De bescherming van de privacy en het gebruik van een front-facing camera op de zelfscanner van de Albert Heijn |
|
Lammert van Raan (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er zelfscanners van de Albert Heijn zijn uitgerust met een front-facing camera?
Ja, Albert Heijn heeft laten weten dat het sinds 2019 een model handscanner gebruikt met aan de voorkant een cameralens. Deze camera staat uit. Naast dit model handscanner staan klanten als alternatief ter beschikking de eigen telefoon, de zelfscankassa’s of het reguliere afrekenen bij een kassamedewerker.
Kunt u bevestigen dat het bedrijf dat deze scanners verkoopt deze scanners aanbeveelt omdat ze gezichtsherkenning mogelijk maken waarmee klanten geïdentificeerd kunnen worden?1
Uit informatie op de website van de fabrikant blijkt dat bij de productspecificaties de technische mogelijkheden worden beschreven. Gezichtsherkenning wordt vermeld als een van de toepassingen waarvoor de camera aan de voorkant van deze handscanner kan worden gebruikt.2
Is u bekend of er op enige wijze gebruik gemaakt wordt van gezichtsherkenning binnen de winkels van Albert Heijn of enige andere supermarkt (structureel dan wel experimenteel)? Bent u bereid na te gaan of dit gebeurd? Indien het gebeurd kun u aangeven waar en waarom?
Bij brief van 5 juni 2020 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de supermarkten gewezen op de regels voor gezichtsherkenning in de winkels.3 Er zijn mij geen signalen bekend dat supermarkten sindsdien, in weerwil van deze regels, gebruik maken van gezichtsherkenningstechnologie.
Op welke rechtsgrond kan Albert Heijn of enige andere supermarkt zich baseren als zij besluiten gezichtsherkenning in te zetten?
Het is juist dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) de verwerking van biometrische gegevens alleen toestaat in gevallen waarin onomwonden vrijelijke expliciete toestemming wordt verleend òf wanneer er redenen van zwaarwegend algemeen belang zijn om gezichtsherkenning toe te passen voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden. Bij dat laatste kan inderdaad worden gedacht aan het beveiligen van een kerncentrale. In reactie op het rapport «Op het eerste gezicht» van 5 februari jl.4 heb ik uw Kamer aangekondigd dat deze voorwaarden ook in de Uitvoeringswet AVG (UAVG) duidelijker zullen worden verwoord. Dit gebeurt in het wetsvoorstel tot wijziging van de UAVG, dat voorziet in een wijziging van artikel 29 van de UAVG. In de wettekst wordt expliciet opgenomen dat de uitzonderingsgrond van artikel 29 alleen kan worden toegepast wanneer dat nodig is voor een zwaarwegend algemeen belang. Met deze dubbele noodzakelijkheidstoets (noodzakelijk voor de authenticatie of beveiligingsdoeleinden én noodzakelijk omwille van een zwaarwegend algemeen belang), geeft de UAVG beter invulling aan artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de AVG. Het is de planning om het wetsvoorstel dit jaar nog aan te bieden aan de Raad van State.
Kunt u bevestigen dat gezichtsherkenning alleen mag worden ingezet voor authenticatie bij zwaarwegende belangen (bijvoorbeeld de beveiliging van een kerncentrale) of wanneer daar «uitdrukkelijke toestemming» voor gegeven wordt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het onwenselijk zou zijn wanneer er gezichtsherkenning wordt gebruikt voor het doen van boodschappen? Deelt u de mening dat dit zonder de uitdrukkelijke toestemming van de gebruiker verboden is?
Het wettelijk kader staat niet toe dat zonder uitdrukkelijke toestemming gezichtsherkenning op deze manier wordt gebruikt.
Hoe waarschijnlijk acht u het dat een externe (kwaadwillende) partij toegang zou kunnen krijgen tot de zelfscanners met gezichtsherkenning?
Het is niet aan mij als bewindspersoon om, bij de inzet door bedrijven van apparaten die over technische mogelijkheden beschikken tot het verwerken van biometrische gegevens, inschattingen te maken over de mogelijkheden van toegang door derden. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de veiligheid te waarborgen, waartoe onder meer artikel 32 van de AVG verplicht.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn wanneer er, voor het doen van boodschappen, apparaten gekozen worden die niet in staat zijn tot dit soort analyses van biometrische persoonsgegevens?
Er kunnen verschillende redenen zijn geweest waarom Albert Heijn, maar ook andere supermarktketens, zoals Jumbo, zijn overgegaan tot de aanschaf van dit type handscanner voor het doen van boodschappen.5 Het simpele feit dat apparatuur, zoals in dit geval apparaten voor het doen van boodschappen, over technische mogelijkheden beschikt tot het verwerken van biometrische gegevens maakt het gebruik van deze apparatuur nog niet per definitie ongewenst. In ieder geval zoals beschreven in antwoord op vraag 4 en 5 is de verwerking van biometrische gegevens alleen toegestaan in die gevallen waarin onomwonden expliciete toestemming wordt verleend of wanneer er redenen van zwaarwegend algemeen belang zijn om gezichtsherkenning toe te passen voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden. Ook voor de verwerking van andere persoonsgegevens is de AVG onverkort van toepassing.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat supermarkten nu of in de toekomst gebruik maken van gezichtsherkenning?
Met de in antwoord 3 genoemde voorlichting door de AP meen ik dat de supermarkten voldoende duidelijk is welke kaders gelden voor de toepassing van gezichtsherkenning. De in antwoord 5 vermelde voorgenomen verduidelijking van de UAVG zal naar mijn verwachting zo nodig bijdragen aan verdere bewustwording.
De beschikbaarheid van testcapaciteit buiten de randstad |
|
Jan Paternotte (D66), Aukje de Vries (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Borculo is de enige locatie voor Testen voor Toegang», «Drenten moeten relatief ver rijden bij nieuw systeem testen voor toegang», «XL-coronateststraat Stad sluit na drie weken, heeft minstens 600.000 euro gekost», «Testlocatie in Dokkum amper tien dagen na opening weer dicht» en «Testen voor toegang? Voorlopig niet mogelijk in grote delen van Zeeland»?1, 2, 3, 4, 5
Ja.
Bent u bekend met de signalen van de Waddeneilanden, onder meer Texel, Terschelling en Ameland, over vergelijkbare problemen met testlocaties voor Testen voor Toegang?
Op elk eiland is momenteel (3 november 2021) een testlocatie.
Wat vindt u van de ontstane situatie?
De dekkingsgraad (hoeveel procent van de mensen binnen 30 minuten reistijd van een testlocatie wonen) is (d.d. 3 november) over heel Nederland 99,9%. Er zijn recent locaties geopend in Dokkum, Oosterburg, Renesse, Stadskanaal en Siddeburen (16 min enkele reistijd van Delfzijl). Deze locaties vullen de witte vlekken op.
Overigens is het belangrijk om te benoemen dat dit beeld een momentopname is. In het nieuwe systeem vanaf 11 oktober worden testaanbieders vergoed voor een vaste prijs per test in plaats van een beschikbaarheidsvergoeding. Daardoor kunnen alle testaanbieders die voldoen aan de kwaliteitseisen meedoen en zijn er inmiddels al veel meer locaties geopend. Stichting Open Nederland kan echter niet meer eisen dat een testaanbieder zich op een bepaalde plek vestigt. Wanneer de testvraag tegenvalt, is een testaanbieder vrij om een locatie (tijdelijk) te sluiten. Stichting Open Nederland bemiddelt in opdracht van VWS tussen testaanbieders en gemeenten waar behoefte is aan een testvoorziening om tot een oplossing te komen.
Met de overgang naar de aanbieders onder de nieuwe Open House regeling is het aantal testlocaties sterk gegroeid, maar waren er bij de start een klein aantal witte vlekken. Deze zijn op dit moment vrijwel opgelost.
Deelt u de mening dat, zeker als de coronatoegangsbewijzen verplicht zijn in sectoren zoals de horeca, het van belang is dat alle Nederlanders binnen redelijke reistijd toegang hebben tot een toegangstest? Zo nee, waarom niet?
Daar ben ik het mee eens. Daarom werken VWS, SON, de Veiligheidsregio’s en gemeenten samen om, op plekken waar niet binnen 30 minuten reistijd een testlocatie is, aanbieders te stimuleren om testlocaties te openen.
Klopt het dat onder andere middelgrote steden als Doetinchem, Winterswijk, Terneuzen en Dokkum momenteel geen testlocatie binnen 30 minuten per auto kennen, zoals de eerder genoemde berichten aangeven? Voor hoeveel Nederlanders geldt momenteel dat er niet binnen 30 minuten per auto een testlocatie bereikt kan worden?
Op 11 oktober zijn we overgestapt van het oude systeem met beschikbaarheidsvergoedingen voor een aantal geselecteerde testaanbieders naar het nieuwe systeem van een vaste prijs per test voor alle testaanbieders die voldoen aan de kwaliteitseisen. De eerste dagen na de overstap sloten een aantal testaanbieders de deuren, omdat zij nog in afwachting waren van goedkeuring of omdat zij hun testlocatie wilden heroverwegen. Tegelijkertijd opende meerdere testaanbieders locaties door het hele land. Dit heeft enkele dagen gezorgd voor een niet volledige landelijke dekking binnen 30 minuten reistijd van huis tot een testlocatie.
Op 3 november kon 99,9% van de Nederlanders een testlocatie bereiken binnen 30 minuten en zijn er meer dan 400 testlocaties geopend in heel Nederland (ten opzichte van ca. 140 voor 11 oktober). In de afgelopen weken zijn locaties geopend in o.a. Winterswijk, Terneuzen, Dokkum, Texel, Doetinchem, Roosendaal, Oostburg, Hellevoetsluis, Siddeburen, Renesse, Stadskanaal en Stavoren. Hiermee bereiken we volledige landelijke dekking.
Kunt u aangeven hoe de motie van de leden Paternotte (D66) en Aukje de Vries (VVD) inzake bereikbaarheidsnormen voor testlocaties vertaald is in het beleid ten aanzien van testlocaties? In welke regio’s en gebieden wordt momenteel niet voldaan aan deze bereikbaarheidsnormen?6
Het kabinet heeft opdracht gegeven aan Stichting Open Nederland om zich in te spannen om ervoor te zorgen dat alle Nederlanders binnen 30 minuten reistijd een testlocatie kunnen bereiken. SON doet dit samen met de testaanbieders, gemeente, veiligheidsregio’s en mijn ministerie. De dekkingsgraad is op dit moment 99,9%. Zie verder het antwoord op vragen 3 en 5.
Kunt u aangeven waarom, terwijl de inzet van het coronatoegangsbewijs voor toegang juist fors is uitgebreid, grote testlocaties in Fryslân, Groningen, Zeeland en de Achterhoek gesloten worden?
Het kostte enige tijd om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Daarnaast kostte het sommige testaanbieders tijd voordat ze aangesloten konden worden op de CoronaCheckApp. Daarom hebben de Stichting Open Nederland en mijn ministerie veel werk gemaakt van het begeleiden van gemeenten en testaanbieders om ervoor te zorgen dat de markt binnen enkele weken ook op plaatsen met minder inwoners een testfaciliteit kon organiseren.
Kunt u aangeven wat het nieuwe systeem van «pay-per-test» van de Stichting Open Nederland voor effect heeft op de bereikbaarheid van testlocaties? Hoe beoordeelt u dit systeem?
De huidige wijze van contracteren is niet meer gebaseerd op het betalen voor klaar staan om te testen, maar op betalen voor daadwerkelijk afgenomen testen. Het kost enige tijd om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Daarnaast kunnen alle testaanbieders die voldoen aan de eisen van Open House regeling deelnemen, en gaat het niet meer om een beperkt aantal aanbieders. Op elke 20e van de maand kunnen nieuwe aanbieders zich weer inschrijven voor de Open House. De aangesloten aanbieders kunnen dagelijks testlocaties openen. Tevens staan gemeenten, SON en testaanbieders met elkaar in contact zodat de vraag en de plekken waar geen testaanbieder gevestigd is, bekend zijn bij testaanbieders.
Tot nu toe heeft deze nieuwe wijze een meer dan verdrievoudiging van het aantal locaties opgeleverd waardoor er een veel fijnmaziger netwerk is ontstaan met name in de gebieden waar de testvraag het grootst is. In gebieden met een kleine testvraag lukt het nu om met extra inspanningen de bereikbaarheid op niveau te krijgen. Bij het betalen per test bestaat het risico dat de dekking in de gebieden met weinig testvraag onder druk komt.
Bent u bereid in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) te inventariseren in welke gemeenten momenteel geen testlocatie binnen 30 minuten reizen per auto of 60 minuten reizen per openbaar vervoer bereikbaar is, en de uitkomsten hiervan binnen twee weken te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Er is overleg met de VNG, met Veiligheidsregio’s en gemeenten. Daarbij is het van belang dat de testaanbieders inzicht hebben in de verwachte testvraag. SON geeft daarom inzicht in de vraag en brengt waar nodig gemeenten en aanbieders bij elkaar. In de volgende Kamerbief krijgt u een nieuwe update over de landelijke dekking van testcapaciteit voor toegangstesten.
Gaat u stappen zetten om ook de bereikbaarheid van testlocaties buiten de Randstad te verbeteren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke? Wanneer kan er vrijwel overal getest worden binnen 30 minuten reizen per auto, zoals is afgesproken? Bent u bereid om de Kamer hierover binnen twee weken, net als bij vraag negen, te informeren?
De afgelopen weken is hard gewerkt aan het wegwerken van de witte vlekken. Momenteel is er al een dekkingsgraad van 99,9% over heel Nederland. Zie verder de antwoorden op vragen 3 en 5.
Welke lessen trekt u uit de huidige situatie voor de toekomst en voor een toekomstige aanbesteding?
Met het nieuwe testsysteem kunnen alle geïnteresseerde testaanbieders, die aan de Open House criteria voldoen, meedoen. De open house regeling voor «testen voor reizen» heeft laten zien dat er veel meer testlocaties op de markt zijn dan tot 11 oktober door SON was gecontracteerd terwijl de kosten dalen door een lager tarief en het niet meer vergoeden van beschikbaarheid. Hierdoor geven we alle testaanbieders een kans om mee te doen aan het realiseren van de testcapaciteit in Nederland. De eerste weken bij de overgang van deze nieuwe regeling was de dekking niet overal op orde. Op dit moment is deze 99,9%. Met deze regeling is er geen garantie dat de dekking op dit niveau blijft. Ik volg de situatie daarom nauwlettend en bereid me voor, voor het geval er witte vlekken gaan ontstaan.
Bent u bereid om huisartsen – die kunnen testen en dat incidenteel ook zouden willen doen om bereikbaarheid van toegangstesten te vergroten – in de gelegenheid te stellen om op basis van die tests een QR-code te laten genereren? Zo nee, kunt u dit toelichten?
In principe kan elke BIG-geregistreerde arts, die voldoet aan alle Open House criteria, zich inschrijven voor deelname aan de Open House.
Dit geldt ook voor apothekers. Uit onze contacten met het veld is gebleken dat er belangstelling is bij apothekers om een rol te spelen bij het testen. Er zijn samenwerkingsverbanden tussen apothekers en testaanbieders. En op verzoek van mijn ministerie heeft SON de beroepsvereniging van apothekers benaderd. Apothekers zitten fijnmazig verspreid over het land en kunnen deelnemen aan de Open House. Apothekers zijn erop geattendeerd dat zij zich kunnen inschrijven voor de Open House regeling. Apothekers kunnen dit zelfstandig doen of samenwerken met een reeds geaccepteerde testaanbieder. Binnenkort zal er voor apothekers een informatiesessie georganiseerd worden.
Het bericht dat driekwart van de huisartsen de werkdruk te hoog vindt |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat driekwart van de huisartsen de werkdruk te hoog vindt?1
Ik heb ook de signalen gehoord dat het erg druk is bij de huisartsen(posten). Mensen zijn lang terughoudend geweest met het benaderen van de huisarts en de huisartsenpost. Nu lijken mensen zich toch meer te gaan melden. Dat is op zich goed nieuws. Ik ben doorlopend met de partijen van het hoofdlijnakkoord huisartsenzorg, waaronder de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), in gesprek over de werkdruk bij huisartsen en over personele tekorten in de huisartsenzorg.
Hoe reageert u op de uitspraken van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV)-voorzitter dat langere consulttijden aantoonbaar leiden tot «betere zorg, minder verwijzingen naar het ziekenhuis, lager medicijngebruik en ook tot meer voldoening in het werk»? Bent u het met haar eens dat de mogelijkheid tot een langere consultduur goed geregeld moet worden?2
Ik vind het ook belangrijk dat huisartsen voldoende tijd hebben voor de consulten met hun patiënten. Er zijn in samenwerking tussen zorgverzekeraars en huisartsen verschillende pilots gerealiseerd die het mogelijk maken om te werken met een langere consultduur. Momenteel worden een aantal van deze pilots geëvalueerd om de geleerde lessen te verspreiden en mee te kunnen nemen in het landelijke vervolgtraject «versnellingsimpuls Meer Tijd voor de Patiënt», dat deze maand start. Ik werk daarin samen met de partijen uit het hoofdlijnenakkoord, waaronder de LHV.
Daarnaast zal ik de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vragen om verdere differentiatie van de consultduur naar 15 minuten mee te nemen in de doorontwikkeling van de huisartsenbekostiging.
Hoe kunnen de administratieve lasten voor huisartsenpraktijken verminderd worden, zodat zij meer tijd hebben om aan hun patiënten te besteden?
Vanuit het programma [Ont]regel de Zorg zet ik in om administratieve lasten in verschillende zorgsectoren te verminderen, waaronder in de huisartsenzorg. Ook in het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2018–2022 is het verminderen van administratieve lasten een speerpunt. Het aanpakken van regeldruk doe ik samen met partijen, waaronder de LHV, Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen (VPH), NZa en Zorgverzekeraars Nederland (ZN). In samenwerking met elkaar hebben wij de afgelopen jaren al verschillende administratieve lasten voor de huisartsen verminderd. Voorbeelden hiervan zijn dat de VOG-plicht is afgeschaft voor huisartsen die in incidentele gevallen in de ANW-uren in een Wlz-instelling of ggz-instelling zorg verlenen, er is verhelderd dat uitvoeringsverzoeken alleen noodzakelijk zijn bij voorbehouden handelingen en niet noodzakelijk zijn bij risicovolle handelingen en de frequentie van de NHG-praktijkaccreditering is teruggebracht van eens per jaar naar eens per drie jaar. Voor een volledig en actueel overzicht van de resultaten van het programma [Ont]Regel de Zorg verwijs ik u naar de website www.ordz.nl. Ik constateer ook dat er nog een flinke weg te gaan is. Daarom blijft dit vraagstuk ook de komende jaren de aandacht vragen van alle betrokken partijen; zorgorganisaties, zorgverleners, de overheid en van de toezichthouders. De precieze invulling van een vervolgaanpak om de administratieve regeldruk verder te verminderen is aan het volgende kabinet.
Hoe bent u van plan huisartsen te ondersteunen zodat ze voldoende kunnen herstellen, nu er te weinig waarnemend huisartsen zijn?
Werkdruk en tekorten in de huisartsenzorg zijn een van de belangrijkste thema’s in het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2018–2022. Hierover zijn meerdere afspraken gemaakt. Denk aan extra opleidingsplekken voor huisartsen, mits er voldoende opleiders en praktijkopleiders beschikbaar zijn, investeringen in ICT/digitalisering, het inzetten op het beperken van de administratieve lasten en meer tijd voor de patiënt.
Ook ben ik met de LHV een arbeidsmarktaanpak gestart, waarin in 9 regio’s ondersteuning wordt geboden om arbeidsmarktknelpunten in de huisartsenzorg duurzaam aan te pakken. Zo wordt momenteel in een regio ondersteuning geboden bij het realiseren van inzet van Verpleegkundig Specialisten op de huisartsenpost. De structurele inzet van Verpleegkundig Specialisten op de huisartsenpost heeft als doel de diensten te verlichten en de regio aantrekkelijker te maken voor nieuwe huisartsen. De lessen die worden geleerd uit de arbeidsmarktaanpak worden gedeeld met alle regio’s, zodat ook zij hiervan gebruik kunnen maken als zij dat willen.
Daarnaast zijn er aanvullende trajecten opgezet: het versnellen van «Organisatie & Infrastructuur», «Meer Tijd voor de Patiënt» en «Digitalisering». Binnen deze trajecten wordt er gewerkt aan het bevorderen van de organisatiegraad in de regio, het implementeren van Meer Tijd Voor De Patiënt-projecten en het stimuleren van digitaliseringsplannen in de regio. Deze versnellingstrajecten kunnen onder andere helpen bij het realiseren van efficiëntere werkvormen, het stroomlijnen van werkprocessen en kennisdeling.
