Het bericht ‘Bouw brandblusinstallatie Waalhaven Zuid op losse schroeven’ |
|
Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw brandblusinstallatie Waalhaven Zuid op losse schroeven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de kosten voor de bouw van de permanente blusvoorzieningen op het emplacement Waalhaven Zuid vier keer zo duur blijken als verwacht en de werkzaamheden hierdoor niet kunnen beginnen?
De forse kostenstijging voor de brandblusvoorzieningen hangt samen met de complexiteit en het bijzondere karakter van dit project. ProRail heeft aangegeven tijd nodig te hebben om de huidige scope, raming, planning en risico’s verder inzichtelijk te maken en te onderbouwen en is daarbij mede afhankelijk van goedkeuring door het bevoegd gezag van de door ProRail voorgestelde maatregelen. Aan de hand van deze verdere uitwerking stelt ProRail een nadere onderbouwing van de uiteindelijke kosten op ten behoeve van het verklaren van het tekort. Daarnaast heb ik ProRail gevraagd de raming extern te laten toetsen en de scope en planning nader in beeld te brengen. Zodra er een stabiel beeld is kan ik overgaan tot besluitvorming over het tekort.
Kunt u toelichten waarom de kosten van deze werkzaamheden zo veel hoger zijn uitgevallen en hoe het tekort van 63 miljoen euro bij ProRail is ontstaan?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u in beeld waarom het tekort van 63 miljoen euro bij ProRail nu pas duidelijk is geworden? Zo ja, waarom is dit niet eerder gecommuniceerd? Zo nee, waarom niet?
Op 24 december 2021 is door ProRail met mijn ministerie gedeeld dat een forse tegenvaller verwacht kon worden op basis van een eerste analyse van nieuwe ramingen. Als uitvoerder van dit project is het de taak van ProRail om het ministerie hier op te attenderen. Begin dit jaar zijn de ramingen verder geanalyseerd en heeft ProRail een tekort van circa 63 miljoen moeten vaststellen. Dit is toen ook met het bevoegd gezag gedeeld maar niet verder gecommuniceerd, omdat ProRail nog bezig was en is om de uiteindelijke omvang van het tekort te bepalen en te laten toetsen. Naast de onderbouwing van de huidige raming heb ik ProRail gevraagd in kaart te brengen wat de gevolgen zijn als het emplacement Waalhaven Zuid per 1 januari 2023 moet sluiten.
Is het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op de hoogte geweest van het tekort bij ProRail? Zo ja, waarom heeft het ministerie ProRail niet tijdig geattendeerd op het tekort en de mogelijke gevolgen van dit probleem?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ook van mening dat, gezien de resultaten van het onafhankelijke onderzoek van bureau Crisislab naar de knel- en verbeterpunten bij ProRail, de spoorwegbeheerder al minimaal anderhalf jaar eerder actie had kunnen ondernemen met het op orde brengen van de blusvoorzieningen voor het goederenvervoer?
ProRail is sinds de oplevering van het Crisislab-onderzoek in 2020 aan de slag om de brandblusvoorzieningen conform de omgevingsvergunning op orde te brengen. De voorbereidingen blijken echter complex, onder andere omdat ProRail bij de aanleg van voorzieningen afhankelijk is van de medewerking van diverse derde partijen. In de tussentijd heeft ProRail in overleg met bevoegd gezag onder andere een nieuwe en tijdelijke voorziening in de vorm van een blustrein in gebruik genomen, waarmee het rangeren van gevaarlijke stoffen gecontinueerd kan worden.
Bent u het ermee eens dat alles in het werk gesteld moet worden om de einddatum van 1 januari 2023 voor het afronden van de werkzaamheden op Waalhaven Zuid te halen? Welke inspanningen gaat u daarvoor verrichten?
Dat ben ik met u eens. De inspanningen van alle betrokken partijen zijn erop gericht om op 1 januari 2023 aan de eisen in de omgevingsvergunning van Rotterdam te voldoen. De voortgang wordt onder andere besproken in regulier bestuurlijk overleg tussen ProRail, de gemeente Rotterdam, de omgevingsdienst, de veiligheidsregio, het havenbedrijf Rotterdam en het ministerie.
Heeft u in beeld welke logistieke oplossingen er klaarliggen bij het wederom moeten sluiten van Waalhaven Zuid?
ProRail zal al het mogelijke in het werk stellen om het goederenvervoer op het spoor zo goed als mogelijk af te wikkelen, maar de mogelijkheden daarvoor zijn beperkt wanneer Waalhaven Zuid gesloten zou worden voor het rangeren met gevaarlijke stoffen. Dit wordt onder andere belemmerd omdat emplacement Kijfhoek vanaf 2023 voor langere tijd minder capaciteit heeft vanwege een grootschalige renovatie. Het voorkomen van dit scenario is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen. Daartoe vindt intensief bestuurlijk overleg plaats.
Heeft u in beeld of er meer werkzaamheden met betrekking tot spoorinfrastructuur en blusvoorzieningen voor het goederenvervoer onder druk staan als gevolg van hogere kosten?
ProRail legt op vijf emplacementen in de Rotterdamse haven brandblusvoorzieningen aan, namelijk op Waalhaven Zuid en op vier andere emplacementen. Deze vormen samen één project. De kostenoverschrijding betreft dit totale project. Daarnaast zullen de komende jaren op meer plaatsen aanpassingen op emplacementen moeten worden uitgevoerd. In het landelijk emplacementenproject zijn met regionale partijen afspraken gemaakt over uniforme veiligheidspakketten. Ik heb geen signalen dat deze werkzaamheden onder druk staan door hogere kosten.
In de brief over de financiële situatie met betrekking tot instandhouding en ontwikkeling van de Rijksinfrastructuur2 heeft mijn voorganger uw Kamer tevens gemeld dat onder andere voor de aanpak van de onderhoudsachterstanden in de haven in 2022 extra financiële middelen noodzakelijk zijn, waarover aan uw Kamer in de Voorjaarsnota een concreet voorstel wordt opgenomen. In het kader van het verbeterprogramma Zee-Zevenaar3 blijven IenW en ProRail met elkaar in gesprek over de inzichten in de kosten(ontwikkeling) van de benodigde maatregelen voor het aanpakken van de onderhoudsachterstanden in de haven in 2023 en latere jaren.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Ik heb geprobeerd uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De podcast 'Gaat de wetenschap ten onder aan open science?' |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de podcast «Gaat de wetenschap ten onder aan open science?»1 van dr Kelder en Co op 19 februari 2022, waarin Hans Clevers zijn zorgen uit over het wetenschappelijk klimaat in Nederland doordat de invulling van het concept «open science» nauw verbonden is met het programma «Erkennen en Waarderen», dat volgens hem onze internationale positie zal schaden, of al schaadt? Hoe beoordeelt u deze uitspraak? Deelt u deze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Open science en de modernisering van het systeem van erkennen en waarderen hebben zeker een relatie. Ze versterken elkaar. Naast het streven naar meer transparantie en openheid over vergaarde kennis heeft open science ook tot doel wetenschap en samenleving dichter bij elkaar te brengen.2 Dit in het streven naar een hogere maatschappelijke waarde van wetenschap en het versterken van het publieke vertrouwen in de wetenschap. Succes op dit terrein is niet gemakkelijk terug te voeren naar traditionele wetenschappelijke output zoals publicaties, maar heeft wel een grote doorwerking kunnen hebben in de samenleving en de wetenschap.
De zorg dat de bewegingen van open science en erkennen en waarderen de internationale positie zullen schaden deel ik niet. Ik constateer dat de tot nu toe gezette stappen de Nederlandse wetenschap juist internationaal beter positioneren.
Bent u daarnaast bekend met de artikelen «Nieuwe Erkennen en waarderen schaadt Nederlandse wetenschap»2 en «Bedreigingen voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in Nederland brengen onze toekomstige welvaart in gevaar»3, waarin door academici wordt gewaarschuwd dat beleid gerelateerd aan «Erkennen en waarderen» leidt tot meer willekeur en minder kwaliteit en dat dit beleid grote gevolgen zal hebben voor de internationale erkenning en waardering van Nederlandse wetenschappers? Hoe beoordeelt u deze constatering?
Ja. Daar ben ik mee bekend.
Ik kan mij goed vinden in de gezamenlijke position paper van de kennisinstellingen en wetenschapsfinanciers.5 Daarin wordt terecht geconstateerd dat de huidige wijze waarop academici worden erkend en gewaardeerd onvoldoende in balans is met het takenpakket. Het landelijk programma Erkennen en Waarderen brengt daar een welkome modernisering in aan. Het is een cultuur- en systeemverandering die meer ruimte moet bieden aan de pluriformiteit van taken van academici.
Het is niet het geval dat het herzien van deze systematiek gepaard gaat met meer willekeur. Door aandacht te hebben voor de specifieke context en ruimte te laten voor leden van een team om hun eigen bijdrage te leveren aan een gezamenlijk doel, biedt dit systeem juist meer ruimte voor de vele dimensies van kwaliteit – in de brede zin van het academisch werk.
Zoals bij elke transitie is het denkbaar dat een verandering in de wijze waarop in Nederland academici beoordeeld worden gevolgen kan hebben voor individuele wetenschappers in het internationale veld. Voor de wetenschap als geheel heb ik daar echter op dit moment nog geen signalen van ontvangen. Het blijft bij deze transitie wel belangrijk om zowel nationaal als internationaal de vinger aan de pols te houden. Dat zal ik doen door jaarlijks aan uw Kamer te rapporteren over de voortgang van het landelijk programma Erkennen en Waarderen. Dit programma wordt gedragen door UNL, NWO, KNAW, NFU en ZonMw en heeft als doel ruimte voor ieders talent aan de academie te realiseren, oftewel, het nieuwe erkennen en waarderen. Het programma heeft een looptijd van vijf jaar (2022–2026) en daarbij zal periodiek een «cultuurbarometer» worden uitgevoerd naar de bekendheid van erkennen en waarderen en de uitwerking ervan.
Bent u daarnaast bekend met het artikel «Heroriëntatie NWO-Talentcompetities bedreigt toekomst Nederlandse wetenschap»4 van 2 februari 2022, waarin 95 jonge wetenschappers hun zorgen uiten over de impact van «Erkennen en Waarderen» bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO)? Deelt u deze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik ben recent ook in gesprek gegaan met enkele van de briefschrijvers over dit onderwerp. NWO is zich, in samenspraak met een groot aantal belanghebbenden, aan het bezinnen op de Talentcompetitie. Dat is een zorgvuldig proces waar ik veel vertrouwen in heb. NWO heeft binnen het programma Erkennen en Waarderen als onderzoeksfinancier overigens een andere functie dan bijvoorbeeld een universiteit als werkgever. NWO is zich hier terdege van bewust enzal voorstellen altijd blijven beoordelen op basis van de kwaliteit van het onderzoek, die van de onderzoeker(s) en van de verwachte wetenschappelijke en/of maatschappelijke impact van dat onderzoek.
Ervan uitgaand dat u eveneens wilt dat Nederland een internationale toppositie in de wetenschap houdt, kunt u aangeven wat volgens u het effect van het programma «Erkennen en Waarderen» op die positie is?
Zie mijn antwoorden bij vraag 1 en 2.
Deelt u de mening dat open science als begrip – het beter en transparant beschikbaar stellen van met publiek geld vergaarde kennis – niet per se hoeft samen te gaan met alle aspecten van het programma «Erkennen en Waarderen», dus dat die twee los van elkaar kunnen staan? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord bij vraag 1.
Kunt u bevestigen dat NWO in het kader van deze nieuwe manier van evalueren bij publicaties het journal en zijn impactfactor niet meer meetelt en dat ook andere delen van het curriculum vitae (hierna: cv) sterk zijn ingekort? Kunt u ook bevestigen dat bij de NWO Open Competitie van de Exacte en Natuurwetenschappen het cv helemaal niet meer meetelt? Zo ja, bent u het hiermee eens?
NWO gaat zelf over de criteria die worden gehanteerd bij de beoordeling. NWO heeft inderdaad het besluit genomen om de Journal Impact Factor (JIF) en Hirsch-index (h-index) niet langer te gebruiken voor de beoordeling van individuen. Dit omdat het problematische indicatoren zijn voor individuele onderzoeksprestaties. NWO staat niet langer toe dat aanvragers een complete publicatielijst en een volledig overzicht van activiteiten opgeven, maar vraagt hen om een selectie te maken van de meest relevante outputs (breder dan enkel publicaties) en activiteiten in het kader van de aanvraag. Het is daarbij nog altijd mogelijk om relevante kwalitatieve en/of kwantitatieve indicatoren op te nemen, waarmee de kwaliteit van het voorstel en de ervaring van de onderzoeker kunnen worden onderbouwd. Deze aanpassingen zijn verwerkt in het zogenaamde narratief cv en zijn in lijn met de werkwijze van een aantal andere onderzoeksfinanciers in Europa en daarbuiten.7
Ik kan bevestigen dat bij het specifieke instrument waaraan u refereert, namelijk de kleine projecten (50.000 euro) in de Open Competitie van Exacte en Natuurwetenschappen, het curriculum vitae van de indiener niet wordt meegenomen. Dit is een bijzonder geval en heeft te maken met het specifieke doel van dit instrument.8 NWO wil hiermee risicovolle projecten financieren waarvoor binnen de bestaande instrumenten geen ruimte is. Deze voorstellen worden anoniem behandeld om ze louter te laten beoordelen op basis van het onderzoeksidee. Kwaliteit en originaliteit krijgen daarmee meer aandacht.
Acht u het mogelijk dat de aanvraagdruk en publicatiedruk, die het programma «Erkennen en Waarderen» beoogt weg te nemen, ook verminderd kan worden door 1) inzet van de nieuwe middelen voor onderzoeken, door 2) inzet van andere indicatoren aanvullend op de metrische, in plaats van metrische indicatoren af te schaffen? Zo ja, bent u van plan hierop in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Het hoofddoel van het landelijk programma is niet het wegnemen van aanvraagdruk en publicatiedruk. Het gaat hier om een flankerende transitie die dient om kennisinstellingen te stimuleren om de diverse taken van academici te erkennen.
De transitie in erkennen en waarderen heeft niet tot doel «metrische» indicatoren af te schaffen. De transitie geeft onderzoeksfinanciers en instellingen de ruimte om wetenschappers breder te beoordelen dan uitsluitend op basis van «metrische» indicatoren. Dit is tevens in lijn met het Strategisch Evaluatie Protocol9 voor wetenschappelijk onderzoek waarin het gebruik van betekenisvolle indicatoren (kwalitatief en kwantitatief) wordt gestimuleerd.
Deelt u de mening dat het voor academici geen zin meer heeft een mooi cv, inclusief internationale criteria, op te bouwen, als wat op dat cv staat niet of veel minder meegewogen mag worden bij aanvragen? Zo ja, wat bent u van plan hieraan te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord bij vraag 6.
Hoe wilt u het aanmoedigen van excellentie vormgeven binnen een dergelijk stelsel?
Een uitmuntende kwaliteit van kennis blijft ook in het nieuwe erkennen en waarderen het uitgangspunt. Door oog te hebben voor de volledige breedte van het academisch werk kunnen talenten op waarde worden geschat en is er ruimte om ook de prestaties op domeinen zoals onderwijs, impact en leiderschap te belonen. Deze diversificatie schept de mogelijkheid om een veelheid van talenten op waarde te schatten, waarbij ook oog voor teamprestaties mogelijk is.
Kunt u aangeven welke landen aantoonbaar volgens dezelfde systematiek als «Erkennen en Waarderen» werken?
Zowel in het huidige systeem als in de toekomstige manier van erkennen en waarderen zijn er geen twee landen in de wereld die met aantoonbaar dezelfde systematiek werken. Nederland is uniek met de landelijke aanpak en bijbehorende programmastructuur, maar ook in andere landen worden vergelijkbare stappen gezet. Meerdere internationale onderzoeksfinanciers passen momenteel hun procedures aan en steeds meer instellingen en individuen ondertekenen de San Francisco Declaration on Research Assesment (DORA)10. Zij steunen het uitgangspunt om onderzoek te beoordelen op inhoud en niet op afgeleide indicatoren.
Op internationaal niveau zijn er meerdere initiatieven waarbinnen afstemming rond de thema’s van open science en erkennen en waarderen plaatsvindt. De bereidheid om hier aan deel te nemen is hoog.11 Eerder noemde ik al de acties die lopen binnen de Europese Onderzoeksruimte. Daarnaast werken de Europese koepels Science Europe en de European Association of Universities met steun van de Europese Commissie12 aan een initiatief om de beoordeling van onderzoek en onderzoekers af te stemmen. Ruim 250 organisaties uit 30 landen hebben zich bij dit initiatief aangesloten. Het uitgangspunt van deze research assesment working group, evenals dat van initiatieven in Noorwegen, Finland en Latijns Amerika, is steevast dat verandering nodig is, omdat bij beoordeling momenteel minder geschikte en beperkte methoden en criteria gebruikt worden om de kwaliteit, prestaties en impact van onderzoek en onderzoekers te beoordelen. Ook in de recent aangenomen UNESCO «Recommendation on Open Science» wordt opgeroepen de twee doelen van open science en erkennen en waarderen met elkaar in lijn te brengen.13 Het Nederlandse onderzoeksveld is goed vertegenwoordigd bij deze initiatieven en daar ben ik trots op.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat deze zorgen nu al geruime tijd leven bij wetenschappers? Bent u als stelselverantwoordelijke bereid deze zorgen serieus te nemen en in gesprek te gaan met voor- en tegenstanders van «open science», de «San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA)» en «Erkennen en Waarderen»? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de uitkomsten van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de zorgen die leven. Tegelijkertijd zie ik veel academici die hoop putten uit deze cultuurverandering. Het is van het grootste belang dat academici gehoord worden, met elkaar spreken over erkennen en waarderen en dat zij zelf invloed hebben op deze cultuurverandering. Daarom worden door het hele land – bij alle betrokken universiteiten, onderzoeksinstituten en onderzoeksfinanciers -bijeenkomsten georganiseerd. Ook op landelijk niveau is er ruimte voor dialoog. Bijvoorbeeld bij het recent georganiseerde Recognition & Rewards Festival14 en bij bijeenkomsten die de KNAW binnenkort organiseert. Zorgen die tijdens zulke bijeenkomsten geuit worden door wetenschappers worden serieus genomen en meegewogen bij de implementatie. Zelf ben ik al in gesprek met wetenschappers over erkennen & waarderen. Dit doe ik bijvoorbeeld tijdens mijn vele werkbezoeken.
