Het bericht 'Chronisch zieken hebben weinig baat bij het prijsplafond: ‘Het voelt als een oneerlijke strijd’' |
|
Alexander Kops (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Chronisch zieken hebben weinig baat bij het prijsplafond: «Het voelt als een oneerlijke strijd»»?1
Het is schrijnend om te lezen hoe deze mevrouw met een spierziekte wordt geraakt door de energiecrisis en dat de hoge energiekosten haar terughoudend maken om de hulpmiddelen te gebruiken die zij nodig heeft voor haar dagelijks functioneren. Chronisch zieke mensen hebben het in deze tijd extra moeilijk. Steunmaatregelen zoals het prijsplafond stellen wij juist voor onze kwetsbare huishoudens, waaronder ook chronisch zieken.
Bent u bereid tot een extra compensatie zoals bijvoorbeeld een hoger prijsplafond voor de (werkende) chronisch zieken en mensen met een levenslange beperking die door hun aandoening een zeer hoog energieverbruik hebben? Zo nee, waarom niet?
Na een eerder pleidooi van uw Kamer om ruimhartiger te compenseren, is het prijsplafond door het kabinet opgehoogd van 2400 kwh naar 2900 kwh. De genoemde groep is een goed voorbeeld waarom dit kabinet ervoor kiest om het prijsplafond op te hogen. We doen dit met het oog op onze meest kwetsbaren. Ook de genoemde groep zal van de verruiming profiteren. Helaas is het binnen de systematiek van een prijsplafond niet mogelijk om verder te differentiëren op specifiek energieverbruik dat bijvoorbeeld gerelateerd is aan hulpmiddelengebruik of hoge stookkosten gerelateerd aan een aandoening.
Vindt u het acceptabel dat mensen met bijvoorbeeld een spierziekte of mensen die door hun levenslange beperking altijd stil zitten en het daardoor snel koud krijgen, de verwarming uit moeten zetten omdat zij bang zijn voor hoge kosten en daardoor stramme en stijve spieren krijgen en het koud hebben? Zo nee, wat gaat u voor hen doen?
Met de maatregelen die we op korte termijn treffen zoals het prijsplafond, proberen we juist onze kwetsbare medeburgers tegemoet te komen die moeite hebben met het betalen van de hogere energierekening. We willen daarmee helpen voorkomen dat men de verwarming met het oog op de kosten lager hoeft te zetten, zeker bij mensen van wie de medische situatie vraagt om een warm binnenklimaat.
Daarnaast zijn er gemeenten die voor deze doelgroep in specifieke gevallen een deel van de energiekosten vergoeden vanuit de Bijzondere Bijstand. Dit is afhankelijk van de persoonlijke situatie en daarbij wordt maatwerk geleverd.
Ook zijn er initiatieven van gemeenten en woningcorporaties om slecht geïsoleerde huizen versneld te verduurzamen. Juist deze tijd laat het belang zien van goede duurzame huisvesting voor onze minima en chronisch zieken. Woningaanpassingen en verduurzaming passen daarbij.
Kunt u aangeven op welke elektrische apparaten u vindt dat energie bespaard kan worden: de elektrische rolstoel, de elektrische tillift, de elektrische deuren, het elektrische hooglaagbed, de elektrische uitzuigapparatuur, de elektrische omgevingsbesturing, de elektrische hoestmachine of wellicht de elektrische beademing? Zo nee, begrijpt u dat deze elektrische apparaten van levensbelang zijn, zorgen voor zelfstandigheid en zelfs zorgmedewerkers uitsparen?
De genoemde elektrische apparaten zorgen ervoor dat iemand met een chronische ziekte deel kan nemen aan onze maatschappij en in het dagelijks functioneren zoveel als mogelijk wordt ondersteund. De lijst van elektrische apparaten die er -gelukkig- bestaan voor diverse doelgroepen is nog veel langer. Ik verwijs u mede naar de antwoorden op vraag 5 en 6.
Kunt u aangeven hoe hoog de energierekening wordt voor iemand met een levenslange beperking en een energieverbruik van meer dan 6.000 kilowattuur per jaar met en zonder het prijsplafond?
Ik verwijs u ook naar eerdere antwoorden van de Minister van EZK op Kamervragen2 waarin meerdere doorrekeningen gemaakt zijn van het huidige prijsplafond in specifieke gevallen. Als antwoord op uw vraag 5 en 6 zal de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het Parlement informeren over de motie van het Kamerlid Van der Plas c.s. met betrekking tot energiecompensatie voor hogere energiekosten vanwege medische oorzaak. Er is nu geen aparte aanspraak geregeld voor energiekosten vanwege medische oorzaak. Daarom richt een deel van de reeds genomen maatregelen zich primair op de meest kwetsbare huishoudens, zoals het verhogen van de zorg- en huurtoeslag, het verlengen van de energietoeslag van € 1.300 en het verhogen van de bijzondere bijstand. Daarnaast kunnen mensen die in betalingsproblemen komen zich melden bij hun gemeente om bijzondere bijstand aan te vragen. Ook heeft het kabinet besloten om in november en december bij alle gebruikers 190 euro in mindering te brengen op de energierekening. Verder is vanuit de Zorgverzekeringswet geregeld dat patiënten voor chronische thuisbeademing, zuurstofapparatuur en thuisdialyse hun stroomkosten rechtstreeks bij de zorgverzekeraar kunnen declareren.
Kunt u aangeven hoe deze chronisch zieken en mensen met een levenslange beperking die werken en niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand deze hoge energierekening moeten gaan betalen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid deze vragen voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te beantwoorden?
Ja
Het bericht ‘COP27: Egypt pressed to make human rights move before climate summit” |
|
Suzanne Kröger (GL), Raoul Boucke (D66), Agnes Mulder (CDA), Laurens Dassen (Volt), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het oordeel van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch dat Egypte het werk van milieugroepen beperkt en met het feit dat de Egyptische mensenrechtencoalitie een petitie heeft gestart waarin aandacht wordt gevraagd voor de huidige onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en het belang van een civic space voor effectieve klimaatactie? Wat is uw oordeel hierover?1
Ik ben bekend met het oordeel van Human Rights Watch en met de in de vraag benoemde petitie van de Egyptische mensenrechtencoalitie. Nederland is bezorgd over de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld in Egypte en hecht belang aan inclusiviteit van COP27 om de ruimte voor kritische geluiden voldoende te waarborgen en effectieve klimaatactie te bewerkstelligen.
Bent u bekend met het oordeel van Egyptische activisten dat de Egyptische autoriteiten het maatschappelijke organisaties praktisch onmogelijk maken om goed te functioneren?
Ja. Zowel binnenlands als internationaal bestaan er zorgen over de mensenrechtensituatie in Egypte, met name over media en persvrijheid, de beperkte ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de grote aantallen politieke gevangenen, waarvan velen in pretrial detention.
Bent u bekend met het feit dat de mogelijkheid tot klimaatprotesten tijdens de klimaattop wordt ingeperkt doordat veel Egyptische organisaties niet in staat zijn zich te registreren voor de COP27? Wat is uw oordeel hierover?
Het aanvragen van een observer status bij UNFCCC geeft organisaties de mogelijkheid om personen te accrediteren voor aanwezigheid bij een COP. Ngo’s, internationale organisaties en VN-organisaties met een observer status krijgen tijdens COP27 toegang tot de blauwe zone waar de onderhandelingen plaatsvinden. Organisaties die eenmaal in het bezit zijn van een dergelijke status blijven deze behouden voor toekomstige COPs. Organisaties die niet al eerder een observer status hadden aangevraagd, konden tot augustus 2021 een aanvraag indienen bij UNFCCC om aanwezig te zijn bij COP27.
De Egyptische autoriteiten hebben, in hun capaciteit als aantredend gastheer, UNFCCC verzocht (buiten het gebruikelijke proces om) eenmalige accreditatie te verlenen aan meer dan dertig Egyptische organisaties om de COP27 bij te wonen. De betreffende organisaties zijn door de Egyptische overheid zelf uitgekozen. Hoewel het initiatief om meer organisaties te accrediteren een positieve stap is die verwelkomd kan worden, had Nederland dit selectieproces graag inclusiever en transparanter gezien zodat ook meer kritische en onafhankelijke organisaties accreditatie hadden kunnen krijgen. Recent is bekend geworden dat UNFCCC heeft besloten extra badges vrij te geven die ten goede zullen komen aan personen werkzaam voor Egyptische organisaties zodat zij toch aanwezig kunnen zijn bij COP27. Nederland juicht deze beslissing toe.
Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) en tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in juni jl spraken de Ministers van Buitenlandse Zaken van Egypte en Nederland met elkaar. Deze gesprekken gingen onder meer over de aankomende COP27 en het belang van een inclusieve bijeenkomst met ruimte voor kritisch geluid vanuit maatschappelijk middenveld. Daarnaast zijn er tijdens het bezoek van de Nederlands Klimaatgezant in juni jl. en de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur begin oktober gesprekken gevoerd met VN-vertegenwoordigers, verschillende Egyptische overheidsinstanties en religieuze leiders. Tijdens deze gesprekken is het belang van gelijke behandeling van Egyptische maatschappelijke organisaties besproken en is aangedrongen op de inclusiviteit van de COP27.
Erkent u dat juist ook Egyptische organisaties gehoord zouden moeten worden tijdens de COP27 omdat zij net als alle andere organisaties een belangrijke stem vertolken in het debat over de gevolgen van klimaatverandering?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting van deze organisaties dat de vrijheid van meningsuiting en onafhankelijke berichtgeving mensenrechten zijn, die van groot belang zijn als het gaat om klimaatrechtvaardigheid?
Ja. Vrijheid van meningsuiting, internetvrijheid en onafhankelijke journalistiek zijn prioriteiten onder het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het maatschappelijk middenveld speelt een essentiële rol bij de bevordering van klimaatmaatactie en klimaatrechtvaardigheid. Zowel de UNFCCC als Egypte dienen een veilige en zinvolle deelname van maatschappelijke organisaties, inclusief Egyptische organisaties, aan COP27 te waarborgen.
In hoeverre vindt het kabinet dat door het inperken van de vrijheid van deze organisaties en activisten de legitimiteit van de COP27 onder druk staat?
Nederland hecht aan een zo inclusief mogelijke klimaattop en verleent jaarlijks accreditatie aan een aantal Nederlandse ngo’s, buiten de accreditatiemogelijkheden die ze zelf hebben. Ten aanzien van de toegang van Egyptische ngo’s heeft Nederland zorg over de veiligheid en volledige deelname van alle geledingen van het Egyptisch maatschappelijk middenveld aan COP27.
Deze zorgen zijn door het kabinet ook op verschillende niveaus en in meerdere gesprekken overgebracht, zie ook het antwoord op vraag 3 en 4.
Nederland is, samen met andere landen en actoren, betrokken bij verschillende evenementen en onderdelen tijdens COP27 die ruimte zullen bieden aan de stem van klimaatactivisten, jongeren en Egyptische ngo’s.
Welke rol ziet u weggelegd voor Nederland als het gaat om dit te voorkomen? Deelt u de opvatting dat Egypte als gastheer voor de klimaattop een grote verantwoordelijkheid draagt voor het succesvol doen verlopen ervan en dat het land er alles aan dient te doen om de effectiviteit van de top te optimaliseren?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid zich zowel bilateraal als in Europees verband uit te spreken voor mensenrechten en mensenrechtenorganisaties bij de Egyptische autoriteiten zodat hen toegang zal worden verschaft tot de COP27?
Het succesvol doen verlopen van de klimaattop is een verantwoordelijkheid van UNFCCC als secretariaat en alle landen die deelnemen aan de onderhandelingen, waaronder Nederland. Egypte speelt als gastheer een belangrijke rol en is onder andere verantwoordelijk voor het vormgeven van het programma en de themadagen. Ook is het de verantwoordelijkheid van de gastheer om de onderhandelingen in goede banen te leiden.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor een statement richting Egypte omtrent de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld en in het bijzonder van de klimaatactivisten?
Nederland dringt, net als andere Europese landen, zowel bilateraal als in multilateraal verband, aan op een inclusieve COP27 zonder dat deelnemende organisaties hoeven te vrezen voor onderdrukking of repercussies voor, tijdens of na de klimaattop. Deze boodschap brengen wij publiek alsook in bilaterale gesprekken over, zie ook de toelichting op vraag 6 en 7. De Egyptische autoriteiten hebben aangegeven dat de accreditatieregels hetzelfde zijn als bij de voorgaande klimaattoppen en dat uitsluitend UNFCCC verantwoordelijk is voor het verlenen van toegang aan maatschappelijke organisaties.
Het bericht 'NVDI en STAP: samenstelling Alcoholtafel van het Nationaal Preventieakkoord leidt niet tot het gewenste resultaat' |
|
Jeanet van der Laan (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u nogmaals de doelen van het Nationaal Preventieakkoord onderschrijven en aangeven dat u er alles aan doet om deze te behalen?1
Ik onderschrijf de doelen van het Nationaal Preventieakkoord (hierna: NPA) en blijf mij inzetten om de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik te voorkomen en te beperken. Voor het eind van het jaar deel ik met uw Kamer mijn aanpak om bij te dragen aan de NPA doelen.
Bent u eens dat het cruciaal is dat de Nederlandse Vereniging voor Drank- en Horecawet Inspecteurs (NVDI) en STAP een plek hebben aan de alcoholtafel van het Nationaal Preventieakkoord?
Ik waardeer de inzet van alle maatschappelijke organisaties die het NPA ondertekend hebben en daarbij acties hebben geformuleerd om zich in te zetten om problematisch alcoholgebruik terug te dringen en voorkomen. NVDI en STAP hebben aangegeven niet meer aan de overlegtafel in zijn huidige vorm te willen deelnemen.
Heeft u begrip voor het wantrouwen van de NVDI en STAP in het vraagstuk of de doelstellingen van Nationaal Preventieakkoord wel worden behaald?
Het wantrouwen van NVDI en STAP sluit aan op de bevindingen in het afrondend verslag van KWINK groep2 dat veel gezondheidspartijen naar eigen zeggen niet langer aan zichzelf of hun achterban kunnen verantwoorden dat zij deelnemen aan een tafel waar geen/te weinig resultaat geboekt wordt. Zij voelen zich hierin gesterkt door adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie, waarin gesteld wordt dat alcoholbeleid moet worden ontwikkeld, geïmplementeerd en geëvalueerd op basis van volksgezondheidsdoelstellingen en het best beschikbaar bewijs, en beschermd moeten worden tegen inmenging van commerciële belangen. Hier heb ik begrip voor.
Acht u de samenstelling van de alcoholtafel nog steeds passend, gezien er tegengestelde belangen lijken te zijn?
Ik acht de overlegtafel niet meer passend voor de uitdagingen waar we voor staan. In mijn brief van 12 oktober 2022 heb ik laten weten dat is gebleken dat de standpunten aan de tafel onoverbrugbaar zijn3. De tafel leidt niet tot nieuwe effectieve maatregelen waarmee we de doelstellingen uit het NPA dichterbij brengen en daarom heb ik de tafel Problematisch Alcoholgebruik beëindigd, maar blijf ik samenwerken met alle partijen die zich inzetten voor de doelstellingen uit het NPA.
Kunt u een reflectie geven op de vordering die tot nu toe is gemaakt aan de alcoholtafel?