Welke acties onderneemt u om de werkdruk onder huisartsen op korte termijn omlaag te brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het opleiden van meer huisartsen in grote mate bij kan dragen aan zowel het verlagen van de werkdruk, als aan de mogelijkheden om consulttijden te verlengen en het oplossen van het tekort aan waarnemend huisartsen op langere termijn? Zo ja, bent u bereid om het aantal opleidingsplekken voor huisartsen uit te breiden?
Het opleiden van huisartsen kost tijd, waardoor dit niet direct leidt tot het verlagen van de werkdruk. Het Capaciteitsorgaan heeft in het laatste Capaciteitsplan geadviseerd om het aantal instroomplaatsen voor de opleiding tot huisarts flink bij te stellen. Om de stijging in aantallen opleidingsplaatsen te kunnen realiseren, zijn naast beschikbare kandidaten ook meer opleiders en praktijkopleiders (opleidingsinstellingen) nodig. Deze zijn niet in voldoende mate beschikbaar om het advies van het Capaciteitsorgaan te volgen. Alle inzet is er nu op gericht om het aantal opleidingsplaatsen te verhogen, waarbij wordt bezien in welk tempo toegewerkt kan worden naar het aantal opleidingsplaatsen conform het advies van het Capaciteitsorgaan. Voor 2021 zijn 820 plaatsen beschikbaar gesteld, voor 2022 zijn dat 850 plaatsen.
De situatie van arbeidsmigranten in Boskoop |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de heer Frank van Gool tijdens een rondetafelgesprek «uitzendbureaus» op 28 juni 2021 waarin hij op antwoord tegen de heer Van Kent zei: «U bent altijd welkom. U mag zeker uitzoeken waar u naartoe wilt. Daar heb ik verder geen problemen mee»?
Ja, deze uitspraak is mij bekend.
Hoe rijmt u deze uitspraak met het feit dat de heer Van Kent op 11 oktober tijdens een bezoek aan een huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten in Boskoop, dat onder beheer staat van de heer van Gool, werd aangesproken door de door verhuurder ingeschakelde politie toen hij deze locatie op uitnodiging van een bewoner bezocht?
Ik kan geen uitspraak doen over deze specifieke situatie. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 3 en 4.
Deelt u de mening dat arbeidsmigranten te allen tijde gasten zouden moeten kunnen ontvangen in hun gehuurde huisvesting, zeker als deze gasten medewerkers van de vakbond zijn die op afspraak hun betalende leden willen bezoeken? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Bewoners hebben het recht om bezoek te ontvangen. Dat geldt voor iedereen, dus ook voor arbeidsmigranten. Het gaat immers om de plek waar je woont en daar mag je dat zelf beslissen. Uiteraard moet daarbij wel rekening worden gehouden met omwonenden en medebewoners. Bovendien mag het bezoek niet leiden tot schade aan het gehuurde. In de huurovereenkomst tussen een bewoner en de eigenaar/beheerder kunnen ook bepaalde voorwaarden worden opgenomen omtrent het ontvangen van bezoek. Dit soort voorwaarden moeten wel redelijk zijn en mogen geen inbreuk zijn op de persoonlijke levenssfeer van de bewoner. Uiteindelijk is het aan de rechter om te beoordelen of de verhuurder hier juist mee omgaat. Ik kan de individuele situatie op deze locatie niet beoordelen en ken de beweegredenen van de verhuurder niet. Ik ben wel van mening dat als bezoekers niet welkom zijn, de verhuurder dit duidelijk moet kunnen beredeneren.
Op welke grond zou een huisbaas een huurder dit recht kunnen ontzeggen? In hoeverre is dit in strijd met de hiervoor geschetste situatie?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is de hierboven geschetste situatie in strijd met het Stichting Normering Flexwonen (SNF)-keurmerk waarin staat dat een inwoner zonder afspraak bezoek moet kunnen ontvangen?
Het mogen ontvangen van bezoek is ook onderdeel van het keurmerk. Die zijn in lijn met wat ik hierboven al schetste. Deze norm is te vinden onder het kopje «toezicht en beheer». Dit is terug te vinden in de norm onder de kop: «9.2 Bewoners zijn vrij om ook onaangekondigd bezoek te ontvangen op de locatie. De onderneming mag voorwaarden aan bezoek stellen in het kader van veiligheid (zoals het melden of inschrijven bij een receptie ten behoeve evt. ontruiming) en om overlast voor andere bewoners te voorkomen (door bv ’s nachts geen bezoek toe te laten of maximumaantal bezoekers te bepalen).»
Op alle locaties, dus ook op de locatie in Boskoop, mag een bewoner dus bezoek ontvangen. Indien een eigenaar of beheerder zich niet aan die normen houdt kan dat gemeld worden bij het keurmerk, of kan een bewoner naar de rechter stappen. Op de website workinnl.nl is zo duidelijk mogelijk aangegeven waar arbeidsmigranten met vragen of problemen terecht kunnen.
In de aangetroffen woningen zijn ook piepkleine kamers zonder ramen en dus zonder direct daglicht, in deze ruimte slapen twee arbeidsmigranten die samen 800 euro huur betalen. In hoeverre is dit in strijd met het SNF-keurmerk? Wat gaat u hieraan doen? In hoeverre kan er hier nog van privacy voor arbeidsmigranten worden gesproken?
De verhuurder in kwestie is SNF-gecertificeerd en zou dus aan de kwaliteitseisen van SNF moeten voldoen. Vanuit het keurmerk vinden controles plaats om dit na te gaan.
Voor zover ik kan beoordelen voldoet de locatie aan de normen van SNF. Een slaapkamer delen is toegestaan. Slaapruimtes zonder daglicht zijn volgens de norm van SNF niet toegestaan. In alle verblijfsruimte dient daglicht te komen. Dit hoeft echter geen direct daglicht te zijn. Voor gebouwen met bestemming logies is dat ófwel direct daglicht (waarbij geen minimum-maat geldt) ofwel 0,5 m2 (indirect) daglicht. Helemaal geen daglicht leidt altijd tot een grotere tekortkoming.
Tijdens een inspectie kan een grote of een kleine tekortkoming in het voldoen aan deze normen worden geconstateerd. Een grotere tekortkoming dient binnen zes weken na constatering aantoonbaar te zijn opgelost. De inspecteur en het aantal grotere tekortkomingen bepaalt of er een herinspectie moet plaatsvinden of dat de onderneming administratief kan aantonen dat de tekortkoming is opgelost. Indien grotere tekortkomingen niet of niet tijdig zijn hersteld en in het reglement registratie zijn beschreven, kan de stichting overgaan tot schorsing en doorhaling uit het SNF-register conform het reglement registratie.
Het keurmerk zelf gaat verder niet over de huurprijzen. Wel is sinds 1 januari 2017 het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon van kracht. Daarin is bepaald dat voor huisvesting maximaal 25% ingehouden mag worden op het wettelijk minimumloon. Het moet dan wel om gecertificeerde huisvesting gaan, zoals het SNF keurmerk. Hiermee is de huurprijs dus gemaximeerd. Dit is ingesteld om te voorkomen dat huisvesting een verdienmodel vormt. Iedereen heeft immers recht op degelijke huisvesting tegen een redelijke prijs. Dit is niet anders wanneer sprake is van tijdelijk verblijf in Nederland.
Het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten heeft aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de huisvesting te verbeteren. Specifiek voor de keurmerken doet zij aanbevelingen om de normen te verbeteren. Met de keurmerken worden ook gesprekken gevoerd over het voldoen aan die normen. Verder geef ik met het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap gemeenten de mogelijkheid een vergunningsplicht voor de verhuur aan arbeidsmigranten in te stellen. Daarbij krijgen gemeente de mogelijkheid om bij het introduceren van die vergunningsplicht een aantal kwaliteitseisen op te nemen. Het gaat daarbij om het eisen van een eigen af te sluiten verblijfsruimte en eisen gericht op het bewaren en bereiden van voedsel en was-voorzieningen. Op deze punten is het goed als gemeenten zoveel mogelijk aansluiten bij de inhoud van de keurmerken en bij de normen uit het advies van het Aanjaagteam.
Tot slot wordt in het advies van het Aanjaagteam ook aanbevolen de huisvestingskeurmerken onderdeel te maken van de certificeringsplicht van uitzendbureaus, waarmee een groter aandeel van de huisvesting van arbeidsmigranten aan één van de keurmerken zal moeten voldoen. Op dit moment verken ik met de Minister van SZW hoe we dit gaan vormgeven.
Daarnaast werd er in meerdere ruimtes schimmelvorming aangetroffen, in hoeverre is dit in strijd met het SNF-keurmerk? Welke sanctie rust daar op?
SNF hanteert ook regels voor schimmelvorming. Er zijn verschillende gradaties in schimmel en bij het aantreffen van weinig schimmel wordt er een kleinere tekortkoming gegeven, bij het aantreffen van veel schimmelvorming een grotere tekortkoming. Er is een hygiënescorekaart die handvatten geeft voor de bepaling.
In het antwoord op vraag 6 omschreef ik al hoe omgegaan wordt met grotere tekortkomingen. Kleinere tekortkomingen moeten eveneens binnen de door de inspecteur vastgestelde periode zijn opgelost. Een kleinere tekortkoming die bij een volgende inspectie wederom blijkt, wordt bij die inspectie aangemerkt als een grotere tekortkoming. Meldingen van dit soort tekortkomingen kunnen het beste bij SNF worden gedaan, omdat SNF dan hierop kan controleren. In het geval van ernstige tekortkomingen kan een bewoner ook naar de rechter gaan.
Van de gemeente heb ik bovendien begrepen dat medewerkers van Team Inspectie op de locatie een onaangekondigde controle hebben gedaan op de naleving van de eisen uit het Bouwbesluit 2021 (onder andere hygiëne, ventilatie en veiligheid). De algemene ruimten bleken toen hygiënisch in gebruik en schoon. Willekeurig zijn ook een aantal kamers gecontroleerd. In die kamers is geen schimmelvorming aangetroffen.
Bent u bereid bij de SNF erop aan te dringen deze locatie extra en onaangekondigd te controleren omdat het overtreden van het keurmerk wordt vermoed?
Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten adviseert meer onaangekondigde controles uit te voeren. Fysieke locaties zouden ook onaangekondigd moeten worden geïnspecteerd, ook als dat betekent dat niet alle privéruimtes kunnen worden gecheckt. Een onaangekondigde inspectie geeft volgens het advies meer informatie over de daadwerkelijke situatie dan alleen aangekondigde inspecties.
Allereerst verdient het opmerking dat SNF geen volledig onaangekondigde controles kan en mag uitvoeren. Het betreft huisvestingslocaties, waardoor de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dit tegenhoudt. Bewoners hebben immers ook recht op privacy en het niet zomaar binnendringen van hun woonplek. SNF heeft wel aangegeven binnen de ruimte van de wettelijke kaders de specifiek te controleren locatie zo kort mogelijk van tevoren bekend te maken. Daarbij wordt een afweging gemaakt of een gerichte aanvullende inspectie gerechtvaardigd is. Dat doet SNF op basis van de meest recente inspectie-resultaten en de klacht. Het is verder aan SNF om te beslissen welke locaties extra aandacht vragen. SNF heeft aangegeven daartoe open te staan voor klachten van derden, ook de FNV. FNV kan dus al van deze mogelijkheid gebruikmaken.
Deelt u de mening dat de SNF geen aangekondigde bezoeken zou moeten brengen en eventueel in samenspraak met de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) gericht locaties zou moeten uitzoeken voor controle?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bij de SNF nagaan wanneer de laatste inspectie van de SNF op de locatie Boskoop heeft plaatsgevonden, voordat het bezoek van de heer van Kent (11 oktober 2021) plaatsvond, wat de bevinding was en of er verbeter/herstel punten liepen?
SNF heeft in haar voorwaarden staan dat gegevens over individuele ondernemingen of specifieke locaties, anders dan die op de website zijn te vinden, niet met derden gedeeld mogen worden. Dit heeft te maken met de privacy van de ondernemingen. Het past bij een vrijwillig keurmerk dat als doel heeft zo veel mogelijk bedrijven te inspecteren op de kwaliteit van de huisvesting (en daarmee het verbeteren van die kwaliteit) dat gedetailleerde informatie over tekortkomingen niet openbaar worden gemaakt.
SNF heeft wat betreft dit specifieke geval aangegeven de signalen ook gezien te hebben en heeft aangegeven deze te onderzoeken en indien nodig maatregelen te nemen.
Als de SNF de locatie heeft gecontroleerd, hoe is het mogelijk dat er nog steeds zo veel tekortkomingen zijn aangetroffen, wat is dan de waarde van SNF-certificering? Staat het SNF-certificaat garant dat de accommodatie aan de eisen voldoet? Is het iets waarmee de uitzenders hun imago hoog houden?
SNF controleert door middel van periodieke inspecties en indien nodig gerichte aanvullende inspecties of locaties aan de gestelde eisen voldoen. Dat zijn constateringen op dat moment. Over het algemeen geeft dat een goed beeld van hoe de locatie is ingericht en wordt onderhouden. Grotere tekortkomingen moeten binnen 6 weken aantoonbaar worden hersteld. Indien de tekortkomingen niet binnen de gestelde termijn zijn opgelost, kan de onderneming worden geschorst. Het jaarverslag van SNF vermeldt hoeveel ondernemingen geregistreerd zijn en hoe vaak er schorsing plaatsvindt in een jaar. In 2020 ging het om 30 schorsingen vanwege niet tijdig beëindigde tekortkomingen.
Ik ben het met u eens dat de kwaliteitsvereisten van de keurmerken voor verbetering vatbaar zijn. Zoals ik hierboven heb aangegeven vormt dit ook onderdeel van het advies van het Aanjaagteam. Met de keurmerken worden ook gesprekken gevoerd over het voldoen aan die normen.
Zoals ik al aangaf geef ik gemeenten met het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap de mogelijkheid om een verhuurdervergunning te introduceren. Gemeenten kunnen bij het instellen van die vergunningsplicht een aantal kwaliteitseisen op te nemen. Het gaat daarbij om het eisen van een eigen af te sluiten verblijfsruimte en eisen gericht op het bewaren en bereiden van voedsel en was-voorzieningen. Op deze punten is het goed als gemeenten zoveel mogelijk aansluiten bij de inhoud van de keurmerken.
Indien er geen opmerkingen waren, waar gaat het naar uw mening dan verkeerd en hoe is dat op te lossen als bij een onaangekondigd bezoek van de heer van Kent meerdere SNF-normovertredingen vastgesteld worden?
SNF inspecteert periodiek. Zij staat daarnaast open voor klachten van bewoners, buren en van derden. De FNV of de heer Van Kent kunnen hun klachten dus ook bij SNF melden. De klacht wordt dan onderzocht en indien nodig volgen maatregelen. Juist voor situaties waar de locaties tussentijds niet (meer) voldoen, is de klachtenfunctie beschikbaar.
Als er wel herstel/verbeterpunten liepen, wat vindt u dan een redelijk termijn om tijd voor herstel te geven? Deelt u de mening dat tijdens de herstelperiode de arbeidsmigranten een substantiële korting op de wekelijkse «huur-prijs» behoren te krijgen?
De huurprijs die arbeidsmigranten betalen is afgesproken met de verhuurder. SNF staat daar los van. Wel geldt de koppeling dat wanneer men de huur wil inhouden op het minimumloon, dit voor maximaal 25% van het minimumloon mag en dat het om gecertificeerde huisvesting moet gaan. Indien de verhuurder het keurmerk verliest zal de huur dus niet meer mogen worden ingehouden op het minimumloon.
Huurders van woonruimte kunnen in dit soort situaties vaak met klachten naar de Huurcommissie. Dat geldt voor arbeidsmigranten ook indien zij een huurcontract voor woonruimte hebben. Zij huren echter ook vaak op basis van logies. Dan is de huurcommissie niet toegankelijk.
Wel kunnen arbeidsmigranten dus een melding doen bij SNF in het geval van tekortkomingen. SNF zal dan een inspecteur langs sturen. De hersteltijd bij het constateren van een tekort is dan zes weken
Op welke termijn gaat u de aanbeveling van de commissie Roemer, aangaande de minimale aantal beschikbare vierkante meters per persoon en het hebben van een eigen slaapkamer, uitvoeren? Hoe gaat u de uitvoering van deze aanbeveling vorm geven?
De bedoelde aanbeveling heeft ook geleid tot de motie Van Dijk, waarin het kabinet gevraagd werd de 15 vierkante meter per persoon voor arbeidsmigranten om te zetten in beleid. Met de heer Van Dijk is toen ook besproken dat ik uitvoering aan de motie zou geven door gemeenten actief te wijzen op de ruimte die zij hierin met de Omgevingswet krijgen en ze te stimuleren die om te zetten in lokaal beleid en bijpassende regels.
In de handreiking huisvesting arbeidsmigranten die deze zomer is uitgebracht zijn gemeenten bekend gemaakt met de mogelijkheden. Ook is er op het VNG-forum aandacht aan besteed. Gezien de wet per 1 juli 2022 in werking treedt kunnen we nu nog niet zeggen wat de gevolgen daarvan zijn.
Zoals ik al eerder aangaf wordt met de verhuurdervergunning gezorgd dat gemeenten straks ook kunnen eisen dat bij de verhuur aan arbeidsmigranten een eigen verblijfsruimte per huishouden aangeboden wordt.
Op welke termijn gaat u de aanbeveling van de commissie Roemer aangaande het aparte huurcontract voor arbeidsmigranten, een huurcontract met opzegtermijn wat arbeidsmigranten behoedt tegen directe uithuiszettingen wanneer zij hun werk kwijt raken, uitvoeren? Hoe gaat u de uitvoering van deze aanbeveling vorm geven?
Het scheiden van baas en bed kan op meerdere manieren worden aangevlogen. Het kabinet kiest voor een aanpak die past bij het doel dat we willen bereiken: namelijk het versterken van de positie van de arbeidsmigrant en het verminderen van de afhankelijkheid van de werkgever. Arbeidsmigranten moeten niet zomaar op straat belanden wanneer het werk plotseling ophoudt.
Het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap helpt daarbij. Gemeenten kunnen straks een vergunningsplicht instellen voor de verhuur aan arbeidsmigranten. Onderdeel van de algemene regels uit het wetsvoorstel is dat bij de verhuur aan arbeidsmigranten een zelfstandig schriftelijk contract voor de verhuur wordt aangeboden. Daarmee worden het huur- en arbeidscontract losgekoppeld.
Een tweede stap in het verminderen van de afhankelijke positie is het zorgen voor huurbescherming, waar de heer Van Kent ook naar vraagt. Wat betreft het aanbieden van een huurcontract met opzegtermijn is de inzet van het kabinet in eerste instantie geweest om het gebruik van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten te stimuleren. Uit de evaluatie van den Wet doorstroming huurmarkt 2015 is gebleken dat deze contractsvorm onvoldoende voor dit soort situaties wordt gebruikt in de praktijk. Daarnaast wordt deze als niet-passend ervaren. Op dit moment wordt verkend welke mogelijkheden er zijn om een contractvorm te ontwerpen waarbij de huurpositie van arbeidsmigranten wordt verbeterd.
Over het invoeren van een volledig verbod voor het zijn van werkgever en tevens huisvester heeft het kabinet al vaker aangegeven dit een stap te ver te vinden. Allereerst kan de werkgever op deze manier juist ook hulp bieden bij het vinden van passende huisvesting. Dat is, zeker op deze krappe woningmarkt, alleen maar behulpzaam. Ook zien wij een verantwoordelijkheid voor de werkgevers, nu zij deze mensen vaak zelf naar Nederland halen. Door een verbod in te voeren worden werkgevers ook van deze verantwoordelijkheid ontslagen.
De risico’s van CFDs |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending «Meldpunt» op 8 oktober van Omroep Max?
Ja.
Bent u bekend met het beleggingsproduct Contract for Difference (CFD)?
Ja, daar ben ik mee bekend. Een CFD is een overeenkomst tussen twee partijen over de betaling van het verschil tussen de prijs van een onderliggende waarde (zoals een aandeel, grondstof, valuta of index) bij opening en beëindiging van het contract. CFD’s zijn complexe producten die zeer risicovol kunnen zijn omdat er met een financiële hefboom wordt belegd. Een belegger speculeert dan met geleend geld op de waardestijging of -daling van de onderliggende waarde. Dat de tijdspanne waarbinnen de prijsschommeling moet optreden bij een CFD erg kort kan zijn (minuten) draagt bij aan de complexe en risicovolle aard van dit product.
CFD’s worden meestal op basis van execution only – zonder beleggingsadvies of individueel vermogensbeheer – verkocht. Aanbieders moeten in dat geval steeds beoordelen of de dienst of het product dat wordt aangeboden passend is voor de klant.1 Indien de aanbieder oordeelt dat de dienst of het product niet passend is, dan dient hij de klant te waarschuwen. Klanten kunnen dan nog steeds zelf beslissen om de dienst of het product te kopen.
