Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
De uitspraak waaraan gerefereerd wordt in het nieuwsbericht betreft een tussenuitspraak en is geen definitief oordeel. Het past mij niet om mij te mengen in een zaak die onder de rechter is of daar een oordeel over te geven. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Binnen de Europese Unie (EU) is overlevering mogelijk. Middels een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) kan een EU-lidstaat verzoeken om de overlevering van de verdachte van een misdrijf of een veroordeelde. Een EAB is gebaseerd op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB), dat in Nederland geïmplementeerd is in de Overleveringswet. De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam is als enige in Nederland bevoegd om te oordelen over inkomende overleveringsverzoeken. De IRK beslist per individueel geval of de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd en toetst hierbij het EAB aan de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Onderdeel van die toets is dat de uitvoering van een EAB niet tot gevolg mag hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen wordt aangetast. De situatie in de Nederlandse gevangenissen is geen onderdeel van die toets.
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Jaarlijks vinden er vele overleveringen naar België plaats. Daarbij worden altijd garanties opgevraagd bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden. Tot op heden hebben de detentieomstandigheden in België er niet toe geleid dat er geen gevolg werd gegeven aan een EAB.
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Het is een grondwettelijk en rechtsstatelijk uitgangspunt dat de rechtspraak onafhankelijk en onpartijdig is. Ik heb dan ook geen mogelijkheden om sturing te geven aan de IRK en dit zou ook niet passend zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Ja.
Het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat door extreme regenval in Marokko en Spanje de aanvoer van groente en fruit naar Nederland afneemt?1
Ja.
Deelt u de constatering dat deze situatie zichtbaar maakt hoe afhankelijk Nederland voor een deel van zijn voedselvoorziening is van productie in het buitenland?
Voedselvoorziening is een systeemvraagstuk. Een samenhangend netwerk van import, productie, verwerking, verhandeling en logistiek. Ik deel de constatering dat de Nederlandse voedselvoorziening voor een deel is gebaseerd op invoer van voedsel uit het buitenland. Dit draagt bij aan een grote zekerheid van een divers, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod in Nederland en daarmee aan een grote mate van voedselzekerheid.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de Nederlandse voedselzekerheid wanneer beschikbaarheid van voedselproducten direct wordt beïnvloed door weersomstandigheden in andere landen?
De invoer van voedsel uit het buitenland maakt het Nederlandse voedselsysteem minder kwetsbaar voor structurele verstoringen en draagt bij aan een divers en betaalbaar voedselaanbod. De Europese interne markt is daarbij van groot belang voor zowel de beschikbaarheid van voedsel uit andere EU-lidstaten als de afzet van Nederlandse producten, en draagt daarmee bij aan de robuustheid van het Europees voedselsysteem. Hetzelfde geldt voor invoer uit en afzet in derde landen.
Als Nederland de voedselvoorziening voornamelijk zou baseren op binnenlandse productie, zou het aanbod niet alleen minder divers zijn maar ook duurder uitvallen, omdat sommige producten hier niet, beperkt of alleen tegen hogere kosten dan elders kunnen worden geproduceerd. Bovendien zou de voedselzekerheid kunnen afnemen, doordat ook in Nederland buitengewone weersomstandigheden kunnen leiden tot tegenvallende of mislukte oogsten.
De gevolgen voor de Nederlandse voedselzekerheid van buitengewone weersomstandigheden in specifieke productielanden, zoals Spanje of Marokko, blijven doorgaans beperkt doordat er alternatieven beschikbaar zijn, zoals: Nederlandse seizoensproducten, verwerkte voedselproducten (o.a. ingevroren, ingeblikte of gedroogde groenten en fruit) en import uit andere landen.
Heeft u inzicht in de mate waarin Nederland voor de dagelijkse voedselvoorziening nu al afhankelijk is van specifieke buitenlandse regio’s? Zo ja, kan u dit overzicht met de Kamer delen?
Zoals eerder aan uw Kamer toegezonden, bevat het rapport: De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2025, in hoofdstuk 8 («Afhankelijkheden in de Nederlandse landbouwimport»), gedetailleerde informatie over de afhankelijkheid van voedselproducten uit verschillende regio’s buiten Europa.2
In hoeverre wordt in het huidige landbouw- en voedselbeleid expliciet rekening gehouden met het verkleinen van deze afhankelijkheid?
Het betrekken van voedsel uit meer bronnen dan alleen binnenlandse productie draagt bij aan een hoge mate van zekerheid en een gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedselaanbod. Eventuele leveringsonderbrekingen uit binnen- of buitenland kunnen in de regel worden opgevangen door productsubstitutie of diversificatie van importstromen om kwetsbaarheden te laten afnemen. Tegelijkertijd blijft het van belang om de Nederlandse voedselvoorziening voor de lange termijn weerbaar te maken tegen uiteenlopende risico's, waaronder klimaat- en geopolitieke risico's. Dit ziet niet alleen op voedselproductie zelf, maar ook op de beschikbaarheid van essentiële grondstoffen en productiemiddelen voor de landbouw, zoals kunstmest, energie, veevoergrondstoffen en (onderdelen van) landbouwmachines. Mijn departement zet zich daarom in voor de waarborging van de beschikbaarheid van deze cruciale voedsel- en productiemiddelen.
Deelt u de opvatting dat een sterke en toekomstbestendige Nederlandse landbouwsector een belangrijke randvoorwaarde is voor de voedselzekerheid van ons land?
De voedselzekerheid van Nederland leunt in belangrijke mate op een robuust, duurzaam en toekomstbestendig agrocomplex. Dat betekent niet dat we volledig zelfvoorzienend moeten zijn. Het is daarbij van belang te benadrukken dat de kracht van het Nederlandse agrocomplex ook deels is gebaseerd op de import van voedsel van binnen en buiten de EU en onmisbare productiemiddelen, die een belangrijke randvoorwaarde vormen voor een hoge mate van voedselzekerheid. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 5 zou zonder import het voedselaanbod in Nederland minder zeker, minder divers en bovendien duurder zijn. Ik sta voor een sterke, toekomstbestendige en duurzame landbouwsector, functionerend binnen goed functionerende internationale voedselketens.
Hoe weegt u het belang van het behouden en versterken van binnenlandse voedselproductie mee bij beleidskeuzes die effect hebben op de omvang en mogelijkheden van de Nederlandse landbouwsector?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 3, 5 en 6 produceert Nederland niet al het voedsel zelf dat in ons land wordt geconsumeerd. De binnenlandse landbouwproductie is mede afhankelijk van de invoer van productiemiddelen. Tegelijkertijd wordt in Nederland een aanzienlijke hoeveelheid voedsel geproduceerd, bewerkt en verwerkt voor de export, wat bijdraagt aan het verdienvermogen. Dit betreft onder meer de productie van dierlijke producten zoals zuivel, vlees en eieren, naast plantaardige producten zoals aardappelen, uien en diverse groenten uit de tuin- en akkerbouw waarin Nederland een belangrijke positie heeft opgebouwd. Daarnaast speelt de voedselverwerkende industrie een belangrijke rol in de verwaarding van landbouwproducten, bijvoorbeeld door melk te verwerken tot kaas of cacaobonen tot chocolade. Deze vorm van waardecreatie borgt de internationale exportpositie van Nederland.
Het versterken van de binnenlandse voedselproductie betekent in deze context dat een deel van de huidige landbouwactiviteiten vervangen zou moeten worden door de productie van voedsel dat nu in Nederland in onvoldoende mate wordt geproduceerd. Gezien de Europese interne markt acht ik dat niet noodzakelijk en kan dit bovendien leiden tot een minder optimale uitkomst wat betreft een voldoende, divers en betaalbaar voedselaanbod. Voor de voedselzekerheid in Nederland is het daarom niet vereist dat de omvang of samenstelling van de land- en tuinbouw per se ongewijzigd blijft. Daarbij geldt ook dat beslissingen over wat en hoeveel er wordt geproduceerd, primair bij de agrarische ondernemers liggen, binnen de kaders van een verantwoorde omgang met natuur, milieu en leefomgeving.
Welke concrete maatregelen neemt u om de eigen productiecapaciteit van voedsel in Nederland te beschermen en waar mogelijk te versterken, juist met het oog op toenemende internationale onzekerheden en klimaatrisico’s?
Het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen is van groot belang en heeft de volle aandacht van het kabinet. Voedselvoorziening maakt onderdeel uit van de rijksbrede aanpak voor weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen. Zo wordt voedselvoorziening opgenomen in de nationale vitale infrastructuur. Tegelijkertijd brengt de overheid strategische afhankelijkheden in kaart en neemt zij waar nodig gerichte mitigerende maatregelen. Op Europees niveau draagt het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bij aan het versterken van de voedselzekerheid door een stabiele en duurzame landbouwproductie binnen de Europese Unie te waarborgen.
Bent u bereid om voedselzekerheid expliciet als zwaarwegend criterium mee te nemen bij toekomstige besluiten die gevolgen hebben voor de Nederlandse landbouwproductie?
Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van de overheid. Daarom is het van belang om voldoende productie van belangrijke voedselproducten in Nederland te handhaven op een duurzame wijze. Daarnaast is het van belang om maatregelen te nemen om de invoer van voedselproducten van elders te waarborgen, om zo veel mogelijk comparatieve voordelen te benutten. Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en open en diverse handelsstromen vormt daarvoor de basis.
Deelt u de opvatting dat een landbouwsector die op voldoende schaal en met voldoende productievolume opereert, economisch weerbaarder en minder kwetsbaar is voor verstoringen dan een sector die slechts op minimale schaal produceert voor uitsluitend de binnenlandse markt?
De kracht en kwetsbaarheid van land- en tuinbouwbedrijven en deelsectoren worden niet alleen bepaald door schaalgrootte en productievolume. Hoewel schaal en volume kunnen bijdragen aan efficiëntie en concurrentiekracht, brengen ze onder bepaalde omstandigheden ook risico’s met zich mee, zoals zichtbaar werd tijdens de vraaguitval in de COVID-19-pandemie en bij extreme weersomstandigheden. Daarom is het van belang dat, naast het nastreven van schaalvergroting en doelmatigheid, ook wordt ingezet op diversificatie van zowel productie als handelsstromen en op het versterken van de weerbaarheid van de landbouwsector en de gehele voedselvoorzieningsketen. Handelsverdragen kunnen hierin een aanvullende rol spelen.
Deelt u de opvatting dat export van Nederlandse landbouwproducten een logisch onderdeel is van een goed functionerende mondiale economie, waarbij Nederland landbouwproducten exporteert en andere landen bijvoorbeeld techniek, auto’s of grondstoffen exporteren die Nederland importeert?
Net zoals Nederland profiteert van de invoer van voedselproducten waarin andere landen comparatieve voordelen hebben, kan de voedselzekerheid in andere landen worden versterkt door de invoer van landbouwproducten waarin Nederland zelf comparatieve voordelen heeft. Afhankelijkheden werken immers twee kanten op. Naast landbouwproducten produceert Nederland bovendien veel andere goederen die in het buitenland gewild en gevraagd zijn. Export en import, van producten en diensten uit andere economische sectoren dan de landbouw dragen eveneens bij aan de welvaart, en daarmee ook de voedselzekerheid, in Nederland.
Deelt u de mening dat juist deze exportpositie bijdraagt aan de economische kracht, innovatie en continuïteit van de Nederlandse landbouwsector en daarmee indirect ook aan de voedselzekerheid van Nederland zelf?
Ja. Zie ook het antwoord op de vorige vraag.
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Tieman , Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Het bericht ‘Bijna een half miljoen mensen die niet kunnen werken vallen tussen wal en schip’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna een half miljoen mensen die niet kunnen werken vallen tussen wal en schip» uit Trouw van dinsdag 10 februari 2026?1
Ja.
Deelt u de mening van Patricia Van Echtelt dat de Participatiewet tot een uitzichtloze situatie leidt en voor veel mensen een eindstation is? Zo nee, waarom niet?
De Participatiewet vormt een vangnet dat tegelijkertijd bedoeld is om mensen ertoe te bewegen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Voor veel mensen kan dat ook en is de Participatiewet toereikend2. Voor veel mensen is de wet een vangnet en een springplank naar werk. In 2024 zijn bijna 52.000 mensen vanuit de bijstand aan het werk gegaan. Daarnaast is een groeiende groep mensen die langdurig of structureel niet in staat is om te werken afhankelijk van de Participatiewet. Zij zijn door een chronische ziekte of beperking niet in staat om zich «uit de bijstand te werken». Dit wordt bevestigd in de probleemanalyse van de Participatiewet3 en door de commissie die in 2024 een probleemanalyse en oplossingsrichtingen voor de WIA heeft opgesteld (OCTAS).4
Eerder heeft voorgaande Staatssecretaris bij de Kamer aangekondigd mogelijkheden te onderzoeken hoe deze doelgroep tegemoet kan worden gekomen. Het Ministerie van SZW werkt momenteel aan het in beeld brengen van de mogelijkheden. Dit is onderdeel van de fundamentele herziening van de Participatiewet (spoor 2 van het programma Participatiewet in Balans). De Tweede Kamer is hierover in juli 2025 geïnformeerd.5
Bent u het ermee eens dat het stelsel van uitkeringen op dit moment zo is ingericht dat mensen geen passende uitkering of onvoldoende uitgekeerd krijgen? Zo nee, waarom niet?
De sociale zekerheid in Nederland werkt voor veel mensen goed en biedt passende ondersteuning en motivatie. Maar we zien ook dat er knelpunten zijn en dat de uitkeringen en daarbij behorende verplichtingen niet voor iedereen passend zijn. Dat geldt voor mensen die zich door ziekte of beperking niet uit de bijstand kunnen werken.
In het coalitieakkoord Aan de slag is aangegeven dat het belangrijk is dat we samenwerken aan een sociale zekerheid die begrijpelijk en betrouwbaar is voor mensen, activerender is, en werkbaar en robuust voor de uitvoering. Daarom hebben wij in het coalitieakkoord opgenomen dat we kiezen voor een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast hervormen we de Participatiewet. Daarbinnen moeten beleidskeuzes worden uitgewerkt die wij deze kabinetsperiode graag met uw Kamer willen bespreken.
In deze herziening is er oog voor de knelpunten in het huidige stelsel. Zoals arbeidsongeschikten die onder of buiten de Participatiewet vallen. Ook werkt het kabinet verder aan voorstellen voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (Baz). In het coalitieakkoord hebben we aandacht voor de groep mensen in de Participatiewet die echt niet kan werken. Hen zullen wij niet constant vragen dit toch te doen.