In 2018 heeft een groot aantal maatschappelijke organisaties het NPA over problematisch alcoholgebruik ondertekend en afspraken gemaakt om te zorgen dat in 2040 het alcoholgebruik onder jongeren, zwangeren, zware en overmatige drinkers drastisch is verminderd en om te zorgen dat het grootste deel van de Nederlanders de belangrijke (gezondheids)effecten van alcohol kent.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft eerder geconcludeerd4 dat het huidige pakket aan maatregelen voor problematisch alcoholgebruik onvoldoende is om de ambities te realiseren. De jaarlijkse voortgangsrapportages van het RIVM5over de uitvoering van doelen en acties en recente cijfers over het middelengebruik onder jongeren en het naleven van de leeftijdsgrens op alcohol6 bevestigen dit. Het RIVM heeft in 2021 in kaart gebracht welke aanvullende maatregelen ingezet kunnen worden om de doelen wel te behalen. Ik heb daarna de nadrukkelijke oproep aan partijen gedaan om zich maximaal in te spannen en als tafel gezamenlijk met een plan met acties te komen om de doelen dichterbij brengen. In mijn brief van 12 oktober jl. heb ik beschreven welk proces ik verder gevolgd heb. Mijn conclusie is dat de tafel niet leidt tot nieuwe effectieve maatregelen waarmee we de doelstellingen uit het NPA dichterbij brengen en dat ik daarom de tafel problematisch alcoholgebruik heb beëindigd, maar blijf samenwerken met partijen die zich blijven inzetten voor de ambities uit het NPA.
Hoe reflecteert u op de te verwachten effectiviteit van de maatregelen die zijn overeengekomen aan de verschillende tafels van het Nationaal Preventieakkoord, in het licht van de aanwezige actoren bij meer specifiek de alcoholtafel versus de tabakstafel?
Met het NPA hebben meer dan 70 partijen de handen ineen geslagen en afspraken gemaakt om de gezondheid van alle Nederlanders te verbeteren. Er is een brede beweging in de samenleving gang gezet. Voor het thema problematisch sloten naast onder andere gezondheidsorganisaties, zorgaanbieders, verzekeraars, gemeenten, onderwijsorganisaties en sportbonden ook alcoholproducenten en -verstrekkers aan. Hierdoor ontstond er een breed maatschappelijk draagvlak voor het thema, dit was een meerwaarde voor de uitvoering van het akkoord.
Uit de «Quickscan mogelijke impact Nationaal Preventieakkoord» van het RIVM uit 2018 bleek al dat het huidige pakket aan maatregelen voor problematisch alcoholgebruik onvoldoende is om de ambities te realiseren. Voor roken toonde de Quickscan aan dat met de voorgenomen acties en doelstellingen het percentage rokers in 2040 inderdaad in de buurt laat komen van de ambitie. Dit geldt voor roken echter niet op de ambities voor zwangere vrouwen en jongeren (nul procent in 2040). Gelet op de prevalentiecijfers en de ernst van de problematiek die roken en alcohol veroorzaken ben ik van mening dat extra stappen genomen moeten worden.
Ik blijf mij inzetten om de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik te voorkomen en te beperken en de doelen van het NPA te halen. Daarnaast verwacht ik van partijen dat ook zij extra stappen zetten om de doelen dichterbij te brengen. Voor het eind van het jaar deel ik mijn inzet waarmee ik ga bijdragen aan de NPA doelen op alcohol met uw Kamer.
Bent u van mening dat de overheid genoeg maatregelen genomen heeft om in voldoende mate problematisch alcoholgebruik terug te dringen? Of ben u, reflecterend op afgelopen tijd en het genoemde bericht, van mening dat er toch nog extra stappen hadden moeten worden genomen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om, indien er extra stappen nodig zijn om de doelen van het Nationaal Preventieakkoord te halen, deze alsnog te nemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat de te nemen maatregelen om de doelen uit het Nationaal Preventieakkoord te behalen primair gestaafd moeten zijn op wetenschap, zoals bijvoorbeeld de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen kosteneffectieve beleidsmaatregelen om alcoholschade te beperken?
Ja, ik ben het ermee eens dat te nemen maatregelen om de doelen uit het NPA te behalen gestaafd moeten zijn op wetenschap, zoals bijvoorbeeld de door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanbevolen kosteneffectieve beleidsmaatregelen om alcoholschade te beperken. In het NPA is afgesproken dat maatregelen evidence-based moeten zijn en dus uiteindelijk aanwijsbare positieve gezondheidseffecten hebben.
Het uitsteken van ogen bij levende vrouwelijke garnalen |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van Keuringsdienst van waarde over de kweekgarnaal?1
Ja.
Wat was uw reactie op de beelden waarop te zien is dat bij levende vrouwelijke garnalen een oog wordt uitgestoken om de reproductie te stimuleren?
Dit is geen aangenaam beeld.
Klopt het dat garnalen met uitgestoken ogen gedesoriënteerd raken en ernstig leed van de ingreep ondervinden? Zo nee, waarom niet?
Het afsnijden van een oogsteeltje bij vrouwelijke garnalen heeft consequenties voor het biologisch functioneren van deze dieren. Het zou kunnen dat deze ingreep het dieptezicht en oriëntatie-vermogen van de dieren beperkt. In die zin ondervinden garnalen dus nadeel van de betreffende ingreep. Over eventuele bijkomende consequenties van deze ingreep is nog weinig bekend.
Onderschrijft u de wetenschappelijke inzichten dat kreeftachtigen (crustaceae), waar garnalen onder vallen, bewustzijn hebben en pijn kunnen voelen, zoals het rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de «Risico’s voor mens, dier en natuur in de visketen» stelt? Zo nee, waarom niet?2
Het onderzoek naar en de kennis over het welzijnsvermogen en de pijnbeleving bij schaaldieren (crustaceae) is nog beperkt. Er zijn aanwijzingen dat bepaalde schaaldieren een vorm van bewustzijn hebben en pijn kunnen ervaren, al is de wetenschappelijke onderbouwing hiervoor nog beperkt. Specifiek voor garnalen is deze kennis ook nog niet beschikbaar. Hier wordt ook in het rapport van de NVWA aan gerefereerd.
Deelt u de mening dat het uitsteken van de ogen van levende garnalen een buitengewoon barbaarse en dieronvriendelijke praktijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om deze praktijk te stoppen?
De emotie van het zien van deze praktijk deel ik. Het afknippen van oogsteeltjes speelt zich af in aquacultuurinstellingen waar garnalen voor consumptie worden gekweekt. In Nederland worden geen garnalen voor consumptie gekweekt. Ik ga daarom op dit moment geen stappen ondernemen om deze techniek te stoppen.
Klopt het dat garnalen minder lang leven als gevolg van het wegbranden of het uitsteken van het oogsteeltje dat de hormonen regelt?
Deze informatie is mij niet bekend. De wetenschappelijke kennis over de consequenties van deze praktijk bij vrouwelijke garnalen is namelijk nog summier.
Hoe is dierenwelzijn, en met name het wetenschappelijke inzicht dat aantoont dat kreeftachtigen bewustzijn hebben en pijn kunnen voelen, meegenomen in de Mededeling Strategische richtsnoeren EU-aquacultuur? Indien deze inzichten niet zijn meegenomen, bent u bereid om in Europa te pleiten voor het recht doen aan deze inzichten? Zo nee, waarom niet?3
De Mededeling Strategische richtsnoeren EU-aquacultuur biedt een gemeenschappelijke visie voor de verdere ontwikkeling van de aquacultuursector in de EU voor de periode 2021–2030. Dierenwelzijn is één van de onderwerpen die hierin centraal staat. In deze mededeling wordt onder meer benoemd dat in EU-verband gemeenschappelijke, gevalideerde, soort-specifieke en auditeerbare indicatoren voor het welzijn van aquacultuurdieren moeten worden vastgesteld. De Commissie heeft in dit verband bij de EFSA (European Food and Safety Authority) onderzoeksopdrachten uitgezet betreffende het welzijn van verschillende waterdieren, waaronder schaaldieren. Nederland steunt de inzet tot de uitbreiding van de bestaande EU-dierenwelzijnsregelgeving met soort-specifieke voorschriften. U bent hierover op 5 januari jl. geïnformeerd per Kamerbrief (Kamerstukken 21501-32 nr. 1366).
Bent u het ermee eens dat het wegknippen of wegbranden van het oogsteeltje van de moedergarnaal moet worden gestopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om dit te bewerkstellingen?
In Nederland worden geen oogsteeltjes van vrouwelijke garnalen afgeknipt. Ik zal daarom voor nu geen verdere stappen ondernemen. Wel blijf ik mij in Europa inzetten op meer kennis over het welzijn van schaaldieren.
Misstanden bij Ambulancezorg Groningen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wilt u reageren op de berichtgeving dat er sprake is van een angstcultuur, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een haperend kwaliteitsbeleid bij Ambulancezorg Groningen?1
Ja.
Wat vindt u van de dreigementen door het bestuur van de ambulancedienst richting medewerkers dat door hen gelekt zou zijn naar de media over misstanden bij de dienst? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan niet beoordelen of sprake is van dreigementen. Ik weet dat er een onderzoek is gedaan naar metadata van verzonden e-mails.
Wat vindt u van de werkwijze van het bestuur van de ambulancedienst die heeft onderzocht of medewerkers hebben gemaild naar de media over misstanden binnen de dienst? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb hier geen oordeel over, zie ook het antwoord op vraag 4.
Is deze werkwijze – waarbij metadata van verzonden e-mails zijn doorzocht – door het bestuur van de ambulancedienst wettelijk toegestaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kan toegestaan zijn voor een werkgever om de metadata van e-mails te bekijken. Hierbij is het noodzakelijk dat de werknemers vooraf op de hoogte zijn dat er eventuele controles kunnen plaatsvinden op e-mailgebruik. Dit kan het beste vastgelegd zijn in een protocol, richtlijn of het werknemershandboek. Daarbij moet de verwerking voldoen aan de AVG. De werkgever moet een grondslag hebben op grond van de AVG, er moet sprake zijn van een vooraf bepaald legitiem doel en de verwerking moet proportioneel en subsidiair zijn. De werkgever moet een afweging van de belangen maken tussen de belangen van de werkgever en de belangen van de werknemer. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt hier toezicht op.
Deelt u de mening dat wangedrag en/of grensoverschrijdend gedrag nooit getolereerd mag worden en dat zorgverleners moeten kunnen vertrouwen op hun werkgever die verantwoordelijk is voor een veilige werkomgeving? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, grensoverschrijdend gedrag accepteer ik absoluut niet. Wat betreft seksueel overschrijdend gedrag ben ik nauw betrokken bij het opstellen van het Nationaal Actieplan tegen seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag, onder leiding van regeringscommissaris Mariëtte Hamer. Ik wil dat elke werkgever in de zorg & welzijn weet hoe om te gaan met zaken als seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Momenteel inventariseer ik wat er nodig is om werkgevers hierin te ondersteunen. Daarnaast is in het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg (TAZ) afgesproken dat vakbonden en beroepsverenigingen, samen met brancheorganisaties, praktische leidraden en handelingsperspectieven ontwikkelen voor de aanpak van en dilemma’s rondom discriminatie en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer in zorg en welzijn.
Vindt u het onderzoek van Dagblad van het Noorden aanleiding om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken nogmaals met betrokkenen, waaronder klokkenluiders in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik zie op dit moment geen aanleiding de IGJ te vragen opnieuw met betrokkenen, waaronder klokkenluiders, in gesprek te gaan. Ik heb van de inspectie begrepen dat zij in haar toezicht op deze ambulancedienst focust op de borging van de kwaliteit van zorg en dit ook zal blijven doen. In het toezicht heeft de inspectie ook aandacht voor de randvoorwaarden die nodig zijn voor het leveren van goede ambulancezorg zoals de aansturing vanuit de bestuurder en het management en het bestaan van een goede werkcultuur. Wat betreft de casus van het seksueel grensoverschrijdend gedrag is direct gehandeld. In de situatie van een arbeidsconflict zoals dat speelde bij de start van de huidige bestuurder kan de inspectie geen rol spelen, tenzij de kwaliteit van de zorg erdoor in gevaar komt.
Waar kunnen zorgverleners veilig melding maken van wangedrag en/of grensoverschrijdend als zij niet terecht kunnen bij hun eigen werkgever? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er kan altijd een melding worden gedaan bij het Centrum Seksueel Geweld of bij de inspectie (IGJ).
Wat vindt u ervan dat van eind 2019 tot en met begin 2021 geen enkele calamiteit is gemeld bij de IGJ? Wat voor consequenties worden hieraan verbonden bij het bestuur van Ambulancezorg Groningen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aantal calamiteitenmeldingen en het afhandelen van calamiteiten meldingen door een ambulancedienst is voor de IGJ een criterium in de beoordeling van het kwaliteitsmanagement van de ambulancedienst. Op basis hiervan heeft de inspectie met betrekking tot ambulancedienst Groningen geconcludeerd dat er sprake is van een niet voldoende functionerende kwaliteitscyclus wat betreft de evaluatie van de eigen ambulancezorg. Dit is door de inspectie met de bestuurder en andere medewerkers van de ambulancedienst besproken. De ambulancedienst heeft de intentie hierop te verbeteren en heeft een verbetertraject ingezet. De inspectie volgt dat traject en heeft op basis daarvan voldoende vertrouwen in de verbeterkracht. Toezicht op de verbeteracties is een continu proces vanuit de inspectie.
Welke maatregelen worden nu genomen om de misstanden bij Ambulancezorg Groningen op te lossen en te zorgen voor een veilige werkomgeving voor zorgverleners? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals genoemd wil ik dat elke werkgever in de zorg & welzijn weet hoe om te gaan met zaken als seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Momenteel inventariseer ik wat er nodig is om werkgevers hierin te ondersteunen. Daarnaast is in het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg (TAZ) afgesproken dat vakbonden en beroepsverenigingen, samen met brancheorganisaties, praktische leidraden en handelingsperspectieven ontwikkelen voor de aanpak van (dilemma’s rondom) discriminatie en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer in zorg en welzijn.
De IGJ heeft de signalen over de slechte werkcultuur bij de ambulancedienst in Groningen besproken met de bestuurder. In het toezicht heeft de inspectie ook aandacht voor de randvoorwaarden die nodig zijn voor het leveren van goede ambulancezorg zoals de aansturing vanuit de bestuurder en management en het bestaan van een goede werkcultuur.
Door de bestuurder is een externe partij ingeschakeld om onderzoek te doen naar de openheid en de sociale veiligheid in de organisatie.
Het bericht dat ouderen in kleine instellingen soms zonder basiszorg zitten |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat ouderen in kleine instellingen soms zonder basiszorg zitten?1
Ja.
Wanneer denkt u dat de structurele oplossing om onduidelijkheid weg te nemen over wie verantwoordelijk is voor de basiszorg in instellingen gereed is?
In lijn met de afspraken in WOZO en het Integraal Zorg Akkoord (IZA), hebben de veldpartijen ActiZ, Ineen, Landelijke huisartsen vereniging (LHV), Nederlandse Vereniging voor Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG), Verenso en Vereniging Gehandicapten Nederland (VGN), onder aanvoering van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), het commitment uitgesproken om de organiseerbaarheid en toegankelijkheid van medisch generalistische zorg (mgz) te verbeteren via afspraken. De genoemde partijen stellen daartoe een projectplan met een nadere planning op. Een belangrijk onderdeel van het gezamenlijke project betreft het vanuit de zorginhoud opstellen van de taakverdeling voor het leveren van mgz tussen huisarts, specialist ouderengeneeskunde (SO) en arts verstandelijk gehandicapten (arts VG), aangevuld met andere behandelaren en zorgmedewerkers, waarbij de mgz wordt geleverd door de zorgverlener die daarvoor op zorginhoudelijke gronden het beste geëquipeerd is. Daarnaast maken veldpartijen afspraken over regionale samenwerking. Deze afspraken moeten zodanig concreet en voldoende geborgd zijn, dat ze een niet vrijblijvend karakter hebben. Daarbij wordt gedacht aan het mogelijk inzetten van instrumenten als leidraden, richtlijnen en kwaliteitseisen. Zowel de afspraken rond taakverdeling als de regionale samenwerking moeten gezien de urgente problematiek zoveel ogelijk op korte termijn hun weerslag vinden in de praktijk. Uw Kamer wordt begin 2023 geïnformeerd over de voortgang en de planning.