Om retailbeleggers te beschermen moeten (zowel Nederlandse als in een andere lidstaat gevestigde) beleggingsondernemingen die CFD’s aanbieden aan niet-professionele beleggers in Nederland ook aan een aantal aanvullende voorwaarden voldoen. Deze aanvullende voorwaarden, die de AFM heeft neergelegd in de door haar in 2019 vastgestelde CFD-productinterventiemaatregel, hebben tot doel het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele cliënten in Nederland te beperken.2 Zo geldt er een maximum aan de financiële hefboom van een CFD, moeten verlieslatende posities tijdig worden afgesloten en worden beleggers beschermd tegen restschuld. Ook moeten aanbieders als onderdeel van de verplichte risicowaarschuwing het verliespercentage aan (potentiële) klanten melden3. Dit verliespercentage, dat aan consumenten wordt getoond voordat zij het product aanschaffen, bedraagt gemiddeld 76%. Het gebruik van bonussen en andere beloningen om tot deelname aan CFD-handel aan te zetten is verboden.
Kunt u aangeven hoeveel mensen een CFD-belegging hebben?
De meest recente data van de AFM over het aantal in CFD’s handelende beleggers in Nederland komen uit 2018. De AFM schatte destijds in dat er tussen 55 en 65 duizend retailbeleggers in Nederland actief in CFD’s handelden, of ongeveer 5% van het totale aantal retailbeleggers in Nederland. Het aantal in CFD’s handelende beleggers was in 2018 naar schatting ongeveer dertig tot veertig procent hoger dan in 2017. Deze data zijn van voor de productinterventiemaatregelen die ESMA en AFM in 2018 en 2019 hebben getroffen (zie antwoord hierboven en antwoord op de volgende vraag).
Heeft u cijfers over wat de gemiddelde CFD-belegging voor verliezen kent en welk deel van de deelnemers hun investering volledig verliezen? Klopt het dat dit 80 procent bedraagt?
Aanbieders van CFD’s zijn verplicht een gestandaardiseerde risicowaarschuwing te publiceren op hun website en in iedere afzonderlijke communicatie-uiting. Daarin moet onder meer staan welk percentage van de personen die in de door hun aangeboden CFD’s beleggen een verlies lijdt. Deze waarschuwingsverplichting heeft de Europese toezichthouder ESMA in 2018 door middel van een tijdelijke productinterventiemaatregel geïntroduceerd. De AFM heeft deze verplichting vervolgens ook opgenomen in de door haar in 2019 daaropvolgende vastgestelde productinterventiemaatregel die nu nog van toepassing is. De toezichthouder beoogt met deze waarschuwingsverplichting tegenwicht te bieden aan de neiging van CFD-aanbieders om de potentiële winsten te benadrukken en de potentiële verliezen onder te belichten.
De AFM heeft op basis van de risicowaarschuwingen van aanbieders van CFD’s die zich (mede) richten op retailbeleggers in Nederland, geconstateerd dat het gemiddeld getoonde verliespercentage 76% bedraagt. Naar schatting van de AFM lijdt de gemiddelde retailbelegger 1.201 euro verlies. De AFM ontvangt de laatste jaren een stijgend aantal meldingen over de handelwijze van aanbieders van CFD’s. Tussen 2018 en 2020 nam de AFM een vertienvoudiging van het aantal meldingen over 22 aanbieders van CFD’s waar, van 29 tot bijna 300. De schade die door retailbeleggers in CFD’s wordt gemeld varieert van 250 euro tot uitschieters van meer dan 1 miljoen euro. Omdat niet alle door het handelen van deze partijen benadeelde beleggers zich bij de AFM melden brengen deze cijfers waarschijnlijk maar een deel van het probleem in beeld.
Klopt het dat het verlies van de deelnemer de winst van de organisator is en daarmee oplichting snel op de loer ligt?
De aard van het product maakt dat er bij het afsluiten van CFD’s altijd twee partijen zijn, waarvan na afloop van de overeenkomst over het algemeen de ene partij verlies lijdt en de andere partij winst maakt. Het antwoord op deze vraag is daarom afhankelijk van wie als tegenpartij van de belegger in de CFD’s optreedt. Als de aanbieder ook de tegenpartij van die belegger is, kan het verlies van de retailbelegger inderdaad de winst van de aanbieder zijn. Wanneer de aanbieder orders van zijn klanten om CFD’s te kopen of te verkopen doorgeeft aan een handelsplatform om die daar te laten uitvoeren is er meestal geen directe relatie tussen het verlies van de belegger en de winst van de aanbieder. Echter, sommige aanbieders van CFD’s geven de orders door aan handelsplatformen die tot dezelfde bedrijfsgroep behoren. Als daarvan sprake is heeft de aanbieder wel belang bij het verlies van de beleggers, vaak zonder dat dit voor die belegger duidelijk is. Dat vind ik erg onwenselijk.
Belangenverstrengeling kan leiden tot ongewenste sturing van de aanbieder naar duurdere en meer risicovolle en complexe producten. Dit schaadt het functioneren van financiële markten, omdat (retail)beleggers het vertrouwen moeten hebben dat zij op basis van eerlijke en transparante informatie van een eerlijke tegenpartij een voor hen passend financieel product kunnen kopen. Daarom zet ik mij, onder meer in Europees verband, in om belangenverstrengeling aan te pakken. Door de Europese Commissie wordt gewerkt aan een Retail Investment Strategy (RIS), gericht op het bevorderen van de toegang van retailbeleggers tot de Europese kapitaalmarkt. Mijn inzet, waarover ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd4, is erop gericht dat een adequate beleggersbescherming centraal moet staan bij de uitwerking van deze strategie en de in dat kader wijziging van onder meer de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (MiFID II). Zo benadruk ik het belang van betere informatievoorziening, onder meer door toepassing van gedragsinzichten, zodat beleggers beter begrijpen wat de kenmerken, risico’s en kosten zijn van de producten die zij kopen. Versterking van de product oversight and governance (POG)-regels en de samenwerking tussen nationale toezichthoudende instanties zijn voor mij ook belangrijke prioriteiten. In mijn antwoord op vraag 17 licht ik mijn inzet nader toe.
Acht u de risico’s die gepaard gaan met CFD’s redelijk? Zo ja, waarom?
Of de met CFD’s gepaard gaande risico’s redelijk zijn is afhankelijk van de kennis, ervaring en financiële doelstelling van de belegger. Door de financiële hefboom die deze producten kennen kunnen verliezen snel oplopen, tot zelfs meer dan de inleg. Beleggers moeten in dat geval de restschuld bij de CFD-aanbieder aflossen. Het is ook mogelijk dat beleggers voor de beëindiging van het contract additioneel geld moeten inleggen vanwege een zogenoemde marginverplichting. Verder is het relevant dat de duur van een CFD – de tijdspanne voor de prijsontwikkeling van de onderliggende waarde – zeer kort kan zijn, vaak niet meer dan enkele minuten. CFD’s zijn daarom minder geschikt voor retailbeleggers die bijvoorbeeld vermogensopbouw voor de lange termijn als doel hebben, of voor jonge en/of onervaren beleggers. Voor professionele beleggers kunnen deze instrumenten in een gediversifieerde portefeuille wel een functie vervullen, onder meer om kortstondig risico’s af te dekken.
Hoe kan het dat een Nederlandse gepensioneerde 494 duizend euro kan verliezen?
Alhoewel CFD’s meestal op execution-only basis worden aangeboden, wat betekent dat daarbij geen beleggingsadvies wordt gegeven of vermogensbeheer plaatsvindt, is bekend dat aanbieders als onderdeel van hun marketing- en salespraktijken (potentiële) beleggers telefonisch benaderen, waarbij sprake kan zijn van misleiding. Vooral onervaren beleggers zijn vatbaar voor deze praktijken. Vanwege de financiële hefboom op deze producten kunnen verliezen snel oplopen. Retailbeleggers wordt daarom geadviseerd om altijd na te gaan of een aanbod niet te mooi wordt voorgespiegeld, om de aanbieder te checken, en om de waarschuwingen van onder meer de AFM en de Fraudehelpdesk in acht te nemen. De AFM treedt op tegen aanbieders van CFD’s met misleidende en oneerlijke handelspraktijken. Dat licht ik in mijn antwoord op vraag 11 verder toe.
Deelt u de opvatting dat CFD’s eerder aan kansspel zijn dan een fatsoenlijke belegging?
CFD’s zijn vanwege hun complexe en risicovolle aard niet voor iedere investeerder een passende belegging. Of er sprake is van een kansspel, wordt door de Kansspelautoriteit beoordeeld
Waarom zijn CFD’s dan niet op die wijze gereguleerd?
CFD’s kwalificeren als een financieel instrument in de zin van MiFID II en de Wet op het financieel toezicht. De voorschriften die in aanmerkingen moeten worden genomen bij het in de Unie verspreiden, distribueren en verkopen van CFD’s zijn dan ook in de voor financiële markten geldende Europese en nationale wet- en regelgeving opgenomen.
Bent u ermee bekend dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) het aanbod van CFD’s vanuit Cyprus frauduleus vond? Waarom blijft dit dan toch voortbestaan?
Deze uitspraak is mij bekend. De AFM ging hier met name in op de wijze waarop de verkoop van CFD’s aan niet-professionele cliënten door bepaalde in die lidstaat gevestigde aanbieders plaatsvindt. De AFM constateert daarbij dat sommige van de aanbieders gebruik maken van persoonsgegevens die zijn verzameld door middel van nepadvertenties. Daarnaast halen bepaalde aanbieders met misleidende telefoongesprekken dergelijke cliënten over om CFD’s te kopen.
De toezichthouders kunnen op grond van Europese wet- en regelgeving productinterventiemaatregelen treffen om het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van bepaalde financiële producten te beperken of verbieden. Ik kan daar geen aanwijzingen voor geven. Het is vervolgens aan de toezichthoudende instanties van de lidstaat van herkomst van een aanbieder van CFD’s om toezicht te houden op de activiteiten van de binnen haar jurisdictie gevestigde aanbieders. Ook op de activiteiten van die aanbieder in een andere lidstaat. De AFM heeft in 2019 een productinterventiemaatregel vastgesteld om het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele beleggers in Nederland te beperken. Dit was een opvolging van een vergelijkbare door ESMA vastgestelde productinterventiemaatregel. Deze beperkingen worden in mijn antwoord op vraag 2 beschreven. De AFM heeft tot op heden niet besloten de verkoop van CFD’s aan niet-professionele cliënten in Nederland volledig te verbieden. Omdat veel aanbieders van CFD’s in andere Europese lidstaten gevestigd zijn is een aanpak in Europees verband waarschijnlijk effectiever dan een alleenstaand nationaal productverbod.
Is er sprake van oplichting met CFD’s? Als dat zo is, waarom wordt er dan in die gevallen niet tegen opgetreden?
De AFM heeft aangegeven dat bepaalde aanbieders van CFD’s zich niet eerlijk, billijk en professioneel inzetten voor de belangen voor hun klanten. De AFM heeft in het verleden opgetreden tegen aanbieders met dergelijke handelspraktijken. Zo heeft de toezichthouder bestuurlijke boetes opgelegd5 en een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat aangesproken over het gedrag van een in die andere lidstaat gevestigde marktpartij. Dat heeft in die andere lidstaat geleid tot het intrekken van vergunningen en het opleggen van bestuurlijke boetes door die toezichthoudende instantie.
Hoe kan het dat ASN weigerde de bedragen over te maken en de Rabobank wel meewerkte?
In algemene zin geldt dat alle in Nederland actieve banken in het kader van hun zorgplicht transacties controleren om fraude en oplichting te voorkomen. De transacties worden gescreend via real time fraudedetectiesystemen en de screening vindt plaats op basis van verschillende indicatoren. Een transactie wordt automatisch geparkeerd of tegengehouden als uit de fraudedetectie het vermoeden voortkomt dat een transactie frauduleus kan zijn. De indicatoren die de banken gebruiken worden continu aangescherpt om nieuwe fraudetrends te identificeren en te stoppen. Desalniettemin is het systeem niet waterdicht. Normale transacties kunnen ten onrechte als frauduleus worden bestempeld en frauduleuze transacties kunnen ten onrechte als normaal worden gezien, waardoor de betaling doorgang vindt. Banken nemen, vaak in samenwerking met andere partijen (waaronder andere banken, andere sectoren en de politie), doorlopend maatregelen om fraude en oplichting te bemoeilijken. Desalniettemin blijven de systemen en de indicatoren uniek aan de banken, en is het daardoor mogelijk dat er verschillen zijn in welke transacties worden tegengehouden.
Bent u het ermee eens dat consumenten in bescherming moeten worden genomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het van groot belang dat consumenten voldoende worden beschermd. Daar is de wetgeving met betrekking tot de handel in financiële instrumenten dan ook op toegespitst en het gedragstoezicht van de AFM op ingericht. Daarom zet ik mij op Europees niveau in voor betere bescherming van retailbeleggers. Zie ook mijn antwoorden op vraag 2 en vraag 17.
Bent u bereid om, in lijn met de risico’s die de AFM ziet, CFD’s te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Financiën beschikt niet over een wettelijke bevoegdheid om een productinterventiemaatregel vast te stellen teneinde het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele cliënten in Nederland te verbieden. Een daartoe strekkende bevoegdheid is neergelegd in de verordening markten voor financiële instrumenten (Market in Financial Instruments Regulation,MiFIR). Op grond van deze rechtstreeks werkende Europese verordening komt die bevoegdheid toe aan de Europese toezichthouders, waaronder de ESMA, en aan de nationale toezichthoudende instanties6. Ik noemde in mijn antwoorden op vragen 6 en 10 dat de AFM op basis van die bevoegdheid in 2019 reeds een productinterventiemaatregel met betrekking tot CFD’s heeft vastgesteld7.
Kunt u aangeven of u eigenstandig CFD-beleggingsproducten kunt verbieden of dat dit in Europees verband moet gebeuren?
Zie ook mijn antwoord op vraag 14. Op basis van bestaande Europese wet- en regelgeving is een bevoegdheid aan de nationale toezichthoudende instanties, zoals de AFM, toebedeeld om productinterventiemaatregelen te treffen gericht op bepaalde financiële producten. Omdat het probleem een grensoverschrijdend karakter heeft zou een Europese aanpak waarschijnlijk effectiever zijn dan een nationaal productverbod. In mijn antwoord op vraag 17 licht ik nader toe dat ik mij om die reden in Europees verband inzet om retailbeleggers beter te beschermen.
Waarom vertrouwt u erop dat andere Europese landen zoals Cyprus Nederlandse consumenten goed zullen beschermen?
Nederland heeft samen met andere Europese lidstaten afspraken gemaakt over consumentenbeschermingsnormen. Voor de handel in financiële instrumenten, zoals CFD’s, worden de beschermingsnormen in de MiFID II- en MiFIR-wetgeving beschreven. Europese lidstaten moeten deze regels in hun eigen wetgeving transponeren en er toezicht op houden. Soms kunnen lidstaten verder gaan in hun bescherming middels een lidstaatoptie of een productinterventiemaatregel. Dat heeft de AFM op gebied van CFD’s ook gedaan. Wanneer de AFM problemen constateert in de handhaving van Europese wetgeving in andere lidstaten kan dit zowel bilateraal (met de lokale toezichthouder) als multilateraal (in ESMA-verband) worden geagendeerd.
Wilt u zich inzetten om ook in Europees verband CFD’s aan banden te leggen om zo het aantal gedupeerden consumenten te beperken? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie zal naar verwachting in 2022 haar Retail Investment Strategy (RIS) publiceren. De te publiceren RIS maakt deel uit van het initiatief om de kapitaalmarktunie te versterken. Mijn prioriteiten, die ik samen met de AFM heb geformuleerd en in een non-paper8 heb beschreven, zijn gericht op betere beleggersbescherming mede gerelateerd aan de problemen met betrekking tot de verkoop van CFD’s aan retailbeleggers. Zo vind ik het bijvoorbeeld belangrijk dat er beter wordt gekeken welke financiële producten geschikt zijn voor verschillende klantdoelgroepen. Een versterking van de product oversight and governance (POG)-regels zou hieraan kunnen bijdragen, net als een verdere Europese toezichtconvergentie (onder meer om toezichtarbitrage tegen te gaan). Effectieve samenwerking tussen nationale toezichthoudende instanties is cruciaal voor het goed functioneren van de Europese kapitaalmarkten. Ook vind ik het wenselijk dat bij de verlening van financiële diensten het risico op belangenverstrengeling wordt beperkt. Retailbeleggers moeten eerlijke en onpartijdige dienstverlening kunnen genieten. Verder wil ik, onder meer middels gebruik van gedragsinzichten, de informatieverstrekking over financiële instrumenten aan beleggers verbeteren. De kenmerken van het product, waaronder begrepen de daaraan verbonden kosten en risico’s, moeten duidelijk zijn voor retailbeleggers.
De situatie van arbeidsmigranten in Tiel |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie van ontheemde arbeidsmigranten in Tiel die hierdoor op grote schaal in de natuur moeten leven?
Ja. Zowel de Staatssecretaris van VWS als ikzelf vinden dergelijke situaties schrijnend. Daarom ondernemen wij onderstaande acties om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen.
Wat gaat u, eventueel in samenspraak met andere bestuurslagen, doen aan deze situatie?
In de situatie in Tiel is door de gemeente hulpverlening aangeboden, waarop enkelen zijn ingegaan. De gemeente heeft daarna het kamp ontruimd. Er zijn echter structurele maatregelen nodig om situaties zoals deze te voorkomen, daarvoor verwijs ik u naar het antwoord onder 3.
Hoe gaat u de in september aangenomen motie Segers/Marijnissen1, die verzoekt om in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de G4 te komen tot een plan op maat voor dakloze Europese Unie (EU)-arbeidsmigranten, uitvoeren? Bent u het eens dat deze zo snel mogelijk uitgevoerd moet worden voor de winter komt?
Momenteel zijn de ministeries van VWS, SZW en J&V met het oog op deze motie gezamenlijk met de VNG, de G4 en enkele andere gemeenten de laatste hand aan het leggen aan een Plan van Aanpak kwetsbare dakloze EU-burgers. Met dit Plan van Aanpak trachten we kwetsbare dakloze EU-burgers beter te helpen door middel van een integrale aanpak. Zodra de daarvoor benodigde afstemming, interdepartementaal en met gemeenten, is afgerond, wordt het plan van aanpak aan uw Kamer aangeboden.
Op dit moment wordt in kaart gebracht welke (extra) mogelijkheden er zijn ten aanzien van kortdurende opvang, terugkeer naar werk (voor zover dit past bij de specifieke situatie waarin een persoon zich bevindt) en terugkeer naar het thuisland. Het Plan van Aanpak zal ook duidelijkheid verschaffen over de rechten die mensen hebben als EU-burger, het beschikbare instrumentarium voor gemeenten om deze groep te kunnen helpen en tevens welke partijen welke rol hebben in die aanpak.
Na positieve besluitvorming over dit Plan van Aanpak kunnen de specifieke acties uit het plan uitgevoerd gaan worden. Tot die tijd worden mensen geholpen binnen de huidige kaders, waarbij gemeenten zelf beleid hebben om mensen te voorzien van eventueel zorgverlening en/of onderdak. Tijdens de periode waarin een winterkouderegeling van kracht is of wanneer van een lockdown sprake zou zijn, kunnen sowieso alle daklozen terecht in de opvang, ook arbeidsmigranten zonder opgebouwde rechten.
Foute investeringen die de klimaatramp verergeren |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) waarin geconcludeerd wordt dat in 2020 de olie- en gasindustrie 5,9 biljoen dollar aan subsidie ontving?1
Ik verwelkom het nieuwe IMF-rapport, waarin onderzocht wordt wat de totale omvang van expliciete en impliciete financiële prikkels voor fossiele brandstoffen is op mondiaal niveau. Het rapport becijfert deze op 5,9 biljoen dollar in 2020. Voor de duiding van dit bedrag is het echter van belang om de onderzoeksmethode toe te lichten.
Het IMF neemt in dit rapport als basis het verschil tussen een berekende «efficiënte» prijs voor het verbruik van specifieke brandstoffen, op basis van de externe milieukosten van het verbruik, en de daadwerkelijke consumentenprijs voor het brandstofgebruik. Het verschil tussen de efficiënte prijs en de consumentenprijs, vermenigvuldigd met het totale brandstofverbruik, leidt tot de genoemde 5,9 biljoen dollar in 2020. Rondom deze bedragen zit overigens volgens het rapport een grote onzekerheidsmarge vanwege de schattingen en aannames die gemaakt worden bij het bepalen van de externe milieukosten. De auteurs lichten toe dat het grootste deel van dit bedrag (86%) gerelateerd wordt aan het onvoldoende beprijzen van externe kosten zoals luchtvervuiling, klimaatverandering en overige lokale effecten (bijvoorbeeld files en verkeersongelukken). Dit bedrag is niet de som van directe subsidies aan de olie-, gas- en kolenindustrie door overheden, maar vertegenwoordigt de externe kosten die niet direct gedragen worden door consumenten van fossiele brandstoffen bij de aanschaf hiervan. Ongeveer 8%, circa 450 miljard dollar van het genoemde bedrag vertegenwoordigt volgens de auteurs expliciete subsidies (directe subsidies aan producenten of consumenten van brandstoffen) en ongeveer 6%, circa 350 miljard dollar, vertegenwoordigt gederfde inkomsten uit verbruiksbelastingen.