Wat gaat het kabinet doen voor de bijna 500.000 mensen die in het artikel worden genoemd? Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat deze mensen wel de juiste uitkering en het juiste bedrag uitgekeerd krijgen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de visie van dit kabinet op het stelsel van arbeidsongeschiktheid wat uitvoeriger beschrijven en daarbij meenemen welke knelpunten het kabinet ziet en aan welke richting van oplossingen het kabinet daarbij denkt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke hardheden ziet het nieuwe kabinet in de Participatiewet? En aan welke oplossingsrichtingen voor die hardheden denkt het nieuwe kabinet?
In het coalitieakkoord Aan de slag wordt ingezet op hervorming van de Participatiewet. Met spoor 1 van de Participatiewet in Balans is wetgeving tot stand gekomen die grotendeels per 1 januari 2026 is ingevoerd. De rest volgt per 2027. Deze wet richt zich op het doorvoeren van ruim twintig verbeteringen in de Participatiewet om de bijstand eenvoudiger en menselijker te maken. Het coalitieakkoord spreekt over het voortzetten van het hervormen van de Participatiewet (spoor 2). Daarbij ligt de focus op dat meer mensen de weg naar werk vinden door «inzet op zeer intensieve begeleiding». Daarnaast werkt het Ministerie van SZW ook samen met de VNG aan spoor 3 van de herziening van de Participatiewet. Dat gaat over het vakmanschap van de uitvoering. Ook deze maatregelen dragen bij aan een beter werkende Participatiewet voor mensen, werkgevers en de uitvoerders bij gemeenten.
Op welke manier zal het beleid van het nieuwe kabinet richting arbeidsongeschiktheid afwijken van dat van het oude kabinet?
Het kabinet werkt aan een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het uitgangspunt hierbij is dat mensen op een goede en snelle manier worden begeleid naar werk. Er zijn eerder verschillende rapporten verschenen die de noodzaak en urgentie van een herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid onderstrepen, zoals het eerdergenoemde OCTAS-rapport en het IBO «Werk aan de WIA». Naar aanleiding van deze adviezen investeert het kabinet onder andere in taakherschikking bij UWV en het verbeteren van het proces rondom herbeoordelingen. Ook wordt de IVA-uitkering voor nieuwe instroom afgeschaft. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de WIA weer uitvoerbaar te maken.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Bent u bekend met het onderzoek van de Justitiecommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin Nederlandse en Europese organisaties onder vuur worden genomen vanwege hun rol bij de handhaving van de Digital Services Act (DSA)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de reactie van Bits of Freedom en Justice for Prosperity? Wat is hierop uw reactie?2
Ja. Het kabinet onderschrijft het belang van de handhaving van Europese digitale wetgeving. Toezichthouders en NGO’s spelen een belangrijke rol hierin en het kabinet zet zich ervoor in dat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken zonder belemmering kunnen uitvoeren.
Hoe reageert u op de aantijgingen die in het rapport worden gemaakt, waaronder richting de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en NGO’s als Bits of Freedom en Justice for Prosperity?3
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport.
Kunt u bevestigen dat de ACM simpelweg haar wettelijke taak uitvoert door de DSA te handhaven? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Dat kan het kabinet bevestigen en die zienswijze deelt het kabinet.
Kunt u bevestigen dat Bits of Freedom en Justice for Prosperity hun maatschappelijke taak vervullen door betrokken te zijn bij de handhaving van de DSA? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Dat kan het kabinet bevestigen en die zienswijze deelt het kabinet. De effectiviteit van de DSA wordt niet alleen bepaald door handhaving door toezichthouders, maar ook door bijdragen van maatschappelijke organisaties, onderzoekers, gebruikers van platforms en onafhankelijke geschilbeslechtingsorganen, die allemaal rechten ontlenen aan de DSA.
Welke status heeft dit rapport? Heeft u reden om te geloven dat hieruit sancties of maatregelen richting EU-lidstaten kunnen of zullen volgen?
Dit document is een staff report van de Republikeinse meerderheid van het Judiciary Committee in het Huis van Afgevaardigden van de VS. Met dit rapport op zichzelf kunnen geen sancties of maatregelen jegens EU-lidstaten worden ingesteld.
Wat vindt u van de beschuldiging dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onder druk worden gezet omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren? Heeft u hierover contact gehad met Amerikaanse vertegenwoordigers? Zo niet, kunt u dit alsnog doen?
Het kabinet vindt het niet passend dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onderwerp zijn van kritiek omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren. Het betreft wetgeving die democratisch tot stand is gekomen. Het is onjuist om natuurlijke personen of organisaties daarop aan te spreken. Toezichthouders en NGO’s spelen een belangrijke rol in het Nederlandse bestel en het kabinet zet zich ervoor in dat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken zonder belemmering kunnen uitvoeren.
Er is via verschillende kanalen regulier contact met Amerikaanse vertegenwoordigers. In die contacten heeft het kabinet ook haar zienswijze over deze casus uitgedragen. Zoals dat wanneer er een dispuut over beleid of regelgeving is, de discussie daarover via politici en beleidsmakers gevoerd moet worden.
In algemene zin blijft het kabinet zich inspannen voor de trans-Atlantische band. Tegelijkertijd benutten we diplomatieke kanalen om de VS aan te spreken wanneer hun acties onze waarden en belangen ondermijnen, altijd met oog voor de relatie en het behoud van kritieke veiligheidsbelangen.
Bent u op de hoogte van berichtgeving waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid VS-diplomaten in Europa heeft geïnstrueerd om de DSA te traineren en frustreren?4 Hoe kijkt u naar deze werkwijze van de Verenigde Staten?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Is de Amerikaanse ambassade in Nederland ook actief bezig met verzet tegen de handhaving van de DSA? Kunt u dit bevestigen, en toezeggen dat u contact met de ambassade opneemt om op te komen voor de vrijheid van onze toezichthouders en NGO’s?
Het staat de Amerikaanse regering vrij een positie te hebben op de DSA en deze uit te dragen.
Het kabinet is in gesprek met vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering over de DSA. De precieze inhoud van deze gesprekken is vertrouwelijk, maar in algemene zin spant het kabinet zich ervoor in dat toezichthouders en NGO’s hun wettelijke en maatschappelijke taak zonder belemmering kunnen vervullen. Hiermee geeft het kabinet uitvoering aan het regeerakkoord waarin staat dat diplomatieke kanalen worden benut om de VS aan te spreken wanneer hun acties onze waarden en belangen ondermijnen, altijd met oog voor de relatie en het behoud van kritieke veiligheidsbelangen.
Veroordeelt u de handelwijze van de Amerikaanse justitiecommissie, nu Nederlandse organisaties onder schot staan voor het uitvoeren van hun wettelijke en maatschappelijke taken?
Het kabinet deelt de inhoud van het rapport niet. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid maatregelen te nemen om de ACM, Bits of Freedom en Justice for Prosperity te beschermen tegen mogelijke Amerikaanse maatregelen naar aanleiding van het rapport van de justitiecommissie?
De inzet van het kabinet is erop gericht dat toezichthouders en NGO’s hun wettelijke en maatschappelijke taak zonder belemmering kunnen uitvoeren. Maatschappelijke organisaties hebben daarbij het recht op vereniging en vrijheid van meningsuiting. Mogelijke maatregelen naar aanleiding van het rapport tegen deze organisaties zal het kabinet volgen en het kabinet zal daarbij opkomen voor hun belangen.
Zegt u toe om deze Nederlandse organisaties bij te staan als tegen hen een inreisverbod wordt ingevoerd? Op welke manier kunt u hen hulp aanbieden?
Zie de beantwoording van vraag 11. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en zal indien nodig opkomen voor de belangen van deze organisaties. Van inreisverboden is op dit moment echter geen sprake.
Hoe reageert u, in het licht van het rapport uit het Huis van Afgevaardigden, op het feit dat de Verenigde Staten eerder toegang tot het land hebben geweigerd voor Eurocommissaris Thierry Breton en vier vertegenwoordigers van NGO’s?
Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Kathmann, van der Lee en Dassen over de aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven, heeft het kabinet net als de Europese Commissie en diverse andere EU-lidstaten zijn zorgen uitgesproken over deze visa-restricties en deze veroordeeld.
Veroordeelt u, net als de Europese Commissie, de handelwijze van de Verenigde Staten nu zij pleitbezorgers van techregulering bestraffen?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de zorgen van de indiener dat de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU en haar lidstaten kan leiden tot aarzeling bij het versterken en handhaven van Europese techregulering, zoals scherpere maatregelen tegen manipulatieve algoritmen en een digitaledienstenbelasting?
Het kabinet steunt de Europese Commissie en andere toezichthouders in het onverkort en niet-discriminatoir handhaven van de DSA, ongeacht waar de bedrijven vandaan komen. Op dit moment lopen diverse onderzoeken en procedures naar bedrijven, waardoor het kabinet op dit moment geen zorgen heeft dat de houding van de VS leidt tot terughoudendheid of aarzeling bij handhaving.
Bent u het met de indiener eens dat Europa juist ondubbelzinnig en eensgezind moet blijven pleiten voor het strenger handhaven van wet- en regelgeving die de macht van Big Tech beteugelen, zoals gevraagd in de motie-Kathmann [Kamerstuk 30 821-264]?
Het kabinet steunt de Europese Commissie in het handhaven van de Europese digitale wetgeving en onderstreept het belang bij het als EU eensgezind op te treden in het geval van druk of tegenmaatregelen.
Ziet u in de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU aanleiding om versneld te verkennen hoe Nederland haar afhankelijkheid van Amerikaanse techdiensten kan afbouwen, zowel in de ICT-dienstverlening als bij de communicatieplatforms?
De VS zijn de wereldmacht met wie wij de meeste belangen delen. We blijven ons daarom inspannen voor goede trans-Atlantische relaties. Tegelijkertijd is het kabinet zich bewust van potentiële risico’s van afhankelijkheden. In het regeerakkoord wordt dan ook stevig ingezet op het versterken van onze digitale autonomie. Hiertoe zet het kabinet onder andere in op het versterken van de Europese digitale sector, met stimulerende, beschermende en partner maatregelen (promote, protect, partner).
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Ja, dat heb ik. Op 2 februari 2026 stuurde het vorige kabinet een Kamerbrief met een eerste appreciatie van deze uitspraak1 en op 10 april over de beslissing om hoger beroep in te stellen2.
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Ja, en dit gebeurt ook. Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet (Gw). Artikel 91, eerste lid, Gw bepaalt dat het Koninkrijk niet aan verdragen gebonden mag worden zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De verplichting tot naleving van internationaal recht is vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland op internationaal niveau binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Bij de totstandkoming van nationale wet- en regelgeving wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Al bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden belanghebbende partijen betrokken, bijvoorbeeld door hen te verzoeken te adviseren. Hierbij worden ook uitvoeringsconsequenties betrokken. Als het wetsvoorstel vervolgens via internetconsultatie openbaar wordt gemaakt kunnen burgers, organisaties of professionals adviseren, hun mening of feedback geven. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie wordt een belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante belangen worden betrokken.
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
In het algemeen kan ik over de scenario's die zijn gebaseerd op het IPCC-rapport het volgende mededelen: alle scenario’s zijn gebaseerd op modelberekeningen. Ieder scenario is een mogelijkheid. De rechtbank heeft het in de uitspraak over de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer. Voor ieder mogelijk scenario geldt dat er een verschil in waarschijnlijkheid van het scenario zit.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Wetenschap dient serieus genomen te worden. De rechtbank beschrijft in de uitspraak de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. (zie ook het antwoord op vraag 3).
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Het past mij als bewindspersoon niet om duiding te geven aan de overwegingen in een rechterlijke uitspraak. In het algemeen kan ik zeggen dat de rechtbank de «zeespiegelstijging tot 127 cm» niet als feit maar als mogelijk scenario noemt. Er is geen reden om dit scenario uit te sluiten als mogelijkheid, dit doen het IPCC en het KNMI ook niet. De rechtbank geeft slechts aan wat in verschillende scenario’s de verwachte zeespiegelstijging is. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer.
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Het klopt dat artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs spreekt over «ruim onder 2°C» en «streven de stijging te beperken tot 1,5 °C». De rechtbank geeft in de uitspraak aan dat na de Overeenkomst van Parijs de klimaatdoelen uit de Overeenkomst van Parijs steeds zijn bevestigd en zelfs aangescherpt. Gelet op het toenemende aantal rampen door extreme weersomstandigheden en nadere wetenschappelijke inzichten besloten de VN-verdragstaten onder andere bij het Glasgow Climate Pact (COP26), het Sharm el Sheikh Implementation Plan (COP27) en de First Global Stocktake in Dubai (COP28) dat de opwarming van de aarde moet worden beperkt tot maximaal 1,5 °C. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In het IGH-advies kwalificeert het IGH de temperatuurgrens van 1,5°C als het overeengekomen primaire doel van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs ter beperking van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Er is een aantal maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan. Bijvoorbeeld in de afgelopen vier jaar in het kader van fase 1 van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. Deze zijn afgestemd met het Openbaar Lichaam Bonaire, gefinancierd door het Rijk, en uitgevoerd door lokale organisaties onder aansturing van het Openbaar Lichaam. Het gaat hierbij om een koraalrestauratieproject, natuurherstel Slagbaai, verbetering van beheer van afvalwater door onder andere uitbreiding van de RWZI, bestrijding van Sargassum, maar ook de aanpak van loslopend vee zodat er minder sedimentafspoeling richting zee plaatsvindt. Voor fase 2 zal samen met de Openbare Lichamen vastgesteld worden welke maatregelen nodig zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Deze maatregelen vallen onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Er zijn maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 9). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak aangeeft dat landen een deelverantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen om klimaatverandering te voorkomen.
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Deze veronderstelling in uw vraag deel ik niet. In een civielrechtelijke procedure als onderhavige stellen partijen eigen processtukken op. Zo heeft de Staat met een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek gereageerd op de vorderingen en stellingen van Greenpeace. Door middel van deze processtukken heeft de Staat verweer gevoerd tegen stellingen waar volgens de Staat een andere interpretatie van bestaat of stellingen die volgens de Staat onjuist of onvoldoende onderbouwd waren.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak3 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode. De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt.
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd, zie het antwoord op vraag 13.
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. In de rechtszaak over klimaatverandering op Bonaire heeft de Staat geen aanleiding gezien om de landsadvocaat te vragen een wrakingsverzoek in te dienen. Zie verder het antwoord op vragen 13 en 14.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling. De Code zaakstoedeling4 heeft tot doel te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan de rechters worden toegedeeld. Een rechter kan aldus betrokken zijn bij meerdere uitspraken. Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze Code in dit geval onjuist is toegepast of dat voornoemde gedragscodes zijn geschonden (zie het antwoord op vragen 13 en 14).
