De behandeling van asielverzoeken van Palestijnse asielzoekers |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er sinds de vernietiging van het besluitmoratorium door de Raad van State op 24 april jl. nog niet is gestart met de behandeling van asielverzoeken van Palestijnse asielzoekers?
Het klopt dat in zijn algemeenheid nog niet is gestart met de behandeling van asielaanvragen van Palestijnse asielzoekers. Conform mijn brief van 19 december 2023,1 kan het echter mogelijk zijn dat er is beslist in individuele zaken waarin de uiterste beslistermijn van 21 maanden is verstreken of in zaken van (staatloze) UNRWA-Palestijnen waarin, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium, al een nader gehoor was afgenomen en die op grond van artikel 1D positief beslist konden worden.
Bent u het ermee eens dat een uitspraak van de Raad van State onverkort moet worden uitgevoerd en dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst dus per 24 april jl. had moeten starten met de inhoudelijke beoordeling van deze asielverzoeken?
Ik ben het er mee eens dat een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zo spoedig en correct mogelijk moet worden uitgevoerd. Het is echter niet ongebruikelijk dat er enige tijd wordt genomen om een uitspraak te bestuderen en op een juiste wijze ten uitvoer te leggen. Zo ook in dit geval. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 27 mei 20242 was daarbij in dit concrete geval vereist dat actuele informatie werd verzameld over de veiligheidssituatie in de Palestijnse gebieden, waarna daarop beleidsvorming diende plaats te vinden inzake het landenbeleid voor de Palestijnse Gebieden.
Herinnert u zich uw brief van 13 juli 2023 waarin u schrijft dat wordt aangenomen dat United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) «in veel gevallen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden» in Gaza en daarom wordt «aangenomen dat UNRWA in algemene zin niet in staat kan worden geacht de levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht»?1
Ja.
Bent u bekend met de bepaling in het VN-Vluchtelingenverdrag dat Palestijnen recht hebben op internationale bescherming indien UNRWA die bescherming niet kan bieden?
Ja.
Deelt u de opvatting dat gezien de huidige humanitaire situatie in Gaza en de beperkte mogelijkheden voor UNRWA om bescherming te bieden, er geen enkele Palestijn teruggestuurd zou worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom kiest u er dan voor om het in behandeling nemen van verzoeken opnieuw te vertragen?
In mijn brief van 26 juni 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid inzake de Palestijnse Gebieden. Hierin heb ik aangegeven het voor Gaza inderdaad niet aannemelijk kan worden geacht dat UNRWA in staat is om de levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht in Gaza. Dit heeft tot gevolg voor «UNRWA-Palestijnen» uit Gaza dat de uitsluitingsgrond artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet kan worden tegengeworpen, en dat de vluchtelingenstatus moet worden toegekend. Daarnaast heb ik aangenomen dat er in heel Gaza sprake is van een 15c-situatie in de hoogste gradatie, te weten de meest uitzonderlijke situatie. Voor alle niet-UNRWA-Palestijnen afkomstig uit Gaza betekent dit dat zij dus reeds vanwege de generieke veiligheidssituatie te vrezen hebben voor ernstige schade als gevolg van het willekeurige geweld wat daar plaatsvindt.
Waarom bent u bij voorbaat van plan het vertrekmoratorium ook te beëindigen? Denkt u dat Palestijnen, ongeacht reden voor afwijzing, onder artikel 3 van het EVRM teruggestuurd kunnen worden? Zo nee, wat zou het gevolg van dit besluit dan zijn?
Een besluit- en vertrekmoratorium kan worden afgekondigd in gevallen waarin er een plotse wijziging plaatsvindt van de situatie in een bepaald land van herkomst. Het biedt de tijd en ruimte om informatie te verzamelen over een fluïde situatie en om aan de hand daarvan zorgvuldig landenbeleid te formuleren.
Door het aanwenden van een besluitmoratorium wordt de beslistermijn van asielzoekers die afkomstig zijn uit het betreffende land verlengd. Het instellen van een vertrekmoratorium heeft tot gevolg dat uitgeprocedeerde asielzoekers uit dat land die geen nieuwe asielaanvraag indienen niet meer vertrekplichtig zijn en opnieuw recht krijgen op voorzieningen zolang het vertrekmoratorium voortduurt. Ingevolge de Vreemdelingenwet kan een vertrekmoratorium niet langer duren dan een jaar.
Inmiddels is voldoende duidelijk geworden wat de actuele situatie is in de Palestijnse Gebieden en dit heeft ertoe geleid dat er ook landenbeleid is opgesteld. Er is dus voldoende informatie om handen om zorgvuldig te kunnen beslissen in zaken van Palestijnse asielzoekers die een asielaanvraag hebben ingediend. De vrees voor een schending van artikel 3 EVRM zal in al deze zaken individueel beoordeeld worden. Er zal vanzelfsprekend geen negatief besluit genomen worden indien wordt geconstateerd dat er sprake is van een risico op een dergelijke schending in een individueel geval. Gelet op het niet tegenwerpen van artikel 1D aan vreemdelingen die onder de reikwijdte van deze bepaling vallen en de algehele 15c-situatie in Gaza is het overigens niet erg waarschijnlijk dat er afwijzingen zullen zijn voor Palestijnen die uit Gaza komen. Voor zover een aanvraag wordt afgewezen wegens de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag of omdat de betrokken asielzoeker een (bijzonder) ernstig misdrijf heeft begaan, zal veelal geen terugkeerbesluit kunnen worden genomen.
Kunt u deze vragen één voor één en zo spoedig mogelijk – maar in ieder geval voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van 26 juni 2024 – beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Van der Burg: 1500 asielplekken minder sinds hoofdlijnenakkoord' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de aankondiging dat de nieuwe coalitie de spreidingswet in wil trekken nu al leidt tot 1500 minder asielplekken?1
De aankondiging leidde tot verschillende signalen. Enerzijds constateert het COA dat eerdere toezeggingen voor het realiseren van opvang worden ingetrokken en/of bevroren. Anderzijds tonen veel gemeenten zich bereid bestaande opvanglocaties langer open te houden of te kijken naar alternatieven. Over de bestaande opgave voer ik o.a. doorlopend gesprekken met de commissarissen van de Koning.
Hoeveel asielplekken verwacht u de komende tijd nog te verliezen als gevolg van deze aankondiging?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1 evenals de recente brief die ik hierover gestuurd heb (Kamerstuk: 19 637, nr. 3257).
Welke argumenten geven gemeenten wanneer zij ervoor kiezen om nu toch geen asielzoekers op te vangen of toegezegde plekken te schrappen?
Het beperkt aantal gemeenten waarvoor terughoudendheid geldt, benoemt bijvoorbeeld afnemend draagvlak alsook de onzekerheid met betrekking tot financiën als argument.
Waren er gemeenten met wie afspraken gemaakt zijn over de specifieke uitkering voor extra plekken in de toekomst, dat de nieuwe coalitie heeft geschrapt? Wat kan deze gemeenten nu alsnog over de streep doen trekken?
Op dit moment is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen van kracht. Gemeenten kunnen derhalve bij het aanbieden van opvang in aanmerking komen voor een specifieke bonus-uitkering.
In hoeveel gemeenten was de Spreidingswet het afgelopen jaar een argument in de bereidheid om plekken te creëren?
Exacte gegevens hieromtrent zijn niet bekend.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de migratiechaos niet nóg groter wordt en er de komende maanden genoeg opvangplekken voor asielzoekers zijn?
Voor de acute vraag blijf ik de reeds ingezette lijnen hanteren om tijdelijke opvangcapaciteit te realiseren. Hierover heb ik u onder meer in mijn brief van 14 juni jl. (Kamerstuk: 19 637, nr. 3257) over geïnformeerd. Zo wordt ingezet op het op korte termijn realiseren van een aantal kansrijke locaties. Deze locaties dienen uiterlijk 31 augustus a.s. operationeel te zijn. Deze inzet betreft een samenwerking tussen het Rijk, de Commissarissen van de Koning, de colleges van burgemeester & wethouders en het COA. Indien het een locatie op Rijksgrond betreft, wordt ook het betreffende departement dan wel dienst betrokken.
Welke mogelijkheden heeft u nu nog voor het creëren van extra plekken nu blijkt dat de nieuwe coalitie de spreidingswet in wil trekken?
Zie antwoord op vraag 6.
Wat betekent dit voor Ter Apel, waar nog altijd te veel asielzoekers worden opgevangen? Heeft u nog mogelijkheden u aan uw belofte aan Ter Apel te houden om onder de 2000 asielzoekers te blijven?
De situatie in Ter Apel blijft helaas onverminderd kritiek. Op 14 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inspanningen die vele partijen leveren om de acute opvangsituatie het hoofd te bieden.
Kunt u garanderen dat er deze zomer geen asielzoekers noodgedwongen buiten moeten slapen?
Nee, dat kan ik helaas niet. Onze inzet is er op gericht alles in het werk te stellen om dit te voorkomen.
Het bericht dat in Nederland tussen 2013-2022 de oppervlakte van natuur- en bosgebieden met bijna 2,5 procent is afgenomen. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de natuur tussen 2013–2022 is afgenomen met 15.800 hectare, ondanks te doelstelling om tussen 2011–2027 80.000 hectare natuur te realiseren in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)?1
Het CBS heeft geconstateerd dat er problemen zijn ontstaan bij de gegevens die gebruikt zijn voor dit nieuwsbericht. Daarvoor heeft het CBS inmiddels onderstaande toelichting gepubliceerd:
Het is dus niet mogelijk om conclusies te ontlenen aan het bericht. Zodra het CBS een consistente tijdsreeks heeft geformuleerd, zal ik uw Kamer hierover informeren. Het CBS verwacht deze gegevens aan het einde van het jaar of uiterlijk begin 2025 op orde te hebben. Het CBS laat overigens weten dat de impact van de onvolkomenheden zeer beperkt zal zijn. In afwachting van de gecorrigeerde gegevens is het goed om te benadrukken dat de natuur- en bosgebieden in de CBS- publicatie zijn bepaald aan de hand van een bredere definitie van natuur dan het NNN. De oppervlakte natuur in het NNN nam, blijkens de negende Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 362), in de periode 2011–2022 juist toe met 48.511 ha.
In deze periode heeft wel een afname van het bosgebied plaatsgevonden3. Deze afname is ten dele het gevolg van omvorming van bossen naar andere typen natuur voor het realiseren van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen (inmiddels is de afspraak dat deze kap met terugwerkende kracht tot 2017 wordt gecompenseerd). Er is ook bos verdwenen door kap van tijdelijke bossen die in de jaren tachtig en negentig op landbouwgrond zijn aangelegd ten behoeve van de houtproductie. In de negende Voortgangsrapportage Natuur is gerapporteerd over de aanleg van nieuw bos in 2021 en 2022. Hieruit blijkt dat 823 hectare is aangelegd. De uitvoering zal dus wel versneld moeten worden om de beleidsdoelen uit de Bossenstrategie te behalen om 37.400 hectare aan nieuw bos te realiseren.
Valt de afname van natuur- en bosgebied op percelen binnen het NNN?
Dat ligt niet in de rede. Daar waar omvorming van bos naar een ander natuurtype heeft plaatsgevonden, is het effect op de oppervlakte natuur- en bosgebied per saldo nul.
Kunt u toelichten welke delen natuur verloren zijn gegaan, wat de bestemming van die grond is geworden en waarom het omgevormd is?
Deze vraag is pas te beantwoorden als de onvolkomenheden in de dataset zijn hersteld. Het CBS verwacht deze gegevens aan het einde van het jaar of uiterlijk begin 2025 op orde te hebben.
Deelt u de mening dat het oppervlakte natuur- en bosgebied juist met een versneld tempo zou moeten toenemen?
Ja. De te nemen maatregelen in het kader van onder andere het Natuurpact, het Programma Natuur en Bossenstrategie hebben ook een toename van omvang en kwaliteit van het areaal natuur en bos tot doel. Onlangs heb ik uw Kamer geïnformeerd over de tweede fase van het Programma Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 375), waarin maatregelen ten behoeve van natuurherstel, inclusief areaalgroei, kunnen worden gefinancierd. Ook de provinciale maatregelenpakketten ter versterking van het landelijk gebied, waarover ik uw Kamer op 7 juni 2024 heb geïnformeerd, bevatten diverse maatregelen voor versterking en uitbreiding van het natuur-en bosareaal (Kamerstuk 34 682, nr. 192). Verder is areaaluitbreiding ook benodigd voor het behalen van de wettelijke doelen voor klimaatmitigatie, zoals onderbouwd in de Klimaat- en Energieverkenning 2023 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).4
Deze opgave beperkt zich overigens niet tot de natuur binnen het NNN. Ook buiten het NNN is groei van het natuurareaal, waar mogelijk gecombineerd met andere functies, van belang. Ook hier bevinden zich bossen, landschapselementen en andere natuurtypen die een essentiële bijdrage leveren aan de instandhoudings- en klimaatdoelen, en een belangrijke recreatieve en landschapshistorische functie hebben.
Welke gevolgen heeft de afname van deze natuur voor andere doelen en ambities op het gebeid van biodiversiteit en een gezonde leefomgeving?
Afname van natuur- en bosgebied heeft een negatieve invloed op biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Uit onder meer de Natuurverkenning 2050 van het PBL5 en een quick scan van WUR en SOVON Vogelonderzoek6 blijkt dat groei van het natuurareaal nodig is om toe te kunnen werken naar een gunstige staat van instandhouding van onze natuur.
Deelt u de mening dat het zeer kwalijk is dat wij, als Rijk en provincies, ons niet aan de afspraken in het Natuurpact houden?2
Ik blijf er bij de provincies op aandringen dat de overeengekomen afspraken worden gerealiseerd. De provincies hebben mij laten weten alles op alles te zetten om dat ook voor elkaar te krijgen.
Uit bijlage 1 van de negende Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 362) blijkt dat de provincies van de opgave van 80.000 ha nieuwe natuur naar verwachting op 6.888 ha na het afgesproken eindjaar 2027 zullen realiseren.
Welke resultaten heeft de Taskforce Versnelling NNN geboekt sinds de laatste update in 2022?3
De provincies nemen het advies van de Taskforce mee in de realisatie van hun eigen deel van het NNN. In de tiende Voortgangsrapportage Natuur zullen Rijk en provincies verslag doen van de voortgang in de realisatie van de opgave van 80.000 ha nieuwe natuur. Deze Voortgangsrapportage over het jaar 2023 wordt verwacht in november 2024.
Wat gaat u doen om te zorgen dat we de Europees afgesproken doelstelling van 30 procent beschermd landoppervlak in 2030 gaan halen?
Deze ambitie, opgenomen in de EU-Biodiversiteitstrategie, geldt EU-breed en niet per lidstaat. Voor natuur op land (inclusief binnenwater) komt Nederland, na realisatie van het staande beleid, zoals de realisatie van het NNN, uit op ongeveer 27%. Door onder meer uitvoering van de landelijke Bossenstrategie en het Programma Natuur zou dit percentage verder kunnen stijgen.
Hoe verhoudt de afname van de natuur zich tot het Nationaal Programma Landelijk Gebied?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 4, bevatten de provinciale maatregelenpakketten ter versterking van het landelijk gebied, waarover ik uw Kamer op 7 juni 2024 heb geïnformeerd, diverse maatregelen voor versterking en uitbreiding van het natuur-en bosareaal (Kamerstuk 34 682, nr. 192).
Betekent dit dat het Rijk zich extra zal gaan inspannen voor de creatie van nieuwe natuur met goede natuurkwaliteit?
Het Rijk zal zich inspannen om de realisatie van de gestelde natuurdoelen in onder andere het Natuurpact, Programma Natuur en de Bossenstrategie te bevorderen.
Wat is de relatie tussen de dalende insectpopulaties, het massaal verdwijnen van bloeiende planten en de afname van het Nederlandse natuurareaal?4
Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2. Het is niet mogelijk deze conclusie te verbinden aan het CBS-bericht.
De in het NOS-bericht aangehaalde studie laat zien dat het verdwijnen van bestuivers een van de drukfactoren op bloeiende planten is. Ook verdroging en stikstofdepositie worden als drukfactor geïdentificeerd op bloeiende planten.
Door uitvoering van de genoemde maatregelen ter versterking van het landelijk gebied wordt de natuur in natuurgebieden en specifiek de daarvoor benodigde milieucondities verbeterd. Dit kan een positief effect hebben op de aanwezigheid van bloeiende planten in natuurgebieden. Door actief te werken aan de realisatie van Basiskwaliteit Natuur worden omgevingscondities buiten VHR- en NNN-gebieden verbeterd. Dit zal ook een positief effect hebben op de natuurkwaliteit binnen het natuurareaal.
Hoe belangrijk is sterke en verbonden natuur voor bestuiving van onze landbouwgewassen en in welke mate staat dit onder druk?
De productie van onder meer bonen, verschillende soorten groente en fruit is afhankelijk van bestuiving. Aanwezigheid van geschikt (voortplantings)habitat op korte afstand van deze gewassen is hierbij van belang. Ik erken het belang van een sterke en verbonden natuur voor bestuiving van landbouwgewassen. Een sterk en verbonden natuur die voldoet aan wat minimaal nodig is, gedefinieerd binnen de realisatie van Basiskwaliteit Natuur, is ook van belang voor natuurlijke plaagdierbestrijding en het bieden van andere ecosysteemdiensten.
Door onder meer het realiseren van de 10% groenblauwe dooradering, het bereiken van Basiskwaliteit Natuur en het faciliteren van het ANLb- en SNL-subsidies ondersteun ik het creëren en verbeteren van het leefgebied van bestuivers in het landelijk gebied en een sterke en verbonden natuur.
Grondgebonden boeren in het licht van de afbouw van de derogatie |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat grondgebondenheid tot op heden afhankelijk was van de hoeveelheid fosfaat die een boer uitreed, waarbij er geen fosfaatoverschot mocht optreden?
Klopt het dat grondgebonden boeren nu rond de twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare hanteren op basis van die fosfaatnorm?
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over wat grondgebonden is?
Deelt u de mening dat grondgebonden betekent dat een melkveehouder het aantal dieren houdt dat aansluit op de mestplaatsingsruimte van het land dat diegene bezit? Zo nee, wat is uw definitie van grondgebondenheid?
Deelt u de mening dat er een duidelijke en eenduidige definitie zou moeten zijn van grondgebondenheid waarbij stikstof en fosfaat op elkaar afgestemd zijn?
Kunt u toelichten hoe een graslandnorm van 0.35, wat ongeveer 2.8 GVE per hectare is, zich verhoudt tot grondgebondenheid met de nieuwe stikstof-mestplaatsingsnorm van 170 kilogram stikstof per hectare per jaar?
De graslandnorm heeft, zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 1 t/m 5, niet tot doel dat alle mestproductie in stikstof en fosfaat geplaatst kan worden binnen de mestplaatsingsruimte voor stikstof en fosfaat van het bedrijf.
Bij een graslandnorm van 0.35 GVE per hectare zullen bedrijven die op die norm zitten, en geen bouwland ter beschikking hebben waar zij nog mest op kunnen afzetten, een deel van de mest op eigen grond kunnen plaatsen, maar niet alle mest. Afhankelijk van de mestproductie en de mestplaatsingsruimte zal meer of minder mest buiten het bedrijf verantwoord moeten worden afgezet.
De stikstofgebruiksnorm van 170kg stikstof per hectare uit dierlijke mest is geen nieuwe norm, maar een bestaande norm die sinds jaar en dag in de Nitraatrichtlijn staat. Nederland heeft sinds 2005 een derogatie onder bepaalde voorwaarden gehad op deze norm. Met de huidige derogatiebeschikking (2022–2025) wordt de derogatie afgebouwd. Door de afbouw van de derogatie zal minder stikstof uit dierlijke mest geplaatst kunnen worden op het eigen bedrijf, te weten maximaal 170 kg per hectare per jaar. Dat betekent dat deze stikstof in de dierlijke mest die mogelijk niet meer op eigen grond kan worden geplaatst verantwoord afgevoerd zal moeten worden van het bedrijf, of mogelijk in de nabije toekomst verwerkt kan worden tot Renure-meststoffen waaraan – bovenop de 170 kg per hectare per jaar uit dierlijke mest – ruimte geboden wordt voor maximaal 100 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare per jaar, indien aan de daarvoor dan geldende voorwaarden wordt voldaan.
Bent u van mening dat een graslandnorm van 0.35 de mestproductie en mestplaatsing op bedrijfsniveau met elkaar in evenwicht brengt, of meer in evenwicht brengt vergeleken met de huidige situatie?
Een graslandnorm van 0,35 ha grasland/GVE brengt de mestproductie en mestplaatsingsruimte, met name in gebieden met meer intensieve melkveehouders, meer in balans. Intensievere melkveebedrijven met relatief veel koeien ten opzichte van het areaal waarover zij beschikken zullen om aan de norm te kunnen voldoen of bouwland moeten omzetten in grasland of grasland moeten betrekken bij het bedrijf of het aantal dieren moeten verminderen.
Druist mestverwerking, benoemd als steunmaatregel voor grondgebonden melkveehouders in het plan van aanpak, niet in tegen de principes van grondgebondenheid?1
Dat is niet het geval. Als aangegeven in mijn antwoord op vragen 1 t/m 5 wordt met de graslandnorm grondgebondenheid benaderd vanuit verschillende invalshoeken, waarbij een deel van de mest op eigen grond geplaatst kan worden maar niet noodzakelijkerwijs alle mest. Melkveehouders kunnen mest verwerken of laten verwerken en de verwerkte mest op eigen grond toepassen of verantwoord afvoeren naar andere bedrijven. Met de mogelijke extra ruimte voor bepaalde Renure-meststoffen zou het mogelijk worden om meer stikstof uit dierlijke mest toe te passen op het eigen bedrijf en daarmee de kringloop nog beter te sluiten en mestproductie meer in evenwicht te laten zijn met de plaatsingsruimte.
Erkent u dat, ook als de mestmarkt in balans is, huidige grondgebonden boeren in de knel kunnen raken vanwege de verlaagde mestplaatsingsnorm waardoor zij toe zullen moeten naar een lagere GVE, mits ze grondgebonden willen blijven?
Indien een boer door de afbouw van de derogatie niet meer alle mest op het eigen bedrijf kan afzetten, en een boer ervoor kiest om vanuit zijn perspectief op grondgebondenheid alle mest op eigen grond te willen afzetten, kan hij ervoor kiezen om minder dieren te houden of grond aan te kopen. In beide gevallen gaat hij minder koeien per hectare houden.
Verwacht u dat de meerprijs voor grondgebonden melkveehouders, als onderdeel van de steunmaatregelen vanuit de sector, voldoende zal zijn om de gederfde inkomsten te compenseren?
Zoals ik in het plan van aanpak heb aangegeven is het voor een succesvolle aanpak van belang dat ketenpartijen en banken in de aankomende jaren ondersteuning bieden aan die bedrijven die passen bij het toekomstbeeld van een grondgebonden melkveehouderij. Zolang de mestmarkt nog niet in balans is, krijgen ook deze bedrijven in de aankomende jaren te maken met een verhoging van hun kosten. Daarom zijn gesprekken gevoerd met de verwerkende industrie en banken en zijn zij opgeroepen om urgent concrete maatregelen te treffen die de liquiditeitspositie van deze bedrijven in de aankomende jaren versterkt en in te zetten op het halen van meeropbrengsten uit de markt juist voor deze bedrijven (Kamerstuk 28 973, nr. 255 en Kamerstuk 33 037, nr. 542). Op dit moment is mij onvoldoende bekend over mogelijke plannen daartoe van de sector om daar een oordeel over te kunnen geven.
Bent u voornemens om maatregelen te nemen om grondgebonden melkveehouders te ondersteunen de komende periode?
Het kabinet heeft besloten de subsidie behoud graslandareaal te verhogen voor 2024 en 2025 (zie hiervoor de Kamerbrief van 31 mei jl., Kamerstuk 33 037, nr. 542). Met deze regeling en deze verhoging kom ik met het oog op het behoud van het areaal grasland melkveehouders die deelnemen aan de derogatie tegemoet in een deel van de kosten.
Het bericht ''Niet bewust getraineerd'; Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kabinet versoepelde exclusief voor Schiphol de bestaande stikstofregels»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij het opkopen van bedrijven voor stikstofruimte, eerst gekeken moet worden of de aanwezige stikstofruimte nodig is voor het herstellen van kwetsbare natuur?2
Ja, ik was altijd al van mening dat dit moet gebeuren bij extern saldeertransacties waar een overheidspartij bij betrokken is en dat is ook gebeurd. De RvS heeft in haar uitspraak van februari jl. geoordeeld dat bij extern salderen tussen private partijen eveneens getoetst moet worden op additionaliteit. Sindsdien volg ik deze lijn.
