45.000 Brabantse huishoudens die buiten het prijsplafond vallen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over 45.000 Brabantse huishoudens die buiten prijsplafond vallen?1
Ja.
Deelt u onze zorgen over het feit dat 45.000 Brabantse huishoudens deze winter mogelijk de hoofdprijs voor energie moeten betalen, omdat de kans bestaat dat flats met blokverwarming, studentenhuizen en woongroepen buiten de afspraken voor het prijsplafond vallen?
Ja, ik deel deze zorg en daarom heb ik in mijn brief aan uw Kamer van 4 oktober 2022 aangegeven dat ik mij tot het uiterste inspan om met een passende oplossing te komen voor uitzonderingsgevallen welke geen of slechts in beperkte mate gebruik kunnen maken van het tijdelijke prijsplafond. Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat het door de enorme tijdsdruk niet mogelijk is om aan de voorkant te garanderen dat dit op korte termijn voor iedereen gaat lukken. De opgave is groot en zeer complex, terwijl er weinig tijd resteert om alles per 1 januari klaar te hebben staan.
Bent u bekend met het feit dat dit tot tot huisuitzettingen kan leiden?
Ja.
Heeft u de bereidheid om voor de groep van 45.000 Brabantse huishoudens een oplossing te zoeken? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 benoemd ben ik hard op zoek om een oplossing te vinden waarmee ook de groep huishoudens met blokverwarming, zoals deze groep Brabantse huishoudens, tegemoet gekomen wordt met het oog op de hoge energieprijzen. Daarbij werk ik samen met RVO.nl, de Belastingdienst en de energieleveranciers om voor zo veel mogelijk huishoudens een geschikte toepassing van het prijsplafond uit te werken.
Het bericht ‘COP27: Egypt pressed to make human rights move before climate summit” |
|
Laurens Dassen (Volt), Raoul Boucke (D66), Agnes Mulder (CDA), Suzanne Kröger (GL), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het oordeel van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch dat Egypte het werk van milieugroepen beperkt en met het feit dat de Egyptische mensenrechtencoalitie een petitie heeft gestart waarin aandacht wordt gevraagd voor de huidige onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en het belang van een civic space voor effectieve klimaatactie? Wat is uw oordeel hierover?1
Ik ben bekend met het oordeel van Human Rights Watch en met de in de vraag benoemde petitie van de Egyptische mensenrechtencoalitie. Nederland is bezorgd over de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld in Egypte en hecht belang aan inclusiviteit van COP27 om de ruimte voor kritische geluiden voldoende te waarborgen en effectieve klimaatactie te bewerkstelligen.
Bent u bekend met het oordeel van Egyptische activisten dat de Egyptische autoriteiten het maatschappelijke organisaties praktisch onmogelijk maken om goed te functioneren?
Ja. Zowel binnenlands als internationaal bestaan er zorgen over de mensenrechtensituatie in Egypte, met name over media en persvrijheid, de beperkte ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de grote aantallen politieke gevangenen, waarvan velen in pretrial detention.
Bent u bekend met het feit dat de mogelijkheid tot klimaatprotesten tijdens de klimaattop wordt ingeperkt doordat veel Egyptische organisaties niet in staat zijn zich te registreren voor de COP27? Wat is uw oordeel hierover?
Het aanvragen van een observer status bij UNFCCC geeft organisaties de mogelijkheid om personen te accrediteren voor aanwezigheid bij een COP. Ngo’s, internationale organisaties en VN-organisaties met een observer status krijgen tijdens COP27 toegang tot de blauwe zone waar de onderhandelingen plaatsvinden. Organisaties die eenmaal in het bezit zijn van een dergelijke status blijven deze behouden voor toekomstige COPs. Organisaties die niet al eerder een observer status hadden aangevraagd, konden tot augustus 2021 een aanvraag indienen bij UNFCCC om aanwezig te zijn bij COP27.
De Egyptische autoriteiten hebben, in hun capaciteit als aantredend gastheer, UNFCCC verzocht (buiten het gebruikelijke proces om) eenmalige accreditatie te verlenen aan meer dan dertig Egyptische organisaties om de COP27 bij te wonen. De betreffende organisaties zijn door de Egyptische overheid zelf uitgekozen. Hoewel het initiatief om meer organisaties te accrediteren een positieve stap is die verwelkomd kan worden, had Nederland dit selectieproces graag inclusiever en transparanter gezien zodat ook meer kritische en onafhankelijke organisaties accreditatie hadden kunnen krijgen. Recent is bekend geworden dat UNFCCC heeft besloten extra badges vrij te geven die ten goede zullen komen aan personen werkzaam voor Egyptische organisaties zodat zij toch aanwezig kunnen zijn bij COP27. Nederland juicht deze beslissing toe.
Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) en tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in juni jl spraken de Ministers van Buitenlandse Zaken van Egypte en Nederland met elkaar. Deze gesprekken gingen onder meer over de aankomende COP27 en het belang van een inclusieve bijeenkomst met ruimte voor kritisch geluid vanuit maatschappelijk middenveld. Daarnaast zijn er tijdens het bezoek van de Nederlands Klimaatgezant in juni jl. en de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur begin oktober gesprekken gevoerd met VN-vertegenwoordigers, verschillende Egyptische overheidsinstanties en religieuze leiders. Tijdens deze gesprekken is het belang van gelijke behandeling van Egyptische maatschappelijke organisaties besproken en is aangedrongen op de inclusiviteit van de COP27.
Erkent u dat juist ook Egyptische organisaties gehoord zouden moeten worden tijdens de COP27 omdat zij net als alle andere organisaties een belangrijke stem vertolken in het debat over de gevolgen van klimaatverandering?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting van deze organisaties dat de vrijheid van meningsuiting en onafhankelijke berichtgeving mensenrechten zijn, die van groot belang zijn als het gaat om klimaatrechtvaardigheid?
Ja. Vrijheid van meningsuiting, internetvrijheid en onafhankelijke journalistiek zijn prioriteiten onder het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het maatschappelijk middenveld speelt een essentiële rol bij de bevordering van klimaatmaatactie en klimaatrechtvaardigheid. Zowel de UNFCCC als Egypte dienen een veilige en zinvolle deelname van maatschappelijke organisaties, inclusief Egyptische organisaties, aan COP27 te waarborgen.
In hoeverre vindt het kabinet dat door het inperken van de vrijheid van deze organisaties en activisten de legitimiteit van de COP27 onder druk staat?
Nederland hecht aan een zo inclusief mogelijke klimaattop en verleent jaarlijks accreditatie aan een aantal Nederlandse ngo’s, buiten de accreditatiemogelijkheden die ze zelf hebben. Ten aanzien van de toegang van Egyptische ngo’s heeft Nederland zorg over de veiligheid en volledige deelname van alle geledingen van het Egyptisch maatschappelijk middenveld aan COP27.
Deze zorgen zijn door het kabinet ook op verschillende niveaus en in meerdere gesprekken overgebracht, zie ook het antwoord op vraag 3 en 4.
Nederland is, samen met andere landen en actoren, betrokken bij verschillende evenementen en onderdelen tijdens COP27 die ruimte zullen bieden aan de stem van klimaatactivisten, jongeren en Egyptische ngo’s.
Welke rol ziet u weggelegd voor Nederland als het gaat om dit te voorkomen? Deelt u de opvatting dat Egypte als gastheer voor de klimaattop een grote verantwoordelijkheid draagt voor het succesvol doen verlopen ervan en dat het land er alles aan dient te doen om de effectiviteit van de top te optimaliseren?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid zich zowel bilateraal als in Europees verband uit te spreken voor mensenrechten en mensenrechtenorganisaties bij de Egyptische autoriteiten zodat hen toegang zal worden verschaft tot de COP27?
Het succesvol doen verlopen van de klimaattop is een verantwoordelijkheid van UNFCCC als secretariaat en alle landen die deelnemen aan de onderhandelingen, waaronder Nederland. Egypte speelt als gastheer een belangrijke rol en is onder andere verantwoordelijk voor het vormgeven van het programma en de themadagen. Ook is het de verantwoordelijkheid van de gastheer om de onderhandelingen in goede banen te leiden.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor een statement richting Egypte omtrent de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en in het bijzonder van de klimaatactivisten?
Nederland dringt, net als andere Europese landen, zowel bilateraal als in multilateraal verband, aan op een inclusieve COP27 zonder dat deelnemende organisaties hoeven te vrezen voor onderdrukking of repercussies voor, tijdens of na de klimaattop. Deze boodschap brengen wij publiek alsook in bilaterale gesprekken over, zie ook de toelichting op vraag 6 en 7. De Egyptische autoriteiten hebben aangegeven dat de accreditatieregels hetzelfde zijn als bij de voorgaande klimaattoppen en dat uitsluitend UNFCCC verantwoordelijk is voor het verlenen van toegang aan maatschappelijke organisaties.
Het TrendMeetnet Verzuring van het RIVM |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met de rapportage van het TrendMeetnet Verzuring van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?1
Ja.
Bent u bekend met de conclusies van het TrendMeetnet, dat de metingen in 2010 een daling van stikstofgehalten in het bovenste grondwater aantoonden die 55% lager waren dan in 1988?2
Ja.
Onderschrijft u deze genoemde resultaten?
Ja.
In uw beantwoording op de schriftelijke vragen van het lid van Haga (Groep Van Haga) op 4 oktober over stikstofuitstoot, stikstofminnende planten en insecten stelt u dat er al die tijd (in meerdere of mindere mate) ophoping van stikstof heeft plaatsgevonden, heeft u bodemkundige metingen over een reeks van jaren die deze gestelde ophoping onderschrijven?3
Wageningen University and Research (WUR) heeft in de periode tussen 1990 en 2000 metingen gedaan aan veranderingen in de stikstof bodemvoorraad in 124 bosopstanden (periode 1990–1995) en aan veranderingen in de stikstofconcentraties in bodemvocht in acht bosopstanden (periode 1990–2000). In die periode nam de totale stikstofdepositie sterk af.
De metingen van de WUR wezen op een toename van de stikstofvoorraad in de bodem. Het ging om een gemiddelde toename van 90 kg stikstof in 5 jaar, oftewel 18 kg N/ha/jr. De veranderingen in de stikstofconcentraties in bodemvocht wezen op een afname van de stikstofconcentraties in het bodemvocht vergelijkbaar met de afname in de concentraties in het grondwater in landbouwgebieden.
Het lijkt misschien tegenstrijdig dat stikstofconcentraties in het bodemvocht dalen, terwijl er nog steeds stikstof in de bodem ophoopt. Dat is het echter niet. Uit de metingen blijkt dat een afnemende depositie leidt tot een afname van de stikstofuitspoeling, maar nog steeds neemt de ophoping van stikstof in de bodem toe. De totale depositie is immers nog hoger dan de som van wat de vegetatie op kan nemen en van wat er uitspoelt naar het grondwater. Er komt nog steeds meer stikstof in de bodem terecht dan er in de vorm van uitspoeling en opname door de vegetatie uit gaat, zodat er ophoping van stikstof in de bodem plaatsvindt.
De resultaten van de bodem- en bodemvocht metingen zijn te vinden in:
(i) Leeters, E.E.J.M. & W. de Vries, 2001. Chemical composition of the humus layer, mineral soil and soil solution of 200 forest stands in the Netherlands in 1995. Wageningen (Netherlands), Alterra rapport 424.2, Wageningen. (alleen de bodem: strooisellaag en minerale laag)
(ii) De Vries, W., J.W. Erisman, A. Van Pul, J. Duyzer, L.J.M. Boumans, E.E.J.M. Leeters, J. Roelofs en A. van Hinsberg, 2002. Effecten van emissie beleid voor verzuring op depositie en de kwaliteit van bodem en grondwater. Arena nr 6, Het dossier: 82–85. (alleen de strooisellaag en bodemvocht)
(iii) Leeters, E.E.J.M., W. de Vries, T. Hoogland, B. van Delft, R. Wieggers, D. J. Brus, A.F.M. Olsthoorn, H. van Dobben, A. Bleeker, 2007. What happened to our forests in the last decades? Results of more than ten years of forest ecosystem monitoring in the Netherlands. Alterra Report 1528, Wageningen. (alleen bodemvocht)
(iv) De Vries, W., H. Kros, E. Wattel-Koekkoek & A. van Pul, 2018. Concentraties in bodemvocht en grondwater: Trends in ammonium en nitraat. V-focus 15 (5), 40–43. (alleen de strooisellaag en bodemvocht)
Zo nee, waarop baseert u de vermeende ophoping van stikstof in de bodem?
Zoals in het antwoord op vraag 4 geschetst zijn er metingen van de WUR die deze stelling onderschrijven. Deze metingen maakten onderdeel uit van wetenschappelijk onderzoek. De resultaten zijn niet actief naar de Tweede Kamer gezonden, maar wel gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. In mijn beantwoording op de schriftelijke vragen van het lid van Haga (Groep Van Haga) op 4 oktober over stikstofuitstoot, stikstofminnende planten en insecten heb ik gebruik gemaakt van deze op dat moment beschikbare wetenschappelijke onderbouwing. Het is niet gebruikelijk om de beschikbare wetenschappelijke onderbouwing (bijvoorbeeld als bijlage) mee te sturen bij antwoorden op Kamervragen. Desgewenst kan een dergelijke wetenschappelijke onderbouwing uiteraard wel nader worden toegelicht (zie hiervoor het antwoord op vraag 4).
Zo ja, waarom is de Tweede Kamer niet over deze metingen geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe kan het dat u spreekt over ophoping van stikstof in de bodem, terwijl het TrendMeetnet van het RIVM van 1988 tot en met 2010 een daling van stikstof in het bovenste grondwater laat zien van 55%?
Voor het antwoord op vraag 7 verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Waren er onvoldoende redenen om het Trendmeetnet Verzuring te continueren, gezien het feit dat het TrendMeetnet Verzuring in 2010 is beëindigd?
Het TrendMeetnet Verzuring (TMV) werd gefinancierd door het (toenmalige) Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de voorloper het Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit werd uitgevoerd in het kader van het Verzuringsonderzoek. In 2014 is het Verzuringsonderzoek afgesloten en daarmee is automatisch ook het trendmeetnet stopgezet.
In het kader van Artikel 9 van de Air Quality Directive worden EU-landen nu gevraagd informatie over de belasting van luchtverontreinigende stoffen in het algemeen op ecosystemen te rapporteren. Daarvoor is door het RIVM een nieuw monitoringsproject gestart. Het gaat nu dus om meer dan alleen het meten van het verzurende effect, zodat ook niet met dezelfde systematiek en meetpunten kan worden volstaan. In dit NGN-project (Stikstof Grondwater Natuur) worden in tien natuurgebieden verschillende stikstofcomponenten in lucht, bodem en grondwater gemeten. Hiervoor is overigens wel deels gebruik gemaakt van oorspronkelijke locaties van het TMV.
Is het mogelijk om het TrendMeetnet Verzuring van het RIVM, op dezelfde gps-locaties als toen, weer metingen te laten verrichten?
Voor de beantwoording op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 8. Verder worden op een beperkt aantal meetlocaties van het oorspronkelijke Trendmeetnet Verzuring (150 locaties op zandgronden) weer metingen uitgevoerd.
Zou het mogelijk zijn dat de in het TrendMeetnet waargenomen trend van daling van stikstof in het bovenste grondwater zich kan hebben doorgezet?
Aangezien het TMV in 2014 is gestopt, is geen analyse uitgevoerd over meer recentere jaren. Uit onderzoek van het RIVM is gebleken dat door de lagere uitstoot van stikstof tussen 1989 en 2010 er minder stikstofdepositie op de bodem terecht kwam, en dat werkte in positieve zin door op het bovenste grondwater. Na 2010 is er een stagnatie opgetreden in de afname van de stikstofdepositie, daardoor is het waarschijnlijk dat de daling van stikstof in het bovenste grondwater niet of zeker niet in die mate heeft doorgezet.
Bovendien zien we in een ander grondwaterkwaliteitsmeetnet, het Landelijk meetnet effecten mestbeleid, dat nitraatconcentraties in het bovenste grondwater de laatste jaren stegen, waarschijnlijk als gevolg van droogte.
Zo nee, waarom zal dat niet het geval zijn?
Zie antwoord vraag 10.
Zo ja, welk percentage daling zou dan nu zijn gerealiseerd ten opzichte van 1988?
Zie antwoord vraag 10.
'Begroting Kaag niet verantwoord' |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Begroting Kaag niet verantwoord» van de Business Nieuws Radio (BNR)?1
Ja.
Wat is uw reactie op hoogleraar Economie en Overheidsfinanciën Bas Jacobs die stelt dat het zoeken naar dekking van het miljardengat in de begroting, naar schatting 10 tot 40 miljard euro, onverantwoord is?
Het zijn ongekende tijden, die vragen om onconventionele maatregelen. De overheid vervult hier haar rol als vangnet, om te zorgen dat mensen zich niet diep in schulden hoeven te steken om de energierekening te betalen. Het risico van stijgende energieprijzen nemen we als staat over om burgers meer zekerheid te geven. Hier hoort bij dat er dan onzekerheid ontstaat op de begroting. Deze onzekerheid acht ik verantwoord gezien de omstandigheden.
Ik zie dus in dat we ongekend grote maatregelen nemen. De raming van de energieprijzen is zeer onzeker. Daarom heb ik in de brief van 4 oktober2 ook een bandbreedte genoemd van de mogelijke budgettaire gevolgen. Voor de verwerking in de begroting gaan we uit van de cijfers uit de MEV. De kosten worden op basis van deze raming geschat op 2,6 miljard voor 2022 en 11,2 miljard voor 2023. De Minister voor Klimaat en Energie zal een nota van wijziging naar het parlement sturen ten behoeve van de budgettaire verwerking van de voorgenomen maatregelen in de ontwerpbegroting 2023. De incidentele suppletoire begroting ten aanzien van maatregelen met ingang van 2022 is reeds verzonden aan uw Kamer.
We hebben bij de Miljoenennota een pakket van maatregelen aangekondigd met budgettaire omvang van ca. 17 miljard euro, waarvoor grosso modo dekking is gevonden. Hiervan vervalt de maatregel verlaging energiebelasting ter hoogte van 5,4 miljard euro, omdat deze wordt ingezet als dekking voor de maatregelen aangekondigd in de brieven van 4 oktober. Hoe groot de resterende dekkingsopgave is, zal moeten blijken uit hoe de energieprijzen zich gaan ontwikkelen. Hierbij zal ook de ontwikkeling van de gasbaten, de solidariteitsheffing en de inframarginale heffing worden betrokken.
Over de aanvullende dekking wordt besloten in het voorjaar. Deze dekking is niet alleen belangrijk vanuit het perspectief van beheersing van de overheidsfinanciën, maar ook om als overheid de inflatie niet verder aan te wakkeren.