Kunt u aangeven wat de oorzaak is dat sommige regio’s de basiszorg wel geregeld krijgen en andere regio’s niet?
Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Nederlandse Zorg Autoriteit (NZa) geven aan dat de geschetste problematiek voorkomt in situaties waarbij er lokaal geen afspraken zijn gemaakt over levering van de medisch-generalistische zorg aan de cliënten in kleinschalige woonvormen, gefinancierd zonder behandeling. Of wanneer zich veranderingen voordoen in de bestaande situatie. Het raakt dan vooral cliënten die verhuizen vanuit de thuissituatie naar de
kleinschalige woonvorm, of die verhuizen buiten het adherentiegebied van de «eigen» huisarts. Zij schrijven zich dan uit bij de «eigen» huisarts, maar kunnen vervolgens nergens terecht voor medisch-generalistische zorg (mgz). Daarnaast zien zij dat huisartsen in toenemende mate bestaande contracten met aanbieders van kleinschalige woonvormen opzeggen. Ook zijn kleinschalige woonzorginstellingen zich niet altijd bewust van het feit dat op hen een de verantwoordelijkheid rust voor continuïteit van medische zorg.
Overigens hebben kleinschalige woonzorginstellingen een verantwoordelijkheid om bij de plannen tot realisatie van een nieuwe woonzorglocatie (of uitbreiding van een bestaande locatie) in overleg te treden met de aldaar gevestigde zorgverleners over de organisatie van de medisch-generalistische zorg en de randvoorwaarden.
Wat is in de tussentijd de oplossing voor de mensen in instellingen die op dit moment geen basiszorg krijgen?
Ik merk op dat het niet zo is dat cliënten helemaal zonder basiszorg zitten. In veel gevallen wordt een regeling getroffen waarin een (huis)arts oproepbaar is. Ook neemt de specialist ouderengeneeskunde (SO) of de arts verstandelijk gehandicapten (arts VG) een groot deel van de behandeling voor zijn rekening.
Zorgkantoren en zorgverzekeraars bemiddelen in regio’s waar zorgvraag en zorgaanbod voor bewoners van kleinschalige woonvoorzieningen niet bij elkaar komen. In een enkel geval is opgeschaald naar de Nederlandse Zorg autoriteit (NZa).
Verder geldt dat praktische verbeteringen uit het project zoals toegelicht bij vraag 2 zo snel mogelijk worden toegepast zodra hier overeenstemming over is bereikt.
Hoe gaat u in de structurele oplossing de randvoorwaarden voor de specialist ouderengeneeskunde verbeteren, zoals een beter uurtarief en administratieve ondersteuning, zodat zij zorg kunnen leveren aan kwetsbare bewoners van een instelling?
Veldpartijen die onder aanvoering van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) het commitment hebben uitgesproken om de organiseerbaarheid en toegankelijkheid van medisch generalistische zorg (mgz) te verbeteren via afspraken constateren bij de uitwerking een aantal belangrijke factoren die van invloed zijn op het succes van deze aanpak:
De schaarste aan huisartsen, artsen verstandelijk gehandicapten en specialisten ouderengeneeskunde;
de ruimte voor sectorspecifieke oplossingsrichtingen voor de ouderen- en gehandicaptensector;
de ruimte voor maatwerk bij de regionale aanpak, bijvoorbeeld aansluiting bij bestaande samenwerkingsstructuren in een regio.
Indien bij de uitwerking belemmerende factoren in de wet- en regelgeving, financiering of anderszins blijken, worden deze belemmeringen met betrokkenheid van VWS in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost of verkleind.
Het prijsplafond voor energie en verwarming met propaan |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er duizenden huishoudens en bedrijven zijn die verwarmen door middel van propaan?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat ook zij te maken hebben met prijsstijgingen?
Ook propaan kan onderhevig zijn aan prijsstijgingen. Wel is er sprake van een andere markt.
Klopt het dat huishoudens en bedrijven die verwarmen met propaan niet vallen onder het prijsplafond?
Ja, het prijsplafond zal gaan gelden voor alle kleinverbruikers die aardgas, elektriciteit en/of warmte gebruiken. De regeling geldt dus niet voor propaan.
Indien ja, vindt u dit rechtvaardig?
Nee, ik ben niet van plan om een aparte regeling voor huishoudens en bedrijven die verwarmen met propaan op te stellen. Met het prijsplafond beoogt het kabinet namelijk in een zeer kort tijdsbestek verlichting te bieden op de energierekening voor huishoudens en andere kleinverbruikers. De uitvoerbaarheid van het prijsplafond op korte termijn is daarom bij veel van de gemaakte keuzes leidend en dit betekent dat de ruimte voor maatwerk beperkt is. Doordat een relatief klein deel van de huishoudens gebruik maakt van propaangas en het kabinet weinig zicht heeft op het verbruik en de kosten hiervan, is het realiseren van een aanvullende regeling voor gebruikers van propaan niet haalbaar. Deze huishoudens zullen voor hun elektriciteitsverbruik onder het tijdelijke prijsplafond vallen in 2023 en ook de korting van 190 euro per maand ontvangen in november en december ter overbrugging van de periode dat het prijsplafond nog niet in werking is getreden. Wat een regeling voor huishoudens of bedrijven die gebruikmaken van propaan zou kosten, is daarom ook niet te zeggen aangezien dit afhangt van de vormgeving van een dergelijke regeling.
Bent u van plan om hiervoor met een aparte regeling te komen om ook huishoudens en bedrijven die verwarmen met propaan een extra tegemoetkoming te bieden?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven of bedrijven die gebruik maken van propaan kunnen worden meegenomen in de TEK-regeling, welke is gebaseerd op energieverbruik en omzet van een bedrijf?
Met de Tegemoetkoming Energiekosten (TEK) wil het kabinet op korte termijn het energie-intensieve mkb ondersteunen bij de hoge energiekosten. De regeling is ontworpen voor mkb-bedrijven die voldoen aan de Europese mkb-definitie, ingeschreven staan bij het Handelsregister, jaarlijks ten minste 5.000 m3 gas of 50.000 kWh elektriciteit verbruiken en energie-intensief zijn (waarbij minimaal 12,5 procent van de omzet uit energiekosten bestaat). Propaan maakt geen onderdeel uit van de TEK-regeling, omdat het op korte termijn niet mogelijk is hiervoor maatwerk te bieden en uitvoering aan te geven. Zo verschillen aardgas en propaangas in calorische waarde en komen prijzen anders tot stand.
Bedrijven die gebruikmaken van propaan en meer dan 50.000 kWh elektriciteit verbruiken, kunnen wel een tegemoetkoming vragen voor het elektriciteitsverbruik. Daartoe dienen zij wel aan de andere voorwaarden te voldoen. Mogelijk komen deze bedrijven ook in aanmerking voor de verschillende subsidieregelingen voor het verduurzamen van hun bedrijfsvoering. De energie-investeringsaftrek (EIA), de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) en de milieu-investeringsaftrek (MIA) zijn middels de Miljoenennota met 150 miljoen euro in budget verhoogd.
Wat zou een regeling, vergelijkbaar met het prijsplafond, kosten?
Zie antwoord vraag 4.
Indien u van plan bent een regeling op te zetten, wanneer zou deze kunnen worden geïmplementeerd?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘DPG Media lanceert Seamless ads’ |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «DPG Media lanceert Seamless ads»1?
Ja.
Wat vindt u ervan dat DPG Media advertenties er straks laat uitzien als nieuwsberichten?
De advertentiemarkt innoveert; de lancering van seamless ads is hier een voorbeeld van. De wijze waarop advertenties worden getoond, kan vragen oproepen als het gaat om onderscheid tussen nieuwsberichten en advertenties.
Er bestaan (wettelijke) kaders waarbinnen mediabedrijven advertenties kunnen tonen; uitgangspunt hierbij is om misleiding van de consument te voorkomen. Zoals omschreven in het Burgerlijk Wetboek (o.a. art. 6:193f, 6:193g sub k en 3:15e lid2 en zoals opgenomen in de Nederlandse Reclame Code (o.a. artikel 7, 8 en3 moet reclame duidelijk als zodanig herkenbaar zijn. Misleiding door het gebruik van redactionele inhoud in de media, waarvoor de adverteerder heeft betaald, om reclame te maken voor een product, zonder dat dit duidelijk uit de inhoud of uit duidelijk door de consument identificeerbare beelden of geluiden blijkt is niet toegestaan. Hierop wordt toezicht gehouden door respectievelijk de ACM en de Reclame Code Commissie.
Bijkomend schrijft ook de CAO Uitgeverijbedrijf voor dat het uitgangspunt van de redactieformule van een nieuwsblad moet zijn dat er «een voor lezers herkenbare scheiding wordt aangebracht tussen nieuws enerzijds en advertenties, im'ers en «advertorials» anderzijds».
Het is aan nieuwsorganisaties zelf om te bepalen op welke wijze zij hun advertenties aan de consument tonen, waarbij zij zich moeten verhouden tot de (wettelijke) kaders. Een risico voor de consument om eventueel het onderscheid tussen nieuwsberichten en advertenties te duiden is, ondanks regelgeving en toezicht, mogelijk aanwezig.
Vindt u dat wanneer lezers moeilijk onderscheid kunnen maken tussen advertenties en nieuws dit ten koste gaat van het vertrouwen in de journalistiek?
Het is van fundamenteel belang dat de consument advertenties van journalistieke inhoud weet te onderscheiden. De introductie van seamless ads zou voor mogelijke vervaging kunnen zorgen. Regelgeving, vanuit het Burgerlijk Wetboek en de Nederlandse Reclame Code, en toezicht vanuit de ACM en Reclame Code Commissie dienen als waarborgen tot een duidelijk onderscheid tussen inhoud en advertentie.
Acht u een verplichting wenselijk voor media om advertenties als zodoende te laten markeren en om het onmogelijk te maken om advertenties te vermommen als nieuwsartikelen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, bestaan er (wettelijke) kaders waarbinnen nieuwsbedrijven advertenties aan de consument kunnen tonen. De ACM en de Reclame Code Commissie houden hier toezicht op. Seamless ads zijn een nieuw verschijnsel; we volgen de ontwikkeling ervan. Op dit moment is er nog geen aanleiding tot aanvullende regelgeving.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Raad voor de Journalistiek over «Seamless ads»?
De Raad voor de Journalistiek heeft een Leidraad vastgesteld aan de hand waarvan zij klachten beoordelen. Deze Leidraad ziet op het werk van journalisten en redacties en strekt zich niet uit tot het advertentiebeleid van nieuwsorganisaties. De Raad heeft dan ook geen rol in het beoordelen van de wijze waarop nieuwsorganisaties omgaan met «seamless ads». Deze rol ligt, zoals aangegeven bij vraag 2, bij de Reclame Code Commissie en bij de ACM. Ik zal aan de Reclame Code Commissie vragen wat zij mogelijk kunnen betekenen in relatie tot seamless ads. Dat zou kunnen in de vorm van signaleren (zij kunnen melden als er klachten hierover binnenkomen) en mogelijk actief handelen bij ongewenste praktijken met seamless ads.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk beantwoorden?
Vanwege het herstreces en uitzoekwerk, heeft de beantwoording langer op zich genomen. De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het dalend aantal opvangplekken in asielzoekerscentra |
|
Don Ceder (CU) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het aantal opvangplekken voor asielzoekers op korte termijn met 1.250 gaat dalen, in weerwil van de afspraken in het asielakkoord van eind augustus?1
Het bericht op NOS.nl heeft betrekking op het aantal crisisnoodopvangplekken (CNO) georganiseerd door Veiligheidsregio’s en gemeenten. Het aantal crisisnoodopvangplekken is op 7 november 2022 ruim 8.200. De cijfers fluctueren doordat de tijdelijke CNO-locaties open gaan en weer sluiten.
8.200 is niet het aantal van 11.250 opvangplekken dat in augustus als inspanningsverplichting met de Veiligheidsregio’s is afgesproken maar wel ruim boven de resultaatverplichting van 5.625. Begin oktober is het aantal crisisnoodopvangplekken in Veiligheidsregio’s wat afgenomen, om vervolgens vanaf half oktober weer wat toe te nemen tot die 8.200 plekken. Op 21 november, laatste peilmoment, is het aantal 8.470 plekken.
Kunt u aangeven wat de precieze oorzaak is van de daling? Op welke manier heeft u rekening gehouden met die daling?
De daling van het aantal crisisnoodopvangplekken begin oktober is het gevolg van de sluiting van crisisnoodopvanglocaties, terwijl er weer nieuwe locaties openden. Redenen waarom tijdelijke locaties sluiten zijn divers. CNO is er in andere situaties dan de huidige vooral bedoeld voor opvang gedurende een klein aantal dagen, bijvoorbeeld bij een grote brand, overstroming of ramp. Ter ontlasting van de problemen in de asielketen wordt dit nu langduriger ingezet.
Redenen van sluiting kunnen bijvoorbeeld zijn dat een locatie voor andere doeleinden moet worden ingezet, of dat een gemeente aan gemeenteraad en omwonenden heeft toegezegd dat de locatie voor een paar maanden zal worden ingezet. Of omdat een locatie, bijvoorbeeld een sporthal, niet langer kan worden gehuurd. Inmiddels zijn er weer meer locaties geopend.
Wat kunt u eraan doen om de aflopende contracten met opvangcentra alsnog verlengd te krijgen?
Het bericht op NOS.nl heeft geen betrekking op reguliere- en noodopvanglocaties van het COA, maar op crisisnoodopvanglocaties van gemeenten en Veiligheidsregio’s. Wij zijn continu in gesprek met de Veiligheidsregio’s over het realiseren van voldoende opvangplekken. Het Rijk vergoedt alle kosten die gemeenten en Veiligheidsregio’s in dit kader maken.
Voor wat betreft reguliere- en noodopvanglocaties van het COA geldt ook dat voortdurend overleg wordt gevoerd over het open kunnen houden van locaties en openen van nieuwe locaties. Heel veel nieuwe plekken zijn nodig om de voorziene stijging in de bezetting te kunnen opvangen. Het realiseren van voldoende COA-opvanglocaties is ook belangrijk om van de crisisnoodopvang af te kunnen komen op termijn.
Op welke manier beïnvloedt of vertraagt deze daling de uitvoering van het asielakkoord? Wat gaat u er aan doen om deze afspraken toch gestand te doen?
De bestuurlijke afspraken die het kabinet eind augustus met de medeoverheden maakte omvatten een pakket aan maatregelen gericht op het verminderen van de druk op de asielopvang. Een van die afspraken is dat Veiligheidsregio’s zich maximaal zullen inspannen om 2 keer 225 plaatsen optellend tot 450 CNO-plaatsen te realiseren.
Lukt dat niet of onvoldoende, dan is het gevolg dat op andere manieren moet wordt gezocht naar het verminderen van druk in de asielopvang. Dit kan bijvoorbeeld door het realiseren van extra opvangplekken door COA zelf (noodopvang en/of regulier). In algemene zin blijf ik medeoverheden oproepen om zo veel mogelijk zo kwalitatief hoogwaardig mogelijke opvangvoorzieningen aan het COA ter beschikking te stellen.
Kan de wet die de opvang van asielzoekers over gemeenten gaat spreiden nog steeds op 1 januari 2023 van kracht worden? Wat doet u eraan om die datum te halen? Als dit niet haalbaar is, per wanneer wordt de wet dan wel van kracht?