Het bericht 'Geen open wetenschap over de rug van werknemers' |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Geen open wetenschap over de rug van werknemers»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat universiteiten open acces (willen) verplichten voor vrijwel alle publicaties? Dus niet alleen «korte werken van wetenschap» maar ook lange artikelen, boeken en vakpublicaties?
Bij de beantwoording van deze set aan Kamervragen is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de bredere transitie richting open science (en daarmee open access) en de toepassing van artikel 25fa van de Auteurswet (Aw), waarnaar de auteur van het artikel, hoogleraar belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, in het FD verwijst. Artikel 25fa Aw is slechts één van de mogelijke routes naar open access.
De transitie naar open science is al jaren breed gedragen kabinetsbeleid. Zowel in het Coalitieakkoord van 2017 als dat van 2021 is opgenomen dat open science de norm wordt in wetenschappelijk onderzoek. Bovendien is open science een speerpunt van de Europese Commissie en vorig jaar wereldwijd omarmd in de Open Science Recommendation van UNESCO. Verder past Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) de principes uit het Europese Plan S voor versnelling naar open access sinds 1 januari 2021 toe op al het door NWO gefinancierde wetenschappelijk onderzoek. Dit houdt in dat NWO sinds 1 januari 2021 een open access publicatie (zonder embargotermijn) als subsidievoorwaarde hanteert.
In de regel geldt de open access-norm voor alle soorten wetenschappelijke publicaties die met publieke middelen tot stand zijn gekomen. Universiteiten vertalen de open access-norm in hun beleid. Zij stimuleren hun medewerkers om zoveel mogelijk in open access te publiceren. Artikel 25fa Aw bepaalt dat de maker van een kort werk van wetenschap onder bepaalde voorwaarden het recht heeft om dat werk gratis beschikbaar te stellen voor het publiek. Het aan het kort werk van wetenschap ten grondslag liggende onderzoek moet geheel of gedeeltelijk bekostigd zijn met Nederlandse publieke middelen, er moet een redelijke termijn zijn verlopen na de eerste publicatie en de bron van de eerste openbaarmaking moet bij de beschikbaarstelling worden vermeld. Artikel 25fa Aw verleent makers van een kort werk van wetenschap dus een bevoegdheid. Universiteiten vragen makers van die bevoegdheid gebruik te maken.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat universiteiten open access verplichten voor werken die weliswaar geschreven zijn door een wetenschapper verbonden aan die instelling, maar buiten hun aanstelling?
Het klopt dat universiteiten in het kader van hun open accessbeleid aan hun werknemers verzoeken om ook artikelen die zijn geschreven buiten hun aanstelling aan te melden voor de open access-regeling. Universiteiten zijn bij het open access publiceren ook behulpzaam. Er is echter geen sprake van een verplichting voor werknemers om hieraan mee te werken.
Indien uw antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, deelt u de mening dat – zonder af te doen aan het feit dat wij brede toegang tot publiek gefinancierde wetenschap nastreven-, deze praktijk onwenselijk is wegens strijd met artikel 25fa van de Auteurswet, dat slechts van toepassing is op een «kort werk van wetenschap»?
Zoals ik bij de beantwoording van de eerste vraag al schreef, gaat open access over meer dan alleen artikel 25fa Aw. Universiteiten maken open access publiceren voornamelijk via andere routes mogelijk, waardoor open access publicatie in bijna alle wetenschappelijke tijdschriften al mogelijk is. Zo is er in deze routes momenteel een onderscheid te maken in hybride (individuele artikelen die open access worden gepubliceerd binnen tijdschriften met het abonnementenmodel), goud (direct gratis toegankelijk op platform van de uitgever, publicatiekosten voor auteur), en diamond (direct gratis toegankelijk op platform van de uitgever, publicatiekosten voor consortium van instellingen). Wanneer er met uitgevers al een andere route tot open access afgesproken is (dat is in veel gevallen al zo), dan hoeft een wetenschappelijk auteur geen beroep te doen op artikel 25fa Aw. In die zin hebben de uitgevers in de zoektocht naar een coronavaccin een mooi voorbeeld gegeven door in die crisisperiode vrijelijk en direct (zonder embargo) artikelen en data met elkaar te delen beschikbaar te maken.
Artikel 25fa Aw geeft makers de bevoegdheid om een kort werk van wetenschap onder bepaalde, bij de beantwoording van de eerste vraag aangegeven voorwaarden in open access te publiceren. Het artikel verplicht makers niet om daarvan ook gebruik te maken. Het staat universiteiten vrij om aan makers van werken te vragen om die werken gratis online beschikbaar te stellen voor het publiek. Hierbij moet wel worden bedacht dat als de desbetreffende makers daartoe niet bevoegd zijn uit hoofde van artikel 25fa Aw, zij mogelijk niet of niet meer over deze rechten beschikken. Verder kan het zo zijn dat makers om hen moverende redenen niet willen dat al hun werken gratis online beschikbaar worden gesteld voor het publiek. Het is in dat geval dan niet mogelijk om deze werken toch open access te publiceren.
Deelt u de zorgen dat auteurs en gespecialiseerde tijdschriften benadeeld worden met deze extensievere uitleg en toepassing van de Auteurswet?
Ik begrijp uit het artikel dat sommige uitgevers en wetenschappelijke auteurs zorgen hebben over de wijze waarop de transitie naar open science wordt doorgevoerd. Dit betreft veelal kleinere en gespecialiseerdere tijdschriften. De koepelorganisatie Universiteiten van Nederland (UNL) is momenteel al met de Mediafederatie in gesprek over de wijze waarop de transitie naar open science wordt doorgevoerd bij deze kleinere tijdschriften. De uitgevers en wetenschappelijke auteurs kunnen uiteraard in die gesprekken hun zorgen en standpunten delen, waarna er samen naar oplossingen zal worden toegewerkt.
Is het juist dat universiteiten hebben beloofd dat zij kosten van eventuele rechtszaken voor hun rekening nemen wegens open access-publicaties? Zo ja, op basis van welke wettelijke grondslag kunnen universiteiten zulke beloften doen en acht u het wenselijk dat universiteiten publieke middelen gebruiken voor het voeren van dergelijke rechtszaken?
Van UNL heb ik inderdaad begrepen dat zij de kosten van eventuele rechtszaken naar aanleiding van artikel 25fa Aw voor hun rekening nemen. Dit doen zij vanuit goed werkgeverschap. De universiteiten ondersteunen auteurs die daar behoefte aan hebben om het algemeen geformuleerde wetsartikel in de praktijk toe te passen. Daar hoort ook een juridisch vangnet bij, zodat een eventueel geschil bij het uitvoeren van dit artikel niet geheel ten laste komt van de onderzoeker. Laat ik vooropstellen dat ik vind dat rechtszaken zoveel mogelijk vermeden moeten worden en dat dit tot op heden is gelukt. Het heeft mijn voorkeur dat partijen er in onderling overleg uitkomen, maar mocht het onverhoopt toch tot een rechtszaak komen, dan vind ik het positief dat universiteiten in hun hoedanigheid van werkgever hun onderzoekers ondersteunen. Hierbij is wel van belang dat wetenschappelijke auteurs vrij moeten zijn om van artikel 25fa Aw, wel of geen gebruik te maken, indachtig de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van die bepaling zijn verbonden.
Wat is uw reactie op de stelling van de auteur van genoemd artikel dat het generiek gehanteerde model voor Open Access, zoals een publicatietermijn van zes maanden, niet geschikt is voor alle vakgebieden, zoals bijvoorbeeld de rechtswetenschap?
In principe is er geen generiek gehanteerd model voor open access, omdat er in de transitie naar open access meerdere wegen worden behandeld, zoals benoemd onder vraag vier. De omslag die sommige vakgebieden, zoals de rechtswetenschap, nog moeten maken, heeft ook speciale aandacht in het Ambitiedocument 2030 dat binnenkort door het Nationaal Programma Open Science (NPOS) wordt gepubliceerd. Daarbij is het uitgangspunt wel, zoals ik eerder benoemde, dat open access de norm wordt voor alle publiek gefinancierde wetenschappelijke publicaties in alle disciplines, al dan niet via verschillende routes.
Bent u het eens met de stelling van de auteur dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van universiteiten, de rijksoverheid, uitgevers en medewerkers/auteurs om tot oplossingen te komen in de toepassing van het Open Access-beleid? Zo ja, hoe wilt u invulling geven aan deze verantwoordelijkheid?
De Minister van OCW en de Minister voor Rechtsbescherming onderschrijven de stelling dat de transitie een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de overheid, universiteiten, uitgevers en auteurs. De Minister van OCW, die voor het wetenschappelijk beleid eerstverantwoordelijk is, blijft hierover regelmatig in gesprek met betrokken organisaties en stakeholders. Daarbij wordt rekening gehouden met elkaars belangen en ruimte voor maatwerk. De transitie, die al meerdere jaren loopt, wordt zorgvuldig en met aandacht gemaakt. De uitvoering van de transitie ligt in principe bij de organisaties in het veld, in nauw contact met het Ministerie van OCW.
Een recent uitgevoerde evaluatie van de Wet auteurscontractrecht heeft aan het licht gebracht dat er geen aanleiding bestaat om artikel 25fa van de Auteurswet aan te passen. Wij onderschrijven het evaluatierapport op dit punt.
Hoe gaat u toezien op de regie in de uitleg en toepassing van artikel 25fa van de Auteurswet, conform de tekst, toelichting en de interpretatie van het wetsartikel zoals is uitgesproken door de Kamer ten tijde van het aannemen ervan?
Zoals hiervoor aangegeven overlegt de Minister van OCW als primair beleidsverantwoordelijk Minister voor het open access beleid regelmatig met de betrokken partijen, waaronder wetenschappelijke auteurs. Bij die overleggen zullen de zorgen zoals geuit door de hoogleraar betrokken worden. Ook de UNL is op reguliere basis met de uitgevers en wetenschappelijke auteurs in gesprek over open access.
Het bericht 'Chaos in jeugdzorg is een goudmijn voor adviesbureaus' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Chaos in jeugdzorg is een goudmijn voor adviesbureaus»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het algehele beeld dat wordt geschetst in het artikel over het exorbitante gebruik van commerciële adviesbureaus door de overheid? Kunt u uitleggen waarom er zoveel gebruik wordt gemaakt van commerciële adviesbureaus, externe adviseurs en externe voorzitters? Waarom zijn zij nodig?
Het baart mij ook zorgen dat de overheid veel adviesbureaus inhuurt op het terrein van jeugdzorg. Het aantal vestigingen van jeugdzorgadviesbureaus verdubbelde sinds 2013, zo wordt in het Ftm-arikel geconstateerd. Dat komt doordat er een verbeterslag in de jeugdzorg nodig is (de transformatie) en het jeugdzorgstelsel gebreken kent. Om de jeugdzorg te verbeteren en het stelsel toekomstbestendig te maken, zijn we de voorbereiding van de Hervormingsagenda Jeugd gestart. Zie ter toelichting het antwoord op vraag 14.
Anderzijds is extern onderzoek een belangrijke basis voor goed beleid. Goed en objectief onderzoek (feiten, inzicht en analyse) is nodig om beter inzicht te krijgen in de werking van het stelsel en de onderbouwing van de gewenste veranderingen van het stelsel. Extern onderzoek vindt overigens ook op verzoek van de Tweede Kamer plaats of naar aanleiding van Kamerdebatten.
Gemeenten laten zich om verschillende redenen ondersteunen door externe bureaus, bijvoorbeeld doordat de benodigde expertise ontbreekt, het tijd kost expertise op te bouwen, er sprake is van tijdelijke vacatures of van piekbelasting. Zie verder de antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 over de verlening van onderzoeks- en adviesopdrachten door VWS.
Zijn er richtlijnen over tarieven voor dergelijke rapporten? Wordt er bijvoorbeeld gewerkt met maximum uurtarieven voor externe adviseurs en voorzitters? Zo nee, bent u bereid om hier landelijke afspraken over te maken?
Bij de verlening van onderzoeks- en adviesopdrachten zijn zowel het Rijk als gemeenten gebonden aan aanbestedingsregels om tot een zo goed mogelijk product of dienst tegen een aanvaardbare prijs te komen. Bij het Rijk worden bij een opdrachtverlening tot bijvoorbeeld extern onderzoek resultaatsafspraken gemaakt o.b.v. bestaande raamovereenkomsten die middels een Europese aanbestedingsprocedure tot stand zijn gekomen. Bij het verlenen van subsidies is de Kaderregeling Subsidies OCW, SZW en VWS van toepassing. In het kader van die subsidieregeling wordt altijd getoetst op het uurtarief, waarbij de Handleiding Overheidstarieven (HOT) wordt gebruikt.
Voor de vergoeding van voorzitters en commissieleden van adviescommissies zijn de daarbij horende gepubliceerde instellingsbesluiten van toepassing, waarbij een maximale vergoeding conform CAO Rijk is vastgelegd.
Gemeenten hanteren bij het verlenen van onderzoeks- en adviesopdrachten vergelijkbare richtlijnen als het Rijk. Gemeenten kunnen bij PIANOo – het Expertisecentrum Aanbesteden van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat – terecht voor informatie, advies, instrumenten en praktische tips bij het inkopen en aanbesteden van werken, leveringen en diensten in de publieke sector.
Vindt u de enorme bedragen juiste en efficiënte bestedingen van jeugdzorggeld, aangezien het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) sinds 2019 mede-opdrachtgever is geweest van 45 rapporten over de jeugdzorg bij commerciële adviesbureaus voor een totaalbedrag van 4,5 miljoen euro, en aangezien er in 2021 in ieder geval twaalf landelijke initiatieven van commerciële adviseurs, adviesbureaus of externe voorzitters, die de jeugdzorg moesten verbeteren, door de overheid gefinancierd werden en aangezien die programma’s tot nu toe in totaal 83 miljoen euro hebben gekost? Zo ja, kunt u dat toelichten? Bent u het ermee eens dat het wrang is om over dit soort bedragen te lezen in tijden van grote tekorten én een aanstaande bezuiniging op de jeugdzorg?
Vanuit VWS vindt aanbesteding van onderzoek op het gebied van jeugdzorg langs 3 sporen plaats:
Naast extern onderzoek zijn de afgelopen jaren diverse programma’s gestart – samen met gemeenten, aanbieders, professionals en cliënten – die zich richten op implementatie van beleid, verbetering van de uitvoering, professionalisering, innovaties en het stimuleren van «lerende» werkwijzen om de jeugdzorg te verbeteren. Met de «landelijke initiatieven» in het Ftm-artikel wordt onder meer gedoeld op de volgende meerjarige programma’s:
Kunt u zeggen wat er gebeurd is met de 45 rapporten waarvan het Ministerie van VWS mede-opdrachtgever was? Is er vervolg aan gegeven? Zijn aanbevelingen hieruit bijvoorbeeld opgevolgd? Hebben deze rapporten de jeugdzorg concreet verbeterd?
Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van VWS voor jeugdhulp en/of op verzoek van de Tweede Kamer wordt onderzoek uitgezet, met als doel een beter inzicht in de werking van het jeugdhulpstelsel. Recente voorbeelden zijn:
Daarnaast vinden – in overleg met VNG, VGN, JZNL, NIP en JenV – zogenoemde «nadere onderzoeken in het kader van de beleidsinformatie jeugd» plaats. Deze veelal kleinschalige onderzoeken worden uitgezet naar aanleiding van verschillen in jeugdhulpgebruik tussen regio’s, gemeenten en aanbieders. Voorbeelden zijn: Regionale verschillen in pleegzorggebruik (2019), Afbakening Jeugdhulpplicht (2019), Duur jeugdhulptrajecten (2020), Voorlopige ondertoezichtstellingen (2020) en Nader onderzoek betrouwbaarheid registratie beleidsinformatie jeugd door toenemend hoofd- en onderaannemerschap (2020) en Ontwikkeling jeugdhulp in wijkteams. Een uitkomst van het laatste onderzoek is onder meer dat professionals in wijkteams aangeven dat veel jeugdhulpproblematiek eigenlijk ouderproblematiek betreft. Dus is een nieuw nader onderzoek geïnitieerd naar de relatie tussen jeugdhulpgebruik en gescheiden ouders dan wel ouders onder behandeling van gespecialiseerde ggz. De Kamer is en wordt over de uitkomsten van deze in opdracht van VWS verrichte onderzoeken en de follow-up die daaraan is gegeven geïnformeerd via de halfjaarlijkse voortgangsbrieven jeugd (juni en november).
Om het jeugdzorgstelsel te verbeteren is er volgens het Follow the Money-artikel onder andere gebruik gemaakt van zo’n 40 «regio-ambassadeurs», vijf «ontwikkelaars», vier «ambassadeurs», 91 «platformdeelnemers», negen «regio-adviseurs», een «kwartiermaker» met eigen projectteam, 250 «aandeelhouders» in elf «inspiratieregio’s», 165 hervormingstafel- en 14 «arbeidsmarkttafelleden»; wat heeft dit opgeleverd? Is hierdoor de zorg aan jongeren concreet verbeterd? Is er meer passende hulp bijgekomen? Kunt u concreet aangeven wat de opbrengsten zijn van deze overleggen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Uit deze initiatieven om het jeugdzorgstelsel te verbeteren volgden volgens het artikel in Follow the Money onder meer de volgende producten: «podcasts, schrapsessies, toolboxen, werkboeken, actieplannen, regionale ontwikkelagenda’s, handreikingen, een leerexpeditie, koersdocumenten, dialoogsessies, workshops, proeftuinen, paarse lijnen, gouden regels en kwaliteitskaders»; wat heeft dit opgeleverd? Is hierdoor de zorg aan jongeren concreet verbeterd? Is er meer passende hulp bijgekomen? Hoe kijkt u, met de kennis van nu, aan tegen al deze overleggen en vergaderingen? Zijn er zaken die u voor de komende jaren anders wenst te zien?
Met het programma Zorg voor de Jeugd hebben gemeenten, aanbieders, professionals, cliëntenorganisaties en het Rijk zich ingezet voor merkbaar betere jeugdhulp. Met de voortgangsrapportage van 17 juni 2021 (TK 31 839, nr. 784) en de slotrapportage van 22 november 2021 (TK 31 839 nr. 812) is de Kamer geïnformeerd over de resultaten van het programma.
Wat is de verhouding tussen het deel van het overheidsgeld dat wordt besteed aan daadwerkelijke concrete hulp aan jongeren en het deel dat wordt besteed aan advies hierover?
Zie het antwoord op vraag 9.
In 2019 berekende Berenschot2 dat 29% van de totale middelen voor de jeugdzorg werd besteed aan coördinatiekosten, is dat inmiddels minder geworden? Wat wordt gedaan om dit te verminderen?
