Het “kanaaldrama” bij het kanaal Almelo-De Haandrik |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over omwonenden van het Kanaal Almelo-De Haandrik, van wie iemand zijn huis roze schilderde als protest, omdat de schade aan zijn huis niet vergoed wordt door de provincie Overijssel, die het kapotmaakte?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Het Rijk heeft echter geen zeggenschap over dit kanaal en ik kan om die reden geen inhoudelijk oordeel geven over de situatie.
Wat kunt u zeggen over de machteloosheid van deze omwonenden? Begrijpt u die?
Ik betreur het te lezen dat bewoners zich machteloos voelen en hoop om die reden dat er snel een oplossing gevonden wordt tussen de betrokken partijen. Het Rijk heeft echter geen zeggenschap over dit kanaal en ik kan om die reden geen inhoudelijk oordeel geven over de situatie.
Bent u op de hoogte van de Kamervragen die ik ruim een jaar geleden stelde aan uw voorganger naar aanleiding van het bericht dat schadevergoeding die omwonenden ontvingen van de provincie onvoldoende bleek?2 Kunt u daar ook geen inhoudelijk oordeel over geven?
Ja, die vragen zijn bekend. Ik kan, zoals ook in de beantwoording van Kamervragen op 13 augustus 2021 aangegeven, geen inhoudelijk oordeel geven over de hoogte van de schadevergoeding.
Vindt u nog steeds dat u ook geen rol heeft in de in de problemen rondom Kanaal Almelo-De Haandrik, zoals u aangaf in uw beantwoording op de vragen van collega’s Nijboer en De Hoop?3 Wilt u uw antwoord toelichten?
Het beheer van het kanaal Almelo-De Haandrik is in handen van de provincie Overijssel omdat het gaat om een provinciale vaarweg. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft hierin geen rol, maar houdt wel contact met de provincie. Het is voor mij niet mogelijk om de situatie inhoudelijk toe te lichten. De gedeputeerde heeft echter aangeboden om op verzoek van de Kamer de situatie rondom het kanaal toe te lichten.
Hoe lang vindt u dat u gedupeerden van lokaal overheidsbeleid aan hun lot kan overlaten?
Hoe vaak hebt u contact gehad met de provincie over het Kanaal Almelo-De Haandrik? Hoe zag dat contact eruit en wanneer was dat precies? Met wie van de provincie had u contact? Waar ging het over? Denkt u dat de provincie een oplossing voor gedupeerden kan bieden?
Heeft u met de gedupeerden gesproken? Zo nee, wanneer gaat u dat doen? Zo ja, hoe vaak? En wanneer was dat? Hoeveel gedupeerden hebt u gesproken? Waar gingen die gesprekken over?
Hoeveel omwonenden van het Kanaal Almelo-De Haandrik hebben bezwaar aangetekend of zijn in beroep gegaan? Kunt u in een overzicht weergeven hoeveel mensen dit hebben gedaan en wat de uitkomsten zijn, of wanneer deze worden verwacht? Kunt u tevens in dat overzicht opnemen hoeveel mensen inmiddels een schadevergoeding hebben ontvangen en voor hoeveel dat voldoende was om de schade duurzaam te herstellen?
Waar kunnen omwonenden terecht voor juridische bijstand?
Bent u bereid om voor de woningen rondom het kanaal het bewijsvermoeden toe te passen? Zo ja, kunt u aangeven wanneer dit zal gelden? Zo nee, waarom niet?
Het bewijsvermoeden geldt voor schade ten gevolge van mijnbouwwerk en is in dit geval niet van toepassing.
Herkent u de parallellen tussen de manier waarop de lokale overheid omgaat met de problemen rondom het Kanaal Almelo-De Haandrik en hoe de landelijke overheid omgaat met de problemen in Groningen en de toeslagenaffaire? Kunt u uw antwoord toelichten?
De situatie aan het kanaal Almelo-De Haandrik is een regionale aangelegenheid. De bestuurlijke verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het provinciebestuur. Ik kan niet oordelen over parallellen met andere dossiers.
Herkent u dat er patronen zijn in het handelen van de overheid wanneer er door diezelfde overheid schade ontstaat?
Zie antwoord op vraag 11.
Herkent u dat omwonenden van het Kanaal Almelo-De Haandrik eerst gewantrouwd worden en dat hun klachten niet serieus genomen worden?
Herkent u dat gedupeerden vaak lang moeten wachten op (series) onderzoeken die de overheid laat doen?
Herkent u dat, ook nadat de overheid schuld heeft erkend, de strijd voor gedupeerden niet voorbij is?
Herkent u dat sommige mensen alles, anderen niets en weer anderen een beetje schadevergoeding krijgen? Wat vindt u van die ongelijkheid? Kunt u die verschillen uitleggen?
Bent u ook van mening dat het voor omwonenden nu echt veel te lang duurt?
Bent u bereid om een compensatie voor de ellende, een immateriële vergoeding, te regelen? Zo ja, kunt u aangeven wanneer omwonenden dit tegemoet kunnen zien? Zo nee, waarom niet?
Bent u het voorts ermee eens dat de landelijke overheid nu echt moet gaan ingrijpen? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet? En wat betekent dat voor gedupeerden die nu al lang in een huis met grote schade wonen? Waar kunnen zij nu nog met hun schade terecht?
Het bericht dat het leegstaande Leeuwarder belastingkantoor alleen kan worden ontwikkeld met steun van het Rijk |
|
Jaco Geurts (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er nog altijd geen plan ligt voor het voormalige kantoor van de Belastingdienst in Leeuwarden?1, 2
Ja.
Klopt het dat het gebouw in bezit en beheer is van het Rijksvastgoedbedrijf?
Ja.
Deelt u de mening dat het met de huidige woningnood en de huisvestingproblematiek van statushouders van groot belang is dat er snel een nieuwe bestemming wordt gegeven aan het kantoorpand?
Ja.
Welke obstakels staan een herbestemming in de weg?
De herbestemming van het pand is een uitdaging door de bouwkundige toestand en de slechte staat van de installaties. Daarnaast heeft het pand de status van gemeentelijk monument. De bouwaard van het pand vormt een uitdaging bij een verduurzaming. Deze zaken tezamen zijn van grote invloed op de financiële haalbaarheid van mogelijke transformatieplannen, zo ook bij de transformatie naar een woonfunctie.
Kunt u het Rijksvastgoedbedrijf verzoeken zo snel mogelijk met een concreet plan te komen, zodat het voormalige belastingkantoor een nieuwe functie krijgt?
De gemeente Leeuwarden en het Rijksvastgoedbedrijf zijn in gesprek om te zorgen dat het pand snel een nieuwe functie krijgt. Inzet is in het eerste kwartaal van 2023, op basis van een gezamenlijk haalbaarheidsonderzoek een aanpak voor de herbestemming gereed te hebben.
Voor de omgeving waarin het pand is gelegen, heeft de gemeente thans een functiemix van bedrijvigheid en wonen voor ogen. Binnen deze functiemix is de gezamenlijke inzet van partijen om het voormalige belastingkantoor op een zo kort mogelijke termijn een woonfunctie te geven, mede ingegeven door de ontwikkelingen op de woningmarkt.
Voor herbestemming spelen niet alleen de onder vraag 4 benoemde technische belemmeringen een rol. Het Rijksvastgoedbedrijf is voor de herbestemming deels afhankelijk van de gemeente Leeuwarden als bevoegd gezag.
De gesprekken tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente over de (her)bestemming zijn al langere tijd gaande waarbij meerdere scenario’s zijn besproken (waaronder voortzetting van de kantoorfunctie). Ook zijn de onder vraag 4 benoemde belemmeringen en relatief ontspannen vastgoedmarkt onderwerp van gesprek geweest.
Hoeveel leegstaande gebouwen heeft het Rijksvastgoedbedrijf landelijk in bezit die nog geen nieuwe bestemming hebben?
Op dit momenteel zijn er 23 panden in materieel beheer bij het Rijksvastgoedbedrijf waar het Rijksvastgoedbedrijf ook optreedt als eigenaar. Het gaat om zowel vastgoed in de zogenaamde verkoopportefeuille als vastgoed dat leeg staat in afwachting van renovatie of aanpassing.
Dit is een momentopname door veranderingen in de huisvestingsbehoefte van het Rijk enerzijds en de verschillende stadia waarin afspraken over het pand of het verkoop(voorbereidings)proces zich bevinden inclusief de vraag of er al sprake is van een nieuwe bestemming. Daarnaast spelen vormen van tijdelijk gebruik en maatschappelijke inzet een rol, zoals bij vraag 7 is toegelicht.
Ook zal in veel gevallen de bestemming na verkoop ongewijzigd blijven.
Kan het Rijksvastgoedbedrijf versneld aan de slag gaan met het herbestemmen van leegstaande panden?
In de afgelopen maanden heb ik het Rijksvastgoedbedrijf de opdracht gegeven de maatschappelijke inzet van het vastgoed te versnellen.
Zo stelt het Rijkvastgoedbedrijf haar vastgoed beschikbaar voor de opvang van asielzoekers (via het COA), evacuees (Oekraïners, via de Veiligheidsregio’s) en statushouders. Voor in ieder geval 15 panden geldt dat zij hiervoor zijn ingezet of dat het onderzoek naar de inzetbaarheid voor deze doelen nog loopt. Voor deze 15 panden is een herbestemming op korte termijn niet aan de orde.
In het verlengde van de opvangfunctie werkt het Rijksvastgoedbedrijf daarnaast aan de versnelling van de (tijdelijke) herbestemming van panden die in potentie geschikt zijn voor de huisvesting van doelgroepen (waaronder statushouders). Deze versnellingsaanpak is opgenomen in de brief «besluitvorming opvang asielcrisis» die uw kamer op 26 augustus heeft ontvangen.
Overigens is het staande beleid van het Rijksvastgoedbedrijf om leegstaande panden met een passende en maatschappelijk gewenste (voortgezette of nieuwe) bestemming te verkopen om zo nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Hierbij wordt gestreefd naar een goede afstemming met de betreffende gemeente. De feitelijke herbestemming ligt echter veelal bij initiatiefnemers (bijvoorbeeld kopers van het Rijksvastgoedbedrijf) en gemeenten.
Vergelijkbaar met het belastingkantoor in Leeuwarden kunnen diverse belemmeringen en lokale omstandigheden een voortvarende herbestemming in de weg staan.
Mogelijke fossiele exportsteun Santos Basin Pre-Salt Pole |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ex-ante publicatie op de website van Atradius Dutch State Business (Atradius DSB) van een nieuw fossiel project, genaamd Santos Basin Pre-Salt Pole – Stage 3?1
Ja.
Klopt het dat de exportkredietverzekering(ekv)-aanvraag een nieuw te bouwen floating production storage and offloading (FPSO) schip betreft, bedoeld om olie en gas te verwerken?
Ja.
Klopt het dat deze FPSO wordt ingezet voor ongeveer 30 jaar en als doel heeft om bij te dragen aan de toename van de olie en gasproductie in Brazilië?
Ja.
Welk Nederlands bedrijf heeft de exportkredietverzekeringsaanvraag ingediend? Welke andere exporteurs zijn bij dit project betrokken?
De uitvoerder van de exportkredietverzekering Atradius Dutch State Business (ADSB) publiceert categorie A-projecten (projecten met potentieel grote gevolgen voor mens en milieu) gedurende minstens 30 dagen voor afgifte van de polis. Ieder die geïnteresseerd is in het gepubliceerde project, kan tijdens deze publicatieperiode de milieu en sociale effectrapportage van het project bekijken en zijn of haar mening over het project kenbaar maken bij ADSB. Bij de ex-ante publicatie wordt geen informatie gegeven over de betrokken exporteurs, financiële instellingen of te de verzekeren waarde, omdat dit in deze fase concurrentiegevoelig is. In het geval van goedkeuring wordt deze informatie openbaar gemaakt bij polisafgifte.
Wat is de te verzekeren waarde?
Zie antwoord vraag 4.
Welke andere (buitenlandse) financiële instellingen, zoals exportkredietverzekeraars en private banken, zijn bij dit project betrokken?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat dit project volledig in strijd is met de tijdens de UN Climate Change Conference (COP26) gemaakte afspraken om per eind 2022 te stoppen met exportkredietverzekeringssteun voor fossiele projecten? Waarom wel of niet?
De COP26-verklaring ziet toe op het beëindigen van nieuwe overheidssteun aan de internationale fossiele energiesector per eind 2022. Het kabinet heeft de Kamer op 3 november jl. geïnformeerd hoe het voornemens is invulling te geven aan de COP26-verklaring. Het kabinet heeft hierbij klimaatwetenschappelijke inzichten betrokken (IEA, IPCC). Het kabinet hecht aan een zorgvuldige implementatie van dit beleid. Dat betekent dat er in principe per 1 januari 2023 geen aanvragen meer in behandeling zullen worden genomen, die niet in lijn zijn met de uitwerking van de COP26-verklaring. Dit betekent dat alleen aanvragen die vallen onder de beperkte uitzonderingsgronden zoals door het kabinet geformuleerd in de uitwerking van de COP26-verklaring in behandeling genomen worden. Voor reeds ingediende aanvragen, zoals het Santos Basin Pre-Salt Pole project, geldt dat deze tot uiterlijk eind 2023 kunnen leiden tot een polis. Aanvragen die voor 1 januari 2023 worden ingediend, dienen volledig en van behoorlijk niveau te zijn.
Het kabinet hecht eveneens aan een gelijkwaardig speelveld, en zal daarom de nadere invulling van het beleid van medeondertekenaars nauwlettend volgen. Het voorgenomen beleid zal aangepast worden als de beleidsontwikkeling bij de andere ondertekenaars daar aanleiding toe geeft.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer onwenselijk is om voor het einde van 2022 nog dergelijke grote fossiele projecten te verzekeren die tot decennialange uitstoot van enorme hoeveelheden vervuilende emissies leiden? Waarom wel of niet?
Zie antwoord op vraag 7.
Bent u ermee bekend dat de projectdocumenten vermelden dat het project een negatieve impact heeft op de uitstoot van broeikasgassen endat het project zal bijdragen aan een significante toename aan olieproducten en het gebruik van fossiel gasin Brazilië?
Ja.
Erkent u dat dit in strijd is met de laatste wetenschappelijke inzichten, namelijk dat er geen enkele ruimte meer is voor nieuwe fossiele projecten, wanneer we in lijn willen blijven met de 1,5 graden opwarming van de aarde?
Om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden moet de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen volgens wetenschappelijke inzichten worden afgebouwd. Met de voorgenomen implementatie van de COP26-verklaring zet het kabinet een belangrijke stap in de Nederlandse inzet om de 1,5°C doelstelling internationaal te bereiken. In de basis komen projecten ten behoeve van nieuwe olie of gasproductie vanaf 1 januari 2023 niet meer in aanmerking komen voor ekv-dekking. Omwille van een zorgvuldige transitie wordt wel een overgangsperiode gehanteerd voor aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2023. De aanvragen voor 1 januari 2023, die volledig en van behoorlijk niveau zijn, kunnen nog tot uiterlijk 31 december 2023 tot een polis leiden.
Hoe verklaart u dat dit project überhaupt in overweging wordt genomen?
De betreffende aanvraag is begin dit jaar in behandeling genomen en bevindt zich op dit moment in de onderzoeksfase (due diligence). Het project is derhalve nog niet goedgekeurd. De COP26-verklaring ziet toe op de beëindiging van steun aan de fossiele energiesector per eind 2022. Het kabinet heeft de Kamer op 3 november geïnformeerd hoe het voornemens is invulling te geven aan de COP26-verklaring. Het kabinet hecht aan een zorgvuldige implementatie van dit beleid. Projecten zoals deze kennen vaak een lange aanlooptijd, waarbij door bedrijven al middelen geïnvesteerd worden in de fase vóór verkrijging van een opdracht. Een zorgvuldige implementatie betekent dat exporteurs de mogelijkheid krijgen om voor deze reeds gestarte activiteiten voor een gelimiteerde periode een polis te ontvangen. De reeds gedane aanvragen voor 1 januari 2023 kunnen tot uiterlijk eind 2023 leiden tot een polis.
Kunt u aangeven of er in kaart is gebracht hoeveel emissies dit project – gezien de olie en het gas die het zal produceren – zal genereren over de komende decennia? Zo ja, voor hoeveel uitstoot gaat dit project zorgen? Zo nee, bent u bereid om alsnog boven tafel te krijgen hoeveel uitstoot er mede mogelijk gemaakt wordt door deze exportkredietverzekering te verstrekken?
Op dit moment hebben wij nog geen informatie over de hoeveelheid emissies die naar aanleiding van dit project zullen worden uitgestoten. Deze informatie wordt opgevraagd als onderdeel van het onderzoeksfase, die momenteel nog gaande is. Wij rapporteren de emissies van projecten conform internationale afspraken (OESO Common Approaches).
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de Algemene Financiële Beschouwingen?
Dit is wegens de benodigde afstemming niet mogelijk gebleken.
De oproep “Nederland, stap uit het klimaatonvriendelijke Energiehandvest” en het onderhandelingsresultaat voor de modernisering van het Energy Charter Treaty |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de oproep «Nederland, stap uit het klimaatonvriendelijke Energiehandvest» van hoogleraar Europees recht, Christina Eckes gezien?1
Ja.
Waarom is de tekst van het onderhandelingsresultaat niet openbaar?
Voor de openbaarmaking van het onderhandelingsresultaat is de goedkeuring van alle 53 ECT-verdragspartijen nodig.
Kunt u de tekst van het onderhandelingsresultaat met de Kamer delen?
Zoals toegezegd tijdens het tweeminutendebat op 19 oktober jl., zal de tekst van het gemoderniseerde verdrag vertrouwelijk in te zien zijn voor leden van de Tweede Kamer. Zie ook antwoord op 2.
Zo niet, hoe moet de Kamer dan een oordeel vormen over het onderhandelingsresultaat?
Zie antwoord vraag 3.
Is het niet openbaar maken van de tekst in strijd met de transparantie-richtlijnen van de Europese Unie? Zo ja, wat gaan de Europese Commissie en de lidstaten eraan doen om te zorgen dat de tekst toch openbaar wordt, voordat deze wordt goedgekeurd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met ons eens dat het niet openbaar maken van deze tekst voorafgaand aan de besluitvorming in de Europese Raad een goed maatschappelijk en democratisch debat in de weg staat?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u dan in elk geval de «gesloten lijst» van maatregelen die een schending vormen van de investeringsbescherming delen, waar u in uw Kamerbrief van 8 juli 2022 naar verwijst?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met de Europese Commissie eens dat het Energy Charter Treaty (ECT) na aanpassing aan het onderhandelingsresultaat niet langer in strijd zal zijn met het klimaatakkoord van Parijs en het doel om opwarming tot 1,5 graden te beperken? Kunt u beargumenteren waarom?
De uiteindelijke beoordeling van het kabinet is dat, hoewel de moderniseringsvoorstellen een verbetering zijn ten opzichte van de huidige ECT, het behaalde resultaat voor Nederland onvoldoende ambitieus is. Voor de volledige appreciatie van het gemoderniseerde ECT wordt verwezen naar Bijlage 1 van Kamerbrief (kenmerk WJZ/ 22518683). (Bijlage bij Kamerstuk 21 501–33, nr. 977.)
