De adviesbrief van de SER met betrekking tot advies Jeugdzorg met spoed omzetten in tastbaar beleid |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het brief-advies van de sociaaleconomische Raad (SER) van 21 oktober jl, met betrekking tot het met spoed omzetten van het advies Jeugdzorg in tastbaar beleid?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de SER het kabinet gebrek aan daadkracht verwijt bij het opvolgen van het in 2021 gegeven briefadvies «Van systemen naar mensen», waaraan tot op heden nog altijd geen uitvoering is gegeven? Herkent u wat de SER in deze adviesbrief aangeeft?
Er zijn forse structurele verbeteringen in de jeugdzorg nodig, zowel in de kwaliteit en effectiviteit van de zorg als in de uitvoering. Daarnaast zijn verbeteringen nodig om het stelsel structureel financieel houdbaar te krijgen. Alle betrokken partijen – gemeenten, aanbieders, professionals, cliënten en het Rijk – zijn het daarover eens. Ik deel de urgentie met de SER.
Om dit op een goede manier te kunnen doen, werken we aan een gezamenlijke Hervormingsagenda. Dit is conform het advies van de Commissie van Wijzen. Deze Hervormingsagenda bevat een groot aantal fundamentele thema’s die moeten leiden tot het verbeteren van passende zorg en kwaliteit voor kinderen en gezinnen en betaalbaar houden van het stelsel. Werken aan deze agenda vraagt zorgvuldigheid en daarmee tijd om tot overeenstemming te komen.
Het is belangrijk te onderstrepen dat naast de Hervormingsagenda ook een reeks van initiatieven en beleidstrajecten worden ondernomen. Zo zijn in het voorjaar van 2021 met VNG al afspraken gemaakt over een reeks van maatregelen om de standaardisatie, die ook ontleend waren aan het advies van de Commissie van Wijzen: gemeenten gaan (verder) aan de slag met maatregelen die binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk zijn: (i) het stimuleren van tariefdifferentie en standaardisatie in de uitvoering; (ii) het versmallen van de medische verwijsroute door enkel te verwijzen naar gecontracteerd aanbod1; en (iii) het breder de invoeren van een POH jeugd GGZ.
In mijn brief over de actuele stand van zaken in het jeugddomein van 14 november (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 1052) heb ik ook uitgebreid aangeven hoe op tal van terreinen aan verbetering van het jeugddomein wordt gewerkt.
Kunt u uiteenzetten waarom aan dit in 2021 gegeven advies nog steeds geen concrete uitvoering is gegeven? Welke knelpunten maken dat het kabinet handelingsverlegen is gebleken?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven aan welke van de tien deeladviezen van de SER uit 2021 volgens u inmiddels (deels) uitvoering is gegeven, op welke manier en welke resultaten dat tot nu toe heeft opgeleverd? Hoe is het mogelijk dat de SER tot op heden geen merkbare verbeteringen ziet? Hoe reflecteert u daarop?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u, naar aanleiding van het advies van de SER in deze brief een coördinerend bewindspersoon aanwijzen, die randvoorwaarden gaat scheppen om de eerder uitgebrachte adviezen ten uitvoering te brengen en deze te concretiseren in tastbaar beleid? Zo ja, hoe wordt deze coördinerend bewindspersoon gekozen, wat zijn hiervoor de criteria en op welke termijn denkt u hiervoor iemand aangesteld te hebben? Gaat u de Kamer hierover informeren?
Nee. De Minister van Rechtsbescherming en ik zijn beleidsverantwoordelijk voor de jeugdzorg en stemmen dat waar nodig en nuttig af met andere bewindspersonen.
Waarom zijn de voorstellen uit het programma Ontregel de zorg van 2018, om de administratielast van jeugdhulpverleners te verminderen, in de Jeugdzorg nog altijd niet ten uitvoering gebracht?
Een extern onderzoeksbureau heeft een impactanalyse gedaan en is tot de conclusie gekomen dat de invoering van het Model Prestatiecodes Jeugd (MPJ) inderdaad kan leiden tot het verminderen van de administratieve lasten. Er is groot draagvlak voor het flink terugbrengen van het huidige aantal productcodes en te komen tot een gestandaardiseerde lijst. Tegelijkertijd wordt gesproken over vergaande standaardisatie van de gespecialiseerde zorg op regionaal en landelijk niveau (de amvb zorgvormen behorende bij het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen»). Het is dus van belang de invoering van het MPJ nader te onderzoeken en in samenhang met de afspraken over regionalisering verder te bezien en vervolgens opnieuw te kijken naar de invulling van de voorgenomen ministeriële regeling.
Hoe gaat u de versterking van lokale teams realiseren, hetgeen de SER in deze brief adviseert, om de druk op de ambulante en residentiele jeugdzorg te verminderen? Op welke termijn gaat u dit realiseren? Kunt u een concreet plan van aanpak aangeven?
Zoals ook aangekondigd in mijn brief «Hervormingen jeugdzorg» van 13 mei 2022,2 zetten we in de Hervormingsagenda in op een beweging richting stevige lokale teams. Teams die de triage goed op orde hebben, werken aan het herstel van het gewone leven, gezinsgericht werken en zelf hulp verlenen. Teams met goed opgeleide professionals met juiste expertise, ruimte en mandaat en voldoende tijd om te leren en ontwikkelen. Om deze beweging te ondersteunen richt de VNG de komende maanden een implementatie- en ondersteuningsprogramma in.
Hoe en op welke termijn gaat u de toegankelijkheid van de specialistische en hoogspecialistische zorg, zoals het advies van de SER aangeeft dat nodig is, realiseren? Kunt u een concreet plan van aanpak aangeven?
Dit wordt opgenomen in de Hervormingsagenda. Hierin maken we afspraken over het verbeteren van de beschikbaarheid van specialistische zorg voor jeugdigen, onder andere door het verplichten van regionale samenwerking tussen gemeenten bij de inkoop van (hoog)specialistische zorg voor jeugdigen (via het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen») en een doorontwikkeling van de inkoop van hoogspecialistische zorg op landelijke schaal. Het voorgenoemd wetsvoorstel zal voorjaar 2023 worden ingediend bij de Tweede Kamer.
Waarom wordt er in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport nauwelijks gesproken over Jeugdzorg, terwijl de problemen in deze sector inmiddels geëscaleerd zijn tot een crisissituatie waarvan de sector aangeeft deze zelf niet langer het hoofd te kunnen bieden? Realiseert u zich dat de enorme problemen in deze sector in de toekomst zullen zorgen voor het verder oplopen van de algemene zorgkosten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens om de geplande bezuinigingsmaatregelen op de Jeugdzorg terug te draaien, in ieder geval totdat de misstanden in de sector zijn opgelost? Zo nee, waarom niet?
In de eerste twee jaren waren de uitgaven door gemeenten aan jeugdzorg vergelijkbaar met de beschikbaar gestelde middelen. In de jaren 2017–2019 heeft een forse stijging voorgedaan. Daarover heeft de Commissie van Wijzen zich op verzoek van de VNG uitgesproken en het advies gegeven tot een aanpak te komen van maatregelen en middelen om tot een goed en houdbare jeugdzorg te komen.
Kunt u uitleggen waarom financiële overwegingen leidend lijken te zijn bij de ruimte die er is voor verbeteringen in de jeugdzorgsector? Vindt u deze beleidskeuze, gezien de grote problemen in de jeugdbeschermingsketen, moreel verantwoord?
Zie antwoord vraag 10.
Waarom is er door de Commissie van Wijzen bij de Hervormingsagenda alleen gekeken naar tekorten bij gemeenten en niet naar de financiële problemen bij de jeugdzorgorganisaties zelf? Bent u niet van mening dat de uitvoerende kant van de Jeugdzorg prioriteit heeft, aangezien dit praktische hulp voor kinderen en jongeren betreft?
Zie antwoord vraag 10.
Wanneer kan de Kamer, naar aanleiding van deze adviesbrief van de SER, een concreet plan van aanpak van het kabinet verwachten?
Zie antwoord vraag 2.
De berichtgeving dat Oeganda kampt met een nieuwe ebola-uitbraak |
|
Alexander Hammelburg (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving «Ebola-epidemie bereikt ook Oegandese hoofdstad Kampala», «Ebola in Uganda: Three-week lockdown announced for two districts» en «WHO: Ugandan Ebola outbreak «rapidly evolving» after 1 month»?1, 2, 3
Ja.
Hoe oordeelt u over deze berichten?
Het kabinet is bezorgd over de Ebola uitbraak in Oeganda. De situatie verandert per dag, sinds de eerste berichtgeving stijgt het aantal gevallen gestaag. De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) deelt inmiddels iedere dag een update (situation report (sit-rep)) met betrokken partijen met daarin een overzicht van het aantal gevallen per district, interventie strategieën en uitdagingen in de respons. Op dit moment (25-11-2022) zijn er 141 bevestigde gevallen in 9 districten, inclusief Kampala, en 55 doden.
Welke vliegverbindingen zijn er vanuit Mubende, Kassanda en Kampala naar omliggende landen en de Europese Unie?
Er zijn geen vliegverbindingen vanuit Mubende en Kassanda. In de regio zijn er directe verbindingen vanuit Kampala naar Kenia, Tanzania, Rwanda, Burundi, Ethiopië, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Zuid-Afrika, Egypte, Somalië, Zuid-Sudan, Zambia en Zimbabwe. Directe verbindingen vanuit Kampala naar Europa zijn de vluchten naar België, Turkije en Nederland. De directe verbinding Entebbe-Schiphol dient als hub voor verdere bestemmingen in Europa en richting de Verenigde Staten.
Zijn er op uitgaande vluchten, zowel passagiers- als cargovluchten, de juiste screeningsprotocollen in plaats om verspreiding te voorkomen? Zo nee, achten de gezondheidsinstanties dit niet nodig? Waarom niet?
Oeganda heeft de International Health Regulations (2005) van de WGO ondertekend. Onderdeel van het vliegveldprotocol in Kampala is het meten van de temperatuur en het invullen van een vragenlijst met contactgegevens. Uit een onderzoek van de International Organisation for Migration en the Centre for Disease Control begin deze week blijkt dat er nog te weinig screeningsprotocollen bestaan. Een verdere maatregel is het delen van de Ebola contactenlijst door de vliegveldautoriteiten, zodat «Ebola contacten» het land niet uit kunnen. Volgens de KLM contactpersoon in Kampala worden deze protocollen nu goed ingevoerd.