Berenschot heeft berekend dat de coördinatiekosten rond jeugdzorg hoog zijn. Berenschot definieert de coördinatiekosten als de kosten die gemaakt worden voor het organiseren en coördineren van de zorg. Dit betreft onder andere kosten voor beleid, toegang en administratie, aansturing en roostering van zorgmedewerkers, inkoop en facturatie, monitoring en verantwoording, maar ook huisvestings- en ICT-kosten. Zie het antwoord op vraag 13 over wat Rijk, gemeenten en aanbieders doen om de coördinatie- en uitvoeringslasten te verminderen
Is bekend hoeveel geld gemeenten besteden aan extern advieswerk? Zo ja, hoe groot is dit bedrag? Kunt u samen met de VNG een inschatting maken van het aantal personen of fte in dienst van de gemeenten dat zich bezighoudt met jeugdzorg? Zo nee, bent u bereid dit bij een aantal grote, middelgrote en kleine gemeenten te inventariseren?
Uit de Personeelsmonitor Gemeenten 2020 blijkt dat gemeenten in 2020 18 procent van de loonsom aan externe inhuur (waaronder advies) besteden, gelijk aan het percentage in 2019. Sinds 2016 schommelt dit percentage tussen de 16 en 20 procent. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het college van B&W hierop te controleren.
Het aantal fte in gemeenten dat zich bezighoudt met jeugdzorg is niet bekend. Dit hangt onder meer af van de wijze waarop wijkteammedewerkers worden gefinancierd: zijn die in dienst van de gemeente of koopt de gemeente dit in bij jeugdhulpaanbieders?
Wat vindt u ervan dat het aantal vestigingen van jeugdzorgadviesbureaus sinds 2013 is verdubbeld? Is dit wat u betreft een goede ontwikkeling? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat is het gemiddelde salaris van een jeugdzorgmedewerker per uur, aangezien er wordt geschat dat jeugdzorgadviseurs tussen de 80 (detachering) en 250 euro per uur verdienen? Wat vindt u van het verschil hiertussen? Zijn er afspraken over maximum uurtarieven?
De salarissen voor jeugdhulpmedewerkers zijn vastgelegd in onder meer de CAO-jeugdzorg en de CAO-GGZ en zijn afhankelijk van functie, opleiding en ervaring. Bovenop de salarissen die in de CAO zijn vastgelegd, hebben jeugdzorgaanbieders te maken met werkgeverslasten. Met betrekking tot de vraag over tarieven voor externe inhuur wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2.
In hoeverre zijn de administratieve lasten daadwerkelijk verlaagd door het programma Ontregel de Zorg? Zijn er nog steeds 3800 productcodes? Wanneer zal het model prestatiecodes jeugd (MPJ) worden opgenomen in een ministeriële regeling? Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang? Bent u het ermee eens dat dit urgentie heeft?
Het programma [Ont]Regel de Zorg is in 2018 gestart met als hoofddoel het verminderen van administratieve lasten voor zorgverleners. Onder leiding van mevrouw Verdonk is door een brede groep professionals uit het jeugdveld (o.a. jeugdhulpprofessionals, inkopers van gemeenten en verkopers van aanbieders) gewerkt aan het Model Prestatiecodes Jeugd (MPJ). Met dit model wordt beoogd het proces van toewijzen en declareren van zorg binnen de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant (de meest gebruikte uitvoeringsvariant) sterk te vereenvoudigen. Tevens wordt beoogd meer kennis en inzicht te verkrijgen in het jeugdhulpgebruik doordat voortaan gestandaardiseerde en dus vergelijkbare data worden gebruikt.
In opdracht van VWS verricht bureau Significant op dit moment een impactanalyse. Zo wordt onder meer gekeken naar wat de invoering van het model vraagt aan noodzakelijke aanpassingen van de huidige uitvoeringspraktijk van contractering en declaratie. Een complex veld vereenvoudigen vraagt immers ook in eerste instantie inspanning. Omdat veel gemeenten reeds langjarige contracten hebben gesloten, zou de invoering van het MPJ mogelijk pas na enige tijd effect kunnen sorteren. Op dit moment wordt onderzocht of en zo ja hoeveel kostenbesparingen op een zo kort mogelijke termijn kunnen materialiseren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Hervormingsagenda Jeugd, met 165 mensen aan zeven tafels, niet opnieuw vooral een overlegproject wordt, maar dat daar concrete acties uit volgen om de jeugdzorg te verbeteren? Bent u het ermee eens dat de doelen (zoals beschreven op de website van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)) nog erg algemeen zijn en concretisering behoeven? Is er een tijdplan opgesteld voor als het overleg weer wordt opgestart? Hoe gaat u zorgen dat de niet-bindende adviezen straks wel worden geïmplementeerd?
Alle betrokken partijen – gemeenten, aanbieders, professionals, cliënten en het Rijk – zijn het er over eens dat forse verbeteringen in de jeugdhulp nodig zijn, zowel in de kwaliteit en effectiviteit van de zorg als in de uitvoering. Ook zijn er aanpassingen in het stelsel nodig om het stelsel toekomstbestendig te maken. Met betrokken partijen is er een «Hervormingsagenda Jeugd» in voorbereiding die zich richt op een reeks van onderwerpen: verhelderen van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht, verbeteren van de toegang, verhogen kwaliteit en effectiviteit jeugdhulp, versterken kleinschalige opvang, betere beschikbaarheid gespecialiseerde jeugdzorg door meer (boven)regionale en landelijke inkoop, versterking uitvoeringskracht gemeenten, vermindering van administratieve lasten en vergroten inzicht in de werking van het stelsel. Volgens gemeenten zet de extra taakstelling in het Coalitieakkoord (structureel € 511 miljoen) de uitvoering van de Hervormingsagenda onder druk en hebben om die reden hun medewerking opgeschort. Net als de andere betrokken partijen wil het kabinet graag verder met de formulering en uitvoering van de hervormingsagenda en wil hierover nader in gesprek met de gemeenten, in bredere context van (duurzame en stabiele) financiële verhoudingen tussen het Rijk en gemeenten. De Kamer wordt vóór de zomer van 2022 geïnformeerd over de Hervormingsagenda Jeugd en de uitkomsten van het overleg met de VNG.
Stormschade aan en onderhoudsinventarisatie van kerkgebouwen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten omtrent stormschade aan kerkgebouwen na de reeks stormen die Nederland de afgelopen dagen teisterde?
Ja.
Kunt u aangeven wat de meest actuele onderhoudsstaat van kerkgebouwen in Nederland is?
De onderhoudsstaat van monumentale kerken in Nederland is over het algemeen goed tot redelijk, zo blijkt uit recente monitoring door de provincies en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Bent u bekend met de zorgen bij kerkbesturen/kerken over hun voortbestaan, mede vanwege de stijgende kosten van onderhoud, de stijging van de gasprijs en niet toereikende subsidiëring middels status van kerkgebouwen als monument?
Ja, ik ben bekend met deze zorgen. Mede vanwege deze zorgen is onder mijn voorganger het programma Toekomst Religieus Erfgoedgestart. Het programma wordt uitgevoerd door de RCE in samenwerking met verschillende partners, waaronder vertegenwoordigers van de kerken. Het samenwerkingsverband ondersteunt kerken en gemeenten om gezamenlijk strategische toekomstplannen voor alle kerkgebouwen in een gemeente te ontwikkelen: de zogenaamde kerkenvisies. Momenteel beraden de partners van het programma Toekomst Religieus Erfgoed zich op het vervolg van het programma, waaronder ook het vervolg op de kerkenvisies.
Kerkeigenaren kunnen daarnaast een beroep doen op de Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM). Over de afgelopen drie jaar is op basis van deze regeling gemiddeld jaarlijks zo’n € 22,3 miljoen subsidie aan kerken verstrekt. Wel is het zo dat er sprake is van een toenemende druk op de bestaande subsidiemiddelen. In juli vorig jaar en tijdens het schriftelijk overleg Monumentenzorg in oktober jl., heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de stappen die zijn ondernomen om de druk op het bestaande budget te verlichten.1 Tegelijkertijd heeft mijn voorganger een bedrag van € 4 miljoen structureel aan de SIM toegevoegd. In lijn hiermee zal ik de komende tijd bezien conform de Kamerbrief van 6 juli 2021 hoe we met de problematiek rondom de SIM omgaan – ook in relatie tot de woonhuisregeling.
Deelt u de mening dat, om het vertrouwde stads- of dorpsgezicht te beschermen (dat mede gekenmerkt wordt door kerktorens), het van belang is om zo spoedig mogelijk in samenwerking met kerken en gemeenten een aanpak te formuleren?
Ik deel uw mening dat beschermde stads-en dorpsgezichten van belang zijn en dat kerkgebouwen en kerktorens hierin een belangrijke rol spelen. Om ons religieuze erfgoed toekomstbestendig te maken, is samenwerking tussen alle betrokken partijen essentieel. Juist daarom heeft mijn voorganger fors geïnvesteerd in de samenwerking met kerken, overheden, erfgoed- en burgerorganisaties middels het subsidiëren van kerkenvisies. Inmiddels werken 240 gemeenten, dus bijna 70% van alle gemeenten in Nederland, in samenwerking met kerkelijke gemeenschappen en burgers aan een kerkenvisie of hebben zij deze inmiddels afgerond. Per saldo betekent dit dat over de toekomst van 75% van de kerkgebouwen in Nederland strategisch wordt nagedacht of al is nagedacht. De kerkenvisies vervullen dus de rol van een gezamenlijk plan van aanpak.
Deelt u de mening dat, om achterstallig onderhoud in te halen, stormschade te repareren er een plan moet worden opgesteld, zodat niet alleen de vertrouwde dorps- en stadsgezichten behouden kunnen worden, maar ook dat omwonenden geen gevaar lopen door instortende kerktorens?
Kerkeigenaren zijn in de regel consciëntieuze eigenaren die hun verantwoordelijkheid ten aanzien van hun gebouwen zeer serieus nemen. De meeste kerkgebouwen worden regelmatig technisch geïnspecteerd en zijn goed verzekerd. Ook stormschade is goed te verzekeren. Deze verantwoordelijkheid ligt ook primair bij de eigenaren. Bij de reeks stormen waarmee Nederland recent te kampen heeft gehad, is de schade aan kerktorens en -gebouwen ondanks de hevigheid van die stormen beperkt gebleven. Bij het incidententeam van de RCE, een team dat in actie komt bij schade aan rijksmonumenten, zijn slechts twee schademeldingen aan monumentale kerkgebouwen binnengekomen, waaronder een van de Elandkerk in Den Haag. Ik zie op dit moment dan ook geen aanleiding om in aanvulling op de reeds bestaande samenwerking (zie ook antwoord op vraag 3 en 4) hiervoor een specifiek plan op te stellen. Uiteraard kan het incidententeam van de RCE in voorkomende gevallen in contact treden met eigenaren en gemeenten om te bezien hoe vervolgschade voorkomen kan worden of over hoe schade het best kan worden hersteld.
Het bericht 'Op bezoek bij omstreden fietskoeriers: ‘We zullen nooit pushen om harder te rijden’' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat de snelle opkomst van flitsbezorgers kan leiden tot onveilige situaties in het verkeer, overlast en achteruitgang van het straatbeeld?1
De vraag naar een snelle levering van producten, zoals maaltijden en boodschappen, is in de afgelopen jaren enorm toegenomen. Ter illustratie, uit een recente enquête van de gemeente Amsterdam blijkt dat 28% van haar inwoners zeer vaak (wekelijks) gebruik maakt van een bezorgdienst.2 Tegelijkertijd geven inwoners van verschillende steden aan dat zij te maken hebben met overlast door flitsbezorgers, zoals geluidsoverlast en vuilnis op straat. Er zijn geen cijfers bekend dat flitsbezorgers leiden tot onveilige situaties in het verkeer. Wel blijkt uit de genoemde enquête dat veel inwoners van Amsterdam (68%) zich storen aan het rijgedrag van flitsbezorgers, zoals het geen voorrang verlenen bij een zebrapad en rijden waar het niet mag, bijvoorbeeld op de stoep. Dit kan tot onveilige situaties in het verkeer leiden.
Welke instrumenten heeft u om gemeenten te helpen regels in te stellen ter beperking van deze negatieve effecten, met name op het gebied van verkeersveiligheid?
Verschillende gemeenten, zoals Amsterdam en Rotterdam, hebben recent besloten de vestiging van nieuwe distributiecentra van flitsbezorgdiensten tijdelijk te verbieden om ondertussen te werken aan nieuwe bestemmingsplannen, inclusief randvoorwaarden voor bezorgdiensten. Het is voorstelbaar dat een van die randvoorwaarden verkeersveiligheid betreft. Gemeenten beschikken hiervoor over een eigen instrumentarium. In het gesprek met gemeenten zal worden bekeken op welke wijze het Ministerie van IenW hierbij kan ondersteunen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Bent u van mening dat het instellen van een gebiedsontsluitingweg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur kan helpen in de verkeersproblematiek door in die gevallen flitsbezorgers naar dit deel van de weg te verplaatsen?
De gebiedsontsluitingsweg 30 km/h (GOW30) is een nieuwe wegcategorie, waarvan de inrichtingskenmerken op dit moment door CROW in opdracht van mijn ministerie worden uitgewerkt. Bij deze uitwerking worden ook stakeholders zoals gemeenten betrokken. Het streven is om de inrichtingskenmerken voor de GOW30 eind van dit jaar gereed te hebben. Dan is ook duidelijk waar flitsbezorgers op een GOW30 mogen rijden. Pas wanneer ervaring is opgedaan met deze inrichtingskenmerken kan worden onderzocht wat voor effect dit heeft op flitsbezorgers binnen het verkeer.
Hoe staat het met het onderzoek dat uw voorganger heeft aangekondigd naar de snelle opmars van flitsbezorgers?
Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) doet onderzoek naar de kansen en uitdagingen van lichte elektrische vrachtvoertuigen in de stedelijke distributie. Het KiM kijkt in dit onderzoek breed naar verschillende type elektrische voertuigen die hiervoor worden ingezet. Denk aan bezorging van goederen met de elektrische (bak)fiets, maar ook aan compacte elektrische distributiewagens. In het onderzoek is aandacht voor maatschappelijke effecten, zoals verkeersveiligheid. De resultaten van het onderzoek zijn in de zomer van 2022 gereed. Daarnaast start de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) dit jaar met een onderzoek naar fietsbezorgers. De eerste resultaten zijn naar verwachting aan het eind van dit jaar gereed en worden dan met uw Kamer gedeeld.
Kunt u de Kamer hierover nader informeren vóór het commissiedebat Verkeersveiligheid
Nee, de resultaten zijn nog niet beschikbaar voor het commissiedebat op 20 april 2022. Ik zal uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.
Kunt u toelichten wat de opbrengsten zijn van uw gesprekken met de G4 over deze problematiek?
Met de G4 lopen reeds gesprekken over de verkeersveiligheid van maaltijdbezorgers. De komende periode vindt overleg met de G4 plaats waarbij ook de problematiek van flitskoeriers wordt betrokken. De uitkomsten hiervan worden na de zomer met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten wat de resultaten zijn van de inspanningen van TeamAlert om jongeren die als flitsbezorger werken meer inzicht te geven in hun gedrag in het verkeer?
Jonge flitsbezorgers zijn ook bij TeamAlert een zorgpunt. Om meer inzicht te krijgen in het verkeersgedrag van jonge flitsbezorgers is TeamAlert eind vorig jaar een enquête gestart onder deze groep. Hiermee willen zij inzicht krijgen in welke verkeersveiligheidsrisico’s er spelen onder flitsbezorgers, hoe deze mogelijk te voorkomen zijn en hoe de werkgever daarin een rol kan spelen. De resultaten en aanbevelingen van dit onderzoek worden dit voorjaar gepubliceerd door TeamAlert. Daarnaast is TeamAlert vorig jaar begonnen met de oprichting van een online platform voor maaltijdbezorgers en hun werkgevers, dat informatie en interventietools biedt, zoals een online gevaarherkenningstraining. De website wordt voor de zomer van 2022 gelanceerd en zal qua inhoud ook relevant zijn voor flitsbezorgers en hun werkgevers.
Bent u in overleg met uw collega’s van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de effecten van flitsbezorgers op woningtekorten, leefbaarheid en arbeidsomstandigheden?
Er is op dit moment geen overleg met deze collega’s hierover, maar het is bekend dat de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) bijzondere aandacht besteedt aan de arbeidsrisico’s die samenhangen met maaltijdbezorging – en flitsbezorging – zoals arbeid door minderjarigen, arbeidsveiligheid, illegale tewerkstelling en onderbetaling. Voor wat betreft de effecten van flitsbezorgersdiensten op de leefbaarheid en bestemming van bedrijfsruimten in woon-en winkelgebieden, zijn gemeenten zelf aan zet. We zien inmiddels dat verschillende gemeenten maatregelen nemen tegen (nieuwe) vestigingen van flitsbezorgdiensten. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Het mogelijk verdwijnen van de Bredabus |
|
Inge van Dijk (CDA), Harry van der Molen (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Van Zeeland tot Breda: politici willen Bredabus koste wat kost behouden»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Deelt u de zorgen van de inwoners van Hulst en omstreken en de lokale politici over het mogelijk verdwijnen van buslijn 19, de zogeheten Bredabus, tussen Hulst en Breda?
Vanzelfsprekend deel ik de mening dat goed OV van grote maatschappelijke waarde is. Ik zie er dan ook op toe dat vervoerders en OV-autoriteiten zich inspannen om reizigers zo goed mogelijk te helpen. Voor een optimaal aanbod zijn de primair verantwoordelijke OV-autoriteiten continue bezig met het bijstellen van dienstregelingen.
De verantwoordelijke OV-autoriteit, de provincie Zeeland, heeft me laten weten ook het belang van de verbinding Hulst-Breda te zien en wil deze daarom ook graag behouden. Mede door sterk toenemende exploitatiekosten van deze lijn, ziet de provincie wel de noodzaak om te kijken naar mogelijke alternatieven voor deze verbinding.
Deelt u de mening dat de Bredabus van grote maatschappelijke waarde is voor Zeeuws-Vlaanderen en dat deze verbinding cruciaal is voor veel jongeren uit Zeeuws-Vlaanderen die studeren, werken en/of sporten in Brabant?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van het voorstel van de provincie Zeeland om de bus niet verder dan Antwerpen te laten rijden, waarvandaan studenten de trein naar Nederland kunnen nemen, maar geen gebruik kunnen maken van hun studentenreisproduct?
De provincie Zeeland heeft me laten weten dat vanwege filevorming en een parallel lopende trein de dienstregeling anders wordt ingericht, waardoor de reiziger op Antwerpen overstapt op de trein en een snellere verbinding met Breda heeft. De Provincie Zeeland is in gesprek met NS over de mogelijkheid om studenten (met studentenreisproduct) gratis via Antwerpen te laten reizen.
