De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
De uitzonderlijk grote natuurbrand door een explosieve militaire oefening op de Veluwe |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws over de uitzonderlijk grote brand in een beschermd natuurgebied op de Veluwe dat wordt gebruikt als militair oefenterrein?1
Ja.
Klopt het dat de brand is ontstaan tijdens de oefening «Geweer- en mitrailleurvuur, kanon en werken met explosieven» op 29 april 2026 die op hetzelfde moment op dat terrein plaatsvond, zoals vermeld op de website van Defensie? Klopt het dat deze oefening plaatsvond terwijl in vrijwel geheel Nederland een verhoogd risico op natuurbranden gold?2
Op het moment van uitbreken van de brand gold natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. De brand is veroorzaakt bij het tot ontploffing brengen van explosieven. Het plan voor het springen van deze munitie was goedgekeurd volgens de juiste procedures, door de relevante autoriteiten van het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde).
Wat is uw reactie op deze brand en de verantwoordelijkheid van Defensie hierin?
Ik betreur de situatie zeer en ik spreek mijn waardering uit naar de samenwerkende nationale en internationale hulpverleners. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht, realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Toch zijn bij oefeningen branden ontstaan op en rond militaire terreinen die een impact hebben op de samenleving en waarvan de natuurschade nog duidelijk moet worden.
Hoeveel oppervlakte natuurgebied is door deze brand verloren gegaan? Kunt u specificeren welke natuurtypen en welke (beschermde) dier- en plantensoorten door de brand zijn getroffen of leefgebied hebben verloren?
Er is ongeveer 427 hectare afgebrand. Het getroffen gebied betreft een half open landschap met heideterreinen, vergraste heideterreinen en naaldbossen bestaande uit grove den. De heideterreinen die zijn afgebrand, zijn de terreinen waar de schade voor de natuur het grootst is. Met name de naaldbossen zijn vooral eenvormig en hebben daardoor een lagere natuurwaarde. De overige heideterreinen betreffen vooral vergraste en zogenaamde droge struikheide terreinen met een lagere natuurwaarde. Een klein deel van het getroffen gebied bestaat uit semi-vochtige heide. De vegetatie, waarvoor dit deel een hogere natuurwaarde heeft, is in deze tijd van het jaar nog nauwelijks aanwezig.
Schade aan de fauna in het totale gebied betreft vooral insecten, reptielen en broedende vogels en hun nesten voor zover deze zich bevonden op de bodem of in struiken. Er zijn observaties ten tijde van de brand waaruit blijkt dat grotere fauna voor het vuur konden wegkomen. Er zijn geen resten van grotere fauna gevonden in de dagen na de brand.
In het verbrande deel nestelt sinds vier jaar een visarend met jaarlijks broedsucces. Het terrein rondom het nest is verbrand. Direct na de brand bleken beide oudervogels nog op het nest te zitten en vertonen op dit moment natuurlijk broedgedrag.
Welke gevolgen heeft deze brand voor de biodiversiteit en ecologische kwaliteit van het getroffen gebied op de korte en lange termijn?
Voor al het bodemleven geldt dat een groot deel de brand kan hebben overleefd; het vuur is erg snel over het gebied gegaan en de humuslaag is maar enkele millimeters ingebrand. Enkele dagen na de brand zijn veel vlinders en insecten waargenomen, evenals actieve rode bosmieren en er zijn op de zwarte bodem veel zandspoortjes aanwezig van insecten die weer uit de bodem naar boven zijn gekomen.
In opdracht van Defensie is het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) direct na de brand gestart met herstelmaatregelen. Het beheer is gericht op het tegengaan van vergrassing en herstel van de structuur van bodem en vegetatie. In de delen van het terrein waar de vergraste heide is afgebrand, is gestart om de regeneratie van gras te hinderen, zodat de hei kan uitlopen en de natuurwaarde in dit deel van het terrein zal profiteren. Tevens zijn stobben in het gebied gelegd om reptielen en insecten schuilgelegenheid te bieden. Een afgebrand deel van het terrein herbergt grote aantallen grauwe klauwwier. Het broedseizoen van deze trekvogel is nog niet begonnen. Om deze soort te helpen, zijn takkenhopen van grove den aangebracht, omdat de grauwe klauwier een voorkeur heeft om in omgewaaide grove dennen nesten te bouwen. Deze natuurbeheer maatregel heeft het RVB de afgelopen jaren ook als regulier beheer voor deze Natura2000 soort toegepast.
In de bossen wordt geen beheer uitgevoerd. Het is de verwachting dat de komende jaren de aangetaste bossen zullen verloofen. Het getroffen naaldbos zal versneld worden omgevormd naar meer ecologisch waardevol loofbos door komende winter loofhout aan te planten. Hierdoor zal de natuurwaarde stijgen, ook ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
Bovenstaande betekent dat er schade is aan het terrein, maar dat op lange termijn de ecologische kwaliteit kan worden versterkt.
Welke risicoanalyses zijn voorafgaand aan deze oefening uitgevoerd met betrekking tot droogte, hitte en natuurbrandgevaar? Welke preventieve maatregelen zijn voorafgaand aan de oefening wel en niet getroffen?
Bij het uitbreken van de brand gold de door de veiligheidsregio afgekondigde natuurbrandrisico fase 2. Voor elke oefening worden risico-inventarisaties uitgevoerd. Hierin worden alle mogelijke aspecten meegenomen, waaronder zaken gerelateerd aan de omgeving zoals omgang met droogte. De preventieve maatregelen zoals vermeld in ons protocol zijn genomen, zoals de aanwezigheid van brandbestrijdingscapaciteit. Voor het Artillerieschietkamp gelden tevens afspraken over extra mitigerende maatregelen ten aanzien van brandbestrijding en risicobeperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Beschikt Defensie over een specifiek droogteprotocol voor oefeningen met vuurwapens, explosieven of andere pyrotechnische middelen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid een dergelijk protocol alsnog op te stellen?
Ja. Het interne Defensieprotocol sluit wat betreft droogte aan bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. In beide documenten wordt onderscheid gemaakt in twee fasen: fase 1 waarin nog geen extra maatregelen worden getroffen maar wel voorzichtigheid wordt geadviseerd en fase 2 in tijden van langere droogte. In fase 2 wordt ook publiekelijk een oproep gedaan om extra alert te zijn en in sommige natuurgebieden is open vuur verboden.
Welke criteria worden momenteel gehanteerd bij de beslissing om oefeningen met pyrotechnische middelen wel of niet door te laten gaan tijdens periodes van droogte of verhoogd natuurbrandrisico? Is er een verschil in criteria tussen oefeningen op beschermd en onbeschermd natuurgebied als het gaat om oefeningen met pyrotechnische middelen?
De veiligheidsregio kondigt de natuurbrandrisicofase af. Op basis van de actieve fase staat in het protocol welke maatregelen noodzakelijk zijn. Er is geen onderscheid tussen soorten terreinen. Bij alle activiteiten, waaronder oefeningen, worden risico-inventarisaties gedaan. Hierin worden, zoals gezegd, zowel de activiteiten als de specifieke omgeving meegewogen. Bij natuurbrandrisicofase 2 hanteert Defensie een protocol dat beperkingen oplegt aan de toegestane activiteiten en verplichtingen oplegt voor aanvullende risicobeperkende maatregelen. Voor het Artillerieschietkamp houdt Defensie zich ook aan de extra mitigerende maatregelen uit het convenant met Defensie en de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Herinnert u zich dat, na de brand op de Ginkelse heide vorig jaar april, Defensie aankondigde dat oefeningen niet zouden worden stilgelegd, maar dat soldaten extra alert zouden worden gemaakt op bestaande procedures? Bent u van mening dat soldaten nu extra alert zijn gemaakt? Op welke wijze is dit gebeurd?3
Na de brand op de Ginkelse Heide in april vorig jaar is specifiek aandacht gevraagd voor het bestaande protocol, zowel in de operationele lijn naar commandanten van eenheden als naar terreinopzichters en veiligheidsfunctionarissen. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol nogmaals te bespreken.
Bent u bereid dit soort explosieve oefeningen tijdelijk op te schorten zolang sprake is van aanhoudende droogte en verhoogd natuurbrandgevaar in Nederland? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland zijn we terug naar natuurbrandrisico fase 1 waarin geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen, maar we gebruiken tot 18 mei geen lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen. In het geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, oefenmunitie en pyrotechnische, spring- en onstekingsmiddelen op oefenterreinen tijdelijk stilgelegd, totdat de eventuele aanpassingen aan het protocol helder zijn. Voor de grote schietterreinen ISK en ASK geldt dat een risico analyse moet uitwijzen wat ten tijde van een oefening de beperkende maatregelen zijn omdat op deze locaties een brandweerorganisatie aanwezig is.
Bent u bereid om dit soort explosieve militaire oefeningen met pyrotechnische middelen te verbieden in beschermd natuurgebied, zodat niet mogelijk nog meer beschermde natuur verloren gaat? Zo nee, waarom niet?
Nee, we zullen dergelijke oefeningen niet verbieden op onze schiet- en oefenterreinen. Oefeningen zijn essentieel voor de gereedheid van onze krijgsmacht. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving om deze situaties zoveel mogelijk te voorkomen. Het Artillerieschietkamp is ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en nadrukkelijk ook -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie ook bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden.
Welke gezondheidsgevolgen kan deze grote brand hebben voor omwonenden, hulpverleners, dieren en de natuur, onder andere vanwege rook, fijnstof en mogelijke uitstoot van schadelijke stoffen?
De veiligheidsregio maakt een inschatting van de eventuele gezondheidsgevolgen en kan, via een NL Alert, de omgeving bijvoorbeeld adviseren om ramen en deuren gesloten te houden. Dit om eventuele gezondheidsgevolgen voor omwonenden te beperken. Bij de natuurbrand op het terrein van het ASK is dit middel ook ingezet.
Leiden de uitbreidingsplannen van Defensie mogelijk tot extra gezondheids- en brandrisico’s voor Nederlanders en Nederlandse natuur?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s. De noodzakelijke uitbreidingsplannen van Defensie leiden daarom niet per definitie tot extra gezondheids- en brandrisico’s.
Op welke wijze gaat u zich inzetten voor herstel van de getroffen natuur? Welke concrete herstelmaatregelen worden overwogen of uitgevoerd?
Zie de beantwoording op vraag 5.
Worden militaire oefeningen in het getroffen gebied tijdelijk stilgelegd totdat op zijn minst de natuur voldoende is hersteld? Zo nee, waarom niet?
Direct na de brand zijn de geplande militaire activiteiten op het Artillerieschietkamp tijdelijk stilgelegd om de veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen de natuurbrand te bestrijden. Het bestaande protocol blijft gelden, waarbij Defensie rekening houdt met de herstellende natuur. Dit betekent onder andere dat het rustgebied voor fauna wordt gerespecteerd en dat beschermde habitattypen worden behouden.
Bent u bereid de bestaande procedures rond militaire oefeningen in natuurgebieden aan te scherpen om herhaling van dergelijke branden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
We gaan de uitzonderingsprocedures zoals benoemd in het huidige protocol voor oefeningen in droge periodes opnieuw bekijken. Er zijn momenteel uitzonderingen mogelijk op het verbod om gebruik te maken van bijvoorbeeld spring- en ontstekingsmiddelen. Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Aanvullend op het huidige protocol is besloten om het gebruik van lichtspoormunitie en pyrotechnische middelen tot 18 mei 2026 niet toe te staan. We zijn in gesprek met o.a. de veiligheidsregio’s om ons protocol, de processen en procedures tegen het licht te houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) heeft Defensie verzocht om het veiligheidsbeleid (voorschriften en protocollen) rondom oefeningen te evalueren en uiterlijk 1 juli 2026 de uitkomsten te rapporteren aan IL&T. Defensie gaat dit uitvoeren.
De Kamer zal worden geïnformeerd over deze evaluatie en de eventuele aanpassingen van het veiligheidsbeleid.