Het kabinet is van mening dat het behaalde resultaat onvoldoende recht doet aan de duurzaamheidsdoelstellingen en voor Nederland onvoldoende in lijn is met de Nederlandse en Europese doelen die voortvloeien uit het klimaatakkoord van Parijs. Zo creëert de gemoderniseerde tekst geen nieuwe duurzaamheidsverplichtingen terwijl dit wel de EU inzet was. Het gemoderniseerde ECT herbevestigt enkel bestaande duurzaamheidsverplichtingen, en blijft daarmee achter bij bepalingen in andere verdragen, zoals de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada en de Europese Unie (CETA). Ook is het zo dat in dit sectorspecifieke verdrag, investeringen in de fossiele sector onder het gemoderniseerde ECT nog steeds worden beschermd. Er is een stap gezet in de goede richting door een flexibiliteitsmechanisme in te voeren, waardoor verdragspartijen er voor kunnen kiezen investeringen in fossiele energie uit te sluiten van investeringsbescherming onder het ECT op hun grondgebied. Vooralsnog hebben de EU, en onder de specifieke voorwaarden het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, ervoor gekozen van dit mechanisme gebruik te maken. Daarnaast wijkt de geschillenbeslechting ten aanzien van de duurzaamheidsbepalingen af van recente akkoorden die door de EU zijn gesloten. en zijn onvoldoende ambitieus.
Bent u het met het Internationaal Energie Agentschap (IAE) eens dat investeringen in nieuwe projecten voor de winning van olie, gas en kolen in strijd zijn met het klimaatakkoord van Parijs en het doel om opwarming tot 1,5 graden te beperken?
Het Internationaal Energieagentschap (IEA) heeft in verschillende rapporten, inclusief ook de recente World Energy Outlook 20222, aangegeven dat emissieneutraliteit in 2050 (wat in lijn is met het beperken van opwarming van de aarde tot 1,5 graden) in combinatie met energiezekerheid kan worden bereikt zonder (investeringen in) exploratie van nieuwe fossiele energievoorraden. Dit is een feitelijke vaststelling door het IEA op basis van scenario-analyses.
Hoe is het uit te leggen dat een verdrag in lijn is met het klimaatakkoord als dat verdrag nog minstens 10 jaar (plus de tijd die nodig is voor ratificatie, wat in de regel vele jaren duurt) alle fossiele investeringen beschermt tegen allerlei vormen van overheidsingrijpen?
Zoals aangegeven in antwoord 8, is het Kabinet van mening dat het gemoderniseerde ECT niet voldoende in lijn is met de inzet op klimaat- en duurzaamheidsafspraken in investeringsakkoorden. Investeringsbescherming onder de transitieperiode of sunset clausule, die van toepassing is op partijen die uittreden, weerhoudt overheden er niet van in te grijpen ter behoeve van de energietransitie. De verdragspartijen bij het ECT behouden het recht om te reguleren, om beleid te maken en uit te voeren. Overigens geldt de investeringsbescherming ook voor bestaande duurzame energieprojecten.
Bent u het eens met het onderdeel van het onderhandelingsresultaat om de bescherming van investeringen via het ECT uit te breiden naar onder andere biomassa, carbon capture and storage (CCS) en waterstof?
Onder het ECT zijn «investeringen» die binnen de definitie van «een economische activiteit in de energiesector» vallen, beschermd. Carbon utilisation and storage (CUCS) is in het gemoderniseerde ECT toegevoegd aan de definitie van economische activiteit. Het gemoderniseerde ECT sluit bepaalde houtige vormen van biomassa voor alle verdragspartijen uit van bescherming. Daarnaast heeft de EU in het gemoderniseerde ECT een uitzondering gemaakt ten aanzien van CUCS en bepaalde vormen van waterstof.
Dit betekent dat na 15 augustus 2023 nieuwe investeringen in deze economische activiteiten niet langer beschermd worden op het grondgebied van de EU onder het gemoderniseerde ECT. Het gemoderniseerde ECT verduidelijkt daarnaast het recht van overheden om te reguleren in het publiek belang. Het recht dat overheden hebben om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn in het kader van energie transitie en om klimaatverandering tegen te gaan, wordt nu geëxpliciteerd in het ECT.
Het is overigens niet de inzet om toekomstige rechtszaken volledig te voorkomen. Ook in het Nederlands en Europees recht zijn basisregels voor fatsoenlijk overheidshandelen stevig verankerd. Discriminatoire, willekeurige en oneerlijke behandeling zijn ook onder Nederlands en Europees recht verboden, net als het feit dat ook in die rechtsordes onteigening niet zomaar is toegestaan maar aan voorwaarden is onderworpen.
Hoe is het te verantwoorden dat we daarmee nieuwe risico’s gaan lopen op miljardenclaims van investeerders als uit oogpunt van algemeen belang bepaalde investeringen in zulke energieprojecten onwenselijk zullen blijken?
Zie antwoord vraag 11.
Erkent u dat Spanje heeft opgeroepen om in EU-verband uit het Energy Charter Treaty te stappen, ook al heeft Spanje in uw ogen nog geen officiële positie ingenomen over het onderhandelingsresultaat?
Ja. Spanje heeft reeds officieel aangekondigd om uit het ECT te zullen stappen. De positie van Spanje over de modernisering van het ECT is op het moment van schrijven nog niet duidelijk.
Heeft u de motie van Teunissen, Leijten, Kröger (Kamerstuk 21501–33, nr. 940) geïnterpreteerd als een verzoek om net als Spanje te bepleiten om in EU-verband uit het ECT te stappen?
Tijdens de Energieraad op 27 juni jl. heeft Spanje aangegeven ontevreden te zijn met het onderhandelingsresultaat en heeft Spanje de Europese Commissie en de Juridische Dienst van de Raad opgeroepen om de optie te onderzoeken van een gecoördineerde terugtrekking van de EU uit het ECT. Hierop voortbouwend heeft Nederland de Europese Commissie ged om in deze analyse ook de mee te nemen in hoeverre het onderhandelingsresultaat overeenkomt met het EU-onderhandelingsmandaat. Nederland heeft toen aangekondigd om opzegging van het ECT te willen onderzoeken en heeft Nederland met de Europese like minded collega’s naar het EU-krachtenveld gekeken.
Het kabinet is voornemens het ECT op te zeggen. Daarnaast zal Nederland binnen EU verband – in lijn met de aangenomen motie van het Kamerlid Teunissen van 22 juni jl.3 – zich inzetten voor een gecoördineerde opzegging van het ECT door de EU. Met het besluit om uit het ECT te treden is Nederland in het gezelschap van enkele andere EU-lidstaten, zoals Polen, Frankrijk en Spanje. Italië trad al eerder uit. Ook enkele andere EU-lidstaten staan kritisch tegenover het uiteindelijke moderniseringsvoorstel en zijn nog bezig met de interne besluitvorming over eventuele opzegging. Ik verwijs u verder ook naar de bijgevoegde Kamerbrief (kenmerk WJZ/ 22518683) over het Energy Charter Treaty. (Kamerstuk 21 501–33, nr. 977.)
Heeft u in de Energieraad of anderszins bij EU-collega’s bepleit om gezamenlijk uit het ECT te stappen?
Zie antwoord vraag 14.
Zo nee, waarom stelt u dan dat u in lijn met de motie handelt? Zo ja, wat waren de reacties van uw collega-Ministers?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u van plan alsnog gevolg te geven aan de motie door te bepleiten dat de EU en alle EU-lidstaten uit het ECT stappen?
Zie antwoord vraag 14.
Erkent u dat het uitbreiden van investeringsbescherming onder het gemoderniseerde Energiehandvest naar wat nu door de Europese Commissie en het kabinet als hernieuwbare energie wordt gezien, zoals biomassa, de energietransitie kan belemmeren omdat keuzes op een later moment zo niet meer terug te draaien vallen en innovatief energiebeleid zo belemmerd wordt? Zo ja, kunt u dan bevestigen dat u, wanneer u doorgaat met het ondersteunen van de modernisering van het ECT, willens en wetens onze energietransitie in gevaar brengt? Zo nee, kunt dan uitleggen waarom u de kennis van een expert (hoogleraar Christina Eckes) in twijfel trekt?
Zie de appreciatie in de bijgesloten Kamerbrief (kenmerk WJZ/ 22518683) en het antwoord op vragen 8 en 10, 11, 12. (Bijlage bij Kamerstuk 21 501–33, nr. 977.)
Zoals aangegeven maakt de EU uitzonderingen voor CUCS, houtige vormen van biomassa en bepaalde vormen van waterstof. Investeringen in deze vormen van energie worden onder het gemoderniseerde ECT niet langer beschermd na 15 augustus 2023, zoals de Kamerbrief (kenmerk WJZ/ 22518683) beschrijft. (Kamerstuk 21 501–33, nr. 977.)
Nederland treedt uit het ECT en is na de uittreding niet als verdragspartij gebonden aan het gemoderniseerde verdrag. Zoals beschreven in de Kamerbrief is een deel van het gemoderniseerde ECT – na inwerkingtreding of ratificatie daarvan – wel van toepassing op Nederland via de band van de Europese Unie. Het kabinet deelt niet de mening dat de modernisering van het ECT de energietransitie in gevaar zou brengen. Investeringsbescherming, onder het gemoderniseerde of oude ECT, heeft geen invloed op het Nederlandse en EU-energiebeleid. Daarnaast, zoals eerder aangegeven, bevat het gemoderniseerde ECT verbeteringen ten opzichte van het huidige ECT.
Wat verandert de oproep van hoogleraar Christina Eckes om uit het ECT te stappen omdat het ook na modernisering klimaatonvriendelijk is aan uw standpunt?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u het met ons eens dat het toelaten van nieuwe leden (zoals Afrikaanse landen) tot het ECT zeer onwenselijk is, aangezien dan nog meer fossiele investeringen beschermd zouden worden en de energietransitie in die landen nog moeilijker en duurder kan maken?
Na opzegging heeft Nederland geen invloed meer op het toetreden van nieuwe partijen bij het ECT. Landen besluiten zelf over het partij worden bij een verdrag, het is niet aan Nederland om zich daar in te mengen. Staten die toetreden tot het gemoderniseerde ECT kunnen er overigens voor kiezen geen investeringsbescherming te bieden onder het ECT aan investeringen in fossiele brandstoffen op hun grondgebied. Het kabinet is wel van mening dat het beter zou zijn als nieuwe partijen zich bij het gemoderniseerde verdrag zouden aansluiten in plaats van bij het huidige ECT.
Hoe gaat u er voor zorgen dat andere handels- en investeringsverdragen waar Nederland partij in is, waaronder de meer dan 70 bilaterale investeringsverdragen, de bescherming van fossiel op korte termijn gaan beëindigen?
Nederland zet in op een actief handels- en investeringsbeleid. Onderdeel daarvan is het afsluiten van nieuwe handels- en investeringsverdragen door de EU. Daarnaast heeft Nederland een eigen netwerk van bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBOs). Zoals aangegeven in de Beleidsnotitie Doen waar Nederland goed in is4 zet het kabinet in op het moderniseren en waar mogelijk uitbreiden van dit netwerk van IBOs op basis van de Nederlandse IBO model tekst. Net als bij EU handels- en investeringsverdragen ligt ook bij modernisering van de Nederlandse investeringsbeschermingsverdragen de nadruk op de aspecten duurzaamheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid bij het maken en bevorderen van investeringen. Het besluit om het ECT op te zeggen staat los van de inzet op andere handels- en investeringsverdragen, die – in tegenstelling tot het ECT – naar hun aard sectorneutraal zijn.
Wat zou het ergste zijn wat er kan gebeuren als de Europese Unie uit het ECT stapt en de sunset clause van 20 jaar negeert? Zou dat erger zijn dan de schade aan het klimaat die het gevolg zou zijn van het nog langer beschermen van fossiele investeringen, juist in de komende beslissende jaren?
Nederland houdt zich aan zijn verplichtingen onder internationaal recht. Het is onjuist om te stellen dat het ECT en de sunset clause het onmogelijk maken om effectief klimaatbeleid te voeren. De verdragspartijen bij het ECT behouden het recht om te reguleren, om beleid te maken en uit te voeren. Dat principe geldt ook onder de sunset clausule. Indien overheden zich bij beleidsvoering houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur zou een overheid een claim niet hoeven te vrezen. Daar waar een overheid niet zorgvuldig handelt is het niet bezwaarlijk dat investeerders zich kunnen beroepen op bescherming.
Bent u bereid het ECT verdrag te toetsen aan andere verdragen zoals het Verdrag van Parijs, UN Handvest van de rechten van de mens en andere verdragen die in het leven zijn geroepen of mens, dier en natuur beschermen?
Het Kabinet heeft besloten het ECT op te zeggen omdat de modernisering het verdrag niet voldoende in lijn brengt met de Nederlandse inzet op klimaat en duurzaamheidsafspraken. Nu het voornemen tot opzegging is genomen is het volgens het kabinet niet nodig het ECT te toetsen aan andere verdragen.
De uitzending van In het vizier van De Jager over ouderenmishandeling |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van In het vizier van De Jager over ouderenmishandeling?1
Ik ken de uitzending. Het is duidelijk dat de betreffende cliënt niet op correcte wijze is bejegend, terwijl dat wel zou moeten. En dat is te betreuren.
Wat is uw reactie op het feit dat de klokkenluider die de misstanden binnen de instelling waar zij werkte naar buiten bracht om deze reden is ontslagen, terwijl deze misstanden niet werden beëindigd na interne meldingen?
Ik heb contact gehad met Vilente. Daar blijken enkele nuances. Het is aan de organisatie om een oordeel te geven over het ontslag van deze medewerker. Zij zijn tot dat besluit gekomen na een reeks van ontwikkelingen.
Heeft u zicht op het probleem van ouderenmishandeling binnen instellingen? Zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen?
Er is eerder onderzoek gegaan naar ouderenmishandeling in zorginstellingen. In 2004 verscheen «Ouderenmishandeling in het verpleeghuis, Ervaringen, kennis en behoeften van verpleeghuisartsen» (Bardelmeijer, Maastricht). Dit onderzoek is weliswaar ouder, maar heeft een inzichtelijke indeling. In augustus 2019 verschenen de resultaten van een landelijke survey, Ouderenmishandeling in intramurale zorginstellingen (Beke en Movisie).
Bent u bereid om zorginstellingen een handreiking te geven over het melden van ouderenmishandeling, aangezien in de uitzending duidelijk wordt dat het niet altijd duidelijk is voor instellingen wat wettelijk gezien moet worden gemeld als het gaat om ouderenmishandeling?
Hiervoor is een handreiking Veilige zorgrelatie beschikbaar (vindplaats www.veiligezorgrelatie.nl). Deze gebruikt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd als richtsnoer.
Er is ook een serious game over ouderenmishandeling, «Wie helpt», om breder kennis te verspreiden, zodat het gesignaleerd kan worden. Het is een interactieve game ontwikkeld door het Mentorschap West-Brabant, Rabobank Zuidwest-Brabant, tanteLouise, en vertegenwoordigers van het National Actieprogramma tegen kindermishandeling & Huiselijk geweld. Iedereen kan de game makkelijk en gratis op z’n telefoon/tablet installeren (app store en google play, developer Goal043 BV).
Aan de hand van filmpjes en vragen ga je door het spel en krijg je inzicht hoe je ouderenmishandeling kunt herkennen en wat je dan kunt doen. Op die manier wordt het bewustzijn rondom dit thema vergroot.
Wat is uw reactie op de berichtgeving in de uitzending dat het voor naasten vaak een zeer lastig traject is om door het doen van aangifte hun recht te halen?
Het doen van aangifte kan in sommige situaties noodzakelijk zijn, maar is niet altijd eenvoudig en leidt bovendien niet altijd tot een bevredigende uitkomst. Het verdient dan ook de voorkeur zo mogelijk eerst andere mogelijkheden uit te nutten, zoals in gesprek gaan met de zorgaanbieder. Dat vergroot de kans op onderling begrip.
Bent u het ermee eens dat het makkelijker moet worden voor zorgverleners om ouderenmishandeling binnen hun eigen instelling te melden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bereiken?
Ouderenmishandeling door medewerkers moet worden voorkomen en door mantelzorgers en/of familie tijdig worden gesignaleerd. Binnen zorginstellingen moet op een goede manier worden omgegaan met ouderenmishandeling. De organisatie moet daarvoor beleidsmatig aandacht hebben, ook wanneer sprake is van mishandeling door een medewerker.
De »Leidraad Veilige Zorgrelatie» is daarbij een richtsnoer. Daarnaast is een open en lerende cultuur in de organisatie cruciaal. Medewerkers zijn daarbij zelf ook belangrijk om dit onderling bespreekbaar te maken.
Bent u het ermee eens dat het gemakkelijker moet worden voor zorgverleners om misstanden binnen hun eigen zorginstelling te melden bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bereiken?
Zorgverleners kunnen mogelijke misstanden altijd melden bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd. Bij het meldpunt van de inspectie kunnen zorgaanbieders, zorgprofessionals en/of zorgverleners situaties melden die bijvoorbeeld een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van cliënten of de zorg.
Op deze manier is het mogelijk voor zorgverleners om (anoniem) melding te maken over hun eigen werkgever of over een collega instelling of zorgverlener. Daarnaast is er de «Leidraad Veilige Zorgrelatie». De IGJ ziet erop toe dat deze leidraad geïmplementeerd én nageleefd wordt. De IGJ gebruikt deze leidraad om te laten zien dat ouderenmishandeling uiteraard sterk wordt afgekeurd en erop toe wordt gezien dat zorgaanbieders ervoor zorgen dat dit niet kan gebeuren bij hun cliënten.
De tbs-capaciteit |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Rechters leggen vaker tbs op sinds moord Anne Faber, ook als verdachten niet meewerken aan onderzoek»?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Is het waar dat het dat aantal tbs-opleggingen in 5 jaar met bijna 60% is toegenomen? Heeft het aantal behandelplekken en personeelssterkte daar gelijke tred mee gehouden? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
Ja, er is sprake van een toename van 58% in 2021 ten opzichte van 2017 wat betreft het aantal zaken waarin TBS is opgenomen, blijkens onderstaande gegevens van de Raad voor de Rechtspraak in tabel 1.
Totaal
208
253
258
274
328
Voor een goed vergelijk neem ik hieronder de data van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) op, omdat DJI de onherroepelijk geworden opleggingen registreert en de Raad voor de Rechtspraak de oplegging in eerste aanleg. De bij DJI ingeschreven tbs-opleggingen in de afgelopen jaren zijn:
Totaal
201
231
231
268
343
In deze jaren is de gemiddelde capaciteit met ruim 100 plekken gegroeid van 1.396 in 2017 tot 1.490 in 2021. Daar waar de capaciteit is uitgebreid, is ook voldoende personeel beschikbaar om een afdeling te openen. Zonder personeel vindt geen uitbreiding plaats.
