de spotmarkt te kopen, maar ook is het mogelijk via forwardcontracten nu al gas in te kopen voor toekomstige afname. Zo is het mogelijk om gascontract af te sluiten voor levering tot een periode van vijf jaar. Hiermee kunnen marktpartijen langjarige zekerheid inkopen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door gasleveranciers die zelf ook verplichtingen zijn aangegaan op de kleinverbruikersmarkt aan huishoudens met vaste contracten.
De website van ICE Endex www.theice.com)biedt een overzicht van alle prijzen die op de TTF gelden voor de verschillende termijnproducten, alsmede overzichten van de ontwikkelingen in de afgelopen periode. Hieronder staat een overzicht van de prijsontwikkeling van de afgelopen maanden op de 3 months-aheadmarkt in euro’s per megawattuur. Opvallend aan de prijsontwikkeling zijn de hoge fluctuaties, vooral op dagbasis. Prijzen stijgen en dalen van de ene op de andere dag met meerdere procentpunten, hetgeen duidt op onzekerheid in de markt. Ook een geringe liquiditeit op de markt kan leiden tot relatief grote schommelingen. Het is te voorbarig om, op een markt met grote prijsschommelingen, op basis van koersontwikkelingen op korte termijn conclusies over de lange termijn te trekken.
De overheid is ook niet in de positie en in staat om voorspellingen te doen over marktprijsontwikkelingen, noch om harde conclusies te trekken uit dagkoersen. Instanties als het Internationaal Energie Agentschap (IEA) geven aan dat het aanbod van LNG op termijn beter in staat zal zijn om te reageren op de hoge vraag.
Hoe worden huishoudens en bedrijven door deze hoge energieprijzen geraakt? Hoe gaat u burgers voldoende beschermen tegen prijsuitwassen zoals we die thans in Noordwest-Europa zien?
Het kabinet begrijpt de grote zorg vanwege de hoge prijzen en is zeer bezorgd om de effecten van de hoge energieprijzen voor huishoudens en bedrijven. Het kabinet houdt dan ook vinger aan de pols en heeft speciaal hiervoor een ministeriele taskforce opgericht. In Europees verband staan de hoge energieprijzen ook hoog op de agenda van de Europese Raad en de Energieraad. In januari zal tijdens een informele Energieraad verder gesproken worden over de hoge energieprijzen.
De mate waarin huishoudens en bedrijven geraakt worden door de hoge energieprijzen hangt sterk af van het type energiecontract dat afgesloten is. Voor bedrijven geldt daarnaast het feit dat een deel van de hogere kosten mogelijk doorberekend kunnen worden. Ook speelt bij de impact mee in hoeverre de mogelijkheid bestaat om de gasvraag terug te schroeven, bijvoorbeeld door isolatie of bij bedrijven door aanpassen van de bedrijfsvoering.
Voor een uitgebreide uiteenzetting naar de effecten en bovenal naar de maatregelen die het kabinet genomen heeft in de vorm van tegemoetkomingen in de energiekosten en verlaging van de energiebelasting, verwijs ik naar de Kamerbrieven: «Aanpassing van het compensatiepakket voor de energieprijzen 2022 – Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2022)», 8 november (Kamernummer 35 927, nr. 29), «Verzoek om brief over begrotingsbehandeling SZW», 2 december 2021, «eenmalige energietoeslag lage inkomens», 10 december 2021 en «Ontwikkeling leveringstarieven», 14 december 2021.
Klopt het dat meerdere bedrijven in Nederland hun productie terugschroeven en zelfs stopzetten? Hoe wordt de industrie, het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de glastuinbouw hierdoor geraakt? Hoe gaat u deze bedrijven helpen deze energiecrisis te overleven?
Het klopt dat meerdere bedrijven maatregelen hebben genomen vanwege de hoge gasprijzen. Ik ben met verschillende sectoren, waaronder de glastuinbouw, in gesprek. Zo zijn er in de glastuinbouw bedrijven die hebben besloten de teelt uit te stellen en enkelen die hebben besloten te stoppen (zie ook de eerdere beantwoording van Kamervragen van de leden Valstar en Erkens (beiden VVD) (AH 930, 2021Z18421). Ook een enkel bedrijf uit de energie-intensieve industrie heeft maatregelen getroffen en vooral in relatie tot het (deels) stopzetten van de productie. Vanuit de mkb-sectoren zoals industriële bakkers en glasproducten komen ongeruste signalen. De impact van hoge prijzen op de markten is ook afhankelijk van de mate waarin de individuele bedrijven hun energieposities hebben afgedekt. Bijvoorbeeld door langetermijncontracten die kosten beheersbaar houden. In diverse sectoren kunnen de hoge kosten worden doorbelast in het eindproduct. Het beeld is dat met name een sectorbrede urgentie ontstaat zodra de hoge gasprijzen langer aanhouden en vaste prijscontracten aflopen. Uiteraard volgen wij de ontwikkelingen op de voet en blijven hierover met de sector in gesprek.