Bent u het ermee eens dat dit soort risicovolle explosieve oefeningen in tijden van droogte in beschermd natuurgebied buiten de reikwijdte vallen van de geldende natuur- en milieuwetgeving en daarmee strijdig zijn met de door de Kamer aangenomen motie over opereren binnen de natuur- en milieuwetgeving (Kamerstuk 36 592, nr. 50)? Zo nee, waarom niet?
Nee. Defensie houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving, ook als zij op een militair oefenterrein aan oefenen is.
Bent u bereid om in de toekomst zo veel mogelijk te kiezen voor ander militair oefenterrein dan natuur?
Nee. Militaire oefenterreinen worden zo ingericht en beheerd dat militairen veilig en natuurgetrouw kunnen oefenen. Dat is het primaire doel van de terreinen. Daarnaast wordt op de terreinen veel inzet gepleegd om de natuurwaarden te optimaliseren, waardoor op meerdere terreinen een positieve dynamiek is ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Hierover is de Kamer in 2023 geïnformeerd.4
Veel Defensieterreinen liggen vanwege de benodigde ruimte en inrichting in of naast natuurgebieden. Defensie en natuur gaan over het algemeen goed samen, zoals onder andere blijkt uit het rapport dat naar uw Kamer is verzonden in juni 2023. Het is ook om die reden dat ik het betreur dat branden zijn ontstaan op onze terreinen waardoor natuurschade is opgetreden. Ik heb er alle vertrouwen in dat door de genomen herstelmaatregelen de natuur zal herstellen en mogelijk zal verbeteren.
Bent u het eens dat provincies, als medeverantwoordelijken voor natuurbescherming en -herstel, bij extreme droogte zouden moeten kunnen ingrijpen op explosieve militaire oefeningen in en bij natuur?
Het convenant brandveiligheidsplan van het Artillerieschietkamp is in gezamenlijkheid met de Veiligheidsregio en de betreffende gemeenten opgesteld.
Kunt u deze vragen, gezien de aanhoudende droogte en de vooralsnog continuerende oefeningen van Defensie, één voor één spoedig beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Qatar de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) zou hebben omgekocht |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Wall Street Journal waarin ernstige beschuldigingen tegen Karim Khan, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC), als ook de regering van Qatar besproken worden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een getuigenverklaring en audio-opnames waarin wordt gesuggereerd dat Qatar steun en bescherming zou hebben aangeboden aan Khan, in relatie tot de uitgevaardigde arrestatiebevelen tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant?
Zoals het betreffende artikel van de Wall Street Journal ook stelt, kunnen de gemaakte beschuldigingen tegen Qatar en aanklager Khan niet zonder nader onderzoek bevestigd worden. Voor wat betreft de relatie met de arrestatiebevelen wijst het kabinet erop dat de arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof (ISH) niet worden uitgevaardigd door de aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel.
Beschikt het kabinet over eigen informatie die deze berichtgeving bevestigt of ontkracht? Zo nee, ziet u aanleiding om deze signalen via diplomatieke of internationale kanalen te (laten) verifiëren?
Het kabinet beschikt niet over eigen informatie die de in de berichtgeving genoemde beschuldigingen bevestigt of ontkracht. Het kabinet neemt kennis van het door Qatar afgegeven statement2, waarin de beschuldigingen categorisch worden ontkend en als ongegrond worden bestempeld. Gelet op de ernst van de aantijgingen en het belang van de onafhankelijkheid en integriteit van het Internationaal Strafhof, blijft het kabinet de berichtgeving nauwlettend volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Welke gevolgen kan de recente berichtgeving, in samenhang met eerdere onthullingen door The Guardian2, hebben voor de geloofwaardigheid en het functioneren van het ICC in het algemeen en voor de positie van de hoofdaanklager in het bijzonder? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
De ambtsdragers van het Hof dienen te worden gehouden aan de hoogste standaarden. Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome.
Het kabinet stelt voorop dat de ambtsdragers van internationale hoven en tribunalen hun mandaat ongehinderd moeten kunnen uitvoeren, zonder enige vorm van bedreiging, intimidatie of beïnvloeding. Het is van belang dat alle 125 verdragspartijen bij het Statuut van Rome de ambtsdragers van het Hof ten volle beschermen en het werk van het ISH in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven faciliteren. Als gastland heeft Nederland daarbij specifieke verplichtingen onder het Zetelverdrag, onder andere voor wat betreft de fysieke veiligheid. Daarnaast dienen alle staten de onafhankelijkheid van de organen van het ISH te respecteren en zich te onthouden van inmenging in de strafvorderlijke beslissingen van het Hof.
Hoe wordt binnen het ICC gewaarborgd dat de plaatsvervangende aanklagers onafhankelijk opereren en niet vatbaar zijn voor externe beïnvloeding vanuit Qatar en elders? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Het toepasselijke juridische kader – dat onder andere bestaat uit het Statuut van Rome, de Rules of Procedure and Evidence, relevante administratieve besluiten van het Hof en resoluties van de Vergadering van verdragspartijen – voorziet in gedragscodes voor gekozen ambtsdragers en in de mogelijkheid van disciplinaire en strafrechtelijke procedures. In dit kader kan het interne toezichthoudende orgaan – het Independent Oversight Mechanism (IOM) – onderzoek doen naar vermeend wangedrag van gekozen ambtsdragers en werknemers van het ISH. Dit kan leiden tot disciplinaire maatregelen, en in het geval van ernstig wangedrag en/of ernstig plichtsverzuim, tot ontzetting uit het ambt.
Daarnaast heeft het ISH rechtsmacht over enkele misdrijven gericht tegen de rechtspleging, waaronder «het hinderen, intimideren of door middel van omkoping beïnvloeden van een beambte van het Hof teneinde deze te dwingen of over te halen zijn bediening niet of onjuist te vervullen» en het «als beambte van het Hof in samenhang met zijn bediening vragen om steekpenningen of het aannemen daarvan» (zie artikel 70 van het Statuut van Rome). Het toepasselijke juridische kader voorziet ten aanzien van deze procedures niet in een bijzondere rol voor het gastland van het Hof. Het Strafhof kan alle verdragspartijen, waaronder ook Nederland, verzoeken om ondersteuning bij onderzoeken in geval van eventuele misdrijven tegen de rechtspleging.
Nederland heeft als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag om de organen van het Hof te faciliteren bij het onafhankelijk uitvoeren van hun mandaat. Nederland heeft doorlopend contact met het ISH, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Indien nodig op grond van actuele dreigingsinformatie, treft Nederland de nodige veiligheidsmaatregelen.
De weigering van een gerichte aanpak van sektes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Twentse burgemeesters zich teleurgesteld voelen over het uitblijven van een gerichte aanpak van sektes?1
Ja.
Welke concrete vragen, signalen en hulpvragen hebben deze burgemeesters bij u neergelegd en waarom hebben deze niet geleid tot aanvullende maatregelen?
Deze burgemeesters hebben een oproep gedaan om specifieke wetgeving tegen sektarisch misbruik te ontwikkelen en een landelijk meldpunt in te stellen met mandaat voor opvolging en procesregie. In mijn reactie aan de burgemeesters heb ik toegelicht wat er in juridische zin mogelijk is, zie het antwoord op vraag 6, en welke maatregelen er worden en zijn genomen, zoals de strafbaarstelling van psychisch geweld. Ook heb ik toegelicht dat er beter ingespeeld kan worden op de behoeften van slachtoffers en hun naasten die te maken hebben met misstanden in gesloten groepen. Om die reden is in juli 2025 in het kader van een pilot met financiering van het Ministerie van Justitie en Veiligheid het Hulppunt Onder Controle (HOC) geopend door expertise- en behandelcentrum Fier. Hiermee is er één herkenbaar punt voor hulp en doorverwijzing aan slachtoffers van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen.
Hoeveel meldingen en signalen van mogelijke sektarische misstanden zijn de afgelopen vijf jaar landelijk geregistreerd? Is er sprake van een stijgende trend?
Het begrip «sektes» kent geen duidelijke, breed gedragen, definitie. Mede als gevolg hiervan kunnen er geen eenduidige cijfers uit de politiesystemen worden gehaald. De cijfers van het aantal hulpvragen bij het Hulppunt Onder Controle (HOC) van Fier bieden enigszins inzicht in de omvang van sektarische misstanden. HOC biedt sinds juli 2025 online hulpverlening voor slachtoffers die in een dwingende groep zitten of hebben gezeten, en voor hun naasten die zich zorgen maken. In de eerste drie kwartalen na livegang (t/m maart 2026) heeft het hulppunt zo’n 480 gesprekken gevoerd met ruim 200 unieke chatters. Daarbij hebben ruim 50 van deze chatters meer dan één gesprek gevoerd. In de 480 gesprekken zijn door chatters meer dan 60 verschillende (unieke) groeperingen genoemd. Dit aantal zal daadwerkelijk hoger liggen, omdat niet alle slachtoffers bij het HOC terechtkomen en de meeste chatters niet aangeven met welke groepering zij te maken hebben of hebben gehad.
Deelt u de zorgen van deze burgemeesters dat gemeenten onvoldoende handelingsperspectief hebben bij vermoedens van psychische dwang, manipulatie en uitbuiting binnen sektes?
Nee, die zorgen deel ik niet. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), dat mede door het Ministerie van Justitie en Veiligheid gefinancierd wordt, heeft veel kennis en ervaring om (problematiek binnen) gesloten netwerken in kaart te brengen en ondersteunt ook burgemeesters, gemeenten en ketenpartners bij het vormgeven van de regierol. Daarbij kan tevens worden aangesloten op bestaande (regionale) structuren, waaronder zorg- en veiligheidshuizen en Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC’s) waar de problematiek binnen gesloten netwerken de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit raakt. Deze overlegstructuren hebben met de inwerkingtreding van de Wet gegevensdeling door samenwerkingsverbanden (Wgs) op 1 januari 2025 de mogelijkheid om informatie uit te wisselen tussen de deelnemende partners en tussen regio’s. Gemeenten beschikken daarnaast over een aantal algemene instrumenten waarmee tegen bepaalde overtredingen kan worden opgetreden, zoals bijvoorbeeld het opleggen van een last onder dwangsom bij het overtredingen van bijvoorbeeld de APV of bouwvoorschriften.
Bent u zich ervan bewust dat er bredere maatschappelijke onrust bestaat over dit fenomeen en het ervaren gebrek aan beleid en aanpak? Hoe weegt u deze signalen?
Ik ben me goed bewust van de onrust die sekten teweeg kunnen brengen en het hierover afgegeven signaal door de Twentse burgemeesters. Hoewel het een complex onderwerp is, is de verwachting dat de strafbaarstelling van psychisch geweld en het hulppunt een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van de problematiek.
In hoeverre biedt het huidige juridische kader voldoende mogelijkheden om tegen dit soort praktijken op te treden? Hoe vaak is daar succesvol gebruik van gemaakt?
De overheid kan optreden wanneer (personen binnen) gesloten groeperingen de grenzen van de wet overschrijden, bijvoorbeeld door zich schuldig te maken aan strafbare feiten zoals dwang, misleiding, lichamelijk, psychisch en/of seksueel geweld of financieel misbruik. In dergelijke gevallen biedt het strafrecht de mogelijkheid om op te treden en slachtoffers te beschermen. De beoogde afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld kan hieraan bijdragen, zoals in het antwoord op vraag 7 is toegelicht.
Naast strafrechtelijke mogelijkheden beschikt Nederland over een aanvullend wettelijk instrumentarium om verenigingen te verbieden en te ontbinden. Dit is geregeld in artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek. In de voortgangsbrief Slachtofferbeleid die voor de zomer naar de Kamer wordt gestuurd, wordt nogmaals bezien wat er wel en niet mogelijk is met betrekking tot de motie van de leden Van Nispen (SP) en Michon-Derkzen (VVD) om te onderzoeken hoe mensen beter beschermd kunnen worden tegen sektes.2
Voor het begrip «sekte» bestaat echter geen eenduidige en objectieve definitie. Er worden in de strafrechtketen geen cijfers over bijgehouden.
