Problemen met tolkenvoorzieningen in de zorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de bureaucratische werkwijze van het UWV voor het aanvragen van tolkvoorzieningen door mensen met een auditieve beperking en door belangenorganisaties voor mensen met een auditieve beperking? Kunt u uw antwoord toelichten?1, 2
In 2021 heeft onderzoeksbureau Ruigrok NetPanel in opdracht van UWV onderzoek gedaan naar de ervaringen van tolkgebruikers met de tolkvoorziening. Hierin beoordelen tolkgebruikers de dienstverlening van UWV gemiddeld met een 7,7 en is het merendeel van de gebruikers tevreden (60%) of zeer tevreden (30%). Daarnaast is in 2021 door Berengroep in opdracht van UWV een tevredenheidsonderzoek uitgevoerd onder tolken Nederlandse Gebarentaal en onder schrijftolken over de dienstverlening van UWV en Tolkcontact. Hierin geeft 64% van de respondenten de dienstverlening van UWV een 8 of hoger en wordt de dienstverlening gemiddeld met een 7,58 beoordeeld. De ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV kunnen derhalve als overwegend positief beschouwd worden.
De uitvoering van de tolkvoorzieningen is bij een bestuursorgaan belegd, om rechtsbescherming van gebruikers bij een aanvraag, en daarmee de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te gaan, te garanderen. Ten tijde van de behandeling Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein is in 2019 gekozen voor UWV als uitvoerder, omdat UWV reeds de tolkvoorzieningen voor het werk- en onderwijsdomein uitvoerde. Hierdoor was UWV het bestuursorgaan met de meeste ervaring met zowel de doelgroep als met het uitvoeren van vergelijkbare regelingen. UWV heeft daarbij een deel van de werkzaamheden belegd bij de Berengroep (Tolkcontact). Gezien de genoemde tevredenheid van tolkgebruikers en tolken, ben ik nog steeds van mening dat UWV het meest geschikte bestuursorgaan is om de tolkvoorziening te beleggen.
Waarom duurt de aanvraag voor een tolkvoorziening tussen de tien werkdagen en acht weken? Deelt u de mening dat dit een veel te lange periode is? Zo ja, kunt u deze periode laten verkorten? Zo neen, waarom niet?
De termijn van 8 weken betreft een wettelijke termijn, waarbinnen UWV verplicht is een aanvraag verwerkt te hebben.3 Het is wenselijk dat aanvragen sneller verwerkt worden dan deze wettelijke termijn en daarom hanteert UWV een streeftermijn van 10 dagen. Bij spoedsituaties kunnen gebruikers via Tolkcontact direct een tolk regelen en wordt de aanvraag achteraf behandeld. In het onderzoek van Ruigrok NetPanel geeft 69% van de respondenten aan tevreden of zeer tevreden te zijn met de snelheid waarmee UWV beslist over aanvragen en geeft 25% van de gebruikers aan de behandelsnelheid van UWV neutraal te beoordelen of hier geen mening over te hebben. Ik acht het daarom niet noodzakelijk de periode te laten verkorten.
Met welke reden kunnen extra tolkvoorzieningen buiten de standaard-uren niet in het buitenland gebruikt worden, waardoor het voor mensen onmogelijk wordt om een uitstapje te maken of bijvoorbeeld een congres bij te wonen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gebruikers van de tolkvoorziening hebben standaard recht op 30 uren aan tolkdiensten per jaar in het leefdomein en in het geval van zowel een auditieve als visuele beperking 168 uren per jaar. Deze tolkuren kunnen naar wens van de gebruiker worden ingezet. Tolkgebruikers hebben daarnaast de mogelijkheid om extra tolkuren aan te vragen als maatwerk.
Per 1 januari 2022 zijn de kaders voor de maatwerkaanvragen van de tolkvoorziening leefdomein aangepast, waarbij er voor maatwerkaanvragen een maximum van acht uur per dag gesteld is en aanvragen voor het buitenland in principe niet gehonoreerd worden. Deze kaders zorgen ervoor dat UWV de maatwerkaanvragen op een transparante wijze kan beoordelen. Daarnaast dragen de kaders bij aan de houdbaarheid van de tolkvoorziening met het oog op het aantal beschikbare tolken, evenals de financiële houdbaarheid.
Als er door de kaders schrijnende situaties ontstaan, dan blijft maatwerk mogelijk. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van een tolk bij een ziekenhuisbezoek in het buitenland.
Om welke reden stelt het UWV dat schrijftolken niet meer dan acht uur per dag kunnen declareren als er sprake is van extra tolkvoorzieningen buiten de standaard uren in het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom er voor schrijftolken in het leefdomein en voor organisaties pas vanaf twee uur en vijf minuten een teamtolk ingezet kan worden en in het werkdomein pas vanaf anderhalf uur, waardoor schrijftolken in die situaties respectievelijk twee uur en vijf minuten of anderhalf uur non-stop moeten tolken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Afhankelijk van de duur, intensiteit en complexiteit van een tolkopdracht is de inzet van een teamtolk mogelijk. In het werkdomein is dit mogelijk bij tolkopdrachten die langer duren dan één uur. Ik ben voor het leefdomein op dit moment bezig met het verkennen van de impact van het verlagen van de minimumduur van teamtolkopdrachten van twee uur naar opdrachten die langer dan één uur duren.
Bent u nog steeds van mening dat het UWV geschikt is om de tolkvoorzieningen te beheren, aangezien belangenorganisaties kritische geluiden hebben geuit over het beleggen van de uitvoering van de tolkvoorziening bij het UWV ten tijde van de behandeling van de Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen gaat u nemen om de bureaucratische werkwijze van tolkvoorzieningen bij het UWV te verminderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de tevredenheidsonderzoeken genoemd in het antwoord op de vragen 1 en 6 blijkt dat de ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV overwegend positief zijn. Dit laat onverlet dat ik samen met UWV en de Ministers van OCW (tolkvoorziening onderwijsdomein) en SZW (werkdomein) doorlopend werk aan het optimaliseren van de tolkvoorziening. Bijvoorbeeld inzake de inzet van de teamtolk. Daarbij nemen we de signalen vanuit de belangenorganisaties uiterst serieus.
Het bericht dat gemeenten duurdere gascontracten moeten sluiten |
|
Henri Bontenbal (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister dwingt gemeenten tot nieuwe dure gascontracten, geld gaat naar Rusland»?1
Ja.
Klopt het dat Gazprom Energy net als andere energieleveranciers in Nederland aardgas op de Europese gasmarkt koopt en dat vervolgens levert aan haar klanten, zoals de gemeenten?
Gazprom Energy Ltd. heeft (net als andere energieleveranciers) de leveringscontracten die het met aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven heeft gesloten op de Europese gasmarkt afgedekt door daar bepaalde posities in te nemen. Het is niet te achterhalen in hoeverre de gasleveringen die Gazprom Energy Ltd. in de markt heeft gezet afhankelijk waren en zijn van de toelevering van gas door de Russische moedermaatschappij, dan wel inkoop op de Europese markt. Wel was Gazprom Energy Ltd., in de jaren voor februari 2022, een leverancier met lage tarieven en daarmee voor veel aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven een aantrekkelijke partij. Dat is een aanwijzing dat Gazprom waarschijnlijk beleverd werd vanuit Rusland, en daardoor gunstige prijzen kon bieden.
Klopt het dat wanneer de gemeenten hun contract met Gazprom Energy opzeggen het aardgas, dat door de gemeenten voor een lage prijs is gecontracteerd, door Gazprom Energy voor een veel hogere prijs zal worden verkocht aan andere klanten? Kunt u een inschatting geven van de extra inkomsten voor Gazprom Energy door het opzeggen van de contracten door Nederlandse gemeenten?
Op grond van de EU-brede sanctie kon SEFE deze marktposities in ieder geval niet aanbieden aan andere (publieke) Europese aanbestedingsdiensten. Echter, private organisaties vallen niet onder dit sanctieregime. Dat is nu anders nu het bedrijf genationaliseerd is.
Overigens is onduidelijk of SEFE inderdaad nog altijd recht had op de gunstige posities, aangezien Rusland al enige tijd geleden sancties heeft ingesteld tegen onder meer de voormalige onderdelen van Gazprom Germania. Ik kan u geen inschatting geven van de eventuele extra inkomsten voor Gazprom Energy Ltd. Die informatie is bij mijn ministerie niet aanwezig en is commercieel vertrouwelijk en dus ook niet gedeeld met ons door het bedrijf of de Duitse overheid.
Deelt u de mening dat het in de geest van de sancties tegen Rusland is om zo min mogelijk geld naar Rusland te laten vloeien en dat we Rusland harder raken door aan bestaande contracten vast te houden dan gemeenten te dwingen nieuwe contracten af te sluiten?
Ik ben het er in principe mee eens dat we zo min mogelijk geld naar Rusland willen laten vloeien, maar dit is niet het enige doel van de sanctie. De sanctie is er ook op gericht om de economische banden met de Russische economie en samenleving op allerlei terreinen stapsgewijs te verbreken. Het gaat daarbij niet alleen om het verhinderen van geldstromen naar de Russische ondernemingen en uiteindelijk de Russische staat, maar ook om het aantasten van de economische en technologische slagkracht en de positie van de Russische economie in de wereldhandel. Zo zijn er sanctieverplichtingen die de overdracht van technologie, grondstoffen en productiemiddelen aan Rusland en Russische ondernemingen verbieden, zijn er verschillende Russische financiële instellingen die niet langer zijn geïntegreerd in het financiële systeem, en zijn er wetenschappelijke samenwerkingsverbanden verbroken, etc. De sanctieverplichting die zich richt tot aanbestedende diensten en speciale sector bedrijven moet tegen die bredere achtergrond worden begrepen. Overigens is in de sanctiebepaling een maximum gesteld aan het gedeelte Russische toeleveranciers (10%) in af te sluiten contracten.
Klopt het dat Gazprom formeel nog de enige aandeelhouder is van Gazprom Germania, waar ook het Nederlandse Gazprom Energy onder valt, maar in de praktijk geen controle meer heeft over het bedrijf en er geen inkomsten meer uit krijgt?
Op 11 november jl. heeft de Duitse overheid besloten om SEFE GmbH te nationaliseren.2 Voor die tijd heeft mijn ministerie veelvuldig contact gehad met de Duitse autoriteiten en SEFE Energy Ltd. om duidelijkheid te krijgen over de eigendom van SEFE GmbH en daarmee ook SEFE Energy Ltd. Mede op basis van die gesprekken, openbare documentatie, consultatie van relevante registers en informatie uit de Russische Federatie, concludeerde EZK dat SEFE Energy Ltd., ondanks de aanstelling van een Duitse bewindvoerder die de stemrechten op de aandelen uitoefent bij de moedermaatschappij SEFE GmbH en enkele vetorechten heeft, nog volledig in Russisch eigendom was. Hierdoor konden inkomsten hetzij via uitkeringen, hetzij via waardevermeerdering uiteindelijk ten goede komen aan Russische eigenaren en uiteindelijk de Russische Staat. De andere partijen hebben bij die gesprekken geen toezegging kunnen doen dat er uiteindelijk geen voordelen of opbrengsten naar de Russische eigenaren en de Russische Staat gaan. Dat is ook begrijpelijk, omdat de Duitse autoriteiten toen nog geen definitief standpunt hadden ingenomen over hoe om te gaan met deze eigendomsproblematiek. Daarom is gekozen voor de tijdelijke maatregel van bewindvoering ter stabilisatie van de onderneming en het veiligstellen van de Duitse energievoorziening. De maatregel van bewindvoering was ingegeven vanuit nationale veiligheid en voorzienings- en leveringszekerheid en niet vanuit het oogpunt van de toepassing van sanctieverplichtingen.
Klopt het dat Duitsland Nederlandse gemeenten oproept hun bestaande contracten te behouden? Hoe reageert Duitsland op het feit dat de Nederlandse regering toch wil doorzetten?
Eerder hadden de Duitse autoriteiten een algemene «comfort letter» doen uitgaan die aangeeft wat de situatie is ten aanzien van het bewindvoerderschap dat over de onderneming wordt uitgeoefend. Op grond hiervan heeft SEFE Energy Ltd. bestaande klanten benaderd met het bericht dat de voortzetting van de leveringscontracten was veiliggesteld en opzegging niet nodig was. Het standpunt dat dit wel noodzakelijk was (omdat ondanks de verandering in zeggenschap er geen verandering in eigendom plaats heeft gevonden) is in goed overleg met alle betrokken partijen tot stand gekomen en breed gecommuniceerd met het bedrijf in kwestie, de Duitse overheid en de Duitse toezichthouder.
Klopt het dat Nederland alleen staat in haar standpunt ten overstaande van de sanctionering van SEFE (de nieuwe naam van Gazprom Germania) en dat naast Duitsland ook Italië, Frankrijk, Zwitserland, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten het bedrijf SEFE niet hebben gesanctioneerd? Klopt het dat de Europese Commissie Nederland nergens toe dwingt inzake deze kwestie?
De Europese sanctiewetgeving is uniform. Wel kunnen in andere landen andere structureren bestaan over hoe bijvoorbeeld gas gekocht wordt, of hoe omgegaan wordt met de ontheffingsmogelijkheid. De sanctiewetgeving laat daartoe dus nog enige ruimte. Het kabinet heeft bij verschillende lidstaten een uitvraag gedaan over de SEFE-contracten. Uit deze inventarisatie blijkt dat vooralsnog geen lidstaten (meer) contracten aanhouden met SEFE. Zo zijn in sommige landen andere dochtermaatschappijen van Gazprom actief, of kochten overheidspartijen niet rechtstreeks bij een (deels) Russische gasleverancier. De uitzondering hierop is het Verenigd Koninkrijk, maar die is niet gebonden aan de Europese sanctiewetgeving. Voor zover bekend hebben ook andere partijen geen sancties tegenover ofwel SEFE, ofwel Gazprom Rusland of een andere dochter opgelegd.
Op basis waarvan concludeert u, in tegenstelling tot de andere genoemde landen, dat er toch geld via SEFE naar Rusland kan vloeien en/of vloeit?
Zie het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Klopt het dat Europese sanctiewetgeving bepaalt dat overheden gesanctioneerde Russische entiteiten niet onnodig economisch voordeel mogen geven? Maakt Nederland zich hier niet aan schuldig door gemeenten te dwingen hun contracten op te zeggen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven wat de extra kosten zijn die de 120 gemeenten moeten maken om over te stappen van hun contract met Gazprom Energy naar een andere energieleverancier?
Hoe hoog de extra kosten zijn van gemeenten is afhankelijk van de resterende looptijd van de contracten met SEFE Energy Ltd. Uit de ingediende ontheffingsaanvragen blijkt dat met het afsluiten van nieuwe contracten meerkosten zijn gemoeid, die gaan van een paar ton tot een paar miljoen. Zoals aangekondigd in mijn Kamerbrief van 20 oktober jl. (Kamerstuk 36 045, nr. 115) zullen de gemeenten gecompenseerd worden voor de meerkosten die zij tussen 10 oktober en 31 december 2022 hebben gemaakt door het voortvarend opzeggen van hun contract. Ook ga ik verder in gesprek met de partijen die een contract hebben opgezegd dat na 1 januari 2023 door zou lopen, om te onderzoeken welke meerkosten zij precies hebben gemaakt.
Op welke wijze worden gemeenten gecompenseerd voor de extra kosten die het overstappen naar een andere energieleverancier met zich meebrengt?
Zie antwoord op vraag 10; ik heb aangegeven in mijn Kamerbrief van 20 oktober jl. (Kamerstuk 36 045, nr. 115) dat ik voornemens ben om gemeenten een tegemoetkoming te geven voor de meerkosten.
Onder welke voorwaarden kunnen gemeenten tijdelijk een ontheffing krijgen?
Vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH kunnen bestaande contracten met SEFE Energy Ltd. worden aangehouden en is het niet meer nodig om een ontheffing aan te vragen.
Bent u bereid een inventarisatie te maken van de financiële impact van de gestegen energieprijzen voor gemeenten, ook los van deze kwestie inzake contracten met Gazprom Energy?
Ik ben uiteraard bereid het gesprek te voeren met aanbestedende diensten, met name met de diensten die een contract met SEFE Energy Ltd. hebben opgezegd dat na 1 januari 2023 door zou lopen. Die gesprekken zijn ook opgestart.
Bent u bereid uw besluit om gemeenten te laten wijzigen van energieleverancier te heroverwegen, juist om Rusland niet onnodig te helpen?
Met de nationalisatie van SEFE GmbH door de Duitse autoriteiten is er geen verplichting meer om bestaande contracten op te zeggen.
De aanpak van de inhumane situatie bij Aanmeldcentrum Ter Apel |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat in het kabinet is afgesproken dat gemeenten in totaal 20.000 statushouders moeten huisvesten, dat elke veiligheidsregio 225 extra crisisnoodopvang plekken realiseert en dat uiteenlopende projecten worden opgezet om de opvangcrisis te bestrijden?1 In hoeverre is dit additioneel ten opzichte van eerdere verzoeken die in juli zijn gedaan?
Het kabinet heeft met de gemeenten afgesproken dat gemeenten zich inspannen om 20.000 statushouders te huisvesten. Met betrekking tot het verzoek van het Kabinet aan de Veiligheidsregio’s om 225 extra crisisnoodopvang plekken te realiseren gaat het inderdaad om een additioneel verzoek. Wat betreft het huisvesten van 20.000 statushouders moeten gemeenten voldoen aan de taakstelling die zij hebben gekregen. Zoals opgenomen in de bestuurlijke afspraken gaat het hier om het huisvesten van minstens 15.300 statushouders in gemeenten in de tweede helft van 2022, dit is onderdeel van reeds bestaande taakstelling uitplaatsing vergunninghouders plus de reeds aanwezige achterstand. Daarnaast is het streven om in totaal meer dan 20.000 statushouders te huisvesten in de tweede helft van 2022, dit is inclusief de reeds afgesproken, maar nog niet gerealiseerde versnelling van 7500 statushouders. Daarmee wordt vooruitgelopen op de naar verwachting fors hogere taakstelling in het eerste half jaar van 2023.
Kunt u aangeven in hoeverre en op welke termijn met de genoemde maatregelen de huidige inhumane situatie rond Aanmeldcentrum Ter Apel wordt bestreden? Klopt onze veronderstelling dat de genoemde maatregelen vooral op middellange termijn extra opvangplekken opleveren, maar dat de actuele schrijnende nood er niet mee wordt opgelost?
De afspraken die het kabinet heeft gemaakt met de Veiligheidsregio’s zien op het realiseren van crisisnoodopvangplekken op de korte en middellange termijn. Daarnaast is afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een situatie waarin per 10 september 2022 geen mensen meer buiten in schrijnende situaties voor het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel moesten overnachten. Om die reden is alle inzet erop gericht om deze situatie te beëindigen. Met dank aan het Ministerie van Defensie en de gemeente Hogeland is op 10 september 2022 het voorportaal op het terrein van de Marnewaard in gebruik genomen. De locatie is bedoeld om de personen op te vangen totdat zij terecht kunnen in Ter Apel voor de registratie, waarna zij zullen worden ondergebracht in opvanglocaties elders in het land. De afgelopen tijd hebben onder meer het COA, de Veiligheidsregio’s en het Rode Kruis hard gewerkt om genoeg opvangplekken te realiseren. De afgelopen twee weken zijn er vaak genoeg plekken gerealiseerd zodat mensen niet gedwongen buiten hoefden te slapen. Het blijft een uitdaging om genoeg opvang plekken te blijven realiseren. De recente afspraken komen bovenop de inspanningen die reeds geleverd worden, niet alleen qua crisisnoodopvang, maar ook de in gebruik name van twee cruiseschepen als opvanglocatie in de gemeente Velsen en in de gemeente Amsterdam. Deze cruiseschepen zijn ingericht op ieder ruim 1.000 opvangplekken.
Klopt het dat het toezicht op alleenstaande kinderen (AMV’s) op dit moment zowel binnen als buiten de poort in Aanmeldcentrum Ter Apel zeer beperkt is? Wat gaat u doen om er vandaag nog voor te zorgen dat deze kinderen de juiste bescherming krijgen?
Op het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel heeft het COA eerder sanitaire voorzieningen geplaatst en gezorgd voor het schoonmaken van de voorzieningen.
Worden op dit moment adequate praktische maatregelen genomen, zoals bijvoorbeeld extra mobiele sanitaire voorzieningen, het verstrekken van hygiëneproducten, kookvoorzieningen en het voorzien in beddengoed, schone kleding en dergelijke? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen tijd hebben onder andere COA, de Veiligheidsregio’s en het Rode Kruis hard gewerkt om genoeg opvangplekken te realiseren. Hierdoor hebben de afgelopen nachten geen mensen gedwongen buiten geslapen voor de hekken van het aanmeldcentrum in Ter Apel.
De Nederlandse krijgsmacht ondersteunt al bij de opvang van ontheemden en asielzoekers. Op de militaire locaties Marine Etablissement Amsterdam, Walaardt Sacré Kamp te Huis ter Heide, Legerplaats De Harskamp en de Willem-Lodewijk van Nassaukazerne te Zoutkamp worden momenteel asielzoekers respectievelijk ontheemden tijdelijk gehuisvest. Aanvullend op deze ondersteuning, realiseert Defensie extra tijdelijke vooropvang te Zoutkamp. Deze tijdelijke huisvesting is op 10 september jl. gerealiseerd.
Klopt het bericht dat u ervan uitgaat dat ook komende nacht nog asielzoekers buiten zullen slapen?2 Bent u het met ons eens dat geen dag langer kan worden volstaan met wat nu al gedaan wordt en dat bijvoorbeeld humanitaire inzet van de Nederlandse krijgsmacht serieus moet worden overwogen? Zo ja, bent u bereid om de Nederlandse krijgsmacht te vragen zich nu al voor te bereiden op het bieden van adequate hulp als een verzoek daartoe van de Veiligheidsregio wordt gedaan? Zo nee, waarom niet?
Bij de beantwoording is de actualiteit meegenomen.
Bent u bereid om deze vragen per ommegaande te beantwoorden?
Het bericht Opleidingsinstituten profiteren massaal van royale subsidieregeling |
|
Marijke van Beukering-Huijbregts (D66), Kiki Hagen (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opleidingsinstituten profiteren massaal van royale subsidieregeling»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat sommige opleiders de kosten voor sommige opleidingen/cursussen tot wel 18% hebben verhoogd ten opzichte van 2021?
Oneigenlijke prijsverhogingen zijn zeer onwenselijk. De Toetsingskamer STAP ziet toe op niet-marktconforme prijsontwikkeling. Net als prijzen van andere diensten, kunnen prijzen voor opleidingen toenemen. Dat neemt niet weg dat als prijzen flink stijgen of wanneer opleidingen voor een hogere prijs voor aanvragers van het STAP-budget worden aangeboden, er actie ondernomen zal worden. Wij vinden het van groot belang dat hier scherp op wordt toegezien, vooral richting de aanvragers en de grote groep opleiders die zich hier wel aan houden.
Als niet aan de voorwaarden van de STAP-regeling wordt voldaan of indien er sprake is van misbruik, kan een opleider voor langere tijd worden verwijderd uit het scholingsregister. Dit betekent dat deze opleider geen opleidingen meer kan aanbieden voor STAP-budget. Een aantal opleidingen van vier opleiders zijn onlangs aangemerkt als oneigenlijk gebruik van de regeling, waaronder oneigenlijke prijsstijgingen. Daarom is op advies van de Toetsingskamer een voornemen tot verwijdering van de opleider uit het scholingsregister verstuurd. Ook is het mogelijk om een proces tot terugvordering van de subsidie te starten en kan er een strafrechtelijk onderzoek in gang worden gezet.
Daarnaast zullen, vanaf het tijdvak dat op 1 september jl. is gestart, de resultaten met een analyse na afloop van elk aanvraagtijdvak openbaar worden gemaakt2. In de analyse zal ook ingegaan worden op de stand van zaken rondom misbruik en oneigenlijk gebruik.
