De inzet van Nederland voor de VN-Biodiversiteitstop |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de tijdlijn schetsen van wanneer de belangrijkste beslismomenten over het nieuwe mondiale biodiversiteitsraamwerk plaatsvinden, zowel in nationaal als Europees en internationaal verband?1
Tijdens de conferentie van partijen (COP-15) van het Biodiversiteitsverdrag (CBD) moeten, in de vorm van een Global Biodiversity Framework (GBF), nieuwe wereldwijde afspraken worden gemaakt voor de periode tot 2030 om de biodiversiteitscrisis te keren. In aanloop naar CBD COP-15 is een Open Ended Working Group (OEWG) ingesteld waarin over het GBF, een raamwerk van afspraken, wordt onderhandeld. Tot op heden hebben twee OEWG’s en het eerste deel van de derde OEWG plaatsgevonden. Het tweede deel van de derde OEWG staat gepland voor 14-29 maart 2022, evenals de bijeenkomsten van de hulporganen van de CBD, gericht op wetenschap (SBSTTA) en implementatie (SBI). Tijdens CBD COP-15.1 die in oktober 2021 plaatshad vonden geen onderhandelingen plaats over het GBF. De onderhandelingen over het GBF en aanverwante onderwerpen, zoals financiering en monitoring vinden plaats tijdens CBD COP-15.2 die naar verwachting medio zomer 2022 zal plaatsvinden in Kunming. De inzet voor CBD COP-15 wordt in EU-verband bepaald en is in belangrijke mate gestoeld op de EU Biodiversiteitsstrategie (EBS). Bijstellingen en aanvullingen vinden plaats in de Milieuraad en worden met uw Kamer gedeeld. De EU-positie voor CBD COP-15.2 wordt naar verwachting vastgesteld tijdens de Milieuraad van juni 2022. Uw Kamer werd eerder geïnformeerd over de Nederlandse prioriteiten ten aanzien van CBD COP-15 (Kamerstuk 26 407, nr. 138).
Deelt u de mening dat er afrekenbare doelen nodig zijn en niets slechts «ophoging van inzet en ambitie», aangezien de Aichi-doelen niet zijn gehaald? Zo ja, wat acht u nodig?2
Het kabinet deelt de mening dat afrekenbare doelen noodzakelijk zijn om de biodiversiteitscrisis te keren. Om deze reden zet Nederland zich bij de onderhandelingen voor het GBF in voor een versterkt systeem van monitoring, rapportage en verantwoording met bindende rapportage vereisten, evenals een mechanisme voor tussentijdse ophoging van inzet en ambitie («ratcheting up»). Op deze wijze wordt de implementatie van het verdrag versterkt en beter verzekerd. Ook kan op die manier tijdig worden bijgestuurd, mochten de gestelde doelstellingen niet binnen bereik komen. Nederland blijft zich op deze wijze internationaal inzetten voor de motie-Jetten/De Groot (beide D66) (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1617).
Onderschrijft u de ambitie van het nieuwe strategisch plan van de Convention on Biological Diversity (CBD) voor de periode 2020–2030 (Global Biodiversity Framework) om in 2030 30% van het land en de zee effectief te beschermen? Zo nee, waarom niet?3
De doelstelling om 30 procent van het land – en zeeoppervlak te beschermen is opgenomen in de EBS en vormt ook onderdeel van de EU-inzet ten aanzien van CBD COP-15. Nederland onderschrijft de ambitie om wereldwijd 30 procent van het land- en zeeoppervlak te beschermen en zal een billijke bijdrage leveren aan het behalen ervan. Daarnaast is Nederland lid van de High Ambition Coalition (HAC), een coalitie van meer dan 70 landen4 die zich inzet voor opname van genoemde ambitie in het GBF.
Wat verstaat u onder «effectief beschermd»? Welke indicatoren worden gebruikt om dit te monitoren, en wat is de inzet van Nederland met betrekking tot dit doel en indicatoren?
Vooruitlopend op de afspraken in Kunming wordt dit jaar gestart met de implementatie van de doelen uit de EBS die betrekking hebben op een samenhangend netwerk van beschermde gebieden. In de handreiking van de Europese Commissie die daartoe is uitgebracht5, staat beschreven aan welke criteria gebieden moeten voldoen om een bijdrage te kunnen leveren aan de doelstelling om ten minste 30 procent van het land- en 30 procent van het zeeoppervlak in de EU te beschermen. De inzet van Nederland komt overeen met wat de EBS van lidstaten vraagt. Elke lidstaat moet een billijk deel van de inspanning leveren op basis van objectieve ecologische criteria, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de kwaliteit en kwantiteit van de biodiversiteit van land tot land verschilt.
Wat houdt «met grotere regelmaat» in, wanneer u schrijft:«Om het doelbereik verder te verbeteren wil Nederland dat met grotere regelmaat gerapporteerd wordt»?4
Vanuit de inzet voor een versterkt systeem van rapportagevereisten hecht Nederland eraan dat er met grotere regelmaat gerapporteerd wordt over de voortgang van de implementatie. Allereerst moeten landen op basis van de tijdens CBD COP-15.2 te maken afspraken over het GBF herziene nationale actieplannen (NBSAPs) en nationale biodiversiteit financieringsplannen (NBFPs) opstellen, inclusief nationale doelen. Op basis hiervan kan tijdens COP-16 (medio 2024) een «Global Gap Analysis» plaatsvinden. Voorts wil Nederland dat landen in voorbereiding op COP-17 (medio 2026) een nationale rapportage uitvoeren ten behoeve van de voortgang van de implementatie, zodat een «mid-term Global Stocktake» uitgevoerd kan worden. Aan de hand van de genoemde analyses kan een tussentijdse ophoging van inzet en ambitie (ratcheting up) worden voorgesteld, mochten de gestelde doelstellingen niet binnen bereik komen. In voorbereiding op COP-19 (medio 2030) moet opnieuw een nationale rapportage plaats vinden zodat een «Global Stocktake» gehouden kan worden. Tijdens CBD-COP15.2 moet een besluit genomen worden over de regelmaat van de rapportagevereisten en de wijze waarop nationale resultaten op transparante wijze gekoppeld worden aan globale doelstellingen.
Hoe gaat Nederland landen waar er geen middelen zijn om aan deze eis te voldoen ondersteunen in het beter en tijdig rapporteren, aangezien Nederland wil dat er met grotere regelmaat gerapporteerd wordt?
Als onderdeel van het GBF worden ook afspraken gemaakt over capaciteitsopbouw en -ontwikkeling en het mobiliseren van financiering voor ontwikkelingslanden ten behoeve van de implementatie van de gemaakte afspraken en rapportagevereisten. Capaciteitsopbouw en -ontwikkeling verloopt onder andere vanuit de CBD zelf via haar financieringskanaal, de Global Environment Facility (GEF), en de Wereldbank. Nederland levert hieraan een bijdrage via onder meer de contributie aan het CBD Secretariaat en zijn bijdragen aan de GEF en de International Development Association (IDA).
Kunt u toelichten wat uw volgende antwoord concreet betekent in termen van inhoud, tijd, geld en kennis, gegeven op vragen over de biodiversiteitstop: «Daarnaast zet Nederland zich bij de onderhandelingen voor het nieuwe strategisch plan van de CBD voor de periode 2020–2030 (Global Biodiversity Framework) [...] in voor ambitieuze doelen en verbeterde implementatie»?5
Binnen de beschikbare capaciteit en budgetten levert Nederland een bijdrage aan onderhandelingen voor het GBF, waaronder aan de EU-positiebepaling. De Nederlandse prioriteiten zijn hierbij leidend (Kamerstuk 26 407, nr. 138). Voorts wordt gebruikt gemaakt van de kennis en expertise van maatschappelijke partners, kennisinstellingen en bedrijven door input op te halen via een aantal stakeholderbijeenkomsten.
Kunt u een toelichting geven over de inzet van Nederland tijdens het eerste deel van de 15de Conferentie van partijen (COP15) van de CBD in Kunming? Wat heeft Nederland concreet voorgesteld, ook in termen van financiering?
De inzet van Nederland was in het bijzonder om aandacht te vragen voor versterking van de implementatie en de financiering van het Global Biodiversity Framework (GBF). Op voorspraak van Nederland is versterkte implementatie opgenomen in het openingsstatement van de EU. Daarnaast heeft de Minister van LNV actief deelgenomen aan een ministerieel gesprek over de financiering van het GBF. Zij heeft daarbij het belang onderstreept van het voldoende vrijspelen van financiële middelen voor de uitvoering, in het bijzonder door het mobiliseren van middelen vanuit de private en financiële sector.
Hoe zal u andere landen ondersteunen bij het opstellen van nationale actieplannen (NBSAPs), die moeten worden gekoppeld aan nationale biodiversiteit financieringsplannen (NBFPs)?
De ondersteuning van landen bij het opstellen van nationale actieplannen (NBSAPs) en nationale biodiversiteit financieringsplannen (NBFPs) is een voorbeeld van de capaciteitsopbouw en -ontwikkeling die noodzakelijk is met het oog op het bevorderen van de implementatie van het GBF. Tijdens COP-15 zullen in het licht van de besluitvorming over het GBF ook afspraken gemaakt worden over capaciteitsopbouw en -ontwikkeling.
Welke landen wil u hierbij helpen en welke criteria worden hierbij gehanteerd?
Deze ondersteuning verloopt via de beschreven multilaterale kanalen en partners die ook bepalen welke landen geholpen worden en welke criteria worden gehanteerd.
Kunt u uitleggen hoe het Rijk voldoende bijdrage zal leveren aan het mondiale financieringsgat van 598–824 miljard dollar per jaar en hoe Nederland andere landen mee zal nemen in het behalen van deze ambitie, aangezien u schrijft dat Nederland zich inzet voor voldoende financiële middelen voor biodiversiteit, met name voor het mobiliseren van financiële stromen vanuit de private financiële sector?6 7
Nederland is van mening dat het financieringsgat voor biodiversiteit moet worden gedicht op basis van financiering uit alle bronnen en kanalen, met name door het mobiliseren van middelen uit de private en financiële sector. Het vergroenen van de financiële sector is van groot belang om investeringen die schadelijk zijn voor natuur en biodiversiteit uit te bannen (do no harm) en juist investeringen in natuurbehoud te stimuleren (do good). Nederland is koploper bij het in kaart brengen van biodiversiteitsimpact van financiële instellingen. Zo heeft De Nederlandsche Bank vanuit haar rol als toezichthouder samen met het Planbureau voor de Leefomgeving de mogelijke risico’s die de Nederlandse financiële sector wereldwijd loopt als gevolg van biodiversiteitsverlies in kaart gebracht en geraamd op een totaal van 510 miljard euro. Daarnaast steunt Nederland het Partnership for Biodiversity Accounting Financials en de Taskforce on Nature-related Financial Disclosure, twee initiatieven die zich richten op transparantie en herstructurering van financiële stromen ten behoeve van het behoud van biodiversiteit. In aanloop naar CBD COP-15 zet Nederland zich ten slotte via de door Nederland opgezette Interface Dialogue on Biodiversity and Finance in om de Verdragspartijen en investeerders bij elkaar te brengen, zodat financieringsmogelijkheden voor biodiversiteit beter geïntegreerd worden in het GBF en daadwerkelijk meer private financiering kan worden gemobiliseerd. Voor wat betreft het publieke aandeel van de Nederlandse bijdrage aan het mondiale financieringsgat voor biodiversiteit is het kabinet van mening dat dit bijdragen vanuit alle beleidsterreinen dient te omvatten. Bijdragen vanuit het natuurbeleid, waaronder de forse investering ten behoeve van de gebiedsgerichte aanpak van natuurkwaliteit en stikstof, vormen daarbij een belangrijk onderdeel.
Gaat de aanvulling van bovengenoemd fienancieringsgat ten koste van het ontwikkelingsbudget? Deelt u de mening dat het aanvullen van het financieringsgat additioneel zou moeten zijn aan het ontwikkelingsbudget?
Zoals in het antwoord op vraag 11 gesteld is Nederland van mening dat het financieringsgat voor biodiversiteit moet worden gedicht op basis van financiering uit alle bronnen en kanalen, met name door het mobiliseren van middelen uit de private en financiële sector. Ontwikkelingssamenwerking speelt daarin een bescheiden, maar niet onbelangrijke rol. Het keren van biodiversiteitsverlies is daarbij ook een ontwikkelingsagenda: vooruitgang op veel Sustainable Development Goals wordt belemmerd door de ongekende achteruitgang van soorten en ecosystemen en juist de armsten en meest kwetsbaren zijn in hun levensonderhoud vaak van ecosysteemdiensten afhankelijk. Ook gezien de veelheid aan drivers achter biodiversiteitsverlies zet het kabinet daarom in op het beter integreren van biodiversiteit als dwarsdoorsnijdend onderwerp in het ontwikkelingsbudget.
Kunt u aangeven welke partijen zoveel mogelijk worden betrokken bij het nieuwe strategische raamwerk, wanneer u schrijft: «Allereerst vindt Nederland het van belang dat zoveel mogelijk partijen bij een nieuw strategisch raamwerk worden betrokken. Het doel hiervan is het verbeteren van de uitvoering ten opzichte van het huidige raamwerk. Niet alleen landen die zijn aangesloten bij het verdrag, maar ook maatschappelijke partners en bedrijven kunnen hierbij een belangrijke rol spelen»? Welke rol krijgen deze partijen toebedeeld en is dat in de implementatie en uitvoering of ook bij de standpuntbepaling?
Nederland hecht eraan dat zowel nationaal als internationaal zo veel mogelijk partijen betrokken worden bij het tot stand komen en de uitvoering van het GBF. Een voorbeeld hiervan is het opnemen van de VN Jongerenvertegenwoordigers voor Biodiversiteit en Voedsel in de Nederlandse onderhandelingsdelegatie. Het doel van het betrekken van zo veel mogelijk partijen is enerzijds om de inzichten van zoveel mogelijk groepen stakeholders te reflecteren waaronder – maar niet beperkt tot – jongeren, vrouwen, inheemse groepen en lokale gemeenschappen, bedrijven en kennisinstellingen. Anderzijds helpt het betrekken van stakeholders bij het creëren van draagvlak en op termijn bij de uitvoering van het GBF. In het onderhandelingsproces worden vertegenwoordigers van genoemde groepen geconsulteerd en zijn zij ook als «observer» aanwezig tijdens het onderhandelingsproces.
Kunt u aangeven welke online stakeholderconsultaties nog georganiseerd gaan worden en hoe deelname wordt georganiseerd en gepubliceerd?
In aanvulling op de eerder genoemde stakeholdersconsultatie (Kamerstuk 26 407, nr. 138) zal op 9 maart 2022 een online stakeholderconsultatie gehouden worden. Een brede groep stakeholders waaronder de leden van IUCN-NL, MVO-NL, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en vertegenwoordigers van kennisinstellingen is uitgenodigd om deel te nemen aan deze bijeenkomst. Als voorbereiding op CBD COP-15.2 ben ik voornemens om in samenwerking met bovengenoemde partners medio juni een fysieke stakeholdersbijeenkomst te organiseren, mits de geldende Covid-maatregelen dat toelaten.
Hoe zorgt u ervoor dat deze consultaties worden bijgewoond door een zo breed en representatief mogelijke groep van maatschappelijke actoren en bedrijven?
De stakeholderconsulstaties worden in samenwerking met maatschappelijke partners en bedrijven georganiseerd, waardoor een zo breed en representatief mogelijke groep actoren wordt geconsulteerd. Na afloop van de vorige stakeholdersbijeenkomst zijn betrokkenen daarnaast in de gelegenheid gesteld om feedback te geven op de opzet en het bereik van de bijeenkomst.
Welke maatschappelijke organisaties en bedrijven namen bijvoorbeeld deel aan de online stakeholderconsultaties, georganiseerd in samenwerking met IUCN-NL en MVO Nederland en wat was de uitkomst van deze consultaties?
Een mooi voorbeeld van de uitkomst van eerdere stakeholderconsultaties vormt de Nederlandse Actieagenda voor Biodiversiteit10 waarin toezeggingen van niet-statelijke actoren om bij te dragen aan de doelstelling van het GBF zijn verzameld. Deze Actieagenda is medio zomer vorig jaar in nauwe samenwerking met Deltaplan Biodiversiteitsherstel, IUCN-NL en MVO-NL en met ondersteuning van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot stand gekomen. Vanwege de privacy van de betrokken maatschappelijke organisaties en bedrijven kan helaas geen uitspraak worden gedaan over wie deelnamen aan de online stakeholderconsultaties zonder de betrokkenen hierover eerst te consulteren. De consultaties werden door deelnemers als informatief ervaren. De door deelnemers ingebrachte punten zijn door de Nederlandse delegatie meegenomen in de Nederlandse inzet bij de aanscherping van de EU-positie ten aanzien van de onderhandelingen.
Bent u het ermee eens dat de betrokkenheid van een gevarieerde groep van maatschappelijke actoren belangrijk onderdeel is voor de vormgeving en implementatie van het VN-Biodiversiteitsverdrag, maar alleen zolang de overheid zorgt voor stabiele basis en controlemechanismen? Zo ja, hoe zal u dit vormgeven en waarborgen?
Ik deel uw mening voor wat betreft het belang van het betrekken van een brede groep van actoren, maar dat ook sturing nodig is vanuit de overheid. Bij het opstellen van een nationaal actieplan (NBSAP) en een nationaal biodiversiteitsfinancieringsplan (NBFP), om de tijdens CBD COP-15.2 gemaakte afspraken te implementeren, zal ik daarom de regie voeren maar ook gebruik maken van de expertise van maatschappelijke partners, bedrijven en kennisinstellingen.
Kunt u schetsen hoe de Leaders Pledge for Nature en het Marseille Manifesto die Nederland heeft ondertekend meegenomen zijn in de beschreven inzet?8 9
Nederland heeft de Leaders Pledge for Nature en het Marseille Manifesto onderschreven met het oog op de ambitie voor een ambitieus Global Biodiversity Framework en de implementatie daarvan. De genoemde initiatieven zijn ondersteund aan het kabinetsbeleid.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden vóór het commissiedebat Milieuraad van 8 maart?
Ja.
De RES 1.0 en wind op land-plannen |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel «Voor windturbines moeten geen geluids- maar afstandsnormen worden ingevoerd»?1
Ja.
Kunt u binnen de ingediende Wind op Land-projecten in de RES 1.0 onderscheid maken tussen projecten in ontwerpfase, in het vergunningsverleningstraject, projecten waarvan het vergunningsverleningstraject is afgerond en projecten die al gebouwd zijn? Hoeveel TWh aan projecten zit er in elke fase?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het netto opgesteld vermogen (MW) per projectfase per 31-12-’21 op basis van voorlopige RVO-data voor de Monitor Wind op Land. De voorgenomen sanering (bijvoorbeeld bij repowering) is in de cijfers verdisconteerd.
Per fase is de verwachte jaarproductie (TWh) aangegeven. Hierbij is gebruik gemaakt van gegevens uit Windstats en waar voorhanden, de informatie uit de windrapporten (P50). Voor de projecten die nog in procedure zitten (fasen ruimtelijke ordening en vergunningen) is de productie berekend door het opgesteld vermogen (MW) x te vermenigvuldigen met het aantal vollasturen (op basis van windcategorie).