In hoeverre is het wetsvoorstel inzake strafbaarstelling van psychisch geweld mede bedoeld om misstanden binnen sektes aan te pakken?
Op 10 juli 2025 is, samen met de brief over de voortgang van de prioriteiten uit het plan van aanpak «Stop femicide!», een beschrijving van de contouren van de strafbaarstelling van psychisch geweld naar de Tweede Kamer gestuurd.3 Hierin is het voornemen aangekondigd om een zelfstandige strafbaarstelling van dwingende controle te introduceren. Deze strafbaarstelling is niet beperkt tot gevallen waarin een bepaalde relatie bestaat tussen de dader en het slachtoffer (bijvoorbeeld partnerschap). Dit betekent dat ook als binnen een gesloten groep sprake is van dwingende controle, dit strafbaar kan zijn op grond van de nieuwe strafbaarstelling.
Wanneer wordt dit wetsvoorstel aan de Kamer aangeboden?
Het streven is om het wetvoorstel voor de zomer van 2026 in consultatie te geven.
Welke zorg en ondersteuning wordt momenteel aan slachtoffers van sektes geboden? Acht u deze voldoende, mede gelet op de signalen van gemeenten en ervaringsdeskundigen?
Fier is in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 1 juni 2024 gestart met een 2,5-jarige pilot om een hulppunt in te richten. Met het Hulppunt Onder Controle (HOC), waar slachtoffers en hun naasten sinds 1 juli 2025 terechtkunnen voor online hulpverlening, is er een herkenbare plek waar signalen van onveiligheid en dwingende controle binnen (gesloten) groeperingen samenkomen en waar kennis en expertise voorhanden is om informatie te verstrekken en hulpverlening te bieden gerelateerd aan problematiek binnen dwingende (gesloten) groeperingen. Het hulppunt van Fier investeert in onderzoek en het ontwikkelen van expertise op het gebied van onveiligheid en dwingende controle in (gesloten) groeperingen, met als doel een landelijke kennisfunctie te creëren. Verworven kennis en bestaande kennis uit de praktijk vormt de basis voor het hulppunt en de gerichte, onderbouwde inzet van hulpprofessionals die betrokken zijn bij de online hulpverlening.
Het hulppunt is erop gericht dat slachtoffers in verschillende fases bij het hulppunt terecht kunnen – als zij al recent of langer geleden bij de groepering weg zijn, maar ook als zij twijfelen over (de veiligheid binnen) hun groepering en nog steeds bij een groep betrokken zijn. Ook naasten van (potentiële) slachtoffers kunnen met hun zorgen terecht bij het hulppunt. Op de website van het HOC kunnen gebruikers informatie vinden over mogelijke kenmerken van dwingende groeperingen, ervaringen van andere slachtoffers en hoe en waarvoor mensen hulp kunnen krijgen. Via de website kunnen gebruikers ook veilig, vertrouwelijk en kosteloos chatten met Fier, waar ze van hulpverleners een luisterend oor, advies en professionele hulp ontvangen. Chatgebruikers kunnen een account aanmaken, zodat ze op hun eigen gewenste moment meerdere keren terug kunnen komen voor hulp. De chat staat in verbinding met hulpverleningspartners en (opsporings)instanties, zodat er mogelijk verbinding kan worden gemaakt met offline ondersteuning indien zij dat wensen.
Sinds de start van het HOC is er met ruim 200 hulpvragers contact geweest, wat erop duidt dat er in ieder geval slachtoffers en naasten zijn die het hulppunt weten te vinden. In juni en september 2026 houdt Fier een online campagne om de naamsbekendheid van het HOC te vergroten en geïnteresseerden en (potentiële) hulpvragers door te leiden naar de website waardoor meer mensen geïnformeerd raken over de hulp die het hulppunt biedt en eventueel een chat kunnen opstarten. In het najaar van 2026 wordt de evaluatie van de pilot bij Fier opgeleverd. Als de pilot succesvol blijkt te zijn, is het streven om de hulp- en kennisfunctie van het hulppunt duurzaam in te richten.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van de oproep van deze burgemeesters en eerdere verzoeken vanuit de Kamer, aanvullend onderzoek te doen naar de aard en omvang van sektarische problematiek in Nederland, de effectiviteit van huidige instrumenten en de vraag welke aanvullende maatregelen nodig zijn?
Gelet op de hiervoor toegelichte maatregelen die zijn en worden getroffen zie ik op dit moment geen noodzaak om nader onderzoek te doen.
De materieelafhankelijkheden van de Nederlandse krijgsmacht |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u op hoofdlijnen aangeven in welke capaciteitsdomeinen Defensie structureel afhankelijk is van leveranciers buiten de Europese Unie?
Nederland werkt samen met Europese bondgenoten om als Europa meer verantwoordelijkheid te nemen voor onze veiligheid. Het Kabinet doet publiekelijk geen inhoudelijke uitspraken over afhankelijkheden van andere landen.
In zijn algemeenheid geldt dat de keuze voor een bepaald wapensysteem altijd een afhankelijkheid van de (buitenlandse) leverancier oplevert, zowel voor de initiële levering, voor de levering van de bijbehorende munitie, als voor de instandhouding zoals door de levering van reservedelen. Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van (inzet)voorraden munitie en reservedelen, de aanschaf van onderhoudsdocumentatie en het onderhoud (deels) in eigen beheer te nemen. Voor elk project worden daarin afgewogen keuzes gemaakt, die per project kunnen verschillen.
In de Economische Beleidsanalyse Defensie-industrie (Kamerstuk 31 125, nr. 143) wordt onder meer onderzocht op welke capaciteitsgebieden in Nederland en Europa afhankelijkheden kunnen worden gemitigeerd.
In welke van deze capaciteitsdomeinen is sprake van een single source-situatie, waarbij op korte of middellange termijn geen volwaardig Europees alternatief voorhanden is?
Zie antwoord vraag 1.
Welke aspecten van operationele soevereiniteit vormen volgens u de meest kwetsbare afhankelijkheden, en welke hiervan acht u het meest urgent om te mitigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per capaciteitsdomein duiden of er sprake is van een volwassen Europees alternatief, een Europees alternatief in ontwikkeling, of het geheel ontbreken van een Europees alternatief?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afwegingscriteria hanteert u bij de keuze tussen een Europese en een niet-Europese leverancier en welk gewicht krijgt strategische autonomie in die afweging ten opzichte van prijs, levertijd en interoperabiliteit?
De geopolitieke ontwikkelingen vragen dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid en meer rekening houdt met strategische autonomie en leveringszekerheid. Dat vraagt om een vitale defensie-industrie die beter kan bijdragen aan de behoefte van de krijgsmacht (Beleidsbrief Defensie april 2026 – Kamerstuk 36 800, nr. 78). Defensie laat om deze reden herkomst – binnen de grenzen van het aanbestedingsrecht – steeds zwaarder meewegen in de keuzes voor materieel, naast kwaliteit, prijs en levertijd (Actieagenda Productie- en Leveringszekerheid – Kamerstuk 36 410, nr. 93 – en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie – Kamerstuk 31 125, nr. 125). Defensie kijkt daarom naar Nederlandse en Europese leveranciers voor de levering van militair materieel en munitie, voor zover de operationele gereedheid en de veiligheid van onze mensen dit toelaten. Daarnaast wordt bij de afweging gekeken naar risico’s in de leveringsketen, afhankelijkheden van derde landen en de mate waarin interoperabiliteit binnen NAVO- en EU-verband is geborgd.
Bent u bereid om bij verwervingsbeslissingen expliciet mee te wegen dat een Europese leverancier, ondanks bijvoorbeeld een eventueel hogere prijs of latere leverdatum op dit moment, bijdraagt aan het structureel opbouwen van Europese industriële capaciteit?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, strategische autonomie en leveringszekerheid ook de herkomst van het materieel meewegen voor zover dit binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving mogelijk is. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Orders zijn een belangrijke factor in de mogelijkheid van defensiegerelateerde bedrijven om op te kunnen schalen en nieuwe producten te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft Defensie in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie aandacht voor «industrieversterkend inkopen». Defensie beziet per casus waar dit instrument kan worden toegepast, conform de ambities die het kabinet in het coalitieakkoord heeft opgenomen. Hierbij houdt Defensie oog voor de operationele gereedheid van de krijgsmacht en de veiligheid van onze militairen. Indien Europese of Nederlandse leveranciers niet (tijdig) kunnen voorzien in de behoefte van de krijgsmacht, beziet Defensie parallel hoe soortgelijke capaciteiten kunnen worden opgebouwd in samenwerking met internationale partners.
Kunt u reflecteren op de balans tussen kwaliteit en kwantiteit in het Nederlandse materieelbeleid en toelichten in hoeverre de lessen uit Oekraïne, waar voorraaddiepte, verliestolerantie en industriële opschaalbaarheid cruciaal zijn gebleken, aanleiding geven om die balans te herijken?
Vanwege de geopolitieke situatie ligt de focus van Defensie op versterking en vernieuwing van de krijgsmacht, op versneld toewerken naar militaire paraatheid en innovatie, en op het scheppen van de voorwaarden om het gevecht langere tijd te kunnen volhouden. Defensie is volop bezig om binnen de vastgestelde kaders de plannen en maatregelen hiervoor uit te werken. Hierbij wordt rekening gehouden met de vereisten die moderne oorlogsvoering aan de krijgsmacht stelt. Hierover wordt uw Kamer in de Defensienota 2026 nader geïnformeerd. Duidelijk is dat in het materieel- en industriebeleid de balans moet worden gevonden tussen vervanging en vernieuwing van bestaande capaciteiten evenals ontwikkeling van nieuwe capaciteiten en toepassing van innovatieve technologieën. Defensie zet zich in om de productiemogelijkheden van militair materieel in Nederland en Europa op te schalen. Naast investeringen in zwaardere bemenste wapensystemen, zet Defensie ook in op onbemenste en goedkopere wapensystemen. Vanuit een operationeel en financieel perspectief streeft Defensie naar een mix van hoogtechnologische en laagtechnologische middelen. De verwerving van onbemenste systemen hoort daarbij. Het gaat naast afwegingen van kwaliteit en kwantiteit ook om aspecten zoals tijdige beschikbaarheid en herkomst van materieel, en de wijze waarop Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zo goed mogelijk worden betrokken.
In welke Europese instrumenten en programma’s participeert Nederland gericht op het afbouwen van niet-Europese afhankelijkheden en in welke projecten vervult Nederland een leidende of substantieel meedragende rol?
Nederland neemt deel aan verschillende EU-programma’s die zich richten op versterking van de Europese defensie-industrie. Momenteel neemt Nederland en de Nederlandse industrie bijvoorbeeld deel aan het Europees Defensiefonds, dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling. Daarnaast is Nederland voornemens om ook deel te nemen aan het Europees Defensie-Industrie Programma (EDIP).
Welke instrumenten zet u in om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen te positioneren in die Europese ontwikkelingsprogramma’s en acht u deze instrumenten afdoende?
Defensie heeft instrumenten waarmee Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen worden ondersteund bij het deelnemen aan Europese programma’s als het Europees Defensiefonds (EDF) en het Europees Defensie-industrie Programma (EDIP). Zo heeft Defensie budgetten beschikbaar waarmee de deelname van industrie en instituten aan het EDF wordt gefinancierd. Ook heeft Defensie budget beschikbaar om bedrijven en instituten in staat te stellen om deel te nemen aan ontwikkelingsactiviteiten van het Europees Defensie Agentschap (EDA). Tenslotte financiert Defensie de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om Nederlandse bedrijven te ondersteunen die willen deelnemen aan Europese ontwikkelingsprogramma’s. Aangezien de defensiegerelateerde ontwikkelprogramma’s in het volgende Meerjarig Financieel Kader van de EU in aantal en omvang zullen toenemen, is het te verwachten dat de instrumenten van Defensie op termijn moeten worden opgeschaald. De exacte omvang van die opschaling is nu nog niet goed in te schatten.