Klopt het dat van de negen opgekochte boerenbedrijven alle stikstofruimte naar de vergunning van Schiphol is gegaan en dat hierbij geen rekening is gehouden met kwetsbare natuurgebieden in de buurt van de luchthaven? Zo ja, waarom is deze werkwijze toegepast en bent u zich ervan bewust dat dit tegen de Programma Aanpak Stikstof (PAS-)uitspraak ingaat?
Niet alle aangekochte stikstofruimte is benut voor activiteiten van Schiphol. Er is wel degelijk afgeroomd overeenkomstig het daarover door mijn ambtsvoorganger vastgesteld beleid.3 Dat betekent dat alleen gesaldeerd mag worden met depositie van de vergunde, feitelijke gerealiseerde capaciteit en maximaal 70% van deze depositie benut kan worden voor de luchthaven en minimaal 30% is afgeroomd. Dit gaat niet in tegen de PAS-uitspraak. De PAS-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 mei 2019 maakt duidelijk dat een maatregel die naar z’n aard ook geschikt is om te worden ingezet als instandhoudingsmaatregel om in een Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelen te realiseren in de zin van artikel 6, lid 1, van de Habitatrichtlijn of als passende maatregel om verslechtering in het gebied te voorkomen in de zin van artikel 6, lid 2, Habitatrichtlijn, alleen mag worden ingezet als mitigerende maatregel bij toestemmingverlening voor projecten met mogelijk significante gevolgen in de zin van artikel 6, lid 3, Habitatrichtlijn als dat aanvullend is aan hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitstoets).
Uit de uitspraak Logistiek Park Moerdijk uit 2020 is vervolgens gebleken dat de overheid alleen extern kan salderen na een additionaliteitstoets. Dat was wat mij betreft destijds geen reden om aan te nemen dat extern salderen tussen private partijen ook moest worden getoetst aan additionaliteit. Ik was daarvan overtuigd omdat alleen de overheid maatregelen kan nemen in de zin van artikel 6, lid 1 en 2, Habitatrichtlijn, en niet een willekeurige private partij.
Bent u het ermee eens dat het zeer onwenselijk is om een onhoudbare vergunning te verstrekken om tijd te rekken? Zo ja, waarom is dit dan toch gebeurd?
Ja dat zou inderdaad onwenselijk zijn. Dit is, anders dan u suggereert echter niet het geval geweest.
Bent u het ermee eens dat Schiphol niet anders behandeld dient te worden dan boeren (of andere bedrijven) bij het verkrijgen van een natuurvergunning? Zo ja, waarom is voor Schiphol dan een andere werkwijze toegepast en waarom krijgt dit bedrijf een uitzonderingspositie?
Ik heb bij het verlenen van een natuurvergunning aan de luchthaven Schiphol niet anders gehandeld dan bij het verlenen van andere natuurvergunningen, waar extern salderen tussen private partijen onderdeel uitmaakte van de aanvraag om vergunning.
Kunt u uiteenzetten waarom u denkt dat de vergunning zoals deze is verstrekt wel houdbaar is?
Gelet op de lopende beroepsprocedure kan ik hierover geen inhoudelijke uitspraken doen.
Is het mogelijk nu al de natuurvergunning van Schiphol te herzien en daarmee niet de uitspraak van de rechter af te wachten in de aangespannen procedures? Zo ja, bent u daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?
Het is mogelijk om een aanvullende motivering te leveren in beroep.
De wet voorziet voorts in de mogelijkheid om een herstelbesluit te nemen (op grond van 6:19 Algemene wet bestuursrecht). Het beroep is in dat geval dan ook tegen een dergelijk herstelbesluit gericht. Gelet op de lopende beroepsprocedure kan ik hierover verder geen inhoudelijke uitspraken doen.
Indien deze manier van vergunningen verstrekken wel houdbaar zou zijn, waarom wordt deze dan niet toegepast voor bijvoorbeeld PAS-melders?
Door de recente uitspraak van de Raad van State is duidelijk geworden dat additionaliteit moet worden getoetst bij elke extern saldeertransactie. Dit geldt voor alle initiatiefnemers (zowel overheidspartijen als private partijen) die een overeenkomst ten behoeve van extern salderen sluiten.
De inzet van het Rijk is om via bronmaatregelen van de Structurele Aanpak Stikstof te komen tot legaliseren van PAS-melders. Tot nu toe heeft dit niet voldoende PAS-melders geholpen. Daarom verken ik samen met provincies ook andere mogelijkheden.
In mijn brief van 12 april jl. heb ik aangegeven dat ik vind dat er onvoldoende snelheid is op het legaliseren van PAS-meldingen. Daarom heb ik een verbreding van het programma aangekondigd. De verbrede aanpak moet ertoe leiden dat meer PAS-melders sneller aan een oplossing geholpen kunnen worden. De nieuwe lijnen die ik heb uitgezet en die de komende tijd verder worden uitgewerkt zijn: maatwerk, vrijwillige beëindiging en schadevergoeding. Ik blijf zoeken naar juridisch houdbare alternatieven waarmee meer PAS-melders sneller geholpen kunnen worden.
Kunt u toezeggen dat deze handelwijze niet toegepast zal worden op het verkrijgen van een vergunning voor Rotterdam Airport en Eindhoven Airport?3
Bij het verlenen van nieuwe vergunningen waarbij sprake is van extern salderen toets ik in alle gevallen aan additionaliteit conform de recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter.
De problemen voor nareizigers bij de IND in Zevenaar |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat nareizigers die zich binnen drie dagen moeten melden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Zevenaar al ruim een jaar te maken hebben met lange wachttijden?
Ja, daar ben ik mee bekend. Gezinsleden moeten zich binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de IND melden. Deze gezinsleden moeten een afspraak maken bij de IND voor de registratie en de beschikking. De afgelopen periode was er sprake van een achterstand bij de nareisbalies van de IND maar die zijn op het moment van schrijven weggewerkt. Dit betekent dat de beschikking, zoals gewoonlijk, binnen twee weken na aanmelding aan gezinsleden wordt uitgereikt.
Klopt het dat zij daardoor nog niet worden geregistreerd, niet terecht kunnen in COA-opvang en geen burgerservicenummer krijgen waardoor ze ook geen recht hebben op sociale zekerheid?
Nee dat klopt niet. Nareizigers zijn na aankomst in Nederland verzekerd, ook wanneer zij op een afspraak bij de IND wachten. Zij moeten zich hiervoor registreren bij het COA.
Na aankomst in Nederland moet een nareiziger zich registreren bij de aanmeldbalie van de IND in Zevenaar. Indien de referent van de nareiziger beschikt over gepaste huisvesting, kunnen de nareizigers daar verblijven. Het is ook mogelijk dat de referent van de nareiziger nog verblijft in de opvang van het COA in afwachting van huisvesting. De nareiziger wordt dan ook opgevangen door het COA na aankomst in Nederland. Dit volgt uit artikel 3, derde lid, onder r, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (Rva 2005).
Tijdens de afspraak met de IND wordt de beschikking uitgereikt en, indien nodig, biometrie afgenomen. De registratie bij de IND is cruciaal voor de gemeente om de identiteit en rechtmatig verblijf vast te stellen voordat inschrijving in de BRP mogelijk is. Tijdens de registratie bij de IND wordt de nareiziger geïnformeerd over de BRP-inschrijving. Dit stelt de nareiziger in staat om snel toegang te krijgen tot sociale voorzieningen en een goede start te maken in Nederland. De beschikking is randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een Burgerservicenummer en daarmee toegang tot sociale voorzieningen. Als de nareiziger dit nog niet heeft en geregistreerd is bij het COA, krijgt de nareiziger via die weg en met terugwerkende kracht, toegang tot voorzieningen zoals een verzekering.
Herkent u het beeld dat omdat gemeenten ook geen burgerservicenummer kunnen aanmaken voor deze groep voordat zij geregistreerd zijn bij het COA, deze groep geen enkele optie heeft en zo mogelijk op straat staat?
Nee, dat herken ik niet. Een nareiziger die niet kan verblijven bij de referent, omdat er nog geen passende huisvesting is, wordt opgevangen door het COA. Als de reguliere opvanglocaties voor nareizigers in de omgeving van Zevenaar geen plek hebben, bekijkt het COA met de nareiziger welke alternatieve mogelijkheden er zijn. Als voor de nareiziger geen plaats is in de opvang van het COA en ook verblijf bij de referent of andere familie of kennis geen optie is, dan wordt door het Rode Kruis op verzoek van COA een hotelkamer gezocht voor betrokken nareizigers. De dag na de afspraak voor registratie bij de IND heeft de nareiziger een afspraak voor inschrijving in de BRP.
Deelt u de mening dat gemeenten hierin de ruimte moeten krijgen om wel een burgerservicenummer aan te maken om hen in staat te stellen de hulp te bieden die nodig is? Zo nee, waarom niet?
Registratie bij de IND is essentieel om rechtmatig verblijf vast te stellen en reisdocumenten te controleren voor identiteits- en nationaliteitsbepaling. Een inschrijving in de BRP kan pas plaatsvinden nadat het rechtmatig verblijf en de identiteit van de nareiziger zijn vastgesteld. Het is daarom noodzakelijk dat een persoon eerst bij de IND geregistreerd wordt voordat hij of zij in de BRP kan worden ingeschreven. Gemeenten moeten zeker weten dat de persoon die zij inschrijven rechtmatig verblijf heeft en dienen ook te weten wie zij inschrijven.
Waar kunnen nareizigers nu terecht tot het moment dat zij geregistreerd zijn in Zevenaar?
Als het gaat om nareizigers van een referent met geschikte huisvesting, verblijven zij daar tot hun afspraak bij de IND. Als het gaat om nareizigers van een referent die nog verblijft bij het COA óf waarbij de woning van de referent niet geschikt is, zullen zij worden opgevangen door het COA. Er is behoefte aan meer opvangplekken voor deze doelgroep. Het COA is hard bezig om meer opvangplekken voor nareizigers te realiseren.
Als voor de nareiziger geen plaats is in de opvang van het COA en ook verblijf bij de referent of andere familie of kennis geen optie is, dan wordt door het Rode Kruis op verzoek van COA een hotelkamer gezocht voor betrokken nareizigers.
Welke acties onderneemt u momenteel om de druk op de IND in Zevenaar te verminderen? Is het bijvoorbeeld mogelijk om bij de uitwerking van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 333, nr. 70) niet alleen naar Ter Apel, maar ook naar Zevenaar te kijken?
De IND werkt hard aan het verhogen van de capaciteit in Zevenaar. Daarnaast wordt gewerkt aan een efficiënter proces. Zo wordt op dit moment met COA samengewerkt om gezinsleden zonder passende huisvesting groepsgewijs bij de IND langs te laten gaan om hun beschikking op te laten halen. Ook wordt vanaf 10 juni gewerkt met twee afsprakenblokken: één voor nareizigers die in de COA-opvang verblijven en één voor nareizigers die zijn gehuisvest. Hierdoor kan de IND de afspraken efficiënter inplannen.
Het bericht ‘Rechtbanken wijzen voorlopige voorzieningen ‘derdelanders’ toe’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat rechtbanken al in honderden zaken hebben bepaald dat derdelanders in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU in Nederland mogen blijven?1 Om hoeveel zaken gaat dit op het moment van beantwoording?
Ja, daar ben ik mee bekend. Er is besloten dat alle derdelanders met tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne onder de bevriezing vallen (voor zover ze nog in Nederland verblijven en geen gebruik hebben gemaakt van terugkeerondersteuning). Zij mogen gelet op deze bevriezing de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU in Nederland afwachten en gebruik maken van de rechten en voorzieningen onder de Richtlijn tijdelijke bescherming, ongeacht of zij een uitspraak van een rechtbank hadden ontvangen.
Kunt u een duidelijke tijdlijn opstellen met alle beslismomenten rondom de verblijfsstatus van «derdelanders» en de juridische adviezen hierover? En kunt u daarin de pilotrechtszaken meenemen die eerder hadden moeten bepalen of het rechtmatig zou zijn om het verblijfsrecht voor de hele groep stop te zetten?
Op 28 september 2023 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de beslismomenten rondom de verblijfsstatus van «derdelanders», de juridische adviezen hierover en de pilotzaken.2 Hieronder ga ik nader in op de periode daarna.
Op 17 januari 2024 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in verschillende zaken die zien op de vraag of ik de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep ontheemden uit Oekraïne op 4 september 2023 mocht beëindigen, en als dit niet mocht, hoe lang die tijdelijke bescherming dan wel doorloopt. De Afdeling heeft geoordeeld dat ik de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep ontheemden uit Oekraïne niet mocht beëindigen op 4 september 2023, maar dat de tijdelijke bescherming van deze groep van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024.3
Naar aanleiding van die uitspraak heeft de IND ten aanzien van de derdelanders zonder verblijfsrecht of openstaande aanvraagprocedure terugkeerbesluiten genomen waarin stond dat hun rechtmatig verblijf van rechtswege eindigde per 4 maart 2023 en dat zij vanaf 5 maart 2023 28 dagen de tijd hadden om te vertrekken uit Nederland. Vervolgens zijn tegen die besluiten rechtsmiddelen ingesteld en hebben verschillende rechtbanken uiteenlopende uitspraken gedaan, ook ten aanzien van de vraag of de tijdelijke bescherming van de facultatieve groep ontheemden uit Oekraïne wel beëindigd was op 4 maart 2024. Ook al had de Afdeling hierover geoordeeld op 17 januari 2024. Rechtbank Amsterdam zag aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie (hierna: HvJEU) op 29 maart 2024, waarna de Afdeling op dezelfde dag een ordemaatregel heeft getroffen in de spoedprocedure die de derdelander uit Oekraïne had aangespannen. Op 25 april 2024 heeft de Afdeling uiteindelijk besloten ook prejudiciële vragen te gaan stellen aan het HvJEU. Als gevolg hiervan ben ik genoodzaakt geweest om opnieuw de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming voor deze derdelanders te bevriezen tot de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJEU. Daarmee genieten de derdelanders gedurende die periode weer dezelfde rechten als de ontheemden die onder de RTB vallen.
Hoe staat het collectief stopzetten van het verblijfsrecht van een hele en zeer heterogene groep in verhouding tot de wens van het kabinet om minder groepenbeleid te voeren maar juist te kijken naar de individuele situatie binnen asielprocedures?
Het van rechtswege eindigen van het verblijfsrecht van deze groep hangt, zoals eerder opgemerkt, samen met mijn keuze om aan de groep niet langer tijdelijke bescherming te bieden. Indien vaststaat dat de derdelander tijdelijk verblijfsrecht had in Oekraïne en niet op andere gronden verblijf kan ontlenen aan de Richtlijn tijdelijke bescherming, eindigt dit van rechtswege. Dit vergt geen verdere individuele beoordeling. Dit is uiteraard anders bij asielprocedures waarbij het individuele relaas het uitgangspunt vormt. Het herzien van het groepenbeleid en het invoeren van risicoprofielen hangt samen met mijn wens om de individuele omstandigheden meer het uitgangspunt te laten vormen bij een asielbeoordeling. Daarmee wordt meer op basis van de individuele omstandigheden vastgesteld of iemand een risico loopt en niet enkel en alleen vanwege het behoren tot een groep en de aanwezigheid van een beperkte of geringe indicatie.
Deelt u de mening dat het consequent vooruitlopen op gerechtelijke uitspraken heeft geleid tot chaos in de uitvoering waardoor gemeenten meermaals niet wisten wat er van hen wordt verwacht?
Nee, voorafgaand aan het kabinetsbesluit van 19 juli 2022 is door de juristen van mijn ministerie getoetst dat beëindiging van de RTB rechtmatig wordt geacht. Dit is later nogmaals getoetst en bezien in het licht van hetgeen de wetenschap hierover heeft geschreven. Tevens is vanuit de IND de pilot beëindigingRTB opgestart, met als doel vroegtijdig te bezien of de rechtspraak de visie onderschrijft dat verblijf onder de RTB voor deze groep kan worden beëindigd. Ondanks de inzet van de IND, advocatuur, VWN, Raad van de Rechtsbijstand en de rechtspraak is het helaas niet gelukt om dit in een definitief juridisch bindend oordeel van de Afdeling bevestigd te krijgen vóór 4 september. Op 17 januari jl. oordeelde de Afdeling dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. Dit oordeel van de hoogste rechter in Nederland was helder en ik hoopte daarmee op rust en duidelijkheid voor alle betrokkenen. Op basis van deze uitspraak van de Afdeling heeft de IND terugkeerbesluiten genomen. Op deze terugkeerbesluiten volgden diverse beroepen bij rechtbanken waarin de uitspraak van de Afdeling ter discussie werd gesteld. Nadat de rechtbank in Amsterdam had besloten om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU over de rechtmatigheid van het beëindigen van de tijdelijke bescherming, stelde ook de Afdeling zelf op 25 april jl. prejudiciële vragen aan het HvJEU. Op dezelfde dag heb ik gemeenten en de Tweede Kamer4 laten weten dat ik gezien deze ontwikkeling genoodzaakt ben om opnieuw de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming van derdelanders te bevriezen tot de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJEU. Ik kan me voorstellen dat deze gang van zaken rond de beëindiging van de tijdelijke bescherming van deze groep onduidelijkheid voor de derdelanders en ook gemeenten met zich heeft gebracht. Mede gelet op de druk op de gemeentelijke opvang sta ik echter nog steeds achter de besluiten die ik heb genomen. Zeker na de uitspraak van de Afdeling van 17 januari jl. was ik ervan overtuigd dat inmiddels voldoende duidelijkheid was over het moment dat ik de tijdelijke bescherming van deze groep kon beëindigen. Dat rechtbanken aanleiding zagen om moment beëindiging tijdelijke bescherming opnieuw ter discussie te stellen had ik niet kunnen voorzien.
Welk handelingsperspectief hebben gemeenten nu? Worden zij erop aangesproken als zij er niet voor kiezen om derdelanders uit de opvang te zetten?
De gemeenten hebben op 25 april jl. een brief ontvangen waarin is aangegeven dat de betrokken groep derdelanders het recht op opvang en verstrekkingen zoals neergelegd in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) tot het moment waarop het HvJEU een uitspraak heeft gedaan, behoudt. Dit betekent dat de gemeenten de groep vooralsnog opvang moeten blijven bieden zoals tijdelijk beschermden onder de RTB.
Kunnen particulieren die derdelanders opvangen nog te maken krijgen met financiële consequenties? Of wordt enige coulance betracht nu in honderden zaken is besloten dat derdelanders in Nederland mogen blijven?
De gevolgen van de beëindiging van de RTB voor derdelanders met tijdelijk verblijf in Oekraïne zijn bevroren. Dit betekent dat particulieren die deze derdelanders opvangen dit kunnen blijven doen zonder met financiële consequenties te maken te krijgen.
Klopt het dat daarmee mogelijk de rechten van deze groep mogelijk onrechtmatig zijn ontnomen? En als het Hof van Justitie van de EU oordeelt dat dit inderdaad onrechtmatig was, wat zou dat dan betekenen voor de derdelanders die al zijn weggestuurd?
Derdelanders die Nederland hebben verlaten met gebruikmaking van het remigratiebeleid of andere terugkeerondersteuning hebben afstand gedaan van hun aanspraken onder de RTB en eventuele nog lopende toelatingsprocedures. Derdelanders die sinds 4 maart jl. zelf zijn vertrokken uit de gemeentelijke opvang en uit Nederland hebben tot 4 mei jl. de mogelijkheid gehad zich bij de gemeente te melden voor her-inschrijving in de BRP. Bij her-inschrijving betekent dit dat zij weer dezelfde rechten hebben als ontheemden die onder de RTB vallen.
Als iemand met een voorlopige voorziening terugkomt bij de opvang waar hij eerder uit is gezet en waar hij mogelijk aan heeft meebetaald, klopt het dan dat een gemeente deze persoon kan weigeren? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat iemand die bijvoorbeeld betaald werk of kinderen op school had vervolgens terecht komt in een opvang aan de andere kant van Nederland?
Als de derdelander met een voorlopige voorziening zich bij de gemeente meldt, dan dient de gemeente opvang te bieden. Het kan voorkomen dat er op dat moment geen opvangplek beschikbaar is. In dat geval dient de gemeente in de regio te kijken of er een plek beschikbaar is. Indien dit ook niet het geval is dan kan de gemeente contact opnemen met het Regionaal Coördinatiecentrum Vluchtelingen Spreiding (RCVS) voor een bovenregionale plaatsing. Mochten er geen opvangplekken in de regio zijn, dan dient het RCVS een verzoek in bij het Knooppunt Coördinatie Informatie Oekraïne (KCIO)/Landelijk Centrum Vluchtelingen Spreiding (LCVS). Het LCVS zorgt vervolgens voor een opvangplek elders in het land.
Deze werkwijze geldt overigens ook voor ontheemden die voor langere tijd vertrokken zijn uit de opvang en weer terugkeren bij diezelfde opvang als voor ontheemden uit Oekraïne die zich in Nederland melden voor bescherming.
De berichten 'EU biedt Egypte miljardensteun om stabiliteit in de regio te waarborgen' en 'Egypte ontvangt 7,4 mrd van EU voor bestrijden-migratie' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Gerrit van Leeuwen |
|
|
|
|
Klopt het dat de lidstaten en het Europees Parlement nog moeten instemmen met de miljardensteun? Deelt u de mening dat het toezeggen van 7,4 miljard voordat het Europees Parlement democratische instemming kon verlenen de verkeerde volgorde is?1 2
Als onderdeel van het steunpakket van EUR 7,4 miljard presenteert de Europese Commissie voorstellen voor in totaal EUR 5 miljard macro-financiële bijstand (MFB) aan Egypte in de vorm van leningen. De Commissie en het IMF stellen dat Egypte deze financiële steun al in de tweede helft van 2024 nodig heeft. Aangezien de termijn van het Europees Parlement binnenkort afloopt, is het volgens de Commissie niet mogelijk om conform de reguliere wetgevingsprocedure tijdig steun aan Egypte te verstrekken.
De Commissie wenst daarom de spoedprocedure op basis van artikel 213 VWEU te gebruiken om dit jaar nog EUR 1 miljard aan Egypte uit te keren, zonder consultatie van het Europees Parlement. Op basis van dit artikel kan de Raad op voorstel van de Commissie de nodige besluiten vaststellen wanneer wegens de situatie in een derde land dringende financiële hulp van de Unie vereist is.
Het kabinet kan zich vinden in de gekozen rechtsbasis, gelet op de urgentie van het financieringstekort waar Egypte volgens het IMF en de Commissie mee te maken krijgt in de tweede helft van 2024. De Commissie benadrukt dat dit geen precedent zal creëren voor toekomstige besluitvorming over MFB. Het voorstel voor de resterende EUR 4 miljard is gebaseerd op artikel 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en zal via de reguliere wetgevingsprocedure worden uitgekeerd.
Wat is uw reactie op de zorgen van vluchtelingenorganisaties en experts dat vooral investeren in grensbewaking vooral zal leiden tot het openen van andere vluchtroutes naar Europa?
Het kabinet verwelkomt brede partnerschappen met verschillende derde landen waarbinnen ook afspraken gemaakt worden over migratiesamenwerking. Binnen die migratiesamenwerking met Egypte wordt naast grensbeheer aandacht besteed aan meerdere onderwerpen zoals de bescherming en opvang van vluchtelingen en migranten, aanpak van mensensmokkel- en handel, en terugkeer. Dit is terug te lezen is in de Joint Declaration die de Europese Commissie en Egypte overeenkwamen3. Het kabinet acht het van belang dat de afspraken en de programmatische inzet van de Commissie op het migratiedomein in balans is, met aandacht voor de noden van en in de partnerlanden zelf. Dat betekent dat een op maat gemaakte aanpak noodzakelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de mening dat afspraken over legale migratieroutes een cruciaal onderdeel zijn van migratiepartnerschappen, zowel voor het partnerland zelf als voor het bieden van een alternatief voor mensensmokkelaars? Is het kabinet in dat licht voornemens om gebruik te maken van de mogelijkheden voor legale arbeids- en studiemigratie? Zo nee, kunt u aangeven waarom niet en aangeven wat andere lidstaten doen?
Het kabinet deelt deze mening en is voorstander van een integrale benadering op migratiesamenwerking met derde landen, waaronder het tegengaan van irreguliere migratie en het verbeteren van effectieve terugkeersamenwerking voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Vanuit dat oogpunt ziet het kabinet de toegevoegde waarde van afspraken over legale migratie als onderdeel van de bredere migratie-afspraken tussen de Europese Commissie en Egypte. Tegelijkertijd ziet het kabinet legale migratie-afspraken met derde landen als sluitstuk voor de tekorten op de Nederlandse arbeidsmarkt4.