Bent u ervan op de hoogte dat aanbieders aangeven dat zij tegen «systeemtechnische beperkingen» aanlopen om kortingen te kunnen geven?
Het is van belang om bij de genoemde «systeemtechnische beperkingen» onderscheid te maken tussen twee verschillende bevindingen in het artikel van RTL, namelijk prijsontwikkeling en de verplichte afname van vrijblijvende opties. Ten eerste heeft RTL voor de prijsontwikkeling waarschijnlijk gekeken naar de prijzen van opleidingen die zijn opgenomen in het scholingsregister STAP. De prijzen die vermeld staan in het scholingsregister zijn adviesprijzen die door opleider in rekening worden gebracht, inclusief alle mogelijke opties die nodig zijn om een opleiding te volgen. Hier kunnen bijvoorbeeld de kosten voor boeken en examens onder vallen. De kosten die bij toekenning van het STAP-budget in rekening worden gebracht zullen in veel gevallen lager uitvallen, omdat niet alle opties worden gekozen door de STAP-aanvrager.
Ook het subsidiebedrag behorend bij de adviesprijs wordt vermeld in het STAP-scholingsregister. Het is voor de opleider mogelijk in het aanvraagproces een lagere prijs (en daarmee aangepast subsidiebedrag) door te geven aan de burger voor de aanvraag, maar dit is niet zichtbaar in het STAP-scholingsregister. Kortingen kunnen hierin meegenomen worden en er zijn geen beperkingen in het systeem of eisen die dit tegenhouden. De burger krijgt dit van de opleider via het STAP-aanmeldingsbewijs door en neemt deze gegevens inclusief eventuele kortingen over bij de aanvraag. Daarmee vraagt de burger het juiste subsidiebedrag aan dat past bij de opleidingsovereenkomst.
Dit neemt niet weg dat oneigenlijke prijsstijgingen niet zijn toegestaan. De Toetsingskamer STAP ziet er bij de controle op prijsontwikkeling op toe dat de prijzen die voor STAP in rekening worden gehouden, overeenkomen met de reguliere prijzen waarvoor de opleiding wordt aangeboden. Bij signalen van prijsdiscriminatie, zal de Toetsingskamer onderzoek doen en de opleider aanspreken om de opleiding aan te passen of te verwijderen uit het scholingsregister als niet wordt voldaan aan de voorwaarden van STAP. Mocht dit niet tot de gewenste resultaten leiden, dan kan de Toetsingskamer aan de Minister van SZW adviseren een opleider te verwijderen uit het scholingsregister, de subsidie terug te vorderen of er kan een strafrechtelijk onderzoek gestart worden.
Ten tweede signaleert RTL dat opleiders vrijblijvende opties, zoals het examen, getuigschrift of een papieren versie van een digitaal lesboek, standaard aanvinken bij een inschrijving waar mogelijk STAP voor wordt aangevraagd. Dit is onwenselijk en gaat in tegen de voorwaarden van de regeling. De Toetsingskamer onderzoekt naar aanleiding van deze en eerdere signalen of opleiders zich hier schuldig aan maken. Ook dit kan leiden tot eerder genoemde sancties. Het streven is het onderzoek zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk medio november af te ronden.
Bent u ervan op de hoogte dat aanbieders zich verschuilen achter de eisen van de STAP-regeling om kosten in rekening te kunnen brengen terwijl het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) andere eisen hanteert? Hoe komt het dat er ruimte is in de interpretatie van de voorwaarden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat prijzen van opleidingen en cursussen kunstmatig worden verhoogd waardoor het STAP-budget sneller uitgeput is? Welke maatregelen gaat u treffen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
De genoemde aanbieders in het artikel zijn allemaal private aanbieders, klopt het beeld dat slechts 20% van de publieke onderwijsinstellingen opleidingen met het STAP-budget aanbiedt? Wat is uw verklaring daarvoor?
Het klopt niet dat slechts 20% van de publieke onderwijsinstellingen opleidingen met het STAP-budget aanbieden. Op 30 augustus jl. stonden van 37 van de 55 mbo-instellingen, 24 van de 36 hbo-instellingen en 8 van de 14 universiteiten opleidingen geregistreerd in het STAP-scholingsregister. Op hetzelfde moment stonden er ook ruim 900 private opleiders in het scholingsregister.
Het aanbod van publieke opleiders zijn veelal meerjarige, diplomagerichte opleidingen die minder goed passen bij de levenssituatie van werkenden. Er kan op dit moment nog geen STAP-budget worden aangevraagd voor opleidingen die meerdere jaren duren.
Ook is de registratie van het aanbod van publieke onderwijsinstellingen in STAP nog niet compleet. Voor opleidingen in het Hoger Onderwijs speelt daarbij nog dat er geen automatische koppeling mogelijk is met het STAP-scholingsregister. Streven is dit vanaf begin 2023 mogelijk te maken. Een andere verklaring voor achterblijvende registratie van aanbod van publieke instellingen is dat de reguliere werkwijze van deze instellingen niet goed aansluit op de benodigde werkwijze voor STAP. Er wordt gezamenlijk hard gewerkt aan oplossingen hiervoor en een deel van de gesignaleerde knelpunten is inmiddels opgelost. Als laatste, geven sommige instellingen aan dat hun aanbod voor volwassenen decentraal is georganiseerd en geregistreerd binnen de organisatie, terwijl voor een goede werking van STAP-budget een centrale registratie nodig is. Ook dit vraagt om veranderingen bij de instellingen en de softwareleveranciers.
Veel publieke opleiders hebben het STAP-budget aangegrepen om meerjarige opleidingen op te delen in blokken van maximaal een jaar, zodat een student wel ieder jaar in aanmerking kan komen voor STAP. Voor het hoger onderwijs gaat het dan om bachelors, masters en associate degree, en voor het mbo om de opleidingen die vallen onder de mbo kwalificatiestructuur. Daarnaast is sprake van een toename van het aanbod van kortdurende scholing door publieke instellingen.
Wij realiseren ons dat de uitvoering van STAP-budget veel vraagt van de publieke onderwijsinstellingen. Omdat deelnemers van STAP moeten kunnen profiteren van een zo breed mogelijk aanbod van private en publieke opleiders, blijven we in gesprek met de publieke opleiders om ondersteuning te bieden en drempels weg te nemen om op het STAP-proces aan te sluiten. We zijn met instellingen in gesprek over hoe de bestaande meerjarige opleidingen ook in aanmerking komen voor het STAP-budget en wat daarvoor nodig is, zodat ook dit aanbod aantrekkelijker wordt om STAP-budget voor in te zetten. Daarnaast wordt verkend hoe het proces van aanmelden en registeren beter aangesloten kan worden op de werkwijze van de instellingen en de wettelijke voorschriften die voor hen gelden, zodat de administratieve last verlaagd wordt.
Hoeveel opleidingen in het scholingsregister worden verzorgd door publieke aanbieders? Hoeveel opleidingen in het scholingsregister worden verzorgd door private aanbieders?
Er worden 3.534 opleidingen door publieke onderwijsinstellingen aangeboden waarvoor STAP-budget aangevraagd kan worden. Bij private opleiders zijn dit er 110.426. Dit is de stand op 30 augustus 2022. Hoewel private opleiders een groter deel van hun aanbod hebben geregistreerd, geven deze aantallen ook deels een vertekend beeld. Opleidingen van private opleiders worden vaak in verschillende vormen (bijvoorbeeld online en klassikaal) op meerdere locaties aangeboden waardoor er meerdere scholingsactiviteiten per opleiding in het scholingsregister STAP worden geregistreerd.
Wat is ervoor nodig om meer publieke onderwijsinstellingen opleidingen te laten aanbieden met het STAP-budget?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden ziet u om het toezicht op het opleidingsaanbod te versterken? Hoe staat u tegenover het steekproefsgewijs toetsen van de kwaliteit van opleidingen?
De controle op opleiders en opleidingen die zijn opgenomen in het scholingsregister STAP verloopt in de eerste plaats via erkennende organisaties, keurmerken en brancheorganisaties. Zij zien toe dat het aanbod in het scholingsregister van goede en passende kwaliteit is. In het geval dat de kwaliteit van een opleiding niet in orde is, kan de desbetreffende organisatie overgaan tot het intrekken van het keurmerk of erkenning waardoor de toegang tot het scholingsregister voor de opleider ontzegd wordt.
In de tweede plaats controleert de Toetsingskamer opleiders en opleidingen op de nalevering van de voorwaarden van de regeling. Deze controle vindt plaats op basis van eigen analyses, steekproefsgewijs onderzoek en naar aanleiding van signalen van burgers, UWV, DUO, opleiders, maatschappelijke organisaties en signalen in de media. Indien misstanden worden gevonden wordt de opleider daarop aangesproken met inschakeling van de erkennende organisatie. Indien de opleider niet adequaat handelt volgt verwijdering van de opleider uit het scholingsregister en kan, afhankelijk van de ernst van de overtreding, eerder verstrekte subsidie worden teruggevorderd. De erkennende organisatie kan daarnaast overgaan tot het intrekken van het keurmerk of erkenning.
Bovenstaande beheersmaatregelen hebben er toe geleid dat de aanvragen voor een aantal opleidingen in het aanvraagtijdvak van 1 september jl. niet zijn toegekend. Vier opleiders hebben een voornemen tot verwijdering uit het scholingsregister STAP ontvangen. Om aanvragers van de aangemerkte opleidingen alsnog in staat te stellen om met het STAP-budget scholing te volgen, krijgen zij de gelegenheid om hun aanvraag te wijzigen voor een andere opleiding. 3.348 aanvragers zijn hierover schriftelijk geïnformeerd door UWV.
Deze recente acties laten zien dat de Toetsingskamer op basis van de huidige beheersmaatregelen optreedt tegen misbruik en oneigenlijk gebruik van de regeling. Daarbij leiden de recente ervaringen tot verdere aanscherping van de regeling voor uitbreiding van de handhavingsmogelijkheden en verduidelijking van de voorwaarden voor opleiders. Daarnaast worden verdergaande afspraken gemaakt met de erkennende organisaties om kwaadwillende opleiders zoveel mogelijk bij toelating te weigeren en om snel in actie te komen bij signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik van reeds toegelaten opleiders.
Naast de huidige en voorgenomen acties van controle en handhaving, is er een doorlopend lerend proces waarbij naar aanleiding van ervaringen en nieuwe inzichten aanvullende maatregelen worden getroffen om ongewenste uitkomsten van de regeling verder terug te dringen. Het gaat hierbij niet alleen om maatregelen ter versterking van controle en handhaving maar ook om het verder richten van de regeling zodat de eigen regie op de loopbaan van werkenden en werkzoekende verder wordt ondersteund. Dit vraagt een zorgvuldige afweging, met oog voor de toegankelijkheid van de regeling en de werkbaarheid voor de uitvoeringsorganisaties, maar ook snelheid om de publieke middelen zo goed mogelijk te besteden. De invoeringstoets die staat gepland voor het einde van het eerste kwartaal van 2023 biedt een goede aanleiding om de regeling te herijken.
Het bericht ‘Den Haag vindt na Gazprom geen gasleverancier, gemeente wil ontheffing’ |
|
Faissal Boulakjar (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Minister dwingt gemeenten tot nieuwe dure gascontracten, geld gaat naar Rusland» en «Den Haag vindt na Gazprom geen gasleverancier, gemeente wil ontheffing»?1
Ja.
Klopt het dat de Europese tak van Gazprom in de praktijk Duits is? Zo ja, wat is de reden dat deze contracten volgens u onder de sancties vallen? Waarom zien andere landen, waaronder Italië en Frankrijk, dit anders?
Voor de toepasselijkheid van de sancties is bepalend of sprake is van een contract met een entiteit die in Russisch eigendom is. Wat betreft SEFE Energy Ltd. (voormalig Gazprom Marketing/Gazprom Energy) en SEFE Securing Energy for Europe GmbH (de aandeelhouder van SEFE Energy Ltd.) was dit tot 11 november jl. het geval. Tot die tijd was er weliswaar sprake van een grote mate van zeggenschap van de Duitse Staat via een aangestelde bewindvoerder, maar de eigendomsrechten waren nog steeds volledig in Russische handen. Daarom vielen de contracten die door aanbestedende diensten zijn gesloten onder de sancties.
Duitsland heeft SEFE Securing Energy for Europe GmbH («SEFE GmbH») op 11 november jl. genationaliseerd ter verdere borging van de energiezekerheid in Duitsland. Door deze wijziging in eigendomsstructuur, waardoor zowel controle als eigendom in Duitse handen is, valt het bedrijf niet meer binnen de reikwijdte van artikel 5 duodecies van Verordening 833/2014, ofwel artikel 5 van de Europese sanctiewet.
Het kabinet heeft bij verschillende lidstaten een uitvraag gedaan over de SEFE-contracten. Uit deze inventarisatie blijkt dat vooralsnog geen lidstaten (meer) contracten aanhouden met SEFE. Zo zijn in sommige landen andere dochtermaatschappijen van Gazprom actief, of kochten overheidspartijen niet rechtstreeks bij een (deels) Russische gasleverancier. De uitzondering hierop is het Verenigd Koninkrijk, maar dat land is niet gebonden aan de Europese sanctiewetgeving.
Is het kabinet voornemens om de ontheffing aan gemeente Den Haag te verlenen? Zijn of worden er aan andere gemeenten ontheffingen verleend? Wat betekent het afgeven van ontheffingen voor de Europese afspraken over sancties tegen Rusland?
De ontheffingsaanvraag van de gemeente Den Haag is op 30 augustus 2022 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontvangen en de ontheffing is inmiddels verleend. Ook aan andere gemeenten zijn reeds ontheffingen verleend. De mogelijkheid voor het afgeven van een ontheffing is voorzien in de Europese sanctieverordening en doet dus niet af aan de sanctieverplichting. Een ontheffing maakt een (tijdelijke) afwijking van de sanctieverplichting mogelijk.
In mijn brief van 15 november jl. (TK 2022D47565) heb ik aangegeven dat vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH het niet meer nodig is om een ontheffing aan te vragen om de contracten met SEFE Energy Ltd. aan te kunnen houden.
Wat is het verschil tussen de gemiddelde prijs voor gas in de lopende contracten en de prijs die gemeenten gemiddeld zullen moeten gaan betalen bij een nieuw contract? Klopt het dat gemeenten «tientallen miljoenen» extra kwijt zullen zijn bij het afsluiten van nieuwe contracten? Hoe waardeert u deze extra kosten ten opzichte het belang van sancties tegen Rusland?
Uit de informatie die ik heb ontvangen blijkt dat er een groot prijsverschil is tussen de prijs in de lopende contracten met SEFE Energy Ltd. en de prijs die gemeenten moeten betalen voor nieuwe contracten op basis van de actuele marktprijzen. Er bestaat echter geen volledig overzicht van alle lopende (energie)contracten van gemeenten. Er valt dus niet precies te zeggen wat het gemiddelde prijsverschil is. Hoeveel gemeenten extra kwijt zijn als direct gevolg van de sanctie is ook afhankelijk van de resterende looptijd van de contracten met SEFE Energy Ltd. Uit sommige ingediende ontheffingsaanvragen blijkt wel dat met het afsluiten van nieuwe contracten vaak meerkosten zijn gemoeid, die variëren (in euro’s) van een paar ton tot een paar miljoen per (inkoop)organisatie.
Hoe kan worden gegarandeerd dat bij nieuwe contracten niet alsnog (een deel van) de winsten naar Rusland vloeien? Wat als dit – gelet op de hoge gasprijzen – meer is dan de winsten voor Rusland onder de lopende contracten?
Er mogen geen nieuwe overheidsopdrachten gegund worden aan Russische partijen; er is bovendien een maximum gesteld aan het gedeelte Russische toeleveranciers (10%). Dit leidt ertoe dat de levering van Russisch gas via de nieuwe contracten wordt beperkt.
Wat is de reden dat de aanbesteding van de gemeente Den Haag geen nieuwe gasleverancier heeft opgeleverd?
Het kabinet kan niet ingaan op de details van de gedane aanbesteding van de gemeente Den Haag. Dat is aan de gemeente Den Haag zelf. In het algemeen kunnen er meerdere redenen zijn waarom een aanbesteding mislukt, waaronder prijs, eisen in het bestek, volume dat wordt gevraagd etc.
Wat doet u om de gemeenten te helpen om een nieuwe gasleverancier te vinden? Hoe zorgt u er hierbij voor dat gemeenten niet de hoofdprijs betalen of dat zij gecompenseerd worden voor de extra kosten die zij moeten maken? Ziet u kansen voor samenwerking tussen gemeenten bij het afsluiten van gascontracten en welke rol kunt u hierbij spelen?
Gemeenten konden al een ontheffing aanvragen als bijvoorbeeld geen nieuwe leverancier gevonden kan worden, om zo te zorgen dat ze niet zonder gas komen te zitten terwijl ze verder zoeken naar een nieuwe gasleverancier. Ik hoor van diverse gemeenten dat dit al wel is gelukt. Hierover wordt vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) al een aantal maanden het gesprek gevoerd met onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), waterschappen, Interprovinciaal Overleg (IPO), en meerdere andere partijen.
Omdat vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH de bestaande contracten met SEFE Energy Ltd. aangehouden kunnen worden, verwacht ik niet dat gemeenten nog in de problemen komen bij het vinden van een gasleverancier.
Aan alle partijen die een contract met SEFE hadden, maar deze voortvarend hebben opgezegd, ben ik voornemens een tegemoetkoming te geven voor de meerkosten die zij tussen 10 oktober en 31 december 2022 hebben gemaakt. Ook ga ik graag verder in gesprek met de partijen die een contract hebben opgezegd dat na 1 januari 2023 door zou lopen, gelet op de verruiming van de ontheffingsmogelijkheid tot en met 31 maart 2023. Hierbij weeg ik mee dat deze groep na 1 januari 2023 ook deels gebruik kan maken van de andere maatregelen die zijn aangekondigd om het effect van de hoge energieprijzen te dempen.
Daarnaast moedig ik gemeenten, net als alle partijen in Nederland, aan om te kijken wat er mogelijk is om energieverbruik in het algemeen te verlagen om zo de kosten te drukken.
Wat doet u om gemeenten te helpen om energie te besparen zonder dat de gemeentelijke dienstverlening hieronder te lijden heeft?
Wij zijn op dit moment in gesprek met gemeenten naar aanleiding van deze casuïstiek, en vragen hierbij expliciet naar mogelijkheden die zij zelf zien om te besparen en waar ze mogelijk hulp bij nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld steun zijn voor het gebruik van schonere technieken, het leveren van kennis en expertise etc. Ook kunnen gemeenten aanvragen indienen voor de subsidie duurzaam maatschappelijk vastgoed (DuMaVa) voor verduurzamingsmaatregelen van gemeentelijk vastgoed.
Klopt het dat gemeenten geen instrumenten voorhanden hebben om energiebesparende maatregelen op te leggen in hun gemeenten? Bent u voornemens om landelijke regels in te stellen die energiebesparing verplichten of om gemeenten de mogelijkheid te geven om dit zelf te verplichten?2
Nee. De landelijke energiebesparingsplicht verplicht bedrijven en instellingen met een verbruik van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas alle energiebesparende maatregelen met een vijf jaar terugverdientijd uit te voeren. Gemeenten en hun omgevingsdiensten hebben dus een belangrijke rol in het toezicht op de landelijke energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen. Het kabinet verbreedt deze plicht en scherpt deze plicht momenteel aan en heeft ook meer middelen vrijgemaakt voor de handhaving er van. Daarnaast kunnen gemeenten besparingsmaatregelen uitvoeren in eigen kantoren en bedrijfsvoering in hun gemeente. Niet alle mogelijke energiebesparende maatregelen verdienen zich in vijf jaar terug en bedrijven met een beperkt energiegebruik vallen niet onder de plicht. Lokale afspraken of voorschriften (o.a. op basis van de Woningwet) kunnen in sommige gevallen hier invulling aan geven.
Het onbenut laten van Bibob-toetsing bij subsidieverlening |
|
Ingrid Michon (VVD), Joost Sneller (D66) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ministeries laten belangrijkste instrument tegen criminele ondermijning onbenut»?1
De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) is een belangrijk instrument om de integriteit van de overheid te beschermen. Bestuursorganen kunnen aan de hand van een zogenoemde Bibob-toets subsidieaanvragen preventief weigeren of reeds genomen subsidiebesluiten in trekken. Er moet daarvoor een ernstig gevaar bestaan dat de subsidiebeschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen (art. 3, eerste lid). Daarnaast bestaan voornoemde bevoegdheden indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd, waarbij dan geldt dat de weigering dan wel intrekking slechts plaatsvindt, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen om hun eigen integriteit te beschermen. Gedachte achter deze discretionaire bevoegdheid is dat bestuursorganen zelf het beste kunnen inschatten welk instrument ze wanneer kunnen inzetten. In de praktijk zien we dat met name gemeenten (veelvuldig) gebruik maken van de Wet Bibob, maar dat de inzet van de Wet Bibob bij de rijksoverheid achterblijft. Dat is een groot aandachtspunt. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gaat met verschillende departementen in gesprek om het gebruik van de Wet Bibob bij de rijksoverheid te stimuleren. Onderdeel daarvan zijn de gesprekken die worden gevoerd met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
Deelt u de mening dat de Wet Bibob (Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) erop gericht is om te voorkomen dat de overheid de onderwereld faciliteert, dat door een Bibob-toets uit te voeren op een potentiële subsidieontvanger kan worden nagegaan of niet onbedoeld subsidie wordt verstrekt aan personen met banden met het criminele circuit en dat daarmee de concurrentiepositie van bonafide ondernemers wordt beschermd?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat bij een Bibob-onderzoek gesloten bronnen kunnen worden geraadpleegd, zoals gegevens betreffende toezicht, controle en inspectie en justitiële- en politiegegevens, die in controles achteraf niet meer geraadpleegd kunnen worden?
Ja.
Kunt u toelichten hoe vaak de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een van de grootste subsidieverstrekkers van de rijksoverheid, de afgelopen drie jaar een Bibob-toets heeft uitgevoerd op een subsidieontvanger? Hoe reflecteert u op dat aantal?
Tussen 2019 en 2022 zijn er in het kader van subsidies geen Bibob-toetsen uitgevoerd door RVO. Wel zijn er door RVO op basis van de Wet Bibob 336 onderzoeken gedaan in verband met de registratie voor het handelen in dierlijke meststoffen. Het Ministerie van EZK is in gesprek met het Ministerie van JenV om te bezien hoe er ook bij subsidieverlening door RVO beter gebruik zou kunnen worden gemaakt van de Wet Bibob.
Zowel RVO als ook UVB hebben bij de subsidieverlening in recente jaren andere instrumenten gebruikt om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan. Reeds in de ontwikkelingsfase van een subsidieregeling is er aandacht voor het risico op misbruik en de wijze waarop dit risico gemitigeerd kan worden. Daarnaast wordt voorafgaand aan het verstrekken van subsidies door UVB en RVO onderzoek gedaan. De diepgang van dit onderzoek dient op grond van de Regeling vaststelling Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (USK) en het Raamwerk Uitvoering Subsidies (RUS) in verhouding te staan tot de hoogte van het subsidiebedrag. Tot slot vinden achteraf controles plaats gebaseerd op Europese en/of nationale wet- en regelgeving. De uitvoering door RVO en UVB hiervan staat onder controle van onafhankelijke controlerende instanties als de Accountantsdienst Rijk, de Algemene Rekenkamer en, in het geval van Europese subsidies, de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer.
Deelt u de mening dat toetsing of controle van een subsidieontvanger achteraf geen adequate vervanging kan zijn van toepassing van een Bibob-toets vooraf om de doelen van de wet Bibob te bereiken?
Ja, een Bibob-toets en toetsing of controle van een subsidieontvanger achteraf zijn twee verschillende zaken. Met de Wet Bibob wordt de integriteit van betrokken personen bij een subsidie onderzocht. Bij een subsidiecontrole achteraf wordt gekeken of de verstrekte subsidie doelmatig en rechtmatig is besteed, waarbij dan overigens ook integriteitskwesties naar voren kunnen komen. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat de controles van RVO en UVB zich niet enkel beperken tot controles achteraf. Gedurende het gehele subsidieproces vinden controles plaats teneinde misbruik te voorkomen en ontdekken. Bij het vaststellen van misbruik wordt opgetreden.