Op welke termijn en met welke concrete mijlpalen verwacht u de meest kritische niet-Europese afhankelijkheden afgebouwd of gemitigeerd te hebben?
Zie antwoord op de vragen 1 tot en met 4.
Kunt u deze vragen ruimschoots voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Ja.
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Ja, daarvan is kennisgenomen.
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens uw Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief3 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025. Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestede diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Wat betreft uw vraag inzake eventuele exitstrategieën van Defensie het volgende. Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt bij een aantal (operationele) defensieonderdelen gebruik gemaakt van de Palantir-software. Dit gebeurt onder strikte maatregelen en in volledige afgesloten omgevingen. Ook wordt in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners onderzocht in hoeverre deze technologie hieraan kan bijdragen. Het afbouwen van afhankelijkheden is een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen, maar dat kan bijvoorbeeld ook door in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven verschillende contractuele, organisatorische en technische maatregelen te treffen. Tegelijkertijd onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Henk Vermeer (BBB), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Eric van der Burg (VVD), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
De snel verslechterende situatie in het oosten van Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente signalen vanuit het maatschappelijk middenveld dat de situatie in het oosten van Congo in hoog tempo verslechtert, onder meer door het massaal terugtrekken van donoren als gevolg van sancties en afnemende financiering?1 Hoe beoordeelt u de acute humanitaire en economische gevolgen hiervan?
Ja, ik ben op de hoogte van de zorgelijke en voor de bevolking uiterst ingrijpende situatie in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC). De signalen die wij ontvangen, onder meer vanuit het maatschappelijk middenveld, zijn verontrustend. Het aanhoudende conflict maakt beschikbaarheid van diensten en producten, zoals gezondheidszorg, voedsel en onderwijs, drinkwater voor de lokale bevolking steeds beperkter, met oplopende humanitaire noden tot gevolg. De huidige volatiele situatie en beperkte humanitaire toegang maakt het voor organisaties actief in het gebied moeilijk om hun werk uit te kunnen voeren. Daarom maakt de EU zich hard voor verbeterde humanitaire toegang. EU Commissaris Lahbib bracht hiertoe recent een bezoek aan de regio en kondigde tevens extra humanitaire hulp aan. De EU is de grootste humanitaire donor in de Grote meren regio.
Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat de bevolking in het oosten van Congo zich in de steek gelaten voelt door zowel hun nationale overheid als de internationale gemeenschap? Welke concrete stappen zet Nederland om de bevolking in het oosten van Congo te ondersteunen?
De internationale gemeenschap spant zich middels lopende vredesprocessen in om tot een politieke oplossing van het conflict te komen. De EU verkent mogelijkheden om het vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie te ondersteunen.
Naast de humanitaire bijdragen van de EU, spant ook Nederland zich in voor humanitaire dienstverlening aan de bevolking in het conflictgebied in de DRC, met een bijdrage van EUR 9 miljoen aan het landenfonds van de VN en EUR 8,6 miljoen aan de Dutch Relief Alliance voor programmering in 2026. Daarnaast geeft Nederland ook ongeoormerkte bijdragen aan hulporganisaties (VN, Rode Kruis) die ook in het oosten van de DRC werkzaam zijn. Zo is Nederland een van de grootste donoren van het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN, dat in 2025 bijna USD 50 miljoen aan hulp voor de DRC beschikbaar maakte.
Ook is Nederland in het gebied actief middels steun aan uitvoeringsorganisaties via het Grote Meren Programma. Tot eind 2027 worden met Nederlandse hulp projecten uitgevoerd die steun bieden op het gebied van toegang tot gezondheidszorg, met focus op SRGR, voedselzekerheid en water, en rechtsbijstand.
Hoe beoordeelt u berichten dat de economie in delen van het oosten van Congo vrijwel tot stilstand komt en dat lokale organisaties en maatschappelijke initiatieven op omvallen staan? Wat betekent dit voor de stabiliteit in de regio op korte en middellange termijn?
De berichten komen overeen met de analyse van lokale partners van de ambassade in de DRC en internationale experts. Door het conflict worden handelsroutes gehinderd, is de belastingdruk op ondernemingen verhoogd, is de landbouwproductie afgenomen en zijn industrieën minder gaan produceren. Hierdoor zijn veel mensen uitgeweken naar andere delen in het land en de regio, en is de werkgelegenheid sterk gedaald. Het conflict heeft een destabiliserend effect op de bredere Grote Meren regio. Zonder een duurzame politieke oplossing is de verwachting niet dat er op de korte of middellange termijn significante stabilisering merkbaar zal zijn.
Kunt u ingaan op signalen dat het gezondheidssysteem in het oosten van Congo dreigt te bezwijken, onder meer door belemmerde import van medische goederen en het wegvallen van leveringen van essentiële medicijnen en vaccins vanuit Kinshasa? In hoeverre acht u deze berichten betrouwbaar en wat is de Nederlandse inzet om verdere instorting te voorkomen?
Het gezondheidssysteem staat onder druk in de DRC in het algemeen, en in het oosten van de DRC in het bijzonder. De gezondheidszorg binnen en buiten de door M23 bezette gebieden kent een tekort aan personeel, medicijnen, materialen en financiële middelen. Gezondheidscentra zijn daarnaast regelmatig het doelwit van aanvallen en plunderingen door verschillende gewapende groepen, met als gevolg dat ook medisch personeel moet vluchten of thuis moet blijven. Verder worden humanitaire organisaties regelmatig de toegang tot gemeenschappen ontzegd door gewapende groepen, of zijn de toegangswegen dusdanig slecht dat de gemeenschappen niet meer te bereiken zijn. Ik acht deze berichten daarom betrouwbaar.
Nederland steunt gezondheidscentra in de door M23 bezette gebieden op het gebied van hulp aan slachtoffers van geweld tegen vrouwen, en steunt programma’s voor verbeterde voeding voor kinderen en zwangere vrouwen. Deze steun, en die van andere donoren, helpen de nog functionerende gezondheidscentra om diensten te blijven aanbieden en contacten met hulporganisaties te behouden.
Hoe beoordeelt u de sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld (SGBV) en de aanhoudende mensenrechtenschendingen in de regio, mede in het licht van berichten dat communicatie hierover actief wordt onderdrukt? Op welke wijze zet Nederland zich in voor bescherming van burgers en het documenteren en adresseren van deze schendingen?
De sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld is zeer zorgwekkend. Nederland steunt verschillende initiatieven in het oosten van de DRC om slachtoffers van seksueel en gender gerelateerd geweld bij te staan en hulp te leveren. Daarnaast steunt Nederland diverse actoren die mensenrechtenschendingen documenteren. Verder steunt de activiteit Defend Defenders mensenrechtenverdedigers, en werken verschillende activiteiten van het Building Peaceful Societies programma in de bezette gebieden onder meer aan het sensibiliseren van strijdende partijen over het Internationaal Humanitair Recht.
Klopt het dat Nederland inzet op een afbouw van activiteiten in de Grote Meren regio in Afrika? Zo ja, hoe verhoudt deze strategie zich tot de snel verslechterende situatie ter plaatse en bent u bereid deze inzet te heroverwegen en te bezien welke rol Nederland nu en in de toekomst kan en moet spelen in het oosten van Congo?
In de Kamerbrief betreffende het beleid van ontwikkelingshulp van 20 februari 20252 is uw Kamer geïnformeerd over het voornemen tot beëindigen van het Grote Meren Programma (GMP). Ik zal de Kamer voor het zomerreces informeren over de uitvoering van de motie-Bamenga c.s. over voortzetten van succesvolle programma’s van het GMP.
Kunt u toezeggen, overwegende dat ondanks een eerdere Kamerbrief over de breed gesteunde motie-Bamenga c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 32) die verzoekt tot continuering van het Grote Meren Programma er nog altijd geen duidelijkheid is over de wijze waarop deze continuering met Nederlands ontwikkelingsgeld in deze regio wordt vormgegeven, om succesvolle programma’s binnen het Grote Meren Programma te continueren en zo snel mogelijk met een brief te komen over de exacte uitvoering van de motie-Bamenga c.s.?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe kijkt u naar het bericht dat er een akkoord gesloten zou zijn tussen de rebellen en de Congoleze overheid over het leveren van humanitaire hulp?2 Wat betekent dit concreet voor de Nederlandse inzet in de regio?
Het is van belang dat alle strijdende partijen bewust zijn van hun rol en verplichtingen rond het zorgen voor vrije toegang van humanitaire hulp aan getroffen gemeenschappen. Deze verplichtingen vanuit het Internationaal Humanitair Recht zijn niet afhankelijk van akkoorden en dienen altijd gerespecteerd worden. Daarom pleit Nederland in Europees en internationaal verband voor het openen van humanitaire corridors en het respecteren van het Internationaal Humanitair Recht, waaronder ongehinderde humanitaire toegang. Akkoorden kunnen deze verplichtingen benadrukken of faciliteren en kunnen in die zin ondersteunend zijn, maar vervangen reeds bestaande internationale verplichtingen niet.
De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Ja.
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
In de afgelopen drie jaar zijn in totaal 25181 zaken afgedaan via (super)snelrecht. Het gaat hierbij om vermogensdelicten, misdrijven tegen openbare orde en gezag, geweldsdelicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, wapenmisdrijven, overige misdrijven uit het Wetboek van strafrecht en misdrijven uit andere wetten.
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
De inhoud van de boodschap van demonstranten speelt geen rol bij de wijze van afdoening van strafbare feiten. (Super)snelrecht is een versnelde wijze van afdoen waarbij de verdachte al binnen enkele dagen voor de rechter verschijnt. Deze vorm van afdoeding wordt gebruikt voor eenvoudige zaken (als bedoeld in art 368 Wetboek van Strafvordering) waarbij het bewijs snel beschikbaar moet zijn. Daarnaast moet het dossier voldoende duidelijk, eenvoudig én compleet te zijn. Alhoewel de verdachte niet hoeft in te stemmen met de toepassing van (super)snelrecht, moeten de rechten van de verdachte in voldoende mate worden gewaarborgd. Voor de toepassing van (super)snelrecht moet dus aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Daarom kan het voorkomen dat bij sommige voorvallen (super)snelrecht wél en bij andere (vergelijkbare) voorvallen (super)snelrecht niet kan worden toegepast. Zelfs komt het voor dat ten aanzien van verdachten die allen betrokken zijn bij hetzelfde voorval, voor de ene verdachte (super)snelrecht wél mogelijk is en voor de andere niet.
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, is de toepassing van (super)snelrecht afhankelijk van de omstandigheden. Het OM en de rechter behandelen personen die strafbare feiten plegen niet verschillend op basis van het onderwerp van de demonstratie.
De Dag van de Geleidehond. |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Dag van de geleidehond? Zo ja, deelt u de mening dat meer bekendheid voor hulphonden, zowel voor geleidehonden als andere hulphonden die helpen met bijvoorbeeld PTSS, belangrijk is?
Ja, ik ben bekend met de Dag van de geleidehond. Mooi dat op deze dag de bekendheid voor hulphonden aandacht krijgt. Helaas ben ik ook bekend met de signalen dat mensen met een hulphond op openbare plekken geweigerd worden. Uit onderzoek van de Nederlandse Assistentiehonden Branchevereniging (2025) blijkt dat 44% van de hulphondengebruikers wel eens toegang tot een openbare plek is geweigerd.1 Ook uit recent onderzoek van de Oogvereniging blijkt dat één op de drie geleidehondengebruikers het afgelopen jaar wel eens is geweigerd of een oplossing kreeg aangeboden die niet werkbaar was tot het verkrijgen van toegang tot de locatie.2
In welke mate herkent u de signalen dat mensen met een hulphond op openbare plekken regelmatig geweerd worden, terwijl toegang wettelijk verplicht is?
Zie antwoord vraag 1.