Fase per
Dec ’21
Opgesteld vermogen (MW)
Verwachte
jaarproductie
(TWh)
Toelichting
Gerealiseerd
5.286
15,23
Bouw in opdracht
900
3,27
Vergunningen onherroepelijk, turbines besteld/in aanbouw
Bouw in voorbereiding (onherroepelijk)
450
1,78
SDE-beschikking & Vergunningen onherroepelijk
Bouw in voorbereiding (juridische procedure)
380
1,36
SDE-beschikking & Vastgestelde Vergunningen (bezwaar- en/of beroepsprocedure loopt nog)
Vergunning verleend & SDE aangevraagd
67
0,20
In afwachting van SDE-beschikking
In procedure (vergunning naar verwachting binnen 1,5 jaar verleend)
193
0,65
RO- en/of Vergunningprocedure
In procedure (vergunning naar verwachting niet binnen 1,5 jaar verleend)
46
0,14
Voortraject
300–500
1,0–1,61
Ruime bandbreedte i.v.m. onzekerheid in de planning en op realisatie.
Op basis van 3.350 vollasturen
Kunt u per project en per fase aangeven hoe hoog de geplande windmolens zijn en op welke afstanden relatief aan bewoning deze projecten staan?
Tabel 2 geeft de verwachte tiphoogtes van de geplande windprojecten die nog in procedure zijn (ruimtelijke- of vergunningprocedure) en die nog geen SDE- subsidie hebben aangevraagd. Het gaat hier om 8 projecten waarvoor naar verwachting binnen 1,5 jaar een vergunning kan worden verleend. Het gaat in totaal om 39 windturbines met een gezamenlijk vermogen van 193 MW. Dit zijn projecten waarvoor de plannen nog in ontwikkeling zijn en soms nog wijzigingen kunnen optreden. Dit overzicht geeft daarom een voorlopig inzicht.
Verwachte tiphoogtes
Aantal MW
<200 meter
14
200–220 meter
140,6
220–240 meter
38,5
Daarnaast is in tabel 3 voor deze windparken aangegeven hoeveel woningen zich binnen een straal van 500 meter bevinden en wat de afstand tot lintbebouwing/woonkernen is. De afstand tot de eerste woning bij deze projecten bevindt zich in een range van 240 tot 820 meter. Hierbij moet worden opgemerkt dat een enkele woning in de nabijheid van een windturbine in eigendom van de eigenaar/exploitant kan zijn.
Windpark
Aantal woningen binnen 500m
Afstand tot woonkern/ lintbebouwing
1
0
1.070 meter
2
5
710 meter
3
0
890 meter
4
0
700 meter
5
3
710 meter
6
3
860 meter
7
9
430 meter
8
1
670 meter
Voor de overige projecten, die zich in het voortraject bevinden of waarvoor alleen nog zoekgebieden bekend zijn, is nog te weinig informatie beschikbaar om de afstand tot nabij gelegen woningen aan te geven.
Wanneer worden de zoekgebieden in de RES-plannen concreet geborgd in het omgevingsbeleid en/of een projectbesluit? Zijn deze plannen later nog aan te passen als blijkt dat ze buiten de nieuwe geluids- en afstandsnormen voor Wind op Land dreigen te vallen? Hoe concreet zijn de voorgestelde zoekgebieden al in afstand tot bewoond gebied?
In het Klimaatakkoord hebben we afgesproken dat de medeoverheden het voortouw nemen in het inpassen van de opwek van 35 TWh aan grootschalig hernieuwbaar op land (zon en wind) in de leefomgeving in 2030. Dit doen zij in de Regionale Energiestrategieën. Daarbij maken zij, in samenspraak met allerlei stakeholders waaronder het Rijk, een afweging tussen draagvlak, impact op het net, en ruimtelijke inpassing.
Het RES-bod is een optelsom van gerealiseerd, pijplijn en ambitie. Voor het ambitiedeel zijn zoekgebieden aangewezen. Voor de borging van zoekgebieden voor zon en wind moet vaak nog een nadere afweging gemaakt worden. Die afweging gaat over de relatie met andere opgaven (o.a. woningbouw) en belangen (o.a. natuur). In dat proces worden de zoekgebieden nog nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Het vastleggen van de keuzes die daarbij worden gemaakt vindt plaats in omgevingsvisies en programma’s. De omgevingsvisie bevat het beleid op hoofdlijnen. Programma’s bevatten de uitwerking daarvan. Het verschilt per regio hoe dit proces wordt ingericht en welk tijdpad daarbij wordt gevolgd. In algemene zin vindt deze borging plaats in het proces richting de RES 2.0 van juli 2023 en de RES 3.0 van juli 2025. Voor 1 juli 2025 moeten vergunningen zijn afgegeven om de doelen voor 2030 te kunnen realiseren.
De verwachting is dat de nieuwe windturbinenormen medio 2023 worden vastgesteld en in werking zullen gaan. Hierbij kan een (specifieke) overgangsregeling worden vastgesteld voor bestaande windparken. Deze overgangsregeling kan er bijvoorbeeld toe leiden dat ook bestaande windparken op termijn aan de nieuwe geluidsnorm moeten voldoen. Wat een nieuwe afstandsnorm op termijn al dan niet kan betekenen daarbij valt op dit moment nog niet vast te stellen. Dit is onderdeel van de voorbereiding van de nieuwe normen en het effect van die normen op de bestaande situatie. Dit maakt onderdeel uit van het traject van plan-mer en het opstellen van de bijbehorende nieuwe algemene milieunormen.
Hoeveel van de Wind op Land-projecten bevinden zich op plekken waar nu al schaarste is op het elektriciteitsnet? En hoeveel Wind op Land-projecten bevinden zich op plekken met nog veel ruimte op het elektriciteitsnet waarvan het vrij zeker is dat het elektriciteitsnet geen beperkende factor zal zijn?
Zowel het aantal windprojecten als de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk zijn continu in ontwikkeling. In algemene zin kan worden opgemerkt dat doorlooptijden van windprojecten, van het eerste idee tot daadwerkelijke bouw, vele jaren beslaan. In deze tijd kan het elektriciteitsnet worden aangepast omdat de doorlooptijden van netuitbreidingen vergelijkbaar zijn. Hierdoor kunnen netbeheerders over het algemeen windprojecten van capaciteit voorzien.
Hoeveel gemeenten, provincies en/of RES-regio’s werken intussen aan eigen normen voor wind op land? Vindt u het wenselijk dat er per regio verschillende normen komen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment weet ik dat 15 decentrale overheden bezig zijn met het opstellen van locatie-specifieke normen. Ik vind het niet per definitie wenselijk of onwenselijk dat er per regio verschillende normen komen. Ook onder de oude landelijke normen was het voor gemeenten mogelijk om in specifieke gevallen maatwerkvoorschriften vast te stellen die afweken van de landelijke norm. In de huidige situatie is de kans op variatie tussen gemeenten wel groter, omdat er niet meer gebruik kan worden gemaakt van een landelijke norm. Mijn beeld is, mede op basis van signalen vanuit deze gemeenten en provincies, dat men zeer zorgvuldig werkt aan eigen, locatie-specifieke milieunormen. Vanuit de website www.helpdeskwindopland.nl wordt ook actief kennis uitgewisseld tussen decentrale overheden.
Wanneer denkt u de nieuwe nationale normen gereed te hebben? Is daar een versnelling op mogelijk
Op 23 december 2021 is de participatie voor de plan-milieueffectrapportage (plan-mer) gestart voor het vaststellen van nieuwe algemene milieuregels voor windturbines met de publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) door de Staatssecretaris van IenW. Gedurende acht weken kon een ieder hierop een zienswijze indienen. Deze zienswijzen worden vervolgens zorgvuldig verwerkt en hierna kan de plan-mer worden uitgevoerd. Volgens planning is het milieueffectrapport medio 2022 gereed op basis waarvan een zorgvuldige afweging kan worden gemaakt over het beschermingsniveau voor de relevante milieuaspecten. Verder worden nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken opgesteld met toepassing van de reguliere AMvB-procedure, waarbij inspraak voor een ieder op zowel het milieueffectrapport als de concept-AMvB mogelijk zal zijn via de internetconsultatie. Voorhang zal naar verwachting in het laatste kwartaal van 2022 kunnen plaatsvinden. Uitgaande van deze procedure met brede participatie, (internet)consultatie, toetsen, advies van de Commissie m.e.r., voorhang en advies van de Raad van State, een procedure waarin veel stappen ook wettelijk zijn voorgeschreven, wordt verwacht dat de nieuwe regels vanaf medio 2023 in werking kunnen treden. Aangezien het kabinet niet tekort wil doen aan de verschillende stappen, zoals de participatie en consultatie, om te komen tot nieuwe normen, ligt een versnelling hierin niet voor de hand. Het is de inzet van de Staatssecretaris van IenW en mijzelf om voortvarend aan de slag te gaan met de verschillende stappen om zo spoedig mogelijk nieuwe algemene normen voor het milieubeschermingsniveau vast te stellen en daarmee duidelijkheid voor de uitvoeringspraktijk te realiseren.
Daarnaast zal ik zoals ik heb aangegeven in het debat op 17 februari jl. met uw Kamercommissie, in overleg treden met de medeoverheden om te spreken over gezamenlijke uitgangspunten voor de plaatsing van nieuwe windparken in de periode waarin er nog geen nieuwe landelijke windturbinenormen zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden uiterlijk 21 februari?
Ja.
De racistische intimidatie van een gezin in Giethoorn en de gebrekkige reactie daarop van lokale instanties |
|
Salima Belhaj (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Zembla van donderdag 3 februari 2022?1
Ja.
Wat is uw reactie op de gang van zaken in de door Zembla onderzochte casus?
Alle vormen van discriminatie en racisme zijn volstrekt ontoelaatbaar in onze samenleving. Uit berichtgeving van Zembla blijkt dat een gezin van Turkse afkomst zich gediscrimineerd en niet veilig heeft gevoeld in hun eigen woonomgeving door racistische pesterijen, intimidatie en vernielingen sinds de herfst van 2020. Het gezin heeft inmiddels besloten om te verhuizen. Dit is een schrijnend voorbeeld van de grote impact die racistische bejegening kan hebben op de levens van mensen. Iedereen in Nederland moet gelijk worden behandeld, zichzelf kunnen zijn en zich veilig voelen. Zoals ook aangegeven tijdens het commissiedebat Politie van 17 februari jl., heeft de Minister van Justitie en Veiligheid zich reeds voorgenomen om contact op te nemen met het gezin uit Giethoorn, wanneer het strafrechtelijk onderzoek is afgerond.
Hoe verklaart u dat het in deze casus zo moeilijk was om aangifte te doen van discriminatie, terwijl de Aanwijzing discriminatie voorschrijft aangiften van discriminatie in beginsel altijd op te nemen en in behandeling te nemen?
In de Aanwijzing Discriminatie2 staat als uitgangspunt beschreven dat de politie aangiften betreffende discriminatie in beginsel opneemt en in behandeling neemt en dat opsporingsonderzoek wordt verricht. De politie neemt een aangifte op wanneer sprake is van een vermoeden van een strafbaar feit. Daarnaast is het politiebeleid dat een aangifte altijd wordt opgenomen als er twijfel ontstaat over het strafbare karakter of wanneer dit de wens van het slachtoffer is. In de casus in Giethoorn is dit in eerste instantie niet gebeurd. De politie heeft aangegeven dat dit beleid nadrukkelijker onder de aandacht gebracht zal worden in de politieorganisatie.
Klopt het dat de politie op basis van artikel 2.3 van de aanwijzing zelf alert zou moeten zijn op eventuele discriminatieaspecten, ook in het geval dat de aangever bijvoorbeeld slechts melding zou doen van vernieling?
Dat klopt. In de Aanwijzing Discriminatie3 staat dat de politie bij een aangifte of melding van een commuun delict alert dient te zijn op eventuele discriminatie-aspecten, ook indien deze door de aangever zelf niet direct als discriminerend worden aangemerkt.
Bent u bereid het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie van de politie – eventueel in samenwerking met het Landelijke Expertise Centrum Discriminatie (LECD) van het Openbaar Ministerie – deze casus te laten onderzoeken, met het doel de geleerde lessen landelijk in de organisatie te implementeren?
Het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie van de politie zal deze casus met de betrokken eenheden en de discriminatie-contactpersonen van de politie-eenheden bespreken om te leren waar verbeteringen mogelijk zijn. Het is van groot belang dat alle beschikbare informatie tussen alle betrokken partijen goed wordt gedeeld en dat er op een juiste wijze opvolging wordt gegeven aan een melding of aangifte van discriminatie. Zoals ook in antwoord op vraag 13 wordt uitgelegd, speelt het Regionaal Discriminatie Overleg tussen politie, OM en ADV’s hierin een sleutelrol. De expertisecentra van de politie en het OM dragen hier ook aan bij. De politie neemt de aangifte van discriminatie op en onderzoekt de zaak. De zaak wordt daarna overgedragen aan het OM. Het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) van het OM is er vervolgens om binnen parket Amsterdam aangiften inhoudelijk te behandelen en officieren en andere medewerkers van het OM, belast met discriminatie in andere parketten te adviseren en informeren over de strafbaarheid van feiten die raken aan discriminatie.
Deelt u de mening dat deze casus de potentiele meerwaarde van gespecialiseerde discriminatierechercheurs nogmaals onderstreept?
Het is op dit moment te vroeg om de exacte meerwaarde van de discriminatierechercheurs te kunnen vaststellen, maar de intentie en de inzet is er. In een pilot met het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie van de politie zullen de nog aan te stellen discriminatierechercheurs via de landelijke kennis- en informatiefunctie de politie-eenheden en hun ketenpartners beter in staat stellen om discriminatievraagstukken te herkennen en op te pakken. Gedurende de komende vier jaren wordt de landelijke expertise verder ontwikkeld en toegankelijker gemaakt om alle eenheden te ondersteunen in de aanpak van discriminatie.
Herinnert u zich uw antwoord op de vraag naar de laatste stand van zaken van de pilot discriminatierechercheurs naar aanleiding van de motie Paternotte c.s.?2 3 Hoe ver bent u met het streven om de functies van de discriminatierechercheurs dit voorjaar ingevuld te hebben?
Ja. Als onderdeel van het realisatieprogramma Politie voor Iedereen voert de politie in opvolging van de motie-Paternotte6 gedurende de komende vier jaar een pilot uit waarin landelijke expertise wordt ontwikkeld op het gebied van de aanpak van discriminatie. De materiedeskundigen en discriminatierechercheurs van het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie – Politie zullen expertise ontwikkelen en delen over de opvolging van meldingen en aangiftes op discriminatiegebied in den brede. De materiedeskundigen zijn reeds aangesteld en het streven is nog steeds om de discriminatierechercheurs dit voorjaar aan te stellen.
Hoe duidt u het gegeven dat de gemeente in dit geval niet heeft gereageerd op de melding van discriminatie en van de klacht met betrekking tot de afhandeling door de politie? Ziet u hier voor gemeenten een actievere rol weggelegd? Welke verantwoordelijkheid heeft de burgermeester in dit soort situaties?
Het College van burgemeester en Wethouders van de gemeente Steenwijkerland heeft in reactie op vragen van de gemeenteraad aangegeven om zijn rol in deze casus te laten onderzoeken. Het College van burgemeester en Wethouders beraadt zich momenteel hoe dit onderzoek wordt vormgegeven. Naar aanleiding van de toezegging die ik gedaan heb tijdens commissiedebat Discriminatie, Racisme en Mensenrechten van 24 februari jl. is er een telefonisch overleg gepland met de burgemeester van Steenwijkerland over deze casus.
Als een inwoner bij de gemeente discriminatie meldt, dient deze inwoner voor het doen van een melding of aangifte te worden doorverwezen naar de politie, of voor ondersteuning, waaronder emotionele en juridische ondersteuning naar een lokale antidiscriminatievoorziening. Het College van burgemeester en Wethouders is op grond van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen (Wga) verantwoordelijk voor de instelling van een onafhankelijke antidiscriminatievoorzieningen in de gemeente. In het eerder genoemde commissiedebat heb ik uw Kamer laten weten dat ik met gemeenten en burgemeesters het gesprek wil voeren waar de verantwoordelijkheid voor het antidiscriminatiebeleid thuishoort, waarbij ik ook heb aangegeven dat ik het goed vind als een onderwerp als dit binnen de gemeente breed gedragen wordt.
Heeft de gemeente, voor zover bij u bekend, inmiddels wel actief hulp geboden aan dit gezin?
Uit ambtelijke contacten heb ik begrepen dat het gezin de afgelopen jaren hulp heeft gekregen van verschillende organisaties, waaronder de gemeente. Het gezin woont momenteel niet meer in de gemeente Steenwijkerland.
Ziet u voor uzelf een rol weggelegd in het faciliteren van kennisdeling onder gemeenten over de vraag hoe om te gaan met dit soort casussen? In hoeverre biedt de in de uitzending aangehaalde soortgelijke casus uit Waspik daar aanknopingspunten voor?
Zoals ik in mijn brief van 23 februari jl.7 over de versterking van de ketenbrede aanpak van discriminatie en racisme aan uw Kamer heb geschreven, ben ik momenteel in gesprek met de VNG over hoe we gezamenlijk tot een versterking van de lokale aanpak van discriminatie kunnen komen. Wij zullen de komende periode gezamenlijk de behoeften en knelpunten van gemeenten op dit gebied in kaart brengen door middel van het organiseren van bijeenkomsten voor gemeenten.
Om gemeenten te ondersteunen en te helpen bij de aanpak van discriminatie, is door het kennisinstituut Movisie, in opdracht van het Ministerie van BZK, in 2018 de handreiking «Antidiscriminatiebeleid voor gemeenten» ontwikkeld. In de handreiking worden onder andere verschillende onderzoeken naar effectieve methodieken en lokale «best practices» samengevoegd. Aangezien er sinds 2018 veel nieuwe voorbeelden zijn van lokaal beleid en interventies heb ik Movisie gevraagd om de handreiking te actualiseren. Deze geactualiseerde handreiking kan de gemeenten concrete handvatten bieden om de lokale aanpak van discriminatie te verstevigen.
Tot slot werkt Movisie in opdracht van het Ministerie van JenV, SZW en OCW aan een handreiking voor gemeenteambtenaren waarin handvatten worden gegeven voor gemeentelijk antidiscriminatiebeleid voor de specifieke discriminatiegronden antisemitisme, moslimdiscriminatie, anti-Zwart racisme, antiziganisme en LHBTI-discriminatie.
Klopt het dat op basis van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, gemeenten verantwoordelijk zijn voor het bieden van toegang tot een antidiscriminatievoorziening? Is er voor elke gemeente een antidiscriminatievoorziening zoals Vizier Oost, die in deze casus essentiële hulp lijkt te hebben geboden in het serieus nemen van de discriminatiemeldingen?
Dat klopt. De verplichting tot het bieden van toegang tot een antidiscriminatievoorziening is opgenomen in artikel 1 van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen. Alle gemeenten bieden, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, aan slachtoffers van discriminatie toegang tot een antidiscriminatievoorziening.
Deelt u de zorgen over de constatering van Vizier Oost dat zich het afgelopen jaar al een aantal vergelijkbare zaken hebben voorgedaan, waarbij de officier van justitie niet tijdig werd geïnformeerd of mensen geen aangifte konden doen?
Het is niet aan het kabinet om in individuele zaken te treden en om die reden kan op deze vraag geen inhoudelijk antwoord worden gegeven.
In hoeverre worden de ervaringen van de antidiscriminatievoorziening met andere instanties – zoals politie, Openbaar Ministerie en gemeenten – gemonitord en geëvalueerd? Deelt u de mening dat deze ervaringen essentiële inzichten kunnen bieden in de integrale aanpak van racisme en discriminatie?
Ik deel de mening dat de ervaringen van de antidiscriminatievoorzieningen essentiële inzichten kunnen bieden in de integrale aanpak van racisme en discriminatie.