Hoe reflecteert u op het feit dat een van de grootste subsidieverstrekkers van de rijksoverheid, Uitvoering van Beleid SZW, de afgelopen drie jaar op geen enkele subsidieontvanger een Bibob-toets heeft uitgevoerd?
In tegenstelling tot de berichtgeving in de media heeft UVB in het jaar 2021 geen 2 miljard euro aan subsidie verstrekt maar circa 200 miljoen waarvan circa de helft aan publieke partijen en de andere helft aan private organisaties. De afgelopen drie jaar is door UVB bij verstrekking van die subsidies geen gebruik gemaakt van de Wet Bibob. Dat is een aandachtspunt. SZW beziet of dit anders zou moeten.
UVB heeft de afgelopen jaren wel andere instrumenten gebruikt om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies bij de subsidieverlening tegen te gaan. Daarvoor verwijs ik u naar de beantwoording op vraag 4.
Hoe vaak hebben RVO en Uitvoering van Beleid SZW de afgelopen drie jaar tips ontvangen van andere organisaties of personen op basis van de tipbevoegdheid uit de Wet Bibob? Indien deze zijn ontvangen, kunt u toelichten wat met deze tips is gedaan?
UVB heeft de afgelopen drie jaar geen tips ontvangen op basis van de tipbevoegdheid uit de Wet Bibob. Voor RVO geldt dat in de periode 2019 tot en met 2022 drie tips ontvangen zijn in het kader van de Wet Bibob. Het ging hierbij in één geval om een tip in het kader van de SDE++2 en in twee gevallen in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Bij dergelijke tips laat RVO door de subsidieaanvrager het Bibob-vragenformulier invullen met betrekking tot subsidiebeschikkingen, welk is vastgesteld op grond van artikel 7a van de Wet Bibob. Mede aan de hand van de antwoorden wordt bezien of een beslissing kan worden genomen over de aanwezige risico’s. In die gevallen kon daarover een oordeel worden gegeven en was geen verder advies van het Landelijk Bureau Bibob (LBB) nodig.
Deelt u de mening dat de rijksoverheid een voorbeeldfunctie heeft richting andere overheden bij het bevorderen van integriteit en dat oproepen aan gemeenten om de Bibob-toets te gebruiken krachtiger zijn als deze voorbeeldrol goed wordt ingevuld?
Ja.
Hoe reflecteert u, in het licht van het bovenstaande, op het feit dat de deze Bibob-toets nauwelijks door de rijksoverheid wordt ingezet bij het verstrekken van nationale subsidies en EU-subsidies? Welke risico’s brengt dat met zich mee ten aanzien van de bestemming subsidiegeld?
Het doel van de Wet Bibob is om de eigen integriteit te beschermen van de overheid en om te voorkomen dat door subsidieverstrekking onbedoeld criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Er zijn meerdere instrumenten die bijdragen aan dat doel, maar de inzet van de Wet Bibob bij de rijksoverheid verdient meer aandacht. Het Ministerie van JenV voert Rijksbreed gesprekken om de inzet van de Wet Bibob te stimuleren, waaronder ook met de Ministeries van SZW en EZK. Los van de Wet Bibob zijn er ook nog andere instrumenten die de rijksoverheid voorafgaand aan, tijdens en na de verstrekking van een subsidie, kan toepassen om de risico’s op misbruik van overheidsgeld zo veel als mogelijk te voorkomen.
Bent u bereid om te bevorderen dat de rijksoverheid, in het bijzonder de RVO en Uitvoering van Beleid SZW, bij het verlenen van subsidies gebruik van de Wet Bibob beleidsmatig beter zullen verankeren opdat hier frequenter gebruik van zal worden gemaakt?
Er kan worden opgemerkt dat de Wet Bibob bestuursorganen een discretionaire bevoegdheid geeft die een bestuursorgaan de mogelijkheid geeft om de wet in te zetten. Bovendien is toepassing van de Wet Bibob geen doel op zich. Echter is het in beginsel belangrijk dat ook diensten die vallen onder de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid de wet effectief in (kunnen) zetten. Daar kan winst behaald worden. Zoals in de beantwoording op vraag 9 aan de orde is gekomen worden door het Ministerie van JenV momenteel gesprekken gevoerd met de Ministeries van SZW en EZK om daar stappen in te zetten.
Bij de gesprekken zullen geen vertegenwoordigers van de RIEC’s en het LIEC worden betrokken, aangezien zij voor de uitvoering van de Wet Bibob bij landelijke organisaties geen rol hebben. Wel zal het LBB daarvoor worden uitgenodigd. Voorts is tijdens de wetsbehandeling van de tweede tranche van de Wet Bibob de noodzaak om de RVO toe te voegen als informatieleverancier aan artikel 27 Wet Bibob niet gebleken (Kamerstukken 2021/22, 35 764, nr. 6, blz. 28–29).
Zijn RVO en Uitvoering van Beleid SZW adequaat toegerust om de nieuwe bevoegdheden in de Wet Bibob (tweede tranche, Stb. 2022, nr. 304) vanaf 1 oktober 2022 goed te kunnen uitvoeren? Welke stappen zijn er reeds gezet bij deze organisaties om een goede implementatie van de wet te bevorderen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u in gesprek gaan met het Landelijk Bureau Bibob en het RIEC-LIEC over hoe RVO en Uitvoering van Beleid SZW de Wet Bibob effectiever kunnen gebruiken en kunt u hierbij ook de wens van het RIEC-LIEC betrekken ten aanzien van opname van de RVO als informatieleverancier in artikel 27 van de Wet Bibob?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de Kamer voor de inwerkingtreding van de tweede tranche Bibob wederom te informeren over de voortgang van het verbeteren van de toepassing van de Wet Bibob door de rijksoverheid bij subsidieverlening?
Vanzelfsprekend ben ik bereid om uw Kamer te informeren over de voortgang van het verbeteren van de toepassing van de Wet Bibob door de rijksoverheid. Dat zal echter niet lukken voor de inwerkingtreding van de tweede tranche van de Wet Bibob op 1 oktober van dit jaar. Uiterlijk in het eerste kwartaal van 2023 wordt u geïnformeerd.
De instroom van buitenlandse studenten en de onderwijskwaliteit in Nederland |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Enquête: toestroom buitenlandse studenten zet kwaliteit onder druk»?1
Daar heb ik kennis van genomen.
Bent u op de hoogte van de uitkomsten van bovengenoemde enquête en zo ja, hoe reflecteert u daarop?
Ik ben op de hoogte van de uitkomsten van deze enquête. Hoewel de enquête geen representatieve steekproef is, geeft het wel een aantal belangrijke signalen. Ik was reeds van de meeste signalen op de hoogte en het beeld dat ik heb van de uitdagingen die internationale studenten ondervinden in Nederland wordt verder bevestigd door de uitkomsten van deze enquête, zoals uitdagingen in de informatievoorziening rondom huisvesting en corona- en vaccinatieregels in Nederland en het signaal dat door corona de werkgelegenheid voor internationale studenten over het algemeen is afgenomen. Op onderdelen brengt de enquête ook extra detail, zoals over de uitdagingen met betrekking tot de Nederlandse zorgverzekering.
Kunt u uitleggen waarom er ieder jaar zoveel buitenlandse studenten naar Nederland komen? Worden deze studenten actief geworven door de onderwijsinstellingen en/of door bedrijven en/of het Rijk? Krijgen de onderwijsinstellingen geld van de overheid voor het aantrekken van buitenlandse studenten en zo ja, op basis van welke criteria en hoeveel geld per student?
Nederland is een populair land voor internationale studenten en dan vooral de universiteiten. Dit komt met name door de hoge kwaliteit en betaalbaarheid van het hoger onderwijs in Nederland en het aanbod van Engelstalige opleidingen. In het recent gesloten bestuursakkoord (Kamerstuk 31 288, nr. 969) tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Vereniging van Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) is afgesproken dat de universiteiten zeer terughoudend zijn met internationale wervingsactiviteiten gericht op uitbreiding tenzij zij zich bevinden in krimpregio’s en/of werven voor opleidingen die cruciaal zijn voor de tekortsectoren. Onderwijsinstellingen krijgen geen geld van de overheid voor het aantrekken van buitenlandse studenten. Hogeronderwijsinstellingen worden vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gedeeltelijk bekostigd op basis van het aantal studenten dat zij opleiden. Dit geldt voor Nederlandse en EER-studenten. Het bedrag dat een instelling krijgt is hetzelfde als voor een Nederlandse student en ligt tussen de € 4.300 en € 13.000 per student per jaar, afhankelijk van het type opleiding. Criteria zijn dat het een eerste bachelor- of eerste masteropleiding betreft en dat de student binnen de nominale studieduur studeert. Voor niet-EER-studenten ontvangen hogeronderwijsinstellingen geen bekostiging van OCW. Deze studenten betalen het hogere instellingscollegegeld.
Bent u op de hoogte van het feit dat universiteiten deze zomer alarm hebben geslagen omdat er voor veel studenten uit het buitenland geen huisvesting beschikbaar was? Zo ja, waarom wordt er dan vanuit het Rijk geen werk gemaakt van het inperken van de stroom studenten uit het buitenland?
Ik ben daarvan op de hoogte. In het eerder genoemde bestuursakkoord is reeds aangegeven dat het een collectief belang is dat de internationale studentenstromen beter beheersbaar worden en dat gestreefd wordt naar een stelsel dat duurzaam en in balans is, waarbij de waardevolle aspecten van internationalisering behouden blijven en er tevens voldoende ruimte is voor behoud van de kwaliteit en toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Hier moet fundamenteel over nagedacht worden en dit zal geadresseerd worden in de toekomstverkenning die deze maand start. Op basis van de eerste uitkomsten uit deze toekomstverkenning informeer ik begin 2023 de Tweede Kamer over de vervolgstappen op dit onderwerp. Vooruitlopend hierop zijn reeds afspraken gemaakt met de universiteiten onder andere over werving, proactieve voorlichting richting internationale studenten over wat hen wel/niet geboden kan worden en terughoudendheid van universiteiten met het wijzigen van de onderwijstaal van opleidingen naar het Engels.
Hoe reflecteert u op de groeiende wooncrisis in Nederland en de jaarlijkse instroom van studenten uit het buitenland? Deelt u de mening dat het in het licht van het nijpende woningtekort onverantwoord is om studenten naar ons land te halen, als wij hen nergens kunnen onderbrengen en dit daarnaast de woningmarkt nog verder verstopt?
Woningnood is op dit moment helaas een gegeven in onze samenleving, voor studentenhuisvesting is dit niet anders. In het recent afgesloten Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting 2022–2030 wordt onder andere de realisatie van een groot aantal studentenwoningen aangekondigd (Kamerstuk 33 104, nr. 30). Desalniettemin kan dit betekenen dat er op plaatsen die erg aantrekkelijk zijn, zoals Amsterdam, uitdagingen blijven bestaan. Duidelijke communicatie hierover richting internationale studenten is dan ook essentieel. Hierover zijn daarom ook afspraken gemaakt met de universiteiten in het bestuursakkoord: de universiteiten geven proactief voorlichting aan internationale studenten over wat hen wel/niet geboden kan worden, bijvoorbeeld als het gaat om huisvesting.
Erkent u dat de grote hoeveelheid buitenlandse studenten een te grote zorglast voor onderwijsinstellingen met zich meebrengt, aangezien deze studenten meer begeleiding en facilitering nodig hebben dan Nederlandse studenten, wat vervolgens ten koste gaat van de tijd en de (financiële) middelen die ten behoeve komen van het curriculum en de colleges? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is, aangezien dat zowel een kwalitatieve, als een kwantitatieve verarming van ons onderwijs tot gevolg heeft?
Ik erken dat er voldoende ruimte en tijd moet zijn om zowel de Nederlandse als de internationale studenten goede begeleiding te bieden, zonder dat dit ten koste gaat van bijvoorbeeld het curriculum of de colleges. De mening dat de hoeveelheid buitenlandse studenten een te grote zorglast voor onderwijsinstellingen met zich meebrengt, deel ik niet. Onderwijsinstellingen kiezen er zeer bewust voor om buitenlandse studenten op te leiden en horen daarbij ook de benodigde ondersteuning te bieden. Een opleiding volgen kent vele aspecten. Buitenlandse studenten kunnen van grote meerwaarde zijn voor alle studenten in een opleiding en voor het curriculum. Dit kan meespelen in de afweging van de hogeronderwijsinstelling om internationale studenten te verwelkomen en het beschikbaar stellen van extra begeleiding en facilitering voor deze studenten. Investeringen aan de ene kant zijn dan ook niet een-op-een te vergelijken met opbrengsten aan de andere kant, ik deel de mening van kwalitatieve en kwantitatieve verarming daarom niet.
Kunt u uiteenzetten wat de gevolgen zullen zijn van de devaluering van Nederlands onderwijs, een trend die inmiddels al enige tijd aan de gang is, voor de toekomstige samenleving en de economie? Wat gaat het gebrek aan onderlegging betekenen voor de arbeidsmarkt en het bedrijfslevens? Hoeveel geld en welke schade gaat het de samenleving kosten wanneer er steeds meer te weinig adequaat geschoolde mensen op de arbeidsmarkt komen?
Het kabinet erkent dat het hoger onderwijs en onderzoek in Nederland investeringen vergt en investeert deze kabinetsperiode dan ook fors in hoger onderwijs en onderzoek. In mijn beleidsbrief van afgelopen juni is aangegeven hoe deze investeringen ingezet zullen worden (Kamerstuk 31 288, nr. 964). Daarbij is het uitgangspunt dat een gezond en duurzaam stelsel voor hoger onderwijs en wetenschap essentieel is voor de ontwikkeling van studenten, docenten en onderzoekers, voor wetenschappelijke doorbraken en voor het aangaan van maatschappelijke uitdagingen. Deze investeringen hebben daarom naar verwachting positieve gevolgen voor de toekomstige samenleving en de economie. Daarbij kan ook het opleiden van internationaal talent een positieve bijdrage leveren aan adequaat geschoolde mensen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Hoe verhouden zich de kosten die Nederland maakt voor het faciliteren van buitenlandse studenten tot de baten die het ons land op de langer termijn oplevert? Kunt u inzichtelijk maken of de investeringen die worden gedaan in buitenlandse studenten zich ook terugvertalen in winst voor de Nederlandse samenleving en economie?
In 2019 heeft het Centraal Planbureau onderzoek gedaan naar de economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs en mbo2. Hieruit blijkt dat het saldo van opbrengsten en kosten gezien over de hele levensloop voor alle typen studenten in het hoger onderwijs positief is voor hbo- en wo-studenten uit zowel EER- als niet-EER-landen. Het saldo voor studenten uit niet-EER-landen is substantieel groter. De nettobijdrage over de levensloop van een wo-student uit een niet-EER-land is gemiddeld € 96.300. Voor een student aan een hbo-opleiding is dit gemiddeld € 68.500. Studenten uit EER-landen hebben een kleinere nettobijdrage, gemiddeld € 5.000 voor een hbo-student en gemiddeld € 16.900 voor een wo-student. Oorzaken voor dit verschil zijn de hogere blijfkans onder niet-EER-studenten3, het gegeven dat de Nederlandse overheid voor hen geen rijksbijdrage betaalt en dat deze studenten ook geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering (ook niet onder bepaalde voorwaarden). Daarnaast is de nettobijdrage van studenten met een wo-opleiding voor zowel EER- als niet-EER-landen hoger dan die van hbo-studenten. Dit verschil wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de gemiddeld veel hogere inkomens van deze groep en de daarmee samenhangende hogere belasting- en premieopbrengsten na de studie4. Naast dat de buitenlandse studenteninstroom financieel netto positief uitpakt voor de Nederlandse samenleving en economie, zorgen buitenlandse studenten ook voor een stimulerend studieklimaat aan onze hogeronderwijsinstellingen en een betere aansluiting op internationale wetenschappelijke ontwikkelingen.
Deelt u de mening dat het adequaat opleiden van Nederlandse studenten de eerste prioriteit moet zijn voor het Nederlandse onderwijssysteem? Onderschrijft u dan ook dat wij vooral moeten investeren in de educatie van onze autochtone studentenpopulatie en bijvoorbeeld moeten proberen om in eerste instantie al onze eigen jonge mensen te voorzien van een goede opleiding?
Het Nederlandse onderwijssysteem leidt op voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Toegankelijkheid voor Nederlandse studenten is een van de uitgangspunten in het Nederlandse hoger onderwijs. Het hoger onderwijs in Nederland is dan ook zeer toegankelijk voor Nederlandse studenten. Met het juiste diploma uit het voortgezet onderwijs zijn Nederlandse studenten bij alle opleidingen direct toelaatbaar, slechts een beperkt aantal opleidingen hanteert een capaciteitsfixus. In dat geval zijn aspirant-studenten wel toelaatbaar, maar kan niet iedere kandidaat wegens capaciteitsgebrek ook worden toegelaten. De plaatsen worden op basis van selectie verdeeld. In studiejaar 2021–2022 kon vijf procent van de studenten niet de opleiding van hun eerste keus volgen (Kamerstuk 31 288, nr. 972) Al deze studenten konden wel elders in het hoger onderwijs worden toegelaten, bijvoorbeeld op een studie in een aanverwant vakgebied. Tegelijkertijd is internationalisering in het hoger onderwijs en investeren in internationaal talent om verschillende redenen van groot belang. Het draagt onder andere bij aan een stimulerend studieklimaat, aan een betere aansluiting op internationale wetenschappelijke ontwikkelingen en vormt een deel van het antwoord op de vraag van de arbeidsmarkt naar meer hoogwaardig opgeleid talent.
Deelt u daarnaast de mening dat het het welzijn en het ontwikkelings- en toekomstperspectief van studenten uit het buitenland geen goed doet als wij hen in Nederland niet kunnen bieden waarvoor zij naar ons land gekomen zijn?
Ik deel de mening dat het het welzijn en het ontwikkelings- en toekomstperspectief van studenten uit het buitenland geen goed doet als we hen in Nederland niet kunnen bieden waarvoor zij naar ons land gekomen zijn. Essentieel daarvoor is onder andere dat de verwachtingen van de studenten over hun komst naar Nederland realistisch zijn. Hiervoor is reeds een aantal acties in gang gezet voor de korte termijn via het bestuursakkoord. Daarnaast is het van belang dat er balans bewerkstelligd wordt in internationalisering in het hoger onderwijs in Nederland, waar ik komende tijd over in gesprek ga met de relevante partijen in het kader van de toekomstverkenning.
In mijn brief aan uw Kamer afgelopen juni over internationalisering heb ik aangekondigd dat ik met instellingen en andere stakeholders, zoals studenten en regionale partijen naar oplossingen wil zoeken, om een balans te bewerkstellingen en te komen tot een toekomstbestendig bestel (Kamerstukken II, 31288–963). Het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap en een toekomstverkenning maken hier deel van uit. Afgelopen juli is het bestuursakkoord gesloten tussen Universiteiten van Nederland (UNL), de Vereniging Hogescholen (VH) en het Ministerie van OCW, waarin vooruitlopend op de toekomstverkenning met de universiteiten concrete afspraken zijn gemaakt over internationalisering voor de korte termijn (Kamerstuk 31 288, nr. 969). Deze afspraken gaan onder andere over de terughoudendheid van universiteiten bij internationale wervingsactiviteiten en een proactieve houding van universiteiten richting internationale studenten over wat hen wel/niet geboden kan worden. Internationalisering staat hoog op de agenda van de toekomstverkenning en begin 2023 wordt uw Kamer geïnformeerd over vervolgstappen op dit onderwerp. Daarnaast is op 7 september 2022 het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting 2022–2030 door de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 33 104, nr. 30). Dit actieplan wordt gedragen door de universiteiten, de studenten, de gemeenten, de sociale en commerciële studentenhuisvesters, Nuffic, het Ministerie van BZK en het Ministerie van OCW. Het actieplan heeft onder andere als doel om in de periode van 2022–2030 tot een uitbreiding van 60.000 nieuwe studentenwoningen te komen. Tevens is de Regeling huisvesting aandachtsgroepen (RHA) van het Ministerie van BZK ook voor de aandachtsgroep studenten opengesteld om de bouw van studentenhuisvesting te stimuleren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de druk op en de kwaliteit van het Nederlands hoger - en universitair onderwijs niet nog verder afneemt en de buitenlandse studenten die op dit moment in Nederland zijn opgeleid worden naar verwachting?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om het wettelijk mogelijk te maken, dat onderwijsinstellingen eenzijdig zouden moeten kunnen besluiten om buitenlandse studenten te weigeren, ook als zij voldoen aan de toelatingseisen voor de betreffende opleiding, als daardoor de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide verklaring geven?
In mijn brief aan uw Kamer over internationalisering afgelopen juni heb ik uw Kamer laten weten dat ik nog niet verder ga met het wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid en dat ik het wetsvoorstel voorlopig aanhoud (Kamerstuk 31 288, nr. 963). Het vraagstuk van de groeiende internationale instroom kan namelijk niet worden losgezien van vraagstukken zoals de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs, Nederlands als academische taal en studentenhuisvesting, waar in de toekomstverkenning die deze maand start op wordt ingegaan. Ook wil ik de (internationale) studenteninstroom in samenhang bezien met de regionale en internationale arbeidsmarkt en de krapte die in sommige sectoren heerst. Op basis van de eerste uitkomsten van de toekomstverkenning informeer ik begin 2023 de Tweede Kamer over de vervolgstappen op dit onderwerp. Om die reden is het nog te vroeg om te reageren op de specifieke optie die wordt voorgesteld in deze vraag.
Het charmeoffensief van Rusland in Afrikaanse landen |
|
Jan Klink (VVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rusland op charmeoffensief met tour langs Afrikaanse landen»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het bezoek van Minister Lavrov aan verschillende Afrikaanse landen, zoals Egypte, Ethiopië, Uganda en Congo, afgelopen zomer?
Tussen 24 en 27 juli 2022 bezocht Russische Minister van Buitenlandse Zaken Lavrov Egypte, Congo-Brazzaville, Oeganda en Ethiopië. Tijdens de bezoeken aan Egypte en Ethiopië sprak hij respectievelijk ook met de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie. Minister Lavrov leek met deze bezoeken primair de bilaterale banden met deze landen te willen aanhalen, en het Russische narratief te verspreiden over de oorlog in Oekraïne en de gevolgen hiervan.
In hoeverre Lavrov hierin succesvol was zal op termijn moeten blijken. Toch lijkt de impact van dit bezoek beperkt. Lavrov werd niet overal ontvangen op het gewenste hoogste niveau, zoals in Ethiopië en bij de Afrikaanse Unie. Het viel op dat de ontvangende landen tijdens de afsluitende persconferenties geen expliciete steun betuigden voor het Russische narratief. Ondanks sterke bilaterale banden met Rusland, bewaarden landen als Oeganda en Egypte juist expliciet hun neutrale positie. Voor zover bekend zijn er ook geen nieuwe afspraken gemaakt met de bezochte landen. Buiten Egypte was er relatief weinig lokale media-aandacht voor de bezoeken.
Het feit dat Minister Lavrov ondanks de Russische invasie van Oekraïne in ieder land werd ontvangen, laat evenwel zien dat deze landen waarde hechten aan hun relatie met Rusland. Verschillende redenen kunnen hieraan ten grondslag liggen, zoals zorgen over voedselzekerheid, of het bestaan van lange economische en diplomatieke relaties. Het is van belang een goed begrip te krijgen van de posities van Afrikaanse landen, en deze mee te nemen in de dialogen die Nederland en de EU met deze landen voeren.
Welke afspraken zijn er door Rusland met de bezochte Afrikaanse landen gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u om met Afrikaanse landen die onlangs de banden met Rusland hebben aangehaald en in bezit zijn van kritieke grondstoffen?