Het hier bedoelde wetsvoorstel is op 8 november 2022 naar uw Kamer gestuurd en in consultatie gebracht. Het kabinet spant zich in om het wetgevingstraject zo snel mogelijk te doorlopen, zo is er bijvoorbeeld een korte consultatieperiode van twee weken voorzien. Tegelijk is het kabinet daarin ook afhankelijk van de behandeling door de Raad van State en de agendering in het parlement.
Kunt u per veiligheidsregio uitsplitsen wat de doelstelling was en hoeveel er is gerealiseerd? Kunt u ook de locaties en namen van gemeenten geven waar er is gerealiseerd?
Aan elke Veiligheidsregio is gevraagd 450 crisisnoodopvangplekken te realiseren. Op 10 november jl. zijn er in alle veiligheidsregio’s gezamenlijk in totaal circa 8.400 crisisnoodopvang beschikbaar. De gemeenten die in een veiligheidsregio liggen bepalen onderling en in afstemming met o.a. gemeenteraden, inwoners en locatie-eigenaren waar crisisnoodopvanglocaties worden gerealiseerd en hoelang deze open zijn. Alle veiligheidsregio’s houden zelf zicht op het aantal gerealiseerde crisisnoodopvangplekken en de locaties.
'Begroting Kaag niet verantwoord' |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Begroting Kaag niet verantwoord» van de Business Nieuws Radio (BNR)?1
Ja.
Wat is uw reactie op hoogleraar Economie en Overheidsfinanciën Bas Jacobs die stelt dat het zoeken naar dekking van het miljardengat in de begroting, naar schatting 10 tot 40 miljard euro, onverantwoord is?
Het zijn ongekende tijden, die vragen om onconventionele maatregelen. De overheid vervult hier haar rol als vangnet, om te zorgen dat mensen zich niet diep in schulden hoeven te steken om de energierekening te betalen. Het risico van stijgende energieprijzen nemen we als staat over om burgers meer zekerheid te geven. Hier hoort bij dat er dan onzekerheid ontstaat op de begroting. Deze onzekerheid acht ik verantwoord gezien de omstandigheden.
Ik zie dus in dat we ongekend grote maatregelen nemen. De raming van de energieprijzen is zeer onzeker. Daarom heb ik in de brief van 4 oktober2 ook een bandbreedte genoemd van de mogelijke budgettaire gevolgen. Voor de verwerking in de begroting gaan we uit van de cijfers uit de MEV. De kosten worden op basis van deze raming geschat op 2,6 miljard voor 2022 en 11,2 miljard voor 2023. De Minister voor Klimaat en Energie zal een nota van wijziging naar het parlement sturen ten behoeve van de budgettaire verwerking van de voorgenomen maatregelen in de ontwerpbegroting 2023. De incidentele suppletoire begroting ten aanzien van maatregelen met ingang van 2022 is reeds verzonden aan uw Kamer.
We hebben bij de Miljoenennota een pakket van maatregelen aangekondigd met budgettaire omvang van ca. 17 miljard euro, waarvoor grosso modo dekking is gevonden. Hiervan vervalt de maatregel verlaging energiebelasting ter hoogte van 5,4 miljard euro, omdat deze wordt ingezet als dekking voor de maatregelen aangekondigd in de brieven van 4 oktober. Hoe groot de resterende dekkingsopgave is, zal moeten blijken uit hoe de energieprijzen zich gaan ontwikkelen. Hierbij zal ook de ontwikkeling van de gasbaten, de solidariteitsheffing en de inframarginale heffing worden betrokken.
Over de aanvullende dekking wordt besloten in het voorjaar. Deze dekking is niet alleen belangrijk vanuit het perspectief van beheersing van de overheidsfinanciën, maar ook om als overheid de inflatie niet verder aan te wakkeren.
Hoe groot is het gat?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat ambtenaren van het Ministerie van Financiën tegen de hoogleraar gezegd hebben dat de situatie op het Ministerie «chaotisch» is?
In algemene zin geldt dat we ons al enige tijd in een uitzonderlijke tijd bevinden. Na de coronapandemie volgde de oorlog in Oekraïne, met als gevolg de sterke en onvoorziene stijging van energieprijzen. Dit heeft ook zijn weerslag op de besluitvorming rond de begroting, die veel hectischer is geweest dan je in normale tijden mag verwachten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het Centraal Planbureau (CPB) weer in staat gesteld wordt om te controleren of de uitgaven onder de begrotingskaders blijven?
Het CPB wordt voorzien van alle informatie over de uitgaven en inkomsten van het kabinet. Wel is het zo dat het kabinet tot op het laatst mogelijke moment heeft gezocht naar mogelijkheden om toch nog compensatie te kunnen bieden aan huishoudens voor 2022 en om een prijsplafond in te stellen voor 2023. Hierdoor is afgeweken van het reguliere begrotingsproces. In deze uitzonderlijke situatie achtte het kabinet het echter van groter belang om alle mogelijkheden te benutten om huishoudens te behoeden voor energiearmoede. Uiteraard vindt het kabinet een ordentelijk begrotingsproces wel belangrijk en zal het zich inspannen om hier ook weer naar terug te gaan.
Heeft het CPB een waarschuwing gegeven aan het Ministerie van Financiën?
Het CPB heeft geen waarschuwing afgegeven. Er is goed overleg tussen het CPB en het ministerie waarbij algehele macro-economische omstandigheden en beleid worden besproken. Uiteindelijk heeft het kabinet besloten tot het pakket aan maatregelen.
Deelt u de mening dat door de opeenstapeling van pakketten het overzicht volledig weg lijkt te zijn?
Ik deel die mening niet. Als onderdeel van de beantwoording zijn de tabellen met het overzicht van de maatregelen die het kabinet heeft getroffen als gevolg van de stijgende energieprijzen opgenomen. Deze maatregelen zijn onderdeel van de verschillende koopkrachtpakketten sinds Startnota 2022.
Kunt u ons een duidelijk overzicht verschaffen van de toegezegde pakketten en de budgettaire gevolgen daarvan?
Zie antwoord vraag 7.
Het begrotingstekort gaat richting de vijf procent van het bbp. Hoe zorgelijk vindt u dit?
Het geraamde begrotingstekort bij Miljoenennota voor 2023 is 3% bbp. Dit cijfer is nog exclusief de maatregelen van het APB-pakket, maar het kabinet besluit in het voorjaar over de dekking van deze maatregelen.
Waar ligt voor u de grens wat betreft het begrotingstekort?
In het trendmatig begrotingsbeleid, waar het kabinet van uitgaat, vindt geen sturing plaats op het EMU-saldo. Budgettaire beheersing vindt plaats door de in het coalitieakkoord vastgelegde financiële kaders te handhaven. Hieraan geeft het kabinet invulling door in het voorjaar te besluiten over dekking van de maatregelen.
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
Prijsplafond 2022
2.600
0
0
0
0
Prijsplafond 2023
0
0
0
0
0
Dekking uit energiebelasting miljoenennotapakket
0
0
0
0
0
Dekking uit nieuwe solidariteitsheffing
– 1.500
0
0
0
0
Dekking uit nieuwe inframarginale heffing
0
0
0
0
0
Te onderzoeken subsidie energie-intensief MKB
PM
0
0
0
0
Diverse subsidies o.a. schuldhulpverlening en jeugd
5
0
0
0
0
Dekking SZW
– 5
0
0
0
0
Bijzondere bijstand studenten
35
0
0
0
0
Dekking SZW en OCW
– 35
0
0
0
0
Energietoelage in 2022
500
0
0
0
0
WKR
0
0
0
0
0
Westerscheldetunnel (140 mln. t/m 2029)
0
28
28
28
0
Dekking NGF
0
– 28
– 28
– 28
0
Schoollunches
0
0
0
0
0
Dekking OCW
0
0
0
0
0
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
Verlaging energiebelasting
0
0
0
0
0
Noodfonds betalingsachterstanden
0
0
0
0
0
Uitstel schuif energiebelasting naar 2024
0
0
0
0
0
Energietoeslag (1.300 euro)
0
0
0
0
0
Eenmalige verhoging zorgtoeslag
0
0
0
0
0
Enveloppe armoede en schuld
50
0
0
0
0
Inkomensafhankelijk huurverlaging 1/7
0
0
0
0
0
Verhogen beurs uitwonenden
0
37
93
113
0
Intensivering Nationaal Isolatieprogramma
0
0
0
0
0
Maatregel brandstofaccijns
0
0
0
0
0
Verhoging MWL
22
863
833
811
532
IOAOW verlagen 2023, afschaffen 2025
0
0
0
0
0
Verhoging huurtoeslag met 203 euro
25
325
325
325
325
Kindgebonden budget
65
248
134
133
100
Kinderopvangtoeslag naar 96%
0
80
102
113
113
Arbeidskorting
0
500
500
500
500
Verlaging tarief eerste schijf IB
0
700
700
700
1.000
Investering MKB
0
500
500
500
600
Caribisch NL
0
4
4
4
4
Gasbaten (excl. Norg en mijnbouwheffing)
– 2.470
– 919
– 385
– 35
– 35
Mijnbouwheffing
0
– 52
0
0
0
SDE meevaller kolencentrales
– 500
0
0
0
0
Versnel afbouwen zelfstandigenaftrek
0
– 518
– 688
– 598
– 89
Afschaffen doelmatigheidsmarge
0
– 505
– 487
– 468
– 189
Verhoge lage vpb-tarief naar 19%
0
– 1.528
– 1.529
– 1.530
– 1.549
Box 3: verhogen tarief & HHV
0
– 350
– 350
– 350
– 350
Aanpak constructues & fiscale regelingen
0
– 250
– 400
– 550
– 550
Aftoppen giftenaftrek ANBI-constructies
0
– 30
– 40
– 50
– 50
Afschaffen FBI vastgoed
0
– 54
– 54
– 54
– 54
Verhogen overdrachtsbelasting tot 10,4%
0
– 130
– 130
– 130
– 130
Resterend overschot inkomstenkader
31
– 232
– 447
– 446
– 351
Rente
383
1.015
1.071
1.071
1.071
Asiel
183
176
184
182
168
Medeoverheden
0
0
1.100
0
0
Uitvoerinsinformatie SZW en VWS
– 937
– 312
– 381
– 433
– 438
Taakstellende onderuitputting
– 2.100
0
0
0
0
Kasschuiven
41
713
– 855
– 1.153
0
Overigen
– 148
– 96
– 97
– 113
– 166
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
Verhoging energietoeslag van 800 naar 1.300 euro
550
0
0
0
0
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2025
2026
2027
struc
VPB (te dekken buiten Pillar 2)
0
0
0
0
0
BPV: verlagen schijfgrens naar 200.000
0
0
0
0
0
Box 3 bezwaarmakers kosten lastenkant
2.800
0
0
0
0
Box 3 bezwaarmakers kosten uitgavenkant
25
0
0
0
0
Box 3 verhoging HVV terugdraaien
0
– 300
– 300
– 300
– 300
Box 2: twee schijven 26% en 29,5% per 2024*
0
– 70
– 70
– 70
– 70
Box 2: doelmatigheidsmarge van 25% naar 15%
0
– 281
– 260
– 248
– 85
Box 2 en 3: Afbouw AHK met verzamelinkomen
0
– 325
– 325
– 325
– 325
30%-regeling beperken tot Balkenende norm
0
– 34
– 85
– 85
– 85
VPB: restant verlagen schijfgrens naar 200.000
0
– 1.271
– 1.271
– 1.271
– 1.271
Algemeen tarief overdrachtsbelasting van 9% naar 10%
0
– 325
– 325
– 325
– 325
AOW koppeling 7,5%
0
2.251
2.306
2.362
2.362
Afschaffen IOAOW
0
– 1.077
– 1.102
– 1.128
– 1.128
Terugdraaien verhoging ouderenkorting
0
– 618
– 618
– 618
– 618
Afschaffen Fiscale oudedagsreserve (FOR)
0
– 120
– 86
– 86
– 86
Defensie 2% in 2024 en 2025 en struc 2,4 mld.
0
2.405
2.405
2.405
2.405
Toerekenen Defensie
0
– 200
– 200
– 200
– 200
Maatschappelijke diensttijd overhevelen naar Defensie
0
– 205
– 205
– 205
– 205
Indexatie CA-middelen tranche 2022
– 136
– 649
– 668
– 698
– 307
Indicatief accres effect
– 12
398
0
0
0
WML vervroegen naar 2023 in 3 stappen inclusief AOW
2
291
278
266
145
Onbelaste reiskostenvergoeding 1 jaar naar voren
0
0
0
0
0
Nationaal Groeifonds
– 660
0
0
0
0
Klimaatfonds
0
– 300
– 300
– 230
0
Transitiefonds
0
– 200
– 200
– 160
0
in miljoenen euro, plus = saldoverslechterend
2022
2023
2024
2025
2026
2027
struc
Verhogen energietoeslag met 60 euro
480
0
0
0
0
0
0
Verlagen btw op energie
1.100
0
0
0
0
0
0
Accijnsverlaging brandstof
1.026
0
0
0
0
0
0
Energiebesparende maatregelen
160
0
0
0
– 160
0
0
Caribisch NL
5
0
0
0
0
0
0
Gasbaten
– 945
– 965
– 165
– 65
– 65
– 42
0
Het bericht 'Verduurzaming van Europese luchtvaart bedreigd, blijkt uit nieuwe studie' |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van het Nederlandse Lucht- en Ruimtevaartcentrum en de TU Delft betreffende het dreigende tekort aan Europese grondstoffen voor duurzame luchtvaarbrandstoffen?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het zeer ernstig is dat het tekort aan Europese grondstoffen ertoe kan leiden dat broeikasgasemissies in de luchtvaart slechts 40% afnemen?
De beschikbaarheid van grondstoffen is essentieel voor de productie en inzet van duurzame luchtvaartbrandstoffen en de te behalen CO2-reductie. In zowel het duurzaamheidskader biogrondstoffen2 als in de Impact Assessment ter ondersteuning van het ReFuelEU-initiatief3 is uitvoerig onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van grondstoffen en is geconcludeerd dat er in beginsel voldoende grondstoffen beschikbaar zijn om te voldoen aan de doelstellingen voor duurzame luchtvaartbrandstoffen. We blijven hiernaast aansturen op de in de Luchtvaartnota 2020–2050 afgesproken CO2-reductie4.
Welke gevolgen heeft het onderzoek op de kabinetsambitie dat er verder wordt geïnvesteerd in het verduurzamen van vliegtuigbrandstoffen?
Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor de totstandkoming en implementatie van een Europese bijmengverplichting voor duurzame luchtvaartbrandstoffen. Verder blijft Nederland bekijken op welke wijze zij de productie van duurzame luchtvaartbrandstof kan ondersteunen. Het genoemde rapport doet hier niets aan af.
Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot het kabinetsvoornemen om op nationaal niveau het bijmengen van biokerosine te verplichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zet Nederland zich onverminderd in voor de totstandkoming en nationale implementatie van een Europese bijmengverplichting. De bijmengverplichting van de Europese Unie verbiedt lidstaten om nationaal een hogere bijmengverplichting in te voeren.
De nationale doelstelling van 14% in 2030 blijft wel staan. Deze doelstelling is bekrachtigd door sectorpartijen in het Akkoord Duurzame Luchtvaart en is kabinetsbeleid. Ook KLM heeft zich gecommitteerd aan de afspraken die gemaakt zijn in het Akkoord Duurzame Luchtvaart en dit commitment is nog een keer extra bevestigd door de voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van de staatssteun in juni 2020. We bekijken op dit moment ook welke aanvullende stimulans de Renewable Energy Directive van de EU kan bieden bovenop de voorgestelde 6%.