Bent u bekend met de kritiek op de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) van hulporganisaties zoals o.a. Artsen zonder Grenzen ten tijde van de ebola-uitbraak van 2013?4 Zo ja, kunt u aangeven wat de WGO sindsdien gedaan heeft deze kritiek mee te nemen in het bestrijdingsbeleid bij de huidige uitbraak?
Ja, het kabinet is bekend met de strekking van de kritiek op de WGO ten tijde van de Ebola uitbraak in 2014. Sinds 2016 kent de WGO een speciale operationele noodhulp afdeling en een Contingency Fund for Emergencies (CFE), zodat direct geld, menskracht en middelen beschikbaar zijn om op te treden. Hiermee is de WGO in staat binnen 24 uur noodhulp te verlenen. Het werk van de WGO in noodsituaties is geïnstitutionaliseerd op het hoofdkantoor, in regio’s en landenkantoren, waar noodhulpcoördinatoren en teams zijn aangesteld. De capaciteit van de WGO en snelheid van handelen in noodsituaties als deze is daarmee enorm verbeterd. Sinds 2019 heeft het noodhulpprogramma afdelingen voor zowel paraatheid als respons. Daarnaast heeft de WGO sindsdien een strategie ontwikkeld om de beschikbaarheid van testen, medicijnen en vaccins tijdens epidemieën te versnellen.
Zie verder het antwoord op vraag 8 over de respons ten aanzien van de Ebola uitbraak in Oeganda.
Klopt de bewering van de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken dat de WGO nauwelijks aanwezig is in Oeganda om de virusuitbraak in te perken? Zo ja, waarom is dit het geval? Zo nee, hoeveel capaciteit van de WGO is aanwezig en waarom wordt dit als voldoende geacht?
Het kabinet herkent zich niet in deze bewering. Ook heeft de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken zich niet specifiek uitgelaten over de aanwezigheid van de WGO in de gesprekken die hij gevoerd heeft op 17 oktober 2022 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waar ook de Ebola uitbraak ter sprake kwam.
De eerstverantwoordelijke in Oeganda om de virusuitbraak in te perken en de openbare gezondheid te beschermen is de Oegandese overheid zelf. De WGO biedt daarbij ondersteuning. Ook geeft WGO wekelijks een briefing aan de ambassades over de situatie en geeft dagelijks epidemiologische gegevens door. Na de eerste gevallen van Ebola heeft de Executive Director Emergencies van de WGO Oeganda bezocht. Binnen enkele dagen zijn beschermende middelen en medicijnen geleverd en is er een Ebola bestrijdingsplan ontwikkeld. De technische teams en ondersteuning worden ingezet om capaciteit in de gezondheidszorg te versterken en de normale bezetting van 80 medewerkers in het Oegandese WGO kantoor op te schalen.
Bent u bereid om bij de WGO aan te dringen op meer hulp voor de getroffen regio’s?
Op dit moment is hier geen aanleiding voor. De Ebola uitbraak in Oeganda krijgt van de WGO al de hoogste prioriteit. Dit is nogmaals bevestigd in overleg tussen de directeur-generaal van de WGO en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 24 november jongstleden. Het CFE van de WGO, waar Nederland bijna 1,2 miljoen USD aan bijdroeg in 2022, is onmiddellijk gebruikt voor de eerste noden (zie beantwoording vraag 5). De WGO heeft ook een Ebola responsplan opgesteld voor de komende maanden met een budget van bijna 68 miljoen USD.
Zie verder de beantwoording vraag 9.
Heeft de WGO, in tegenstelling tot in 2013, een ad hoc actieplan paraat om de uitbraak direct in te dammen?
De WGO kreeg veel kritiek na de ebola-uitbraak in 2014 en heeft daarop hun respons op uitbraken herzien. Daarom is in 2016 een speciale tak van de WGO opgericht: World Health Emergency Programme (WHE), volledig gewijd aan de snelle respons uitbraken. Gemiddeld reageert het WHE op tientallen kleine en grote ziekte-uitbraken per maand, zoals cholera, ebola of het Marburg-virus. Onafhankelijke audits hebben getoond dat de WHE-tak goed functioneert en snel reageert.
Voor verschillende ziekte-uitbraken zijn richtlijnen en actieplannen ontwikkeld, zoals influenza, ebola en, sinds 2020, COVID-19. Deze actieplannen worden regelmatig herzien en geüpdatet op basis van nieuw onderzoek en inzichten over de aanpak van deze ziektes door de WGO en door landenteams. Niet alle ziektes zijn met elkaar te vergelijken, maar waar relevant is er cross-over van de geleerde lessen over de aanpak van ziekte-uitbraken.
Het kabinet ziet de WGO als een belangrijke organisatie in de mondiale gezondheidsarchitectuur voor pandemische paraatheid5. De COVID-19-pandemie heeft bestaande structuren en praktijken op de proef gesteld. Het kabinet ziet het dan ook als essentieel om zowel op Europees als mondiaal niveau mee te werken aan initiatieven om beter voorbereid te zijn op ernstige grensoverschrijdende gezondheidscrises. Nederland draagt proactief bij aan het duurzaam versterken van de pandemische paraatheid door waar mogelijk politieke, financiële, organisatorische steun en/of knowhow en expertise te leveren. In het geval van Ebola hebben zowel het Oegandese Ministerie van Gezondheid als de WGO in 2016 een Ebola responsplan ontwikkeld met prioritaire activiteiten en voor de recente uitbraak een Incident Management Team geactiveerd. De WGO ondersteunt o.a. de regionale en district gezondheidsteams op de meeste onderdelen, zoals op vroege identificatie en casemanagement, laboratoria, het opzetten van isolatietenten in ziekenhuizen, communicatie en informatie ter voorkoming van verspreiding, als wel het traceren van contacten. Een belangrijk onderdeel van dit Ebola responsplan is de versnelde ontwikkeling en gebruik van levensreddende medicijnen en vaccins in de Oegandese context, die voor deze variant van het virus nog in de testfase zitten.
Bent u bereid om samen met internationale partners te bezien welke hulp Nederland en de Europese Unie kunnen bieden, ook gezien de duidelijk uitgesproken zorgen van de Oegandese Minister van Buitenlandse Zaken over de ebola-uitbraak in de Tweede Kamer in de week van 17 oktober 2022?
Ja, de samenwerking tussen de internationale partners is al goed en men is alert op de uitbraak. In de «Nederlandse mondiale gezondheidsstrategie 2023–2030: Samen zorgen voor gezondheid wereldwijd», zet Nederland juist ook in op het versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur en nationale gezondheidssystemen en benadrukt daarbij het belang om de internationale coherentie en multilaterale samenwerking te bevorderen. Tevens is een prioriteit het verbeteren van internationale pandemische paraatheid.
In dit kader vindt er veel informatie-uitwisseling en overleg tussen de overheid en de WGO plaats. Zoals eerder benoemd heeft de WGO uit het CFE direct de eerste kosten gedekt met ruim 2 miljoen USD voor Oeganda evenals 3 miljoen USD voor omliggende landen ter voorbereiding op een mogelijke verspreiding.
De recent gepubliceerde appeal op basis van het benodigde budget voor het responsplan heeft een financieringstekort van ± 58 miljoen USD. De WGO heeft een beroep gedaan op donoren om dit gat te dichten. Een aantal landen maar ook internationale partners en fondsen heeft al bijgedragen aan het appeal, zoals het Verenigd Koningrijk, het Internationale Rode Kruis (700.000 CHF) en ECHO (DG Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp; 3 miljoen EUR). Er zijn toezeggingen van het Central Emergency Response Fund (CERF) (1.6 miljoen USD) gedaan, waar Nederland de 4e donor van is. Nederland is een van de belangrijkste donoren van het CFE, het CERF en het Internationale Rode Kruis en draagt op deze wijze niet alle bij aan de financiering van het Ebola responsplan, maar heeft er zo ook voor gezorgd dat het plan meteen in werking kon treden.
Ook monitort het EU-Health Security Committee, waarin de Europese Commissie, relevante EU-agentschappen (o.a. ECDC) en lidstaten samenwerken, de situatie in Oeganda nauwgezet. De EU verkent verder wat voor aanvullende hulp er nodig is.
Bent u indien nodig bereid met partners per direct beschermende kleding en andere benodigde hulpmaterialen te sturen naar de getroffen regio’s?
Volgens de WGO is er geen behoefte aan het sturen van beschermende kleding en andere hulpmaterialen. De bevoorrading daarvan wordt door de WGO gecoördineerd en er is vooralsnog geen tekort. Er blijkt met name financiële ondersteuning nodig voor de uitvoering van het responsplan, zoals onder andere voor extra zorgpersoneel en voor de toepassing van werkzame medicijnen en vaccins.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitspraken over mogelijk loslaten unanimiteitsbeginsel en de ontwikkelingen rondom “Pijler 2” van de OESO |
|
Eelco Heinen (VVD), Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u uw uitspraken in het Europees Parlement toelichten over dat Nederland mogelijk het unanimitietsbeginsel ten aanzien van belastingen wil loslaten?