Nederland spant zich, samen met de EU en EU-lidstaten, in om het Europese narratief over de Russische invasie van Oekraïne en de impact hiervan op het Afrikaanse continent onder de aandacht te brengen bij Afrikaanse landen. De relatie op basis van gelijkwaardigheid die wij met deze landen hebben vormt hierbij het uitgangspunt.
Strategische en binnen de EU afgestemde communicatie is één van de manieren om het Russische narratief te bestrijden. Ook is het belangrijk dat de EU, samen met de lidstaten, goed onder de aandacht brengt dat zij gezamenlijk de grootste handelspartner, de grootste investeerder en de grootste donor voor wat betreft ODA zijn in de meeste Afrikaanse landen. Daarbij moeten ook de resultaten die hiermee behaald worden benadrukt. Hiermee laten we zien dat een hechte relatie met de EU loont en dat het steunen van de internationale rechtsorde en het multilaterale stelsel ook in het directe eigenbelang is van deze landen. Het EU partnerschap met Afrika, dat werd herbevestigd tijdens de EU-AU Top in februari 2022, biedt veel mogelijkheden om deze boodschappen over te brengen en nieuwe samenwerkingen aan te gaan die hier op hun beurt aan bijdragen.
Hoe gaat u om met de (Afrikaanse) landen die de VN-Resolutie «Agressie tegen Oekraïne» niet gesteund hebben?
Tijdens de stemming in de Algemene Vergadering van de VN op 2 maart 2022 over deze resolutie, stemden 29 Afrikaanse landen voor, een tegen, onthielden zestien landen zich van stemming en waren acht landen afwezig. Dit toonde aan dat de verwachte ondersteuning van de Afrikaanse staten van het Westerse standpunt geen gegeven is. Actief tegen een resolutie te stemmen is echter een andere keuze dan een onthouding van stemmen, of afwezigheid tijdens een stemming. Redenen hiervoor kunnen uiteenlopen en verschillen per land. Het is daarom zaak om in gesprek te blijven over de Russische invasie van Oekraïne en de negatieve gevolgen hiervan, Russische desinformatie tegen te gaan, en de politieke dialoog met deze landen te versterken. Nederland heeft hiertoe o.a. opgeroepen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (OS) van 6-7 maart. Daarnaast heeft Nederland, zowel voor als na de stemming over de VN-resolutie, met diverse landen contact gezocht om deze kwestie aan de orde te stellen. Nederland blijft dit onderwerp opbrengen in bilaterale gesprekken en zich hiervoor inspannen, in EU-verband en met andere partners, om de internationale coalitie die de Russische agressie veroordeelt zo breed mogelijk te maken en te houden. Ook tijdens de AVVN is hier door de Nederlandse delegatie veel aandacht aan besteed. De afweging voor vervolgstemmen blijft echter de verantwoordelijkheid van ieder individueel land.
Hoe gaat u om met de landen die de VN-Resolutie «Agressie tegen Oekraïne» niet hebben gesteund of onlangs de banden met Rusland hebben aangehaald (Mali, Ethiopië, Zuid Soedan, Soedan, Burundi, Mozambique, Bangladesh, Egypte, Irak, Senegal, Zuid Afrika, India en Vietnam) en tevens volgens de beleidsnotitie 2022 «Doen waar Nederland goed in is» prioritaire-/focuslanden zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking? Kunt u per land aangeven of en hoeveel Nederlands belastinggeld de afgelopen jaren naar de overheden van deze landen is gegaan en de komende jaren zal gaan? Welke programma’s lopen er met de overheden van de genoemde landen?
In aanvulling op de beantwoording van vraag 4 en 5, geldt voor alle landen dat er op proactieve wijze en met een overtuigend narratief gecommuniceerd wordt over de gedeelde belangen, onder andere om gezamenlijke ontwikkelingsdoelstellingen te behalen en economische samenwerking te bevorderen, en over de Russische oorlog in Oekraïne en de impact hiervan op andere landen. Hierbij moet ook oog worden gehouden voor de sterk uiteenlopende motivaties van landen die vragen om een gedifferentieerde benadering. Het kabinet hecht daarbij aan een gelijkwaardig partnerschap dat tegemoet komt aan ieders belangen en waarin wederkerigheid centraal staat.
Nederland financiert normaliter geen andere overheden in de uitvoering van ontwikkelingssamenwerking. De Nederlandse steun verloopt vooral via internationale en maatschappelijke organisaties. Binnen de groep genoemde landen zijn er enkele uitzonderingen van projectfinanciering waarvoor het contract werd getekend met een overheidsinstantie. Dit betroffen Bangladesh (twee contracten), Ethiopië (zes contracten), Mali (vier contracten), Mozambique (drie contracten) en Senegal (een contract). De totale uitgaven voor deze projecten in genoemde landen betrof in 2.020 EUR 42,325,771, in 2.021 EUR 9,211,406 en in 2.022 EUR 2,320,773. Met Soedan werd in 2020 een contract afgesloten voor een project met een totaalbudget van USD 198,000, dit project werd echter afgebroken en is om die reden niet meegerekend in het bovenstaande overzicht. In dit overzicht zijn projecten die binnen programma’s voor private sectorontwikkeling vallen, zoals van de RVO, of programma’s waarin met overheden kan worden samengewerkt, zoals via Invest International, niet inbegrepen.
De programma’s in de hierboven genoemde landen lopen uiteen over verschillende thema’s. In Ethiopië werkt Nederland bijvoorbeeld mee aan het overheidsprogramma op het gebied van water, gezondheidszorg, en sanitatie (oneWASH). In dit programma werken ministeries, donoren, het maatschappelijk middenveld en universiteiten samen. Het programma begon in 2013, en in de eerste fase hebben 18,7 miljoen mensen toegang tot schoon water gekregen. Nederland is halverwege de tweede fase ingestapt. Verder droeg Nederland samen met andere donoren bij aan het SDG pooled fund in Ethiopië, waarmee de implementatie van het strategisch plan van het Ministerie van Gezondheid werd gefinancierd. Het SDG pooled fund sluit aan bij de Nederlandse ontwikkelingsdoelstellingen, bijvoorbeeld op bestrijding van gender-based violence en meisjesbesnijdenissen. Voor beide programma’s geldt dat de Nederlandse financiering sinds eind 2021 niet meer via de overheid loopt.
In Mali steunt Nederland bijvoorbeeld projecten op het gebied van water en anti-corruptie. Met het GIRE-programma wordt ingezet op verbetering van waterbeheer ten behoeve van de bevolking, met name die van de rivier Niger in Mali en Guinee. Het LUCCEI-programma ondersteunt het Ministerie van Justitie en het Nationale Bureau tegen Illegale Verrijking (OCLEI) in de preventie en vervolging van corruptie en illegale verrijking in Mali. Dit programma wordt thans vanwege de politieke situatie aangepast, waarbij financiering via het Ministerie van justitie wordt stopgezet (zie ook de beantwoording van vraag 7).
Een voorbeeld van de Nederlandse samenwerking met Mozambique betreft de steun aan het Zambezi Valley Development Agency (ZVDA), dat onder het Mozambikaanse Ministerie van Economie en Financiën valt. In dit project wordt ingezet op verschillende methoden om productiviteit van onder meer de agribusiness en commerciële boerenbedrijven te verhogen, om zodoende bij te dragen aan hogere inkomens en betere werkgelegenheid.
In Bangladesh steunde NL via het Blue Gold Programma de Bangladesh Water Development Board en het Department of Agricultural Extension op het gebied van watermanagement, tuinbouw en visteelt in de kustgebieden. Ook werd met het Bangladesh Deltaplan 2021 met de overheid samenwerkt om een meerjarig plan voor een veilig en duurzaam beheer van de delta op te stellen.
Wat gaat u doen om de door Nederlands belastinggeld gefinancierde programma’s met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking met de overheden uit de in vraag 6 genoemde landen, die ook de banden met Rusland onlangs hebben aangehaald, aan te passen?
Gevallen waarin de betrekkingen met een land ingrijpend veranderen, zoals door een staatsgreep of burgeroorlog, geven aanleiding voor een herbeoordeling van de diplomatieke relatie met dat land. Besluiten over de continuering van ontwikkelingssamenwerking maken hier deel vanuit. Om deze reden wordt er thans een herziening uitgevoerd van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprojecten op het gebied van veiligheid en rechtsorde, opdat financiering niet via de centrale overheden van Ethiopië, Mali, en Burkina Faso loopt. Projecten op het gebied van water, landbouw en gezondheidszorg kunnen in deze landen hun doorgang blijven vinden.
Het aanhalen van de banden met Rusland hoeft op zichzelf nog geen reden te zijn om ontwikkelingssamenwerking met een land aan te passen. Het staat ieder land vrij om bilaterale relaties te ontplooien. Bovendien kunnen redenen om banden met Rusland aan te halen uiteen lopen. Nederland blijft, in samenwerking met de EU en andere internationale partners, daarom met landen in gesprek over deze kwestie zodat de Russische invasie internationaal zo breed mogelijk wordt veroordeeld.
OS-samenwerking draagt op de lange termijn bij aan het versterken van de stabiliteit in een land door het werken aan grondoorzaken van armoede, voorkomen van terreur, irreguliere migratie en klimaatverandering, en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Juist in landen waar Nederland een OS-relatie mee heeft, geeft dit extra mogelijkheden om de uitbreiding van Russische invloed en narratief over de invasie van Oekraïne tegen te gaan. In de dialoog met deze landen wordt het Europese narratief over de rol van Rusland in Oekraïne en de gevolgen hiervan onder de aandacht gebracht. In landen die direct worden geraakt door consequenties van de oorlog, draagt ontwikkelingssamenwerking bij aan het opvangen van deze negatieve gevolgen (zoals problemen met voedselzekerheid).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de beleidsnotitie 2022 «Doen waar Nederland goed in is»?
Ja.
Herinnert u zich dat op 5 juli 2022 een motie is aangenomen waarvan het dictum luidt: «(...) verzoekt de regering te bevorderen dat er structureel meer onderzoek gedaan wordt naar Long COVID, de diagnose, de biomedische oorzaak van Long COVID, de frequentie en de mogelijke behandelmethodes; verzoekt de regering de Kamer daarover binnen ongeveer een maand te informeren»?1
Ja
Bent u bekend met het feit dat het Amerikaanse volkstellingsbureau nu vragen over Long COVID in haar vragenlijsten meeneemt en dat de uitkomst is dat 16 miljoen Amerikanen in de leeftijdscategorie 18–65 vertellen dat ze Long COVID hebben en twee tot vier miljoen van deze mensen niet kunnen werken?2
Ja
Is het u bekend dat het ook in Nederland om aanzienlijke aantallen mensen moet gaan, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat het UWV in de eerste helft van 2022 731 keuringen had met hoofddiagnose COVID en dat 62% volledig arbeidsongeschikt bleek te zijn? Bent u bekend met het feit dat dit nog waarschijnlijk nog maar het begin is, omdat iemand normaal gesproken pas twee jaar na ziek worden, gekeurd wordt voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)?
Dit aantal is mij bekend. Van de mensen die met hoofddiagnose «COVID-19» werden gekeurd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd volgens het UWV3 8% duurzaam en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Van de gekeurden kreeg 54% een Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) 80–100 uitkering. Dit betekent dat op het moment van keuring sprake is van (bijna) volledig verlies van arbeidscapaciteit, maar verbetering van de belastbaarheid niet wordt uitgesloten.
Ik ben ermee bekend dat niet alle mensen die gedurende de pandemie langdurige klachten hebben ontwikkeld in dit aantal zijn meegerekend. Pas na twee jaar ziekte volgt een WIA-beoordeling.
Deze cijfers hebben betrekking op mensen die de delta-variant van COVID-19 hebben doorgemaakt. Mogelijk is er een verschil tussen de delta- en de omikron-variant wat betreft de kans op langdurige klachten. Dit is een onderwerp van onderzoek binnen het lopende LongCOVID-onderzoek van het RIVM.
Heeft u een inschatting van de omvang van Long COVID in Nederland? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Uit een recent onderzoek4 blijkt dat één op de acht mensen die een COVID-infectie hebben doorgemaakt aangeven langdurig klachten te ervaren. Verder onderzoekt het RIVM met het LongCOVID-onderzoek5 onder meer hoeveel mensen na corona langdurige gezondheidsklachten krijgen.
Mensen met klachten die langer dan drie maanden aanhouden kunnen terecht bij C-support voor een integrale aanpak (het medisch domein, het domein van werk en inkomen en het (psycho-)sociale domein). Inmiddels hebben circa 18.000 mensen met langdurige klachten na een COVID-infectie zich gemeld bij C-support.
Kunt u een brief over de uitvoering van deze motie binnen twee weken aan de Kamer doen toekomen en daarin ingaan op elk van de genoemde aspecten in het dictum?
Ik verwijs hiervoor naar de bijlage «Voorbereiding en bescherming – andere relevante onderwerpen die verband houden met de langetermijnaanpak van het coronavirus»6 bij de Kamerbrief langetermijnaanpak COVID-19.
Post-COVID is een belangrijk onderwerp. Veel mensen ervaren langdurig klachten na het doormaken van een COVID infectie en dit heeft grote invloed op degenen die het treft en hun omgeving. Op dit moment is er helaas nog geen pasklaar oplossing, omdat er nog veel onduidelijk is over diagnose en mogelijke behandeling van post-COVID.
Ik ben daarom blij dat er snel gestart is met onderzoek naar post-COVID en dat er op dit moment blijvend en ruime aandacht is binnen de wetenschap voor onderzoek naar alle aspecten van post-COVID. Zo lopen via ZonMw achttien studies naar het verloop van post-COVID, het mechanisme achter post-COVID, mogelijkheden voor herstel- en nazorg, en behandeling. Twaalf van deze onderzoeken zijn biomedisch van aard.
Tevens onderzoekt het RIVM met het LongCOVID-onderzoek onder meer hoeveel mensen na corona langdurige gezondheidsklachten ervaren, wat deze klachten zijn en hoe lang deze klachten aanhouden. Daarnaast doen verschillende ziekenhuizen onderzoek naar de oorzaak en mogelijke behandeling van post-COVID. Naast al dit nationale onderzoek loopt er internationaal ook zeer veel onderzoek naar alle aspecten van post-COVID.
Vanwege de veelvoud aan onderzoeken, bereiden de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) een overkoepelende kennisagenda voor, waarbij nationale en internationale onderzoeken op het gebied van post-COVID worden samengebracht en geanalyseerd op hun toepassing in Nederland. Hieruit zal blijken of en welk aanvullend onderzoek nodig is. Ik juich dit initiatief toe.
Ten aanzien van de vormgeving van een expertisecentrum post-COVID hebben NFU en C-support toegezegd om de komende maanden gezamenlijk uit te werken op welke wijze kennis en ervaring uit de wetenschap, onderzoek en praktijk op het gebied van post-COVID structureel bijeengebracht kunnen worden om binnen afzienbare termijn toepassing te krijgen in praktijk.
Kunt u vooral ingaan op het biomedische onderzoek dat in Nederland gedaan wordt, de wijze waarop dat nu gefinancierd wordt en de wijze waarop u gaat bevorderen dat dat structureel en grondig gaat gebeuren?
Zoals hierboven beschreven financiert het Ministerie van VWS via ZonMw onderzoek naar de diagnostiek, behandeling en organisatie van post-COVID. Op dit moment worden achttien onderzoeken gedaan, waarvan twaalf onderzoeken biomedische van aard zijn.
Biomedisch onderzoek is een belangrijk onderdeel van de kennisagenda die de NFU, de FMS en het NHG voorbereiden. Uit deze kennisagenda zal blijken of er hiaten zijn waarvoor aanvullend onderzoek nodig is.
Medisch specialisten |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ziekenhuizen kwetsbaar voor fraude door neveninkomsten artsen»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de hoogleraar Integriteit en de integriteitsadviseur van KPMG die stelt dat de huidige werkwijze omtrent neveninkomsten voor medisch specialisten veel ruimte over laat voor slordigheid ofwel kwade wil?
Zoals in het nieuwsbericht is genoemd, is het zo dat als iemand kwaad wil doen, diegene activiteiten, belangen en inkomsten zal (proberen te) verhullen. Hierna licht ik het huidige kader van ziekenhuizen toe om zicht te krijgen op nevenfuncties en neveninkomsten van medisch specialisten.
Ik wijs op hetgeen op het gebied van reclame en gunstbetoon is geregeld in de Geneesmiddelenwet, de Wet Medische Hulpmiddelen en de Beleidsregels gunstbetoon,2 het Transparantieregister Zorg3 en het laatste evaluatierapport daarover,4 de door de Federatie van Medisch Specialisten (FMS) opgestelde Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling5 en de door Brancheorganisaties Zorg (BoZ) opgestelde Governancecode zorg 2022.
Zoals de Minister voor LZS ook in de brief van 29 juni jongstleden over de aanpak niet-integere zorgaanbieders heeft aangegeven,6 is het noodzakelijk dat wordt ingegrepen wanneer personen misbruik maken van collectieve middelen en de belangen van patiënten en cliënten en de zorg in het algemeen ernstig schaden. Tegelijkertijd kunnen we nooit alle mazen voor niet-integere zorgaanbieders dichten, als we ons zorgsysteem toegankelijk en de werkdruk werkbaar willen houden. Het bestrijden van niet-integere zorgaanbieders vraagt daarom om een gerichte en effectieve aanpak door alle betrokken partijen. Ik verwijs u naar voornoemde brief voor informatie over de brede aanpak van niet-integere zorgaanbieders.
Bent u het eens met de opvatting dat de huidige situatie rondom het Isala-ziekenhuis in Zwolle, waarbij de toegang tot goede zorg in het geding is gekomen door het op non-actief stellen van twee medisch specialisten ten alle tijden voorkomen dient te worden?
Ik vind dat patiënten en cliënten toegang moeten hebben tot goede zorg. De raad van bestuur van een zorginstelling is verantwoordelijk voor het organiseren van de zorg. Dit betekent dat de raad van bestuur soms moet optreden, bijvoorbeeld als zorgverleners mogelijk ontoelaatbaar hebben gehandeld. Vervolgens moeten maatregelen worden genomen om de mogelijke risico’s ten aanzien van kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg te beheersen. De IGJ ziet in voorliggend geval op dit moment geen risico’s voor de kwaliteit van zorg.
Hoe wordt onderzocht en voorkomen dat er nog meer van dit soort gevallen spelen?
Wat er wel en niet mag op het gebied van reclame en gunstbetoon is geregeld in de Geneesmiddelenwet, de Wet Medische Hulpmiddelen en in de Beleidsregels gunstbetoon.7 De farmaceutische sector en de hulpmiddelensector hebben in aansluiting op de beleidsregels gedragscodes geformuleerd. Wanneer een vergoeding van een farmaceutisch bedrijf of hulpmiddelenbedrijf aan zorgverleners is toegestaan, moet deze vergoeding in de meeste gevallen geregistreerd worden in het Transparantieregister Zorg.8 Het Transparantieregister berust op zelfregulering en er is een gedragscode, de Gedragsregels openbaarmaking financiële relaties.9 Alle bedrijven die zijn aangesloten bij de betrokken koepelorganisaties,10 waaronder ziekenhuizen, moeten zich houden aan deze gedragsregels. Door het register is het inzichtelijk in hoeverre een behandelaar een financiële relatie heeft met een bedrijf. Uit de jaarlijkse evaluatie van het register, die ik u op 31 januari 2022 heb toegestuurd, blijkt dat het register doeltreffend en effectief is.11 Tevens vraag ik de onderzoekers om de rapportage van de specifieke artsengroep en het specifieke ziekenhuis expliciet te betrekken bij de rapportage die u begin 2023 ontvangt.
Daarnaast is mede door de Federatie van Medisch Specialisten de Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling opgesteld. De code wordt onderschreven door organisaties die verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van wetenschappelijke adviesrapporten en richtlijnen. Tot slot is er de Governancecode zorg 2022, een door Brancheorganisaties Zorg opgestelde privaatrechtelijke vorm van zelfregulering. De leden van ActiZ, de Nederlandse ggz, NFU, NVZ en VGN verplichten zichzelf met hun lidmaatschap tot toepassing en naleving van deze code. Daarnaast kunnen zorgaanbieders die niet lid zijn van één van bovenstaande brancheorganisaties er ook gebruik van maken. Het committeren aan en implementeren van de code is onder andere voor ziekenhuizen een instrument om niet-integere activiteiten te voorkomen.
Het toezicht van de IGJ is gericht op de kwaliteit en veiligheid van zorg en in dat kader bijvoorbeeld op de naleving van de Beleidsregels gunstbetoon. Daar waar de IGJ risico’s ziet, treedt zij op.
Deelt u de overtuiging dat ziekenhuizen betere afspraken met medisch specialisten over neveninkomsten kunnen maken als de specialisten in vaste dienst treden? Hoe gaat u ervoor zorgen dat medische specialisten in de Federatie Medisch Specialisten (MSB) op korte termijn verbetering laten zien en welke stappen worden anders ondernomen om regelgeving voor te bereiden om medisch specialisten in loondienst te laten gaan?
Zowel medisch specialisten in loondienst als vrijgevestigden hebben conform de geldende gedragsregels een meldplicht voor neveninkomst in het Transparantieregister Zorg. Het is aan de partijen om hier in gezamenlijkheid goede afspraken over te maken. Echter, wanneer sprake is van kwade wil kan het in zowel in loondienst als bij vrijgevestigden voorkomen dat nevenfuncties en neveninkomsten niet gemeld worden. Over de verschillende meldingen/signalen die nu bekend zijn, ga ik ook met de IGJ en betreffende wetenschappelijke vereniging (Nederlandse Vereniging voor Cardiologie) in gesprek.
Gegeven de verantwoordelijkheid die de medisch specialisten hebben om de gewenste transformatie naar passende zorg, de bestuurbaarheid en het afremmen van perverse prikkels maximaal te ondersteunen en te versterken, ga ik deze kabinetsperiode de werking van de belemmeringen en verkeerde prikkels nader analyseren, monitoren en concrete acties formuleren en uitvoeren. In het najaar zal ik u nader informeren over het tijdspad met alle relevante aspecten en stappen rondom de transformatie naar passende zorg van medisch specialistische bedrijven.
Hoe kan verder de controle op integriteit nog verbeterd worden?
Diverse casuïstiek12 heeft laten zien dat twijfel kan bestaan of financiële belangen van individuen binnen een zorgorganisatie, zoals bestuurders en aandeelhouders, wel te verenigen zijn met het belang van de zorgorganisatie als geheel en met de maatschappelijk belangen in de zorg. Toezichthouders13 hebben gesignaleerd dat zij in dergelijke gevallen onvoldoende bevoegdheden hebben om in te grijpen. Het uitgangspunt is dat zorgaanbieders hun organisatie en bedrijfsvoering integer inrichten. Zij moeten de vrijheid houden om hun bedrijfsvoering in te richten passend bij het doel van de organisatie. Echter, daar waar bedrijfsmatige keuzes een risico kunnen vormen voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg, kan van zorgaanbieders worden gevraagd om de keuzes te verantwoorden. Bij risico’s voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg en onrechtmatig handelen moet de externe toezichthouder in kunnen grijpen. Het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) bevat daarom aanscherpingen van bestaande regels op het terrein van winstuitkering en vergunningsvoorwaarden, de introductie van publiekrechtelijk toezicht op onderdelen van de bedrijfsvoering die raken aan de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg en de intrekking van verouderde regels. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de NZa ook direct kan optreden bij excessen die voortvloeien uit een niet-integere besluitvormingsprocedure bij tegenstrijdige belangen en waarborging van normale marktvoorwaarden bij bepaalde transacties.
Hoe kijkt u tegen de stelling dat met het in loondienst treden van medisch specialisten ook meer grip komt op de woekerende winstuitkeringen binnen de zorg, zoals bij de recente financiële misstanden bij MartiniZorg?