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Het kabinet heeft de Kamer geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Zoals hiervoor al is gemeld, is er geen aanleiding geweest voor de Staat om de rechter te wraken. De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen.
Een herziening (of zoals dat in het civiele recht heet, een herroeping) is overigens in Nederland alleen mogelijk als tegen de uitspraak geen rechtsmiddel meer openstaat (en in zeer uitzonderlijke gevallen). Daarvan is in dit geval geen sprake.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De Kamerbrief Toekomst exportkredietverzekering |
|
Inge van Dijk (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Loopt de aanbesteding van de exportkredietverzekeringen (EKV) nog conform planning, te weten een selectie van drie partijen in de periode januari/maart en een gunningsfase t/m september?
Ja, de verwachting is dat de aanbesteding conform planning nog dit jaar afgerond wordt. In september 2025 is een markt- en stakeholderconsultatie doorlopen, waarin belangrijke stakeholders bij de ekv-uitvoering (zoals ekv-gebruikers, ngo’s en belangenorganisaties, zoals VNO-NCW/MKB-Nederland) zijn geconsulteerd over de concept-aanbestedingsstukken. In januari van dit jaar is vervolgens de aanbesteding formeel begonnen.2
De selectiefase is recentelijk afgesloten. In deze fase hebben zich partijen gemeld om deel te nemen aan het gunningsproces. Na beoordeling van hun stukken, zijn de geselecteerde partijen uitgenodigd om deel te nemen aan de gunningsfase. De voorlopige gunning aan één partij wordt verwacht in de zomer van 2026.3 De aanbesteding bevindt zich daarmee in een vergevorderd stadium. Na afloop van de bezwaartermijn4 kan de definitieve gunning nog dit jaar plaatsvinden. Daarmee is de aanbesteding afgerond.
Kunt u een indicatie geven van de looptijd van het contract (in jaartallen vanaf 2029) dat met deze aanbesteding wordt gegund?
Ik zal de uitvoering voor een initiële periode van 7 jaar aanbesteden.5 Deze periode begint te lopen vanaf de ondertekening van een overeenkomst met een winnende partij, waarbij het streven is om dat eind van dit jaar te doen. Vanaf de start van deze overeenkomst kan deze jaarlijks met 1 jaar worden verlengd, tot maximaal 25 jaar. Dit biedt flexibiliteit voor de Staat om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te kiezen, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en de ekv-uitvoerder zekerheid te bieden.
Het bovenstaande betekent concreet: de beoogde ingangsdatum van de overeenkomst is eind 2026. Dit betekent dat de initiële periode van 7 jaar eind 2033 afloopt, indien er geen tussentijdse verlenging plaatsvindt.
Erkent u de kansen die door Invest-NL en Invest International worden geschetst in hun position paper2 om het instrument EKV onderdeel te laten zijn van de op te richten Nationale Investerings Instelling (NII)?
In enkele Europese landen is het ekv-instrument met financieringsinstrumenten in een instelling gecombineerd. Dit kan voordelen bieden voor een integrale financieringsaanpak, maar deze voordelen kunnen ook bereikt worden door een goede samenwerking. Dit is reeds het geval in Nederland (zie vraag 4). De ekv-uitvoering wordt momenteel aanbesteed aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. De aanbesteding is in een vergevorderd stadium. De voorbereiding van een eventuele toevoeging van de ekv aan de nog op te richten nationale investeringsinstelling is een complex en een meerjarig traject en lost de onrechtmatigheid van de ekv-uitvoering op korte termijn niet op. De genoemde contracttermijn (zie vraag 2) biedt voldoende tijd om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te bezien, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en een ekv-uitvoerder zekerheid te bieden. Na afloop van het contract is voorzien in een exit plan in geval van een nieuwe uitvoerder, zoals een staatsdeelneming in de vorm van de NII. In het huidige contract met de ekv-uitvoerder bestaat een dergelijk exit plan niet.
Zo niet, hoe reflecteert u op het feit dat de EKV een integraal onderdeel is van vergelijkbare nationale publieke financieringsinstellingen, waaronder Bpifrance Frankrijk en EIFO in Denemarken?
Er zijn raakvlakken tussen de benodigde dienstverlening voor de ekv en de taken die momenteel worden uitgevoerd door Invest International. De twee partijen werken dan ook al nauw samen, bijvoorbeeld wanneer financiering door Invest International gecombineerd wordt met een ekv-dekking. Daarnaast worden klanten snel en adequaat doorverwezen naar de juiste organisatie. Hierdoor ontstaat voor ekv-gebruikers een Whole-of-Government / 1 loket ervaring, waarop de Nederlandse ekv reeds hoog scoort, vergelijkbaar met Bpifrance in Frankrijk en EIFO in Denemarken.7 De TeamNL-benadering, oftewel de gezamenlijke inzet van de Nederlandse overheid en private partners om export te stimuleren, is gericht op het versterken van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. De aanpak is gericht op het wegnemen van financiële en andere handelsbelemmeringen en een optimale informatievoorziening over kansen voor Nederlandse exporteurs. Deze samenwerking en de verdere intensivering hiervan, vinden wij belangrijk en de rol van de ekv uitvoerder hierin als pro-actieve partner is als eis opgenomen in de aanbestedingsstukken.
Wat is het eerstvolgende moment waarop, wanneer de EKV gegund wordt conform lopende aanbesteding, de EKV onderdeel zou kunnen worden van de NII?
Het is op dit moment niet voorzien dat de ekv onderdeel wordt van de NII. Contractueel gezien zou dit op zijn vroegst eind 2033, conform de lopende aanbesteding, mogelijk zijn. Zie ook de termijn in antwoord op vraag 2.
Welke opties zijn er om binnen de lopende aanbesteding de EKV onder te brengen bij de op te richten NII (en dus in de praktijk bij Invest-NL/Invest International)?
Er zijn geen opties om binnen de lopende aanbesteding de ekv onder te brengen bij de op te richten NII. En zonder aanbesteding blijft de onrechtmatigheid bestaan.
Kunt u in kaart brengen wat de voor- en nadelen zouden zijn van het stopzetten van de lopende aanbesteding en de EKV zo snel mogelijk bij de op te richten NII onder te brengen?
Het vorige kabinet heeft besloten om de ekv-uitvoering aan te besteden aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. Ik wil deze onrechtmatigheid zo snel mogelijk oplossen.
De aanbesteding zorgt – na een periode van onzekerheid naar aanleiding van de constatering van de Algemene Rekenkamer van de comptabele onrechtmatigheid- voor rust en duidelijkheid in de ekv-uitvoering. Inmiddels bevindt het aanbestedingsproces zich in een vergevorderd stadium. Het tussentijds beëindigen van de aanbesteding zou de overheid richting het bedrijfsleven en geïnteresseerde partijen tot een onbetrouwbare partner maken en de onzekerheid rondom de uitvoering weer vergroten. Bovendien zou de onrechtmatigheid dan dus niet worden opgelost.
Het oprichten van de NII, en eventuele toevoeging van de ekv daaraan, is een complex en een meerjarig traject. Dit biedt op de korte termijn dus geen oplossing voor de onrechtmatige uitvoering van de ekv. Dat is bestuurlijk onwenselijk en juridisch kwetsbaar. Op langere termijn – wanneer de NII is opgericht en volledig operationeel is – zou de ekv ondergebracht kunnen worden bij de NII indien daartoe dan zou worden besloten.
Het bundelen van krachten van de financieringsinstellingen wordt ook bereikt door de TeamNL-benadering in de aanbestedingstukken te eisen, waar de ekv-uitvoerder actief moet samenwerken met andere financiële instellingen (zoals Invest-NL en Invest International en in de toekomst: de NII) die instrumenten aanbieden aan het Nederlandse bedrijfsleven.
Hoe weegt u deze voor- en nadelen ten opzichte van de kansen van het bundelen van de financiële instrumenten binnen de NII?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoe zou, in het scenario dat de EKV onderdeel wordt van de NII, het menselijk kapitaal en de meer dan 90 jaar aan kennis en kunde van uitvoerder Atradius geborgd kunnen worden?
Integratie van het ekv-instrumentarium in de NII is op dit moment niet voorzien.
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Jimmy Dijk (SP), Lisa Westerveld (GL), Inge van Dijk (CDA) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Ik ben op de hoogte van het artikel over het rapport van de kinderombudsmannen. Ik heb dit rapport samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ontvangst genomen en hierover met hen gesproken.
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Ik ben de kinderombudsmannen erkentelijk voor hun inspanningen om de impact die de toeslagenaffaire kan hebben op het leven van getroffen kinderen zichtbaar te maken. Het rapport schetst een ingrijpend beeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik serieus nemen. Ik spreek regelmatig getroffen jongeren en hoor en zie hun verhalen, die stuk voor stuk uniek zijn. Ik wil mijn waardering uitspreken aan de jongeren die, soms opnieuw, hun verhalen hebben willen delen. Daarbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken wat we al doen voor deze jongeren die hun studielening hebben ingezet om in het gezinsinkomen te voorzien ten tijde van de toeslagenaffaire. Via de aanvullende schaderoute van de ouder wordt inkomensverlies vergoed. Deze compensatie is bedoeld voor het gezin. In de kabinetsreactie op het rapport zet ik deze en andere mogelijkheden verder uiteen.
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Het negeren van noodsignalen was een van de belangrijke factoren bij het ontstaan en voortbestaan van de toeslagenaffaire, zoals het rapport «Ongekend onrecht» concludeert. Uiteindelijk hebben onder andere ombudsmannen, rechters en verschillende ambtenaren op meerdere momenten gewaarschuwd voor de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Anders dan bij de situatie rondom studieschulden – die veelvuldig en uitgebreid aan bod is gekomen in onder meer Kamerdebatten, Kamerbrieven, interdepartementale overleggen en bijvoorbeeld het advies van de commissie Van Dam – drongen de signalen over de problemen met de kinderopvangtoeslag onvoldoende door tot de politiek-bestuurlijke omgeving. Daardoor kwam er te laat een politiek-bestuurlijke reactie op de problemen met de kinderopvangtoeslag en konden deze te lang blijven voortduren. Dit blijkt ook uit het rapport «Ongekend onrecht» van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft naar aanleiding van dat rapport veranderingen doorgevoerd, waarover de afgelopen jaren aan uw Kamer is gerapporteerd.
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Ik omarm en onderschrijf de waardevolle inzichten uit het rapport van de kinderombudsmannen. Ik betrek deze inzichten bij het beleid voor deze getroffen jongeren. Centraal daarin staat het feit dat de schadecompensatie binnen de hersteloperatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies. Daarnaast maak ik mij blijvend sterk om de andere mogelijkheden die er zijn zo goed mogelijk in te zetten, zodat deze jongeren passende hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Niet generiek, maar met een benadering die recht doet aan de verschillende situaties waarin jongeren en hun gezinnen zich bevinden. In de kabinetsreactie op dit rapport ga ik hier dieper op in.
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
De rapporten «Ongekend Onrecht» en «Blind voor mens en recht» hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat signalen van burgers onvoldoende werden herkend, met ernstige gevolgen van dien. Juist om herhaling daarvan te voorkomen neem ik de signalen van de kinderombudsmannen serieus. In dat kader heb ik, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het eindrapport van de kinderombudsmannen persoonlijk in ontvangst genomen en hebben wij met hen het gesprek gevoerd over hun bevindingen en aanbevelingen. De signalen uit dit rapport worden betrokken bij verdere (verbeter)maatregelen van de hersteloperatie en de ondersteuning van jongeren. In de kabinetsreactie op het eindrapport aan uw Kamer geef ik hier een nadere toelichting op.
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Ik erken dat kinderen van gedupeerde ouders hebben geleden onder de toeslagenaffaire. Met die gedachte is ook de kindregeling speciaal voor hen opgezet. De kindregeling is bedoeld als erkenning van het leed, niet als een verplichting maar als tegemoetkoming, om te laten zien dat het kabinet het belangrijk vindt om hierin een gebaar te maken, aanvullend op de compensatie van de schade die via de gedupeerde ouders verloopt, als vertegenwoordiger van het gezin. Het kabinet heeft er namelijk voor gekozen erkend gedupeerde ouders te compenseren voor de schade in het gezin als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze opzet van de hersteloperatie is door uw Kamer vastgesteld en goedgekeurd.
Binnen de kindregeling ontvangt elk getroffen kind een brief waarin de erkenning benadrukt wordt. Alle kinderen van erkend gedupeerde ouders ontvangen een tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro boven op de schadecompensatie aan hun ouders en zij krijgen indien gewenst brede ondersteuning van hun gemeente, waaronder hulp bij (problematische) schulden en financiën. Ook is er aanvullend aanbod op het gebied van emotioneel herstel en lotgenotencontact, een essentieel onderdeel van herstel en perspectief.
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Het rapport van de kinderombudsmannen biedt waardevolle en belangrijke inzichten in de ervaringen van getroffen jongeren. Het onderzoek is gebaseerd op meldingen van jongeren zelf en draagt bij aan een beter begrip van de individuele problematiek, maar maakt het niet mogelijk om de totale omvang van de groep jongeren met een studieschuld als gevolg van de toeslagenaffaire vast te stellen. Ook gegevensuitwisseling tussen UHT en DUO zou geen inzicht geven in de daadwerkelijke problematiek van deze getroffen jongeren en in hoeverre de studieschuld het gevolg is van de toeslagenaffaire. De relatie tussen de studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag is alleen binnen het gezin te beoordelen, zoals wordt toegelicht in antwoord op vraag 5. Op andere manieren, zoals ook blijkt uit eerder actieonderzoek, is niet vast te stellen welk gedeelte van de studielening het gevolg is van de toeslagenaffaire. Daarbij komt dat de hersteloperatie ervoor zorgt dat schadecompensatie via de erkend gedupeerde ouder verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Wij zetten daarbovenop in op passende, individuele ondersteuning voor getroffen jongeren, in plaats van een generieke benadering.
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
De besluiten die tot de toeslagenaffaire hebben geleid betroffen de kinderopvangtoeslag van de ouder. De compensatie van financiële schade vindt daarom plaats via de erkend gedupeerde ouder en ziet toe op diens hele gezin, omdat de schade voortvloeit uit de gedupeerdheid van de ouder en de gevolgen daarvan voor het gezin als geheel. Kinderen en jongeren zijn via hun ouders mogelijk ook geraakt door de toeslagenaffaire. Om dit leed te erkennen worden zij daarom aanvullend ondersteund via de kindregeling, zoals ook is toegelicht in antwoord op vraag 7. Deze regeling biedt een financiële (onverplichte) tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro, brede ondersteuning door gemeenten inclusief hulp bij problematische schulden, en een aanbod op het gebied van emotioneel herstel, zoals lotgenotencontact en het opzetten van (culturele) initiatieven. De kindregeling is niet bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren, die regelingen bestaan via hun ouders.