Los van deze kanttekeningen zijn dit aanzienlijke bedragen die het belang van de mondiale actie onderstrepen. Het kabinet is voorstander van het beter beprijzen van externe milieukosten, met behoud van het gelijke speelveld. Daarom zet het kabinet zich nationaal, Europees en mondiaal in voor een betere beprijzing van fossiele brandstoffen en het afbouwen van expliciete fossiele subsidies. Zo heeft de Europese Commissie een voorstel voor herziening van de Richtlijn energiebelastingen gepresenteerd en geeft het kabinet in het BNC-fiche hierover aan, voorstander te zijn van het terugdringen van vrijstellingen en kortingen in de energiebelastingen.2 Ook heeft het kabinet aangegeven positief te staan tegenover het idee van een Carbon Border Adjustement Mechanism, waarvoor de Europese Commissie eveneens en voorstel heeft gedaan.
Hoe is het mogelijk dat publieke investeringen in deze verouderde brandstoffen niet zijn afgenomen maar juist toegenomen sinds 2015, het jaar dat het Parijsakkoord werd gesloten, waarmee klimaatdoelen juist verder uit zicht zijn geraakt?2
Zoals in het antwoord op vraag 1 toegelicht, bestaat het bedrag van 5,9 biljoen dollar vooral uit de externe milieukosten die onvoldoende beprijsd worden, en in mindere mate uit directe subsidies of gederfde inkomsten uit verbruiksbelastingen. Het is niet mogelijk om de ontwikkeling die het IMF schetst direct te koppelen aan publieke investeringen. Voor de expliciete subsidies geldt volgens dit onderzoek echter dat deze in 2018 het hoogste punt hadden bereikt (circa 760 miljard dollar) en sindsdien zijn gedaald naar circa 450 miljard dollar. Deze daling komt volgens de auteurs wel vooral door de prijsontwikkeling van olie en gas op de internationale markten. Daarnaast geven de auteurs aan in dit rapport een nauwkeurigere methodologie te hebben gehanteerd, waardoor de jaarlijkse totale expliciete subsidies hoger uitvallen ten opzichte van voorgaande rapporten. Deze stijging kan dus aan de onderzoeksmethode gerelateerd worden en niet aan beleidswijzigingen.
Het IMF-rapport geeft als voornaamste reden voor de verwachte toename in de totale omvang van impliciete financiële prikkels aan fossiele brandstoffen dat het aandeel van het brandstofverbruik in opkomende markteconomieën in het wereldwijde brandstofverbruik zal toenemen. Volgens de auteurs is het verschil tussen de «efficiënte» prijs van fossiele brandstoffen en de consumentenprijs van brandstoffen in die landen groter. Hierdoor verwachten de auteurs dat de impliciete financiële prikkels aan fossiele brandstoffen de komende jaren zullen toenemen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, is het kabinet voorstander van het beter beprijzen van externe milieukosten en is van mening dat internationale afspraken hierover de meest effectieve manier is. Het IMF-rapport toont aan dat er nog stappen te nemen zijn om te komen tot een effectieve en efficiënte beprijzing van fossiel energieverbruik. Het kabinet zal zich internationaal blijven inzetten om hier stappen in te nemen.
Zoals in de brief van 8 november jl. aangegeven, heeft het kabinet aangekondigd zich aan te sluiten bij de internationale coalitie die steun uitsprak voor de COP26-verklaring voor het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de groene energietransitie, en zich in te zetten om na 2022 geen overheidssteun meer te verlenen aan de fossiele energie sector in het buitenland.4 Dit draagt bij aan het internationaal gecoördineerd afbouwen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen.
Hoe verhoudt dit zich tot het voornemen van de G7-landen om per 2025 geen subsidies meer te verlenen aan de fossiele industrie? Hoe staat het überhaupt met dat voornemen?3
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 en 2 toegelicht zijn de expliciete subsidies voor fossiele brandstoffen sinds 2018 aanzienlijk afgenomen op mondiaal niveau. Voor specifieke regio’s en landen lopen de ontwikkelingen uiteen maar het totale bedrag aan expliciete subsidies in Europa is volgens de auteurs van 289 miljard euro in 2015 gedaald naar 279 miljard euro in 2020. Hervorming van subsidies, belastingvrijstellingen en doorvoeren van beprijzing van externaliteiten zijn, ook in G7-landen, langdurige processen met grote politieke gevoeligheid. Daarnaast hebben landen bij COP26 met elkaar besloten om zich versneld in te spannen voor het uitfaseren van inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen. De komende jaren zullen belangrijk zijn voor de realisatie van dit voornemen en het COP26-besluit.
Wat is uw reactie op het feit dat het Internationaal Energie Agentschap (IEA) zegt dat er jaarlijks juist investeringen in duurzame energie nodig zijn, ter waarde van vijf biljoen dollar, willen we de ergste gevolgen van klimaatverandering voorkomen, terwijl dit nu nog blijft steken op twee biljoen?4
Volgens de IEA World Energy Investment 2021 waren de wereldwijde investeringen jaarlijks 1,9 biljoen dollar in de hele energiesector. Volgens het Net Zero Emmissions by 2050 scenario uit de IEA World Energy Outlook 2021 moeten de wereldwijde investeringen tot 2030 toenemen tot jaarlijks 5 biljoen dollar. Dit om de opwarming van de aarde in 2050 te beperken tot 1,5 °C. 85% van deze investeringen, 4 biljoen, moet volgens het rapport voor schone energie toepassingen gebruikt worden. Dit is een verdrievoudiging van het huidige niveau van jaarlijkse wereldwijde investeringen in schone energie. Op basis van door landen uitgesproken ambities tot en met zomer 2021 ziet het IEA in hun scenario’s een grote stap voorwaarts en verwacht dat de jaarlijkse investeringen in schone energie richting 2030 2,3 biljoen dollar zullen bedragen. Het kabinet vindt het belangrijk dat het gat tussen dit bedrag en het benodigde bedrag gedicht wordt. Dit kan niet enkel vanuit publieke middelen en vereist ook een verschuiving van private investeringen richting duurzame energie. Het kabinet zet zich hiervoor op verschillende manieren in, zoals onder meer uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota Verduurzaming financiële sector7, de Verkenning markt voor groene financiering8 en het BNC-fiche over de Mededeling Duurzame Financieringsstrategie9. Aangezien de klimaatrisico’s niet ophouden bij de landsgrenzen en de markten voor duurzame financiering sterk internationaal zijn verweven, zet het kabinet zich daarbij ook in voor internationale coördinatie van het hierop gerichte beleidsrespons. Daarom heeft Nederland zich ook op de COP26 actief ingezet voor het stimuleren van publieke en private investeringen voor duurzame energie. Ook speelt het beter beprijzen van CO2 – waarvoor Nederland zich internationaal inzet – een belangrijke rol bij het aantrekkelijker worden en daarmee de benodigde groei van investeringen in duurzame energie.
In hoeverre vormt het Environmental, Social en Governance (ESG) beleid van institutionele beleggers daadwerkelijk een prikkel voor olie- en gasbedrijven om te verduurzamen?
Institutionele beleggers spelen door hun keuzes ten aanzien van investeringen een belangrijke rol in verduurzaming. Het is daarom van belang dat institutionele beleggers ESG-beleid opstellen, dit monitoren en over de effectiviteit van het ESG-beleid rapporteren – zodat het voor de belanghebbenden inzichtelijk is welke keuzes er door de institutionele beleggers worden gemaakt.
In bredere zin is er een actief debat gaande over de voor- en nadelen van de blijvende betrokkenheid (zogenaamde engagement) ten opzichte van het desinvesteren, en is er geen consensus over de beste keuze daarin10. Ook op de COP26 was dit een onderwerp van gesprek, waarin ook duidelijk werd dat verschillende investeerders hier verschillende keuzes in maken11. Een recent Nederlands voorbeeld is de aankondiging van ABP om haar investeringen in fossiele energiebronnen stop te zetten. Ik kijk met interesse hoe deze en soortgelijke acties het speelveld voor olie- en gasbedrijven beïnvloeden.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat, nu institutionele investeerders langzaam maar zeker hun verantwoordelijkheid beginnen te nemen en hun aandelen in olie en gas verkopen, hedge funds het gat opvullen en we dus nog geen steek verder zijn?5 Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik onderschrijf het belang van de verduurzaming van institutionele investeerders. Dit is allereerst van belang voor de stabiliteit van de instellingen zelf, aangezien de duurzaamheidsrisico’s – waaronder transitierisico´s – waaraan zij zijn blootgesteld hiermee worden verkleind. Daarnaast zijn hun investeringen door de ruime omvang en de lange tijdshorizon van groot belang voor de financiering van de energietransitie. Institutionele beleggers gaan uiteraard zelf over hun eigen beleggingsbeleid en -strategie. Ik juich toe dat zij hun verantwoordelijkheid nemen om duurzaamheidsrisico´s te adresseren – waaronder vanuit hun rol als actieve aandeelhouder.13
Ik heb kennisgenomen van het artikel in de Financial Times14 waar het lid Leijten naar verwijst, waarin een verband wordt gelegd tussen enerzijds de verkoop van aandelen in fossiele bedrijven door de institutionele investeerders en anderzijds de aankoop van deze aandelen door andere deelnemers aan de financiële markten zoals hedge funds. Voor de effectiviteit van de transitie is het allereerst van groot belang dat de verduurzaming van de reële economie hand in hand gaat met de verduurzaming van de financiële sector, waarbij zoveel mogelijk naar de verduurzaming van de gehele economie én de gehele financiële sector wordt gestreefd. Vanuit deze context bezien hebben de signalen van mogelijke substitutie van fossiele investeringen binnen het financiële systeem mijn aandacht, zeker als dit gevolgen heeft voor de prikkels van bedrijven om te verduurzamen. Hierbij is een kanttekening op zijn plaats over de complexiteit van de werking van de financiële markten, waarbij institutionele beleggers en hedge funds verschillen in investeringshorizon en -profiel, omvang, doelstelling, etc. Daarnaast is er sprake van onderlinge verwevenheid, aangezien institutionele beleggers ook via hedge funds investeren. Hierdoor kan niet onomstotelijk gesteld worden dat de hedge funds het gat (volledig) opvullen.
Tegelijkertijd staat wat het kabinet betreft voorop dat de transitie naar een klimaatneutrale economie een onomkeerbaar feit is, waarbij fossiele energie in de komende jaren een steeds kleinere rol gaat spelen. Wanneer investeringsbeleid van financiële instellingen hier onvoldoende rekening mee houdt, kan dit op termijn leiden tot stranded assets- bijvoorbeeld waar het aankomt op investeringen in olie- en gasactiviteiten. Vanuit het risicoperspectief acht het kabinet het verstandig om kritisch naar dergelijke investeringen te kijken.
Tot slot is de verwachting dat naarmate de transitie vordert – en daarmee ook de technologische ontwikkelingen en CO2-beprijzingsmechanismen, de waardering van en het rendement op de fossiele ten opzicht van duurzame investeringen op langer termijn zal afnemen. Hiermee zullen de investeringen daarin naar verwachting steeds onaantrekkelijker worden – ook voor partijen met een korter investeringshorizon. De transitie is evenwel met onzekerheden en (externe) schokken omgeven, waarmee op korte termijn waardeschommelingen van investeringen kunnen optreden – bijvoorbeeld als gevolg van de gasprijsfluctuaties. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat hier op de financiële markten op korte termijn door partijen van geprofiteerd wordt, bijvoorbeeld door bepaalde hedge funds.
Deelt u de mening dat het enkel verkopen van aandelen door institutionele beleggers niet voldoende is, omdat de aandelen niet ophouden te bestaan maar juist verdwijnen in een wereld waar er nog minder controle op en verantwoording voor deze investeringen geldt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, die mening deel ik. Voor een succesvolle transitie is het van belang dat iedereen hier op een eerlijke manier aan bijdraagt, dus ook alle types investeerders. Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, acht het kabinet voor de effectiviteit van de transitie van groot belang dat de verduurzaming van de reële economie hand in hand gaat met de verduurzaming van de financiële sector, waarbij zoveel mogelijk naar de verduurzaming van de gehele economie én de gehele financiële sector wordt gestreefd. Het is dus belangrijk dat zowel de financiële marktpartijen, als de onderliggende bedrijven voldoende prikkels hebben om te verduurzamen. Een adequate waardering van niet-duurzame activa op de balansen van financiële instellingen is immers ook gebaat bij de juiste prikkels. Het kabinet zet hiervoor een breed palet aan instrumenten in, gericht op zowel de reële economie (normering, fiscaal, subsidies), als op de financiële sector15. Aangezien de klimaatrisico’s niet ophouden bij de landsgrenzen en de financiële markten sterk internationaal zijn verweven, zet het kabinet zich daarbij ook in voor internationale coördinatie van het hierop gerichte beleidsrespons.
Een van de belangrijke elementen van deze inzet is het vergroten van transparantie van duurzaamheidsrisico’s binnen de gehele financiële sector. Hier zijn nationaal, Europees en internationaal belangrijke stappen op gezet. Zo is per 10 maart 2021 de Verordening met betrekking tot informatieverstrekking over duurzaamheid in de financiële sector (Sustainable Finance Disclosure Regulation, SFDR) van toepassing op financiële ondernemingen die beleggingsproducten aanbieden, over beleggingsproducten adviseren of individuele vermogens beheren. De SFDR bevat regels over het verschaffen van informatie met betrekking tot de integratie van duurzaamheidsrisico’s in het beleggingsbeleid en beleggingsadvies, waaronder de mogelijke effecten van duurzaamheidsrisico’s op de waardering van de beleggingen en de omgang met die risico’s. Bovendien zien de regels op de informatie over de effecten van het beleggingsbeleid en beleggingsbeslissingen op duurzaamheid. Financiële instellingen die duurzame producten aanbieden dienen transparant te zijn over de manier waarop een product invulling geeft aan duurzame doelstellingen dan wel kenmerken, zowel precontractueel als op periodieke basis.
Daarnaast is de Alternative Investment Fund Managers Directive (AIFM-richtlijn) van toepassing op de beheerders van een of meerdere alternatieve beleggingsinstellingen, waaronder private equity-, hedge-, infrastructuur-, vastgoed-, aandelen- en obligatiefondsen. Daarin zijn transparantievereisten opgenomen ten aanzien van het integreren van duurzaamheidsrisico’s in risicomanagement. Verder is op 2 augustus jl. een aantal Europese verordeningen en richtlijnen gepubliceerd16die regels omtrent duurzaamheid bevatten voor beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsinstellingen.
In hoeverre hebben deze ontwikkelingen invloed op de olie- en gasprijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals de afgelopen periode overduidelijk heeft laten zien worden de olie- en de gasprijs beïnvloed door een groot aantal factoren zoals de economische situatie, klimatologische omstandigheden en de beschikbaarheid van installaties en transportmiddelen. Of de door de vraagsteller bedoelde ontwikkelingen ook zo’n factor wordt die invloed zal hebben op de olie- en de gasprijs en hoe klein of groot die invloed dan zal zijn is niet aan te geven, maar is niet waarschijnlijk. De olie- en gasmarkt zijn mondiale markten waarbij prijzen tot stand komen door interactie van vraag en aanbod onder invloed van voornoemde factoren. In het algemeen beprijst klimaatbeleid fossiele brandstoffen in toenemende mate, en worden we minder afhankelijk van olie en gas.
Hoeveel geld investeren hedge funds in olie, gas en kolen, zowel in Nederland als wereldwijd?
Kunt u aangeven welke hedge funds profiteren van de trend van maatschappelijk verantwoord beleggen in Nederland? Wie nam bijvoorbeeld de aandelen van het Pensioenfonds van de Metalektro (PME) over? Welke andere voorbeelden heeft u?
Het kabinet beschikt niet over deze informatie.
Welke andere gevaren en uitdagingen ziet u naar aanleiding van de toenemende rol van hedge funds in deze foute investeringen?
Een belangrijke uitdaging is hoe de bedrijven, waarin geïnvesteerd wordt, op een meest effectieve manier kunnen worden aangespoord om te verduurzamen. Het kabinet zet zich daar op verschillende manieren voor in (zie antwoord op vraag 12) en investeerders kunnen hier ook een belangrijke rol in spelen. Investeerders beschikken hiertoe over verschillende instrumenten, waaronder stemgedrag als aandeelhouder, betrokkenheid bij het duurzaamheidsbeleid van de klant (zogenaamde engagement), duurzaam financieren en niet duurzame financieringen uitsluiten. Een veelgehoord argument voor het aanhouden van fossiele investeringen door de institutionele beleggers is dat zij vanwege de lange termijn investeringshorizon via engagement invloed kunnen uitoefenen op de strategische koers en daarmee de verduurzaming van bedrijven waarin zij investeren. Aangezien hedge funds doorgaans een korter investerings- en rendementshorizon hebben, zouden zij een minder sterke prikkel voor engagement hebben. Het is uiteraard aan de partijen zelf om te bepalen op welke wijze zij hun instrumentarium inzetten, op een manier die past bij hun (duurzaamheids-)strategie. Dit gezegd hebbende constateer ik dat er ook recente voorbeelden18 bekend zijn van activistische hedge funds die zich juist (met succes) inzetten voor de verduurzaming van fossiel-intensieve bedrijven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het ESG-beleid wel een prikkel gaat vormen voor grote bedrijven om te vergroenen en hedge funds niet gewoon de aandelen overnemen waardoor olie- en gasbedrijven hun gedrag niet hoeven te veranderen?
Zoals uiteengezet in de antwoorden op de vragen 6 en 7, zet het kabinet zich via verschillende sporen in om de verduurzamingsprikkels van bedrijven te versterken. Dit gebeurt op nationaal, Europees en mondiaal niveau en valt grofweg in te delen in ontwikkeling en toepassing van instrumenten gericht op het reguleren, het stimuleren, het faciliteren en het geven van het goede voorbeeld voor de verduurzaming. Deze zien zowel op de transitie van de reële economie, als van de financiële sector. Daar valt bijvoorbeeld onder het stellen van duidelijke normen binnen de energietransitie (zodat de transitiepaden helder en voorspelbaar zijn) of het beprijzen van CO2-uitstoot (zodat de business cases van duurzame investeringen aantrekkelijker worden). Ook blijft het kabinet parallel inzetten op verschillende stimulerende maatregelen (zoals risicoregelingen en subsidies), faciliterend optreden (zoals via platforms voor kennisuitwisseling) en het stellen van goede voorbeeld (bijvoorbeeld door in te zetten dat de EU-taxonomie een basis vormt voor de groene overheidsobligaties).
Een ander belangrijk instrument is het instellen van rapportageverplichtingen voor bedrijven en financiële instellingen. Het kabinet is daarbij vaak een voorstander van Europese aanpak om weglekeffecten te voorkomen en een gelijk speelveld te borgen. Zo heeft de Europese Commissie op 21 april 2021 een voorstel gepubliceerd voor de Corporate Sustainability Reporting Directive(CSRD). De Commissie stelt hierin voor de reikwijdte van de Non-Financial Reporting Directive (NFRD) – die sinds 2017 kredietinstellingen, verzekeraars en beursondernemingen met meer dan 500 werknemers verplicht om te rapporteren over niet-financiële informatie – uit te breiden naar alle grote kredietinstellingen en verzekeringsmaatschappijen, alle grote rechtspersonen19 en alle beursvennootschappen (met uitzondering van micro-beursvennootschappen20). Daarnaast introduceert het voorstel een verplichting om te rapporteren volgens rapportagestandaarden voor duurzaamheidsinformatie. De rapportagestandaarden worden momenteel ontwikkeld en zullen zich op hoofdlijnen richten op zowel milieu en sociale als governance-factoren. Ondernemingen zullen onder meer moeten rapporteren over duurzaamheidsrisico’s. Daarnaast zullen ondernemingen die uit hoofde van de sector waarin zij actief zijn in hogere mate worden blootgesteld aan duurzaamheidsrisico’s (mogelijk ook fossiele investeringen), meer moeten rapporteren dan ondernemingen die actief zijn in een sector waar minder duurzaamheidsrisico’s zijn. Het kabinet staat positief tegenover dit richtlijnvoorstel.