Daarnaast heeft de provincie in de regionale mobiliteitsstrategie het volgende vastgesteld: «Voor de verbinding vanuit Hulst wordt uitgegaan dat reizigers in Antwerpen een goede aansluiting op de trein naar Breda krijgen. Daarbij wordt zorg gedragen dat studenten niet te maken krijgen met oplopende reiskosten».2 Het stemt mij daarom positief dat de provincie Zeeland op zoek is naar mogelijkheden om ervoor te zorgen dat studenten geen hogere reiskosten krijgen door deze aanpassing in de dienstregeling.
Deelt u de mening dat het onredelijk is om Nederlandse studenten te laten opdraaien voor hun reiskosten, terwijl eigenlijk voor hen een studentenreisproduct beschikbaar moet zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om, conform de unaniem aangenomen motie-Geurts2, het maatschappelijk belang van de Bredabus te benadrukken bij het provinciebestuur van zowel Zeeland als Brabant, zodat deze buslijn voor de toekomst behouden kan blijven?
De provincie Zeeland heeft laten weten het maatschappelijke belang van de verbinding Hulst-Breda te delen. De provincie Noord-Brabant is geen concessieverlener voor de Bredabus.
Welke mogelijkheden ziet u om de verschraling van het openbaar vervoer in Zeeland in samenwerking met de provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten tegen te gaan, om de bereikbaarheid en daarmee de leefbaarheid van Zeeuwse dorpen en steden te waarborgen?
Decentrale overheden en vervoerders moeten en mogen hun eigen afwegingen maken voor een goede dienstregeling en op weg naar een toekomstvast OV-systeem. De afwegingen die daarbij worden gemaakt behoren tot de verantwoordelijkheid van de concessieverlener (in dit geval de provincie Zeeland) in afstemming met de vervoerder. Aanpassingen in het aanbod stemmen zij vervolgens af met de gemeenten in het concessiegebied, waarbij de (regionale) reizigersorganisaties adviesrecht hebben. Deze manier van werken past bij de decentralisatie van het stads- en streekvervoer.
De provincie Zeeland heeft laten weten geen verschraling van het OV te zien, maar juist een verbetering van de reismogelijkheden. Op meer plaatsten en meer tijden zal er mobiliteit beschikbaar zijn. Dit aanbod zal echter niet alleen bestaan uit grote bussen, maar een combinatie van snel openbaar vervoer en fijnmazige mobiliteit.
Het bericht 'Kritische depositiewaarden niet geschikt voor beschermen natuur' |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kritische depositiewaarden niet geschikt voor beschermen natuur»?1
Ja.
Klopt het dat praktijkonderzoek naar de kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstof zelden heeft plaatsgevonden, dat sommige KDW’s hun basis vonden in bloempotten in kassen en dat de uitkomsten hiervan vervolgens werden geëxtrapoleerd naar regio’s of het hele land? Zo nee, kunt u gedetailleerd uiteenzetten hoe de KDW’s voor stikstof tot stand zijn gekomen?
Kritische depositiewaarden worden getrapt vastgesteld: eerst op Europees niveau in de vorm van bandbreedtes in kg/ha/jaar (Bobbink & Hettelingh 20112) en vervolgens specifiek voor de Nederlandse habitats – binnen deze bandbreedtes – in concrete KDW's in mol/ha/jaar, aangevuld met Nederlandse kennis als er Europees nog geen bandbreedtes zijn vastgesteld (Van Dobben e.a. (2012)3. Voor een gedetailleerde uiteenzetting van de totstandkoming zie beide rapporten.
Uit het eerstgenoemde rapport blijkt dat praktijkonderzoek (in de natuurgebieden zelf) veelvuldig heeft plaatsgevonden. Kasexperimenten vormen slechts een deel van de onderbouwing en de uitkomsten zijn met die van andere methoden gecombineerd zodat KDW's konden worden vastgesteld.
Het artikel van Briggs & Hanekamp (waar het bericht aan refereert) heeft uitsluitend betrekking op vegetaties van hoogvenen. Daarvoor zijn – naast veldexperimenten – ook kasexperimenten toegepast. Dat de uitkomsten van de kasexperimenten bruikbaar zijn, is gebleken uit een meta-analyse van 115 kasexperimenten en 107 veldexperimenten: de effecten van stikstoftoevoeging op veenmossen bleek in beide typen experimenten vergelijkbaar te zijn (Limpens e.a., 2012 4).
De extrapolatie heeft betrekking op het vegetatietype dat in hoogveengebieden aanwezig is, in een orde van grootte van vierkante meters tot hectares. Omdat deze extrapolatie wetenschappelijk geheel verantwoord is (zie de meta-analyse), zijn de uitkomsten representatief voor alle locaties waar dat vegetatietype voorkomt, zowel binnen als buiten Nederland.
Klopt het dat er geen kritische discussie is geweest tussen wetenschappers over de totstandkoming en de kwaliteit van de KDW’s voor stikstof, zoals gebruikelijk is bij wetenschappelijk onderzoek? Zo nee, kunt u een verslag van deze discussie delen?
Het vaststellen van de Europese KDW's heeft plaatsgevonden na een uitgebreid wetenschappelijk proces. Dat proces staat beschreven in hoofdstuk 2 en de bijlagen 5, 6 en 7 in het eindrapport van de UN-ECE (Bobbink & Hettelingh 2011; zie voetnoot 2).
Ook de methode van het in het antwoord op vraag 2 genoemde Nederlandse rapport is internationaal beoordeeld. De reviewcommissie bestond uit toonaangevende onafhankelijke experts uit Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië en Nederland.
Kunt u aantonen wat het verband is tussen KDW, stikstofdepositie en natuurkwaliteit in Nederlandse natuurgebieden en dit delen met de Kamer?
Dit verband is weergegeven in figuur 3.7 in de PBL-publicatie «Naar een uitweg uit de stikstofcrisis» (Vink e.a., 2021)5. Die laat zien dat er in beginsel een causaal verband te leggen is tussen de mate waarin de KDW wordt overschreden en de natuurkwaliteit. Bij deze figuur kunnen wel kanttekeningen worden gemaakt. De natuurkwaliteit wordt namelijk mede bepaald door andere factoren, zowel negatieve als positieve. Negatieve: door stikstof overbelaste habitats kunnen bijvoorbeeld ook last hebben van verdroging, wat tot een extra kwaliteitsafname leidt. Positieve: als bijvoorbeeld die verdroging wordt aangepakt, kan de kwaliteit (tijdelijk) gestabiliseerd worden of zelfs toenemen.
In ons land worden al heel lang herstelmaatregelen uitgevoerd, waardoor de natuurkwaliteit zo goed mogelijk in stand is gehouden (wat ook een juridische verplichting is vanwege de Habitatrichtlijn). Als dat niet zou zijn gedaan, was het verband tussen stikstofoverbelasting en natuurkwaliteit nog veel sterker aantoonbaar geweest dan in de genoemde figuur. Daarom zijn experimenten onder gecontroleerde omstandigheden zo belangrijk om het specifieke effect van stikstof op natuurkwaliteit te kunnen vaststellen (zie ook het antwoord op de tweede vraag).
Bent u bereid een onafhankelijke externe adviescommissie in te stellen die de bruikbaarheid van de KDW’s voor het Nederlandse natuurbeleid op wetenschappelijke wijze gaat toetsen? Zo nee, waarom niet?
Deze onafhankelijke toetsing heeft reeds plaatsgevonden, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 3. Dit is recent nog bevestigd (Kamerstuk 33 576, nr. 251, met Bijlage 2021D36750).
Kunt u een update geven over de maatschappelijke kosten-batenanalyse van Natura 2000-gebieden in Nederland waar de Kamer in een motie uit 2020 (Kamerstuk 35 600, nr. 30) om heeft gevraagd?
De maatschappelijke kosten-batenanalyse waar in die motie om verzocht is, krijgt invulling via de paragraaf sociaaleconomische effecten van het programma stikstofreductie en natuurverbetering (zie ook Kamerstuk 35 334, nr. 160). Dit programma zal naar verwachting in het najaar van 2022 worden vastgesteld.
Vindt u het ook schandalig dat er familiebedrijven moeten wijken en 25 miljard euro van de belastingbetalers wordt verspild door aan alle kanten rammelend stikstofbeleid, of moeten boeren sowieso plaats maken voor de hobby’s van terreinbeherende organisaties, de energietransitie en massa-immigratie?
Uit bovenstaande antwoorden blijkt dat er geen reden is om te stellen dat het stikstofbeleid rammelt. Ook van de andere uitspraken in deze vraag neem ik afstand.
Kunt u de vragen beantwoorden voor het commissiedebat Stikstofproblematiek op 31 maart of voor een eerder gehouden plenair debat over stikstof?
De vragen zijn binnen de reguliere termijn beantwoord, maar helaas niet voor het drie weken vervroegde commissiedebat van 10 maart 2022.
De WEF Alliantie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze e-mail verstuurd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dinsdag 9 juni 2020 om 15:51?1
Ja.
Wordt met «het WEF» in deze door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verzonden e-mail het «World Economic Forum» bedoeld?
Ja.
Wat is het doel van de «zogenaamde MANAGE-COV Alliance» («Alliantie») waarover in de e-mail wordt gesproken die het WEF op 15 juni 2020 wil oprichten? Op welke wijze en door wie is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gesteld van het WEF-voornemen deze Alliantie op te richten? Welke andere landen, behalve Nederland, zijn door het WEF benaderd voor dit initiatief?
In juni 2020 bestond bij het World Economic Forum het idee om een manufacturers alliance op te richten. Een concept-notitie hierover is door het WEF aan het ministerie gezonden. In deze periode werd ook de Inclusieve Vaccin Alliantie opgericht, waarin Nederland, Duitsland, Frankrijk en Italië de krachten bundelden in de onderhandeling met ontwikkelaars en producenten van potentiële coronavaccins. Beoogd werd om in gezamenlijkheid diverse kansrijke initiatieven te verkennen bij verschillende farmaceutische bedrijven. (Kamerstuk 25 295, nr. 388). Om een beeld te krijgen van het initiatief van het WEF, is bezien wat haar initiatief beoogde en is binnen mijn ministerie een korte ambtelijke analyse gemaakt van het voorstel (bijlage 1).2
Klopt het dat op 8 juni 2020 is gesproken binnen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over dit WEF-initiatief? Wie waren bij dit gesprek aanwezig? Wat was het onderwerp van het gesprek? Wat was het tijdstip van dit gesprek? Is dit gesprek geïnitieerd naar aanleiding van de e-mail die het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft ontvangen op 8 juni 2020 om 10:42 van het WEF (d.w.z. «@weforum.org») met als titel «Four European nations form alliance to fast-track COVID-19 vaccine»? Kan de Kamer de agenda, notulen, verslag en besluitenlijst van dit gesprek ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het voorstel van het WEF is ontvangen en bezien. Er is besloten hier verder niet op in te gaan, omdat we op dat moment reeds bezig waren met de samenwerking binnen de Inclusive Vaccine Alliance. We hebben naar aanleiding van het voorstel via de mail ambtelijk contact gehad met het WEF (bijlage 2).3 Dat verzoek heeft niet geleidt tot een nadere bespreking.
Indien de Alliantie uiteindelijk daadwerkelijk is opgericht, wie stuurt de Alliantie aan? Dat wil zeggen, wie neemt de besluiten, wie is er (eind)verantwoordelijk? Hoe wordt de Alliantie gefinancierd? Is Nederland lid van de Alliantie? Welke verplichtingen heeft Nederland als lid van deze Alliantie op zich genomen? Wat is de huidige status van de Alliantie?
De Inclusieve Vaccin Alliantie is opgericht door Nederland, Duitsland, Frankrijk en Italië en stond onder aansturing van de ministers van Volksgezondheid uit deze landen. Daarbij zijn gesprekken geïnitieerd met producenten van kandidaat-vaccins COVID-19, ten behoeve van het kunnen zeker stellen een ruime hoeveelheid vaccins voor alle EU-lidstaten, met ook de mogelijkheid van donatie aan kwetsbare landen. Deze gesprekken hebben geleid tot een eerste overeenkomst met vaccinproducent AstraZeneca. Verdere gesprekken en afspraken met producenten zijn vervolgens in Europees verband zijn voortgezet, met betrokkenheid van ook de Europese Commissie. Ook de overeenkomst met AstraZeneca is overgenomen door de Europese Commissie. Nederland, Duitsland, Frankrijk en Italië namen daarbij zitting in het Joint Negotiation Team van de EU.
Over de organisatie van de inkoop van Covid-19 vaccins, is reeds vele malen met uw Kamer gesproken.
Tot slot, kunt u de Kamer alle documenten (rapporten, e-mails, notulen, et cetera) sturen waarin wordt gesproken over de «MANAGE-COV Alliance» van het WEF?
De genoemde stukken zijn als bijlage bijgevoegd. Van het concept-voorstel MANAGE-COV Alliantie is het WEF de auteur. Wij zijn nog in gesprek met het WEF over toezending van dit stuk aan uw Kamer. Ik zet mij er voor in om dat zo snel mogelijk zal te doen.
WEF vs vaccin alliantie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze e-mail die naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is verstuurd op 6 november 2020 om 9:51 met als titel «WEF vs vaccin alliantie»?1
Ja. Volledigheidshalve merk ik op dat het een interne VWS mail betreft en geen mail aan het Ministerie van VWS.
Wordt met «WEF» in deze e-mail gericht aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het «World Economic Forum» bedoeld?
Ja.
Wordt met «MOU» verwezen naar «Memorandum of Understanding»? Kan de Kamer deze MOU ontvangen?
Ja, MOU is Memorandum of Understanding. De Kamer heeft deze MoU twee jaar geleden ontvangen, als bijlage bij de Kamerbrief van 4 juni 2020, over de actuele stand van zaken met betrekking tot de uitbraak van COVID-19.2
Naar welk «document van de WEF» wordt in deze e-mail verwezen? Wat staat er in dit document? Kan de Kamer dit document ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Zie bijlage 1 bij de antwoorden op uw vragen over WEF Alliantie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2671).
Wordt met «het WEF voorstel» in deze e-mail hetzelfde bedoeld als het «document van de WEF»? Zo nee, waarover gaat dit «WEF voorstel»? Kan de Kamer dit «WEF voorstel» ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Is de «diepgaandere analyse van het WEF voorstel en hun overige activiteiten op gebied van corona» waarover wordt gesproken in deze e-mail verricht? Zo ja, kan de Kamer deze analyse ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Zie bijlage 2 bij de antwoorden op uw vragen over WEF Alliantie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2671).
Verwijst «hun overige activiteiten» in deze e-mail naar activiteiten van het WEF? Zo ja, welke activiteiten worden hiermee bedoeld?
De SARS-CoV-2-pandemie was voor het WEF aanleiding om hier op veel vlakken aandacht aan te besteden. Voor een beeld van deze activiteiten verwijs ik graag naar de website van het WEF: https://www.weforum.org/platforms/covid-action-platform
Waarom acht de schrijver van deze e-mail het noodzakelijk «een wat diepgaandere analyse van het WEF voorstel en hun overige activiteiten op het gebied van corona» op papier te zetten? Waarom is dit van belang?
In die tijd speelde de oprichting van de Inclusive Vaccine Alliance en het was van belang daarbij een goed beeld te hebben van relevante ontwikkelingen en/of mogelijk vergelijkbare initiatieven.
Wat is de status van het betreffende «WEF voorstel» en/of «het document van de WEF» waarnaar wordt verwezen in de e-mail? Staan hierin kaders of eisen waaraan de «inclusieve vaccin alliantie» moet voldoen?
De status was een voorstel zoals in die tijd gedaan door het WEF. In het WEF voorstel wordt ingegaan op de oprichting van een zogenaamde «manufacturers alliance for a global equitable access to coronavirus vaccins». De door Nederland, samen met Frankrijk, Duitsland en Italië opgerichte Inclusive Vaccine Alliance stond hier los van. In het voorstel worden dan ook geen kaders beschreven voor de Inclusive Vaccine Alliance. Als aangegeven in de beantwoording op vraag 4, is een kopie van dit WEF voorstel als bijlage 1 bij de antwoorden op uw vragen over WEF Alliantie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2671) meegestuurd.
Indien dit niet het geval is, waarom vraagt de briefschrijver zich dan af of het wellicht «wenselijk» is «het document van de WEF tegen de MOU» af te zetten?
Zie tevens de beantwoording van vraag 8. Beoogd werd een beeld te krijgen van de ontwikkelingen binnen het WEF. Doel van de Inclusive Vaccine Alliance was om de krachten te bundelen in de onderhandelingen met ontwikkelaars/fabrikanten van een aantal veelbelovende vaccinkandidaten, om daarmee te zorgen voor tijdige beschikbaarheid van zoveel mogelijk COVID-19-vaccins voor de EU-bevolking. Ook was daarbij aandacht voor de mogelijkheid om vaccins te kunnen doneren aan kwetsbare landen. In het voorstel van het WEF beoogde men iets anders, namelijk het creëren van grote «multi-country contract manufacturing netwerken», om uiteindelijke voldoende productiecapaciteit mondiaal beschikbaar te krijgen voor geregistreerde vaccins.
Indien dit niet het geval is, waarom is de titel van deze e-mail dan «WEF vs vaccin alliantie»?
Het onderwerp gaat enkel in op de onderliggende vraag in de mail, of het nuttig is om een vergelijking te maken tussen de beide ontwikkelingen.
Kunnen de bovenstaande vragen ieder afzonderlijk beantwoord worden?
Ja.
Het meten van stikstofuitstoot, het stikstofregistratiesysteem en latente stikstofruimte in vergunningen |
|
Thom van Campen (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met de motie-Van der Plas c.s. (Kamerstuk 35 788, nr. 157) die de regering verzocht «om een aanpak te ontwikkelen om de daadwerkelijke stikstofuitstoot van alle industriële bedrijven in beeld te krijgen»?
Ja, hier ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat de agrarische sector en de industrie op gelijke wijze eraan dienen te worden gehouden dat hun daadwerkelijke stikstofuitstoot in beeld wordt gebracht? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit nu en hoe borgt u deze gelijke verplichting? Zo nee, waarom niet?