Welke stappen gaat u zetten om de eerder verwachte verlaging van broeikasgasuitstoot die tot twee keer lager zou zijn toch te realiseren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is in zowel het duurzaamheidskader biogrondstoffen als in de Impact Assessment ter ondersteuning van het ReFuelEU-initiatief geconcludeerd dat er in beginsel voldoende grondstoffen beschikbaar zijn om te voldoen aan de doelstellingen voor duurzame luchtvaartbrandstoffen. Daarnaast wordt er ingezet op de invoering van een CO2-plafond. Dit borgt dat de afgesproken CO2-reductiedoelen worden behaald.
Bent u naar aanleiding van de aanbevelingen voornemens om het aanbod van en de vraag naar grondstoffen voor duurzame brandstoffen te monitoren, evalueren en periodiek te controleren? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Onder het ReFuelEU-voorstel zijn op dit moment bepalingen opgenomen die onder andere het aanbod van en de vraag naar grondstoffen voor duurzame brandstoffen monitort, evalueert en periodiek controleert. Nederland vindt een periodieke evaluatie van belang en heeft hier ook actief voor gepleit in Europees verband. Verder komt het kabinet in 2023 met een Nationaal Plan Energiesysteem waarin wordt ingegaan op de energievraag van de toekomst en hoe hieraan kan worden voldaan. Op 10 juni jl. heeft de Minister voor Klimaat en Energie hierover een Contourenbrief naar de Kamer gestuurd5. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat laat op dit moment een onderzoek uitvoeren om de specifieke waterstofbehoefte voor luchtvaart 2030–2050 in kaart te brengen, welke als input zal dienen voor het Nationaal Plan Energiesysteem. Dit onderzoek wordt na afronding gedeeld met de Kamer.
Op welke manier gaat u inzetten op het ontwikkelen van de benodigde regelgeving om waterstof-aangedreven vliegtuigen te certificeren en commercieel te gebruiken?
De certificatie van luchtvaartuigen is sinds 2003 belegd bij het Europese Agentschap voor de Luchtvaartveiligheid EASA. EASA heeft ook de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen van de relevante regelgeving om technische ontwikkelingen te certificeren. Daarnaast heeft de EU het publiek-private partnerschap Clean Aviation waarbij, samen met de industrie, wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de certificatienormen voor het gebruik van waterstof als brandstof in luchtvaartuigen. De Europese Commissie heeft verder een onderzoeksbudget ter grootte van € 1,7 miljard beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van waterstof als brandstof in de luchtvaart. Hierbij wordt gekeken naar zowel het luchtvaartuig als de benodigde infrastructuur. Nederland is direct betrokken bij deze ontwikkelingen door als lidstaat zitting te hebben in diverse comités en raden. Hiermee zien we toe op de resultaten van de Europese programma’s.
Bent u het ermee eens dat het noodzakelijk is dat hier voortvarend mee aan de slag wordt gegaan, gezien ontwikkelaars zekerheid nodig hebben om dergelijke vliegtuigen en de infrastructuur hiervoor te ontwikkelen?
Ja, zie antwoord op vraag 7.
Bent u naar aanleiding van de aanbevelingen voornemens om op korte termijn studies te laten uitvoeren waarbij de invloed van waterdamp en roet in de luchtvaart op het klimaat en de klimaatafspraken wordt onderzocht?
Zoals aangegeven in de Luchtvaartnota 2020–2050 werkt het kabinet aan een beleidsaanpak voor de niet-CO2-klimaateffecten van de luchtvaart. Daarbij zal in het bijzonder aandacht uitgaan naar duurzame brandstoffen. In dat kader heeft de Kamer eerder dit jaar een onderzoek ontvangen naar de rol van kerosinesamenstelling in roetemissies en de daaruit volgende effecten op de luchtkwaliteit en het klimaat6. Het ministerie is tevens op dit moment bezig een module te laten ontwikkelen waarmee de langetermijn niet-CO2-effecten van het luchtvaartbeleid in kaart kunnen worden gebracht. In het algemeen geldt dat er in Europa, en in het bijzonder bij het Deutsches Zentrum für Luft- und Raumfahrt (DLR), veel geavanceerd onderzoek gedaan wordt naar de niet-CO2-klimaateffecten van de luchtvaart.
Rente die vooral mbo’ers gaan betalen over hun studieschuld |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat mbo-studenten ten principale eenzelfde behandeling verdienen als andere studenten?
Ja, in het kader van de kansengelijkheid verdienen mbo-studenten onder gelijke omstandigheden een gelijke behandeling. Daarom ben ik op dit moment bezig om de bestaande verschillen tussen mbo-studenten en studenten in het hoger onderwijs (hierna: ho-studenten) waar mogelijk weg te nemen. Zie ook mijn brief over de inzet Werkagenda mbo1.
Zou u niet liever een gelijke rentelast tussen mbo-studenten en hbo- en universitaire studenten opleggen, nu u weer de rente op studieleningen eind dit jaar formeel gaat vaststellen, in plaats van een verschil te laten bestaan tussen mbo-studenten, die over hun studieschuld zo’n 1,8% rente moeten betalen, en hbo- en universitair geschoolden, die 0,4% rente moeten betalen, dit mede in het licht van de financiële problemen waarin ook alle studenten dreigen te geraken door de torenhoge energierekeningen en inflatie?1
Mbo-studenten en ho-studenten studeren op dit moment niet onder hetzelfde stelsel en dus niet onder dezelfde voorwaarden. Studenten in het mbo ontvangen een basisbeurs en studenten in het hoger onderwijs (hierna: ho) vallen op dit moment nog onder het leenstelsel. Dat zijn dus twee verschillende stelsels. Bij invoering van het leenstelsel is ook bewust de keuze gemaakt om daar een ander terugbetaalregime aan te koppelen, met een langere looptijd en een andere renteberekening.
In het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is het voorstel opgenomen om het terugbetaalregime ook voor mbo-studenten aan te passen en dit gelijk te trekken aan het regime voor ho-studenten. In beide stelsels is er dan immers een basisbeurs en de regering ziet geen reden om de terugbetaalregimes dan nog van elkaar te laten verschillen. Daarmee wordt ook het rentepercentage gelijk getrokken. Als het wetsvoorstel aangenomen wordt, dan zal dit regime gaan gelden voor mbo-studenten die beginnen met studeren in studiejaar 2023–2024.
In het kader van de huidige inflatie zijn er ook koopkrachtmaatregelen getroffen die studenten ondersteunen. Zo gaat de zorgtoeslag met € 30 per maand omhoog en wordt het minimumloon verhoogd. In studiejaar 2023–2024 ontvangen uitwonende studenten, in zowel het mbo als het ho, daarnaast
€ 164,30 meer aan basisbeurs.
Kunt u begrijpen dat JOB MBO dit ervaart als een zoveelste voorbeeld van ongelijkheid tussen mbo-studenten en andere studenten?
Zoals eerder aangegeven, is het in het kader van kansengelijkheid van belang om mbo-studenten zoveel mogelijk hetzelfde te behandelen als ho-studenten. Met het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs wordt er weer een stap gezet om de voorwaarden voor mbo-studenten en andere studenten gelijk te stellen.
Ziet u nog enige rechtvaardiging voor deze ongelijkheid? Zo ja, hoe luidt deze dan? Zo neen, wat gaat u ondernemen om de rentes gelijk te trekken?
Op dit moment zijn er nog twee verschillende stelsels, die ook een ander terugbetaalregime kunnen hebben. Voor invoering van het leenstelsel vielen zowel de studenten in het mbo als in het ho onder dezelfde terugbetaalvoorwaarden, die nu nog voor mbo-studenten gelden. Bij invoering van het leenstelsel zijn de terugbetaalvoorwaarden voor ho-studenten gewijzigd, omdat zij niet langer gebruik konden maken van een basisbeurs. Onderdeel daarvan is ook de wijze waarop de rente wordt berekend.
De herinvoering van de basisbeurs in het ho zorgt er echter voor dat het onderscheid tussen mbo en ho op dit vlak niet meer rechtvaardig is. Mede vanwege mijn ambitie om de verschillen zo veel mogelijk weg te werken en de kansengelijkheid te vergroten, kies ik ervoor om met de herinvoering van de basisbeurs de socialere terugbetaalvoorwaarden in het ho te laten bestaan en deze ook in te voeren voor mbo-studenten. Als het wetsvoorstel aangenomen wordt, zal de wet in werking treden voorafgaand aan studiejaar 2023–2024. De nieuwe terugbetaalvoorwaarden gaan gelden voor mbo-studenten die in dat studiejaar beginnen met studeren. Mbo-studenten die al eerder zijn begonnen met studeren en in dat studiejaar nog steeds studeren krijgen de keuze onder welke voorwaarden zij willen terugbetalen, de oude of de nieuwe regeling.
Gaat u ook met JOB MBO overleggen over de andere voorbeelden van regels die mbo-studenten ongunstiger behandelen dan andere studenten teneinde deze weg te nemen? Zo ja, wanneer denkt u dan de Kamer te kunnen informeren wat dit overleg oplevert?
Het bevorderen van kansengelijkheid is een van mijn drie prioriteiten voor de Werkagenda mbo3 die ik samen met de sector ontwikkel. Het bijdragen aan het gelijkwaardig behandelen van alle studenten in Nederland is hier een nadrukkelijk onderdeel van. Ik wil af van het ladder-denken, af van het verticale denken van hoger/lager en toe naar het waaier-model, waarbij mbo, hbo en wo samen een brede waaier aan opleidingsmogelijkheden vormen. We onderzoeken de mogelijkheden om de terminologie aan te passen en zo bij te dragen aan het tegengaan van het hoger/lager denken.
Ik start een verkenning naar mogelijke financiële bijdrage van mbo-scholen voor bijdrage aan studentensportverenigingen en bestuursbeurzen voor studentenverenigingen. Er zijn door het land heen al wat mooie voorbeelden waarvan we kunnen leren. Kijk naar Utrecht waar mbo-studenten al lid kunnen worden van een studentenvereniging en deelnemen aan de introductieweek.
JOB MBO is actief betrokken bij de totstandkoming van de gezamenlijke Werkagenda mbo.
De andere partijen die betrokken zijn bij de Werkagenda, zoals de VNG, VNO-NCW en de MBO Raad, stimuleren ook de gelijkwaardige positie van mbo-studenten in het studentenleven. En dat is nodig, want voor de emancipatie van de mbo-student is juist waardering en erkenning in de ogen van anderen een voorwaarde. Een gelijkwaardige behandeling is daarmee een brede opgave, waar alle onderwijssectoren, gemeenten, werkgevers, ouders en de samenleving aan kunnen bijdragen. Een voorbeeld: ik roep bedrijven en organisaties, zoals sportscholen en horecagelegenheden, dan ook op om hun studentenkorting te laten gelden voor alle studenten in Nederland, dus ook voor mbo-studenten.
Op 20 oktober heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn inzet voor het mbo. Nadat ik met u in debat ben geweest over het mbo (Commissiedebat op 9 november) volgt de gezamenlijke Werkagenda.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 9 november a.s. over het mbo?
Ja.
45.000 Brabantse huishoudens die buiten het prijsplafond vallen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over 45.000 Brabantse huishoudens die buiten prijsplafond vallen?1
Ja.
Deelt u onze zorgen over het feit dat 45.000 Brabantse huishoudens deze winter mogelijk de hoofdprijs voor energie moeten betalen, omdat de kans bestaat dat flats met blokverwarming, studentenhuizen en woongroepen buiten de afspraken voor het prijsplafond vallen?
Ja, ik deel deze zorg en daarom heb ik in mijn brief aan uw Kamer van 4 oktober 2022 aangegeven dat ik mij tot het uiterste inspan om met een passende oplossing te komen voor uitzonderingsgevallen welke geen of slechts in beperkte mate gebruik kunnen maken van het tijdelijke prijsplafond. Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat het door de enorme tijdsdruk niet mogelijk is om aan de voorkant te garanderen dat dit op korte termijn voor iedereen gaat lukken. De opgave is groot en zeer complex, terwijl er weinig tijd resteert om alles per 1 januari klaar te hebben staan.
Bent u bekend met het feit dat dit tot tot huisuitzettingen kan leiden?
Ja.
Heeft u de bereidheid om voor de groep van 45.000 Brabantse huishoudens een oplossing te zoeken? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 benoemd ben ik hard op zoek om een oplossing te vinden waarmee ook de groep huishoudens met blokverwarming, zoals deze groep Brabantse huishoudens, tegemoet gekomen wordt met het oog op de hoge energieprijzen. Daarbij werk ik samen met RVO.nl, de Belastingdienst en de energieleveranciers om voor zo veel mogelijk huishoudens een geschikte toepassing van het prijsplafond uit te werken.
Het bericht dat in Arnhem mensen na aanvraag 14 weken moeten wachten voor ze energietoeslag ontvangen |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van de Gelderlander van 30 september 2022 over het bericht «Energietoeslag aanvragen blijkt soms moeilijk, maar wij helpen je»?1
Ik heb kennis van genomen van het artikel in de Gelderlander.
Het is belangrijk dat mensen de energietoeslag weten te vinden en dat de aanvraagprocedure eenvoudig is. Naar mijn oordeel spannen gemeenten zich veelal maximaal in om huishoudens die tot de doelgroep van de energietoeslag behoren, te bereiken. Gemeenten slagen hier over het algemeen ook goed in, de energietoeslag kent een groot bereik.
Ook vanuit de rijksoverheid wordt gecommuniceerd om de bekendheid van de regeling te vergroten, mensen aan te sporen de toeslag aan te vragen en hulp te vragen als dit ingewikkeld is. Binnenkort zal bijvoorbeeld in alle huis-aan-huisbladen een oproep verschijnen om de energietoeslag aan te vragen indien huishoudens dit nog niet hebben gedaan.
Is het juist dat mensen in Arnhem na aanvraag 14 weken moeten wachten voordat zij energietoeslag ontvangen?
Van de gemeente Arnhem heb ik begrepen dat de wachttijd op piekmomenten 14 weken bedroeg. Inmiddels worden nieuwe aanvragen binnen vier weken afgehandeld. De gemeente heeft ondertussen bijna 90% van de doelgroep uitbetaald. Door de toenemende berichtgeving in de media, ontvangt de gemeente ook steeds meer aanvragen van inwoners die niet binnen de voorwaarden van de energietoeslag vallen. De gemeente Arnhem kijkt bij deze aanvragen hoe zij haar inwoners mogelijk via andere gemeentelijke regelingen toch kan helpen. Deze «extra» aanvragen en dienstverlening vragen veel van de uitvoerende capaciteit van de gemeente. De gemeente Arnhem is deze zomer (opnieuw) gestart met het werven van extra personeel om aanvragen voor de energietoeslag (sneller) af te handelen.
Is het juist dat 1100 Arnhemse huishoudens die een aanvraag hebben gedaan nog steeds wachten op uitkering van de toeslag?2
1.100 was een schatting van eind september van het aantal huishoudens binnen de werkvoorraad dat recht heeft op de toeslag. Inmiddels is een groot deel hiervan al uitbetaald.
Bent u het eens dat wachttijden van 14 weken zoals bij de gemeente Arnhem volstrekt onwenselijk zijn?
Gezien de urgentie van de problematiek is het wenselijk dat de afhandeling van aanvragen zo snel mogelijk gaat. Dat veel inwoners de weg weten te vinden naar de gemeente voor een aanvraag van de energietoeslag is goed nieuws, maar kan tegelijkertijd (tijdelijk) zorgen dat wachttijden oplopen. De wachttijd in Arnhem is inmiddels teruggebracht naar vier weken.
Zijn er nog meer gemeenten als Arnhem met problematisch lange wachttijden? Kunt u de situatie in het land beschrijven?
Op dit moment is er geen volledig overzicht van de wachttijden in alle gemeenten. In principe handelen gemeenten aanvragen binnen acht weken af, conform de termijnen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Erkent u dat mensen die recht hebben op energietoeslag en deze ook nodig hebben verdergaand in de problemen kunnen komen als zij hierop 14 weken moeten wachten?