Op 13 oktober jl. was ik uitgenodigd door het FISC-comité van het Europees parlement om van gedachten te wisselen over maatregelen die Nederland heeft genomen om belastingontwijking tegen te gaan. In dit kader heb ik gereflecteerd op de ontwikkelingen rond het uitblijven van een akkoord over het richtlijnvoorstel voor een effectief minimumniveau aan belastingheffing (Pijler 2). Tot op heden blokkeert Hongarije een raadsakkoord. Ik heb in de gedachtewisseling met het Europees parlement aangegeven dat het ongelukkig is dat één lidstaat besluitvorming over dit belangrijke voorstel kan tegenhouden, te meer omdat over dit voorstel in het Inclusive Framework (IF), georganiseerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), reeds overeenstemming is bereikt met bijna 140 landen, inclusief Hongarije. Ik heb aangegeven dat het voor Nederland nog steeds de voorkeur heeft om met 27 lidstaten een akkoord te bereiken. Ik streef ernaar dat er de komende periode alsnog met 27 lidstaten een akkoord bereikt wordt. Ondertussen is het belangrijk om te kijken welke alternatieven er zijn, waaronder het aangaan van een akkoord met een beperktere groep lidstaten via de systematiek van de zogenaamde «nauwere samenwerking». Het veranderen naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid is geen optie die nu in het kader van het richtlijnvoorstel Pijler 2 wordt besproken. Een dergelijke verandering in de besluitvormingssystematiek zou plaats moeten vinden via het gebruik van de passerellebepaling die is opgenomen in de huidige EU-verdragen. Als dat niet tot het gewenste resultaat leidt, kan gedacht worden aan verdragswijziging. Beide routes, gebruik passerelle en verdragswijziging, zijn een langdurig proces en vereisen unanimiteit. Desalniettemin is het belangrijk om te blijven reflecteren over de EU-besluitvorming bij grensoverschrijdende problematiek zoals belastingontwijking. Om dat goed te kunnen doen, is het verstandig om alle opties die op tafel liggen te bezien. Op die manier zien we hoe grensoverschrijdende problematiek het meest effectief kan worden opgelost. Deze gedachtenvorming is tevens onderdeel van de gedachtenvorming over het verbeteren van het functioneren van de Unie naar aanleiding van de uitkomsten van de Conferentie over de Toekomst van Europa.
Wanneer is het kabinetsstandpunt gewijzigd dat Nederland tegen het opgeven van een veto inzake belastingen is en wanneer is dit aan de Tweede Kamer gemeld?
Het kabinetsstandpunt is op dit punt niet gewijzigd. Zoals in antwoord op vraag 1 aangegeven, doet dat niet af aan het feit dat ik vind dat het belangrijk is om te blijven reflecteren op hoe in EU-verband op effectieve wijze besluiten kunnen worden genomen. Dat één lidstaat een gecoördineerde implementatie van een reeds in IF-verband aangenomen afspraak tegenhoudt, is voor mij de aanleiding om te zien of er andere mogelijkheden zijn voor een gecoördineerde implementatie in deze casus. Dat helpt bij het maken van een weloverwogen beslissing die bijdraagt aan het bestrijden van grensoverschrijdende belastingontwijking. Bovendien ben ik door verschillende moties van uw Kamer opgeroepen om de voortgang en implementatie van Pijler 2 afspraken te bewaken.1
Hoe verhouden uw uitspraken zich tot eerder aangenomen moties in de Tweede Kamer waarin het belang wordt onderstreept van unanimiteit op EU-niveau ten aanzien van besluiten op het gebied van belastingen, en waarin het afstappen van besluitvorming bij unanimiteit op het gebied van belastingheffing voor Nederland onbespreekbaar wordt geacht?
De eerder aangenomen moties in de Tweede Kamer ten aanzien van besluitvorming op het gebied van belastingen zijn helder. Tegelijkertijd zijn er in het kader van Pijler 2 meerdere moties aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om zich in de Europese Unie en de OESO constructief op te stellen, het voortouw te nemen in de onderhandelingen en zich in te spannen om een akkoord op Pijler 2 zo snel mogelijk te realiseren.2 Deze moties illustreren dat het mogelijk van belang is om onderscheid te maken naar type belasting. Belastingen die bij uitstek internationaal gecoördineerde aanpak vereisen – zoals de aanpak van belastingontwijking, bijvoorbeeld via Pijler 2 – vergen een andere aanpak dan belastingen die juist aansluiten bij een nationale aanpak.
Wat zijn alternatieve routes (in de gezamenlijke verklaring van Frankrijk, Spanje, Italië en Nederland weergegeven als «any possible legal means») ten aanzien van het vlot trekken van besluitvorming rond «pijler 2»?
Ik streef er de komende periode nog steeds naar om een akkoord met 27 lidstaten te bereiken ten aanzien van het richtlijnvoorstel Pijler 2. Als dit onverhoopt toch niet lukt, zijn er meerdere mogelijkheden om tot gecoördineerde implementatie over te kunnen gaan ten aanzien van Pijler 2. Een optie zou zijn het aangaan van een nauwere samenwerking. Hierbij spreken lidstaten in een kleiner verband – waar minimaal 9 lidstaten aan deel moeten nemen – af een akkoord aan te gaan. Dit akkoord zou gebaseerd kunnen zijn op de laatste compromistekst. Een voordeel van nauwere samenwerking is dat als een van de deelnemende lidstaten de bepalingen van de richtlijn niet volledig of correct omzet in nationale wetgeving, de Europese Commissie maatregelen kan nemen.
Een andere optie betreft gecoördineerde implementatie. Hierbij zullen de lidstaten de implementatie in hun nationale wetten met elkaar afstemmen zodat deze zoveel mogelijk met elkaar overeenkomt. Ten opzichte van de aanpak via nauwere samenwerking zijn er dan geen (juridische) mogelijkheden voor de Europese Commissie om in te grijpen wanneer lidstaten zich niet aan de onderlinge afspraken houden. Daarnaast zijn er nog twee opties die het mogelijk maken om in belastingzaken met een gekwalificeerde meerderheid besluiten te nemen, namelijk het gebruik van de passerellebepaling uit artikel 48 lid 7 Verdrag Europese Unie (VEU) en een verdragswijziging via artikel 48 VEU. Het gebruik van deze opties ligt niet voor de hand op het richtlijnvoorstel Pijler 2 gezien de snelle beoogde inwerkingtreding en omdat beide opties unanimiteitsbesluitvorming vereisen en langdurige processen betreffen.
Waarom is de bovengenoemde gezamenlijke verklaring slechts door vijf landen (inclusief Nederland) ondertekend en niet door alle lidstaten, met uitzondering van Hongarije?
Na afloop van het Commissiedebat Eurogroep/Ecofinraad van 8 september jl. is Nederland benaderd met het verzoek of Nederland samen met Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje een verklaring wilden uitbrengen. De gezamenlijke verklaring is een belangrijke boodschap en een krachtig signaal. Deze verklaring benadrukt de wens om een akkoord te bereiken binnen de Europese Unie en onderstreept daarmee de inzet van Nederland om de richtlijn tijdig te implementeren. Er wordt tegelijkertijd met zoveel mogelijk lidstaten gekeken hoe Pijler 2 het meest effectief geïmplementeerd kan worden in de Europese Unie.
Zijn er door deze vijf landen afspraken gemaakt rondom het loslaten van het unanimiteitsbeginsel? Zo ja, kunt u die met de kamer delen? Zo nee, wat is het standpunt van deze landen ten aanzien hiervan?
In de verklaring zijn geen afspraken vastgelegd over het (loslaten van het) unanimiteitsbeginsel. Deze verklaring benadrukt de wens om een akkoord te bereiken binnen de Europese Unie en onderstreept daarmee de inzet van Nederland om de richtlijn tijdig te implementeren.
Overigens pleitte de Duitse bondskanselier Scholz recent in een speech voor een geleidelijke transitie naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en de Franse Minister voor Europa, Boone, heeft eerder aangegeven dat het unanimiteitsvereiste in belastingzaken moet worden heroverwogen.3
Bent u voornemens vast te houden aan het vetrekpunt dat unilaterale invoering van Pijler 2 door Nederland of andere lidstaten onwenselijk is?
Ja. Het uitgangspunt is invoering van Pijler 2 met alle 27 lidstaten op basis van de richtlijn. Indien dit niet haalbaar blijkt, is het voor het kabinet belangrijk om te zoeken naar andere mogelijkheden waarbij zoveel mogelijk coördinatie plaatsvindt. Hierdoor kan worden bewerkstelligd dat Pijler 2 zo breed en gelijkluidend mogelijk in de EU wordt geïmplementeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerst volgende commissiedebat eurogroep/ecofinraad op 3 november 2022?
Ja.
Het bericht ‘Maxima: digitaal geld via centrale banken kan veel voordelen hebben?’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Máxima: digitaal geld via centrale banken kan veel voordelen hebben.»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat digitaal geld via centrale banken in het algemeen en de digitale euro in het bijzonder politiek omstreden zijn?
Op dit moment onderzoeken 87 landen de ontwikkeling van digitaal centrale bankgeld2. De brede verkenning van digitaal centrale bankgeld moet gezien worden in de context van een snel veranderend banken- en betalingslandschap. Digitaal centrale bankgeld in het algemeen en de digitale euro in het bijzonder zijn onderwerpen die regelmatig door uw Kamer en mij worden besproken. Hierbij komt met name de mogelijke vormgeving van een digitale euro aan de orde. Het kabinet heeft zijn eigen inzet geformuleerd in een Kamerbrief over de ontwerpkeuzes van de digitale euro3. De Tweede Kamer heeft een aantal moties op dit terrein aangenomen, die zich richten op privacy en (het inperken van) programmeerbaarheid. Het Nederlandse Parlement heeft zich richting de Europese Commissie uitgesproken voor sterke politieke betrokkenheid bij deze vormgeving, de wens tot het waarborgen van privacy, het beperken van programmeerbaarheid, en de behoefte tot het waarborgen van inclusiviteit en duurzaamheid4. Het kabinet kwalificeert de algemene Nederlandse houding hiermee als constructief-kritisch.
De Europese Commissie heeft aangekondigd om in het voorjaar van 2023 met een wetgevend voorstel te komen over de digitale euro. Hierbij zal, naar verwachting, ook de verdere politieke discussie en besluitvorming over de wenselijkheid van de invoering van een digitale euro plaatsvinden. Het voorstel zal gebaseerd zijn op art. 133 van het Verdrag over de werking van de EU, dat expliciet voorschrijft dat het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, na raadpleging van de ECB, besluiten over de maatregelen die nodig zijn voor het gebruik van de euro als enige munteenheid. De Tweede Kamer zal hier via de bestaande reguliere processen bij worden betrokken.
Bent u het ermee eens dat politiek omstreden uitspraken van Leden van het Koninklijk Huis zich niet goed verhouden met de grondwettelijke rol van de Koning in ons staatsbestel? Zo nee, waarom niet?
Er is ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning en andere leden van het Koninklijk Huis. De betekenis van deze ministeriële verantwoordelijkheid is toegelicht in de voorlichting van de Raad van State uit 2010.5
De voorgestelde wijzigingen inzake het nabestaandenpensioen en over berekeningen hoe het nieuwe stelsel dit jaar gewerkt zou hebben |
|
Pieter Omtzigt |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
Bent u bekend met het rapport van Netspar «Uitkeringseffecten en kostendekkende premies in het nieuwe nabestaandenpensioen»?1
Ja.