De afspraken over de samenwerking tussen politie, antidiscriminatievoorzieningen (ADV's) en Openbaar Ministerie (OM) zijn vastgelegd in een convenant. Het doel van deze samenwerking is om discriminatie-incidenten tijdig en op effectieve wijze op te pakken, de voortgang van discriminatiezaken te monitoren en te bewaken, en slachtoffers van discriminatie zo goed mogelijk te ondersteunen bij de uitoefening van hun rechten. Als onderdeel van de geïntensiveerde samenwerking worden de politiesystemen continu landelijk gescreend om zicht te krijgen op de aard en omvang van discriminatie-incidenten. Eenheden ontvangen tweewekelijks een overzicht hiervan, zogenoemde zaakslijsten, en de politie neemt deze informatie mee naar het regionaal discriminatieoverleg (RDO) met het OM en de ADV's. Deze overzichten zijn bedoeld om de discriminatie-incidenten te monitoren en om gezamenlijk afspraken te maken over een betekenisvolle afdoening. Jaarlijks wordt met de partners gekeken of de afspraken nog aansluiten bij de wensen en behoeften van de partners om goed samen te werken binnen het RDO. De eerste evaluatie van de afspraken in het convenant van 2020 heeft in 2021 plaatsgevonden.
Daarnaast ben ik, zoals bij de beantwoording van vraag 9 aangegeven, momenteel in gesprek met de VNG over hoe gezamenlijk tot een versterking van de lokale aanpak van discriminatie gekomen kan worden. De komende periode zullen de behoeften en knelpunten van gemeenten op het gebied van de aanpak van discriminatie in kaart worden gebracht door middel van het organiseren van bijeenkomsten voor gemeenten.
De kwartaalrapportage OV Ombudsman van het vierde kwartaal van 2021 en het bericht 'Gps-proef moet eind maken aan meervoudig in- en uitchecken in ov' |
|
Jan de Graaf (CDA), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de OV Ombudsman dat de reparatie van liften en roltrappen de absolute prioriteit moet krijgen in het toegankelijk houden van stations?1
Ik deel de mening van de OV Ombudsman dat de reparatie van liften en roltrappen prioriteit moet hebben in het toegankelijk houden van stations.
Kunt u aangeven hoeveel stations in het afgelopen jaar langdurig onbereikbaar zijn geweest voor bijvoorbeeld mensen in een rolstoel als gevolg van defecte liften of roltrappen? Hoe zit dat met buslijnen waar uitschuifplanken ontbreken of defect zijn?
Het afgelopen jaar (2021) waren er enkele tientallen liften en roltrappen die langer defect zijn geweest. Aan de defecten hebben verschillende redenen ten grondslag gelegen. Gedacht kan worden aan onderhoud, maar ook schade naar aanleiding van baldadigheid. Op dit moment is er sprake van vier liften die door verschillende redenen niet functioneren. Gelukkig is het overgrote deel van de liften en roltrappen beschikbaar en wordt gewerkt aan het vergroten van de reparatiesnelheid. Met onder andere gemeentes en bouwaannemers werkt ProRail aan verbeteringen in de beschikbaarheid van liften en roltrappen. Zo worden alle liften voorzien van een monitoringssysteem. Hierdoor worden storingen sneller gedetecteerd, waardoor sneller aan een oplossing kan worden gewerkt. Ook kunnen door dit monitoringssysteem reizigers beter geïnformeerd worden over de beschikbaarheid van de liften.
Voor buslijnen is de aanwezigheid van uitschuifplanken een verplichting die volgt uit het Besluit toegankelijkheid OV. Er zijn daarom in beginsel geen voertuigen die niet beschikken over uitschuifplanken. Het functioneren van uitschuifplanken wordt bij de regelmatige onderhoudsbeurten gecontroleerd, waardoor er tevens in de regel geen sprake is van langdurig disfunctioneren van uitschuifplanken.
Maken afspraken met gemeenten, ProRail en vervoerders over de maximale tijd waarbinnen een reparatie moet worden uitgevoerd onderdeel uit van het bestuursakkoord toegankelijkheid ov? Zo nee, bent u bereid hierover afspraken te maken en op te nemen in het akkoord?
Ik zal dit bespreken met ProRail en indien mogelijk meenemen in het nog af te sluiten bestuursakkoord.
Bent u bereid om in die gevallen waar de maximale tijd niet haalbaar blijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een langdurige levertijd van ontbrekende onderdelen, afspraken te maken over tijdige en duidelijke communicatie naar passagiers over de duur van het effect en alternatieve reisopties?
Hierover zijn al afspraken gemaakt tussen ProRail en NS. De kern van deze afspraak is dat NS deze reizigers helpt hun reis te voltooien. In geval van een lift die langer dan 4 uur in storing is of waar gepland onderhoud aan wordt uitgevoerd, wordt verder een gele sticker op de lift geplakt waarop staat aangegeven dat en waarom de lift niet gebruikt kan worden. Op de sticker staat ook een telefoonnummer. Via dit telefoonnummer krijgt de reiziger contact met de NS Servicedesk die advies geeft over een reisalternatief en/of voor vervangend taxivervoer zorgt. De taxikosten komen voor rekening van ProRail. Het aanbieden van alternatief vervoer zal de reparatie niet bespoedigen, maar helpt wel om de overlast voor de reiziger, die voor het maken van zijn toegankelijke reis afhankelijk is van de lift, te beperken. Op dit moment wordt ook de mogelijkheid ontwikkeld om via de NS-app actuele informatie over defecten ten aanzien van liften en roltrappen te delen met reizigers.
Bent u het eens dat het aanbieden van alternatief vervoer per taxi door ProRail, zoals voorgesteld door de OV Ombudsman, kan bijdragen aan het bespoedigen van reparatie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of dit tot standaard kan worden gemaakt in situaties waarin een station (langdurig) onbereikbaar is?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat het inderdaad niet mogelijk is op één ov-chipkaart zowel een abonnement als op saldo reizen aan te bieden?
Een abonnement Reizen op Rekening gaat op de huidige OV-chipkaart niet samen met een abonnement op saldoreizen. Ik zal dit toelichten. Er zijn twee betaalwijzen in het OV, Reizen op Saldo en Reizen op Rekening.
Met een OV-chipkaart, zowel een anonieme als een persoonlijke, kun je bij alle OV-bedrijven in Nederland op saldo reizen. De ritprijs met het OV wordt na in- en uitchecken direct verrekend met het vooraf opgeladen saldo op de OV-chipkaart.
Reizen op Rekening is een betaalwijze waarmee de reiziger achteraf betaalt voor de gemaakte reizen. Met Reizen op Rekening wordt er geen saldo van de OV-chipkaart afgeschreven maar de reiziger checkt in en uit en betaalt achteraf (in de regel maandelijks) via een factuur voor de gemaakte reiskosten. Dit kan alleen met een persoonlijke OV-chipkaart en pas nadat de reiziger bij een vervoerder een account heeft gemaakt en een factuurrelatie is aangegaan.
Dat er op één OV-chipkaart niet gelijktijdig abonnementen met twee typen betaalwijzen (Reizen op Rekening en Reizen op Saldo) kunnen staan, heeft te maken met de volgorde waarin de kaartlezer een keuze moet maken. Bij het inchecken met de OV-chipkaart moet de kaartlezer in een fractie van een seconde een keuze maken welke betaalwijze, abonnement of regulier tarief, gekozen moet worden. Om die keuze te kunnen maken is er een prioritering afgesproken in de volgorde waarop de kaartlezer moet kiezen. In deze prioritering staat Reizen op Rekening bovenaan en worden eventuele regionale abonnementen op saldo niet meer bekeken.
Regionale abonnementen op saldoreizen kunnen (nog) niet in combinatie met Reizen op Rekening abonnementen gebruikt worden. In die gevallen is op dit moment de beste oplossing om een extra OV-chipkaart aan te schaffen. In de toekomstige situatie wordt het via het programma OV-betalen technisch mogelijk gemaakt om met de opvolger van de huidige OV-chipkaart wel Reizen op Rekening en Reizen op Saldo op één kaart te combineren. De praktische mogelijkheden voor de reiziger, dus welke combinaties van betaalopties straks mogelijk zijn, moeten nog bepaald gaan worden.
In hoeverre biedt de landelijke proef voor inchecken via gps hier een toekomstige oplossing voor?
De proef met treinreizen met gps dient een ander doel, namelijk enkelvoudig in- en uitchecken in de treinketen. De proef heeft geen directe link met de situatie zoals beschreven onder vraag 7 en levert daarvoor ook geen specifieke bijdrage tot oplossing.
De proef met treinreizen met gps maakt onderdeel uit van het werkprogramma OV-betalen van vervoerders en Translink. Dit innovatieve programma, onder auspiciën van het Nationaal OV Beraad (NOVB), heeft tot doel nieuwe betaalwijzen in het OV in te voeren onder de paraplunaam OVpay. Een van de verschillen met de huidige situatie is dat abonnementen niet langer op de OV-chipkaart staan, maar in de backoffice van het betaalsysteem. Doordat straks de abonnementen niet langer op de OV-chipkaart zelf staan zullen situaties, zoals in vraag 7 vermeld, niet meer voorkomen. Planning is dat medio dit jaar de betaalapparatuur in het gehele OV gereed is voor de nieuwe betaalwijzen, in eerste instantie voor het in- en uitchecken met de betaalpas en creditcard. Daarna volgen de landelijke invoering van kortingsabonnementen en de nieuwe OV-chipkaart.
Gebruiksgemak en betrouwbaarheid van het OV betaalsysteem zijn randvoorwaardelijk. Pas als het nieuwe systeem zich bewezen heeft kan de techniek achter de huidige OV-chipkaart stopgezet worden. Dit zal goed gecommuniceerd en gefaciliteerd worden zodat de reizigers die dan nog op de OV-chipkaart reizen eenvoudig kunnen overstappen naar de nieuwe betaalwijzen. Zoals eerder gecommuniceerd is de planning dat de huidige OV-chipkaart tot eind 2023 gebruikt kan worden.
Bent u bereid om deze problematiek verder te betrekken bij de ontwikkeling van de ov-chipkaart, reizen met gps en andere betaalmethoden?
In de gewenste ontwikkeling wordt door het programma OV-betalen voorzien. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen onderneemt u in de tussentijd om het reizen op rekening naast het reizen op saldo met één ov-chipkaart te vereenvoudigen?
Het genoemde probleem wordt opgelost zodra de abonnementen naar de backoffice worden verplaatst. Zie ook mijn antwoord op vraag 8. Tot die tijd is het niet doelmatig om stappen te ondernemen voor investeringen in het huidige betaalsysteem gezien de verwachte levensduur.
De schadelijke gezondheidseffecten van windturbines |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de conclusies van dr. ir. De Laat, klinisch-fysicus en audioloog van het Leids Universitair Medisch Centrum, dat het laagfrequente geluid van windturbines bij omwonenden kan leiden tot: slaapstoornissen, duizeligheid, misselijkheid, hoofdpijn, oorsuizen, concentratieverlies, hoge bloeddruk en hartslag, bronchitis, rusteloosheid, angst en depressie?1
Dr. ir. De Laat heeft de afgelopen jaren meermaals uitspraken gedaan over het laagfrequente geluid van windturbines en daarbij heeft hij ook aangekondigd om hierover met een wetenschappelijke publicatie te komen. Deze publicatie laat echter op zich wachten. Ik kan en wil niet reageren op uitspraken waar ik de achtergrond niet van ken. Zodra er wel een publicatie beschikbaar komt, zullen de Staatssecretaris van IenW en ik het RIVM verzoeken om hiernaar te kijken en om relevante inzichten mee te nemen in het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid.
Er zijn afgelopen jaren tientallen studies gedaan naar de gezondheidseffecten van windturbines. Hieruit blijkt dat omwonenden geluidshinder kunnen ervaren en dat er mogelijk een verband is met slaapverstoring. Er kunnen dus gezondheidseffecten optreden door bijvoorbeeld het geluid dat windturbines maken. Het zorgen voor goede milieubescherming en het in dat verband meewegen van de negatieve (gezondheids-)effecten van windturbines is onderdeel van de beleidsvorming, om te komen tot nieuwe landelijke normen voor windturbines. Dit gebeurt ook bij andere geluidsbronnen, zoals het weg-, rail- en luchtverkeer. Dit is ook aangegeven in antwoord op eerdere vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2863).
Deelt u, kortom, de conclusie dat windturbines ziekmakend zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het voorstel van dr. ir. De Laat om een afstandsnorm van tien keer de masthoogte te handhaven? Hoe reageert u op de Nederlandse WindEnergie Associatie, oftewel de windturbinelobby, die dit voorstel niet ziet zitten omdat «er anders nergens meer windturbines in Nederland mogelijk zijn»?
Momenteel wordt er door het Rijk gewerkt aan het opstellen planmilieueffectrapport (plan-mer) om te komen tot nieuwe landelijke normen voor windturbines. Hierbij zal ook worden gekeken naar opties voor een afstandsnorm. Op basis van deze plan-mer kan een zorgvuldige afweging gemaakt worden over het beschermingsniveau voor de relevante milieuaspecten. Inhoudelijk kan en wil ik hier niet op vooruit lopen. Daarom ga ik nu ook niet in op betreffende reactie van de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA).
Deelt u de mening dat «nergens meer windturbines in Nederland» bijzonder goed klinkt? Deelt u tegelijkertijd de conclusie dat de windturbinelobby pijnlijk laat zien dat zij niets geeft om de gezondheid van omwonenden, maar louter, in het belang van haar eigen portemonnee, de bouw van nieuwe windturbines door wil drukken?
Deze mening en conclusie deel ik niet. Windenergie op land is onmisbaar voor de energietransitie en het behalen van onze klimaatdoelen. De inpassing van windparken gebeurt met oog voor verschillende belangen, zoals goede milieubescherming.
Deelt u de mening dat het te schandalig voor woorden en de omgekeerde wereld is dat omwonenden van windturbines genoodzaakt zijn te verhuizen en dus letterlijk op de vlucht slaan? Deelt u de conclusie dat niet de omwonenden, maar de windturbines moeten wijken?
De Staatssecretaris van IenW en ik nemen de gezondheidsklachten als gevolg van windturbines serieus en bagatelliseren die niet. Wij hebben hier veel aandacht voor en baseren het beleid op alle relevante wetenschappelijke inzichten. We zetten in op het waarborgen van een goede bescherming van omwonenden en omgeving, en daarnaast op het tegelijkertijd mogelijk maken van ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van windparken voor schone energie. Voor windturbines geldt dat het beleid (de normen) opnieuw gemaakt moet worden na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2021. Dit gebeurt op basis van een plan-mer. Uw Kamer wordt betrokken bij het besluitvormingsproces over de nieuwe normen via het proces voor de bijbehorende AMvB.
Kunt u zich herinneren dat u op eerdere Kamervragen antwoordde: «Ik deel dat het heel vervelend is, wanneer mensen zich gedwongen zien te verhuizen vanwege de overlast die zij ervaren door windturbines in hun buurt»?2 Deelt u de mening dat gedwongen verhuizing vanwege gezondheidsklachten veel ernstiger is dan «heel vervelend»? Waarom bagatelliseert u deze klachten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u zich herinneren dat u op eerdere Kamervragen antwoordde: «Er dient eerst te worden gekeken naar passende oplossingen om de ervaren hinder te beperken. Exploitanten kunnen bijvoorbeeld een app aanbieden»?3 Deelt u de mening dat omwonenden niet zitten te wachten op een of andere app, maar simpelweg van de overlast af willen? Waarom neemt u de gezondheidsrisico’s van windturbines niet serieus?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat gezondheid op nummer één hoort te staan en doorslaggevend moet zijn? Zo ja, bent u ertoe bereid om onmiddellijk een streep te zetten door alle nieuwe windturbineprojecten en de bestaande windturbines, waar omwonenden letterlijk ziek van worden, direct stil te zetten? Zo nee, hoe is het mogelijk dat de gezondheid van omwonenden klaarblijkelijk ondergeschikt is aan onbetaalbaar, onhaalbaar, onzinnig en zelfs ziekmakend klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 5.
De boostprik tegen COVID-19 voor adolescenten die jonger zijn dan 18 jaar |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies van de Gezondheidsraad over het wel of niet boosten van adolescenten tegen COVID-19?1
Ja.
Klopt het dat de Gezondheidsraad een boostprik niet afraadt?
De Gezondheidsraad geeft aan dat er geen medisch-wetenschappelijke reden is om een boostvaccinatie programmatisch aan te bieden aan alle 12- tot en met 17-jarigen. Eén van de argumenten daarbij is dat het EMA de voordelen nog niet had afgewogen tegen de eventuele risico’s.
Welke mogelijkheden hebben adolescenten tot achttien jaar om een boostprik te krijgen in het geval dat zij familieleden of naasten hebben die extra kwetsbaar zijn voor het oplopen van COVID-19?
Op 24 februari jl. heeft het EMA positief geoordeeld over de boostprik voor adolescenten. Het wordt op korte termijn voor alle adolescenten van 12 tot en met 17 jaar mogelijk om een boostprik te halen. Adolescenten die een boostprik willen, bijvoorbeeld om een kwetsbaar familielid te beschermen, kunnen hier dan gebruik van maken.
Hoe kijkt u aan tegen de beslissing van de Gezondheidsraden van landen als Duitsland en Frankrijk, die dit wel adviseren?
Landen maken hun eigen afwegingen om een vaccin, al dan niet vooruitlopend op een oordeel van het EMA, in te zetten. Sommige landen hebben daarbij gekeken naar de effecten op het verminderen van transmissie over de gehele bevolking. In het advies van de Gezondheidsraad van 4 februari jl. schreef de raad dat het verwachte effect van een boostprik voor adolescenten op transmissie in de bevolking beperkt is. Daarnaast werd de indirecte gezondheidswinst voor deze groep laag geschat. Ik heb er mede daarom voor gekozen te wachten op het oordeel van het EMA, voor ik een boostprik voor adolescenten beschikbaar stelde.
Bent u het eens met de stelling dat een boostprik in deze situatie kan worden gezien als een reizigersvaccinatie, omdat andere EU-landen deze boostprik als eis hanteren voor het reizen naar- en het reizen in deze landen? Zo ja, kunt u dit per direct mogelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, maken landen hun eigen afwegingen om een vaccin in te zetten, al dan niet vooruitlopend op een oordeel van het EMA. Ik ben geen voorstander van off label gebruik van een vaccin als daar geen medische aanleiding voor is. Ook bij een reizigersvaccinatie moet zorgvuldig worden gekeken naar de onderliggende wetenschappelijke gegevens, en daarom heb ik dan ook besloten te wachten op het oordeel van het EMA. Het EMA heeft op 24 februari een positief oordeel over boostvaccinaties voor jongeren afgegeven. Naar aanleiding van de beoordeling door het EMA, heb ik aangegeven dat jongeren die dat willen op korte termijn terecht kunnen voor een boostvaccinatie. Er kunnen verschillende redenen zijn voor jongeren om deze boostvaccinatie te halen.
Hoe kijkt u naar toekomstige vaccinaties tegen COVID-19 als deze voor bepaalde (leeftijds)groepen gekwalificeerd gaan worden als reizigersvaccinatie?
Op dit moment werkt het kabinet aan een aanpak voor de langere termijn. Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd mij ten aanzien van het vaccinatiebeleid hierover te adviseren. Op dit moment zijn de COVID-19-vaccins alleen via het vaccinatieprogramma van de overheid verkrijgbaar. Ik zal uw Kamer op een later moment informeren of en, zo ja, wanneer COVID-19-vaccins beschikbaar (kunnen) komen als reizigersvaccinatie.