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Getroffen jongeren hebben aangegeven een drempel te ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Met deze lijn hoopt DUO die drempel weg te nemen. Wanneer getroffen jongeren met deze lijn bellen kunnen zij hun persoonlijke verhaal vertellen, maar is het niet nodig om in algemene zin uitgebreid toe te lichten dat de toeslagenaffaire impact heeft gehad op hun leven. Medewerkers weten dat deze getroffen jongeren bellen met een hulpvraag die voortkomt vanuit KOT. Zij staan klaar om, afhankelijk van de vraag, deze jongeren uitleg op maat te geven over bestaande voorzieningen die hen kunnen helpen. Ook willen we zorgdragen dat er extra bekendheid komt over de voorzieningen bij DUO.
De telefoonlijn is reeds bereikbaar en blijft in ieder geval tot en met augustus 2026 beschikbaar.
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de getroffen jongeren kan het zijn dat DUO doorverwijst naar de onderwijsinstelling. Dit kan het geval zijn wanneer het niet mogelijk is voor een getroffen jongere om op tijd een diploma te halen of wanneer het helemaal niet meer mogelijk is een diploma te halen door een bijzondere omstandigheid. Het is wettelijk vastgelegd dat deze beoordeling – of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of deze heeft geleid tot studievertraging – bij de onderwijsinstelling ligt.
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Als de student binnen tien jaar een afsluitend diploma behaalt wordt de prestatiebeurs3 omgezet in een gift. Doet de student langer over het behalen van het diploma dan tien jaar, of behaalt de student helemaal geen diploma, dan wordt de prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheid waardoor de student studievertraging heeft opgelopen en door deze bijzondere omstandigheid niet binnen tien jaar een afsluitend diploma kan behalen, of helemaal geen diploma meer kan behalen. De studentdecaan of studiebegeleider beoordeelt aan de hand van de individuele situatie van de student of dit het geval is en of de student daarmee in aanmerking komt voor de voorziening prestatiebeurs.
Daarnaast vindt in algemene zin in een aantal situaties kwijtscheldingen van (een deel van) de studieschuld plaats, waaronder:
Wanneer bij een student de aanvullende beurs niet is omgezet in een gift en het inkomen twee jaar na afstuderen nog niet hoger is dan het gestelde grensbedrag, wordt de aanvullende beurs alsnog kwijtgescholden.
Aan het einde van de looptijd van de lening (15 of 35 jaar) wordt de nog resterende studieschuld kwijtgescholden.
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Dat is niet bekend, omdat er geen juridische grondslag voor gegevensuitwisseling is tussen UHT en DUO. Daarom kan niet inzichtelijk worden gemaakt hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van de voorziening prestatiebeurs. Voorts geldt dat zelfs als bij DUO bekend zou zijn wie de getroffen jongeren zijn, niet inzichtelijk gemaakt kan worden of zij in aanmerking zouden komen. Dit is immers afhankelijk van hun persoonlijke situatie.
De Kamer is meermaals geïnformeerd over de onmogelijkheid om inzicht te geven in de gegevens van getroffen jongeren bij DUO. Zie onder meer de 21e voortgangsrapportage over de hersteloperatie in reactie op de motie Van Nispen en de beantwoording op schriftelijke vragen van lid Dijk (SP)4.
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Aangenomen wordt dat met de term maatwerk in de vraag wordt verwezen naar het gebruik van de voorziening prestatiebeurs. Verzoeken in het kader van de voorziening prestatiebeurs worden ingediend na beoordeling van de persoonlijke situatie van de jongeren door de studentdecaan of studiebegeleider en, wanneer van toepassing, de behandelend arts. DUO neemt de beoordeling in meer dan 90% van de gevallen over.
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
In het antwoord op vraag 13 is aangegeven dat niet bekend is hoe vaak gebruik gemaakt wordt van de voorziening prestatiebeurs door getroffen jongeren. Wel is bekend dat DUO in de praktijk ziet dat getroffen jongeren gebruik maken van deze voorzieningen. Daarom weten we dat een gedeelte van de getroffen jongeren de weg weet te vinden naar de studentdecanen of studiebegeleider.
Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat sommige jongeren een drempel ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie zet ik mij extra in om deze drempels zoveel mogelijk te verlagen.
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Het telefoonnummer wordt gepubliceerd op kindregelingvoorjou.nl en op duo.nl. Via sociale media, stakeholders en lokale netwerken van ouders en jongeren wordt dit bericht verspreid.
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Zeker. Deze jongeren verdienen inderdaad een toekomstperspectief (net als iedere jongere in Nederland): precies om die reden ontvangen zij een financiële tegemoetkoming uit de kindregeling en brede ondersteuning van hun gemeente, om per situatie te kijken naar wat er nodig is om het leven op de rit te krijgen en houden, aanvullend op de schadecompensatie aan hun ouders. Daarbij zetten wij ook in op het emotioneel herstel van deze jongeren. Want ook door te zorgen dat jongeren weer mentaal gezond en weerbaar zijn dragen we bij aan het toekomstperspectief van deze groep.
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Hamer is toegelicht, wordt de onderwijsvoorziening specifiek voor uithuisgeplaatste jongeren ontwikkeld, omdat zij te maken hebben gehad met meerdere momenten van overheidsingrijpen. De onderwijsvoorziening voor specifiek die doelgroep heeft mede als doel om specifiek deze groep op deze manier met hun ontwikkeling te helpen. Juist wanneer de uithuisplaatsing door de rechter is opgelegd én samenhangt met de gevolgen van de toeslagenaffaire, draagt de Staat immers een bijzondere verantwoordelijkheid: vanuit de rol die de toeslagenaffaire mogelijk heeft gespeeld in het gezin en als formeel verantwoordelijke voor het welzijn en de kansen van het kind tijdens en na de uithuisplaatsing.
Daarnaast vind ik het – net als uw Kamer – van belang dat er geïnvesteerd wordt in het toekomstperspectief van alle getroffen jongeren, bijvoorbeeld via de brede ondersteuning. In de kabinetsreactie op het rapport van de kinderombudsmannen licht ik verder toe hoe ik daar op in wil zetten.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Dat klopt. We zijn het met de kinderombudsmannen eens dat een generieke regeling voor het kwijtschelden van alle studieschulden niet proportioneel is. Wij hebben ook in het gesprek toegelicht dat als ouders inkomensverlies hebben geleden ten tijde van de toeslagenaffaire, en dat hebben opgevangen door het inzetten van bijvoorbeeld een studielening van het kind, ouders gecompenseerd worden voor dat inkomensverlies in de schadeherstelroute. Deze compensatie is voor het hele gezin. Daarnaast zetten we in op het verlagen van drempels voor aanvullende mogelijkheden die er voor deze jongeren zijn, zoals ook uitgebreid is toegelicht in de kabinetsreactie.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Ouders worden gecompenseerd voor schade die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire, zoals inkomensverlies. Als een kind het inkomensverlies heeft opgevangen, bijvoorbeeld met een studielening, dan kan de ouder dat vanuit de compensatie vergoeden, aangezien via de erkend gedupeerde ouder schade van het gezin wordt gecompenseerd. De kindregeling is daarnaast ontwikkeld om kinderen van gedupeerde ouders aanvullende steun, maatwerk en erkenning te bieden. De Minister van OCW en ik hebben in het gesprek met de kinderombudsmannen aangegeven dat dit pakket aan maatregelen voldoende is om getroffen kinderen te ondersteunen naar een hoopvolle toekomst. Zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht, zijn we ons ervan bewust dat deze mogelijkheden niet altijd door iedereen goed gevonden en benut worden. We zetten daarom extra in om drempels te verlagen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport.
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Ik herken dat de kinderombudsmannen oproepen tot kwijtschelding studieschulden bij DUO waarvan aannemelijk is dat deze door de toeslagenaffaire zijn ontstaan. Ik herken echter niet dat de commissie Van Dam oproept tot het kwijtschelden van deze studieschulden van getroffen jongeren. De commissie Van Dam vraagt aandacht voor de positie van getroffen jongeren en het belang van een zorgvuldige beoordeling van hun situatie, inclusief mogelijke studieschulden, maar doet geen specifieke aanbeveling om studieschulden waarvan aannemelijk is dat deze door het toeslagenschandaal zijn ontstaan kwijt te schelden. In het rapport staat onder meer dat sommige jongeren wel een studielening hebben afgesloten om in hun studiekosten te voorzien, net als vele andere studenten in Nederland wiens ouders niet gedupeerd zijn. Ook stelt het rapport dat weer een nieuwe route inrichten juist niet wenselijk is. Ook de Raad van State heeft eerder gewezen op de risico’s van verdere uitbreiding van de hersteloperatie5. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen, wordt dit via de schadepost inkomensverlies aan de ouder vergoed.
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de zorgen rondom de studieschulden van jongeren die zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Zoals ook in antwoord op vraag 21 is toegelicht, verloopt de compensatie van schade via de gedupeerde ouder. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen – en dus is ontstaan door de toeslagenaffaire – wordt dit via de schadepost inkomensverlies vergoed aan de ouder. Alleen op die manier, binnen het gezin, is een mogelijke relatie tussen een studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag te beoordelen. Een aparte regeling zoals bedoeld in de vraagstelling is daarnaast niet uitvoerbaar: iedere situatie is uniek en het is in de praktijk zeer ingewikkeld om objectief en zorgvuldig vast te stellen of en in welke mate een studieschuld het directe gevolg is van de toeslagenaffaire. Dit blijkt ook uit eerder actieonderzoek. Daarnaast zou kwijtschelding van studieleningen van getroffen kinderen zeer oneerlijk zijn ten opzichte van gezinnen die op een andere manier het hoofd boven water hebben gehouden tijdens de toeslagenaffaire. Ten slotte botst de voorgestelde regeling met de praktische en juridische inrichting van de hersteloperatie. De toeslagenbesluiten betroffen de ouder als aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Financiële schadevergoeding is daarom verbonden aan de gedupeerdheid van de ouder en diens gezin, zoals vastgesteld door uw Kamer.
Om getroffen jongeren met studieschulden zoveel mogelijk aanvullend te helpen met de gevolgen die zij hebben ondervonden van de toeslagenaffaire via hun ouders, zet het kabinet erop in dat de bestaande mogelijkheden bij gemeenten, maar ook bij DUO, zo goed mogelijk worden ingezet en benut zodat jongeren passende hulp kunnen krijgen, toegespitst op hun persoonlijke situatie en behoefte. Voor een nadere toelichting hoe ik dit wil doen, verwijs ik graag naar de kabinetsreactie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Er is uitstel gevraagd voor de termijn van de beantwoording, zodat de beantwoording van deze schriftelijke vragen gelijktijdig met de kabinetsreactie op het rapport met uw Kamer gedeeld zou kunnen worden.
Het Nederlandse goud in New York |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Is het, gezien het feit dat de Verenigde Staten zelfs niet langer lippendienst bewijst aan het «internationaal recht», bovendien heeft gedreigd bondgenoten (Denemarken) aan te vallen, heel waarschijnlijk betrokken is bij de aanval op Nordstream en daarmee indirect ook ons land en daarnaast ook Nederland en andere Europese landen er zelf niet langer voor terugdeinzen geld van een centrale bank waar we (formeel) niet mee in staat van oorlog verkeren te confisqueren, verstandig, zoals de Minister aan de Kamer schrijft, (blind) te vertrouwen op de afspraken die met de Verenigde Staten zijn gemaakt over de opslag van het Nederlandse goud in New York?
Zoals ik schreef in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen over de goudvoorraad1 is de verantwoordelijkheid voor het beheer van de Nederlandse goudvoorraad belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB). Het beheer van de goudvoorraad maakt onderdeel uit van haar onafhankelijke taken als nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken. Deze onafhankelijkheid houdt in dat DNB verantwoordelijk is voor beslissingen over de opslag en beveiliging van het goud. Met de VS, Canada en het VK heeft DNB goede afspraken over het opslaan en de beveiliging van het goud. DNB houdt de ontwikkelingen rond de goudvoorraad voortdurend in de gaten en maakt daarbij doorlopend risicoanalyses.
Zou het niet verstandiger zijn – om dit vertrouwen en het systeem te testen – om in ieder geval een klein deel van het Nederlandse goud dat is opgeslagen in New York te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Tot slot, mocht over een paar jaar blijken dat het Nederlandse goud in de Verenigde Staten niet langer in Nederlandse handen is (het goud is bijvoorbeeld in beslag genomen of «bevroren») omdat Nederland het goud niet tijdig heeft gerepatrieerd, wie kan de Tweede Kamer (en daarmee de Nederlandse bevolking) dan primair verantwoordelijk stellen voor het besluit om niet tijdig ons goud te repatriëren? De Nederlandsche Bank of het Ministerie van Financiën?
Zie antwoord vraag 1.
De terugroepactie van babyvoeding door Danone |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Danone roept al deze baby- en kindervoeding terug in Nederland»?1
Ja.
Is er een indicatie dat in Nederland baby’s overleden zijn door de aanwezigheid van de giftige stof cereulide in melk? Bent u bereid de Kamer te informeren als hiervan sprake blijkt te zijn?
Op dit moment is er geen indicatie dat in Nederland baby’s zijn overleden door de aanwezigheid van cereulide in baby- en/of kindervoeding. Mocht dat onverhoopt wel gebeuren, dan zal ik de Kamer daarover informeren.
Kunt u, na afronding van het lopende NVWA-onderzoek, aangeven of Danone tijdig de publiekswaarschuwing heeft geplaatst?2
Na het afronden van het NVWA-onderzoek – waarbij ook wordt gekeken naar tijdigheid van waarschuwen – publiceert de NVWA het proces en de geaggregeerde resultaten op de website. In het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan ik over individuele bedrijven geen specifieke bedrijfsinformatie verschaffen.
In hoeverre zijn verkooppunten van baby- en opvolgmelk wettelijk verplicht om klanten te compenseren bij een terugroepactie, bijvoorbeeld door vervanging met een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag?
Allereerst zijn bedrijven zelf verantwoordelijk voor de productie van veilige en betrouwbare voedingsmiddelen. Consumenten die babymelk kopen mogen dus verwachten dat zij een veilig product krijgen. Als dat niet zo is, hebben zij op grond van de wettelijke garantieregels recht op vervanging door een veilig product of terugbetaling van het aankoopbedrag binnen een redelijke termijn. Verkopers van baby- en opvolgmelk die onderdeel uitmaken van de terugroepactie zijn hiervoor wettelijk verantwoordelijk.