Gemiddeld
1.396
1.395
1.329
1.403
1.490
Hoe hoog is de jaarlijkse in- en uitstroom van de tbs-klinieken op dit moment?
Instroom definieer ik hier als het aantal eerste opnames in tbs.
Totaal
117
138
145
159
148
Het aantal tbs-gestelden dat instroomt in de tbs-kliniek, is afhankelijk van het aantal plekken dat vrij komt en daarmee ook van doorstroom naar een lager beveiligde setting en van uitstroom.
Uitstroom definieer ik hier als het aantal tbs-gestelden van wie de tbs met dwangverpleging onherroepelijk is beëindigd in een bepaald jaar. In 2017 is van 210 tbs-gestelden de dwangverpleging onherroepelijk beëindigd en in 2021 124. Deze daling past in de lijn dat ook het aantal keer dat de rechter de tbs met dwangverpleging – mogelijk in vervolg op proefverlof – voorwaardelijk beëindigt in die jaren is gedaald van 140 keer in 2017 en 56 keer in 2021.
Totaal
210
157
155
115
124
Totaal
140
120
75
55
56
Herinnert u zich het rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie «Geen kant meer op kunnen' van twee jaar geleden met als een van de conclusies dat er een gebrek aan personeel is, een hogere tbs-instroom terwijl het aantal behandelplekken niet meegroeide (Kamerstuk 29 452, nr. 239)? Zo ja, wat is er intussen concreet gedaan om deze situatie te verbeteren?
Ja, dit rapport herinner ik mij. Zoals aangegeven in vraag 2 is het aantal behandelplekken de afgelopen jaren gegroeid. Het aantal tbs-gestelden is echter harder gegroeid, gegeven de hogere instroom en de lagere uitstroom. Daarom wachten mensen in een gevangenis op een plek in een tbs-kliniek. Vooral de doorstroom naar vervolgvoorzieningen zorgt voor een verminderde doorstroom in en vanuit de tbs-klinieken.
Om deze groei het hoofd te bieden heb ik de noodzakelijke budgettaire maatregelen genomen. Het budget van de Dienst Justitiële Inrichtingen is in 2021 met 95 miljoen euro en in 2022 met 25 miljoen euro verhoogd om genoeg plekken te kunnen realiseren. Ook is het aantal plekken voor Forensisch Beschermd Wonen fors toegenomen van 1.147 in 2015 tot 2.193 in 2021.
Tevens zijn een aantal ontwikkelingen gestart die bijdragen aan meer grip op de capaciteit op de langere termijn. Zo heeft DJI een nieuwe inkoopstrategie ontwikkeld, waardoor er naar verwachting betere afspraken vastgelegd gaan worden in de contracten. En omdat de nieuwe contracten, die per 1 januari 2024 ingaan, meerjarig gaan gelden bieden we meer zekerheid aan zorgaanbieders. Omdat investeringen lange tijd vergen is die zekerheid belangrijk om te bieden.
Daarnaast wordt gewerkt aan doorontwikkeling van het Informatiesysteem Forensische Zorg (Ifzo) om dit systeem door te ontwikkelen naar een patiëntvolgsysteem. Daarmee krijgen we op termijn meer inzicht in hoe patiënten zich bewegen door de keten en daarmee of sprake is van passende en tijdige zorg. Tenslotte heb ik in de Voortgangsbrief Forensische Zorg van 9 juni jl. aangegeven dat ook een aantal verstrekkende en onconventionele maatregelen zijn verkend, waaronder het plaatsen van tijdelijke bouw voor patiënten. Vooralsnog is het niet mogelijk gebleken om dergelijke maatregelen toe te passen.
Zitten er tbs’ers in de gevangenis omdat er geen plekken beschikbaar zijn in een tbs-kliniek? Zo ja, hoeveel zijn dat er en deelt u de mening dat dit ongewenst is? En wat gaat u hieraan doen?
Op peildatum 5 september 2022 wachten er 118 personen in het gevangeniswezen op een plek in een TBS-kliniek, waarvan 73 in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Zoals ik in mijn brief van 27 september jl. heb aangegeven streef ik er altijd naar om alle terbeschikkinggestelden te plaatsen, maar dat lukt niet altijd.3 Over deze schaarste, en over de inspanningen om deze tegen te gaan, heb ik uw Kamer onder andere in de Voortgangsbrief Forensische zorg van 9 juni jl. geïnformeerd.4
Welke plannen bestaan er om het aantal behandelplekken bij tbs-klinieken te vergroten? Tot hoeveel extra plekken moet dit gaan leiden?
De afgelopen jaren is de capaciteit gegroeid, maar nog niet voldoende. Daarom is DJI voortdurend in contact met de tbs-klinieken om gezamenlijk te zorgen voor verdere uitbreiding van capaciteit de komende jaren, passend bij de behoefte voor de verschillende doelgroepen. De prognose is dat, dankzij aanvullende inspanningen van aanbieders, de capaciteit naar verwachting in 2026 afdoende is om in thans geprognosticeerde capaciteitsbehoefte te voorzien.
Deze realisaties zijn afhankelijk van meerdere factoren, zoals medewerking van het lokaal bestuur, maar ook het vinden van geschikt personeel op de krappe arbeidsmarkt en de beschikbaarheid en kosten van bouwmaterialen.
Wat is er gedaan om het personeelstekort op te lossen? Heeft dit het gewenste resultaat opgeleverd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat gaat u doen om alsnog het benodigd aantal personeelsleden te werven en is daar voldoende budget voor?
Vanuit de Taskforce Forensische zorg 2018 – 2021 is de arbeidsmarktcampagne «Werken in de forensische zorg» gestart. Via de website www.werkeninforensischezorg.nl, verschillende radiocommercials en een magazine over werken in de forensische zorg is het werk in deze belangrijke sector onder de aandacht gebracht. Daarnaast is er een toolkit beschikbaar voor instellingen voor forensische zorg om hen te helpen bij het werven van nieuw personeel. De intensivering van de arbeidsmarktaanpak is inmiddels afgerond, maar gebruik van de toolkit gaat volop door. Net als in de reguliere zorg heeft de forensische zorg te maken met personele krapte. Dit blijft de komende jaren een aandachtspunt.
Daarnaast wordt vanuit DJI en verschillende forensische zorginstellingen gewerkt aan de zichtbaarheid op de arbeidsmarkt in de vorm van wervingscampagnes voor de organisatie in zijn geheel en specifieke functies in het bijzonder. Er is een «werkenbij-site» gelanceerd, om mogelijk geïnteresseerden naartoe te geleiden, gecombineerd met interviews en filmpjes van huidige en nieuwe medewerkers die vertellen over wat hen boeit aan het werk. Er worden bijeenkomsten georganiseerd in klinieken voor geïnteresseerden en men is vertegenwoordigd op diverse beurzen voor (forensische) zorg.
Voor de rijksinstellingen zijn er aan het begin van 2022 aanvullende middelen beschikbaar gesteld in de aanpak van ziekteverzuim, inhuur en het voorfinancieren van nieuw personeel.
Hoewel er wel degelijk resultaten behaald worden met deze inzet, moet ik helaas concluderen dat er ook sprake is van een gespannen arbeidsmarkt. Ik blijf in gesprek met de forensische zorg-sector om te bezien hoe we met het arbeidsmarktvraagstuk kunnen omgaan.
Wat betekent de aanhoudende hoge werkdruk en onveilige werkomgeving voor het functioneren en welzijn van het personeel bij tbs-klinieken? Is er recent een medewerkertevredenheidsonderzoek geweest? Zo ja, wat was de uitkomst van dat onderzoek? Zo nee, kunt u dan zorg dragen dat dit alsnog gebeurt?
Werken in de forensische zorg is mooi maar ook ingewikkeld werk. Ik heb veel respect voor de medewerkers die bijdragen aan de veiligheid van de samenleving in een sector die altijd onder een vergrootglas ligt. In de klinieken is het essentieel dat er sprake is van een veilig leef- en werkklimaat voor zowel de tbs-gestelden als de medewerkers. Een hoge werkdruk is nooit goed, ook niet in tbs-klinieken.
Ten aanzien van medewerkerstevredenheidsonderzoeken binnen de tbs-klinieken is het meest recente onderzoek van de Rijksklinieken eind 2021 uitgevoerd.
Dit onderzoek laat onder meer zien dat men trots is op de inhoud van het vak en hen inspireert en werkplezier geeft.
Daarnaast ervaart men de samenwerking met collega’s als positief, durft men directe collega’s feedback te geven en kan men zichzelf zijn. Ten slotte is men ook positief over het (eigen) vakmanschap en het zichzelf continu bekwamen in het werk. Tegelijkertijd zijn er ook uitdagingen rondom werkdruk en de daarbij behorende herstelbehoefte en vermoeidheid. Dit maakt echter niet dat men het idee heeft overwerk niet te kunnen weigeren of geen vakantie op te kunnen nemen. Dit brede beeld (trots op werk, samenwerking collega’s en ervaren werkdruk) is herkenbaar bij de particuliere tbs-klinieken.
De Rijksklinieken hebben diverse acties ondernomen om opvolging te geven aan dit onderzoek. Op afdelingsniveau zijn uitkomsten meegenomen in een plan van aanpak dan wel in het afdelingsjaarplan: dit komt terug in periodieke gesprekken met directie en komt terug in de aanpak grip op verzuim.
De onderwerpen worden nadrukkelijk meegenomen in de structurele teamontwikkeling en intervisies, waar externe intervisoren en trainers betrokken zijn. Specifiek voor leidinggevenden wordt gezamenlijke intervisie georganiseerd, die zit op het goed vormgeven van duaal het leiderschap, hoe zorg je dat ieder zijn eigen rol en verantwoordelijkheid goed invult. En er is bijvoorbeeld op locatie een klankbordgroep in het leven geroepen die voor medewerkers vinger aan de pols houdt. Periodiek worden er ook interviews gehouden.
Medewerkerstevredenheid is ook een aspect van kwaliteit. Daarom is in het Kwaliteitskader Forensische Zorg ook opgenomen dat de resultaten van medewerkerstevredenheidsonderzoeken in de instelling met de professionals wordt besproken en bijvoorbeeld gebruikt in het kwaliteitsverslag. Het kwaliteitsverslag zal tevens aan de orde komen in de kwaliteitsgesprekken die in de toekomst met de instellingen gevoerd gaan worden.
Wat betekenen de structurele problemen ten aanzien van werkdruk en veiligheid bij tbs-klinieken voor de behandeling van tbs-patiënten? Belemmert dit de resocialisatie van tbs-patiënten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waar blijkt dat uit en kunt u garanderen dat die behandelingen en resocialisatie er niet onder zal gaan lijden?
Voorop staat dat tbs-klinieken een volwaardige behandeling bieden aan de patiënten. Waar die behandeling aan moet voldoen, is vastgelegd in het Kwaliteitskader forensische zorg en andere kwaliteitsstandaarden. Krapte in de personele bezetting en een hoge werkdruk kunnen een risico vormen om aan de geldende normen ten aanzien van een goede behandeling te voldoen. Dit is wel een continu punt van aandacht in de klinieken. Ook in de contractmanagementgesprekken tussen DJI en zorgaanbieders is dit onderwerp van gesprek. Ook evalueer ik de implementatie van het Kwaliteitskader tussentijds, juist ook om zulke signalen op te kunnen pakken.
Het bericht ‘Opsporing komt in gevaar door disfunctioneren tapkamer politie’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het bericht uit de NRC «Opsporing komt in gevaar door disfunctioneren tapkamer politie»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht. Op 4 oktober jl. heb ik ook een brief aan uw Kamer gestuurd met daarin mijn reactie op dit artikel (Kamerstuk 29628–1124).
Over hetzelfde bericht zijn ook schriftelijke vragen gesteld door de leden Helder en Wilders (PVV) met nummer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 369) en Simons (BIJ1) met nummer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 370). De vragen komen gedeeltelijk overeen; ik zal daarom de beantwoording van beide sets vragen gelijktijdig aan uw Kamer doen toekomen.
Wat is uw reactie op die informatie die NRC in de berichtgeving, naar aanleiding van gesprekken met politiefunctionarissen, naar buiten brengt over de problemen met het tapsysteem van de politie?
Ik begrijp de aandacht voor de systemen die onze politie gebruikt en ik erken dat het huidige systeem last heeft van storingen met wisselende impact. Het systeem dateert uit 2011, functioneert op dit moment voldoende maar is wel end-of-life. Daarom wordt het vervangen en wordt er hard gewerkt om een nieuw tapsysteem zo snel en zorgvuldig mogelijk te implementeren. Vanzelfsprekend wordt ook het huidige systeem continu gemonitord op verstoringen in het systeem en de veiligheid ervan.
Hoelang bent u al op de hoogte van het feit dat het tapsysteem van de politie al drie jaar niet werkt? Waarom komt dit nu pas naar buiten?
Het klopt dat het nieuwe tapsysteem voor de politie dat in 2019 is aangeschaft op dit moment nog wordt geïmplementeerd. Het beeld dat het tapsysteem al drie jaar had moeten werken klopt echter niet. In de afgelopen periode is gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie van het nieuwe systeem. Deze implementatie, en vervolgens de uitrol, kost tijd, omdat het complexe en gevoelige technologie betreft en de opsporing ondertussen door moet blijven gaan. De implementatie van een nieuw tapsysteem is een grote operatie waarbij het gaat om maatwerk. Systemen van een dergelijke omvang en complexiteit kennen dit soort doorlooptijden. Niet alleen worden alle technische omgevingen ingericht conform state of the art informatiebeveiliging, ook de koppelingen met de providers moeten worden ingericht, het moet voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving, die bijvoorbeeld een geheimhoudersfilter nodig maakt. Op 1 juli 2019 is uw Kamer per brief over deze voorbereiding geïnformeerd en op 29 mei 2020 over het verwachte tijdpad daarvan.
Mijn departement wordt met regelmaat door de politie geïnformeerd over de voortgang van de invoering van het tapsysteem. De Tweede Kamer is vanaf de start van de aanbesteding geïnformeerd over de werving van het nieuwe tapsysteem. Mijn ambtsvoorganger heeft op 1 juli 20192 de Kamer geïnformeerd over de aanschaf van het nieuwe systeem. Vervolgens is in 20203 gemeld dat vanwege de complexiteit van het gehele project de implementatie tot ten minste 2022 zal duren. In de afgelopen periode is gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie van het nieuwe systeem. Totdat dit volledig is geïmplementeerd blijft het huidige systeem operationeel.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer laakbaar is dat met het disfunctioneren van het tapsysteem, politiemensen en burgers in gevaar kunnen komen?
De politie laat mij weten dat er geen gevallen bekend zijn waarbij de veiligheid van politiecollega’s of te beschermen personen in het geding is gekomen door storingen in het tapsysteem. Ook laat de politie mij weten dat er geen gevallen bekend zijn waarbij opsporingsonderzoeken schade hebben opgelopen vanwege storingen in het systeem.
Het is goed om te realiseren dat de inzet van het tapsysteem een belangrijk middel in de opsporing is, maar slechts één van de hulpmiddelen in een onderzoek. Bij storing of uitval gebruikt de politie andere middelen of is ze in staat deze in te zetten waardoor de opsporing of de beveiliging gewaarborgd blijven.
Zijn er bij u gevallen bekend waarbij de veiligheid van burgers en/of politiemensen gevaar heeft gelopen wegens het disfunctioneren van het tapsysteem dat ook realtime gesprekken van criminelen afluistert en voertuigen van criminelen volgt?
De politie laat weten aan dat geen van bovenstaande gevallen bekend zijn. Het is daarnaast goed om te realiseren dat het overgrote deel van de tapgesprekken niet live wordt uitgeluisterd, maar op een later moment. Bij grote operaties worden altijd de nodige voorbereidingen getroffen en is de politie nooit afhankelijk van de inzet van één systeem of instrument.
Waarom is niet aan de voorkant, bij de aanbesteding, gecheckt of het mogelijk is om het tapsysteem van Elbit te implementeren in het Nederlandse ICT-en opsporingssysteem van de politie?
Vanzelfsprekend is dit wel nagegaan. Kennis van de ICT van de politie maakt onderdeel uit van het programma van eisen. Vervolgens heeft de politie hiervoor onder meer casuïstiek beoordeeld en een verificatiebezoek bij de leverancier uitgevoerd om zeker te stellen dat de leverancier hier aantoonbaar voldoet. Dat bleek het geval.
Wat waren de voorwaarden waar Elbit aan moest voldoen om leverancier van het tapsysteem voor de Nederlandse politie te worden?
Elbit is naar voren gekomen als de partij met de beste prijs/kwaliteit verhouding na een zorgvuldig doorlopen aanbestedingstraject. Hierbij waren de criteria onder meer functionaliteit, de mogelijkheden voor doorontwikkeling, security-eisen alsook de kosten. Bij de aanbesteding heeft politie de Europese aanbestedingsregels in acht genomen. De Europese aanbestedingsprocedure stond open voor aanbieders gevestigd binnen de lidstaten van de EU en voor aanbieders vallende onder de Government Procurement Agreement (GPA).
Waarom heeft Nederland het Belgische voorbeeld niet gevolgd en is het contract met Elbit opgezegd? Bent u van mening dat een niet werkend systeem alleen maar schade aan kan richten?
Ik heb geen inzicht in en kan geen mededelingen doen over de contracten van andere landen.
Op dit moment maakt de politie gebruik van een tapsysteem dat sinds 2011 draait en inmiddels end-of-life is. Er zijn geregeld storingen van wisselende impact. Dit is een belangrijke reden voor vervanging van dit systeem. Hierover is uw Kamer meermalen geïnformeerd, al vanaf de aanbesteding. Wel functioneert het huidige systeem tot op heden voldoende.
Kunt u aangeven wat er in het contract met Elbit staat over de garanties voor het tapsysteem? Zijn er voorwaarden verbonden aan de invoering? Is het nog mogelijk om het contract te ontbinden?
Ontbinding van het contract is altijd mogelijk, maar er is op dit moment geen aanleiding voor. Een dergelijke stap zou de opsporing in Nederland bovendien voor grote problemen plaatsen, omdat het niet mogelijk is om op korte termijn een nieuw tapsysteem te verwerven en te installeren. Zoals te doen gebruikelijk bevat het contract bepalingen over garantie alsook over de aflevering door Elbit en acceptatie door politie.
Door wie worden de externe technici betaald die al drie jaar lang pogen om het tapsysteem te laten werken? Is in het contract met Elbit bedongen dat deze kosten voor rekening van de leverancier zijn?
Implementatie gebeurt onder regie van een team van de politie waarbij ook externe inhuur wordt ingezet. Deze kosten zijn voor de politie.
Waarom is, in verband met de gevoeligheid van informatie, in de aanbesteding niet de voorkeur gegeven aan het Nederlandse tapsysteem van Fox-IT?
Het systeem Replay van Fox-IT werd vanaf 2003 ontwikkeld en destijds ingezet om IP-data te analyseren op basis van de toenmalige standaard voor de aanlevering van telecomgegevens door aanbieders. Het toenmalige tapsysteem kon dat nog niet. Replay is enkele jaren geleden al operationeel uitgefaseerd omdat telecomaanbieders zijn overgegaan op een andere standaard en deze functionaliteit in het huidige systeem is opgenomen. Voorts is Replay weliswaar in Nederland ontwikkeld, maar inmiddels is de ontwikkeling op deze software gestopt en bovendien al enige tijd onderdeel van een Amerikaanse firma die zich vooral richt op cybersecurity.