Wat is uw mening ten aanzien van de blijvende keuzevrijheid van mensen om te kiezen voor een boostprik ook al wordt deze niet via rijkswege (gratis) aangeboden, of dit nou voor reizen of als eigen wens voor extra zekerheid is?
Zoals ik in het antwoord op vraag 6 heb aangegeven, zijn de COVID-19- vaccins op dit moment alleen via het vaccinatieprogramma van de overheid verkrijgbaar. Of en voor wie het mogelijk is om op eigen initiatief een additionele dosis te krijgen zal op een later moment bepaald worden.
Kunt u gezien de actualiteit deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Ambassadeurs op de fraudelijst van de belastingdienst |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel in Trouw?1
Het klopt dat in FSV 2 ambassadeurs geregistreerd stonden. Vanuit zorgvuldigheid en eerbiediging van de internationale verdragen heeft de Belastingdienst vooraf contact gezocht met het Ministerie van Buitenlandse Zaken over hoe te handelen in deze situatie.
De ambassadeurs zullen net als andere mensen die in FSV stonden geregistreerd, worden geïnformeerd, tenzij er sprake is van een uitzonderingsgrond. In zijn brief van 25 maart 20212 is de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, ingegaan op de uitzonderingsgronden. Dit betreft de mensen waarbij het informeren gevolgen kan hebben voor de veiligheid van andere burgers of voor medewerkers van de Belastingdienst. En het gaat om situaties waarin de (fiscaal)-juridische, toezicht- of opsporingsbelangen zwaarder wegen dan het informeren over de registratie, bijvoorbeeld bij een lopend strafrechtelijk onderzoek.
Hoe lang is al duidelijk dat ambassadeurs op de fraudelijst van de Belastingdienst staan?
Op 8 maart 2021 is er contact gezocht met het team Internationale Fiscale Behandeling (IFB) van de Belastingdienst/Particulieren. Het team Internationale Fiscale Behandeling voert vrijwel alle kerntaken van de Belastingdienst uit voor de in Nederland gevestigde ambassades, consulaten en aangewezen volkenrechtelijke organisaties en hun (voormalige) personeelsleden. Voor deze klantgroep geldt bijzondere regelgeving die bestaat uit nationale én internationale wet- en regelgeving. Op 9 maart 2021 werd duidelijk dat er inderdaad personen vallend onder het team Internationale Fiscale Behandeling in FSV staan. Op 27 oktober 2021 werd duidelijk dat er ambassadeurs in FSV opgenomen zijn.
Waarom is er geen besluit genomen om deze personen te informeren?
De ambassadeurs zullen net als andere mensen die in FSV stonden geregistreerd, worden geïnformeerd tenzij er sprake is van een uitzonderingsgrond. Niet alle mensen in FSV zijn gelijktijdig geïnformeerd. Dit wordt in verschillende groepen gedaan.
Onder welke afwijzigingsgronden van artikel 23 van de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming is er besloten deze ambassadeurs niet te informeren?
De ambassadeurs zullen net als andere mensen die in FSV stonden geregistreerd, worden geïnformeerd tenzij er sprake is van een uitzonderingsgrond.
Om welke ambassadeurs gaat het? Waarom staan zij op de fraudelijst?
Op grond van de fiscale geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de fiscale positie van een individuele belastingplichtige en kan ik deze vraag dus niet beantwoorden.
Het T-rijbewijs in de grensregio. |
|
Harry van der Molen (CDA), Inge van Dijk (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven waarom in de Europese Unie de rijbewijzen van de categorie A, B, C, D en E zijn geharmoniseerd, maar de eisen aan het rijexamen voor landbouwvoertuigen verschillen per land en daardoor deze rijbewijzen niet overal in de EU worden erkend? Hoe is dit verschil ooit ontstaan en wat vindt u hiervan?
T-rijbewijzen vormen een nationale rijbewijscategorie die niet onder de harmonisatieregels van de derde Europese rijbewijsrichtlijn valt. Lidstaten hebben hierdoor de vrijheid om eigen rijbewijseisen te hanteren voor land- en bosbouwvoertuigen, bijvoorbeeld voor zaken als de minimumleeftijd van de houder of het maximale gewicht van het te besturen voertuig. Een lidstaat kan deze rijbewijzen alleen afgeven voor het eigen grondgebied, maar heeft wel de ruimte om andere buitenlandse T-rijbewijzen te erkennen.
Het gebrek aan harmonisatie houdt verband met de keuzes die op Europees niveau zijn gemaakt bij de totstandkoming van de derde rijbewijsrichtlijn in 2006, waarbij geen Europese T-categorie is ingevoerd. In het algemeen ben ik van mening dat in Europees verband zou moeten worden gestreefd naar een verdere harmonisatie van deze rijbewijzen. Dit standpunt is al kenbaar gemaakt aan de Europese Commissie in het kader van de komende herziening van de rijbewijsrichtlijn.
Kunt u aangeven waarom het G-rijbewijs (de Belgische versie van T-rijbewijs) niet geldig is Nederland en hoe u hiertegen aankijkt?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Het Nederlandse T-rijbewijs is ingevoerd in juli 2015, na een uitgebreid wetgevingstraject in samenspraak met de betrokken sectorpartijen. Er is toen voor gekozen om geen erkenningen in te voeren van Belgische of Duitse T-rijbewijzen. Wel is er bepaald dat T-voertuigen mogen worden bestuurd met een buitenlands C-rijbewijs, naast een overgangsrecht tot 2025 voor B-rijbewijzen die door een EU-lidstaat zijn afgegeven. Daarnaast is geregeld dat T-rijbewijzen van andere EU-lidstaten via lagere regelgeving in ons land kunnen worden erkend. De wetgeving rond het T-rijbewijs is in 2018 geëvalueerd; de evaluatie is in april 2018 aan de Kamer aangeboden. Hierin zijn geen grote knelpunten naar voren gekomen voor wat betreft de positie van buitenlandse rijbewijshouders, maar dit aspect wordt wel genoemd als een mogelijk aandachtspunt voor de toekomst.
Sectororganisaties uit de bouwsector en de landbouwsector, het CBR en de RDW hebben inmiddels richting het Ministerie van IenW aangegeven dat een wederzijdse erkenning van Duitse en Belgische T-rijbewijzen voor bepaalde groepen gebruikers tot lastenverlichting kan leiden. Hierover is overleg met deze partijen, evenals met de ministeries in België en Duitsland. Hoewel de exacte omvang van het probleem nog niet goed duidelijk is, sta ik in beginsel positief tegenover deze erkenningen, mits er geen negatieve effecten zijn voor de verkeersveiligheid.
Aan het CBR is gevraagd om een vergelijkend overzicht te maken van de nationale exameneisen in Nederland, België en Duitsland. Op basis hiervan kan in overleg met de betrokken partijen worden bezien of het invoeren van wederzijdse erkenningen vanuit de verkeersveiligheid en vanuit de te reduceren lasten haalbaar is.
Wat zijn op dit moment precies de mogelijkheden van mensen die in de grensregio wonen om zowel in Nederland als in Duitsland of België een landbouwvoertuig te mogen besturen op de openbare weg?
In Nederland geldt dat elk buitenlands C-rijbewijs het recht geeft om een T-voertuig te besturen op de openbare weg. Dit is in 2015 in het wetsvoorstel tot invoering van het T-rijbewijs vastgelegd. Daarnaast is in 2015 als overgangsmaatregel bepaald dat een B-rijbewijs dat voor 1 juli 2015 is afgegeven door een andere EU-lidstaat het recht geeft om in Nederland een T-voertuig te besturen. Deze overgangsmaatregel komt overeen met de overgangsregel voor Nederlandse B-rijbewijzen en loopt af in 2025. Hierbij kan nog worden benadrukt dat er geen rijbewijs nodig is als T-voertuigen worden gebruikt buiten de openbare weg, wat op akkers of weilanden meestal het geval zal zijn.
In België geldt dat personen die niet in België woonachtig zijn, zijn vrijgesteld van de rijbewijsplicht voor G-voertuigen, zoals de Belgische categorie T wordt aangeduid. Daarnaast mag een G-voertuig in België worden bestuurd met een rijbewijs B, BE, C1, C, CE of C1E, mits de voertuigmassa binnen de grenzen van deze categorieën blijft.
Duitsland heeft in 2016 in een briefwisseling met de RDW aangegeven het Nederlandse T-rijbewijs als gelijkwaardig te beschouwen aan het Duitse T-rijbewijs, maar het is niet duidelijk welke rechten dit concreet met zich meebrengt voor houders van een Nederlands T-rijbewijs. Bij het Duitse verkeersministerie is navraag gedaan naar de betrokken regels en de publicatie daarvan, maar er is hierop nog geen antwoord ontvangen. Wanneer deze informatie beschikbaar is, zal de Kamer worden geïnformeerd en zal de informatie worden gedeeld met de relevante sectororganisaties rond het T-rijbewijs.
Kunt u aangeven of het klopt dat wanneer je woonachtig in België of Duitsland bent het niet mogelijk is om in Nederland een T-rijbewijs te halen, omdat je minimaal 185 dagen in Nederland moet wonen om hier een rijbewijs te kunnen halen? Zo ja, vindt u het proportioneel dat je alleen het Nederlandse T-rijbewijs kan halen als je in Nederland woont en niet als je iets over de grens woont?
Ja. Lidstaten mogen volgens de richtlijn alleen rijbewijzen afgeven aan personen die zich duurzaam in de lidstaat gevestigd hebben, wat wordt geconcretiseerd met de eis dat iemand minimaal 185 dagen in Nederland woonachtig moet zijn. Bovendien kan volgens de richtlijn iemand maar houder zijn van één rijbewijs. De achtergrond van deze regels is onder meer het voorkomen van fraude en rijbewijstoerisme, en het goed kunnen uitvoeren van nationale bestuursrechtelijke sanctiemaatregelen rond het rijbewijs, bijvoorbeeld bij rijden onder invloed.
Kunt u aangeven of Nederland wederzijdse afspraken heeft gemaakt met bepaalde EU-lidstaten over erkenning van elkaars rijbewijzen voor landbouwvoertuigen? Zo ja, met welke landen heeft Nederland een overeenkomst? Zo nee, waarom heeft Nederland geen overeenkomsten gesloten met landen die minimaal dezelfde eisen hanteren als in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of de eisen aan het rijexamen voor landbouwvoertuigen verschillen tussen Nederland, België en Duitsland? Zo ja, waar zitten de verschillen? Heeft Nederland strengere of minder strenge eisen dan onze buurlanden?
Zie het antwoord op vraag 2. Op hoofdlijnen komt de examenstructuur overeen, maar er zijn ook de nodige verschillen. Nadat het CBR het vergelijkend overzicht heeft gemaakt, zal hierover meer duidelijkheid zijn en zal er met de betrokken partijen verder in overleg worden gegaan.
Ziet u mogelijkheden om met Duitsland en België afspraken te maken over het erkennen van elkaars rijbewijs voor landbouwvoertuigen, zonder dat dit ten koste gaat van de verkeersveiligheid in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 2 en vraag 6.
Kunt u aangeven of de leidraad Grenseffecten gebruikt is bij de totstandkoming van de wetgeving voor de invoering van het T-rijbewijs? Zo ja, wat kwam hieruit? Zo nee, waarom niet? Hoe bevordert u het hanteren van de leidraad Grenseffecten?
De Leidraad Grenseffecten is in 2019 opgesteld, terwijl de wetgeving voor het T-rijbewijs in 2015 in werking is getreden. Bij de totstandkoming van deze wetgeving is de gebruikelijke voorbereidingsprocedure gevolgd, inclusief een consultatie van betrokken partijen. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting zijn de grenseffecten hierbij ook betrokken en waren deze mede aanleiding tot het invoeren van een vrijstelling voor het buitenlands C-rijbewijs en de mogelijkheid om bij ministeriële regeling T-rijbewijzen uit de EU te erkennen. De Leidraad Grenseffecten is naar aanleiding van de motie-Van der Molen c.s. inmiddels als verplichte kwaliteitseis toegevoegd aan het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK), waardoor bij nieuw beleid en regelgeving de grenseffecten, als deze aan de orde zijn, in de totale belangenafweging moeten worden meegenomen. Op 30 april 2021 is uw Kamer door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hierover geïnformeerd (Kamerstukken II 2020/21, 32 851, 72).
Het nieuws dat de Frontex baas een privé vlucht boekte naar een meeting in Brussel |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de bevindingen van EU Observer dat Frontex maar liefst 8.500 euro heeft uitgegeven om de directeur Fabrice Leggeri naar eenmeetingin Brussel te sturen?1
Het is niet aan het kabinet om een oordeel te vellen over individuele casuïstiek en de specifieke afwegingen daarbij. Over dergelijke situaties wordt de Management Board niet geïnformeerd. Frontex heeft hierin een eigenstandige verantwoordelijkheid.
Hoe weegt u het bewijs dat alternatieve commerciële vluchten beschikbaar waren van duizenden euro’s minder voor de belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u van het weerwoord van Frontex dat dit zogezegd de enige optie zou zijn vanwege een conflict in het schema van directeur Leggeri, en dat er geen commerciële vluchten beschikbaar waren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het met ons eens dat dit geen incident is, aangezien vorig jaar naar boven kwam dat Frontex een decadent diner had georganiseerd voor maar liefst 9.000 euro?
Op grond van artikel 116 van de Europese Grens- en Kustwacht verordening (Verordening (EU) 2019/1896, hierna: de EGKW-Verordening) legt de uitvoerend directeur de begroting van Frontex ten uitvoer. De jaarrekeningen komen – kort weergegeven – als volgt tot stand.
Na advies van de Europese Rekenkamer worden de definitieve jaarrekeningen op eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerend directeur voorgelegd aan de raad van bestuur (Management Board) van het Agentschap en deze worden vervolgens na advies van de Management Board ingediend bij het Europees parlement, de Raad, de Europese Commissie en de Rekenkamer. De Europese Rekenkamer kan daarna nog om inlichtingen verzoeken van de uitvoerend directeur. Uiteindelijk is het aan het Europees parlement op aanbeveling van de Raad om décharge te verlenen aan de uitvoering van de begroting door de uitvoerend directeur. Het kabinet zal bij de bespreking in de Raad om een aanbeveling te doen aan het Europees parlement om décharge te verlenen voor de begroting dit op zijn merites beoordelen. Dat zal het kabinet doen op basis van alle beschikbare informatie.
De Management Board bestaat uit hoofden van de grensautoriteiten van de lidstaten en de Commissie. De Management Board is derhalve het gremium waar het kabinet invloed kan uitoefenen op de uitvoering van de begroting door de uitvoerend directeur van het Agentschap.
Kunt u dit ongemakkelijke nieuws ook uitleggen in de context van de kritiek die Frontex nu al langer over zich heen krijgt zoals het vermeende meehelpen aan illegale pushbacks, waarvoor nu nog een onderzoek loopt bij anti-fraudeagentschap OLAF?
In 2021 zijn er naar aanleiding van verschillende zorgelijke berichten onderzoeken gepubliceerd, waaronder van het Europees parlement en de Europese Ombudsman. Daarnaast is de Management Board van Frontex recentelijk vertrouwelijk geïnformeerd over een onderzoek van OLAF, het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, over vermeende mistanden. De Management Board van het Agentschap neemt de onderzoeksresultaten zeer serieus. Aan de opvolging moet in EU-verband, in samenwerking tussen de Commissie en alle lidstaten, invulling worden gegeven. Het kabinet zal de Kamer informeren zodra het beschikt over informatie die gedeeld kan worden. Frontex legt primair verantwoordelijkheid aan het Europees parlement en de Raad af zoals is vastgelegd in de Europese Grens- en Kustwachtverordening (2019/1896). Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwlettend.
Tot slot neemt het kabinet de berichtgeving ten aanzien van de situatie van het Agentschap zeer serieus. Dit is al meermaals opgebracht en zal de komende kabinetsperiode herhaald blijven worden, in bilaterale contacten met lidstaten of de Commissie en binnen de daarvoor bestemde EU-gremia, om samen met alle betrokken partijen te werken aan robuust grensbeheer in lijn met fundamentele grondrechten.
Wat doet dit structurele wanbeleid met de geloofwaardigheid van het agentschap Frontex?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat u doen om namens Nederland inzet te leveren tegen geldverspilling op Europees niveau? Wat gaat u doen om dit soort praktijken tegen te gaan?
Het kabinet maakt zich voortdurend hard voor verbeteringen die leiden tot een doelmatige en doeltreffende besteding van middelen uit de EU-begroting, zodat deze maximaal bijdragen aan Europese prioriteiten.
Het Outbreak Management Team (OMT) COVID-19 en de verhouding tot het RIVM |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de folder van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over de landelijke advisering bij infectieziektedreigingen en -crises, waarin onder andere de rol en werkwijze van een Outbreak Management Team (OMT) wordt beschreven?1
Ja.
Bent u bekend met het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM dat de bestrijding van infectieziekten coördineert? Wat is de betekenis van «centrum» binnen het RIVM? Is dit een afdeling of heeft het CIb een andere status? Zo ja, welke status heeft het CIb?2
Ik ben bekend met het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM. Dit centrum is een organisatorische eenheid die onder leiding staat van de directeur CIb. Het bestaat uit de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), Epidemiologie en Surveillance van Infectieziekten (EPI), Infectieziekteonderzoek, Diagnostiek en laboratorium Surveillance (IDS), Zoönosen en Omgevingsmicrobiologie (Z&O) en Immunologie van Infectieziekten en Vaccins (IIV).
Klopt het dat het CIb, onderdeel van het RIVM, het OMT COVID-19 (dat sinds 24 januari 2020 bestaat) initieert? Welke medewerkers van het CIb hebben de eindverantwoordelijkheid voor de initiatie en samenstelling van het OMT in algemene zin en het OMT COVID-19 in het bijzonder?3
Het OMT bestaat op zichzelf al sinds 1995, en wordt georganiseerd door de LCI die sinds 2005 onderdeel uitmaakt van het CIb. De directeur van het CIb is de voorzitter van het OMT, het hoofd van de LCI is de secretaris van het OMT en het secretariaat van het OMT wordt gevormd door medewerkers van LCI. De voorzitter en secretaris van het OMT gaan in eerste instantie over initiatie en samenstelling van het OMT; het OMT COVID-19 is daar geen uitzondering op. De leden van het OMT en het OMT als geheel hebben een eigen stem in samenstelling.
Kunt u de initiële oproep delen waarin dit verzoek tot samenkomst van het OMT inzake COVID-19 is gecommuniceerd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb niet de beschikking over die uitnodiging.
Wie is verantwoordelijk voor de aanstelling van de directeur van het CIb? Waar is deze informatie te vinden?4
De DG van het RIVM is verantwoordelijk voor de aanstelling van de directeur van het CIb. Deze informatie volgt uit het organogram van het RIVM.
Deelt u de conclusie op basis van de Wet op het RIVM dat het RIVM een onderdeel is van het Ministerie van VWS? Zo nee, hoe is dan de verhouding tussen het RIVM en het Ministerie van VWS?
Het RIVM is een baten-lasten agentschap van het Ministerie van VWS. In gevolge de Wet op het RIVM vindt de uitvoering van het wetenschappelijk onderzoek en de advisering in onafhankelijkheid plaats; daarop kan het departement noch de Minister invloed uitoefenen.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op schriftelijke vragen heeft gesteld dat het OMT geen onderdeel is van het RIVM, maar dat dit een onafhankelijk adviesorgaan is?5
Ja.
Kunt u ingaan op wat volgens u in dit geval de betekenis is van een «onafhankelijk adviesorgaan»? En kunt u uiteenzetten wat de verhouding is tussen het RIVM en het OMT? Zo nee, waarom niet?