Hoe groot is het gat?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat ambtenaren van het Ministerie van Financiën tegen de hoogleraar gezegd hebben dat de situatie op het Ministerie «chaotisch» is?
In algemene zin geldt dat we ons al enige tijd in een uitzonderlijke tijd bevinden. Na de coronapandemie volgde de oorlog in Oekraïne, met als gevolg de sterke en onvoorziene stijging van energieprijzen. Dit heeft ook zijn weerslag op de besluitvorming rond de begroting, die veel hectischer is geweest dan je in normale tijden mag verwachten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het Centraal Planbureau (CPB) weer in staat gesteld wordt om te controleren of de uitgaven onder de begrotingskaders blijven?
Het CPB wordt voorzien van alle informatie over de uitgaven en inkomsten van het kabinet. Wel is het zo dat het kabinet tot op het laatst mogelijke moment heeft gezocht naar mogelijkheden om toch nog compensatie te kunnen bieden aan huishoudens voor 2022 en om een prijsplafond in te stellen voor 2023. Hierdoor is afgeweken van het reguliere begrotingsproces. In deze uitzonderlijke situatie achtte het kabinet het echter van groter belang om alle mogelijkheden te benutten om huishoudens te behoeden voor energiearmoede. Uiteraard vindt het kabinet een ordentelijk begrotingsproces wel belangrijk en zal het zich inspannen om hier ook weer naar terug te gaan.
Heeft het CPB een waarschuwing gegeven aan het Ministerie van Financiën?
Het CPB heeft geen waarschuwing afgegeven. Er is goed overleg tussen het CPB en het ministerie waarbij algehele macro-economische omstandigheden en beleid worden besproken. Uiteindelijk heeft het kabinet besloten tot het pakket aan maatregelen.
Deelt u de mening dat door de opeenstapeling van pakketten het overzicht volledig weg lijkt te zijn?
Ik deel die mening niet. Als onderdeel van de beantwoording zijn de tabellen met het overzicht van de maatregelen die het kabinet heeft getroffen als gevolg van de stijgende energieprijzen opgenomen. Deze maatregelen zijn onderdeel van de verschillende koopkrachtpakketten sinds Startnota 2022.
Kunt u ons een duidelijk overzicht verschaffen van de toegezegde pakketten en de budgettaire gevolgen daarvan?
Zie antwoord vraag 7.
Het begrotingstekort gaat richting de vijf procent van het bbp. Hoe zorgelijk vindt u dit?
Het geraamde begrotingstekort bij Miljoenennota voor 2023 is 3% bbp. Dit cijfer is nog exclusief de maatregelen van het APB-pakket, maar het kabinet besluit in het voorjaar over de dekking van deze maatregelen.
Waar ligt voor u de grens wat betreft het begrotingstekort?
In het trendmatig begrotingsbeleid, waar het kabinet van uitgaat, vindt geen sturing plaats op het EMU-saldo. Budgettaire beheersing vindt plaats door de in het coalitieakkoord vastgelegde financiële kaders te handhaven. Hieraan geeft het kabinet invulling door in het voorjaar te besluiten over dekking van de maatregelen.
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
Prijsplafond 2022
2.600
0
0
0
0
Prijsplafond 2023
0
0
0
0
0
Dekking uit energiebelasting miljoenennotapakket
0
0
0
0
0
Dekking uit nieuwe solidariteitsheffing
– 1.500
0
0
0
0
Dekking uit nieuwe inframarginale heffing
0
0
0
0
0
Te onderzoeken subsidie energie-intensief MKB
PM
0
0
0
0
Diverse subsidies o.a. schuldhulpverlening en jeugd
5
0
0
0
0
Dekking SZW
– 5
0
0
0
0
Bijzondere bijstand studenten
35
0
0
0
0
Dekking SZW en OCW
– 35
0
0
0
0
Energietoelage in 2022
500
0
0
0
0
WKR
0
0
0
0
0
Westerscheldetunnel (140 mln. t/m 2029)
0
28
28
28
0
Dekking NGF
0
– 28
– 28
– 28
0
Schoollunches
0
0
0
0
0
Dekking OCW
0
0
0
0
0
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
Verlaging energiebelasting
0
0
0
0
0
Noodfonds betalingsachterstanden
0
0
0
0
0
Uitstel schuif energiebelasting naar 2024
0
0
0
0
0
Energietoeslag (1.300 euro)
0
0
0
0
0
Eenmalige verhoging zorgtoeslag
0
0
0
0
0
Enveloppe armoede en schuld
50
0
0
0
0
Inkomensafhankelijk huurverlaging 1/7
0
0
0
0
0
Verhogen beurs uitwonenden
0
37
93
113
0
Intensivering Nationaal Isolatieprogramma
0
0
0
0
0
Maatregel brandstofaccijns
0
0
0
0
0
Verhoging MWL
22
863
833
811
532
IOAOW verlagen 2023, afschaffen 2025
0
0
0
0
0
Verhoging huurtoeslag met 203 euro
25
325
325
325
325
Kindgebonden budget
65
248
134
133
100
Kinderopvangtoeslag naar 96%
0
80
102
113
113
Arbeidskorting
0
500
500
500
500
Verlaging tarief eerste schijf IB
0
700
700
700
1.000
Investering MKB
0
500
500
500
600
Caribisch NL
0
4
4
4
4
Gasbaten (excl. Norg en mijnbouwheffing)
– 2.470
– 919
– 385
– 35
– 35
Mijnbouwheffing
0
– 52
0
0
0
SDE meevaller kolencentrales
– 500
0
0
0
0
Versnel afbouwen zelfstandigenaftrek
0
– 518
– 688
– 598
– 89
Afschaffen doelmatigheidsmarge
0
– 505
– 487
– 468
– 189
Verhoge lage vpb-tarief naar 19%
0
– 1.528
– 1.529
– 1.530
– 1.549
Box 3: verhogen tarief & HHV
0
– 350
– 350
– 350
– 350
Aanpak constructues & fiscale regelingen
0
– 250
– 400
– 550
– 550
Aftoppen giftenaftrek ANBI-constructies
0
– 30
– 40
– 50
– 50
Afschaffen FBI vastgoed
0
– 54
– 54
– 54
– 54
Verhogen overdrachtsbelasting tot 10,4%
0
– 130
– 130
– 130
– 130
Resterend overschot inkomstenkader
31
– 232
– 447
– 446
– 351
Rente
383
1.015
1.071
1.071
1.071
Asiel
183
176
184
182
168
Medeoverheden
0
0
1.100
0
0
Uitvoerinsinformatie SZW en VWS
– 937
– 312
– 381
– 433
– 438
Taakstellende onderuitputting
– 2.100
0
0
0
0
Kasschuiven
41
713
– 855
– 1.153
0
Overigen
– 148
– 96
– 97
– 113
– 166
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
Verhoging energietoeslag van 800 naar 1.300 euro
550
0
0
0
0
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
VPB (te dekken buiten Pillar 2)
0
0
0
0
0
BPV: verlagen schijfgrens naar 200.000
0
0
0
0
0
Box 3 bezwaarmakers kosten lastenkant
2.800
0
0
0
0
Box 3 bezwaarmakers kosten uitgavenkant
25
0
0
0
0
Box 3 verhoging HVV terugdraaien
0
– 300
– 300
– 300
– 300
Box 2: twee schijven 26% en 29,5% per 2024*
0
– 70
– 70
– 70
– 70
Box 2: doelmatigheidsmarge van 25% naar 15%
0
– 281
– 260
– 248
– 85
Box 2 en 3: Afbouw AHK met verzamelinkomen
0
– 325
– 325
– 325
– 325
30%-regeling beperken tot Balkenende norm
0
– 34
– 85
– 85
– 85
VPB: restant verlagen schijfgrens naar 200.000
0
– 1.271
– 1.271
– 1.271
– 1.271
Algemeen tarief overdrachtsbelasting van 9% naar 10%
0
– 325
– 325
– 325
– 325
AOW koppeling 7,5%
0
2.251
2.306
2.362
2.362
Afschaffen IOAOW
0
– 1.077
– 1.102
– 1.128
– 1.128
Terugdraaien verhoging ouderenkorting
0
– 618
– 618
– 618
– 618
Afschaffen Fiscale oudedagsreserve (FOR)
0
– 120
– 86
– 86
– 86
Defensie 2% in 2024 en 2025 en struc 2,4 mld.
0
2.405
2.405
2.405
2.405
Toerekenen Defensie
0
– 200
– 200
– 200
– 200
Maatschappelijke diensttijd overhevelen naar Defensie
0
– 205
– 205
– 205
– 205
Indexatie CA-middelen tranche 2022
– 136
– 649
– 668
– 698
– 307
Indicatief accres effect
– 12
398
0
0
0
WML vervroegen naar 2023 in 3 stappen inclusief AOW
2
291
278
266
145
Onbelaste reiskostenvergoeding 1 jaar naar voren
0
0
0
0
0
Nationaal Groeifonds
– 660
0
0
0
0
Klimaatfonds
0
– 300
– 300
– 230
0
Transitiefonds
0
– 200
– 200
– 160
0
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2023
2024
2025
2026
2027
struc
Verhogen energietoeslag met 60 euro
480
0
0
0
0
0
0
Verlagen btw op energie
1.100
0
0
0
0
0
0
Accijnsverlaging brandstof
1.026
0
0
0
0
0
0
Energiebesparende maatregelen
160
0
0
0
– 160
0
0
Caribisch NL
5
0
0
0
0
0
0
Gasbaten
– 945
– 965
– 165
– 65
– 65
– 42
0
Het bericht 'NVDI en STAP: samenstelling Alcoholtafel van het Nationaal Preventieakkoord leidt niet tot het gewenste resultaat' |
|
Jeanet van der Laan (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u nogmaals de doelen van het Nationaal Preventieakkoord onderschrijven en aangeven dat u er alles aan doet om deze te behalen?1
Ik onderschrijf de doelen van het Nationaal Preventieakkoord (hierna: NPA) en blijf mij inzetten om de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik te voorkomen en te beperken. Voor het eind van het jaar deel ik met uw Kamer mijn aanpak om bij te dragen aan de NPA doelen.
Bent u eens dat het cruciaal is dat de Nederlandse Vereniging voor Drank- en Horecawet Inspecteurs (NVDI) en STAP een plek hebben aan de alcoholtafel van het Nationaal Preventieakkoord?
Ik waardeer de inzet van alle maatschappelijke organisaties die het NPA ondertekend hebben en daarbij acties hebben geformuleerd om zich in te zetten om problematisch alcoholgebruik terug te dringen en voorkomen. NVDI en STAP hebben aangegeven niet meer aan de overlegtafel in zijn huidige vorm te willen deelnemen.
Heeft u begrip voor het wantrouwen van de NVDI en STAP in het vraagstuk of de doelstellingen van Nationaal Preventieakkoord wel worden behaald?
Het wantrouwen van NVDI en STAP sluit aan op de bevindingen in het afrondend verslag van KWINK groep2 dat veel gezondheidspartijen naar eigen zeggen niet langer aan zichzelf of hun achterban kunnen verantwoorden dat zij deelnemen aan een tafel waar geen/te weinig resultaat geboekt wordt. Zij voelen zich hierin gesterkt door adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarin gesteld wordt dat alcoholbeleid moet worden ontwikkeld, geïmplementeerd en geëvalueerd op basis van volksgezondheidsdoelstellingen en het best beschikbaar bewijs, en beschermd moeten worden tegen inmenging van commerciële belangen. Hier heb ik begrip voor.
Acht u de samenstelling van de alcoholtafel nog steeds passend, gezien er tegengestelde belangen lijken te zijn?
Ik acht de overlegtafel niet meer passend voor de uitdagingen waar we voor staan. In mijn brief van 12 oktober 2022 heb ik laten weten dat is gebleken dat de standpunten aan de tafel onoverbrugbaar zijn3. De tafel leidt niet tot nieuwe effectieve maatregelen waarmee we de doelstellingen uit het NPA dichterbij brengen en daarom heb ik de tafel Problematisch Alcoholgebruik beëindigd, maar blijf ik samenwerken met alle partijen die zich inzetten voor de doelstellingen uit het NPA.
Kunt u een reflectie geven op de vordering die tot nu toe is gemaakt aan de alcoholtafel?
In 2018 heeft een groot aantal maatschappelijke organisaties het NPA over problematisch alcoholgebruik ondertekend en afspraken gemaakt om te zorgen dat in 2040 het alcoholgebruik onder jongeren, zwangeren, zware en overmatige drinkers drastisch is verminderd en om te zorgen dat het grootste deel van de Nederlanders de belangrijke (gezondheids)effecten van alcohol kent.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft eerder geconcludeerd4 dat het huidige pakket aan maatregelen voor problematisch alcoholgebruik onvoldoende is om de ambities te realiseren. De jaarlijkse voortgangsrapportages van het RIVM5over de uitvoering van doelen en acties en recente cijfers over het middelengebruik onder jongeren en het naleven van de leeftijdsgrens op alcohol6 bevestigen dit. Het RIVM heeft in 2021 in kaart gebracht welke aanvullende maatregelen ingezet kunnen worden om de doelen wel te behalen. Ik heb daarna de nadrukkelijke oproep aan partijen gedaan om zich maximaal in te spannen en als tafel gezamenlijk met een plan met acties te komen om de doelen dichterbij brengen. In mijn brief van 12 oktober jl. heb ik beschreven welk proces ik verder gevolgd heb. Mijn conclusie is dat de tafel niet leidt tot nieuwe effectieve maatregelen waarmee we de doelstellingen uit het NPA dichterbij brengen en dat ik daarom de tafel problematisch alcoholgebruik heb beëindigd, maar blijf samenwerken met partijen die zich blijven inzetten voor de ambities uit het NPA.
Hoe reflecteert u op de te verwachten effectiviteit van de maatregelen die zijn overeengekomen aan de verschillende tafels van het Nationaal Preventieakkoord, in het licht van de aanwezige actoren bij meer specifiek de alcoholtafel versus de tabakstafel?
Met het NPA hebben meer dan 70 partijen de handen ineen geslagen en afspraken gemaakt om de gezondheid van alle Nederlanders te verbeteren. Er is een brede beweging in de samenleving gang gezet. Voor het thema problematisch sloten naast onder andere gezondheidsorganisaties, zorgaanbieders, verzekeraars, gemeenten, onderwijsorganisaties en sportbonden ook alcoholproducenten en -verstrekkers aan. Hierdoor ontstond er een breed maatschappelijk draagvlak voor het thema, dit was een meerwaarde voor de uitvoering van het akkoord.
Uit de «Quickscan mogelijke impact Nationaal Preventieakkoord» van het RIVM uit 2018 bleek al dat het huidige pakket aan maatregelen voor problematisch alcoholgebruik onvoldoende is om de ambities te realiseren. Voor roken toonde de Quickscan aan dat met de voorgenomen acties en doelstellingen het percentage rokers in 2040 inderdaad in de buurt laat komen van de ambitie. Dit geldt voor roken echter niet op de ambities voor zwangere vrouwen en jongeren (nul procent in 2040). Gelet op de prevalentiecijfers en de ernst van de problematiek die roken en alcohol veroorzaken ben ik van mening dat extra stappen genomen moeten worden.
Ik blijf mij inzetten om de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik te voorkomen en te beperken en de doelen van het NPA te halen. Daarnaast verwacht ik van partijen dat ook zij extra stappen zetten om de doelen dichterbij te brengen. Voor het eind van het jaar deel ik mijn inzet waarmee ik ga bijdragen aan de NPA doelen op alcohol met uw Kamer.
Bent u van mening dat de overheid genoeg maatregelen genomen heeft om in voldoende mate problematisch alcoholgebruik terug te dringen? Of ben u, reflecterend op afgelopen tijd en het genoemde bericht, van mening dat er toch nog extra stappen hadden moeten worden genomen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om, indien er extra stappen nodig zijn om de doelen van het Nationaal Preventieakkoord te halen, deze alsnog te nemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat de te nemen maatregelen om de doelen uit het Nationaal Preventieakkoord te behalen primair gestaafd moeten zijn op wetenschap, zoals bijvoorbeeld de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen kosteneffectieve beleidsmaatregelen om alcoholschade te beperken?
Ja, ik ben het ermee eens dat te nemen maatregelen om de doelen uit het NPA te behalen gestaafd moeten zijn op wetenschap, zoals bijvoorbeeld de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen kosteneffectieve beleidsmaatregelen om alcoholschade te beperken. In het NPA is afgesproken dat maatregelen evidence-based moeten zijn en dus uiteindelijk aanwijsbare positieve gezondheidseffecten hebben.
Rente die vooral mbo’ers gaan betalen over hun studieschuld |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat mbo-studenten ten principale eenzelfde behandeling verdienen als andere studenten?
Ja, in het kader van de kansengelijkheid verdienen mbo-studenten onder gelijke omstandigheden een gelijke behandeling. Daarom ben ik op dit moment bezig om de bestaande verschillen tussen mbo-studenten en studenten in het hoger onderwijs (hierna: ho-studenten) waar mogelijk weg te nemen. Zie ook mijn brief over de inzet Werkagenda mbo1.
Zou u niet liever een gelijke rentelast tussen mbo-studenten en hbo- en universitaire studenten opleggen, nu u weer de rente op studieleningen eind dit jaar formeel gaat vaststellen, in plaats van een verschil te laten bestaan tussen mbo-studenten, die over hun studieschuld zo’n 1,8% rente moeten betalen, en hbo- en universitair geschoolden, die 0,4% rente moeten betalen, dit mede in het licht van de financiële problemen waarin ook alle studenten dreigen te geraken door de torenhoge energierekeningen en inflatie?1
Mbo-studenten en ho-studenten studeren op dit moment niet onder hetzelfde stelsel en dus niet onder dezelfde voorwaarden. Studenten in het mbo ontvangen een basisbeurs en studenten in het hoger onderwijs (hierna: ho) vallen op dit moment nog onder het leenstelsel. Dat zijn dus twee verschillende stelsels. Bij invoering van het leenstelsel is ook bewust de keuze gemaakt om daar een ander terugbetaalregime aan te koppelen, met een langere looptijd en een andere renteberekening.
In het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is het voorstel opgenomen om het terugbetaalregime ook voor mbo-studenten aan te passen en dit gelijk te trekken aan het regime voor ho-studenten. In beide stelsels is er dan immers een basisbeurs en de regering ziet geen reden om de terugbetaalregimes dan nog van elkaar te laten verschillen. Daarmee wordt ook het rentepercentage gelijk getrokken. Als het wetsvoorstel aangenomen wordt, dan zal dit regime gaan gelden voor mbo-studenten die beginnen met studeren in studiejaar 2023–2024.