Overigens geldt voor de politie dat bij iedere leverancier veiligheid bovenaan staat. Ter borging daarvan zijn in het contract met Elbit onder andere diverse eisen met betrekking tot logging en monitoring vastgelegd. Verder voeren beveiligingsexperts van de politie en externe experts periodiek beveiligingsonderzoeken waaronder testen op kwetsbaarheden uit en is er constante monitoring van ongewenst netwerkverkeer. Hiermee worden kwetsbaarheden en risico’s tijdig in kaart gebracht. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse of buitenlandse leveranciers.
Kunt u aangeven waarom heimelijk, zonder de Tweede Kamer daarover te informeren, gebruik is gemaakt van een niet aanbesteed, aanvullend systeem, dat wel werkt? Waarom is de Tweede Kamer niet geïnformeerd over het gebruik van dit systeem?
In de tijd dat Replay ontwikkeld werd, vanaf 2003, was het niet gebruikelijk dit soort systemen te melden. De politie volgt de reguliere verwervings- en aanbestedingsprocedures en die worden niet standaard gecommuniceerd aan de Tweede Kamer. Sinds 2019 is de politie aangesloten op het stelsel van het Adviescollege ICT-toetsing voor projecten met een ICT-component van meer dan 5 miljoen euro. Via deze toetsing wordt uw Kamer geïnformeerd. Alle andere bijzonderheden meldt de politie via reguliere rapportages. Op basis van de rapportages van politie kan mijn ministerie besluiten de Kamer te informeren, bijvoorbeeld bij hoog risico. Overigens wordt over het algemeen terughoudend omgegaan met het publiek maken van de gebruikte systemen met het oog op veiligheidsrisico’s.
Is het mogelijk om het tapsysteem van het Nederlandse Fox-IT uit te breiden en door te ontwikkelen tot volledig werkend tapsysteem zodat niet meer met twee systemen naast elkaar gewerkt hoeft te worden?
Nee, op dit moment is het Replay IP-tapsysteem niet meer operationeel. De functionaliteit voor de verwerking van IP-data is opgenomen in het huidige tapsysteem. Overigens is Replay weliswaar in Nederland ontwikkeld, maar inmiddels is de ontwikkeling op deze software gestopt en bovendien is al enige tijd onderdeel van een Amerikaanse firma die zich vooral richt op cybersecurity. Voorts wordt de standaard waar dit systeem op werkte door de telecomaanbieders niet meer gebruikt.
Kunt u aangeven waarom het Nederlandse tapsysteem Replay van Fox-IT inmiddels uit de lucht is gehaald?
Replay werd ingezet om IP-data te analyseren op basis van de toenmalige standaard voor de aanlevering van telecomgegevens door aanbieders. Omdat telecomaanbieders zijn overgegaan op een andere standaard en deze functionaliteit in het huidige systeem is opgenomen is Replay uitgefaseerd.
De ontwikkeling op deze software is gestopt en bovendien is Replay al enige tijd onderdeel van een Amerikaanse firma die zich vooral richt op cybersecurity.
Voor cold cases blijft Replay beschikbaar omdat de politie beschikt over een eeuwigdurende licentie.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat we over drie maanden niet zonder tapsysteem zitten nu Cognyte aangeeft de stekker uit het sterk verouderde systeem, de enige back-up, te trekken?
De politie heeft mij laten weten dat het huidige tapsysteem end-of-life is, maar nog steeds voldoende functioneert. Met de huidige leverancier is een contract afgesloten voor 2023. De politie monitort haar systemen continu op stabiliteit en veiligheid en eventuele storingen of andere problemen worden direct opgepakt.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor het commissiedebat Politie van 20 oktober, beantwoorden?
Ja.
Het uitbuiten van kwetsbare jongeren voor (waarschijnlijk) hogere kijkcijfers |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het tv-programma Dreamschool?1 en het programma Roddelpraat waaruit blijkt dat kwetsbare jongeren door het programma Dreamschool worden misbruikt, (waarschijnlijk) voor het halen van hogere kijkcijfers?2
Ja, ik ben bekend met de programma’s Dream School en Roddelpraat.
Wat vindt u van het feit dat kwetsbare jongeren voor programmadoeleinden worden misbruikt voor (waarschijnlijk) hogere kijkcijfers en dat er ruzies geforceerd in scene worden gezet? Kunt u een toelichting geven?
Voorop staat dat publieke omroepen zelf vorm en inhoud bepalen van het media-aanbod. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud en de vormgeving van programma's. Ook bevat de Mediawet 2008 geen regels over de omgang met deelnemers aan programma’s van publieke omroepen. Dit laat onverlet dat omroepen en programmamakers opereren in een maatschappelijke context en zich bewust moeten zijn van de impact die hun handelen op het publiek of deelnemers heeft. Zij hebben een verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met mensen die deelnemen aan programma's.
De betreffende publieke omroep NTR en producent No Pictures Please geven aan zich zeer bewust te zijn van de kwetsbaarheid van deze jongeren en geven aan dat er geen sprake is van het in scène zetten van ruzies. De begeleiding rond Dream School bestaat uit een uitgebreide selectieprocedure waarbij psychologen betrokken zijn, begeleiding door dezelfde psychologen en wordt met de deelnemer besproken of er behoefte is aan meer ondersteuning dan wat standaard wordt aangeboden in het nazorgtraject. Wel kunnen deelnemers soms in een afhankelijke positie terechtkomen of gebracht worden. Daar hoort geen misbruik van gemaakt te worden.
Wat vindt u van het feit dat een oud-deelnemer van het programma stelt dat er van de beloofde nazorg richting de kwetsbare jongeren helemaal niets terecht komt? Kunt u een toelichting geven?
Volgens de NTR is de in het YouTube-programma Roddelpraat genoemde deelnemer, een deelnemer uit het tweede seizoen van dit programma in 2018. Door uw Kamer zijn in 2019 mondelinge vragen3 over dit programma gesteld naar aanleiding van vergelijkbare kritiek van de deelnemers. De NTR en de producent hebben zich de kritiek van de deelnemers destijds aangetrokken en heeft de nazorg verder geprofessionaliseerd.4 Ook de betreffende deelnemer is volgens de NTR deze nazorg aangeboden, maar heeft hij er zelf geen gebruik van gemaakt. Volgens de NTR is er voor het nazorgtraject voor deelnemers sindsdien tot tenminste een half jaar na de opnamen een gespecialiseerd bureau beschikbaar dat een actieve rol heeft bij de ondersteuning van de leerlingen in de stappen die zij willen zetten na Dream School, zoals het zoeken en vinden van opleiding of werk. Deze begeleiding wordt zowel telefonisch uitgevoerd als door middel van huisbezoeken en het vergezellen van deelnemers tijdens bijvoorbeeld sollicitatiegesprekken en intakes op opleidingen. Als er meer gespecialiseerde zorg nodig is in het nazorgtraject wordt de deelnemer in samenwerking met de psycholoog, ondersteund bij het vinden van deze hulp in de eigen omgeving.
Wat vindt u van het feit dat minderjarige deelnemers wurgcontracten moeten tekenen, waarin bijvoorbeeld staat dat zij, op straffe van 5.000 euro, niet met de pers mogen praten? Kunt u een toelichting geven?
Tot 2019 tekenden deelnemers van Dream School inderdaad een overeenkomst met daarin een boeteclausule van € 5.000,- voor het praten met de pers. Specifiek voor het programma Dream School zijn er echter geen boetes opgelegd. Deze clausules waren volgens de NTR en de producent vooral bedoeld om deelnemers ervan bewust te maken dat deelname geen vrijblijvende afspraak is. Mede naar aanleiding van de mondelinge vragen van uw Kamer in 2019 worden er volgens de NTR geen boeteclausules meer opgenomen in de overeenkomsten met deelnemers van Dream School vanwege de kwetsbaarheid van de doelgroep.
Welke stappen gaat u ondernemen tegen het programma Dreamschool? Kunt u een toelichting geven?
Naar aanleiding van de reactie van de NTR, zie ik geen aanleiding om nadere stappen te ondernemen.
De bescherming van vangrails voor moderne auto’s |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Help, de moderne auto is te zwaar voor de vangrail»?1
Ja.
Staan er langs het Nederlandse wegennet (Rijks- en provinciale wegen) vangrails die niet meer voldoen aan de meest recente kwaliteitseisen? Zo ja, op hoeveel kilometer vangrail is dit van toepassing?
Op het Rijkswegennet voldoen geleiderails aan de meest recente kwaliteitseisen zoals gesteld in de Europese norm2. Over de kwaliteit van de geleiderails op provinciale wegen heeft Rijkswaterstaat geen informatie beschikbaar. Decentrale wegbeheerders zijn zelf verantwoordelijk voor de controles op de kwaliteitseisen voor geleiderails op hun wegen (het onderliggend wegennet). Voor provinciale wegen gelden echter wel richtlijnen waarin ook naar de kwaliteitseisen wordt verwezen uit de bovengenoemde Europese norm.
Op basis van welke kwaliteitseisen worden vangrails geplaatst, onderhouden en vervangen? En zijn deze kwaliteitseisen onlangs herzien? Zo nee, waarom niet?
De kwaliteitseisen, waaronder het zogenaamde «kerend vermogen» van geleiderails op Rijkswegen is gebaseerd op de Europese norm EN 1317–2. Deze eisen zijn niet onlangs herzien. Deze Europese norm is ongewijzigd sinds 2010.
De geleiderails langs Rijkswegen worden getest door middel van botsproeven met een personenauto van 900 kg én een autobus van 13.000 kg. (cf. de Europese norm2). Dit niveau van kerend vermogen wordt al decennia lang toegepast op de Rijkswegen.
Het AD-artikel beschrijft testen met auto’s in drie gewichtsklassen: 900, 1.300 en 1.500 kg. Aangezien de botsproef voor geleiderail langs rijkswegen met een autobus van 13.000 kg wordt uitgevoerd, is het huidige veiligheidsniveau van de geleiderails ook voldoende voor de steeds zwaarder wordende personenvoertuigen (elektrisch, SUV).
Is de veiligheid van de automobilist die een moderne auto bezit, nog voldoende gewaarborgd met de huidige vangrails?
Ja, zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de kwaliteitseisen van nieuwe vangrails te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van IenW ziet op dit moment geen aanleiding om de veiligheidseisen voor nieuwe geleiderails aan te scherpen. Het huidige veiligheidsniveau van de geleiderails op Rijkswegen is ook voldoende voor de steeds zwaarder wordende personenvoertuigen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de vangrails langs onze wegen?
Nee, het Ministerie van IenW maakt zich geen zorgen over de kwaliteit van de geleiderails langs de Rijkswegen. Tot op heden zijn er geen situaties bekend waarbij de geleiderails langs Rijkswegen onvoldoende hebben gefunctioneerd bij het keren van de steeds zwaarder wordende personenvoertuigen.
Het bericht “Beschermd bos als biomassa opgefikt: ‘Plundering’” |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Beschermd bos als biomassa opgefikt: «Plundering»» in de Telegraaf van 9 september 2022?1
Ja.
Kunt u uitsluiten dat deze houtpellets uit deze Natura 2000-gebieden en andere natuurreservaten op de Nederlandse markt zijn beland? Zo nee, zijn er onderzoeksresultaten die uw reactie ondersteunen?
Ik kan niet uitsluiten dat er pellets uit de betreffende gebieden in Nederland zijn beland. Wel staat in de jaarlijkse rapportage van Platform bioEconomie vermeld dat minder dan 1,5% procent van de biogrondstoffen die in Nederland gebruikt worden voor energietoepassingen, komen uit de categorie «EU-overig». Roemenië, Bulgarije, Slowakije en Polen, genoemd in het artikel, vallen allemaal onder deze categorie.
Verder geldt dat biogrondstoffen in Nederland alleen als duurzaam worden aangemerkt wanneer deze voldoen aan strenge eisen, zoals is geregeld onder het systeem van certificering. Wanneer mogelijke misstanden uit dit systeem zich voordoen neemt het kabinet deze zeer serieus. Zo heeft het kabinet vorig jaar naar aanleiding van signalen over biogrondstoffen uit Estland een onafhankelijk onderzoek ingesteld door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). De NEa heeft toen vastgesteld dat eventuele tekortkomingen afdoende zijn onderzocht door de certificeerder en er geen aanwijzingen waren dat in Estland bos structureel niet duurzaam beheerd wordt. Het systeem van certificering heeft daarmee naar behoren gewerkt.
Bent u het ermee eens dat houtige biomassa van hele bomen uit beschermde natuurgebieden niet duurzaam is? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van houtige biomassa van hele bomen uit beschermde natuurgebieden is in de regel niet duurzaam, maar kan onder enkele specifieke omstandigheden toch toegestaan zijn. Het kan hier bijvoorbeeld gaan over het gebruik van beschadigd of verrot hout, of wanneer boskap noodzakelijk is voor het behoud van de brandveiligheid van een natuurgebied. In deze gevallen gelden dan wel strenge regels, zoals in de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED) vastgesteld. Deze vereisen onder andere dat gebieden die bij internationaal of nationaal recht zijn aangewezen voor natuurbeschermingsdoeleinden worden beschermd, en dat het oogsten zodanig wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden.
Wat vindt u ervan dat het, ondanks dat er al duurzaamheidseisen worden gesteld, toch gebeurt dat er bomen in beschermde bossen in Oost-Europa worden gekapt en verkocht als «klimaatneutrale biomassa» en verbrand in de rest van Europa?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van de leden Wassenberg en Van Raan over het artikel «Stukken bos kaalgekapt in Estland voor Nederlandse biomassacentrales» en wat uw reactie was? (Aanhangsel handelingen, vergaderjaar 2019-2020, nr. 4025).
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat houtige biomassa een duurzame oplossing is in de klimaatcrisis? Zo ja, waarom staat er in het coalitieakkoord dan dat houtige biomassa voor energiedoeleinden in Nederland wordt afgebouwd, en dat er duurzame alternatieven voor moeten worden gevonden? Zo nee, bent u dan alsnog bereid om er in Europa voor te pleiten om houtige biomassa toch uit de nieuwe Richtlijn Hernieuwbare Energie te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voor het bereiken van een klimaatneutrale en circulaire samenleving in 2050 ziet het kabinet een belangrijke rol weggelegd voor de inzet van duurzame biogrondstoffen. Biogrondstoffen zijn onmisbaar om de afhankelijkheid van (geïmporteerde) primaire fossiele grondstoffen en minerale delfstoffen te beëindigen, bijvoorbeeld in de chemie, de bouw en bij de productie van brandstoffen voor de lucht- en scheepvaart.
Tegelijkertijd heeft het kabinet oog voor de zorgen die in de samenleving leven over houtige biogrondstoffen. Zorgen over onder meer luchtkwaliteit, ontbossing, verlies aan biodiversiteit en daarmee de duurzaamheid van biogrondstoffen. Daarom is begin dit jaar gekozen om de transitie naar hoogwaardige toepassingen van biogrondstoffen te versnellen door de afgifte van nieuwe subsidies voor lagetemperatuurswarmte – een vorm van laagwaardig gebruik – per direct te stoppen.
Erkent u dat de inzet van houtige biomassa altijd gepaard gaat met het risico dat de regels die de EU eraan stelt niet worden nageleefd? Zo nee, waarom niet?
Per definitie bestaat er een risico dat de regels niet worden nageleefd. Daarom is het voor het kabinet een prioriteit om via de duurzaamheidscriteria en het systeem van certificering dit risico zoveel mogelijk te beperken, en eventuele misstanden zo snel mogelijk te adresseren.
Hoeveel aanwijzingen verwacht u nog nodig te hebben om met voldoende zekerheid te kunnen zeggen dat de huidige vorm van certificering misschien toch niet deugt?
Zoals onder het 2 is vermeld, neemt het kabinet mogelijke misstanden zeer serieus. Na uitgebreid onderzoek naar misstanden over biogrondstoffen uit Estland door de NEa is geconcludeerd dat het systeem van certificering naar behoren werkt. De NEa ziet tegelijkertijd ook voldoende aanleiding om de opzet en uitvoering van het duurzaamheidssysteem op onderdelen te verbeteren, onder andere op transparantie, niveau van duurzaamheidsborging en stakeholderconsultatie.2 Het kabinet zal de komende tijd bekijken hoe de adviezen van de NEa verwerkt kunnen worden in de aanscherping van de duurzaamheidseisen.
Hoeveel risico bent u bereid te nemen met de natuur?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat dit risico en de negatieve gevolgen voor het klimaat en biodiversiteit steeds groter worden naarmate er meer houtige biomassa wordt gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven is de inzet van duurzame biogrondstoffen voor hoogwaardige toepassingen van groot belang om een klimaatneutrale en circulaire economie te bereiken in 2050. Een aanzienlijk deel van onze economie en levenswijze is momenteel gebaseerd op het gebruik van primaire fossiele grondstoffen en minerale delfstoffen. Om de klimaat- en circulariteitsdoelen te halen moet deze afhankelijkheid zover mogelijk gereduceerd worden door het grondstoffenverbruik te verminderen, grondstoffen opnieuw te gebruiken en te vervangen door hernieuwbare alternatieven.
Hierin spelen biogrondstoffen ook een rol, mits deze op een duurzame wijze tot stand komen, en alleen wanneer deze grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk ingezet worden. Hierbij wordt ook een eerlijke Nederlandse aanspraak op de wereldwijd beschikbare grondstoffen meegenomen, zoals wordt geadviseerd in het SER-rapport Biomassa in Balans.
Leidend bij de inzet van biogrondstoffen is dat duurzame biogrondstoffen alleen ingezet worden wanneer dit past in het eindbeeld of in de transitie daarnaartoe. Daar waar op korte termijn alternatieve verduurzamingstrategieën beschikbaar komen, zet het kabinet in op afbouw van de subsidie op de inzet van biogrondstoffen. Biogrondstoffen worden alleen gestimuleerd wanneer er geen goede alternatieven voor zijn.
Op welke manier kan het blijven kappen van bomen (uit beschermde bossen) duurzaam zijn in een Nederland en Europa waarin mensen nog steeds leven alsof er meerdere aardbollen zijn?2
Zie antwoord vraag 10.
Waarom zet u niet meer in op besparing (in de productie en consumptie van energie en andere dingen) (ook in de EU-onderhandelingen), zodat de veronderstelde noodzaak om houtige biomassa te gebruiken, wegvalt? Bent u bereid dit alsnog te doen? Zo nee, wat houdt u tegen? Zo ja, hoe gaat u dit oppakken?