Wat is uw definitie van leveringszekerheid? Zou in deze definitie van leveringszekerheid ook niet meegenomen moeten worden dat energieprijzen niet zodanig volatiel zijn dat het allerlei schokken geeft in de samenleving?
De term leveringszekerheid wordt in de gaswet gebruikt en in de «Wet Niet Meer Dan Nodig» gedefinieerd als de situatie dat eindafnemers van gas op het juiste moment en in de juiste kwaliteit (laag- of hoogcalorisch gas) met de benodigde hoeveelheid worden beleverd. De betaalbaarheid van energie is een publiek belang dat de overheid nastreeft.
De gasprijzen worden niet door overheden vastgesteld maar zijn de resultante van mondiale vraag- en aanbodontwikkelingen op de mondiale gasmarkten. Instituties als het Internationaal Energie Agentschap (IEA), maar ook de vereniging van Europese energietoezichthouders (ACER) geven aan dat naar verwachting de gasprijzen in de nabije toekomst hoger liggen dan in de pre-COVID periode en dat daarnaast de gasmarkt te maken krijgt met meer prijsfluctuaties dan in voorbije jaren. Mondiale commoditymarkten kenmerken zich in zijn algemeenheid door relatief grote prijsfluctuaties. De mondiale gasmarkten zullen naar verwachting meer te maken krijgen met fluctuerende vraagpatronen, doordat gas mondiaal meer dan nu ingezet gaat worden als regelbaar vermogen in de elektriciteitsmarkten. De gasvraag en daarmee de prijs reageert dan op schommelingen in de productie van hernieuwbare energie door droogteperiodes of periodes met weinig wind.
Het ligt niet in de macht van dit kabinet om dergelijke (kortstondige) prijsontwikkelingen tegen te houden. Wel kan het de maatschappij weerbaarder maken tegen dergelijke schommelingen, zodat negatieve schokken zoveel mogelijk voorkomen worden. Door het stimuleren van bijvoorbeeld isolatieprogramma’s en de overstap naar hernieuwbare bronnen, maar ook door het verbeteren van vraagrespons, zodat de vraag beter kan meebewegen met de prijsschommelingen. Deze prijsschommelingen vinden in eerste instantie plaats op de groothandelsmarkten voor ondernemingen. Huishoudens kopen gas in op de eindverbruikersmarkt waarbij prijzen afhankelijk van het gekozen contract of langjarig vastliggen of per half jaar wijzigen. Elke afnemer, huishouden of onderneming, heeft daarnaast de vrijheid om zich contractueel in te dekken tegen prijsfluctuaties. Door als consument langjarige contracten af te sluiten en door als ondernemer gas op de forward markten in te kopen.
Wat zegt deze energiecrisis over het klimaat- en energiebeleid dat we in Nederland en in Europa voeren? Is de afgelopen jaren de leveringszekerheid van het energiesysteem verwaarloosd? Is er de afgelopen jaren niet teveel op de goede werking van de markt vertrouwd?
Nederland en Europa staan voor de enorme uitdaging het energiesysteem om te bouwen van een fossielgedreven naar een CO2-vrij systeem. Deze transitie zal Europees honderden miljarden aan investeringen vergen en moeten plaatsvinden in een Europese markt. Het integreren van grote hoeveelheden weersafhankelijke energiebronnen als wind- en zonnestroom in ons energiesysteem is enkel mogelijk als er voldoende flexibiliteit is. Flexibiliteit om tekorten op te vangen als het niet waait, maar ook overschotten bij overproductie. Deze flexibiliteit kan geleverd worden door bijvoorbeeld regelbaar vermogen, opslag, maar ook door grensoverschrijdende handel. Daarvoor is het hebben van een markt waarin de prijs schaarste reflecteert en de juiste prikkels geeft essentieel.
De leveringszekerheid van het elektriciteitssysteem wordt periodiek door netbeheerder TenneT gemonitord. De huidige marktontwikkelingen tonen eens te meer het belang van een voldoende frequente monitoring aan.