Deelt u de mening dat er meer zicht en grip moet komen op deze geldstromen? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt vooralsnog niet de mening dat er meer grip moet komen op deze geldstromen. De verwachting is dat deze winsten een korte termijnkarakter hebben en dat naarmate de transitie vordert, de waardering van en het rendement op de fossiele investeringen ten opzicht van duurzame investeringen op langer termijn zal afnemen. Hiermee zullen de investeringen daarin naar verwachting steeds onaantrekkelijker worden – ook voor partijen met een kortere investeringshorizon. De eerder uiteengezette inzet van het kabinet om de transitie te bevorderen en te versnellen – onder meer door een betere beprijzing van CO2 – draagt hier in een belangrijke mate aan bij.
Wel onderstreept het kabinet het belang van de versterking van transparantie van deze geldstromen, met name waar het de duurzaamheidsrisico’s betreft. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inzetten en vertrouwt erop dat de in de antwoorden op de eerdere vragen genoemde initiatieven hieraan positief zullen bijdragen.
Daarnaast wijst het kabinet op de belangrijke rol die private equity en hedge funds spelen bij de verduurzaming. Uit verschillende rapporten21 komt naar voren dat in economieën met sterk ontwikkelde equity-markten de verduurzaming van de financiële sector sneller gaat. Zo zijn innovatieve duurzame startups vaak gebaat bij durfkapitaal, waar deze partijen steeds meer in voorzien.22 Ook zijn de investeringen door de investerings-, private equity en hedge funds in duurzame energie de laatste jaren sterk toegenomen23 en bedragen deze inmiddels een veelvoud van die in de fossiele fondsen.
Deelt u de mening dat de enige echte oplossing is om een privaat investeringsverbod voor olie en gas in te stellen, en een Klimaatbank in te stellen voor die geldstromen richting fossiel die nog nodig zijn voor de transitie en de energievoorziening, zodat er publieke controle op en zeggenschap over deze geldstromen geldt? Waarom wel/niet?
Nee. Hoewel het kabinet ambitieuze additionele stappen neemt om de transitie naar de klimaatneutraliteit en de bijdrage aan de Parijsdoelen te versnellen en de aantrekkelijkheid van fossiele investeringen te verkleinen, blijft het gebruik van en handel in fossiele grond- en brandstoffen een rol spelen in onze economie. Deze rol is niet zomaar uitgespeeld, maar moet op termijn wel worden afgebouwd. Ik ben dan ook van mening dat het niet opportuun is om vanuit de overheid aanvullende eisen te stellen aan de financiële sector op dit vlak, terwijl bedrijfsactiviteiten op dit terrein wettelijk toegestaan zijn. Dit kabinet is daarmee ook niet van plan om in te grijpen in de financiële markten en de taak van fossiele investeringen tot publiek terrein te maken. Wel ben ik van mening dat de financiële sector een belangrijke taak heeft in de energietransitie, en ik blijf dan ook met de sector in gesprek over hoe ze deze taak invullen. Dat doen we via bijvoorbeeld de gesprekken over het Klimaatcommitment van de financiële sector24, waarin vele financiële instellingen zich committeren om alle relevante investeringen en beleggingen in lijn te brengen met het akkoord van Parijs. Daarnaast zet Nederland zich in voor een goede en begrijpelijke taxonomie op EU-niveau, waardoor helder is welke investeringen een financiële instelling met recht «groen» mag noemen.
Deelt u de mening dat er iets goed mis is met het systeem als de hedge funds op deze manier kunnen verdienen aan een crisis? Waarom wel/niet?
Het kabinet onderkent dat de berichtgeving over de winsten die een aantal hedge funds heeft gemaakt met fossiele investeringen niet bijdraagt aan de publieke perceptie van het gedeelde belang van de uitfasering van fossiele investeringen door alle partijen. Zoals uiteengezet in de eerdere antwoorden, wijst het kabinet echter op het kortetermijnkarakter van deze winsten die naar verwachting te maken hebben met tijdelijke volatiliteit die inherent is aan de met onzekerheden omgeven transitie. Het kabinet is er ook van overtuigd dat ondanks dergelijke neveneffecten het huidige financiële systeem de juiste prikkels voor de verduurzaming bevat, mede getuige de groeiende rol van private equity in de verduurzaming. Het kabinet verwacht ook dat naarmate de transitie vordert, fossiele investeringen steeds onaantrekkelijker zullen worden – voor alle partijen. Daarom is het van belang om door te gaan op het ingezette pad om de transitie te versnellen.
Het bericht ‘Nederland deed mee in herfinanciering van omstreden gasproject Australië’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland deed mee in herfinanciering van omstreden gasproject Australië»?1
Ja.
Hoe kan het zo zijn dat er exportkredieten worden verstrekt waarmee het mogelijk wordt gemaakt dat er op grote schaal gas wordt afgefakkeld, een praktijk die indruist tegen het klimaatbeleid van Nederland? Waarom is dit niet voorkomen?
In 2012 heeft de uitvoerder van de kredietverzekering Atradius DSB namens de Nederlandse Staat een polis uitgereikt ten behoeve van de financiering van het Ichthys project, waarbij gas bij de westkust van Australië wordt gewonnen en tot LNG wordt verwerkt. Verschillende Nederlandse exporteurs waren destijds betrokken bij de ontwikkeling van dit gasveld. Bij de afgifte van de polis in 2012 was er nog geen beleid omtrent uitsluiting van projecten waar routinematig affakkelen plaats vond. Per 1 januari 2021 is het beleid aangescherpt.
In 2020 heeft in de financiering een re-pricing (renteverlaging) plaatsgevonden en zijn enkele banken in het project vervangen. De aanpassing van de polis aan de nieuwe financieringssituatie in juni 2020 door ADSB waar het bericht in het Financiële Dagblad naar verwijst, betrof dus een technische aanpassing.
Hoe bent u van plan dit soort praktijken in de toekomst te voorkomen?
Naar aanleiding van het dit jaar aangescherpte beleid zal bij een aanvraag voor een exportkredietverzekering (ekv) voortaan gekeken worden of er routinematig ontgast of afgefakkeld wordt. Als dat het geval is en er geen onderzoek naar alternatieven is gedaan, zal de transactie bij voorbaat worden uitgesloten.
Het kabinet heeft verder op 8 november als bekend de COP26-verklaring over internationale publieke steun voor de groene energietransitie ondertekend (Kamerbrief 31 793, nr. 202, 8 november 2021). Dit betekent dat het kabinet werkt aan nieuw beleid voor het beëindigen van internationale overheidssteun aan de fossiele energie sector, in het bijzonder voor wat betreft de ekv. De inzet is dit voor eind 2022 te implementeren.
Deelt u de mening dat dit soort exportkredieten ook een financiële prikkel is die de fossiele industrie ondersteunt en daardoor thuishoort op de lijst van Financiële prikkels voor fossiele brandstoffen die u vorig jaar naar de Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 32 813, nr. 566)?
In de brief die vorig jaar naar de Kamer is gestuurd (Kamerstuk 32 813, nr. 566), wordt uitgegaan van prikkels die in de G20 analyse worden geoormerkt als subsidies. De ekv is geen financiële prikkel in de vorm van een subsidie. Met de ekv wordt export van Nederlandse exporteurs ondersteund door betalingsrisico’s te verzekeren, daar waar de markt dit niet oppakt. Dit gebeurt kostendekkend: de ontvangen premies zijn op langere termijn toereikend om de netto schades op te vangen
Kunt u een uitgebreid overzicht geven van exportkredieten die de winning van fossiele brandstoffen (mede) mogelijk maken?
Bijgevoegd2 treft u een lijst aan van alle afgegeven polissen in de ekv portefeuille (per ultimo 2020 en voorlopig 2021) die conform de ADSB meetmethodiek zijn geclassificeerd als fossiel. De transacties zijn ingedeeld naar hun plek in de fossiele waardeketen (upstream, midstream en downstream3). Conform de ADSB meetmethodiek fossiel is het Ichthys project geclassificeerd onder midstream. Alle afgegeven polissen worden ook gepubliceerd op de website van ADSB.
Dat een transactie als fossiel wordt geclassificeerd via de ADSB meetmethodiek, betekent niet dat een dergelijke transactie in de toekomst in geen geval gebruik meer kan maken van de ekv door de implementatie van de bovengenoemde COP26-verklaring. De komende tijd zal het nieuwe beleid ten aanzien van de ekv en de fossiele energiesector nader uitgewerkt worden, waarbij onder meer gekeken zal worden naar reikwijdte, uitzonderingen en hoe andere landen de verklaring interpreteren (zie Kamerbrief 31 793, nr. 202, 8 november 2021).
Bent u bereid af te zien van het verlenen van exportkredieten voor louter fossiele projecten, die de noodzakelijke energietransitie hier of elders op de wereld vertragen of zelfs frustreren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u een brief aan de Tweede Kamer sturen over hoe deze motie wordt uitgevoerd?1
De gevraagde brief is op 12 november jl. aan uw Kamer verzonden.2 Daarin is de volgende passage opgenomen over de uitvoering van de motie:
Ik hoop u, samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voldoende te hebben geïnformeerd.
Opgepakte journalisten bij demonstraties |
|
Peter Kwint (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat er drie journalisten zijn opgepakt in de afgelopen week bij demonstraties voor een beter klimaatbeleid?1, 2
Ja.
Wat is de toegevoegde waarde van een perskaart als journalisten alsnog opgepakt worden als ze verslag doen van een demonstratie?
Het beschikken over een (politie-)perskaart kent een journalist extra rechten en vrijheden toe. De journalist is echter ook aan (gedrags-)regels gebonden.
Kunt u aangeven welke regels en protocollen er zijn als journalisten kenbaar maken tijdens een aanhouding dat zij journalist zijn? Zijn die in deze gevallen voldoende in acht genomen?
De politie hanteert interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen. In gevallen dat de openbare orde verstoord wordt of dreigt te worden verstoord kan de politie overgaan tot aanhouding van de aanwezigen op een bepaalde plaats. Bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of dreigingen hiertoe, kan het zijn dat de journalistieke status van een aanwezige pas later kan worden uitgezocht dan op het moment van aanhouding, waarbij er naderhand een beoordeling plaatsvindt van de aanhouding. In de voornoemde zaken is gebleken dat de aanhouding rechtmatig was. Bij de beoordeling tot vervolging zal de journalistieke status altijd worden meegewogen. In voornoemde zaken is besloten géén verdere vervolging in te stellen.
Bent u het ermee eens dat het belangrijk is in een vrije democratie dat journalisten niet belemmerd worden in een goede uitvoering van hun werk? Hoe beoordeelt u in dat licht deze incidenten?
De journalistieke vrijheid is een groot goed, hier zetten wij ons met volle toewijding voor in. Dit laat onverlet dat er ook grenzen zitten aan de vrijheid van een journalist bij de uitoefening van zijn vak.
Bent u het ermee eens dat het op z’n minst ongelukkig is dat, zeker in een tijd waarin de bedreiging tegen journalisten toeneemt, er in korte tijd journalisten worden opgepakt door de overheid bij de uitvoering van hun werk?
Zie de antwoorden op vraag 2, 3 en 4.
Bent u bereid deze incidenten met onder andere de politie te bespreken in het kader van PersVeilig? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u ons hierover informeren?
De Nederlandse Vereniging van Journalisten, het Genootschap van Hoofdredacteuren, de politie en het openbaar ministerie werken samen in de stuurgroep PersVeilig. In die stuurgroep wordt onder andere gesproken over veiligheidsvraagstukken met betrekking tot journalisten. Ik ga ervan uit dat dit onderwerp daar ook geagendeerd wordt, en dat betrokken daar met elkaar van gedachten wisselen hoe dergelijke situaties op een goede manier aangepakt kunnen worden.
Het bericht dat er bij een derde van de bezoeken aan restaurants en cafés geen check op de coronapas plaatsvindt |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat er bij een derde van de bezoeken aan restaurants en cafés geen check op de coronapas plaatsvindt?1
Het coronatoegangsbewijs is ingevoerd om in bepaalde sectoren de kans op verspreiding van het virus te verkleinen. Het is van belang voor ieders gezondheid dat deze maatregel wordt nageleefd en gecontroleerd. Wanneer dat niet gebeurt, dan brengt dat mensen potentieel in gevaar.
Had u van tevoren verwacht dat de controle op het coronatoegangsbewijs zo vaak niet zou plaatsvinden? Zo ja, waarom heeft u deze alsnog ingevoerd? Zo nee, hoe kan het dat u dit verkeerd heeft ingeschat?
Ik verwacht dat iedereen zich aan de wet houdt. Het laten zien van een geldig coronatoegangsbewijs, een geldig identiteitsbewijs en het doen van een gezondheidscheck is wettelijk verplicht. Als onderneming dien je daar ook op te controleren. Om burgers en ondernemingen te controleren op het naleven van de wet, worden handhavingsdiensten ingezet.
Overigens komen de resultaten van dit onderzoek overeen met ons eigen onderzoek op basis van de inzet van mystery guests. De burgemeesters zijn uiteindelijk het bevoegd gezag die de handhavingsdiensten en de politie aansturen. Om gemeenten bij die taak te ondersteunen heeft het Rijk € 45 miljoen euro ter beschikking gesteld. Daarnaast is er in het Veiligheidsberaad met de voorzitters van de Veiligheidsregio’s aan de hand van dit soort onderzoeken gesproken over de inzet van handhaving en politie.
Hoe en door wie wordt het effect van de coronatoegangsbewijzen op het aantal besmettingen met het coronavirus gemeten?
Het effect van coronatoegangsbewijzen op het aantal besmettingen is, net als het effect van andere individuele maatregelen, niet op zichzelf te bepalen. Dit komt onder andere omdat tegelijkertijd met de bredere inzet van het coronatoegangsbewijs ook is besloten dat het niet meer wettelijk verplicht is om 1,5 meter afstand tussen mensen aan te houden. Daarnaast is het effect van een maatregel afhankelijk van het gedrag van mensen en van de naleving van de basismaatregelen en dus van de naleving van de maatregel.
Welk effect hebben de coronatoegangsbewijzen sinds de brede invoering ervan op 25 september jl. gehad op het aantal besmettingen?
Door de inzet van de toegangsbewijzen konden de aangemerkte sectoren open terwijl de 1,5 meter als maatregel kon worden gestopt.
Hoe verhoudt de verspreiding van het virus op locaties waar geen coronatoegangsbewijs geldt zich tot de verspreiding van het virus op locaties waar wél een coronatoegangsbewijs geldt?
Op dit moment kunnen mensen in veel verschillende settings elkaar tegenkomen en elkaar dus in potentie besmetten. De door uw Kamer verzochte clusteranalyse, die ik 2 november jl. naar uw Kamer zond, laat zien van de 111 gerapporteerde clusters van 10 of meer gerelateerde ziektegevallen er 37 komen uit plekken waar mogelijk het corona toegangsbewijs wordt gebruikt. Andere plekken waar zulke clusters voorkomen zijn langdurige zorg, school, vereniging of werkplek.
Op basis van welke parameters bent u van plan te beslissen over een mogelijke verlenging van de verplichting om met coronatoegangsbewijzen te werken? Zijn algemene cijfers over ziekenhuisopnames en/of aantallen nieuwe besmettingen een voldoende basis om de inzet van coronatoegangsbewijzen te kunnen rechtvaardigen?
Bij onze beslissing over de maatregelen laten wij ons adviseren door het OMT. Het OMT geeft vervolgadviezen over de effecten van de maatregelen die tot op heden zijn ingesteld en over de versoepeling van maatregelen op grond van drie pijlers zoals benoemd door het kabinet:
Ik verwijs verder naar mijn stand van zakenbrief van 2 november jl.
Kunt u de antwoorden op deze vragen toesturen voor het volgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Nee, dat is helaas niet gelukt.
Het artikel 'Wij geven passende zorg zonder dat de gemeente iets hoeft te doen' |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wij geven passende zorg zonder dat de gemeente iets hoeft te doen?»1
Ja.
Wat vindt u van de wettelijke mogelijkheid om iemand vergunningsvrij een huis te laten bouwen op het terrein van zijn of haar mantelzorger, om zo het verlenen van mantelzorg te vergemakkelijken zoals in het geval van de in het artikel genoemde zoon en zijn moeder?
Ik vind dat een goede mogelijkheid. Mantelzorgvoorzieningen bij woningen zorgen ervoor dat mensen langer thuis kunnen blijven wonen als zij dit willen. Dat is een van de doelstellingen van dit (demissionair) kabinet. Mijn ambtsvoorganger heeft deze bouw- en gebruiksmogelijkheden voor huisvesting in verband met mantelzorg in 2014 in het Besluit omgevingsrecht opgenomen. Hiermee is destijds uitvoering gegeven aan de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XI, nr. 34), die opriep de mogelijkheden voor de plaatsing van mantelzorgwoningen te vereenvoudigen.
Deelt u ook de zorg dat met de komst van de nieuwe Omgevingswet en daarmee het verdwijnen van landelijke wetgeving op dit punt, dit soort woonzorgarrangementen mogelijk zullen verdwijnen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met de Omgevingswet krijgen gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk te leveren. Die mogelijkheid ontstaat ook bij bouwmogelijkheden voor uit- en aanbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), die gemeenten straks in het omgevingsplan reguleren. De mogelijkheden voor huisvesting in verband met mantelzorg zijn in deze regeling verweven. Het is niet uit te sluiten dat gemeenten bij bepaalde woningen beperkingen zullen opleggen voor bouwmogelijkheden, waaronder mantelzorgvoorzieningen, vanwege bijvoorbeeld afstandsnormen voor geluid, geur en trilling nabij bedrijfsmatige activiteiten. De huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het Besluit omgevingsrecht worden als onderdeel van de zogenoemde bruidsschat ongewijzigd overgeheveld naar het gemeentelijke omgevingsplan. Als de Omgevingswet in werking treedt kunnen gemeenten de op deze manier uit het huidig recht overgehevelde bouw- en gebruiksmogelijkheden weliswaar veranderen, maar dat kan alleen bij een wijziging van het omgevingsplan. Dat is een besluit waarbij voorzien moet zijn in participatiemogelijkheden en waartegen beroep kan worden ingesteld. De Omgevingswet kan hiermee leiden tot aan de ene kant een inperking voor de bouw van mantelzorgvoorzieningen, maar aan de andere kant biedt het gemeenten ook ruimte voor versoepelingen. Een voorbeeld hiervan is de bouw van bijvoorbeeld premantelzorgwoningen. In toenemende mate zijn er gemeenten die deze mogelijkheid (willen) bieden, ook als er nog geen duidelijke zorgindicatie is.
Het is dus niet precies duidelijk hoe de gemeenten zullen omgaan met de komst van de nieuwe Omgevingswet en de impact hiervan op woonzorgarrangementen. Mijn verwachting is echter niet dat veel gemeenten de mogelijkheden gaan inperken. In bestuurlijk overleg met de koepels is de intentie afgesproken dat er een lastenluwe uitvoering wordt gegeven aan de nieuwe beleidsruimte. Verwacht mag dus worden dat er niet op grote schaal belemmerende regels en vergunningplichten worden geherintroduceerd. Gemeenten hebben er ook belang bij om geen onnodige regels op te stellen voor huisvesting in verband met mantelzorg. Mantelzorgers nemen zorg uit handen waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Mede gelet op die verantwoordelijkheid deel ik niet de zorg dat gemeenten bouw- en gebruiksmogelijkheden voor mantelzorg lichtvaardig zullen inperken.
Zijn er nu al gemeenten bekend die ertoe hebben besloten of die overwegen het vergunningsvrij bouwen van mantelzorgwoningen stop te zetten of in te perken?
Nee, die zijn mij niet bekend.
Staat deze ontwikkeling als gevolg van de nieuwe Omgevingswet niet op gespannen voet met het streven van het kabinet om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen en daartoe het verlenen van mantelzorg te stimuleren en te ondersteunen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben deze mening niet toegedaan. Zoals ik onder 3 aangeef verwacht ik niet dat gemeenten extra regels zullen gaan stellen. De mogelijkheid om bouw- en gebruiksregels beter op een concrete locatie af te stemmen, staat op zichzelf niet op gespannen voet met het streven ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Zoals bij het antwoord op vraag 3 al aangegeven hebben gemeenten in het kader van de Wmo 2015 immers ook een verantwoordelijkheid op dat punt.
Bent u het ermee eens dat inperking van de mogelijkheid tot vergunningsvrije bouw van mantelzorgwoningen tevens haaks staat op de gedachte achter de nieuwe Omgevingswet, namelijk minder regels en meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan initiatiefnemers voor het maken van ruimtelijke plannen?
Ik ben het hier niet mee eens. Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Zou de suggestie van KBO-PCOB, MantelzorgNl en de Patiëntenfederatie om een instructieregel type 3 toe te voegen aan de Omgevingswet waarmee gemeenten worden verplicht om voldoende mogelijkheden tot vergunningsvrije mantelzorgwoningen toe te staan, een oplossing zijn?