Regels over de rapportage van stikstofuitstoot voor de agrarische sector en de industrie worden voor een belangrijk deel op Europees niveau bepaald. Onder andere via de verordening over het European Pollutant Release and Transfer Register (E-PRTR). Voor zowel de agrarische sector als voor de industrie geldt er op basis van deze verordening de verplichting om de stikstofuitstoot in beeld te brengen en via het elektronisch milieujaarverslag (e-mjv) te rapporteren. De rapportage geldt alleen voor de bedrijven die in de bijlage van de verordening staan. Bij een aantal bedrijven staat een capaciteitsdrempel vermeld. Pas als deze wordt overschreden en de hoeveelheid stikstof (ammoniak) die wordt uitgestoten boven de drempelwaarde ligt, is het bedrijf verplicht te rapporteren. In de praktijk zijn alleen de grote(re) bedrijven rapportageplichtig. Voor de agrarische sector geldt de rapportageplicht bijvoorbeeld alleen voor grote varkens- en pluimveehouderijen. Voor de kleine(re) bedrijven (agrarisch en industrie) en rundveehouderijen wordt door Emissieregistratie, in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), een schatting gemaakt van de emissies.
Het is van belang dat beide sectoren volgens de regels rapporteren. De wijze waarop de emissiegegevens tot stand komen verschilt voor de industriële en de agrarische sector. Voor de agrarische sector worden de emissiegegevens bepaald aan de hand van standaardwaarden voor stalsystemen. Toepassing van deze waarden is mogelijk vanwege de onderlinge vergelijkbaarheid van stalsystemen. De stikstofuitstoot wordt daarom berekend op basis van het aantal dieren dat per bedrijf aanwezig is. Dit wordt vervolgens door de veehouder gerapporteerd in het e-mjv. Het bevoegd gezag controleert de gerapporteerde emissiegegevens op basis van de vergunning en eventuele toezichtacties. Een andere methodiek zou leiden tot extra kosten per bedrijf die dankzij de gestandaardiseerde aanpak vermeden kunnen worden.
Bij de industrie zijn processen meer divers en minder goed vergelijkbaar. De industriële bedrijven moeten daarom een meet- en registratiesysteem hebben om hun uitstoot te bepalen en vervolgens te registreren in het e-mjv. Ook deze gegevens worden gecontroleerd door het bevoegd gezag.
Kunt u aangeven op welke wijze alle industriële bedrijven momenteel ervoor zorgen dat de daadwerkelijke stikstofuitstoot in beeld wordt gebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze vormen metingen de basis onder het beeld van stikstofuitstoot, zowel voor de agrarische sector als voor de industrie, en welke instanties en organisaties zijn daar op welke wijze bij betrokken?
Het RIVM meet en berekent de hoeveelheid ammoniak en stikstofoxiden in de lucht (concentratie) en hoeveel daarvan op de grond terecht komt (depositie). Voor een beeld van de emissies worden gegevens verzameld van alle bronnen in Nederland en het buitenland. Een concreet voorbeeld is dat bedrijven in hun milieujaarverslag aangeven welke emissies in het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden. Daarnaast worden de emissies berekend door activiteitdata (zoals energieverbruik, productiegegevens en aantal inwoners of aantal dieren) te vermenigvuldigen met een emissiefactor. Deze emissiefactoren worden op basis van (praktijk)metingen vastgesteld door wetenschappelijke gremia binnen RIVM, de WUR en TNO.
Emissiefactoren voor stalsystemen worden vastgesteld door de Staatssecretaris van IenW op basis van advies van de Technische Advies Pool (TAP), bestaande uit deskundigen op het gebied van stalsystemen, emissies en metingen. De TAP beoordeelt daartoe meetrapporten van geaccrediteerde meetinstellingen. Zie voor de samenstelling van de TAP (zie voetnoot voor link naar webpagina: Erkenning innovatief stalsysteem tegen ammoniakuitstoot)1.
In het kader van het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) wordt onderzoek gedaan naar verbetering van de emissiefactoren. De resultaten van de inventarisaties en berekeningen worden na de benodigde controles vastgesteld en vervolgens ingevoerd in de centrale database emissieregistratie.
Bij het berekenen en modelleren worden data uit verschillende bronnen gebruikt. Niet alleen van het RIVM maar ook van bijvoorbeeld het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Wageningen Universiteit (WUR), het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) en TNO. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gegevens over de weersomstandigheden, economische verwachtingen de uitstoot van stoffen per type voertuig etc.
Nadat het model de concentraties in de lucht en/of de depositie naar het oppervlak heeft berekend, wordt dit gekalibreerd met metingen (concentratie en depositie). Op deze manier worden de berekende waarden zo goed mogelijk in overeenstemming gebracht met de situatie in het veld.
Hoe worden deze metingen betrokken bij de huidige structurele aanpak stikstofreductie en natuurversterking en op welke wijze worden deze metingen betrokken bij de aangekondigde gebiedsgerichte aanpak?
Metingen zijn onderdeel van het bredere systeem van meten en berekenen van stikstof, waarbij het gaat om zowel emissie als concentratie en depositie. De monitoring en evaluatie van de structurele aanpak leunt op dit systeem van meten en berekenen en dat is voor de gebiedsgerichte aanpak niet anders. Het is daarom zaak om de inherente onzekerheden in het systeem zo goed mogelijk te verkleinen. Mede om deze reden is het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) opgezet waarin nieuwe emissiefactoren worden afgeleid, meetnetuitbreidingen worden gerealiseerd en daarnaast het gebruik van innovatieve meet- en modelleertechnieken verkend, zoals satellietwaarnemingen en ensemblemodellering.
Binnen het NKS wordt de komende periode tevens onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dichterbij de bron (op bedrijfsniveau) te meten zodat het voor veehouders mogelijk wordt om in hun eigen stal te kunnen meten. In een dergelijk innovatieprogramma zullen niet alleen technische mogelijkheden worden ontwikkeld, maar zal ook aandacht zijn voor handhaafbaarheid, datastromen en praktische toepasbaarheid voor de veehouderij.
De monitoringsrapportages worden opgesteld op basis van de best beschikbare kennis van dat moment. De bevindingen kunnen aanleiding geven voor het instellen van nieuwe kennistrajecten binnen het NKS, zodat er nauwkeuriger of met minder onzekerheden kan worden gerapporteerd.
Op welke wijze wordt de stikstofuitstoot van zowel de agrarische sector, als de industrie bijgehouden in het stikstofregistratiesysteem (SSRS)?
Het stikstofregistratiesysteem (SSRS) houdt bij welke ruimte uit daartoe aangewezen bronmaatregelen beschikbaar gesteld wordt voor toestemmingverlening aan daartoe aangewezen projecten (op dit moment: woningbouw, zeven MIRT-projecten en de legalisatie van PAS-melders).
Zowel de depositieruimte die gebruikt wordt als te gebruiken voor toestemmingverlening als de projecten staan beschreven in de Regeling Natuurbescherming (RNb).
Stikstofuitstoot wordt noch van industrie, noch van de agrarische sector bijgehouden in het SSRS.
Wat is op dit moment de te vergunnen ruimte in het SSRS en kunt u een trendoverzicht geven van deze ruimte?
Sinds maart 2020 is het SSRS gevuld met depositieruimte die beschikbaar komt door het verlagen van de maximum snelheid op rijkswegen. Deze ruimte – in november 2019 geraamd op gemiddeld 1,2 mol/ha/jr – wordt na het verlenen van vergunningen voor ruim 33.000 woningen niet meer gebruikt voor vergunningverlening, zie daarvoor de hoofdlijnenbrief die ik parallel aan deze brief naar uw Kamer heb gezonden. Eerder bent u reeds geïnformeerd dat in de MIRT-projecten geen gebruik zal worden gemaakt van de landelijke snelheidsverlaging in het SSRS (Kamerstuk 35 925, nr. A-24).
Vanaf deze zomer wordt depositieruimte dankzij de subsidieregeling sanering varkenshouderijen toegevoegd. Dat gebeurt in delen, omdat nauwkeurig nagegaan en verantwoord wordt dat de juiste hoeveelheid ruimte op de juiste manier ingevoerd wordt. Een separate verantwoordingsrapportage hiervan komt publiek beschikbaar.
In het SSRS wordt de beschikbare depositieruimte uit de betreffende maatregelen op hexagonniveau (per hectare) bijgehouden.
Kunt u aangeven of, en, zo ja, hoe de omvang van afgeroomde stikstofruimte, conform de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, in beeld wordt gebracht en wordt gerapporteerd, en binnen welke termijn u ruimte voor vergunningverlening verwacht?
Afgeroomde stikstofruimte wordt niet in beeld gebracht. Dit is ook geen verplichting die volgt uit de Wsn. Bij extern salderen kan de initiatiefnemer 70% van de stikstofruimte inzetten voor nieuwe activiteiten. Het afromingspercentage van 30% is bedoeld om het risico op feitelijke depositiestijging op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, als gevolg van ingebruikname van latente ruimte, zo veel mogelijk te beperken.
Vergunningverlening is op dit moment beperkt mogelijk. Mogelijkheden tot ruimere toestemmingverlening ontstaan wanneer de natuur robuust wordt hersteld. De structurele aanpak stikstof draagt hieraan bij. Aanvullend wordt er € 25 miljard ter beschikking gesteld voor een groot pakket aan maatregelen, o.a. voor stikstofreductie. Door te borgen dat de doelstellingen onontkoombaar worden gerealiseerd, ontstaat op termijn meer ruimte voor nieuwe economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt toegewerkt naar een vereenvoudigde vorm van toestemmingsverlening.
Is bekend hoeveel latente (ongebruikte) stikstofruimte momenteel is vergund, zowel in de agrarische sector als in de industrie;? Zo ja, hoeveel procent is dit van de totale vergunde stikstofruimte in Nederland? Zo nee, bent u bereid om met de provincies deze informatie in beeld te brengen?
De omvang en ingebruikname van latente ruimte in vergunningen wordt niet geregistreerd. Uit onderzoek op basis van steekproeven komt voor de veehouderij een relatief stabiel beeld van 25% latente ruimte naar voren. In de industrie is een grotere variatie te zien. Ook berekeningen van onderzoeksplatform Investico laten zien dat de omvang van latente ruimte in de industrie en veehouderij aanzienlijk is. Ingebruikname van latente ruimte wordt echter beperkt door andere regelgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van dierrechten, fosfaatrechten, mestverwerking, milieuregelgeving en financiële en economische belemmeringen. Momenteel verken ik samen met de provincies hoe ongewenste ingebruikname van latente ruimte kan worden beperkt. Voor de zomer verwacht ik uw Kamer hierover te informeren.
Hoe kijkt u naar de juridische houdbaarheid van het gebruik van latente ruimte voor vergunningverlening en welke mogelijkheden ziet u in enerzijds het bieden van flexibiliteit voor ondernemers bij activiteiten waarbij geen sprake is van structurele uitstoot en anderzijds het versterken van de rechtszekerheid van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming?
Latente ruimte is de ongebruikte capaciteit in een toestemmingsbesluit. De ongewenste ingebruikname van latente ruimte staat ter discussie, doordat het een risico vormt voor feitelijke depositiestijging op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Voor extern salderen met latente ruimte gelden daarom beperkingen. Zo mag er alleen gesaldeerd worden met de gerealiseerde capaciteit binnen een vergunning. Daarvan wordt eerst nog 30% afgeroomd, waarmee niet gesaldeerd mag worden. In de hoofdlijnenbrief die ik parallel naar uw Kamer heb gezonden ga ik nader in op de houdbaarheid van toestemmingverlening in het algemeen.
De top 100 stikstof bronnen |
|
Laura Bromet (GL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer een lijst doen toekomen van de top 100 stikstofbronnen (bedrijven/vergunningen)?
Bij de beantwoording van deze vragen is uitgegaan van een aparte top 100 voor stikstofoxiden (NOx, als NO2; bijlage 1)1 en een aparte top 100 voor ammoniak (NH3; bijlage 2)2. Gezien het verschil in o.a. de verspreiding van deze twee stikstofverbindingen is ervoor gekozen om de lijsten gesplitst weer te geven. Het betreft gegevens afkomstig uit de Emissieregistratie (www.emissieregistratie.nl) over het meest recente jaar (2019). In de Emissieregistratie zijn – in verband met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) – geen namen opgenomen van agrarische bedrijven. Omdat de bedrijfscode die in plaats van de bedrijfsnaam gebruikt wordt bij meerdere organisaties bekend is, is die ook niet ontsloten. In die kolom is aangegeven dat het een veehouderij betreft. Voor de veehouderijen betreft het alleen de stalemissies.
Kunt u deze lijst sorteren/specificeren naar sector en naar regio/gemeente, waarbij privéadressen niet nodig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bij deze bedrijven/vergunningen aangeven wat de vergunde en de werkelijke uitstoot is (latente ruimte)?
Er is geen zicht op de latente ruimte in de vergunningen. De uitstoot is weliswaar geregistreerd in de emissieregistratie, maar de vergunde uitstoot wordt niet centraal geregistreerd. Dit geldt voor zowel de vergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als die op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daar komt bij dat Wnb-vergunningen worden verleend voor activiteiten en niet voor uitstoot.
Kunt u bij deze bedrijven/vergunningen aangeven welke natuurgebieden het meest direct geraakt worden door de depositie?
Er wordt op dit moment gewerkt aan het op orde krijgen van informatie met betrekking tot depositie op specifieke Natura 2000-gebieden. Daarvoor wordt een methode gehanteerd die leidt tot het inzicht in de totale depositie en de ontwikkeling daarvan per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Per gebied kan vervolgens worden nagegaan wat de opgave is ten aanzien van depositiereductie en kan een koppeling gemaakt worden met de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Provincies werken daarom met stikstofanalyses die inzicht geven in de totale depositie op habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden en de ontwikkeling daarvan. Die informatie wordt gebruikt in de natuurdoelanalyses die inzichtelijk maken in hoeverre per Natura 2000-gebied voldaan wordt aan de vereisten uit de Habitatrichtlijn en wat de resterende opgave is voor het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen. Dit vormt de basis voor samenhang tussen bron- en natuurmaatregelen en is input voor de gebiedsplannen die in 1 juli 2023 gereed zijn. Bij het vormgeven van een gebiedsgerichte aanpak wordt bekeken welke bronmaatregelen het meest passend zijn.
Kunt u bij elk van deze vergunningen aangeven wanneer de vergunning voor het laatst is herzien volgens de richtlijnen voor de beste beschikbare technieken (BBT/BREF) en tot hoeveel minder uitstoot dat heeft geleid?
De richtlijnen voor beste beschikbare technieken (BBT en BREF) leiden niet tot een aanpassing van de Wnb-vergunning, maar wel tot een aanpassing van milieuvergunningen. Veel van de bedrijven uit bijlage I en II – in het bijzonder de industriële bedrijven, maar ook grote varkens- en pluimveehouderijen – vallen onder de werkingssfeer van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). Op grond van artikel 5.10 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht geldt voor deze bedrijven een actualisatieplicht van de milieuvergunning (waarbij vergunning en bedrijf binnen 4 jaar na publicatie van het relevante BBT-referentiedocument aangepast moeten zijn). Deze actualisatie gebeurt door het bevoegd gezag en ik heb daarom geen inzicht in de vraag tot hoeveel minder uitstoot dit leidt.
Kunt u bij deze bedrijven aangeven hoeveel directe werkgelegenheid hiermee is gemoeid?
Een vergunning in het kader van de Wnb wordt afgegeven op activiteitsniveau. Soms betreft een activiteit een heel bedrijf, vaker een onderdeel van wijziging van een bedrijf. Er zijn ook bedrijven die – omdat zij al activiteiten ontplooiden voordat Natura2000-gebieden werden aangewezen – geen Wnb-vergunning voor (een deel van hun bedrijf) hoeven te hebben. De depositie van een bedrijf is dus niet rechtstreeks gecorreleerd aan de vergunningsstatus. Het is daarnaast voor een bedrijf ook mogelijk om één activiteit niet meer uit te voeren. Daarmee is geen uitspraak te doen over de directe werkgelegenheid die hiermee is gemoeid.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Stikstofproblematiek van 31 maart?
U heeft de beantwoording ontvangen voor het hoofdlijnendebat van 6 april jl. en binnen de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen (met inbegrip van het gevraagde uitstel).
De mensenrechtensituatie in Oeganda |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het interview met Oegandese oppositieleider Bobi Wine gelezen in de NRC onder de titel «Stop met het machtig maken van de dictator in Oeganda?»1
Ja.
Hoe reageert u op Bobi Wine’s boodschap dat Museveni verantwoordelijk is voor grootschalig politiegeweld, stembusfraude en martelingen? Welke invloed heeft dit op de relatie tussen Nederland en Oeganda? En hoe verhouden deze zich tot de handelsbelangen die Nederland heeft met Oeganda?
In aanloop naar de verkiezingen van 2021 heeft in Oeganda grootschalig politiegeweld plaatsgevonden2. Ook vernamen wij uit verschillende betrouwbare bronnen dat er martelingen hebben plaatsgevonden.
De Hoge Vertegenwoordiger van de EU heeft3 op 20 januari 2021 via een publieke verklaring kennis genomen van de uitslag van de verkiezingen en diepe zorgen uitgesproken over de rol van de veiligheidsdiensten, inperking van het internet en de intimidatie van politieke actoren en het maatschappelijk middenveld.
Ook Nederland heeft herhaaldelijk zorgen geuit over de verslechterende situatie, zoals recentelijk nog tijdens het bezoek van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De brede relatie tussen Nederland en Oeganda is met name gericht op het vergroten van perspectief voor de bevolking, de opvang van anderhalf miljoen vluchtelingen en de verdere versterking van de economische relaties. Mede door deze brede relatie heeft Nederland de mogelijkheid om zorgwekkende ontwikkelingen bij Oegandese autoriteiten aan de orde te stellen. Zie ook het antwoord op vraag zes.
In hoeverre en op welke wijze onderneemt u diplomatieke actie om de twee NUP-parlementariërs vrij te krijgen, die sinds de zomer gevangen zijn genomen op beschuldiging van terrorisme en moord zonder enig bewijs? Kunt u deze verder toelichten?
In EU-verband heeft de Nederlandse ambassade bij verschillende instanties navraag gedaan naar deze zaak. Omdat het een lopende zaak betreft wordt er door de Oegandese overheid geen toelichting op gegeven.
Ook in het kader van het Nederlandse voorzitterschap in 2021 van de zogenaamde JLOS-donorgroep (de groep donoren die steun geeft aan de Justice, Law and Order-sector: het geheel van 18 overheidsinstellingen op het terrein van rechtspraak, politie en gevangeniswezen) heeft Nederland zich regelmatig bij de Oegandese autoriteiten uitgesproken over het belang van het naleven van de Grondwet binnen de justitieketen. Nederland zal bilateraal en in EU-verband navraag blijven doen naar de gevangenneming van de twee NUP-parlementariërs en aandringen op een tijdig en eerlijk proces.