Energiebesparing is een prioriteit van het kabinet, want het verlaagt de energierekening, maakt ons minder afhankelijk van (Russisch) gas en spaart het klimaat. Daarom heb ik mij gedurende de Fit-For-55-onderhandelingen steevast ingezet voor ambitieuze energiebesparingsdoelen op EU-niveau. Ik zal dit blijven doen tijdens de voortzetting van deze onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad de komende maanden. Nederland bevindt zich daarmee in de kopgroep van de EU. Nationaal zet ik in op energiebesparing met de campagne «Zet Ook de Knop Om» die huishoudens en bedrijven oproept en tips geeft om energie te besparen. Uiteraard is hier ook een belangrijke voorbeeldrol voor de overheid zelf en deze zal ik blijven stimuleren en uitdragen. Daarnaast scherp ik de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen in 2023 aan. Meer maatregelen en meer bedrijven vallen dan onder deze plicht en zullen besparingsmaatregelen moeten treffen. Met extra middelen versterk ik bovendien het toezicht en handhaving op deze plicht. Ik verwijs verder naar mijn brief van juli jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 793).
Kunt u bevestigen dat er voor het klimaatbeleid van Nederland en de EU natuur en biodiversiteit wordt opgeofferd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt middels het klimaatbeleid het gebruik van duurzame biogrondstoffen voor hoogwaardige toepassingen. In de duurzaamheidscriteria is opgenomen dat de biodiversiteit in stand gehouden dient te worden en waar mogelijk versterkt. Zo moeten maatregelen zijn getroffen voor de bescherming van beschermde en bedreigde planten- en diersoorten, en indien van toepassing voor de versterking van de populatie en hun habitat.
Bent u nog steeds van mening dat bosbeheer primair de verantwoordelijkheid is van de lidstaten zelf, zoals u aangaf in uw antwoord op eerdere schriftelijke vragen van de Partij voor de Dieren?
Ja.
Hoe ziet u de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid die het verbranden van bomen zelfs met miljarden subsidieert en houtige biomassa ook aanbeveelt in de Europese Unie?
Zoals hierboven vermeld is, zijn biogrondstoffen van groot belang om een klimaatneutrale en circulaire economie te bereiken in 2050. Het is de verantwoordelijkheid van het kabinet om te zorgen dat er een robuust systeem voor de borging van duurzaamheid van biogrondstoffen is, en dat deze actief gecontroleerd wordt. Daarom zet het kabinet zich in voor strenge duurzaamheidseisen en een systeem waarin biogrondstoffen alleen ingezet worden wanneer dit past in het eindbeeld of in de transitie daarnaartoe, zowel in Nederland als in Europa.
Bent u zich ervan bewust dat u medeplichtig kan worden aan wat ecocide genoemd kan worden? Zo nee, waarom niet? Wat heeft dit bewustzijn voor u veranderd?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht ‘Jo kan al maanden niet de deur uit omdat zijn geleidehond is afgepakt’ |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jo kan al maanden de deur niet uit omdat zijn geleidehond is afgepakt»?1
Ja.
Kunt u aangeven wie de formele eigenaar van de blindengeleidehond is? Is dat de persoon met een handicap of de opleidingsschool?
Doorgaans is een hondenschool eigenaar van de blindengeleidehond. Gebruikers krijgen daartoe de geleidehond in bruikleen gedurende de periode dat de hond aan het werk is en tekenen daarvoor een bruikleenovereenkomst. Daarbij worden de blindengeleidehonden vergoed door de zorgverzekeraar vanuit de Zorgverzekeringswet.
Zijn er regels als een persoon met een handicap door ziekte of ziekenhuisopname tijdelijk niet meer voor zijn hulphond kan zorgen?
Zoals eerder aangegeven in mijn antwoorden op vragen van het lid-Westerveld2 bestaan er verschillende soorten assistentiehonden. Drie daarvan worden vergoed vanuit het basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw): de blindengeleidehond voor verzekerden die blind of slechtziend zijn, de signaalhond voor verzekerden die doof zijn en de ADL-hond voor mensen met een ernstige stoornis in het bewegingssysteem (hand en arm). Daarnaast zijn er enkele soorten psychosociale hulphonden die gemeenten (gedeeltelijk) kunnen vergoeden als maatwerkvoorziening op grond van hun beleidsvrijheid binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
Hondenscholen die assistentiehonden aanbieden op grond van een vergoeding uit de Zorgverzekeringswet hebben een contract met de zorgverzekeraar. Het ligt aan de individuele zorgverzekeraar en hondenschool wat in het contract is opgenomen over terugname van de hond, of wat er is geregeld qua continuïteit van zorg. Daarnaast kunnen er bepalingen worden opgenomen in de bruikleenovereenkomst tussen de hondenschool en de gebruiker waarin is beschreven in welke gevallen de hond kan worden teruggenomen.
Indien een gebruiker van een assistentiehond die vanuit de Wmo is vergoed om wat voor reden dan ook niet voor de assistentiehond kan zorgen, dient deze of diens vertegenwoordiger daar melding van te maken bij de gemeente. Het ligt aan een eventueel contract tussen gemeente en hondenschool en/of bruikleenovereenkomst tussen de gebruiker en hondenschool wat er vervolgens gaat gebeuren met de assistentiehond in kwestie. Door middel van bijvoorbeeld een keukentafelgesprek kan de gemeente bekijken welke aanvullende voorzieningen kunnen worden verstrekt vanuit de Wmo.
Hondenscholen die zijn aangesloten bij de Assistance Dogs International (ADI) of International Guide Dog Federation (IGDF) zijn verplicht nazorg te leveren. Doorgaans is er een voortraject waarbij de cliënt geholpen wordt om die interventies te doen die noodzakelijk zijn om het welzijn van de hond of het goed functioneren van de combinatie te borgen. Als blijkt dat na een afgesproken tijd de interventies niet helpen, dan wordt de hond – liefst in overleg met de gebruiker – teruggenomen.
Zijn er verschillende regelingen voor verschillende soorten hulphonden?
Zie antwoord vraag 3.
Als de opleidingsschool zich op het standpunt stelt dat de persoon met de beperking niet goed voor zijn hond zorgt of kan zorgen, wordt er dan begeleiding en advies aangeboden hoe dit te verbeteren is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe werkt de klachtenafhandeling bij opleidingsscholen van hulphonden? Hebben opleidingsscholen voor hulphonden eigenstandige klachtenprocedures of een gezamenlijke geschillencommissie?
Hondenscholen die zijn aangesloten bij ADI en IGDF zijn verplicht een geschillenregeling te hebben. Ook de zorgverzekeraar kan in de overeenkomst met de hondenschool afspraken maken over een klachtenregeling. Bij klachten rondom blindengeleidehonden kunnen ook de Oogvereniging en de branchevereniging Blindengeleidehondenscholen Nederland ingeschakeld worden als onafhankelijke partij. Momenteel wordt er een branchevereniging Aanbieders Dier en Zorg opgericht voor dieren in de zorg, waar een onafhankelijke klachtencommissie onderdeel van zal uitmaken. Deze branchevereniging zal naar verwachting eind 2022 van start gaan.
In mijn antwoorden op de eerdergenoemde vragen van het lid-Westerveld van 2 september jl., heb ik aangegeven dat ik een verkenning gestart ben, onder andere met een gespreksronde langs opleiders van assistentiehonden en assistentiehondengebruikers, om te onderzoeken hoe de conformiteitsbeoordeling3 en het toezicht rondom een Europese norm4 voor assistentiehonden kan worden vormgegeven in Nederland. In de afwegingen bij het conformiteitsstelsel zal ik ook de mogelijkheid van een klachtenregeling betrekken. Het gaat dan niet alleen om een klachtenregeling over geschillen met scholen van geleidehondengebruikers, maar voor de hele sector van geaccrediteerde hondenscholen.
Het bericht dat één op de vijf Rotterdamse jongeren een wapen heeft of wel eens draagt |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat één op de vijf Rotterdamse jongeren een wapen heeft of wel eens draagt?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het on-Nederlands is dat het bezit van wapens en het praten over wapenbezit steeds meer normaliseert onder jongeren? Hoe kan volgens u deze trend van normalisatie worden doorbroken?
Wapenbezit en -gebruik zijn inderdaad niet normaal, dat zijn wij volledig met u eens. Juist daarom zijn we in 2020 gestart met het actieplan Wapens en Jongeren, waarin preventieve, proactieve en repressieve maatregelen opgenomen zijn om de trend te doorbereken. Dat voeren wij uit samen met de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en in samenwerking met gemeenten, politie en andere mensen en (lokale) organisaties die om jongeren staan.
Er wordt vol ingezet op het beperken van wapenbezit. Zo verkopen veel winkels uit de retailbranche na gesprekken met het Ministerie van Justitie en Veiligheid en gemeenten al vrijwillig geen messen meer aan minderjarigen en wordt gewerkt aan een verbod op de verkoop hiervan aan minderjarigen en het dragen van messen in het openbaar. Vorig jaar is een landelijke wapeninleveractie gehouden, waarbij 3300 wapens zijn ingeleverd. Hiermee laten we duidelijk zien dat het niet normaal is om een mes te hebben of te dragen.
Daarnaast zetten we in op bewustwording onder jongeren van de risico’s van wapenbezit. Lokaal zijn al diverse campagnes gestart, vaak financieel ondersteund door mijn ministerie, die zich richten op jongeren. Verder kunt u denken aan een les van Halt of het Openbaar Ministerie voor de klas. Ook worden jongeren betrokken in de ontwikkeling van campagnes en is er contact met partijen als de Moeder is de sleutel die aandacht vragen voor de impact van de directe omgeving op de jongeren. Er zijn diverse producten ontwikkeld die organisaties helpen in hun aanpak. Deze zijn verzameld in een online toolbox van het Centrum voor Criminaliteitsbestrijding en Veiligheid. De bedoeling van deze producten is om de jongeren en hun omgeving te bereiken en de normalisering tegen te gaan.
Heeft u zicht op de vraag of deze hoge cijfers van jongeren met een wapen op meerdere plekken in Nederland een trend zijn? Zo ja, hoe zien deze cijfers eruit?
De politie heeft een methodiek ontwikkeld om in Basisvoorziening Handhaving (BVH) te zoeken naar registraties gerelateerd aan steekwapenbezit en -gebruik door jongeren. Daarbij zal altijd wel rekening gehouden moeten worden met een foutmarge: bepaalde registraties zullen worden geselecteerd, terwijl het niet om steekwapenbezit of -gebruik gaat. Met dit voorbehoud kan het volgende worden gemeld.
Cijfers over het eerste half jaar 2022 laten zien dat het aantal minderjarigen of jongvolwassenen dat wordt aangehouden als verdachte van een steekincident binnen de categorie zwaar/fataal geweld, lijkt te stabiliseren. In de eerste zes maanden van dit jaar gaat het om 320 verdachten. Dat is nagenoeg gelijk aan dezelfde periode in voorgaande jaren.
In de leeftijdscategorie 12 tot en met 17 jaar is een zeer lichte daling te zien als het gaat om aangehouden verdachten van steekincidenten binnen de categorie zwaar/fataal geweld. In de eerste helft van dit jaar gaat het om 150 verdachten, tegenover 160 in dezelfde periode in 2021 en 170 in de eerste zes maanden van 2020.
In de categorie 18 tot en met 22 jaar bleef het aantal verdachten binnen de categorie zwaar/fataal geweld gelijk ten opzichte van een jaar eerder: 170. In de eerste helft van 2020 waren er nog 165 verdachten.
Wat vindt u van de uitkomst van het onderzoek van de Erasmus Universiteit, waaruit blijkt dat jongeren zich bewapenen omdat ze zich onveilig voelen of omdat ze worden bedreigd?
Het is zorgelijk dat jongeren zich onveilig of bedreigd voelen of bedreigd worden (zie ook het antwoord op vraag2. Ook is het zorgelijk dat zij dat gevoel willen wegnemen door het dragen van een wapen. Daar wordt de situatie immers alleen maar onveiliger van. Anders dan menig jongere denkt, leidt het dragen van een wapen juist tot een grotere kans dat er wapen gerelateerd geweld plaatsvindt. De drager van een wapen voelt zich zelfverzekerder en is met een wapen op zak minder geneigd een conflict te sussen of uit de weg te gaan.
Wat is er naar uw mening nodig om ervoor te zorgen dat het gevoel van onveiligheid in wijken afneemt? Aan welke concrete maatregelen moeten we denken?
Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op onveiligheidsgevoelens van wijkbewoners. Te denken valt aan persoonlijke factoren, maar ook de criminele, sociale en fysieke omgeving en ten slotte de aanwezigheid van organisaties en professionals die verantwoordelijkheid hebben voor veiligheid in de wijk, spelen hierbij een belangrijke rol.
Op wijkniveau investeren wij in een brede preventieve aanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit. Hierover is uw Kamer op 1 juli jl. geïnformeerd.3 Eerder dit jaar is aan 15 gemeenten gevraagd om in hun meest kwetsbare gebieden een domeinoverstijgende en gebiedsgerichte aanpak neer te zetten. Die bestaat uit het bieden van kansen aan jongeren die kwetsbaar zijn om in de criminaliteit te geraken, maatregelen in de sociale, fysieke en online leefomgeving van de jongeren en het versterken van de gemeente en justitiële partners in de wijk. De aanpak moet voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in aanraking komen met criminaliteit of daarin verder doorgroeien. Vanuit de beschikbare middelen vanuit het Coalitieakkoord wordt het aantal gemeenten in de komende jaren nog verder uitgebreid. Uw Kamer zal jaarlijks worden geïnformeerd over de voortgang van deze brede preventieaanpak met een voortgangsbrief voor de zomer.
Herinnert u zich het Actieplan Wapens en Jongeren dat uw voorganger heeft gelanceerd (Kamerstuk 28 684, nr. 637)? Kunt u een update geven over de voortgang van dit actieplan? Welke acties kunt u extra ondernemen om de effectiviteit van dit actieplan te vergroten?
Het actieplan Wapens en Jongeren is ons bekend. De looptijd van het actieplan is nog niet voorbij en we zien aan de incidenten dat het onderwerp helaas nog steeds actueel is. Zie voor de voortgang en tot nog toe uitgevoerde acties het antwoord op vraag 2. De aanpak van deze problematiek is er een van een lange adem. Begin 2023 wordt er een besluit genomen over de voortzetting van de aanpak. Dan is de looptijd van het huidige actieplan voorbij. Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd van het actieplan Wapens en Jongeren, waarvan we begin 2023 het rapport verwachten. Dan heeft ook de politie de jaarcijfers over 2022 beschikbaar. Al deze informatie moet ons helpen bij het nemen van het besluit over de borging en het vervolg van de aanpak. Uw Kamer zal na dit besluit worden geïnformeerd over de uitvoering van het actieplan en het vervolg van de aanpak.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat, ondanks met de vernieuwde wetgeving waarin de verkoop van messen aan minderjarigen is verboden, ouders geen messen aan hun kinderen cadeau kunnen doen?
Het wetsvoorstel waarmee verkoop van messen aan minderjarigen verboden wordt, draagt ook bij aan een normstelling. Het is immers niet normaal dat jongeren in het bezit zijn van een mes en dat wordt met dat voorstel onderstreept.
De komende tijd blijven wij ons samen met de partners inzetten om dit probleem – dat zich breder voordoet dan in Rotterdam – tegen te gaan.
Een incident van grensoverschrijdend gedrag binnen de tbs-kliniek Oostvaarders in Almere |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Verdenking van verkrachting patiënte zet Almeerse inrichting opnieuw in schijnwerpers» en het artikel «Algemeen directeur tbs-instelling Oostvaarderskliniek stapt op»?1 2
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Wat is uw mening over het feit dat deze kliniek nu weer in opspraak is gekomen, deze keer naar aanleiding van grensoverschrijdend gedrag van een medewerker?
Voor de individuele casus waar u aan refereert acht ik de ingezette acties voldoende. In de Oostvaarderskliniek is echter sprake van meerdere meldingen in een korte periode. Dit baart mij zorgen. DJI laat door een externe partij onderzoek doen en stelt een interim- directeur aan met als specifieke opdracht om de benodigde veranderingen tot stand te brengen. De Inspectie Justitie en Veiligheid zal bij de opzet van het onderzoek betrokken worden. De Inspectie zal het onderzoek nauwgezet volgen en de eindrapportage beoordelen, zodat de objectiviteit en kwaliteit goed geborgd zijn.3 De kliniek zal vervolgens periodiek aan DJI rapporteren over de voortgang.
Hoeveel ernstige geweldsincidenten of andere ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag hebben zich de afgelopen vijf jaar binnen de Oostvaarderskliniek in Almere voorgedaan of waren patiënten van deze kliniek bij betrokken? Wat was de aard van die incidenten?
Ernstige incidenten in een tbs-kliniek worden in een «melding bijzonder voorval» aan mij gemeld. In een melding bijzonder voorval wordt het incident in een categorie ingedeeld, bijvoorbeeld «ernstig geweldsincident». Er is geen categorie voor of eenduidige registratie van voorvallen zoals grensoverschrijdend gedrag tussen medewerkers. Wel beschikt DJI over onderstaande overzichten. Een analyse van de huidige registratie wijst uit dat definities en categorisering van incidenten niet eenduidig worden gehanteerd. Daarmee kan ik niet garanderen dat de onderstaande cijfers een correct beeld geven. Binnen DJI wordt reeds gewerkt aan verbetering van de datakwaliteit van de incidentenregistraties.
Onder de categorie ernstige geweldsincidenten vallen de meldingen van agressie tegen personeel of andere in de inrichting aanwezige personen die ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben, en de meldingen van agressie tegen justitiabelen die ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben.
Voor de Oostvaarderskliniek levert dat het volgende overzicht op:
2017
3
2018
7
2019
3
2020
17
2021
1
2022 (peildatum 1 oktober 2022)
0
In dit overzicht vallen de 17 meldingen uit 2020 op. Deze uitschieter wordt verklaard doordat de Oostvaarderskliniek in 2020 een ruimere definitie van ernstige geweldsincidenten hanteerde en daardoor meer meldde bij DJI. Ik kan op basis van de informatie in deze meldingen dit getal niet achteraf corrigeren.
Zoals hierboven aangegeven is binnen de structuur van de meldingen bijzonder voorval geen categorie grensoverschrijdend gedrag. Voor het antwoord op deze vraag is gebruik gemaakt van de categorie: «meldingen (mogelijk) strafbare of anderszins laakbare feiten van een personeelslid(leden) jegens justitiabele(n) waaronder seksueel misbruik, seksuele intimidatie of ongeoorloofde relaties». Alle meldingen in deze categorie hadden betrekking op seksueel grensoverschrijdend tussen medewerker en patiënt. Voor de Oostvaarderskliniek levert dat het volgende overzicht op:
2017
0
2018
0
2019
0
2020
0
2021
0
2022 (peildatum 1 oktober)
3
Naast de hierboven aangegeven categorieën is er ook de categorie «elk ander incident in of buiten de inrichting van ernstige, politiek gevoelige of publiciteitsgevoelige aard». Niet valt uit te sluiten dat er ook meldingen zijn gedaan in deze categorie die mogelijk ook voldoen aan de definities van de categorieën ernstig geweldsincident en laakbaar gedrag personeel. Op basis van de informatie in deze meldingen is een nadere specificatie niet mogelijk.
Kunt u bovenstaande vraag ook beantwoorden ten aanzien van de andere tbs-klinieken in Nederland?