Ik sta op zichzelf niet afwijzend tegen een instructieregel op dit punt maar de vraag is of op voorhand al een instructieregel moet worden gesteld. Het heeft mijn voorkeur de ontwikkelingen in de gemeentelijke praktijk af te wachten en later te bezien of er op dit punt van rijkswege sturing nodig is. Bedacht moet worden dat bij het opstellen van een instructieregel de nodige vragen zullen spelen. Een instructieregel waarbij louter wordt opgedragen om te voorzien in «voldoende» mogelijkheden voor vergunningvrije mantelzorgwoningen, roept direct de vraag op wat voldoende is. Verder brengt het (her)introduceren van een vergunningplicht nog niet direct met zich dat bouwmogelijkheden voor mantelzorgvoorzieningen worden ingeperkt.
Indien u dit niet wenselijk acht, welke (andere) oplossingen ziet u – zeker in het licht van de huidige wooncrisis en het tekort aan ouderenwoningen – om mantelzorgers op dit punt beter te ondersteunen? Hoe gaat u gemeenten ertoe bewegen vergunningsvrije mantelzorgwoningbouw te stimuleren?
Voor het stimuleren van vergunningsvrije mantelzorgvoorzieningen zie ik nu geen aanleiding. Wel zie ik mogelijkheden om mantelzorgers beter te ondersteunen in het organiseren van de toegang tot regelingen en voorzieningen die voor hen beschikbaar zijn. Veel mantelzorgers lopen tegen drempels bij het realiseren van een mantelzorgwoning. Één van deze drempels betreft het verstrekken van een «bewijs tot mantelzorger zijn», een mantelzorgverklaring. Op 2 december jl. is tijdens de begrotingsbehandeling het amendement (35 570 XVI, nr. 69) van de leden van Otterloo en Sazias aangenomen, waarin verzocht wordt te komen tot een gedragen mantelzorgverklaring (mantelzorgpaspoort). Hier is 4 miljoen euro voor vrijgemaakt. Uit een uitgevoerde verkenning2 met stakeholders zoals de VNG, Aedes en gemeenten blijkt dat er nog vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd om te komen tot een meer uniforme verklaring en dat er met name lokaal moet worden geëxperimenteerd om te onderzoeken hoe de toegang tot (mantelzorg)regelingen, zoals een vergunningvrije mantelzorgvoorziening, kan worden verbeterd. Het Ministerie van VWS stelt hiertoe ruim 80 gemeenten in staat door middel van de organisatie van lokale pilots. Uitkomsten en opbrengsten van deze pilots zullen breed worden verspreid.
Hoewel kort dag, lukt het om deze vragen te beantwoorden voor het notaoverleg over de initiatiefnota van de leden Ellemeet en Smeulders over een «Eigen thuis, voor nu en morgen; wonen en ouderenzorg, de impasse voorbij» dat gepland staat op 25 oktober 2021?
Hoewel ik heb getracht de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden is dat niet gelukt vóór het genoemde notaoverleg.
Mogelijke ontwijking van het statiegeldsysteem |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u de huidige stand van zaken schetsen, naar aanleiding van de uitspraak van uw voorganger op 19 november 2020 om «de vinger aan de pols te houden» omtrent het functioneren van het statiegeldsysteem en mogelijke ontwijking daarvan?
Sinds 1 juli jl. is statiegeld verplicht op alle kunststof drankflessen voor water en frisdrank tot en met 3 liter. Het kabinet heeft toegezegd te monitoren of producenten, in reactie op de statiegeldverplichting, uitwijken naar verpakkingen waar geen statiegeldverplichting voor geldt. Daarbij is ook toegezegd om aanvullende beleidsmaatregelen te nemen indien er sprake is van een verschuiving.
Zoals in deze brief uiteengezet ben ik voornemens de toezegging om de verschuivingen te monitoren op twee manieren na te komen. Ten eerste door te kijken naar ontwikkelingen in de hoeveelheid drankverpakkingen in het zwerfafval door middel van de monitoring door Rijkswaterstaat. Ten tweede door op basis van marktgegevens in beeld te brengen welke drankverpakkingen zijn verkocht en te bezien of de verkoop van drankverpakkingen zonder statiegeld toeneemt.
Bent u bekend met de recente ontwikkeling dat als vervanger van plastic statiegeldflesjes kartonnen drankverpakkingen op de markt worden gebracht waarover geen statiegeld betaald wordt en dat deze verpakkingen bijna net zo veel plastic bevatten?1
Ja, daarmee ben ik bekend en deze ontwikkelingen baren ook mij zorgen.
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe kan dit tegengegaan worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een dergelijke ontwikkeling onwenselijk is en de signalen baren mij dan ook zorgen. Statiegeld zorgt voor een hoogwaardige inzameling en kunststof flessen die via statiegeld worden ingezameld kunnen daarom gerecycled worden tot nieuwe flessen. Ook gaat inzameling via statiegeld het ontstaan van zwerfafval tegen. Wanneer producenten kiezen voor andere drankverpakkingen zonder statiegeld, worden deze positieve effecten van statiegeld ondermijnd.
Zoals ik tijdens de Begrotingsbehandeling al heb aangekondigd, heb ik de verschuiving naar drankenkartons besproken met het bedrijfsleven. Daarbij heb ik aangegeven dat ik van het bedrijfsleven verwacht dat de ontwikkeling stopt.
Is sprake van een toename van producten met kartonnen drankverpakkingen ten opzichte van de situatie voor de invoering van statiegeld op kleine plastic flessen?
Zoals in deze brief uiteengezet kan ik in april 2022 in kaart brengen in hoeverre er sprake is van een toename van het gebruik van drankenkartons ten opzichte van de situatie voor de invoering van statiegeld.
Bent u bekend met het feit dat de Albert Heijn water in kartonnen verpakkingen verkoopt en daarbij adverteert met de zin «zonder statiegeld»?2 Wat is uw oordeel hierbij?
Ja, dat voorbeeld heb ik gezien. Ik vind het een zeer ongelukkig gekozen wijze om waren aan te prijzen. Wel heb ik de indruk dat het een uiting van een individuele supermarktondernemer betreft en niet breder door de supermarktketen wordt gebruikt. Dat heeft het concern ook aan mij bevestigd.
Deelt u de mening dat dit ontwijking van het statiegeldsysteem is? Zo ja, op welke manier gaat u deze ontwijking tegen? Zo nee, waarom niet?
Een ongelukkig advertentie is mijn inziens nog niet direct ontwijking. Ik ontvang echter ook signalen van producenten of supermarktketens die structureel lijken te kiezen voor het verpakken van water of ijsthee in een drankenkarton. Daar richt mijn zorg zich meer op. Zoals in de brief uiteengezet heb ik besloten om een recyclingdoelstelling voor drankenkartons in te voeren. Deze doelstelling zorgt voor een gelijk speelveld voor alle soorten drankverpakkingen.
Daarnaast heb ik richting het bedrijfsleven gecommuniceerd dat als uit de bovengenoemde zwerfafvalmonitor of monitor van de marktgegevens in 2022 blijkt dat de hoeveelheid drankenkartons toeneemt, aanvullende maatregelen worden genomen. Daarbij verken ik in ieder geval de mogelijkheden van het verplichten van statiegeld op drankenkartons en het verbieden van het gebruik van drankenkartons voor het verpakken van water en frisdrank.
Zijn al gesprekken gestart met supermarkten en drankproducenten over deze ontwikkelingen? Zo ja, welke boodschap geeft u hier af?
Ja, ik heb gesproken met het bedrijfsleven. In deze brief ben ik hierop ingegaan.
Daarnaast heeft ook de ILT contact gezocht met de betreffende producenten en onderzoekt of het gebruik van drankenkartons voor het verpakken van water in strijd is met geldende wettelijke eisen voor verpakkingen.
In hoeverre denkt u dat supermarkten en producenten de genoemde verpakkingen zullen toepassen op producten die nu in blikjes worden verpakt, als eind 2022 ook op blikjes statiegeld geheven zal worden? Hoe kan dit voorkomen worden?
Drankenkartons worden in Nederland voornamelijk gebruikt voor het verpakken van zuivel en sap. Drankenkartons zijn niet geschikt voor het verpakken van koolzuurhoudende dranken. Bij de voorbeelden die naar voren worden gebracht, is er dan ook sprake van het toenemend gebruik van drankenkartons voor het verpakken van koolzuurvrij water of het verpakken van koolzuurvrije ijsthee. Metalen drankblikjes worden voornamelijk gebruikt voor het verpakken van koolzuurhoudend bier en koolzuurhoudende frisdranken. Het is niet mogelijk drankenkartons hiervoor te gebruiken. Een klein deel van de metalen drankblikjes wordt gebruikt voor water, sappen, zuivel en andere (alcoholische) drankjes. Beleidsmaatregelen voor het voorkomen van een verschuiving van deze drankblikjes naar drankenkartons zijn mijn inziens gelijk aan de genoemde maatregelen om verschuiving van flesjes naar drankenkartons tegen te gaan.
Welke andere alternatieve drankverpakkingen om statiegeld te ontlopen zijn sinds de verruiming van het statiegeldsysteem in opkomst? Op welke schaal is vindt deze ontwikkeling plaats?
Naast de verschuiving rond drankenkartons, ben ik bekend met een voorbeeld van een producent die water verkoopt in een herbruikbare fles en daarover geen statiegeld in rekening brengt. Ondanks dat een overstap naar herbruikbare flessen wenselijk is, hecht ik eraan te benadrukken dat alle kunststof flessen die gevuld met water of frisdrank worden verkocht onder de statiegeldverplichting vallen. De ILT heeft contact gezocht met de betreffende producent.
Is het huidige ontwijkingsgedrag reden om de huidige en aangekondigde regelgeving aan te scherpen?
Ik ben in deze brief nader ingegaan op mijn inzet en de (mogelijke) maatregelen die ik voorzie.
Is het mogelijk om deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Circulaire economie op 18 november 2021?
Bij deze heb ik aan uw verzoek voldaan.
Partijdigheid van de UNHRC-onderzoekscommissie naar eventuele oorlogsmisdaden door Israël en de Palestijnen |
|
Gert-Jan Segers (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israel critics comprise UNHRC’s permanent war-crimes probe»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de samenstelling, het mandaat en de werkwijze van deze permanente commissie is?
De onderzoekscommissie (commission of inquiry) doet onderzoek naar alle vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden en Israël in aanloop naar en sinds 13 april 2021. Conform resolutie S-30/1 van de Mensenrechtenraad, bestaat de commissie uit drie deskundige leden, van wie er één als voorzitter fungeert, benoemd door de voorzitter van de Mensenrechtenraad. De commissie richt zich op het onderzoeken, verzamelen en analyseren van alle onderliggende oorzaken van terugkerende spanningen, instabiliteit en aanhoudende conflicten, inclusief systematische discriminatie en repressie op basis van nationale, etnische, raciale of religieuze identiteit. Daarbij identificeert de commissie, waar mogelijk, de verantwoordelijken van deze schendingen en doet de commissie aanbevelingen over te nemen maatregelen m.b.t de strijd tegen straffeloosheid. De commissie rapporteert twee keer per jaar, eenmaal aan de Mensenrechtenraad en eenmaal aan de Algemene Vergadering van de VN.
Erkent u dat de commissieleden zich in het verleden fel, en soms op ronduit discutabele wijze, tegen Israël hebben uitgesproken of opgesteld?2
De commissieleden zijn conform het mandaat van de onderzoekscommissie door de voorzitter van de Mensenrechtenraad benoemd. De voorzitter dient hierbij zorg te dragen voor het waarborgen van de onpartijdigheid, objectiviteit en kunde van de leden. Nederland heeft vertrouwen in de professionaliteit van de voorzitter van de Mensenrechtenraad om hiervoor zorg te dragen en bemoeit zich niet inhoudelijk met de aanstelling van de afzonderlijke leden.
Het onderzoek van de commissie moet worden uitgevoerd volgens internationale standaarden voor bewijsvergaring, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en expertise. Met deze maatstaf zal het kabinet de rapporten van de commissie beoordelen.
Beaamt u dat deze leden hiermee op zijn minst de schijn van partijdigheid hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dergelijke partijdigheid onwenselijk is en voorkomen moet worden met het oog op een zuiver, objectief en geloofwaardig onderzoeksresultaat?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u tevens de mening dat het mandaat van deze onderzoekscommissie te algemeen en onbepaald is, en dat van dit mandaat misbruik kan worden gemaakt?
Zoals gesteld in de beantwoording van Kamervragen van het Lid Van Dijk (nr. 3437, Vergaderjaar 2020–2021), omvat het mandaat van de onderzoekscommissie gedragingen van alle partijen, is het niet specifiek gericht op de gebeurtenissen van mei jl., en heeft het een permanent karakter. Dit is niet in lijn met vergelijkbare onderzoekscommissies van de Mensenrechtenraad en riep bij Nederland ook zorgen op over overlap met het mandaat van de VN-Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden en met het in maart 2021 door het Internationaal Strafhof (ICC) geopende strafrechtelijke onderzoek. Nederland heeft zich vanwege deze redenen samen met 13 andere leden van de Mensenrechtenraad3 onthouden van stemming en dit tijdens de Mensenrechtenraad toegelicht in een Explanation of Vote. Nederland heeft op dit moment evenwel geen redenen om aan te nemen dat misbruik zal worden gemaakt van het mandaat.
Erkent u daarom dat de huidige samenstelling en het mandaat van de onderzoekscommissie gewijzigd dient te worden, en dat de commissie zou moeten bestaan uit mensen zonder een bewezen geschiedenis in het bekritiseren van Israël?
Met een meerderheid van stemmen voor de resolutie is het mandaat van de onderzoekscommissie aangenomen en definitief. Hoewel Nederland zich heeft onthouden van stemmen worden besluiten van de Mensenrechtenraad gevolgd en geaccepteerd. Zie het antwoord op vragen 3, 4 en 5 betreffende de samenstelling van de commissie.
Zo ja, bent u bereid de partijdigheid van de commissieleden en het problematische mandaat van de commissie publiekelijk kenbaar te maken in VN-verband, waaronder jegens de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad?
Zie antwoord vraag 7.
Zo niet, hoe groot acht u de kans dat er een volledig objectief en op feiten gebaseerd onderzoek geproduceerd zal worden dat niet gebruikt zal worden om Israël nog verder tot een internationale paria te maken?
Nederland kan niet vooruit lopen op de rapportages van de onderzoekscommissie. Alle onderzoeksrapporten, ook die van deze commissie, zullen met grote zorgvuldigheid worden gelezen en beoordeeld; bij twijfel wordt ook op basis van andere bronnen beoordeeld hoe de mensenrechtensituatie in een land is.
Wilt u ook rondom de in deze vragen geschetste problematiek uw afwegingen verantwoorden in het licht van de aangenomen motie van het Eerste Kamerlid Schalk (Kamerstuk 35 403, J) en de aangenomen motie-Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374), zoals ook uiteengezet in uw brief «Nederlandse inzet MOVP-resoluties in VN-fora» van 5 oktober 2021?
Nederland zet zich in VN-verband in tegen disproportionele aandacht voor Israël, zoals ook uiteengezet in de brief aan uw Kamer van 5 oktober jl. (Kamerstuk 23 432, nr. 85). Ook bij de beoordeling van toekomstige rapportages van de onderzoekscommissie zal het kabinet een scherp oog houden voor mogelijk eenzijdige anti-Israëlische standpunten, conform de motie Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374). Daarbij geldt ook dat er in VN-verband ruimte moet zijn voor gefundeerde kritiek op alle VN-lidstaten.
Het bericht dat de bank voortaan je studieschuld kan opzoeken. |
|
Hatte van der Woude (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hypotheek nodig? Bank kan voortaan je studieschuld opzoeken»?1
Ja.
Deelt u de analyse dat starters het nu al heel moeilijk hebben op de woningmarkt en het daarom heel vreemd is juist voor starters extra belemmeringen op te werpen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel uw mening dat starters het niet makkelijk hebben op de woningmarkt. Het woningaanbod is beperkt en de concurrentie is groot. De bouw van extra woningen is daarom topprioriteit voor dit kabinet. Die woningen staan er echter niet meteen. Daarom nemen we ook maatregelen om starters op korte termijn te helpen om een woning te kopen. Bijvoorbeeld door meerderjarige starters tot 35 jaar vrij te stellen van overdrachtsbelasting (bij een woning tot € 400.000) en door het verbeteren van de informatievoorziening voor starters op de woningmarkt.
Het meewegen van de studieschuld bij het aanvragen van een hypotheek is al langdurig staand beleid en niet specifiek gericht op starters. Voor verantwoorde kredietverlening is het verplicht om bij het bepalen van de maximale financieringslast rekening te houden met financiële verplichtingen zoals een studieschuld. De (oud-)student is daarnaast verplicht om bij een hypotheekaanvraag eventuele studieschulden op te geven. De terugbetaling van een studieschuld drukt namelijk op het besteedbaar inkomen van een (oud-)student. Het is daarom ook in het belang van de consument om bij een hypotheekaanvraag een eventuele studieschuld eerlijk op te geven. Daarmee voorkomt de aanvrager dat de hypotheeklasten te hoog worden, met mogelijke betalingsproblemen als gevolg. Het delen van gegevens via een app kan juist leiden tot meer gebruiksgemak en zie ik niet als een extra belemmering voor starters.
Bent u het ermee eens dat dit haaks staat op de belofte bij invoering van het leenstelsel dat de studieschuld niet geregistreerd zou worden voor hypotheekverstrekking?
Daar ben ik het niet mee eens. De studieschulden worden door DUO bijgehouden ten behoeve van de uitvoering van de studiefinanciering. Dit gebeurde ook al voor de invoering van het leenstelsel. Daar horen ook gegevens bij over opgebouwde schuld door leningen en aflossingen hierop. Burgers hebben het recht op hun persoonlijke gegevens bij de overheid in te zien en te gebruiken voor hun eigen doeleinden. Dat is precies wat de nieuwe mogelijkheid beoogt. De keuze om deze gegevens te delen met derden, is geheel aan de burger.
Was u al op de hoogte van de koppeling van de studieschuld voor hypotheekverstrekking door DUO toen u uw tweet uitstuurde en u onze vragen beantwoordde? Zo ja, hoe lang was u dan al op de hoogte en waarom heeft u dan niets ondernomen tegen de koppeling door DUO?2, 3
De desbetreffende tweet gaat over een registratie van studieschulden bij het Bureau Kredietregistratie (BKR). Dat is in deze situatie niet het geval, daarom koppel ik deze tweet ook niet aan deze ontwikkeling. Het kabinet gaat ook niet over tot een BKR-registratie voor studieschulden. In deze casus gaat het om gegevens die door DUO worden bijgehouden ten behoeve van de uitvoering van de studiefinanciering. (Oud-)studenten kunnen hun persoonlijke gegevens hierover inzien via Mijn DUO. De (oud)-student kan bepalen om zelf zijn gegevens te delen met de hypotheekverstrekker via een app door toestemming te geven. Deze ontwikkeling zorgt voor meer gebruiksgemak, er zijn minder handelingen nodig van de (oud-)student.
Deelt u de mening dat het registreren van de studieschuld in het BKR feitelijk dezelfde gevolgen voor starters heeft als het registreren van de studieschuld voor hypotheekverstrekking door DUO?
Daar ben ik het niet mee eens. Een burger heeft op basis van de AVG het recht om zijn eigen persoonsgegevens bij de overheid digitaal in te zien. Hij hoeft niet nader te motiveren met welk doel hij de gegevens wil inzien. Een (oud-)student heeft daarom de mogelijkheid om gegevens over zijn studieschuld via Mijn DUO in te zien. Hij kan vervolgens zelf besluiten om deze gegevens te gebruiken. Bijvoorbeeld om extra af te lossen, het maandbedrag aan te passen of om de gegevens te delen met derden, zoals de apps van Ockto of iWiZe. Het delen van gegevens vindt in de meeste gevallen plaats buiten medeweten van de overheid. Het registreren van de studieschuld bij DUO is dus niet bedoeld voor hypotheekverstrekking. De gegevens die bij DUO geregistreerd staan kunnen alleen daarvoor worden gebruikt indien de (oud-)student daar toestemming voor geeft. Naast de hoogte van de oorspronkelijke studieschuld kan de (oud-)student via mijn DUO ook informatie vinden over eventuele extra aflossingen, de resterende looptijd en welk leenstelsel er van toepassing is.
Met een toetsing bij het BKR kunnen banken en kredietverstrekkers zien of een consument ergens anders geld heeft geleend. En of er betalingsproblemen zijn of zijn geweest. De uitkomsten van de toets kunnen zij meewegen bij de hypotheekaanvraag. Een toetsing bij het BKR is voor kredietverstrekkers essentieel in het voorkomen van overkreditering. De gegevens in het BKR worden aangeleverd door kredietverstrekkers zelf. Met het registreren van verstrekte kredieten en eventuele betalingsachterstanden vervult het BKR een andere rol dan DUO die gegevens bijhoudt ten behoeve van de uitvoering van de studiefinanciering.