Klopt het dat de Wet toekomst pensioenen, op reeds opgebouwd nabestaandenpensioen na, enkel nog nabestaandenpensioen op risicobasis toestaat voor het risico van overlijden voor de pensioendatum?
Ja.
Klopt het dat – vanwege die voorgestelde verplichte risicodekking – deelnemers die na einde deelname en de drie maanden uitloopperiode of Werkloosheidswet (WW-)periode hun (risico)dekking voor nabestaandenpensioen willen behouden, dit enkel kunnen bewerkstelligen door over te gaan op uitruil van hun (kapitaalgedekte) ouderdomspensioen in risicogedekt nabestaandenpensioen?
Ja.
Bent u bekend met de berekeningen uit het bovengenoemde rapport waaruit blijkt dat een deelnemer met een inkomen van 20.000 euro per jaar, die heel zijn werkzame leven ouderdomspensioen heeft opgebouwd, maar na einde deelname vanaf 55 jaar vrijwillig het fiscaal maximale nabestaandenpensioen wil voortzetten tot pensioendatum (middels de genoemde uitruil) 37,5% van zijn ouderdomspensioen verliest?
Ja, onder de aannames die Netspar gedaan heeft, zoals uitgaan van het voortzetten van een fiscaal maximaal verzekerd partnerpensioen voor pensioendatum, zou dat inderdaad de uitkomst kunnen zijn.
Klopt het dat voor bovenstaande gewezen deelnemer in het voorgestelde nieuwe stelsel, na de uitloopperiodes, in beginsel geen enkele dekking van nabestaandenpensioen voor het risico van overlijden voor de pensioendatum in de tweede pijler resteert, indien hij niet kiest voor de uitruil?
Ja, dat klopt. Wanneer de verplichte uitloopperiode is beëindigd en de deelnemer niet kiest voor de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen dan heeft deze deelnemer geen dekking van het partnerpensioen vanuit deze pensioenregeling. In het geval deze deelnemer een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan is deze dekking ook niet nodig, aangezien er in veel gevallen vanuit zijn nieuwe pensioenregeling dekking geboden wordt. Daarnaast kan de deelnemer desgewenst het partnerrisico ook in de derde pijler verzekeren.
Vindt u dat deze uitruilmogelijkheid een realistische optie is voor iemand met een laag inkomen, gezien de grote impact op het ouderdomspensioen?
Vooraf is het goed vast te stellen dat het nu voorgestelde nabestaandenpensioen een belangrijke verbetering is van het huidige stelsel, ook voor deelnemers met een laag inkomen. Het leidt tot een nabestaandenpensioen dat voor de deelnemers voorspelbaar en begrijpelijk is, beter aansluit bij life-events en in de praktijk eenduidig is in de uitvoering. Ten aanzien van de keuze gebruik te maken van de uitruilmogelijkheid is van belang dat deelnemers zelf de afweging moeten maken of de uitruilmogelijkheid in hun geval passend is. Dat hangt van hun persoonlijke situatie af. Daarbij is van belang op te merken dat die vrijwillige voortzetting in veel gevallen niet nodig zal zijn aangezien de deelnemer een dekking voor het nabestaandenrisico zal hebben vanuit een nieuwe dienstbetrekking. Een goede informatievoorziening en keuzebegeleiding vanuit de pensioenuitvoerder is dan ook noodzakelijk.
Verder is van belang op te merken dat er een wettelijke grens wordt gesteld in de mate waarin het ouderdomspensioen ingezet kan worden. Wanneer het pensioenkapitaal onder de afkoopgrens komt, is een uitruil van pensioenkapitaal in een risicopremie wettelijk niet meer toegestaan. Dit ter bescherming van de deelnemer om te voorkomen dat het ouderdomspensioen te laag wordt. Daarnaast kunnen decentrale sociale partners een grens stellen aan de mate of duur waarin het ouderdomspensioen kan worden ingezet.
Bent u ook bekend met de berekeningen uit dit rapport waaruit blijkt dat de individuele kostendekkende premie van het voorgestelde (fiscaal maximale) nabestaandenpensioen voor een 65-jarige met een laag inkomen (20.000 euro per jaar) bijna zeven keer hoger is dan de individuele kostendekkende premie voor huidige regelingen (te weten: 29,8% in plaats van 4,3%)?
Ja.
Klopt het dat dit in een fors hogere uniforme premie zal resulteren voor bedrijfstakpensioenfondsen waarvan een groot deel van de populatie een lager inkomen heeft en/of ouder is?
Voor bedrijfstakpensioenfondsen waarvan een groot deel van de populatie een lager inkomen heeft en/of ouder is, is het geen automatisme dat dit zal leiden tot fors hogere uniforme premies. Het is uiteindelijk aan decentrale sociale partners om in de pensioenovereenkomst de keuzes rondom nabestaandenpensioen vast te leggen en in die onderhandelingen ook de premieverdeling tussen werkgevers en werknemers overeen te komen. Om die reden is het nu niet te zeggen wat in individuele sectoren het effect op de premie zal zijn, hetzij wat het effect is op de hoogte van de dekking. Of sectoren met lage lonen een fors hogere premie zullen krijgen is afhankelijk van het uiteindelijk gekozen dekkingsniveau. Verder geldt inderdaad dat een sector met een ouder deelnemersbestand in het algemeen een hogere premie zal hebben.
Klopt het dat in het algemeen de kostendekkende premies voor het voorgestelde fiscaal maximale nabestaandenpensioen significant hoger zullen zijn dan die van de huidige aangeboden regelingen en dit dus zal resulteren in ofwel hogere individuele premies/een hogere uniforme premie, ofwel in een (veel) lagere dekking dan maximaal fiscaal mogelijk is?
In het wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt om een nabestaandenpensioen te verzekeren van maximaal 50% van het pensioengevend loon. Het gaat hier expliciet om een maximum waarbij fiscale ruimte geboden wordt om een risiconabestaandenpensioen overeen te komen, de genoemde 50% is dus geen streefpercentage. De maximale dekking, evenals de voorgestelde uitloopdekkingen, sluiten aan bij het advies dat de Stichting van de Arbeid heeft gegeven over het nabestaandenpensioen.
Het klopt dat er een verband is tussen enerzijds het gewenste dekkingspercentage en anderzijds het gewenste premieniveau. Hoe hoger het gewenst dekkingsniveau hoe hoger de premie zal zijn. Het is uiteindelijk aan decentrale sociale partners om in de pensioenovereenkomst de keuzes rondom nabestaandenpensioen vast te leggen en in die onderhandelingen ook de hoogte van de geboden dekking én de premieverdeling tussen werkgevers en werknemers overeen te komen.
Kunt u een indicatie geven van wat een realistische dekking voor het nabestaandenpensioen voor overlijden voor de pensioendatum zal zijn, gegeven de huidige premiebudgetten?
De Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars verwachten in dat geval bij DC-regelingen een bandbreedte van circa 20–25% van het pensioengevend salaris. Bij DB-regelingen wordt een gemiddelde van 35% verwacht, maar lopen de verwachtingen per regeling sterk uiteen van circa 20–50%.
Het eventuele toegezegde Anw-hiaatpensioen is in deze percentages niet meegenomen. Indien deze premie wordt meegenomen zullen de hiervoor genoemde percentages hoger zijn.
Bent u bekend met de berekeningen uit dit rapport waaruit blijkt dat in de voorgestelde regeling de nabestaande van een deelnemer met een inkomen van 20.000 euro per jaar bij een fiscaal maximaal nabestaandenpensioen een vier keer hogere nabestaandenpensioen (NP-)uitkering krijgt op het moment dat de deelnemer één dag voor de pensioendatum overlijdt, in vergelijking met het geval hij op de pensioendatum overlijdt (te weten: 10.000 euro per jaar in plaats van 2.500 euro per jaar)?
Ja.
Acht u dit verschil in uitkeringshoogte nog uitlegbaar? Zo ja, wilt u dit uitleggen en zo nee, wilt u het wetsvoorstel aanpassen?
Het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en het partnerpensioen dat bij overlijden na pensioendatum tot uitkering komt, verschillen in hun doelstelling. Bij het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum wordt de uitkering gebaseerd op het arbeidsinkomen dat wegvalt als gevolg van het overlijden van de deelnemer. Bij overlijden na de pensioendatum gaat het om het wegvallende pensioeninkomen uit de tweede pijler. Dat resulteert in een lagere uitkering dan bij overlijden voor pensioendatum, maar dat heeft te maken met het feit dat rekening gehouden wordt met een AOW-uitkering.
Er kan dus inderdaad een verschil zitten in hoogte tussen de uitkering voor en na de pensioendatum en dat is uitlegbaar, wanneer je uitgaat van het verschil in doelstelling.
Voor de gemaakte berekeningen in het rapport is overigens steeds uitgegaan van de fiscaal maximale uitkeringshoogte voor het partnerpensioen (50% van het pensioengevend loon). De gepresenteerde verschillen zijn hierdoor ook maximaal. Het is echter maar de vraag of in de praktijk decentrale partners uit zullen komen op een dekking van dit niveau. In de praktijk zouden de verschillen daarom kleiner kunnen zijn.
Deelt u de mening dat het restitutie bij overlijden voor pensioendatum het stelsel meer in balans kan brengen, omdat dan extreme verschillen wegegenomen kunnen worden?
Restitutie bij overlijden voor pensioendatum betekent dat in dat geval het pensioenkapitaal dat op de pensioendatum bestemd was voor ouderdomspensioen en partnerpensioen na pensioendatum aangewend wordt voor dekking van het partnerpensioen voor pensioendatum. Aangezien er in veel gevallen ook sprake zal zijn van een risico nabestaandenpensioen bij overlijden voor pensioendatum zal een categorische restitutie in een groot aantal gevallen leiden tot overdekking. In het geval er naast het risico nabestaandenpensioen ook de mogelijkheid van restitutie is, zal het verschil tussen voor en na pensioendatum voor deze groep hierdoor alleen maar toenemen.
Het aanbieden van een restitutie kan om die reden leiden tot minder animo om een risico nabestaandenpensioen aan te bieden of tot de keuze het dekkingsniveau ervan te verlagen. Vanwege deze gedragseffecten is het daarom maar de vraag of het aanbieden van restitutie het effect heeft dat in de vraag wordt verondersteld.