Wanneer personen misbruik maken van collectieve middelen en de belangen van patiënten en cliënten en de zorg schaden, moet worden ingegrepen. Op de aanpak van niet-integere zorgaanbieders is de Minister voor LZS nader ingegaan in de brief van 29 juni jongstleden aan uw Kamer.14 Over de concrete casus van MartiniZorg doe ik geen uitspraken. Het is aan de toezichthouders hier een oordeel over te vellen. Zoals in het Coalitieakkoord is vastgelegd, is het kabinet voornemens het in de Wibz mogelijk te maken (nadere) voorwaarden aan winstuitkering te stellen. Hierdoor kan excessieve winstuitkering door zorgaanbieders worden tegengegaan dan wel voorkomen. Zorgaanbieders dienen te allen tijde de belangen van de patiënten, cliënten en/of andere belanghebbenden en de zorgorganisatie voorop te stellen.
Welke instrumenten biedt het aankomende wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) om fraude onder medisch specialisten te bestrijden?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Nieuwe uitkoopregeling voor boeren op de tocht: mogelijk ongeoorloofde staatssteun’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe uitkoopregeling voor boeren op de tocht: mogelijk ongeoorloofde staatssteun»?1
Ja.
Klopt het dat het onzeker is of de nieuwe uitkoopregeling voor stoppende boeren door kan gaan, omdat het mogelijk niet voldoet aan de Europese staatssteunregels?
Het klopt dat de tweede tranche van de Maatregel gerichte aankoop (MGA-2), zoals die van 9 mei tot 13 juni in publieke consultatie heeft gelegen, mogelijk niet in die vorm door kan vanwege de toepasselijke Europese staatssteunregels.
Bent u het eens dat een solide uitkoopregeling cruciaal is voor het behalen van de stikstofdoelen?
Ja.
Is er tijdens de ontwikkeling van de voorliggende uitkoopregeling contact geweest met de Europese Commissie om zeker te stellen dat de regeling past binnen de kaders van de Europese staatssteunregels? Zo ja wanneer en welke signalen heeft u daarbij ontvangen van de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitwerking van de MGA-2 is nadrukkelijk rekening gehouden met de door uw Kamer aangenomen motie van de leden De Groot en Van Otterloo (Kamerstuk 35 600 nr. 45), waarin de regering onder meer wordt verzocht om onder voorwaarden het verplaatsen van een bedrijf mogelijk te maken en daarmee het doorstartverbod uit de tweede tranche van de maatregel te halen.
In mei is in aanloop naar de notificatie van de Lbv ook informeel gesproken met de Europese Commissie over de MGA-2. In dit overleg heeft de EC benadrukt dat voor geoorloofde staatssteun bij vrijwillige maatregelen die gericht zijn op het geheel of gedeeltelijk sluiten van productiecapaciteit het doorstartverbod een cruciale voorwaarde is: dit moet voorkomen dat de ondernemer soortgelijke activiteiten weer elders gaat opstarten.
Kijkt Nederland naar opties om de uitkoopregeling niet onder het toetsingskader van staatssteun door de Europese Commissie te laten vallen? Kunt u een overzicht geven van deze opties?
Uiteraard kijk ik naar opties waarbij het door de Europese steunkaders voorgeschreven doorstartverbod niet van toepassing is. Duidelijk is echter dat voor steun voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging het doorstartverbod een vereiste is. Eerder heb ik aangegeven dat als de vrijwillige keuzes onvoldoende resultaat opleveren, dwingende maatregelen tot de mogelijkheden behoren. In dat geval gelden vanuit de staatssteunkaders andere regels.
Welke mogelijkheden zijn er om de uitkoopregeling te laten vallen onder de landbouwvrijstellingsverordening (LVV)? Wat doet Nederland om dit bij de Europese Commissie onder de aandacht te brengen?
Overheidsfinanciering die aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voldoet, vormt staatssteun en moet krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie worden aangemeld. De landbouwvrijstellingsverordening beschrijft categorieën van steun die van die aanmeldingsverplichting worden vrijgesteld. Het op vrijwillige basis (gedeeltelijk) sluiten van productiecapaciteit valt niet onder de landbouwvrijstellingsverordening, maar onder de «Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014–2020» (2014/C 204/01).
Is de Europese Commissie zich er volgens u voldoende van bewust dat deze uitkoopregeling nodig is om aan de Europese eisen rondom Natura 2000 te voldoen? Of stelt de Europese Commissie alternatieven voor?
Naar mijn mening is de Europese Commissie zich er voldoende van bewust dat er aanzienlijke maatregelen noodzakelijk zijn om de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden in Nederland te verbeteren en dat regelingen ter ondersteuning van beëindiging van productiecapaciteit hier onderdeel van uitmaken. Dat laat onverlet dat richtsnoeren voor staatssteun daarop van toepassing zijn.
Wat moet er volgens u gebeuren om ervoor te zorgen dat de nieuwe uitkoopregeling toch doorgang kan vinden en wat gaat u er zelf aan doen?
Ik heb informeel overleg gevoerd met de Europese Commissie over de Lbv en de MGA-2. In vervolg daarop verken ik samen met de Europese Commissie de met de staatssteunregels verenigbare mogelijkheden. Mijn inzet is erop gericht de Lbv zo snel mogelijk door de Europese Commissie goedgekeurd te krijgen. Daartoe zal ik zo spoedig mogelijk starten met de prenotificatie en vervolgens de formele notificatie.
Daarbij ben ik met de provincies in gesprek of en in welke vorm de MGA-2 meerwaarde heeft naast de Lbv die momenteel wordt afgerond en de uitvoering van de provinciale versnellingsmaatregelen in verband met de Provinciale Uitvraag stikstofaanpak en de legalisatieopgave van de PAS-melders. Besluitvorming daarover vindt plaats in het najaar.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zullen zijn wanneer deze uitkoopregeling niet doorgaat? Wat zou dit betekenen voor het behalen van de stikstofdoelen?
De uitkoopregeling maakt onderdeel uit van het huidige bronmaatregelenpakket3. Op het moment dat de regeling niet doorgaat, zal daarvoor bijsturing plaatsvinden conform de bijsturingssystematiek uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering om zo snel mogelijk te zorgen voor alternatieve depositiereductie op Natura 2000-gebieden.
Wanneer wordt definitief besloten of de regeling wel of geen doorgang kan vinden?
Zie mijn antwoord bij vraag 8.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De opvangcrisis |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat de situatie in Ter Apel volstrekt uit de hand is gelopen vanwege de grote aantallen asielzoekers die buiten de poort verblijven en de toenemende onveiligheid?1
De situatie op en om het aanmeldcentrum in Ter Apel is al lange tijd zeer schrijnend. Met de afspraken die eind augustus zijn gemaakt2 proberen wij, in nauwe samenwerking met de verschillende gemeenten en veiligheidsregio’s, de situatie beheersbaar te krijgen en de crisis op de lange termijn het hoofd te kunnen bieden. De afgelopen tijd verbleven er dan ook geen grote aantallen asielzoekers buiten de poort. Desondanks blijft de opvangsituatie onverkort kritisch en is het vrijwel elke dag onzeker of elke asielzoeker een dak boven zijn hoofd heeft. De nood is heel hoog.
Deelt u de mening dat deze opvangcrisis wordt veroorzaakt door eerdere sluiting van opvangplekken, tekortschietende financiering, trage procedures en een falend terugkeerbeleid?
Er is een aantal belangrijke oorzaken voor de huidige crisis, waarbij er een schrijnend tekort aan geschikte opvangplekken voor asielzoekers is. Ten eerste is het aantal opvangplekken na de piek van 2016 afgeschaald, cf. de huidige systematiek waarbij het COA voornamelijk wordt gefinancierd per beslapen bed. Ten tweede is het aantal asielzoekers dat in Nederland asiel aanvraagt hoger dan in 2021. Dat is deels te verklaren door het opheffen van de reisbeperkingen die lange tijd golden vanwege het coronavirus. Daarnaast kunnen gemeenten niet genoeg woningen vinden voor asielzoekers met een verblijfsvergunning, waardoor er te weinig plekken vrijkomen in de opvangcentra. Ook de achterstanden bij de IND dragen bij aan het probleem.
Deelt u de mening dat de tijd van adhoc-maatregelen voorbij is en dat het tijd wordt voor structurele oplossingen? Zo ja, waarom moet dit zo lang duren?
Ja. Om die reden kijken we in de brief van 26 augustus jl. naar manieren om op de lange termijn uit de crisis te kunnen komen én blijven.
Deelt u de mening dat vluchtelingen die recht hebben op asiel eerlijk over Nederland moeten worden verdeeld en dat mensen die geen recht hebben op asiel zo snel mogelijk moeten terugkeren?
Ja.
Indien u deze mening deelt, waarom confronteert u de plaats Albergen met 3500 inwoners dan plotsklaps en exclusief met de komst van 300 asielzoekers, zonder enige inspraak?
Sinds april is op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau op verschillende momenten contact geweest met de gemeente Tubbergen over de mogelijke opvang van asielzoekers in Hotel ’t Elshuys in Albergen. Na verschillende contactmomenten volgde begin juni op bestuurlijk niveau bericht van COA richting de gemeente over het voornemen van het COA om het hotel te kopen. Daarbij heeft het COA het aanbod gedaan om in het hotel ook ruimte te maken voor de opvang van de aan de gemeente gekoppelde statushouders. Bij de gemeente was bestuurlijk echter alleen draagvlak voor kleinschalige huisvesting van statushouders en niet voor de opvang van asielzoekers. Er is gewezen op het voornemen van het kabinet om indien nodig het juridisch instrumentarium in te zetten, en dat de mogelijke toepassing van het instrumentarium voor deze locatie nader onderzocht zou worden. Na de collegevergadering van 21 juni heeft het college van Tubbergen richting het COA aangegeven niet te zullen meewerken. Op 12 augustus hebben het COA en de eigenaresse van het hotel de koopovereenkomst gesloten voor hotel ’t Elshuys. Op 2 september zijn de gemeente Tubbergen, het COA en het Rijk tot gezamenlijke afspraken gekomen over de opvang van maximaal 150 asielzoekers in het voormalige hotel ’t Elshuys in Albergen. Deze afspraken zijn neergelegd in een overeenkomst dd. 19 september 2022 waarin tevens is overeengekomen dat de gemeente de vergunningsaanvraag van het COA in behandeling neemt. De reguliere procedure, inclusief openbaarmaking, wordt daarmee gevolgd. Het AZC blijft maximaal voor twee periodes van vijf jaar open. Na de eerste vijf jaar vindt evaluatie plaats waarna verlenging van nog eens vijf jaar wordt afgesproken of stopzetting plaats vindt.
Deelt u de mening dat een eerlijke en evenredige verdeling van vluchtelingen over kleinschalige locaties in heel Nederland (alsmede het aanpakken van de onveiligheid en een daadkrachtig terugkeerbeleid) op veel meer draagvlak kan rekenen dan «hapsnap» locaties aanwijzen waarbij grote onrust onder bewoners ontstaat?
Ik deel de mening dat asielopvang eerlijk en evenredig over het land moet worden verdeeld. Om in te kunnen spelen op veranderende instroom hebben het rijk, de provincies, het COA en de VNG afspraken gemaakt in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. Op 26 augustus jl. is afgesproken hier versneld uitvoering aan te geven, inclusief uitbreiding van duurzame (kleinschalige) (nood)opvanglocaties aan de hand van de vastgestelde verdeelsleutel en vier gemeenschappelijke vreemdelingenlocaties3. Desalniettemin zijn er op diverse plekken in Nederland grootschalige locaties die goed functioneren, ook naar tevredenheid van de omgeving.
Bent u bereid de SP-voorstellen voor een eerlijke verdeling van vluchtelingen over te nemen? Zo ja, gaat u voortaan rekening houden met inwonertal en draagvlak en maakt u werk van kleinschalige locaties?2
Ik heb kennisgenomen van de voorstellen en herken meerdere elementen die ook worden betrokken bij het aangekondigde wetsvoorstel dat een wettelijke taak creëert voor gemeenten om asielopvang te realiseren. De inzet van het kabinet is om tot een evenwichtige verdeling van opvangplaatsen en opvangvoorzieningen over Nederland te komen. Ik verwijs uw kamer voorts naar het wetsvoorstel dat naar verwachting in oktober in consultatie gaat.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende debat over de opvangcrisis?
Helaas is het niet gelukt de vragen voor het vorige debat over de opvangcrisis te beantwoorden. Hiervoor mijn welgemeende excuses.
Het weigeren van dhr. Van Roost de (ExxonMobile) om voor de parlementaire enquêtecommissie te verschijnen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een voormalig topman van ExxonMobile weigert te verschijnen voor de parlementaire enquête commissie?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat bestuurders die besluiten namen met grote impact voor Groningers behoren te komen als hen gevraagd wordt voor een enquête te verschijnen?
Ja.
Vindt u deze weigering ook moreel verwerpelijk en een schoffering van het parlement?
De Parlementaire Enquête is zeer belangrijk om duidelijkheid te verschaffen aan zowel gedupeerden als het parlement over de aardgaswinning in Groningen. ExxonMobil speelt een belangrijke rol bij de gaswinning. Ik vind het dan ook belangrijk dat alle relevante personen die de enquêtecommissie wil horen medewerking verlenen aan de enquêtecommissie. Ik merk daarbij op dat wanneer personen geen Nederlandse nationaliteit hebben en in het buitenland wonen, er op grond van de Wet op de parlementaire enquête geen verplichting tot medewerking bestaat.
Bent u bereid aan Bestuur en Raad van Commissarissen van ExxonMobile uw ongenoegen en boosheid over te brengen over dit gedrag en te zeggen dat dit «not done» is in Nederland?
Op hoog ambtelijk niveau is reeds contact geweest met ExxonMobil. Ik zal ook zelf nog contact met ExxonMobil opnemen om het belang van de parlementaire enquête te benadrukken.
Bent u bereid om zolang de voormalig topman van ExxonMobile nog in enige mate verbonden is aan ExxonMobile, alle verdere contacten op welk niveau ook met ExxonMobile te stoppen?
Als aandeelhouder van NAM speelt ExxonMobil een belangrijke rol in het gasgebouw. Door de grote crisis op de gasmarkt alsmede voor de afbouw van Gasterra en sluiting van het Groningenveld is het belangrijk om met alle partijen in gesprek te blijven.
Bent u bereid gesprekken over het weigeren van het voldoen van de rekening van versterkingen en schade in Groningen door de NAM met als enige aandeelhouders Shell en ExxonMobile onmiddellijk te stoppen?
Zoals in de brief van 29 juni 2022 (Kamerstuk 33 529, nr. 1042) is aangegeven wordt een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheid van finale afspraken en wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitkomst van deze verkenning. Daarbij heb ik ook aangegeven uitvoering te geven aan de motie van de leden Boulakjar en Van Wijngaarden (Kamerstuk 33 529, nr. 972), die het Kabinet oproept geen onomkeerbare stappen te zetten. Het persoonlijke besluit van dhr. Van Roost heeft geen invloed op deze verkenning.
Hoe vaak is er de afgelopen tijd ambtelijk of politiek contact geweest met ExxonMobile? Over welke zaken ging dit?
Sinds mijn aantreden als Staatssecretaris heb ik twee keer contact gehad met ExxonMobil-topman Rolf de Jong, de eerste keer was ter kennismaking en de tweede keer was een startgesprek in de context van de verkenning voor finale afspraken over het Akkoord op Hoofdlijnen. Op ambtelijk niveau is er regelmatig contact met ExxonMobil, onder meer over de gasopslagen Norg en Grijpskerk, het bovengenoemde verkenningsproces met Shell en ExxonMobil en in aandeelhoudersverband van GasTerra (waarvan ExxonMobil 25% en EZK 10% van de aandelen bezit).
Ziet u nu ook in dat met deze lieden uit de olie-industrie geen normaal gesprek te voeren is en alleen een snoeiharde opstelling vanuit het Rijk gepast is?
In alle gesprekken is de insteek om het publieke belang te behartigen. Op basis van die insteek wordt de opstelling van het Rijk bepaald.
Het bericht 'ING te druk met witwasonderzoek, weert stichtingen en verenigingen' |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het NOS-bericht «ING te druk met witwasonderzoek, weert stichtingen en verenigingen» van vrijdag 19 augustus 2022?1
Ja.
Bent u van mening dat de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (de WwFt) dermate zware eisen stelt aan financiële instellingen dat die daardoor genoodzaakt zouden kunnen worden tot een – al dan niet tijdelijke – cliëntenstop? Zo ja, acht u de eisen van de WwFt in dat kader proportioneel? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de cliëntenstop van ING voor wat betreft nieuwe rekeningen voor stichtingen en verenigingen?
De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht banken om cliëntenonderzoek uit te voeren. Het cliëntenonderzoek door banken dient een belangrijk doel: het voorkomen van misbruik van het financiële stelsel door criminelen. DNB constateerde in 2021 dat de bancaire sector zich de afgelopen jaren veel bewuster is geworden van haar poortwachtersfunctie en concreet werk maakt van het op orde brengen en houden van deze verantwoordelijkheid. Tegelijk stelde DNB vast dat de sector nog veel te doen heeft.2 Het is van doorslaggevend belang dat de verbeterprogrammas die bij verschillende banken lopen tot structurele verbeteringen leiden. De bancaire sector dient hierbij wel oog te houden voor toegang tot het betalingsverkeer van klanten.
Het, op 9 september jl. gepubliceerde, onderzoek van DNB over de risicogebaseerde aanpak van witwassen3 laat zien dat banken het voorkomen van witwassen en terrorismefinanciering meer risicogebaseerd kunnen inrichten. De verbetering van de risicogebaseerde aanpak vind ik belangrijk, omdat dit de toegang tot betalingsverkeer kan verbeteren. In de beleidsagenda aanpak witwassen4 heb ik aangegeven de kennisuitwisseling tussen banken en (hoogrisico)sectoren te willen bevorderen om zo deze risicogebaseerde benadering te verbeteren. Dit wil ik doen door middel van het voeren van gesprekken met banken en sectoren. DNB gaat als opvolging van haar onderzoek ook gesprekken voeren met banken en onderzochte sectoren als onderdeel van het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer.5 Ik vind het belangrijk dat banken ook zelf de dialoog met klantengroepen initiëren. Het is begrijpelijk dat de bank in individuele gevallen om meer informatie vraagt, maar het moet alleen gaan om informatie die nodig is om het risico te beoordelen. Verder zal ik in gesprekken met banken en toezichthouders breed kijken naar eventuele tekenen van uitsluiting van klantengroepen, zodat duidelijk wordt of bepaalde klantengroepen bij geen enkele bank terecht kunnen en beoordeeld kan worden welke oplossing hiervoor nodig is. In algemene zin sluit ik aan bij een eerder gemaakte notie dat bonafide vrijwilligersorganisaties, niet tot de hoogste risico-categorie behoren.6
Zijn er meer financiële instellingen die een cliëntenstop hebben voor een bepaald type klanten, gerelateerd aan de WwFt of anderszins? Zo ja, welke? Zo nee, hoe beoordeelt u de uitzonderingspositie die ING op dit punt kennelijk inneemt en hoe beoordeelt u de precedentwerking daarvan op andere financiële instellingen?
Ik heb eerder begrepen dat bepaalde autodealers tijdelijk niet welkom waren bij Rabobank evenals cryptobedrijven en voetbalclubs.7, 8 Ik heb tevens signalen ontvangen dat het voor sommige stichtingen en verenigingen lastig is om bij een betaaldienstverlener9 terecht te kunnen. Die signalen ben ik aan het onderzoeken. Daarnaast begrijp ik dat sommige banken langere doorlooptijden hebben bij het beoordelen van aanvragen. In zijn algemeenheid merk ik op dat een bank contractsvrijheid heeft, wat betekent dat de bank zelf beslist of die een zakelijke relatie met een klant aan gaat. In dat kader kan het zijn dat een bepaalde groep klanten welkom is bij de ene bank, maar niet past in de ondernemingsstrategie van een andere bank. Contractsvrijheid is echter niet onbegrensd. De vrijheid wordt bijvoorbeeld beperkt door de bijzondere zorgplicht die banken in het maatschappelijk verkeer vervullen.10 In het huidige digitale tijdperk is het hebben van een bankrekening noodzakelijk om aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen en bedrijfsmatige activiteiten te kunnen ontplooien. Het feit dat een bank een tijdelijke stop inlast vanwege gebrek aan capaciteit voor het cliëntenonderzoek neem ik serieus. Daarom roep ik banken op om, indien witwasrisicos een belemmering vormt voor acceptatie, het gesprek aan te gaan met de desbetreffende klantengroep om te kijken of er risicodifferentiatie mogelijk is en of er eventuele mitigerende maatregelen zijn die een sector zelf kan nemen.
Ik heb verder, samen met de Minister van Justitie en Veiligheid, aan de onderzoekers die werken aan de herziening van de National Risk Assessments (NRAs) gevraagd of het mogelijk is om factoren aan te wijzen of omstandigheden te benoemen die maken dat risicos voor een bepaalde rechtsvorm of binnen en bepaalde rechtsvorm, zoals stichtingen en verenigingen, hoger of lager zijn.
Geldt het verscherpt toezicht op bestuurders van stichtingen waarin zogeheten PEP's (Politically Exposed Persons) bestuursfuncties bekleden en hun familieleden, ook het toezicht door financiële instellingen op medebestuurders van PEP's? Hoe ver strekt dergelijk verscherpt toezicht?
De Wwft verplicht instellingen onder andere tot het verrichten van cliëntenonderzoek («ken uw klant»). Deze verplichting dient ertoe te voorkomen dat de dienstverlening van een Wwft-instelling wordt gebruikt voor witwassen of terrorismefinanciering, en houdt in dat Wwft-instellingen bepaalde cliëntenonderzoeksmaatregelen dienen te treffen. Die maatregelen moeten zijn afgestemd op het risico op witwassen of terrorismefinanciering. In gevallen waarin die risicos hoog zijn, moet een Wwft-instelling verscherpt cliëntenonderzoek verrichten, wat wil zeggen dat de instelling aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen moet treffen. In een vijftal situaties moet op grond van de Europese anti-witwasrichtlijn, geïmplementeerd in de Wwft, in ieder geval verscherpt cliëntenonderzoek worden verricht. Eén van die gevallen is de situatie waarin de cliënt of de uiteindelijk belanghebbende (UBO) een PEP is. Daarbij geldt dat de verscherpte maatregelen zowel gelden ten aanzien van de PEP als ten aanzien van diens familieleden en naaste geassocieerden. Onder dat laatste worden onder meer verstaan personen die samen met een PEP de UBOs zijn van een juridische entiteit (zoals een stichting) en personen die een nauwe zakelijke relatie hebben met een PEP. Dergelijke naaste geassocieerden van een PEP vallen derhalve ook onder het verscherpt cliëntenonderzoek. Dit kan ertoe leiden dan een Wwft-instelling meer informatie nodig heeft om haar cliëntenonderzoek uit te voeren. Zowel derisking als een proportionele toepassing van het verscherpt cliëntenonderzoek bij PEPs zijn prioriteiten in de beleidsagenda aanpak witwassen die ik onlangs met de Minister van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. Ten aanzien van PEPs (en hun naast geassocieerden) ga ik met betrokkenen in gesprek hoe de toepassing op meer proportionele manier kan plaatsvinden, de lasten voor betrokkenen beperkt kunnen worden en de communicatie kan worden verbeterd.
Is het waar dat van bestuurders van stichtingen en verenigingen waar PEP's bestuursfuncties bekleden, door financiële instellingen van medebestuurders is gevraagd hun aangifte inkomstenbelasting van een aantal jaren te delen met de financiële instelling in kwestie? Zo ja, in hoeverre acht u een dergelijk onderzoek proportioneel en kunt u zich voorstellen dat medebestuurders op grond van dergelijke vraagstellingen minder enthousiast zullen zijn in besturen plaats te nemen waar PEP's in vertegenwoordigd zijn?