Kunt u huidige en oud-studenten verzekeren dat u de belofte om studieschulden niet te registreren voor hypotheekverstrekking nakomt?
Het kabinet gaat niet over tot een BKR-registratie voor studieschulden. Wel zijn (oud-) studenten gehouden hun studieschulden kenbaar te maken bij het aanvragen van een hypotheek.
Bent u bereid in gesprek te gaan met DUO en aan te geven dat deze belofte in stand blijft?
Ik acht een gesprek met DUO niet noodzakelijk. Het kabinet gaat niet over tot een registratie van studieschulden, enkel voor hypotheekverstrekking. DUO dient de studieschulden natuurlijk wel bij te houden voor de uitvoering van de studiefinanciering.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van het Wetgevingsoverleg inzake het begrotingsonderdeel wonen en ruimte (hoofdstuk VII) op 15-11-2021?
Ja.
Het bericht dat de waanzin op de woningmarkt overslaat op de huursector |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Eenmaal, andermaal: verhuurd aan de hoogste bieder?»1 en «Waanzin woningmarkt slaat over op huursector»2?
Ja.
Onderschrijft u de constatering van de Woonbond dat onderhands bieden op huurwoningen steeds vaker voorkomt? Zo ja, beschikt u over cijfers om dit te onderbouwen? Zo nee, bent u bereid een methode te ontwikkelen om dit inzichtelijk te maken?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend over het onderhands bieden op huurwoningen. Het is bovendien lastig om dit inzichtelijk te maken, omdat verhuurders en huurders zelf een huurprijs overeenkomen waarbij de overheid geen rol heeft. Derhalve zie ik geen reden een methode te ontwikkelen om dit inzichtelijk te maken.
Wat vindt u ervan dat potentiele huurders van vrijesectorwoningen in toenemende mate geconfronteerd worden met het opbieden bij huurwoningen? Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is?
Kortheidshalve verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 5 van het lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 598).
Wat vindt u ervan dat er online platforms opkomen die het opbieden bij huurwoningen faciliteren?
Zie antwoord vraag 3.
In welke mate leidt het biedingsmechanisme in de huurmarkt tot hogere huurprijzen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat, door de woningkrapte en de terugkeer van expats naar Nederland, de normalisatie van het bieden op huurwoningen een prijsopdrijvend effect gaat hebben op de huurprijzen?
Ik deel deze zorg. Echter is het voor zover mij bekend niet het geval dat bieden op huurwoningen genormaliseerd is. IVBN en Vastgoed Belang geven ook aan dit fenomeen niet wenselijk te vinden.
Bestaat er regelgeving omtrent het verhuren per opbod?
Zie het antwoord op vraag 2 van het lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 598).
Welke maatregelen zijn uws inziens noodzakelijk om het bieden op huurwoningen tegen te gaan?
Ik zet al langer in op het versterken van de uitgangspositie van huurders op de woningmarkt, bijvoorbeeld door hen te informeren over hun rechten of door prijsregulerende maatregelen te nemen (zoals het maximeren van de jaarlijkse huurstijging in de vrije sector). Bovendien heb ik in antwoord op vraag 7 van het lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 598) aangegeven dat ik met partijen nu «botsproeven» ga doen om te zien hoe verdere prijsregulerende maatregel in de vrije sector de praktijk zouden uitwerken, waarbij ook wordt gekeken of prijsregulering (of flankerend beleid) kan helpen bij het tegengaan van bieden op huurwoningen. Een mogelijk verbod op verhuren per opbod valt buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel goed verhuurderschap.
Voorts ben ik van mening dat de huidige schaarste aan (betaalbare) huurwoningen waarschijnlijk de belangrijkste drijfveer is voor woningzoekenden om te bieden op een huurwoning. Ik zet mij er echter al langer voor in deze schaarste tegen te gaan, bijvoorbeeld door de bouw van meer woningen te stimuleren. Het tegengaan van schaarste biedt woningzoekenden meer keuzevrijheid, waarmee het bieden op huurwoningen naar verwachting voor veel woningzoekenden geen noodzakelijke optie meer is.
Wat vindt u van het voorstel van de Woonbond dat in de Wet Goed Verhuurderschap een bepaling wordt opgenomen die gemeenten de mogelijkheid biedt om het verhuren per opbod te verbieden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om het bieden bij huurwoningen tegen te gaan?
Wilt u de antwoorden op deze vragen aan de Kamer doen toekomen voor het Wetgevingsoverleg inzake het begrotingsonderdeel wonen en ruimte van 15 november 2021?
Ja.
Klopt het dat bij een demonstratie van Extinction Rebellion op 11 oktober jongstleden een journalist van de Volkskrant is gearresteerd?1
Het klopt dat er tijdens de demonstraties van 11 oktober jl. aanhoudingen zijn verricht. Onder deze aanhoudingen bevond zich tevens een journalist.
Klopt het dat de journalist op dat moment een duidelijk zichtbare politieperskaart droeg en zich bovendien al twee keer op verzoek had gelegitimeerd? Zo nee, hoe zit het dan?
Het strafrechtelijk optreden van de politie heeft plaatsgevonden onder gezag van de officier van justitie. Het is niet aan mij als Minister om in individuele strafzaken te treden of daarover informatie openbaar te maken.
Klopt het dat de betrokken agent bij aankomst van de journalist de echtheid van de perskaart in twijfel trok en hem het zicht op de gebeurtenissen belemmerde? Zo nee, hoe zit het dan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de journalist na het mompelen van «kind» tegen de politieagent, met geweld tegen een politiebusje aan werd geduwd, er vervolgens hardhandig in werd gesleurd, alwaar hem werd verteld dat hij was aangehouden, en hij vervolgens vier uur lang werd opgesloten in een arrestantenbus? Zo nee, hoe zit het dan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de journalist inmiddels is vrijgelaten, maar dat hij nog wel verdacht wordt van belemmering en belediging? Kunt u aangeven hoe de aanklacht precies luidt en wat de verdere procedure zal zijn?
Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat de politie de journalist heeft belemmerd zijn werk te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u daarvan, gezien de maatschappelijke functie van journalisten in een democratische rechtsstaat?
De journalistieke vrijheid is een groot goed. Hier zet het kabinet zich met volle toewijding voor in. Het beschikken over een (politie-)perskaart kent een journalist extra rechten en vrijheden toe. Dit laat onverlet dat er ook grenzen zitten aan de vrijheid van een journalist bij de uitoefening van zijn vak. De journalist is uiteraard ook aan (gedrags-)regels gebonden.
De politie hanteert interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen. In gevallen dat de openbare orde verstoord wordt of dreigt te worden verstoord kan de politie overgaan tot aanhouding van de aanwezigen op een bepaalde plaats. Bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of dreigingen hiertoe, kan het zijn dat de journalistieke status van een aanwezige pas later kan worden uitgezocht dan op het moment van aanhouding. Hierbij vindt pas naderhand een beoordeling plaats van de aanhouding. Bij deze beoordeling zal de journalistieke status altijd worden meegewogen.
Erkent u dat de politie in principe dient af te zien van aanhouding van een journalist, indien de journalist zich kan legitimeren en strikt in het kader van zijn beroep opereert? Zo ja, hoe verklaart u dan dat de betreffende journalist is aangehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 7.
Erkent u dat de betrokken agent een waarschuwing had kunnen geven of het gesprek had kunnen aangaan, in plaats van meteen over te gaan tot hardhandige aanhouding?
Zie het antwoord op vraag 2.
Erkent u dat het gebruikte geweld disproportioneel was in verhouding tot de situatie? Zo nee, waarom niet?
Het is aan andere autoriteiten – in voorkomende gevallen de rechter – om te beoordelen of het geweldsgebruik rechtmatig was. Ik kan en zal niet in die beoordeling treden.
Erkent u dat de politie een voorbeeldrol te vervullen heeft als het gaat om de bescherming van de persvrijheid en de veiligheid van journalisten, en dat zij er alles aan zou moeten doen om bij te dragen aan het vertrouwen in onafhankelijke nieuwsgaring? Hoe beoordeelt u de bovenstaande gebeurtenissen in relatie tot dit streven?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid excuses te maken aan de journalist en zijn werkgever en, zo ja, bent u bereid daaraan een schadevergoeding te verbinden? Zo nee, waarom niet?
Deze afweging is allereerst niet aan mij, maar aan de politie zelf. De politie geeft aan dat de journalist uitgenodigd was voor een gesprek. Verder heeft de politie mij aangegeven dat de hoofdredacteur van de journalist heeft gesproken met de hoofdofficier. De journalist zelf heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod om met de politie te praten.
Hoe beoordeelt u de proportionaliteit van het politiegeweld tegen demonstranten van Extinction Rebellion op 11 oktober jongstleden?
Zoals in het antwoord op vraag 10 aangegeven is het niet aan mij om te oordelen over de rechtmatigheid van geweldsaanwending door de politie.
Hoe beoordeelt u de proportionaliteit van de wijze waarop de politie het de demonstranten op verschillende manieren onmogelijk maakte om te demonstreren op hun eigen wijze, onder andere door spullen in beslag te nemen?
Het is aan de burgemeester om demonstraties te faciliteren en in goede banen te leiden waarbij het demonstratierecht ook kan worden begrensd wanneer dat noodzakelijk is op basis van de in de Wet openbare manifestaties genoemde beperkingsgronden. De burgemeester bedient zich van de onder diens gezag staande politie en legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Dit is niet aan mij.
Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar de handelwijze van de politie bij de demonstratie van Extinction Rebellion, gezien het disproportionele politiegeweld en de manier waarop het recht op demonstratie, de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid zijn gehinderd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de uitkomsten met de Kamer delen?
Zoals aangegeven is het niet aan mij als Minister om daarover te oordelen.
In uw vraag ligt besloten dat de politie in dit geval buitensporig geweld zou hebben gebruikt. Of geweldsaanwending rechtmatig is kan pas na gedegen onderzoek worden vastgesteld. Iedere geweldsaanwending moet worden gemeld en getoetst door de hulpofficier van justitie. Meer ingrijpende vormen van geweldsaanwending – die op grond van artikel 18 van de Ambtsinstructie2 aan het OM moeten worden gemeld – worden tevens door de officier van justitie beoordeeld. Zie verder het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om naar aanleiding van de handelwijze van de politie in Den Haag het bewustzijn over de omgang tussen politie en pers en de regels over politiegeweld conform de Politiewet en de ambtsinstructie na te gaan en waar nodig te verbeteren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Ik zie vooralsnog geen aanleiding om dit te doen. Zie verder het antwoord op vraag 15.
Kunt u zich herinneren dat demonstrerende boeren in 2019 in Den Haag zich niet aan de aangewezen demonstratieplek hielden, door afzettingen braken, trambanen blokkeerden, met een trekker door winkelstraten reden en over snelwegen reden en daarbij rode kruizen negeerden? Erkent u dat de demonstrerende boeren daarmee de verkeersveiligheid in gevaar brachten? Erkent u dat er bij deze demonstraties geen aanhoudingen zijn verricht vanwege het hinderen van het verkeer2, omdat de politie het naar eigen zeggen «niet op de spits wilde drijven»?3 Hoe beoordeelt u deze werkwijze?
In mijn brief van 5 november 2019 aan de Tweede Kamer5 ben ik ingegaan op het handhaven van de rechtsorde tijdens acties door boeren- en klimaatdemonstranten. Zoals ik daarin heb aangegeven, vergt het in goede banen leiden van demonstraties maatwerk en een inschatting door de driehoek op basis van kennis van de lokale situatie. Daarbij heb ik opgemerkt dat ik mij niet herken in het beeld dat sprake is van rechtsongelijkheid bij de wijze waarop is opgetreden bij de acties van boeren- en klimaatdemonstranten, omdat de verschillende situaties zich niet laten vergelijken.
Het is ook niet aan mij als Minister om te treden in de afwegingen van het lokaal gezag.
Klopt het dat er op 11 oktober jongstleden zo’n 60 klimaatactivisten zijn gearresteerd en dat zij allemaal een aanklacht hebben gekregen voor het overtreden van artikel 5 van de Wegenverkeerswet wegens het hinderen van het verkeer? Kunt u aangeven hoe de aanklacht precies luidt en wat de verdere procedure zal zijn? Zo nee, hoe zit het dan?
Op 11 oktober jl. zijn inderdaad ongeveer 60 arrestaties verricht. Verder kan ik geen uitspraken doen over dit lopende proces.
Hoe verklaart u dit verschil in optreden van de politie tegen de boerendemonstraties in Den Haag in 2019 en de demonstratie van Extinction Rebellion op 11 oktober jongstleden?
Zie het antwoord op vraag 17.
Hoe beoordeelt u de proportionaliteit van het politieoptreden tijdens de demonstratie van Extinction Rebellion in relatie tot het politieoptreden bij de boerenprotesten 2019 in Den Haag in het algemeen? Kunt u daarbij gedetailleerd ingaan op de verschillen in ordeverstoring, aangerichte vernielingen, verkeershinder en gebruikt geweld?
Zie het antwoord op vraag 17.
Hoe komt de politie tot het besluit om bij een demonstratie van boeren niet op te treden om te voorkomen dat «de boel escaleert»4, terwijl er wel degelijk sprake is van verkeershinder en wetsovertredingen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Speelt hier mee dat de politie het veiligheidsrisico van hardhandig ingrijpen bij een boerenprotest zwaarder beoordeelt dan het veiligheidsrisico van hardhandig ingrijpen bij een klimaatdemonstratie? Zo nee, hoe zit het dan?
Zie het antwoord op vraag 17.
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat er hardhandiger en strenger wordt opgetreden tegen klimaatactivisten dan tegen boerendemonstranten van wie een dreiging voor de openbare veiligheid uitgaat? Erkent u dat dit in de praktijk leidt tot rechtsongelijkheid? Zo ja, wat bent u van plan te doen om dit in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 17.
Bent u bereid om, samen met de driehoek in Den Haag, te bezien hoe het recht op demonstratie van klimaatactivisten beter beschermd kan worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Het recht op demonstratie is een belangrijk recht. Het is echter niet aan mij om in de beoordeling van individuele gevallen te treden. Het lokaal gezag zal in ieder individueel geval beslissen naar gelang de feiten en omstandigheden die op dat moment relevant zijn.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De vragen zijn per stuk beantwoord, helaas is het niet gelukt dit binnen de gebruikelijke termijn te doen.
Het bericht ‘Grenzen van baggeren in Waddenzee nabij’ |
|
Aukje de Vries (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grenzen van baggeren in Waddenzee nabij»? Wat vindt u van dit bericht? Kunt u aangeven wat de exacte situatie is met betrekking tot het baggeren?1
Ja. De ambitie om te komen tot duurzame bereikbaarheid is vastgelegd in de Agenda voor het Waddengebied 2050 (Kamerstuk 29 684, nr. 210). Aan het bijbehorende Uitvoeringsprogramma dat deze ambitie concreet in moet invullen wordt momenteel gewerkt.
Voor baggeractiviteiten in de Waddenzee zijn de voorwaarden vastgelegd in het Natura2000 Beheerplan Waddenzee dat in 2016 is vastgesteld. In dit plan is een maximaal baggervolume van 7,037 miljoen m3/jaar bepaald. Het deel van Rijkswaterstaat is ook vastgelegd in het Beheerplan en bedraagt 3,672 miljoen m3/jaar. Gemeenten, het Ministerie van Defensie en derden, zoals havenbedrijven zijn verantwoordelijk voor het overige baggervolume.
Hoe groot is het probleem? Wat kunnen de gevolgen zijn voor de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens als de grens in 2023 zou zijn bereikt? Wat moet er gebeuren om dat te voorkomen cq. vermijden?
De bereikbaarheid van de Waddeneilanden en havens is vastgelegd in de Agenda voor het Waddengebied 2050. Vastgelegd is dat de opgave met betrekking tot bereikbaarheid is om de mobiliteit te verduurzamen en de bereikbaarheid ook op de lange termijn te blijven garanderen. Tegelijkertijd is de opgave ook om de baggerinspanningen te verminderen en de impact op natuur en milieu zo gering mogelijk te laten zijn.
Met het oog op deze opgave monitort Rijkwaterstaat de ontwikkelingen door het uitvoeren van metingen en het bijhouden van de baggercijfers. In de Jaarrapportage van Rijkswaterstaat over het vaargeulonderhoud 2016–2019 (zie Waddenzee.nl) is een prognose opgenomen op basis van de trends van afgelopen decennia. Op grond daarvan zou het in het Beheerplan opgenomen baggervolume in 2023 kunnen worden overschreden. De prognoses zijn echter onzeker. In 2020 heeft Rijkswaterstaat 3,19 miljoen m3 gebaggerd van de toegestane 3,672 miljoen m3/jaar. Op de langere termijn is echter een doorgaande stijgende trend te verwachten door het verondiepen van de Waddenzee. Medio 2022 kunnen conclusies worden getrokken over de hoeveelheden van 2021. Op basis van monitoring wordt geprobeerd een structurele overschrijding te voorkomen.
Het Natura2000 beheerplan heeft in ieder geval als voorwaarde dat bij structurele overschrijding van het totaal gemiddelde baggervolume een nieuwe beoordeling plaatsvindt van de effecten van het baggerwerk op de N2000 instandhoudingsdoelstellingen. Doordat er wordt gemonitord zal een structurele overschrijding dus voorzienbaar zijn. Dergelijke afwijkingen van het N2000 beheerplan kunnen leiden tot vergunningplicht (van een deel) van het baggerwerk gekoppeld aan voorwaarden omtrent de wijze van baggeren en verspreiding, dit ter beoordeling van het Ministerie van LNV als bevoegd gezag.
Welk overleg is hierover met de betrokken bestuurders in het gebied? Wat is daaruit gekomen dan wel welk overleg gaat hierover plaatsvinden?
In de Agenda voor het Waddengebied 2050 wordt een ambitie uitgesproken om minder te baggeren, en tegelijkertijd de vaargeulen op orde te houden. De Agenda is een gezamenlijke agenda van het Rijk (OCW, Defensie, LNV en IenW), Waddenprovincies, eiland- en kustgemeenten, waterschappen, natuur- en milieuorganisaties, visserij organisaties, organisaties voor recreatie en toerisme, en de samenwerkende havens. Momenteel wordt er aan een Uitvoeringsprogramma 2021–2026 van de Agenda voor het Waddengebied gewerkt waarover ook op bestuurlijk niveau afstemming plaatsvindt in het Bestuurlijk Overleg Waddengebied. Dit Uitvoeringsprogramma zal het komende jaar worden vastgesteld. Daarnaast vindt er op bestuurlijk niveau overleg plaats met de regio in het kader van het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 (VBA 2030). Afronding van dit onderzoek vindt in 2023 plaats, zie ook vraag 6.
Welke oplossingen zijn er als de grens voor het baggeren bereikt is en welke acties moeten dan worden ondernomen? In hoeverre gaan de betrokken ministeries deze acties ook daadwerkelijk tijdig ondernemen en wat is daarvan dan de planning?
Indien in de toekomst het totale gemiddelde baggervolume is bereikt zullen alle mogelijke oplossingen op tafel moeten komen om de havens en eilanden bereikbaar te houden, zie ook vraag 2. Er zal, met alle betrokken partijen, zoals het Ministerie van LNV, provincies, gemeenten, rederijen en havens, gekeken worden welke andere oplossingen er zijn om de havens en eilanden bereikbaar te houden. Te denken valt aan het anders varen (bijvoorbeeld meer op getij, kleinere schepen, scheiden van vervoersstromen) en andere vervoersoplossingen. Met het Ministerie van LNV zal het gesprek moeten worden aangegaan omtrent de kaders met betrekking tot het baggeren. Zie ook het antwoord op de vragen 6 en 9. Alle mogelijke oplossingen zullen integraal en met alle betrokken partijen moeten worden bekeken om zo uiteindelijk een keuze te kunnen maken die recht doet aan enerzijds de natuurbelangen in het Waddengebied en anderzijds er voor zorgt dat de bereikbaarheid van de havens en eilanden gegarandeerd blijft. Deze afweging zal de komende jaren met alle betrokken partijen in het kader van het Uitvoeringsprogramma 2021–2026 van de Agenda voor het Waddengebied worden gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens van maatschappelijk en economisch belang is? Zo nee, waarom niet, aangezien de motie Aukje de Vries c.s. (Kamerstuk 29 684, nr. 198) hierover is aangenomen?
In de Agenda voor het Waddengebied 2050 wordt onderkend dat bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens van groot belang is. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid De Vries c.s. (Kamerstuk 29 684, nr. 198) waarin de regering wordt verzocht de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en Waddenhavens in beleidsstukken aan te merken als van maatschappelijk en economisch belang.
Bent u het met de stelling eens dat het varen op getij geen acceptabele optie is in het kader van de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens? Zo nee, waarom niet?