Klopt de suggestie dat Nederland later in actie is gekomen dan autoriteiten in andere landen? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) andere criteria voor het terugroepen van babyvoeding dan toezichthoudende agentschappen elders in de EU?
De NVWA heeft direct gereageerd op meldingen van Nestlé. Begin december 2025 werd de eerste verontreiniging gemeld bij de NVWA. De oorzaak leek een enkele verontreinigde productielijn bij de productielocatie van Nestlé in Nederland te zijn. De producten van deze lijn waren wel in Nederland geproduceerd, maar niet in Nederland verkocht. In landen waar de producten verkocht zijn, is onmiddellijk een veiligheidswaarschuwing afgegeven. Op 5 januari jl. meldde Nestlé dat uit de oorzaakanalyse bleek dat niet de productielijn, maar een verontreinigde grondstof de oorzaak leek te zijn. Daarop is de terugroepactie uitgebreid naar andere producten vanuit de productielocatie in Nederland als ook vanuit Nestlé productielocaties in andere lidstaten. Een tweetal van die producten bleken wel in Nederland te zijn verkocht en dus heeft de NVWA op 5 januari een veiligheidswaarschuwing geplaatst.
Tot 2 februari 2026 was binnen de EU geen geharmoniseerde grenswaarde voor cereulide in zuigelingenvoeding. De NVWA gebruikte tot die datum een grenswaarde die het RIVM in 2013 had geadviseerd: 0,03 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht. Op 2 februari heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een grenswaarde van 0.014 microgram cereulide per kilogram lichaamsgewicht geadviseerd. Die grenswaarde is vanaf dat moment door alle toezichthoudende agentschappen in de EU (en dus ook de NVWA) overgenomen.
Een tweet van de directeur van de Amerikaanse inlichtingendiensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze tweet1 van Tulsi Gabbard, directeur van de Amerikaanse inlichtingendiensten, waarin ze stelt dat Rusland niet de militaire capaciteit heeft om Oekraïne, laat staan heel Europa, te veroveren?
Ja.
Deelt de Nederlandse regering deze analyse van de Amerikaanse regering? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Rusland beschikt over grote militaire capaciteiten en blijkt in staat om de verliezen in Oekraïne aan te vullen. Daarbij heeft Rusland zich bereid getoond om grote verliezen te accepteren om militaire doelen te behalen. Oekraïne is tot nu toe in staat geweest om een volledige verovering te voorkomen, mede dankzij de militaire en niet-militaire steun van partners, waaronder Nederland. Het kabinet zal Oekraïne blijven steunen en partners hiertoe oproepen. De veiligheid en stabiliteit in Europa zouden immers nog verder ondermijnd worden, als Rusland zou worden beloond voor zijn agressie.
Is, wat de Nederlandse regering betreft, Rusland militair in staat Europa te veroveren? En is de Nederlandse regering wel of niet van mening – los van het feit of Rusland hier militair toe in staat is – dat Rusland de ambitie heeft om Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder militair te veroveren?
Het kabinet ziet Rusland als de grootste veiligheidsdreiging voor Nederland en Europa. Het Kremlin beschouwt de oorlog tegen Oekraïne als onderdeel van een breder conflict met de NAVO. Rusland bereidt zich voor op een langdurige confrontatie met de NAVO, ook op militair gebied. Rusland is niet alleen in staat gebleken de substantiële verliezen in Oekraïne op te vangen, maar zelfs de krijgsmacht uit te breiden en te hervormen. Mede door de materiële steun die Rusland ontvangt van landen zoals Noord-Korea en Iran kan het een deel van de eigen productie gebruiken en vergroten om de strategische reserves aan te vullen. De invloed van de oorlog in Iran zou hier verandering in kunnen brengen, maar de precieze consequenties blijven vooralsnog onduidelijk. Ook hebben de verschillende Russische krijgsmachtonderdelen aanzienlijk geïnvesteerd in de integratie van onbemande systemen, waarbij geleerde lessen uit de oorlog tegen Oekraïne ingezet worden om de effectiviteit van deze inzet te vergroten.
De Russische inspanningen zijn er op gericht de NAVO politiek uiteen te spelen. Indien de oorlog met Oekraïne is beëindigd, is Rusland militair in staat om een in tijd en ruimte beperkte operatie tegen één of meerdere bondgenoten uit te voeren. Mede gezien onze bondgenootschappelijke verplichtingen, raakt dit Nederland direct. De Russische krijgsmacht voert daarnaast verschillende activiteiten uit om de escalatiebereidheid van de NAVO te testen. De Russische risicobereidheid is de afgelopen jaren toegenomen, getuige de diverse drone-incidenten en Russische schendingen, al dan niet opzettelijk, van NAVO-luchtruim. Ook zijn andere hybride activiteiten, cyberaanvallen, sabotage- en desinformatie-activiteiten in Europa toegenomen en vinden regelmatig Russische schendingen van het NAVO-luchtruim plaats. Deze strategie richt zich ook steeds vaker op Nederland, waarbij zowel grootschalige cyber-attacks, gerichte beïnvloeding van politici als spionageoperaties in de Noordzee de nationale veiligheid ondermijnen.
Daarom is het van belang dat NAVO bondgenoten de collectieve verdediging en afschrikking versterken door het verhogen van de bijdrages naar 3,5% defensie-uitgaven en 1,5% bredere veiligheid- en defensie gerelateerde uitgaven van het bruto binnenlands product.
Het sluiten van zorgvilla’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgvilla sluit plots de deuren: «We dachten dat het een phishingmail was. Dit kan toch niet?»»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Begrijpt en herkent u de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf, zoals die van ExpertCare?
Het leven voor gezinnen met een kind dat medische zorg nodig heeft, is intens en uitdagend. Ik begrijp en herken dan ook de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf. Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Hoeveel van dit soort medische dagverblijven/zorgvilla’s, zoals ExpertCare, zijn er momenteel in Nederland?
Acht leden van Binkz bieden 24-uurs kindzorg aan. Vijftien leden van Binkz hebben een verpleegkundig kinderdagverblijf.
Is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gebracht van het feit dat ExpertCare de deuren van hun dagverblijf zal sluiten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Op 27 januari 2026 heeft het Ministerie van VWS via een persbericht van ExpertCare het voorgenomen besluit vernomen om hun locaties voor medische kindzorg per 31 maart 2026 te sluiten. Het Ministerie van VWS heeft van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) begrepen dat de NZa en zorgverzekeraars voorafgaand aan dit persbericht niet op de hoogte waren van het voorgenomen besluit. Sindsdien houdt de NZa het Ministerie van VWS intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden.
Moet het worden gemeld als dergelijke organisaties als ExpertCare, die een uniek aanbod leveren en voorzien in specialistische zorg, de deur sluiten?
Ja, op grond van het continuïteitsbeleid dient een aanbieder van zorg voor zeer specifieke cliënten, zoals ExpertCare, een melding te doen bij de zorgverzekeraar(s) als de betreffende zorgaanbieder gaat sluiten. De zorgverzekeraars maken doorgaans in hun contracten afspraken hierover. Ook dienen de zorgverzekeraars hierover de NZa te informeren. Als de NZa in gesprek met zorgverzekeraars en de aanbieder geen zekerheid kan krijgen over het borgen van continuïteit van zorg, schaalt de NZa op naar het Ministerie van VWS2.
Welke concrete maatregelen zijn er getroffen, zowel door het ministerie als door ExpertCare, om de zorgvilla’s open te houden?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de financiële bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u nog om te voorkomen dat de zorgvilla’s gesloten moeten worden?
Kern van het continuïteitsbeleid is dat de continuïteit van zorg centraal staat, en niet de continuïteit van individuele zorgorganisaties3. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Zoals hierboven aangegeven, houdt de NZa toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Kunt u deze vragen ieder apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TikTok-gebruikers aangezet tot terreur voor IS, 15 arrestaties»?1
Ja.
Over welke verblijfsstatussen beschikken de 13 Syrische verdachten, en wat is het herkomstland van de overige verdachten met de Nederlandse nationaliteit?
Het kabinet gaat niet in op individuele casuïstiek en doet geen uitspraken over de verblijfsstatus of andere (persoons)gegevens van betrokkenen.
Kunt u bevestigen dat er al in augustus vorig jaar zicht was op deze verdachten bij de eenheden? Zo ja, waarom hebben deze gevaarlijke jihadisten al die tijd vrij rond kunnen lopen en onze samenleving in gevaar kunnen brengen? Hoeveel van dit soort tikkende tijdbommen lopen er nog steeds rond in Nederland?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kunnen geen nadere uitspraken worden gedaan.
Hoe konden deze Syriërs überhaupt Nederland binnenkomen, terwijl ze nu verdacht worden van het aanzetten tot islamitisch terrorisme?
Zoals aangegeven wordt niet ingegaan op de individuele omstandigheden omtrent het strafrechtelijk onderzoek of de toelatings- en verblijfsprocedure. In zijn algemeenheid geldt dat besluiten over toelating en verblijf individueel en zorgvuldig tot stand komen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen het nationale en Europese wettelijke kader en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid.
In dit kader is in 2023, onder coördinatie van de NCTV, een systeemcheck binnen de migratie- en veiligheidsketen uitgevoerd naar het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. De bevindingen en de voortgang van de maatregelen zijn toegelicht in Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, kan dit leiden tot weigering of intrekking van een verblijfsvergunning.
Het feit dat op een later moment aanwijzingen zijn dat iemand mogelijk betrokken was bij een strafbaar feit betekent niet dat bij binnenkomst dan wel op of na het moment van vergunningverlening reeds informatie beschikbaar was of had kunnen zijn die tot weigering had moeten of kunnen leiden.
Het kabinet blijft inzetten op het zo vroeg mogelijk onderkennen van veiligheidsrisico’s. Ondanks alle inspanningen kan er geen absolute garantie worden gegeven dat er geen mensen dit land binnen komen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, maar de inzet is erop gericht dit zoveel mogelijk te voorkomen. Ook valt niet uit te sluiten dat personen ná het doorlopen van een verblijfsprocedure radicaliseren. Nederland kent een sterke aanpak tegen radicalisering en het voorkomen ervan. Nationale partners staan nauw met elkaar in contact in de aanpak tegen terrorisme en extremisme. Dat blijkt uit deze aanhoudingen.
Bent u bereid om deze verdachten na hun veroordeling Nederland uit te zetten, en waar van toepassing, hun verblijfsvergunning in te trekken of de Nederlandse nationaliteit af te pakken? Zo nee, waarom tolereert u dit soort bedreigingen voor onze veiligheid?
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus.
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
In zijn algemeenheid beziet de IND bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vast stelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
Gelet op het lopende strafrechtelijke onderzoek kan ik niet vooruitlopen op eventuele vreemdelingrechtelijke gevolgen.
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme en dat het Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u eindelijk bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren alsmede een stop op immigratie uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze kwalificatie niet.
Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.
Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.
Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
De sluiting van verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit om vier verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen op 31 maart te sluiten, waardoor circa 80 kinderen op een andere plek intensieve zorg moeten krijgen en dat er signalen zijn dat nog meer zorgorganisaties (verpleegkundig kinderdagverblijven en verpleegkundig kinderzorghuizen) onder druk staan?
Ik ben bekend met het voorgenomen besluit van ExpertCare om vier zorgvilla's voor zieke en meervoudig gehandicapte kinderen per 31 maart 2026 te sluiten. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen en heeft mij laten weten dat ExpertCare heeft aangegeven dat de villa’s langer open blijven als voor die tijd niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Daarnaast ben ik bekend met het signaal van samenwerkende partijen in de medische kindzorg dat de toegankelijkheid van medische kindzorg onder druk staat.
Is er al concreet zicht op passende alternatieve zorgplekken voor deze 80 kinderen?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben1.
De NZa houdt toezicht of zorgverzekeraars aan hun zorgplicht voldoen. De NZa is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Er wordt gekeken of alternatieve zorg beschikbaar is.
De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wie heeft uiteindelijk de verantwoordelijkheid om passende zorg te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er maar drie andere plekken in Nederland zijn waar 24/7 vergelijkbare zorg voor kinderen wordt geboden, namelijk in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn? Hoeveel capaciteit hebben zij samen? Is bij deze zorglocaties geïnformeerd of zij capaciteit en financiële ruimte hebben om kinderen op te nemen?
Binnen de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn in totaal zeven andere aanbieders die 24-uurs kindzorg leveren, waaronder locaties in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn.
In februari 2026 heeft overleg plaatsgevonden tussen Binkz, zorgverzekeraars en de NZa over de continuïteit van zorg. Daarbij is afgesproken dat per individueel kind wordt gekeken welke oplossing passend is. Dat kan een van de andere 24-uurs aanbieders zijn, maar een passende oplossing hoeft niet in alle gevallen intramuraal te zijn.
Op dit moment is bij mij niet bekend wat de exacte gezamenlijke capaciteit of financiële ruimte van deze aanbieders is. Het is aan de betrokken zorgaanbieders en zorgverzekeraars om hierover met elkaar in gesprek te gaan en te bezien welke mogelijkheden er zijn.
Deelt u dat in deze gevallen van intensieve kindzorg de afstand tussen huis en een zorglocatie niet te groot moet zijn, omdat kinderen zeer kwetsbaar zijn en tijdens het vervoer niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben? Erkent u bovendien dat niet alleen de zorg onderweg kwetsbaar is, maar dat het ook niet wenselijk is om het kind ver van hun gezin (familie) af te hebben in verband met bijvoorbeeld bezoek, maar ook dat áls er iets gebeurt met het kind in het verpleegkundig kinderzorghuis, ouders binnen een bepaalde tijd aanwezig moeten kunnen zijn?
Ik deel dat bij intensieve kindzorg zorgvuldig moet worden gekeken naar de afstand tussen het gezin en de zorglocatie. De belasting en medische kwetsbaarheid tijdens vervoer, de mogelijkheid voor ouders en familie om het kind regelmatig te bezoeken en de bereikbaarheid bij een acute situatie zijn belangrijke factoren die in die afweging moeten worden betrokken.
Tegelijkertijd is het essentieel dat het kind passende en kwalitatief goede zorg ontvangt die aansluit bij de zorgvraag, ook als dat op grotere afstand is. Het is aan de zorgverzekeraar om vanuit de zorgplicht, in overleg met ouders en aanbieder, een zorgvuldige afweging te maken waarbij zowel kwaliteit, beschikbaarheid als bereikbaarheid van zorg worden meegewogen.
Klopt het dat in veel gevallen thuiszorg als alternatief niet passend is, omdat bijvoorbeeld niet voor niets de indicatie respijtzorg is afgegeven, zodat ouders op adem kunnen komen? Klopt het dat zowel verpleegkundig kinderzorghuizen als verpleegkundig kinderdagverblijven nodig zijn om deze intensieve medische kindzorg in de eigen omgeving om deze gezinnen overeind te houden?
Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Dit betekent dat kinderen recht hebben op medische zorg, die past bij hun leven en in hun eigen omgeving wordt verleend. Het is van belang dat deze zorg gepaard gaat met passende ondersteuning. Dit vereist samenwerking tussen alle betrokkenen, waaronder het kind en zijn gezin, zorgorganisaties, scholen en gemeenten. Het is van belang dat de gewenste regie en ondersteuning geboden worden, met specifieke aandacht voor het geheel van het kind en zijn gezin. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de brancheorganisatie met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Herkent u het beeld dat de tarieven structureel te laag zijn om dit type zorg goed te bieden? Wanneer komt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met de resultaten van het kostprijsonderzoek? Vanaf wanneer kunnen kostprijsdekkende tarieven vervolgens worden ingevoerd? Wat zijn in de tussenliggende tijd passende oplossingen om te voorkomen dat er nog meer verpleegkundige kindzorghuizen of verpleegkundig kinderdagverblijven hun deuren moeten sluiten?
De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek heeft gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Voor de tussenliggende periode doet Binkz een oproep onder haar leden om contact te zoeken met de zorgverzekeraars en mogelijke financiële problemen met hen te bespreken. Binkz heeft met de NZa besproken dat aanbieders van kindzorg het kenbaar maken bij de NZa als dit niet tot passende oplossingen leidt.
Welke verantwoordelijkheid hebben de zorgverzekeraars om voor deze kinderen passende zorg te garanderen?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben.
Is het een optie dat deze verpleegkundig kinderzorghuizen open blijven zolang het nodig is om passende zorg te kunnen blijven bieden? Kunt u garanderen dat er voor alle ernstig zieke kinderen die intensieve zorg nodig hebben altijd passende zorg is?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer openblijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Zorgverzekeraars en Binkz zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de huidige zorgaanbieder, aanbieders van vergelijkbare zorg en zorgverzekeraars om te komen tot passende oplossingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting 2026 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Ja.
Zoals onderstreept in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) blijven de zorgen over het jihadistische online milieu onverminderd groot.2 Met name de snelle online radicalisering van een nieuwe generatie jongeren wordt daarin als zorgwekkend aangemerkt.
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen nadere uitspraken doen.
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
De aanhoudingen kunnen passen in het beeld zoals onder meer geschetst in het meest recente DTN. Op openbare sociale media, in besloten chatgroepen en op gaming-platformen komen individuen buiten het zicht van ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten gemakkelijker en op jongere leeftijd dan voorheen in aanraking met extremistisch gedachtegoed. Door sociale media hoeven gebruikers niet altijd naar extremistische content te zoeken, maar kunnen zij ook onbedoeld en zonder ideologische motivatie met deze content in aanraking komen. Daarnaast kunnen zij onderdeel worden van online netwerken van gelijkgestemden, waar zij soms zelf extremistische content produceren en verspreiden, hetgeen weer bijdraagt aan de radicalisering van anderen.
De jonge leeftijd van een aantal verdachten past in het bredere beeld dat steeds meer terrorismeverdachten minderjarig zijn en (online) geïnspireerd raken door onder andere de Islamitische staat (ISIS). De geografische spreiding van de verdachten laat verder zien dat fysieke nabijheid geen vereiste is voor samenwerking. Online platformen maken het mogelijk dat terroristische netwerken ontstaan die gemeente- en regiogrenzen overstijgen.
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Het gedachtegoed van ISIS is online eenvoudig toegankelijk en wijdverspreid. Jihadistische propaganda, jihadistische groepen en netwerken bevinden zich op verscheidene online platformen. Deze online aanwezigheid zorgt ervoor dat het jihadistische gedachtegoed in stand blijft, hetgeen leidt tot nieuwe aanwas van jihadisten en het mogelijk vergroten van de actiebereidheid bij hen. Bovendien is de omvang van jihadistische online propaganda de laatste jaren sterk toegenomen. Het is lastig om zicht krijgen op de totale omvang van deze propaganda, omdat zij soms verstopt is op minder toegankelijke kanalen zoals besloten chatgroepen.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) heeft in de open publicatie «Een web van haat» uit 2025 eerder benoemd dat de brede online beschikbaarheid en toegankelijkheid van extremistische en terroristische propaganda zeer waarschijnlijk bijdraagt aan een blijvende jihadistische dreiging.3 Daarnaast onderschrijft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat online radicalisering onder jihadistische jongeren een groeiend probleem is in Nederland en in Europa.4 In de afgelopen jaren heeft deze radicalisering van jonge jihadisten in Nederland echter nog niet geleid tot een daadwerkelijke geweldsdaad in Nederland: aanslagplannen kwamen niet tot uitvoer of autoriteiten wisten voornemens tot een aanslag tijdig te onderkennen. Desondanks kunnen uit online contacten op termijn ook jihadistische netwerken ontstaan die een terroristische dreiging kunnen vormen.
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
Terroristische en extremistische groepen en netwerken maken in hun online propaganda vaak gebruik van verhullende communicatie om detectie door opsporingsdiensten en online platformen te omzeilen. Ze gebruiken daarbij codetaal, symboliek, zogenoemde «hondenfluitjes» of humor, verwerkt in memes, afbeeldingen, video’s en games. Op deze manier kunnen extremistische boodschappen op grote platformen worden verspreid en een breder publiek bereiken. Naarmate contentmoderatie strenger wordt, neemt ook de mate van verhulling toe.
Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van detectiemechanismen en het in kaart brengen van nieuwe uitingsvormen van terroristische online content.
Daarnaast zijn hostingbedrijven en online platformen verplicht zorgvuldig om te gaan met de content die zij aanbieden. Zo legt de Digital Services Act (DSA) voor zeer grote online platformen (VLOPs) zorgvuldigheidsverplichtingen op met betrekking tot de inrichting van hun platform en de content die daarop wordt gehost of verspreid. De DSA verplicht platformen om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht en de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platformen hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de structurele dialoog met de online platformen hiervoor aandacht te vragen.
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Sociale mediaplatformen kunnen problemen ondervinden bij het tijdig detecteren en verwijderen van terroristische propaganda wanneer omzeilingstechnieken worden gebruikt. Zoals aangegeven in antwoord 4 maken terroristische en extremistische groepen en netwerken vaak gebruik van verhullende communicatie om moderatie-inspanningen te omzeilen. Het blijft dan ook van belang dat sociale mediaplatformen oog houden voor nieuwe omzeilingstechnieken en investeren in moderatie kwaliteit en in kennis. Hoewel platformen zoals TikTok en de Meta-diensten (Instagram) geavanceerde AI inzetten voor de detectie van ernstige schendingen, blijkt de handhaving in de praktijk vaak inconsistent en traag. Dit is omdat deze geautomatiseerde systemen nog steeds moeite hebben met de contextuele en culturele nuances van de steeds veranderende codetaal. Bovendien belemmert de architectuur van gepersonaliseerde-algoritmen de moderatie, omdat gebruikers content te zien krijgen die aansluit bij hun interesses, waardoor zij minder snel geneigd zijn om propaganda te rapporteren.
In Nederland geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) uitvoering aan de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en is bevoegd om terroristische content te detecteren en deze te laten verwijderen of ontoegankelijk te laten maken. De ATKM streeft ernaar om in samenwerking met de platformen moderatie van terroristische online content verder te verbeteren en spreekt hen aan wanneer zij naar haar oordeel meer kunnen doen. Waar nodig zet zij hierbij verwijderingsbevelen en haar handhavingsinstrumentarium in.
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf. Zo bevat het huidige wettelijke instrumentarium, zoals de TOI-verordening en de DSA, duidelijke verplichtingen voor de bestrijding van terroristische en andere illegale content op online platformen.
De ATKM heeft op grond van de TOI-verordening primair tot taak terroristische online-inhoud te identificeren en het ontoegankelijk maken van online terroristische online-inhoud af te dwingen.
Indien terroristische online-inhoud is geïdentificeerd, vaardigt de ATKM een verwijderingsbevel uit aan de aanbieder van hostingdiensten waar de terroristische online-inhoud wordt gehost. De ATKM kan een verwijderingsbevel uitvaardigen aan alle aanbieders van hostingdiensten die hun diensten aanbieden in de Europese Unie. Hierop heeft de aanbieder van hostingdiensten één uur de tijd om deze inhoud te verwijderen óf de toegang daartoe in alle EU-lidstaten te blokkeren. De ATKM houdt scherp toezicht op deze 1-uurs termijn. In vrijwel alle gevallen hebben internetbedrijven hieraan opvolging gegeven.5
Wanneer een verwijderingsbevel niet (tijdig) door een aanbieder van hostingdiensten wordt nageleefd, kan de ATKM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Indien een aanbieder systematisch of aanhoudend de verwijderingsbevelen niet naleeft, is het wettelijk maximum boetebedrag € 1.100.000 of, indien dat meer is, ten hoogste 4% van de mondiale omzet van de onderneming.
Wanneer een in Nederland gevestigde aanbieder van hostingdiensten twee of meer definitieve verwijderingsbevelen heeft ontvangen kan de ATKM besluiten dat deze aanbieder is blootgesteld aan terroristisch online inhoud. De aanbieder dient dan onder andere aanvullende specifieke maatregelen te nemen om zijn diensten te beschermen tegen de verspreiding van terroristisch online inhoud. De aanbieder kiest zelf welke specifieke maatregelen hij hiervoor treft en rapporteert hierover aan de ATKM.6
De verplichtingen onder de DSA zijn gelaagd en afhankelijk van de omvang van de dienst. Online platformen moeten op grond van artikel 16 beschikken over een gebruiksvriendelijk meldsysteem voor illegale inhoud. Bij een vermoeden van een strafbaar feit dat het leven of de veiligheid van een persoon bedreigt, moeten zij volgens artikel 18 de opsporingsdiensten informeren. Daarnaast moeten meldingen van trusted flaggers op basis van artikel 22 met voorrang worden behandeld.
Voor VLOPs gelden strengere eisen. Zij moeten volgens artikel 34 systemische risico’s rond de verspreiding van illegale content analyseren en op grond van artikel 35 passende maatregelen nemen. Bij ernstige nalatigheid kunnen op grond van artikel 52 boetes tot 6% van de wereldwijde jaaromzet worden opgelegd. Ook moeten VLOPs de mogelijke risico’s voor bijvoorbeeld de openbare veiligheid analyseren en beperken, bijvoorbeeld door algoritmische versterking te verminderen of gebruikers naar hulpinstanties te verwijzen. De Europese Commissie houdt toezicht op deze verplichtingen.
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Het wettelijk instrumentarium, zoals de DSA en de TOI-verordening, biedt mogelijkheden om op te treden tegen onveilige online omgevingen. Zo is in het kader van voorgenoemde wetten een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien.
Wat betreft de manier waarop er gehandhaafd kan worden onder de TOI-verordening door de ATKM verwijs ik u graag naar het uitgebreide antwoord op vraag 6. Om de doeltreffendheid en praktische effecten van de Uitvoeringswet TOI en de bevoegdheden van de ATKM te beoordelen, is in 2025 de evaluatie van deze wet gestart. Daarin wordt de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. In het najaar van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de resultaten hiervan.
Daarnaast heeft Nederland in december 2025, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie opgeroepen om in samenspraak met onder andere online platformen een vrijwillige gedragscode op te stellen ter bestrijding van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme.7 De voorstellen voor de gedragscode richten zich op de bescherming van gebruikers van online platformen, het delen van signalen van online radicalisering, en het tegengaan van zogeheten «platform migratie» waarbij (geblokkeerde) gebruikers (telkens) naar andere platformen uitwijken (en accounts op nieuwe platformen openen).
De DSA biedt ruimte voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse toezichthouder, en de Europese Commissie om handhavend op te treden bij niet-naleving van de verplichtingen uit de verordening. De verordening laat in een uiterst geval en onder voorwaarden ruimte voor de toezichthouder om de rechter te verzoeken de toegang tot een dienst tijdelijk te beperken wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk die neerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd. De Europese Commissie kan VLOPs dwingende maatregelen opleggen en boetes uitdelen wanneer zij systemische risico's onvoldoende mitigeren.
In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Om dit instrumentarium verder te versterken, zal Nederland een actieve rol spelen in deze evaluatie en ons inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk en mogelijk is. Daarbij richten wij ons niet alleen op de aanpak van illegale en schadelijke content, maar nadrukkelijk ook op het gebrek aan transparantie en de werking van schadelijke algoritmen. Deze inzet sluit aan bij de doelstellingen uit het coalitieakkoord. Zo zal het kabinet zich inzetten om sociale media veiliger te maken door middel van strenger toezicht op platformen en transparantie over algoritmen, en effectieve handhaving tegen illegale content. In de komende periode zal worden bezien op welke wijze hier nadere invulling aan kan worden gegeven.
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Zoals het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, zijn er verspreid over negen politie-eenheden in totaal zestien verdachten aangehouden. Volgens het Openbaar Ministerie hebben dertien verdachten de Syrische nationaliteit en drie verdachten de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet doet geen uitspraken over individuele verblijfsstatussen of andere persoonsgegevens van de verdachten.
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
De NCTV houdt de ontwikkelingen omtrent de jihadistische dreiging nauwlettend in de gaten en rapporteert daarover in het DTN. Ook wordt voortdurend bezien of de huidige aanpak voldoende handvatten biedt of dat aanscherping van maatregelen nodig is.
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
De lokale aanpak vormt een essentieel onderdeel van de kabinetsinzet tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, waarbij altijd sprake is van maatwerk. Met name waar het jongeren betreft is het belang van effectieve vroegsignalering groot en dergelijk maatwerk vereist – een noodzaak die ook door de AIVD is benadrukt in haar publicatie «Een web van haat».8 Hierbij is een grote rol weggelegd voor preventie, bijvoorbeeld door het bevorderen van digitale weerbaarheid van jongeren, het ondersteunen van ouders en het trainen van (lokale) professionals zoals jeugdwerkers en leerkrachten om mogelijke signalen van (online) radicalisering vroegtijdig te herkennen.