Het kabinet is voornemens een bijdrage te leveren vanuit de Team Europe-gedachte, onder meer door te investeren in werkgelegenheid, opleidingsmogelijkheden voor Egyptenaren en Egyptische terugkeerders, het stimuleren van alternatieven voor irreguliere migratie en advies te geven over bestaande legale migratiekanalen naar Nederland en Europa – ook conform de bilaterale afspraken die Nederland en Egypte maakten over brede migratiesamenwerking in september 2021 middels een intentieverklaring. Onderdeel van deze verklaring zijn eveneens afspraken over hervestiging binnen het nationale hervestigingsquotum. Inmiddels hebben in zowel 2023 als 2024 hervestigingsmissies plaatsgevonden naar Egypte.
Hoe verklaart u dat, ondanks de EU-investeringen in grensbewaking, Egypte sinds 2018 consistent in de top tien herkomstlanden van ongedocumenteerde migranten staat?
Het kabinet herkent zich in het beeld dat Egypte zowel een belangrijk land van herkomst-, opvang als transit is. Het kabinet onderschrijft de inzet van de Commissie om in te zetten op brede migratiesamenwerking – waar financiering aan Egyptische grensbewaking onderdeel deel van is, naast ondersteuning ten aanzien van bescherming, asiel en opvang, aanpak van mensensmokkel- en handel, terugkeer en herintegratie. Het kabinet merkt op dat er een beperkt aantal migranten direct vanuit Egypte vertrekt om vervolgens via de Middellandse Zee Europa proberen te bereiken. De grootste migratiedruk wordt waargenomen op de Centraal-Mediterrane route en de Oostmediterrane route. Vanuit Egypte vindt irreguliere migratie hoofdzakelijk plaats via de uiterst complexe grens met Libië. Het kabinet is dan ook van mening dat de inzet van de Commissie zich ook moet richten op deze grens. Daarnaast is het van belang te investeren in de Egyptische bevolking zelf om de redenen voor irregulier vertrek naar Europa weg te nemen middels afspraken over onder meer handel, investeringen en aanpak van (jeugd-)werkeloosheid.
Bent u bekend met het feit dat Egypte een «no camp policy» hanteert voor de opvang van vluchtelingen? Kunt u uitleggen hoe deze beleidslijn verenigbaar is met de overeenkomst tussen Egypte en de EU, waarin is vastgesteld dat een deel van het migratiebudget wordt bestemd voor de opvang van vluchtelingen in Egypte, en waarbij beide partijen zich inzetten voor de naleving van de rechten van migranten?
Hier ben ik mee bekend. Egypte staat bekend om het genereus opnemen van vluchtelingen en kwetsbare migranten in de gemeenschappen zelf. Het kabinet blijft de noodzaak zien tot het versterken van bescherming en opvang van vluchtelingen en migranten in Egypte, ook omdat het aantal vluchtelingen de afgelopen maanden fors is gestegen en de gastgemeenschappen zelf kampen met zware economische tegenslagen. Daarom is het belangrijk dat de Egyptische autoriteiten hier zelf stevige rol in spelen en verwelkomt het kabinet de afspraken tussen de Commissie en Egypte voor het ondersteunen van Egypte bij het huisvesten van vluchtelingen en migranten. Daarnaast zet het kabinet in op het ondersteunen van organisaties zoals UNHCR en IOM alsook lokale organisaties.
Wat is uw reactie op de beschrijving van vluchtelingen en migranten als een van de meest kwetsbare groepen in Egypte?3 Hoe beoordeelt u de documentatie van fysiek misbruik, willekeurige detentie en onwettige deportatie van vluchtelingen en migranten door de Egyptische autoriteiten, zoals gerapporteerd door Human Rights Watch?4
Het kabinet is bekend met berichtgeving over zorgwekkende behandeling van migranten en vluchtelingen in Egypte. De behandeling van migranten moet te allen tijde in lijn met internationaal recht en mensenrechten plaatsvinden. Bescherming van migranten is voor het kabinet een belangrijk speerpunt in migratiesamenwerking met partnerlanden. Daar dringt Nederland ook in Europees verband op aan. In dat kader verwelkomt het kabinet de verwijzing naar het belang van bescherming van rechten van migranten en vluchtelingen in de verklaring die de Commissie en Egypte overeenkwamen. Bij de uitwerking van de afspraken zal Nederland hier aandacht voor blijven vragen. Eveneens blijft Nederland bij de Egyptische autoriteiten het belang van adequate bescherming van vluchtelingen en migranten, en toegang tot detentiecentra door internationale organisaties onderstrepen.
Welke afspraken zijn er gemaakt met president Sisi om de mensenrechtensituatie in Egypte te verbeteren en hoe worden deze uitgevoerd?
Op zondag 17 maart kwamen de EU en Egypte een strategisch partnerschap overeen. Commissievoorzitter Von der Leyen sprak met de Egyptische President Sisi in Cairo. De verklaring die de Commissie en Egypte overeenkwamen en de basis vormt voor het strategische partnerschap bestaat uit de volgende thema’s: political relations, economic stability, investment, trade, water issues, migration and mobility, security, demographyand human capital. De Commissie geeft aan dat het partnerschap bij zal dragen aan democratie, grondrechten, mensenrechten, en gendergelijkheid. Dit staat ook expliciet genoemd onder het thema «political relations».
In voorbereiding op dit partnerschap heeft het kabinet in de afgelopen periode bij de Commissie de waarborging van mensenrechten meermaals onder de aandacht gebracht. De Commissie stelt dat bij de macro-financiële bijstand afspraken op het terrein van eerbiediging van mensenrechten, rechtsstaat en effectieve democratische mechanismen zullen worden gemaakt en dat voortgang van Egypte richting het behalen van deze afspraken doorlopend zal worden gemonitord voorafgaand aan vervolgbetalingen. Bevoegdheid tot uitbetaling vantranches ligt bij de Commissie. Er is voor lidstaten geen formele rol weggelegd in dit proces. Het kabinet benadrukt het belang van een adequate implementatie en monitoringsmechanisme en pleit voor betrokkenheid van EU-lidstaten bij besluiten over betalingen.
Hoe beoordeelt u de huidige situatie in Egypte, waarin de ruimte voor het maatschappelijk middenveld flink is beperkt gedurende de afgelopen tien jaar, waarbij vele advocaten, journalisten, activisten en ngo-medewerkers zijn gearresteerd?5 Deelt u de mening dat de beperkte ruimte voor maatschappelijke betrokkenheid het waarborgen van mensenrechten, vooral die van vluchtelingen, uiterst moeilijk maakt?
De mensenrechtensituatie, inclusief de beperkte ruimte voor het maatschappelijk middenveld in Egypte, is een reden van zorg voor Nederland. Zoals genoemd zijn mensenrechten en het maatschappelijk middenveld een integraal onderdeel van de brede bilaterale dialoog tussen Nederland en Egypte. Meest recent is tijdens het bezoek van premier Rutte aan Cairo in maart jl. het belang van pers- en mediavrijheid als belangrijke democratische vrijheid opnieuw aangekaart. Ook heeft de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens haar bezoek aan Egypte haar zorgen op het gebied van mensenrechten overgebracht. Binnen de multilaterale samenwerking is deze prioriteit opgenomen in de EU-Egypte Partnerschapsprioriteiten voor 2021–2027, waarin de zorgwekkende kwesties omtrent mensenrechten en maatschappelijk middenveld op EU-niveau aan de orde worden gesteld. Ook uitte de EU in maart jl. haar zorgen over de mensenrechtensituatie in Egypte middels het EU-item 2 statement tijdens de Mensenrechtenraad.
Kunt u duidelijk maken hoe Nederland en de EU zich inzetten voor de versterking van het maatschappelijk middenveld in Egypte, waardoor onder andere de monitoring van de situatie rondom vluchtelingen kan worden verbeterd?
Zowel in Caïro als in Den Haag gaat Nederland op verschillende niveaus regelmatig in gesprek met de Egyptische autoriteiten, ook om de zorgen over mensenrechtensituatie over te brengen. Dit gebeurt zowel publiekelijk als achter de schermen en in bilateraal en multilateraal verband. Ook steunt Nederland, zowel centraal als decentraal via het mensenrechtenfonds, verschillende programma’s om het maatschappelijk middenveld in Egypte te versterken, waaronder op gebied van opvang van migranten en vluchtelingen, vrouwenrechten, mensenrechten, en klimaatverandering. Zoals onder vraag 7 beantwoord geeft de Europese Commissie aan dat de voorwaarde voor het verlenen van macro-financiële bijstand is (als onderdeel van het EU-EGY partnerschap steunpakket) dat Egypte concrete en geloofwaardige stappen dient te zetten in de richting van effectieve democratische mechanismen en eerbiediging van mensenrechten dient te garanderen. Bovendien benadrukt de Europese Commissie dat toezicht gehouden zal worden op de daadwerkelijke naleving van deze voorwaarde. Nederland zal het belang van implementatie en monitoring van gestelde voorwaarden binnen de EU blijven benadrukken om op deze manier bij te dragen aan versterking van het maatschappelijk middenveld in Egypte.
Vrouwen in de krijgsmacht |
|
Gijs Tuinman (BBB), Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Derk Boswijk (CDA), Laurens Dassen (Volt), Jimme Nordkamp (PvdA), Sarah Dobbe (SP), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Wat ziet u als de grootstebottlenecks bij de verschillende krijgsmachtdelen ten aanzien van het doorgroeien van vrouwen naar leidinggevende posities?
Alle leidinggevende functies staan open voor zowel vrouwen als mannen. Tegelijkertijd zien we dat het aantal vrouwen in topfuncties nog onvoldoende en niet representatief is. Dit stijgt wel gestaag. Op 1 januari 2024 was 15% van het totaal aantal topfunctionarissen (militair vanaf brigadegeneraal, burger vanaf schaal 16) vrouw (meer dan verdubbeld, in 2020 was dit nog 7.6%). Die groei moeten we bestendigen en dat kost tijd. Dit hangt ook samen met het feit dat het totaal aantal vrouwen dat binnen de krijgsmacht werkzaam is, nog steeds beperkt is (op 1 januari 2024 was 12.4% van de militairen vrouw). Hoe meer vrouwen er bij Defensie werken, hoe groter de vijver waaruit de doorstroom gerealiseerd kan worden.
Deelname aan uitzendingen is niet voorwaardelijk om door te groeien in rang. De kennis en ervaringen die militairen opdoen tijdens een missie en voorbereiding op operationele inzet zijn van onschatbare waarde voor militairen. Dit geldt voor alle militairen, vrouwen en mannen. Een groot aantal functies vereist dan ook operationele kennis en ervaring. Die operationele ervaring kan opgedaan worden tijdens een uitzending of door geplaatst te worden bij een operationele eenheid. Dit gebeurt in samenspraak met de P&O-organisatie, om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen en behoeften van het personeel.
Voor operationele functies geldt vaker dat de druk om fulltime te werken hoger is, de optie voor deeltijdwerken staat dan onder druk. Dit wordt, met name door vrouwen maar ook steeds meer door mannen, als een uitdaging gezien in de combinatie met bijvoorbeeld ouderschap of zorgtaken. Hier wordt, indien mogelijk, rekening mee gehouden door vroegtijdig met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken over inzet op (varende) operationele functies of een uitzending.
In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024, zoals hieronder verder beschreven in antwoord op vraag 4, is daarom overeengekomen dat er een aanvullende variant van deeltijdverlof voor militairen wordt geïntroduceerd, waarbij voor een bepaalde (vooraf vastgestelde) periode wordt afgesproken dat de commandant geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om het deeltijdverlof op te schorten. Ik ben ervan overtuigd dat het verbeteren van de mogelijkheden voor militairen om in deeltijd te werken Defensie tot een aantrekkelijker werkgever maakt voor vrouwen én mannen. Ook draagt het bij aan een goede werk-privé balans en een meer diverse beeldvorming over wat het betekent om militair te zijn.
Klopt het dat voor bepaalde rangen in bepaalde krijgsmachtdelen het deelnemen aan uitzendingen voorwaardelijk is? Kunt u zich voorstellen dat vrouwen en mannen er hierdoor vaker voor kiezen de krijgsmacht te verlaten, omdat dit niet (meer) past bij hun levensfase? Wat wordt hier op dit moment aan gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Wat wordt op dit moment verder gedaan om doorstroming van vrouwen naar leidinggevende posities in de krijgsmacht te bevorderen?
Het is voor Defensie belangrijk om als uitgangspunt gelijke kansen te creëren, talentgerichte ontwikkeling te stimuleren en te faciliteren, op alle niveaus. Dat geldt niet alleen voor vrouwen maar voor alle (potentiële) medewerkers. Echter, het is duidelijk dat versterkte inzet nodig blijft om het aantal vrouwen bij Defensie, inclusief in leidinggevende posities, te vergroten. Dit doen Defensieonderdelen door het in beeld hebben en ontwikkelen van leidinggevend talent, het aanbieden van loopbaanbegeleiding en talent(ontwikkel)programma’s. Daarnaast zet Defensie in op het verbeteren van de zichtbaarheid naar buiten toe door D&I actief te integreren in arbeidsmarktcommunicatie met als doel een positieve trend te realiseren in de instroom van onder andere vrouwelijke medewerkers.
Alleen inzetten op instroom is niet voldoende, behoud van vrouwelijk personeel is minstens zo belangrijk. Daarom zetten Defensieonderdelen tijdens informatiebijeenkomsten specifiek in op het interesseren van vrouwen in leidinggevende functies op alle niveaus, bijvoorbeeld ook bij onderofficieren. Daarnaast worden bijvoorbeeld de Middelbare Defensievorming (MDV) en Hogere Defensievorming (HDV) inmiddels in modulaire vorm aangeboden. Dit biedt deelnemers meer flexibiliteit om de opleiding te volgen en dit aan te passen aan de persoonlijke situatie, of dit beter te kunnen combineren met ouderschap. Ook wordt ingezet op het schrijven van vacatureteksten die een bredere doelgroep aanspreken.
Op welke wijze wordt de mogelijkheid tot meer parttime werken door de krijgsmacht gefaciliteerd? Klopt het dat dit bij sommige krijgsmachtdelen of in sommige functies alleen kan als militairen zelf zorgen voor iemand die bereid is een functie gezamenlijk fulltime te vervullen? Zo ja: wat kan er vanuit Defensie worden gedaan om dit eenvoudiger te maken?
Voor militairen is in deeltijd werken wettelijk geregeld door het verlenen van deeltijdverlof. Militairen kunnen deeltijdverlof aanvragen in de vorm van onbetaald verlof. Dit hoeft niet in combinatie met een andere militair die deeltijd werkt. Bij deze vorm van parttime werken bestaat de mogelijkheid tot afwijzing en het opschorten van het verlof, bijvoorbeeld in overweging van operationele redenen. Ik ben me ervan bewust dat de onzekerheid die de huidige regeling met zich meebrengt de werk-privé balans negatief kan beïnvloeden. In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 is daarom overeengekomen dat er een aanvullende variant van deeltijdverlof voor militairen wordt geïntroduceerd, waarbij voor een bepaalde (vooraf vastgestelde) periode wordt afgesproken dat de commandant geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om het deeltijdverlof op te schorten. Hiermee heeft de militair gedurende een periode van maximaal zes jaar, die op te splitsen is in meerdere periodes van 1 jaar, dus zekerheid over het werken in deeltijd. Deze vorm van deeltijdverlof wordt gedurende de looptijd van het arbeidsvoorwaardenakkoord 2024 ingevoerd.
Medewerkers kunnen daarnaast ouderschapsverlof opnemen totdat het kind de leeftijd van acht jaar bereikt. Het opnemen van het ouderschapsverlof kan voor maximaal 26 keer de arbeidsduur per week. Hiervan krijgt de medewerker de eerste 13 weken salaris (75% van het inkomen) en de laatste 13 weken niet. Het ouderschapsverlof kan flexibel worden opgenomen voor bijvoorbeeld een aantal uren per week voor een bepaalde periode. Opnemen in meerdere periodes is ook mogelijk.
Op welke wijze wordt op dit moment kinderopvang voor kinderen van medewerkers van Defensie gefaciliteerd – op dagelijkse basis, maar ook waar het gaat om opvang gerelateerd aan de unieke uitdagingen van defensiepersoneel, zoals tijdens uitzendingen? Wat kan er op dit vlak meer worden gedaan?
Defensie faciliteert op dit moment geen kinderopvang. De omstandigheid dat militairen periodiek van functie wisselen, hetgeen regelmatig wijziging van de werklocatie betekent, maakt dat militairen kiezen voor een kinderopvang in de nabijheid van hun woonomgeving en sociale vangnet. Om die reden is Defensie in het verleden dan ook gestopt met het aanbieden van kinderopvanglocaties op de werkplek van de militair.
Bij uitzendingen worden vrouwelijke militairen niet ingezet tot het kind de leeftijd van één jaar heeft bereikt. Voor vrouwelijke en alleenstaande mannelijke militairen met kinderen, geldt dat zij op aanvraag niet hoeven worden ingezet tot het kind de leeftijd van vijf jaar bereikt. Ik ben me er van bewust dat hier een bepaalde mate van ongewenste ongelijkheid in zit en Defensie beschouwt welke mogelijkheden er zijn om dit gelijkwaardig te maken. Hierbij is het belangrijk mee te nemen dat de operationele inzetbaarheid van de eenheid gewaarborgd blijft.
Tot slot biedt Defensie ouders met jonge kinderen tot de leeftijd van vijf jaar en militairen met zorgtaken voor kinderen en/of de partnerkinderen gedurende de uitzending een financiële tegemoetkoming van maximaal € 150 netto per maand.
Wordt er binnen Defensie actief gekeken op welke wijze de balans tussen werk en privé kan worden verbeterd – met inachtneming van het unieke werk van Defensie? Op welke wijze worden hierover gesprekken met vrouwen en mannen in de krijgsmacht gevoerd, wordt maatwerk mogelijk gemaakt en hoe worden goede voorbeelden gedeeld en breder toegepast?
De leidinggevende draagt in samenspraak met de medewerker zorg voor een goede werk-privé balans tijdens uitoefening van de functie, bijvoorbeeld door afspraken te maken over hybride werken. Dit is een belangrijk bespreekpunt bij functioneringsgesprekken. Loopbaanbegeleiding bespreekt de balans tussen toekomstige functies en privé. Er wordt actief gezocht naar functies die voor beide partijen goed passen of naar mogelijkheden om bepaalde operationele functies op een ander moment te plannen. Ook wordt bij partners bij Defensie gekeken of operationele plaatsingen niet (of juist wel) tegelijk plaatsvinden, afhankelijk van de behoefte.
Daarnaast worden er binnen de organisatie meerdere mogelijkheden aangeboden om medewerkers te ondersteunen bij hun eigen inzetbaarheid, zoals workshops, trainingen en yoga en verscheidene gesprekspartners, waaronder leefstijl- en collega-coaching, bedrijfsmaatschappelijk werk en geestelijke verzorging. Ook de rol en verantwoordelijkheid van de leidinggevende in werk-privé balans van de medewerker wordt uitgelicht in verschillende leiderschapsopleidingen.
Als gevolg van de HR-Vernieuwing zullen de mogelijkheden om maatwerk te kunnen leveren verder toenemen, onder meer door de invoering van strategisch talentmanagement, strategische personeelsplanning en meer flexibiliteit in aanstellings- en contractvormen.
Bent u bereid de Kamer periodiek (bijvoorbeeld in de staat van Defensie) te informeren over de voortgang ten aanzien van de aanpassing van uniformen, materieel en uitrusting welke deze meer geschikt moet maken voor vrouwen in de krijgsmacht, zodat zij hun werk effectiever, veiliger (bij voorbeeld in relatie tot ballistiek en vesten) en met meer trots (pasvorm) kunnen vervullen?
We vinden het belangrijk om, meer dan we tot nu toe hebben gedaan, rekening te houden met verschillende behoeften op het gebied van materieel en uitrusting. We spannen ons er dan ook voor in hier om in de toekomst rekening mee te houden bij aanbestedingen. Een eerste stap hebben we hierbij gezet rondom het aanbestedingstraject voor het Defensie Operationeel Kleding Systeem (DOKS) (Kamerstuk 27 830, nr. 429, 28 maart 2024). Met dit project is een kledingsysteem ontwikkeld en verworven dat het gevechtstenue voor de Nederlandse krijgsmacht en het huidige boordtenue van de Nederlandse en Belgische marine vervangt. Defensie toetste DOKS niet alleen op kwalitatieve aspecten, maar ook op basis van waardering vanuit de gebruikers, waaronder vrouwelijke collega’s.
Binnen project DOKS staan bescherming, individuele veiligheid en draagcomfort centraal. Hiermee zorgt Defensie ervoor dat iedere militair de juiste en passende kleding krijgt. Er wordt rekening gehouden met lichaamsvormen, bewegingsbereik, mogelijkheden tot aanpassing, uiterlijke kenmerken en comfort. Om DOKS voor al het defensiepersoneel passend te maken, maakt het systeem daarom gebruik van voorvorming, diverse materiaalsoorten op specifieke plekken en wordt verstellen op verschillende plekken mogelijk. Daarmee wordt het nieuwe kledingsysteem geschikt voor alle militairen ongeacht geslacht, lengte of lichaamstype.
Daarnaast is binnen de innovatieomgeving van het Centrum voor Mens en Luchtvaart de zoektocht naar een scherfvest voor vrouwen gestart. De ontwikkelingen op dit gebied zijn op dit moment nog beperkt. We zijn wel blij dat we hiermee weer een stap zetten in de goede richting.
De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van het DOKS-project via de begroting van het Defensiematerieel-begrotingsfonds, het jaarverslag en het Defensie Projectenoverzicht. Over andere initiatieven word u via deze weg ook geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren over de maatregelen die u reeds genomen heeft ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen Defensie? Kunt u de Kamer informeren over de aantallen en aard van de klachten? Welke mogelijkheden ziet u om de situatie van vrouwen, met name die in lagere rangen, te verbeteren daar waar het gaat om (seksueel) grensoverschrijdend gedrag?
Het integriteitsbeleid van Defensie richt zich op het bevorderen van gewenst gedrag en het tegengaan van ongewenst gedrag – waaronder seksueel grensoverschrijdend gedrag – voor alle defensiemedewerkers, ongeacht rang of stand. Zo komt integriteit in opleidingen terug en beschikt Defensie over een groot netwerk van vertrouwenspersonen en andere ondersteuners die laagdrempelig benaderbaar zijn. Daarnaast voeren wij periodieke metingen uit naar verschillende onderdelen van het beleid, zoals het gebruik van de Gedragscode en de meldingsbereidheid. Op dit moment ontwikkelt Defensie een communicatiecampagne, gericht op aanspreken en met elkaar in gesprek gaan, om zo bewustwording bij medewerkers te vergroten. Hierbij wordt waar mogelijk en nuttig aangesloten bij Rijksbrede initiatieven.
Specifiek voor het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) een kennisgroep met specialisten. Deze draagt zorg voor kennisuitwisseling en het ontwikkelen van een betere aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zo geven de groepsleden trainingen voor onder meer de vertrouwenspersonen en verzorgen zij lezingen op symposia en landelijke bijeenkomsten binnen Defensie. Eind 2023 heeft de kennisgroep een leidraad voor leidinggevenden uitgebracht. Leidinggevenden kunnen deze gebruiken wanneer zij te maken krijgen met een signaal of melding over seksueel grensoverschrijdend gedrag in hun team.
Het aantal meldingen rondom seksuele intimidatie wordt centraal geregistreerd door de COID. De cijfers hierover worden opgenomen in het Jaarverslag Integriteit Defensie, dat elk jaar in mei op Verantwoordingsdag aan uw Kamer wordt verzonden. Het aantal meldingen van «seksuele intimidatie» in de afgelopen jaren is als volgt: 34 in 2021, 58 in 2022 en 43 in 2023. Voorzichtigheid is geboden bij het interpreteren van deze cijfers. In het Jaarverslag wordt uitgebreider ingegaan op de context van de aantallen.
Kunt u specifiek ingaan op de wijze waarop het ministerie omgaat met de bijzondere rol van vrouwen in de frontlinie en de impact die dat kan hebben op enerzijds militaire gevechtseenheden en anderzijds de dynamiek van vrouwen in de frontlinie op het conflict, de-escalatie en representatie van vrouwen in de lokale bevolking in een conflictgebied?