In het kader van de huidige inflatie zijn er ook koopkrachtmaatregelen getroffen die studenten ondersteunen. Zo gaat de zorgtoeslag met € 30 per maand omhoog en wordt het minimumloon verhoogd. In studiejaar 2023–2024 ontvangen uitwonende studenten, in zowel het mbo als het ho, daarnaast
€ 164,30 meer aan basisbeurs.
Kunt u begrijpen dat JOB MBO dit ervaart als een zoveelste voorbeeld van ongelijkheid tussen mbo-studenten en andere studenten?
Zoals eerder aangegeven, is het in het kader van kansengelijkheid van belang om mbo-studenten zoveel mogelijk hetzelfde te behandelen als ho-studenten. Met het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs wordt er weer een stap gezet om de voorwaarden voor mbo-studenten en andere studenten gelijk te stellen.
Ziet u nog enige rechtvaardiging voor deze ongelijkheid? Zo ja, hoe luidt deze dan? Zo neen, wat gaat u ondernemen om de rentes gelijk te trekken?
Op dit moment zijn er nog twee verschillende stelsels, die ook een ander terugbetaalregime kunnen hebben. Voor invoering van het leenstelsel vielen zowel de studenten in het mbo als in het ho onder dezelfde terugbetaalvoorwaarden, die nu nog voor mbo-studenten gelden. Bij invoering van het leenstelsel zijn de terugbetaalvoorwaarden voor ho-studenten gewijzigd, omdat zij niet langer gebruik konden maken van een basisbeurs. Onderdeel daarvan is ook de wijze waarop de rente wordt berekend.
De herinvoering van de basisbeurs in het ho zorgt er echter voor dat het onderscheid tussen mbo en ho op dit vlak niet meer rechtvaardig is. Mede vanwege mijn ambitie om de verschillen zo veel mogelijk weg te werken en de kansengelijkheid te vergroten, kies ik ervoor om met de herinvoering van de basisbeurs de socialere terugbetaalvoorwaarden in het ho te laten bestaan en deze ook in te voeren voor mbo-studenten. Als het wetsvoorstel aangenomen wordt, zal de wet in werking treden voorafgaand aan studiejaar 2023–2024. De nieuwe terugbetaalvoorwaarden gaan gelden voor mbo-studenten die in dat studiejaar beginnen met studeren. Mbo-studenten die al eerder zijn begonnen met studeren en in dat studiejaar nog steeds studeren krijgen de keuze onder welke voorwaarden zij willen terugbetalen, de oude of de nieuwe regeling.
Gaat u ook met JOB MBO overleggen over de andere voorbeelden van regels die mbo-studenten ongunstiger behandelen dan andere studenten teneinde deze weg te nemen? Zo ja, wanneer denkt u dan de Kamer te kunnen informeren wat dit overleg oplevert?
Het bevorderen van kansengelijkheid is een van mijn drie prioriteiten voor de Werkagenda mbo3 die ik samen met de sector ontwikkel. Het bijdragen aan het gelijkwaardig behandelen van alle studenten in Nederland is hier een nadrukkelijk onderdeel van. Ik wil af van het ladder-denken, af van het verticale denken van hoger/lager en toe naar het waaier-model, waarbij mbo, hbo en wo samen een brede waaier aan opleidingsmogelijkheden vormen. We onderzoeken de mogelijkheden om de terminologie aan te passen en zo bij te dragen aan het tegengaan van het hoger/lager denken.
Ik start een verkenning naar mogelijke financiële bijdrage van mbo-scholen voor bijdrage aan studentensportverenigingen en bestuursbeurzen voor studentenverenigingen. Er zijn door het land heen al wat mooie voorbeelden waarvan we kunnen leren. Kijk naar Utrecht waar mbo-studenten al lid kunnen worden van een studentenvereniging en deelnemen aan de introductieweek.
JOB MBO is actief betrokken bij de totstandkoming van de gezamenlijke Werkagenda mbo.
De andere partijen die betrokken zijn bij de Werkagenda, zoals de VNG, VNO-NCW en de MBO Raad, stimuleren ook de gelijkwaardige positie van mbo-studenten in het studentenleven. En dat is nodig, want voor de emancipatie van de mbo-student is juist waardering en erkenning in de ogen van anderen een voorwaarde. Een gelijkwaardige behandeling is daarmee een brede opgave, waar alle onderwijssectoren, gemeenten, werkgevers, ouders en de samenleving aan kunnen bijdragen. Een voorbeeld: ik roep bedrijven en organisaties, zoals sportscholen en horecagelegenheden, dan ook op om hun studentenkorting te laten gelden voor alle studenten in Nederland, dus ook voor mbo-studenten.
Op 20 oktober heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn inzet voor het mbo. Nadat ik met u in debat ben geweest over het mbo (Commissiedebat op 9 november) volgt de gezamenlijke Werkagenda.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 9 november a.s. over het mbo?
Ja.
Het dalend aantal opvangplekken in asielzoekerscentra |
|
Don Ceder (CU) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het aantal opvangplekken voor asielzoekers op korte termijn met 1.250 gaat dalen, in weerwil van de afspraken in het asielakkoord van eind augustus?1
Het bericht op NOS.nl heeft betrekking op het aantal crisisnoodopvangplekken (CNO) georganiseerd door Veiligheidsregio’s en gemeenten. Het aantal crisisnoodopvangplekken is op 7 november 2022 ruim 8.200. De cijfers fluctueren doordat de tijdelijke CNO-locaties open gaan en weer sluiten.
8.200 is niet het aantal van 11.250 opvangplekken dat in augustus als inspanningsverplichting met de Veiligheidsregio’s is afgesproken maar wel ruim boven de resultaatverplichting van 5.625. Begin oktober is het aantal crisisnoodopvangplekken in Veiligheidsregio’s wat afgenomen, om vervolgens vanaf half oktober weer wat toe te nemen tot die 8.200 plekken. Op 21 november, laatste peilmoment, is het aantal 8.470 plekken.
Kunt u aangeven wat de precieze oorzaak is van de daling? Op welke manier heeft u rekening gehouden met die daling?
De daling van het aantal crisisnoodopvangplekken begin oktober is het gevolg van de sluiting van crisisnoodopvanglocaties, terwijl er weer nieuwe locaties openden. Redenen waarom tijdelijke locaties sluiten zijn divers. CNO is er in andere situaties dan de huidige vooral bedoeld voor opvang gedurende een klein aantal dagen, bijvoorbeeld bij een grote brand, overstroming of ramp. Ter ontlasting van de problemen in de asielketen wordt dit nu langduriger ingezet.
Redenen van sluiting kunnen bijvoorbeeld zijn dat een locatie voor andere doeleinden moet worden ingezet, of dat een gemeente aan gemeenteraad en omwonenden heeft toegezegd dat de locatie voor een paar maanden zal worden ingezet. Of omdat een locatie, bijvoorbeeld een sporthal, niet langer kan worden gehuurd. Inmiddels zijn er weer meer locaties geopend.
Wat kunt u eraan doen om de aflopende contracten met opvangcentra alsnog verlengd te krijgen?
Het bericht op NOS.nl heeft geen betrekking op reguliere- en noodopvanglocaties van het COA, maar op crisisnoodopvanglocaties van gemeenten en Veiligheidsregio’s. Wij zijn continu in gesprek met de Veiligheidsregio’s over het realiseren van voldoende opvangplekken. Het Rijk vergoedt alle kosten die gemeenten en Veiligheidsregio’s in dit kader maken.
Voor wat betreft reguliere- en noodopvanglocaties van het COA geldt ook dat voortdurend overleg wordt gevoerd over het open kunnen houden van locaties en openen van nieuwe locaties. Heel veel nieuwe plekken zijn nodig om de voorziene stijging in de bezetting te kunnen opvangen. Het realiseren van voldoende COA-opvanglocaties is ook belangrijk om van de crisisnoodopvang af te kunnen komen op termijn.
Op welke manier beïnvloedt of vertraagt deze daling de uitvoering van het asielakkoord? Wat gaat u er aan doen om deze afspraken toch gestand te doen?
De bestuurlijke afspraken die het kabinet eind augustus met de medeoverheden maakte omvatten een pakket aan maatregelen gericht op het verminderen van de druk op de asielopvang. Een van die afspraken is dat Veiligheidsregio’s zich maximaal zullen inspannen om 2 keer 225 plaatsen optellend tot 450 CNO-plaatsen te realiseren.
Lukt dat niet of onvoldoende, dan is het gevolg dat op andere manieren moet wordt gezocht naar het verminderen van druk in de asielopvang. Dit kan bijvoorbeeld door het realiseren van extra opvangplekken door COA zelf (noodopvang en/of regulier). In algemene zin blijf ik medeoverheden oproepen om zo veel mogelijk zo kwalitatief hoogwaardig mogelijke opvangvoorzieningen aan het COA ter beschikking te stellen.
Kan de wet die de opvang van asielzoekers over gemeenten gaat spreiden nog steeds op 1 januari 2023 van kracht worden? Wat doet u eraan om die datum te halen? Als dit niet haalbaar is, per wanneer wordt de wet dan wel van kracht?
Het hier bedoelde wetsvoorstel is op 8 november 2022 naar uw Kamer gestuurd en in consultatie gebracht. Het kabinet spant zich in om het wetgevingstraject zo snel mogelijk te doorlopen, zo is er bijvoorbeeld een korte consultatieperiode van twee weken voorzien. Tegelijk is het kabinet daarin ook afhankelijk van de behandeling door de Raad van State en de agendering in het parlement.
Kunt u per veiligheidsregio uitsplitsen wat de doelstelling was en hoeveel er is gerealiseerd? Kunt u ook de locaties en namen van gemeenten geven waar er is gerealiseerd?
Aan elke Veiligheidsregio is gevraagd 450 crisisnoodopvangplekken te realiseren. Op 10 november jl. zijn er in alle veiligheidsregio’s gezamenlijk in totaal circa 8.400 crisisnoodopvang beschikbaar. De gemeenten die in een veiligheidsregio liggen bepalen onderling en in afstemming met o.a. gemeenteraden, inwoners en locatie-eigenaren waar crisisnoodopvanglocaties worden gerealiseerd en hoelang deze open zijn. Alle veiligheidsregio’s houden zelf zicht op het aantal gerealiseerde crisisnoodopvangplekken en de locaties.
De voortdurend slechte situatie in het aanmeldcentrum Ter Apel en het weigeren en afslaan van hulp bij de opvangcrisis |
|
Don Ceder (CU) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op het oordeel van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd dat u en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) «al het nodige» moeten doen om de omstandigheden te verbeteren voor mensen in het aanmeldcentrum?1 Wat is er nog nodig om de omstandigheden te verbeteren?
Ik betreur ten zeerste dat de asielopvang, en dan met name specifiek de situatie bij én rondom het aanmeldcentrum in Ter Apel, momenteel niet wordt gerealiseerd op de wijze zoals dit in Nederland jarenlang gebruikelijk is geweest.
De volgende maatregelen zullen per ommegaande in werking treden:
Er wordt maximaal ingezet op het schoonhouden van de sporthal;
Per direct wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor de verbetering van de opvang van baby’s en jonge kinderen. Hierbij valt te denken aan het slapen in een eigen wiegje of ledikant en de zorg voor een tochtvrije ruimte;
Er zal een flyer worden gemaakt (in de meest gangbare talen) waarin informatie wordt opgenomen over bereikbaarheid van zorg bij urgente gevallen, wachttijden voor het identificatie- en registratieproces en overplaatsing naar andere opvanglocaties. Ook zal worden gekeken naar andere communicatiemiddelen;
De inspectie heeft onder andere zorgen over de omstandigheden in de sporthal, omdat hier teveel mensen gelijktijdig opgevangen worden. Per direct zal worden onderzocht of asielzoekers die vanuit Marnewaard naar Ter Apel worden gebracht om het identificatie en registratie proces te doorlopen, gefaseerd kunnen worden gebracht. De fasering zorgt ervoor dat er niet een hele grote groep asielzoekers vanuit Marnewaard gedurende de dag ook in de sporthal hoeft te verblijven.
Vreemdelingen met vermoedens van medische problematiek worden, indien nodig, doorverwezen naar het Gezondheidszorg Asielzoekers (hierna GZA). Het streven is voorts om op Ter Apel per 1 november de dagelijkse openingstijden van het GZA tot 22 uur te verruimen. Hierdoor is het in de avonden en buiten op het aanmeldterrein mogelijk om triage te doen of hulp te bieden.
Wat gaat u nu concreet doen om de kwaliteit van de noodopvang in overeenstemming te brengen met de daaraan gestelde eisen, conform de uitspraak van de rechter?2
Op 26 augustus jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2992.) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bestuurlijke afspraken met de VNG, het Veiligheidsberaad en het IPO. Het is nog altijd de inzet om terug te keren tot een normale opvangsituatie. Het feit dat de Staat een appèl heeft ingesteld tegen het vonnis maakt dit niet anders en is zeker geen teken van een verminderde inzet op dit vlak. Op dit moment wordt met de grootst mogelijke urgentie bezien hoe gehoor kan worden gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter, dit met inachtneming van de door het Gerechtshof gehandhaafde termijnen. Hierbij wordt ook bezien waar de vreemdelingenketen in dit verband tegen echte onmogelijkheden aanloopt.
Bent u bekend met het bericht «Ministerie sloeg hulp af bij aanpak opvangcrisis Ter Apel»?3
Ja.
Waarom bent u niet ingegaan op het aanbod van Stichting Internationaal Netwerk van Lokale Initiatieven met Asielzoekers (INLIA) om te ondersteunen bij de opvang van kwetsbare asielzoekers?
Daar ben ik samen met het COA wel op ingegaan. Inmiddels wordt al enige tijd samengewerkt met INLIA. Meer dan 400 asielzoekers hebben crisisnoodopvang bij INLIA gehad. Op de website van INLIA wordt daarover ook bericht. Ik ben INLIA, de aangesloten kerken en hun vrijwilligers daar dankbaar voor, zoals ik hen ook per videoboodschap heb laten weten.
Zijn er meer aanbiedingen geweest zoals het aanbod van Stichting INLIA? Zo ja, hoe is op deze aanbiedingen gereageerd?
Ieder aanbod voor opvanglocaties, ook van maatschappelijke organisaties, wordt door het COA serieus genomen.
Bovendien is recent een nieuwe samenwerking gestart, genaamd de Thuisgevers. Het project de Thuisgevers is een initiatief van de Protestantse Kerk in Nederland en de gemeente Kampen. De komende maanden wil de projectorganisatie samen met kerken en andere maatschappelijke organisaties honderden statushouders door heel Nederland huisvesten. Het Rijk levert financiële steun voor dit initiatief.
Bent u het eens met de stelling dat de betrokkenheid van religieuze en maatschappelijke organisaties en lokale gemeenschappen van grote toegevoegde waarde is in aanvulling op de inspanningen van overheidsorganisaties?
Ja.
Welke stappen bent u van plan te zetten om een situatie als deze in het vervolg te voorkomen?
In de brief die op 14 oktober jl. naar uw Kamer is verstuurd bent u reeds geïnformeerd over de voortgang op diverse terreinen en de maatregelen om te komen tot een stabiel asiellandschap.4
Werkt u nu wel samen met de Stichting INLIA bij de opvang van asielzoekers? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking vorm? Zo nee, waarom niet?
Ja. Inmiddels wordt al enige tijd samengewerkt met INLIA. Meer dan 400 asielzoekers hebben crisisnoodopvang bij INLIA gehad. Op de website van INLIA wordt daarover ook bericht.
Klopt het dat hulpgoederen zoals die vrijwilligers ter beschikking stellen aan asielzoekers, niet mogen worden uitgedeeld en dat dit door de politie wordt gehandhaafd?4 Zo ja, Kunt u aangeven waarom vrijwilligers geen dekens mogen uitdelen aan asielzoekers die in de gymzaal van het aanmeldcentrum Ter Apel slapen?
Het lukt al enige tijd om iedereen onderdak te bieden. Het klopt dat niet alle hulpgoederen (inclusief maaltijden en tenten) zomaar uitgedeeld kunnen worden. Het is van groot belang dat hulpacties gecoördineerd plaatsvinden om te voorkomen dat het uitdelen van hulpgoederen leidt tot spanningen onder de daar verblijvende asielzoekers. Dit kan leiden tot vervelende situaties op het voorterrein van Ter Apel en die willen wij voorkomen. De noodverordening is de bevoegdheid van het lokaal gezag en is bedoeld om de openbare orde te kunnen handhaven.
Het streven is dat op een gegeven moment weer terug gegaan wordt naar een situatie zonder de aanvullende hulporganisaties. Tot die tijd werken de ketenpartners en andere organisaties nauw met elkaar samen om de hulpacties zo goed mogelijk te coördineren.
Alle ketenpartners op en rond de locatie spannen zich in om het logistieke proces in goede banen te leiden. Waar mogelijk wordt op de locatie, o.a. in de wachtruimte van de diverse ketenpartners, mensen binnen een plek geboden om te wachten. Met spoed wordt op dit moment gewerkt aan een overkapping zodat als mensen buiten moeten wachten, zij enig comfort hebben tijdens het wachten en zij droog blijven als het regent. Tot de overkapping er is worden andere oplossingen in gezet, zoals het uitdelen van poncho’s.
Klopt het dat vrijwilligers geen tent mogen neerzetten waaronder wachtende asielzoekers voor de regen kunnen schuilen? Zo ja, waarom mag dat niet? Kan de gemeente of het COA niet voorzien in een dergelijke schuilplaats tegen de regen? Waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u met spoed maatregelen nemen zodat mensen niet buiten in de regen hoeven te staan?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre is de noodverordening nu wenselijk nu de afgesproken opvang niet gerealiseerd kan worden? Waar kunnen mensen dan overnachten?
Zie antwoord vraag 9.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat COA, gemeente en vrijwilligers die proberen de situatie ter plekke te verbeteren beter samenwerken?
We staan in contact met alle betrokken partijen om de samenwerking zo goed mogelijk te laten verlopen en waar nodig te verbeteren.
Waarom grijpt u niet alle aangeboden hulp aan in plaats van deze af te wijzen, zeker in het licht van het oordeel van de IGJ en de aangehaalde uitspraak van de rechter?
Het aanbieden van hulp aan de betrokken instanties is hartverwarmend. Gezien de precaire situatie is het van belang dat asielzoekers op een georganiseerde en zorgvuldige manier worden ondersteund. Dit vergt afstemming met een veelheid aan partijen. Daardoor kan het voorkomen dat een bepaald hulpaanbod niet passend is.
Belgische Zorgaanbieders die reclame maken in Zeeuws Vlaanderen |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kent u de Zeno Infokrant editie West-Zeeuws-Vlaanderen van april 2022?1
Ja, ik ben bekend met de Zeno Infokrant editie West-Zeeuws-Vlaanderen van april 2022.