Wel is het zo dat door restitutie de groep gewezen deelnemers die niet langer gedekt is voor het risico nabestaandenpensioen alsnog een uitkering bij overlijden zal krijgen. Hoe hoog die uitkering zal zijn is sterk afhankelijk van het opgebouwd pensioenkapitaal. Wanneer de deelnemer nog maar kort heeft opgebouwd, kan die uitkering daarom laag uitpakken. Daarnaast kan het aanbieden van restitutie alleen naar de toekomst toe, wat betekent dat de dekking die hieruit voort zou vloeien pas over vele jaren enige substantie krijgt.
Bent u bereid om aan een weduwe uit te leggen, dat zij geen nabestaandenpensioen krijgt, omdat haar man (bijvoorbeeld als zelfstandige of op andere wijze zonder dekking) niet verzekerd was in de maand voor het bereiken van de Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd, dat de pensioenpot van 300.000 euro aan het collectief vervalt en dat wanneer hij een maand langer geleefd zou hebben, die pot beschikbaar geweest zou zijn voor de aankoop van een levenslang nabestaandenpensioen voor de weduwe?
Het vervallen van het opgebouwd pensioenkapitaal aan het collectief bij overlijden van de deelnemer voor pensioendatum is een gebruikelijke uitvoeringspraktijk. Dit pensioenvermogen wordt dan onderdeel van het pensioencollectief. Deelnemers die korter leven zijn daarmee solidair met deelnemers die langer leven. Met andere woorden het zogeheten langlevenrisico wordt hiermee gedeeld. Hierin ligt ook een deel van de solidariteit binnen de pensioenregeling besloten. Wanneer deze vrijval niet gebruikt zou worden voor de pensioenen van andere deelnemers zouden de premies voor alle deelnemers hoger moeten zijn of de pensioenen voor alle deelnemers lager of een combinatie van beiden.
Ik vind dat uitlegbaar. Met dit wetsvoorstel is overigens het uiterste gedaan om te voorkomen dat deelnemers ongewild zonder een dekking voor partnerpensioen komen te zitten.
Zo is er sprake van een verplichte uitloopperiode van drie maanden na einde dienstbetrekking, wordt de risicodekking tijdens de WW-periode voortgezet en is de mogelijkheid gecreëerd om de risicodekking vrijwillig voort te zetten, waarbij omwille van de betaalbaarheid het opgebouwd ouderdomspensioen ingezet kan worden voor de financiering. Indien gewenst kan de deelnemer op de particuliere markt in de derde pijler het overlijdensrisico afdekken.
Kunt u ook aangeven wat de kosten zullen zijn van de dubbele administratie van het oude nabestaandenpensioen (dat volgens het overgangsrecht beschikbaar zal blijven in het nieuwe stelsel) en het nieuwe nabestaandenpensioen?
Ik heb navraag gedaan bij de Pensioenfederatie. De precieze kosten van de uitvoering van het overgangsrecht zijn op dit moment niet bekend. Wel geeft Pensioenfederatie aan dat de hoogte van de uitvoeringskosten van de dubbele administratie zal afhangen van de wijze van uitvoering en daarmee onder andere afhankelijk is van de keuze om de dekking te continueren via persoonlijke vermogens of via een collectieve voorziening. Daarnaast zullen de implementatiekosten afhangen van de vraag of kan worden aangesloten bij reeds bestaande processen.
Constaterende dat in het huidige stelsel sprake kan zijn van restitutie bij overlijden voor de pensioendatum en dit in het nieuwe stelsel niet meer mogelijk is, opdat opgebouwde nabestaandenpensioenen of -kapitalen bij het invaren moeten worden omgezet in rechten conform de nieuwe Pensioenwet, aldus het wetsvoorstel en constaterende dat dit bij een regeling met restitutie opgebouwd bij een Premie Pensioen Instelling (PPI) echter technisch niet mogelijk is omdat als ingevaren wordt, het recht op restitutie en de daaruit voortvloeiende (hogere) uitkering namelijk zal komen te vervallen, en er dan dus een hoger (actuarieel gelijkwaardig) kapitaal meegegeven zal moeten worden voor het nabestaandenpensioen en aangezien het geld niet bij de uitvoerder aanwezig is, een andere partij dat zal moeten financieren, kunt u aangeven welke partij dit bedrag zal moeten bijleggen?
Het uitgangspunt van het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen is dat deelnemers geen nadeel mogen ondervinden als gevolg van de transitie. Dit geldt ook wanneer er in de bestaande pensioenregeling er aanspraak is op restitutie van het pensioenkapitaal bij overlijden voor de pensioendatum. Immers de restitutie van het beschikbare pensioenkapitaal op het moment van overlijden maakt onderdeel uit van de aanspraak op nabestaandenpensioen. Het op het moment van transitie opgebouwde pensioenkapitaal dat in aanmerking komt voor restitutie, kan dus na de transitie voor restitutie beschikbaar blijven. Omdat het gaat om reeds opgebouwd kapitaal, hoeft er geen additionele financiering plaats te vinden.
Bij PPI’s en verzekeraars kan ook sprake zijn van een aanspraak op restitutie bij overlijden voor de pensioendatum. Bij PPI’s en verzekeraars is er geen transitie maar is er sprake van eerbiedigende werking van de bestaande pensioenregeling. Daarmee kan ook de aanspraak op restitutie gewoon doorlopen. Ook hier is daarom additionele financiering niet aan de orde.
Voor de uitruil van ouderdomspensioen in risicogedekt nabestaandenpensioen komt een jaarlijks keuzemoment (de opt-in), kunt u aangeven of een deelnemer die in enig jaar geen gebruik (meer) heeft gemaakt van de opt-in, bijvoorbeeld omdat hij niet in staat was om tijdig te reageren, het volgende jaar alsnog voor een opt-in kan gaan?
In het wetsvoorstel is vastgelegd dat de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen aansluitend gestart moet worden na afloop van de verplichte uitloopperiode of aan het einde van de WW-periode. Omdat het gaat om een voortzetting van de bestaande dekking voor partnerpensioen kan deze niet onderbroken worden. Een deelnemer die geen gebruik heeft gemaakt van de vrijwillige voortzetting na afloop van de verplichte uitloopperiode of aan het einde van de WW-periode kan dus niet op een later moment alsnog deelnemen aan de vrijwillige voortzetting. Aangezien de verzekering voor het risico nabestaandenpensioen in dat geval al is geëindigd, is er niets meer om voort te zetten.
In dat kader is het nog goed te verwijzen naar het voorstel dat tijdens het WGO door een aantal partijen naar voren is gebracht om de default bij de vrijwillige voortzetting om te draaien, zodat de vrijwillige voorzetting in principe doorloopt tenzij de deelnemer anders beslist. Dit is ook een manier om schrijnende gevallen te voorkomen. Vanwege het risico op dubbele dekking kan het dan wel verstandig zijn om bij het omdraaien van de default periodiek te controleren of de gemaakte keuze nog steeds gewenst is, ter voorkoming dat anders de verzekering vele jaren ongemerkt en ongewenst kan doorlopen. Dit kan ondervangen worden door bijvoorbeeld drie of vijfjaarlijks de vrijwillige voortzetting te laten bevestigen door de deelnemer.
Stel dat deelnemers in Nederland massaal gebruik gaan maken van de (jaarlijkse) opt-in, dan komt het er de facto op neer dat grote groepen mensen deelnemer zijn in een pensioenfonds waar zij niet meer onder vallen op grond van hun feitelijke werkzaamheden, maar op grond van wat zij ooit gedaan hebben, zal dit naar uw oordeel extra druk kunnen leggen op de houdbaarheid van de verplichtstelling, aangezien daarmee een vrije marktwerking wordt verhinderd?
Ik acht het niet aannemelijk dat de nu voorgestelde vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen een grote invloed zal hebben op de houdbaarheid van de verplichtstelling. Het is namelijk maar de vraag hoe realistisch het is dat er massaal gebruik gemaakt gaat worden van de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen. In veel gevallen is deze voortzetting namelijk niet noodzakelijk, aangezien de deelnemer al verzekerd zal zijn voor het nabestaandenrisico vanuit zijn nieuwe dienstbetrekking. De verwachting is dat het in de praktijk om een kleine groep zal gaan die gebruik gaat maken van deze mogelijkheid. Daarnaast is relevant dat de keuze om de risicodekking voor partnerpensioen voort te zetten vrijwillig is en is voorbehouden aan ex-deelnemers van de betreffende pensioenregeling. De hoogte van de premie zal vanaf dat moment ook afgestemd worden op de leeftijd van de deelnemer. Decentrale sociale partners hebben daarnaast de mogelijkheid om een beperking in de tijd door te voeren voor deze keuzemogelijkheid. Het gebruik van deze mogelijkheid is dus niet per definitie onbeperkt. Deze mogelijkheid geldt dus ongeacht het type pensioenuitvoerder en alleen die specifieke situaties waarbij een deelnemer niet gaat deelnemen in een andere pensioenregeling.
Tot slot is van belang te noemen dat de Pensioenwet op dit moment reeds een mogelijkheid kent om bij het einde van de dienstbetrekking de pensioenregeling vrijwillig en voor eigen rekening voort te zetten. Deze regeling van vrijwillige voortzetting biedt deelnemers bij het einde van hun dienstbetrekking onverkort de mogelijkheid om zowel hun ouderdomspensioen als (in de nieuwe situatie) de risicodekking voor partnerpensioen voort te zetten en daarmee eventuele financiële risico’s te beperken. Deze mogelijkheid blijft bestaan.
Als bij vraag 17 het antwoord is dat een opt-in niet vervalt als het niet gebruikt is, dan betekent dit dat iemand na een paar jaar zichzelf alsnog kan aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) waar iemand ooit heeft gewerkt, zal dit dan naar uw oordeel extra druk kunnen leggen op de houdbaarheid van de verplichtstelling, aangezien daarmee een vrije marktwerking wordt verhinderd?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 17 moet de vrijwillige voortzetting gestart worden aansluitend op de beëindiging van de verplichte uitloopperiode of einde WW-periode en dient deze verzekering ononderbroken voortgezet te worden. De beschreven situatie zal zich in de praktijk dus niet voordoen.