Op grond van de wet (die volgt uit Europese regelgeving) dienen financiële instellingen aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen te nemen naar de cliënt (de rechtspersoon) indien de uiteindelijk belanghebbende (UBO) PEPs zijn. Dit kan het geval zijn bij bestuursleden van een rechtspersoon. Financiële instellingen dienen hiervoor zelf procedures in te richten. Ik begrijp van ING dat de gegevens en/of documenten die hierbij worden opgevraagd, afhankelijk zijn van de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de vereniging of stichting en ook overige risicofactoren die zijn vastgesteld tijdens het klantonderzoek. Het kan zijn dat er een aangifte inkomstenbelasting gevraagd wordt ter invulling van het onderzoek naar de herkomst van het vermogen, aldus ING. Ik kan mij voorstellen dat een dergelijk verzoek als ingrijpend ervaren kan worden. Of dit proportioneel is hangt af van de omstandigheden van het geval en kan ik niet beoordelen. Financiële instellingen moeten een zelfstandige risicobeoordeling maken per geval.
De proportionaliteit van de uitvoering van het verscherpt cliëntenonderzoek bij PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden is een prioriteit in de beleidsagenda aanpak witwassen. Enerzijds gaat het daarbij om de Europese anti-witwasregelgeving. Op dit moment lopen de onderhandelingen over een herziening van het AML-raamwerk. De zorgen bij het verscherpte cliëntenonderzoek brengt Nederland daarbij in, specifiek het geval dat mede-bestuursleden als UBO kwalificeren en daarmee als naaste geassocieerde van een PEP. Daarnaast ga ik (nationaal) in gesprek met alle betrokkenen om te kijken naar een meer proportionele uitvoering, beperking van de lasten en betere communicatie.
Deelt u de mening dat de maatregel van ING onnodig discriminerend is jegens verenigingen en stichtingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de ING en eventueel ook andere financiële instellingen die dergelijke toegangsbelemmeringen voor groepen klanten hanteren, daarop aan te spreken en op welke termijn en wijze?
ING heeft laten weten dat de overweging om tijdelijk geen stichtingen en verenigingen aan te nemen, voortkomt uit het feit dat deze klanten om meer inspanningen op het terrein van cliëntenonderzoek vragen en dat ING daar momenteel niet de benodigde capaciteit voor heeft. Ik neem het serieus dat ING kiest voor deze stap, maar ik zie in de uitleg van ING geen discriminerende redenering. In gesprekken die ik met banken en toezichthouders zal voeren zal ik breed kijken naar eventuele uitsluiting van klantengroepen, zodat duidelijk wordt of er klantengroepen zijn die bij geen enkele bank terecht kunnen en welke oplossing hiervoor nodig is.
Vindt u het redelijk dat stichtingen en verenigingen meer dan 100 procent toeslag moeten gaan betalen boven de nu in rekening gebrachte kosten door de financiële instelling, louter vanwege de intensiteit of zelfs omslachtigheid van door de overheid geëist financieel toezicht?
Ik verwacht van banken dat zij de Wwft naleven. Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 4. Ik begrijp dat het cliëntenonderzoek, afhankelijk van de complexiteit van de entiteit en het witwasrisico dat deze entiteit mogelijk oplevert, veel tijd in beslag kan nemen. Een instelling maakt hier kosten voor. Ik kan mij voorstellen dat deze deels doorberekend worden aan de klant, zoals dat ook het geval is bij andere kosten die de bank maakt bij het aanbieden van dienstverlening. Het is aan de bank zelf om te bepalen welke tarifering op welke rechtsvorm zij toepast. Ik vind het wel belangrijk dat kostenverhogingen en kosten in het algemeen voor alle klanten redelijk zijn. Ook vind ik dat een bank moet kunnen uitleggen waarom er een kostenverhoging is en een uitsplitsing moet kunnen maken van kosten indien de klant hier naar vraagt. Daarnaast vind ik het van belang dat banken zich bewust zijn van de rol die zij spelen in het betalingsverkeer. Het betalingsverkeer moet voor iedereen toegankelijk zijn, daarbij wijs ik nogmaals op de zorgplicht die ik noemde in het antwoord op vraag 3.
Is het waar dat uit het onderzoek dat Ernst & Young in opdracht van het Ministerie van Financiën heeft uitgevoerd, blijkt dat de financiële instellingen het verscherpte onderzoek naar de financiële achtergronden van PEP's als disproportioneel wordt gezien en het verscherpte toezicht weinig oplevert?2 Zo ja, is dat voor u reden het verscherpte toezicht op de financiële situatie van PEP's te wijzigen tot meer proportionele eisen? Zo nee, wat zijn dan de conclusies van het EY-rapport in termen van proportionaliteit en effectiviteit?
Op 30 mei jl. heb ik uw Kamer onder meer een onderzoeksrapport van EY toegestuurd.12 In dat onderzoek is mede op verzoek van de Eerste Kamer gekeken naar een aantal specifieke aspecten van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn. In dat onderzoeksrapport is onder andere gekeken naar de gevolgen van de verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen voor binnenlandse PEPs. De ondervraagde Wwft-instellingen ervaren de verplichting om op PEPs verscherpt cliëntenonderzoek toe te passen over het geheel genomen als vrij negatief. Het vaststellen dat een persoon als PEP kwalificeert is voor de meeste instellingen nog redelijk uitvoerbaar, maar het vervolgens toepassen van het verscherpt cliëntenonderzoek wordt disproportioneel genoemd. Dat in geval van PEPs verscherpt cliëntenonderzoek moet worden uitgevoerd, vloeit direct voort uit de Europese anti-witwasrichtlijn. Zoals in antwoord op de vragen 4 en 5 aangegeven lopen op dit moment onderhandelingen over een Europees pakket met wetgevende maatregelen op het terrein van het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering. Ik zet mij bij de onderhandelingen over dat pakket in voor een proportionele verhouding tussen het verscherpt cliëntenonderzoek en het risico op witwassen of terrorismefinanciering dat zich voordoet bij PEPs, familieleden van PEPs en personen bekend als naaste geassocieerden van PEPs. Daarnaast ga ik nationaal in gesprek met alle betrokkenen om te kijken naar een meer proportionele uitvoering, beperking van de lasten en betere communicatie.
Deelt u de mening dat proportionele eisen van overheidstoezicht niet tot een verhoogd tarief van de dienstverlening van financiële instellingen zou moeten leiden, vooral niet voor non-profit of not-for profit instellingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wilt u daaraan invulling geven en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de gehele wet- en regelgeving ten aanzien van PEP's op korte termijn te evalueren en de uitkomsten van die evaluatie met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Ik heb onlangs onderzoek laten uitvoeren door EY naar een aantal specifieke aspecten van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn. Daarin zijn in het bijzonder aspecten rondom PEPs aan de orde gekomen. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op de vorige vraag en de Kamerbrief van 30 mei jl, alsmede de maatregelen die in de beleidsagenda aanpak witwassen zijn aangekondigd.
Het bericht 'Kabinet mag ruim €800 mln compensatie uitkeren aan grootverbruikers stroom' |
|
Joris Thijssen (PvdA), Suzanne Kröger (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kabinet mag ruim € 800 mln compensatie uitkeren aan grootverbruikers stroom»?1
Ja.
Klopt het dat u een staatssteunverzoek heeft gedaan om bedrijven te compenseren voor de ETS-prijs (European Trade System)? Waarom heeft u zo’n omvangrijke maatregel niet zorgvuldig van te voren aan de Kamer voorgelegd alvorens dit verzoek neer te leggen bij de Europese Unie?
Nee, ik heb de Europese Commissie (EC) enkel om goedkeuring gevraagd van een wijziging van de Nederlandse subsidieregeling Indirecte Kostencompensatie ETS (IKC Regeling) naar aanleiding van gewijzigde EC-richtsnoeren voor het aanbieden van deze subsidie gedurende de vierde handelsperiode van het Emissiehandelssysteem (ETS, 2021 – 2030)2. Het gaat hier om compensatie van ETS-kosten die grote industriële stroomverbruikers via hun energierekening betalen. Deze compensatie wordt door Nederland en diverse andere EU-lidstaten sinds 2013 aangeboden en hoort bij het Emissiehandelssysteem als mitigant van het risico op koolstoflekkage dat dit systeem creëert. Het budget dat voor 2022 beschikbaar is gesteld voor compensatie van de indirecte ETS-kosten die in aanmerking komende bedrijven in 2021 hebben gemaakt is opgenomen in de Miljoenennota voor 2022 en is als zodanig door de Tweede Kamer goedgekeurd. Met de goedkeuring van onze nationale invulling van de IKC regeling is door de EC de mogelijkheid geboden om in aanmerking komende bedrijven gezamenlijk tot een maximum van € 835 mln te compenseren voor indirecte ETS-kosten die zij in de periode 2021 – 2025 gemaakt (zullen) hebben. Er is momenteel echter alleen dekking op mijn begroting voor compensatie in 2022 met betrekking tot ETS-handelsjaar 2021, na een besluit hierover van het vorige kabinet. De reden dat de subsidieregeling niet aan de Kamer is voorgelegd is dat dit gedelegeerde wetgeving betreft waarbij het parlement in casu geen formele betrokkenheid heeft.3
Om welke bedrijven gaat het precies?
Het gaat om ongeveer 62 bedrijven uit enkele stroom-intensieve sectoren, zoals de productie van aluminium, glasvezel, papier en karton, ijzer, zink en enkele specifieke chemische (basis)stoffen. In het verslag van een schriftelijk overleg over verlenging subsidiemodule Indirecte Kostencompensatie ETS (Kamerstuk 32 813, nr. 918) heb ik een top-tien van grootste ontvangers van deze compensatie in 2021 gedeeld.
Kunt u aantonen dat het niet aanbieden van deze compensatie noodzakelijk is voor het voortbestaan van de bedrijven in kwestie en dat eventuele moederbedrijven hier niet meer aan kunnen bijdragen?
De EC schreef in haar impact assessment dat uit de evaluatie van de vorige ETS richtsnoeren bleek dat het risico op koolstoflekkage veroorzaakt door indirecte ETS-kosten empirisch moeilijk vast te stellen is, maar dat in de wetenschappelijke economische literatuur erkend wordt dat dit risico bestaat.4 RVO concludeerde eind 2020 op basis van een interne evaluatie dat met name de sectoren waarin bij het productieproces gebruik wordt gemaakt van elektrolyse, en de papier- en kartonindustrie risico lopen bij wegvallen van deze compensatie. Het is complex om aan te tonen dat het wegvallen van deze subsidie het voortbestaan van een bedrijf direct in gevaar brengt. Dit is immers afhankelijk van onder meer de marktomstandigheden, de marges, de risicopositie ten aanzien van de energie-inkoop en de procesefficiency. Dit zijn factoren die zelfs binnen één sector van bedrijf tot bedrijf kunnen verschillen. Dergelijk inzicht vergt inzage in de boekhouding en het totale risicomanagement van elk bedrijf dat deze compensatie ontvangt. Feit is wel dat het al dan niet aanbieden van deze compensatie invloed heeft op het investeringsklimaat voor de bedrijven die actief zijn in de relevante sectoren en (daarmee) op het gelijke speelveld met Europese lidstaten die hun IKC-regeling deze ETS-handelsperiode continueren.
Deelt u de analyse dat het extra compenseren van de CO2-prijs de werking van EU-ETS ondermijnt, zeker aangezien in ieder geval ten tijde van de derde ETS-handelsperiode (2012–2020) slechts twaalf EU-lidstaten deze compensatie aanboden?
Wanneer energieleveranciers enerzijds emissierechten moeten kopen voor de opwek van energie met fossiele brandstoffen en anderzijds compensatie voor die kosten ontvangen, zou dat de werking van het EU-ETS ondermijnen. De IKC-regeling is echter bedoeld ter compensatie van bedrijven in enkele specifieke stroom-intensieve sectoren voor de met die stroom in rekening gebrachte ETS-kosten.5 Deze indirecte ETS-kosten creëren zo een competitief nadeel voor stroom-intensieve industriesectoren die concurreren met bedrijven gevestigd in landen waar emissies niet beprijsd worden. Om het risico te verkleinen dat de Europese bedrijven in deze sectoren hun productie naar buiten de EU verplaatsen of failliet gaan, en daarmee de productie en de gerelateerde uitstoot zich buiten het beleidsbereik van de EU verplaatsen, evenals de bijbehorende werkgelegenheid, biedt de Europese Commissie de mogelijkheid deze bedrijven voor het merendeel van hun indirecte ETS-kosten te compenseren.6 In haar evaluatie van deze vorm van staatssteun concludeerde de EC dat dit risico op koolstoflekkage bestaat voor een aantal specifieke sectoren. Dat, en de raming van een stijgende ETS-prijs, vormden de motivering om deze staatssteun ook in de vierde ETS-handelsperiode (2021 – 2030) toe te staan aan de hand van de daartoe gewijzigde richtsnoeren. De regeling wordt slechts door die EU-lidstaten aangeboden die een significante industrie hebben die actief is in de geselecteerde sectoren en daarbij mondiaal concurreert.
Hoe reflecteert u op het advies van de Nederlandsche Bank (DNB) om bedrijven niet te compenseren voor hoge energiekosten en hoe verhoud zich dat tot de door u voorgenomen compensatie?2
Het staat de DNB als onafhankelijke instantie vrij om dergelijk advies te geven. Zoals in voorgaande antwoorden aangegeven dient de IKC-regeling ter compensatie van de ETS-prijscomponent in de energieprijs en staat deze discussie los van de hoge energieprijzen veroorzaakt door duur gas of dure kolen. De indirecte kostencompensatie-ETS heeft wel een dempende werking op de energiekosten van een ontvangend bedrijf. Voorts zij benadrukt dat de IKC Regeling een subsidie is met daaraan verbonden voorwaarden, onder meer met betrekking tot een te leveren tegenprestatie op het gebied van verduurzaming (zie ook het antwoord op de laatste vraag). Daarmee verschilt de regeling sterk van het soort compensatie waar DNB over adviseert.
Hoeveel EU-lidstaten bieden deze compensatie aan in de huidige handelsperiode of zijn dat van plan te doen?
Uit de database van DG Competition van de EC blijkt dat IKC-regelingen van acht lidstaten zijn goedgekeurd. Dit zijn naast Nederland: België, Duitsland, Finland, Italië, Luxemburg, Spanje en Tsjechië. Mij is bekend dat Frankrijk een kaderwet voor deze regeling heeft aangenomen, maar uit genoemde database blijkt nog geen goedgekeurde regeling voor 2021 – 2030. Het feit dat de regelingen van deze lidstaten zijn goedgekeurd hoeft echter niet te betekenen dat de desbetreffende lidstaten hier ook middelen toe beschikbaar stellen.
Deelt u de mening dat het niet de taak van de overheid is om bedrijfsrisico’s tot in het oneindige af te dekken, maar dat het primair de taak is van bedrijven zelf om te anticiperen op risico’s, of dat nou veranderende marktomstandigheden zijn, geopolitieke omstandigheden en ook hoge CO2-prijzen, zeker wanneer het multinationals betreft?
Ja, die mening deel ik in de basis, maar de markt voor emissierechten is een kunstmatige, door de EU gecreëerde en gereguleerde markt. Zodoende voeg ik aan de mening de nuancering toe dat indien een instrument zoals de Europese markt voor emissierechten bedrijfsrisico’s creëert die de effectiviteit van dit instrument kunnen ondermijnen, het ondervangen van die risico’s door middel van bijvoorbeeld een compensatie te verdedigen kan zijn.
Deelt u de mening dat het feit dat de stijging van de CO2-prijzen te voorspellen was? Deelt u de mening dat de betreffende bedrijven hierop hadden moeten anticiperen, het liefst door hun CO2-uitstoot te reduceren of desnoods door hiervoor geld opzij te zetten?
Die mening deel ik slechts ten dele. De ETS-prijs staat dit jaar significant hoger dan enkele jaren geleden geraamd werd in onder meer de laatste Klimaat en Energieverkenning. De voor deze compensatie in aanmerking komende bedrijven kunnen slechts zeer beperkt, en in sommige gevallen helemaal niet, anticiperen op de ETS-prijs. Het gaat immers om kosten voor emissies die zij niet zelf veroorzaken, maar voor de emissiekosten van de energieleveranciers die worden doorberekend aan alle afnemers, zelfs als zij groene stroom afnemen. Er is immers geen prijsdifferentiatie voor de gebruiker tussen groene en grijze stroom. Diverse bedrijven die deze compensatie ontvangen zijn sterk verduurzaamd en draaien tot 100 procent op groene stroom. Wanneer elektrolyse onderdeel van het productieproces vormt, betekent verdere energiebesparing dat de productie verlaagd moet worden; elektronen zijn dan immers ingrediënten van het eindproduct.
Bent u bereid om prestatieafspraken te koppelen aan deze compensatie met betrekking tot verduurzaming, en de compensatie in een lening om te zetten als deze niet worden behaald?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zijn er op dit moment geen middelen beschikbaar voor verlenging van deze regeling, en is er nu dus geen sprake van compensatie voor jaren verder dan ETS-handelsjaar 2021. Voor de huidige regeling geldt dat als het om verduurzaming gaat de Nederlandse regeling vooralsnog de meest ambitieuze regeling in zijn soort in Europa is. Nederland heeft er als enige voor gekozen om als tegenprestatie van aanvragers te eisen dat zij de helft van het jaarlijks ontvangen steunbedrag investeren in CO2-reducerende maatregelen, opdat een gemiddelde jaarlijkse CO2-reductie van drie procent wordt gerealiseerd tegen het eind van de huidige ETS-handelsperiode (2030) ten opzichte van 2020. Het mag hier zowel om zogeheten scope 1 als scope 2 emissies gaan. Aanvragers dienen hiertoe in 2023 een CO2-reductieplan op te stellen, dat door RVO jaarlijks gemonitord zal worden, ongeacht of de IKC-regeling in navolgende jaren wordt opengesteld. De compensatie wordt als
100 procent voorschot uitbetaald. Als RVO meent dat een ontvanger zich niet aan zijn eigen CO2-reductieplan houdt zonder daar gegronde redenen voor aan te dragen, kan RVO de gehele subsidie terugvorderen. Het bedrijf houdt zich dan immers niet aan de subsidievoorwaarden.
Het bericht dat er onbevoegde docenten voor de klas staan |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een volledig overzicht geven van het aantal onbevoegde docenten dat er de afgelopen jaren voor de klas heeft gestaan? Hoeveel daarvan hebben inmiddels een bevoegdheid gehaald?1
Uit de jaarlijkse Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren van 2022 blijkt dat het leeuwendeel van de leraren in het funderend onderwijs een bevoegdheid heeft. In het po was in 2018 1,6%, in 2019 1,8%, in 2020 1,8% en in 2021 1,8% van de leraren onbevoegd.2 Niet meegenomen in dit percentage zijn onbevoegde personeelsleden in een andere functie, zoals onderwijsassistenten, die ingezet worden voor de klas om tekorten op te vangen (zogenoemde verborgen tekorten). Uit het onderzoek naar de actuele tekorten in het po in oktober 2022 weten we dat van de 5,8% verborgen tekorten buiten de G5 (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Almere) 32% wordt ingevuld door onbevoegd personeel, zoals bijvoorbeeld onderwijsassistenten.3 In december worden de nieuwe gegevens aan uw Kamer gestuurd.
In het vo gaan we uit van onbevoegd gegeven lessen en niet van onbevoegde docenten. In het vo geldt namelijk voor het overgrote merendeel van de onbevoegd gegeven lessen dat deze worden gegeven door personen die wel een lesbevoegdheid hebben of daarvoor in opleiding zijn, maar niet voor het juiste vak. In 2014 ging het om 5,6% van de lessen, in 2020 is dit gedaald naar 3,7%.4 In het vmbo is het percentage onbevoegd gegeven lessen (in 2020) hoger: 5,5% tegenover 2,5% op de havo en 1,8% op het vwo.
Hoeveel van de onbevoegde personen in de verschillende sectoren inmiddels een bevoegdheid hebben gehaald, is niet één op één te herleiden, omdat deze gegevens niet op individueel niveau worden bijgehouden.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie van het Onderwijs in principe positief staat tegenover onbevoegde docenten voor de klas als daar vooraf goed over is nagedacht?
Uit nationaal en internationaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat leraren de belangrijkste schakel zijn in de kwaliteit van onderwijs.5 Het stelsel van bevoegdheden is een belangrijk instrument om de kwaliteit van leraren te borgen. Onze inzet is en blijft dan ook dat er genoeg bevoegde leraren zijn voor alle lessen. Daarvoor moeten alle registers open en moeten we de aanpak van de tekorten versnellen en intensiveren.
Tegelijkertijd zien we dat de tekorten op dit moment oplopen. Dat trekken wij ons aan en is aanleiding voor het maken van duidelijke afspraken. Scholen komen voor ingewikkelde keuzes te staan. Wij hebben er daarom begrip voor dat de Inspectie van het Onderwijs in specifieke situaties bekijkt welke (nood)oplossing het beste is wanneer de tekorten zo urgent zijn dat er tijdelijk of gedeeltelijk geen andere oplossingen voorhanden zijn, mits deze (nood)oplossingen verantwoord zijn. Ook wijst de inspectie op de noodzaak van het goed doordenken van deze noodoplossingen. Daarbij geldt dat een noodoplossing in ieder geval proportioneel moet zijn en zoveel mogelijk gericht op het toegroeien naar reguliere bevoegdheden.
Wanneer kan de Kamer het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de effectieve oplossingen van scholen verwachten?
De definitieve resultaten van dit onderzoek worden gepubliceerd in de Staat van het Onderwijs 2024. Om een stelselbeeld op te halen van de impact van het personeelstekort op onderwijskwaliteit start de inspectie in 2023 een groot onderzoek dat wordt afgerond in 2024. In dit onderzoek staat de vraag Welke gevolgen heeft het leraren- en schoolleiderstekort voor de dagelijkse praktijk in scholen? centraal.
In het najaar van 2022 zal de inspectie de eerste bevindingen terugkoppelen aan het onderwijsveld en in de Staat van het Onderwijs 2023 zullen deze eerste bevindingen ook terugkomen. Als voorbereiding op het onderzoek is de inspectie namelijk begin september 2022 gestart met een verkennend onderzoek binnen het funderend onderwijs. Hiermee wil de inspectie een eerste beeld ophalen van genomen maatregelen/oplossingen, waarbij onder meer wordt gevraagd naar de impact ervan op de kwaliteit van het onderwijs en input wordt opgehaald voor het grote onderzoek.
Welke acties gaat u verder ondernemen om het lerarentekort op te lossen? Hoe gaat u er daarnaast voor zorgen dat iedere docent een bevoegdheid heeft of bezig is om deze bevoegdheid te halen?
Alle registers moeten open om de tekorten aan te pakken. In de Kamerbrief van 13 december jl. hebben wij daarom onze strategie hiervoor beschreven.6 We gaan door met wat werkt, breiden uit waar nodig en passen aan waar we nu vastlopen. We zetten in op landelijke strategie en focus, samenwerking in de regio en we benoemen concrete acties op een aantal ingewikkelde dilemma’s die wij eerder beschreven, waaronder het thema bevoegdheden. Op bevoegdheden zijn verschillende afspraken gemaakt, zoals de kennis en kunde van zij-instromers eerlijk waarderen en het leveren van maatwerk voor vakmensen met een mbo-4 diploma die les willen geven in het vmbo en het praktijkonderwijs. Ook moet het makkelijker worden om een extra bevoegdheid te halen als docent. We zijn hierover met uw Kamer in gesprek gegaan tijdens het commissiedebat leraren en lerarenopleidingen op 15 december.
Om ervoor te zorgen dat meer mensen een onderwijsbevoegdheid halen, stimuleren we dat er meer zij-instromers en onderwijsassistenten tot leraar worden opgeleid en werken we aan verbetering en flexibilisering van de lerarenopleidingen, zodat die meer op maat opleiden. Met een wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid en de regionale aanpak brengen we schoolbesturen en regio’s tot slot (nog beter) in positie om ook langdurig (vooruit) te denken over de invulling van hun personeelsbeleid.7
In hoeverre heeft de Inspectie van het Onderwijs afgelopen jaren gehandhaafd op de wettelijke verplichting dat leraren bevoegd voor de klas dienen te staan? Hoe vaak heeft de Inspectie gesignaleerd dat er onbevoegden voor de klas staan? Hoe is hierop gehandhaafd?