Defensie zet in missiegebieden vrouwen en mannen in diverse functies en rollen in en werkt met het Defensie Actieplan (DAP) 1325, waarvan de uitvoering wordt geleid door twee genderadviseurs. Het DAP 1325 draagt bij aan de implementatie van de Women, Peace and Security (WPS) agenda. Binnen Defensie werken we aan het versterken van het gender-perspectief bij het plannen, uitvoeren en evalueren van operaties en activiteiten. Er wordt zoveel mogelijk gestreefd naar optreden in gemengde teams. Gemengde teams zijn sterkere teams omdat het diversiteit in denkkracht met zich meebrengt. Onze militairen kunnen in gemengde teams beter in contact komen met mannen én vrouwen die deel uitmaken van de lokale bevolking. Dat versterkt onze informatiepositie en daarnaast is het de taak van onze militairen om te luisteren naar de lokale vrouwen, naar hun ervaringen, uitdagingen en veiligheidsbehoeftes zodat Defensie daar de operaties/activiteiten beter op kan afstemmen.
Vrouwelijke militairen worden vaak door de lokale bevolking gezien als makkelijker benaderbaar, zowel door mannen als vrouwen. Een ander positief effect is dat vrouwelijke militairen vaak worden gezien als rolmodel. Binnen de eigen eenheden brengen gemengde teams een andere, vaak minder masculiene dynamiek teweeg. Defensie streeft dus naar een grotere variatie van kwaliteiten en perspectieven. Daar ben ik blij mee omdat ik ervan overtuigd ben dat dit Defensie sterker maakt.
Herkent u het beeld uit Brits onderzoek, waarin wordt geschetst dat vrouwen zich over het algemeen minder herkennen in het beeld van «de veteraan», dat zij zich minder herkend en erkend voelen als veteraan en dat zij gemiddeld minder gebruik maken van dienstverlening (nazorg) gericht op veteranen? Bent u bereid in samenwerking met het veteraneninstituut onderzoek te doen naar de Nederlandse situatie en wat er gedaan kan worden om dit te verbeteren?
In Groot-Brittannië wordt een andere definitie gehanteerd als het gaat over veteranen, hetgeen het moeilijk maakt om de resultaten van het onderzoek direct te vertalen naar de situatie in Nederland. Ondanks het verschil in definitie worden wel overeenkomsten gezien met de uitkomsten van het Brits onderzoek. Onderzoek door het Nederlands Veteraneninstituut (NLVi) onder Nederlandse veteranen laat ook zien dat vrouwen zich minder veteraan lijken te voelen dan mannen. Het meerjarig onderzoek «Zorgbehoeften van vrouwelijke en mannelijke veteranen», uitgevoerd door de Nederlandse Defensieacademie en waarvan in het tweede kwartaal 2024 het onderzoeksrapport wordt gepresenteerd, besteedt ook aandacht aan de identificatie als veteraan van zowel mannen als vrouwen. Daarnaast wordt ingegaan op de zorgvragen van mannen en vrouwen en de verschillen die mogelijk bestaan. Dit onderzoek wordt toegelicht in de Veteranennota 2023/2024, die begin juni aan de Kamer wordt aangeboden. Indien nodig, zal Defensie opvolging geven aan de resultaten.
Maakt Defensie gebruik vanbest practices uit andere landen ten aanzien van de positie van vrouwen in de krijgsmacht? Zo ja, kunt u aangeven wat hiervan wordt geleerd en geïmplementeerd in de Nederlandse krijgsmacht?
Defensie werkt op verschillende terreinen aangaande diversiteit en inclusie samen met andere overheden, bedrijven en kennisinstituten om kennis te delen en innovatie toe te passen. Waar mogelijk en relevant gebeurt dit ook internationaal. Nederland draagt bijvoorbeeld sinds oktober 2015 structureel bij aan het werk van het Nordic Centre for Gender in Military Operations (NCGM), wat tevens fungeert als het NAVO expertise centrum voor dit onderwerp. Vanuit project DOKS is ook contact met Scandinavische landen (Nordic Combat Uniform), België (Belgium Defence Clothing System) en Duitsland. De koers die de Scandinavische landen hebben gekozen komt erg overeen met de koers van Nederland, namelijk een focus op een systeemgedachte en intensief testen met gebruikers. In 2023 hebben daarnaast twee buitenlandse delegaties van het Noorse en Japanse leger een werkbezoek gebracht aan de Centrale Organisatie Integriteit Defensie. Tijdens deze bezoeken werden ervaringen uitgewisseld over (beleid rondom) sociale veiligheid, opvolging van meldingen van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, hoe om te gaan met cultuurverandering en diversiteit en inclusie. Op 8 maart 2024, internationale vrouwendag, zijn tenslotte digitaal ervaringen uitgewisseld met vrouwelijke militairen in Oekraïne. Hierbij was aandacht voor het integreren van een genderperspectief in de operationele realiteit van Oekraïne en hoe om wordt gegaan met (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dergelijke uitwisselingen zijn waardevol, zowel voor de Nederlandse krijgsmacht als voor partners, en zullen daarom ook blijvend aandacht krijgen.
Het dreigende vertrek van ASML |
|
Joost Sneller (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geheime operatie kabinet onder codenaam »Beethoven» om dreigend vertrek ASML»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het demissionaire kabinet werkt aan een plan om te voorkomen dat ASML naar het buitenland vertrekt? Deelt u de mening dat het vertrek van ASML koste wat kost voorkomen moet worden?
Met de brief2 aan uw Kamer van 28 maart jl. heeft het kabinet aangekondigd dat het extra stappen wil zetten ter versterking van het ondernemingsklimaat van de Nederlandse chipsector, wat tot stand gekomen is onder de noemer Project Beethoven. Dit project is gestart vanwege het grote belang van de microchipsector voor Nederland, met ASML als grote aanjager. De sector groeit wereldwijd enorm en met de aangekondigde maatregelen wil het kabinet mogelijk maken dat uitbreidingen en investeringen van ASML en de gehele sector in Nederland plaats kunnen vinden. Op 22 april jl. werd bekend dat de gemeente Eindhoven en ASML de intentie hebben uitgesproken te verkennen of verdere uitbreiding mogelijk is op de Brainport Industries Campus.
Wat is het gevolg voor de Nederland economie wanneer ASML of andere innovatieve koplopers ervoor zou kiezen om (deels) naar het buitenland te verplaatsen? Kunt u de effecten op het verdienvermogen van Nederland in beeld brengen? Kunt u de effecten op de strategische autonomie van Nederland in beeld brengen?
Het is lastig in te schatten wat de exacte gevolgen zouden zijn voor het verdienvermogen en de strategische autonomie als ASML of andere innovatieve koplopers ervoor zouden kiezen om (deels) naar het buitenland te verplaatsen. Dat is in de eerste plaats afhankelijk van de omvang van de verplaatsing en het belang van het bedrijf of onderdeel dat zich verplaatst. In zijn algemeenheid kan het kabinet wel aangeven dat het een aanzienlijke impact zal hebben op het verdienvermogen en de economie in Nederland. In verschillende opzichten, naast verlies van banen moet men onder meer ook denken aan het verlies aan innoverend vermogen, afname van technologische kennisoverdracht, de gevolgen voor de toeleveringsketen en lokale leveranciers, de impact op export en handel en het verlies van belastinginkomsten. Alleen al in Nederland zijn er 1.600 toeleveranciers van ASML, waarvan het overgrote deel bestaat uit mkb. Voor deze bedrijven kan de impact groot zijn, zeker als ASML de grootste afnemer is. Bovendien spelen bedrijven veelal een belangrijke rol in de lokale omgeving omdat ze ook maatschappelijke bijdragen leveren, zoals bijvoorbeeld sponsoring of ondersteuning van het personeel. Het is daarom in het belang van Nederland om dergelijke bedrijven te behouden en te werken aan een sterk vestigingsklimaat.
Verder is het van groot belang om internationaal een speler van betekenis te blijven, mee te komen in de mondiale concurrentiestrijd én onze afhankelijkheid van anderen te beperken. Ook is het verkrijgen en behouden van leiderschap op strategische technologische punten voor Nederland cruciaal.
De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 adviseert om fundamentele keuzes te maken over wat voor economie en samenleving we in Nederland willen, en welk type banen daarop aansluiten. Daarbij moet gekeken worden naar welke inrichting van de economie bijdraagt aan onze brede welvaart. Volgens het kabinet is dit een hoogwaardige economie met vier pijlers: een duurzame, innovatieve en weerbare economie waar de samenleving van meeprofiteert. Dit staat beschreven in het Perspectief op de Nederlandse Economie.3 Inzet op behoud van economische activiteiten als de microchipsector in Nederland sluit aan op het toewerken naar de economie met vier pijlers. Dit betreft hoogproductieve bedrijvigheid die het innovatievermogen en de strategische autonomie van Nederland vergroot, met een beperkte milieu- en ruimtedruk. Dit type bedrijvigheid kan bepalend zijn voor de banen van de toekomst. Ook de Nationale Technologie Strategie4 laat zien dat het kabinet kiest voor de technologiegebieden die ten grondslag liggen aan deze sector. Het groeipotentieel wordt eveneens bevestigd in het onderzoek naar toekomstige groeimarkten in Nederland, dat in december met uw Kamer gedeeld is.5
Welke maatregelen liggen er op tafel om bedrijven als ASML in Nederland te houden? Kunt u ingaan op de specifieke overwegingen die deze diverse maatregelen omvatten?
De maatregelen richten zich op de volgende punten: meer microchip-talent op alle onderwijsniveaus; het verhelpen van knelpunten op het gebied van bereikbaarheid, betaalbare woningen en netcongestie in de Brainportregio; voldoende fiscale armslag voor het bedrijfsleven; meer samenwerking en coördinatie bij geopolitieke ontwikkelingen en exportcontrole; een nationale agenda voor de microchipsector; en een structurele dialoog tussen Rijksoverheid en de Brainportregio.
Met deze maatregelen komt het kabinet tegemoet aan de knelpunten die volgens de sector zelf belemmeringen voor verdere groei in Nederland vormen. Gezien het grote belang van deze sector voor Nederland, zoals beschreven in de bijlage bij de Kamerbrief is de overweging gemaakt dat het van groot belang is ervoor te zorgen dat bedrijven ook in de toekomst in Nederland zullen blijven investeren. Daarbij richten de financiële investeringen zich op meer technisch talent, bereikbaarheid en betaalbare woningbouw, wat elk ook bredere maatschappelijke voordelen met zich meebrengt.
Deelt u de mening dat het verdienvermogen van Nederland vooral gebaat is bij een visie op de lange termijn en investeringen? Deelt u de mening dat korte termijn paniekvoetbal dus zoveel mogelijk voorkomen moet worden omdat dit de economie schaadt?
Ja, het verdienvermogen van Nederland is bovenal gebaat bij een visie op de lange termijn en investeringen. Bedrijven hebben behoefte aan stabiel en voorspelbaar (lange termijn)overheidsbeleid. Bedrijven moeten hun bedrijfsvoering – juist om de kansen van de transities te benutten – tijdig kunnen aanpassen op basis van duidelijke transitiepaden en langetermijndoelstellingen van de overheid. Voorspelbaarheid is bij dergelijke bedrijfsbeslissingen van groot belang, vooral wanneer investeringen over meerdere jaren terugverdiend moeten worden. Het streven naar meer stabiliteit in overheidsbeleid voor bedrijven is dan ook een van de strategische uitgangspunten ter versterking van ons ondernemingsklimaat. Een stabiel en voorspelbaar fiscaal stelsel is een van de strategische actiepunten in de agenda voor het vestigings- en ondernemingsklimaat van dit kabinet.6 Deze belangrijke randvoorwaarden komen ook terug in het pakket aan maatregelen ter verbetering van het ondernemingsklimaat van de Nederlandse chipsector.
Erkent u dat het uitstellen van de vierde ronde van het Groeifonds bijdraagt aan de onzekerheid over investeringen in onze economie en het verdienvermogen van de toekomst en dat bedrijven en kennisinstellingen hiervan de negatieve (financiële) gevolgen van ondervinden?
In mijn brief van 28 maart jl.7 heb ik mijn besluit om de vierde ronde van het Nationaal Groeifonds te pauzeren toegelicht. Daarbij heb ik aangegeven dat, na de uitslag van de stemmingen over de moties-Sneller8, de publicatie van de openstellingsregeling en de openstelling van de vooraanmelding per 1 april 2024 niet meer realistisch was. Dit betekende ook dat de eerder gecommuniceerde planning van openstelling in juni 2024 niet mogelijk meer was. Ik heb daarom aangegeven dat ik deze uitslag niet anders kon interpreteren dan dat er op dat moment onvoldoende steun was in de Tweede Kamer om de vierde ronde op korte termijn open te stellen. Zoals aangegeven in mijn brief, besef ik dat de pauzering van de vierde ronde voor alle bedrijven en organisaties die veel tijd en moeite hebben gestoken in de ontwikkeling van een voorstel voor de vierde ronde een teleurstelling is.
In het hoofdlijnenakkoord, dat de fractievoorzitters van de formerende partijen op 15 mei jl. hebben aangeboden aan de Tweede Kamer, wordt het gebrek aan draagvlak voor de vierde ronde verder bevestigd.9 De formerende partijen geven aan dat zij voornemens zijn de vierde en de vijfde ronde van het Nationaal Groeifonds te laten vervallen. Het huidige kabinet zal daarom geen handeling op korte termijn meer ondernemen ten aanzien van de vierde ronde.
Bent u tot nieuwe inzichten gekomen over de vierde ronde van het Nationaal Groeifonds en deelt u de mening dat deze niet nogmaals kan worden uitgesteld of zelfs wordt opgeschort? Bent u bereid het besluit te heroverwegen? Deelt u de mening dat als dit wel gebeurt, hiermee lange termijninvesteringen in ons verdienvermogen worden beperkt?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe bewaakt u dat afspraken worden nagekomen en dat er voldoende wordt geïnvesteerd in lange termijn innovatie, R&D en het duurzame verdienvermogen van de toekomst? Hoe geeft u bedrijven hierbij ook de zekerheid dat deze publieke gelden op hun plek komen?
Nederland streeft naar een jaarlijkse besteding van 3% van het bruto binnenlands product (bbp) aan R&D vanaf 2030 (dat was 2,26% in 2021). Dit is de zogeheten Lissabondoelstelling voor het totaal van private en publieke investeringen in R&D. Het kabinet heeft daartoe de nodige acties ondernomen, zoals de investeringen via het Nationaal Groeifonds, het fonds voor onderzoek en wetenschap à 500 miljoen euro per jaar voor 10 jaar, het verhogen en indexeren van het budget voor de WBSO en heeft zich ingezet voor een stabiele en voorspelbare Innovatiebox. Met het Toekomstfonds investeren we doorlopend in het duurzame verdienvermogen van de toekomst door investeringen in valorisatie en start- en scale-ups. Tezamen met de kenniswerkersregeling (30%-regeling) maakt dit generieke beleid het voor verschillende typen bedrijven aantrekkelijk om te blijven innoveren.
Via het missiegedreven innovatiebeleid en het daaraan gekoppeld innovatie-instrumentarium geeft het kabinet richting aan bedrijven en kennisinstellingen over welke maatschappelijke vraagstukken voor het kabinet prioriteit hebben voor het ontwikkelen van innovaties. In dat kader is eind 2023 het Kennis- en Innovatieconvenant 2024–2027 getekend door twaalf bewindspersonen, kennisinstellingen, bedrijfsleven en regionale partners, inclusief de intenties voor hun inzet hierop gedurende die jaren. In de uitvoering van de gezamenlijk opgestelde Kennis- en Innovatieagenda’s worden deze intenties omgezet naar praktijk.
Om in 2021 de doelstelling van 3% te behalen hadden de R&D uitgaven in de Nederlandse economie 6,7 miljard euro hoger moeten zijn, waarvan het merendeel privaat. Het behalen van de 3%-doelstelling is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat betekent dat het van belang is niet alleen als overheid te blijven investeren in R&D, maar ook extra investeringen in R&D van het bedrijfsleven uit te lokken. Diverse andere landen zoals België, Duitsland en Denemarken slagen beter in beiden.
Stabiel en voorspelbaar beleid is ook bij innovatiebeleid het uitgangspunt. Voor bedrijven is dat een essentiële voorwaarde om in Nederland te blijven investeren in R&D, omdat deze investeringen voor de lange termijn gedaan worden. Die voorspelbaarheid staat onder druk; bedrijven hebben duidelijkheid en stabiliteit nodig van bijvoorbeeld innovatie en fiscaal beleid. Voor een duurzaam verdienvermogen in de toekomst, is het van belang dat we nu ook de randvoorwaarden voor het stimuleren van R&D-investeringen op orde houden. Dit komt ook terug in het rapport over Groeimarkten voor Nederland.10
Erkent u dat het aantrekken van buitenlands talent van groot belang is voor veel innovatieve bedrijven, zoals ASML? Erkent u daarmee ook dat het aantrekken van buitenlands talent van groot belang is voor het Nederlandse verdienvermogen van de toekomst, en dat het daarbij belangrijk is om een gericht onderscheid te maken tussen kennismigranten waar een groot tekort aan is en laagbetaalde arbeidskrachten?
In de brief van 28 maart jl. aan uw Kamer over investeringen in het ondernemingsklimaat van de microchipsector gaat het kabinet in op knelpunten bij het aantrekken van talent in de Nederlandse microchipsector.11 Het kabinet erkent dat kennismigranten een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse economie en innovatiekracht. Ook de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 en de Adviesraad Migratie wijzen op de maatschappelijke voordelen van hoogproductieve (kennis)migratie. De Staatscommissie adviseert bovendien om fundamentele keuzes te maken over wat voor economie en samenleving we willen in Nederland, en welk type banen daarbij horen. Volgens dit kabinet moeten we toe naar een hoogwaardige economie met vier pijlers: een duurzame, innovatieve en weerbare economie waar de samenleving van meeprofiteert. Kennismigratie draagt bij aan de inzet op deze vier pijlers.
Bestaand migratiebeleid maakt actief onderscheid tussen kennismigratie en overige arbeidsmigratie van buiten de EU. Het kabinet voert restrictief beleid richting overige arbeidsmigranten uit derde landen, die niet voldoen aan de criteria van de kennis- en talentregelingen voor arbeidsmigranten van buiten de EU. Binnen de EU pakt het kabinet misstanden stevig aan om concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan. Zo voert het kabinet de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten onverkort en met urgentie uit om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Op Europees niveau zet het kabinet zich in voor grensoverschrijdende samenwerking rond eerlijke arbeidsmobiliteit en verbeterde informatievoorzieningen in herkomstlanden.
Deelt u de mening dat, door de opkomende vergrijzing in veel ontwikkelde economieën, er mogelijk een mondiale «battle for talent» zal ontstaan? Deelt u de mening dat andere landen, zoals Duitsland en Frankrijk, veel meer actief beleid voeren dan dat gericht is op het winnen van deze slag om talent dan Nederland?
Het kabinet herkent dat de wereldwijde vraag naar talent groot is en ziet dat een verscheidenheid aan sectoren in alle EU-lidstaten momenteel te maken heeft met toenemende arbeidsmarktkrapte. Die krapte is mede zorgelijk als gekeken wordt naar de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd. Er is goed opgeleid en genoeg personeel nodig, ook om te werken aan noodzakelijke transities en de prioriteiten die het kabinet heeft gesteld.
Het kabinet ziet een duidelijke rol voor de overheid om krapte aan te pakken, naast de essentiële rol van werkgevers en werkenden zelf. Daarom werkt het kabinet op dit moment aan verschillende mogelijkheden om de krapte op de arbeidsmarkt aan te pakken, via drie pijlers: verhoging van de arbeidsproductiviteit, vergroting van het arbeidsaanbod (onder andere door meer mensen te stimuleren om meer uren te werken) en verbetering van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (onder andere door de aansluiting tussen het initieel onderwijs en de arbeidsmarkt te verbeteren). Ook heeft dit kabinet verschillende sectorale plannen opgezet, zoals het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ), het Actieplan Groene en Digitale Banen en de aanpak personeelstekort in de kinderopvang. Het kabinet ziet arbeidsmigratie van buiten de EU, met uitzondering van kennismigratie, als sluitstuk voor de aanpak van tekorten op de arbeidsmarkt.
Voor kennismigratie streeft het kabinet ernaar om internationaal talent dat een bijdrage levert aan de Nederlandse kenniseconomie, concurrentiekracht en innovatief vermogen, te faciliteren. Ten aanzien van kennismigranten voert het kabinet daarom uitnodigend beleid. Via de kennismigrantenregeling krijgen arbeidsmigranten toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, wanneer zij aan een gespecificeerd salariscriterium voldoen. Hierin komen specialistische kennis en vaardigheden van een kennismigrant tot uiting. Dit laat onverlet dat misbruik en oneigenlijk gebruik van de regeling moet worden tegengegaan.
Een goede internationale vergelijking van de mate waarin landen actief uitnodigend beleid voor kennismigranten voeren is moeilijk te maken. Duitsland werkt bijvoorbeeld aan vrij omvangrijke versoepelingen over de gehele breedte van het arbeidsmigratiebeleid, waarbij ook voor praktisch geschoolden mogelijkheden worden verruimd om in Duitsland een baan te vinden. Een andere binnenlandse situatie, zoals minder gebrek aan ruimte in Duitsland, kan eraan bijdragen dat Duitsland daarin andere keuzes maakt. Verder heeft het EU Tax Observatory in haar Global Tax Evasion Report 2024 (2023) begunstigende fiscale regimes voor inkomende personen in Europa vergeleken. In Nederland is dat voor kennismigranten de 30%-regeling. Vrijwel alle Europese landen hebben een dergelijke regeling. Nederland is met België en het Verenigd Koninkrijk een van de koplopers qua hoeveelheid deelnemers en daarmee budgettair beslag. Wel is het gemiddelde belastingvoordeel per gebruiker in Nederland relatief laag en de looptijd van 5 jaar relatief kort. De 30%-regeling is bij amendement versoberd per 1 januari 202412. De versobering betreft een stapsgewijze afbouw van de vrijstelling van 30% van het loon met 10 procentpunt per 20 maanden. In reactie hierop is het kabinet door diverse werkgevers gewezen op de negatieve effecten die dit zal hebben op de slagkracht van Nederlandse organisaties bij het aantrekken van buitenlands talent.13
Deelt u de mening dat Nederland ook achterblijft qua flankerend beleid, bijvoorbeeld doordat echtgenoten van kennismigranten vaak niet of moeizaam aan het werk komen, wat Nederland minder aantrekkelijk maakt als vestigingsland?
Een veelvoud aan beleidsterreinen beïnvloedt, al dan niet direct, het aantal kennismigranten in Nederland, zoals het onderwijsbeleid, fiscaal beleid en gezinsmigratiebeleid.14 Regioplan concludeerde dat de kwaliteit van het leefklimaat in Nederland, loopbaanmogelijkheden, de kennisinfrastructuur en financiële overwegingen belangrijke beweegredenen vormen voor kennismigranten om voor Nederland te kiezen. Ook het loopbaanperspectief van meereizende gezinsmigranten speelt een rol. Zo geeft 1 op de 3 vertrekkende expats de beperkte mogelijkheden voor studie en werk van hun partner als reden op voor hun vertrek uit Nederland.15 De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 wijst er eveneens op dat een goede sociale landing van de partners van kennismigranten bijdraagt aan het aantrekken en behouden van kennismigranten in Nederland. Partners van kennismigranten hebben daarom vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Hun werkgevers hebben geen tewerkstellingsvergunning nodig om hen te laten werken in Nederland.
Desondanks kennen gezinsmigranten die meekomen met kennismigranten een relatief lage arbeidsparticipatie. Deze participatiegraad ligt op 44,9% onder gezinsmigranten van buiten de EU die tussen 2014 en 2021 meekwamen met kennismigranten (op basis van de kennismigrantenregeling) en op 31 december 2021 nog in Nederland wonen.16 (School)kinderen en studenten zijn hierbij niet meegerekend. Daarnaast ligt de arbeidsduur onder werkende, met arbeidsmigranten meegekomen gezinsmigranten lager dan onder andere kennismigranten uit derde landen. Een kanttekening bij de lage participatiegraad van gezinsmigratie die volgt op kennismigratie, is dat meereizende gezinsleden zelf ook als arbeidsmigrant naar Nederland kunnen komen. In dat geval zullen zij niet als gezinsmigrant geregistreerd worden. De mate waarin dit het geval is, is niet bekend. Verschillende expatcentra zetten momenteel in op het verhogen van de arbeidsparticipatie onder de partners van kennismigranten, zoals in de gemeente Amsterdam en Eindhoven.
Deelt u de mening dat Nederland niet alleen achterblijft op dat vlak qua nationaal beleid, maar ook qua deelname aan EU-beleid dat gericht is op het aantrekken van buitenlands talent, zoals de EU-talent pool?