Een onafhankelijk adviesorgaan kan adviseren zonder over dat advies inhoudelijk verantwoording af te hoeven leggen aan degene die het advies gevraagd heeft. De LCI, dat onderdeel uitmaakt van het RIVM, faciliteert het OMT.
Indien het OMT geheel onafhankelijk is van het RIVM, waarom staat alle correspondentie van het OMT dan vermeld op de site van het RIVM, is de directeur-generaal van het RIVM de voorzitter van het OMT en nemen aan elke OMT-bijeenkomst vele medewerkers van het RIVM deel? Deelt u de visie dat deze vermenging van RIVM en OMT maakt dat het OMT geen onafhankelijk orgaan is van het RIVM? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 faciliteert de LCI het OMT, daarbij hoort het publiceren van de adviezen, het leveren van de voorzitter, die overigens de directeur van het CIb is en niet de DG van het RIVM, en deelname van medewerkers van het RIVM. Dit doet niets toe of af aan de onafhankelijkheid van het OMT. De leden van het OMT gaan over hun eigen advies.
Deelt u de visie dat werknemers van het RIVM uiteindelijk in dienst zijn van het Ministerie van VWS? Zo nee, waarom niet?
De werknemers zijn in dienst bij het RIVM, dat een baten en lastendienst is van het Ministerie van VWS. In de Wet op het RIVM is de wetenschappelijke onafhankelijkheid en onafhankelijkheid van advisering van het RIVM geregeld.
Klopt het dat de vaste leden van het OMT COVID-19 in dienst zijn van het RIVM? Zo nee, waarom klopt dit niet?
De voorzitter en de secretaris van het OMT zijn in dienst van het RIVM. Op de website van het RIVM staat een overzicht van de OMT-leden. Hierop is te zien waar alle OMT-leden werkzaam zijn.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het interventieteam in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat er 50 miljoen euro is gereserveerd voor het interventieteam uit het bestuursakkoord in Groningen, dat ingeschakeld kan worden wanneer mensen erg zijn vastgelopen in de schadeafhandeling en/of versterking van hun huis, ook wel schrijnende situaties genoemd?1 Zo ja, waar is dat bedrag op gebaseerd? Van hoeveel «schrijnende situaties» is er uitgegaan? Van welk gemiddeld bedrag per persoon met een vastgelopen dossier is uitgegaan?
Ja, dat klopt. Op het moment van vaststellen van de hoogte van het bedrag was nog niet in beeld om hoeveel situaties het exact zou gaan en welke bedragen hierbij zouden komen kijken. Er is daarom gekozen om een ruim budget op te nemen voor vastgelopen situaties.
Is 50 miljoen euro voldoende voor alle «schrijnende situaties»? Geldt hier ook: wie het eerst komt, het eerst maalt? Wat gaat u doen voor de «schrijnende situaties» die er nog zijn als het geld op is?
Het bedrag is op het moment van beantwoording van deze vragen toereikend. Op dit moment is 1,2 miljoen euro van beschikbaar gestelde bedrag van 50 miljoen euro aangewend om vastgelopen dossiers op te lossen. Dit komt onder meer omdat het interventieteam samen met het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) ook oplossingen vindt in de reguliere processen van schadeafhandeling en versterking. In deze gevallen wordt het budget van 50 miljoen euro niet aangesproken, omdat de oplossingen betaald worden uit de reguliere middelen voor schade of versterken. Ik blijf de uitputting van de middelen volgen.
In hoeverre worden gedupeerden betrokken bij het «maatwerk»? Hoeveel rekening wordt er gehouden met de wensen van de bewoners? Herkent u bijvoorbeeld het beeld dat mensen in een schrijnende situatie gedwongen worden akkoord te gaan met een voorstel van het interventieteam, omdat er letterlijk gezegd wordt: «Mocht u niet kunnen instemmen met de inhoud van de vaststellingsovereenkomst zoals die nu voorligt, dan ziet het interventieteam zich genoodzaakt haar bemiddeling te staken»?
Het interventieteam is erop gericht om in vastgelopen situaties een passende maatwerkoplossing te zoeken samen met de bewoners. Er wordt getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de wensen van de bewoners. Het doel van het interventieteam is om bewoners in vastgelopen situaties perspectief te bieden, opdat zij verder kunnen met hun leven. Het interventieteam heeft hiertoe een ruim mandaat. Het interventieteam zoekt wanneer nodig naar oplossingen buiten de bestaande kaders. Er worden scenario’s bedacht en besproken met de bewoners en uiteindelijk worden één of meerdere oplossingen aangeboden. Wat nodig en passend is, verschilt per casus en wordt ook per casus beoordeeld. Het interventieteam legt altijd één of meerdere oplossingsrichtingen en aanbiedingen voor, waarmee – naar het oordeel van het interventieteam – de vastgelopen situatie weer vlot getrokken kan worden. Het is vervolgens aan de bewoners zelf om wel of niet, en zo ja op welk voorstel, in te gaan. Er zijn helaas situaties waar intensieve bemiddeling niet leidt tot een oplossing. Als het ondanks de inspanningen van het interventieteam en de bewoner niet lukt om tot een oplossing te komen, komt er een finaal aanbod van het interventieteam. Het is dan aan de bewoner om te besluiten of hij of zij wel of niet van het aanbod gebruik wil maken. In enkele situaties heeft dit ertoe geleid dat de bemiddeling is gestopt. Op individuele situaties kan ik helaas niet ingaan.
Wat gaat u doen voor mensen die onder dwang een vaststellingovereenkomst hebben getekend, maar waarbij later blijkt dat zij benadeeld zijn door het interventieteam?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3 is het interventieteam erop gericht om in vastgelopen situaties een passende maatwerkoplossing te vinden samen met de bewoners. Het interventieteam doet dit vanuit een onafhankelijke positie. Het kan gebeuren dat ondanks de inspanningen van het interventieteam toch niet tot een oplossing gekomen kan worden die ook door de bewoners gedragen wordt. Ik ga ervan uit dat het interventieteam in dergelijke gevallen er alles aan gedaan heeft om, binnen het brede mandaat, tot een gedragen oplossing te komen. Het signaal dat bewoners onder dwang een overeenkomst hebben getekend, herkent het interventieteam niet.
Wat wordt precies bedoeld met «op te lossen»? Is het doel om gedupeerden in een schrijnende situatie schadeloos te stellen, zodat deze mensen verder kunnen met hun leven? Zo nee, wilt u uw antwoord toelichten? Vindt u bijvoorbeeld het advies: «U kunt zich beter failliet laten verklaren» een oplossing voor een «schrijnende situatie»? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 heeft het interventieteam de opdracht om bewoners in vastgelopen situaties perspectief te bieden, opdat zij verder kunnen met hun leven. Het interventieteam zoekt daarbij wanneer nodig naar oplossingen buiten de reguliere kaders. Het schadeloosstellen is de taak van het Instituut Mijnbouwschade Groningen dat de schade afhandelt. Ik kan niet ingaan op specifieke casuïstiek.
Hoe tijdelijk is deze regeling? Wanneer verwacht u dat deze eindigt? Denkt u dat alle «schrijnende situaties» dan opgelost zijn?
Zolang het nodig is, zal er een grondslag zijn om vastgelopen situaties in Groningen op te lossen. Het huidige mandaat van het interventieteam loopt tot de inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (hierna: wetsvoorstel), waarmee de versterking wettelijk geregeld wordt (Kamerstuk I, 35 603, nr. A). Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kan de taak die nu is gemandateerd per ministeriële regeling aan het IMG opgedragen worden. Een grondslag hiervoor is in dit wetsvoorstel opgenomen.
Waaruit bestaat de bijdrage, naast de financiële bijdrage, die Rijk en Regio willen leveren aan schrijnende situaties?
Het interventieteam is opgericht om onafhankelijk te kijken naar wat nodig is in vastgelopen situaties. De geboden hulp en ondersteuning kan bijvoorbeeld zijn het aanbieden van bouwbegeleiding, het opkopen van een woning, zodat tijdelijke huisvesting gewaarborgd is totdat er een andere duurzame oplossing is gevonden, het overnemen van de hypotheekschuld of bijvoorbeeld het plaatsen van tijdelijke woonunits. Waar het interventieteam dat wenst zullen het Rijk en de Regio het interventieteam daarbij ondersteunen.
Wat is het verschil tussen de Commissie Bijzondere Situaties en het Interventieteam?
De Commissie Bijzondere Situaties (CBS) ondersteunt bewoners waar meervoudige problematiek speelt; naast erkende aardbevingsschade of versterking kunnen er ook problemen spelen op medisch, psychisch, financieel of sociaal vlak. Het interventieteam springt in wanneer bewoners vastlopen in de reguliere processen, bijvoorbeeld door samenloop van schade en versterking. Hierbij kunnen ook andere problemen een rol spelen, maar anders dan bij de CBS is dat geen criterium om in aanmerking te komen.
Komt het interventieteam bij mensen thuis of moeten bewoners naar het interventieteam toe? Waar moeten bewoners zich dan melden?
Bewoners kunnen zich bij gemeenten melden voor het inschakelen van het interventieteam. Als bij de behandeling van een casus een huisbezoek bijdraagt aan het beter inzicht krijgen in de specifieke situatie, dan komt het interventieteam bij bewoners op bezoek. Daarnaast vinden gesprekken plaats op het kantoor van de NCG, het IMG of op een van de gemeentehuizen in de regio. De NCG, het IMG en gemeentes kunnen situaties voordragen aan het interventieteam. Bewoners kunnen zich bij gemeenten melden; de desbetreffende gemeente beoordeelt of een situatie in aanmerking komt voor het interventieteam.
Wanneer hebben gemeenten met maatschappelijke organisaties de inventarisatie gemaakt van de bestaande problematiek? Hoeveel «schrijnende situaties» uit de inventarisatie zijn inmiddels aangemeld bij het interventieteam? Door wie zijn ze aangemeld? Door wie kunnen ze aangemeld worden? Hoeveel «schrijnende situaties» uit de inventarisatie zijn nog niet aangemeld bij het interventieteam? Waarom zijn zij nog niet aangemeld?
Na de bestuurlijke afspraken versterking Groningen (6 november 2020) is begonnen met het inventariseren van de problematiek. In opdracht van de regio is er een inventarisatie gedaan van de problematiek bij gemeenten, het IMG en de NCG. Vastgelopen situaties kunnen door de gemeenten, via hun burgemeester, doorlopend aangemeld worden bij het interventieteam. Daarnaast kunnen het IMG en de NCG ook vastgelopen situaties aanmelden bij het interventieteam. Momenteel zijn er 22 vastgelopen situaties aangemeld bij het interventieteam. Hiervan zijn er twintig aangemeld door gemeenten, één door het IMG en één door de NCG. Daarnaast is er structureel overleg met vertegenwoordigers van de aardbevingsgemeenten over dossiers die dreigen vast te lopen. Dit betreft een lijst van ongeveer tachtig adressen. Op adresniveau wordt bekeken welke acties nodig zijn om te voorkomen dat de situatie vastloopt of hoe deze weer vlot getrokken kan worden.
Binnen welke kaders opereren de leden van het interventieteam? Waar zijn die te vinden? Worden gedupeerden hier van tevoren van op de hoogte gebracht?
Het interventieteam heeft een ruim mandaat gekregen. U kunt dit besluit vinden op de website van de overheid.2 Aan de hand van dit mandaat heeft het interventieteam de mogelijkheid om maatwerk oplossingen te bieden in vastgelopen situaties. Daarnaast doet het interventieteam een beroep op bestaande regelingen bij de NCG en het IMG. Het interventieteam kan ook een beroep doen op andere regelingen, zoals gemeentelijke regelingen. In overleg met bewoners, melden gemeenten bewoners aan bij het interventieteam.
Kunt u de Kamer een overzicht sturen waarin staat opgenomen welke taken en verantwoordelijkheden leden van het interventieteam hebben? Wie zitten er in het interventieteam? Zijn dit mensen die zich fulltime inzetten voor «schrijnende situaties»? Wat is de doorlooptijd voor het oplossen van een «schrijnende situatie»? Zijn daar eisen aan gesteld? Zo ja, welke? Zijn de leden van het interventieteam onafhankelijk en zetten zij de belangen van gedupeerden op de eerste plek? Waar blijkt dat uit?
De taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd in het mandaatbesluit. Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 11. Het interventieteam bestaat uit een onafhankelijke voorzitter, een vertegenwoordiger van het IMG en een vertegenwoordiger van de NCG. De leden zijn niet fulltime beschikbaar en worden in hun taken ondersteund door een groep medewerkers van de NCG en het IMG. Per individuele situatie verschilt wat nodig is om tot een oplossing te komen. De inzet is om de situatie op te lossen, zodat een bewoner weer verder kan met zijn of haar leven. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De doorlooptijd verschilt vanwege de individuele aanpak per vastgelopen situatie; hier zijn geen eisen aan gesteld.
Worden er verslagen van gesprekken gemaakt, waar gedupeerden mee instemmen, zodat afspraken van beide kanten duidelijk zijn?
Voordat het interventieteam bewoners een oplossingsrichting biedt, wordt deze besproken met bewoners. Afspraken die het interventieteam met bewoners maakt, worden altijd vastgelegd. Dit gebeurt op verschillende manieren: in de vorm van een gespreksverslag of in de vorm van een brief aan de bewoners. Als in een brief de afspraken en oplossingsrichtingen verwoord worden, wordt de bewoners vervolgens gevraagd om op de brief te reageren of voor akkoord te ondertekenen.
Wat wordt precies bedoeld met de zin uit het bestuursakkoord: «Funderingsproblematiek zonder relatie met schade en versterking valt buiten de scope van deze tijdelijke regeling»? Wordt de funderingsproblematiek buiten deze regeling gehouden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als het gaat om de problematiek van de gebouwen in technische zin, behandelt het interventieteam alleen problematiek die te relateren is aan schade en versterking. Funderingsproblematiek die hieraan gerelateerd is, kan derhalve behandeld worden.
Klopt het dat het interventieteam hypotheken verstrekt namens De Staat der Nederlanden, als onderdeel van een «oplossing»? Zo ja, wat zijn dan de condities? Verschillen de voorwaarden van deze hyptheken van de voorwaarden van hypotheken verstrekt door banken? Waarom wordt gekozen voor een hypotheek en niet voor een andere vorm van geldverstrekking?
Een mogelijke oplossing kan zijn dat de Staat der Nederlanden een hypotheek verstrekt of overneemt van een bank. Dit is echter geen gebruikelijke oplossing. In één situatie heeft het interventieteam aan het IMG en de NCG geadviseerd om namens de Staat een lening (met recht van hypotheek) te verstrekken aan bewoners, omdat de bank de overeenkomst van geldlening had opgezegd en dreigde de woning van de bewoners executoriaal te verkopen. Over de specifieke voorwaarden kan ik geen mededelingen doen.
Kan het interventieteam ook gebruikmaken van versterkingskosten van de Nationaal Coördinator Groningen of wordt alles betaald uit de pot van 50 miljoen euro?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Hoe staat het met het monitoren van deze regeling? Klopt het dat er eind 2021 een evaluatie plaats zou vinden? Zo ja, kunt u die de Kamer doen toekomen?
Het interventieteam heeft een tussentijdse rapportage opgesteld. Deze is recent per Kamerbrief met de Kamer gedeeld.3 Voor het zomerreces wordt een nieuwe rapportage opgesteld. Zoals toegezegd in de eerder genoemde Kamerbrief wordt ook deze rapportage met uw Kamer gedeeld.
Gaat dit monitoren slechts over de causaliteit tussen verergering van schade, het veiligheidsniveau van de woning en het ontstaan van nieuwe schade of wordt er ook gemonitord hoe het met de bewoners van de woning gaat, of ze hun leven weer op kunnen pakken en of ze schadeloos zijn gesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rapportage gaat in op de voortgang van de afhandeling van vastgelopen situaties.
Kan in een overzicht worden weergegeven hoeveel geld er na een half jaar is gebruikt van de 50 miljoen euro? Welk deel is daarvan terecht gekomen bij gedupeerden? Welk deel dekt de proceskosten?
In de recente rapportage van december 2021 is geen financieel overzicht opgenomen. In de volgende rapportage zal dit wel het geval zijn. Het budget van 50 miljoen euro wordt niet gebruikt om proceskosten te dekken. De onafhankelijke voorzitter is onbezoldigd. In het antwoord op vraag 2 is aangegeven dat het interventieteam tot nu toe 1,2 miljoen euro besteed heeft.
Kan er ook geld van het «knelpuntenbudget» ingezet worden voor het oplossen van knelpunten in «schrijnende situaties»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij vastgelopen situaties zal waar mogelijk gezocht worden naar een oplossing binnen bestaande reguliere kaders. Dit betekent dat ook de knelpuntenpot ingezet kan worden bij het realiseren van een oplossing: de knelpuntenpot is onderdeel van het budget dat de NCG binnen de reguliere werkwijze heeft om knelpunten op te lossen. Wanneer een vastgelopen situatie niet op een reguliere manier opgelost kan worden, kan er een beroep gedaan worden op het budget voor vastgelopen situaties.
Het gewenste nieuwe bedrijfsmodel van KLM. |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Verre KLM-routes verdwijnen bij ander bedrijfsmodel»?1
Ja.
Hoe ziet u het gewenste nieuwe bedrijfsmodel van KLM voor u dat u voorstelde tijdens het commissiedebat over Staatsdeelnemingen op 26 januari 2022?
De vormgeving van het bedrijfsmodel en de strategie is aan KLM zelf, waarbij van KLM mag worden verwacht dat zij steeds haar bedrijfsmodel toetst aan de actuele omstandigheden en (nieuwe) economische, maatschappelijke en milieu en klimaatverwachtingen. Tegen deze achtergrond heb ik tijdens het commissiedebat Staatsdeelnemingen aangegeven dat ik mij graag door KLM laat informeren over de ontwikkelingen die op KLM afkomen en op welke wijze KLM deze belangen meeweegt in haar strategie. Ik heb in lijn met bovenstaande bevoegdheidsverdeling geen nieuw bedrijfsmodel voorgesteld in het commissiedebat Staatsdeelnemingen.
Bent u van mening dat KLM zich moet richten op de Europese luchtvaartmarkt en moet stoppen met intercontinentale vluchten? Zo ja, hoe wilt u de economische positie van KLM en Schiphol waarborgen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke meerwaarde heeft KLM voor de Nederlandse staat als deze nog slechts fungeert als regionale luchtvaartmaatschappij en niet langer bijdraagt aan de rechtstreekse internationale bereikbaarheid van Nederland en de internationale hubfunctie van Schiphol?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de stelling dat een veranderd bedrijfsmodel voor KLM zal leiden tot 70 procent minder reizigers en dus ook tot fors baanverlies bij zowel KLM als Schiphol?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de noodzaak van de internationale hubfunctie van Schiphol?
Adequate verbondenheid van Nederland met belangrijke bestemmingen in Europa en de rest van de wereld is een publiek belang. Zoals ook aangegeven in het Coalitieakkoord 2021–2025, is door de aanwezigheid van Schiphol Nederland via de lucht uitstekend verbonden met de rest van de wereld. Die sterke hubfunctie wil het kabinet behouden, waarbij er tegelijkertijd aandacht moet zijn voor het verminderen van de negatieve effecten van luchtvaart op mens, milieu en natuur. KLM levert met haar intercontinentale bestemmingennetwerk de grootste bijdrage aan de hubfunctie op Schiphol.
Is de positie van KLM als krachtige speler op de internationale markt van wezenlijk belang voor het behoud van de internationale hubfunctie van Schiphol? Zo ja, onderschrijft u dan ook de noodzaak dat KLM niet onverhoopt afschaalt tot regionale luchtvaartmaatschappij om de positie van Schiphol als internationale hub te waarborgen?