Onder de categorie ernstige geweldsincidenten vallen de meldingen van agressie tegen personeel of andere in de inrichting aanwezige personen die ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben, en de meldingen van agressie tegen justitiabelen die ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Het totaal aantal meldingen in de categorie ernstig geweld voor de andere tbs-klinieken (exclusief de Oostvaarderskliniek) bedraagt:
2017
22
2018
23
2019
29
2020
29
2021
9
2022 (peildatum 1 oktober 2022)
6
Het totaal aantal meldingen in de categorie «meldingen (mogelijk) strafbare of anderszins laakbare feiten van een personeelslid(leden) jegens justitiabele(n) waaronder seksueel misbruik, seksuele intimidatie of ongeoorloofde relaties» voor de andere tbs-klinieken (exclusief de Oostvaarderskliniek) bedraagt:
2017
1
2018
1
2019
0
2020
1
2021
0
2022 (peildatum 1 oktober)
1
Bij het antwoord op vraag 3 heb ik bij de overzichten van de meldingen kanttekeningen geplaatst over het gebruik van definities en de indeling in de categorieën van incidenten door de instellingen. Deze kanttekeningen gelden ook voor de overzichten in dit antwoord.
Acht u met betrekking tot het recente incident in de Oostvaarderskliniek het ontslag van de betrokken medewerker en het feit dat er een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte loopt een afdoende reactie? Zo ja, waarom? Zo nee, ziet u in de context van eerdere incidenten in het recente incident genoeg aanleiding voor een onderzoek door de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de gang van zaken binnen deze kliniek? Zo ja, wilt u dit met de inspectie bespreken?
Zie antwoord vraag 2.
Het gebrekkige onderwijsaanbod voor kinderen in asielopvangvoorzieningen |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten1 dat een groep kinderen met hun ouders uit de asielnoodopvang Schinnen zijn overgebracht naar cruiseschip Velsen, zonder dat de daarvoor noodzakelijke onderwijsvoorzieningen voorhanden zijn en dat daarom deze groep vanmiddag weer is teruggebracht naar Schinnen, om aanstaande maandag diezelfde groep weer over te brengen naar Velsen? Zo ja, bent u het met ons eens dat dit soort verhuizingen niet in het belang van deze kinderen is en te vrezen valt voor ontwikkelingsschade?
Het klopt dat een groep kinderen met hun ouders uit de noodopvanglocatie in Schinnen is overgebracht naar de cruiseferry in Velsen, die dienst doet als noodopvanglocatie. Diezelfde dag zijn zij weer teruggebracht naar Schinnen. Voor de kinderen geldt dat deze reeds naar een nieuwkomersschool gingen. Daar waren leerkrachten voor aangetrokken en ook in andere opzichten had de school zich op het verzorgen van onderwijs aan deze groep ingesteld. Aanleiding voor de verhuizing was de beoogde sluiting locatie in Schinnen begin november dit jaar, waardoor in de weken daarvoor alle bewoners naar andere locaties verplaatst moesten worden. Aangezien voor de groep nog niet alle noodzakelijke voorzieningen in Velsen gereed waren, had deze groep echter nog niet verhuisd moeten worden. Dit had niet mogen gebeuren. Het is ongewenst dat kinderen in de asielopvang die al naar school gaan worden verplaatst naar een opvanglocatie waar nog geen onderwijs is geregeld. Met de gemeente is daarnaast tot op het laatste moment gesproken over mogelijke verlenging van de locatie Schinnen, al dan niet met een andere grootte en deze leek ook kansrijk, waardoor verhuizing ook in de herfstvakantie niet nodig zou zijn. De afspraak is dat wanneer kinderen echt verplaatst moeten worden, dit zoveel als mogelijk in de schoolvakanties plaatsvindt. Inmiddels is definitief dat de beoogde verlenging er niet in zit en daarom zijn de kinderen alsnog overgeplaatst naar de cruiseferry in Velsen. Sinds de week van 7 november gaan zij naar een nieuwkomersschool in de omgeving.
In het algemeen geldt dat de situatie in de asielopvang dusdanig nijpend is dat het iedere dag passen en meten blijft om iedere asielzoeker onderdak te bieden. Dit gaat gepaard met een hoge druk op het nieuwkomersonderwijs. Gemeenten zijn huiverig om (langduriger) asielopvang te realiseren, mede vanwege hun (grond)wettelijke verantwoordelijkheid op het terrein van onderwijs. Het is de bedoeling dat iedere gemeente zich maximaal inspant om het onderwijs zo snel mogelijk te realiseren. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor de huisvesting en inrichting van de onderwijsvoorziening. Het advies is om als gemeente snel met de scholen in gesprek te gaan, op het moment dat er een opvanglocatie geopend gaat worden. De verwachting is dat de huidige situatie blijft bestaan zolang er onvoldoende zicht is op de realisatie van extra (langduriger) opvanglocaties. Gemeenten en betrokken schoolbesturen spannen zich in samenwerking met het COA in om tijdig onderwijs te regelen, maar de tijdelijkheid van opvanglocaties doet een groot beroep op het organisatievermogen van gemeenten en schoolbesturen. Het Ministerie van OCW beziet, samen met de sector, welke maatregelen genomen kunnen worden om gemeenten en schoolbesturen verder te ondersteunen bij de toegang tot onderwijs. In eerste instantie wordt bekeken welke maatregelen ruimte kunnen bieden binnen de huidige kaders. In dit kader kan gedacht worden aan het inzetten van externe organisaties om een deel van het curriculum in te vullen of het schuiven in het aantal uren Nt22. Op 30 november is er een debat in de Tweede Kamer over onderwijs aan vluchtelingen in het primair en voortgezet onderwijs en in het mbo en hoger onderwijs, waarin aandacht zal worden besteed aan de mogelijkheden.
Alle betrokken partijen onderschrijven het belang van een ononderbroken leerproces van kinderen. In het coalitieakkoord is opgenomen dat in navolging van de Commissie Langdurige Verblijvende Vreemdelingen het kabinet beziet hoe in de asielprocedure het belang van het kind beter meegewogen wordt. Het COA tracht onnodige verhuisbewegingen zoveel mogelijk te voorkomen en, wanneer het echt niet anders kan, kinderen enkel in schoolvakanties te verplaatsen. In de Staat van Migratie wordt jaarlijks gerapporteerd over het aantal verhuisbewegingen.3
Waarom wordt er met deze groep gesleurd? Kunt u aangeven wat of, en zo ja op welk niveau de medische, onderwijs- en sociale voorzieningen op cruiseschip Velsen beschikbaar zijn?
De voorzieningen waar asielzoekers aanspraak op kunnen maken, zijn vastgelegd in de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (Rva 2005). Het gaat in ieder geval om onderdak, verstrekkingen zoals maaltijden, begeleiding en recreatieve activiteiten en toegang tot medisch-noodzakelijke zorg. In de Regeling Medische zorg Asielzoekers (Rma) is de precieze zorg omschreven waar asielzoekers een beroep op kunnen doen. Van het COA heb ik begrepen dat alle bovengenoemde voorzieningen zijn toegezegd door de verantwoordelijke partijen en geborgd op de cruiseferry in Velsen.
Net als alle kinderen in Nederland hebben asielzoekerskinderen recht op onderwijs. Zij behoren in principe binnen 6 weken (en uiterlijk binnen 3 maanden) na aankomst (nieuwkomers)onderwijs krijgen. Voor de asielzoekerskinderen die op de cruiseferry in Velsen verblijven is voorzien in toegang tot nieuwkomersonderwijs. Daarnaast worden met landelijke en lokale partijen en organisaties afspraken gemaakt om tot een passend en afwisselend programma met buitenschoolse activiteiten te komen. Verder zijn aanvullende voorzieningen die nodig zijn in verband met het unieke karakter van de opvanglocatie geborgd. Gedacht kan worden aan een speelruimte aan boord en, in verband met de afgelegen ligging van het schip, vervoer van en naar de onderwijsvoorziening.
Waarom is besloten kinderen over te brengen naar een locatie waar geen onderwijsvoorzieningen voorhanden zijn? Hoe vaak komt dit precies voor en hoe verhoudt zich dit tot de afspraak om verhuizingen van kinderen tussen noodopvang voorzieningen tot een minimum te beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om herhaling te voorkomen? En kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie-Piri c.s. (Kamerstuk 19 637, nr. 2929) om op middellange termijn een concreet plan uit te werken om het aantal verhuizingen te beperken?
Voor een overzicht van de maatregelen verwijs ik naar de afspraken die het kabinet op 26 augustus 2022 met de VNG, IPO en het Veiligheidsberaad zijn gemaakt. Er zijn afspraken gemaakt om de acute noodsituatie in Ter Apel aan te pakken, maar ook over maatregelen die bijdragen om uit de crisis te komen en te blijven. Van essentieel belang is dat het COA over voldoende opvangplekken beschikt, bij voorkeur op locaties die langjarig beschikbaar zijn. De tijdelijkheid van veel van de huidige locaties zorgt er namelijk voor dat asielzoekers vaker dan gemiddeld moeten verplaatsen. Het wetsvoorstel Gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen die op 8 november in consultatie is gegaan, beoogt hier een einde aan te maken en te komen tot een duurzaam en stabiel opvanglandschap, met een evenwichtige spreiding over Nederland.
Voor de middellange termijn wordt ingezet op het versneld uitvoeren van de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. De Uitvoeringsagenda bevat maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de flexibiliteit en de effectiviteit van de asielketen. Daarmee wordt primair beoogd om beter in te kunnen spelen op de fluctuaties van de asielinstroom waarmee de asielketen te maken krijgt. Naar verwachting dragen deze maatregelen, bij aan het verminderen van het aantal verhuisbewegingen in het algemeen, zo ook die van asielzoekerskinderen.
Het plan van de Europese Commissie om het Mercosur-verdrag geïmplementeerd te krijgen door nationale parlementen te omzeilen |
|
Jasper van Dijk (SP), Christine Teunissen (PvdD), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie met Mercosur-landen onderhandelt over het splitsen van het Mercosur-verdrag in verschillende onderdelen, zodat het handelsdeel niet voorgelegd hoeft te worden aan nationale parlementen? Wat is uw standpunt hierover?1
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Zoals aangegeven in mijn brief van 20 oktober jl. over de stand van zaken van de EU-Mercosur onderhandelingen2, en mondeling tijdens het Commissiedebat over de informele RBZ Handel3 en tijdens de behandeling van de Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking4, is na het bereiken van een onderhandelaarsakkoord in 2019 de Europese Commissie in gesprek gegaan met de Mercosur-landen over mogelijke aanvullende afspraken die EU-zorgen over het akkoord moeten wegnemen. Hoewel deze gesprekken doorlopen en er binnen de Commissie wordt gewerkt aan mogelijke voorstellen, zijn er geen nieuwe ontwikkelingen te melden. Het is op dit moment niet duidelijk of en wanneer deze gesprekken tot een uitkomst leiden die de Commissie in staat stelt een mogelijk akkoord met de Mercosur-landen aan de Raad voor te leggen voor besluitvorming. Evenmin is duidelijk in welke vorm (één of meerdere akkoorden) de Commissie het onderhandelingsresultaat in dat geval zal presenteren.
Gezien het feit dat dit verdrag een enorme impact zal hebben op individuele lidstaten, deelt u de mening dat het splitsen van het verdrag de democratische bevoegdheid van nationale parlementen ondermijnt?
Nee, ik deel deze mening niet. De Europese Commissie heeft als onderhandelaar de bevoegdheid (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) om voorstellen te doen aan de Raad over de vorm (één of meerdere akkoorden) waarin het onderhandelingsresultaat wordt voorgelegd voor besluitvorming. Zo ver mij bekend, zijn hierover binnen de Commissie nog geen besluiten genomen. De aard van een akkoord kan pas definitief worden bepaald op basis van de uitonderhandelde tekst, voorafgaand aan ondertekening. Zoals herhaaldelijk door het kabinet aangegeven zal het kabinet pas een standpunt innemen over het akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. Indien een voorstel aan de Raad wordt voorgelegd, zal ik de Kamer hierover informeren, zowel over vorm als inhoud.
Het behoeft geen betoog dat voor de besluitvorming over het verdrag vervolgens de toepasselijke democratische en grondwettelijke procedures dienen te worden doorlopen. Een akkoord dat afspraken bevat zowel op terreinen waar sprake is van EU bevoegdheden als op terreinen waar lidstaten nationale bevoegdheden uitoefenen (een «gemengd akkoord») zal, naast de EU goedkeuringsprocedure, in Nederland ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Staten-Generaal. Een akkoord dat naar de aard «EU-only» is, dat wil zeggen een akkoord waarbij als gevolg van de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten alleen de EU partij wordt, moet het EU goedkeuringsproces doorlopen. Zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon betekent dat dat het aan de Raad is om te besluiten over de ondertekening en dat het aan de Raad en het Europees Parlement is om te besluiten tot goedkeuring van het akkoord. Nederland is vertegenwoordigd in de Raad en besluit hier derhalve over mee. Het kabinet legt verantwoording af aan de Kamer over de positie die wordt ingenomen in de Raad.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Ouwehand (10 maart 2021) waarin u stelde «naar verwachting zal een associatieakkoord onder de gezamenlijke bevoegdheid van de EU en de lidstaten vallen»2? Waarom lijkt dit te zijn veranderd?
Ik herinner mij de antwoorden waarnaar in de vraag wordt verwezen. Het volledige antwoord waaruit in de vraag wordt geciteerd luidde als volgt:
«De Europese Commissie is gemachtigd om onderhandelingen te voeren over een akkoord met de Mercosur landen op basis van onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad heeft vastgesteld. Of de aard van een akkoord gemengd is of EU-only wordt bepaald door de uiteindelijke inhoud van het akkoord. Naar verwachting zal een associatieakkoord onder de gezamenlijke bevoegdheid van de EU en de lidstaten vallen. De Commissie kan als onderhandelaar (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) ook een voorstel doen om het onderhandelingsresultaat in meerdere akkoorden voor te leggen. De aard van een akkoord zal pas definitief kunnen worden bepaald op basis van de uitonderhandelde tekst, voorafgaand aan ondertekening. Op basis van de inhoud doet de Commissie (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) een voorstel. De Raad besluit hier vervolgens over.»
Deze situatie is niet veranderd.
Bent u bereid in de Europese Raad te laten weten dat een splitsing van het Mercosur-verdrag wat Nederland betreft onacceptabel en ondemocratisch is?
Het kabinet zal pas een standpunt innemen over het akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. In het algemeen kan niet gesteld worden dat het splitsen van EU verdragen onaanvaardbaar en ondemocratisch zou zijn.
Klopt het dat Frankrijk er eerder bij de Europese Commissie op heeft aangedrongen dat het verdrag door nationale parlementen moet worden geratificeerd? Is die positie nog steeds hetzelfde? Waarom heeft de Europese Commissie besloten hier geen gehoor aan te geven?
Het is niet aan het kabinet om tekst en uitleg te geven over communicatie tussen de Europese Commissie en een andere lidstaat.
Kunt u een tijdlijn geven van wanneer de Raad zal besluiten of het wel of niet instemt met een splitsing van het Mercosur-verdrag?
De Raad kan pas besluiten over een akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. Zie ook het antwoord op vraag 1 hierboven.
Wat wilt u zeggen tegen Nederlandse boeren die zich terecht zorgen maken over dat het Mercosur-verdrag tot oneerlijke concurrentie voor hen gaat leiden? En wat wilt u zeggen tegen milieuorganisaties die waarschuwen dat het verdrag meer ontbossing tot gevolg zal hebben, en die nu zien dat wanneer lidstaten en nationale parlementen zeer kritisch zijn over een handelsverdrag, de Europese Commissie op zoek gaat naar manieren om die kritische lidstaten en nationale parlementen te omzeilen? Vindt u dat deze opstelling van de Europese Commissie het vertrouwen in de Commissie ten goede komt?
Ik begrijp de zorgen van Nederlandse boeren over de potentiële gevolgen van een toekomstig EU-Mercosur akkoord. Om die reden hebben de universiteit Wageningen en Ecorys, in opdracht van het kabinet en ter uitvoering van de motie Voordewind (CU)6, een onderzoek uitgevoerd om de voor- en nadelen van een toekomstig EU-Mercosur akkoord kwantitatief in kaart te brengen.7 Het onderzoeksrapport laat zien dat een akkoord met de Mercosur-landen leidt tot een bescheiden economische groei voor Nederland. Voor specifieke landbouwsectoren is het beeld wisselend. Het rapport stelt dat voor varkens- en pluimveebedrijven de verwachte inkomensgevolgen positief zijn; voor melkveebedrijven en akkerbouwbedrijven zijn deze nagenoeg nul; terwijl de gemiddelde inkomens voor de vleeskalveren- en vleesveebedrijven lager uitvallen.
En om dezelfde reden zijn maatregelen in het onderhandelaarsakkoord overeengekomen om oneerlijke mededinging en schade voor gevoelige sectoren in de landbouw tegen te gaan. Zo zal de EU voor gevoelige landbouwgoederen uit Mercosur-landen, zoals hoge kwaliteit rundvlees, pluimveeproducten, knoflook, suiker en ethanol, importtarieven en quota behouden.
Met betrekking tot duurzaamheidszorgen, met name over ontbossing, is de Commissie in gesprek met de Mercosur landen om tot aanvullende afspraken te komen. Nederland heeft inbreng geleverd aan de Europese Commissie ten behoeve van deze gesprekken.8 Hoewel deze gesprekken doorlopen en er binnen de Commissie wordt gewerkt aan mogelijke voorstellen, zijn er op dit moment geen ontwikkelingen te melden.
Zoals uiteen gezet in het antwoord op vraag 2 zal het kabinet pas een standpunt innemen over een akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. Daarbij zal een brede afweging worden gemaakt, inclusief het betrekken van de transitie van de Nederlandse landbouw, duurzaamheid, en de verwachte impact van het handelsakkoord op verschillende Nederlandse sectoren waaronder de agrarische sector. De voor de besluitvorming over het verdrag toepasselijke democratische procedures zullen worden doorlopen.
Erkent u dat de brief van 15 lidstaten van 20 juni, waar ook uw handtekening onder staat, waarin de Europese Commissie werd gevraagd vaart te maken met de implementatie van het Mercosur-verdrag, heeft kunnen bijdragen aan het besluit van de Europese Commissie om koste wat het kost dat verdrag af te sluiten, ook als dat het ondermijnen van de democratische bevoegdheid van lidstaten betreft?
Er is geen sprake van een besluit van de Commissie om koste wat het kost een verdrag met de Mercosur-landen te sluiten, zoals uiteen gezet in de antwoorden op vraag 1 en vraag 2. Evenmin is er sprake van het ondermijnen van de democratische bevoegdheid van lidstaten, zoals uiteen gezet in het antwoord op vraag 2.