In de Agenda voor de Wadden 2050 is de afspraak vastgelegd om eilanden en havens bereikbaar te houden. Een bijdrage hieraan is de Transitieschets «Duurzame Bereikbaarheid» Waddengebied 2050 van Programma naar een Rijke Waddenzee (PRW) dat oplossingsrichtingen schetst voor bereikbaarheid op de lange termijn. De verwachting is dat deze Transitieschets in de eerste helft van 2022 verschijnt.
In januari 2020 is het onderzoek naar de Lange Termijn Oplossingsrichtingen bereikbaarheid Ameland na 2030 (LTOA) aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 23 645, nr. 711). In dit onderzoek zijn toentertijd drie oplossingsrichtingen geïdentificeerd. In de Kamerbrief over de LTOA is uw Kamer geïnformeerd over de keuze om één oplossing (de tunnelvariant) niet verder te onderzoeken. Dit gezien de zeer forse investerings- en instandhoudingskosten en de impact van deze oplossing op de sociaaleconomische structuur van het Waddengebied. De overige twee geïdentificeerde oplossingsrichtingen uit de LTOA worden in het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 (VBA 2030) uitgewerkt: 1) optimalisatie van de bestaande situatie en 2) verplaatsen van de vertrek- en aankomstlocatie op het vaste land van Holwerd naar Ferwert. Bij de oplossingsrichting gericht op de optimalisatie van de huidige situatie wordt met name gekeken naar andere vervoersoplossingen richting Ameland, zoals bijvoorbeeld het varen met kleinere schepen waardoor er minder diep gebaggerd hoeft te worden, zie vraag 4. De oplossingsrichting gericht op het verplaatsen van de vertrek-en aankomst locatie zal zich o.a. richten op het inzichtelijk maken wat er in Ferwert aangelegd moet om het tot een geschikte vertrek-aankomstlocatie te maken. Voor beide oplossingsrichtingen zullen ook effectonderzoeken worden uitgevoerd naar bijvoorbeeld natuur, ecologie, geluid, functionaliteit (waaronder betrouwbaarheid en frequentie van de veerverbinding) en sociaaleconomische gevolgen in het Waddengebied. Op basis van deze effectonderzoeken en een wegingskader wat binnen de VBA wordt vormgegeven, kunnen uiteindelijk de beide oplossingsrichtingen met elkaar worden vergeleken en zal er, in afstemming met de betrokken provincie Fryslân en diverse gemeenten, een keuze door mij gemaakt kunnen worden. Deze keuze over de voorkeursvariant vindt naar verwachting in 2023 plaats. Uw Kamer zal hierover dan worden geïnformeerd.
Wat gaat u eraan doen om de Waddeneilanden en -havens op een vergelijkbare manier als op dit moment goed bereikbaar te houden in de nabije en verdere toekomst?
Zoals bij antwoord 6 beschreven lopen er meerdere processen rondom de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens. De uitkomsten daarvan kunnen op een positieve manier bijdragen aan het bereikbaar houden van de Waddeneilanden en -havens in de toekomst.
Kunt u aangeven hoe Duitsland en Denemarken in het Waddengebied ervoor zorgen dat de eilanden en havens goed bereikbaar zijn en blijven en hoe ze concreet omgaan met het op diepte en breedte houden van de vaargeulen?
Een onderdeel van het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 is een internationale vergelijking. De internationale vergelijking richt zich op vergelijkbare varende verbindingen van eilanden in het Waddengebied (Nederland, Duitsland en Denemarken). Aan de Duitse en Deense autoriteiten die zich met vaargeulonderhoud in het Waddengebied bezighouden, zal de vraag worden gesteld hoe zij hiermee omgaan.
Klopt het dat bij Ameland dit najaar wordt gezocht naar een efficiëntere manier van baggeren, het anders verspreiden van de baggerspecie en de bagger verder weg brengen? Wanneer kunnen hiervan de uitkomsten worden verwacht en kan de Kamer daarover worden geïnformeerd?
Het antwoord onder vraag 6 schetst de meerdere acties die er voor de langere termijn lopen om de bereikbaarheid van de Waddeneilanden-en havens te blijven garanderen. Eerder is uw Kamer al geïnformeerd over het voornemen om te experimenteren met het structureel verder weg brengen van baggerspecie binnen het toen nog nieuw aan te besteden baggercontract (Kamerstuk 23 645, nr. 711). In november 2021 is het nieuwe contract voor Vaargeulonderhoud Waddenzee gestart. Hierbij gaat – specifiek op het traject Holwerd-Ameland – Rijkswaterstaat al op zeer korte termijn met de nieuwe aannemer proeven uitvoeren om te proberen het baggerwerk te reduceren. Daartoe wordt onder andere een proef voorbereid waarbij baggerspecie structureel verder weg wordt gebracht. Door het verder wegbrengen binnen de Waddenzee (naar verder van de vaargeul gelegen verspreidingslocaties) zal het terugstromen van slib naar de vaargeul naar verwachting afnemen, wat een gunstig effect zal hebben op de jaarlijkse baggervolumes. De eerste resultaten van deze proeven zijn eind 2023 bekend.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de korte- en langetermijnoplossingen die zijn afgesproken met betrekking tot de bereikbaarheid van Ameland? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de vertragingen bij de veerboot Holwerd-Nes (Ameland)?
Het Open Plan Proces heeft in 2016 meerdere kortetermijnoplossingen aangedragen (Kamerstuk 31 409, nr. 108). Om de betrouwbaarheid van de veerverbinding te verbeteren, hebben rederij Wagenborg en Rijkswaterstaat de kortetermijnmaatregelen uit het Open Plan Proces uitgevoerd. De uitgevoerde maatregelen betreffen de bochtafsnijding Vloedgeul, het aanbrengen van een knip in de dienstregeling, het doorvoeren van optimalisaties in het laad-en losregime, het realiseren van een sneldienst en het optimaliseren van het baggerregime. Na het uitvoeren van deze kortetermijnmaatregelen is het aantal vertragingen vanaf 2019 afgenomen. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd in het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerstuk 23 635, nr. 71) en de beantwoording van vragen van de leden De Vries, Dijkstra en Ziengs (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 3778).
Daarnaast worden voor de lange termijn, zoals genoemd in de beantwoording van vraag 6, twee oplossingsrichtingen verder uitgewerkt in de VBA 2030. En verschijnt volgend jaar de Transitieschets Bereikbaarheid Waddengebied 2050, die handen en voeten krijgt in het kader van het Uitvoeringsprogramma Agenda voor het Waddengebied 2050. Deze stukken worden uiteraard ook met uw Kamer gedeeld.
Klopt het dat de eenmalige actie bij de vaargeul Westgat (tussen Ameland en Schiermonnikoog en van belang voor de haven van Lauwersoog) van een paar jaar terug ervoor heeft gezorgd dat deze goed op diepte blijft, ondanks de eerdere scepsis? Is er een evaluatie beschikbaar? Zo ja, kan de Kamer die krijgen? En wat leert Rijkswaterstaat uit deze casus voor de toekomst, ook voor andere situaties?
Het Westgat is in 2018 op verzoek van de regio, onder aanvoering van de provincie Groningen, als pilot eenmalig uitgebaggerd in opdracht van het Havenbedrijf Lauwersoog. Vanuit de verantwoordelijkheid als beheerder heeft Rijkswaterstaat inhoudelijke expertise aan de regionale partijen geleverd. Zoals gemeld in de antwoorden op Kamervragen van de leden De Vries en Dijkstra van 14 oktober 2020 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 651)) zal de eindevaluatie van de pilot de betrokken regionale partijen inzicht geven in de kosten en baten van de eenmalige verdieping van het Westgat. Door de provincie Groningen is in september 2020 namens de betrokken partijen een tussenevaluatie van de pilot uitgebracht. In die tussenevaluatie staat dat de baggeringreep bij het Westgat een versterkend effect heeft (gehad) op de economische betekenis van de haven. De eindevaluatie van de pilot wordt eind dit jaar afgerond. De resultaten zullen dan door de betrokken regionale partijen openbaar worden gemaakt.
Klopt het dat de vaargeul naar Ameland gebaggerd wordt volgens een vaste route en er dus niet wordt «meebewogen» met de veranderende vaargeul? Zo ja, waarom gebeurt dit op deze wijze en wordt niet aangesloten bij de veranderende vaargeul? Welke gevolgen heeft dit voor de hoeveelheid baggerwerk daar?
Nee, dat klopt niet. Bij het baggeren van de vaargeul wordt steeds gestreefd naar minimalisatie van de hoeveelheid baggerwerk, onder andere door bij het vaargeulonderhoud zoveel mogelijk de natuurlijke morfologische ontwikkelingen van de geulen te volgen.
Wat is de situatie met betrekking tot het diepte houden van de vaargeul Boontjes (IJsselmeer-Harlingen)? In hoeverre klopt het dat hier, ondanks de eerder genoemde aangenomen motie, het pact van Marrum en de Gebiedsagenda toch gesteggel over is? Wanneer kan hierover duidelijkheid worden gegeven?
Het Omgevingsberaad Waddengebied (OBW) heeft het Ministerie van IenW geadviseerd de passage over de vaarweg Kornwerderzand-Harlingen (Boontjes) in het ontwerp Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022–2027 in lijn te brengen met de tekst hierover in de Agenda voor het Waddengebied 2050. Voor de vaarweg Boontjes zou dit betekenen dit dat de huidige dimensies (diepte -3.80 m. NAP en breedte 100 m.) zou worden gegarandeerd gedurende de looptijd van het NWP (2022–2027).
Diverse stakeholders van het Omgevingsberaad Waddengebied zijn, naar aanleiding van informatie hierover in de verzamelbrief Wadden (Kamerstuk 29 684, nr. 220) van 6 oktober 2021, met elkaar in overleg gegaan of dit de juiste vertaling was van het Pact van Marrum en de Agenda voor het Waddengebied 2050.
In het Pact van Marrum dat in 2018 door de Waddenzeehavens en de Coalitie Wadden Natuurlijk (CWN) is ondertekend, zijn partijen overeengekomen dat natuur en havens van wereldklasse een gezamenlijke stip op de horizon vormen, die ze in nauwe onderlinge afstemming willen bereiken. Daarvoor onderschrijven partijen verschillende leidende principes. Een daarvan is dat bereikbaarheid van havens gegarandeerd blijft op de huidige afmetingen (diepgang en breedte) en dat ontwikkeling is gericht op vermindering van de impact van baggeren op de natuurwaar de in zee.
Inmiddels is er overleg geweest tussen stakeholders van het OBW over de doorvertaling. Dit heeft duidelijkheid gebracht omtrent bovenbedoelde passage in het NWP en het in lijn brengen van de Agenda.
Voor de vaarweg Boontjes betekent dit dat de huidige dimensies ten aanzien van diepte -3.80 m. NAP en breedte 100 m. in principe worden gegarandeerd gedurende de looptijd van het NWP (2022 tot en met 2027). De eerder met de regio afgesproken evaluatie van de onderhoudspilot van vaarweg Boontjes kan daarin echter nog wijziging brengen.
De evaluatie van de vaarweg Boontjes in 2022 zal worden uitgevoerd op de wijze zoals aangegeven door de voormalige Minister aan de hand van Kamervragen op 20 juli 2020 (Kamerstuk 3568). Bij deze evaluatie zullen niet alleen de overheden worden betrokken, maar ook de belanghebbende stakeholders, namelijk de havens en de Coalitie Wadden Natuurlijk (CWN). Op basis van de evaluatie, waarbij wordt gekeken naar de periode tot en met 2022 met een doorkijk naar de periode daarna, wordt bepaald hoe de situatie rond de Boontjes er vanaf 2023 tot en met 2027 (looptijd NWP) precies uit zal zien.
Het OBW zal schriftelijk worden geïnformeerd over, de hierboven aangegeven wijze waarop het NWP 2022–2027 in lijn wordt gebracht met de tekst in de Agenda voor het Waddengebied 2050.
De Waddenzeehavens, CWN en andere leden van het OBW geven aan de uitkomsten van deze evaluatie serieus te nemen. Bij de afweging van belangen zullen twee zaken tegelijkertijd meegewogen moeten worden, namelijk het verminderen van de impact van baggeren op de natuurwaarden en de het op orde houden van de bereikbaarheid van de haven van Harlingen via vaargeul Boontjes.
Het afschuwelijke recordafschot van wilde zwijnen op de Veluwe |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Recordafschot wilde zwijnen door voedseltekort in Veluwse bossen» en «Een zware winter zorgt niet voor sterfte bij zwijnen, dat doet de jacht»?1, 2
Ja.
Klopt het dat u geen nationaal overzicht heeft van de afschotcijfers, de vergeven afschotvergunningen en hoeveel zwijnen en/of herten er zijn geteld? Zo ja, hoe kunt u dan inhoud geven aan uw eindverantwoordelijkheid voor de natuur? Zo nee, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Dat klopt, dit overzicht heb ik niet. Toezicht op afschotcijfers is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van provincies. Faunabeheereenheden rapporten aan de desbetreffende gedeputeerde staten. Faunabeheereenheden publiceren deze vervolgens op hun website en deze is voor eenieder te raadplegen.
Systeemverantwoordelijkheid neem ik door toe te zien of het systeem functioneert en of een ieder in staat is zijn eigen rol te vervullen. Het Rijk is verantwoordelijk voor de kaders en ambities en de provincies zijn verantwoordelijk voor het invullen en uitvoeren van dit beleid. De keuze of de provincies maatregelen nemen die daarvoor zijn benoemd of andere – vergelijkbare of betere – maatregelen, is de verantwoordelijkheid van de provincies. Desgewenst kunnen Rijk en provincies hierover in overleg treden.
Controleert u de faunabeheerplannen van de provincies om invulling te geven aan uw eindverantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak controleert u deze plannen en hoe?
Nee, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangeef wordt door de gedeputeerde staten van de provincies toezicht gehouden op de faunabeheerplannen. Ik zie dit niet als mijn verantwoordelijkheid.
Kunt u aangeven hoe u invulling geeft aan uw eindverantwoordelijkheid met betrekking tot de staat van de natuur, wanneer u geen overzicht heeft van de draagkracht van leefgebieden en hoe deze zich tot elkaar verhouden?3
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u het inzicht dat u, als eindverantwoordelijke, een overzicht zou moeten hebben van de getelde dieren, de afschotcijfers en de omvang van de populaties in alle Nederlandse leef- en natuurgebieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dit opstellen?
Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven zie ik het niet als onderdeel van mijn systeemverantwoordelijkheid om overzichten en cijfers bij te houden. Provincies zijn hierin bevoegd gezag.
Klopt het dat er landbouwenclaves zijn op de Veluwe? Kunt u aangeven hoeveel hectare deze omvatten en wat er wordt verbouwd? Welk gedeelte van de gebieden is deugdelijk afgeschermd om schade van in het wild levende dieren te voorkomen?
Ja, er zijn landbouwenclaves op de Veluwe aanwezig. In totaal wordt 7.524 hectare (ha) (GDI, 2021) geheel omsloten door Natura 2000-gebied; daarvan is 3.006 ha in agrarisch gebruik en dus aan te merken als landbouwenclave. In volgorde van afnemende oppervlakte gaat het met name om grasland, snijmaïs, granen en aardappelen. Daarnaast vindt er ook agrarisch gebruik plaats binnen het Natura 2000-gebied Veluwe; het gaat daarbij om kleine locaties die mede van belang zijn voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. De omvang hiervan is 2.190 ha akker- en grasland. Deze oppervlakte is dus Natura 2000-gebied.
Op veel plekken zijn maatregelen getroffen om de gebieden af te schermen, bijvoorbeeld zwijn-kerende rasters rond de agrarische enclave Uddel Elspeet. Om welk deel van de landbouwenclaves het gaat, is niet exact bekend.
Hoeveel hectare van deze landbouwgebieden wordt meegerekend als Natura 2000-gebied?
2.190 ha akker- en grasland, zie mijn antwoord op vraag 6.
Hoeveel hectare van deze landbouwgebieden is ingetekend als nog niet gerealiseerde natuur?
Dit is terug te vinden in het Natuurbeheerplan (NBP) van de provincie4. In het NBP begrenzen en beschrijven provincies de gebieden waar beheerders subsidie kunnen krijgen voor het beheer en de ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen. De begrenzing is aangeduid op twee kaarten, de beheertypenkaart en de ambitiekaart. Op de beheertypenkaart staat de actuele natuursituatie voor het (agrarisch) natuurbeheer. Op de ambitiekaart staat de ambitie van de provincies voor de (agrarische) natuur. Het NBP wordt vastgesteld en gewijzigd bij besluit van gedeputeerde staten van de provincies.
Is er onderzoek gedaan naar de gevolgen voor trek- en zwerfgedrag van wolven wanneer hun leefgebied verstoord wordt door jacht op hun prooidieren en wat de effecten kunnen zijn voor hun foerageergedrag met betrekking tot landbouwhuisdieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn daarvan de resultaten?
Tot op heden is niet gebleken dat wolven verstoord worden door het beheer van grote hoefdieren. Wanneer wolven in gebieden komen met meerdere prooisoorten (dam-, edelhert, ree en wild zwijn) die in voldoende omvang aanwezig zijn, is het risico op predatie van landbouwhuisdieren laag. Wolven hebben een duidelijke voorkeur voor wilde dieren.
Is het u bekend dat jagers met name mannelijke dieren schieten en daarmee de natuurlijke populatiedynamiek kunstmatig beïnvloeden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid daar nader onderzoek naar te verrichten? Zo ja, hoe beoordeelt u het kunstmatig beïnvloeden van de natuurlijke populatiedynamiek en bent u bereid hier paal en perk aan te stellen?
Navraag bij de provincie Gelderland leert mij dat er in absolute aantallen meer vrouwelijke dieren worden geschoten dan mannelijke. Interpretatie en aansturing is aan gedeputeerde staten. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie hierbij neemt.
Kunt u aangeven of er nog gejaagd mag worden in delen van de Veluwe die mogelijk afgesloten worden vanwege toeristische drukte?4
Faunabeheer vindt uit oogpunt van veiligheid bij voorkeur plaats op rustige plekken. De precieze locatie is een afweging die de jachthouder maakt.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het verzoek van de ambassade in Kabul om militaire bijstand |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Henk Kamp (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft u het verzoek van de ambassade in Kabul tot militaire bijstand afgewezen? Op welke datum «in de aanloop naar de val van Kabul» is dat verzoek aan «Den Haag» gedaan? Is dat verzoek nader omschreven in de vorm van grootte en kwaliteit van die inzet?1
Zoals in het feitenrelaas (Kamerstuk 27 925, nr. 806) gemeld, werd de evacuatieplanning in mei 2021 verder ontwikkeld en uitgewerkt tot een concreet en uitvoerbaar plan voor een non-combattant evacuation operation(NEO) of extractie. Bij de debriefing van de verkenningsmissie die van 19 april tot 24 april 2021 plaatsvond voor de uitwerking van deze plannen is door de ambassade gesignaleerd dat eventuele militaire extractie waarschijnlijk niet zonder force protection uitgevoerd zou kunnen worden.
Op 16 augustus heeft de ambassade in Kaboel aangeraden om militaire capaciteit in de vorm van een team militairen van speciale eenheden beschikbaar te stellen voor extra bescherming (force protection), in aanvulling op de reeds aanwezige beveiligers van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Van afwijzing van een verzoek tot militaire bijstand is geen sprake geweest. Zoals in het feitenrelaas is aangegeven, vertrok dit team daags daarna (17 augustus) via Islamabad richting Kaboel. Binnen de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken is in aanloop naar de val van Kaboel geen ander verzoek om force protection vanuit de ambassade bekend dan dat van 16 augustus.
Waarom heeft u dit verzoek en uw afwijzing niet opgenomen in het feitenrelaas dat half september aan de Kamer is toegestuurd?
Zie het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de «ambassade pas op maandag 16 augustus, dus nadat Kabul was gevallen, heeft «aangeraden om militaire capaciteit beschikbaar te stellen voor extra bescherming»»? Wat waren de argumenten om dat wel te doen op 16 augustus en niet voor de val van Kabul op 15 augustus?
Ja. Zoals eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 27 925, nr. 807) heeft de snelheid van de inname van Kaboel door de Taliban de hele internationale gemeenschap, inclusief Nederland, overvallen. Tot aan de val van Kaboel was de inschatting niet dat de stad op een dergelijk korte termijn zou vallen.
Klopt de suggestie dat de verantwoordelijke bewindslieden in het weekend van 14 augustus geen tijd hadden om tot een beslissing te komen? Zo nee, wat waren dan de redenen?
Gedurende het weekend van 14 augustus vond over de ontwikkelingen in Afghanistan intensief overleg plaats binnen en tussen de verschillende ministeries, inclusief tussen de betrokken bewindspersonen. In het betreffende weekend was een beslissing over het al dan niet sturen van militaire capaciteit voor extra bescherming niet aan de orde.