Het versterken van digitale weerbaarheid is een belangrijke pijler binnen de preventieve aanpak van online radicalisering9, waarbij passende en effectieve interventies op lokaal niveau van groot belang zijn. Op dit gebied werk ik intensief samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), waaronder bij het toekennen van de Versterkingsgelden aan gemeenten. Vanuit de Versterkingsgelden worden diverse lokale interventies ondersteund die bijdragen aan het versterken van de digitale weerbaarheid van jongeren, zoals lessen op school over mediawijsheid en online jongerenwerk. SZW zet daarnaast ook op lokaal niveau preventief in op het versterken van bewustwording, kennisontwikkeling en -deling en samenwerking van professionals op het thema online radicalisering.10 De NCTV heeft de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit in 2025 en 2026 gevraagd met regionale advisering de lokale aanpak te ondersteunen, met als doel duurzame netwerken tussen lokale professionals op te bouwen ter bevordering van lokale preventie en deskundigheidsbevordering. Tevens is de aansluiting tussen zorg- en veiligheidspartners een aandachtspunt. Daarbij is een extra focus aangebracht voor de aanpak van snelle online radicalisering van jongeren door jongerenwerkers, onderwijzers, ouders en jongeren, en hoe deze aanpak zelf kan worden vormgegeven door inzet op online veiligheid en digitale weerbaarheid.
Tot slot is het van groot belang dat (lokale) professionals uit het sociaal-, onderwijs-, zorg- en veiligheidsdomein over de juiste kennis en handvatten beschikken om signalen vroegtijdig te herkennen zodat hierop effectief kan worden gehandeld. Het Rijksopleidingsinstituut tegen Radicalisering (ROR) werkt samen met gemeentes aan de deskundigheid van professionals door middel van kennisverspreiding en het versterken van vaardigheden en biedt diverse trainingen en workshops aan professionals, zoals een workshop «Online Radicalisering» of de serious game voor docenten genaamd «Botsende ideeën». Daarnaast biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en mensen die in hun privé omgeving te maken krijgen met (mogelijke) radicalisering of extremisme.
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
In algemene zin kunnen uitingen die online worden gedaan direct of indirect effect hebben in de fysieke wereld. Intolerante en gewelddadige boodschappen worden, met name door de komst van sociale media, razendsnel verspreid om de geesten van anderen ontvankelijk te maken voor terroristische denkbeelden. Als mensen online propaganda van terroristische organisaties voorgeschoteld krijgen, kan dat radicalisering in de hand werken en van invloed zijn op de wijze waarop deze personen zich gedragen in onze maatschappij, niet alleen online maar ook op straat, bijvoorbeeld bij bijeenkomsten of demonstraties.
Personen die online radicaliseren door veelvuldige blootstelling aan terroristische boodschappen kunnen hun intolerante gedachtegoed in de openbare ruimte uitdragen, bijvoorbeeld door terroristische misdrijven te verheerlijken of door steun te betuigen aan terroristische organisaties. Om deze verheerlijkende propaganda nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Uiteraard kan er op dit moment ook al strafrechtelijk worden opgetreden tegen strafbare uitingen die online of offline in het openbaar worden gedaan.
Op het moment dat er strafbare uitlatingen worden gedaan tijdens een demonstratie is het aan het Openbaar Ministerie als gezag om een afweging te maken of de politie moet ingrijpen. Het Openbaar Ministerie kan eveneens na een demonstratie ingrijpen door dan tot strafvervolging over te gaan. Deze afweging is aan het Openbaar Ministerie.
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme en terrorisme aan te pakken – in het bijzonder waar het jongeren betreft. Er wordt voortdurend bezien of de huidige wet- en regelgeving toereikend is en er wordt stevig ingezet op preventie, bewustwording en samenwerking met lokale en internationale partners. In het voorjaar van 2026 zal ik in de volgende voortgangsbrief van de Versterkte Aanpak Online nader ingaan op de verdere ontwikkelingen in het tegengaan van online extremisme en terrorisme.
De oproep van experts om AI-uitkleedsoftware wereldwijd te verbieden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest, wereldwijd ondertekend, die oproept om AI-uitkleedsoftware te verbieden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het manifest? Kunt u inhoudelijk reageren op de specifieke oproepen aan beleidsmakers van EU-lidstaten?
Het is goed dat het maatschappelijk middenveld met dit manifest breed aandacht vraagt voor de problematiek rondom nudifying-tools. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. Het bericht dat zoveel mensen slachtoffer zijn geworden is zeer zorgwekkend. Het is onacceptabel om met behulp van AI zonder toestemming mensen uit te kleden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden.
Ten aanzien van de eerste drie specifieke oproepen: op grond van het bestaande straf- en civiele recht kan de nudify-problematiek in Nederland en de EU al grotendeels worden aangepakt. Het gebruik ervan zonder toestemming zal in de praktijk vrijwel altijd strafbaar en/of onrechtmatig zijn. Zo biedt de Nederlandse wetgeving via de artikelen 252 en 254ba Wetboek van Strafrecht voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties zonder toestemming deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
Bij het verwerken van persoonsgegevens in deepfakes, zoals gezichts- of stemkenmerken, is verder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) van toepassing. De AVG verbiedt het maken en verspreiden van deepfakes die persoonsgegevens bevatten, buiten de huiselijke sfeer, zonder een geldige verwerkingsgrondslag. In de praktijk betekent dit dat een deepfake zonder toestemming, vooral wanneer het gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) inhoud bevat, in strijd is met de AVG. Personen wiens gegevens onrechtmatig zijn verwerkt in (deepfake)content kunnen een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP).
Het gebruik van deepfake-technologie kan onder bepaalde omstandigheden een onrechtmatige daad vormen. Dit is meestal het geval bij de publicatie van pornografische deepfakes die zonder toestemming zijn gemaakt, maar kan ook gelden voor stemimitaties. Bovendien blijkt uit de regeling van het portretrecht in de Auteurswet dat het publiceren van een portret, dat niet op verzoek is gemaakt (wat meestal het geval is bij deepfakes), niet is toegestaan als er een redelijk belang van de geportretteerde is dat zich verzet tegen openbaarmaking (artikel 21 Auteurswet).
De digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) regelt dat hostingsdiensten, waaronder online platforms, verplicht zijn om te voorzien in mechanismen via welke gebruikers meldingen kunnen doen van illegale inhoud die zich op de dienst/op het platform bevindt. De meldingen moeten vervolgens (tijdig) worden beoordeeld en verwerkt. In het geval van illegale deepnudes zal dit betekenen dat zij de betreffende inhoud, zodra zij daarvan kennis hebben, moeten verwijderen. Wanneer de hostingdiensten, waaronder online platforms, dat niet doen riskeren zij aansprakelijkheid.
Daar bovenop geldt voor de zogenaamde aangewezen «zeer grote online platforms» (zoals X, Facebook, Instagram, TikTok, YouTube, Snapchat) de verplichting om zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van de dienst en daaraan verbonden systemen (waaronder algoritmes en aanbevelingssystemen), te beoordelen en te beperken. Dit omvat risico’s in verband met de verspreiding van illegale inhoud, zoals gemanipuleerde seksueel expliciete afbeeldingen, met inbegrip van inhoud die kan neerkomen op materiaal van seksueel misbruik van kinderen. In dat kader is de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines, onlangs een onderzoek gestart tegen X, in verband met de risico’s voortvloeiende uit de uitrol van Grok in dat platform.2
Het kabinet staat voor een effectieve aanpak van de nudify-problematiek en daar kan een verbod deel van uitmaken. Op dit moment wordt de mogelijkheid van een verbod op het aanbieden van nudifying-tools verkend. Hiervoor is verdere studie nodig. Er is nog weinig bekend over de effectiviteit van een mogelijk verbod, waar dit eventueel opgenomen zou moeten worden, de wijze waarop dit het beste vorm kan krijgen, de handhavingsmogelijkheden en de uitvoeringsconsequenties. Mijn ministerie is momenteel in gesprek met verschillende partijen om te bezien of de aanpak kan worden versterkt.
In de aanpak van dergelijke grensoverschrijdende uitdagingen kan een Europese benadering effectiever zijn dan een nationale. Daarom is het positief dat hierover gesprekken op Europees niveau worden gevoerd. In dat kader is relevant dat de Raad op 13 maart jl. zijn mandaat voor de triloog heeft vastgesteld ten aanzien van de AI-omnibus en een amendement waarbij AI-systemen die non-consensuele expliciete deepfakes genereren (zoals nudify-tools) onder de verboden AI-praktijken in de AI-verordening worden gebracht, heeft gesteund. Op 26 maart jl. heeft het Europees Parlement ingestemd met een dergelijk verbod. Dit betekent dat de onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad over de definitieve vorm van een dergelijk verbod kunnen beginnen.3
Voor wat betreft de laatste specifieke oproep geldt dat in het kader van het herziene curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs kerndoelen voor Digitale Geletterdheid zijn ontwikkeld. De kerndoelen richten zich onder meer op het herkennen van online risico’s, het omgaan met (ongepaste) content en het bevorderen van digitale weerbaarheid, waaronder het kritisch omgaan met AI-toepassingen. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs is aandacht voor digitale geletterdheid, zowel in beroepsgerichte programmaonderdelen als via generieke onderdelen.
Via het Netwerk Mediawijsheid wordt aanvullend ingezet op brede bewustwording en ondersteuning van burgers van alle leeftijden. Het netwerk ontwikkelt informatie, campagnes en lesmateriaal voor leerlingen, docenten, ouders en andere doelgroepen, met aandacht voor online pesten, seksueel grensoverschrijdend gedrag en sextortion.
Steunt u het manifest? Zo ja, op welke manieren geeft u uitvoering aan de aanbevelingen?
Het is goed dat het maatschappelijk middenveld met dit manifest een duidelijke stem laat horen over de risico’s van zogenoemde nudifying tools. Door gezamenlijk stelling te nemen, maken de betrokken organisaties duidelijk dat dit een vraagstuk is voor iedereen: overheden, technologiebedrijven en de samenleving in het algemeen. Het manifest draagt eraan bij dat mensen zich bewuster worden van hun eigen rol in het tegengaan van dit probleem en spreekt iedereen aan op zijn of haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een veilige (digitale) omgeving, in het bijzonder voor kinderen en jongeren. Ten aanzien van de uitvoering van de aanbevelingen verwijs ik naar de beantwoording van vraag 2.
Hoe gaat u de motie-Van der Werf c.s. [Kamerstuk 36 800 VI-80] uitvoeren die vraagt om een onderzoek naar een verbod op dergelijke apps?
Op dit moment wordt de mogelijkheid van een dergelijk verbod onderzocht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is een verbod op AI-uitkleedapplicaties inmiddels onderdeel van de lopende AI Omnibus-onderhandelingen. Met de voortgangsbrief seksuele misdrijven, die twee keer per jaar wordt verzonden, wordt u verder geïnformeerd over de uitvoering van deze motie.
Kunt u de wettelijke maatregelen tegen uitkleedsoftware versnellen, en zo spoedig mogelijk met wetgeving komen om AI-uitkleedsoftware te verbieden?
Er is hier sprake is van een maatschappelijk probleem dat zich in grote mate blijft voordoen en dat dit een snelle, voortvarende aanpak vereist. Het onderwerp heeft de aandacht van het kabinet, wat onder andere blijkt uit het coalitieakkoord.4 De mogelijkheden voor de aanpak van AI-uitkleedsoftware worden op dit moment verkend. Een verbod op AI-uitkleedapplicaties is verder onderdeel van de onderhandelingen over de AI-omnibus. Dit vraagstuk is complex en kent helaas geen snelle oplossing. Een zorgvuldige afweging, samen met alle betrokken partijen is noodzakelijk.
Bent u bekend met de oproep van Spanje, gesteund door Ierland, Frankrijk en Slovenië, om AI-uitkleedsoftware te verbieden in artikel 5 van de Europese AI Act?2, 3
Ik ben bekend met de oproep van verschillende lidstaten om AI-uitkleedsoftware in artikel 5 van de Europese AI Act te verbieden. Als vermeld in de beantwoording van de vragen 2, 4 en 7 is een verbod op AI-uitkleedsoftware inmiddels onderdeel van onderhandelingen over de AI-omnibus.
Deelt u de analyse van deze landen dat AI-uitkleedsoftware al is verboden in de Europese Unie? Zo niet, bent u bereid te pleiten voor een Europees verbod?
Bestaande Europese wetgeving verbiedt het maken en verspreiden van bepaalde seksueel expliciete beelden. Het gaat hier bijvoorbeeld om beelden van personen zonder hun toestemming of materiaal van seksueel kindermisbruik. Deze wetgeving maakt het vooral mogelijk om achteraf in te grijpen. De Europese ontwikkelingen ten aanzien van dit onderwerp worden meegenomen in de eerdergenoemde verkenning naar een eventueel verbod.
Bent u bereid om Nederland bij deze groep EU-lidstaten te voegen? Welke expertise en ondersteuning kan Nederland in deze groep bieden, bijvoorbeeld met organisaties als Offlimits aan tafel?
Onderdeel van eerdergenoemde verkenning is het actief aangaan van gesprekken en samenwerking met andere Europese lidstaten. Als aangegeven in de beantwoording van vraag 2 hebben in het kader van de verkenning naar de mogelijkheid van een verbod op het aanbieden van nudifying-tools ook gesprekken met verschillende stakeholders en experts plaatsgevonden. Ik informeer u hier verder over in de voortgangsbrief seksuele misdrijven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Mediamagnaat Jimmy Lai krijgt twintig jaar cel in Hongkong' |
|
Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving dat de Hongkongse autoriteiten democratie-activist Jimmy Lai hebben veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, hetgeen, gelet op zijn leeftijd, in de praktijk kan neerkomen op een feitelijk levenslange straf?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat een veroordeling op basis van het vermeende «collusion with foreign forces» geen grond heeft in de werkelijkheid en in belangrijke mate lijkt te zijn gericht op het neutraliseren van de pro-democratische oppositie in Hongkong? Zo ja, bent u bereid uw zorgen over deze arbitraire veroordeling aan te kaarten bij uw Chinese ambtgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat uitvoering van de Nationale Veiligheidswet een negatief effect heeft op het democratisch proces en de rechtsstaat in Hongkong. De rechtszaak tegen Jimmy Lai maakt onderdeel uit van een bredere campagne van beperking van vrijheid van meningsuiting in Hongkong.
Onze serieuze zorgen over de veroordeling van de heer Lai en de hoge opgelegde strafmaat zijn in diplomatieke contacten overgebracht aan de Chinese autoriteiten. Daarbij is gewezen op het feit dat dit vonnis haaks staat op de verantwoordelijkheden die de Hongkongse autoriteiten hebben om de vrijheid van meningsuiting te beschermen als partij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Bent u bereid om in contacten met Chinese ambtgenoten het lot van Jimmy Lai en dat van de honderden andere politieke gevangenen in Hongkong structureel en expliciet aan de orde te blijven stellen? Zo ja, bent u bereid om in publieke (online) verslaglegging of via sociale media te refereren aan de inhoud van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Hongkong wordt op verschillende niveaus in gesprekken met Chinese gesprekspartners opgebracht, zowel bilateraal en in EU-verband als in multilaterale fora. Als het mogelijk is om de inhoud van deze gesprekken te delen, dan zal ik dat doen, maar daarbij merk ik op dat veel van deze gesprekken een vertrouwelijk, diplomatiek karakter hebben. Publieke verslaglegging daarvan, al dan niet via sociale media, is niet altijd mogelijk, omdat het de vertrouwelijkheid kan schaden en niet bijdraagt aan een openhartige uitwisseling van standpunten.