Zoals hierboven genoemd ziet het kabinet arbeidsmigratie van buiten de EU, met uitzondering van kennismigratie, als sluitstuk voor de aanpak van tekorten op de arbeidsmarkt. De keuze of Nederland wel of niet zal deelnemen aan de EU-talentenpool wordt overgelaten aan een nieuw kabinet. Het demissionaire kabinet zet zich in de lopende onderhandelingen over het voorstel wel actief in om het instrument zo vorm te geven dat de in het BNC-fiche genoemde bezwaren en vragen zo goed als mogelijk worden geadresseerd.17 Zo ziet het kabinet onder meer een risico op oneigenlijke detachering naar Nederland van derdelanders aangeworven via de EU-talentenpool.
Kunt u de mogelijke gevolgen schetsen van een situatie waarin Nederland de mondiale «battle for talent» verliest en (mede) hierdoor een onaantrekkelijk vestigingsklimaat krijgt? Welke mogelijke gevolgen heeft dit voor de economische groei, de werkgelegenheid, en onze welvaart?
Een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat is van groot belang voor het verdienvermogen van Nederland. Een sterk ondernemingsklimaat is bovendien essentieel om de ambities en inzet van dit kabinet op een toekomstbestendige economie met maximale brede welvaart te realiseren. Een gunstig ondernemingsklimaat is ook van groot belang gezien de rol van het bedrijfsleven in het oplossen van maatschappelijke uitdagingen. Het draagt bij aan innovaties en verduurzaming, stimuleert ondernemerschap en investeringen in nieuwe technologieën en duurzame toekomstbestendige praktijken. In de brief over alternatieve dekkingsopties naar aanleiding van het Belastingplan 2024 schetst het kabinet dat bezorgde signalen over het vestigingsklimaat onder andere gedreven wordt door de schaarste aan (gekwalificeerd) personeel. Ook geven Nederlandse bedrijven aan te ervaren dat hun slagkracht in het aantrekken van buitenlands talent onder druk staat.18
Arbeidsmigranten met een specialistische kennis die in Nederland schaars is dragen (netto) bij aan het innovatievermogen van de Nederlandse economie, zoals de Adviesraad Migratie ook stelt.19 Het wegvallen van deze kennismigratie zou daarmee onwenselijk zijn voor de productiviteitsgroei in Nederland, het vestigingsklimaat en de transitie richting een hoogproductieve kenniseconomie. Bovendien vormt productiviteitsgroei een belangrijke pijler voor het verminderen van arbeidsmarktkrapte.
Deelt u de mening dat het verstandig zou zijn om actief beleid te voeren op het aantrekken van buitenlands talent en andere manieren om het aantrekkelijk te maken voor bedrijven om zich hier te vestigen (zoals investeren in innovatie), omdat dit van belang is voor onze banen en welvaart?
Het kabinet deelt deze mening voor kennismigranten (zie ook het antwoord op vraag 10).
Het informatieverzoek inzake de coördinator nationale aanpak overlast |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de reacties met de Kamer delen op de e-mail van J&V d.d. 11 oktober 2024 waarin staat dat er reeds contact is geweest met Snel Beveiliging Nodig B.V. (SBN) over de inzet vanstreetwise coacheswaarin wordt gesteld «het is wel zaak dat het rechtmatig gebeurt en daarom zoek ik iemand die kan aanhaken vwb eventuele aanbesteding/opdracht»? Als deze reacties niet schriftelijk zijn gegeven, kunt u hiervan een reconstructie maken?1
Voor de beantwoording ga ik er vanuit dat de vraagstelling doelt op de e-mail van 11 oktober 2022. Op de e-mail waar u naar verwijst is niet separaat gereageerd, maar over de opvolging ervan kan ik u als volgt informeren.
Op 18 oktober 2022 is door Snel Beveiliging Nodig B.V. een offerte ingediend voor de inzet van een mobiel toezichtsteam in Ter Apel.
Op 15 november 2022 is deze offerte goedgekeurd. Daarbij is de afweging gemaakt om geen aanbestedingsprocedure te volgen. Daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd bij brief van 1 maart jl.2 Zoals bekend was in Ter Apel een directe noodoplossing noodzakelijk. Het lokaal gezag had een veiligheidsrisicogebied afgekondigd rondom de COA-locatie, en een noodverordening was uitgevaardigd omdat het probleem zich verplaatste naar het dorp. Doordat in oktober 2022 geen zicht was op een structurele oplossing om de overlast op korte termijn te verminderen en ook de opvangsituatie niet was verbeterd, is de opdracht niet aanbesteed en rechtstreeks verstrekt aan het bedrijf Snel Beveiliging Nodig (hierna SBN).
Waarom heeft u niet aan de Kamer gemeld dat u de aanbesteding heeft overgeslagen?
Over het afwijken van de aanbestedingsregels is uw Kamer niet terstond geïnformeerd, omdat het gebruikelijk is uw Kamer daarover te informeren bij de financiële verantwoording.
Klopt het dat in de stukken tweemaal de opdracht van verlenging van de opdracht van SBN zit, maar dat de originele opdracht uit 2022 niet met de Kamer is gedeeld? Wilt u deze alsnog delen inclusief communicatie over deze opdracht?
Dit document is per abuis niet meegestuurd met de Kamerbrief. Het document wordt als bijlage met deze beantwoording meegestuurd.
Op welke momenten is besloten tot het inzetten van SBN op andere plekken dan Ter Apel en hoe kunt u legitimeren dat ook daar de aanbesteding is overgeslagen?
Door de nijpende omstandigheden in een aantal andere gemeenten is besloten om de pilot uit te breiden. In maart 2023 is besloten een team in te zetten in de gemeente Cranendonck. Op 15 mei 2023 is besloten om een team in te zetten in Delfzijl. Per 26 juni 2023 is besloten een team in te zetten in de gemeente Weert, Zweeloo en Hardenberg. Per 10 april 2024 is ook een team ingezet in de gemeente Utrecht. De aanbesteding voor dit beleidsinstrument is inmiddels begonnen.
Waarom heeft uw ministerie tegen NRC gezegd dat het overslaan van de aanbesteding niet mocht, terwijl u in uw brief zegt dat het wél mocht?
Het totaalbedrag voor de opdracht van Snel Beveiliging Nodig B.V. overschrijdt de aanbestedingsgrens zoals vastgelegd in de Europese en Nederlandse wet- en regelgeving. Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is in eerdere berichtgeving hieromtrent erkend dat de geldende aanbestedingsregels niet zijn gevolgd. Bij brief van 1 maart jl.3 heb ik uw Kamer nader toegelicht waarom die afweging is gemaakt, waarbij doorslaggevend was dat er sprake was van dwingende spoed. Inmiddels is de aanbestedingsprocedure in gang gezet.
Klopt het dat de Kamer verkeerd is geïnformeerd, zoals lijkt uit de mail van 6 november 2022 over de vraag of de politie capaciteit zou leveren aan de pilot waarin J&V schrijft: «En nee is daarbij geen antwoord want met goedkeuring van KL is dus ook de Tweede Kamer al over dit project geïnformeerd»?
Vanaf de zomer van 2022, toen de opvangproblematiek van asielzoekers noopte tot aanvullende maatregelen op gebied van opvang, locaties, infrastructuur en handhaving en toezicht, hebben er positieve en constructieve gesprekken met de korpsleiding plaatsgevonden over oplossingen die de druk op Ter Apel, zowel wat betreft de behandeling van asielaanvragen als de toenemende overlast in de gemeente Westerwolde, konden verminderen. Daarover waren ook afspraken met het bevoegd gezag gemaakt. De zinsnede uit de door de vragenstellers aangehaalde e-mail moet in dat kader worden geplaatst. Op 24 november 2022 is uw Kamer geïnformeerd over de pilot procesoptimalisatie. In deze brief staat beschreven dat de IND, politie, COA en DT&V zich inzetten voor de pilot procesoptimalisatie in Ter Apel, binnen de bestaande kaders van wet- en regelgeving. Voorafgaand aan het versturen van deze brief heeft de korpsleiding in overleg met de bevoegde gezagen toegezegd om operationele inzet te leveren aan de pilot procesoptimalisatie.
Hoe rijmt u uw uitspraak dat er geen sprake was van druk op de politie met het citaat uit bovenstaande vraag waar de politie werd verteld dat «nee» geen antwoord kon zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn een projectplan en begroting van de coördinator overlast opgesteld, waarnaar J&V meermaals heeft gevraagd zoals in de stukken is te zien? Zo ja, wilt u die met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 1 maart jl. heb ik met de bijgevoegde stukken u reeds het voorstel van de Coördinator Nationale Aanpak Overlast gestuurd, zoals opgesteld in augustus 2022 in aanloop naar de formele opdrachtverstrekking. In de opdrachtbrief voor de Coördinator Nationale Aanpak Overlast van 20 september 2022 is vervolgens met zoveel woorden aangegeven dat de precieze contouren van zijn opdracht gaandeweg worden uitgekristalliseerd. In essentie betrof de opdracht het ontwikkelen en uitvoeren van een aanpak gericht op het tegengaan van overlast en criminaliteit van asielzoekers en het versterken van de aansluiting tussen de strafrechtketen en de vreemdelingenketen in de deze aanpak. De Coördinator heeft vervolgens vanuit drie verschillende actielijnen invulling gegeven aan zijn opdracht zoals toegelicht in de brief van 1 maart jl.4
In periodieke afstemming met het departement en de bewindspersonen zijn deze actielijnen door de Coördinator stapsgewijs uitgewerkt. De bijgevoegde stukken die ik op 1 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld, maken dit proces inzichtelijk.
In aanvulling hierop hoefde door de Coördinator niet alsnog een afzonderlijk document te worden opgesteld in de vorm van een projectplan, omdat met voornoemde afstemming reeds voldoende richting en inzicht werd geboden bij de uitwerking van zijn aanpak.
Ten aanzien van de begroting geldt dat ik uw Kamer per brief van 1 maart jl. met de bijgevoegde stukken reeds heb geïnformeerd over de geschatte kosten door de Coördinator Nationale Aanpak Overlast (d.d. 5 oktober 2022).
Klopt het dat de coördinator volgens de beantwoording zelf opdracht aan iemand anders heeft gegeven om een projectvoorstel te schrijven voor de pilot en dat die persoon vervolgens ook de evaluatie maakte van diezelfde pilot?
Het klopt dat de Coördinator Nationale Aanpak Overlast de opdracht heeft gegeven tot het schrijven van zowel een voorstel voor de pilot procesoptimalisatie (aangeboden in december 2022) als de evaluatie pilot procesoptimalisatie (aangeboden in augustus 2023). De verstrekking van deze twee opdrachten zijn afgestemd met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en ook door het ministerie bekostigd.
Bij de ontwikkeling van de pilot procesoptimalisatie werd vanuit de betrokken organisaties de behoefte geuit om inzichtelijk te maken wat de noodzakelijke randvoorwaarden zijn om tot een gezamenlijke werkwijze te komen.
Om de werkmethode van de pilot te verfijnen en structureel te bestendigen, bestond er tevens aanleiding om de voortgang te evalueren.
Bij het verstrekken van de opdracht is meegewogen dat de werkzaamheden verricht zouden worden door een onafhankelijk onderzoeker die actief is op het gebied van veiligheid en criminaliteit.
Is het gebruikelijk dat het formuleren van de pilot en de evaluatie van de resultaten van diezelfde pilot binnen het departement aan dezelfde persoon wordt gegeven, zoals te lezen is in de stukken? Hoe wordt een zorgvuldige en objectieve evaluatie van de resultaten geborgd?
Zoals toegelicht in de vorige beantwoording was de evaluatie gericht op het verfijnen van de werkmethode en het bestendigen van de ketenbrede werkwijze.
Dat beide rapportages door dezelfde persoon zijn opgesteld, is geen aanleiding om de zorgvuldigheid en objectiviteit van de evaluatie in twijfel te trekken. De inhoud van het evaluatierapport geeft hiervoor evenmin aanleiding.
Beide rapportages zijn uiteindelijk behulpzaam geweest in de (voorbereiding op) de ambtelijke besluitvorming omtrent de pilot procesoptimalisatie. In de besluitvorming is de onderzoeker geen beslissende partij is geweest.
Kunt u naast de evaluatie van de pilot procesoptimalisatie ook de evaluatie van de toezichtteams naar de Kamer sturen? Wie was verantwoordelijk voor deze evaluatie?
Door de toezichtteams is middels dagrapportages verslag uitgebracht over de inzet van de toezichtteams aan de Coördinator Nationale Aanpak Overlast. Zowel uit deze dagrapportages als uit de bevindingen van de Coördinator, d.d. augustus 2023, die op 1 maart jl. met uw Kamer zijn gedeeld, blijkt dat de inzet van de toezichtteams effectief is. Voorts is gebleken dat lokale bestuurders en omwonenden de inzet van de mobiele toezichtteams positief waarderen. Deze positieve resultaten hebben aanleiding gegeven om de inzet van de mobiele toezichtteams te bestendigen.
Voorts is door de Coördinator Nationale Aanpak overlast voor het tussentijds evalueren van de toezichtteams een actie-onderzoeker aangetrokken. Voor zijn inzet is tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid en GGD Amsterdam een detacheringsovereenkomst afgesloten, zoals op te maken uit de stukken die ik uw Kamer heb toegestuurd bij brief van 1 maart jl.5 In de relevante detacheringsovereenkomst zijn gegevens onleesbaar gemaakt in het kader van de bescherming van persoonsgegevens en in het verlengde daarvan kan ik hier niet nader ingaan op persoonsgegevens. In dit traject heeft de onderzoeker in opdracht van de Coördinator een tussentijds verslag in concept opgesteld, maar dit heeft niet geresulteerd in een definitieve eindrapportage waarover ik uw Kamer kan informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk – maar in ieder geval binnen twee weken – beantwoorden?
Bij de beantwoording van uw vragen is gestreefd naar de meest spoedige en zorgvuldige beantwoording.
Het bericht 'Mostafa is ongedocumenteerd, op leeftijd en nergens welkom - behalve in de Pauluskerk in Rotterdam' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u een indicatie van het aantal dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning in Nederland?
Bestaande methoden die het aantal dakloze mensen in Nederland monitoren, brengen niet specifiek de groep dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning in beeld. Daarom is onbekend hoeveel dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning in Nederland verblijven.
Op dit moment wordt het aantal dakloze mensen op twee manieren gemonitord op landelijk niveau: De jaarlijkse schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de kwantitatieve monitor dakloosheid van het CBS en VNG-Realisatie, die momenteel samen met Valente en VWS wordt ontwikkeld. Beide methoden geven geen volledig beeld van de groep dakloze mensen.
Om een beter beeld te krijgen van de groep dakloze mensen, zijn het Kansfonds en de Hogeschool Utrecht gestart met een nieuwe telling middels de ETHOS-light methode. Hierbij worden op één dag alle dakloze mensen in een bepaalde regio in kaart gebracht, ongeacht leeftijd, nationaliteit of verblijfstatus. In 2023 is in twee centrumregio’s geteld en in 2024 vindt de telling plaats in zes centrumregio’s. Door gebruik te maken van deze methode krijgen we in ieder geval op regionaal niveau beter zicht op het aantal dakloze mensen en hun profielkenmerken, waardoor regio’s ook beter zicht krijgen op de groep mensen zonder verblijfsvergunning.
Deelt u het beeld uit het artikel dat het aantal dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning – mensen die soms al decennia in Nederland zijn – toeneemt?
Omdat de groep dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning niet afzonderlijk wordt gemonitord door huidige monitoringsmethoden, is het niet mogelijk om feitelijk te verifiëren in hoeverre het beeld klopt dat het aantal dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning toeneemt.
Bent u het eens met de stelling dat de kans dat iemand op hoge leeftijd die al 30, 40 of 50 jaar in Nederland is, teruggaat naar het land van herkomst, nihil is? Zo nee, hoe kunt u terugkeer aannemelijk maken?
Ik begrijp goed dat het voor personen die al lang in een land verblijven lastig kan zijn om terug te keren naar het land van herkomst. Als een persoon echter geen recht (meer) heeft op verblijf dan dient betrokkene Nederland te verlaten. In de eerste plaats moet dus worden vastgesteld dat betrokkene in het geheel geen aanspraak meer zou kunnen maken op verblijf. In de belangenafweging bij artikel 8 EVRM (verblijf o.g.v. gezinsleven of privéleven) worden elementen als langdurig verblijf en voormalig rechtmatig verblijf meegewogen. Betrokkene dient hiertoe zelf een verblijfsaanvraag te doen. Heeft betrokkene geen recht (meer) op verblijf dan is deze zelf verantwoordelijk voor het vertrek.
Indien nodig kan betrokkene voor het vertrek ondersteuning krijgen van de Nederlandse overheid. Mocht het, ondanks herhaalde eigen inspanningen, niet lukken om terug te keren dan kan betrokkene eventueel in aanmerking komen voor een vergunning «buitenschuld».
Als een persoon er desondanks zelf voor kiest om in Nederland te verblijven kan ingezet worden op gedwongen vertrek.
Klopt het dat deze ouderen onder de koppelingswet vallen, wat (onder meer) betekent dat zij onverzekerbaar zijn en dus slechts recht hebben op «medisch noodzakelijke zorg»?
Het koppelingsbeginsel (vastgelegd in artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000) is van toepassing op alle vreemdelingen in Nederland. Het recht op verstrekkingen en voorzieningen is, voor zover dit in overeenstemming is met internationale verdragen, afhankelijk van de verblijfsstatus van de betreffende vreemdeling en van de vraag of aan de andere voorwaarden voor de verstrekking of voorziening, vastgelegd in de betreffende materiewetten, wordt voldaan.
Dit geldt ook voor de Wet langdurige zorg (art. 2.1.1 onder lid 2) en daarmee de verzekeringsplicht Zvw. Dat betekent dat indien betrokken niet voldoen aan de betreffende voorwaarden, zij zich niet kunnen verzekeren. Nederland is evenwel gehouden vreemdelingen die zich op Nederlands grondgebied bevinden medisch noodzakelijke zorg te bieden. Het recht op medisch noodzakelijke zorg is een grondrecht (artikel 22 Grondwet) en ook neergelegd in internationale verdragen (art. 11 en 13 ESH, art. 12 IVESCR, art. 15 Richtlijn 2003/9/EG, art. 12 VN Vrouwenverdrag en art. 24 IVRK). Nederland heeft deze verdragen mede ondertekend en is daarom gehouden tot nakoming van de daarin neergelegde verplichtingen. Dat laat onverlet dat een onverzekerde in beginsel zelf de kosten van de zorg moet betalen. Medische noodzakelijke zorg mag echter niet worden geweigerd als blijkt dat iemand onverzekerd is en de kosten niet zelf kan dragen. Als iemand dit niet kan betalen, dan kunnen zorgaanbieders een beroep doen op de regeling onverzekerbare vreemdelingen die wordt uitgevoerd door het CAK.
Vindt u dat «medisch noodzakelijke zorg» voldoet voor dakloze ouderen?
Medisch noodzakelijke zorg wordt gedefinieerd als «zorg die volgens professionele richtlijnen of standaarden geïndiceerd is en die doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de patiënt». Vrijwel alle zorg uit het Nederlandse basispakket en langdurige zorg wordt vergoed door de regeling onverzekerbare vreemdelingen. Alleen genderzorg en IVF zijn uitgesloten. Dat betekent dat ongedocumenteerde dakloze ouderen in beginsel recht hebben op vrijwel alle zorg waar ingezetenen ook recht op hebben, indien de zorgaanbieder bepaalt dat die zorg medisch noodzakelijk is. Met de beschikbaarheid van deze financiële regeling voldoet Nederland aan de internationale verdragen.
Aanvullend hierop zijn er verschillende maatschappelijke initiatieven die zich bekommeren om het lot van ongedocumenteerde dakloze ouderen. Het is goed dat deze initiatieven er zijn en dat zij signalen afgeven over de situatie en verbetermogelijkheden.
Bent u het eens met de stelling dat juist mensen op leeftijd, al helemaal als ze geen dak boven hun hoofd hebben, vaak juist méér zorg nodig hebben dan gemiddeld?
Eén van de knelpunten die diverse veldpartijen in de praktijk zien, is dat de situatie van mensen verslechtert wanneer zij geen dak boven hun hoofd hebben en/of niet op tijd medische zorg krijgen. In veel gevallen worden mensen mede daardoor ziek of verslechtert hun gezondheid. Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning, waarbij ik me kan voorstellen dat zij gezien hun bovengemiddelde kwetsbare gezondheid meer zorg nodig hebben dan gemiddeld.
Eind vorig jaar is de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op werkbezoek geweest in de Pauluskerk in Rotterdam. Tijdens dit werkbezoek heeft de Staatssecretaris met betrokken professionals gesproken over de toegang tot medische zorg en dienstverlening van de gemeente voor (dreigend) dakloze mensen in het algemeen. In dat gesprek kwam het bovengenoemde knelpunt ook naar voren.
Herkent u het beeld dat veel van deze mensen lang rond blijven lopen met aandoeningen, waardoor klachten ernstiger worden en duurder om te genezen of verzorgen? Is er een beeld van hoeveel dit kost?
In algemene zin herken ik het beeld dat dakloze mensen – waaronder ook mensen die dakloos en ongedocumenteerd zijn – vaak langer blijven rond lopen met aandoeningen en klachten. Hier heb ik verschillende signalen over ontvangen van onder andere het Leger des Heils en de Pauluskerk. Er zijn geen specifieke gegevens beschikbaar over de zorg die aan dakloze ongedocumenteerde mensen geboden wordt of de kosten die hiermee gemoeid zijn.
Zijn er andere plekken, behalve de in het artikel genoemde Pauluskerk, waar deze dakloze ouderen terecht kunnen voor de zorg die ze nodig hebben?
In geval van medisch noodzakelijke zorg kunnen mensen zich wenden tot alle zorgaanbieders, zie hierover het antwoord op vraag 5. Verder zijn in verschillende steden straatartsen actief die zorg verlenen aan dakloze mensen in het algemeen. Stichting Nederlandse Straatdokters Groep is een maatschappelijk initiatief dat ondersteuning biedt aan het netwerk van straatzorgverleners en krachten bundelt om werkbare, goede zorg toegankelijk te maken voor dak- en thuisloze mensen in het algemeen.
Is er vanuit de departementen enige vorm van beleid (in ontwikkeling) dat ziet op een groeiende groep dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning die steeds meer zorg nodig zal hebben?
Binnen het huidige toelatingsbeleid is ruimte voor beoordeling van de vraag of er nog mogelijkheden zijn om het verblijf van betrokkene toe te staan. Ik verwijs u naar de uitleg hiervan in het antwoord op vraag 3. Er zijn geen ontwikkelingen die gericht zijn op uitbreiding van dat kader.
Verder zijn er vormen van ondersteuning beschikbaar gericht op onderdak en zorg voor ongedocumenteerden waaraan vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bijgedragen, zoals de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) en het Medisch Opvangproject Ongedocumenteerden (MOO). In de Landelijke Vreemdelingen Voorziening krijgen ongedocumenteerden opvang en begeleiding als zij meewerken aan een bestendige oplossing voor hun situatie, te weten terugkeer, doormigratie of, indien aan de orde, legalisering van verblijf. Medische zorg is waar nodig onderdeel van de begeleiding, onder andere via MOO.
Ook biedt de overheid hulp bij het organiseren van vertrek, waar nodig ook gericht op medische zorg. De gezondheidstoestand van de vreemdeling is uiteraard van belang bij het organiseren van vertrek, bijvoorbeeld indien de medische situatie begeleiding voorafgaand aan en tijdens de reis naar het land van herkomst noodzakelijk maakt.
Indien het antwoord op vraag 9 «nee» luidt, wil dat dan automatisch zeggen dat het Rijk vindt dat gemeenten deze zorg moeten bieden?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 geldt voor alle vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf dat zij Nederland moeten verlaten. Waar nodig kan de overheid hier ondersteuning bij bieden. Indien een vreemdeling van mening is alsnog recht op verblijf te hebben, kan hij of zij een aanvraag indienen bij de IND. In het antwoord op vraag 5 staat beschreven hoe medische zorg is georganiseerd voor vreemdelingen zonder verblijfsrecht.
Verder heb ik in het antwoord op vraag 9 een aantal vormen van beleid geschetst die van toepassing kunnen zijn op deze groep.
Bent u in dat geval bereid met gemeenten in gesprek te gaan over echte oplossingen voor deze groep, die gemeenten ontlasten, minder geld kosten en dakloze ouderen zonder verblijfsvergunning een waardige oude dag bieden?