De Inspectie van het Onderwijs kan signalen over onbevoegden voor de klas meenemen in het regulier toezicht op scholen. De tekorten in het onderwijs zijn op sommige scholen zo urgent, dat soms noodoplossingen nodig zijn. Bij de afweging van welke oplossing gekozen wordt, is het belangrijk dat de kwaliteit van het onderwijs voorop staat en dat de keuzes zijn afgestemd met de ouders, het interne toezicht en de medezeggenschapraad. Daar kijkt de inspectie naar. De inspectie vraagt bij noodoplossingen naar de aard en achtergrond van de situatie en naar andere mogelijke oplossingen. Mocht de situatie voortduren, dan kan de inspectie een herstelopdracht geven voor een plan van aanpak, waarin het bestuur aangeeft hoe het gaat sturen op verbetering. Ook heeft de inspectie meermaals herstelopdrachten gegeven wanneer een bestuur voor een noodoplossing koos waar dat niet nodig was. Het streven blijft te allen tijde de situatie zo snel mogelijk te normaliseren, met bevoegde leraren voor de klas.
Wanneer verwacht u dat noodmaatregelen, zoals de vierdaagse schoolweken en onbevoegden voor de klas, niet meer nodig zijn, omdat het lerarentekort eindelijk is opgelost?
Het is ingewikkeld om te voorspellen wanneer de tekorten in het onderwijs zullen verminderen. De hoogte van de tekorten is namelijk van veel factoren afhankelijk, zoals demografische ontwikkelingen en de stand van de economische conjunctuur. Het Ministerie van OCW laat jaarlijks arbeidsmarktramingen uitvoeren om zicht te hebben op toekomstige ontwikkelingen.8 In december zijn de nieuwe gegevens aan uw Kamer gestuurd.
De terugleververgoeding van zonnestroom |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eneco schroeft vergoeding voor terugleveren zonnestroom flink terug»1?
Ja.
Hoe is Eneco tot een terugleververgoeding van € 0,09 per kWh gekomen? Is hierbij rekening gehouden met de investering die consumenten hebben gedaan in hun zonnepanelen? Wat is de terugverdientijd van zonnepanelen bij een terugleververgoeding van € 0,09 per kWh?
Ik heb geen inzicht in hoe Eneco tot deze terugleververgoeding is gekomen. Dat betreft bedrijfsgevoelige informatie. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat hierbij rekening is gehouden met de investering die de klant heeft gedaan.
Voor consumenten die al hun opgewekte elektriciteit kunnen salderen, is de terugleververgoeding op dit moment niet van toepassing. De vergoeding voor teruggeleverde elektriciteit is alleen van toepassing op het deel van de op het net ingevoede elektriciteit dat niet gesaldeerd kan worden. De terugverdientijd is onder andere afhankelijk van de elektriciteitsprijs, het jaar van investeren, de grootte van de installatie en de investeringskosten die gemaakt zijn. In algemene zin zal, wanneer er sprake is van meer invoeding dan gesaldeerd kan worden, de terugverdientijd toenemen als er sprake is van een lagere terugleververgoeding. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is de toezichthouder voor de redelijke vergoeding.
Inmiddels heeft Eneco aangegeven de verlaging van de terugleververgoeding bij vaste contracten terug te zullen draaien en de betreffende klanten hierover te informeren.
Deelt u de mening dat het opmerkelijk is dat, in tijden van prijspieken op de energiemarkt, de terugleververgoeding wordt verlaagd zodat deze «marktconform» is?
Op zonnige dagen is de elektriciteitsprijs laag, doordat veel zonne-elektriciteit wordt ingevoed. Deze elektriciteit heeft op dat moment dus zeer beperkte waarde. Daardoor is de vraag wat een redelijke vergoeding is, als de waarde heel laag is. De ACM is de toezichthouder voor de redelijke vergoeding.
Acht u een minimumterugleververgoeding, zoals de Consumentenbond adviseert, zinnig? Zo ja, hoe hoog zou deze vergoeding wat u betreft moeten zijn? Zo nee, waarom niet?2
Op dit moment geldt de terugleververgoeding voor een beperkt aandeel van de teruggeleverde elektriciteit. Met de afbouw van de salderingsregeling wordt de vergoeding die energieleveranciers moeten betalen voor elektriciteit die wordt teruggeleverd steeds belangrijker voor consumenten met zonnepanelen. Immers, het aandeel ingevoede elektriciteit dat gesaldeerd mag worden, daalt.
Mijn voornemen is daarom het wettelijk minimum van de redelijke vergoeding vast te stellen op 80 procent van het leveringstarief dat de kleinverbruiker heeft afgesproken met de energieleverancier, exclusief belastingen en heffingen. Een minimum vergoeding van 80 procent van het kale leveringstarief zorgt voor een goede balans tussen de werking van de energiemarkt enerzijds en consumentenbescherming en de belangen van zonnepanelenbezitters anderzijds.
Tevens wil ik de redelijke vergoeding van een absoluut maximum voorzien. Dit houdt verband met de sterk fluctuerende waarde van zonne-elektriciteit en de op dit moment hoge leveringstarieven voor elektriciteit door de geopolitieke ontwikkelingen. De waarde van door zonnepanelen opgewekte elektriciteit op een zonnige dag rond lunchtijd is laag. Een absoluut maximum van de redelijke vergoeding beschermt energieleveranciers tegen het verplicht inkopen van elektriciteit tegen een aanzienlijk hogere prijs dan de waarde daarvan op het moment van productie.
In hoeverre zou een minimumterugleververgoeding er – onbedoeld – toe kunnen leiden dat consumenten zonder zonnepanelen via een hoog leveringstarief bijdragen aan de terugleververgoeding voor andere consumenten?
Het ligt in de rede dat de meerkosten die leveranciers hierdoor maken aan alle klanten, ook diegenen zonder zonnepanelen, worden doorberekend, waardoor de lasten van een hoge minimumvergoeding leiden tot hogere elektriciteitstarieven voor klanten, ook die zonder zonnepanelen. Dit is de reden dat ik de redelijke vergoeding tevens van een absoluut maximum in eurocenten wil voorzien.
In hoeverre stimuleert een vaste terugleververgoeding het gebruik van een thuis- of buurtbatterij?
De afbouw van de salderingsregeling zorgt voor een prikkel om het eigen verbruik achter de meter te verhogen, wat de markt voor thuis- en buurtbatterijen ten goede komt. Wanneer het minimum van de redelijke vergoeding vastgelegd is op 80 procent van het kale leveringstarief, geeft dit een kleinere prikkel om thuis- en buurtbatterijen aan te schaffen dan wanneer het minimum van de redelijke vergoeding lager ligt. Om deze reden ben ik voornemens de minimumvergoeding op termijn geleidelijk te verlagen, waarbij ik de terugverdientijden in het oog zal houden.
In hoeverre zou een vorm van een dynamische terugleververgoeding, waarbij de opgewekte zonnestroom tegen de actuele prijs aan het net wordt geleverd, kunnen zorgen voor een toename van thuis- of buurtbatterijen? Welke voor- en nadelen heeft zo’n dynamische terugleververgoeding?
De marktwaarde van elektriciteit op een zonnige dag rond lunchtijd, het tijdstip waarop veel zonne-elektriciteit wordt geleverd, is laag. Indien er sprake zou zijn van een terugleververgoeding op basis van de actuele prijs van de opgewekte zonne-elektriciteit, dan zullen consumenten op dat moment dus een relatief lage terugleververgoeding ontvangen. Dit geeft hen een prikkel om deze elektriciteit zelf te gebruiken, hetzij via gelijktijdig eigen verbruik via bijvoorbeeld het aanzetten van de (was)machine, hetzij voor de aanschaf van een thuis- of buurtbatterij.
Op dit moment is er nog niet veel sprake van terugleververgoedingen op basis van dynamische tarieven en klanten die een dergelijk contract hebben afgesloten, kiezen hier heel bewust voor. Voor een gemiddelde consument is het niet eenvoudig om te beoordelen wat de terugverdientijd van zijn investering in zonnepanelen zal zijn als er sprake is van een dynamische terugleververgoeding, wat een investeringsbelemmering voor zonnepanelen kan opwerpen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat huishoudens (bijvoorbeeld buren of VVE’s) opgewekte zonnestroom met elkaar kunnen delen om zo economisch profijt te hebben én het elektriciteitsnet te ontzien?
Op dit moment is het zo dat huishoudens in principe opgewekte zonne-elektriciteit met elkaar kunnen delen. Wel geldt er een groot aantal administratieve verplichtingen voor iedereen die elektriciteit wil leveren aan een eindafnemer (leveringsvergunning om te leveren aan kleinverbruikers, deelname berichtenverkeer, afdragen energiebelasting, etc.).
De voorgenomen Energiewet bevat enkele aanpassingen om «peer-to-peer»-levering eenvoudiger te maken voor wat betreft hernieuwbare energiegemeenschappen en actieve afnemers. Zo krijgen huishoudens meer mogelijkheden om de elektriciteit die over is te verkopen aan een andere marktpartij dan zijn energieleverancier. Of de druk op het elektriciteitsnet daarmee wordt verminderd is overigens geen zekerheid, dit is afhankelijk van de mate van gelijktijdigheid van het desbetreffende verbruik en aanbod.
Wat gaat u doen om de opslag van zonnestroom, zowel dag/nacht als seizoensopslag, te stimuleren, om zo het elektriciteitsnet te ontzien en vraag en aanbod in balans brengen zodat de verdere toename van zonnepanelen in Nederland ook zorgt voor daadwerkelijke CO2-reductie?
In toenemende mate ontstaan initiatieven door marktpartijen rondom batterijen. Dit biedt perspectief voor voortgang van de energietransitie ondanks de problemen rondom netcongestie. Ik onderzoek of maatregelen zoals aanbevolen in het CE Delft rapport «Het net slimmer benut» vanuit de overheid noodzakelijk zijn. Ik ben goed in gesprek met Energy Storage NL en Netbeheer Nederland om te bespreken of energieopslag kan worden ingepast zodat het netcongestie helpt op te lossen of te voorkomen en wat de rol van energieopslag in het energiesysteem van de toekomst zal zijn. Ik heb aan uw Kamer een routekaart opslag in samenwerking met de branche toegezegd in Q1 2023.
Ten aanzien van de salderingsregeling zorgt de afbouw voor een prikkel voor opslag achter de meter. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Hartschade bij jonge jongens na coronavaccinatie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de studie «Cardiovascular Manifestation of the BNT162b2 mRNA COVID-19 Vaccine in Adolescents»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van deze studie.
Wat vindt u van de bevindingen in deze studie, die laten zien dat 3,5 procent van de gevaccineerde jongens in dit onderzoek last kreeg van hartschade na Pfizer mRNA-vaccinatie? Hoe reflecteert u op het feit dat dit een aanzienlijk hoger percentage is dan de tot nu toe bekende frequentie van hartschade na coronavaccinatie bij jongens en jonge mannen?
Het percentage van 3,5% wordt niet in het artikel genoemd. Door de meldingen bij Lareb en de aanvullende wetenschappelijke onderzoeken naar bijwerkingen zoals myocarditis en pericarditis die zijn gedaan, weten we dat er een zeer kleine kans op myocarditis en pericarditis na vaccinatie met een mRNA-vaccin bestaat. Verschillen tussen dit onderzoek en andere onderzoeken kunnen komen door verschillen in de opzet van een onderzoek of de populatie waarin het onderzoek verricht is, zoals ook de auteurs van het door u aangehaalde onderzoek vermelden.
Deelt u de mening dat, aangezien uit eerdere medische publicaties ook al is gebleken dat hartschade relatief vaak voorkomt na inenting met een mRNA coronavaccin, inmiddels duidelijk is dat deze vaccinaties, zeker bij jonge mensen, dus niet zo veilig zijn als lange tijd werd beweerd? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide analyse geven?2
Ik ben mij bewust van het zeer kleine risico op myocarditis en pericarditis, zoals ik ook in het antwoord op vraag 2 heb genoemd. Myocarditis en pericarditis zijn dan ook opgenomen als mogelijke zeer zeldzame bijwerkingen in de bijsluiters van de COVID-19-vaccins. Echter is het nog steeds zo dat de kans op deze aandoeningen aanzienlijk hoger is bij een infectie met SARS-CoV-2 in vergelijking tot een vaccinatie met een mRNA-vaccin. Dit wordt ook onderschreven door de auteurs van het door u aangedragen artikel. Bijwerkingencentrum Lareb stelt dat het risico op myocarditis na een SARS-CoV-2-infectie 19 keer groter is dan na coronavaccinatie. Voor pericarditis is het risico 5 keer groter na een infectie dan na een vaccinatie. Het risico op myocarditis voor mannen tussen de 12 en 17 jaar is 6 keer groter na een infectie dan na een vaccinatie. Het gezondheidsvoordeel van een vaccinatie weegt daarom zwaarder dan het risico op eventuele bijwerkingen na de vaccinatie. Er is brede wetenschappelijke consensus over de veiligheid en effectiviteit van de COVID-19-vaccins, ook bij jonge mensen. Ik zie op dit moment geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Zijn deze recente studie en de conclusies daaruit reden voor u om ook in Nederland onderzoek te gaan doen naar hartschade bij jongeren na coronavaccinatie? Zo ja, wie gaat dit onderzoek uitvoeren en wanneer start dit? Worden de methodieken en de data toegankelijk en openbaar gemaakt voor onafhankelijke wetenschappers? Zo nee, waarom wordt dit niet in Nederland onderzocht?
De onderzoekers concluderen in het artikel dat het bij jonge mensen van belang is alert te zijn op bijwerkingen aan het hart na een vaccinatie met een mRNA-vaccin. In Nederland wordt hier bij alle doelgroepen al veel aandacht aan besteed. Ik hecht veel waarde aan de zorgvuldige monitoring van eventuele bijwerkingen en ik vertrouw daarbij op de deskundigheid van Lareb en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Zoals ik in reactie op uw motie van 24 mei jl.3 in de Verzamelbrief van 4 juli jl.4 ook heb toegelicht, zijn zorgverleners volgens de Geneesmiddelenwet (artikel 78:3) verplicht om bij Lareb melding te maken van ernstige vermoedelijke bijwerkingen. Ook kunnen mensen zelf vermoedelijke bijwerkingen melden bij Lareb. Niet alle gemelde vermoedens van bijwerkingen zijn ook daadwerkelijk bijwerkingen die door vaccinatie worden veroorzaakt. Wanneer een nieuwe bijwerking wordt gevonden, of nieuwe kennis van bestaande bijwerkingen wordt opgedaan, wordt dit door Lareb onderzocht en de bevindingen worden gedeeld met het CBG. Zij bekijken of het inderdaad gaat om een bijwerking en delen de bevindingen met de EudraVigilance-databank van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en vanuit daar met VigiBase, de databank van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Deze databanken maken het mogelijk om internationaal informatie over bijwerkingen uit te wisselen. Ze zijn voor iedereen toegankelijk en worden door zorgverleners en medische instanties uit de hele wereld geraadpleegd om bijwerkingen in een vroeg stadium te signaleren. Op dit moment zie ik er daarom geen reden toe nieuwe onderzoeken te starten.
Weet u hoeveel jongeren in Nederland hartschade hebben opgelopen na coronavaccinatie? Zo ja, hoeveel zijn dat er, welke vaccins hebben deze personen gekregen en na hoeveel tijd/doses traden de klachten op? Zo nee, waarom zijn hierover geen cijfers bekend?
Bij jongeren tot 20 jaar zijn in Nederland tot nu toe bijna 2,1 miljoen vaccinaties in totaal gezet. Bijwerkingencentrum Lareb heeft tot 1 september jl. 14 meldingen van myocarditis en 12 meldingen van pericarditis ontvangen bij jongeren tot 20 jaar. Bij 15 van de meldingen trad de vermoedelijke bijwerking binnen 5 dagen op, bij 2 meldingen trad de vermoedelijke bijwerking tussen de 5 en 13 dagen op en bij 9 meldingen trad de vermoedelijke bijwerking langer dan 14 dagen na de vaccinatie op.
Weet u wat de lange termijngevolgen zijn van dergelijke hartschade? Wordt hier, aangezien de coronavaccins pas korte tijd worden gebruikt, onderzoek naar gedaan? Worden gediagnosticeerde gevallen in Nederland de komende jaren gevolgd en gemonitord in het kader van onderzoek naar en effecten en verbetering van de coronavaccins Zo nee, waarom niet?
De meeste mensen bij wie myocarditis of pericarditis optreedt na vaccinatie herstellen binnen enkele dagen tot weken na behandeling en houden hier geen blijvende schade aan over. Meldingen van (vermoedelijke) bijwerkingen van COVID-19-vaccinatie worden gemonitord door Bijwerkingencentrum Lareb, het CBG en het EMA. In de antwoorden op de door u gestelde schriftelijke vragen van 5 juli5, 6 juli6 en 25 juli jl.7 ben ik uitgebreid ingegaan op de zorgvuldige wijze waarop zij dit doen. Ik zie dan ook geen reden om hierin aanpassingen te maken of aanvullend onderzoek te doen.
Vindt u het in het licht van deze recente onderzoeksdata nog verantwoord dat op dit moment (jonge) kinderen in Nederland opnieuw uitnodigingen ontvangen voor het halen van een (herhaal)coronavaccinatie? Zo ja, waarom? Is het niet beter om het vaccinatieprogramma voor kinderen en jongeren voorlopig stop te zetten, temeer daar zij van het coronavirus nauwelijks iets te vrezen hebben en het risico op complicaties na vaccinatie weleens groter zou kunnen zijn dan complicaties na natuurlijke infectie?
Ik vind het nog steeds verantwoord om de eerder vastgelegde vaccinatiestrategie uit te voeren. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb toegelicht, wegen de voordelen van een vaccinatie nog steeds op tegen het zeer kleine risico op ernstige bijwerkingen, omdat de kans op complicaties na een infectie groter is dan de kans op complicaties na een vaccinatie.
Deelt u de mening dat, aangezien het grootste deel van de jeugd in Nederland inmiddels is blootgesteld aan het coronavirus en daardoor veelal al een infectie op natuurlijke manier heeft doorlopen, zij dus al immuniteit hebben opgebouwd, waardoor een coronavaccinatie sowieso overbodig is? Zo nee, waarom niet, aangezien uit onderzoek ook blijkt dat natuurlijke afweer beter is dan afweer door vaccinatie?3
Ik deel de mening dat een COVID-19-vaccinatie na infectie overbodig is niet. Over het algemeen zien we bij zowel vaccinaties als doorgemaakte infecties na verloop van tijd een afname van bescherming tegen een SARS-CoV-2-infectie (bij alle varianten). Dit geldt ook voor jongeren. Ook mensen die een infectie met een eerdere variant hebben doorgemaakt kunnen opnieuw besmet raken met een nieuwe variant en daar mogelijk ernstig ziek van worden. Vaccinatie is dus belangrijk om de bescherming op peil te houden. Zoals ik ook in reactie op uw schriftelijke vragen van 26 juli jl.9 heb toegelicht, is uit recent onderzoek van het RIVM10 gebleken dat personen die een infectie hebben doorgemaakt én een vaccinatie hebben gehaald beter beschermd zijn tegen een SARS-CoV-2-infectie in vergelijking met personen die alleen een infectie hebben doorgemaakt of alleen een vaccinatie hebben gekregen.
Bent u voornemens kinderen, jongeren en ouders actief te informeren over de recente bevindingen omtrent hartschade na coronavaccinatie? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet en vindt u niet dat mensen recht hebben op volledige informed consent voor zij zich laten vaccineren?
Via verschillende (online) kanalen kunnen ouders, kinderen en jongeren informatie vinden over de COVID-19-vaccins. Hiertoe zijn ook speciale informatiematerialen voor kinderen en jongeren in begrijpelijke taal ontwikkeld. De informatiematerialen zijn onder andere te vinden op de websites van de rijksoverheid, Lareb, het RIVM en het CBG. Er wordt daarin ook aandacht besteed aan de risico’s op eventuele bijwerkingen, waaronder de kleine kans op meer ernstige bijwerkingen zoals myocarditis en pericarditis. Algemene informatie over bijwerkingen is daarnaast te vinden in de bijsluiters van de vaccins. Deze zijn online te vinden op de website van het CBG.
Mocht in de toekomst duidelijk worden dat de coronavaccinaties inderdaad op grote schaal hartschade hebben toegebracht aan kinderen en jongeren, komt er daarvoor dan vanuit het Rijk een compensatie voor de getroffenen?
COVID-19-vaccins mogen in de EU alleen worden gebruikt als ze voldoen aan alle eisen van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid die zijn vastgelegd in de Europese wetgeving. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb toegelicht ziet het EMA hierop toe. Op basis van de wetenschappelijke beoordeling door het EMA krijgt de producent een vergunning om het vaccin in de EU op de markt te brengen. In Nederland wordt het vaccin vervolgens geregistreerd bij het CBG. Voorafgaand aan vergunningverlening en registratie zijn de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin derhalve uitgebreid beoordeeld in klinische studies. Mocht onverhoopt duidelijk worden dat, na grondige beoordeling, een duidelijk (causaal) verband bestaat tussen enig gebrek van het vaccin en de betreffende bijwerking dan zal moeten worden onderzocht of de producent van het vaccin in dit kader een toerekenbaar verwijt kan worden gemaakt. Als dat zo is, dan kan de producent onder omstandigheden worden aangesproken voor de gevolgen van daaruit voortvloeiende bijwerkingen. In die situatie kan de overheid onder specifieke en strikte voorwaarden de aansprakelijkheid overnemen van de producent. Deze voorwaarden zijn geregeld in de aankoopcontracten van de vaccins tussen de overheid en de producenten. Mocht iemand ervoor kiezen de overheid hiervoor aansprakelijk te stellen dan zal aan de hand van de geldende wettelijke criteria per individueel geval beoordeeld worden of de overheid aansprakelijk kan worden geacht.
Waarom is de Kamer niet actief ingelicht over dit onderzoek? Bent u niet van mening dat dergelijke informatie van belang is voor de beleidsvoering op het gebied van de volksgezondheid en de controlerende taak van de Kamer op dat beleid?
Wereldwijd wordt er ontzettend veel onderzoek gedaan naar COVID-19 en aan COVID-19 gerelateerde onderwerpen. Het is onmogelijk om de Kamer actief te informeren over ieder onderzoek. De huidige vaccinatiestrategie is tot stand gekomen op basis van de wetenschappelijke adviezen van o.a. de Gezondheidsraad. De raad maakt voor zijn adviezen steeds gebruik van de meest recente (internationale) wetenschappelijke inzichten. Daarnaast wegen experts van onder andere het RIVM, Lareb en CBG regelmatig relevante onderzoeken en informeren mij op het moment dat daar voldoende aanleiding toe is. Uiteraard informeer ik de Kamer hier dan ook over.
Gaat u dit najaar opnieuw ongevaccineerde jongeren uitsluiten van publieke plaatsen, ondanks het feit dat inmiddels wijdverspreid bekend is dat er geen medische rechtvaardiging is voor (indirecte) dwang en/of drang bij jongeren om zich te laten vaccineren? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit? Kunt u een uitgebreide uitleg geven?
Het kabinet hoopt dat de inzet van ingrijpende interventiemaatregelen, zoals het coronatoegangsbewijs (CTB), niet meer nodig zal zijn. Echter, een aantal sectoren die de afgelopen twee jaar zwaar getroffen zijn door het coronavirus geeft aan dat het CTB een wenselijke – en in een aantal gevallen zelfs de enige werkbare – maatregel is om renderend open te kunnen blijven tijdens een zware opleving van het virus. Voor onder andere de culturele sectoren, de evenementensector en veel recreatieve sectoren leidt een afstandsnorm tot ingrijpend capaciteitsverlies met de facto sluiting als gevolg. Deze sectoren willen het CTB als instrument in kunnen zetten in het geval dat er bij een opleving van het virus zwaardere interventiemaatregelen nodig zijn. Daarom hebben deze sectoren het CTB in de vorm van 3G of 1G (Testen voor Toegang) opgenomen in hun sectorplan. Bij beide vormen geldt dat mensen die ervoor kiezen zich niet te laten vaccineren een geldig CTB kunnen krijgen met een negatieve testuitslag. Een alternatief voor vaccinatie is bij deze toepassingen van het CTB dus altijd mogelijk.