Klopt het dat Belgische zorgaanbieders in België geen reclame mogen maken?
Het klopt dat Belgische zorgaanbieders in België geen reclame mogen maken. Informatiebladen, zoals bovengenoemde, worden niet beschouwd als reclame.
Waarom mogen Belgische zorgaanbieders in Nederland wel reclame maken?
Dat mogen ze niet.
Klopt het dat het ziekenhuis in Knokke geen topklinisch ziekenhuis is en dat veel inwoners van Knokke om die reden naar het ziekenhuis in Brugge gaan?
In België kent men de volgende categorieën ziekenhuizen: (algemene) ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen en universitaire ziekenhuizen.
De locatie in Knokke is onderdeel van AZ Zeno. Dit is, net als AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, een algemeen ziekenhuis. Over de reden waarom inwoners van Knokke al dan niet naar het ziekenhuis in Brugge gaan, kan ik niet speculeren.
Klopt het ZorgSaam in Terneuzen een hoger niveau van zorg kan bieden dan het ziekenhuis in Knokke?
Hier kan ik niet over oordelen.
Klopt het dat medisch specialisten in België buiten kantooruren ieder tarief kunnen vragen wat ze willen?
Het Belgische zorgsysteem is niet hetzelfde ingericht als het Nederlandse zorgsysteem. Of Belgische specialisten ieder tarief kunnen vragen buiten kantooruren is mij niet bekend. Mij is wel bekend dat er in België afspraken kunnen worden gemaakt tussen het ziekenfonds en de specialist over het tarief voor een behandeling. In het geval van zo’n afspraak wordt in de regel het tarief van de behandeling door het ziekenfonds vergoed. Er is in België echter ook zorg, in het geval van eenzelfde soort medische behandeling, waarover geen afspraken worden gemaakt tussen ziekenfonds en specialist. In dat geval is de vergoeding van het Belgische ziekenfonds gelijk aan de wél gemaakte afspraken tussen ziekenfonds en specialist. Dat betekent dat de patiënt in zo’n geval het meerdere zelf zal moeten betalen. De patiënt moet over de kostengevolgen op basis van het Belgische systeem wél vooraf worden geïnformeerd, zodat de patiënt weet dat geen volledige vergoeding plaatsvindt en op basis daarvan een keuze kan maken.
Klopt het dat men in België de prestatie vergoedt en niet het diagnose-behandelcombinatie (DBC)-systeem kent?
Dat klopt.
Kunt u aangegeven welke bedragen door zorgverzekeraars worden vergoed gemiddeld per inwoner op basis van een regio met dezelfde zorgbehoefte en hoe men hiermee omgaat?
De vergoedingen van zorgverzekeraars zijn afhankelijk van de contractafspraken met de zorgaanbieders. Het is aan zorgverzekeraars en zorgaanbieders om samen tot goede afspraken te komen.
Deelt u de mening dat dit systeem van gedogen en tolerantie tot onnodige kostenverhogingen leidt die effect hebben op premies van alle volwassenen in Nederland?
Nee, omdat de extra kosten in het Belgische systeem door de patiënt zelf worden betaald, werkt dit systeem niet kostenverhogend. Dit zal dan ook geen effect hebben op de premies van alle volwassenen in Nederland.
Klopt het dat Nederlandse patiënten zonder verwijsbrief toegang hebben tot een medisch specialist in België en dat die behandeling dan wordt betaald door Nederlandse zorgverzekeraars?
Dit klopt niet. Nederlandse verzekerden hebben altijd een verwijsbrief nodig voor toegang tot een medisch specialist. Dat is geregeld in art. 14 lid 2 van de Zorgverzekeringswet waarin staat: «De zorgverzekeraar neemt in zijn modelovereenkomst op dat geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, met uitzondering van acute zorg, slechts toegankelijk is na verwijzing door in die overeenkomst aangewezen categorieën zorgaanbieders, waaronder in ieder geval de huisarts».
Waarom geldt niet dat er altijd een verwijsbrief moet zijn van een huisarts (als poortwachter) naar een specialist bij een Nederlandse zorgaanbieder en dat die specialist eventueel een verwijsbrief schrijft voor een medisch specialist in België (bijvoorbeeld omdat een bepaalde behandeling niet dichtbij bereikbaar is)?
Nederlandse verzekerden mogen zelf hun zorgverlener kiezen, dus ook een zorgverlener in België. Het is wel zo dat de polisvoorwaarden bepalen wanneer en in hoeverre de verzekeraar de kosten van de gekozen zorgverlener vergoed. Bij gecontracteerde zorg vergoedt de zorgverzekeraar alle kosten. Bij niet-gecontracteerde zorg wordt in de polis bepaald welk deel van de kosten voor rekening van de verzekerde komen («vergoeding niet-gecontracteerde zorg»). Ook kan het zijn dat vooraf toestemming van de zorgverzekeraar nodig is voor een zorgverlener in België, via een machtigingsprocedure.
Klopt het dat Belgische zorgaanbieders ongecontracteerde zorg aanbieden in Nederland en dat de zorgverzekeraar deze moet vergoeden?
Zorgverzekeraars kunnen Belgische zorgaanbieders contracteren. Dat gebeurt ook, zeker in grensregio’s. Zonder contract kunnen Belgische zorgaanbieders ook zorg aanbieden. Zoals bij antwoord 11 aangegeven is het dan afhankelijk van de polis welke voorwaarden gelden.
Klopt het dat gemeenten een vergunning kunnen weigeren aan zo’n Belgische zorgaanbieder?
Nee, dat klopt niet. Om in Nederland medisch-specialistische zorg te mogen (doen) verlenen is er sinds 1-1-2022 een vergunning nodig op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). De Wtza-vergunning kan alleen worden ingetrokken of geweigerd door het CIBG namens de Minister.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat op die wijze de tweedelijnszorg in Nederland wordt uitgehold?
Patiënten zijn vrij in de keuze voor een zorgaanbieder. De afwegingen die de patiënt daarbij kan maken zijn persoonlijk. Veelal in overleg met hun naasten en hun huisarts, maken zij een keuze voor die zorgaanbieder die het best past bij wat zij belangrijk vinden. Hetgeen zorgaanbieders ook kan prikkelen om hun zorg op dergelijke keuzeaspecten te verbeteren. Nederlandse bewoners van grensgebieden hebben, veelal na overleg met hun zorgverzekeraar, de mogelijkheid om te kiezen voor een zorgaanbieder in het buitenland. Wel kunnen er vanuit de polis die de verzekerde gekozen heeft voorwaarden gesteld zijn aan de vergoeding (bijvoorbeeld gedeeltelijke vergoeding indien de verzekerde voor een niet-gecontracteerde aanbieder kiest, en een machtigingsvereiste). Tegelijk kunnen buitenlanders kiezen voor een zorgaanbieder in Nederland. Het belang van keuzevrijheid, in combinatie met de wederkerigheid van grensoverschrijdende zorg, de voorwaarden die verzekeraars kunnen stellen via de contractering en via de polisvoorwaarden, en de prikkel die het met zich meebrengt om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg te optimaliseren, maakt dat ik geen reden zie om mij zorgen te maken over uitholling van de tweedelijnszorg in Nederland wanneer Nederlandse verzekerden voor een Belgische zorgverlener kiezen en andersom.
Klopt het dat er geen beroepsverenigingen zijn in België?
Nee, er zijn wel beroepsverenigingen in België.
De nieuwe coronagolf, de terugkeer van influenza en de vaccinatiecampagnes |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichtgeving over de «najaarsgolf» van het coronavirus en de terugkeer van het influenzavirus en de daarmee gepaard gaande verwachte griepgolf?1, 2, 3, 4
Ja.
Hoe reflecteert u op de manier van communiceren en de beeldvorming die hierdoor ontstaat van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), dat stelt dat de ontwikkeling van de nieuwe golf van het coronavirus afhangt van de mate waarin mensen zich laten vaccineren? Is het niet zo dat hierdoor opnieuw sprake is van vaccinatiedrang, of dat dat tenminste zo kan worden ervaren?
Het RIVM verstrekt feitelijke informatie over de huidige epidemiologische situatie en de effectiviteit van vaccinatie tegen COVID-19. Ik vind het van belang dat burgers hier goed over worden voorgelicht, zodat zij een weloverwogen keuze kunnen maken om zich wel of niet te laten vaccineren.
Bent u op de hoogte van het gegeven dat epidemiologen waarschuwen voor een heviger griepgolf omdat mensen door de afgelopen jaren van maatregelen hun afweer tegen influenza grotendeels kwijt zijn, waardoor de terugkerende griep voor velen ernstiger zou kunnen verlopen? Hoe kijkt u in dat licht bezien en in retrospectief naar de coronamaatregelen, die er defacto voor gezorgd hebben dat meer mensen dan voor de coronacrisis kampen met een verminderde afweer en dus een groter risico om ziek te worden?
Deze mening deel ik niet, aangezien de aannames die hieraan ten grondslag liggen onjuist zijn. De coronamaatregelen hebben er niet voor gezorgd dat mensen hun afweer tegen influenza kwijt zijn. Ook is de aanname dat jonge en gezonde mensen hierdoor meer risico lopen onjuist.
De coronamaatregelen hadden als gevolg dat het influenzavirus in de afgelopen twee jaar minder vrij kon rondgaan onder de bevolking. In de afgelopen periode zijn daardoor relatief weinig mensen aan influenza overleden. Omdat er nu minder maatregelen zijn, kunnen virussen zoals het influenzavirus makkelijker rondgaan, waardoor mogelijk meer mensen weer ziek worden. Om ernstige ziekte en sterfte door influenza te voorkomen is het dus belangrijk dat de mensen die hiervoor in aanmerking komen, naast de herhaalprik tegen COVID-19, ook de jaarlijkse griepprik halen.
Deelt u de mening dat, aangezien ook de afweer van jonge, gezonde mensen waarschijnlijk is afgenomen door de coronamaatregelen waardoor meer mensen in de samenleving risico lopen om (ernstig) ziek te worden, dat de coronamaatregelen dientengevolge contraproductief hebben gewerkt, aangezien zij door de toename van kwetsbare mensen in de algehele populatie straks waarschijnlijk zullen leiden tot een verhoogde druk op de zorg?
Zie antwoord vraag 3.
Wat betekent het gegeven dat de vaccinatiebereidheid steeds verder afneemt voor het te voeren coronabeleid van de komende maanden? Wordt dit beleid deels gebaseerd op de hoeveelheid mensen die zich dit najaar (opnieuw) laat vaccineren? Zo ja, om welke percentages gaat het dan? Is er een streefpercentage vaccinaties dat behaald moet worden om invoering van bepaalde coronamaatregelen te voorkomen? Zo ja, welke percentage is dat en op welke (epidemiologische) criteria is dat gebaseerd?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) van 12 oktober jl.5, is het coronabeleid gebaseerd op verschillende variabelen. De mate van immuniteit onder de bevolking en de kennis die op dat moment beschikbaar is over de mate van bescherming van vaccins wegen daarin mee. Wat deze variabelen betekenen voor het coronabeleid heb ik in mijn Kamerbrief van 13 oktober jl.6 aan uw Kamer toegelicht.
Kunt u inzichtelijk maken hoe de zorg de komende tijd adequaat wordt opgeschaald aangezien onder epidemiologen de verwachting leeft dat het influenzavirus dit najaar en deze winter een comeback zal maken en u heeft aangegeven dat daarmee rekening is gehouden met betrekking tot het opschalen van de zorg? Kunt u inzichtelijk maken met welke middelen hoe de zorg de komende tijd adequaat wordt opgeschaald, hoeveel extra zorgpersoneel, hoeveel extra bedden, capaciteit bij huisartsen en in de ouderenzorg, wat dit gaat kosten en hoe dit gefinancierd gaat worden?
In het thans geldende opschalingsplan van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ)7 is beschreven hoe de zorg(keten) omgaat met oplopende patiëntaantallen en daaruit voortvloeiende druk op de zorg. Het maakt daarbij geen verschil of het COVID-19- of influenzapatiënten betreft. Beide patiëntgroepen doen immers een beroep op nagenoeg dezelfde beschikbare (personele) capaciteit, of het nu gaat om eerstelijnszorg, de ziekenhuizen, of de verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg (VVT). Ten aanzien van een eventuele opschaling naar een hogere (crisis)fase, zal in de regio’s de druk in de hele zorgketen worden beoordeeld en worden meegenomen in de besluitvorming. In de Regionale Overleggen Acute Zorg (ROAZ) zijn alle bovengenoemde sectoren daarom ook aangesloten.
Wat betreft personeel is het in bovengenoemde situatie mogelijk om gebruik te maken van de faciliteiten van de Nationale Zorgreserve, die tijdens crises een rol kan spelen in het snel opschalen van de capaciteit van zorgprofessionals. Daarnaast heeft de Minister voor Langdurige Zorg en Sport, met het oog op de personele houdbaarheid van de zorg, binnen het programma «Toekomstbestendige arbeidsmarkt zorg en welzijn» (TAZ) afspraken gemaakt met zorg- en welzijnsorganisaties, zorginkopers, onderwijs en beroepsorganisaties om de urgente uitdagingen op de arbeidsmarkt aan te gaan. Het programma heeft tot doel de zorg toekomstbestendiger te maken door het werk zodanig anders te organiseren dat het kan worden gedaan met het personeel dat wél beschikbaar is, op een manier waarop nog steeds goede, persoonlijke zorg, begeleiding en ondersteuning geboden kan worden. Aan dit programma wordt de komende periode uitvoering gegeven.
Ten aanzien van de zorgkosten, geldt dat in de systematiek van de Zorgverzekeringswet (Zvw) verzekeraars en zorgaanbieders afspraken maken over welke reguliere zorg geleverd wordt en welke kosten daarbij horen. Verzekeraars hebben daarbij een zorgplicht. Daar bovenop is in het Integraal Zorg Akkoord (IZA) afgesproken om het macrokader medisch-specialistische zorg (MSZ) structureel met € 200 miljoen te verhogen, onder andere om eventuele meerkosten van IC-opschaling tot 1.150 bedden te bekostigen. Daarnaast wordt er € 20 miljoen beschikbaar gemaakt zodat in 2022 nog 800 studenten kunnen starten met de modulaire opleiding Basis Acute Zorg (BAZ). In mijn brief van 1 juli jl.8 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het verhogen van de plaatsen in huisartsenopleiding.
Kunt u uiteenzetten wat de vaccinatiestrategie is nu er waarschijnlijks deels overlappend/gelijktijdig gevaccineerd gaat worden tegen het coronavirus en het influenzavirus? Wat is de interval tussen de verschillende vaccinaties? Is onderzocht hoe het toedienen van twee verschillende vaccinaties in relatief korte tijd zich tot elkaar verhoudt? Is er een inschatting gemaakt van de potentiële gevolgen en bijwerkingen van het kort op elkaar voor twee verschillende virussen vaccineren?
Er zijn geen medische bezwaren tegen het in korte tijd toedienen van de griepprik en de herhaalprik. Verschillende studies hebben laten zien dat gelijktijdige toediening van COVID-19-vaccins en griepvaccins veilig kan.9 Er worden niet of nauwelijks meer bijwerkingen gezien. Bijwerkingen zijn doorgaans mild en tijdelijk. Ook blijkt uit studies dat er een goede antistofrespons tegen zowel COVID-19 als griep wordt opgewekt bij gelijktijdige toediening of toediening binnen korte tijd. Op basis van de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)10 omtrent het gebruik van COVID-19-vaccins, waarbij wordt aangegeven dat een COVID-19-vaccinatie met elk ander vaccin tegelijk mag worden toegediend, zijn de intervallen in de uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie van het RIVM vervallen.
Weet u wat de potentiële gevolgen kunnen zijn van het (dubbel) vaccineren van mensen middenin (mogelijk) twee virusgolven? Is hierover klinische data beschikbaar en zo ja, kunt u deze openbaar en toegankelijk maken?
Zie antwoord vraag 7.
Weet u wat het dubbel vaccineren met twee verschillende vaccins middenin (mogelijk) twee virusgolven mogelijk (tijdelijk) voor gevolgen heeft voor de gezondheid en de afweer van kwetsbare groepen en immuungecompromitteerden? Zullen zij gedurende een bepaalde periode nog kwetsbaarder zijn, met een hoger risico op overlijden door die verhoogde kwetsbaarheid, al dan niet als gevolg van vaccinatie? Kunt u een gedetailleerde uitleg geven?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Haga van 12 september jl.11, is het niet zo dat na vaccinatie een verhoogde kwetsbaarheid optreedt. Wel is bekend dat bijwerkingen mogelijk hebben bijgedragen aan het verslechteren van een al kwetsbare gezondheidssituatie of sluimerende conditie, al dan niet door hoge leeftijd. Het gaat om bekende bijwerkingen van de coronavaccins zoals koorts, misselijkheid en algemene malaise. Er is geen sprake van verhoogde kwetsbaarheid, maar van mensen die al erg kwetsbaar zijn.
Er vinden verschillende – door ZonMw gefaciliteerde – onderzoeken plaats naar de effectiviteit van vaccinatie tegen COVID-19 bij patiënten met een verstoord immuunsysteem. Resultaten van deze onderzoeken lieten zien dat ook deze patiënten veilig gevaccineerd kunnen worden. Uitgebreide informatie over deze studies, inclusief tussentijdse resultaten, zijn te vinden op de website van ZonMw12.
Op de zorgvuldige wijze waarop (mogelijke) bijwerkingen van COVID-19-vaccinaties in Nederland worden gemonitord, ben ik in mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Haga van 5 juli13, 6 juli14 en 25 juli jl.15 reeds ingegaan. Ik zie geen reden om hierin aanpassingen te maken of aanvullend onderzoek te doen.
Wordt deze kwetsbare en immuungecompromitteerde groep mensen dit najaar/deze winter actief gemonitord om de effecten en potentiële bijwerkingen van vaccinatie middenin in (mogelijk) twee virusgolven in kaart te brengen? Worden zij meegenomen in het registreren en onderzoeken van de oversterfte vlak na vaccinatie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen dit najaar en deze winter laagdrempelig toegang hebben tot huisartsenzorg? Ziet u af van eerder gevoerd ontmoedigingsbeleid voor het bezoek aan huisartsen en ziekenhuizen indien mensen klachten hebben, zodat er aan vroegsignalering en preventie van ernstig verlopende infecties kan worden gedaan? Hoe gaat u dat bewerkstelligen met de nu al grote druk op de huisartsenzorg? Kunt u een uiteenzetting geven van de strategie voor het toegankelijk houden van de huisartsenzorg voor patiënten en het behapbaar houden van de werkdruk voor het zorgpersoneel?