Welke overwegingen maakt u in het (via de Nederlandse ambassade) bezoeken en steunen van politieke en gewetensgevangenen onder het bewind van Museveni?
Nee dat klopt niet. De Nederlandse ambassadeur staat daar wel voor open. Medewerkers van de Nederlandse ambassade in Kampala bezoeken ook Oegandese gevangenissen. De afgelopen twee jaar was het bezoek aan gevangenissen echter moeilijk en soms onmogelijk. Dit had te maken met de COVID-19 pandemie en de enorme overbevolking van de gevangenissen waardoor ze voor buitenstaanders gesloten waren. Daarnaast zet de ambassade zich actief in door het bijwonen van rechtszaken tegen mensenrechtenverdedigers.
Welke overwegingen maakt u in de keuze om mensenrechtenschendingen van het Museveni-bewind publiekelijk te veroordelen en deze te bestrijden in bilateraal dan wel EU-verband?
Nederland heeft zich de afgelopen twee jaar regelmatig uitgesproken over de slechte mensenrechtensituatie en de krimpende maatschappelijke en politieke ruimte in Oeganda. Nederland heeft daarbij voorkeur voor gezamenlijk optrekken met EU-lidstaten en met andere gelijkgezinde partners – bijvoorbeeld de VS of het VK – omdat de boodschap daarmee aan gewicht wint. Een recent voorbeeld van gezamenlijk optreden is de lokale EU-verklaring van 7 februari jl. over martelingen4.
Daarnaast spreekt Nederland zich ook bilateraal kritisch uit als de situatie daarom vraagt. Nederland doet dat tevens achter gesloten deuren, zoals in het recente onderhoud van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking met de Oegandese premier en de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken, of publiekelijk, zoals onlangs in het kader van de Universal Periodic Review van de VN-Mensenrechtenraad.
Welke condities op het gebied van mensenrechten, democratie en goed bestuur verbindt u aan bilaterale (ontwikkelings)hulp en welke consequenties verbindt u aan het niet nakomen van deze condities? Kunt u dit toelichten met voorbeelden?
Nederland hecht groot belang aan het naleven van mensenrechten, het behoud van democratische ruimte en goed bestuur. Nederland heeft in contacten met de Oegandese autoriteiten dan ook benadrukt dat negatieve ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse inspanningen waar die direct ten goede komen aan de overheid, in lijn met eerdere besluiten zoals het aanhouden van de slotbetaling (van € 850.000) van het inmiddels afgelopen samenwerkingsverband met de al genoemde JLOS-sector. Deze betaling blijft aangehouden totdat duidelijk is op welke manier de overheid werk maakt van accountability ten aanzien van het politiegeweld rondom de verkiezingen. Ook wordt op dit moment de effectiviteit van de samenwerking met de JLOS-sector in zijn geheel, ook in de context van de verslechterde situatie, geëvalueerd.
Klopt het dat de afgelopen nationale verkiezingen niet onder internationaal toezicht stonden?
De verkiezingen zijn waargenomen door delegaties van de East African Community (EAC) en de Intergovernmental Authority on Development (IGAD). Er was echter geen sprake van een formele EU-waarnemersmissie. Wel bezochten medewerkers van EU-ambassades, waaronder de Nederlandse ambassade, kieslokalen op de verkiezingsdag.
Kunt u ervoor pleiten dat de volgende Oegandese nationale verkiezingen onder toezicht komen te staan van een internationale observatiemissie ter controle van democratische grondbeginselen? Zo nee, waarom niet?
Nederland onderschrijft in algemene zin het belang van internationale observatiemissies en zal zich er in EU-verband voor inzetten dat de EU de volgende verkiezingen in Oeganda wel waar kan nemen. Daarvoor is het overigens wel nodig dat de Oegandese autoriteiten de EU formeel uitnodigen. Ook in contacten met de autoriteiten zal Nederland zich daarvoor inspannen.
In hoeverre en op welke wijze zet u zich in om ervoor te zorgen dat de Oegandese autoriteiten de aanbevelingen van voorgaande internationale observatiemissies alsnog aanneemt en implementeert?
In de aanloop naar de verkiezingen van 2021 is er door de EU en gelijkgezinde partners op technisch niveau met de Oegandese autoriteiten gewerkt aan de uitvoering van de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemers uit 2016. De volgende nationale verkiezingen staan gepland voor 2026. Het is gebruikelijk om de lessen van de vorige verkiezingen te gebruiken bij de voorbereiding van nieuwe verkiezingen, en de waarneming ervan.
Klopt het dat de Nederlandse ambassadeur niet open staat voor bezoeken aan Oegandese gevangenissen? Zo ja, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kijkt u naar de mate van geweld dat wordt gebruikt door de Oegandese autoriteiten om politieke oppositie in de kiem te smoren?
Nederland maakt zich ernstige zorgen over het toegenomen geweld en de groeiende inperking van maatschappelijke en politieke ruimte en heeft die zorgen regelmatig en ook op hoog niveau aangekaart. Om die reden zet Nederland zich – met diplomatieke inzet via bilaterale en multilaterale sporen en met financiële ondersteuning van organisaties in Oeganda – actief in voor de bevordering van mensenrechten en het behoud van maatschappelijke en politieke ruimte.
In hoeverre werkt Nederland samen met Europese en Amerikaanse partners in Oeganda om de justitiële macht in Oeganda te verbeteren?
Nederland draagt, samen met andere donoren al 20 jaar bij aan het hierboven genoemde JLOS-programma. Capaciteitsopbouw van de overheid en het versterken van het commitment van de overheid om de gehele keten te versterken zijn belangrijke overwegingen geweest om met de overheid samen te werken. Bovendien biedt die samenwerking additionele ingangen om zowel op technisch als op hoger niveau zaken als mensenrechtenschendingen, straffeloosheid en corruptie aan te kaarten.
De laatste overeenkomst met de JLOS sector, met een Nederlandse bijdrage van EUR 17 miljoen, liep van 2017 tot de zomer van 2021. Sinds 2015 is steun aan het JLOS-programma beperkt tot activiteiten die gericht zijn op het wegwerken van achterstanden in rechtszaken (case backlog), het faciliteren van specifieke rechtszaken over seksueel en gender gerelateerd geweld, kinderrechten, vluchtelingenrecht, transitional justice en commercial justice. Zoals ook gemeld in het antwoord op vraag 6 wordt op dit moment een evaluatie van de afgelopen Nederlandse steun aan het JLOS-programma uitgevoerd, ook om een gedegen besluit te kunnen nemen over een eventueel vervolg van de Nederlandse samenwerking.
Bent u bereid een proactieve rol te nemen in het bevorderen van dialoog tussen de Oegandese regering, de Europese partners en de Verenigde Staten om de mensenrechtensituatie en de grove overtredingen door de politionele macht een halt toe te roepen?
Ja. Nederland doet dat al geruime tijd. Nederland zette zich daar bijvoorbeeld voor in, in het kader van het eerdere voorzitterschap van de JLOS-donorgroep, in gesprekken over de invulling van de politieke dialoog van de EU met de Oegandese autoriteiten, tijdens verschillende overleggen met gelijkgezinde partners op hoofdstedenniveau en in het kader van de EU-raadswerkgroep over Afrika. Nederland heeft zich binnen de EU hard gemaakt voor een spoedig bezoek aan Oeganda van de EU Speciale Vertegenwoordiger voor Mensenrechten.
De situatie van Nederlanders in Rusland en het reisadvies van de Rijksoverheid voor Rusland. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat de dreiging van Russische militaire agressie tegen Oekraïne ook risico’s voor Nederlanders in Rusland met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft zeer grote zorgen over de effecten van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne. Uw Kamer heeft op 26 februari jl. een Kamerbrief ontvangen over de huidige situatie en de Nederlandse inzet.
Als gevolg van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne ontraadt het Ministerie van Buitenlandse Zaken in het reisadvies voor Rusland alle reizen naar de aan Oekraïne grenzende oblasten (provincies) Branskaya, Kurskaya, Belgorodkaya, Voronezhkaya en Rostovskaya. Het reisadvies voor heel Rusland, naast de rode gebieden, is oranje met het advies alleen noodzakelijke reizen te maken. Ook wordt er een dringende oproep gedaan aan Nederlanders in Rusland om te overwegen of hun verblijf echt noodzakelijk is. Er wordt daarnaast melding gemaakt van onzekerheden over internationaal vliegverkeer en betalingsverkeer. Zo is er een waarschuwing opgenomen dat het niet langer mogelijk is om met alle buitenlandse bankpassen en creditcards te pinnen en geld op te nemen.
De ontwikkelingen met betrekking tot de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne volgen elkaar in hoog tempo op. Hoewel het kabinet hecht aan zowel zorgvuldige als actuele informatievoorziening aan de Kamer kunnen nieuwe aanpassingen in het reisadvies na verzending van deze antwoorden niet worden uitgesloten.
Er zijn bij het kabinet geen signalen bekend van een potentiele dreiging gericht tegen Nederlandse burgers die in Rusland verblijven. Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen, waarbij ook nauw contact wordt gehouden met internationale partners.
Hoe groot acht u de kans dat Rusland, in het geval van militair conflict met Oekraïne, besluit tot vergeldingsmaatregelen tegen in Rusland verblijvende Westerse staatsburgers in het algemeen en Nederlandse staatsburgers in het bijzonder?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans, in het geval van militair conflict tussen Rusland en Oekraïne, dat het vliegverkeer tussen grote Russische steden en Europa stil komt te liggen?
Het antwoord op deze vraag zal worden meegenomen in de beantwoording door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van de vragen van de leden Boucke en Sjoerdsma (beiden D66) over het bericht «Groot-Brittannië doet Aeroflot in de ban als gevolg van Russische agressie»
(https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2022Z03845&did=2022D07902).
Bent u bekend met het Amerikaanse reisadvies voor Rusland (level 4 op een schaal van 1–4) en het feit dat de Verenigde Staten haar burgers afraadt om naar Rusland te reizen in verband met het Russische conflict met Oekraïne, de mogelijkheid van intimidatie van Amerikaanse burgers door Russische (veiligheids)diensten, de beperkte assistentiemogelijkheden in Rusland en de mogelijkheid van het arbitraire gebruik van lokale wetgeving jegens buitenlanders?1
Ja.
Hoe oordeelt u, indachtig het Amerikaanse reisadvies, over het huidige reisadvies van de rijksoverheid voor Nederlanders in Rusland of Nederlanders met de intentie om naar Rusland te reizen?
Tijdens het debat over Oekraïne deed ik de toezegging om te kijken naar de tekst van het reisadvies voor Rusland. De tekst is inmiddels aangescherpt met een dringende oproep aan Nederlanders om te overwegen of verblijf echt noodzakelijk is, waarbij specifiek benadrukt wordt dat dit zeker geldt voor mensen die tijdelijk in Rusland zijn, zoals studenten of zakenreizigers. Voor Nederlanders die permanent gehuisvest zijn in Rusland luidt het advies om na te denken over tijdig vertrek en te zorgen voor een noodpakket.
Het kabinet heeft alle beschikbare informatie over (mogelijke) risico’s voor Nederlanders in Rusland afgewogen om tot het huidige reisadvies te komen. Dat advies is in lijn met het advies van andere EU-landen. Uit het VS reisadvies blijkt dat de VS specifieke risico’s voor de eigen burgers ziet. Het kabinet schat de risico’s voor Nederlandse burgers anders in.
Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen en in nauw contact met internationale partners.
Klopt het dat de kleurcode in het reisadvies voor het overgrote deel van Rusland geel is? Zo ja, is dat niet achterhaald en zouden de risico’s, zoals ook omschreven in het Amerikaanse reisadvies, niet nadrukkelijker moeten worden benoemd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 1 en 2 zijn er meerdere wijzigingen doorgevoerd in het reisadvies voor Rusland naar aanleiding van de Russische aanvalsoorlog in Oekraïne. Bij het kabinet zijn geen signalen bekend van een potentiële dreiging tegen Nederlandse burgers die in Rusland verblijven. Wel worden alle Nederlanders in Rusland opgeroepen overal waakzaam te zijn. Daarnaast wordt in het reisadvies verwezen naar een crisispagina op www.nederlandwereldwijd.nl met informatie over stappen die mensen kunnen nemen bij een dreigende crisis waarbij ook wordt ingegaan op het belang van een tijdig besluit over vertrek. Ook organiseerden de Nederlandse Ambassade in Moskou en het Consulaat-Generaal in Sint-Petersburg op 1 maart jl. een online bijeenkomst voor alle Nederlanders die zich bij de BZ informatieservice hadden geregistreerd. Tijdens de bijeenkomst gaf de Nederlandse Ambassadeur een toelichting op de huidige ontwikkelingen, werd de boodschap van het reisadvies benadrukt en was er een mogelijkheid tot het stellen van vragen.
Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen en zal het reisadvies aangepast worden indien nodig. Ook blijft het Kabinet in nauw contact met internationale partners.
Zouden Nederlanders niet moeten worden gewaarschuwd en worden geadviseerd alleen bij zeer dringende redenen nog naar Rusland af te reizen zolang de mogelijkheid tot militair conflict tussen Rusland en Oekraïne zo urgent is als nu?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u ook in Rusland de oproep gedaan aan Nederlandse staatsburgers om zich te laten registreren, zodat u beter zicht heeft op de Nederlanders in dat land?
In het reisadvies voor Rusland worden Nederlanders in Rusland opgeroepen om zich te registreren bij de ambassade via de informatieservice van Buitenlandse Zaken.
Kunt u deze vragen gezien de urgentie van de situatie zo snel mogelijk beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘CBS past indeling rond migratie aan’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «CBS past indeling rond migratie aan na consultatie externe partijen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de nieuwe indeling rond migratie die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voornemens is te gaan toepassen?
De WRR adviseerde in de publicatie «Migratie en Classificatie: naar een meervoudig migratie-idioom» in 2016 om de term «allochtoon» niet langer te gebruiken, omdat deze uitsluitende effecten sorteerde én in plaats daarvan de term (migratie)achtergrond te hanteren. Ook adviseerde de WRR de classificatie «westers» en «niet-westers» te verlaten. Mijn ambtsvoorganger heeft destijds in een brief aan uw Kamer2 aangegeven het voorstel ten aanzien van de terminologie goed bruikbaar te vinden en dat over te nemen.
Naar aanleiding van ditzelfde WRR-advies is CBS een traject gestart om na te gaan welke categorisering de oude indeling «westers» en »niet-westers» zou kunnen vervangen. De indeling die CBS nu presenteert is gebaseerd op geografische herkomstgebieden, kent verschillende niveaus van nauwkeurigheid en komt daarmee tegemoet aan de eisen zoals die in 2016 door de WRR3 zijn gesteld bij de beoordeling van de geschiktheid van clusters en termen. Ik verwacht dat de nieuwe indeling dan ook goed bruikbaar is als basis voor beleidsinformatie.
Kunt u aangeven op welke manier de overheidscorrespondentie en beleidsterminologie naar aanleiding van deze nieuwe indeling van het CBS zal worden aangepast?
Het CBS kiest voor de term «migranten» om personen aan te duiden die buiten Nederland geboren zijn en voor «kinderen van migranten» voor personen die in Nederland geboren zijn, en tenminste één in het buitenland geboren ouder hebben. De rijksoverheid gaat echter – net zoals het CBS – over zijn eigen woorden en op dit moment is de keuze nog niet gemaakt of het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de terminologie van het CBS zal volgen, of dat de in 2016 door het CBS ingevoerde termen in gebruik zullen blijven, dan wel een variant hierop zal worden gehanteerd. Momenteel wordt er verkend wat de voor- en nadelen van het gebruik van de verschillende termen zijn. Ik wil de uitkomsten van die verkenning afwachten. Ik zal de verkenning samen met mijn visie hierop met de Kamer delen.
Kunt u aangeven hoe de nieuwe indeling van het CBS precies tot stand is gekomen, wat hierbij de afwegingen waren en wat de precieze input was van de gesprekspartners waarmee het CBS heeft gesproken? Wat was de precieze input van de politie?
Het CBS heeft onder andere in een aantal consultaties informatie ingewonnen over de bruikbaarheid van alternatieve indelingen die de verouderde classificatie in «westers», «niet-westers» en «autochtoon» zouden kunnen vervangen. Het CBS is als kennisinstituut onafhankelijk in zijn wetenschappelijke en methodische afwegingen en ik heb geen inzicht in de afwegingen van het CBS, noch in de precieze input van deelnemers.
Met welke gesprekspartners heeft het CBS over de nieuwe indeling gesproken?
Het CBS geeft in het web-artikel aan dat tijdens twee rondetafelgesprekken is gesproken met onder meer vertegenwoordigers van belangengroepen van migranten, de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, ministeries, universiteiten, het NIDI, Pharos, consultancybureaus en de politie.
Deelt u de mening dat iedere indeling langs lijnen van afkomst altijd ook de gemeenschappelijke identiteit zou moeten benadrukken, en dat het daarom dan ook van belang is om te spreken van «Nederlanders» (het zogenoemde koppeltekenmodel)? Zo neen, waarom niet?
De kern van de kritiek die de WRR in 2016 uitte over de termen «allochtoon», «autochtoon», «westers» en «niet-westers» was dat zij negatieve connotaties hadden en daarmee een uitsluitende werking. De performatieve eisen die de WRR formuleerde4 bij het ontwikkelen van nieuwe clusteringen en termen, sluiten hierop aan: termen zouden zo min mogelijk een uitsluitende werking moeten hebben, geen negatieve associaties moeten oproepen en zoveel mogelijk nevenschikkend en niet onderschikkend moeten zijn. Die eisen onderschrijf ik. De WRR kwam vervolgens na een gedegen onderzoek met het advies om de term «achtergrond» te hanteren. Dit advies is destijds5 door het kabinet gevolgd. In de onder antwoord 3 genoemde verkenning van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal worden afgewogen of het de voorkeur geniet om die termen nu (opnieuw) te vervangen.
In hoeverre is een indeling waarin mensen worden geclassificeerd als «migrant» of «kind van een migrant» volgens u inclusief te noemen?
Dit aspect maakt onderdeel uit van de onder antwoord 3 genoemde verkenning. Ik wil de uitkomsten van die verkenning afwachten.
Deelt u de mening dat met iedere indeling rond herkomst terughoudend dient te worden opgetreden, en dat deze indeling bijvoorbeeld alleen gebruikt kan worden voor het vergroten van de kansengelijkheid, het vergaren van wetenschappelijke kennis en het wegwerken van achterstanden? Zo neen, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat terughoudendheid gepast is bij het verzamelen van informatie naar herkomst. Zorgvuldige afweging van dataverzameling naar herkomst en duidelijke communicatie over de context van publicatie van deze cijfers is van belang. Tegelijkertijd zijn dit soort inzichten naar herkomst onontbeerlijk voor een evidence-based beleidsontwikkeling en -evaluatie.