In welke mate herkent u de signalen dat er sprake is van nep-hulphonden, waarbij honden voor veel geld verkocht worden die niet in staat zijn om hun baasje te helpen op de benodigde manier?
Ook dit signaal herken ik. De hulphondensector heeft mij op dit probleem geattendeerd.
Denkt u dat een kwaliteitskeurmerk en een daaraan verbonden hulpdierenpaspoort voor deze beide problemen een oplossing kan zijn? Zo ja, op welke manier kan dat vormgegeven worden? Zo nee, waarom niet?
Een kwaliteitskeurmerk met een conformiteitenbeoordeling kan inderdaad een oplossing zijn voor deze problemen. Daarover ben ik met de sector in gesprek. Met een conformiteitsbeoordeling kan worden beoordeeld of een product, dienst, persoon, ontwerp of een systeem voldoet aan bepaalde vooraf gestelde eisen. Deze beoordeling wordt uitgevoerd door een onafhankelijke organisatie en is daarmee een kwaliteitskeurmerk voor hulphondenscholen. Daarmee wordt het onderscheid tussen gekwalificeerde scholen met goed opgeleide hulphonden en niet gekwalificeerde scholen met «nephulphonden» duidelijk. Dit kan eenvoudig
gecontroleerd worden aan de hand van een lijst van scholen die voldoen aan het keurmerk. De normen die onderdeel uitmaken van de beoordeling worden gebaseerd op een Europees normalisatietraject voor hulphonden. Het is nog niet exact bekend wanneer dit normalisatietraject gereed is. Daarom is een startdatum van een lancering van een dergelijk keurmerk nog niet bekend.
Naast een keurmerk is herkenbaarheid van hulphonden die zijn getraind door een gekeurde school van belang. In de gesprekken met de sector over het conformiteitenstelsel bespreek ik ook wat de mogelijkheden zijn voor een uniform uiterlijk kenmerk ter identificatie van hulphonden die voldoen aan het kwaliteitskeurmerk. Een volgende stap is om samen met de sector en met MKB-Nederland in gesprek te gaan over hoe bedrijven en organisatie hierover geïnformeerd kunnen worden, zodat weigeringen voorkomen worden. De exacte termijn van deze actie is nog onbekend, omdat dit ook samenhangt met de implementatie van het nieuwe certificeringsstelsel.
Het dierenpaspoort is niet het instrument om te bewijzen dat er sprake is van een hulphond die voldoet aan het keurmerk. Het paspoort is een verplichting op grond van EU Verordening 2016/429 (Diergezondheidsverordening) en het Besluit houders van dieren. Dit paspoort is verplicht voor alle honden die op of na 1 november 2021 zijn geboren. Het paspoort zorgt, naast de verplichte chip, voor de identificatie van de hond en heeft als doel om publieke gezondheidseisen te borgen. Het paspoort is dus niet bedoeld voor doeleinden als een kwaliteitskeurmerk.
Bent u ermee bekend dat de gemiddelde wachttijd voor een hulphond inmiddels is opgelopen tot anderhalf tot twee jaar? Deelt u de mening dat deze wachttijd drastisch omlaag zou moeten?
Daar ben ik mee bekend. Ik deel ook uw opvatting dat de wachtlijsten omlaag moeten.
Ziet u mogelijkheden om met een voorlichtingscampagne over de hulphond meer mensen te enthousiasmeren om een geleidehond op te leiden?
Hulphonden worden doorgaans opgeleid door of met behulp van een hondenschool. In mijn gesprekken met de sector zal ik nagaan welke problemen er concreet zijn en of ik hen in contact kan brengen met relevante partijen die kunnen helpen met het oplossen van de desbetreffende problemen.
In welke mate herkent u de signalen dat er onduidelijkheid bestaat voor mensen met een visuele beperking of zij een hulphond vergoed kunnen krijgen bij de zorgverzekeraar of de gemeente?
Ik ben bekend met deze signalen. Voor mensen met een visuele beperking is de route in principe helder: de blindengeleidehond valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en wordt vergoed via de zorgverzekeraar. Toch kan er in de praktijk verwarring ontstaan. Sommige andere typen hulphonden kunnen in het kader van de beleidsvrijheid van de Wet maatschappelijke ondersteuning door de gemeente worden vergoed; dat onderscheid is voor mensen niet altijd inzichtelijk, wat kan leiden tot onduidelijkheid over welke route voor hen van toepassing is. Ik ga met gebruikers en de sector in gesprek om te kijken waar de onduidelijkheden zitten betreft het aanvragen van vergoeding van een geleidehond en om te kijken wat voor oplossingen er mogelijk zijn.
Bent u bereid om in gesprek gaan met zorgverzekeraar en gemeenten om ervoor te zorgen dat de regels over vergoeding van hulphonden duidelijker uitgelegd worden?
Het bericht 'Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Belgische winkels krijgen geen verplichte rustdag meer en mogen langer open»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe reflecteert u op het bericht dat onze Zuiderburen de stap willen nemen om ondernemers zelf te laten bepalen wanneer zij open willen?
Gezien de lopende evaluatie van de Nederlandse Winkeltijdenwet houd ik ook de ontwikkelingen in het buitenland in de gaten. Met dit besluit wil België meer aansluiten bij winkeltijden die veelal doordeweeks en op zaterdagavond in Nederland worden gehanteerd. Voor wat betreft de zondag geldt dat veel Belgische ondernemers in verband met arbeidswetgeving niet na 12.00 uur open mogen zijn. Alleen in bepaalde toeristische centra kunnen Belgische ondernemers langer open zijn als daarvoor specifieke regelingen zijn getroffen. In Nederland is het in veel gemeenten wel mogelijk om langer op zondag open te zijn op grond van gemeentelijke verordeningen.
Bent u het, net als de Belgische Minister Simonet, ermee eens dat ondernemers zelf capabel genoeg zijn om te bepalen wanneer zij wel of niet open gaan? Zo nee, waarom niet?
In Nederland mogen winkels in principe op werkdagen en zaterdagen open zijn. Ondernemers mogen binnen de wettelijk vastgestelde openingstijden zelf bepalen of zij wel of niet opengaan. Voor wat betreft zon- en feestdagen geldt dat gemeenten zelf mogen beslissen of en wanneer winkels die dag open mogen zijn. Veel gemeenten hebben de zondag volledig vrijgegeven, een aantal gemeenten stellen hieraan beperkingen of bieden winkels geen mogelijkheid om open te gaan. In de evaluatie van de Winkeltijdenwet, die loopt tot en met medio juni, wordt onderzocht of de huidige regels nog passen bij het gedrag van consumenten, de positie van winkeliers, werknemers en de rol van gemeenten. Per brief wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en over het standpunt van het kabinet.
Wat zijn de gevolgen van het Belgische besluit voor de Nederlandse ondernemers in de grensregio die hun winkel op zondag gesloten of deels gesloten moeten houden?
Vooralsnog zie ik beperkte gevolgen voor Nederlandse ondernemers in de grensregio, omdat veel Belgische ondernemers op zondag niet na 12:00 uur ’s middags open zijn in verband met arbeidswetgeving. In bepaalde toeristische centra kunnen Belgische ondernemers langer open zijn als daarvoor specifieke regelingen zijn getroffen. In Nederland bestaat weliswaar een landelijk verbod op zondagsopening, maar op gemeentelijk niveau is het mogelijk om daarvan af te wijken. Veel gemeenten doen dat ook, waardoor veel Nederlandse ondernemers in de grensregio langer open mogen zijn waar Belgische dat niet mogen.
Wat is de voortgang van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en wanneer in het voorjaar van 2026 wordt deze, conform de aangenomen motie-Kisteman (Kamerstuk 26 419, nr. 113), met de Kamer gedeeld?
Onderzoeksbureau Sweco voert in samenwerking met Ipsos de evaluatie naar de Winkeltijdenwet uit. Er zijn inmiddels veel lokale verordeningen in relatie tot de Winkeltijdenwet onderzocht, enquêtes uitgezet, en interviews afgenomen met belanghebbenden. Zoals hierboven toegelicht worden de resultaten eind juni opgeleverd. Zodra ik het definitieve rapport heb ontvangen zal ik deze, samen met mijn bevindingen, in september met uw Kamer delen.
Wordt er tegelijk met het delen van de evaluatie van de Winkeltijdenwet een wetsvoorstel aan de Kamer voorgelegd indien de evaluatie daar voldoende aanknopingspunten toe biedt, zoals in dezelfde aangenomen motie-Kisteman om is verzocht? Zo nee, waarom niet?
Uw Kamer wordt in september geïnformeerd over de bevindingen van het kabinet, en indien daar aanleiding toe is, voorzien van een wetsvoorstel.
De raamovereenkomst met een Europees cloudbedrijf |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Kunt u meer toelichten over de raamovereenkomst die is gesloten met het Europese cloudplatform STACKIT?1
Strategisch Leveranciersmanagement (SLM) Rijk heeft de opdracht om, binnen de kaders van wet- en regelgeving en vigerend beleid, het afnemen van (cloud)diensten te faciliteren voor rijksorganisaties. Hiervoor sluit SLM Rijk de zogenaamde «Framework Agreements» (hierna: raamovereenkomst) af met cloud leveranciers waarin waarborgen zijn opgenomen voor het op verantwoorde wijze gebruiken van (cloud-)diensten.
De keuze voor aankoop en gebruik van een (cloud)dienst onder een door SLM Rijk gecontracteerde raamovereenkomst ligt bij de rijksorganisatie zelf. De raamovereenkomst bevat geen verplichtingen voor daadwerkelijke afname van diensten. De rijksorganisatie dient af te wegen of de aan te schaffen dienst past op haar specifieke vraag en situatie, waaronder de (gevoeligheid van) data die de organisatie wenst te laten verwerken.2
Rijksorganisaties die clouddiensten willen inkopen, kunnen gebruik maken van de door het Rijk afgesloten raamovereenkomst met STACKIT. Bij hun inkooporganisatie kunnen zij informeren hoe de verwerving van clouddiensten georganiseerd dient te worden.
Kunt u de raamovereenkomst aan de Kamer doen toekomen?
Nee. De raamovereenkomst met STACKIT bevat grotendeels bedrijfsvertrouwelijke informatie. Het delen van deze informatie zou nadelige consequenties voor de Staat hebben, omdat leveranciers (met de wetenschap dat bedrijfsvertrouwelijke contracten gedeeld zouden kunnen worden) niet meer genegen zouden zijn (maat-)werkafspraken met de Staat te maken. Er is ook een geldige Non-Disclosure Agreement (NDA) van kracht met de leverancier.
In vraag 4 en 5 wordt antwoord gegeven op een aantal specifieke inhoudelijke vragen.
Hoe ziet u de rol van de Rijksoverheid als lancerende klant van autonome Europese IT-diensten? Hoe draagt de raamovereenkomst met STACKIT bij aan dit doel?
Het kabinet kijkt naar de mogelijkheden om als launching customer op te treden bij de inkoop van clouddienstverlening en bij aanbesteding van dergelijke diensten de mogelijkheden van een Europees voorkeursprincipe te benutten met behoud van de voordelen van een open markt.
Zoals gesteld in beantwoording op vraag 1 kunnen rijksorganisaties met het sluiten van de raamovereenkomst onder veilige en gunstige voorwaarden clouddienstverlening afnemen bij leveranciers. Dit kan een drempelverlagend effect hebben op de inkoop van dienstverlening bij deze leveranciers. Met de inkoop van dienstverlening bij Europese leveranciers, zoals STACKIT, kan de overheid als lancerende klant bijdragen aan de concurrentiepositie van Europese cloudleveranciers. Ook kan dit bijdragen aan een meer divers leveranciersbestand, waarmee afhankelijkheden van niet-Europese aanbieders bij rijksorganisaties worden afgebouwd. Dit draagt bij aan de digitale autonomie van Nederland.
Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat het sluiten van de raamovereenkomst niet inhoudt dat de dienstverlening van STACKIT al daadwerkelijk door onderdelen van de Rijksoverheid is ingekocht.