Het is onjuist dat zou zijn ingezet op een ontmoedigingsbeleid voor een bezoek aan de huisarts. Ik heb eerder juist aandacht gevraagd voor het belang van toegankelijke huisartsenzorg. Daarbij heb ik aangegeven dat mensen contact moeten blijven opnemen met hun zorgverlener, ook in tijden van oplopende COVID-druk.16 Deze boodschap maakt tevens onderdeel uit van de publieksinformatie rond «Zorg nodig in coronatijd» op rijksoverheid.nl.17
Bij oplopende aantallen COVID-19-patiënten valt niet uit te sluiten dat de druk op de huisartsenzorg (verder) zal toenemen. Om op een dergelijk scenario voorbereid te zijn, zijn er regionale huisartsen-rampen-opvangplannen (harops) opgesteld, waarin staat beschreven hoe de huisartsenzorg wordt georganiseerd wanneer de toegankelijkheid onder druk staat. De toegankelijkheid alsmede de continuïteit van huisartsenzorg staan natuurlijk niet op zichzelf. De vraag naar huisartsenzorg wordt ook beïnvloed door de beschikbaarheid van zorg in andere sectoren. Daarom is het belangrijk dat er onderlinge afstemming plaats met andere sectoren – indien ook daar de druk oploopt. Dit gebeurt in gezamenlijkheid binnen het ROAZ.
Ook in brede zin zet ik mij samen met partijen in voor een toegankelijke huisartsenzorg waarin de werkdruk aanvaardbaar is. Over het verminderen van de druk op de huisartsenzorg door onder meer het implementeren van «meer tijd voor de patiënt» en een betere verdeling van de dienstendruk over alle huisartsen in de avonden, nachten en weekenden heb ik concrete afspraken met partijen gemaakt in het IZA. Op dit moment geef ik daar samen met partijen uit de huisartsenzorg uitvoering aan.
Gaat u actief inzetten op het profylactisch gebruik van antivirale-, en geneesmiddelen ter voorkoming van ernstig verlopende COVID-19-infecties? Zo ja, kunt u de plannen hiervoor openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
De inzet van geneesmiddelen wordt bepaald door de medische beroepsgroep, niet door mij. Zij stellen hiertoe richtlijnen op. Wel zet ik mij in om verschillende COVID-19-geneesmiddelen in Nederland beschikbaar te maken. Mijn plannen hieromtrent heb ik al meerdere malen openbaar gemaakt in Kamerbrieven, in de beantwoording van Kamervragen en in debatten18.
Het bericht 'Verduurzaming van Europese luchtvaart bedreigd, blijkt uit nieuwe studie' |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van het Nederlandse Lucht- en Ruimtevaartcentrum en de TU Delft betreffende het dreigende tekort aan Europese grondstoffen voor duurzame luchtvaarbrandstoffen?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het zeer ernstig is dat het tekort aan Europese grondstoffen ertoe kan leiden dat broeikasgasemissies in de luchtvaart slechts 40% afnemen?
De beschikbaarheid van grondstoffen is essentieel voor de productie en inzet van duurzame luchtvaartbrandstoffen en de te behalen CO2-reductie. In zowel het duurzaamheidskader biogrondstoffen2 als in de Impact Assessment ter ondersteuning van het ReFuelEU-initiatief3 is uitvoerig onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van grondstoffen en is geconcludeerd dat er in beginsel voldoende grondstoffen beschikbaar zijn om te voldoen aan de doelstellingen voor duurzame luchtvaartbrandstoffen. We blijven hiernaast aansturen op de in de Luchtvaartnota 2020–2050 afgesproken CO2-reductie4.
Welke gevolgen heeft het onderzoek op de kabinetsambitie dat er verder wordt geïnvesteerd in het verduurzamen van vliegtuigbrandstoffen?
Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor de totstandkoming en implementatie van een Europese bijmengverplichting voor duurzame luchtvaartbrandstoffen. Verder blijft Nederland bekijken op welke wijze zij de productie van duurzame luchtvaartbrandstof kan ondersteunen. Het genoemde rapport doet hier niets aan af.
Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot het kabinetsvoornemen om op nationaal niveau het bijmengen van biokerosine te verplichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zet Nederland zich onverminderd in voor de totstandkoming en nationale implementatie van een Europese bijmengverplichting. De bijmengverplichting van de Europese Unie verbiedt lidstaten om nationaal een hogere bijmengverplichting in te voeren.
De nationale doelstelling van 14% in 2030 blijft wel staan. Deze doelstelling is bekrachtigd door sectorpartijen in het Akkoord Duurzame Luchtvaart en is kabinetsbeleid. Ook KLM heeft zich gecommitteerd aan de afspraken die gemaakt zijn in het Akkoord Duurzame Luchtvaart en dit commitment is nog een keer extra bevestigd door de voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van de staatssteun in juni 2020. We bekijken op dit moment ook welke aanvullende stimulans de Renewable Energy Directive van de EU kan bieden bovenop de voorgestelde 6%.
Welke stappen gaat u zetten om de eerder verwachte verlaging van broeikasgasuitstoot die tot twee keer lager zou zijn toch te realiseren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is in zowel het duurzaamheidskader biogrondstoffen als in de Impact Assessment ter ondersteuning van het ReFuelEU-initiatief geconcludeerd dat er in beginsel voldoende grondstoffen beschikbaar zijn om te voldoen aan de doelstellingen voor duurzame luchtvaartbrandstoffen. Daarnaast wordt er ingezet op de invoering van een CO2-plafond. Dit borgt dat de afgesproken CO2-reductiedoelen worden behaald.
Bent u naar aanleiding van de aanbevelingen voornemens om het aanbod van en de vraag naar grondstoffen voor duurzame brandstoffen te monitoren, evalueren en periodiek te controleren? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Onder het ReFuelEU-voorstel zijn op dit moment bepalingen opgenomen die onder andere het aanbod van en de vraag naar grondstoffen voor duurzame brandstoffen monitort, evalueert en periodiek controleert. Nederland vindt een periodieke evaluatie van belang en heeft hier ook actief voor gepleit in Europees verband. Verder komt het kabinet in 2023 met een Nationaal Plan Energiesysteem waarin wordt ingegaan op de energievraag van de toekomst en hoe hieraan kan worden voldaan. Op 10 juni jl. heeft de Minister voor Klimaat en Energie hierover een Contourenbrief naar de Kamer gestuurd5. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat laat op dit moment een onderzoek uitvoeren om de specifieke waterstofbehoefte voor luchtvaart 2030–2050 in kaart te brengen, welke als input zal dienen voor het Nationaal Plan Energiesysteem. Dit onderzoek wordt na afronding gedeeld met de Kamer.
Op welke manier gaat u inzetten op het ontwikkelen van de benodigde regelgeving om waterstof-aangedreven vliegtuigen te certificeren en commercieel te gebruiken?
De certificatie van luchtvaartuigen is sinds 2003 belegd bij het Europese Agentschap voor de Luchtvaartveiligheid EASA. EASA heeft ook de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van de relevante regelgeving om technische ontwikkelingen te certificeren. Daarnaast heeft de EU het publiek-private partnerschap Clean Aviation waarbij, samen met de industrie, wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de certificatienormen voor het gebruik van waterstof als brandstof in luchtvaartuigen. De Europese Commissie heeft verder een onderzoeksbudget ter grootte van € 1,7 miljard beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van waterstof als brandstof in de luchtvaart. Hierbij wordt gekeken naar zowel het luchtvaartuig als de benodigde infrastructuur. Nederland is direct betrokken bij deze ontwikkelingen door als lidstaat zitting te hebben in diverse comités en raden. Hiermee zien we toe op de resultaten van de Europese programma’s.
Bent u het ermee eens dat het noodzakelijk is dat hier voortvarend mee aan de slag wordt gegaan, gezien ontwikkelaars zekerheid nodig hebben om dergelijke vliegtuigen en de infrastructuur hiervoor te ontwikkelen?
Ja, zie antwoord op vraag 7.
Bent u naar aanleiding van de aanbevelingen voornemens om op korte termijn studies te laten uitvoeren waarbij de invloed van waterdamp en roet in de luchtvaart op het klimaat en de klimaatafspraken wordt onderzocht?
Zoals aangegeven in de Luchtvaartnota 2020–2050 werkt het kabinet aan een beleidsaanpak voor de niet-CO2-klimaateffecten van de luchtvaart. Daarbij zal in het bijzonder aandacht uitgaan naar duurzame brandstoffen. In dat kader heeft de Kamer eerder dit jaar een onderzoek ontvangen naar de rol van kerosinesamenstelling in roetemissies en de daaruit volgende effecten op de luchtkwaliteit en het klimaat6. Het ministerie is tevens op dit moment bezig een module te laten ontwikkelen waarmee de langetermijn niet-CO2-effecten van het luchtvaartbeleid in kaart kunnen worden gebracht. In het algemeen geldt dat er in Europa, en in het bijzonder bij het Deutsches Zentrum für Luft- und Raumfahrt (DLR), veel geavanceerd onderzoek gedaan wordt naar de niet-CO2-klimaateffecten van de luchtvaart.
Misstanden bij Ambulancezorg Groningen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wilt u reageren op de berichtgeving dat er sprake is van een angstcultuur, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een haperend kwaliteitsbeleid bij Ambulancezorg Groningen?1
Ja.
Wat vindt u van de dreigementen door het bestuur van de ambulancedienst richting medewerkers dat door hen gelekt zou zijn naar de media over misstanden bij de dienst? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan niet beoordelen of sprake is van dreigementen. Ik weet dat er een onderzoek is gedaan naar metadata van verzonden e-mails.
Wat vindt u van de werkwijze van het bestuur van de ambulancedienst die heeft onderzocht of medewerkers hebben gemaild naar de media over misstanden binnen de dienst? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb hier geen oordeel over, zie ook het antwoord op vraag 4.
Is deze werkwijze – waarbij metadata van verzonden e-mails zijn doorzocht – door het bestuur van de ambulancedienst wettelijk toegestaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kan toegestaan zijn voor een werkgever om de metadata van e-mails te bekijken. Hierbij is het noodzakelijk dat de werknemers vooraf op de hoogte zijn dat er eventuele controles kunnen plaatsvinden op e-mailgebruik. Dit kan het beste vastgelegd zijn in een protocol, richtlijn of het werknemershandboek. Daarbij moet de verwerking voldoen aan de AVG. De werkgever moet een grondslag hebben op grond van de AVG, er moet sprake zijn van een vooraf bepaald legitiem doel en de verwerking moet proportioneel en subsidiair zijn. De werkgever moet een afweging van de belangen maken tussen de belangen van de werkgever en de belangen van de werknemer. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt hier toezicht op.
Deelt u de mening dat wangedrag en/of grensoverschrijdend gedrag nooit getolereerd mag worden en dat zorgverleners moeten kunnen vertrouwen op hun werkgever die verantwoordelijk is voor een veilige werkomgeving? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, grensoverschrijdend gedrag accepteer ik absoluut niet. Wat betreft seksueel overschrijdend gedrag ben ik nauw betrokken bij het opstellen van het Nationaal Actieplan tegen seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag, onder leiding van regeringscommissaris Mariëtte Hamer. Ik wil dat elke werkgever in de zorg & welzijn weet hoe om te gaan met zaken als seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Momenteel inventariseer ik wat er nodig is om werkgevers hierin te ondersteunen. Daarnaast is in het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg (TAZ) afgesproken dat vakbonden en beroepsverenigingen, samen met brancheorganisaties, praktische leidraden en handelingsperspectieven ontwikkelen voor de aanpak van en dilemma’s rondom discriminatie en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer in zorg en welzijn.
Vindt u het onderzoek van Dagblad van het Noorden aanleiding om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken nogmaals met betrokkenen, waaronder klokkenluiders in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit moment geen aanleiding de IGJ te vragen opnieuw met betrokkenen, waaronder klokkenluiders, in gesprek te gaan. Ik heb van de inspectie begrepen dat zij in haar toezicht op deze ambulancedienst focust op de borging van de kwaliteit van zorg en dit ook zal blijven doen. In het toezicht heeft de inspectie ook aandacht voor de randvoorwaarden die nodig zijn voor het leveren van goede ambulancezorg zoals de aansturing vanuit de bestuurder en het management en het bestaan van een goede werkcultuur. Wat betreft de casus van het seksueel grensoverschrijdend gedrag is direct gehandeld. In de situatie van een arbeidsconflict zoals dat speelde bij de start van de huidige bestuurder kan de inspectie geen rol spelen, tenzij de kwaliteit van de zorg erdoor in gevaar komt.
Waar kunnen zorgverleners veilig melding maken van wangedrag en/of grensoverschrijdend als zij niet terecht kunnen bij hun eigen werkgever? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er kan altijd een melding worden gedaan bij het Centrum Seksueel Geweld of bij de inspectie (IGJ).
Wat vindt u ervan dat van eind 2019 tot en met begin 2021 geen enkele calamiteit is gemeld bij de IGJ? Wat voor consequenties worden hieraan verbonden bij het bestuur van Ambulancezorg Groningen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aantal calamiteitenmeldingen en het afhandelen van calamiteiten meldingen door een ambulancedienst is voor de IGJ een criterium in de beoordeling van het kwaliteitsmanagement van de ambulancedienst. Op basis hiervan heeft de inspectie met betrekking tot ambulancedienst Groningen geconcludeerd dat er sprake is van een niet voldoende functionerende kwaliteitscyclus wat betreft de evaluatie van de eigen ambulancezorg. Dit is door de inspectie met de bestuurder en andere medewerkers van de ambulancedienst besproken. De ambulancedienst heeft de intentie hierop te verbeteren en heeft een verbetertraject ingezet. De inspectie volgt dat traject en heeft op basis daarvan voldoende vertrouwen in de verbeterkracht. Toezicht op de verbeteracties is een continu proces vanuit de inspectie.
Welke maatregelen worden nu genomen om de misstanden bij Ambulancezorg Groningen op te lossen en te zorgen voor een veilige werkomgeving voor zorgverleners? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals genoemd wil ik dat elke werkgever in de zorg & welzijn weet hoe om te gaan met zaken als seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Momenteel inventariseer ik wat er nodig is om werkgevers hierin te ondersteunen. Daarnaast is in het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg (TAZ) afgesproken dat vakbonden en beroepsverenigingen, samen met brancheorganisaties, praktische leidraden en handelingsperspectieven ontwikkelen voor de aanpak van (dilemma’s rondom) discriminatie en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer in zorg en welzijn.
De IGJ heeft de signalen over de slechte werkcultuur bij de ambulancedienst in Groningen besproken met de bestuurder. In het toezicht heeft de inspectie ook aandacht voor de randvoorwaarden die nodig zijn voor het leveren van goede ambulancezorg zoals de aansturing vanuit de bestuurder en management en het bestaan van een goede werkcultuur.
Door de bestuurder is een externe partij ingeschakeld om onderzoek te doen naar de openheid en de sociale veiligheid in de organisatie.
Het bericht ‘Britse regering kondigt hardere koers tegen illegale immigranten aan’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Britse regering kondigt hardere koers tegen illegale immigranten aan»1?
Ja.
Wilt u, in lijn met het standpunt van de Britse regering, dat niemand die illegaal binnenkomt meer asiel mag aanvragen in Nederland?
Het onthouden van de mogelijkheid om een asielverzoek in te dienen aan de in uw vraag bedoelde groep, zou in strijd zijn met de EU-asielregelgeving (GEAS) waaraan Nederland gebonden is. De EU-asielregelgeving is van toepassing op alle asielverzoeken die op het grondgebied, daaronder begrepen aan de grens of in de transitzones van de lidstaten, worden ingediend. Echter, niet alle in Nederland ingediende asielverzoeken hoeven hier inhoudelijk te worden behandeld. Indien op basis van de criteria, zoals neergelegd in de Dublinverordening, een andere EU-Lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling, dan kan het in Nederland ingediende asielverzoek niet in behandeling worden genomen en de persoon worden teruggeleid naar die verantwoordelijke lidstaat. Indien gebleken is dat de asielzoeker via een veilig derde land Nederland is binnengekomen, dan kan het alhier ingediende asielverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits aan de daartoe in de Asielprocedure-richtlijn neergelegde voorwaarden is voldaan (zoals de mogelijkheid om daar de vluchtelingenstatus te verzoeken, een verzekerde wedertoelating en het bandencriterium).
Hoe bent u van plan de instroom van illegalen te beperken en de uitstroom te vergroten?
Kortheidshalve verwijs ik u naar de brief van het Kabinet van 26 augustus 2022 en naar mijn brief van 14 oktober 2022 over de voortgang van deze maatregelen.
Wilt u in lijn met de Britse regering een maximumaantal asielzoekers vaststellen dat Nederland binnen mag komen?
Het zetten van een maximum op het aantal asielzoekers dat in Nederland een asielverzoek mag indienen, zou in strijd zijn met internationale verdragen en EU-recht waaraan Nederland gebonden is. Zoals uw Kamer reeds is bericht per brief van 8 november 2021 heeft mijn voorganger bij de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de adviesvraag ingediend «In hoeverre en op welke wijze kunnen beleidsmatige richtgetallen bijdragen aan sturing van asiel- en reguliere migratie naar Nederland?». In die brief is tevens aangegeven dat de ACVZ voorts is gevraagd om de motie van de leden Stoffer en Eerdmans in acht te nemen. Uw Kamer heeft bij deze motie verzocht «de regering, de ACVZ te verzoeken ook de mogelijkheid, de verschillende varianten en voor- en nadelen van een migratiequotum te onderzoeken». Het kabinet is nog in afwachting van dit advies van de ACVZ.
Erkent u de afschrikkende werking van migratiepartnerschappen waarbij asielzoekers teruggestuurd worden naar een derde land?
Hier zijn geen cijfers over bekend.
Welke actie heeft u tot dusver ondernomen voor het bewerkstelligen van zulke migratiepartnerschappen met derde landen?
Het kabinet zet zich actief in om migratiesamenwerking te intensiveren met een aantal van de voor Nederland meest relevante migratie herkomst- en transitlanden, zowel bilateraal als in Europees verband. Externalisering van asiel is daar geen onderdeel van. De inzet is een gelijkwaardig partnerschap met een brede relatie waarin wordt samengewerkt op en afspraken gemaakt over zaken als handel, hulp en steun bij opvang, terugname van uitgeprocedeerde asielzoekers en tegengaan van irreguliere migratie. Ook tijdelijke, legale en circulaire arbeidsmigratie kan deel uitmaken van een partnerschap, in de vorm van kleinschalige en stapsgewijze pilots. Daarbij verschilt de samenwerking per land en wordt maatwerk toegepast. Uw Kamer ontvangt voor het einde van dit jaar een internationale migratiestrategie waarin het kabinet de migratiesamenwerking met derde landen en inzet t.a.v. opvang in de regio zal toelichten.