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 9 zie ik hiertoe geen noodzaak. Ik heb een aantal vormen van beleid geschetst die van toepassing kunnen zijn op deze groep waarbij ook gemeenten betrokken zijn. Bij de Landelijke Vreemdelingen Voorziening zijn zowel gemeenten als rijkspartijen nauw betrokken om samen om oplossingen te vinden voor de situatie van ongedocumenteerden.
Kunt u bovenstaande vragen individueel beantwoorden?
Ja.
De uitspraken van Commandant der Strijdkrachten van Estland over Russische activiteiten in de Baltische regio met betrekking tot GPS-verstoringen |
|
Jan Paternotte (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe interpreteert u de recente stelling van de commandant van de Estse strijdkrachten over de toename van GPS-storingen in Oost-Europa, die mogelijk verband houden met Russische verstoringsactiviteiten?
Het kabinet is bekend met deze stelling. Er zijn vier wereldwijde Global Navigation Satellite System (GNSS) satellietnavigatiesystemen waarvan de bekendste twee het Europese Galileo en het Amerikaanse GPS zijn. Het kabinet is van mening dat het verstoren van satellietnavigatie tot ernstige ontregeling kan leiden met de daarbij behorende veiligheidsrisico’s, onder andere van de commerciële lucht- en scheepvaart. De waargenomen toename in dergelijke storingen kan gezien worden als een destabiliserende hybride dreiging van Rusland en wordt gezien als zorgelijk.
Welke maatregelen overweegt het kabinet, gezien de zorgen over GPS-storing die luchtvaartmaatschappijen, smartphones en wapensystemen treft, om de luchtvaartsector en andere kritieke infrastructuur te beschermen?
Nederland kent wetgeving en er zijn verschillende maatregelen van kracht om de luchtvaartsector en andere kritieke infrastructuur te beschermen tegen dergelijke verstoringsactiviteiten.
De bescherming van kritieke systemen is de verantwoordelijkheid van de sector zelf. De Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) is hier van toepassing en geldt sinds 9 november 2018. De Wbni is er op gericht om de digitale weerbaarheid van Nederland te vergroten, de gevolgen van cyberincidenten te beperken en zo maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt onder meer voor wat betreft vervoer toezicht op de uitvoering van deze wetgeving en kan waar nodig maatregelen (laten) nemen.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft op 7 maart 2023 het rapport over de kwetsbaarheden die gepaard gaan met het uitvallen van plaats- en tijdbepaling (PNT) met GNSS, waaronder GPS en Galileo, aan de Tweede Kamer gestuurd.1 In dat rapport Inventarisatie Kwetsbaarheden Uitval Satellietdata (IKUS II) wordt gesteld dat de afhankelijkheid van PNT met GNSS steeds verder toeneemt. Het is daarom van belang het bewustzijn van gebruikers van plaats- en tijdbepaling van mogelijke opzettelijke, niet-opzettelijke en natuurlijke verstoringen te vergroten. Daarnaast is het nodig dat die gebruikers weten wat ze tegen verstoringen kunnen doen. Daarom werkt de overheid aan een internetportaal om aan deze behoefte te voldoen.
Voor de veilige navigatie van het burgerluchtverkeer hebben luchtvaartmaatschappijen samen met de vliegtuigfabrikanten procedures ontwikkeld voor verkeersvliegers hoe om te gaan met GNSS-storingen. Verkeersvliegers zijn getraind hoe te handelen met GNSS-storingen en om deze te herkennen. Binnen de internationale burgerluchtvaartorganisatie ICAO staat het onderwerp GNSS-storingen ook op de agenda en wordt gekeken op welke wijze de vliegveiligheid verder kan worden verhoogd. Tevens zijn in de wereld, waaronder in Nederland, back-up systemen op de grond aanwezig om veilige navigatie mogelijk te houden in geval van GNSS-storingen, waaronder een dekkend netwerk van verschillende typen radionavigatiebakens. Daarnaast zijn er de aanvullende systemen zoals het traagheidsnavigatiesysteem in vliegtuigen en radars van de luchtverkeersleiding.
Zijn deze verstoringen onderwerp van gesprek in de stuurgroep Vliegen over conflictgebieden? Zo nee, waarom niet?
De rol van de stuurgroep van het convenant deling dreigingsinformatie burgerluchtvaart is het evalueren van het functioneren van de expertgroep. In de expertgroep vergaderingen wordt onder meer aandacht besteed aan GNSS-verstoringen.
Tot op welke afstand van de Russische grens beschouwt de stuurgroep vliegen over conflictgebieden het luchtruim als veilig?
GNSS-verstoringen kunnen ver over landsgrenzen reiken. De afstand die daarbij bereikt kan worden is sterk afhankelijk van het type storingssystemen. Dit bereik kan variëren van tientallen meters tot honderden kilometers.
De overheidspartijen in de expertgroep deling dreigingsinformatie burgerluchtvaart delen gevraagd en ongevraagd dreigingsinformatie met de luchtvaartmaatschappijen, zodat de luchtvaartmaatschappijen, mede gebaseerd op deze informatie, een goede risicoanalyse kunnen maken voor een veilige vluchtuitvoering buiten het Nederlandse luchtruim. Nederlandse luchtvaartmaatschappijen gebruiken de informatie in hun eigen risicoanalyses en op basis daarvan worden vliegroutes gekozen.
Kunt u commentaar geven op de potentiële risico's en implicaties van deze storingsactiviteiten op operaties van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), gezien de rol en verplichtingen van Nederland binnen het bondgenootschap?
Satellietnavigatie wordt verstoord door enerzijds jamming (verstoring van de signalen waardoor de ontvangst van de signalen wordt bemoeilijkt of verhinderd) en anderzijds spoofing (het manipuleren en veranderen van de data zodat ontvangers van de satellietnavigatiesignalen foutieve informatie gebruiken). Daarbij is het van belang aan te geven dat spoofing en jamming vooral van toepassing zijn op het gebruik van open (onbeveiligde) satellietnavigatiesignalen.
Ook bestaan er alternatieve PNT-systemen waarmee de risico’s van storingsactiviteiten op operaties van de NAVO gemitigeerd kunnen worden.
Verder is de VS bezig met het moderniseren van GPS, waarbij de algehele prestaties en capaciteiten van het systeem, zowel commercieel als militair, minder kwetsbaarheden toont voor verstoringen. Het Europese satellietnavigatiesysteem Galileo, qua techniek en prestaties het meest geavanceerde GNSS, beschikt ook over de zogenaamde Public Regulated Service (PRS). PRS betreft een hoog beveiligd satellietnavigatiesignaal dat ongevoelig is voor spoofing en betere bescherming biedt tegen jamming. Door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt, in samenwerking met onder andere het Ministerie van Defensie, gewerkt aan de invoering en het gebruik van PRS door Defensie alsook in andere vitale sectoren.
Hoewel storingsactiviteiten voor risico’s kunnen zorgen voor NAVO-bondgenoten, beschikken vliegers die onder NAVO-vlag opereren en de luchtverkeersdienstverleners binnen de NAVO over de benodigde kennis en training om met dergelijke storingsactiviteiten om te kunnen gaan.
Heeft Nederland, in afstemming met de NAVO en andere Europese partners, de volledige omvang van de dreiging die uitgaat van deze vermeende jamming-activiteiten in kaart gebracht, en welke stappen staan er gepland om deze risico’s te beperken?
De dreiging die uitgaat van GNSS-jamming en de recente toename in dergelijke activiteiten is bij Nederland, de NAVO en andere Europese partners bekend en wordt doorlopend gemonitord.
Zoals reeds genoemd in het antwoord op vraag 5, kunnen bondgenoten gebruik maken van alternatieve PNT-systemen om de risico’s van GPS-verstoringen te mitigeren. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de invoering en het gebruik van Galileo PRS in Nederland.
Bestaat er, in het licht van deze ontwikkelingen, een strategie of discussie binnen het Nederlandse kabinet of met NAVO-bondgenoten over het vergroten van de collectieve cyberdefensiecapaciteiten om potentiële bedreigingen van elektronische oorlogsvoering tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
GNSS verstoringen worden in zowel nationaal als NAVO-verband besproken. In NAVO-verband is er voor Elektromagnetische Operaties (EMO) beleid ontwikkeld. Ook is er binnen de NAVO een strategie overeengekomen over het gebruik van het elektromagnetisch spectrum (EMS). Deze strategie is zowel gericht op de verdere ontwikkeling van eigen militaire elektromagnetische capaciteiten als op de verdediging tegen vijandige EMS-wapensystemen tijdens gevechtshandelingen.
Daarnaast heeft de NAVO een PNT & Navigation Warfare Policy (2022), dat maatregelen voorschrijft die de gevolgen van GNSS-verstoringen mitigeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De tekortkomingen in de geboortezorg voor asielzoekers |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het promotieonderzoek en de daaruit volgende berichtgeving inzake de geboortezorg voor asielzoekers in Nederland?1 2
Ja
Wat is uw reactie op de onderzoeksuitkomsten waarin nogmaals wordt aangetoond dat zwangere asielzoekers meer kans hebben om hun kind te verliezen rond de bevalling, waar eerder naar is gevraagd door het lid Kuzu?3 Welke lessen kunnen er uit dit onderzoek getrokken worden ten opzichte van uw beantwoording destijds?
De berichtgeving bouwt voort op een eerdere publicatie. Er wordt daarbij ook teruggevallen op data die in eerdere publicaties is gebruikt. Dit betreft dezelfde data als waar de eerdere vragen van het lid Kuzu betrekking op hadden.
Wij herkennen de cijfers dan ook en betreuren deze.
Het COA plaatst sinds de zomer van 2023 zwangere vrouwen die bij hun aankomst in Ter Apel 34 weken of langer zwanger zijn in de locatie Musselkanaal. Alle betrokken organisaties (COA, verloskundige praktijk, kraamzorg) op de locatie Musselkanaal zijn hier goed op voorbereid. Punt van aandacht is dat de doorstroom naar andere locaties van de bevallen vrouwen door capaciteitsproblemen stagneert waardoor er niet altijd voldoende plekken vrijkomen voor nieuwe zwangere vrouwen. Het COA werkt binnen de ketenwerkgroep geboortezorg asielzoeksters met alle betrokken partijen (verloskundigen, gynaecologen. JGZ, kraamzorg, GZA) voortdurend samen om de zorg voor zwangere bewoners op peil te houden of waar nodig te verbeteren. Het COA en de deelnemers van de ketenwerkgroep geboortezorg asielzoeksters hebben meegewerkt aan het onderzoek en hebben kennisgenomen van de uitkomsten. De aanbevelingen die betrekking hebben op communicatie worden meegenomen in de aanpassingen van de Ketenrichtlijn geboortezorg asielzoeksters.
Wel wijs ik erop dat een deel van de vrouwen die zich in Ter Apel melden al hoogzwanger is bij aankomst in Nederland. Deze vrouwen hebben dus (het grootste) deel van hun zwangerschap geen begeleiding en medische zorg gehad in Nederland en wellicht helemaal geen zorg gedurende de eerdere periode van hun zwangerschap. Dat maakt een vergelijking met de Nederlandse bevolking lastig en het is dan ook niet noodzakelijkerwijs zo dat hogere babysterfte het gevolg is van minder goede zorg aan deze groep zwangere asielzoekers die in Nederland is aangekomen dan aan andere vrouwen in Nederland.
Zijn er maatregelen genomen om deze verontrustende resultaten tegen te gaan sinds uw beantwoording destijds? Zo ja, welke en in hoeverre hebben deze resultaat gehad? Zo nee, waarom niet?
Er is, zoals uiteengezet, geen eenduidige oorzaak aan te wijzen van babysterfte rondom de zwangerschap. In hoeverre de maatregelen zoals benoemd in antwoord 2 resultaat hebben gehad valt daarmee lastig te zeggen.
Bent u nog steeds van mening dat de toegang tot de medische zorg voor asielzoekers voldoende is geborgd, zoals u in de eerder genoemde beantwoording heeft gesteld? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de conclusies van dit promotieonderzoek? Zo nee, welke stappen kunnen genomen worden?
Ja. De toegang tot de geboortezorg is ook voor asielzoeksters in Nederland goed geregeld. Dat neemt niet weg dat het COA altijd blijft kijken waar verbeteringen mogelijk zijn, ook wanneer uitkomsten van onderzoek bekend worden zoals in dit geval. De aanbevelingen uit dit onderzoek worden ook besproken in de ketenwerkgroep geboortezorg asielzoeksters met vertegenwoordigers van alle betrokken organisaties.
Hoe verhoudt deze berichtgeving zich tot de inhoud van uw eerder naar de Kamer gestuurde brief «Tolken in de zorg»,4 gezien het feit dat het onderzoek stelt dat onder meer de taalbarrières deze percentages veroorzaken?
De Kamerbrief «tolken in de zorg» is op 27 november jongstleden aan uw Kamer verstuurd. Deze brief heeft betrekking op de inzet van tolken voor anderstaligen binnen de vijf zorgwetten. Deze Kamerbrief benoemt ook dat – binnen de zorgverzekeringswet – sinds 2023 een (tijdelijke) toeslagprestatie is gecreëerd voor de inzet van tolken voor anderstaligen in de geboortezorg (verloskundige zorg en kraamzorg).
De (geboorte)zorg voor asielzoekers valt buiten de scope van de Kamerbrief, want deze valt onder de Regeling Medische Zorg Asielzoekers (RMA). Binnen de RMA is het mogelijk om tolken in te zetten binnen de zorg voor asielzoekers. Dit geldt ook voor de geboortezorg.
Bent u bereid om, naast de eerder aangekondigde onderzoeken en verkenningen inzake (structurele financiering voor) tolkenvoorzieningen, zoals naar gevraagd in de door de Kamer aangenomen motie Paulusma en Bikker,5 te bezien hoe meer tolken ingezet kunnen worden in de geboortezorg voor asielzoekers en hoe dit structureel gefinancierd kan worden?
Zorgverleners kunnen altijd een telefonische tolk inschakelen op kosten van het COA wanneer zij asielzoekers of vergunninghouders behandelen die onder verantwoordelijkheid van het COA vallen. Binnen de zorgverzekeringswet is, zoals bij vraag 5 ook wordt aangegeven, sinds vorige jaar een bekostiging voor verloskundige zorg en kraamzorg mogelijk.
Bent u bereid om, zoals een van de aanbevelingen stelt, zwangere vrouwen (met hun gezin) op specifieke plekken op te vangen en daar alle geboortezorg te concentreren, zodat er minder verplaatsingen van zwangere vrouwen plaatsvinden (prenatale groepszorg)? Zo nee, waarom niet indien dit de geboortezorg, omstandigheden en communicatie tussen zorgverleners verbetert en het aantal verplaatsingen beperkt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden sinds afgelopen zomer zwangere vrouwen die bij aankomst in Ter Apel 34 weken zwanger zijn opgevangen in de locatie Musselkanaal mits daar plek is. Niet alle asielzoeksters die (moeten) bevallen in Nederland worden in Musselkanaal opgevangen. Er zijn vrouwen die in het begin van hun zwangerschap aankomen in Ter Apel en naar een andere locatie gaan en er zijn vrouwen die zwanger raken of constateren dat ze zwanger zijn terwijl ze op een opvanglocatie (Ter Apel of anderszins) verblijven.
Wanneer bewoonsters op een andere locatie verblijven en constateren dat zij zwanger zijn, blijven zij gewoon op die locatie wonen en krijgen ze daar de zorg die ze nodig hebben. Wanneer een zwangere vrouw bijvoorbeeld ook schoolgaande kinderen heeft, kent een verhuizing vanwege een zwangerschap naar een speciale locatie ook vele nadelen. Het betekent dan immers twee extra verhuisbewegingen voor de hele familie. Wanneer vrouwen op een locatie speciaal voor zwangeren na de bevalling niet verhuizen, zal deze locatie heel snel vol zijn en is er geen plek meer beschikbaar voor nieuwe zwangeren.
Kunt u separaat reageren op de overige aanbevelingen en conclusies zoals genoemd in het onderzoek, zoals de communicatieproblemen tussen zorgverleners?
Voor wat betreft het terugdringen van het aantal verhuizingen ben ik het eens met de aanbevelingen dat het aantal verhuizingen zo veel als mogelijk gereduceerd moet worden. Dat is overigens onderdeel van een veel bredere wens die het COA en ik al vaker hebben benadrukt. Onnodige verhuisbewegingen zijn onwenselijk en het streven is die terug te brengen. Helaas komen momenteel verhuizingen om diverse redenen veelvuldig voor, zoals ten gevolge van het sluiten van een opvanglocatie of als gevolg van de opvangprocedure. Daarnaast verhuizen bewoners ook op eigen verzoek, bijvoorbeeld naar een azc waar familie verblijft. Zwangere asielzoeksters worden in principe 6 weken voor de uitgerekende datum tot 6 weken na de bevalling niet meer verhuisd of overgeplaatst. Alleen in overeenstemming met GZA, de verloskundig zorgverlener en de asielzoekster ter uitsluiting van medisch risico’s kan van deze termijn worden afgeweken.
Het bericht 'Mijn kinderen voelen zich door mij in de steek gelaten, mijn dochter gelooft niet dat een asielaanvraag zo lang kan duren' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel Palestijnse asielaanvragers worden geraakt door het moratorium, inclusief staatloze Palestijnen en Palestijnen van wie de nationaliteit onbekend is?1
Het is niet mogelijk om betrouwbare cijfers te genereren ten aanzien van instroom en terugkeer van (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden. De cijfers zijn niet nader te specificeren op Palestijnen, omdat de Palestijnse nationaliteit niet wordt erkend en vreemdelingen dus niet als zodanig kunnen worden geregistreerd. Daarnaast geldt dat (staatloze) Palestijnen verschillende landen van gebruikelijke verblijfplaats kunnen hebben.
Of iemand onder de werking van het besluit- en vertrekmoratorium valt, blijkt aan de hand van de individuele dossiers, en bij nieuwe asielaanvragen komt dit naar voren bij het aanmeldgehoor. In het aanmeldgehoor wordt aandacht besteed aan de gestelde herkomst van de Palestijnse vreemdeling. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of een persoon onder de werking van het moratorium valt.
Bent u het ermee eens dat, gezien de recente uitlatingen van de Israëlische regering, het noodzakelijk is het beleid ten aanzien van asielverzoeken van Palestijnen te herzien, omdat de situatie in Gaza waarschijnlijk nog lang duurt, terwijl gezinsleden in groot gevaar verkeren?
Zoals ook aangegeven in mijn brief van 19 december jl.2 wordt een besluit- en vertrekmoratorium afgekondigd wanneer er naar verwachting voor een korte periode onzekerheid bestaat over de situatie in een land van herkomst en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist op aanvragen van vreemdelingen die daar vandaan komen.
Een dergelijke situatie doet zich momenteel voor in de Palestijnse gebieden. Het is op dit moment nog te vroeg om definitieve conclusies te verbinden aan de implicaties die de situatie aldaar heeft voor verzoeken om internationale bescherming. Het is immers niet mogelijk om op grond van de huidige onzekere en veranderlijke situatie te komen tot bestendig beleid. Uiteraard wordt de situatie in de Palestijnse Gebieden tussentijds gemonitord. Indien daartoe aanleiding bestaat kan dan ook bezien worden of het moratorium voortijdig beëindigd kan worden.
Bent u bereid om, in elk geval in die gevallen waarbij mensen afhankelijk zijn van een snel besluit, zoals in het geval van gezinsleden in de Palestijnse gebieden en in die gevallen waarbij het asielverzoek losstaat van Israëlische aanvallen op Gaza en de West Bank en geweld van kolonisten, deze verzoeken met voorrang te behandelen?
Het besluit- en vertrekmoratorium is afgekondigd omdat er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de situatie in de Palestijnse Gebieden om een zorgvuldige beoordeling te kunnen maken voor verzoeken om internationale bescherming. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 is het namelijk niet mogelijk om op grond van de huidige onzekere en veranderlijke situatie te komen tot bestendig beleid. Dit heeft tot gevolg dat er dus ook in de gevallen die u noemt geen weloverwogen besluitvorming kan plaatsvinden omtrent de betreffende aanvragen.
Hierop zijn wel enkele uitzonderingen. In zaken die ouder zijn dan 21 maanden en waarin dus de maximale beslistermijn is overschreden zal een besluit genomen moeten worden. Daarnaast kan de IND beslissen in zaken van (staatloze) Palestijnen die onder het mandaat van de UNWRA vallen, waarin – op het moment dat het besluit- en vertrekmoratorium werd ingesteld – reeds een nader gehoor was afgenomen en die op grond van artikel 1D positief beslist kunnen worden.3 Het moet hierbij gaan om zaken waarbij de (staatloze) Palestijn de Palestijnse Gebieden voor 7 oktober jl. heeft verlaten.
Bent u bereid om het beleid voor verzoeken van Palestijnen meer te laten aansluiten bij dat van asielverzoeken uit Syrië en Yemen, waarbij het ook altijd mogelijk is een vergunning in te trekken als de veiligheidssituatie in het land van herkomst verbetert?
Het is op basis van Europese regelgeving mogelijk om een asielvergunning in te trekken indien de grond waarop deze is verleend komt te vervallen. In relatie tot vergunningen die zijn verleend vanwege de algemene veiligheidssituatie in een bepaald land betekent dit inderdaad dat een vergunning ingetrokken kan worden indien de veiligheidssituatie duurzaam en bestendig is verbeterd.
Echter, kunnen er op dit moment zoals reeds aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 geen bestendige beleidsmatige conclusies verbonden worden aan de situatie in de Palestijnse Gebieden. Het is daarmee op dit moment niet mogelijk om zorgvuldig te beoordelen of eenieder die afkomstig is uit de Palestijnse Gebieden vanwege de veiligheidssituatie aldaar internationale bescherming behoeft dan wel of een reeds verleende vergunning ingetrokken kan worden.
Indien het antwoord op vraag 3 en 4 ontkennend is, bent u bereid binnen drie maanden dit beleid opnieuw te bezien (via een brief aan de Kamer) op basis van de dan actuele situatie in Gaza en de West Bank?
De situatie in de Palestijnse Gebieden wordt tussentijds nauwgezet gemonitord. Indien daartoe aanleiding bestaat kan bezien worden of het moratorium voortijdig beëindigd kan worden. Uw Kamer zal in ieder geval uiterlijk binnen zes maanden geïnformeerd worden over het verlengen dan wel vervallen van het besluit- en vertrekmoratorium. Indien de situatie over drie maanden voldoende uitgekristalliseerd is zal uw Kamer uiteraard reeds dan geïnformeerd worden. Dit kan ik op dit moment echter nog niet met volledige zekerheid toezeggen.
Bent u, gezien de actualiteit, bereid deze vragen snel te behandelen?
Ja.
Trucs van kinderopvang om de omzet te verhogen |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderdagverblijven en bso's gebruiken vaker trucs om omzet te verhogen»1? Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Ik zie graag dat de dienstverlening van kinderopvang goed aansluit bij de behoeften van ouders en aanbieders. Daarbij is het van belang dat veranderingen in de dienstverlening in goede afstemming tussen ouders, oudercommissies en kinderopvangorganisaties plaatsvinden. Een situatie waarbij openingstijden worden verruimd zonder dat daar gebruik van wordt gemaakt, is niet de bedoeling. Net als het aanpassen van pakketten waarbij ouders een buitensporige hoeveelheid uren in vakanties dienen af te nemen. Er is geen recht op KOT voor uren waarop de opvang gesloten is, met uitzondering van erkende feestdagen.
De signalen over de praktijken uit het artikel heb ik 14 december 2023 met de kinderopvangbranche besproken. Daarbij heb ik het belang van goede afstemming met ouders alsmede de voorwaarden voor het ontvangen van KOT benadrukt. Tevens heb ik de branche gevraagd in te zetten op: 1) verbetering van transparantie: kinderopvangorganisaties zouden uurprijzen en openingstijden op de website moeten vermelden, 2) het vergroten van de bekendheid van stappen die ouders kunnen nemen bij een geschil of klacht. De brancheorganisaties delen het belang van transparantie en hebben aangegeven zich hiervoor te zullen inspannen. Ik verwacht dat deze stappen de transparantie in de sector vergroten en daarmee de positie van ouders versterken. Ik zal in gesprek blijven met de brancheorganisaties over de voortgang van deze stappen. Parallel ga ik onderzoeken of toezicht en nadere regelgeving gericht op kinderopvangorganisaties wenselijk is.