De leveringszekerheid van gas heeft door het sluiten van het Groningenveld de afgelopen periode juist nadrukkelijk aandacht gekregen. Het verminderen van de productie van het Groningenveld dient gepaard te gaan met het behoud van de leveringszekerheid. De afspraken in het Norgakkoord (zie antwoord vraag 2) zijn ook vastgesteld om de leveringszekerheid van de beschermde afnemers te garanderen. Ook op de gasmarkten is nationaal en Europees in het kader van de Energieunie geïnvesteerd in het verbeteren van de leveringszekerheid. Er is veel infrastructuur bijgebouwd zoals interconnectie, reverseflowcapaciteit en LNG-terminals. Lidstaten werken beter samen in risicogroepen, doen gezamenlijke risico-evaluaties en leveren solidariteit aan elkaars beschermde afnemers. De handelsbeurzen hebben zich de laatste jaren ontwikkeld wat de concurrentie en liquiditeit heeft verbeterd, wat bijdraagt aan een betere leveringszekerheid. Tegelijkertijd is in een aantal met name Noordwest-Europese landen de nationale gasproductie fors afgenomen. Ook Nederland is door sterk gedaalde eigen productie van een export- een importland geworden.
De huidige situatie op de gasmarkt maakt het belang van leveringszekerheid nog eens extra zichtbaar en dient ook benut te worden om kritisch te kijken of en waar meer overheidsinterventie gewenst is om de leveringszekerheid nog meer te borgen. De Europese Commissie heeft op 15 december een voorstel uitgebracht voor een decarbonsatiepakket voor gas met daarin ook voorstellen over gezamenlijk Europees gecoördineerd beleid voor gasopslagen. Ook het aankomende kabinet heeft aangekondigd werk te willen maken van een verdere vulverplichting voor gasopslagen. Het nieuwe kabinet zal spoedig komen met een reactie op de voorstellen van de Europese Commissie en de nadere invulling van het coalitieakkoord op het punt van de opslagverplichting.
Wilt u deze vragen uiterlijk een week na ontvangst beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Zelfs betrokkenen ‘Bulgarenfraude’ krijgen tienduizenden euro’s compensatie' |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zelfs betrokkenen «Bulgarenfraude» krijgen tienduizenden euro’s compensatie»1?
Ja, mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer hierover op 21 december jl. een brief gestuurd met nadere duiding.2
Is het artikel inhoudelijk en feitelijk correct?
Zoals mijn ambtsvoorganger in de brief van 21 december aan de Kamer heeft medegedeeld, is aan 14 personen die in het verleden betrokken zijn geweest bij de fraudeonderzoeken «Alabama» en «Florida» het forfaitaire bedrag van € 30.000 toegekend. Het fraudeonderzoek «Alabama» stond ook wel bekend als de «Bulgarenfraude». Het fraudeonderzoek «Florida» is een vergelijkbaar onderzoek dat, net als Alabama, heeft geleid tot een strafrechtelijke veroordeling van bepaalde betrokkenen.
Het staat nog niet vast of uitbetaalde herstelbedragen aan deze personen onterecht zijn geweest. Voor ouders die zich aanmelden voor herstel, geldt dat via een eerste toets wordt bepaald of zij recht hebben op het forfaitaire bedrag van € 30.000. Als sprake is van een OG/S kwalificatie en een terugvordering van ten minste € 1.500 in enig toeslagjaar dan wordt compensatie toegekend. Er wordt in de eerste toets niet gekeken of de O/GS-kwalificatie ook met de kennis van nu terecht was. Indien aan een persoon echter een vergrijpboete is opgelegd of diegene strafrechtelijk is veroordeeld in verband met de kinderopvangtoeslag, krijgt deze persoon geen beoordeling bij de eerste toets maar bij de integrale beoordeling. Bij de integrale beoordeling wordt er meer nauwkeurig bekeken of terugvorderingen terecht waren naar de huidige criteria en of iemand in aanmerking komt voor de herstelregelingen. Ook de 14 personen die bij de eerste toets de forfaitaire vergoeding hebben ontvangen, krijgen nog een integrale beoordeling.
Waarom heeft De Correspondent de beschikking over een intern onderzoek van het Ministerie van Financiën en weet de Kamer nog van niets?
Uit de berichtgeving van de Correspondent blijkt dat zij op de hoogte is van de resultaten van een inventarisatie die is gedaan binnen UHT. Ik weet niet op welke wijze de Correspondent inzicht heeft gekregen in die resultaten. Mijn ambtsvoorganger was, zoals opgenomen in de brief van 21 december, voornemens uw Kamer hier zo snel mogelijk te informeren in het debat van 16 december over te informeren. Wegens het verplaatsen van het debat is dat niet gelukt, en heeft zij u per brief geïnformeerd.