In de brief van 15 lidstaten van 20 juni jl., gericht aan de Europese Commissie, wordt steun uitgesproken voor een actief EU handelsbeleid. Eén van de elementen in deze brief is een oproep om voortvarender op te treden in het onderhandelen, ondertekenen en in werking laten treden van EU handelsakkoorden. Zoals aangegeven in de begeleidende brief aan uw Kamer9, heb ik daarbij aangetekend – mede in het licht van de door uw Kamer aangenomen motie hierover10 – dat met het ondertekenen van de brief aan de Europese Commissie niet vooruit wordt gelopen op de uiteindelijke Nederlandse positie ten aanzien van een EU-Mercosur akkoord.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Een laag tarief op verse groente en fruit, dat al in een aantal EU landen wordt toegepast en dus ook in Nederland mogelijk zou moeten zijn |
|
Eva van Esch (PvdD), Pieter Omtzigt |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het decreet van de president van Italië van 26 oktober 1972, nummer 633, waarin de btw-percentages van Italië zijn vastgelegd?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u bekend met het feit dat Italië er al jaren in slaagt om een deel van groente en fruit (vers, eventueel gesneden, waaraan geen suiker is toegevoegd) tegen het laagste btw tarief in Italië te belasten (4 procent), terwijl bevroren producten, samengestelde producten, producten met toegevoegde suiker etcetera belast worden tegen het tarief van 10 procent?
Ja, dat is mij bekend.
Bent u bereid om in Italië navraag te doen hoe de Italiaanse Belastingdienst dit kan uitvoeren en kunt u vervolgens terugkoppelen of dit ook in Nederland mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Op ambtelijk niveau is eerder dit jaar contact gezocht met lidstaten waarvan bekend was dat zij voor bepaalde groente en fruit producten een verlaagd tarief hanteren, waaronder Italië.
Italië maakt onderscheid tussen enerzijds groente en fruit die weliswaar bewerkt zijn maar niet dusdanig dat ze geschikt zijn voor onmiddellijke consumptie en anderzijds groente en fruit die, na meer complexe bewerking, wel geschikt zijn voor onmiddellijke consumptie. Een dergelijk onderscheid lijkt vooralsnog minder geschikt voor de Nederlandse situatie waarbij gezondheidsdoelstellingen onderdeel van de maatregel vormen. Daarnaast geldt dat in de Nederlandse praktijk de afbakening van welke producten onder welk btw-tarief vallen regelmatig aan de rechter worden voorgelegd. Dat leidt er toe dat in Nederland wellicht een scherpere juridische afbakening nodig is dan in andere lidstaten.
Bent u ervan op de hoogte dat Letland onbewerkte groente en fruit tegen een btw-tarief van 5 procent belast, terwijl andere etenswaren in een hoger tarief vallen?
Ja, ik ben van de Letse wetgeving op de hoogte. Letland hanteert bijvoorbeeld een verlaagd btw-tarief voor kindervoeding wanneer uit het etiket (en uit bijbehorende documentatie) blijkt dat het product bedoeld is voor de consumptie door kinderen en voor kinderen niet schadelijk is om te consumeren. Zo’n manier van onderscheid maken kan werkbaar zijn omdat voor zowel ondernemers als de Belastingdienst duidelijk is wanneer een product wel of niet onder het verlaagde btw-tarief valt. Uiteraard is het afhankelijk van de (breedte van de) doelstellingen van een maatregel of een dergelijk manier van onderscheid maken succesvol kan worden toegepast.
Bent u ervan op de hoogte dat Spanje voor een deel van groente en fruit een verlaagd tarief van 5 procent toepast?
Mij is bekend dat Spanje een super verlaagd btw-tarief van 4% toepast op bepaalde groenten, fruit, peulvruchten, knollen en granen die overeenkomstig de Spaanse levensmiddelenwetgeving als natuurlijke producten worden beschouwd. Daarnaast kent Spanje een verlaagd tarief van 10% voor producten die bestemd zijn voor menselijke of dierlijke consumptie overeenkomstig de Spaanse levensmiddelenwetgeving.
Kunt u, na een korte vergelijking in Europese landen, nog dit jaar een voorstel doen welk systeem Nederland kan overnemen om zo snel mogelijk te komen tot 0 procent btw op groente en fruit?
Zoals toegelicht in de kamerbrief «Plan van aanpak prijsmaatregelen voeding» van 5 juli 20222, wil het kabinet zorgvuldig onderzoek doen naar een btw-nultarief op groente en fruit. Voor een werkbare uitvoering die twijfelgevallen en geschillen minimaliseert is het noodzakelijk voor de Belastingdienst, maar zeker ook voor ondernemers, dat zo duidelijk mogelijk is waar de grens voor toepassing van een btw-nultarief op groente en fruit ligt. Mede daarom doet onderzoeksbureau SEO, in opdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, momenteel onderzoek naar de afbakeningsmogelijkheden voor groente en fruit binnen de btw, waarbij verschillende aspecten (waaronder uitvoerbaarheid) tegen elkaar worden afgewogen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de toepassing van verlaagde btw-tarieven op (bepaalde soorten) groente en fruit in de hierboven genoemde lidstaten. Mogelijk biedt dit inzichten in een geschikte (methode van) afbakening voor Nederland. Hierin wordt onder meer beschouwd of Nederland bijvoorbeeld een systeem zou kunnen hanteren zoals Italië, dat werkt met een afbakeningsvariant op basis van zogenaamde GN-codes, de nomenclatuur die de douane toepast. De resultaten van dit onderzoek en de conclusies die daaraan worden verbonden zullen naar verwachting begin 2023 worden opgeleverd. Het kabinet benadrukt dat het verstandig is om de conclusies van dit onderzoek af te wachten voordat tot eventuele invoering van een btw-nultarief op groente en fruit wordt overgegaan. De snelste mogelijkheid om via de gebruikelijke begrotings- en besluitvormingsprocessen zorgvuldig een wetgevingstraject te doorlopen is met inwerkingtreding per 1 januari 2024.
Deelt u de mening dat het uiterst merkwaardig is dat in een aantal EU-landen een verlaagd belastingtarief voor groente en fruit kan worden geregeld en hier in Nederland een duur onderzoek nodig is om erachter te komen wat groente en fruit is?
Nee deze mening deel ik niet. Een btw-nultarief invoeren is voor de uitvoering een majeure opdracht. Daarom is het van belang dat afbakeningsvraagstukken aan de voorkant zo goed mogelijk zijn doordacht zodat de juridische houdbaarheid zo groot mogelijk is. Het onderzoek ziet niet zozeer op de vraag wat groenten en fruit zijn. De vraag is met name wat voor deze btw-maatregel, die gezondheidsdoelstellingen nastreeft, een juridisch houdbaar onderscheid is tussen producten die wel en niet bij die gezondheidsdoelstellingen passen en dat tevens de toets van het Unierechtelijk neutraliteitsbeginsel kunnen doorstaan. Uiteraard zijn daarnaast ook de uitvoering, het budgettaire belang, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van groot belang.
Neemt u in de brief die is toegezegd voor het Pakket Belastingplan 2023 over de argumentatie om het onderscheid tussen bewerkte en onbewerkte groente niet te kunnen maken, mee dat in een aantal EU-landen een verlaagd belastingtarief voor groente en fruit al wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ja. Deze brief bied ik gelijktijdig aan met deze antwoorden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden vóór het Wetgevingsoverleg Pakket Belastingplan 2023, dat is gepland op 17 oktober a.s.?
Ja.
Het artikel 'Europe’s heavy industry takes action to tackle energy crisis' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u reflecteren op het artikel «Europe’s heavy industry takes action to tackle energy crisis»?1
Door de hoge energieprijzen ziet de energie-intensieve industrie zich geconfronteerd met hogere kosten. De impact van de hoge energieprijzen verschilt echter sterk per sector en is afhankelijk van de mate waarin bedrijven alternatieve energiebronnen hebben en/of hun hogere kosten kunnen doorberekenen. Vele bedrijven lukt het alternatieve energiebronnen aan te wenden, maar vooral bedrijven die concurreren met internationale aanbieders hebben het lastig. Maatregelen kunnen worden overwogen om de productie binnen Europa te houden als de prijzen lang hoog blijven en sectoren daadwerkelijk dreigen te verdwijnen.
In het Bescherm- en Herstelplan Gas staat geen strategie voor het rantsoeneren van gas met specifiek aandacht voor essentiële, gas-intensieve sectoren, bent u bereidt deze toe te voegen met daarbij een focus op de verstoring van ketens? Zo nee, waarom niet?
Bij het uitwerken van de afschakelstrategie is reeds rekening gehouden met de effecten binnen en tussen ketens van sectoren, ook van de gas-intensieve sectoren.
Gezien het feit dat veel Duitse bedrijven aangeven rantsoenering te verwachten terwijl Nederland maximaal gas gaat leveren aan Duitsland, bent u het er mee eens dat er een Europees afschakelplan nodig is?
Als ook aangegeven in de Kamerbrief van 9 september inzake de voortgang van het BH-G (Kamerstuk 29 023, nr. 342) wordt de afschakelstrategie in nauw overleg met België en Duitsland vormgegeven. De komende periode zal een nadere analyse van grensoverschrijdende keteneffecten worden gemaakt, o.m. inzake Duitsland. De analyse inzake Duitsland zal ook met dat land worden besproken, waarna de afschakelstrategie indien nodig zal worden aangepast.
Volgens de analyse van de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE) is er veel meer energiebesparing mogelijk in de industrie (een goede 3bcm) en huishoudens, waarbij fixteams een snelle besparing kunnen bewerkstelligen door bijvoorbeeld het inregelen van installaties een belangrijke rol kunnen spelen. Gaat u deze fixteams opzetten en wanneer zouden deze dan beginnen?
Ik ben in mijn brief over de aanscherping van de energiebesparingsplicht van 4 juli jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 793) en in reactie op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3780) ingegaan op de verschillende aanbevelingen voor verbetering van de energiebesparingsplicht van de NVDE. Fixteams worden voornamelijk ingezet voor huishoudens. Op dit moment loopt er in de metropoolregio Amsterdam een door mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gesteund pilotproject waarbij fixteams ook worden ingezet voor micro mkb-ers. Daarnaast wordt er bij toezichtbezoeken in het kader van de energiebesparingsplicht aandacht geschonken aan het correct inregelen van installaties.
In Duitsland is er een initiatief dat energie-efficiëntienetwerken heet, waarbij binnen een gemeente of industrieterrein samen wordt gewerkt aan maximale energiebesparing en verduurzaming. Gaat u eenzelfde initiatief in Nederland starten? Zo nee, waarom niet?
Samen met mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik een bedrijventerreinenaanpak waarbinnen op vergelijkbare schaal gewerkt kan worden aan onder meer collectieve energiebesparing. Nog dit jaar zullen wij van start gaan met een pilot voor een versnellingsprogramma verduurzaming bedrijventerreinen. Eind 2023 zal deze pilot worden geëvalueerd om te zien of een verdere uitrol van dit programma zinvol is.
De campagne ‘Drafsport? Onsportief!’ |
|
Erik Haverkort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de campagne «Drafsport? Onsportief!» van Dier&Recht?1, 2
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering van Dier&Recht dat dwangmiddelen binnen de drafsport pijn en letsel bij paarden veroorzaken?
Ik deel de opvatting van Dier&Recht dat paardensport niet gepaard moet gaan met pijn, dwang en aantasting van paardenwelzijn. De campagne sluit aan bij een brede maatschappelijke zorg met betrekking tot het gebruik van dieren in de sport en het gebruik van dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen tijdens uitoefening van deze sport.
Bij alle paardensportdisciplines worden hulpmiddelen gebruikt. De toegestane hulpmiddelen worden gereguleerd in harnachementgidsen. Op de website van de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (verder: SNDR) zijn alle reglementen van de draf- en rensport te downloaden, waaronder de harnachementgids: https://www.ndr.nl/downloads/. In de wedstrijdreglementen is te lezen welke hulpmiddelen en materialen gebruikt mogen worden tijdens wedstrijden. Daarnaast zijn er ook bepalingen opgenomen die ingaan op het gedrag van de rijder voor, tijdens en na de koers. Deze gidsen en reglementen worden regelmatig herzien op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Zo zijn de reglementen over zweepgebruik in afstemming met de Vereniging van Draf- en Rensport Professionals (VDRP) aangescherpt.
Om beter zicht te krijgen op het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen heb, ook naar aanleiding van de moties van het Lid Graus over het in kaart brengen en verbieden van alle dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen (Kamerstuk 28 286, nr. 1151 en nr. 1175), heb ik het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om dit te inventariseren voor honden en paarden. Mogelijk worden naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek het wedstrijdreglement en harnachementgids verder aangescherpt.
Wat is uw reactie op het Finse onderzoek, waar de campagne naar verwijst, waaruit blijkt dat dwangmiddelen binnen de drafsport paarden fysiek beschadigen en dat 84 procent van de paarden na een wedstrijd verwondingen in de mond heeft?3
Het percentage geconstateerde verwondingen in de mond bij dit onderzoek is schrikbarend hoog. Hierbij wil ik wel de kanttekening plaatsen dat de situatie in Nederland mogelijk afwijkt van die in Finland. Cijfers over de Nederlandse drafsport ontbreken. Het onderzoek heeft een correlatie (geen oorzakelijk verband) gevonden tussen het gebruik van bepaalde bitten en de verwondingen in de mond van de onderzochte paarden. De onderzoekers geven aan dat ook andere factoren, zoals teugelvoering en gebitsverzorging een rol zouden kunnen spelen in het veroorzaken van deze wonden.
Afgezien van de specifieke bitten, is er geen verband gevonden tussen het gebruik van hulpmiddelen als de opzetteugel of de tongband en de wonden in de mond van de paarden.
Wat is uw reactie op de stelling uit de campagne dat bitten aan mondhoeken trekken, waardoor het gehemelte en het tandvlees van paarden beschadigd wordt en dat de tong aan de onderkaak vastgebonden wordt om de druk van het bit te verminderen met als gevolg dat paarden chronisch letsel oplopen?
Het bit is al vele eeuwen een middel om paarden te kunnen sturen en om hun snelheid te kunnen regelen. Dat gebeurt niet alleen in de draf- en rensport. Het risico op beschadiging van het gehemelte en het tandvlees is naast eigenschappen van het bit zelf afhankelijk van veel overige factoren, zoals de gebitsverzorging en de teugelvoering. Bitten waarvan is aangetoond dat deze een verhoogd risico geven op verwondingen in de mond, zouden niet in de harnachementgids opgenomen moeten worden.
Voor wat betreft het tongenbandje blijkt uit het Finse onderzoek geen verband tussen het gebruik van dit bandje en verwondingen in de mond van het paard. Dit neemt niet weg dat er andere nadelige gevolgen kunnen zijn van het (verkeerd) gebruik van het tongenbandje. In de harnachementgids van de SNDR staat opgenomen dat dit hulpmiddel is toegestaan, maar wel zodanig dient te zijn aangebracht dat de bloeddoorstroming van de tong niet wordt belemmerd. De bij een wedstrijd aanwezige baancommissaris houdt toezicht op naleving van het wedstrijdreglement. Verkeerd gebruik van het tongenbandje, waarbij de bloeddoorstroming van de tong wordt belemmerd en de tong blauw kleurt, keur ik ten zeerste af.
Hoe verklaart u de stelling uit de campagne dat veel dwangmiddelen – zoals de opzetteugel, oordoppen, het vastbinden van staart en tong – verboden zijn binnen paardensportdisciplines die bij de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) aangesloten zijn, maar bij de drafsport wel gebruikt worden?
De drafsport is een ander soort sport dan de andere disciplines binnen de KNHS, het is niet vreemd dat hier verschillende hulpmiddelen voor zijn toegestaan. Wel heb ik, zoals hierboven aangegeven, het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om onderzoek te doen naar het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen voor honden en paarden.
In hoeverre bent u van mening dat de gedragsregels die de drafsport hanteert op dit moment voldoende toezien op dierenwelzijn?
Ook bij de SNDR zijn signalen waargenomen omtrent de maatschappelijke onrust over mogelijke dierenmishandeling in de paardensport. Daarom is enige jaren geleden door de SNDR een Commissie Welzijn in het leven geroepen. Deze commissie, bestaande uit deelnemers, dierenartsen en functionarissen en bestuursleden van de SNDR hebben sindsdien diverse activiteiten ontplooid om de sport diervriendelijker te maken. Zo zijn de reglementen over zweepgebruik in afstemming met de Vereniging van Draf- en Rensport Professionals (VDRP) aangescherpt en wordt hier consequent op gehandhaafd. Meest recente onderdeel van het werk van de commissie is het opstellen van een ethische code voor het welzijn van de draver en de volbloed.
Op welke manier houdt u toezicht op dierenwelzijn binnen de drafsport?
De NVWA voert toezicht op dierenwelzijn risicogebaseerd uit. Toezicht binnen de drafsport vindt met name naar aanleiding van meldingen plaats.
In hoeverre deelt u de mening dat het doel van de drafsport, namelijk plezier en gokken, geen redelijk doel is, in het kader van artikel 2.1 lid 1 van de Wet Dieren, aangezien dwangmiddelen paarden pijn of letsel toebrengen?
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet dieren en uit die wet volgt dat de wetgever wedstrijden met dieren, waaronder de drafsport, niet heeft verboden4. In algemene zin kan daarom niet worden gesteld dat uit de Wet dieren volgt dat de drafsport in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren zou zijn. Dat laat onverlet dat houders van de dieren die aan die wedstrijden deelnemen zorg dienen te dragen voor de gezondheid en het welzijn van de dieren en voldoen aan de eisen die de Wet dieren aan hen stelt. Hierbij hoort ook dat er niet in strijd wordt gehandeld met artikel 2.1 van de Wet dieren. In voorkomende gevallen moet daarom worden beoordeeld of een bepaald hulp-of trainingsmiddel dat pijn of letsel veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier benadeeld een redelijk doel dient, er van uitgaande dat de drafsport als zodanig is toegestaan. Waar dit nodig blijkt, kunnen er bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld op basis van de Wet dieren. In de eerste plaats specifiek over wedstrijden met dieren, waaronder een verbod op wedstrijden met een bepaald doel, mede in het belang van het welzijn van de betrokken dieren (op basis van artikel 2.15). In de tweede plaats kunnen specifieke gedragingen waarbij gebruik wordt gemaakt van bepaalde voorwerpen worden verboden (op basis van artikel 2.1, vijfde lid in samenhang met het derde lid, van de Wet dieren). Of en in hoeverre het nodig is daarvan gebruik te maken zal mede afhangen van de uitkomsten van het onderzoek waarover in het antwoord op vraag 9 wordt gesproken en de wijze waarop de sector daar gevolg aan geeft.
Wat is uw reactie op de oproep in de campagne om dwangmiddelen binnen de drafsport te verbieden?
Ik kan me vinden in deze oproep. Hulpmiddelen waarbij er een groot risico is op welzijnsaantasting zouden niet gebruikt moeten worden. Dit geldt niet alleen voor de drafsport, maar voor iedere interactie met dieren. Helaas ontbreekt in veel gevallen onderzoek naar het al dan niet schadelijk zijn van een specifiek middel. Daarom heb ik, zoals aangegeven bij het antwoord op vragen 2 en 5, het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen bij honden en paarden te inventariseren. De resultaten van dit onderzoek kunnen onder andere door de SNDR gebruikt worden om hun harnachementgids tegen het licht te houden.