Het kabinet begrijpt deze wens vanuit de sectoren, aangezien het alternatief bij een zware opleving voor deze sectoren zeer ingrijpend is. Tegelijkertijd bestaat op dit moment geen wettelijke grondslag voor de inzet van het CTB en heeft zowel de Tweede als de Eerste Kamer bedenkingen geuit bij de mogelijke inzet van een CTB in de toekomst. Het kabinet heeft om deze reden het CTB niet meegenomen in de eerste tranche van de wijziging van de Wet publieke gezondheid (Wpg), maar ziet ook dat het op voorhand uitsluiten van maatregelen bij een mogelijke opleving in de toekomst de mogelijke interventiemaatregelen beperkt, waardoor ingrijpendere maatregelen sneller in beeld komen. Hiertoe valt een wetsvoorstel te overwegen ter ondersteuning van de sectorplannen, waaronder onder voorwaarden de inzet van een CTB, mits daarvoor in de Kamer draagvlak is. Wij gaan hierover graag met de Kamer in gesprek.
Criminele asielzoekers uit veilige landen. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat het Amsterdamse politiekorps in De Telegraaf aangeeft dat Amsterdam de afgelopen maanden in toenemende mate te kampen heeft met grootschalige criminaliteit door asielzoekers uit met name Marokko, Algerije, Libië en Tunesië?1
Ja.
Deelt u de absolute afschuw over het geschetste wangedrag door veiligelanders waar Amsterdamse agenten mee te kampen hebben, van scheldpartijen en bespugen tot aanranding van agentes aan toe?
Ik vind de geschetste situatie onaanvaardbaar en zet in op effectieve maatregelen ter voorkoming en aanpak van overlastgevend en crimineel gedrag. Hoewel het gaat om een in omvang beperkte groep asielzoekers, ondermijnt dit het draagvlak voor de asielopvang. De maatregelen die ik tref, zijn toegelicht in de beantwoording op vragen 9, 10 en 14.
Wat is uw reactie op het feit dat Amsterdamse agenten aangeven dat tot wel 80 procent van hun tijd in de binnenstad opgaat aan criminele en overlastgevende veiligelanders?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel geregistreerde incidenten (van overlast tot criminaliteit) waren er in 2021 in totaal met betrekking tot (uitgeprocedeerde) asielzoekers uit veilige landen, ongeacht de vraag of zij dat jaar op enig moment in een COA-locatie verbleven?
In het incidentenoverzicht 2021, gepubliceerd door het WODC, wordt gerapporteerd over het aantal incidenten en misdrijven door vreemdelingen in COA opvang.2 Het aantal incidenten geregistreerd door het COA was in 2021 5.920, en was daarmee lager dan in 2019 en 2020. Er waren 3.895 unieke vreemdelingen betrokken bij deze incidenten. Van deze betrokkenen hadden 12% de Marokkaanse nationaliteit en 11% de Algerijnse nationaliteit. Marokko is een veilig land van herkomst, Algerije was tot halverwege 2021 een veilig land van herkomst.
In 2021 zijn er 3.990 verdenkingen van misdrijven geregistreerd van vreemdelingen in COA locaties. Het laagste aantal sinds 2017. In totaal waren er 1.795 unieke verdachten. In de top-15 nationaliteiten van 2021 kwamen 4 nationaliteiten voor die destijds hoorden bij een veilig land van herkomst:
Algerijnse
590
33%
Marokkaanse
425
24%
Tunesische
145
8%
Georgische
15
1%
Overige nationaliteiten
620
35%
Totaal
1.795
100%
Bron: Incidenten en misdrijven door COA-bewoners 2017–2021
Om hoeveel van dergelijke geregistreerde incidenten ging het gedurende de eerste helft van dit jaar?
Het WODC rapporteert niet over halfjaarlijkse periodes. Het WODC rapporteert in 2023 over geheel het jaar 2022.
Kunt u een inventarisatie maken (of op zijn minst een gegronde inschatting geven) van het aantal manuren dat de politie landelijk op jaarbasis kwijt is door incidenten met veiligelanders?
Deze is niet te geven. De politie registreert niet specifiek op veiligelanders. Dit heeft de politie immers niet nodig voor haar taakuitvoering.
Hoe vaak was in 2021 sprake van het toekennen van de projectcode VLIN (Vreemdeling In Nederland) in politiesystemen? En hoeveel keer was dit in de eerste helft van dit jaar het geval?
Onderstaande tabel bevat een overzicht met de aantallen geregistreerde incidenten waarbij de projectcode «VLIN» of «MOBA» is vermeld. Gezocht is op incidenten tussen 01-01-2021 en 30-06-2022. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat uit deze cijfers geen conclusies kunnen worden getrokken om de volgende redenen.
Aantal geregistreerde incidenten
2021
2022 (t/m juni)
VLIN
2.590
2.241
MOBA
2.423
1.412
Hoe vaak was in 2021 sprake van het toekennen van de projectcode MOBA (mobiel banditisme) in politiesystemen? En hoeveel keer was dit in de eerste helft van dit jaar het geval?
Zie antwoord vraag 7.
Snapt u dat Amsterdamse agenten zich ronduit verraden voelen door de politiek, zoals zij in het artikel aangeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, snapt u dat dit begrip niet bij woorden kan blijven, maar dat krachtige stappen nodig zijn?
Ik kan mij voorstellen dat het frustrerend is voor deze agenten wanneer zij hun politietaken goed hebben uitgevoerd en de overlastpleger hebben heengezonden, deze persoon elders in het land nieuwe delicten pleegt. Deze praktijk is zeer onwenselijk. Daarom heb ik naast de bestaande landelijke Top-X aanpak waarbij zicht op de omvang en aard van de zwaarste groep overlastgevende en/of criminele asielzoekers wordt gekregen, een Coördinator Nationale Aanpak Overlast aangesteld. Hij heeft de positie om te zorgen dat crimineel gedrag en overlast middels dossieropbouw en een strafrechtelijke, repressieve aanpak nog effectiever wordt aangepakt. Hij kan met kracht overlastproblematiek aanpakken met commitment van de strafrechtketen en de migratieketen. Hierdoor kunnen overlastgevers geïdentificeerd en aangepakt worden en wordt maximaal voorkomen dat zij uit beeld verdwijnen. Een plan van aanpak wordt momenteel verder uitgewerkt. Bij brief van 16 september 2022 heb ik uw Kamer hierover nader geïnformeerd.3
Deelt u de mening dat voor deze gigantische problematiek maar één oplossing is, namelijk eindelijk en massaal werk maken van het terugsturen van mensen die hier niet horen, te beginnen met uitgeprocedeerde veiligelanders? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief van 26 augustus 2022 wordt de inzet op terugkeer van overlastgevende asielzoekers zonder rechtmatig verblijf – als sluitstuk van de kabinetsaanpak van overlastgevers – geïntensiveerd. Bij terugkeer van diegenen die niet (meer) rechtmatig in Nederland verblijven, is het uitgangspunt dat de vreemdeling zelfstandig en zo snel mogelijk Nederland verlaat. Als de vreemdeling evenwel niet bereid is mee te werken aan zijn vertrek, dan kan de DT&V waar mogelijk overgaan tot gedwongen vertrek. Een van de bepalende factoren bij gedwongen terugkeer is de bereidheid van herkomstlanden om hun eigen onderdanen terug te nemen. Ik blijf daarom in bilateraal verband doorlopend inzetten op verbetering van de terugkeersamenwerking met belangrijke landen van herkomst door het voeren en onderhouden van migratiedialogen en het aangaan van migratiepartnerschappen in den brede. Daarbij verschilt de aard, het niveau en de mate van samenwerking per land, en wordt maatwerk toegepast. Ook op Europees niveau worden gesprekken gevoerd met prioriteitslanden uit de focusregio’s voor migratie van de EU. Aangezien een belangrijk deel van de herkomstlanden nog steeds een negatieve testuitslag vereist voorafgaand aan terugkeer en meewerken aan deze test door veel vreemdelingen nog altijd wordt geweigerd, werk ik daarnaast aan een wetsvoorstel om het afnemen van coronatesten onder dwang mogelijk te maken.
Bent u bereid per direct aanvullende maatregelen te treffen tegen tegenwerkende herkomstlanden door onder andere landingsrechten in te trekken, ontwikkelingshulp stop te zetten, uitkeringsverdragen stop te zetten en visa in te trekken? Zo nee, wat moet er nog gebeuren voordat u wel bereid bent hiertoe over te gaan?
Voor een reactie op de in de vraag voorgestelde maatregelen verwijs ik naar de desbetreffende passages uit de brief van mijn voorganger van 20 december 2021 «reactie actieplan van het lid Eerdmans over veiligelanders». Ik sluit mij bij die passages aan.4
Waarom worden recidiverende criminele veiligelanders, die na iedere aanhouding vaak binnen een mum van tijd weer op straat staan, niet standaard in vreemdelingendetentie geplaatst met het oog op een toekomstige uitzetting? Bent u bereid hiertoe over te gaan? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingenbewaring kan om verschillende redenen worden toegepast, onder meer om de vreemdeling beschikbaar te houden voor de asielprocedure, of – nadat een besluit op de asielaanvraag is genomen – met het oog op vertrek uit Nederland. Vreemdelingenbewaring is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM en het EU HvJ het ultimum remedium binnen het bestuursrecht.5 Indien andere, minder dwingende middelen effectief kunnen worden ingezet, dienen die te worden toegepast. Ook van belang is dat vreemdelingenbewaring primair dient om de vreemdeling beschikbaar te houden voor de asielprocedure en daarna het vertrek, en niet een sanctie is voor het plegen van strafbare feiten of de preventie daarvan.6 Ik zie echter ook dat voor een deel van de asielaanvragen geldt dat het inwilligingspercentage zeer klein of zelfs verwaarloosbaar is, terwijl een groot deel van de vreemdelingen zich voor het einde van de asielprocedure aan het toezicht onttrekt. Zoals ik in mijn brief van juni 2022 aan uw Kamer dan ook heb laten weten bekijk ik momenteel hoe mogelijkheden voor vreemdelingenbewaring tijdens de asielprocedure breder kunnen worden benut.7 Daarbij zullen personen die overlast geven eerder in beeld komen aangezien hun dossiers bij de toezichthouders ook het eerst bekend zijn. Daarbij is de grootste uitdaging om, gegeven de andere prioriteiten in de vreemdelingenketen, voldoende capaciteit te vinden om de bewaringsmaatregel te nemen en het asielproces in gesloten setting af te handelen. Dit zal daarom incrementeel worden ingevoerd.
Voor het voortzetten van de bewaring na de asielprocedure is zicht op uitzetting een wettelijke voorwaarde. Hierbij speelt de medewerking van het land van herkomst aan terugkeer een belangrijke rol. Voor vreemdelingen uit landen waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat zicht op uitzetting ontbreekt, is bewaring om die reden niet mogelijk. Maar zoals reeds genoemd in het antwoord op vraag 10, blijf ik mij doorlopend inzetten voor het verbeteren van de terugkeersamenwerking met belangrijke landen van herkomst.
Voor asielzoekers die een incident met grote impact veroorzaken is echter plaatsing in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) mogelijk. Hier verblijft een asielzoeker onder een sober regime en geldt een strikt gebiedsgebod. Plaatsing op de HTL kan gedurende ieder moment van de asielprocedure.
Deelt u de mening dat het, gelet op het kansloze karakter van hun asielaanvraag in combinatie met de zware oververtegenwoordiging in de criminaliteit, gerechtvaardigd is om asielzoekers uit veilige landen standaard in vreemdelingendetentie te plaatsen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u hier werk van maken?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 12, en zoals aangegeven in de Kamerbrief van 20 december 2021 kunnen asielzoekers niet zonder wettelijke grond in vreemdelingenbewaring worden gesteld en bekijk ik momenteel hoe de mogelijkheden voor vreemdelingenbewaring tijdens de asielprocedure breder kunnen worden benut.
Welke aanvullende maatregelen gaat u per direct treffen om criminaliteit en overlast door veiligelanders in te dammen?
De huidige mate van overlastgevend en crimineel gedrag is onaanvaardbaar en de aanpak van deze groep asielzoekers heeft mijn absolute prioriteit. In juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over aanvullende maatregelen die ik tref ten aanzien van de aanpak van overlastgevend gedrag door asielzoekers.8 Deze aanvullende maatregelen zetten in op o.a. het versoberd opvangen van asielzoekers met een kansarme asielaanvraag, nieuwe initiatieven ten aanzien van opvang en begeleiding binnen bestaande opvanglocaties, inzet op vreemdelingenbewaring en de aanpak overlast in het openbaar vervoer.
Daarbij heeft het Kabinet op 26 augustus jl. aangekondigd structureel € 15 miljoen vrij te maken voor de intensivering van deze aanpak door o.a. de aanstelling van een Coördinator Nationale Aanpak Overlast zoals aangegeven bij vraag 9.9 Daarnaast komen er opvanglocaties voor asielzoekers met een kansarme asielaanvraag, zoals asielzoekers uit veilige landen van herkomst. In deze bijzondere opvanglocatie geldt een sober regime en het vereiste dat betrokkenen steeds beschikbaar zijn voor de procedure op locatie met het doel om kansarme aanvragen versneld af te doen en de komst van kansarme asielzoekers te ontmoedigen. Er wordt momenteel gewerkt aan de uitwerking hiervan. Hiervoor is € 15 miljoen gereserveerd. Tot slot zal door de Dienst Terugkeer en Vertrek ook ingezet worden op versneld uitzetten van asielzoekers die overlast plegen. Ook hiervoor is € 15 miljoen gereserveerd, waarmee er in totaal dus 45 miljoen structureel beschikbaar komt voor de intensivering van de aanpak van overlast en crimineel gedrag door asielzoekers.
Bent u bereid alsnog werk te maken van de maatregelen uit het Actieplan Veiligelanders van JA21? Zo nee, waarom niet?
In de brief van 20 december 2021 is mijn voorganger ingegaan op het Actieplan Veiligelanders van JA21. Ik sluit mij aan bij deze reactie.
De verplichte asielopvang in Tubbergen |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe bent u tot de keuze voor de plaats Albergen en de betreffende hoeveelheid opvangplekken gekomen? Welk afwegingskader heeft u daarbij gehanteerd?
Het Rijk is bezig met een landelijke inventarisatie om extra opvangplekken te realiseren. Daarbij kijken we zowel naar Rijksvastgoed als naar mogelijk aan te kopen panden door het COA. Het COA is niet actief op zoek gegaan naar een locatie in Albergen, het hotel is door de verkoper aan het COA aangeboden.
De omvang (capaciteit) van een opvanglocatie ligt niet vast, deze wordt immers medebepaald door de situatie ter plekke. In overleg met het COA en de gemeente Tubbergen is afgesproken de locatie te gebruiken voor het huisvesten van 150 vluchtelingen.
Hotels zijn de meest efficiënte gebouwen om aan te kopen in deze tijd van capaciteitstekort, omdat ze ontworpen zijn voor huisvesting van een groot aantal mensen en daardoor snel operationeel inzetbaar zijn. Andersoortige gebouwen, zoals bijvoorbeeld kantoren, hebben als opvanglocatie meestal een langere doorlooptijd vanwege verbouwingen die in deze tijd van schaarste meestal veel tijd in beslag nemen.
Kunt u uiteenzetten welke rol de verschillende overheden zouden kunnen spelen om de asielopvang en het draagvlak hiervoor goed op elkaar af te stemmen? Welke knelpunten moeten worden opgelost, zodat dit ook gebeurt?
Om de crisis op korte termijn het hoofd te kunnen bieden en om op lange termijn uit de crisis te blijven is het noodzakelijk om goed samen te werken met verschillende overheden en uitvoeringsorganisaties. Het is een gedeelde aanpak. De afspraken die hierover zijn gemaakt worden uiteengezet in mijn brief van 26 augustus jl. (Kamerstuk 2022Z15825).
Kunt u aangeven hoe vaak er vanaf april 2022 contact met de gemeente Tubbergen is geweest over de opvang van asielzoekers?
Sinds april is op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau op verschillende momenten contact geweest met de gemeente Tubbergen over de mogelijke opvang van asielzoekers in Hotel ’t Elshuys in Albergen. Nadat op 2 april het hotel aan het COA te huur/te koop werd aangeboden door de makelaar is het COA in gesprek gegaan met de gemeente over twee objecten die mogelijk als opvanglocatie zouden kunnen fungeren, waaronder het desbetreffende hotel. Na verschillende korte contactmomenten in de tussentijd volgde begin juni op bestuurlijk niveau bericht van het COA richting de gemeente over het voornemen van het COA om het hotel te kopen. Daarbij heeft het COA het aanbod gedaan om in het hotel ook ruimte te maken voor de opvang van de aan de gemeente gekoppelde statushouders. Bij de gemeente was bestuurlijk echter alleen draagvlak voor kleinschalige huisvesting van statushouders en niet voor de opvang van asielzoekers. Er is gewezen op het voornemen van het kabinet om indien nodig het juridisch instrumentarium in te zetten en dat de mogelijke toepassing van het instrumentarium voor deze locatie nader onderzocht zou worden.
Hoe kan het dat het gemeentebestuur van Tubbergen is overvallen door uw beslissing? Behoort het niet tot het principe van behoorlijk bestuur dat het Rijk gemeenten hierover voorafgaand informeert?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven is er op verschillende momenten contact geweest met de gemeente Tubbergen. Daarbij is ook gewezen op het voornemen van het kabinet om indien nodig het juridisch instrumentarium in te zetten en dat de mogelijke toepassing van het instrumentarium specifiek voor deze locatie nader onderzocht zou worden. Na de collegevergadering van 21 juni heeft het college van Tubbergen richting het COA aangegeven niet te zullen meewerken.
Ik begrijp dat het College, de Raad en de inwoners van de gemeente Tubbergen overvallen waren door de daadwerkelijke aankoop van het hotel, maar helaas was en is er niet de luxe om langer af te wachten. Ik wil wel benadrukken dat ik het in algemene zin van groot belang vind om zo goed mogelijk samen te werken en om de gemeenteraad en omwonenden te betrekken bij de verdere realisatie van de asielopvang.
Klopt het dat de gemeente Tubbergen heeft aangegeven dat er niet op de locatie ’t Elshuys, maar wel op andere locaties binnen Tubbergen mogelijkheden zijn om asielzoekers op te vangen en zo de druk op Ter Apel te ontlasten? Zo ja, waarom is niet ingegaan op deze alternatieve locatievoorstellen?
Met de gemeente Tubbergen zijn twee locaties besproken op voordracht van het COA. Eén van de locaties, Vasse, bleek niet geschikt vanwege de ligging in een kwetsbaar natuurgebied. De andere locatie betrof Hotel ’t Elshuys in Albergen. De gemeente heeft aangegeven daar uitsluitend statushouders te willen huisvesten en geen asielzoekers. De gemeente Tubbergen heeft geen andere locaties aangeboden of besproken waar asielzoekers opgevangen zouden kunnen worden. Dit was voordat sprake was van inzet van het zogenaamde RO-instrumentarium. De gemeente Tubbergen heeft daarna niet uit eigen initiatief een concreet aanbod gedaan voor de vestiging van een opvanglocatie, maar is uiteindelijk onder voorwaarden akkoord gegaan met huisvesting van statushouders (circa 50) en asielzoekers (circa 100) in hotel ’t Elshuys.
Klopt het dat de gemeente Tubbergen heeft aangegeven op de locatie ‘t Elshuys 30 statushouders te willen opvangen?
In de besprekingen met de gemeente die tussen april en juni hebben plaatsgevonden heeft de gemeente aangegeven 50 statushouders te willen huisvesten in Hotel ’t Elshuys.
Klopt het dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) in de afgelopen periode geen of nauwelijks gebruik heeft gemaakt van deze opvangmogelijkheid in ’t Elshuys? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Dit klopt niet. Hotel ’t Elshuys was tot 29 augustus jl. in particulier bezit en geen eigendom van het COA. Gemeente Tubbergen had op basis van de HAR-regeling voor die tijd een 10-tal statushouders in hotel ’t Elshuys ondergebracht en vier gezinskamers gehuurd. Dit waren statushouders die conform taakstelling waren toebedeeld aan de gemeente.
Hoe wilt u het vertrouwen van de gemeente Tubbergen en de lokale gemeenschap in Albergen herstellen?
Op 19 augustus jl. ben ik in gesprek gegaan met het college van burgemeester en wethouders en met vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap om het besluit toe te lichten en de reacties aan te horen. Vervolgens hebben de burgemeester en wethouder met het COA en mij verder gepraat. Ook in de toekomst blijven we met elkaar in gesprek.
Deelt u de mening dat gemeenten en veiligheidsregio’s het recht zouden moeten hebben om reële tegenvoorstellen te doen en alternatieven aan te dragen? Welke randvoorwaarden zijn hiervoor nodig?
Ik deel de mening dat de gemeente de mogelijkheid moet hebben om alternatieven aan te dragen. Om die reden wordt het gesprek ook altijd gevoerd. In dit verband is tussen april en juni geprobeerd om samen met de gemeente opvang te realiseren. Het verlenen van een vergunning door de overheid door middel van het zogenaamde RO-instrumentarium is een maatregel die in vele opzichten verre van ideaal is. Deze maatregel ga ik dan ook het liefste uit de weg. Gelijktijdig maakt de huidige situatie het noodzakelijk om extra asielopvanglocaties te realiseren.
Klopt het dat de gemeente Tubbergen voldoet aan de taakstelling voor huisvesting van statushouders en van Oekraïense vluchtelingen? Zo ja, waarom wordt Tubbergen dan toch als «weigergemeente» beschouwd? Zo nee, in welke mate wijkt de gemeente af van de taakstelling en hoe lang doet dit zich al voor?
Tubbergen heeft in het tweede half jaar van 2021 en het eerste half jaar van 2022 voldaan aan het aantal te huisvesten statushouders. Tegelijkertijd heeft de gemeente nog een openstaande achterstand van 14 statushouders. De 14 gemeenten die de veiligheidsregio Twente vormen hebben een gezamenlijke achterstand van 158 statushouders ten opzichte van de taakstelling. De eerste bewoners van de opvanglocatie Albergen zullen naar verwachting medio oktober kunnen worden gehuisvest. De gemeente vangt tevens Oekraïense ontheemden op.
De term weigergemeenten doet geen recht aan alle inspanningen die door het hele land worden gedaan om vluchtelingen en Oekraïense ontheemden op te vangen. Deze term is ook niet van toepassing op Tubbergen. Wel is het zo dat er een tekort is aan opvangplekken, waardoor Ter Apel overbelast is. Aan iedere gemeente wordt gevraagd om een evenredige bijdrage te leveren aan de asielopvang.
Klopt het dat er in Ter Apel geen problemen zouden zijn met de asielopvang, als alle gemeenten zouden voldoen aan de taakstelling voor huisvesting van aan hen toegekende statushouders? Zo, ja welke stappen worden gezet dat hieraan gaat worden voldaan, zodat er een structurele oplossing komt?
De opvangcrisis kent verschillende oorzaken. Een belangrijk onderdeel daarvan is inderdaad het huisvesten van statushouders. In mijn brief van 26 augustus jl. heb ik toegelicht welke maatregelen ik in dit verband neem.
Kunt u aangeven welke mogelijkheden u ziet om de instroom van asielzoekers te beperken en de opvangcrisis het hoofd te bieden? Welke maatregelen, die passen binnen Europese rechterlijke uitspraken en internationale verdragen, kan het kabinet nemen?
Om de opvangcrisis zowel op korte als op lange termijn het hoofd te bieden worden er verschillende maatregelen getroffen. Deze licht ik toe in mijn brief van 26 augustus jl. (Kamerstuk 2022Z15825).