Heeft u kennis genomen van het de berekeningen van het actuarieel adviesbureau Confident B.V. over hoe het pensioenakkoord gefunctioneerd zou hebben in de eerste helft van 2022?2
Ja
Klopt het dat uit het nieuwe contract volgt dat de rendementen van jongere werknemers, oudere werknemers en gepensioneerden dit jaar respectievelijk -11,0% -20,8% en -16,0% kunnen bedragen?
Er kan niet in zijn algemeenheid gesteld worden dat de in deze vraag genoemde rendementen volgen uit «het nieuwe contract». Die rendementen zijn het gevolg van veronderstelde aannames over de invulling van het nieuwe contract, met name rond de toedeling van rendementen naar verschillende leeftijdsgroepen, de inzet van de solidariteitsreserve en het al dan niet spreiden van rendementen in de uitkeringsfase. Op dit vlak zijn er ook allerlei andere invullingen denkbaar, die zouden leiden tot andere uitkomsten.
Bovendien zijn de effecten van behaalde rendementen op het vermogen minder relevant dan de effecten van behaalde rendementen op verwachte en ingegane pensioenen. Het gaat uiteindelijk om de pensioenen die deelnemers kunnen verwachten en die gepensioneerden ontvangen.
Verder wil ik opmerken dat in de berekeningen van actuarieel adviesbureau Confident B.V. (verder: Confident) gekozen is voor een volledige renteafdekking van gepensioneerden. In een scenario van stijgende rentes wordt de dan lagere kostprijs van pensioen volledig teniet gedaan door een daling van het persoonlijke pensioenvermogen via toedeling van negatieve beschermingsrendementen. Bij dalende rentes zou daarentegen juist maximaal gecompenseerd worden in het persoonlijke pensioenvermogen via positieve beschermingsrendementen. In de periode van 2009 tot 2022, met vrijwel continu dalende rentes, zou dat juist vooral goed uitgepakt hebben voor de pensioenuitkeringen in het nieuwe contract.
Pensioenuitvoerders kunnen straks ook een minder hoge mate van beschermingsrendement tegen renterisico aan gepensioneerden toedelen, waardoor de effecten in het nieuwe stelsel onder het door Confident gehanteerde scenario minder groot zouden zijn.
Hetzelfde geldt bij een andere inzet van de solidariteitsreserve (bijvoorbeeld meer specifiek gericht op het stabiel houden van de uitkeringen van gepensioneerden), bij een andere toedeling van overrendementen en bij de toepassing van spreiding van rendementen in de uitkeringsfase.
Verder wil ik opmerken dat een stelselherziening niet gebaseerd moet worden op een economisch scenario dat over een korte periode van een half jaar is opgetreden. Deze horizon is veel te kort om pensioencontracten goed met elkaar te kunnen vergelijken.
Acht u die verdeling een redelijke verdeling en acht u het een redelijke uitkomst dat het effect op de toekomstige uitkering voor de drie groepen respectievelijk 43,9% 6,2% en -3,5% zou zijn?
De gepresenteerde effecten op het toekomstige pensioen van jongere en oudere werknemers weerspiegelen niet hoe de solidaire premieovereenkomst feitelijk werkt. In de berekeningen wordt gedaan alsof het effect van rentestijgingen in het afgelopen half jaar op de verwachte pensioenuitkeringen één-op-één vertaald kan worden naar het verwachte pensioen op de toekomstige pensioendatum van deze twee groepen. Rentestanden van vandaag zijn echter niet de rentestanden van de toekomst. Daarom zal een scenarioanalyse worden toegepast, waarin onder meer de verwachte ontwikkeling van toekomstige rentes wordt meegenomen. Die is, naast een aantal andere economische variabelen, bepalend voor de vraag welk toekomstig pensioen verwacht mag worden. In de communicatie naar de deelnemers wordt hiervoor de wettelijk voorgeschreven uniforme scenarioset gebruikt.
Daarnaast kunnen de berekeningen van Confident niet gezien worden als dé effecten die in algemene zin onder het nieuwe stelsel zouden optreden. De specifieke aannames ten aanzien van bijvoorbeeld de toedeling van beschermings- en overrendementen aan deelnemers en gepensioneerden, de invulling van de solidariteitsreserve, de verschillende beleggingsportefeuilles van pensioenfondsen en het al dan niet toepassen van spreidingsregels in de uitkeringsfase zijn zeer bepalend voor de uiteindelijke uitkomsten. Dat geldt overigens ook in het huidige stelsel. De dekkingsgraden van fondsen lopen bijvoorbeeld sterk uiteen en zijn afhankelijk van de specifieke keuzes die bij de invulling van het huidige contract door decentrale partijen in het verleden zijn gemaakt.
Werkt het beschermingsrendement zoals aangegeven in de notitie en is dit de door het kabinet beoogde werking van het beschermingsrendement?
Het beschermingsrendement tegen renterisico werkt zoals in de notitie is beschreven, in de zin dat via dit beschermingsrendement een bepaalde mate van afdekking tegen het renterisico kan worden gegeven. In deze berekeningen is één bepaalde invulling gekozen, maar hier zijn ook allerlei andere keuzes mogelijk. Dit is mede afhankelijk van de vastgestelde risicohouding van deelnemers en gepensioneerden.
De afweging hoeveel renterisico wordt afgedekt, speelt in het huidige contract overigens evenzeer. Ieder kapitaalgedekt pensioencontract is rentegevoelig en dus speelt de vraag in hoeverre toekomstige en ingegane pensioenen gevoelig moeten zijn voor de ontwikkeling van de rente. Dit is een lastige afweging, omdat bescherming tegen een daling van de rente altijd met zich meebrengt dat naar rato ook minder geprofiteerd kan worden van een stijging van de rente. Die twee kanten hangen onvermijdelijk met elkaar samen.
Het voordeel van het nieuwe contract is dat deze afweging per leeftijd kan worden gemaakt, terwijl in het huidige contract een keuze voor het gehele fondsbestand gemaakt moet worden. Dit leidt ertoe dat jongere deelnemers nu mogelijk teveel bescherming tegen renterisico wordt gegeven en gepensioneerden mogelijk te weinig. In het nieuwe contract wordt deze spagaat eruit gehaald, omdat afdekking van renterisico specifiek per leeftijd kan worden toebedeeld.
Indien deze cijfers niet mogelijk zijn, wilt u dan zelf een voorbeeld geven hoe het pensioencontract zou uitwerken in de eerste helft van 2022?
In het antwoord op vraag 22 heb ik aangegeven hoe ik tegen de door Confident gepresenteerde cijfers aankijk. Zoals ik ook al heb aangegeven, kunnen deze uitkomsten niet worden gezien als hoe het nieuwe pensioencontract in algemene zin zou uitwerken in de eerste helft van 2022. Hier komt bij dat fondsen er mogelijk in de praktijk voor zullen kiezen om alleen jaarlijks de toedelingsregels in de uitkeringen door te voeren om zo de uitkeringsfase zo stabiel mogelijk te houden. Daarbij kan in de uitkeringsfase een spreiding van maximaal 10 jaar worden gehanteerd. De wetgeving geeft een raamwerk voor de nieuwe pensioencontracten, maar de financieel-economische uitkomsten daarvan worden bijna volledig bepaald door de specifieke invulling van deze contracten op decentraal niveau, zoals ten aanzien van het gehanteerde beleggingsbeleid, de toedeling van rendementen, de invulling van de solidariteitsreserve en de toepassing van spreidingsregels in de uitkeringsfase. De conclusie dat de specifieke invulling van pensioenregelingen op decentraal niveau bepalend is voor de uitkomsten, is voor het huidige pensioenstelsel overigens niet anders.
Indien u niet in staat bent aan te geven hoe de nieuwe contracten zouden uitwerken in de eerste helft van 2022, is de Staten-Generaal dan wel in staat een weloverwogen keuze te maken of het nieuwe stelsel ingevoerd moet worden?
Een berekeningsperiode van een half jaar acht ik te kort om de prestaties van contracten goed met elkaar te kunnen vergelijken en om een weloverwogen keuze te kunnen maken over de invoering van het nieuwe stelsel. Ook instituten als CPB, Netspar en DNB hanteren een veel langere horizon in hun scenario’s, meestal van tientallen jaren. Door deze instellingen, en recent nog door een aantal individuele fondsen, zijn berekeningen gemaakt, waarin contracten onder het oude en het nieuwe stelsel met elkaar vergeleken worden3. Die berekeningen, en een beoordeling van het wetsvoorstel op kwalitatieve gronden, bieden naar mijn mening voldoende grondslagen om een weloverwogen keuze te maken over invoering van het nieuwe stelsel.
Wilt u deze vragen een voor een en voor het plenaire debat behandelen?
Ja
Het bericht ‘Steunmaatregelen ‘zeer teleurstellend’ voor glastuinbouw: ‘Dit gaat tuinders niet helpen’´ |
|
Derk Boswijk (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Steunmaatregelen «zeer teleurstellend» voor glastuinbouw: «Dit gaat tuinders niet helpen»»? Zo ja, bent u het eens met de uitspraak «dit gaat tuinders niet helpen»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben het niet eens met de uitspraak dat de maatregelen die zijn genomen de tuinders niet helpt.
Kunt u een inschatting maken van de ernst van de situatie momenteel in de glastuinbouw en hoeveel geld een gemiddeld glastuinbouwbedrijf nu tekortkomt als gevolg van de hoge energierekening? Hoe verhoudt het bedrag van 62 duizend euro (tot mogelijk 93 duizend euro) zich hiertoe en hoe bent u tot dit bedrag gekomen?
De gestegen energiekosten hebben een grote impact op de glastuinbouw en ondernemers zijn meer gaan besparen en gaan extensiveren. Dit wordt ook beschreven in de tweede verkenning van de Wageningen Economic Research (WEcR) van de mogelijke inkomenseffecten van de oorlog in Oekraïne voor bedrijven in de land- en tuinbouw die u op 9 november heeft ontvangen.2 Exacte cijfers zijn niet bekend, mede doordat er grote verschillen binnen de sector bestaan. Uit een enquête onder de leden van Glastuinbouw Nederland en Plantum blijkt dat 30% van de respondenten verwacht in financiële problemen te komen en 8% verwacht een faillissement te moeten aanvragen.