Zie antwoord vraag 6.
Wilt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de plannen van een nieuw bedrijfsmodel voor KLM, als dat bericht inderdaad op waarheid berust?
Zoals hierboven aangegeven is de vormgeving van het bedrijfsmodel en de strategie aan KLM zelf, waarbij van KLM mag worden verwacht dat zij steeds haar bedrijfsmodel toetst aan de actuele omstandigheden en (nieuwe) economische, maatschappelijke en milieu en klimaatverwachtingen. Ik heb in lijn met deze bevoegdheidsverdeling geen nieuw bedrijfsmodel voorgesteld en kan daarover dus ook geen plannen of scenario’s delen met de Kamer.
Kunt u de Kamer aan de hand van scenario’s informeren over welke gevolgen het onverhoopt afschalen van KLM tot regionale luchtvaartmaatschappij heeft voor de rechtstreekse internationale bereikbaarheid van Schiphol?
Zie antwoord vraag 8.
De toename van het stikstofoverschot en nieuwe gerechtelijke uitspraken die het huidige stikstofbeleid afkeuren |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Tjeerd de Groot (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het stikstofoverschot in de landbouw, ondanks de uitspraak van de Raad van State in 2019 over de PAS, in 2020 niet afgenomen, maar zelfs toegenomen is?1
Het depositieoverschot is in 2020 gestegen t.o.v. 2019. Het is het beeld van een trend die we al sinds 2010 zien. Het stikstofoverschot naar de bodem (o.a. nitraat) is toegenomen onder meer door de toename in het gebruik van (stikstof) kunstmest. In 2020 was deze toename ongeveer 4,5 procent ten opzicht van 2019. Deze toename kan leiden tot meer uit- en afspoeling van stikstof naar het grond- en oppervlaktewater waardoor onze waterkwaliteit verslechtert. Dit is ook precies de reden waarom voor een integrale stikstofaanpak is gekozen en staat los van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: de Raad van State) over de PAS (ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603).
De toename van het gebruik van stikstofkunstmest past niet bij de wens van LNV om kringlopen meer te sluiten. De Minister van LNV zet zich in om het gebruik van kunstmestvervangers uit dierlijke mest meer mogelijk te maken. Dan kan de toepassing van stikstofkunstmest afnemen.
Daarnaast neemt het kabinet maatregelen in het kader van het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn om te gaan voldoen aan de eisen van de Europese Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water.
Tussen 2010 en 2020 is de stikstof uitstoot naar de lucht (ammoniak) uit stallen afgenomen met name door het gebruik van emissiearmere technieken zoals luchtwassers.
Kunt u bevestigen dat wanneer alle natuurvergunninghouders hun ongebruikte (latente) ruimte volledig zouden opvullen, dit nog tot jaarlijks 30 miljoen kilo extra stikstofuitstoot zou leiden (op een jaarlijkse totale uitstoot van 177 miljoen kilo)?2 3
Er wordt verwezen naar berekeningen door het Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico. Deze hebben betrekking op het verschil tussen de vergunde uitstoot en de daadwerkelijke uitstoot, oftewel het extrapoleren van de gerapporteerde uitstoot van vergunde veestallen met de 25% latente ruimte uit de inventarisatie onbenutte emissieruimte in vergunningen van veehouderijen rondom de Peelvenen.
Bij extern salderen kan, op basis van beleidsregels en bestuurlijke afspraken (Kamerstuk 32 670, nr. 167) alleen gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit. Dat betekent dat de niet-gerealiseerde capaciteit, die onderdeel uitmaakt van de latente ruimte, bij het intrekken van de vergunning van de saldogever komt te vervallen. Bovendien wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd.
Het is de vraag of veehouderijen onbenutte latente ruimte ook daadwerkelijk kunnen gebruiken. In het door Investico gebruikte onderzoek wordt onderkend dat de latente ruimte in milieuvergunningen en -meldingen van veehouderijen een stabiel gegeven is. Door andere regelgeving, bijvoorbeeld t.a.v. dierrechten, fosfaatrechten, mestverwerking, milieuregelgeving en financiële en economische belemmeringen, wordt ingebruikname van latente ruimte al beperkt. Samen met de provincies onderzoek ik momenteel hoe ongewenste ingebruikname van latente ruimte in vergunningen verder kan worden beperkt. Ik zal uw Kamer voor de zomer hierover informeren.
Erkent u dat er ernstige twijfels bestaan onder juristen over de wettelijke basis voor de overdraagbaarheid van natuurvergunningen, oftewel extern salderen, omdat natuurvergunningen worden afgegeven en geldig zijn voor specifieke activiteiten op specifieke locaties?4 Hoe beoordeelt u dit?
Nee, dat erken ik niet. Extern salderen is het op verzoek van de saldogever inperken of intrekken van een toestemmingsbesluit voor het ene project, waardoor de veroorzaakte stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in een Natura 2000-gebied afneemt, ten gunste van toestemmingverlening aan een project op een andere locatie dat stikstofdepositie veroorzaakt op dezelfde stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in het gebied.
Dit is een in de jurisprudentie toegestane vorm van mitigatie. Verwezen wordt naar punt 39.7 van de PAS-uitspraak waarin de Raad van State oordeelt dat extern salderen kan als wordt voldaan aan de voorwaarden voor extern salderen die eerder in de rechtspraak zijn gesteld (de Raad van State verwijst daarbij naar de uitspraak ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931) én als uitgesloten is dat de saldoafnames waarmee extern gesaldeerd wordt, betrokken kunnen zijn in de stoppersruimte die in het kader van het PAS beschikbaar wordt of is gesteld.
Ten opzichte van de door de Raad van State geformuleerde voorwaarden hebben Rijk en provincies aanvullende eisen gesteld die onder meer zijn opgenomen in de beleidsregels van de provincies. Er kan op grond van die beleidsregels alleen worden gesaldeerd met ruimte binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit, waarvan vervolgens eerst nog 30% wordt afgeroomd waarmee niet gesaldeerd kan worden. Daaraan is in meer recente jurisprudentie van de Raad van State toegevoegd dat als extern salderen door de overheid als mitigerende maatregel wordt ingezet, de eis geldt dat de daaraan gekoppelde intrekking of beperking van de vergunning voor het saldogevende bedrijf geen maatregel is die al nodig was om behoud van de relevante natuurwaarden in het Natura 2000-gebied te borgen en de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen te halen (zie bijv. ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2318). Overigens zijn stikstofrechten geen eigendom (zie uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6375).
Kunt u bevestigen dat er in Wormer (Noord-Holland) stikstofruimte voor een appartementencomplex werd gevonden door te salderen met een natuurvergunning van een veevoerfabriek die al twintig jaar dicht was?5 Kunt u bevestigen dat Rijkswaterstaat voor de stikstofuitstoot van de verlenging van de A15 bij Nijmegen stikstofruimte gebruikt van een veehouder die een jaar eerder al naar Canada was geëmigreerd?6
De provincie Noord-Holland heeft hier als bevoegd gezag toestemming voor verleend. Ik vertrouw erop dat de provincie zich aan de eigen beleidsregels houdt.
Rijkswaterstaat sluit voor extern salderen alleen overeenkomsten met bedrijven die daadwerkelijk in bedrijf waren of konden zijn op basis van hun vergunning. Het uitgangspunt dat daarbij gehanteerd wordt is de vergunde «feitelijk gerealiseerde capaciteit». Dit is afgesproken tussen Rijk en provincies (en gemeenten) en door de voormalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Kamer gecommuniceerd (Kamerstuk 32 670, nr. 167). Bij een veehouderij betekent dit dat de stallen nog aanwezig zijn op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Dat is ook van toepassing op de ViA15. In dit geval is gehandeld binnen de geldende juridische kaders en beleidsafspraken.
Erkent u dat door deze oude vergunningen niet in te nemen, maar opnieuw in te zetten voor nieuwe stikstofuitstoot, dit bijdraagt aan de nog steeds toenemende stikstofuitstoot en verslechtering van natuurgebieden?
Salderen met slapende vergunningen is op basis van de geldende beleidsregels niet mogelijk. Met slapende vergunningen worden vergunningen bedoeld die al een tijd niet meer worden gebruikt en ook niet meer in gebruik genomen kunnen worden, bijvoorbeeld omdat gebouwen er niet meer staan of er een bouwvergunning nodig is om een activiteit weer op te kunnen starten.
Staat u achter uw uitspraak: «Als we hele oude vergunningen gaan afstoffen en die ruimte inzetten, dan doen we niks voor de natuur. Dat noem ik de randjes opzoeken. Die tijd is voorbij.»?7
Ja, ik sta achter die uitspraak.
Kunt u bevestigen dat de rechtbank Oost-Brabant in de zaak over de Amercentrale in Geertruidenberg heeft geoordeeld dat niet tot in het einde der dagen intern gesaldeerd moet kunnen worden met de latente ruimte uit een oude vergunning, waarbij het stelde: «zolang ongelimiteerd gebruik kan worden gemaakt van bestaande rechten uit het verleden is het dweilen met de kraan open»?8
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde in de uitspraak over de Amercentrale dat met emissieruimte die niet kan worden gebruikt zonder nieuwe toestemming, en die niet passend is beoordeeld, alleen mag worden gesaldeerd als er genoeg daling van stikstofdepositie wordt gerealiseerd. Met deze uitspraak brengt de rechtbank een nuancering aan op de geldende jurisprudentie van de Raad van State dat gesaldeerd mag worden met toegestane emissieruimte, ongeacht of die feitelijk wordt gebruikt.
Kunt u bevestigen dat ook het Interprovinciaal Overleg (IPO) in een evaluatie heeft geconcludeerd dat de huidige beleidsregels voor intern en extern salderen niet uit kunnen sluiten dat de stikstofuitstoot toeneemt?9
Over het algemeen volstaat het afroompercentage van 30% om feitelijke depositiestijging te voorkomen, omdat de latente ruimte in vergunningen gemiddeld 30% bedraagt. In de evaluatie van de beleidsregels concludeert het IPO dat in individuele gevallen (lokale) depositiestijging niet is uitgesloten, bijvoorbeeld wanneer een specifieke saldogever meer latente ruimte in de vergunning heeft dan 30%. Samen met de provincies onderzoek ik momenteel hoe ongewenste ingebruikname van latente ruimte in vergunningen kan worden beperkt. Ik zal uw Kamer voor de zomer hierover informeren.
Kunt u bevestigen dat zowel de rechtbank Noord-Nederland als de rechtbank Midden-Nederland besluiten voor de uitbreidingen van veehouderijen hebben vernietigd, omdat zij oordelen dat de effectiviteit van staltechnieken zoals luchtwassers en emissiearme stalvloeren onvoldoende bewezen is om de stikstoftoename door uitbreidingen te compenseren (middels intern salderen)?10 11 Kunt u bevestigen dat de rechtbank Midden-Nederland hierbij heeft aangegeven: «Het is aan het kabinet en aan de wetgever om in actie te komen voor een oplossing die verder gaat dan een individuele rechtszaak»?12
Dat klopt. Emissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) geven de te verwachten gemiddelde emissie per dierplaats van een staltechniek weer en komen tot stand op basis van beoordeling in praktijkstallen bij goed gebruik van die techniek. In deze uitspraken heeft de rechter geoordeeld dat er twijfel is of de emissiefactoren in individuele gevallen voldoende zekerheid geven over de werkelijke emissie van het veehouderijbedrijf in het kader van de Wet natuurbescherming. Door de toepassing van de Rav-emissiefactoren bij intern salderen (d.w.z. verminderen emissie per dier en toename van aantal dieren) stond volgens deze rechtbanken niet zonder meer vast dat geen sprake was van een toename van de ammoniakdepositie op een Natura 2000-gebied. Daardoor stond eveneens niet vast dat verlening van een vergunning niet zou kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied.
Ik begrijp dat de rechtbanken snel meer duidelijkheid willen hebben over het stikstofbeleid. Daar wordt hard aan gewerkt. Er worden verschillende stappen gezet om ervoor te zorgen dat de benodigde stikstofreductie wordt behaald. Een voorbeeld is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Daarnaast wordt er op moment bezien hoe invulling gegeven kan worden aan de afspraken uit het Coalitieakkoord. Ik informeer de Kamer daarover in de hoofdlijnenbrief. Daarbij kijk ik uiteraard ook naar de uitspraken van de rechtbanken.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LNV de provincies Friesland en Utrecht ondersteunt in hun hoger beroep tegen deze rechterlijke uitspraken?13 14 Zo ja, hoe vindt u deze houding te rijmen met uw eigen uitspraak dat «de tijd van de randjes opzoeken voorbij is»?
De provincie Friesland heeft het hoger beroep ingetrokken. Zoals aangegeven in antwoorden op Kamervragen van het lid Van Campen (VVD)(Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1022) ondersteun ik de provincie Utrecht in het hoger beroep dat bij de Raad van State is ingesteld. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie van de leden Van Campen en Boswijk over provincies maximaal steunen in hoger beroep die uw Kamer heeft aangenomen. Het hoger beroep kan de duidelijkheid ten goede komen ten aanzien van de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden de toepassing van de betreffende Rav-emissiefactoren in het kader van de Wnb mogelijk blijft. Met die duidelijkheid is eenieder gediend.
Deelt u het inzicht dat we hoe dan ook moeten voorkomen dat de stikstofuitstoot verder blijft toenemen? Zo ja, bent u bereid het intern en extern salderen tijdelijkon hold te zetten totdat er een lange termijnaanpak is vastgesteld waarmee de stikstofdoelen uit het coalitieakkoord met zekerheid zullen worden gehaald? Zo nee, waarom niet?
Ik deel dat voorkomen moet worden dat de stikstofuitstoot verder toeneemt. Provincies kunnen als bevoegd gezag besluiten om intern en extern salderen tijdelijk on hold te zetten. De provincie Overijssel zag bijvoorbeeld aanleiding om daartoe over te gaan. Ik vind het niet opportuun om alle mogelijkheden voor salderen nu tijdelijk stop te zetten. Ik verken samen met provincies welke stappen we moeten zetten ten aanzien van toestemmingverlening inclusief intern en extern salderen. Voor de zomer informeer ik de Kamer over de uitkomsten hiervan.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de vastgestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Een zorgvuldige beantwoording kostte helaas meer tijd dan de reguliere termijn voor beantwoording.
Het toekennen van een groot bedrag aan NOW-steun aan een meermaals veroordeeld bedrijf, dat weigert dwangsommen te betalen. |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat het bedrijf Bert’s Animal Verhuur € 40.000,– aan dwangsommen moet betalen? Is het u ook bekend dat het bedrijf al eerder € 100.000,– aan dwangsommen opgelegd heeft gekregen van de gemeente West Maas en Waal?1 2 3
Het is mij bekend dat er door de Inspectie lasten onder dwangsom zijn opgelegd.
Is het juist dat Bert’s Animal Verhuur in totaal € 154.875,– aan tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW)-steun heeft ontvangen?4
Gebaseerd op de door UWV gepubliceerde gegevens in de NOW-registers heeft Bert’s Animal Verhuur tot en met de NOW 4 cumulatief 170.646 euro aan NOW-subsidie ontvangen. Dit bedrag betreft een voorschot op basis van verwacht omzetverlies, de definitieve afrekening van de subsidie volgt na vaststelling van het daadwerkelijke omzetverlies. Eventueel aangevraagde subsidies voor de NOW5 en NOW6 zijn (nog) niet bekend.
Heeft dit bedrijf gebruik gemaakt van andere coronasteunregelingen?
Zoals gemeld in het openbare register van de TVL heeft dit bedrijf een TVL-subsidie ontvangen. Tot en met Q3 2021 zijn in dit register ondernemers opgenomen die meer dan € 100.000 TVL-subsidie hebben ontvangen, vanaf Q4 2021 is deze ondergrens losgelaten. Voor Bert’s Animal Verhuur staat een cumulatief bedrag vermeld van € 164.071. Ook hier geldt dat de in de registers vermelde bedragen de uitgekeerde voorschotten betreft, niet de hoogte van definitieve subsidieverstrekking.
Begrijpt u de ophef die ontstaat als er een groot bedrag aan NOW-steun gaat naar een bedrijf dat eerder is stilgelegd door de rechter wegens malversaties, waaraan verschillende dwangsommen zijn opgelegd en dat systematisch de wet overtreedt als het om dierenwelzijn gaat?
Ja, die ophef begrijp ik. In het geval van misstanden kent ons land gelukkig goede wet- en regelgeving om hier adequaat naar te handelen. Specifiek voor de NOW geldt dat het een snel opgezette regeling in crisistijd betreft die grofmazig is, om de uitvoering ervan mogelijk te houden. Er is daarom maar een beperkt aantal voorwaarden opgenomen waaraan wordt getoetst. Dierenwelzijn is geen onderdeel van deze voorwaarden. Dat betekent dat als deze werkgever voldoet aan de aan de NOW-subsidie gestelde voorwaarden, hij aanspraak mag maken op deze subsidie om de lonen door te betalen en de verstrekking hiervan dus niet onrechtmatig is. Nadat het bedrijf de definitieve vaststelling van de subsidie heeft aangevraagd, zal worden beoordeeld of aan deze voorwaarden is voldaan.
Kunt u toelichten hoe het kan dat een bedrijf dat illegaal dieren verhuurt een erkend leerbedrijf is?5
Mbo-studenten lopen stage bij een door SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) erkend leerbedrijf. Bedrijven kunnen een erkend leerbedrijf worden wanneer zij voldoen aan de voorwaarden uit het erkenningsreglement van SBB. Zij moeten daarvoor kunnen aantonen dat ze voldoende bij de mbo-opleiding passende werkzaamheden verrichten, voldoende kwalitatieve begeleiding kunnen bieden en dat de stageplek (sociaal) veilig is voor de student. Op basis van deze criteria is Bert’s Animal Verhuur erkend als leerbedrijf voor vier mbo-opleidingen: bedrijfsleider dierverzorging, medewerker dierverzorging, medewerker veehouderij en vakbekwaam medewerker dierverzorging. Naar aanleiding van signalen over overtredingen van het bestemmingsplan van de gemeente houdt SBB extra goed vinger aan de pols of het leerbedrijf aan de voorwaarden voor erkenning kan blijven voldoen. Op basis van gegevens van SBB en DUO is bekend dat er op dit moment geen studenten stagelopen bij Bert’s Animal Verhuur.
Hoe is het mogelijk dat er nog steeds een rendier illegaal te huur wordt aangeboden op de site van Bert’s Animal Verhuur, terwijl deze illegale verhuur door uw ambtsvoorganger al in 2019 gesignaleerd is? Waarom is hier niet op gehandhaafd, aangezien dit een overtreding van bijlage IV is van het Besluit houders van dieren?6 7
Tijdens een recente inspectie is vastgesteld dat er geen rendieren meer op het bedrijf aanwezig zijn. Deze zijn al enige tijd geleden verkocht en worden dus ook niet meer voor de verhuur aangeboden.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen vijf jaar handhavend opgetreden tegen Bert’s Animal Verhuur?
In 2017 heeft de NVWA 3 maal handhavend opgetreden na constatering van dierwelzijnsovertredingen. In 2018 gebeurde dit twee keer, en in 2019 ook twee keer. In 2020 is eenmaal handhavend opgetreden. In alle gevallen ging het om overtredingen met betrekking tot dierwelzijn. Uiteindelijk heeft dit in 2021 geleid tot het onder verscherpt toezicht plaatsen van dit bedrijf.