Klopt het dat exact dezelfde IP-adressen die betrokken waren bij de Bulgarenfraude, nu worden gebruikt om onterecht compensatie inzake de Toeslagenaffaire aan te vragen? Zo ja, waarom zijn die IP adressen nog steeds in gebruik?
Het is niet onderzocht of dezelfde IP-adressen worden gebruikt die destijds betrokken waren. Een IP-adres is een unieke code die wordt gekoppeld aan een apparaat dat verbinding maakt met het internet en Toeslagen kan dus niet voorkomen of dit apparaat wordt gebruikt. Voor de herstelregeling is er geen wettelijke basis om aanvragen voor compensatie via bepaalde IP-adressen te weigeren.
Zijn de daders van deze fraude opnieuw Bulgaren? Zo niet, welke nationaliteit hebben de daders?
Er is geen onderzoek gedaan dat gericht is op burgers uit specifieke landen of met een bepaalde nationaliteit. Bij de vervolganalyse van de fraudeonderzoeken «Alabama» en «Florida», waarover mijn ambtsvoorganger u heeft geïnformeerd in de brief van 21 december jl., is alleen bekeken waar de 83 personen die zich gemeld hebben voor herstel staan in het beoordelingsproces.
Ik wil benadrukken dat op dit moment nog niet duidelijk is of bij één van de 14 betrokkenen het toekennen van het forfaitaire bedrag achteraf bezien onterecht was. Dit zal blijken bij de integrale beoordeling. Ook als dit in een enkele situatie het geval zou zijn, staat niet vast dat deze persoon ook daadwerkelijk gefraudeerd heeft bij de aanvraag en/of toekenning van compensatie.
Waarom kwam bij de lichte, zogenaamd zorgvuldige, toets niet naar voren dat de aanvragers geen recht hadden op compensatie?
Het is op dit moment niet duidelijk of deze aanvragers wel of niet recht hebben op compensatie. Zoals ook in het antwoord bij vraag 2 aangegeven, doet UHT voor ouders die zich aanmelden een eerste toets tenzij aan de persoon een vergrijpboete is opgelegd of diegene strafrechtelijk is veroordeeld in verband met de kinderopvangtoeslag. Bij de eerste toets wordt mede aan de hand van data-analyse eerst bekeken of een ouder onderdeel was van een CAF-11 vergelijkbaar onderzoek en/of een terugvordering met O/GS kwalificatie. Als dit het geval is, wordt € 30.000 toegekend. In het inrichten van de eerste toets is daarbij een afweging gemaakt tussen snelheid en zorgvuldigheid. Uit eerdere steekproeven is gebleken dat 94% van de O/GS kwalificaties achteraf bezien onterecht is. Zodoende is er rekening mee gehouden dat een klein percentage van de toegekende compensatie achteraf onterecht blijkt. Op dit moment is ons beeld nog steeds dat dit een klein percentage betreft.
Hoeveel geld dat is bestemd voor echte slachtoffers van de Belastingdienst is er inmiddels onterecht uitgekeerd?
Uw Kamer is eerder geïnformeerd over het risico van achteraf bezien onterechte uitkeringen door die afweging. Zo is in de brief van 30 april 2021 het percentage van achteraf onterechte uitbetalingen na de eerste toets geschat op 2–5%.3 Dat is op dit moment nog steeds ons beeld.
Hoe gaat u de onterecht uitgekeerde compensatie terugvorderen?
Bij de brief over de Catshuisregeling van 8 februari 2021 en daarop volgende brieven heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat in het proces van data-analyse en handmatige toets sprake zal zijn van betalingen aan personen die – indien onmiddellijk een integrale beoordeling zou zijn uitgevoerd – geen recht op uitbetaling zouden hebben gehad.4 Dit is onvermijdelijk. Ik wil echter geen onzekerheid creëren bij ouders door in deze situaties betalingen weer terug te vorderen. Alleen in geval van evident misbruik van de herstelregelingen kan compensatie worden teruggevorderd. Ik beraad mij momenteel om te kijken in welke gevallen een terugvordering op zijn plaats zou zijn. Dit vereist echter zeer grote zorgvuldigheid. Voorop staat het vertrouwen dat de ouders kunnen hebben en houden dat zij zorgvuldig behandeld zullen worden.