Heeft u contact met het Verenigd Koninkrijk over hun migratiepartnerschap met Rwanda, in lijn met de aangenomen motie van het lid Brekelmans over meer actie om migratiepartnerschappen met derde landen te sluiten (Kamerstuk 19 637, nr. 2866) van april jl.? Zo ja, kunt u dit contact toelichten?
Zowel op hoogambtelijk als op politiek niveau is met het VK gesproken over migratie in de afgelopen maanden. Daarin is gevraagd naar de Britse ervaringen met migratiepartnerschappen, en is aangegeven dat Nederland geïnteresseerd is om in algemene zin te leren van hun ervaring waar het brede partnerschappen betreft. In deze gesprekken is door het VK de stand van zaken van de samenwerking met Rwanda toegelicht. Relocatie naar Rwanda is tot op heden niet gestart, omdat de rechterlijke toetsing nog moet worden afgewacht.
Gaat u er in de Europese Unie op aandringen dat er migratiepartnerschappen met derde landen worden gesloten?
Op Europees niveau zijn er Actieplannen geformuleerd voor prioritaire landen uit de focusregio’s voor migratie van de EU (Noord-Afrika, Sub-Sahara Afrika, Midden-Oosten en Westelijke Balkan) om migratiepartnerschappen verder te ontwikkelen. Onder Frans voorzitterschap zijn deze plannen verder geoperationaliseerd. Dialogen met belangrijke landen van herkomst en transit zijn geïntensiveerd. Het kabinet zet zich in om alle relevante instrumenten vanuit de brede relatie daarbij te betrekken, zoals ontwikkelingssamenwerking, handel en visa om de slagkracht van de EU te versterken. Nederland trekt hierbij nauw op met gelijkgezinde EU-lidstaten.
Wilt u in lijn met de Britse regering de Nederlandse grenscontroles intensiveren?
Het kabinet is voorstander van het verstevigen van de Nederlandse en Europese buitengrenzen. Daarom zet het kabinet zich reeds geruime tijd in voor betere screening en registratie aan de Europe buitengrenzen en het instellen van asielgrensprocedures. Zo wenst het kabinet irreguliere secundaire migratie onder andere tegen te gaan. Het wetgevingsproces op deze voorstellen is gaande. Hierover wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda’s van de JBZ-Raad geïnformeerd. Ook in het kader van de aanpassingen van de Schengengrenscode wordt nog onderhandeld, bijvoorbeeld over maatregelen die aan de buitengrenzen genomen kunnen worden wanneer er sprake is van instrumentalisering van migratie. Ten slotte heeft Frontex als agentschap een belangrijke rol wanneer het om ondersteuning van lidstaten bij grensbeheer gaat. Nederland wil dat Frontex zijn mandaat ten volle benut om ondersteuning te bieden op het gebied van grenzen en terugkeer.
Gaat u er in de Europese Unie op aandringen dat de controles van de buitengrenzen geïntensiveerd dienen te worden?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat in Arnhem mensen na aanvraag 14 weken moeten wachten voor ze energietoeslag ontvangen |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van de Gelderlander van 30 september 2022 over het bericht «Energietoeslag aanvragen blijkt soms moeilijk, maar wij helpen je»?1
Ik heb kennis van genomen van het artikel in de Gelderlander.
Het is belangrijk dat mensen de energietoeslag weten te vinden en dat de aanvraagprocedure eenvoudig is. Naar mijn oordeel spannen gemeenten zich veelal maximaal in om huishoudens die tot de doelgroep van de energietoeslag behoren, te bereiken. Gemeenten slagen hier over het algemeen ook goed in, de energietoeslag kent een groot bereik.
Ook vanuit de rijksoverheid wordt gecommuniceerd om de bekendheid van de regeling te vergroten, mensen aan te sporen de toeslag aan te vragen en hulp te vragen als dit ingewikkeld is. Binnenkort zal bijvoorbeeld in alle huis-aan-huisbladen een oproep verschijnen om de energietoeslag aan te vragen indien huishoudens dit nog niet hebben gedaan.
Is het juist dat mensen in Arnhem na aanvraag 14 weken moeten wachten voordat zij energietoeslag ontvangen?
Van de gemeente Arnhem heb ik begrepen dat de wachttijd op piekmomenten 14 weken bedroeg. Inmiddels worden nieuwe aanvragen binnen vier weken afgehandeld. De gemeente heeft ondertussen bijna 90% van de doelgroep uitbetaald. Door de toenemende berichtgeving in de media, ontvangt de gemeente ook steeds meer aanvragen van inwoners die niet binnen de voorwaarden van de energietoeslag vallen. De gemeente Arnhem kijkt bij deze aanvragen hoe zij haar inwoners mogelijk via andere gemeentelijke regelingen toch kan helpen. Deze «extra» aanvragen en dienstverlening vragen veel van de uitvoerende capaciteit van de gemeente. De gemeente Arnhem is deze zomer (opnieuw) gestart met het werven van extra personeel om aanvragen voor de energietoeslag (sneller) af te handelen.
Is het juist dat 1100 Arnhemse huishoudens die een aanvraag hebben gedaan nog steeds wachten op uitkering van de toeslag?2
1.100 was een schatting van eind september van het aantal huishoudens binnen de werkvoorraad dat recht heeft op de toeslag. Inmiddels is een groot deel hiervan al uitbetaald.
Bent u het eens dat wachttijden van 14 weken zoals bij de gemeente Arnhem volstrekt onwenselijk zijn?
Gezien de urgentie van de problematiek is het wenselijk dat de afhandeling van aanvragen zo snel mogelijk gaat. Dat veel inwoners de weg weten te vinden naar de gemeente voor een aanvraag van de energietoeslag is goed nieuws, maar kan tegelijkertijd (tijdelijk) zorgen dat wachttijden oplopen. De wachttijd in Arnhem is inmiddels teruggebracht naar vier weken.
Zijn er nog meer gemeenten als Arnhem met problematisch lange wachttijden? Kunt u de situatie in het land beschrijven?
Op dit moment is er geen volledig overzicht van de wachttijden in alle gemeenten. In principe handelen gemeenten aanvragen binnen acht weken af, conform de termijnen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Erkent u dat mensen die recht hebben op energietoeslag en deze ook nodig hebben verdergaand in de problemen kunnen komen als zij hierop 14 weken moeten wachten?
Gezien de urgentie van de problematiek, is het wenselijk dat de afhandeling van aanvragen zo snel mogelijk gaat. Ik weet dat sommige gemeenten, zoals Arnhem en Doetinchem, maatwerk toepassen bij mensen die in de knel dreigen te raken (zie ook het antwoord op vraag 8).
Erkent u dat mensen die in aanmerking komen voor energietoeslag over het algemeen niet kunnen beschikken over financiële buffers waardoor zij niet de tijd hebben om lang te wachten?
De energietoeslag richt zich voornamelijk op mensen in een kwetsbare financiële situatie. Zoals ook bij de eerdere antwoorden aangegeven, is het belangrijk dat deze huishoudens zo snel mogelijk geholpen worden om te voorkomen dat ze in financiële problemen raken. Dit is ook waarom er is gekozen voor de categoriale bijzondere bijstand om de energietoeslag te verstrekken. Verstrekking via de categoriale bijzondere bijstand is aanzienlijk minder complex en arbeidsintensief dan via de individuele bijzondere bijstand en gaat daardoor sneller.
Erkent u dat als 14 weken moet worden gewacht schulden zich gaan opstapelen met alle maatschappelijke gevolgen van dien?
Het is van belang dat mensen de energietoeslag zo snel mogelijk ontvangen. Ik weet dat bijvoorbeeld Arnhem en Doetinchem gedurende de afhandelingstermijn maatwerk toe passen als mensen financieel in de knel (dreigen te) komen. Zij bespoedigen beoordelingen en/of gaan na of zij huishoudens via andere gemeentelijke regelingen zoals het maatwerkbudget kunnen helpen. De afhandelingstermijn van 14 weken is in Arnhem bovendien incidenteel.
Kunt u een inschatting geven van de maatschappelijke schade die ontstaat als gevolg van problematisch lange wachttijden zoals die bij de gemeente Arnhem momenteel gelden?
Het is niet bekend in hoeverre mensen in de financiële problemen raken door een vertraagde afhandeling van hun aanvraag. Gemeenten hebben extra middelen ontvangen ten behoeve van een vroege signalering van betalingsproblemen van hun inwoners. Dit draagt eraan bij dat gemeenten goed vinger aan de pols kunnen houden en zo wordt voorkomen dat mensen schade lijden. Gemeenten proberen daarbij de aanvragen voor de energietoeslag zo snel mogelijk af te handelen.
Wat vindt u een aanvaardbare wachttijd voor het verstrekken van de energietoeslag?
Gezien de urgente problematiek is het van groot belang dat huishoudens die behoren tot de doelgroep van de energietoeslag, deze zo spoedig mogelijk ontvangen. Gemeenten hebben normaal gesproken afhandelingstermijnen waarbij er binnen acht weken een reactie volgt. Dit is conform de Awb.
Bent u het eens dat gemeenten er alles aan moeten doen om de energietoeslag zo snel mogelijk te verstrekken en dat gemeenten met lange wachttijden alles op alles moeten zetten om deze tot aanvaardbare lengte te reduceren?
Ja, dat ben ik met u eens. Mijn indruk is ook dat gemeenten er alles aan doen om de toeslag zo snel mogelijk te verstrekken.
Welke actie gaat u ondernemen in de richting van de gemeente Arnhem en andere gemeenten met problematisch lange wachttijden? Welke resultaten mogen wij daarvan wanneer verwachten?
Mijn indruk is dat gemeenten zich tot het uiterste inspannen om hun inwoners te ondersteunen. Gemeenten hebben op dit moment een grote uitvoeringslast. Niet alleen de energietoeslag, maar bijvoorbeeld ook de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Daarbij hebben zij te maken met personeelstekorten. Wanneer zich knelpunten voordoen in de gemeentelijke uitvoering, is dit in eerste instantie aan de gemeenteraad. Ik heb verder regelmatig bestuurlijk overleg met de VNG over onder meer de energietoeslag en de uitvoering hiervan. Hierin bespreken we generieke knelpunten en mogelijke oplossingen.
Klopt het dat inwoners van Doetinchem pas weer vanaf 14 oktober energietoeslag kunnen aanvragen? Vindt u het acceptabel dat mensen moeten wachten met het aanvragen van de toeslag terwijl de winter eraan komt?
Ja, dit klopt. Van de gemeente Doetinchem heb ik begrepen dat zij in de periode april tot augustus ‘22 zeer druk is geweest met individuele aanvragen voor de energietoeslag. Het streven hierbij was om de aanvragen binnen vier weken af te handelen en bij het merendeel van de bijna 1600 aanvragen is dit ook gelukt. De maand september heeft Doetinchem gebruikt als voorbereidingsmaand voor de aanvullende toeslag. Het doel hierbij was om de groep voor de ambtshalve uitbetaling zo volledig mogelijk te laten zijn en het voor inwoners op deze manier zo makkelijk mogelijk te maken.
In de afgelopen weken heeft de gemeente Doetinchem aan alle inwoners die eerder de € 800 energietoeslag ontvingen, de aanvullende € 500 uitbetaald. Ook hebben inwoners die in de afgelopen periode een uitkering volgens de participatiewet toegekend hebben gekregen, en nog niet eerder een aanvraag voor de energietoeslag hadden gedaan, de volledige energietoeslag van € 1.300 uitbetaald gekregen. In totaal heeft de gemeente inmiddels aan ongeveer 2.700 inwoners de volledige energietoeslag uitbetaald. De laatste betaling hiervoor is woensdag 12 oktober gedaan.
De ervaring van de gemeente Doetinchem leert dat inwoners soms uit voorzorg ook maar vast een nieuwe aanvraag indienen, ook al wordt er aangegeven dat de aanvullende energietoeslag automatisch zal worden gestort. Daarom is ervoor gekozen om het loket pas open te stellen wanneer alle automatische betalingen zijn gedaan.
Met deze werkwijze voorkomt de gemeente dat er onnodige aanvragen worden gedaan, die vervolgens tijd kosten in het beoordelen van de aanvragen. De aanvragen die vanaf 14 oktober worden ingediend kan de gemeente binnen vier weken afhandelen. Uiteindelijk is de inwoner dan snel geholpen.
Daarnaast biedt de gemeente Doetinchem maatwerk aan inwoners, die aangeven de energietoeslag eerder dan de gestelde data nodig te hebben. Dit is ook in een aantal gevallen gedaan en zal in de toekomst ook zeker mogelijk blijven.
Mijn beeld is dat gemeente Doetinchem alles in het werk stelt inwoners snel te helpen en dat zij hierin slaagt.
Bent u het eens dat mensen niet zo lang kunnen wachten met het aanvragen en ontvangen van de energietoeslag en gemeenten daarom extra middelen zouden moeten krijgen om een aanvraag van de energietoeslag zo snel als mogelijk te behandelen en uit te keren?
Zoals ik bij de eerdere antwoorden heb aangegeven, ben ik het met u eens dat het van belang is dat gemeenten de energietoeslag zo snel als mogelijk verstrekken. Gemeenten hebben financiële middelen ontvangen voor de uitvoering van de energietoeslag. Ik ben en blijf met de VNG en gemeenten in gesprek over de uitvoering.
De berichten dat het aantal jongeren met suïcidale gedachten ook na corona hoog is en dat er een toename van zelfdodingen onder jongvolwassenen is |
|
Rens Raemakers (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat het aantal jongeren met suïcidale gedachten ook na corona hoog is en dat er een toename van zelfdodingen onder jongvolwassenen is?1, 2
Ja, ik ben bekend met de berichten.
Hoe beoordeelt u de berichten uit het Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)-rapport, dat laat zien dat met name de mentale gezondheid van meisjes, maar ook bij jongens, achteruit gaat? In hoeverre was u al op de hoogte van deze trend?3
Met aandacht heb ik kennis genomen van de bevindingen uit het onderzoek. De cijfers zijn zorgelijk. Het was al bekend dat de invloed van de coronacrisis enorm is geweest op de jeugd, maar de uitkomsten uit dit rapport zijn schrikbarend. Daarbij is het verschil tussen jongens en meisjes ook gebleken uit eerdere HBSC-metingen. Ook toen waren de emotionele problemen bij meisjes hoger en de mate van levenstevredenheid lager dan bij jongens. De bevindingen onderstrepen nogmaals het belang om in te (blijven) zetten op de mentale gezondheid van onze jongeren en jongvolwassenen in Nederland en daarbij dus ook extra aandacht te hebben voor het verschil tussen de ervaren problemen van jongens en meisjes en de wijze waarop deze problemen tot uiting komen.
Wat kan verklaren dat het opheffen van de coronamaatregelen kennelijk niet heeft geleid tot een verbetering van de mentale toestand van scholieren en studenten?
Helaas kunnen we aan de hand van het HBSC-onderzoek nog geen conclusies trekken over het zogenaamde «terugveren» van scholieren en studenten. De HBSC is in het najaar van 2021, in coronatijd, afgenomen onder de scholieren en daarmee geeft dit onderzoek nog geen beeld van de situatie na de pandemie. Wel is de verwachting dat we niet zomaar terug zijn op het oude niveau. Er zal een groep jongeren kwetsbaar blijven of zelfs kwetsbaarder worden. Voor hen zullen we de komende tijd aandacht moeten hebben.
Herkent u het beeld dat het aantal huisartsbezoeken vanwege suïcidale gedachten of suïcidepogingen ruim een derde hoger is dan voor de coronacrisis?
Uit de surveillance cijfers van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn blijkt dat de bezoeken aan de huisarts rondom suïcide in het tweede kwartaal van 2022 gemiddeld 39% meer voorkwamen dan in dezelfde periode in 2019 onder de groep 15 tot 24-jarigen. Het gaat bij deze cijfers om zelfdodingspogingen met en zonder fatale afloop en om suïcidale gedachten.
Welke mogelijkheden ziet u om het mentale welzijn van jongeren te verbeteren?
Met de acties in de landelijke aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal» willen we de mentale gezondheidsvaardigheden van alle jongeren verbeteren, mentale gezondheid bespreekbaar maken en zorgen dat zij een plek hebben op school of in de wijk waar zij terecht kunnen. Samen met MIND Us verkennen wij daarom hoe laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren versterkt, verbeterd en opgeschaald kunnen worden. Ook zijn wij in gesprek met Welbevinden op School en de Gezonde School om te kijken hoe wij de huidige samenwerking kunnen versterken en het project kunnen intensiveren. Zo worden praktische handvatten aangeboden op scholen en kunnen scholen werken aan een gezond pedagogisch- en leerklimaat. Daarnaast wordt via het Programma Cultuurparticipatie met een subsidieregeling «Samen Cultuurmaken» de samenwerkingen tussen de culturele en creatieve sector en het sociale domein gestimuleerd. Voor komend jaar staat de doelgroep jongeren centraal en zetten wij cultuur in om mentale gezondheid onder jongeren bespreekbaar te maken.
Herkent u het beeld dat de hoge «prestatiedruk» en het wegvallen van sociale structuren tijdens corona ertoe hebben geleid dat het slechter gaat met de mentale gezondheid van jongeren?
Helaas herken ik de ervaren prestatiedruk in de samenleving en ook het wegvallen van sociale structuren tijdens de coronapandemie. Er lijkt een druk te zijn om alles beter, sneller en cum laude te moeten doen. Dit vraagt een cultuurverandering. We hoeven namelijk echt niet elke dag de beste versie van onszelf te zijn. Ook het wegvallen van sociale structuren heeft een effect op onze jeugd. We weten uit onderzoek dat je mentale gezondheid een belangrijke sociale component bevat en dat sociale contacten een belangrijk onderdeel zijn om je mentaal goed te voelen. Met de landelijke aanpak zetten we ons daarom in voor het belang van aandacht hebben voor de mentale gezondheid van jezelf én oog hebben voor die van een ander. We richten ons hierbij op de leefomgeving van de jongeren zelf: op school, in de buurt of bijvoorbeeld online. Bijvoorbeeld door het stimuleren van zingeving en ontmoeting via Maatschappelijke Diensttijd (MDT) en/of sportactiviteiten in de wijk.
Herkent u het beeld dat zelfdoding onder jongvolwassenen vaker voorkomt bij schoolverlaters, vaker bij jongeren met psychische problemen, vaker bij jongeren met geldproblemen en vaker bij jongeren die zich identificeren met de LHBTI (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen)-gemeenschap?