De verbreding van het fietspad langs de Maasbrug tussen Gennep en Oeffelt. |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het berichten: «ministerie en Rijkswaterstaat geven geen prioriteit aan verbreding fietspad Maasbrug»1 en «Koen maakte een enorme smak van gevaarlijke fietsbrug bij Gennep: «mijn jongste moet straks ook over die brug»»?2
Ja.
Kunt u aangeven of het klopt dat de verbreding van het fietspad langs de Maasbrug tussen Gennep en Oeffelt er voorlopig niet lijkt te komen, mede doordat het ministerie en Rijkswaterstaat hier geen prioriteit aan geven? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Er was met de regio afgesproken dat er zou worden gekeken of er voordeel te behalen was door de regionaal gewenste verbreding van het fietspad mee te nemen in het project «Ruimte voor de Maas bij Oeffelt». Dat blijkt helaas niet zo te zijn: er zijn voor dat project namelijk geen werkzaamheden aan het brugdek, waar het fietspad op ligt, nodig. Bovendien blijkt dat het meenemen van de verbreding het originele project mogelijk zou vertragen. Daarom is aan de regio voorgesteld de verbreding, los van de meekoppelkans te bespreken tijdens de Bestuurlijke Overleggen MIRT dit najaar. Daarbij is het ministerie wel transparant geweest over het feit dat er binnen IenW geen ruimte is voor de gevraagde financiële bijdrage (1/3e van de totale kosten) en dat de personele capaciteit, met name voor het benodigde technisch onderzoek, momenteel beperkt is.
Ziet u mogelijkheden om de verbreding gelijktijdig uit te voeren met de werkzaamheden Flessenhals Maas? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of het klopt dat de fietsverbinding niet voldoet aan de landelijke normen voor tweerichtingsfietspaden? Zo ja, op welke termijn moet de fietsverbinding hier wel aan voldoen?
Er zijn voor fietspaden geen normen waaraan voldaan moet worden, alleen CROW ontwerprichtlijnen. Die richtlijnen geven onder meer aan hoe breed een fietspad idealiter zou moeten zijn bij een bepaalde hoeveelheid fietsers per dag. Gezien het huidige intensieve gebruik van het fietspad over de brug is dit fietspad volgens die richtlijnen te smal. Dat verklaart ook de regionale wens om het fietspad te verbreden.
Hoe kijkt u aan tegen de suggestie van gemeente Gennep en Land van Cuijk om tot een snellere aanpassing over te gaan, mede in het licht van de naar verluidt al gereserveerde gelden van de provincies Limburg en Noord Brabant voor het herstel van de brug?
Het Ministerie van IenW en Rijkswaterstaat zijn natuurlijk bereid om mee te denken en te kijken wat er mogelijk is om een snellere aanpassing te faciliteren. De kosten van het meenemen van een regionale wens in een project van Rijkswaterstaat zijn echter in principe altijd voor rekening van de regionale indiener(s) en dat geldt ook voor deze verbreding. Daarbij zal ook moeten worden bekeken wat er mogelijk is binnen de beperkt beschikbare capaciteit.
Bent u bereid een gesprek te laten plaatsvinden tussen het ministerie, Rijkswaterstaat en de verschillende betrokken partijen? Zo ja, op welke termijn zou dit plaats kunnen vinden?
In het kader van het Nationaal Toekomstbeeld Fiets wordt het door de medeoverheden gewenste hoofdfietsroutenetwerk uitgewerkt. Rijkswaterstaat inventariseert samen met de provincies mogelijke fietsknelpunten op dit hoofdroutenetwerk op zijn eigen areaal. Dit maakt het mogelijk om deze knelpunten te bespreken in de Bestuurlijke Overleggen MIRT. In dat licht kan de verbreding van het fietspad op de Maasbrug worden geagendeerd voor het Bestuurlijk Overleg MIRT dit najaar. Er is regelmatig contact tussen het ministerie, Rijkswaterstaat en de betrokken overheden. Mocht de regio de wens hebben om op eigen kosten de brug aan te passen dan hoeft het gesprek hierover uiteraard niet te wachten op de formele MIRT-overleggen.
Het bericht 'Ik dacht dat beleggen voor vermogende mannen was' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ik dacht dat beleggen voor vermogende mannen was»?1
Ja.
Wat vindt u van de volgende conclusies van het onderzoek van ABN Amro en McKinsey:
Ik vind het zeer ongewenst als vrouwen relatief meer barrières ervaren in de financiële dienstverlening en minder kansen krijgen bij het aantrekken van financiering. Uit onder andere onderzoek van Nibud, in opdracht van Wijzer in geldzaken2, blijkt dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in de groep financieel kwetsbaren. Een belangrijke factor hierbij is dat zij vaker (36%) dan mannen (20%) niet economisch zelfstandig zijn (2020, CBS). Bij een scheiding is de inkomensterugval bij vrouwen vaak veel groter dan bij mannen en komt een deel van hen in een financieel kwetsbare positie terecht. Dit blijkt ook wel uit het feit dat alleenstaande vrouwen met kinderen vaker in armoede leven en te maken hebben met financiële problemen.3 Ook onderzoek van de OESO laat zien dat de financiële geletterdheid van vrouwelijke ondernemers in Nederland lager is dan die van mannen.4
Denkt u dat op bovenstaande conclusies actie nodig is om te kijken hoe de financiële sector vrouwen beter kan ondersteunen? Zo ja, hoe zouden zulke acties er volgens u uit kunnen zien en moeten die volgens u vanuit de overheid komen, vanuit de sector, of vanuit beide?
Ja, dit vergt inzet van alle betrokken partijen. Onderzoek wijst uit dat financieel kwetsbare groepen, waartoe ook vrouwen kunnen behoren, allerlei barrières ervaren bij het ondernemen van acties die financiële problemen kunnen voorkomen en bij het op tijd inschakelen van hulp. Ook is er steeds meer bekend over de gevolgen van financiële stress op het brein, waardoor het moeilijker wordt om zelf in actie te komen om problemen op te lossen.
In het leernetwerk financieel kwetsbare groepen bundelen de partners van het platform Wijzer in geldzaken (het Ministerie van Financiën, de Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, de Pensioenfederatie, de AFM, DNB en het Nibud) hun krachten om in de financiële sector aandacht te besteden aan financieel kwetsbare groepen en te zien wat werkt voor deze groepen. Wijzer in geldzaken heeft een gezamenlijke aanpak geformuleerd, met onder andere een waaier met tien bouwstenen5 voor professionals. Die bevat praktische tips, inspiratie en hulpmiddelen om financieel kwetsbare groepen (waaronder vrouwen) beter te bereiken en te helpen.
Zoals ook uit het onderzoek van ABN Amro en McKinsey blijkt, kunnen banken bijvoorbeeld toegankelijkere en inclusievere taal gebruiken. Het is aannemelijk dat meer aandacht voor vrouwen zal leiden tot betere maatschappelijke uitkomsten en tot betere inkomsten voor ondernemingen. Dit wordt al gezien door bijvoorbeeld financieel adviesbureaus die zich specifiek op vrouwen richten.6 Een ander voorbeeld is een wereldwijd netwerk van banken dat er op gericht is om de financiële dienstverlening aan vrouwen te verbeteren.7 Dit netwerk benadrukt net als de onderzoekers van ABN Amro en McKinsey dat vrouwen een belangrijke klantgroep zijn. Vrouwen nemen namelijk vaak financiële beslissingen voor het huishouden, hun inkomens groeien8 en ze bouwen steeds meer vermogen op.
Wat vindt u van het grote verschil in perspectief tussen wat banken denken dat vrouwelijke klanten nodig hebben en waar ze daadwerkelijk behoefte aan hebben?
Dit is een indicatie dat financiële instellingen hun omgang met vrouwelijke klanten nog sterk kunnen verbeteren. Het initiatief van ABN Amro om de verbetermogelijkheden te onderzoeken en de interesse van andere banken voor de uitkomsten, zie ik als een positief signaal.
Bent u met hoogleraar economie Esther-Mirjam Sent eens dat de financiële geletterdheid van vrouwen én mannen in ieder geval moet worden verbeterd? Zo ja, wat moet er gedaan worden en wie zou die rol volgens u moeten oppakken?
Ja. Het kabinet onderschrijft het belang om informatie over geldzaken en financiële dienstverlening laagdrempelig en toegankelijk te houden, zodat niet alleen vrouwen maar alle financieel kwetsbare groepen worden bereikt en geholpen. Daarnaast is het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden een belangrijk speerpunt van dit kabinet. De komende periode zet het kabinet onder meer in op meer financiële educatie, onder andere via de inspanningen van Wijzer in geldzaken. De genoemde inspanningen van Wijzer in geldzaken en haar partners zijn erop gericht om alle financieel kwetsbaarheden op een betere manier te bereiken.
De zuidelijke vaarroute op de Waddenzee voor grote containerschepen |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het schip CSCL Pacific Ocean (400 meter) op 1 februari jl. ondanks Navigational Text Messages (NAVTEX)-waarschuwingen van de kustwacht de noordelijke Waddenroute te nemen, koos voor de zuidelijke route bij een windkracht 7 tot 8?
Het schip was onderweg van Bremerhaven naar Rotterdam en heeft daarbij op 1 februari jl. de zuidelijke route genomen. Uit navraag bij de Duitse autoriteiten blijkt dat ten tijde van de routekeuze van het schip de golfhoogte nog beneden de risicogrens was en er nog niet actief werd gewaarschuwd.
Kunt u bevestigen dat het schip GFS Perfect (238 meter) op 17 februari jl. ondanks NAVTEX-waarschuwingen van de kustwacht de noordelijke Waddenroute te nemen, koos voor de zuidelijke route?
Ja. Het schip was onderweg van Mawan (China) naar Cuxhaven (Duitsland) en is door de Kustwacht aangeroepen via de marifoon (VHF) met het advies om de noordelijke route te volgen, maar dit advies is niet opgevolgd. Tijdens het Tweeminutendebat Maritiem op 2 februari jl. heb ik toegezegd te zullen bezien wat de mogelijkheden zijn om de kapitein in voorkomende gevallen te laten weten dat het advies van de Kustwacht niet vrijblijvend is. Ik streef ernaar u voor het volgende Commissiedebat Maritiem nader te informeren.
Kunt u bevestigen dat het schip COSCO Vietnam (334 meter) op 18 februari jl. ondanks NAVTEX-waarschuwingen van de kustwacht de noordelijke Waddenroute te nemen, koos voor de zuidelijke route bij een golfhoogte van 5,5 tot 6,5 meter?
Het schip was onderweg van Bremerhaven naar Antwerpen en heeft daarbij volgens de Kustwacht op 18 februari de zuidelijke route genomen. Toen het schip op Duits gebied voor de zuidelijke route koos, was de golfhoogte minder dan 4,5 meter. Ook toen het schip de Nederlandse wateren opvoer (rond 07:00 uur), was de golfhoogte minder dan 4,5 meter. Pas toen het schip al ter hoogte van Terschelling was, werd er een navigatiebericht verzonden waarin een golfhoogte van meer dan 4,5 meter werd aangegeven. De wind kwam die dag uit het west tot zuidwesten, waardoor het schip in de zuidelijke route geen hinder had van dwarsscheepse golven.
Hoe weegt u het feit dat in drie weken tijd bij onstuimig weer minstens drie grote schepen de waarschuwingen van de kustwacht in de wind slaan, met alle risico’s voor het UNESCO Waddengebied van dien?
De Kustwacht geeft een dringend advies waar schepen niet lichtvaardig mee omgaan; het beeld van de Kustwacht is dat het advies over het algemeen goed wordt opgevolgd. Ook in de genoemde drie weken heeft volgens de Kustwacht slechts één groot containerschip (de GFS Perfect) zich niet aan het advies gehouden.
Kunt u aangeven hoeveel containerschepen met een lengte van 100 tot 200 meter jaarlijks door het zuidelijke verkeerscheidingsstelsel boven de Wadden varen?
Tussen 1 december 2020 en 28 februari 2022 hebben volgens AIS-gegevens 6.420 containerschepen met een lengte van 100 tot 200 meter het zuidelijke verkeersscheidingsstelsel boven de Waddeneilanden bevaren, zowel oostgaand (richting Duitsland) als westgaand (komend vanaf Duitsland).
Hoeveel van deze schepen varen deze route terwijl de navigatiewaarschuwing om dit niet te doen en de noordelijke route te nemen van kracht is?
Het advies van de Kustwacht om de noordelijke route te nemen onder bepaalde weersomstandigheden is van toepassing op containerschepen met een lengte van meer dan 200 meter, maar niet op containerschepen met een lengte van 100 tot 200 meter (de zogenaamde feeders). Feeders wordt vanaf een bepaalde golfhoogte geadviseerd om de noodzakelijke maatregelen te nemen om containerverlies tegen te gaan en eventueel een alternatieve koers aan te houden om dwarsscheepse golven te vermijden. Mijn ambtsvoorganger heeft u op 26 mei 2021 per brief hierover geïnformeerd1.
Kunt u aangeven hoeveel containerschepen met een lengte van meer dan 200 meter jaarlijks door het zuidelijke verkeerscheidingsstelsel boven de Wadden varen?
Tussen 1 december 2020 en 28 februari 2022 hebben volgens AIS-gegevens 4.007 containerschepen met een lengte van meer dan 200 meter het zuidelijke verkeersscheidingsstelsel boven de Waddeneilanden bevaren, zowel oostgaand (richting Duitsland) als westgaand (komend vanaf Duitsland).
Hoeveel van deze schepen varen deze route terwijl de navigatiewaarschuwing om dit niet te doen en de noordelijke route te nemen van kracht is?
Tussen 1 december 2020 en 28 februari 2022 hebben volgens AIS-gegevens in oostgaande richting negen containerschepen met een lengte van meer dan 200 meter het zuidelijke verkeersscheidingsstelsel boven de Waddeneilanden bevaren tijdens de navigatiewaarschuwing. In westgaande richting waren dat volgens AIS-gegevens 23 containerschepen. De data voor de westgaande containerschepen zijn echter niet gevalideerd door de Duitse autoriteiten.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het invoeren van een actievere vorm van verkeersbegeleiding?
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer hierover op 19 november 2021 schriftelijk geïnformeerd2. Die Kamerbrief ging vergezeld van het onderzoeksrapport van Arcadis. Naar aanleiding van dat rapport vindt op dit moment afstemming plaats met Rijkshavenmeesters, Rijkswaterstaat en de Kustwacht om tot zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen omtrent verkeersbegeleiding boven de Waddeneilanden. Ik streef ernaar u voor het volgende Commissiedebat Maritiem nader te informeren.
Bent u bekend met het discussiestuk van de International Union of Marine Insurance (IUMI) «Containers lost at sea» van december 2021?
Ja.
Deelt u de conclusies van dit rapport?
Het discussiestuk gaat met name over containerverlies in relatie tot de schaalvergroting in de containervaart. Nederland heeft in IMO aangedrongen op een bredere analyse van dit vraagstuk. Voor de onderbouwing daarvan zijn de resultaten van het TopTier-project3, waarin Nederland participeert, van groot belang. Het overgrote deel van de aspecten die in het discussiestuk van IUMI worden benoemd, komt ook in het TopTier-project aan bod. Overigens heeft IUMI aangegeven niet deel te zullen nemen als consortiumpartner in het TopTier-project.
Bent u bekend met de opvatting van UNESCO over het open houden van het zuidelijke verkeerscheidingsstelsel boven de Wadden? Zo ja, wat is deze opvatting? Zo nee, bent u bereid met UNESCO in gesprek te gaan om u hiermee bekend te maken?
UNESCO heeft tot op heden geen bezwaren geuit tegen het bestaan van de zuidelijke vaarroute. Op basis van de richtlijn voor de implementatie van het Werelderfgoedverdrag4 kan UNESCO de vaarroute ook niet beoordelen: de vaarroute bestond reeds bij het instellen van het Waddengebied als werelderfgoed. UNESCO beoordeelt enkel de effecten van nieuwe activiteiten op werelderfgoed.
Bent u bereid een brede internationale alliantie (waaronder IUMI en UNESCO) te smeden ten behoeve van het sluiten van de zuidelijke vaarroute?
Over het sluiten van de zuidelijke route is uw Kamer reeds meerdere keren geïnformeerd.5 De route ligt deels buiten de territoriale wateren (12 mijl/22 km buiten de Waddenzee). Sluiting (volledig of voor specifieke schepen/onder bepaalde omstandigheden) moet daarom met instemming van IMO gebeuren. Peilingen bij IMO hebben uitgewezen dat een dergelijk voorstel weinig kans maakt. Nederland heeft daarom samen met Duitsland en Denemarken in december 2021 een niet-dwingend voorstel voor aanpassing van de routes ingediend in IMO, waarbij de advisering van containerschepen wordt opgenomen in de beschrijving van de routes. Door deze aanpassing wordt de kapitein alert gemaakt op het risico op containerverlies boven de Wadden, nog voordat hij door de Kustwacht gewaarschuwd wordt. Dit voorstel wordt naar verwachting eind juni 2022 behandeld, wanneer IMO over dit soort voorstellen vergadert.
De openbaarmaking van de brief die Cora van Nieuwenhuis tekende voor de informateur, voordat zij minister werd |
|
Laurens Dassen (Volt), Pieter Omtzigt |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen 2022Z01319 over het vertrek van Minister Cora van Nieuwenhuizen?1
Ja.
Herinnert u zich dat we heel precies vroegen om de brief, die toenmalig kandidaat-minister Cora van Nieuwenhuizen ondertekende voordat zij Minister werd in/na/bij het gesprek met de informateur en die in het blauwe boek staat, openbaar te maken?2
Ja.
Herinnert u zich dat u op dat deel van de vraag (openbaarmaking van de brief zelf) niet ingaat?
Ik herinner mij het antwoord op uw vragen.
Beseft u dat het hier gaat om de brief die op pagina 85 in de versie van het blauwe boek van 2021 luidt:
Ja
Heeft Cora van Nieuwenhuizen precies deze brief ondertekend? Of luidde de tekst net iets anders? Kunt u de precieze tekst van de brief zoals die in 2017 luidde aan de Kamer doen toekomen?
Zij heeft de standaardbrief brief ondertekend zoals vermeld op p. 85 van het blauwe boek van 2021. Het blauwe boek van 2021 is op dit punt identiek aan het blauwe boek van 2017.
Kunt u, met weglakking van de handtekening, de door Cora van Nieuwenhuis ondertekende brief openbaar maken?
Zie het antwoord op vraag 5. Hiermee is, met weglating van de handtekening en de persoonsgegevens, de inhoud van de brief volledig openbaar.