Bent u bereid om verontwaardiging over deze arbitraire veroordeling publiek kenbaar te maken door nationaal of in multilateraal verband een veroordelend statement uit te brengen? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Eerder heeft Nederland samen met EU -en gelijkgestemde landen verschillende keren zorgen uitgesproken over de voortgaande beperkingen van de persvrijheid in Hongkong en de onderdrukking van lokale media, waaronder de gedwongen sluiting van de krant Apple Daily en de arrestatie van eigenaar Jimmy Lai. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf via sociale media een verklaring af op de dag dat de strafmaat bekend werd gemaakt. Daarin betreurde EDEO de hoge strafmaat, kwalificeerde de Dienst de rechtszaak tegen hem als politiek gemotiveerd en riep hij op tot vrijlating van de heer Lai. Nederland heeft deze verklaring ondersteund.
Welke concrete acties onderneemt Nederland momenteel om de persvrijheid in China en de regio te beschermen en te bevorderen, en welke ruimte ziet u om deze inzet verder te versterken of op te schalen?
Vrijheid van meningsuiting online en offline is een van de prioriteiten binnen ons Nederlandse buitenlandse mensenrechtenbeleid. Nederland zet zich daardoor wereldwijd in voor de bescherming van journalisten en het bevorderen van persvrijheid. Dit doen we concreet, ook met betrekking tot China en Azië, door onze steun te verlenen aan cross-regionale verklaringen en coalities, zoals de Media Freedom Coalition (MFC) en de Freedom Online Coalition (FOC). Daarnaast investeert Nederland 20 miljoen euro in de veiligheid van journalisten en mediawerkers via het centrale Mensenrechtenfondskader via het Safety for Voices programma (2023–2027). Vanuit het gedelegeerde Mensenrechtenfonds worden via ambassades projecten en evenementen georganiseerd ter bevordering van persvrijheid en veiligheid voor journalisten. Nederland blijft doorlopend samen met partners kijken hoe deze inzet, ook in China en Azië, nog meer effect kan sorteren. Vanwege de veiligheid van partners ter plekke kan het kabinet niet in detail treden over welke organisaties Nederland exact steunt.
Acht u deze veroordeling van invloed op het investeringsklimaat en de rechtszekerheid in Hongkong, en wordt dit betrokken bij het Nederlandse en Europese beleid ten aanzien van China en Hongkong?
Het kabinet is van mening dat handhaving van de rechtsstaat en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, belangrijke factoren vormen voor een aantrekkelijk investeringsklimaat. Bedrijven nemen dergelijke factoren in overweging bij het uitvoeren van hun investeringsplannen. De veroordeling van Jimmy Lai kan in die zin van invloed zijn op het vertrouwen in het investeringsklimaat in Hongkong. Nederland en de Europese Unie benadrukken in gesprekken met de autoriteiten van China en Hongkong de cruciale rol die rechtszekerheid speelt bij het aantrekken van investeringen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Studenten uit Gaza die beurs was beloofd kunnen toch nog niet door met hun studie in Wageningen’ |
|
Raymond de Roon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Wageningen University & Research de juridische procedure van twee in Gaza geboren studenten faciliteert door de proceskosten te vergoeden en kunt u aangeven uit welke middelen deze kosten worden betaald? Zo nee, waarom niet?1
Ik ben bekend met het bericht.
De Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) geeft een instelling ruimte om voorzieningen te treffen voor de financiële ondersteuning van een internationale student die aan de instelling is ingeschreven. Instellingen gaan zelf over de invulling die zij hieraan geven. De Wageningen Universiteit (WUR) verstrekt jaarlijks twee beurzen aan studenten uit conflictgebieden. De WUR heeft mij laten weten dat deze beurzen worden bekostigd uit een fonds dat hiervoor door de instelling is ingericht. Uit hetzelfde fonds worden nu de proceskosten betaald. De WUR geeft aan dat de middelen voor dit fonds uit de inkomsten uit instellingscollegegeld van niet EER-studenten worden gehaald. Het betreft dus geen middelen die vanuit de Rijksoverheid aan de WUR worden verstrekt. Wel is het zo dat instellingscollegegeld wordt geïnd op basis van WHW waarmee deze middelen als publiek zijn aan te merken.
Hogescholen en universiteiten hebben bestedingsvrijheid voor deze middelen, maar zijn hierbij gebonden aan dezelfde kaders die de WHW aan de besteding van de overheidsbijdrage stelt. Het is aan de WUR om te zorgen dat zij hun middelen binnen de kaders van de wet besteden. Zij rapporteren over hun bestedingen in hun jaarverslag.
Kunt u uitsluiten dat voor deze rechtszaak publiek bekostigde onderwijs- en onderzoeksbudgetten van de universiteit worden ingezet en, zo nee, acht u het wenselijk dat universiteitsgeld wordt gebruikt voor juridische procedures tegen de Staat?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek en niet op het voeren of financieren van rechtszaken om buitenlandse en consulaire besluitvorming af te dwingen?
Ik deel met u dat universiteiten zich primair dienen te richten op onderwijs en onderzoek. Ik heb geen reden om aan te nemen dat universiteiten van deze doelstellingen afwijken.
Kunt u aangeven of en op welke wijze de betreffende studenten vooraf zijn gescreend op veiligheidsrisico’s, waaronder mogelijke banden met extremistische of terroristische organisaties zoals Hamas?
Deze studenten hebben de reguliere procedure doorlopen. Voorafgaand aan de afgifte van een verblijfsvergunning voor studie voert de IND een openbare orde-check uit in nationale en internationale justitiële en politiesystemen, waaronder het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Aanvragers moeten een antecedentenverklaring invullen en ondertekenen. Deze omvat ook lopende zaken, niet-onherroepelijke veroordelingen en buitenlandse antecedenten. De referent (in dit geval de WUR) ziet hierop toe. Onjuiste of onvolledige informatie kan leiden tot afwijzing.
Als blijkt dat de betrokkene een gevaar voor de openbare orde en/of nationale veiligheid vormt, zal de aanvraag worden geweigerd.
Bent u bereid vast te leggen dat universiteiten geen financiële, juridische of bestuurlijke verplichtingen mogen aangaan richting personen uit conflictgebieden zolang niet vaststaat dat dit noodzakelijk, veilig en volledig getoetst is en dat dit niet leidt tot precedentwerking?
Het staat buitenlandse studenten vrij om een studie aan Nederlandse universiteiten te volgen als zij aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoen. Het in mijn vorige antwoord benoemde reguliere proces is hier een onderdeel van voor studenten die niet uit de EER of uit Zwitserland komen. Deze processen zijn in dit geval doorlopen en hiermee zijn de studenten wat mij betreft afdoende getoetst.
Ik zie op dit moment geen reden om de bestaande processen en regelgeving op dit gebied te wijzigen.
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie van Justitie?1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf. Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details van deze zaak te worden geconfronteerd.
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid, hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid kan blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid, en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf, is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6 en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Het spionageschandaal bij de NCTV |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een voormalig medewerker van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) jarenlang staatsgeheime informatie zou hebben doorgespeeld aan de Marokkaanse geheime dienst?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze zaak een van de grootste veiligheids- en spionageschandalen uit de recente Nederlandse geschiedenis is? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een medewerker met toegang tot uiterst vertrouwelijke informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) jarenlang ongecontroleerd honderden staatsgeheime documenten kon printen, meenemen en digitaliseren?
Welke concrete tekortkomingen in toezicht, interne controle en informatiebeveiliging hebben dit mogelijk gemaakt?
Kunt u aangeven welke risico’s deze informatielekken hebben opgeleverd voor de nationale veiligheid en de veiligheid van Nederlandse burgers?
Zoals geschetst Kamerbrief van 25 november 2025 is door de politie direct na de aanhouding van de verdachte gekeken naar de veiligheidsrisico’s voor zowel medewerkers als lopende onderzoeken.4 Mede naar aanleiding van deze doorlichting heeft de politie maatregelen genomen. Op dit moment loopt, mede naar aanleiding van de motie Six-Dijkstra, een onderzoek naar de schade van de mogelijk gelekte gegevens bij de NCTV.5 Zoals toegezegd in de brief van 10 november jl. zal ik uw Kamer voor zover dit mogelijk is nader informeren over relevante ontwikkelingen.
In hoeverre zijn door deze zaak lopende operaties, informatiebronnen of personen in binnen- en buitenland in gevaar gebracht?
In zijn algemeenheid geldt dat dat er in de openbaarheid niet wordt ingegaan op vragen omtrent staatsgeheime informatie of operaties. Voor de behandeling hiervan heeft de Kamer haar geëigende kanalen.
Wanneer ontving de AIVD de eerste signalen van mogelijk ongeoorloofd contact tussen de verdachte en buitenlandse inlichtingendiensten, en waarom is toen niet eerder ingegrepen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat Nederland structureel te naïef omgaat met buitenlandse inmenging en spionage, met name vanuit landen die hier een grote diaspora hebben?
Sinds 2018 zet het kabinet Rijksbreed in op tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging.6 In 2023 is deze aanpak geïntensiveerd, met onder andere maatregelen om het bewustzijn over statelijke inmenging te vergoten en de strafbaarstelling van spionageactiviteiten in Nederland uit te breiden.7 Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de Kamerbrief «Stand van zaken aanpak ongewenste buitenlandse inmenging» en de fenomeenanalyse van de AIVD en NCTV over dit thema.8
Deelt u de zorg dat ambtenaren met sterke persoonlijke, familiale of buitenlandse loyaliteiten kwetsbaar kunnen zijn voor belangenverstrengeling en het schenden van het ambtsgeheim, zoals blijkt uit recente zaken waaronder die van Fouad A.?2
De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) stelt dat privécontacten van rijksambtenaren het vertrouwen van het publiek in de overheid kunnen beïnvloeden. Hier staat tegenover dat een ambtenaar recht heeft op de bescherming van zijn of haar privéleven zolang de uitoefening van dit recht het functioneren of het functioneren van de dienst niet schaadt. Voor ambtenaren met toegang tot relevante informatie of diensten geldt dat het integriteitsrisico groter is. De Rijksoverheid zet daarom in op bewustwording over integriteitsrisico’s, onder andere via het rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning».
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of er sprake is van structurele patronen bij het schenden van het ambtsgeheim, waaronder het beschermen van bekenden, en of huidige screenings- en toezichtmechanismen daarbij tekortschieten?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vragen 2, 3 en 4. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse staat in deze zaak, gezien de verdenkingen van direct contact tussen de verdachte en hoge functionarissen van de Marokkaanse inlichtingendienst?
Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is het van belang om eerst de uitkomsten van het strafproces af te wachten.
Worden er, naar aanleiding van deze zaak, diplomatieke of veiligheidsmaatregelen overwogen ten aanzien van de samenwerking met Marokko?
Zie antwoord vraag 11.
Acht u de huidige screenings- en herbeoordelingsprocedures voor medewerkers met toegang tot staatsgeheime informatie toereikend? Zo nee, welke aanscherpingen acht u noodzakelijk?
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat collega’s inloggegevens konden uitlenen zonder dat dit direct werd gesignaleerd of gesanctioneerd?
Deelt u de opvatting dat het uitlenen van accounts en het meenemen van staatsgeheime stukken naar huis wijst op een gebrekkige veiligheidscultuur binnen de NCTV?
Welke bestuurlijke of disciplinaire gevolgen zijn er verbonden aan het falen van interne beveiligingsmaatregelen binnen de NCTV?
In hoeverre wordt momenteel rekening gehouden met mogelijke kwetsbaarheden voor buitenlandse beïnvloeding, zoals financiële voordelen, reizen of andere gunsten, bij medewerkers in gevoelige functies?
Van alle rijksambtenaren wordt verwacht dat zij in hun werk betrouwbaar, onafhankelijk en onpartijdig zijn. In artikel 8, eerste lid, onder e, van de Ambtenarenwet 2017 is opgenomen dat het de ambtenaar niet is toegestaan om zonder toestemming van de overheidswerkgever giften, vergoedingen en beloften van een derde aan te nemen of hierom te vragen, indien de ambtenaar als ambtenaar met deze derde betrekkingen onderhoudt. Als grondregel geldt dat het aannemen van geschenken slechts geoorloofd is wanneer de handelingsvrijheid van de ambtenaar er niet direct of indirect door wordt aangetast én het gedrag van de ambtenaar de toets van de openbare verantwoording kan doorstaan.11 Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is opgenomen, dient elke rijksambtenaar bij geschenken na te gaan wat de achtergrond en mogelijke bijbedoelingen van een geschenk zijn. Indien een ambtenaar zich hierdoor niet meer vrij voelt om een onpartijdige beslissing te nemen, moet een geschenk geweigerd worden. In het geval van een geschenk door een buitenlandse relatie, dient de rijksambtenaar dit te beschouwen als een geschenk aan de organisatie en bespreekt de rijksambtenaar het geschenk met de leidinggevende. In het verlengde hiervan is het Rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning» in het leven geroepen tegen ondermijning vanuit statelijke actoren, buitenlandse beïnvloeding, en criminele organisaties. Vanuit het programma is er bijvoorbeeld een toolkit ontwikkeld waarmee Rijksorganisaties een risicoanalyse kunnen uitvoeren ten aanzien van corruptie en ondermijning.
Bent u bereid om het beleid rondom het accepteren van geschenken, reizen en andere voordelen van buitenlandse partijen verder aan te scherpen voor ambtenaren met toegang tot staatsgeheimen?
Zie antwoord vraag 17.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel. Als benoemd bij de beantwoording van vragen 2 tot en met 4 heeft mijn ambtsvoorganger de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie. Voor de uitkomsten van dit rapport en de maatregelen die zijn getroffen verwijs ik u naar de eerder genoemde brief van 13 december 2024. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Kunt u toezeggen dat de Kamer volledig en transparant wordt geïnformeerd over de uitkomsten van evaluaties en eventuele hervormingen naar aanleiding van deze zaak?
Bij brief van 24 oktober 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de ADR heb gevraagd om een aanvullend onderzoek te doen bij de NCTV naar de opvolging van de aanbevelingen van het rapport van de ADR naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie en waar nodig aanvullende aanbevelingen te doen. Uw Kamer zal, zoals toegezegd in de genoemde brief en tijdens het debat met uw Kamer van 3 april 2025, vanzelfsprekend over de uitkomsten worden geïnformeerd.