In het artikel wordt verwezen naar een presentatie uit oktober 2020 die nooit is gedeeld met de Kamer. Kunt u die alsnog aan de Kamer doen toekomen?
Ja, die presentatie over opzet/grove schuld is bijgesloten bij deze antwoorden.
Waarom is die presentatie uit oktober 2020 nooit gedeeld met de Kamer?
Het is niet gebruikelijk om een presentatie te delen met de Kamer als daar geen besluitvorming mee gemoeid is. Indien de presentatie bijdraagt aan bijvoorbeeld nieuw beleid, wordt deze in het kader van actieve openbaarmaking sinds 1 juli 2021 meegestuurd met de brief aan de Tweede Kamer waarin dit nieuwe beleid wordt voorgesteld.
Welke brandbrieven omtrent «grove overcompensatie» doen de ronde binnen de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financien? Kunt u die aan de Kamer doen toekomen?
In de Eindrapportage Raadspersonen die op 12 oktober jl. naar uw Kamer gezonden is wordt benoemd dat verschillende melders hun zorgen hebben geuit over de Uitvoeringorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).5 Veel van deze zorgen hebben betrekking op de zogenoemde Catshuisregeling. De meldingen die zijn gedaan bij de raadspersonen zijn conform het Besluit Personeelsraadspersonen Belastingdienst 2020 in vertrouwen gedaan.6 Over die meldingen beschik ik niet. Signalen in de organisatie over mogelijk oneigenlijk en ongericht gebruik van de herstelregelingen bij mijn ambtsvoorganger of het hogere management zijn van persoonlijke aard en zijn vaak herleidbaar tot individuele medewerkers. Ik vind het belangrijk dat medewerkers zich voldoende veilig voelen om deze en andere signalen te blijven delen. Het integraal delen met uw Kamer van deze signalen vind ik daarom onwenselijk. Om uw Kamer desondanks wel een zo goed mogelijk beeld te geven, zal ik, zoals ook toegezegd in de 9e Voortgangsrapportage Kinderopvangtoeslag7 en de brief van 21 december jl., de onderwerpen uit de interne signalen inventariseren en uw Kamer hier in de brief die ik u volgende week stuur ten behoeve van het debat op 2 februari nader over berichten. Tevens zal ik hier in de Voortgangsrapportages kinderopvangtoeslag aandacht aan besteden. Hierbij wordt dan recht gedaan aan de vertrouwelijkheid van deze signalen.
Is er ook maar één aspect van de herstelorganisatie waarop u wel grip heeft?
De hersteloperatie is veelomvattend en complex. Voorop staat het belang dat ouders en kinderen goed en snel geholpen worden. Uit de 9e Voortgangsrapportage kinderopvangtoeslag blijkt dat wij voortgang boeken in het realiseren van deze missie.
Wrakingsregels bij een hoorzitting van de huurcommissie |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat artikel 31 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte behelst dat de zittingsvoorzitter en/of -leden voor aanvang van de behandeling kunnen worden gewraakt?
Ja. Op basis van artikel 31 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (hierna: Uhw) kan alleen worden gewraakt vóór aanvang van de behandeling op zitting.
Is het correct om aan te nemen dat dit wetsartikel ervoor zorgt dat in geval van een gedurende de hoorzitting opkomende (schijn van) partijdigheid niet kan worden gewraakt aangezien dat niet voor aanvang van de zitting is?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat deze gang van zaken afwijkt van het gebruik bij een gang naar de rechter waar een wrakingsverzoek ook gedurende een proces kan worden gedaan (gebaseerd op artikel 36 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering)?
Het klopt dat de systematiek van artikel 31 Uhw verschilt met die van artikel 36 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Het huidige artikel 31 Uhw vloeit voort uit artikel 15 van de Wet op de huurcommissies, die voorheen gold. Bij invoering van de Wet op de huurcommissies in 1979 is gekozen om dezelfde wrakingsregels te hanteren als in de reguliere rechtspraak. Door een latere aanpassing van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn de artikelen anders komen te luiden.
Waarom is bij de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte afgeweken van dit principe? Is hier bij het maken van de wet destijds een goede reden voor geweest? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat huurders dezelfde rechten zouden moeten hebben tijdens een hoorzitting als tijdens een regulier proces? Zo nee, kunt u dit onderbouwen?
Ja. Het gaat niet om een bewust onderscheid en daarom ben ik voornemens om een wijziging van de wet op dit punt te onderzoeken.
Beschouwt u deze discrepantie als een lacune in de wet? Zo ja, bent u bereid hiernaar te kijken en een aanpassing van de wet voor te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.