Gezien de urgentie van de problematiek, is het wenselijk dat de afhandeling van aanvragen zo snel mogelijk gaat. Ik weet dat sommige gemeenten, zoals Arnhem en Doetinchem, maatwerk toepassen bij mensen die in de knel dreigen te raken (zie ook het antwoord op vraag 8).
Erkent u dat mensen die in aanmerking komen voor energietoeslag over het algemeen niet kunnen beschikken over financiële buffers waardoor zij niet de tijd hebben om lang te wachten?
De energietoeslag richt zich voornamelijk op mensen in een kwetsbare financiële situatie. Zoals ook bij de eerdere antwoorden aangegeven, is het belangrijk dat deze huishoudens zo snel mogelijk geholpen worden om te voorkomen dat ze in financiële problemen raken. Dit is ook waarom er is gekozen voor de categoriale bijzondere bijstand om de energietoeslag te verstrekken. Verstrekking via de categoriale bijzondere bijstand is aanzienlijk minder complex en arbeidsintensief dan via de individuele bijzondere bijstand en gaat daardoor sneller.
Erkent u dat als 14 weken moet worden gewacht schulden zich gaan opstapelen met alle maatschappelijke gevolgen van dien?
Het is van belang dat mensen de energietoeslag zo snel mogelijk ontvangen. Ik weet dat bijvoorbeeld Arnhem en Doetinchem gedurende de afhandelingstermijn maatwerk toe passen als mensen financieel in de knel (dreigen te) komen. Zij bespoedigen beoordelingen en/of gaan na of zij huishoudens via andere gemeentelijke regelingen zoals het maatwerkbudget kunnen helpen. De afhandelingstermijn van 14 weken is in Arnhem bovendien incidenteel.
Kunt u een inschatting geven van de maatschappelijke schade die ontstaat als gevolg van problematisch lange wachttijden zoals die bij de gemeente Arnhem momenteel gelden?
Het is niet bekend in hoeverre mensen in de financiële problemen raken door een vertraagde afhandeling van hun aanvraag. Gemeenten hebben extra middelen ontvangen ten behoeve van een vroege signalering van betalingsproblemen van hun inwoners. Dit draagt eraan bij dat gemeenten goed vinger aan de pols kunnen houden en zo wordt voorkomen dat mensen schade lijden. Gemeenten proberen daarbij de aanvragen voor de energietoeslag zo snel mogelijk af te handelen.
Wat vindt u een aanvaardbare wachttijd voor het verstrekken van de energietoeslag?
Gezien de urgente problematiek is het van groot belang dat huishoudens die behoren tot de doelgroep van de energietoeslag, deze zo spoedig mogelijk ontvangen. Gemeenten hebben normaal gesproken afhandelingstermijnen waarbij er binnen acht weken een reactie volgt. Dit is conform de Awb.
Bent u het eens dat gemeenten er alles aan moeten doen om de energietoeslag zo snel mogelijk te verstrekken en dat gemeenten met lange wachttijden alles op alles moeten zetten om deze tot aanvaardbare lengte te reduceren?
Ja, dat ben ik met u eens. Mijn indruk is ook dat gemeenten er alles aan doen om de toeslag zo snel mogelijk te verstrekken.
Welke actie gaat u ondernemen in de richting van de gemeente Arnhem en andere gemeenten met problematisch lange wachttijden? Welke resultaten mogen wij daarvan wanneer verwachten?
Mijn indruk is dat gemeenten zich tot het uiterste inspannen om hun inwoners te ondersteunen. Gemeenten hebben op dit moment een grote uitvoeringslast. Niet alleen de energietoeslag, maar bijvoorbeeld ook de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Daarbij hebben zij te maken met personeelstekorten. Wanneer zich knelpunten voordoen in de gemeentelijke uitvoering, is dit in eerste instantie aan de gemeenteraad. Ik heb verder regelmatig bestuurlijk overleg met de VNG over onder meer de energietoeslag en de uitvoering hiervan. Hierin bespreken we generieke knelpunten en mogelijke oplossingen.
Klopt het dat inwoners van Doetinchem pas weer vanaf 14 oktober energietoeslag kunnen aanvragen? Vindt u het acceptabel dat mensen moeten wachten met het aanvragen van de toeslag terwijl de winter eraan komt?
Ja, dit klopt. Van de gemeente Doetinchem heb ik begrepen dat zij in de periode april tot augustus ‘22 zeer druk is geweest met individuele aanvragen voor de energietoeslag. Het streven hierbij was om de aanvragen binnen vier weken af te handelen en bij het merendeel van de bijna 1600 aanvragen is dit ook gelukt. De maand september heeft Doetinchem gebruikt als voorbereidingsmaand voor de aanvullende toeslag. Het doel hierbij was om de groep voor de ambtshalve uitbetaling zo volledig mogelijk te laten zijn en het voor inwoners op deze manier zo makkelijk mogelijk te maken.
In de afgelopen weken heeft de gemeente Doetinchem aan alle inwoners die eerder de € 800 energietoeslag ontvingen, de aanvullende € 500 uitbetaald. Ook hebben inwoners die in de afgelopen periode een uitkering volgens de participatiewet toegekend hebben gekregen, en nog niet eerder een aanvraag voor de energietoeslag hadden gedaan, de volledige energietoeslag van € 1.300 uitbetaald gekregen. In totaal heeft de gemeente inmiddels aan ongeveer 2.700 inwoners de volledige energietoeslag uitbetaald. De laatste betaling hiervoor is woensdag 12 oktober gedaan.
De ervaring van de gemeente Doetinchem leert dat inwoners soms uit voorzorg ook maar vast een nieuwe aanvraag indienen, ook al wordt er aangegeven dat de aanvullende energietoeslag automatisch zal worden gestort. Daarom is ervoor gekozen om het loket pas open te stellen wanneer alle automatische betalingen zijn gedaan.
Met deze werkwijze voorkomt de gemeente dat er onnodige aanvragen worden gedaan, die vervolgens tijd kosten in het beoordelen van de aanvragen. De aanvragen die vanaf 14 oktober worden ingediend kan de gemeente binnen vier weken afhandelen. Uiteindelijk is de inwoner dan snel geholpen.
Daarnaast biedt de gemeente Doetinchem maatwerk aan inwoners, die aangeven de energietoeslag eerder dan de gestelde data nodig te hebben. Dit is ook in een aantal gevallen gedaan en zal in de toekomst ook zeker mogelijk blijven.
Mijn beeld is dat gemeente Doetinchem alles in het werk stelt inwoners snel te helpen en dat zij hierin slaagt.
Bent u het eens dat mensen niet zo lang kunnen wachten met het aanvragen en ontvangen van de energietoeslag en gemeenten daarom extra middelen zouden moeten krijgen om een aanvraag van de energietoeslag zo snel als mogelijk te behandelen en uit te keren?
Zoals ik bij de eerdere antwoorden heb aangegeven, ben ik het met u eens dat het van belang is dat gemeenten de energietoeslag zo snel als mogelijk verstrekken. Gemeenten hebben financiële middelen ontvangen voor de uitvoering van de energietoeslag. Ik ben en blijf met de VNG en gemeenten in gesprek over de uitvoering.
Het bericht ‘Britse regering kondigt hardere koers tegen illegale immigranten aan’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Britse regering kondigt hardere koers tegen illegale immigranten aan»1?
Ja.
Wilt u, in lijn met het standpunt van de Britse regering, dat niemand die illegaal binnenkomt meer asiel mag aanvragen in Nederland?
Het onthouden van de mogelijkheid om een asielverzoek in te dienen aan de in uw vraag bedoelde groep, zou in strijd zijn met de EU-asielregelgeving (GEAS) waaraan Nederland gebonden is. De EU-asielregelgeving is van toepassing op alle asielverzoeken die op het grondgebied, daaronder begrepen aan de grens of in de transitzones van de lidstaten, worden ingediend. Echter, niet alle in Nederland ingediende asielverzoeken hoeven hier inhoudelijk te worden behandeld. Indien op basis van de criteria, zoals neergelegd in de Dublinverordening, een andere EU-Lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling, dan kan het in Nederland ingediende asielverzoek niet in behandeling worden genomen en de persoon worden teruggeleid naar die verantwoordelijke lidstaat. Indien gebleken is dat de asielzoeker via een veilig derde land Nederland is binnengekomen, dan kan het alhier ingediende asielverzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits aan de daartoe in de Asielprocedure-richtlijn neergelegde voorwaarden is voldaan (zoals de mogelijkheid om daar de vluchtelingenstatus te verzoeken, een verzekerde wedertoelating en het bandencriterium).
Hoe bent u van plan de instroom van illegalen te beperken en de uitstroom te vergroten?
Kortheidshalve verwijs ik u naar de brief van het Kabinet van 26 augustus 2022 en naar mijn brief van 14 oktober 2022 over de voortgang van deze maatregelen.
Wilt u in lijn met de Britse regering een maximumaantal asielzoekers vaststellen dat Nederland binnen mag komen?
Het zetten van een maximum op het aantal asielzoekers dat in Nederland een asielverzoek mag indienen, zou in strijd zijn met internationale verdragen en EU-recht waaraan Nederland gebonden is. Zoals uw Kamer reeds is bericht per brief van 8 november 2021 heeft mijn voorganger bij de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de adviesvraag ingediend «In hoeverre en op welke wijze kunnen beleidsmatige richtgetallen bijdragen aan sturing van asiel- en reguliere migratie naar Nederland?». In die brief is tevens aangegeven dat de ACVZ voorts is gevraagd om de motie van de leden Stoffer en Eerdmans in acht te nemen. Uw Kamer heeft bij deze motie verzocht «de regering, de ACVZ te verzoeken ook de mogelijkheid, de verschillende varianten en voor- en nadelen van een migratiequotum te onderzoeken». Het kabinet is nog in afwachting van dit advies van de ACVZ.
Erkent u de afschrikkende werking van migratiepartnerschappen waarbij asielzoekers teruggestuurd worden naar een derde land?
Hier zijn geen cijfers over bekend.
Welke actie heeft u tot dusver ondernomen voor het bewerkstelligen van zulke migratiepartnerschappen met derde landen?
Het kabinet zet zich actief in om migratiesamenwerking te intensiveren met een aantal van de voor Nederland meest relevante migratie herkomst- en transitlanden, zowel bilateraal als in Europees verband. Externalisering van asiel is daar geen onderdeel van. De inzet is een gelijkwaardig partnerschap met een brede relatie waarin wordt samengewerkt op en afspraken gemaakt over zaken als handel, hulp en steun bij opvang, terugname van uitgeprocedeerde asielzoekers en tegengaan van irreguliere migratie. Ook tijdelijke, legale en circulaire arbeidsmigratie kan deel uitmaken van een partnerschap, in de vorm van kleinschalige en stapsgewijze pilots. Daarbij verschilt de samenwerking per land en wordt maatwerk toegepast. Uw Kamer ontvangt voor het einde van dit jaar een internationale migratiestrategie waarin het kabinet de migratiesamenwerking met derde landen en inzet t.a.v. opvang in de regio zal toelichten.
Heeft u contact met het Verenigd Koninkrijk over hun migratiepartnerschap met Rwanda, in lijn met de aangenomen motie van het lid Brekelmans over meer actie om migratiepartnerschappen met derde landen te sluiten (Kamerstuk 19 637, nr. 2866) van april jl.? Zo ja, kunt u dit contact toelichten?
Zowel op hoogambtelijk als op politiek niveau is met het VK gesproken over migratie in de afgelopen maanden. Daarin is gevraagd naar de Britse ervaringen met migratiepartnerschappen, en is aangegeven dat Nederland geïnteresseerd is om in algemene zin te leren van hun ervaring waar het brede partnerschappen betreft. In deze gesprekken is door het VK de stand van zaken van de samenwerking met Rwanda toegelicht. Relocatie naar Rwanda is tot op heden niet gestart, omdat de rechterlijke toetsing nog moet worden afgewacht.
Gaat u er in de Europese Unie op aandringen dat er migratiepartnerschappen met derde landen worden gesloten?
Op Europees niveau zijn er Actieplannen geformuleerd voor prioritaire landen uit de focusregio’s voor migratie van de EU (Noord-Afrika, Sub-Sahara Afrika, Midden-Oosten en Westelijke Balkan) om migratiepartnerschappen verder te ontwikkelen. Onder Frans voorzitterschap zijn deze plannen verder geoperationaliseerd. Dialogen met belangrijke landen van herkomst en transit zijn geïntensiveerd. Het kabinet zet zich in om alle relevante instrumenten vanuit de brede relatie daarbij te betrekken, zoals ontwikkelingssamenwerking, handel en visa om de slagkracht van de EU te versterken. Nederland trekt hierbij nauw op met gelijkgezinde EU-lidstaten.
Wilt u in lijn met de Britse regering de Nederlandse grenscontroles intensiveren?
Het kabinet is voorstander van het verstevigen van de Nederlandse en Europese buitengrenzen. Daarom zet het kabinet zich reeds geruime tijd in voor betere screening en registratie aan de Europe buitengrenzen en het instellen van asielgrensprocedures. Zo wenst het kabinet irreguliere secundaire migratie onder andere tegen te gaan. Het wetgevingsproces op deze voorstellen is gaande. Hierover wordt uw Kamer in de geannoteerde agenda’s van de JBZ-Raad geïnformeerd. Ook in het kader van de aanpassingen van de Schengengrenscode wordt nog onderhandeld, bijvoorbeeld over maatregelen die aan de buitengrenzen genomen kunnen worden wanneer er sprake is van instrumentalisering van migratie. Ten slotte heeft Frontex als agentschap een belangrijke rol wanneer het om ondersteuning van lidstaten bij grensbeheer gaat. Nederland wil dat Frontex zijn mandaat ten volle benut om ondersteuning te bieden op het gebied van grenzen en terugkeer.
Gaat u er in de Europese Unie op aandringen dat de controles van de buitengrenzen geïntensiveerd dienen te worden?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Zelfs camera’s schrikken drugscriminelen niet af’. |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zelfs camera’s schrikken drugscriminelen niet af»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen weken tenminste 25 Nederlanders zijn opgepakt vanwege aanslagen in Antwerpen? Wat vindt u ervan dat de jongste van hen nog maar 15 jaar oud is?
In het krantenartikel wordt gerefereerd aan onderzoeken van de Belgische autoriteiten. Het is in de eerste plaats aan hen om te beoordelen of informatie over lopende onderzoeken openbaar kan worden gemaakt. Ik kan de informatie uit het artikel dus niet bevestigen.
Ik vind het zorgelijk en onacceptabel wanneer kinderen in aanraking komen met de georganiseerde drugscriminaliteit en mogelijk een rol spelen bij het plegen van aanslagen. Daarom zet ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming fors in op het voorkomen dat jongeren het criminele pad opgaan. In mijn brief d.d. 1 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de brede preventieaanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit2.
Ik vind het belangrijk dat drugscriminelen op verschillende manieren hard worden aangepakt. Ik heb eerder op 26 april jl. en recentelijk op 4 november uw Kamer geïnformeerd over mijn ondermijningsaanpak. Naast het voorkomen dat jongeren het criminele pad op gaan, zet ik in op het doorbreken van criminele netwerken en verdienmodellen, bestraffen en beschermen.
Maakten deze personen allen deel uit van hetzelfde netwerk en/of dezelfde familie? Waren deze mensen in het zicht van politie en justitie?
Er kunnen geen uitspraken worden gedaan met betrekking tot lopende zaken. In algemene zin kan worden gesteld dat de operationele samenwerking met België naar wederzijdse tevredenheid verloopt. Wij zijn met elkaar in continue dialoog om de onderlinge rechtshulp te versterken. Wij werken ook met elkaar in Benelux- en EU-verband (onder meer via het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats), evenals in de recent opgericht coalitie van landen tegen georganiseerde drugscriminaliteit om samen criminele netwerken in kaart te brengen, te verstoren en te ontmantelen, inclusief in de havens. Het aanstaande Benelux Politieverdrag zal de samenwerking nog meer faciliteren met meer mogelijkheden in de bestrijding van grensoverschrijdende drugscriminaliteit.