Met welk doel is de raamovereenkomst gesloten? Zijn er ook afspraken gemaakt over de afname van deze diensten?
Het doel van de raamovereenkomst is om door SLM Rijk onderzochte Europese cloud-alternatieven op verantwoorde wijze beschikbaar te stellen voor rijksorganisaties.
SLM Rijk heeft geen afspraken gemaakt over de afname van diensten; die beslissing ligt bij de rijksorganisaties zelf. Zie ook de beantwoording op vraag 1.
Welke «veilige en gunstige voorwaarden» heeft u afgesproken met STACKIT? Op welke manier dragen deze voorwaarden bij aan de digitale autonomie van Nederland?
Doeltreffende maatregelen m.b.t. de bescherming van persoonsgegevens zijn getroffen naar aanleiding van de door SLM uitgevoerde Data Protection Impact Assessment (DPIA). Conform de uitgevoerde DPIA is in de raamovereenkomst vastgelegd dat alle data exclusief worden verwerkt binnen de EER, inclusief persoonsgegevens. Ook zijn er afspraken gemaakt over (voortijdige) contractbeëindiging bij wijzigingen in eigenaarschap, bijvoorbeeld als STACKIT wordt overgenomen door een buiten de EER gelegen eigenaar.
Zoals gesteld in beantwoording op vraag 1 kunnen rijksorganisaties met het sluiten van de raamovereenkomst onder veilige en gunstige voorwaarden clouddienstverlening afnemen bij leveranciers. Dit kan een drempelverlagend effect hebben op de inkoop van dienstverlening bij deze leveranciers. Met de inkoop van dienstverlening bij Europese leveranciers, zoals STACKIT, kan de overheid als lancerende klant bijdragen aan de concurrentiepositie van Europese cloudleveranciers. Ook kan dit bijdragen aan een meer divers leveranciersbestand, waarmee afhankelijkheden van niet-Europese aanbieders bij rijksorganisaties worden afgebouwd. Dit draagt bij aan de digitale autonomie van Nederland.
Hoe draagt het sluiten van een raamovereenkomst met één leverancier bij aan een eerlijk en open speelveld voor Nederlandse en Europese techbedrijven?
Zoals onder vraag 5 toegelicht kan het sluiten van de raamovereenkomst een drempelverlagend effect hebben op de inkoop van dienstverlening bij deze Europese leverancier. Daarnaast sluit het afsluiten van een raamovereenkomst met één partij de mogelijkheid tot het sluiten van gelijksoortige raamovereenkomsten met andere partijen geenszins uit.
Tegelijkertijd is meedingen in individuele aanbestedingstrajecten voor clouddienstverlening van de Rijksoverheid niet exclusief voorbehouden aan partijen die een raamovereenkomst met SLM Rijk hebben afgesloten. Dit betekent dat aanbieders zonder raamovereenkomst met SLM Rijk evengoed kunnen meedingen in aanbestedingen voor clouddienstverlening.
Het is tevens relevant te benadrukken dat SLM Rijk de intentie heeft met meer Europese cloudaanbieders een raamovereenkomst te sluiten. Zo is er reeds een onderzoek bezig naar OVHcloud en ESET, een Europese leverancier voor securitydiensten. Ook is SLM Rijk in gesprek met Nederlandse cloudbedrijven om de mogelijkheden voor het sluiten van een raamovereenkomst te verkennen.
Hoe borgt u in het sluiten van een raamovereenkomst de diversificatie en keuzevrijheid tussen leveranciers, zoals wel beoogd wordt door een privaat initiatief zoals de Open Cloud Alliantie?2
Er geldt geen afnameverplichting voor het gebruik van STACKIT door rijksorganisaties.
Dit betekent dat net als STACKIT iedere andere cloudaanbieder inclusief leden van bijvoorbeeld de Open Cloud Alliantie, kan meedingen in aanbestedingen.
Welke diensten levert STACKIT? Kunt u concreet maken voor welke belangrijke IT-processen u van plan bent de clouddiensten van STACKIT af te nemen?
STACKIT levert clouddiensten, bijvoorbeeld rekenkracht en opslag. Onder de reikwijdte van de raamovereenkomst zijn deze diensten meegenomen.
Zoals toegelicht in de beantwoording van vragen 1 en 4 zijn afspraken over de afname van diensten geen onderdeel van de raamovereenkomst.
Erkent u dat opslag binnen de Europese Economische Ruimte (EER) geen afdoende bescherming is tegen inzageverzoeken van niet-Europese overheden, als de bedrijven die de opslag beheren onder niet-Europese wetgeving vallen?
Ja, dat erken ik. Omdat dit risico niet van toepassing is op de diensten in scope van de raamovereemkomst met STACKIT, verwijs ik voor een gedetailleerde juridische analyse naar andere door SLM gepubliceerde DPIA’s.4 Zo wordt hierop in de recent gepubliceerde tweede update DPIA op M365 Copilot gedetailleerd ingegaan, specifiek in paragraaf 8.3.4.
Op dit moment zijn er geen afhankelijkheden van niet-Europese bedrijven geconstateerd voor de diensten van STACKIT die zijn opgenomen in de scope van de raamovereenkomst. Zie ook de beantwoording op vraag 11.
Is uitgesloten dat de clouddiensten van STACKIT op welke manier dan ook afhankelijk zijn van niet-Europese techbedrijven in het beheer, onderhoud, de beveiliging, of andere essentiële processen?
Dit is contractueel uitgesloten. Mocht er worden geconstateerd dat de feitelijke situatie in een later stadium zou afwijken van de contractuele waarborgen, dan kan het contract direct worden opgezegd.
Indien dit niet uit te sluiten is, kunt u dan toelichten welke afhankelijkheden STACKIT heeft van niet-Europese bedrijven? Zijn deze afhankelijkheden weg te nemen?
Op dit moment zijn er geen afhankelijkheden van niet-Europese bedrijven geconstateerd voor de diensten van STACKIT die zijn opgenomen in de scope van de raamovereenkomst.
Welke analyses heeft u gemaakt om te bevestigen dat STACKIT daadwerkelijk volledig Europees en autonoom is? Kunt u deze met de Kamer delen?
SLM Rijk heeft de DPIA op STACKIT door een extern bureau laten uitvoeren waarin de potentiële gegevensuitwisselingen met STACKIT zijn onderzocht. Conform de uitgevoerde DPIA is in de raamovereenkomst vastgelegd dat alle gegevens exclusief worden verwerkt binnen de EER, inclusief persoonsgegevens. Ook zijn er afspraken gemaakt over (voortijdige) contractbeëindiging bij wijzigingen in eigenaarschap, bijvoorbeeld als STACKIT wordt overgenomen door een buiten de EER gelegen eigenaar. Zie ook de beantwoording op vraag 5.
Hoe gaat de Rijksoverheid toezien of STACKIT zich aan de afspraken houdt? Welke toezichthouder is hiertoe aan zet?
SLM Rijk zal dat doen door middel van uitoefening van het bedongen auditrecht, dit is onderdeel van regulier contractbeheer. De toezichthouder is in casu dus niet aan zet.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.
Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.
Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».
Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.
De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Tijs van den Brink (CDA), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Ik vind de signalen die naar voren komen in de uitzending van Zembla zorgelijk en neem deze serieus. Het inzetten van rolmodellen, waaronder streamers en influencers, voor online kansspelreclame is sinds de inwerkingtreding van het rolmodellenverbod per 30 juni 2022 niet toegestaan. Dit verbod is destijds ingevoerd om met name jongeren en jongvolwassenen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen en negatieve beïnvloeding door rolmodellen in dat kader. Jongeren zijn bijzonder kwetsbaar voor beïnvloeding, omdat de impulscontrole op die leeftijd nog onvoldoende is ontwikkeld.
Het beeld dat uit de uitzending naar voren komt, laat zien dat er in de praktijk constructies zijn gebruikt die op gespannen voet staan met de bedoeling van de regelgeving. Dat vind ik kwalijk, des te meer als deze constructies gebruikt worden om jongeren te bereiken.
De Kansspelautoriteit (Ksa) is belast met het toezicht op de naleving van de reclameregels voor kansspelen en heeft aangegeven dat zij, mede op basis van ontvangen signalen, haar handhaving op dit punt heeft geïntensiveerd.
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Ik kom niet tot één van beide geschetste conclusies. Het rolmodellenverbod is zowel in de tekst van de regelgeving als in de toelichting daarop duidelijk van toepassing op influencers en daarmee op streamers.
In de uitzending van Zembla wordt weergegeven dat in de praktijk constructies zijn toegepast waarbij is getracht de reikwijdte van het verbod te beperken. Naar aanleiding van signalen hierover heeft de Ksa haar toezicht en handhaving op deze constructies gericht en verduidelijkt dat dergelijke constructies in strijd zijn met de regels. Zoals ook in de Zembla-uitzending genoemd wordt, hebben de aangesproken vergunninghouders hun overeenkomsten met deze streamers en hun platforms beëindigd. Om eventuele verdere onduidelijkheid, onder andere op dit punt, weg te nemen, heeft de Ksa in februari van dit jaar het rolmodellenverbod verder verduidelijkt.2
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
De Ksa houdt doorlopend toezicht op de naleving van het rolmodellenverbod en aanverwante reclamebeperkingen. Daarbij verricht de Ksa risicogestuurd onderzoek naar mogelijke overtredingen, onder meer op basis van signalen, meldingen en eigen monitoring. De Ksa rapporteert hierover periodiek in onder meer haar jaarverslagen en toezichtcommunicatie. Exacte cijfers worden daar niet bij genoemd. Wel blijkt uit het jaarverslag 2025 dat de Ksa ook in dat jaar nog een aantal overtredingen van het rolmodellenverbod heeft geconstateerd. De Ksa geeft aan daartegen te hebben opgetreden en hierover actief te hebben gecommuniceerd, mede om toekomstige overtredingen te voorkomen. Daarnaast zijn waarschuwingen gegeven bij overtredingen van het verbod op sportsponsoring, waarna de betreffende reclame-uitingen zijn beëindigd. Er zijn geen grote overtredingen geconstateerd na invoering van het verbod op sportsponsoring per 1 juli 2025. De kleinere overtredingen, zoals het verkopen van merchandise met het logo van een kansspelaanbieder, zijn gestaakt nadat de desbetreffende aanbieders hierop zijn aangesproken.
De Ksa maakt gebruik van zowel formele als informele toezichtinterventies. Uit het jaarverslag blijkt dat in 2025 nadrukkelijker is ingezet op informele interventies, met name op het terrein van reclame, om overtredingen snel te beëindigen en aanbieders duidelijkheid te geven over de geldende normen.
In algemene zin blijkt uit de meest recente monitoringsrapportages van de Ksa dat de zichtbaarheid van kansspelreclame sinds de invoering van de aangescherpte regels is afgenomen, ook in de online omgeving. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat reclame via sociale media een belangrijk aandachtspunt blijft. De Ksa heeft aangegeven haar toezicht daarop verder te intensiveren.
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Ja, het uitgangspunt van het rolmodellenverbod is bescherming van mensen tegen risico’s van gokken, in het bijzonder kwetsbare groepen zoals jongeren.
In de beleidsregels en de toezichtspraktijk heeft de Ksa verduidelijkt dat influencers die via affiliatie reclame maken ook onder het rolmodellenverbod vallen. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor alle werving- en reclameboodschappen waar zij direct of indirect voor betalen. Deze werving en reclame moet telkens aan de wet- en regelgeving voldoen.
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Ja, die zorg deel ik. Juist reclame via influencers, livestreams en content die informerend van aard lijkt te zijn, kan voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren en jongvolwassenen, minder herkenbaar zijn als reclame.