Daarnaast zal ik om meer inzicht te krijgen op welke schaal uitbreiding van openingstijden voorkomt, in samenwerking met de branche een steekproef opzetten. Deze steekproef zal aansluiten bij het bestaande uurprijsonderzoek van BoinK en Waarborgfonds Kinderopvang. Eveneens zal ik, om meer duiding te krijgen bij de in het artikel geschetste praktijken, in gesprek gaan met de Geschillencommissie Kinderopvang.
Wie is verantwoordelijk de controle dat het aantal uren dat kinderopvangorganisaties en ouders opgeven ook daadwerkelijk wordt gebruikt?
Ouders sluiten met hun kinderopvangorganisatie een privaatrechtelijke overeenkomst, waarin het aantal contracturen wordt vastgelegd. De ouder betaalt en heeft recht op kinderopvangtoeslag voor het aantal uren overeengekomen in het contract. Een ouder kiest zelf wanneer het kind naar de opvang wordt gebracht binnen de overeengekomen uren. Deze flexibiliteit acht ik wenselijk. Dit stelt de ouder bijvoorbeeld in staat om ervoor te kiezen het kind de ene dag om 16:00 uur op te halen, en de andere dag om 17:00. Het is ondoenlijk voor de ouder om elke mutatie door te geven. Daarnaast heeft de kinderopvangorganisatie, kosten voor de opvang voor het gehele tijdvak dat opvang wordt aangeboden. Uiteraard moet voor het recht op toeslag, de kinderopvang tijdens de overeengekomen uren wel daadwerkelijk beschikbaar zijn, met uitzondering van erkende feestdagen. Als ouders het oneens zijn met pakketaanpassingen, uitbreidingen van openingstijden of de uren die worden gefactureerd, dan is er de ruimte om dit te melden. Het antwoord op vraag 9 gaat in op de mogelijkheden die ouders hiervoor hebben.
Er wordt vanuit de overheid geen toezicht gehouden op of de opvang tijdens alle gefactureerde uren daadwerkelijk open is. Dienst Toeslagen houdt wel toezicht op of het aantal uren dat kinderopvangorganisaties doorgeven, overeenkomt met wat ouders opgeven. Als er daarbij grote excessen zijn of er sprake lijkt te zijn van bewust oneigenlijk gebruik of samenspanning tussen ouder en kinderopvangorganisatie kunnen er via Dienst Toeslagen controle of toezichthoudende bevoegdheden worden ingezet. Daarnaast ziet de GGD erop toe dat een kinderopvang voldoet aan kwaliteitseisen als de kinderopvang open is. De GGD controleert niet gericht of kinderopvangorganisaties open zijn op de dagen die zij vermelden.
Hoe wordt voorkomen dat ouders kinderopvangtoeslag zouden moeten terugbetalen als het aantal gebruikte uren lager is dan het aantal opgegeven uren?
Ouders ontvangen kinderopvangtoeslag voor de uren die zijn overeengekomen in het contract, betaald zijn en waarop de opvang beschikbaar is. Ouders kunnen ervoor kiezen om minder uren gebruik te maken van de opvang dan oorspronkelijk is overeengekomen in het contract. Dit betekent niet dat er toeslag terugbetaald moet worden. Voor het recht op KOT is het aantal uren dat in het contract is overeengekomen leidend. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, is er voor het recht op KOT wel de voorwaarde dat de kinderopvangorganisatie daadwerkelijk beschikbaar is op de uren die in het contract zijn aangegeven. Sluitingen vanwege erkende feestdagen vormen daarop een uitzondering.
Wat doet u om te voorkomen dat kinderopvangorganisaties de tarieven verhogen, in tegenstelling tot wat is toegezegd door de sector2, vanwege de verhoging van het maximum uurtarief?
Ik vind het niet wenselijk als de tarieven en daarmee de kosten voor ouders stijgen als gevolg van de extra verhoging van de maximum uurprijzen. Belastinggeld dient netjes besteed te worden. Dat heb ik ook benadrukt in het bestuurlijk overleg met de kinderopvangbranche op 14 december 2023. Zoals ik echter heb aangegeven bij de behandeling van de SZW-begroting in de Tweede Kamer, kan ik niet afdwingen dat kinderopvangorganisaties hun tarieven niet verhogen. Aangezien kinderopvang een private markt is, zijn aanbieders vrij om hun eigen tarieven te bepalen. Prijsafspraken zijn vanuit het mededingingsrecht niet toegestaan. Het is aan kinderopvangorganisaties om zelfstandig afwegingen te maken over keuzes omtrent de bedrijfsvoering. Bij beslissingen over tariefaanpassingen spelen kosten van personeel en huisvesting een belangrijke rol.
Hoeveel kinderopvangtoeslag hebben ouders aangevraagd en gekregen voor tegoeddagen bij de kinderopvang? Hoe zijn deze tegoeddagen verwerkt op de begroting?
Ik ben ervan op de hoogte dat sommige kinderopvangorganisaties een «ruildagenconstructie» als service aanbieden aan ouders. Het is aan een kinderopvangorganisatie om zo’n service aan te bieden en aan ouders om akkoord te gaan met de voorwaarden hierbij. Ik adviseer ouders de ruildagen alleen te accepteren als zij deze daadwerkelijk kunnen inzetten. Omdat dit om afspraken in een privaatrechtelijke overeenkomst gaat, worden deze dagen niet centraal bijgehouden. Het is dus niet bekend hoeveel tegoeddagen worden aangeboden en hoeveel kinderopvangtoeslag ouders hiervoor hebben aangevraagd.
Indien een kinderopvangorganisatie incidenteel zijn deuren moet sluiten, bijvoorbeeld vanwege personeelstekorten, kan de organisatie besluiten om ouders extra ruil- of tegoeddagen aan te bieden. Ouders zijn echter niet verplicht om deze dagen te accepteren. Als de ouders de tegoeddagen accepteren terwijl deze uren niet beschikbaar zijn om afgenomen te worden, dan bestaat er voor deze uren geen recht op KOT. Indien deze uren wel beschikbaar zijn en op een later moment kunnen worden afgenomen, is er wel recht op KOT.
Op welke manier worden declaraties van extra uren kinderopvang die niet daadwerkelijk zijn verleend zichtbaar in de prijsmonitor en kwaliteitsmonitor van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)?
Zoals benoemd in vraag 2, wordt er vanuit de overheid geen toezicht gehouden op of de opvang tijdens alle gefactureerde uren daadwerkelijk open is. Voor het recht op KOT is het aantal uren dat in het contract is overeengekomen leidend. Het gaat hierbij dus niet om het aantal uren dat het kind daadwerkelijk op de opvang is. Zoals aangekondigd in het antwoord op vraag 1 heb ik de branche gevraagd om de uurprijzen en openingstijden op de website van kinderopvangorganisaties te vermelden en ga ik in samenwerking met de sectorpartijen een steekproef uitvoeren.
Klopt het dat er nog steeds sprake is van tekorten aan plekken op de kinderopvang in veel gemeenten? Welke acties neemt u om deze tekorten verder te verminderen en hoe relateert het teveel factureren van uren door kinderopvangorganisaties zich tot de aanpak van tekorten op de kinderopvang?
Het klopt dat er in de kinderopvang sprake is van een personeelstekort. In 2023 was er een tekort van circa 6.000 medewerkers. Hierdoor kunnen ouders niet altijd (direct) een plek voor hun kind vinden. Daardoor hebben kinderopvangorganisaties mogelijk meer marktmacht. Ik kan me voorstellen dat ouders door de tekorten druk kunnen voelen om contractaanpassingen te accepteren. Ik wil daarom nogmaals benadrukken dat ouders het recht hebben om bezwaar te maken tegen wijzigingen in hun contract. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 zal ik mij in samenwerking met de branche inspannen om de bekendheid te vergroten van stappen die ouders kunnen nemen in het algemeen en in situaties zoals die in het artikel worden beschreven.
In eerdere brieven heb ik uw Kamer meegenomen in de acties die ik samen met de sector onderneem om de personeelstekorten te verminderen.3 Deze aanpak loopt langs drie pijlers: nieuw personeel aantrekken, huidig personeel behouden en personeel stimuleren tot meer uren werken. Zo heb ik samen met de branchepartijen en het Ministerie van OCW een Ontwikkelpad kinderopvang vormgegeven. Hierin kunnen mensen instromen in de kinderopvang als groepshulp (zonder kwalificaties). Indien zij dit willen en kunnen, kunnen zij zich stapsgewijs ontwikkelen tot pedagogisch professional door het volgen van (delen van) opleidingen via praktijkleren in het mbo. Ook ontwikkel ik in dit kader een subsidieregeling voor kinderopvangorganisaties, om de inzet en doorontwikkeling van groepshulpen te stimuleren. De regeling zal naar verwachting begin 2024 in consultatie gaan. Een overzicht van alle lopende en aangekondigde acties om het personeelstekort in de kinderopvang te verminderen, kan worden geraadpleegd in de Kamerbrief Voortgang aanpak personeelstekort in de kinderopvang van april 2023.4 Ik ben voornemens om in het tweede kwartaal van dit jaar een voortgangsbrief te versturen over de aanpak van het personeelstekort in de kinderopvang. In deze brief zal ik uw Kamer informeren over de nieuwe en lopende arbeidsmarktinitiatieven.
Wat doen de verschillende gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’s) en gemeenten om te voorkomen dat kinderopvangorganisaties meer uren factureren dan er kinderopvang wordt gegeven? Hoe werken verschillende GGD’s en gemeenten hierbij samen?
Op grond van de Wko houden GGD’en toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen. Controle op openingstijden valt daar niet onder. Wel kan de GGD erop toezien of kinderopvangorganisaties hun wettelijke verplichting nakomen om wijzigingen in openingstijden of tarieven voor advies voor te leggen aan de oudercommissie.
Waar kunnen ouders die geconfronteerd worden met gedwongen ondertekening van een nieuw contract met ongunstige voorwaarden, om hun plek op de kinderopvang te behouden, terecht met een klacht of melding? Hoe worden ouders over deze mogelijkheid geïnformeerd en hoe vaak is er reeds gebruik van gemaakt?
Ouders kunnen ervoor kiezen om niet akkoord te gaan met een contractwijziging en hebben het recht om bezwaar te maken tegen deze wijzigingen. Desondanks bevinden sommige ouders zich in een lastige positie tegenover hun kinderopvangorganisatie. Zij zijn dagelijks afhankelijk van de kinderopvangorganisatie voor goede en vertrouwde zorg voor hun kinderen. En dat terwijl het voor veel ouders moeilijk is een plek te bemachtigen en zij soms de keuze hebben uit slechts één aanbieder. Ik kan mij goed voorstellen dat een ouder in zo’n situatie een drempel ervaart om bezwaar te maken tegen een contractwijziging. Het is de realiteit dat de krapte in de markt niet gunstig is voor de positie van ouders en dat zij een drempel kunnen ervaren om stappen te nemen. Ik heb daar ook in overleggen met de branche aandacht voor, door te benoemen welke mogelijkheden ouders hebben. Als ouders het oneens zijn met pakketaanpassingen, uitbreidingen van openingstijden of de uren die worden gefactureerd, dan is er de ruimte om dit te melden. In eerste instantie kan een ouder hierover in gesprek gaan binnen de organisatie zelf. Ook kan het signaal gemeld worden bij de oudercommissie van de betreffende organisatie. Oudercommissies hebben adviesrecht op de tarieven en openingstijden, maar kunnen geen rol spelen bij klachtenprocedures inzake overeenkomsten tussen een individuele ouder en de KOO. Ouders kunnen daarnaast een formele klacht indienen bij de kinderopvangorganisatie. Een klachtenregeling is voor iedere kinderopvangorganisatie verplicht. Als dit niet tot een bevredigende uitkomst leidt, is een volgend meldpunt het Klachtenloket Kinderopvang.5 Dit loket geeft advies en informatie, en kan bemiddelen tussen ouder en kinderopvangorganisatie. Mocht de klacht hierna nog niet zijn opgelost, dan kan deze worden ingediend door de ouder bij de Geschillencommissie Kinderopvang.6 Zij geeft vervolgens een bindend advies. Naast deze opties hebben ouders ook de mogelijkheid om, buiten de KOO om, een melding te doen bij de ACM Consuwijzer.7
Tijdens een overleg met de sectorpartijen op 14 december 2023 heb ik aangegeven dat het van groot belang is dat ouders weten wat hun rechten zijn aangaande contractwijzigingen. De oudervertegenwoordiging doet veel aan informatievoorziening. Bovendien is parallel aan deze beantwoording een nieuwsbericht uitgegaan in samenwerking met de oudervertegenwoordiging en branchepartijen. Hierin staat informatie over welke opvanguren KOT kan worden aangevraagd en welke stappen ouders kunnen zetten indien zij het niet eens zijn met een contractwijziging. Branchepartijen zullen deze informatie verder onder de aandacht brengen.
Hoe verhouden de meldingen zich tot het aantal ouders dat een nieuw contract moest tekenen om de plek op de kinderopvang te behouden? Hoe wordt voorkomen dat kinderopvangorganisaties deze vormen van marktmacht kunnen misbruiken?
De gemaakte afspraken zijn onderdeel van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen ouder en kinderopvangorganisatie, daarom worden deze afspraken niet centraal vastgelegd en wordt niet bijgehouden hoeveel nieuwe contracten worden afgesloten. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, heb ik tijdens het bestuurlijk overleg op 14 december 2023 de praktijken met de kinderopvangbranche besproken, en heb ik toegelicht dat ik gesprek ga met de Geschillencommissie Kinderopvang om meer duiding te krijgen bij de in het artikel geschetste praktijken. Zoals ik heb aangegeven in antwoord op vraag 7, kan ik mij voorstellen dat kinderopvangorganisaties meer marktmacht hebben vanwege de schaarste aan plekken. Daarom vind ik het belangrijk om de mogelijkheden voor ouders te blijven benoemen als zij het oneens zijn met aanpassingen van hun contract. Het antwoord op vraag 9 gaat in op deze mogelijkheden.
Wat doet u om de pakkans van kinderopvangorganisaties die meer uren factureren dan er kinderopvang wordt verleend te verhogen? Wat is de pakkans op dit moment en wat is uw doel?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2, wordt er vanuit de overheid geen toezicht gehouden op of de opvang tijdens alle gefactureerde uren daadwerkelijk open is. Dienst Toeslagen houdt wel toezicht op of het aantal uren dat kinderopvangorganisaties doorgeven overeenkomt met wat ouders opgeven. Als er daarbij grote excessen zijn of er sprake lijkt te zijn van bewust oneigenlijk gebruik of samenspanning tussen ouder en kinderopvangorganisatie kunnen er vanuit Dienst Toeslagen controle of toezichthoudende bevoegdheden worden ingezet. Daarnaast ziet de GGD erop toe dat een kinderopvang voldoet aan kwaliteitseisen als de kinderopvang open is. De GGD controleert niet gericht of kinderopvangorganisaties open zijn op de dagen die zij vermelden.
Het is niet de bedoeling dat kinderopvangorganisaties contracten wijzigen zonder dat ouders daar behoefte aan hebben. Ik vind het dan ook van groot belang dat ouders in dit geval effectief hun positie als contractpartner kunnen innemen. Het is essentieel dat ouders de middelen die daarvoor beschikbaar zijn, zoals vermeld in antwoord op vraag 9, goed kunnen benutten.
Welke gevolgen heeft de invoering van bijna-gratis kinderopvang voor de prijsvorming en het aantal uur dat aan ouders in rekening gebracht wordt? Hoe wordt voorkomen dat bij invoering van bijna-gratis kinderopvang meer uren worden gefactureerd dan er gebruikt worden?
In het coalitieakkoord van het huidige (demissionaire) kabinet is afgesproken een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang vorm te geven. Het doel van de herziening is om het stelsel eenvoudiger en begrijpelijker te maken voor ouders en de toekenningszekerheid te vergroten. Daarnaast zou dit nieuwe stelsel gepaard gaan met een inkomensonafhankelijke vergoeding van 96% voor werkende ouders.
Een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding van 96% maakt kinderopvang voor veel ouders (veel) goedkoper. Hierdoor bestaat het risico dat ouders op papier meer dagdelen of dagen gaan afnemen, om ervoor te zorgen dat er een plek beschikbaar is als zij deze extra opvang een keer nodig hebben. Dit kan aantrekkelijk zijn voor ouders, omdat het hen meer flexibiliteit geeft en hen relatief weinig kost. Maatschappelijk gezien is dit onwenselijk omdat structureel plekken bezet worden gehouden door kinderen die er in de praktijk niet of nauwelijks zijn en omdat overheidsgeld wordt besteed aan niet geleverde diensten.
In het huidige stelsel zijn er geen signalen dat er structureel plekken bezet worden gehouden door kinderen die er niet of nauwelijks zijn. In het huidige stelsel is het risico hierop ook vele malen kleiner. Kinderopvang is namelijk te kostbaar om structureel dagdelen of dagen af te nemen waarbij er geen daadwerkelijke opvang tegenover staat. Wel kunnen kinderopvangorganisaties ouders verzoeken meer uren af te sluiten in een contract dan daadwerkelijk worden afgenomen. Bijvoorbeeld door te rekenen met hele dagen in plaats van halve dagen. De verwachting is dat ouders hier sneller mee akkoord gaan in een situatie van lagere kosten en toenemende schaarste. Als de kinderopvangvergoeding in een nieuw stelsel omhoog gaat, is het belangrijk om rekening te houden met dit risico.
In mijn brief van 26 april 2023 «voortgangsrapportage herziening financieringsstelsel kinderopvang»8 geef ik aan dat mogelijkheden worden verkend om het doelmatig gebruik van de gecontracteerde uren in het nieuwe stelsel te borgen. In het concept-stelselontwerp werd uitgegaan van monitoring en zelfregulering, gecombineerd met een nader uit te werken bepaling om op te treden bij grote afwijkingen tussen gecontracteerde uren en aanwezigheidsuren die kinderopvangorganisaties bij de overheid aanleveren. Als variatie hierop valt bijvoorbeeld te denken aan een normstelling ten aanzien van verschillen tussen contracturen, gefactureerde uren en aanwezigheidsuren. Dit zijn complexe maatregelen met grote impact op de sector die samenhangen met besluitvorming over het nieuwe stelsel. Met het oog op een (mogelijk) nieuw stelsel wordt onderzocht was het risico op oneigenlijk gebruik is, evenals mogelijke oplossingen hiervoor.
Door de val van het kabinet heeft er geen besluitvorming plaatsgevonden over het vervolg van de herziening van het financieringsstelsel van de kinderopvang. In mijn brief van 15 september 2023 «Stand van zaken herziening financieringsstelsel kinderopvang» heb ik bouwstenen meegegeven op weg naar een nieuw financieringsstelsel in de kinderopvang.9 Het is aan het volgende kabinet om keuzes te maken voor het definitieve ontwerp, waar het vraagstuk omtrent het doelmatig gebruik van gecontracteerde uren onderdeel van uitmaakt.
Hoe wordt het aantal uren dat wordt gefactureerd meegenomen in het onderzoek naar prijsregulering in de kinderopvang? Herkent u dat snelle duidelijkheid van belang is om onzekerheid in de sector, die kan leiden tot verdere prijsstijgingen, zoveel mogelijk weg te nemen?
Zoals ik heb aangegeven in de Kamerbrief10 van 15 september 2023, was een van de doelen van de herziening van het financieringsstelsel om een betaalbaardere en financieel toegankelijkere kinderopvang te creëren. Op basis van de impactanalyses zijn er
zorgen over prijsstijgingen en de daarmee samenhangende verdringingsrisico’s.
Tariefregulering is één van de maatregelen die verkend wordt om dit risico te verkleinen. Indien voor tariefregulering wordt gekozen, zal de dienst kinderopvang in min of meerdere mate moeten worden afgebakend. Hierbij zullen keuzes moeten worden gemaakt over het aantal uren of dag(del)en die kinderopvangorganisaties bij ouders in rekening mogen brengen, en het al dan niet mogen aanbieden van aanvullende diensten. Komende maanden wordt een aantal onderzoeken uitgezet, waaronder een kostprijsonderzoek.
Deze onderzoeken zullen meer inzicht geven in hoeverre de huidige financieringssystematiek aansluit bij de kostenstructuren in de kinderopvang en potentiële afbakeningen van de dienst. De verwachting is dat de onderzoeken begin 2025 worden afgerond. De resultaten helpen een nieuw kabinet met de afweging of tariefregulering een wenselijke en uitvoerbare optie is, en hoe daarbij recht kan worden geworden aan de wensen van ouders omtrent urengebruik.
Het bericht 'Nieuwe regels na uitspraak Raad van State: asielzoeker mag meer dan 24 weken werken' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid om in de aanpassingen van de regelgeving meteen de andere belemmeringen zoals geschetst in het onderzoek van Regioplan1 weg te nemen? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit per belemmering toelichten?2
Op 29 november 2023 is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Raad van State) in de uitspraak3 tot het oordeel gekomen dat de 24-weken-eis in strijd is met de Opvangrichtlijn en dat deze eis onverbindend is. Dit heeft tot gevolg dat de 24-weken-eis niet meer door UWV mag worden toegepast. In de brief van 29 november 20234 aan uw Kamer heb ik aangegeven dat ik als gevolg hiervan de regelgeving zal aanpassen. Bij deze aanpassing zal de 24-weken-eis niet meer in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en de ministeriële regeling worden opgenomen.
In het rapport van Regioplan5 is uitgewerkt welke belemmeringen er zijn voor asielzoekers bij het toetreden tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit betreffen drie verschillende typen belemmeringen: factoren met betrekking tot wet- en regelgeving, maatschappelijke contextfactoren en individuele factoren. Op 14 juli 2023 heb ik de kabinetsreactie6 op het rapport van Regioplan aan uw Kamer gestuurd. In deze brief heb ik per belemmering uitgewerkt welke stappen worden genomen om de belemmeringen weg te nemen of te beperken. Op 16 januari jl. heeft uw Kamer besloten dat het dossier over de toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers niet langer controversieel is.
Voor de aanpak van een deel van de belemmeringen zoals opgenomen in de kabinetsreactie hoeft de regelgeving niet te worden gewijzigd. Met betrekking tot eventuele aanpassing van de regelgeving voor wat betreft de andere belemmeringen – naast de 24-weken-eis – werk ik, zoals aangegeven in de kabinetsreactie, verschillende opties uit waarover een volgend kabinet kan besluiten. Deze opties zijn er eveneens op gericht om belemmeringen voor asielzoekers bij de toetreding tot de arbeidsmarkt te beperken of weg te nemen. Dit betreft bijvoorbeeld het onderzoeken of het mogelijk is de tewerkstellingsvergunningplicht af te schaffen en een meldplicht voor werkgevers in te stellen die asielzoekers in dienst willen nemen.
Kun u een update geven van de problematiek rond de wachtlijsten in de Basisregistratie Personen (BRP-)straten? Hoe lang moeten asielzoekers op dit moment wachten op een burgerservicenummer (BSN)? Welke acties worden op dit moment nog ondernomen om deze wachtlijsten te verkorten?
Momenteel wachten circa 860 statushouders en circa 11.540 asielzoekers die langer dan 6 maanden in Nederland verblijven op een BSN. Zoals is beschreven in de Tweede Kamerbrief Actuele situatie asielketen – MPP 2023-II zullen bestaande BRP-straten in 2024 hun capaciteit verhogen8. Daarnaast zal via een pilot een extra BRP-straat worden gerealiseerd in de gemeente Amsterdam. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben in 2023 financiële middelen vrijgemaakt om dit mogelijk te maken. Het doel is dat deze achterstanden eind 2024 volledig zijn ingelopen. In dezelfde Kamerbrief9 is beschreven dat asielzoekers die werk hebben gevonden met voorrang ingeschreven worden in de BRP zoals voorgesteld in de motie Futselaar/Ceder.
Wat is de status van motie Futselaar/Ceder ten aanzien van spoed inschrijvingen voor asielzoekers die werk gevonden hebben?3
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze gaat u de komende tijd met gemeenten werk maken van de begeleiding van asielzoekers naar de arbeidsmarkt, zoals de VNG vraagt in haar brief van 30 november jl.?4
Werken draagt bij aan een goede integratie van statushouders. Hierdoor leren zij de taal, bouwen een netwerk op, doen vaardigheden op tijdens het werk en leveren een bijdrage aan onze samenleving. De arbeidsparticipatie van statushouders kan ook worden beïnvloed door eventuele belemmeringen die zij ervaren als zij nog in de asielprocedure zitten. De VNG heeft in het bericht van 30 november 2023 waarnaar u verwijst, terecht opgemerkt dat er naast de 24-weken-eis andere obstakels en uitdagingen zijn voor asielzoekers om aan het werk te gaan. De VNG geeft aan dat asielzoekers begeleiding nodig hebben om aan passend werk te komen en om het werk succesvol uit te voeren. Ook uit het rapport van Regioplan blijkt dat verschillende belemmeringen toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers beperken. Zoals aangegeven in de hierboven genoemde kabinetsreactie verken ik of het wenselijk is om een ondersteunings- of begeleidingsstructuur in te richten voor deze doelgroep. Ik breng hierbij de financiële en uitvoeringstechnische consequenties in kaart. Bij deze verkenning spreek ik ook met het UWV over een mogelijke rol die zij kunnen spelen in de bemiddeling naar werk voor asielzoekers. Daarbij kijk ik ook naar de lessen die geleerd zijn bij de begeleiding naar werk van ontheemden uit Oekraïne.11
Bent u bereid in samenspraak met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) te stimuleren dat meedoenbalies op COA-locaties zich primair richten op betaald werken en alleen in gevallen waar dit niet mogelijk is te zoeken naar vrijwilligerswerk?