Het bericht dat de Tuchtraad Banken het onderzoek naar de voormalig topman van ING noodgedwongen heeft moeten stopzetten. |
|
Michiel van Nispen (SP), Mahir Alkaya (SP) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Tuchtrecht Banken haar tuchtrechtelijke onderzoek naar de mogelijke schending van de bankierseed door de voormalig topman van ING tandenknarsend heeft moeten stopzetten? Wat doet een dergelijke uitspraak van de Tuchtraad volgens u met het, toch al geringe, vertrouwen van mensen in de financiële sector?1
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht. De eed of belofte en het daaraan verbonden tuchtrecht strekken ertoe om het belang van de normen en waarden waar de financiële sector voor staat te onderstrepen, de bewustwording te versterken van degenen die de eed of belofte afleggen en (daarmee) het vertrouwen van de consument in de financiële sector te vergroten. Daarvoor is het uiteraard van belang dat het tuchtrecht adequaat werkt en dat tijdens het tuchtrechtelijk onderzoek de relevante documenten ter beschikking worden gesteld. Indien een bank dit niet actief doet, zal dat naar mijn inschatting niet bijdragen aan het vertrouwen van mensen in de financiële sector. Ik roep banken dan ook in algemene zin op hieraan mee te blijven werken. Dit versterkt het vertrouwen in de financiële sector.
Functioneert het tuchtrecht banken volgens u naar behoren, als de tuchtraad zelf zegt dat het betreurenswaardig is dat door de beperkte mogelijkheden van het bankentuchtrecht niet kan worden beoordeeld of de bankierseed is geschonden door de (voormalige) top van ING? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Voor het goed functioneren van het tuchtrecht is het belangrijk dat de relevante documenten beschikbaar worden gemaakt ten behoeve van het onderzoek naar een tuchtklacht. Het open en toetsbaar opstellen is een essentieel onderdeel van het tuchtrecht. In het bankentuchtrecht doet de Algemeen Directeur van de Stichting Tuchtrecht Banken onderzoek naar tuchtklachten en kan ook zelfstandig een tuchtrechtelijk onderzoek starten naar een bankmedewerker. Het Tuchtreglement Bancaire Sector bepaalt dat de Algemeen Directeur, ten behoeve van het onderzoek, inlichtingen en informatie kan inwinnen bij de bankmedewerker waartegen de tuchtklacht is ingediend alsmede bij de bank waar diegene werkzaam is2. Een bank(medewerker) is verplicht de door de Algemeen Directeur gevraagde inlichtingen en informatie te verstrekken3. Zo kan het niet meewerken aan een tuchtrechtelijk onderzoek op zichzelf grond zijn voor een tuchtrechtelijk verwijt.
De Nederlandsche Bank (DNB) ziet er (risicogeoriënteerd) op toe dat banken daadwerkelijk zijn onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is. Het is niet aan mij om daarover te oordelen.
Klopt het dat het tuchtrecht bij banken op dit moment een vorm van zelfregulering is; dat de bankierseed weliswaar in de Wet financieel toezicht verankerd is, maar het tuchtrecht zelf niet?
In de Wft is opgenomen dat banken onderworpen moeten zijn aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan bepaalde voorwaarden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om adequate waarborgen voor een behoorlijke procesgang en het opdragen van de toepassing en uitvoering van de tuchtrechtelijke regeling aan een onafhankelijke en deskundige externe instantie. Deze wettelijke verankering maakt onderdeel uit van de integere en beheerste bedrijfsvoering van banken. Dit is in lijn met de systematiek van de Wft waarin integriteit primair een aangelegenheid is van de financiële onderneming zelf. Het is aan de financiële onderneming, in dit geval de bank, om ervoor te zorgen dat zij is onderworpen aan tuchtrecht dat ten minste aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zoals opgemerkt in het vorige antwoord ziet DNB er (risicogeoriënteerd) op toe dat banken daadwerkelijk zijn onderworpen aan een tuchtrechtelijke regeling die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is.
De verdere invulling en organisatie van het tuchtrecht is, binnen de wettelijke voorwaarden, primair aan de bank c.q. de bancaire sector zelf. Tuchtrecht ontwikkelt zich immers bij uitstek in de groep zelf. De sector zelf heeft als geen ander inzicht in de verschillende modaliteiten binnen de sector, (ongeschreven) sectorspecifieke en functiespecifieke normen, waarden en standaarden die (behoren te) gelden. Hiermee wordt ook de betrokkenheid van de banken en hun medewerkers bevorderd en daarmee de effectiviteit van het stelsel als geheel.
Zou het niet beter zijn om het tuchtrecht in de wet te verankeren en daarbij de tuchtraad meer middelen te geven om medewerking van partijen af te dwingen?
Zoals in de beantwoording van de vorige vraag vermeld ontwikkelt tuchtrecht zich bij uitstek in de groep zelf. Banken hebben zich in het Tuchtreglement Bancaire Sector er reeds toe verplicht om informatie aan te leveren ten behoeve van een tuchtrechtelijk onderzoek. De Stichting Tuchtrecht Banken ziet toe op naleving van het Tuchtreglement. Daarnaast houdt DNB (risicogebaseerd) toezicht en kan handhavend optreden indien daartoe aanleiding is.
Hoe bent u van plan om in de toekomst wel medewerking van partijen af te dwingen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in ieder geval met de Nederlandse Vereniging van Banken het gesprek aan te gaan over het (dis)functioneren van de tuchtraad in deze zaak en daarbij ook aan te dringen op betere medewerking van banken in tuchtzaken? Zo nee, waarom niet?
Voor het functioneren van het tuchtrecht is het belangrijk dat banken meewerken aan het onderzoek naar tuchtklachten. Het is primair aan de toezichthouder om een oordeel te vellen over de naleving van de normen uit de Wft, waaronder die dat banken onderworpen moeten zijn aan een tuchtrechtelijke regeling. Ik zal het belang van actieve medewerking van banken in tuchtzaken, ook voor het vertrouwen in de sector, in gesprekken met de sector benadrukken.
Het bericht 'Hallo, wij hebben 125 mille studieschuld, hoeveel hypotheek krijgen we?' |
|
Jaco Geurts (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van bovenstaand bericht?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Ziet u ook het probleem dat studenten door het leenstelsel een zodanig hoge studieschuld hebben opgebouwd, zo’n 15.000 euro meer dan medestudenten onder het oude stelsel, dat dit grote invloed heeft op het bedrag dat zij aan hypotheek kunnen krijgen voor een eerste woning?
Ik vind het belangrijk dat kredietverlening verantwoord plaatsvindt en consumenten niet in de problemen komen door een te hoge hypotheek. Het is daarom van belang dat de maandelijkse lasten van een consument, waaronder eventuele studieschulden, goed in beeld zijn als zijn of haar maximale leenruimte wordt bepaald. Studieschulden worden daarbij minder zwaar meegenomen dan andere schulden. Dit komt door de sociale terugbetaalvoorwaarden van een studieschuld. Daarnaast geldt voor studieschulden onder het leenstelstel dat deze, door de langere terugbetaaltermijn (aflosfase van 35 jaar), minder zwaar meewegen bij het berekenen van de maximale hypotheek dan studieschulden onder het oude stelsel (aflosfase van 15 jaar). De wegingsfactoren zijn recent (1 januari 2021) verlaagd als gevolg van de lage rente: de wegingsfactor voor studieschulden onder het leenstelsel is thans 0,35 procent en de wegingsfactor voor studieschulden onder het oude stelsel is 0,65 procent. Dit heeft tot gevolg dat de invloed van het leenstelsel op de maximale hypotheek relatief beperkt is. Om een beeld te geven: uit de monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs 2020–20212 blijkt dat het gemiddelde verschil in leenbedrag tussen de laatste groep studenten onder het oude stelsel (startjaar 2014–2015) en de eerste groep studenten onder het leenstelsel (startjaar 2015–2016) op peildatum 30 september 2020 gemiddeld tussen de € 5.000,– en € 6.000,– bedraagt. Uiteraard is dit gemiddelde niet voor iedereen representatief: wie een hogere schuld heeft, zal minder kunnen lenen.
Is het u bekend dat studenten bij aangaan van de schuld in de veronderstelling waren dat het bedrag niet zou meetellen bij het aangaan van een hypotheek of daarvan niet op de hoogte waren?
Bij de invoering van het leenstelsel is in de Kamer uitvoerig gesproken over de weging van studieschulden bij hypotheekaanvragen.3, 4, 5 Er is toen ook gesproken over het feit dat studieschulden worden meegewogen bij een hypotheekaanvraag. Ook is door het kabinet de afgelopen jaren verschillende malen gemeld dat studieschulden meetellen6, 7. Het is dan ook vervelend als een oud-student er niet van op de hoogte was dat een studieschuld meeweegt bij een hypotheek.
Vindt u het terecht dat dit bedrag aan studieschuld (volledig) wordt meegenomen bij het verstrekken van een hypotheek?
Zoals hierboven beschreven wordt de studieschuld minder zwaar meegewogen bij het bepalen van de maximale hypotheek dan andere schulden. Ik vind het belangrijk dat de studieschuld wel wordt meegenomen. Voorafgaand aan het verstrekken van een hypothecair krediet moet een kredietverstrekker zich er op grond van de Wet op het financieel toezicht en de Richtlijn hypothecair krediet van vergewissen dat het krediet verantwoord is. En dat de consument de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kan nakomen. Belangrijke factoren die daar invloed op hebben, zijn de hoogte van het inkomen en welke andere financiële verplichtingen de consument heeft. Dit geldt ook voor studieschulden, omdat zij effect hebben op het maandelijks besteedbare inkomen. Hoewel ik begrijp dat dit door consumenten als beperkend wordt ervaren, vind ik het van belang dat consumenten adequaat beschermd worden wanneer zij een hypothecaire lening afsluiten.
Vindt u het terecht dat jongeren met zo’n enorme last hun toekomst in moeten gaan die direct gevolgen heeft voor hun kansen als starters op de woningmarkt?
De zoektocht van starters naar een betaalbare koopwoning is in de afgelopen jaren steeds ingewikkelder geworden, met name door het tekort aan beschikbare woningen en de sterk gestegen huizenprijzen. Een (hoge) studieschuld helpt daarbij niet, omdat de maximaal verantwoorde hypotheek hierdoor lager wordt. Het kabinet ziet de ernst in van de problemen waar de huidige generatie jongeren tegenaan loopt en heeft verschillende maatregelen aangekondigd om de positie van jongeren te verbeteren. Zo voeren we de basisbeurs in voor alle studenten. Verder zet het kabinet zich op verschillende manieren in om starters aan een betaalbare woning te helpen en is in het coalitieakkoord opgenomen dat voor koopstarters bij het aanvragen van een hypotheek de actuele stand van de studieschuld bepalend wordt. Het kabinet hecht er verder waarde aan om met jongeren in gesprek te gaan over hun zorgen en de mogelijke oplossingen.
Ontvangt u ook signalen van wethouders dat zij deze doelgroep graag willen helpen met toegang tot een hypotheek door als gemeente garant te staan voor studieschulden? (zie bijvoorbeeld het verkiezingsprogramma van het CDA in Den Haag: CDA Den Haag presenteert verkiezingsprogramma «Thuis in Den Haag»)
Van veel gemeenten hoor ik dat zij graag starters willen helpen op de woningmarkt en hiervoor zoeken naar mogelijkheden. De groep starters waar zij zich op willen richten is meestal breder dan oud-studenten met een studieschuld. In het verkiezingsprogramma van het CDA in Den Haag wordt gesproken over een garantstelling door de gemeente voor wat betreft studieschulden bij DUO bij de koop van nieuwbouwwoning. Ik heb nog niet van wethouders gehoord dat zij concrete plannen hebben voor een dergelijke garantstelling voor studieschulden.
Is het u bekend dat banken garantstellingen vaak (nog) niet accepteren bij het verstrekken van een hypotheek?
Ik heb begrepen dat banken weinig werken met dergelijke garantstellingen. De berekening van de maximale hypotheek wordt gebaseerd op de daadwerkelijke financiële ruimte van huishoudens om de woonlasten te dragen. Een garantstelling van welke partij dan ook, ouders of gemeente, zorgt niet voor lagere woonlasten en heeft daarom geen effect op het maximaal te lenen bedrag. Ook heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) mij laten weten dat het op gemeentelijk niveau inrichten van garantstellingen vanwege de te verwachten diversiteit in voorwaarden, veel complexiteit voor kredietverstrekkers met zich mee zou brengen.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor gemeenten deze garantstellingen te bieden?
Veel gemeenten willen starters, waaronder oud-studenten met een studieschuld, graag helpen op de woningmarkt. Hiervoor hebben zij verschillende instrumenten. Zo kunnen gemeenten ervoor kiezen om de starterslening aan te bieden. Gemeenten kunnen op lokaal niveau voorwaarden verbinden aan deze starterslening en het product daarmee afstemmen op de lokale wensen en behoeften. Deze lening zorgt ervoor dat starters onder gunstige voorwaarden een aanvulling kunnen krijgen op hun reguliere hypotheek. Gemeenten kunnen lage inkomens ook helpen door middel van sociale koopwoningen. Gemeenten dienen daartoe de bestemmingscategorie «sociale koop» op te nemen in het bestemmingsplan. Hiermee kunnen gemeenten sturen op het toevoegen van meer betaalbare woningen aan de nieuwbouwvoorraad. Daarnaast geeft de Huisvestingswet gemeenten handvatten om huurwoningen toe te wijzen aan (bijvoorbeeld) starters. Momenteel is er een wijziging van de Huisvestingswet 2014 in voorbereiding, waardoor gemeenten straks ook de mogelijkheid krijgen om (onder meer) starters en middeninkomens – al dan niet met maatschappelijke, economische of lokale binding aan een gemeente – voorrang te geven op koopwoningen met prijs tot NHG-kostengrens (355.000 euro). Een garantstelling op studieleningen door gemeenten voegt weinig aan het huidige instrumentarium van gemeenten om starters te helpen.
Is het volgens u ook voorstelbaar dat de staat gemeenten helpt bij de garantstellingen door bijvoorbeeld te bemiddelen met de BNG om samen met gemeenten garant te staan?
Zoals in antwoord 7 en 8 weergegeven, draagt een dergelijke garantstelling weinig bij aan de kansen voor starters op de woningmarkt. Een rol voor de staat bij een dergelijke garantstelling ligt mijns inziens dan ook niet voor de hand.
Bent u bereid met De Nederlandsche Bank in gesprek te gaan over de mogelijkheden?
Zie antwoord vraag 9.
Het niet opruimen van drugsafval |
|
Eva van Esch (PvdD), Mirjam Bikker (CU) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Grootste drugsdumping ooit in Brabants natuurgebied blijft liggen»?1
Ja. Het artikel betreft een drugsput op de Brabantse Wal, waar chemicaliën afkomstig van synthetische drugsproductie werden geloosd in de bodem. Dit is een nieuw aangetroffen methode van drugsdumpingen door criminelen.
Hoe is het mogelijk dat tien maanden na de ontdekking het drugsafval nog niet is opgeruimd?
De verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de risico’s voor mens en milieu in een dergelijke situatie ligt bij het bevoegd gezag op grond van de Wet bodembescherming (Wbb). Dit is in dit geval de provincie Noord-Brabant. Er is navraag gedaan bij de provincie Noord-Brabant. Deze provincie heeft aangegeven dat spoedig na de ontdekking op 24 maart 2021 een gedeelte van de put gesaneerd is door terreineigenaar Brabants Landschap, waarbij de grootste lading aan verontreinigde stoffen is weggenomen. De provincie wil dat ook de resterende bodemsanering zo spoedig en zorgvuldig mogelijk wordt uitgevoerd. Dit is echter complex, vanwege gebiedspecifieke kenmerken, zoals de ligging op een heuvel in bosgebied, de diepte van de verontreiniging, bereikbaarheid voor het benodigde materieel en de onzekere omvang. In het kader van de aanpak van de resterende sanering wordt momenteel nader onderzoek gedaan en vindt overleg plaats tussen de provincies Noord-Brabant, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) en de terreineigenaar Brabants Landschap.
Hoeveel minder kuub grond zou er vervuild zijn wanneer de opruiming tien maanden eerder was gestart?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gevaarlijk is de drugsdumping voor het drinkwater dat in de omgeving wordt gewonnen? Waarom is er niet eerder werk gemaakt van opruiming van het afval? Is dat omwille van gevaar voor de volksgezondheid?
Dumpingen en lozingen van drugsafval kunnen een bedreiging vormen voor drinkwaterbronnen – zowel bij oppervlaktewater als bij grondwater. Een grondwaterwinning is kwetsbaar als er ondiep grondwater wordt gewonnen dat niet beschermd wordt door een ondoorlatende deklaag. Ook is relevant of het grondwater richting de drinkwaterwinning stroomt of juist daarvan weg. De drinkwaterbedrijven monitoren de kwaliteit van de drinkwaterbronnen goed. Zodra daar verontreinigingen in worden aangetroffen, wordt de inname uit die bron onmiddellijk gestopt. Van een direct gevaar voor de volksgezondheid is daarom geen sprake. Ook preventief wordt gekeken naar welke verontreinigingen op termijn een bedreiging zouden kunnen vormen, zodat tijdig passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Met betrekking tot de beantwoording van de vraag waarom niet eerder werk is gemaakt van opruiming van het afval verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de gevolgen van de vervuiling voor het bodemleven en de flora en fauna? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
De provincie Noord-Brabant heeft laten weten dat de gevolgen van de vervuiling voor het bodemleven en de flora en fauna ook onderwerp van het onderzoek en gesprek is tussen genoemde partijen in het kader van de aanpak van de resterende verontreiniging.
Klopt het dat de kosten van sanering worden verhaald op de grondeigenaar, het Brabants Landschap? Zo ja, klopt het ook dat wanneer een grondeigenaar niets te verwijten valt, de kosten niet voor rekening van de grondeigenaar behoren te zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u in dit geval aangeven waarom de grondeigenaar, het Brabants Landschap, wel verantwoordelijk wordt gehouden voor de kosten van de sanering?
De provincie heeft laten weten dat gekeken wordt naar een oplossing in het kader van de resterende sanering. Daarbij wordt tevens juridisch geanalyseerd wie verantwoordelijk is voor de resterende sanering.
Aangezien de provincie bevoegd gezag is, kan ik hierover geen uitspraken doen.
Vindt u het terecht dat de kosten van een sanering verhaald worden op een nietsvermoedende grondeigenaar? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is een speciaal schadefonds waarvan de maximale vergoeding 25.000 euro per dumping is, niet veel te weinig? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat grondeigenaren niet een te groot gedeelte van de saneringskosten voor eigen rekening moeten nemen?
Vanaf 2019 kunnen particulieren 100% van de kosten vergoed krijgen en gemeenten 50%, beide inderdaad tot een maximum van € 25.000. BIJ12, als uitvoeringsorganisatie van het Interprovinciaal Overleg, voert deze Regeling uit. Voor het merendeel van de drugsdumpingen voldoet deze Regeling. Recent zijn er echter enkele grootschalige drugslozingen geweest, zoals deze in het natuurgebied Brabantse Wal, waarbij de saneringskosten de maximale vergoeding van € 25.000 ruim overschrijden. Ik ben hier – samen met de Minister van Justitie en Veiligheid – over in gesprek met de provincie Noord-Brabant en het Interprovinciaal Overleg. De Minister van Justitie en Veiligheid zal uw Kamer namens ons beiden informeren over de uitkomsten daarvan.
Wat vindt u ervan om een centraal schadefonds op te richten voor het verhalen van natuurschade veroorzaakt door criminelen, die niet op die criminelen verhaald kan worden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel drugsdumpingen zijn er vastgesteld per jaar in de afgelopen vijf jaar?