De Ksa monitort actief het gebruik van rolmodellen, zoals influencers en streamers, bij zowel legale als illegale gokaanbieders. Daaronder vallen ook uitingen op sociale mediaplatforms, livestreamingsdiensten en andere online kanalen waar jongeren en jongvolwassenen vaak actief zijn. Hiervoor gebruikt de Ksa verschillende monitoringsinstrumenten. Daarnaast heeft de Ksa een doorlopend proces om signalen over de inzet van rolmodellen voor gokreclame direct op te pakken. Dan gaat het bijvoorbeeld om signalen van consumenten, maatschappelijke organisaties en andere toezichthouders. De Ksa geeft daarbij prioriteit aan interventies gericht op het aanpakken van illegale gokreclame met bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare groepen.
Tegelijkertijd is toezicht op online content complex, omdat er sprake is van veel uitingen die, als het gaat om illegaal aanbod, snel worden aangepast of verwijderd. Daarom houdt de Ksa risicogestuurd toezicht waarbij met de capaciteit en middelen die voorhanden zijn een inschatting wordt gemaakt van het risico van bepaalde signalen. Ik kijk bij de voorziene wetswijziging voor online gokken ook naar uitvoeringsaspecten in monitoring, toezicht en handhaving op het gebied van reclame.
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Wanneer sprake is van reclame, moeten deze uitingen als zodanig herkenbaar zijn en voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor vergelijkingssites, affiliates en andere. De vergunde aanbieders van kansspelen zijn ervoor verantwoordelijk dat in de overeenkomsten met reclamepartijen deze regels worden nageleefd.
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
In lijn met het coalitieakkoord werk ik aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Bij de vormgeving daarvan kijk ik nadrukkelijk naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag.
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Ja, ik ben bekend met deze oproep. Voor zover bij mij bekend betreft de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland een volledig reclameverbod voor online gokken, zoals ook geuit in een eerdere brief aan de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid.3
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 werk ik, in lijn met het coalitieakkoord en de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland, aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Daarbij vind ik het van belang dat het verbod uitvoerbaar en handhaafbaar is, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag. Eenduidigheid in regelgeving kan daaraan bijdragen. Ik geef nu prioriteit aan wijzigingen in wet- en regelgeving voor kansspelen op afstand in verband met de zorgelijke ontwikkelingen aldaar. Nadat het wetgevingstraject rond kansspelen op afstand is afgerond, buig ik mij over de eventuele resterende vraagstukken met betrekking tot het landgebonden aanbod.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Iedere vrouw en ieder meisje heeft recht op veiligheid en gezondheid. Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige schending van de mensenrechten en geen enkele vrouw of meisje zou hier slachtoffer van mogen worden. Uit het onderzoek van Pharos2 blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
De registratie van signalen of meldingen vindt plaats bij diverse organisaties. Zo kan de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) signalen van VGV of het risico daarop registreren. De nieuw ontwikkelde richtlijnmodule voor de JGZ kan professionals daarbij ondersteunen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op de afronding en implementatie van deze module. Daarnaast kunnen adviesvragen en/of meldingen van VGV worden gedaan en geregistreerd bij Veilig Thuis. Iedere professional die vermoedens heeft van (risico op) VGV moet hiervan een melding doen bij Veilig Thuis. Bekend is dat (zorg)professionals die in Nederland een slachtoffer zien van VGV, niet altijd een melding doen bij Veilig Thuis omdat dit de mogelijke ondersteuning van en hulp voor het slachtoffer in de weg staat, bijvoorbeeld door (verwachte) aantasting van de vertrouwensband tussen de professional en het slachtoffer als de professional melding doet. Registraties geven dan ook niet een totaalbeeld van de omvang van de problematiek weer. Het is echter belangrijk dat er altijd een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Het onderzoek van Pharos laat zien dat het aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV 2.606 (2023) is. Dit aantal is gedaald ten opzichte van 2018 (4.190). De daling van het risico hangt volgens de onderzoekers samen met factoren zoals veranderende normen en opvattingen onder de tweede generatie, veranderingen in normen en opvattingen na migratie en verfijning in het rekenmodel van het onderzoek. Dit duidt erop dat bewustwording en preventie effect hebben. Verder zijn er geen signalen van meisjes die na migratie naar Nederland slachtoffer zijn geworden van VGV (bijvoorbeeld tijdens verblijf in het land van herkomst). Met preventieve maatregelen, zoals voorlichting door de JGZ of de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, wordt ingezet op het wegnemen van dit risico.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken levert consulaire bijstand aan Nederlandse slachtoffers in het buitenland. Er zijn enkele gevallen in 2024 (2) en in 2025 (1) bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend waarbij sprake was van achterlating in het buitenland in combinatie met (een vermoeden van) VGV, waarbij hulp werd geboden aan het slachtoffer om terug te keren naar Nederland.
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
De zomerperiode kan potentieel een verhoogd risico met zich meebrengen voor slachtofferschap van VGV. Het kabinet zet diverse preventieve maatregelen in om dit slachtofferschap (het gehele jaar door) te voorkomen. Zo werkt het kabinet in overleg met Schiphol aan een campagne op de luchthaven gericht op potentiële slachtoffers van VGV, huwelijksdwang, achterlating en mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde risico’s. De afgelopen maanden is samen met veldorganisaties gekeken naar de opvolging door de Koninklijke Marechaussee, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en zorg (via Veilig Thuis). Op dit moment wordt de campagne verder uitgewerkt. De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Daarnaast worden er voor de schoolvakanties, waaronder de zomervakantie, nieuwsbrieven verstuurd naar onderwijsprofessionals om hen te attenderen op het risico, signalen en de meldroute in geval van signalen van VGV, huwelijksdwang of achterlating. De JGZ kan ouders die willen afreizen naar het land van herkomst de verklaring tegen meisjesbesnijdenis meegeven. In deze verklaring staan de risico’s en consequenties van VGV vermeld en is opgenomen dat VGV in Nederland als vorm van mishandeling strafbaar is. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen.
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Middels deze primaire preventie wordt beoogd om de grondoorzaken van gendergerelateerd geweld – waaronder VGV – weg te nemen. Ook binnen de inburgeringstrajecten wordt aan preventie gewerkt, door voorlichting over onder andere het recht op zelfbeschikking en het feit dat VGV in Nederland verboden is en informatie over waar men terecht kan voor hulp of advies.
De JGZ voert gesprekken met ouders over de risico’s en gevolgen van VGV. In dit gesprek kan de JGZ voorlichting geven, ook over de Nederlandse wetgeving en de verklaring tegen meisjesbesnijdenis overhandigen. Bij concrete vermoedens of dreiging van VGV wordt gehandeld conform de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarbij Veilig Thuis wordt ingeschakeld.
Op dit moment is het al mogelijk om voor minderjarige meisjes als sprake is van een hoog risico en acuut gevaar op VGV het uitreizen te voorkomen via de rechter door middel van een (spoed)kinderbeschermingsmaatregel, al dan niet in combinatie met een schriftelijke aanwijzing die het reizen met de minderjarige verbiedt. Daarnaast kunnen er in voorkomende gevallen contact- en gebiedsverboden worden opgelegd om het (potentiële) slachtoffer te beschermen.
Verder hebben de grenswachters een belangrijke radarfunctie ter voorkoming dat meisjes en/of vrouwen uitreizen naar het buitenland en daar slachtoffer worden van VGV. Momenteel wordt een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon ontwikkeld die grenswachters snel toegang geeft tot de indicatoren van (onder meer) VGV. Verder wordt in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens gewerkt aan een uitbreiding van de gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling. Dit inzicht kan bijdragen aan het onderkennen van de indicatoren van onder andere VGV.
Verder is in het coalitieakkoord de mogelijkheid voor een uitreisverbod bij onder meer het risico op VGV opgenomen. In de beleidsverkenning naar preventieve beschermingsbevelen die op dit moment wordt uitgevoerd, wordt dit meegenomen. De Minister van Justitie en Veiligheid verwacht de opbrengst van deze verkenning begin 2027 met uw Kamer te kunnen delen.
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
In het kader van preventie van VGV wordt ingezet op bewustwording en normverandering binnen (gesloten) gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen en worden door professionals (bijvoorbeeld in de JGZ) gesprekken gevoerd met ouders over de risico’s en consequenties van VGV voor de gezondheid van hun kinderen. Verder is de verklaring tegen meisjesbesnijdenis een middel dat preventief kan werken. Deze verklaring wordt uitgereikt aan ouders die van plan zijn af te reizen naar het land van herkomst. In de verklaring is onder andere opgenomen welke consequenties VGV heeft en dat dit strafbaar is in Nederland. De verklaring is beschikbaar in acht talen. Verder draagt Nederland bij aan projecten die VGV tegengaan in landen van herkomst, bijvoorbeeld in Afrika.
Zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 4 wordt in het recente onderzoek van Pharos gewezen op het kleinere aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV dan in 2018. De onderzoekers wijzen erop dat het verminderde risico op VGV voor de tweede generatie migranten onder andere het gevolg is van de verandering van normen en opvattingen in landen waar VGV voorkomt. Dit hangt onder meer samen met migratie en invloeden van onderwijs, wetgeving en preventie. Dit kan er op wijzen dat inspanningen gericht op bewustwording en preventie effect hebben.
Het strafrecht biedt een duidelijke norm en maakt opsporing, vervolging en bestraffing juridisch mogelijk. Dat neemt niet weg dat slechts heel weinig zaken een weg vinden naar de politie of het Openbaar Ministerie. Er zijn tot op heden geen veroordelingen bekend. Dit komt onder meer omdat er geen aangifte wordt gedaan. Het strafrecht is een belangrijk onderdeel binnen een integrale aanpak, en draagt met name bij aan normstelling, maar is op zichzelf onvoldoende voor een effectieve aanpak van VGV.
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Het is belangrijk dat professionals de signalen van VGV vroegtijdig herkennen. Dit geldt ook voor zorgprofessionals. Voortdurende inzet op deskundigheidsbevordering blijft daarmee van belang. Er zijn diverse trainingen en e-learnings beschikbaar voor professionals. Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen is door Pharos opleidingsmateriaal ontwikkeld dat kan worden gebruikt in de opleidingen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op verdere doorontwikkeling en verspreiding van dit opleidingsmateriaal.
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie zet in op het versterken van de primaire preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen, waaronder VGV. Primaire preventie richt zich op het bevorderen van gendergelijkheid, het respecteren van wensen en grenzen, en het tegengaan van schadelijke opvattingen en stereotypen om daarmee gender weg te nemen als oorzaak van het ontstaan en voortduren van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen. Een onderdeel is een op te richten mannenalliantie gericht op het versterken van de rol van mannen in het tegengaan van gendergerelateerd geweld. En er wordt toegewerkt naar de uitvoering van primaire preventiemaatregelen op gemeentelijk niveau om te zorgen voor een landelijk dekkende aanpak. Verder wordt door het kabinet op dit moment gewerkt aan een campagne op Schiphol, zoals in vraag 5 benoemd en worden de mogelijkheden voor preventieve beschermingsbevelen verder onderzocht.
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
De subsidies aan organisaties die gemeenschapsgerichte aanpakken vormgeven en sleutelpersonen inzetten, zoals de alliantie Verandering van binnenuit 2.0 en de subsidies aan Movisie en FSAN, lopen tot eind 2027. Bij het opstellen van het nieuwe Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zal worden bezien hoe deze aanpak wordt vervolgd.
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
De beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen (en het uitreisverbod) wordt momenteel uitgevoerd. Uw Kamer wordt hier begin 2027 nader over geïnformeerd.
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
VGV is een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling en valt onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Professionals die onder de meldcode vallen zijn verplicht de stappen van de meldcode te doorlopen. Bij signalen of vermoedens van VGV is het de professionele norm dat er altijd contact wordt gezocht met Veilig Thuis.
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Fraude bij inburgeringsexamens |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat fraude bij inburgeringsexamens directe consequenties moet hebben voor het verblijfsrecht van betrokkenen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?1
Het plegen van fraude vind ik onacceptabel. Wanneer fraude wordt ontdekt bij het basisexamen inburgering buitenland (bib) wordt de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dan ook geweigerd.