Net als u vind ik het belangrijk en stimuleer ik dat asielzoekers binnen de huidige kaders zoveel mogelijk meedoen, het liefst via betaald werk. De meedoenbalies, een samenwerking van Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV), spelen nu al een rol in de begeleiding van asielzoekers naar werk. Bij de meedoenbalies richt het COA zich, naast zelfwerkzaamheid binnen de opvang, waar mogelijk ook op begeleiding naar vrijwilligerswerk of naar betaald werk. NOV richt zich op vrijwilligerswerk buiten de opvanglocatie. Voor een deel van de asielzoekers is betaald werk (nog) niet haalbaar. Deelname aan activiteiten of vrijwilligerswerk vind ik dan een belangrijke eerste stap op weg naar participatie. Ook door niet-betaald werk kunnen asielzoekers tenslotte meedoen aan onze samenleving.
Bent u bereid met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in gesprek te gaan over hun mogelijke rol in bemiddeling naar werk, zoals dit ook voor Oekraïense ontheemden beschikbaar is?
Zie antwoord vraag 4.
Ziet u kansen om de beschikbaarheid van asielzoekers tot de arbeidsmarkt maximaal uit te nutten, bijvoorbeeld door parallel in te zetten op het vereenvoudigen van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aanvraag of het verbeteren van het proces rond diploma-erkenning?
Een VOG is op dit moment voor sommige beroepen een vereiste. Er zijn meerdere manieren waarop een VOG aangevraagd kan worden, bijvoorbeeld digitaal of via de gemeente. Er zijn op dit moment geen signalen die aanleiding geven deze procedures te veranderen.
In het kader van het plan van aanpak statushouders aan het werk worden met werkgevers, brancheorganisaties en onderwijsinstanties de knelpunten ten aanzien van diplomawaardering en -erkenning in kaart gebracht voor statushouders. Het wegnemen van deze knelpunten kan ook ten goede komen aan asielzoekers in procedure. Het aanvragen van een diplomawaardering wordt door particulieren en bedrijven gedaan bij IDW (Internationale diplomawaardering). IDW had een behandelduur van vier maanden vanwege corona en een tekort aan mensen. Inmiddels zijn er nieuwe mensen aangenomen en is de termijn voor het ontvangen van de diplomawaardering zes weken vanaf het moment van de aanvraag. Dit is een normale termijn.
Het verblijfsrecht van derdelanders onder de Tijdelijke beschermingsrichtlijn |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat derdelanders onder de Tijdelijke beschermingsrichtlijn zolang het hoger beroep loopt nog verblijfsrecht in Nederland hebben?
Er is ten aanzien van de derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne een besluit genomen tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september jl. Na dit besluit is op 2 september besloten aan de gevolgen van dit besluit geen uitvoering te geven totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) een richtinggevende uitspraak doet in hoger beroep. Met andere woorden: de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. Dat betekent dat deze groep derdelanders op dit moment wordt behandeld alsof zij onder de Tijdelijke beschermingsrichtlijn vallen. Zij hebben hierdoor nog recht op de voorzieningen die aan de tijdelijke bescherming verbonden zijn (opvang, werk, etc.). Het eerdere besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming is dus niet ingetrokken, maar wel opgeschort.
Herkent u de signalen van derdelanders dat zij na inloggen in het Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)-portaal te zien krijgen dat zij geen verblijfsrecht hebben?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven is er sprake van een situatie waarin een besluit is genomen om het verblijfsrecht te beëindigen, maar zijn de gevolgen hiervan bevroren. Dit betekent dat het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht niet is ingetrokken. In het IND-portaal staat daarom inderdaad dat er geen verblijfsrecht is.
Om de situatie te verduidelijken hebben de betreffende derdelanders een brief ontvangen van de IND waarin zij zijn geïnformeerd over de bevriezing. Met deze brief kunnen zij, in combinatie met hun O-document, hun rechtmatig verblijf aantonen. De IND beziet welke technische mogelijkheden er zijn om deze aanvullende informatie over de bevriezing ook in het IND-portaal te verduidelijken, om zo verwarring over de situatie te voorkomen.
Kunt u zich voorstellen dat dit tot veel onzekerheid leidt bij deze groep, zeker gezien het feit dat uw ministerie al eerder terugkwam op het premature besluit om het verblijfsrecht (zonder juridische basis) in te trekken en hen uit de opvang te zetten?
Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van het terugkomen op het besluit, maar het opschorten van de uitvoering daarvan. Ik kan mij voorstellen dat er een zekere mate van onzekerheid bestaat.
Echter, de inzet van de Nederlandse overheid om derdelanders, die veilig kunnen terugkeren naar hun land van herkomst, niet langer onder de Tijdelijke beschermingsrichtlijn te laten vallen is al geruime tijd bekend.
Zoals reeds eerder aan uw Kamer gecommuniceerd is mede de reden voor mijn besluit om de reikwijdte aan te passen, dat Nederland een ruimhartiger beleid voerde dan andere EU-landen en ruimhartiger dan vereist is in het Raadsbesluit. De groep derdelanders waarvan de tijdelijke bescherming wordt beëindigd, had een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne ten tijde van het uitbreken van het conflict, bijvoorbeeld voor werk of studie. Zij zijn na het uitbreken van het conflict opgevangen in Nederland. Vanwege het voortduren van de oorlog in Oekraïne en de aanhoudende druk op opvang en voorzieningen, is op 18 juli 2022 bekendgemaakt dat deze groep dient terug te keren naar hun land van herkomst.
Indien iemand niet terug kan keren naar het land van herkomst, kan hij/zij asiel aanvragen in Nederland. Daarnaast heb ik mij samen met betrokken partijen ingezet om de onzekerheid zo veel mogelijk te beperken. Door de situatie voor alle derdelanders zonder permanent verblijf in Oekraïne te bevriezen tot er een richtinggevende uitspraak is van de Afdeling tracht ik deze onzekerheid zo veel mogelijk weg te nemen. De IND heeft daarnaast alle derdelanders op wie dit betrekking heeft een brief gestuurd met informatie over de situatie.
Bent u bereid deze status in het IND-portaal zo snel mogelijk te rectificeren?
Zie het antwoord op vraag 2, de technische mogelijkheden om de bevriezing van de gevolgen van het beëindigen van de tijdelijke bescherming zichtbaar te maken in het IND-portaal, worden op dit moment bezien.
Kunt u tot slot toelichten op welke manier er momenteel wordt gecommuniceerd met derdelanders over de juridische processen en welke scenario’s klaarliggen voor het beëindigen van het verblijfsrecht en de opvang indien de Raad van State in uw voordeel besluit?
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 2, zijn de derdelanders op wie dit betrekking heeft per brief geïnformeerd over de bevriezing van de gevolgen van de beëindiging van de tijdelijke bescherming. In deze brief is tevens aangegeven wat dit voor hen betekent. Daarnaast kunnen derdelanders terecht op rijksoverheid.nl voor informatie. Er wordt in aanloop naar de uitspraak van de Raad van State gewerkt aan communicatieplannen. Hierin is aandacht voor communicatie aan deze groep derdelanders.
Wilt u deze vragen voor 1 november 2023 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om voor 1 november 2023 antwoord te geven.
Het onderzoek Oxfam 'From Development to Detterence' |
|
Marieke Koekkoek (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Don Ceder (CU), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Oxfam onderzoek «From development to deterrence? Migration spending under the EU Neighbourhood Development and International Cooperation Instrument (NDICI)»?1
Ja, het onderzoek is bij het kabinet bekend.
Wat is uw reactie op de bevindingen van het rapport dat een aanzienlijk deel van de OS-projecten prioriteit lijken te geven aan de binnenlandse migratieproblemen van de EU, in plaats van aan de ontwikkelingsdoelstellingen waar de fondsen voor bedoeld zijn?
Official Development Aid (ODA) fondsen dienen bij te dragen aan ontwikkelingsdoelstellingen zoals vastgesteld door de OESO. Hier heeft de Europese Commissie zich aan gecommitteerd en de Commissie dient er voor te zorgen dat de vanuit NDICI gefinancierde migratieprogramma’s die bij de OESO als ODA worden gerapporteerd voldoen aan deze richtlijnen.
Vanuit de OESO wordt jaarlijks een kwaliteitscheck gedaan voordat de activiteiten gepubliceerd worden op de website van de OESO. Indien er twijfels zijn over bepaalde activiteiten, gaat de OESO hierover het gesprek aan met de Commissie en kan de Commissie gevraagd worden om deze activiteiten uit de rapportage te verwijderen. In december 2023 wordt de OESO publicatie van de ODA-activiteiten van de CIE uit 2022 verwacht. We wachten deze en toekomstige rapportages af en zullen op basis hiervan met de Commissie het gesprek aangaan.
Het Kabinet verwelkomt het concept «Casebook on activities in the field of migration» dat de OESO recent heeft opgesteld en dat poogt meer duidelijkheid te verschaffen over of migratieprojecten wel of niet aan de ODA-richtlijnen voldoen. Het Kabinet heeft hier recent feedback op geleverd op basis van onze ervaringen met migratieprojecten en zien uit naar een finale versie als gezamenlijk richtsnoer.
Migratieprogramma’s kunnen bijdragen aan de brede samenwerking tussen de EU en een partnerland. De ODA-richtlijnen erkennen dat ontwikkelingssamenwerking deel uit kan maken van een bredere beleidsdialoog met het begunstigde land, ook op het gebied van migratie. In veel gevallen zien we dat ontwikkelings- en migratiedoelstellingen elkaar kunnen versterken. Een voorbeeld is samenwerking met herkomst en -transitlanden op het tegengaan van mensenhandel ten behoeve van de bescherming van migranten. Veilige, ordelijke en reguliere migratie is immers in ieders belang. NDICI programma’s spelen daar een belangrijke rol in.
Onderschrijft u de criteria van de OESO voor het beoordelen van migratie activiteiten die worden gefinancierd vanuit ODA-budget? Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat deze criteria al voorafgaand aan de goedkeuring van projecten worden getoetst (in plaats van achteraf)?
Ja, het kabinet onderschrijft de OESO criteria. Het is van belang om aan de voorkant de verschillende doeleinden helder te formuleren, ook ten behoeve van effectieve besteding en een transparante en gelijkwaardige dialoog met partnerlanden. De Commissie geeft aan voorafgaand een indicatieve toets uit te voeren om in te schatten of aan de ODA-criteria wordt voldaan. Nederland zal de Commissie oproepen de uitkomsten van deze toets inzichtelijk te maken in de fora waar over deze programmering wordt besloten.
Onderschrijft u dat de interceptie van migranten nooit zou moeten kunnen worden gefinancierd vanuit OS-budget? Hoe beoordeelt u in dit licht de financiering van de Libische en Tunesische kustwacht vanuit het Europese OS-budget?
Het kabinet onderschrijft de richtlijnen zoals opgesteld door de OESO. Volgens de OESO moet het hoofddoel in het geval van de maritieme activiteit worden bekeken om te bepalen of reddingen op zee in aanmerking kunnen komen voor ODA. Als het hoofddoel het beschermen van grenzen is, mogen uitgaven voor reddingen op zee niet worden meegerekend als officiële ontwikkelingshulp. Als het hoofddoel het identificeren van mogelijke behoeften voor het redden van vluchtelingen op zee is, kunnen de extra kosten voor deze operaties worden gerekend als officiële ontwikkelingshulp. De financiering van de Libische en Tunesische kustwacht zal dan ook vanuit dat oogpunt door de Europese Commissie en OESO moeten worden beoordeeld.
Het kabinet onderschrijft de aanbeveling om vooraf gaand aan projectgoedkeuring een analyse te maken van de risico’s op het gebied van effectiviteit en mensenrechten. Deze analyse kan dan vervolgens gebruikt worden om een kader te ontwikkelen voor mitigerende maatregelen en opschorting in gevallen van aanhoudende mensenrechtenschendingen. Het kabinet zal hier bij de Europese Commissie op aandringen.
Wat is uw beoordeling van de conclusie van de onderzoekers dat de Europese Commissie onvoldoende transparant rapporteert over de besteding van het budget voor migratie onder het EU Neighbourhood Development and International Cooperation Instrument (NDICI)? Bent u bereid de Europese Commissie in het kader van de mid-term review van het financieringsinstrument op te roepen hier transparanter, tijdiger en publiekelijk over te rapporteren en projecten in Libië en Tunesië te toetsen op mensenrechtenschendingen?
Het Kabinet acht transparantie en democratische waarborgen van groot belang. Het Kabinet zal in de EU pleiten voor verbetering van de informatievoorziening over migratieprojecten onder NDICI. Nederland zal in Brussel aandacht blijven vragen voor de OESO richtlijnen voor migratie gerelateerde activiteiten en de ODA criteria. In het kader van de mid-term evaluatie van NDICI heeft Nederland de Commissie gevraagd om inzicht in berekening van migratie gerelateerde uitgaven en inzage in de markers die worden gebruikt om uitgaven aan de migratiedoelstelling van NDICI toe te rekenen. Nederland zet zich actief in voor de noodzakelijke aandacht voor mensenrechten, risicoanalyses en due diligence bij EU-programmering, onafhankelijke monitoring van derde partijen van door de EU gefinancierde projecten en degelijke en humane onderschepping, opvang en bescherming van migranten – en zal dat ook blijven doen.
Zijn er projecten beschreven in het rapport waar Nederland direct en/of middels Team Europe initiatieven bij betrokken is? Zo ja, kunt u een overzicht geven van deze projecten en aangeven wat zij beogen?
Nederland is niet direct betrokken bij de genoemde projecten en is enkel indirect betrokken als lidstaat van de EU.
Kunt u van de projecten uit vraag zes aangeven wat de financiële bijdrage van Nederland is aan deze projecten en waaruit worden zij gefinancierd?
Zoals beschreven bij vraag 6 is Nederland niet direct bilateraal betrokken bij de financiering van deze projecten. Nederland draagt hier wel aan bij via de Nederlandse afdrachten aan de EU, waaruit het NDICI wordt gefinancierd. Momenteel draagt Nederland circa 5,9% bij aan de EU begroting.
Bent u bereid om het onwenselijke misbruik van de officieel erkende financiering ontwikkelingssamenwerking (ODA) aan te kaarten in de Raad Buitenlandse Zaken van 23 oktober?
Van misbruik is voor zover wij op dit moment weten geen sprake. De Europese Commissie heeft zich als OESO-DAC lid gecommitteerd aan de ODA-criteria. Een conclusie over of specifieke migratieprogrammering uiteindelijk als ODA zal en kan worden aangemerkt berust op het oordeel van de Commissie met een kwaliteitscheck van de OESO. In december wordt verwacht dat de OESO kwaliteitscheck over 2022 is afgerond en de ODA-activiteiten op de website zullen worden gepubliceerd. We wachten die en toekomstige rapportages af.
Koppeling statushouders aan gemeenten |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Welke criteria (bijvoorbeeld werk, familiebanden, studie etc.) zijn er voor het met voorkeur koppelen van statushouders aan een bepaalde gemeente?
Het koppelen van vergunninghouders aan een gemeente is een complexe puzzel, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het profiel van de vergunninghouder als de taakstelling. Het COA koppelt op basis van de individuele dossiers en de aantallen die nog in het kader van de taakstelling gekoppeld moeten worden. Daarbij wordt ook zoveel als mogelijk rekening gehouden met de lokale woningmarkt, maar met de oververtegenwoordiging van alleenstaanden krijgt iedere gemeente toch in ruime mate te maken met een doelgroep waarmee het aanbod van huisvesting minder matcht.
Aan de hand van zogenoemde harde en zachte criteria wordt door COA een regioadvies voor één of meerdere arbeidsmarktregio’s voor een vergunninghouder opgesteld. De harde criteria zijn bij het opstellen van een dergelijk advies leidend. Harde criteria zijn onder andere: familie in de eerste graad, een arbeidscontract van minimaal 8 uur per week, toelating van ofwel deelname aan een studie en een medische of psychosociale behandeling waarbij de vergunninghouder een behandeling volgt in een specifieke gemeente waarvoor hij/zij tenminste vier keer per jaar naar de behandelaar moet reizen.
Onder zachte criteria wordt onder andere verstaan: de opleidingsachtergrond, werkervaring en ambities van een vergunninghouder en de aanwezigheid van een sociaal netwerk.
In 2022 werd 79% van de regioadviezen opgevolgd. Dit was 1% onder de streefwaarde van 80%.
Een (ander) uitgangspunt van het regioadvies is dat de gekoppelde gemeente dichtbij de opvanglocatie van de betreffende vergunninghouder ligt. Door de hoge instroom van nieuwkomers en het gebrek aan voldoende permanente opvanglocaties, is het op dit moment niet altijd mogelijk om aan dat uitgangspunt te voldoen.
Het zo snel mogelijk uit de opvang naar de plek waar je gaat integreren en gehuisvest wordt, is de beste oplossing voor zowel statushouder als voor verlichten van de druk op de opvang.
Is het nog steeds het streven om statushouders zo veel mogelijk te koppelen aan (of dichtbij) een gemeente waar zij banden mee hebben in het kader van werk of studie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een schatting geven van hoe vaak dit ook lukt?
Zie antwoord vraag 1.
Is het mogelijk om bij een koppeling al in grote lijnen rekening te houden met de mogelijkheden qua huisvesting binnen een gemeente, om zo zo min mogelijk tijd verloren te laten gaan als gemeenten onderling statushouders moeten «uitruilen»?
Zie antwoord vraag 1.
Is het nog steeds de bedoeling dat statushouders zo veel mogelijk worden gekoppeld aan (of dichtbij) de gemeente waar ze als asielzoeker ook worden opgevangen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u een schatting geven van hoe vaak dit ook lukt? En welke acties onderneemt u om dit aantal te verhogen?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling dat het bovenstaande nog belangrijker is in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's), omdat het zonde is hun band met school en een lokaal netwerk verloren te laten gaan? Wat gaat u doen om dit te bewerkstelligen?
Het is voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's) belangrijk om het onderwijs te kunnen continueren evenals het kunnen behouden van contacten met het lokale netwerk. Hiermee wordt rekening gehouden bij de plaatsing van een amv met een verblijfsstatus in kleinschalige opvang in een gemeente. Het uitgangspunt bij deze plaatsing is het belang van het kind. Hiervoor worden alle belangrijke elementen die een rol spelen in het leven van de amv in samenhang bezien en zorgvuldig afgewogen.
Klopt het dat statushouders alleen worden gekoppeld aan (of dichtbij) een gemeente waar eerstegraads familieleden wonen en niet als er andere familie woont? Bent u bereid in het geval van amv’s en alleenstaande jongvolwassenen een dergelijke koppeling ook mogelijk te maken als het geen eerstegraads familie betreft maar er wel een familieband is (bijvoorbeeld met een oom of tante)? Zo nee, waarom niet? Kunt u zich voorstellen dat zo’n familieband jonge mensen kan helpen hun weg in Nederland te vinden en kan bijdragen aan de mentale gezondheid van deze jongeren en kinderen?
Voor volwassen statushouders geldt dat zij alleen worden gekoppeld aan een gemeente waar eerstegraads familieleden wonen. Voor amv is dit niet het geval en wordt gekeken naar het bredere familienetwerk. Dit wordt als een belangrijk element meegenomen in de afweging in welke kleinschalige opvang of welke opvanggezin (zoals bijvoorbeeld bij een oom of tante) de amv met verblijfsstatus wordt geplaatst.
Is het de bedoeling dat gemeenten waarmee een koppeling is gemaakt zo snel mogelijk contact opnemen met de statushouder om afspraken te maken over de inburgering, ook als er voor haar of hem nog geen huis in de betreffende gemeente beschikbaar is?
Ja. Er is een brede consensus over het belang van vroegtijdig investeren in de Nederlandse taalbeheersing en participatie van kansrijke asielzoekers en statushouders. In de Memorie van toelichting op de Wet inburgering is opgenomen dat het de voorkeur heeft dat de gemeente in het geval van een asielstatushouder de brede intake al in het AZC afneemt als dit praktisch mogelijk is. Om een tijdige start van de inburgering te waarborgen, wordt van gemeenten verwacht dat zij van alle inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk een brede intake afnemen en een persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP) vaststellen. Door middel van de brede intake krijgen gemeenten al in een vroeg stadium zicht op de leerbaarheid van de inburgeringsplichtigen en de situatie op diverse andere leefgebieden.
Klopt het dat er grote verschillen zijn tussen gemeenten in de manier waarop dit wordt opgepakt? Bent u het met de stelling eens dat het zonde is dat statushouders zo soms onnodig lang moeten wachten op hun inburgering?
Er zijn verschillen tussen gemeenten hoe met deze werkwijze wordt omgegaan. Het is onwenselijk als statushouders onnodig lang moeten wachten op hun inburgering. Om die reden heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de brief van 9 maart 20231 aan uw Kamer toegezegd samen met betrokken partners de vroege start op het azc te bevorderen.
Welke zaken staan er voor gemeenten in de weg bij het al vroegtijdig laten kennismaken met de gemeente en het starten met de inburgering? Wat kunt u ondernemen om gemeenten hierin te stimuleren?
Het belangrijkste knelpunt bij vroegtijdige kennismaking met de gemeente en het starten met de inburgering is de afstand tussen de COA-opvang en de gekoppelde gemeente. Door de hoge instroom van nieuwkomers en het gebrek aan voldoende opvanglocaties, is het op dit moment niet altijd mogelijk om de asielstatushouder in alle gevallen dichtbij de gekoppelde gemeente in de opvang te plaatsen (en te houden). Andere zaken die meespelen zijn bijvoorbeeld het gebrek aan studiefaciliteiten voor een vroege start, capaciteitstekorten bij gemeenten en COA en samenwerking tussen gemeenten en COA.
Zoals ook aangegeven in de verzamelbrief Inburgering van 15 september 20232 zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met ketenpartners de korte termijn maatregelen die binnen de bestaande financiële en juridische kaders vallen uitwerken en in praktijk brengen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het stimuleren van de samenwerking tussen COA en gemeenten, het opstellen van een overzicht over de vroege start en het verkennen van mogelijkheden voor studiefaciliteiten. Op langere termijn worden ook andere manieren onderzocht om de vroege start te stimuleren. Hierbij wordt gedacht aan mogelijkheden zoals het verlengen van de inburgeringstermijn met de duur van het verblijf in het azc en het laten meetellen van onderwijsuren en participatieactiviteiten die zijn ondernomen tijdens het verblijf in het azc. Deze maatregelen vereisen aanpassing van juridische en financiële kaders.
Welke eisen worden gesteld aan de overdracht van gekoppelde statushouders aan de gemeente – hoe wordt bewerkstelligd dat deze kloppend en tijdig bij de gemeente liggen? Kent u de signalen dat gemeenten geregeld worden geconfronteerd met late aanlevering of incomplete dossiers, iets dat de snelle huisvesting van statushouders soms in de weg staat? Wat gaat u hieraan doen?
Zoals ook opgenomen in de memorie van toelichting bij de Wet inburgering wordt van gemeenten verwacht dat zij, gelet op hun regierol, de verantwoordelijkheid nemen om een warme overdracht te organiseren. Een warme overdracht is bij voorkeur in de vorm van een driegesprek tussen COA, gemeente en de asielstatushouder. Ook de noodzakelijke uitwisseling van gegevens over de asielstatushouder tussen COA en gemeenten is hierbij van belang.
Deze warme overdracht verloopt nog niet overal zonder problemen. Om die reden hebben in het afgelopen jaar meerdere sessies plaatsgevonden met casemanagers van het COA en klantmanagers van gemeenten om de samenwerking te stimuleren. Binnen de aanpak vroege start is opgenomen dat deze gesprekken en sessies vervolgd zullen worden. Divosa en COA organiseren in dit najaar onder andere een roadshow om ontmoetingen tussen de casemanagers en klantmanagers van COA en gemeenten te faciliteren3.