Bent u het eens met de stelling dat het beschamend is dat behalve (hard)drugs nu ook geweld en intimidatie een Nederlands exportproduct lijken te zijn geworden? Bent u het met eens met det stelling dat hiermee weer een nieuw dieptepunt is bereikt?
Nederland is een sterk handelsland, onder meer vanwege de ligging en onze infrastructuur. Onze zee- en luchthavens zijn dan ook een spil in de wereldhandel. Omdat ook criminelen hiervan profiteren hebben we te maken met een keiharde keerzijde: ontwrichtende, dodelijke drugshandel in met name cocaïne. Met de handel worden miljarden aan zwart geld verdiend. Nederlandse drugscriminelen werken hierbij nauw samen met internationale criminele netwerken. Een exponent van deze handel en bijbehorende internationale contacten tussen criminelen is dat onderlinge conflicten vaak met veel geweld worden uitgevochten, ook in het buitenland. De gebeurtenissen in Antwerpen, zoals beschreven in het krantenartikel, zijn verwerpelijk en moeten dan ook met kracht worden bestreden.
Ik zie het als mijn taak om de drugscriminaliteit in Nederland terug te dringen. Om nieuwe dieptepunten in de toekomst te voorkomen moeten criminelen over de gehele linie worden bestreden. Dat kan alleen met een brede aanpak, een lange adem en door samenwerking tussen overheidspartijen en private sectoren, ook over onze landsgrenzen heen.
Was u net als de Belgische nationaal drugscoördinator niet verrast over de betrokkenheid van zoveel Nederlanders bij de geweldsgolf in Antwerpen?
Gezien de sterke internationale oriëntatie van de drugshandel en de rol die Nederlandse drugscriminelen hierin spelen, ben ik net als de Belgische nationaal drugscoördinator niet verrast. Mede door de nabijheid van de Antwerpse haven, werken Belgische en Nederlandse criminelen intensief samen. Vanwege de ligging en aanwezige infrastructuur hebben de havens van Rotterdam en Antwerpen een belangrijke rol binnen de wereldwijde handelssector. Helaas vinden criminelen ook hun weg naar deze havens en maken misbruik van deze logistieke knooppunten. Deze dreiging is bekend. Zo weten we dat een aanzienlijk deel van de in Antwerpen binnen gebrachte cocaïne vanuit Nederland verder gedistribueerd wordt. Daarom zetten België en ons land alles op alles om deze criminele machtsstructuren te ontmantelen en te bestrijden. Zowel op bestuurlijk als operationeel niveau werken wij nauw samen met België.
Internationale samenwerking is erg belangrijk bij de bestrijding van georganiseerde drugscriminaliteit. Daarom blijf ik mij inzetten om de internationale aanpak en bijbehorende samenwerking te intensiveren. Zo hebben onlangs zes Europese landen, waaronder België en Nederland, afspraken gemaakt om nauwer samen te werken in de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit. Ook vindt samenwerking plaats in EU-verband waaronder via een EU strategie inzake drugs en operationele samenwerking in het kader van het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats en wordt er bilateraal met partnerlanden zoals de VS en Canada en internationale organisaties zoals de VN en Interpol actief gewerkt aan een sterke omvattende aanpak van de georganiseerde drugscriminaliteit.
Hoe staat u tegenover het idee om naar Belgisch voorbeeld ook in Nederland een nationaal drugscoördinator aan te stellen? Wat zijn uw overwegingen om dit wel of juist niet te doen?
Er zijn verschillende manieren om de coördinatie van georganiseerde drugscriminaliteit vorm te geven. In België is ervoor gekozen om hiervoor een drugscoördinator aan te stellen. De nationaal drugscoördinator in België heeft als taak om een globaal en geïntegreerd beleid te realiseren rond alcohol, tabak, illegale drugs, psychoactieve medicatie, maar ook gedragsverslavingen zoals gokken.
In Nederland hebben we de keuze gemaakt om ons niet alleen op het drugsbeleid te richten, maar juist op de aanpak van de georganiseerde criminaliteit die met (de handel en productie van) drugs samenhangt. De aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit vraagt een kabinetsbrede aanpak, waarvan ik de regie op mij heb genomen. Eerder heeft uw Kamer op 5 maart 2021 een afschrift gekregen van een brief die naar het Strategisch Beraad Ondermijning is gegaan. Hierin is o.a. ingegaan op hoe de aanpak van georganiseerde criminaliteit binnen mijn ministerie wordt georganiseerd. Samen met publieke en private partners wordt niet alleen opgavegericht aan de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit gewerkt, maar ook op het verminderen van de ondermijnende effecten daarvan op onze rechtsstaat. Verschillende departementen werken samen op onderdelen van deze aanpak. Zo werken de Minister van Financiën en ik nauw samen op het voorkomen van witwassen en trekken het Ministerie van IenW en mijn ministerie samen met private partijen op in de aanpak van drugssmokkel via mainports en andere logistieke knooppunten. Over deze kabinetsbrede aanpak is uw Kamer 4 november jongstleden geïnformeerd3.
In hoeverre verschilt de Belgische aanpak van drugscriminaliteit met die in Nederland? Kunt u aangeven op welke manier(en) Nederland en België op dit moment met elkaar samenwerken om drugscriminaliteit te bestrijden? Hoe effectief is deze aanpak tot dusver? Waar ziet u mogelijkheden voor verbetering?
De focuspunten van de aanpak van drugscriminaliteit lijken op elkaar en trekken ook meer naar elkaar toe. Vanzelfsprekend zijn er ook verschillen; zo hebben we in Nederland relatief meer aandacht voor de bestuurlijke aanpak. Ook in België zien we, mede dankzij de stevige samenwerking, een groeiende aandacht voor de bestuurlijke aanpak en worden er stevige stappen gezet.
Nauwe samenwerking met buurland België is van groot belang in de aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Het EURIEC speelt hierbij ook een belangrijke rol om de bestuurlijke samenwerking tussen België, Duitsland en Nederland te verstevigen. De intensieve samenwerking tussen België en Nederland heeft onder meer tot doel het versterken van de aanpak in onze havens.
Op operationeel niveau werken Nederland en België samen in bron- en transitlanden door bijvoorbeeld het gemeenschappelijk gebruik van politie en Douane-liaisons. Daarnaast is project Fortius opgestart; een samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische diensten gericht op het tegengaan van drugssmokkel via de Antwerpse haven met als bestemming Nederland. Ook de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische Douane is intensief. Zo wordt er onder meer (uit bronlanden ontvangen) informatie gedeeld over verdachte zendingen en andere bevindingen.
Op bestuurlijk niveau wordt er veel samen opgetrokken. Zo maakt België bijvoorbeeld deel uit van de coalitie van zes Europese landen tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Middels een meerjarig actieplan is recentelijk afgesproken dat de samenwerking tussen de autoriteiten van de zes landen wordt opgevoerd en verbreed, bijvoorbeeld op het gebied van havensamenwerking. Ook op bilateraal niveau vinden er regelmatig gesprekken plaats tussen de bewindslieden over hoe de huidige samenwerking verder verbeterd kan worden bijvoorbeeld op het vlak van informatie-uitwisseling via politiekanalen, justitiële samenwerking, de uitvoering van Europese arrestatiebevelen en overlevering en vervolgstappen voor een grensoverschrijdende bestuurlijke aanpak. Dit gebeurt ook in Benelux-kader.
Wat gaat en kunt u doen om de effectiviteit van bewakingscamera’s om «narcoterroristen' tegen te houden, te verhogen, zodat onschuldige burgers beter worden beschermd tegen de territoriumdrang en prestigestrijd van de georganiseerde misdaad?
Cameratoezicht kan op diverse gronden worden ingezet. Zo kan de burgemeester hiertoe overgaan ter handhaving van de openbare orde op grond van artikel 151c van de Gemeentewet en kan het worden ingezet op basis van het Wetboek van Strafvordering in het kader van een lopend opsporingsonderzoek. Daarnaast kan de politie gebruik maken van tijdelijk en gericht cameratoezicht op grond van artikel 3 van de Politiewet indien daar een concrete aanleiding voor is, bijvoorbeeld een geconstateerde opleving van criminaliteit. Uiteraard bestaan er ook private camera’s waarmee particulieren bijvoorbeeld hun woning beveiligen.
Veelal is cameratoezicht, o.a. in de havens, een onderdeel van een breder pakket aan maatregelen. Om onschuldige burgers beter te beschermen tegen de georganiseerde criminaliteit zal daarom tevens naar de brede aanpak gekeken moeten worden. Ik heb uw Kamer eerder geïnformeerd over de hoofdlijnenaanpak van de georganiseerde criminaliteit.
Een voorbeeld van een maatregel in het kader van de brede aanpak, die mede is gericht op de bescherming van onschuldige burgers, is het wetsvoorstel om een sluitingsbevoegdheid voor de burgemeester en de gezaghebber te regelen bij een openbare ordeverstoring door ernstig geweld of door een wapenvondst. Dit wetsvoorstel is recent naar uw Kamer gestuurd4. Juist omdat de beschieting van een pand niet alleen gevaarlijk is voor bewoners en omwonenden, maar het ook de openbare orde in een buurt kan verstoren, kan het noodzakelijk zijn om zo’n woning tijdelijk te sluiten.
Het artikel waarin gesteld wordt dat het Kamerlid Van Ginneken van de D66-fractie eist dat u uw principiële mening ten aanzien van de transgenderwet herziet |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waarin gesteld wordt dat het Kamerlid Van Ginneken van de D66-fractie eist dat u uw principiële mening ten aanzien van de transgenderwet herziet?1
Ik ben bekend met het artikel waar u naar verwijst. Het lid Van Ginneken (D66) heeft bij mijn weten niets geëist, maar gezegd er vanuit te gaan dat de nieuwe Minister van LNV het kabinetsbeleid steunt.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat iemand die als burger zo’n principiële overtuiging heeft ten aanzien van geslacht en geslachtsverandering dat hij daartoe een nationaal manifest ondertekent, het manifest Gendertwijfel, die overtuiging als Minister niet van het ene moment op het andere in precies het omgekeerde kan aanpassen, zonder zijn geloofwaardigheid te verliezen?
Ik heb het manifest «De nieuwe Transgenderwet raakt iedereen» ondertekend op persoonlijke titel in de tijd voordat ik Minister werd. Een Minister draagt verantwoordelijkheid voor het gehele kabinetsbeleid, en zo zal ik mij dus ook opstellen.
Bent u het eens dat de eis die het Kamerlid aan u stelt op zijn minst niet bevorderlijk is voor de onderlinge verhoudingen in de coalitie, waaraan door de vele crises die het hoofd moet worden geboden toch al hoge eisen worden gesteld?
Ik respecteer de inzet van het lid Van Ginneken (D66) voor de positie en rechten van transpersonen. Haar vragen naar mijn persoonlijke opvattingen doen in mijn beleving geen afbreuk aan de onderlinge verhoudingen.
Mogen wij u tenslotte wijsheid en kracht toewensen en de hoop uitspreken dat u standvastig blijft in uw overtuiging?
Dank u wel.
Het bericht ‘NL-Alert tijdens storm te laat verstuurd, meldkamer bijna onbereikbaar’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Vraag Bent u bekend met het bericht «NL-Alert tijdens storm te laat verstuurd, meldkamer bijna onbereikbaar»1?
Ja.
Klopt het dat tijdens de storm Eunice, afgelopen februari, de 112-alarmcentrale tijdens overbelast raakte door het aantal telefoontjes en daardoor onbereikbaar was? Klopt het voorts dat het bijna anderhalf uur duurde voordat er een NL-Alert werd verstuurd?
Ja, dit klopt. Na deze constatering is het proces voor het versturen van een landelijk NL-Alert opgestart. Het gehele proces van het versturen van het NL-Alert heeft circa 5 kwartier geduurd.
Hoe wordt de inzet van een NL-Alert bepaald? Wanneer gaat er zo’n alert uit? Hoe toetsen het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en de Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding (NCTV) een verzoek tot een NL-Alert?
Voor de inzet van een landelijk NL-Alert is een inzet- en beleidskader beschikbaar. Daarin is een specifiek deel opgenomen over het verzenden van een NL-Alert bij uitval van het alarmnummer 112. Het verzoek van de Hoofdofficier van Dienst van de landelijke meldkamer is aan dit inzet- en beleidskader getoetst.
Hoe kon het in dit specifieke geval zijn dat de NL-Alert pas een uur na aanvraag door de landelijke 112-centrale uitging?
De streeftijd voor het verzenden van een NL-Alert bedraagt 15 minuten. Het proces van het verzenden van een landelijk NL-Alert vraagt om een zorgvuldige voorbereiding. Er zijn verschillende factoren die ervoor gezorgd hebben dat in dit geval de streeftijd niet is gehaald.
Zo was het verzoek vanuit de politie in eerste instantie niet aan het NCC gericht, maar aan het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC). Aangezien het LOCC geen rol heeft in het proces tot het uitzenden van een NL-Alert4, heeft dit vertragend gewerkt. Daarnaast zijn voor de uitval van het alarmnummer 112 standaardteksten beschikbaar. We hadden nu te maken met overbelasting van 112 door de storm Eunice. Dit vroeg om een aangepaste tekst. Deze moest opgesteld, met partners afgestemd en ingevoerd worden. Daarnaast vond er overleg plaats over het verwijzen naar www.politie.nl of www.crisis.nl alsmede over het juiste uitzendgebied omdat de stormwaarschuwing van het KNMI niet voor het hele land gold. Deze activiteiten kostten achteraf meer tijd dan voorzien.
Hoe kon het dat ondanks een maximale bezetting van de landelijke 112-centrale en de regionale meldkamers, bellers het alarmnummer 112 niet konden bereiken? Wat gaat u doen om dit in de toekomst te voorkomen? Kan een NL-alert voortaan eerder en sneller uitgegeven worden, om overbelasting van het alarmnummer te voorkomen?
De gebeurtenissen rondom deze overbelasting heb ik laten onderzoeken door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV). Tijdens storm Eunice werd het alarmnummer 112 overspoeld met telefoontjes, waaronder hulpvragen die geen onmiddellijke hulp vereisten. Na het uitgezonden NL-Alert werd het aantal oproepen snel minder waardoor het alarmnummer weer bereikbaar was. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is de streeftijd voor het verzenden van een NL-Alert een kwartier. De ervaringen rondom de verzending van het landelijke NL-Alert tijdens de storm Eunice gebruiken we om in de toekomst sneller (en binnen de streeftijd) een NL-Alert te kunnen verzenden. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Om dergelijke overbelasting in de toekomst te voorkomen is eenduidige en heldere crisiscommunicatie van belang, zodat mensen weten waarvoor zij wel en niet het alarmnummer kunnen bellen. Inmiddels hebben de betrokken organisaties voor de eenduidige crisiscommunicatie afgesproken voortaan alleen het handelingsperspectief als weergegeven in de infographic van de veiligheidsregio’s te gebruiken, en dus niet meer eigen communicatie-uitingen te ontwikkelen. Dit zie ik als een mooie eerste stap in het uniformeren van de publiekscommunicatie door deze organisaties.
Kunt u de stand van zaken geven over de implementatie van de verbetervoorstellen die in gang zijn gezet naar aanleiding van de beleidsdoorlichting multisystemen 2012–2018?
De verbetervoorstellen naar aanleiding van de beleidsdoorlichting multisystemen 2012–2018 heb ik reeds opgepakt en met de partners in het meldkamerveld geïmplementeerd, op grond van de door uw Kamer aangenomen Wijzigingswet meldkamers in 2020.