Het bericht ‘Scheepsbouwer IHC in zwaar weer: zo’n 250 personeelsleden ontslagen en werf in Krimpen tijdelijk dicht’ |
|
Pim van Strien (VVD), Peter Valstar (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Scheepsbouwer IHC in zwaar weer: zo’n 250 personeelsleden ontslagen en werf in Krimpen tijdelijk dicht»?1
Ja.
Klopt het dat IHC en Defensie in 2020 een samenwerkingsovereenkomst hebben getekend om onder andere personeel uit te wisselen?2
Ja. In 2020 heeft Defensie met twaalf bedrijven, waaronder Royal IHC, samenwerkingsovereenkomsten getekend over de uitwisseling van personeel, in een Human Resources Ecosysteem. Defensie en de bedrijven kunnen hiermee schaarse capaciteiten delen en van elkaar leren. De betrokken werknemers krijgen de kans hun horizon te verbreden en te verdiepen, en hun talenten te ontwikkelen3.
Hoeveel personeel is er sindsdien uitgewisseld en hoeveel personeel van IHC is er op dit moment actief bij Defensie?
In het kader van de samenwerkingsovereenkomst zijn twaalf werknemers van Royal IHC actief bij Defensie. Vanuit Defensie zijn geen werknemers bij Royal IHC geplaatst.
Klopt het dat IHC in de afgelopen jaren onderhoudswerkzaamheden heeft uitgevoerd voor de marine, en dat deze naar tevredenheid zijn uitgevoerd?
Het bedrijfsleven voert structureel ongeveer de helft uit van het onderhoud dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Directie Materiële Instandhouding (DMI) van de Koninklijke Marine. Dit gebeurt hoofdzakelijk door de uitbesteding van onderhoudstaken of in de vorm van inhuur van personeel. Voor de uitbesteding van onderhoudstaken is een aanbesteding nodig met een gedetailleerde omschrijving van de werkzaamheden.
Royal IHC heeft tot op heden een beperkte rechtstreekse relatie met Defensie.
Het bedrijf heeft in de afgelopen jaren meegedaan aan enkele aanbestedingen voor onderhoud van marineschepen. Na een beoordeling van offertes heeft Royal IHC opdrachten gekregen voor onderhoudswerkzaamheden aan de Oceangoing Patrol Vessels (OPV’s) en de Luchtverdedigings- en Commandofregatten (LC-fregatten). De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de eisen.
Klopt het dat IHC dit jaar contact heeft gezocht met het Ministerie van Defensie voor additioneel onderhoud aan onder andere vaartuigen? Zo ja, wat is er met dit contact dan wel aanbod gedaan?
De maritieme industrie – waaronder Royal IHC – en Defensie hebben overlegd over mogelijkheden om de industrie meer dan nu te betrekken bij het onderhoud van marineschepen. Het contact dat Royal IHC hierover heeft gezocht was mede de aanleiding voor dit overleg. Defensie heeft dit overleg gevoerd mede tegen de achtergrond van de motie-Valstar van 21 april jl.4 over onder meer het onderhoud van marinematerieel.
Zoals hierboven vermeld voert het bedrijfsleven momenteel al ongeveer de helft van het onderhoud aan marineschepen uit. Defensie verkent de mogelijkheden om – binnen de aanbestedingsregelgeving – te komen tot verdere vereenvoudiging en verbetering van de samenwerking met en tussen bedrijven uit de maritieme industrie, waarbij een onderlinge taakverdeling aan de orde kan zijn. Een dergelijke taakverdeling vereist nog nader overleg en ook samenwerking tussen de bedrijven. Onder meer speelt een rol dat technische gegevens bedrijfsvertrouwelijk kunnen zijn.
Een grotere rol van de industrie bij het onderhoud van materieel kan bijdragen aan gemiddeld kortere onderhoudsperiodes doordat Defensie zelf minder hoeft te doen en daardoor de eigen capaciteit kan toespitsen op minder onderhoudstaken. Met kortere onderhoudsperiodes verbeteren de gereedheid en de inzetbaarheid, een belangrijke doelstelling van de Defensienota 2022: Sterker Nederland, veiliger Europa5.
Bij de aanbesteding van onderhoudsopdrachten moet Defensie zich houden aan de toepasselijke wettelijke regels. Verder is het van belang dat Defensie zelf blijft beschikken over kennis en expertise van het onderhoud van materieel, want onder meer bij missies in het buitenland is het niet altijd mogelijk om het bedrijfsleven in te schakelen. Deze kennis is ook nodig om technische documentatie voor aanbestedingen te kunnen opstellen en offertes te kunnen beoordelen.
Hoeveel vaartuigen heeft Defensie momenteel in onderhoud, en hoelang zijn deze vaartuigen daardoor niet inzetbaar?
In de regel ligt ongeveer 25 procent van de schepen in onderhoud. Deze onderhoudsperiodes zijn gepland en afgestemd op de operationele opdrachten van de Marine. Daarbij gaat het om gepland groot onderhoud of om grotere projecten zoals een midlife update. Tijdens zo’n onderhoudsperiode worden ook de kleinere defecten verholpen. Incidenteel duurt een onderhoudsperiode langer dan voorzien of moet en schip tussen de geplande onderhoudsperiodes door worden gerepareerd vanwege een defect dat de veiligheid of de operationele taakuityoering direct in gevaar brengt. Dat speelt bijvoorbeeld bij Het Oceangoing Patrol Vessel (OPV) Zr.Ms. Zeeland. Dat schip heeft op 4 juli jl. schade opgelopen als gevolg van een brand. Dit gebeurde tijdens gepland onderhoud. Als gevolg daarvan gaat het onderhoud langer duren en is het schip later inzetbaar dan voorzien.
De onderhoudsachterstand bij de DMI die in de achterliggende jaren is opgebouwd bestaat voornamelijk uit defecten die de veiligheid en de operationele taakuitvoering niet direct beïnvloeden. Een deel van deze defecten wordt tijdens de inzet door de technici aan boord zelf verholpen. Om te voorkomen dat schepen tussentijds uit de vaart worden genomen, worden deze defecten zoveel mogelijk opgespaard en tijdens een geplande onderhoudsperiode aangepakt.
De DMI voert zelf ongeveer de helft van de werkzaamheden uit. voor het overige deel huurt de DMI capaciteit in of besteedt werkzaamheden uit aan de industrie.
Hoeveel vaartuigen hebben momenteel te kampen met onderhoudsachterstand?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat het onderhoud versneld kan worden door de industrie erbij te betrekken?
Op dit moment is de onderhoudsachterstand bij de DMI beheersbaar en kan de Koninklijke Marine voldoen aan de opdrachten voor gereedstelling en inzet, zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 6 en 7. Defecten worden de komende jaren geleidelijk weggewerkt. Meer inzet van capaciteit van de industrie dan nu al het geval is (de helft van de onderhoudswerklast van DMI wordt al door de industrie gedaan, zie vraag 6 en 7) leidt slechts beperkt tot sneller verhelpen van de defecten. Ten eerste zou een schip daarvoor tussentijds tegen de kant moeten, terwijl dat bij kleinere defecten niet nodig is. Ten tweede is de hoeveelheid technici die gelijktijdig in een schip kunnen werken beperkt. Ten derde vereisen onderhoudshandelingen specifieke kennis van het schip of het systeem in het schip. Die kennis is niet bij alle civiele werven aanwezig. Ten slotte is Defensie gehouden om ook onderhoudswerkzaamheden via de aanbestedingsregels op de markt te brengen. Dat werkt belemmerend bij kleinere opdrachten, die snel uitgevoerd moeten worden en waarvan de omvang vooraf niet bekend is.
Defensie betrekt de industrie al structureel bij het onderhoud van marineschepen. De industrie en Defensie hebben overlegd over mogelijkheden om de industrie nog meer dan nu te betrekken bij dit onderhoud, waarbij Defensie echter ook de strategische kennispositie van de Koninklijke Marine moet bewaken. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoeveel vacatures heeft de Directie Materiële Instandhouding (DMI) in Den Helder momenteel?
De DMI heeft momenteel ongeveer 10 procent van de 2.800 functies vacant. Dit betreft niet alleen monteurs maar ook functies in bijvoorbeeld de logistieke ondersteuning, engineering en bedrijfsvoering.
Is de scheepshal in Krimpen aan den IJssel, die nu door IHC wordt stilgelegd, geschikt om schepen te bouwen dan wel te onderhouden voor de Koninklijke Marine?
De scheepshal van Royal IHC in Krimpen aan de IJssel is een scheepshelling voor de bouw van nieuwe schepen. De bouw van marineschepen is daar in beginsel mogelijk, als deze op de scheepshelling passen. Onderhoud plegen op een scheepshelling is echter niet mogelijk.
Herinnert u zich de uitspraak «Achter de schermen zijn wij die gesprekken aan het voeren», gedaan door de Staatssecretaris van Defensie bij het commissiedebat over de Defensienota op 14 september jl.?
Ja.
Kunt u concreet aangeven welke gesprekken er hebben plaatsgevonden, en op welk niveau binnen de defensieorganisatie er gesproken is met de maritieme industrie?
De maritieme industrie is uiteraard breder dan alleen Royal IHC. Onder anderen de Directeur van de Defensie Materieel Organisatie en de Commandant van de Koninklijke Marine (Commando Zeestrijdkrachten) hebben de bedoelde gesprekken gevoerd. Ook het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat onderhoudt uiteraard nauwe contacten met de maritieme industrie. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Wat heeft u sinds de aangenomen motie van het lid Valstar c.s. (Kamerstuk 35 925-X, nr. 70), die verzoekt met de industrie onderhoudsachterstanden weg te werken, ondernomen richting de maritieme industrie?
In de brief van 21 juni jl.6 heb ik uiteengezet hoe Defensie de genoemde motie-Valstar oppakt. Een element daarvan is het voeren van gesprekken met de industrie over onderhoud (zie ook het antwoord op de vragen 5 en 12).
Vermeldenswaard is verder het project «Vervanging hulpvaartuigen» waarvan de Kamer op 16 juni jl. de B-brief heeft ontvangen7. Defensie wil bij dit project de instandhouding van de acht nieuwe hulpvaartuigen opnemen in het contract om daarmee de onderhoudstaken van de Koninklijke Marine te verminderen. Het contract zal daarmee het ontwerp, de bouw, de levering en de instandhouding omvatten. Defensie zal de opdracht hiervoor aanbesteden in concurrentie tussen Nederlandse aanbieders.
Bent u bekend met het feit dat andere Europese landen, zoals de Spaanse marine bij Navantia, ook nauw samenwerken met hun industrie voor onderhoud en het verhogen van de inzetbaarheid?3
Ja.
Deelt u de mening dat eventuele Europese aanbestedingsregels dus geen belemmering kunnen zijn voor dergelijke samenwerking in Nederland, ook gezien de uitzonderingsgrond die artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie biedt? Bent u ook bereid met Europese collega’s, zoals die in Spanje, in contact te treden om te kijken wat Nederland van hen kan leren over samenwerking tussen marine en industrie aan vlootonderhoud?
Bij de aanbesteding van opdrachten, ook die voor onderhoud, moet Defensie zich houden aan de toepasselijke wettelijke regels. Defensie kan bij het verlenen van opdrachten gebruikmaken van mogelijkheden van de Aanbestedingswet of de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV). Indien nodig kan Defensie gebruik maken van art. 346 VWEU (Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie). Voor een succesvol beroep op artikel 346 VWEU moet aan vier voorwaarden worden voldaan. Er moet een wezenlijk belang van nationale veiligheid zijn, de aanschaf moet op de lijst van militair materieel uit 1958 voorkomen, de civiele markt mag niet worden verstoord en het moet noodzakelijk en proportioneel zijn. Bij de bouw en de instandhouding van de nieuwe hulpvaartuigen maakt Defensie gebruik van art. 346 VWEU, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 13.
Net als in andere landen werkt ook in Nederland het Ministerie van Defensie nauw samen met de eigen industrie (zie ook het antwoord op vraag 5). Defensie heeft goede contacten met andere landen op het gebied van materieel, ook met Spanje.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat Defensie met onderhoudsachterstanden te kampen heeft, de maritieme industrie werknemers moet ontslaan door het verlies aan opdrachten en er tegelijkertijd behoefte is bij de Nederlandse overheid om marine- en civiele schepen te laten bouwen? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te doorbreken?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat gezien het belang van het maritieme cluster voor de Nederlandse strategisch autonomie op het gebied defensie, zoals onder meer weergegeven in de Defensie Industrie Strategie, een nauw contact tussen deze sector en het Ministerie van belang is?
Nauwe contacten tussen de overheid – onder andere de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat – en de maritieme sector bestaan reeds sinds decennia. Het is van belang deze nauwe contacten in stand te houden, met behoud van eenieders verantwoordelijkheden.
De Defensie Industrie Strategie (DIS) presenteert een visie op en geeft invulling aan (Europese) strategische autonomie. In de DIS is het belang onderstreept van de maritieme sector voor de Nederlandse Defensie Technologische en Industriële Basis. Nederland beschikt over maritieme bedrijven met toonaangevende technologische en industriële capaciteiten. Daarnaast heeft Nederland op maritiem gebied een infrastructuur van onderzoek, ontwikkeling en bouw tot de sloop van schepen. Op 2 november heeft u een brief9 ontvangen van de Minister en Staatssecretaris van Defensie en de Minister van EZK over de DIS in de nieuwe geopolitieke situatie. Deze brief gaat onder meer in op de Europese dimensie van de maritieme sector.
Bent u sinds uw aantreden bij maritieme bedrijven op werkbezoek geweest of heeft u hen ontvangen voor een gesprek? Zo nee, bent u bereid bij deze bedrijven langs te gaan om te kijken hoe barrières voor samenwerking doorbroken kunnen worden?
Ik heb telefonisch contact gehad met zowel Royal IHC als Damen. Ik ben op bezoek geweest bij meerdere defensiebedrijven, maar nog niet bij de maritieme industrie. In het kader van de DIS wil het kabinet contacten met de industrie intensiveren. Verdere werkbezoeken aan bedrijven, waaronder uit de maritieme industrie, kunnen daar deel van uitmaken.
Stijgende energieprijzen zorginstellingen |
|
Raoul Boucke (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Kuipers , Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw beeld van de effecten van de stijgende energiekosten voor ziekenhuizen en andere intramurale zorgaanbieders zoals verpleeghuizen?
Vanuit de verschillende domeinen (Wlz, Zvw, Wmo en Jeugd) heeft het Ministerie van VWS signalen ontvangen over en van zorgaanbieders die dit jaar worden geconfronteerd met aanzienlijke financiële tegenvallers als gevolg van hoger dan geraamde (energie)prijzen en/of voor volgend jaar minder gunstige scenario’s prognosticeren mede door de gestegen (energie)prijzen 2022. Kortheidshalve verwijs ik naar de brieven hierover van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, de Staatssecretaris van VWS en mijzelf van 17 oktober1 en 22 november2 jongstleden.
Bent u bekend met signalen dat sommige ziekenhuizen overwegen de op diesel gedreven noodgeneratoren aan te zetten omdat dit goedkoper wordt in vergelijking tot gas? Krijgt u soortgelijke geluiden en welke zijn deze?
Mij zijn die signalen niet bekend. Ik kan mij wel voorstellen dat zorgorganisaties zich genoodzaakt zien dergelijke keuzes te overwegen om op korte termijn kosten te besparen. Veel ziekenhuizen beschikken over noodaggregaten of -generatoren in verband met leveringszekerheid in geval van een stroomstoring of andere calamiteit.
Deelt u de meining dat dit onwenselijk is?
Vanwege de impact van fossiele brandstoffen op het klimaat en onze leefomgeving is een overstap op hernieuwbare energie te verkiezen. Dat geldt voor heel Nederland, dus ook voor de zorgsector. Over het verkleinen van zijn klimaat- en milieu-impact heeft de zorgsector recent opnieuw afspraken gemaakt in de Green Deal Samen werken aan duurzame zorg. Een van de doelstellingen daarvan is om de uitstoot van CO2 in 2030 met 55% te hebben gereduceerd. In dat kader ga ik er van uit dat een overstap op diesel-gestookte energie, indien daar sprake van is, een tijdelijke uit nood geboren aangelegenheid is en eerder uitzondering dan regel. De hogere energieprijzen maken een overstap naar hernieuwbare energie of het besparen van energie immers financieel aantrekkelijk. Het kabinet houdt aandacht voor prikkels om energieverbruik te verminderen en duurzaamheid te bevorderen.
Welke maatregelen treft de regering om de energiekosten bij ziekenhuizen en andere intramurale zorgaanbieders te mitigeren?
Hiervoor verwijs ik naar eerder genoemde brief van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, de Staatssecretaris van VWS en mijzelf van 22 november3.
Neemt u ziekenhuizen en andere intramurale zorgaanbieders mee in de uitwerking van het energieplafond of andere compenserende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Indien zorginstellingen voldoen aan de voorwaarden van het energieplafond, waarbij sprake moet zijn van een kleinverbruikersaansluiting, is het energieplafond ook voor hen van toepassing.
Indien zorginstellingen aan de voorwaarden van de Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief mkb (TEK) voldoen, kunnen zij in aanmerking komen voor de TEK. De voorwaarden daarvoor zijn als volgt:
Heeft u een overzicht van de ziekenhuizen en andere intramurale zorgaanbieders die mogelijk in financiële nood komen vanwege de gestegen energieprijzen?
Ik beschik niet over een dergelijk overzicht. Of en in welke mate ziekenhuizen en andere zorgaanbieders hier mee te maken krijgen is afhankelijk van de individuele situatie, waarbij veel elementen een rol spelen (algehele inflatie, wel of niet aflopen energiecontract, mogelijkheden om energiebesparende maatregelen door te voeren, risicobuffers om financiële tegenvallers op te vangen, afspraken met zorgverzekeraars over compensatie etc.).
Deelt u de opvatting dat de herstructureringswet Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) kan worden ingezet om noodlijdende ziekenhuizen en andere intramurale zorgaanbieders op korte termijn te ondersteunen?
De wet maakt het voor bedrijven mogelijk schulden te herstructureren door middel van een akkoord, dat bindend is voor alle schuldeisers en aandeelhouders. In algemeenheid kunnen zorginstellingen, net als andere bedrijven gebruik maken van de WHOA. Belangrijke voorwaarde voor toepassing van de WHOA is dat er sprake is van een dreigend faillissement. Het moet redelijkerwijs aannemelijk zijn dat de onderneming insolvent zal raken wanneer geen maatregelen worden getroffen.
Welke andere maatregelen worden getroffen om ziekenhuizen en andere intramurale zorgaanbieders te ondersteunen en daarmee de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg te garanderen?
De maatregelen die het kabinet neemt zijn benoemd in de eerder genoemde brieven. Op het gebied van verduurzaming ondersteunt het kabinet de zorgsector met kennis via het Expertisecentrum Verduurzaming Zorg4, met advies en begeleiding via het ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed van de RVO5 en met financiële ondersteuning via de subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA)6, de SDE++ en de ISDE.