Uit cijfers van de politie blijkt dat het aantal drugsdumpingen 206 in 2017, 292 in 2018, 191 in 2019 en 178 in 2020 betrof. De voorlopige cijfers laten zien dat het in 2021 om 206 dumpingen gaat. Het is van belang hierbij op te merken dat dumpingen onderling enorm verschillen in aard en omvang. Al deze dumpingen tellen in dezelfde mate mee in bovenstaande cijfers.
In de registratie is niet altijd helder of het gaat om een dumping met chemisch afval afkomstig van synthetische drugsproductie of dat het «regulier» chemisch afval betreft. Om dit sluitend vast te stellen moeten de aangetroffen stoffen bemonsterd en geanalyseerd worden. De capaciteit van de hiervoor noodzakelijke Forensische Opsporing geschiedt onder het gezag van de Officier van Justitie en is beperkt. Daarom maakt de politie doorgaans op basis van de beschikbare informatie, en rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval, een inschatting of het om drugsafval gaat. Dit betekent dat de mate waarin informatie beschikbaar is per dumping varieert.
Omdat deze informatie dus geen compleet beeld van aard, ernst en omvang van drugsdumpingen geeft, is het lastig om objectiveerbare conclusies te trekken.
Hoe wordt er duidelijk zicht gehouden op nieuwe werkwijzen die drugscriminelen hanteren om drugsafval te lozen, zoals meer dumpingen rechtstreeks in natuurgebieden in plaats van in vaten?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u aangeven op hoeveel plekken in Nederland er nog drugsafval ligt dat niet is opgeruimd? Om hoeveel afval gaat het en hoeveel kuub grond is hierdoor vervuild?
Nee. De politie houdt bij hoeveel drugsdumpingen in Nederland plaatsvinden (zie hiervoor mijn antwoord op vraag 10). Het opruimen van het afval is een verantwoordelijkheid van de lokale en regionale overheden, daar heb ik geen zicht op.
Bent u het ermee eens dat afval zo spoedig mogelijk moet worden opgeruimd in het algemeen belang van mens en natuur? Zo nee, waarom niet?
Het is in het belang van mens en natuur dat de risico’s voor mensen en milieu, die kunnen optreden door het dumpen en lozen van drugsafval, zoveel mogelijk worden beperkt. Het is aan het bevoegd gezag om hier op een goede manier invulling aan te geven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk gestart kan worden met de sanering van het Brabants Landschap?
Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 aangegeven is het aan het bevoegd gezag ter plaatse, in dit geval de provincie Noord-Brabant, om de risico’s voor mens en milieu te beoordelen. Door de provincie is aangegeven dat een gedeelte van de put al is gesaneerd door terreineigenaar Brabants Landschap en dat nader onderzoek en overleg plaatsvindt in het kader van de uitvoering van de resterende sanering.
Het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat de directeur-generaal Volksgezondheid (DGV) van het Ministerie van VWS de voorzitter is van het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO)? Klopt het dat het COVID-19-advies van het Outbreak Management Team (OMT) via de directeur van het Centrum Infectieziektenbestrijding (CIb) aan het BAO wordt voorgelegd?
Het klopt dat de Directeur-Generaal Volksgezondheid (DGV), of diens plaatsvervanger in de vorm van de plv. Directeur-Generaal Covid-19 van het Ministerie van VWS (in geval van COVID-19), de voorzitter is van het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO). De directeur CIb licht het OMT-advies in het BAO toe.
Bent u ermee bekend dat de deelnemers in het BAO vanuit het RIVM, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de GGD-GHOR worden betiteld als «vaste BAO leden»? Is hun status in de advisering aan de Minister van VWS anders dan van andere genodigden en bij het onderwerp betrokken lokale bestuurders? Zo ja, waarom is dat het geval? Zo nee, wat is dan de waarde van de titel «vaste BAO leden»?
Het BAO bestaat uit vaste leden op basis van het Instellingsbesluit Bestuurlijk afstemmingsoverleg infectieziektebestrijding, de Directeur-Generaal van Volksgezondheid van het ministerie, of diens plaatsvervanger tevens voorzitter, de directeur van het Centrum infectieziektebestrijding als voorzitter van het OMT, een vertegenwoordiger van de directie Publieke Gezondheid van het ministerie, tevens secretaris. Zij faciliteren het BAO. De andere vaste leden zijn een vertegenwoordiger van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, een vertegenwoordiger van de burgemeesters of wethouders betrokken bij GGD’en, vertegenwoordiger van GGD-GHOR Nederland en een vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Tenslotte een vertegenwoordiger van de bij het onderwerp van de vergadering betrokken lokale bestuurders, in het geval van COVID-19 is dat een vertegenwoordiger van de voorzitters veiligheidsregio’s. Deze vaste leden van het BAO hebben de verantwoordelijkheid om de adviezen van het OMT op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid te beoordelen. Zij zijn namelijk betrokken bij de uitvoering van deze adviezen.
Naast de vaste leden wonen ook vertegenwoordigers van departementen en vertegenwoordigers van afdelingen binnen VWS het BAO bij, zodat zij snel op de hoogte zijn van het advies en een kabinetsreactie kunnen voorbereiden die wordt opgenomen in de brief aan de Kamer.
Bent u ermee bekend dat bij het BAO de volgende algemene beschrijving bestaat voor de overige deelnemers aan het overleg: «een vertegenwoordiger van de Directie Publieke Gezondheid van het ministerie, tevens secretaris, een vertegenwoordiger van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), door de Minister te benoemen vertegenwoordigers van de GHOR-burgemeesters, GGD-Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (GGD-GHOR en VNG), de bij het onderwerp van de vergadering betrokken lokale bestuurders, zij die op uitnodiging van de voorzitter van het BAO de vergaderingen bijwonen»?1
Ja.
Welke criteria worden door de DGV gehanteerd om te bepalen wie er naast de vaste leden bij het BAO uitgenodigd worden? Waar zijn deze criteria te vinden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, kunnen vertegenwoordigers van departementen en vertegenwoordigers van afdelingen binnen VWS het BAO bijwonen, zodat zij snel op de hoogte zijn van het advies en dit ter hand kunnen nemen voor processen die hieruit volgen.
Welke criteria worden door de DGV gehanteerd om te bepalen wie de betrokken lokale bestuurders zijn die bij het BAO uitgenodigd worden? Waar zijn deze criteria te vinden?
Aangezien het in dit geval gaat om een landelijke crisis, zijn er geen specifieke lokale bestuurders betrokken en is daarom een vertegenwoordiger van de voorzitters veiligheidsregio’s uitgenodigd.
Kunt u een lijst overleggen van alle leden van het BAO, precies zoals dit het geval is bij het OMT? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen 2 jaar zijn er zo’n 100 BAO’s geweest over COVID-19. Het op dit moment uitzoeken van alle deelnemers van de BAO’s van de afgelopen 2 jaar heeft geen toegevoegde waarde.
Is de informatie die door de directeur van het CIb aan het BAO wordt voorgelegd dezelfde informatie als die aan de Vaste Kamercommissie voor VWS wordt voorgelegd tijdens technische briefings? Zo nee, waarom niet?
Het BAO wordt gevraagd om het OMT-advies te beoordelen op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid. Zij krijgen daartoe het OMT-advies en de mogelijkheid om aan de voorzitter van het OMT uitleg te vragen over het advies nadat de voorzitter van het OMT het advies in het BAO mondeling heeft toegelicht. Tijdens de technische briefing geeft de directeur van het CIb aan de Vaste Kamercommissie voor VWS uitleg over de epidemiologische situatie, dat is deels andere informatie.
Wat is de werkwijze van het BAO? Is hier net als in het OMT sprake van een stemming over de geadviseerde maatregelen? Zo nee, hoe wordt dan tot besluiten gekomen? Zo ja, mogen alle aanwezigen stemmen en gelden alle stemmen even zwaar? Zo ja, wordt er gewerkt met >50 procent van de stemmen voor om een advies aan de Minister uit te brengen of werkt dit anders?
Bij het BAO wordt niet gestemd, bij het OMT overigens ook niet. De vaste leden van het BAO leveren bouwstenen aan voor het BAO-advies. Onder leiding van de voorzitter van het BAO wordt het advies met de vaste leden geformuleerd en vastgesteld. Door de secretaris van het BAO wordt het advies in de Kamerbrief opgenomen.
Bent u bekend met het interview met de heer Huurman op Weltschmertz van 27 februari 2021, die met de toenmalige NVR (de huidige Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) in 1993 de opzet van een OMT aanbevolen heeft naar aanleiding van de toenmalige polio-uitbraak?2
Ik ben er mee bekend dat het LCI in 1995 is ingesteld naar aanleiding van de evaluatie van de polio uitbraak in 19933 en dat het LCI het eerste OMT heeft georganiseerd.
Bent u ermee bekend dat de heer Huurman het niet notuleren van de eerste drie bijeenkomsten in de polio-epidemie omschrijft als «slecht professioneel handelen»? Deelt u deze visie? Zo nee, waarom niet?3.
In principe is het opstellen van notulen van groot belang. Voor het BAO geldt dat het advies van het BAO zodanig snel na het BAO in de Kamerbrief moet worden opgenomen dat dit advies in de plaats komt van de notulen.
Bent u bekend met de door uw voorganger beschreven werkwijze van het BAO zijnde «aan de hand van persoonlijke aantekeningen van een medewerker wordt een advies opgesteld»? Deelt u de visie dat deze werkwijze kan leiden tot een inadequate verslaglegging en dientengevolge foutieve besluiten? Zo nee, waarom niet?
De voorzitter en secretaris formuleren het advies zorgvuldig op basis van het BAO. Het advies wordt via de brief waarmee het betreffende advies van het OMT aan de Kamer wordt aangeboden, openbaar. Als adviezen onjuist zouden zijn weergegeven, kunnen de leden dat aangeven bij de voorzitter of secretaris.
Waarom worden er geen notulen gemaakt van een BAO? Bent u voornemens in het vervolg wel notulen te maken van een BAO? Zo nee, waarom niet?4
Het advies van het BAO moet zodanig snel na het BAO in de Kamerbrief worden opgenomen dat dit advies als het ware de notulen vervangt.
Kunt u ervoor zorgdragen dat alle BAO-adviezen volgordelijk online te raadplegen zijn, precies zoals het geval is bij de OMT-adviezen? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen 2 jaar zijn er zo’n 100 BAO’s geweest over COVID-19. Alle adviezen zijn opgenomen in Kamerbrieven en daarmee openbaar. Ik zie geen toegevoegde waarde aan het ook op een andere manier toegankelijk maken van deze adviezen.
Klopt het dat u als Minister van VWS op basis van het BAO-advies een besluit neemt over de te nemen maatregelen? Klopt het dat u als Minister van VWS eindverantwoordelijk bent voor de maatregelen en niet het OMT of het BAO? Deelt u de visie dat de herhaaldelijke uitspraak «wij baseren ons op het advies van het OMT» indirect toch dit OMT verantwoordelijk maakt? Zo nee, waarom niet?5 6
Het kabinet neemt een besluit over te nemen maatregelen op basis van diverse adviezen, waaronder die van OMT en BAO. Dat het kabinet aangeeft zich in zijn besluiten te baseren op adviezen betekent niet dat de adviseurs daarmee verantwoordelijk zijn voor het besluit.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Alle vragen zijn beantwoord.
De GGD GHOR en de stichting Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er in Nederland sprake is van een structuur van 25 Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en) die elk op zich aangestuurd worden door een gemeente? En bent u ermee bekent dat deze GGD’en niet direct onder leiding staan van het Ministerie van VWS?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat er een overkoepelende vereniging voor deze 25 GGD’en en Geneeskundige Hulpverleningsorganisaties in de Regio (GHOR) is, de GGD GHOR? En klopt het dat de leden van deze GGD GHOR sinds 2012 de Directeuren Publieke Gezondheid (DPG) zijn, die verantwoordelijk zijn voor de GGD en GHOR in de veiligheidsregio’s?
Ja, ik kan bevestigen dat dit klopt.
Bent u ermee bekend dat de ledenvergadering van de GGD GHOR, het hoogste orgaan van een vereniging, voorgezeten wordt door de voorzitter van GGD GHOR Nederland, in dit geval de heer Rouvoet? En bent u ermee bekend dat deze voorzitter samen met 5 DPG’s het dagelijks bestuur (presidium) van de GGD GHOR vormt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u het proces schetsen voor de benoeming van de voorzitter van de GGD GHOR en aangeven wie uiteindelijk besluit wie dit wordt? Zo nee, waarom niet?
GGD GHOR Nederland is een vereniging waar de 25 Directeuren Publieke Gezondheid lid van zijn. GGD GHOR Nederland is een privaatrechtelijke organisatie (vereniging) waar de rijksoverheid geen lid van is en ook bij niet betrokken is en ook geen verantwoordelijkheid heeft bij de interne besluitvormingsprocessen. De besluitvorming moet voldoen aan de eisen van het geldend recht, in het Burgerlijk Wetboek.
Is de voorzitter van de GGD GHOR bevoegd om namens alle GGD’en te spreken? Dient deze voorzitter haar leden te raadplegen indien er een adviesvraag vanuit het Ministerie van VWS wordt voorgelegd of wanneer er een persbericht wordt uitgebracht? Zo nee, waarom niet?
Dit is een bevoegdheid die aan de betreffende privaatrechtelijke organisatie is, zoals ik heb beschreven in mijn antwoord bij vraag 4.
Kunt u aangeven hoe er een selectie wordt gemaakt uit de 25 DPG’s over wie zitting mag nemen in het presidium van de GGD GHOR?2
Ik ken de interne afspraken en werkwijze daarover niet. Ik wijs u op mijn antwoord bij vraag 4.
Kunt u aangeven hoe de beleidsadviezen van de GGD GHOR uitgerold worden over de 25 GGD’en en de 25 GHOR veiligheidsregio’s? Is elke GGD verplicht zich aan de adviezen / het beleid van de GGD GHOR te houden of mogen zij ook eigen keuzes maken voor hun regio? Is elke GHOR in een veiligheidsregio verplicht zich aan de adviezen / het beleid van de GGD GHOR te houden of mogen zij ook eigen keuzes maken voor hun regio?
Dit ligt in het verlangde van andere vragen die u stelde. Ik wijs u daarom op mijn antwoord bij vraag 4.
Bent u ermee bekend dat er vanuit de GGD GHOR per 1 januari 2022 een stichting Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding is opgericht? Kunt u aangeven wie opdracht heeft gegeven tot deze stichting en wanneer dit was? En kunt u aangeven wie de voorzitter van deze stichting is? Wat is de opdracht van deze nieuwe stichting? Kunt u ook ingaan op de verhouding tussen deze stichting met de GGD GHOR, en de verhouding van deze nieuwe stichting met het Ministerie van VWS? Zo nee, waarom niet?
Ja, hier ben ik bekend mee.
De (toenmalige) Minister van VWS heeft op 5 november 2021 op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid (Wpg) aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s een eenzijdige opdracht (bevel) gegeven, tot het treffen van maatregelen ter bestrijding van de infectieziekte covid-19. De uitvoering van de aan de voorzitters opgedragen maatregelen gebeurt door de GGD’en. De voorzitters van de veiligheidsregio’s moesten op grond van de eenzijdige opdracht de voor die maatregelen noodzakelijke werkzaamheden op landelijk niveau laten uitvoeren door een stichting van GGH GHOR (stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland). GGD GHOR heeft besloten om de stichting Landelijke Coördinatie COVID-19 Bestrijding (LCCB) op te richten en daarin de uitvoering van de bovenbedoelde werkzaamheden op landelijk niveau onder te brengen. Voorzitter van de (Raad van Toezicht van de) stichting LCCB is de heer A. Rouvoet. Ik heb de eenzijdige opdracht aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s inmiddels aangepast waardoor de werkzaamheden op landelijk niveau die gemeenschappelijk zijn voor GGDꞌen in 2022 moeten worden uitgevoerd door de stichting LCCB. De relatie van die stichting met het Ministerie van VWS is louter een financiële. De stichting LCCB krijgt net als de GGD’en op grond van de Wpg, de kosten ter uitvoering van de eenzijdige opdracht aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s, vergoed ten laste van de VWS-begroting.
Kunt u alle bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat kan.
Het rapport 'Israel’s apartheid against Palestinians: Cruel system of domination and crime against humanity' van Amnesty International |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport«Israel’s apartheid against Palestinians: Cruel system of domination and crime against humanity»1 van Amnesty International, dat in navolging van van andere organisaties als Human Rights Watch heeft geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan apartheid, een misdaad tegen de menselijkheid? Wat is uw reactie op het rapport?
Zie de Kamerbrief met de kabinetsappreciatie van het rapport van Amnesty International van 29 april 2022 (met kenmerk 2022Z01929/2022D04225).
Bent u op basis van de door Amnesty International in het rapport gegeven definitie van apartheid van mening dat de Israëlische overheid zich daar schuldig aan maakt? Zo nee, kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat het kabinet doen in het licht van de gerezen consensus omtrent apartheid in Israël en Palestina, en de internationaalrechtelijke verplichting van staten om een dergelijke situatie te (doen) beëindigen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt het kabinet de conclusie van het rapport dat door het gebrek aan doeltreffende maatregelen de internationale gemeenschap heeft bijgedragen aan het ondermijnen van de internationale rechtsorde en Israël heeft aangemoedigd om straffeloos door te gaan met zijn misdaden? Zo ja, is het kabinet bereid over te gaan tot het nemen van wél doeltreffende maatregelen? En wat voor maatregelen heeft het kabinet dan in gedachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt het kabinetsbeleid van het «intensiveren van de relaties» met het Israëlische apartheidsbewind zich met de bewering van Nederland – als land van «vrede en recht» – dat het internationaal opkomt voor mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt het kabinet van de beschuldiging van Israël dat het Amnesty International-rapport «antisemitisch» zou zijn?2 Vindt u deze beschuldigingen gepast? Zo ja, waarom? En wat voor invloed hebben deze beschuldigingen, volgens u, op het bestrijden van daadwerkelijk antisemitisme en een serieuze discussie over mensenrechtenschendingen in Palestina en Israël?
Daar waar het kabinet eerder stelde terughoudend te willen zijn met het gebruik van de term «apartheid», omdat een dergelijke kwalificatie tot op heden niet door een (internationale) rechter is vastgesteld3 , hoe zou een dergelijke uitspraak bij een Nederlandse rechter verkregen kunnen worden, nu er in Nederland zeer terughoudend wordt omgegaan met de universele rechtsmacht voor internationale misdrijven?
Het is niet aan het kabinet om bij de Nederlandse rechter een uitspraak te verkrijgen over dergelijke kwalificaties, of uitspraken te doen hoe een uitspraak verkregen kan worden. Het primaat voor strafrechtelijke vervolging ligt bij het Openbaar Ministerie, en het zou staatsrechtelijk onzuiver zijn als het kabinet hier een actieve rol in zou gaan spelen.
Bent u voornemens om de overige aanbevelingen van Amnesty International over te nemen? Kunt u dit per aanbeveling aangeven en daarbij aangeven waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid een advies te vragen aan de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV), danwel de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), over de vraag hoe Nederland zich dient te verhouden tot de gerezen consensus omtrent apartheid als internationaal misdrijf zoals begaan door Israël, nu Nederland op verschillende niveaus intensieve relaties onderhoudt met het apartheidsbewind? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de antwoorden op bovenstaande vragen meenemen in de kabinetsappreciatie van het rapport van Amnesty International? Zo nee, waarom niet?
Ja, met dien verstande dat een aantal vragen buiten de reikwijdte van de brief zijn gebleven, en daarom separaat zijn beantwoord.