Samen met de betrokken partijen wordt nu in de daartoe ingerichte gremia overlegd en binnen de huidige governance kunnen zij invloed uitoefenen op het beleid van het beheer van de meldkamers en de besteding van de middelen. Op basis van laatste ontwikkelingen, urgentie en budgettaire mogelijkheden wordt gezamenlijk geprioriteerd.
Dit komt overeen met de verbetervoorstellen uit de beleidsdoorlichting, en leidt tot een steeds betere koppeling tussen beleidsdoelen en budget en sturing op gezamenlijke ambities en doelstellingen.
Inmiddels is de nieuwe governance van het beheer van de meldkamers enige tijd in werking en is deze governance conform mijn toezegging aan de Kamer na een jaar geëvalueerd. Hierover heb ik uw Kamer begin dit jaar geïnformeerd5. De (uitvoering van de) aanbevelingen uit de evaluatie bespreek ik met de partijen in het meldkamerveld en ik zal uw Kamer daarover in mijn halfjaarlijkse voortgangsbrief over meldkamers en missie kritische communicatiesystemen informeren.
Hoe beoordeelt u de aanbeveling van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) om te onderzoeken hoe in de toekomst een NL-Alert sneller kan worden verstuurd?
Het proces van aanvragen en opstellen van een NL-alert is op basis van een eigen evaluatie al verbeterd. Een tekst voor overbelasting is inmiddels opgenomen in het berichtenboek en het proces rondom uitval van het alarmnummer 112 wordt regelmatig met de verschillende betrokken partners beoefend. Onderzocht wordt hiermee ook hoe het uitzendproces, zowel bij NCC als bij partners, versneld kan worden. Wijzigingen hierop zullen worden doorgevoerd in het NL-Alert inzet- en beleidskader.
Hoe beoordeelt u voorts de aanbeveling van het NIPV om een landelijk operationeel leider aan te stellen om bovenregionale en vooral operationele lacune in kennisdeling en afstemming te voorkomen?
Het kabinet heeft in haar standpunt6 over de wetsevaluatie Wet veiligheidsregio's aangekondigd om mét behoud van het goede, zo spoedig mogelijk te komen tot een toekomstbestendig, samenhangend stelsel voor crisisbeheersing en brandweerzorg. In de Contourennota Versterking Crisisbeheersing en Brandweerzorg7 schetst het kabinet hoe de organisatiestructuur en samenwerking van betrokken partijen, bestuurlijk en operationeel, bij onder meer interregionale, nationale en internationale risico's en crises wordt vernieuwd. De versterking van de operationele coördinatie en informatiedeling maken hier onderdeel vanuit.
Het bericht 'Reizigersorganisaties keren zich tegen beperkte dienstregeling NS' |
|
Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de nieuwe dienstregeling van de NS?1
Ik zie het als één van mijn belangrijkste taken om een robuust en betrouwbaar openbaar vervoernetwerk te behouden en te versterken. Ik vind het dan ook erg vervelend dat reizigers in de nieuwe dienstregeling te maken krijgen met een lager vervoersaanbod. NS geeft aan zich hiertoe genoodzaakt te zien vanwege het huidige personeelstekort. Ik vind het cruciaal dat NS, zoals zij zelf ook aangeeft, de dienstregeling weer opschaalt zodra zij meer personele capaciteit heeft.
Deelt u de opvatting van reizigers- en consumentenorganisaties dat de nieuwe dienstregeling beneden het acceptabele niveau zakt?
Het is begrijpelijk dat consumentenorganisaties zich kritisch uitlaten over de aangepaste dienstregeling van 2023 en dat zij NS oproepen om alle maatregelen te treffen om zo snel mogelijk weer op te schalen. Ook ik vind het afschalen van de dienstregeling zeer onwenselijk vanuit het perspectief van de reiziger. Ik verwacht dan ook van NS dat zij er écht alles aan doet om de hinder voor reizigers te beperken.
Stemt u in met deze dienstregeling? Zo ja, waarom?
De dienstregeling wordt conform artikel 42 van de concessie ter consultatie voorgelegd aan de decentrale overheden en de consumentenorganisaties. NS stuurt de voorgenomen dienstregeling ten minste twee maanden voor de ingangsdatum aan de concessieverlener. NS voegt hierbij de door consumentenorganisaties en decentrale overheden geleverde adviezen en een toelichting op de wijze waarop zij hiermee is omgegaan. Het is aan de NS om de dienstregeling vast te stellen.
Zo nee, welke stappen heeft u gezet en gaat u zetten om de dienstregeling op een acceptabel niveau te krijgen?
Als concessieverlener van het hoofdrailnet voer ik regelmatig intensieve gesprekken met NS over haar personeelstekorten en de daarop volgende impact op de dienstregeling. In deze gesprekken benadruk ik dat ondanks de personeelstekorten de dienstverlening aan de reizigers zo goed mogelijk moet zijn. Ik verwacht dan ook van NS dat zij er alles aan doet om de negatieve effecten van het personeelstekort voor de reiziger zo veel als mogelijk te beperken. Ook verwacht ik van NS dat zij indien mogelijk de dienstregeling weer opschaalt. NS monitort de drukte in de treinen. Dit heeft er in geresulteerd dat NS binnen de huidige dienstregeling op meerdere drukke trajecten inmiddels treinen verlengt, zodat er meer reizigers mee kunnen.
Wat zullen volgens u de effecten op de drukte op de weg zijn van een onvoorspelbaardere treindienstregeling en vollere treinen?
Over dit onderwerp zijn eerder Kamervragen beantwoord.3 Afgelopen zomer schatte het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) in dat het aantal autokilometers van een autobestuurder door de afschaling van de treindienstregeling in het najaar van 2022 met 0,07% toeneemt en in 2023 met 0,1%. Daarmee is de stijging van het autogebruik als gevolg van de afschaling van de treindienstregeling enigszins beperkt. Het KiM merkt op dat deze eerste inschatting een globale is, gebaseerd op vereenvoudigende aannames en daarom met onzekerheid omgeven. In november komt er een nieuwe prognose van het KiM voor het openbaar vervoer inclusief de effecten van deze afschaling.
Welke oplossingen heeft de taskforce van NS om het personeelstekort het hoofd te bieden, waarover u eerder schreef (Kamerstuk 29 984, nr. 981), opgebracht om dit te voorkomen of op te lossen?
NS is met een integrale aanpak gestart om de prangende personeelsproblematiek te verlichten. De hoofdlijnen van de integrale aanpak met betrekking tot het werven en behouden van personeel, zoals ik op 23 augustus jl. aan uw Kamer heb gecommuniceerd4, zijn:
Wat zijn tot op heden de opbrengsten van de wervingscampagne waarover u schrijft in diezelfde brief?
NS heeft mij laten weten dat de intensivering van de werving een substantiële stijging in het aantal sollicitanten heeft opgeleverd. Na de eerste geïntensiveerde campagneperiode (juni 2022) hebben circa 2.500 sollicitanten zich aangemeld, dit is een stijging van circa 250% ten opzichte van de periode daarvoor. In de daarop volgende campagneperiode hebben ruim 3.000 sollicitanten zich aangemeld.
Er worden op dit moment gemiddeld 150 sollicitatiegesprekken per week gevoerd. In de periode juni tot en met september 2022 zijn er ongeveer 134 conducteurs en 213 machinisten aangenomen. Daarbij zit een aanzienlijk deel van de sollicitanten nog in de procedure.
Hoeveel mensen zijn aangetrokken door een beroep te doen op gepensioneerd personeel?
NS heeft mij laten weten dat er momenteel 8 gepensioneerde medewerkers zijn die zich hebben gemeld om weer in de rijdende dienst te gaan werken. Daarnaast hebben er ook medewerkers, die tegen pensioenleeftijd aanzitten, aangegeven langer door te willen werken en zo hun pensioen nog even uitstellen.
Zijn de parttime contracten inmiddels uitgebreid?
Ja, medewerkers van NS kunnen op vrijwillige basis parttime contracten uitbreiden. Inmiddels hebben circa 35 medewerkers in het rijdende proces daar gebruik van gemaakt. Daarnaast maken circa 280 medewerkers hier tot het eind van het jaar gebruik van.
Wat vindt u van het idee om kantoor- en winkelpersoneel slimmer in te zetten op stations bij het in- en uitstapproces?
NS overweegt dit en is hierover in overleg met Medezeggenschap en vakbonden. Daarbij wil ik wel meegeven dat rollen in logistieke processen specifieke expertise, en daarmee opleiding vereisen. Vanzelfsprekend moedig ik NS aan om alle mogelijke opties te onderzoeken.
Bent u bereid de regels aan te passen waardoor ook langere treinen kunnen rijden met één conducteur?
Er zijn geen wettelijke normen ten aanzien van de beschikbaarheid van personeel en de lengte van treinen. Ook stelt de concessie geen eisen ten aanzien van het aantal conducteurs op een trein. Daarmee maakt NS in beginsel zelf keuzes over de inzet van haar materieel en personeel. NS onderzoekt momenteel alle mogelijke opties om langere treinen te kunnen rijden. Daarbij is veiligheid natuurlijk een belangrijk aandachtspunt.
Wat is uw appreciatie van het voorstel om een slimmere en andere dienstregeling te maken in plaats van te snijden in de bestaande, zoals het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (Locov) voorstelt?
Bij de aanpassing van de dienstregeling heeft NS geprobeerd om zo goed als mogelijk aan te sluiten bij de (veranderde) reizigersvraag. NS heeft mij laten weten ervoor gekozen te hebben de basisstructuur van de dienstregeling zo veel mogelijk in stand te houden. Hierdoor blijven lange lijnvoeringen zo veel mogelijk in stand. Hiermee voorkomt NS dat reizigers onnodig extra hoeven over te stappen. Ook blijven aansluitingen zoveel mogelijk gehandhaafd. Daarnaast draagt het in stand houden van de basisstructuur ook bij aan een herkenbare dienstregeling voor reizigers. Door de dienstregeling niet opnieuw te ontwerpen kan NS de dienstregeling snel opschalen indien er voldoende personeel beschikbaar is.
Kampen andere landen ook met personeelstekorten in het openbaar vervoer?
Ja, ook andere landen kampen met personeelstekorten in het openbaar vervoer. Denk hierbij onder meer aan onze buurlanden België en Duitsland.
Resulteert dit in deze landen ook tot afschaling van het openbaar vervoer en treindiensten?
Ja, ook in andere landen resulteert dat in uitval van treindiensten.
Welke maatregelen hebben deze landen getroffen in antwoord op personeelstekorten en welke lessen trekt u hieruit?
Ik heb hier geen concreet overzicht van. Wel zal ik mijn collega’s in EU verband hierop nader bevragen.
Het gebrek aan handhaving bij de paardenmarkt in Heeten |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zijn paardenmarkten nog van deze tijd? Zolang veulens worden geboren, zal er handel zijn»?1
Ja.
Zijn er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) misstanden geconstateerd op de paardenmarkt in Heeten? Zo ja, welke?
Er is eenmaal geconstateerd dat er enigszins hardhandig aan een ezel getrokken en geduwd werd. De aanwezige inspecteur heeft de betrokkenen hierop aangesproken en een mondelinge waarschuwing gegeven.
Wat vindt u ervan dat niet alle paarden en pony’s op de markt toegang hadden tot water, hooi of ander eten?
Ik vind het belangrijk dat organisaties de verantwoordelijkheid nemen om te zorgen dat er voldoende water en voer beschikbaar is.
Op de markt waren voer/hooi en water beschikbaar. Dit kon door de houders worden afgehaald op een centraal punt waar ook emmers beschikbaar waren.
Houders van paarden en de marktorganisatie hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om garanderen van dierenwelzijn. Volgens het besluit houders van dieren moeten de houders ervoor zorgen dat het paard een toereikende hoeveelheid gezond en geschikt voer krijgt toegediend. Tevens moet de houder ervoor zorgen dat het dier toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen.
Klopt het dat de herkomst, bestemming en chipnummers van de op deze paardenmarkt verhandelde paarden niet zijn bijgehouden en dat hiermee niet is voldaan aan de registratieverplichting?
Er is door de inspecteur van de NVWA geconstateerd dat niet is voldaan aan de documentatieverplichting. Bij de marktorganisatie bestond onduidelijkheid over de documentatieverplichting als paarden korter dan 24 uur op een locatie aanwezig zijn. De onduidelijkheid is ontstaan doordat er eerder dit jaar een vakbericht vanuit de NVWA is uitgegaan waarin abusievelijk niet de juiste informatie was gegeven. Inmiddels is via de website van de NVWA en via overleg met de grote paardenmarkten de juiste actuele informatie verstrekt.2 De documentatieverplichting is onverkort van toepassing bij elke verblijfsduur op een inrichting.
Kunt u bevestigen dat hierdoor niet kan worden gecontroleerd of paarden minstens 48 uur op een locatie in Nederland zijn gestald alvorens ze op internationaal transport worden gezet, zoals is vereist via de Europese diergezondheidsverordening?2
Er vindt geen certificering van paard(achtigen) voor internationaal transport vanaf een paardenmarkt meer plaats, aangezien een paardenmarkt niet aan de gestelde eisen voor een verzamelcentrum kan voldoen.
De termijn voor opnemen van een paardachtige in de documentatie van de markt, is drie werkdagen. De documentatie van een markt is daarmee niet bruikbaar om de termijn van 48 uur vast te stellen.
Kunt u bevestigen dat door deze gebrekkige registratie niet kan worden gecontroleerd of de paarden op de markt direct afkomstig zijn uit het buitenland zonder aan de vereiste stallingsplicht van 48 uur te voldoen?
Nee. Paardachtigen die worden ingevoerd vanuit het buitenland, dienen na aankomst 48 uur op het bestemmingsadres te verblijven. Aangezien paardachtigen geen 48 uur op een paardenmarkt aanwezig zijn, kan een paardenmarkt niet als bestemming op een import-certificaat worden opgenomen. Paardachtigen mogen om voornoemde reden niet rechtstreeks vanuit het buitenland op een markt worden aangevoerd. De manier waarop de registratie van de paardachtigen door een markt wordt uitgevoerd, is om die reden niet relevant.
Kunt u bevestigen dat door de gebrekkige registratie niet kan worden gecontroleerd of paarden mogelijk illegaal zijn verhandeld?
Nee. Rechtstreekse import of export op een markt is niet toegestaan. De mate van nauwkeurigheid van de gevoerde administratie door de markt, speelt daarbij geen rol.
Is er door de inspecteur van de NVWA handhavend opgetreden op deze paardenmarkt? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de documentatie is niet handhavend opgetreden omdat eerder dit jaar een vakbericht vanuit de NVWA is uitgegaan waarin abusievelijk niet de juiste informatie was gegeven over de verplichting. Zie mijn antwoord op vraag 4.
Is het bekend of op paardenmarkten vaker niet wordt voldaan aan de registratieverplichting? Zo nee, hoe kan het dat deze informatie niet bekend is?
De paardenmarkten die dit jaar reeds hebben plaatsgevonden, zijn door de NVWA gecontroleerd. De onderzoeken naar het voldoen aan de documentatieverplichtingen op deze markten zijn op dit moment nog niet afgerond. De NVWA heeft gesprekken met organisatoren van paardenmarkten gevoerd en de regelgeving toegelicht. De organisatoren van de kleinere markt in Heeten waren overigens niet bij deze gesprekken aanwezig. Ook is de informatie gedeeld op de website van de NVWA.
Is het gebruikelijk dat wanneer er niet wordt voldaan aan de registratieverplichting, de NVWA in gesprek gaat met de organisatie, in plaats van het uitschrijven van een proces-verbaal?
Nee, zie voor deze specifieke situatie mijn antwoord bij vraag 4.