Als er wordt ontdekt dat een examenkandidaat heeft gefraudeerd bij het afleggen van een inburgeringsexamen in Nederland op grond van de Wet inburgering 2021 (Wi2021), dan wordt de examenuitslag ongeldig verklaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als een examenkandidaat zich voordoet als een andere persoon, of als een kandidaat verboden hulpmiddelen zoals o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges meeneemt in de examenzaal. Dit kan er vervolgens toe leiden dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een inburgeringsdiploma of, wanneer dit niet direct maar achteraf wordt ontdekt, dat een afgegeven inburgeringsdiploma wordt ingetrokken.
De intentie is om de verblijfsvergunning dan wel het Nederlanderschap niet te verlengen c.q. in te trekken. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt. Of daartoe kan worden overgegaan, hangt af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij vindt steeds een zorgvuldige belangenafweging plaats. Onder andere het evenredigheidsbeginsel en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder het recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven, worden hierin meegewogen.
Welke mogelijkheden bestaan er om reeds verleende verblijfsvergunningen of naturalisaties, die (mede) zijn gebaseerd op frauduleus verkregen inburgeringscertificaten, in te trekken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel personen hebben mogelijk ten onrechte een inburgeringscertificaat verkregen als gevolg van deze fraude, en wat betekent dit voor de betrouwbaarheid van het huidige systeem?
Als het gaat om het basisexamen inburgering buitenland dan zijn de controles naar aanleiding van de fraudezaken aangescherpt. Dergelijk misbruik is onacceptabel. Sinds ik uw Kamer op 24 april jl. heb geïnformeerd is er nog een vervalst slagingsbewijs van het bib ontdekt. Op dit moment zijn er dus acht gevallen van fraude bekend. De aanvraag van de mvv van deze acht personen is afgewezen. Door streng op te treden, zoals het doen van aangifte, wordt een duidelijk signaal afgegeven dat misbruik en fraude niet getolereerd worden. Er vinden nu extra controles plaats en er wordt strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen. Ik onderzoek daarnaast welke vervolgstappen nodig zijn om deze vorm van misbruik in de toekomst te voorkomen. Op deze manier blijft de betrouwbaarheid van het huidige systeem gewaarborgd.
Voor wat betreft de inburgeringsdiploma’s die zijn verkregen op basis van het slagen voor het inburgeringsexamen in Nederland, op grond van de Wi2021, is het volgende van belang. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl. heb laten weten, heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) alle examens van het onderdeel spreekvaardigheid op niveau B1, die op 13 augustus 2025 zijn afgelegd, ongeldig verklaard. Dit heeft het CvTE besloten naar aanleiding van een signaal dat alle vragen uit het examen van die dag waren gedeeld in een Whatsapp-groep. Alle kandidaten die dit examen hadden gedaan, moeten dit examen dus nogmaals afleggen of hebben dit inmiddels gedaan. Om te voorkomen dat dit nogmaals gebeurt, is het aantal afnames per dag beperkt. Doordat er inmiddels extra examens zijn ontwikkeld, is het vanaf mei weer mogelijk om op meerdere momenten per dag verschillende examens af te nemen, zodat het onderling delen van examenopgaven geen zin meer heeft. Verder heeft het CvTE de Minister van OCW en mij laten weten, niet over indicaties te beschikken dat er structureel fraude wordt gepleegd. Na elke afname van een examen worden de resultaten hiervan gemonitord en de afgelopen periode zijn er geen signalen geweest van een (onverklaarbare) sterke stijging van het aantal geslaagden.
Als gevolg van de investeringen die de afgelopen periode zijn gedaan om de databanken met examenopgaven («itembanken») van de onderdelen van het inburgeringsexamen op niveau A2 en KNM, te vergroten, kunnen er nu veel meer verschillende examenversies worden samengesteld, Dat betekent dat het onderling delen van (omschrijvingen) van examenopgaven weinig tot geen nut meer heeft, omdat de kans dat iemand een eerder gedeelde opgave in zijn of haar examen krijgt zeer klein is. Overigens komt een inburgeraar pas in aanmerking voor een inburgeringsdiploma op grond van de Wi2021 indien hij of zij is geslaagd voor alle examenonderdelen van het inburgeringsexamen2 én zowel het Participatieverklaringstraject als de Module Arbeidsmarkt en Participatie succesvol heeft afgerond.
De organisaties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze examens (het CvTE en DUO) en ik, zijn en blijven alert op signalen van onregelmatigheden tijdens examens en zullen zo nodig ingrijpen als hiervan sprake is. Zoals ik in mijn eerdergenoemde brief van 24 april jl. heb aangegeven, ben ik voornemens om – wanneer de itembanken voor de A2-examens hiervoor groot genoeg zijn – deze op termijn openbaar te maken. Op die manier hebben alle kandidaten dezelfde mogelijkheden om te oefenen met het beschikbare materiaal en heeft het geen zin meer om opgaven onderling te delen. Fundamentele aanpassingen aan het examenstelsel acht ik daarom niet noodzakelijk.
Op welke wijze wordt structureel gecontroleerd op fraude bij examenafname in het buitenland, en bent u bereid deze controles aanzienlijk te intensiveren?
De afname van het basisexamen buitenland vindt plaats op een Nederlandse diplomatieke post of bij een externe dienstverlener in het buitenland. Voorafgaand aan het examen wordt de identiteit van de kandidaat vastgesteld en biometrie afgenomen. Ook wordt vooraf gecontroleerd op verboden items. In het geval dat een kandidaat niet meewerkt aan de controle, mag de kandidaat niet deelnemen aan het examen. Verder vindt continu toezicht plaats tijdens het examen. Er zijn geen signalen dat er gefraudeerd wordt bij de afname zelf. Er is dan ook geen noodzaak om de controles bij de afnames te intensiveren. De geconstateerde fraude heeft alleen betrekking op het vervalste slagingsbewijs en daar wordt nu strenger op gecontroleerd. Zie ook het antwoord op vragen 3/7, 6 en 8.
Welke rol spelen tussenpersonen, commerciële bureaus of opleidingsinstituten bij deze fraude, en welke maatregelen worden genomen om deze partijen aan te pakken of te verbieden?
Dat is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat de strafrechtelijke procedure hier meer inzicht in kan geven. Vervolgens zal bekeken worden welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de omvang en organisatie van deze fraudepraktijken, inclusief mogelijke netwerken die hierbij betrokken zijn?
De IND heeft aangifte gedaan in zeven zaken van fraude met het basisexamen inburgering buitenland. In overleg met de politie en het OM wordt bezien of ook in de achtste zaak aangifte wordt gedaan. Een strafrechtelijke procedure kan naar verwachting meer inzicht geven in deze fraudezaken. Daarnaast wordt op dit moment strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen.
In hoeverre acht u het huidige inburgeringsstelsel nog robuust genoeg om misbruik te voorkomen, en welke fundamentele aanpassingen acht u noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt overwogen om de afname van inburgeringsexamens in het buitenland (tijdelijk) op te schorten totdat de integriteit van het systeem kan worden gegarandeerd?
Jaarlijks worden 6000 tot 7000 bib examens succesvol afgelegd. Er zijn nu acht gevallen van fraude bekend met slagingsbewijzen van het basisexamen inburgering in het buitenland. Deze fraude is gepleegd bij het indienen van de mvv-aanvraag. Dit zijn acht gevallen teveel en daarom is het toezicht aangescherpt. Ik zie echter geen aanleiding om de afname van de examens op te schorten. Er zijn geen fraudezaken bekend met het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland zelf. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 wordt er door ambassadepersoneel toezicht gehouden op de afname van de examens.
Hoe wordt samengewerkt met buitenlandse autoriteiten om fraude bij examenafname tegen te gaan en daders op te sporen?
Het tegengaan van fraude tijdens het basisexamen inburgering buitenland betreft een intern, Nederlands proces. Hiervoor wordt niet samengewerkt met buitenlandse autoriteiten.
Bent u bereid om aanvullende sancties in te voeren, zoals langdurige uitsluiting van het inburgeringstraject of boetes, voor personen die fraude plegen of faciliteren?
Als het gaat om de fraude die gepleegd is met het basisexamen inburgering buitenland dan is aangifte gedaan tegen zeven personen. Naast de weigering van een mvv zal een strafrechtelijke procedure moeten uitwijzen welke consequenties aan de fraude verbonden kunnen worden.
Hoewel kandidaten die een inburgeringsexamen op grond van de Wi2021 afleggen een geheimhoudingsverklaring ondertekenen, is het onderling delen van herinneringen aan examenopgaven niet strafbaar en kunnen personen die dat doen hiervoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dit is anders als het gaat om ge(foto)kopieerde examenopgaven. In een dergelijk geval kan hier wel tegen opgetreden worden. Hier wordt overigens streng op gecontroleerd: zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is het voor kandidaten namelijk verboden om o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges mee te nemen in de examenzaal. Er zijn dan ook geen signalen dat het kopiëren van examenopgaven gebeurt.
Pensioenfondsen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in vastrentende waarden zoals staatsobligaties?
Er zijn geen openbare gegevens beschikbaar waarin een opsplitsing van rendement naar beleggingscategorie wordt gegeven. Hierdoor kan het gemiddelde rendement van alle pensioenfondsen in de afgelopen 30 jaar op hun investeringen in vastrentende waarden niet worden weergegeven. Het jaarlijks rendement op vastrentende waarden dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van de pensioenfondsen. Dit is openbare informatie.
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in aandelen?
Voor mijn reactie verwijs ik terug naar mijn antwoord op vraag 2. Het jaarlijks rendement op aandelen dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van pensioenfondsen. Voor het totaal rendement van de 5 grootste pensioenfondsen voor de hun gehele beleggingsportefeuille in de periode 2014 -2025 verwijs ik u naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van het ABP-pensioenfonds?
Op basis van de jaarverslagen van het ABP is over de laatste 30 jaar de «Compound Annual Growth Rate» van het rendement 6% per jaar geweest.1
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van de AEX-index?
Ik begrijp dat het in eerste instantie logisch lijkt om rendementen van pensioenfondsen te vergelijken met de ontwikkeling van de AEX-index. Maar een pensioenfonds heeft als doel om deelnemers bij pensionering een zo hoog mogelijk stabiel levenslang pensioenuitkering te bieden. De rentestand is belangrijk om het pensioenvermogen te kunnen omrekenen in een uitkeringenstroom. Daarom houden pensioenfondsen naast het beleggingsrisico ook rekening met het renterisico. Om het beleggingsrisico te beheersen, worden beleggingen geografisch gespreid over diverse liquide en niet-liquide investeringscategorieën om zo te profiteren van de voordelen van diversificatie. Voor het beheersen van het renterisico kunnen pensioenfondsen een portefeuille met rentederivaten aanhouden. Een AEX-index bestaat geheel uit liquide aandelen uit Nederland, waardoor een vergelijking met een gediversifieerde portefeuille met renteafdekking niet passend is. Voor verdere informatie over het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en hun prestaties verwijs ik naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Hoeveel procent (ongeveer) van de totale beleggingsportefeuille is een pensioenfonds zoals het ABP, op basis van wet- en regelgeving, verplicht te investeren in vastrentende waarden zoals staatsobligaties (en mag dus niet in aandelen geïnvesteerd worden)?
In Nederland kennen we niet een wettelijke verplichting om in vastrentende waarden zoals staatsobligaties te investeren. Welk deel van de beleggingsportefeuille wordt geïnvesteerd in vastrentende waarden is een onderdeel van het strategische beleggingsbeleid. Het strategisch beleggingsbeleid wordt vastgesteld op basis van de risicohouding van de deelnemers. De risicohouding weerspiegelt het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen nemen. Pensioenfondsen moeten in hun beleggingsbeleid rekening houden met het prudent person-beginsel wat inhoud dat zij handelen in het belang van hun deelnemers en gepensioneerden. DNB houdt toezicht op de vaststelling en uitvoering van het beleggingsbeleid en dat het beleggingsbeleid in lijn is met het prudent person-beginsel.