Het geschetste beeld komt naar voren uit het onderzoek4 dat 113 Zelfmoordpreventie heeft uitgevoerd met zowel kwalitatieve als kwantitatieve data, zowel van jongvolwassenen (20–30 jaar) die overleden zijn door suïcide als jongvolwassenen (20–30 jaar) die kampen met suïcidale gedachten. Het is belangrijk dat jongvolwassenen met suïcidale gedachten goed worden geholpen. Dat er nu meer inzicht is in deze groep en de problemen waar zij mee kampen helpt daarbij.
Erkent u dat eenzaamheid ook een risicofactor is voor (gedachten over) zelfdoding en in hoeverre werkt de regering nog aan een aanpak van eenzaamheid onder jongeren?4
Er is veel bekend over risicofactoren voor suïcide, maar het blijft onmogelijk te voorspellen wie er uiteindelijk een fatale poging zal doen. Een risicofactor voor suïcide is je eenzaam en sociaal geïsoleerd voelen. Het landelijk cijfer van eenzaamheid onder jongeren is hoog. In de laatste meting van de Gezondheidsmonitor Jongeren en Volwassen komt naar voren dat 47% van de Nederlanders die 18 jaar of ouder zijn, zich eenzaam voelt.
Eind september jongstleden is de vervolgaanpak van het actieprogramma Eén tegen eenzaamheid voor de periode van 2022–2025 bekend gemaakt. Een belangrijk onderdeel van de vervolgaanpak is dat er wordt gewerkt aan het verminderen en voorkomen van eenzaamheid onder alle leeftijden en groepen (in plaats van alleen 75+»ers), ook onder jongeren. Dit doet het actieprogramma via 3 actielijnen. Meer bewustwording over eenzaamheid (onder andere door publiekscampagne), meer maatschappelijk initiatief tegen eenzaamheid en in alle gemeenten een lokale aanpak tegen eenzaamheid. Op voorgaande punten wordt ook specifiek aandacht besteed aan eenzaamheid onder jongeren. Om eenzaamheid onder jongeren onder de 18 jaar te meten wordt binnen het thematisch onderzoeksprogramma eenzaamheid van de Nationale Wetenschapsagenda een meetinstrument ontwikkeld.
Uit een scan van alle collegeakkoorden van gemeenten is ook een toename te zien in vergelijking met de vorige collegeperiode om eenzaamheid onder jongeren aan te pakken. Vanuit het actieprogramma worden gemeenten daarin ondersteund door onder andere een gratis adviseur, masterclasses, goede voorbeelden en regeerakkoordmiddelen die beschikbaar worden gesteld aan gemeenten voor de lokale aanpak van eenzaamheid.
Tijdens de lancering van de vervolgaanpak is Stichting Join-Us, een belangrijke partner die zich inzet om eenzaamheid onder jongeren aan te pakken, lid geworden van de Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid. De Nationale Coalitie tegen Eenzaamheid, waar de NS en Prorail ook lid van zijn, is een landelijk netwerk van organisaties die zich inzetten om eenzaamheid te verminderen en wordt door het actieprogramma betrokken in de aanpak de komende jaren. Stichting Join-Us heeft dit jaar financiering ontvangen om weer Social Friday en Stronger Together te organiseren. Daarnaast wordt er voor de aanpak van eenzaamheid onder jongeren samengewerkt met het programma MDT, eenzaamheid is één van de speerpunten van MDT.
Indien de vragen 6, 7 en/of 8 instemmend worden beantwoord, welke stappen gaat u samen met collega’s uit het kabinet ondernemen om iets aan de bovenstaande problemen te doen?
Samen met veel verschillende partijen, waaronder andere departementen, zet ik mij in voor het versterken van de mentale gezondheid, het voorkomen van suïcidaal gedrag en het verminderen van eenzaamheid onder jongeren en jongvolwassenen.
Er worden momenteel verschillende stappen genomen om de mentale gezondheid van jongeren te verbeteren. Samen met mijn collega’s uit het kabinet, de partijen en jongeren zelf gaan we de landelijke aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal» verder aanvullen en uitwerken. We hopen dat meer partijen zich daarbij aansluiten zodat er een beweging in ons land op gang komt rondom het thema mentale gezondheid. Zoals de recente bevindingen laten zien, valt de toename in mentale problemen mede te verklaren door de ervaren druk om te presenteren. Deze druk om te presteren komt niet alleen vanuit jongeren maar ook vanwege de verwachtingen vanuit de brede maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de druk om te presteren in het onderwijs. Het kabinet stelt via het Nationaal Programma Onderwijs geld beschikbaar waarmee scholen en instellingen gericht maatregelen kunnen nemen op het gebied van welbevinden en sociaal-emotionele ontwikkeling om zo de negatieve impact van de coronapandemie op het welbevinden en de ontwikkeling van leerlingen zoveel mogelijk weg te nemen. Vanuit dit programma is ook kennis beschikbaar via de menukaart, de website onderwijskennis.nl en de kenniscommunity. Deze community is een kennisplatform voor onderwijsprofessionals waar ervaringen en praktijkkennis gedeeld worden. Op de website onderwijskennis.nl worden juist de wetenschappelijke kennis en de interventies gedeeld.
Met de derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie zet ik in op preventieve acties in het onderwijs en in de sociaaleconomische sector die bijdragen aan het signaleren en bespreken van suïcidaliteit bij jongeren en jongvolwassenen en het verwijzen naar zorg. Verschillende regio’s gaan deelnemen aan de ketenaanpak STORM die tot doel heeft een depressie of suïcide bij jongeren voor te zijn en er is een workshop ontwikkeld voor professionals in de schuldhulpverlening om meer aandacht te hebben voor suïcidaliteit. Suïcides zijn ook te voorkomen door het gesprek aan te gaan als je denkt dat het mentaal niet goed gaat met een vriend(in), familielid of collega. Met de onlinetraining VraagMaar kunnen naasten suïcidaliteit beter leren herkennen en weten ze hoe ze het gesprek kunnen voeren met jongeren en volwassenen over suïcidale gedachten.
Voor mijn aanpak op het terrein van eenzaamheid onder jongeren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 8.
Hoe zet u in op preventie vanuit uw portefeuilles suïcidepreventie en jeugdhulp, en in hoeverre kan preventie via sociale media daarin nog een (extra) rol spelen?
Er worden maatregelen getroffen om suïcidaal gedrag in een zo vroeg mogelijk stadium te voorkomen bij jongeren. Eén van de projecten van de derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die hierop ziet, is de ketenbrede werkwijze suïcidepreventie jeugd. Professionals, organisaties, ervaringsdeskundigen en naasten in de jeugdhulp werken samen aan een leidraad suïcidepreventie voor de hele jeugdketen.
In de Landelijke Agenda Suïcidepreventie is aandacht voor het gebruik van social media bij preventie van suïcide. Er wordt gewerkt aan een veilige online omgeving voor lotgenoten om hoop, contact, hulp en herkenning te krijgen. Ook wordt ingezet op verantwoorde, veilige berichtgeving over suïcidaal gedrag in de sociale media. Wetenschappelijke studies hebben een relatie aangetoond tussen onzorgvuldige berichtgeving over een suïcide en een daaropvolgende stijging van het aantal suïcides.
Verder wordt samen met partijen als MIND Us, het Trimbos-instituut en het Netwerk Mediawijsheid verkend welke mogelijkheden de inzet van social media biedt bij bijvoorbeeld het vergroten van de inzet van goed werkende apps en het toerusten van luisterlijnen (zoals Kindertelefoon) op het delen van laagdrempelige tips en het verwijzen naar lokale offline ondersteuning (zoals inloophuizen als aanvulling op het bieden van een luisterend oor).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat GGZ/Suïcidepreventie van 2 november aanstaande?
Ja.
Het bericht ‘NL-Alert tijdens storm te laat verstuurd, meldkamer bijna onbereikbaar’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Vraag Bent u bekend met het bericht «NL-Alert tijdens storm te laat verstuurd, meldkamer bijna onbereikbaar»1?
Ja.
Klopt het dat tijdens de storm Eunice, afgelopen februari, de 112-alarmcentrale tijdens overbelast raakte door het aantal telefoontjes en daardoor onbereikbaar was? Klopt het voorts dat het bijna anderhalf uur duurde voordat er een NL-Alert werd verstuurd?
Ja, dit klopt. Na deze constatering is het proces voor het versturen van een landelijk NL-Alert opgestart. Het gehele proces van het versturen van het NL-Alert heeft circa 5 kwartier geduurd.
Hoe wordt de inzet van een NL-Alert bepaald? Wanneer gaat er zo’n alert uit? Hoe toetsen het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en de Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding (NCTV) een verzoek tot een NL-Alert?
Voor de inzet van een landelijk NL-Alert is een inzet- en beleidskader beschikbaar. Daarin is een specifiek deel opgenomen over het verzenden van een NL-Alert bij uitval van het alarmnummer 112. Het verzoek van de Hoofdofficier van Dienst van de landelijke meldkamer is aan dit inzet- en beleidskader getoetst.
Hoe kon het in dit specifieke geval zijn dat de NL-Alert pas een uur na aanvraag door de landelijke 112-centrale uitging?
De streeftijd voor het verzenden van een NL-Alert bedraagt 15 minuten. Het proces van het verzenden van een landelijk NL-Alert vraagt om een zorgvuldige voorbereiding. Er zijn verschillende factoren die ervoor gezorgd hebben dat in dit geval de streeftijd niet is gehaald.
Zo was het verzoek vanuit de politie in eerste instantie niet aan het NCC gericht, maar aan het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC). Aangezien het LOCC geen rol heeft in het proces tot het uitzenden van een NL-Alert4, heeft dit vertragend gewerkt. Daarnaast zijn voor de uitval van het alarmnummer 112 standaardteksten beschikbaar. We hadden nu te maken met overbelasting van 112 door de storm Eunice. Dit vroeg om een aangepaste tekst. Deze moest opgesteld, met partners afgestemd en ingevoerd worden. Daarnaast vond er overleg plaats over het verwijzen naar www.politie.nl of www.crisis.nl alsmede over het juiste uitzendgebied omdat de stormwaarschuwing van het KNMI niet voor het hele land gold. Deze activiteiten kostten achteraf meer tijd dan voorzien.
Hoe kon het dat ondanks een maximale bezetting van de landelijke 112-centrale en de regionale meldkamers, bellers het alarmnummer 112 niet konden bereiken? Wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen? Kan een NL-alert voortaan eerder en sneller uitgegeven worden, om overbelasting van het alarmnummer te voorkomen?
De gebeurtenissen rondom deze overbelasting heb ik laten onderzoeken door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). Tijdens storm Eunice werd het alarmnummer 112 overspoeld met telefoontjes, waaronder hulpvragen die geen onmiddellijke hulp vereisten. Na het uitgezonden NL-Alert werd het aantal oproepen snel minder waardoor het alarmnummer weer bereikbaar was. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is de streeftijd voor het verzenden van een NL-Alert een kwartier. De ervaringen rondom de verzending van het landelijke NL-Alert tijdens de storm Eunice gebruiken we om in de toekomst sneller (en binnen de streeftijd) een NL-Alert te kunnen verzenden. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Om dergelijke overbelasting in de toekomst te voorkomen is eenduidige en heldere crisiscommunicatie van belang, zodat mensen weten waarvoor zij wel en niet het alarmnummer kunnen bellen. Inmiddels hebben de betrokken organisaties voor de eenduidige crisiscommunicatie afgesproken voortaan alleen het handelingsperspectief als weergegeven in de infographic van de veiligheidsregio’s te gebruiken, en dus niet meer eigen communicatie-uitingen te ontwikkelen. Dit zie ik als een mooie eerste stap in het uniformeren van de publiekscommunicatie door deze organisaties.
Kunt u de stand van zaken geven over de implementatie van de verbetervoorstellen die in gang zijn gezet naar aanleiding van de beleidsdoorlichting multisystemen 2012–2018?
De verbetervoorstellen naar aanleiding van de beleidsdoorlichting multisystemen 2012–2018 heb ik reeds opgepakt en met de partners in het meldkamerveld geïmplementeerd, op grond van de door uw Kamer aangenomen Wijzigingswet meldkamers in 2020.
Samen met de betrokken partijen wordt nu in de daartoe ingerichte gremia overlegd en binnen de huidige governance kunnen zij invloed uitoefenen op het beleid van het beheer van de meldkamers en de besteding van de middelen. Op basis van laatste ontwikkelingen, urgentie en budgettaire mogelijkheden wordt gezamenlijk geprioriteerd.
Dit komt overeen met de verbetervoorstellen uit de beleidsdoorlichting, en leidt tot een steeds betere koppeling tussen beleidsdoelen en budget en sturing op gezamenlijke ambities en doelstellingen.
Inmiddels is de nieuwe governance van het beheer van de meldkamers enige tijd in werking en is deze governance conform mijn toezegging aan de Kamer na een jaar geëvalueerd. Hierover heb ik uw Kamer begin dit jaar geïnformeerd5. De (uitvoering van de) aanbevelingen uit de evaluatie bespreek ik met de partijen in het meldkamerveld en ik zal uw Kamer daarover in mijn halfjaarlijkse voortgangsbrief over meldkamers en missie kritische communicatiesystemen informeren.
Hoe beoordeelt u de aanbeveling van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) om te onderzoeken hoe in de toekomst een NL-Alert sneller kan worden verstuurd?
Het proces van aanvragen en opstellen van een NL-alert is op basis van een eigen evaluatie al verbeterd. Een tekst voor overbelasting is inmiddels opgenomen in het berichtenboek en het proces rondom uitval van het alarmnummer 112 wordt regelmatig met de verschillende betrokken partners beoefend. Onderzocht wordt hiermee ook hoe het uitzendproces, zowel bij NCC als bij partners, versneld kan worden. Wijzigingen hierop zullen worden doorgevoerd in het NL-Alert inzet- en beleidskader.
Hoe beoordeelt u voorts de aanbeveling van het NIPV om een landelijk operationeel leider aan te stellen om bovenregionale en vooral operationele lacune in kennisdeling en afstemming te voorkomen?
Het kabinet heeft in haar standpunt6 over de wetsevaluatie Wet veiligheidsregio's aangekondigd om mét behoud van het goede, zo spoedig mogelijk te komen tot een toekomstbestendig, samenhangend stelsel voor crisisbeheersing en brandweerzorg. In de Contourennota Versterking Crisisbeheersing en Brandweerzorg7 schetst het kabinet hoe de organisatiestructuur en samenwerking van betrokken partijen, bestuurlijk en operationeel, bij onder meer interregionale, nationale en internationale risico's en crises wordt vernieuwd. De versterking van de operationele coördinatie en informatiedeling maken hier onderdeel vanuit.
Het bericht ‘Zelfs camera’s schrikken drugscriminelen niet af’. |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zelfs camera’s schrikken drugscriminelen niet af»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen weken tenminste 25 Nederlanders zijn opgepakt vanwege aanslagen in Antwerpen? Wat vindt u ervan dat de jongste van hen nog maar 15 jaar oud is?
In het krantenartikel wordt gerefereerd aan onderzoeken van de Belgische autoriteiten. Het is in de eerste plaats aan hen om te beoordelen of informatie over lopende onderzoeken openbaar kan worden gemaakt. Ik kan de informatie uit het artikel dus niet bevestigen.
Ik vind het zorgelijk en onacceptabel wanneer kinderen in aanraking komen met de georganiseerde drugscriminaliteit en mogelijk een rol spelen bij het plegen van aanslagen. Daarom zet ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming fors in op het voorkomen dat jongeren het criminele pad opgaan. In mijn brief d.d. 1 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de brede preventieaanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit2.
Ik vind het belangrijk dat drugscriminelen op verschillende manieren hard worden aangepakt. Ik heb eerder op 26 april jl. en recentelijk op 4 november uw Kamer geïnformeerd over mijn ondermijningsaanpak. Naast het voorkomen dat jongeren het criminele pad op gaan, zet ik in op het doorbreken van criminele netwerken en verdienmodellen, bestraffen en beschermen.
Maakten deze personen allen deel uit van hetzelfde netwerk en/of dezelfde familie? Waren deze mensen in het zicht van politie en justitie?
Er kunnen geen uitspraken worden gedaan met betrekking tot lopende zaken. In algemene zin kan worden gesteld dat de operationele samenwerking met België naar wederzijdse tevredenheid verloopt. Wij zijn met elkaar in continue dialoog om de onderlinge rechtshulp te versterken. Wij werken ook met elkaar in Benelux- en EU-verband (onder meer via het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats), evenals in de recent opgericht coalitie van landen tegen georganiseerde drugscriminaliteit om samen criminele netwerken in kaart te brengen, te verstoren en te ontmantelen, inclusief in de havens. Het aanstaande Benelux Politieverdrag zal de samenwerking nog meer faciliteren met meer mogelijkheden in de bestrijding van grensoverschrijdende drugscriminaliteit.
Bent u het eens met de stelling dat het beschamend is dat behalve (hard)drugs nu ook geweld en intimidatie een Nederlands exportproduct lijken te zijn geworden? Bent u het met eens met det stelling dat hiermee weer een nieuw dieptepunt is bereikt?
Nederland is een sterk handelsland, onder meer vanwege de ligging en onze infrastructuur. Onze zee- en luchthavens zijn dan ook een spil in de wereldhandel. Omdat ook criminelen hiervan profiteren hebben we te maken met een keiharde keerzijde: ontwrichtende, dodelijke drugshandel in met name cocaïne. Met de handel worden miljarden aan zwart geld verdiend. Nederlandse drugscriminelen werken hierbij nauw samen met internationale criminele netwerken. Een exponent van deze handel en bijbehorende internationale contacten tussen criminelen is dat onderlinge conflicten vaak met veel geweld worden uitgevochten, ook in het buitenland. De gebeurtenissen in Antwerpen, zoals beschreven in het krantenartikel, zijn verwerpelijk en moeten dan ook met kracht worden bestreden.
Ik zie het als mijn taak om de drugscriminaliteit in Nederland terug te dringen. Om nieuwe dieptepunten in de toekomst te voorkomen moeten criminelen over de gehele linie worden bestreden. Dat kan alleen met een brede aanpak, een lange adem en door samenwerking tussen overheidspartijen en private sectoren, ook over onze landsgrenzen heen.
Was u net als de Belgische nationaal drugscoördinator niet verrast over de betrokkenheid van zoveel Nederlanders bij de geweldsgolf in Antwerpen?
Gezien de sterke internationale oriëntatie van de drugshandel en de rol die Nederlandse drugscriminelen hierin spelen, ben ik net als de Belgische nationaal drugscoördinator niet verrast. Mede door de nabijheid van de Antwerpse haven, werken Belgische en Nederlandse criminelen intensief samen. Vanwege de ligging en aanwezige infrastructuur hebben de havens van Rotterdam en Antwerpen een belangrijke rol binnen de wereldwijde handelssector. Helaas vinden criminelen ook hun weg naar deze havens en maken misbruik van deze logistieke knooppunten. Deze dreiging is bekend. Zo weten we dat een aanzienlijk deel van de in Antwerpen binnen gebrachte cocaïne vanuit Nederland verder gedistribueerd wordt. Daarom zetten België en ons land alles op alles om deze criminele machtsstructuren te ontmantelen en te bestrijden. Zowel op bestuurlijk als operationeel niveau werken wij nauw samen met België.