Indien u deze brief niet openbaar wenst te maken, welke belang van de staat – met het oog op de uitzonderingsgrond onder artikel 68 Grondwet – verzet zich daar dan tegen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Indien u deze ondertekende brief niet openbaar wenst te maken, wilt u dan expliciet aan de ministerraad voorleggen dat u gebruik wenst te maken van de uitzonderingsgrond onder artikel 68 en hier bij deze Kamervragen terugkoppelen waarom de ministerraad van mening is dat de brief geheim is?
Zie het antwoord op vraag 6.
Herinnert u zich dat u antwoordde «ik hoorde op 23 juli 2021 dat mevrouw van Nieuwenhuizen een nieuwe functie zou gaan bekleden»?3
Ja.
Heeft mevrouw van Nieuwenhuizen zich gehouden aan de eerste paragraaf die in vraag 4 geciteerd is?
Er is voor mij geen reden te veronderstellen dat dit niet het geval zou zijn geweest. De feitelijke gang van zaken heb ik in eerdere Kamervragen toegelicht:4 Op 28 juli 2021 heeft mevrouw van Nieuwenhuizen in aanloop naar haar benoeming een verklaring geaccordeerd waarin zij de secretaris-generaal van het Ministerie van I&W vraagt haar vanaf dat moment te attenderen op aangelegenheden die tot haar taak behoren en mogelijk direct of indirect kunnen raken aan een nieuwe functie, waarvoor zij benoeming verwacht in september 2021 en die zij na afloop van deze kabinetsperiode zou willen vervullen. Indien er raakvlakken zouden zijn met haar functie als Minister, zou zij de Minister van EZK vragen deze aangelegenheden af te doen. Deze afspraak is gemaakt om elke schijn of potentiële schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Op 26 augustus 2021 ben ik na nadere politieke weging tot het inzicht gekomen dat de benoeming niet goed samen gaat met het ambt van bewindspersoon. Mevrouw van Nieuwenhuizen is op 31 augustus 2021 door de algemene ledenvergadering van de Vereniging Energie-Nederland benoemd in haar nieuwe functie. Per diezelfde datum is tevens ontslag aan haar verleend.
Heeft mevrouw van Nieuwenhuizen zich gehouden aan de tweede paragraaf die in vraag 4 geciteerd is?
Er is voor mij geen reden te veronderstellen dat dit niet het geval zou zijn geweest.
Wie moet toezicht houden op de vraag of mevrouw van Nieuwenhuizen zich aan haar beloftes in de brief gehouden heeft? Is dat toezicht adequaat?
Het is aan de betrokken (oud-)bewindspersoon zelf te handelen overeenkomstig de brief. Gedurende de ambtsperiode geldt de ministeriële verantwoordelijkheid voor het handelen van een bewindspersoon. In de brief van 29 november 2021 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Eén daarvan is het verbrede lobbyverbod, dat per direct inging voor de op dat moment zittende bewindspersonen. Voor de andere maatregelen (draaideurverbod en een afkoelperiode van twee jaar met verplichte advisering door een onafhankelijke commissie) is wetgeving nodig. De voorbereiding daarvan is ter hand genomen. De verwachting is dat de Tweede Kamer eind 2022 het wetsvoorstel tegemoet kan zien. Het kabinet heeft geen voornemens om een vorm van toezicht op (gewezen) bewindspersonen in te richten.
Wilt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
Helaas is het niet gelukt deze vragen binnen twee weken te beantwoorden.
EHerkenning |
|
Pieter Omtzigt , Pieter Grinwis (CU), Don Ceder (CU) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de uitspraak van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2022:394) die de rechtsvraag of eiseres verplicht kon worden eHerkenning te gebruiken en derhalve deze bij een commerciële partij aan te schaffen teneinde aan haar aangifteplicht voor de loonheffing te kunnen voldoen, met een zeer duidelijk «nee» beantwoordt?
Ja.
Herinnert u zich dat uw ambtsvoorgangers meerdere keren stellig verklaard hebben dat er een wettelijke grondslag is om ondernemingen te verplichten aangifte te doen met eHerkenning (dat in tegenstelling tot DigiD niet gratis is en alleen commercieel verkrijgbaar is), bijvoorbeeld in de antwoorden op schriftelijke Kamervragen met Kamerstuknummer 2019/2020, 1120?
Ja.
Hebben de bewindspersonen op het Ministerie van Financiën of het Ministerie van Binnenlandse Zaken ooit het advies gehad dat de wettelijke grondslag voor het verplichte gebruik van eHerkenning bij de Belastingdienst voor de inwerkingtreding van de wet digitale overheid twijfelachtig is of niet klopt? Zo ja, wanneer was dat en kunt u dat advies met de Kamer delen?
Nee.
Hoe verklaart u het feit dat bijna alle politieke partijen, inclusief de coalitiefracties, grote twijfels hadden over de wettelijke grondslag en het kabinet toch gewoon doorging, zelfs zonder de Kamer tijdig en volledig te informeren?
De Belastingdienst is doorgegaan met eHerkenning zodat belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen en ondernemers, die zelf digitaal aangifte willen doen via Mijn Belastingdienst Zakelijk (MBD-Z) een inlogmiddel gebruiken dat voldoet aan de Europese eisen. Het kabinet is verder van mening dat voor het gebruik van eHerkenning een wettelijke basis bestaat in art. 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en specifiek voor het fiscale domein in art. 3a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst.1 Als het aan het kabinet ligt, wordt de wettelijke basis van eHerkenning verder verankerd in de wet Digitale Overheid (Wdo). Ik licht dit verder toe.
Voor zakelijke belastingen, zoals de vennootschapsbelasting, de loonbelasting en de omzetbelasting is het al enige jaren verplicht om digitaal aangifte te doen. Voor de vennootschapsbelasting en de loonbelasting kunnen belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen dit sinds 1 januari 2020 doen via MBD-Z. Voor de omzetbelasting geldt voor ondernemers sinds 1 januari 2022 hetzelfde. Aan de toegangsbeveiliging van informatiesystemen die persoonsgegevens verwerken zoals MBD-Z stellen de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en meer specifiek Verordening (EU) nr. 910/2014 (de zogeheten eIDAS-verordening) eisen. Zo moet het inlogmiddel voldoen aan het beveiligingsniveau «substantieel». eHerkenning (niveau 3) is het enige inlogmiddel dat dit beveiligingsniveau heeft. Ter uitvoering van de genoemde verordeningen moet daarom voor het verkrijgen van toegang tot MBD-Z eHerkenning gebruikt worden.
Het gebruik van eHerkenning als authenticatiemiddel is een overheidsbrede lijn. De Belastingdienst heeft het gebruik van eHerkenning verplicht gesteld voor het inloggen op MBD-Z. Hiermee beschikken belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen en ondernemers, die zelf via dit portaal digitaal aangifte willen doen over een inlogmiddel dat voldoet aan de Europese eisen.
Om tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer, dat het inlogmiddel waarmee belastingaangifte moet worden gedaan kosteloos moet zijn, heeft de Belastingdienst samen met het Ministerie van BZK en de eHerkenningsleveranciers een compensatieregeling opgesteld (Beleidsregel compensatie inloggen belastingaangifte). Op aanvraag wordt maximaal één keer per kalenderjaar een compensatie verstrekt aan een aanvrager die 1) eHerkenning uitsluitend gebruikt voor het doen van belastingaangifte, 2) hiertoe eHerkenning heeft aangeschaft, en 3) niet op andere wijze belastingaangifte kan doen. Deze compensatie bedraagt € 24,20 per kalenderjaar, hetgeen gelijk is aan het bedrag waartegen eHerkenning bij de goedkoopste aanbieder aangeschaft kan worden. Daarnaast heeft de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de Wdo de Staatssecretaris van BZK middels de motie Van der Molen opgeroepen om de mogelijkheden voor een publiek middel te onderzoeken als alternatief naast eHerkenning.2 De Staatssecretaris van BZK heeft de uitvoering van deze motie ter hand genomen. De compensatieregeling loopt totdat er een publiek middel beschikbaar is als alternatief naast eHerkenning.
Wat gebeurt er met naheffingsaanslagen en boetes van partijen die tot nu toe te laat of geen aangifte gedaan hebben met eHerkenning in 2020, 2021 en 2022? Wat is het budgettaire belang van de Staat daarbij?
Ik heb de uitspraak van de rechtbank bestudeerd en gewogen. De beslissing in deze zaak respecteer ik. Tegelijkertijd neem ik de overwegingen over eHerkenning niet tot richtsnoer. Deze hebben daarmee geen gevolgen voor andere belastingaanslagen, waarvoor al dan niet met het gebruik van eHerkenning aangifte gedaan is, alsmede voor opgelegde boeten wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte. Van een budgettair effect is daarom ook geen sprake.
Ter toelichting: het geschil voor de rechtbank Gelderland betreft de vraag of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd is. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Inmiddels is ook het vaktechnische oordeel dat belanghebbende over het in geschil zijnde tijdvak geen loonheffing verschuldigd was. De rechtbank heeft daarom toch een juiste beslissing genomen. De overwegingen waarop de rechtbank haar uitspraak baseert deel ik echter niet, omdat ik van mening ben dat er wel een toereikende wettelijke basis is voor het gebruik van eHerkenning bij de Belastingdienst. Tegen enkel de overwegingen van de rechtbank kan ik niet in hoger beroep gaan.
Het niet kunnen instellen van hoger beroep heeft tot gevolg dat de beslissing van de rechter in deze concrete zaak vast komt te staan. Het houdt echter niet in dat de gronden waarop de beslissing berust – dat een wettelijke basis voor eHerkenning zou ontbreken – automatisch «recht» worden in andere zaken. Om dit toe te lichten zal ik een naschrift laten publiceren op de website van de Belastingdienst.
Waarom bent u doorgegaan met het invoeren van eHerkenning, bijvoorbeeld de verplichtstelling voor de btw-aangifte in 2022, terwijl dit probleem nog bestond?
De Belastingdienst is doorgegaan met het invoeren van eHerkenning zodat belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen en ondernemers, die zelf digitaal aangifte willen doen via MBD-Z een inlogmiddel gebruiken dat voldoet aan de Europese eisen. Het kabinet is verder van mening dat voor het gebruik van eHerkenning een afdoende wettelijke basis bestaat. Zie verder hiervoor het antwoord op vraag 4.
Klopt het dat eHerkenning nu verplicht is (behalve voor eenmanszaken) voor aangiften loonheffing, btw en VPB, dus voor alle belangrijke belastingen en premiemiddelen bij de Belastingdienst en overigens ook bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)?
Aangiften vennootschapsbelasting, loonbelasting en omzetbelasting moeten verplicht digitaal gedaan worden. Als de belastingplichtige, inhoudingsplichtige of ondernemer deze via MBD-Z wil doen, moet hij voor het inloggen op het portaal gebruik maken van eHerkenning. Ook voor de digitale communicatie met het UWV geldt dat eHerkenning het enige veilige en betrouwbare inlogmiddel is dat voldoet aan de eisen vanuit de AVG, de eIDAS-verordening en dat voldoende bescherming van persoonsgegevens voor ondernemers biedt. Het UWV biedt daarnaast de mogelijkheid voor een alternatieve wijze van communicatie, namelijk op papier of telefonisch.
Wat gebeurt er wanneer iemand geen aangifte doet met eHerkenning? Klopt het dat u deze rechtspersonen op dit moment geen dwangmiddel kunt opleggen, omdat er geen manier is dat zij zonder eHerkenning aangifte kunnen doen?
Ik hecht eraan te benadrukken dat als men niet beschikt over eHerkenning er ook andere manieren zijn om aangifte te doen. Alleen voor het zelf doen van aangifte via MBD-Z is eHerkenning vereist. Een belastingplichtige, inhoudingsplichtige of ondernemer kan echter ook gebruik maken van een fiscaal dienstverlener of commerciële software voor het doen van aangifte.
De inspecteur kan degenen die niet of niet tijdig aangifte doen een verzuimboete opleggen (artt. 67a en 67b AWR). Als niet, niet tijdig of niet volledig betaald wordt binnen de wettelijke voorgeschreven termijn kan onder meer voor de omzetbelasting en de loonbelasting ook daarvoor een verzuimboete opgelegd worden (art. 67c AWR). Er zijn dus wel degelijk dwangmiddelen.
Klopt het dat er nu feitelijk de mogelijkheid bestaat voor ondernemers om uitstel van aangifte (en daarmee van betaling) af te dwingen, omdat zij simpel kunnen stellen dat zij op dit moment geen aangifte kunnen doen zonder eHerkenning?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5 en 8.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk gratis een publiek middel ter vervanging van eHerkenning beschikbaar te stellen? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen kosteloos, publiek inlogmiddel beschikbaar dat voldoet aan de eisen die de AVG en eIDAS-verordening stellen voor het inloggen op een portaal als MBD-Z. Dat neemt niet weg dat ter uitvoering van de motie Van der Molen wordt gekeken naar een publiek middel voor het bedrijvendomein waarmee aanvankelijk in elk geval (op MBD-Z) belastingaangifte kan worden gedaan. Over de voortgang hiervan houdt mijn ambtsgenoot van BZK u op de hoogte via de «Voortgangsrapportage Toegang». Hieraan voeg ik toe dat het eigenstandig door de Belastingdienst ontwikkelen van een kosteloos, publiek inlogmiddel niet past bij de overheidsbrede lijn van generieke inlogmiddelen. Daarnaast is het ontwikkelen van een dergelijk middel complex en zou dit veel van de toch al schaarse capaciteit vragen. Het kabinet kan daarom niet op korte termijn een kosteloos, en volledig doorontwikkeld publiek inlogmiddel ter beschikking stellen.
Bent u bereid om het per onmiddellijk weer mogelijk te maken om aangifte te doen bij de Belastingdienst zonder eHerkenning?
Gelet op de persoonsgegevens die worden verwerkt en getoond in MBD-Z moet op grond van de AVG en de eIDAS-verordening een toegangsmiddel worden gebruikt dat voldoet aan het beveiligingsniveau «substantieel». eHerkenning is op dit moment in Nederland het enige middel dat aan dit niveau voldoet. Gelet op de Europese regels, de huidige stand der techniek en de noodzaak dat organisaties en ondernemers veilig online hun verplichtingen kunnen nakomen, is het niet mogelijk om een portaal in te richten waartoe zonder eHerkenning toegang verkregen kan worden. Zoals ik in het antwoord op vraag 10 aangegeven heb, wordt ter uitvoering van motie Van der Molen gekeken naar aan een ander, publiek, inlogmiddel. Dit is echter op dit moment niet beschikbaar. Het enige alternatief zou daarom zijn om het weer mogelijk te maken om ook voor de vennootschapsbelasting, loonbelasting en omzetbelasting op papier aangifte te doen. Dit alternatief is niet uitvoerbaar en vindt het kabinet onwenselijk.
Hoe groot is het financiële en organisatorische risico voor de Staat van de uitspraak genoemd in vraag 1?
De beslissing van de rechtbank Gelderland over de in geschil zijnde naheffingsaanslag loonbelasting heeft geen gevolgen voor andere belastingaanslagen, waarvoor al dan niet met het gebruik van eHerkenning aangifte is gedaan. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 5 en 8.
Hoeveel verhogingen, boetes, naheffingen en andere zaken zijn tussen maart 2020 en de uitspraak opgelegd aan de (rechts)persoon in de voorliggende zaak? Kunt u daarin heel precies zijn (ook wanneer zij later verminderd zijn)?
De fiscale geheimhoudingsplicht staat mij niet toe in te gaan op vragen over één individuele zaak.
Heeft de Belastingdienst zich op een correcte wijze gedragen in de procesgang of is er sprake geweest van iets dat lijkt op knevelarij en/of detournement de pouvoir?
De uitspraak biedt geen aanleiding om te veronderstellen dat de inspecteur zich in de procesgang niet correct gedragen heeft.
Heeft de Belastingdienst vaker deze houding bij de rechter in zaken die zij zeker niet wil verliezen, maar waarvan de dienst weet dat de kern van de zaak voor de Belastingdienst zwak is? Kunt u op deze vraag een transparant en direct antwoord geven?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Beseft u dat het Ministerie van Financiën door wederom (vergelijkbaar met box3) ten onrechte te volharden in een eigen gelijk, de Belastingdienst als uitvoerende organisatie onterecht en onnodig met extra hersteloperaties opzadelt?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Zoals daar toegelicht is, geeft de uitspraak van de rechtbank Gelderland geen aanleiding tot een hersteloperatie.
Kunt u in plaats van loze beloftes, heel concreet aangeven hoe processueel geborgd gaat worden dat uw ministerie voortaan uitsluitend regelingen invoert die een onbetwiste toereikende wettelijke basis hebben EN door de Belastingdienst vooraf uitdrukkelijk als voldoende goed uitvoerbaar zijn aangemerkt?
Gedelegeerde regelgeving wordt intern getoetst door ervaren wetgevingsjuristen. Wanneer er interdepartementale aspecten spelen, dan worden ook de betreffende andere ministeries gevraagd om mee te kijken. Spelen er privacyaspecten dan wordt de Autoriteit Persoonsgegevens om advies gevraagd. Gaat het om een algemene maatregel van bestuur dan wordt bovendien de Afdeling advisering van de Raad van State om advies gevraagd. Naast deze kwaliteitstoetsen worden intern ook bepaalde andere aspecten zorgvuldig in kaart gebracht, zoals effecten op de administratieve lasten. Zijn deze effecten van enige omvang dan wordt het Adviescollege toetsing regeldruk om advies gevraagd. Andere aspecten zijn bijvoorbeeld verenigbaarheid met Unierecht (verkeersvrijheden en staatssteun), budgettaire effecten en – relatief nieuw en mede op instigatie van uw Kamer – een doenvermogen- en invoeringstoets. Tot slot doet de Belastingdienst een grondige uitvoeringstoets. Al deze toetsen dragen er aan bij dat gedelegeerde regelgeving zorgvuldig tot stand komt en een wettelijke basis heeft.
Bent u het ermee eens dat hier sprake is van een situatie waarin u de Kamer «hierover uiteraard steeds informeren» zal, nu de Belastingdienst niet in overeenstemming met de wet handelt of heeft gehandeld (toezeggingen gedaan aan het lid Omtzigt tijdens het wetgevingsoverleg van 10 november 2021 en uw brief van 31 januari 2022, kenmerk 2022–0000026621)?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Wilt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?
In verband met de zorgvuldigheid van de beantwoording, waarvoor nadere afstemming met het Ministerie van BZK noodzakelijk was, is het niet haalbaar gebleken de vragen binnen de door de leden gestelde termijn te beantwoorden.