Glastuinders kunnen gebruik maken van de Tegemoetkoming Energiekosten (TEK-regeling). Het kabinet heeft besloten deze regeling algemeen (sector-overstijgend) op te stellen. Omdat het tijdelijke EU-staatssteunkader voor landbouwbedrijven, zoals tuinders of tuinbouwondernemingen, op 28 oktober 2022 door de Europese Commissie is verruimd, geldt nu ook voor agrarische ondernemers binnen de TEK een maximum vergoeding van € 160.000 (dit was € 62.000). Daarnaast is er een verlaging van de benodigde energiekosten als percentage van de omzet. Dit is nu verlaagd naar 12,5% naar 7%.
Kunt u inschatten hoeveel vertraging de plannen voor (verdere) verduurzaming van de sector oplopen? Komt de haalbaarheid van de doelen op het gebied van klimaat en water hierdoor in gevaar?
Nee, dit is lastig in te schatten, vanwege de diverse situatie binnen de sector. Aan de ene kant is het begrijpelijk dat ondernemers investeringen uitstellen. Aan de andere kant spreken we juist met Glastuinbouw Nederland en Greenports Nederland op welke wijze de energietransitie versneld kan worden.
Waarom wordt de glastuinbouw niet erkent als «energie-intensieve sector», maar als «landbouwbedrijf»? Kunt u dit toelichten?
De Europese Commissie heeft een lijst van werkzaamheden die tot de landbouw worden gerekend, namelijk de lijst van bijlage 1 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Voor de Europese grondslag voor staatssteun in het kader van de TEK-regeling geldt voor landbouwbedrijven een afwijkend plafond. Hierbij maakt het niet uit of de betreffende bedrijven energie intensief zijn of niet. Zoals genoemd bij vraag 2, zijn deze plafonds opgehoogd, waardoor voor glastuinbouw binnen de TEK inmiddels geen afwijkend plafond geldt.
Deelt u de mening dat de energie-intensiviteit van de glastuinbouw een valide reden is waarom deze sector meer steun nodig heeft dan conventionele landbouwbedrijven?
Het kabinet heeft gekozen voor een generieke regeling. Alle ondernemers die aan de kaders van de TEK-regeling voldoen, kunnen hiervan gebruik maken. Daarnaast zie ik steun ook als steun bij het versnellen van investeringen in energiebesparende maatregelen en de energietransitie. Dat is de enige manier om ook minder afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen. Ik heb uw Kamer samen met de Minister voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst in april geïnformeerd over een samenhangend pakket dat met sectorpartijen wordt uitgewerkt3. Tevens is onlangs het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022–2030 getekend4.
Welke opties heeft u verkend bij de totstandkoming van deze regeling en hoe is daarbij getracht om de glastuinbouw als energie-intensieve sector optimaal gebruik te laten maken van het Europese steunpakket?
Vanuit de EU zijn medio 2022 EU-middelen uit de landbouwcrisisreserve beschikbaar gesteld, de EU-middelen zijn in Nederland gebruikt om landbouwers met grond én met substantiële aantallen varkens en pluimvee te ondersteunen. De keuze voor deze sectoren was mede gebaseerd op de uitkomsten van het eerste WEcR-onderzoek omdat deze sectoren het meest getroffen waren door de hogere voerprijzen.
Voor de glastuinbouw waren substantiëlere bedragen nodig. De Europese Commissie heeft de staatssteunkaders in het kader van de hoge energieprijzen verruimd. Het is dan aan lidstaten om hier al dan niet gebruik van te maken, waarbij de lidstaten daar ook zelf de financiële middelen voor vrij moet maken. Het kabinet heeft ervoor gekozen om allereerst in te zetten op energiebesparing en door te pakken op de energietransitie. Ook voor de glastuinbouw wordt deze versneld en worden hier additionele middelen voor vrijgemaakt. Daarnaast heeft het kabinet besloten een generieke regeling te ontwikkelen voor het brede MKB, waar alle sectoren die aan de kaders voldoen, gebruik van kunnen maken. Hiermee zal de glastuinbouw meer steun ontvangen dan beschikbaar zou zijn geweest aan middelen uit de landbouwcrisisreserve.
In hoeverre maakt Nederland momenteel maximaal gebruik van de mogelijkheden die vanuit Europa worden geboden om de problemen in de glastuinbouwsector, als gevolg van hoge energieprijzen, zoveel mogelijk te verlichten?
De Europese staatssteunkaders bieden meerdere mogelijkheden om nationaal steun te verlenen. Iedere lidstaat, waaronder Nederland, geeft hier een andere invulling aan. Daardoor zullen verschillen tussen lidstaten ontstaan. In Nederland is gekozen voor de inzet van middelen voor energiebesparing en versnelling van de energietransitie. Daarnaast is besloten de TEK-regeling te ontwikkelen om het energie-intensieve MKB te ondersteunen.
Kunt u aangeven op welke wijze andere lidstaten gebruikmaken van de mogelijkheden die door Europa worden geboden om de glastuinbouw te ondersteunen en hoe dit zich verhoudt tot wat Nederland doet? In hoeverre is er sprake van een gelijk speelveld in Europa wat betreft de verleende steun? Kunt u dit onderbouwen?
De Europese lidstaten gaan verschillend om met steunmaatregelen. In algemene zin is bekend welke maatregelen door verschillende landen zijn getroffen om sectoren te steunen. De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft uw Kamer hierover in november geïnformeerd5. Op welke wijze deze exact voor een tuinder uitpakken is niet bekend. Daarvoor is de aanpak tussen landen onderling te divers en zijn maatregelen en kaders ook niet overal helder uitgewerkt. Wij hebben gekozen voor een samenhangend pakket van het stimuleren van de energietransitie en energiebesparing, steun voor het MKB en de mogelijkheid van een borgstellingsfaciliteit.
Welke additionele mogelijkheden ziet u, binnen het Europese steunpakket en het landbouwsteunkader, om meer ruimte te bieden voor ondersteuning aan de Nederlandse glastuinbouw?
Er wordt gesproken over de versnelling van de energietransitie in de glastuinbouw, daar worden via verschillende instrumenten middelen voor vrijgemaakt. Zo is het budget voor subsidie op energiebesparende maatregelen opgehoogd naar € 60 mln. om zoveel mogelijk aanvragen te kunnen honoreren. Via verschillende instrumenten wordt bijgedragen aan infrastructuur voor duurzame warmtebronnen. Voor die ondernemers die op korte termijn in liquiditeitsproblemen komen, heeft het kabinet besloten een tijdelijke mogelijkheid voor een borgstellingskrediet voor glastuinders te creëren onder het staatssteunkader voor steun in verband met de oorlog in Oekraïne, waarbij de overheid een deel van het risico voor een bank bij verstrekking van krediet overneemt. Het Borgstellingskrediet voor de Landbouw (BL) wordt verruimd, waardoor nu ook kredieten voor werkkapitaal, specifiek voor de tuinbouwsector onder het BL kunnen worden gebracht.
Is bijvoorbeeld bij het opstellen van het Europese crisiskader voor staatssteunmaatregelen overwogen om in artikel 42a een uitzondering voor energie-intensieve sectoren in de landbouw, zoals de glastuinbouw, te maken aangezien zij niet op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) kunnen terugvallen voor de compensatie van energiekosten? Wat vindt u van deze optie? Bent u bereid om in Europees verband in te zetten op een dergelijke uitzondering?
Door de verruiming van de staatssteunkaders is het plafond per bedrijf binnen de TEK-regeling inmiddels gelijk getrokken. Het kabinet overweegt geen additionele compensatie en heeft bewust besloten een generieke regeling uit te werken voor het energie-intensieve MKB. Ik overweeg dan ook geen inzet op aanvullende steunmogelijkheden.
Het artikel 'Mensen met schulden merken niets van hogere lonen en uitkeringen' |
|
Hülya Kat (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mensen met schulden merken niets van hogere lonen en uitkeringen»?1
Ja.
Klopt het dat de beslagvrije voet niet wordt aangepast aan de verhoging van het wettelijk minimumloon en als dat zo is, waarom niet?
De beslagvrije voet wordt wel aangepast aan de verhoging van het wettelijk minimumloon. Dit gebeurt echter niet voor iedereen direct op 1 januari. Nadat de beslagvrije voet is vastgesteld, moet de deurwaarder de beslagvrije voet minimaal een keer per jaar herberekenen. Daarvoor zijn geen vaste momenten bepaald. In veel gevallen gebeurt dit pas later in 2023 wanneer 12 maanden na het vaststellen van de beslagvrije voet verstreken zijn en de herberekening van de beslagvrije voet conform wetgeving moet worden uitgevoerd.
Bij beslagen en verrekeningen die in of na januari 2023 worden gelegd, wordt de verhoogde bijstandsnorm in de beslagvrije voet toegepast. Ook voor mensen in de bijstand zal op moment van uitbetalen in januari de beslagvrije voet volgens de nieuwe norm worden toegepast als vast percentage van de uitkering.
Naast de wettelijke verplichting om eens per 12 maanden de beslagvrije voet te herberekenen, is de uitvoerende partij verplicht om de beslagvrije voet opnieuw te berekenen wanneer een met redenen omkleed verzoek wordt gedaan, bijvoorbeeld vanwege een structurele wijziging van omstandigheden van de beslagene, zoals een wijziging van inkomsten. Een burger kan hier zelf (ook) om verzoeken.
Wij zetten met urgentie stappen om te bewerkstelligen dat financieel kwetsbare mensen de gevolgen van de stijging van het wettelijk minimumloon snel merken in hun portemonnee. Samen met de partners in de keten voor derdenbeslag (UWV, SVB, Belastingdienst, CJIB, LBIO, VNG, KBvG, SNG, BKWI, IB) en de stakeholders zoals schuldhulpverleners, beschermbewindvoerders, sociaal raadslieden en rechter-commissarissen wordt op dit moment gewerkt aan een verklaring, waarin gezamenlijke afspraken worden opgenomen om deze kwetsbare burgers zoveel mogelijk te stimuleren en te helpen bij het doen van een aanvraag voor een versnelde herberekening van de beslagvrije voet. Tevens is hierbij aandacht voor de uitvoerbaarheid van deze afspraken binnen het gegeven juridische kader. In januari 2023 worden de details van deze afspraken tussen de betrokken partijen bekrachtigd en wordt/is uw kamer hierover geïnformeerd middels een brief.