Internationale samenwerking is erg belangrijk bij de bestrijding van georganiseerde drugscriminaliteit. Daarom blijf ik mij inzetten om de internationale aanpak en bijbehorende samenwerking te intensiveren. Zo hebben onlangs zes Europese landen, waaronder België en Nederland, afspraken gemaakt om nauwer samen te werken in de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit. Ook vindt samenwerking plaats in EU-verband waaronder via een EU strategie inzake drugs en operationele samenwerking in het kader van het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats en wordt er bilateraal met partnerlanden zoals de VS en Canada en internationale organisaties zoals de VN en Interpol actief gewerkt aan een sterke omvattende aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit.
Hoe staat u tegenover het idee om naar Belgisch voorbeeld ook in Nederland een nationaal drugscoördinator aan te stellen? Wat zijn uw overwegingen om dit wel of juist niet te doen?
Er zijn verschillende manieren om de coördinatie van georganiseerde drugscriminaliteit vorm te geven. In België is ervoor gekozen om hiervoor een drugscoördinator aan te stellen. De nationaal drugscoördinator in België heeft als taak om een globaal en geïntegreerd beleid te realiseren rond alcohol, tabak, illegale drugs, psychoactieve medicatie, maar ook gedragsverslavingen zoals gokken.
In Nederland hebben we de keuze gemaakt om ons niet alleen op het drugsbeleid te richten, maar juist op de aanpak van de georganiseerde criminaliteit die met (de handel en productie van) drugs samenhangt. De aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit vraagt een kabinetsbrede aanpak, waarvan ik de regie op mij heb genomen. Eerder heeft uw Kamer op 5 maart 2021 een afschrift gekregen van een brief die naar het Strategisch Beraad Ondermijning is gegaan. Hierin is o.a. ingegaan op hoe de aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen mijn ministerie wordt georganiseerd. Samen met publieke en private partners wordt niet alleen opgavegericht aan de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit gewerkt, maar ook op het verminderen van de ondermijnende effecten daarvan op onze rechtsstaat. Verschillende departementen werken samen op onderdelen van deze aanpak. Zo werken de Minister van Financiën en ik nauw samen op het voorkomen van witwassen en trekken het Ministerie van IenW en mijn ministerie samen met private partijen op in de aanpak van drugssmokkel via mainports en andere logistieke knooppunten. Over deze kabinetsbrede aanpak is uw Kamer 4 november jongstleden geïnformeerd3.
In hoeverre verschilt de Belgische aanpak van drugscriminaliteit met die in Nederland? Kunt u aangeven op welke manier(en) Nederland en België op dit moment met elkaar samenwerken om drugscriminaliteit te bestrijden? Hoe effectief is deze aanpak tot dusver? Waar ziet u mogelijkheden voor verbetering?
De focuspunten van de aanpak van drugscriminaliteit lijken op elkaar en trekken ook meer naar elkaar toe. Vanzelfsprekend zijn er ook verschillen; zo hebben we in Nederland relatief meer aandacht voor de bestuurlijke aanpak. Ook in België zien we, mede dankzij de stevige samenwerking, een groeiende aandacht voor de bestuurlijke aanpak en worden er stevige stappen gezet.
Nauwe samenwerking met buurland België is van groot belang in de aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Het EURIEC speelt hierbij ook een belangrijke rol om de bestuurlijke samenwerking tussen België, Duitsland en Nederland te verstevigen. De intensieve samenwerking tussen België en Nederland heeft onder meer tot doel het versterken van de aanpak in onze havens.
Op operationeel niveau werken Nederland en België samen in bron- en transitlanden door bijvoorbeeld het gemeenschappelijk gebruik van politie en Douane-liaisons. Daarnaast is project Fortius opgestart; een samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische diensten gericht op het tegengaan van drugssmokkel via de Antwerpse haven met als bestemming Nederland. Ook de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische Douane is intensief. Zo wordt er onder meer (uit bronlanden ontvangen) informatie gedeeld over verdachte zendingen en andere bevindingen.
Op bestuurlijk niveau wordt er veel samen opgetrokken. Zo maakt België bijvoorbeeld deel uit van de coalitie van zes Europese landen tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Middels een meerjarig actieplan is recentelijk afgesproken dat de samenwerking tussen de autoriteiten van de zes landen wordt opgevoerd en verbreed, bijvoorbeeld op het gebied van havensamenwerking. Ook op bilateraal niveau vinden er regelmatig gesprekken plaats tussen de bewindslieden over hoe de huidige samenwerking verder verbeterd kan worden bijvoorbeeld op het vlak van informatie-uitwisseling via politiekanalen, justitiële samenwerking, de uitvoering van Europese arrestatiebevelen en overlevering en vervolgstappen voor een grensoverschrijdende bestuurlijke aanpak. Dit gebeurt ook in Benelux-kader.
Wat gaat en kunt u doen om de effectiviteit van bewakingscamera’s om «narcoterroristen' tegen te houden, te verhogen, zodat onschuldige burgers beter worden beschermd tegen de territoriumdrang en prestigestrijd van de georganiseerde misdaad?
Cameratoezicht kan op diverse gronden worden ingezet. Zo kan de burgemeester hiertoe overgaan ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 151c van de Gemeentewet en kan het worden ingezet op basis van het Wetboek van Strafvordering in het kader van een lopend opsporingsonderzoek. Daarnaast kan de politie gebruik maken van tijdelijk en gericht cameratoezicht op grond van artikel 3 van de Politiewet indien daar een concrete aanleiding voor is, bijvoorbeeld een geconstateerde opleving van criminaliteit. Uiteraard bestaan er ook private camera’s waarmee particulieren bijvoorbeeld hun woning beveiligen.
Veelal is cameratoezicht, o.a. in de havens, een onderdeel van een breder pakket aan maatregelen. Om onschuldige burgers beter te beschermen tegen de georganiseerde criminaliteit zal daarom tevens naar de brede aanpak gekeken moeten worden. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over de hoofdlijnenaanpak van de georganiseerde criminaliteit.
Een voorbeeld van een maatregel in het kader van de brede aanpak, die mede is gericht op de bescherming van onschuldige burgers, is het wetsvoorstel om een sluitingsbevoegdheid voor de burgemeester en de gezaghebber te regelen bij een openbare ordeverstoring door ernstig geweld of door een wapenvondst. Dit wetsvoorstel is recent naar uw Kamer gestuurd4. Juist omdat de beschieting van een pand niet alleen gevaarlijk is voor bewoners en omwonenden, maar het ook de openbare orde in een buurt kan verstoren, kan het noodzakelijk zijn om zo’n woning tijdelijk te sluiten.
Poep spuitende wc's in ouderenflat Hellevoetsluis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over poep spuitende wc's in een ouderenflat te Hellevoetsluis?1, 2
Ja
Wat vindt van het feit dat er jarenlang een loopje is genomen met de volksgezondheid van ouderen in een horrorhuis vol met rioolvliegen?
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie voor de betrokken huurders erg te betreuren vind.
Op grond van de informatie die ik heb ingewonnen ontving de woningcorporatie in 2022 voor het pand met 179 woningen slechts enkele meldingen met betrekking tot de riolering die niet wezen op normale verstoppingen. Op deze meldingen is actie ondernomen door een gespecialiseerd bedrijf inspecties in de riolering te laten uitvoeren. Daarbij is ook samenwerking gezocht met de gemeente. Er bleek op basis van de inspectie sprake van een breuk in de rioolleiding, waarvoor de corporatie verantwoordelijk was en niet de gemeente. De adviezen vanuit de inspectie zijn door de corporatie opgevolgd: het riool is gereinigd en de geconstateerde breuk is hersteld.
Om eventuele verstoppingen in de toekomst te voorkomen heeft de woningcorporatie besloten de beluchting op het dak aan te passen. Ook zijn overstortputten geplaatst aan de gevel en worden de afvoerleidingen door een afvoer met een grotere diameter vervangen. Daarnaast heeft de woningcorporatie besloten de riolering vier keer per jaar preventief reinigen. De rioolvliegjes die ook als gevolg van de breuk in de rioolleiding in het pand waren gekomen, zijn door een gespecialiseerd bedrijf in van dit jaar met succes bestreden.
De bewoners zijn tijdens een informatiebijeenkomst en individueel geïnformeerd over alle werkzaamheden. Ik ga ervan uit dat op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat voldoende actie is ondernomen en geen sprake meer is van problemen met de riolering
Heeft u de bereidheid om zowel Woonzorg, waar de ouderenflat onder valt, als de gemeente te kapittelen over deze mensonterende toestanden? Zo ja, kunt een overzicht geven van de acties die u richting beiden gaat ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Het artikel waarin gesteld wordt dat het Kamerlid Van Ginneken van de D66-fractie eist dat u uw principiële mening ten aanzien van de transgenderwet herziet |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waarin gesteld wordt dat het Kamerlid Van Ginneken van de D66-fractie eist dat u uw principiële mening ten aanzien van de transgenderwet herziet?1
Ik ben bekend met het artikel waar u naar verwijst. Het lid Van Ginneken (D66) heeft bij mijn weten niets geëist, maar gezegd er vanuit te gaan dat de nieuwe Minister van LNV het kabinetsbeleid steunt.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat iemand die als burger zo’n principiële overtuiging heeft ten aanzien van geslacht en geslachtsverandering dat hij daartoe een nationaal manifest ondertekent, het manifest Gendertwijfel, die overtuiging als Minister niet van het ene moment op het andere in precies het omgekeerde kan aanpassen, zonder zijn geloofwaardigheid te verliezen?
Ik heb het manifest «De nieuwe Transgenderwet raakt iedereen» ondertekend op persoonlijke titel in de tijd voordat ik Minister werd. Een Minister draagt verantwoordelijkheid voor het gehele kabinetsbeleid, en zo zal ik mij dus ook opstellen.
Bent u het eens dat de eis die het Kamerlid aan u stelt op zijn minst niet bevorderlijk is voor de onderlinge verhoudingen in de coalitie, waaraan door de vele crises die het hoofd moet worden geboden toch al hoge eisen worden gesteld?
Ik respecteer de inzet van het lid Van Ginneken (D66) voor de positie en rechten van transpersonen. Haar vragen naar mijn persoonlijke opvattingen doen in mijn beleving geen afbreuk aan de onderlinge verhoudingen.
Mogen wij u tenslotte wijsheid en kracht toewensen en de hoop uitspreken dat u standvastig blijft in uw overtuiging?
Dank u wel.
Het bericht 'Reizigersorganisaties keren zich tegen beperkte dienstregeling NS' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de nieuwe dienstregeling van de NS?1
Ik zie het als één van mijn belangrijkste taken om een robuust en betrouwbaar openbaar vervoernetwerk te behouden en te versterken. Ik vind het dan ook erg vervelend dat reizigers in de nieuwe dienstregeling te maken krijgen met een lager vervoersaanbod. NS geeft aan zich hiertoe genoodzaakt te zien vanwege het huidige personeelstekort. Ik vind het cruciaal dat NS, zoals zij zelf ook aangeeft, de dienstregeling weer opschaalt zodra zij meer personele capaciteit heeft.
Deelt u de opvatting van reizigers- en consumentenorganisaties dat de nieuwe dienstregeling beneden het acceptabele niveau zakt?
Het is begrijpelijk dat consumentenorganisaties zich kritisch uitlaten over de aangepaste dienstregeling van 2023 en dat zij NS oproepen om alle maatregelen te treffen om zo snel mogelijk weer op te schalen. Ook ik vind het afschalen van de dienstregeling zeer onwenselijk vanuit het perspectief van de reiziger. Ik verwacht dan ook van NS dat zij er écht alles aan doet om de hinder voor reizigers te beperken.
Stemt u in met deze dienstregeling? Zo ja, waarom?
De dienstregeling wordt conform artikel 42 van de concessie ter consultatie voorgelegd aan de decentrale overheden en de consumentenorganisaties. NS stuurt de voorgenomen dienstregeling ten minste twee maanden voor de ingangsdatum aan de concessieverlener. NS voegt hierbij de door consumentenorganisaties en decentrale overheden geleverde adviezen en een toelichting op de wijze waarop zij hiermee is omgegaan. Het is aan de NS om de dienstregeling vast te stellen.
Zo nee, welke stappen heeft u gezet en gaat u zetten om de dienstregeling op een acceptabel niveau te krijgen?
Als concessieverlener van het hoofdrailnet voer ik regelmatig intensieve gesprekken met NS over haar personeelstekorten en de daarop volgende impact op de dienstregeling. In deze gesprekken benadruk ik dat ondanks de personeelstekorten de dienstverlening aan de reizigers zo goed mogelijk moet zijn. Ik verwacht dan ook van NS dat zij er alles aan doet om de negatieve effecten van het personeelstekort voor de reiziger zo veel als mogelijk te beperken. Ook verwacht ik van NS dat zij indien mogelijk de dienstregeling weer opschaalt. NS monitort de drukte in de treinen. Dit heeft er in geresulteerd dat NS binnen de huidige dienstregeling op meerdere drukke trajecten inmiddels treinen verlengt, zodat er meer reizigers mee kunnen.
Wat zullen volgens u de effecten op de drukte op de weg zijn van een onvoorspelbaardere treindienstregeling en vollere treinen?
Over dit onderwerp zijn eerder Kamervragen beantwoord.3 Afgelopen zomer schatte het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) in dat het aantal autokilometers van een autobestuurder door de afschaling van de treindienstregeling in het najaar van 2022 met 0,07% toeneemt en in 2023 met 0,1%. Daarmee is de stijging van het autogebruik als gevolg van de afschaling van de treindienstregeling enigszins beperkt. Het KiM merkt op dat deze eerste inschatting een globale is, gebaseerd op vereenvoudigende aannames en daarom met onzekerheid omgeven. In november komt er een nieuwe prognose van het KiM voor het openbaar vervoer inclusief de effecten van deze afschaling.
Welke oplossingen heeft de taskforce van NS om het personeelstekort het hoofd te bieden, waarover u eerder schreef (Kamerstuk 29 984, nr. 981), opgebracht om dit te voorkomen of op te lossen?
NS is met een integrale aanpak gestart om de prangende personeelsproblematiek te verlichten. De hoofdlijnen van de integrale aanpak met betrekking tot het werven en behouden van personeel, zoals ik op 23 augustus jl. aan uw Kamer heb gecommuniceerd4, zijn:
Wat zijn tot op heden de opbrengsten van de wervingscampagne waarover u schrijft in diezelfde brief?
NS heeft mij laten weten dat de intensivering van de werving een substantiële stijging in het aantal sollicitanten heeft opgeleverd. Na de eerste geïntensiveerde campagneperiode (juni 2022) hebben circa 2.500 sollicitanten zich aangemeld, dit is een stijging van circa 250% ten opzichte van de periode daarvoor. In de daarop volgende campagneperiode hebben ruim 3.000 sollicitanten zich aangemeld.
Er worden op dit moment gemiddeld 150 sollicitatiegesprekken per week gevoerd. In de periode juni tot en met september 2022 zijn er ongeveer 134 conducteurs en 213 machinisten aangenomen. Daarbij zit een aanzienlijk deel van de sollicitanten nog in de procedure.
Hoeveel mensen zijn aangetrokken door een beroep te doen op gepensioneerd personeel?
NS heeft mij laten weten dat er momenteel 8 gepensioneerde medewerkers zijn die zich hebben gemeld om weer in de rijdende dienst te gaan werken. Daarnaast hebben er ook medewerkers, die tegen pensioenleeftijd aanzitten, aangegeven langer door te willen werken en zo hun pensioen nog even uitstellen.
Zijn de parttime contracten inmiddels uitgebreid?
Ja, medewerkers van NS kunnen op vrijwillige basis parttime contracten uitbreiden. Inmiddels hebben circa 35 medewerkers in het rijdende proces daar gebruik van gemaakt. Daarnaast maken circa 280 medewerkers hier tot het eind van het jaar gebruik van.
Wat vindt u van het idee om kantoor- en winkelpersoneel slimmer in te zetten op stations bij het in- en uitstapproces?
NS overweegt dit en is hierover in overleg met Medezeggenschap en vakbonden. Daarbij wil ik wel meegeven dat rollen in logistieke processen specifieke expertise, en daarmee opleiding vereisen. Vanzelfsprekend moedig ik NS aan om alle mogelijke opties te onderzoeken.
Bent u bereid de regels aan te passen waardoor ook langere treinen kunnen rijden met één conducteur?
Er zijn geen wettelijke normen ten aanzien van de beschikbaarheid van personeel en de lengte van treinen. Ook stelt de concessie geen eisen ten aanzien van het aantal conducteurs op een trein. Daarmee maakt NS in beginsel zelf keuzes over de inzet van haar materieel en personeel. NS onderzoekt momenteel alle mogelijke opties om langere treinen te kunnen rijden. Daarbij is veiligheid natuurlijk een belangrijk aandachtspunt.
Wat is uw appreciatie van het voorstel om een slimmere en andere dienstregeling te maken in plaats van te snijden in de bestaande, zoals het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (Locov) voorstelt?
Bij de aanpassing van de dienstregeling heeft NS geprobeerd om zo goed als mogelijk aan te sluiten bij de (veranderde) reizigersvraag. NS heeft mij laten weten ervoor gekozen te hebben de basisstructuur van de dienstregeling zo veel mogelijk in stand te houden. Hierdoor blijven lange lijnvoeringen zo veel mogelijk in stand. Hiermee voorkomt NS dat reizigers onnodig extra hoeven over te stappen. Ook blijven aansluitingen zoveel mogelijk gehandhaafd. Daarnaast draagt het in stand houden van de basisstructuur ook bij aan een herkenbare dienstregeling voor reizigers. Door de dienstregeling niet opnieuw te ontwerpen kan NS de dienstregeling snel opschalen indien er voldoende personeel beschikbaar is.
Kampen andere landen ook met personeelstekorten in het openbaar vervoer?
Ja, ook andere landen kampen met personeelstekorten in het openbaar vervoer. Denk hierbij onder meer aan onze buurlanden België en Duitsland.
Resulteert dit in deze landen ook tot afschaling van het openbaar vervoer en treindiensten?
Ja, ook in andere landen resulteert dat in uitval van treindiensten.
Welke maatregelen hebben deze landen getroffen in antwoord op personeelstekorten en welke lessen trekt u hieruit?
Ik heb hier geen concreet overzicht van. Wel zal ik mijn collega’s in EU verband hierop nader bevragen.