Overigens blijft het te allen tijde voor mensen mogelijk om zelf een verzoek te doen om de beslagvrije voet te her-berekenen in geval van een structurele wijziging van omstandigheden die van belang is voor het vaststellen van de beslagvrije voet. De berekening heeft niet in alle gevallen een gunstig effect voor de burger. De burger heeft wel een mogelijkheid om eerst (zelf) te berekenen wat het effect van een herberekening is.
Klopt het dat bij mensen die in de schuldhulpverlening zitten of een bijstandsuitkering ontvangen de beslagvrije voet wel wordt aangepast en zo ja, waarom wordt hierin een onderscheid gemaakt?
Het gaat hier om verschillende situaties. Bij mensen die een bijstandsuitkering ontvangen, werkt de aanpassing van de beslagvrije voet per direct door, omdat gerekend wordt met 95% van de bijstandsnorm bij de bepaling van de beslagvrije voet. Hierdoor beweegt de beslagvrije voet automatisch mee met wijzigingen van de bijstandsnorm. Dit in tegenstelling tot beslag op andere uitkeringen of looninkomsten, waarbij de beslagvrij voet wordt toegepast als bedrag.
Bij schuldhulpverlening wordt een vrij te laten bedrag berekend, op basis van de beslagvrije voet. Het vrij te laten bedrag is altijd hoger dan de beslagvrije voet, omdat hoge kosten voor bijvoorbeeld een zorgverzekering worden meegenomen in de berekening. Op basis hiervan bepaalt de schuldhulpverlener de afloscapaciteit van de burger.
Hiermee maakt de schuldhulpverlener een plan van aanpak om de problematische schulden binnen een maximale termijn van 36 maanden op te lossen.
Afhankelijk van de afspraken met schuldeisers zal aflossing van (een deel van) de schulden in jaarlijkse termijnen of bij het einde van het traject plaats vinden. Bij een stijging van inkomsten wordt het meerdere boven het vrij te laten bedrag gebruikt om af te lossen. Bij jaarlijkse herijking van het plan van aanpak zal de beslagvrije voet en daarmee het vrij te laten bedrag worden herberekend – pas dan komt de stijging in inkomen toe aan de burger.
Ook hier geldt dat het de wens is dat de inwoner meteen vanaf januari over de stijging van het wettelijke minimumloon beschikt. Hiervoor is inderdaad geen aanvullende regelgeving nodig. VNG en NVVK adviseren hun leden wel actief om voor minnelijke (msnp) schuldregelingen liefst voor 1 maart 2023 het vrij te laten bedrag aan te passen. Dat kan met terugwerkende kracht gelden vanaf 1 januari. Indien meer tijd nodig is voor het aanpassen van het vrij te laten bedrag dan is het voorstel deze op voorhand te verhogen en tenminste voor 30 mei de herberekening te doen zodat eventuele tekorten of teveel betaalde bedragen kunnen worden verrekend met het vakantiegeld.
Voor hoeveel mensen geldt dat zij momenteel geen verzoek kunnen doen om de beslagvrije voet aan te passen, omdat ze geen uitkering ontvangen en niet in de schuldhulpverlening zitten?
Iedereen met een beslag of verrekening op periodieke inkomsten kan altijd een met redenen omkleed verzoek tot herberekening doen bij gewijzigde omstandigheden. Een stijging van inkomsten betreft een dergelijke wijziging in omstandigheden. Een burger bij wie het inkomen stijgt kan vanwege dit feit altijd zelf om een herberekening van de beslagvrije voet vragen. Het punt is echter dat dit niet automatisch gebeurt en dat een verzoek nodig is. Precieze cijfers over aantallen mensen bij wie een beslag ligt of een verrekening op inkomen uit loon, pensioen of uitkering zijn niet voorhanden. In 2021 lag er bij ca. 230.000 mensen een beslag op inkomsten vanuit gerechtsdeurwaarders, blijkt uit het jaarverslag van de Koninklijke Beroepsvereniging van Gerechtsdeurwaarders (KBvG).
Hoeveel signalen zijn er bekend bij u van gevallen waarbij het bedrag dat overblijft onder de beslagvrij voet onvoldoende was om van rond te komen als gevolg van de stijging van de kosten van levensonderhoud?
Gelet op de cijfers van het CBS ziet het kabinet dat steeds meer mensen moeite hebben om rond te komen, onder meer door de gestegen energieprijzen en inflatie. Dit geldt zeker ook voor mensen met beslag op inkomsten die daardoor in een financieel kwetsbare positie verkeren. Daarom heeft het kabinet een groot pakket aan koopkrachtmaatregelen getroffen om mensen financieel bij te staan en hen in staat te stellen het hoofd te bieden aan de hoge kosten voor levensonderhoud als gevolg van de inflatie.
Zo is bijvoorbeeld de verbreding van het Waarborgfonds saneringskredieten mogelijk gemaakt. Door de energiecrisis neemt de groep mensen toe die hun aflosverplichtingen op een saneringskrediet niet meer kunnen nakomen. Ook neemt de groep mensen toe zonder, of met een zeer beperkte afloscapaciteit, waardoor het voor hen niet mogelijk is om in aanmerking te komen voor een schuldregeling met saneringskrediet.
Met de verbreding van het Waarborgfonds worden beide groepen ondersteund. Hun aflosverplichting wordt tijdelijk op een lager bedrag vastgesteld, waardoor ze niet uit een lopende schuldregeling vallen, of toch nog voor een schuldregeling in aanmerking komen. Deze verbreding loopt voor een periode van 6 maanden, van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023.
Bent u het ermee eens dat de verhoging van het wettelijk minimumloon alsmede de overige steunmaatregelen ook daadwerkelijk aangewend zouden moeten kunnen worden om te voorzien in het levensonderhoud en niet primair voor het aflossen van schulden?
Het kabinet zet de verhoging van het wettelijk minimumloon alsmede van alle steunmaatregelen graag in voor het levensonderhoud van mensen die het financieel moeilijk hebben. Daarom zetten wij met urgentie stappen om te bewerkstelligen dat ook mensen met beslag op periodieke inkomsten de gevolgen van de stijging van het wettelijk minimumloon snel merken in hun portemonnee. Tegelijkertijd is het van belang het perspectief van de schuldeiser niet uit het oog te verliezen. Het kabinet zoekt naar een goede balans tussen de belangen van schuldenaar en schuldeiser.
Wat zijn de uitvoeringsconsequenties als alle personen bij wie beslag is gelegd op het inkomen zelf een aanvraag moeten doen om de beslagvrije voet te laten aanpassen?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik vinden het wenselijk dat de stijging van het WML snel terecht komt bij financieel kwetsbare mensen. Omdat we weten dat mensen door schulden stress ervaren en zij daardoor niet allemaal het «doenvermogen» hebben om zelf een aanvraag tot her-berekenen te doen, zetten wij in op een proactieve oplossing. Uit de gesprekken met beslagleggende partijen komt naar voren dat zowel individuele verzoeken als collectieve, ambtshalve herberekening uitvoeringstechnische consequenties hebben. Wij verkennen en werken verschillende oplossingen uit, zoals eerdergenoemde afspraken om de herberekening van de beslagvrije voet uniform te regelen.
Welke mogelijkheden ziet u om de beslagvrije voet nog op 1 januari 2023 generiek te verhogen?
Wij vinden het wenselijk dat de stijging van het WML en daaraan gekoppeld ook de beslagvrije voet snel terecht komt bij financieel kwetsbare mensen. Voor de groep mensen die bijvoorbeeld een volledige bijstandsuitkering hebben, werkt de wijziging van de beslagvrije voet direct door op 1 januari, door de koppeling aan de bijstandsnorm. Voor mensen met een andere uitkering of inkomsten, proberen we -bij voorkeur collectief- de beslagvrije voet zo kort mogelijk na 1 januari te laten her-berekenen. Dit is, zoals eerder geschetst, een uitdagend traject.
Klopt het ook dat de tarieven voor bewindvoerders, curatoren en mentoren aankomend jaar niet worden geïndexeerd, en zo ja wat is hiervoor de reden?
Ja, dat klopt. Ieder jaar wordt op basis van de indexeringsregeling in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren («CBM») bezien of de beloning van curatoren, bewindvoerders en mentoren geïndexeerd wordt. Op 20 oktober 2022 is door middel van een persbericht op de website van de rijksoverheid bekend gemaakt dat de beloningen in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren in 2023 niet worden geïndexeerd.2
De reden dat de beloningen voor 2023 niet worden geïndexeerd, is gelegen in het volgende. In de Regeling beloning CBM wordt verwezen naar de formule uit het Besluit vergoeding bewindvoerders schuldsanering. De formule wordt berekend aan de hand van cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (het CBS) jaarlijks bekend maakt. Voor het indexeringspercentage wordt teruggekeken naar het 2e jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indexering zal gaan gelden. Bij de berekening van de indexering van de beloningen over 2023 wordt dus teruggekeken naar de cijfers van het CBS over 2021. Indien op grond van deze formule het indexeringspercentage is bepaald tussen de -1 en 1% worden de beloningen niet geïndexeerd. Voor 2023 is het indexeringspercentage 0,66%. Dit betekent dat de beloningen in 2023 niet worden geïndexeerd. Het voorgaande betekent dat volgend jaar bij de berekening van de indexering van de beloning over 2024 wordt teruggekeken naar de cijfers van het CBS over 2022. Dan zal dus wel de hoge inflatie worden meegenomen in de tarieven. Wij begrijpen dat dit een teleurstellende boodschap is voor de wettelijke vertegenwoordigers. De indexering vindt door de formule later plaats dan gewenst, maar vindt uiteindelijk wel altijd plaats.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de hoge inflatie en de wens om te investeren in de kwaliteit van bewindvoering?
Zoals bij de vorige vraag reeds is aangegeven, ligt het peiljaar voor het bepalen van het indexeringspercentage twee jaren eerder. Voor 2023 is derhalve gekeken naar de cijfers over 2021. In de indexeringsregeling in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren is derhalve geen rekening gehouden met de inflatie van de afgelopen maanden. Voor de volledigheid willen wij benoemen dat de curatoren, bewindvoerders en mentoren niet de enige beroepsgroep zijn van wie de beloningen niet of nauwelijks worden geïndexeerd in 2023.
In de komende maanden willen we verder in gesprek over de kwaliteit van bewindvoering en de beloning die bewindvoerders daarvoor ontvangen. In dit verband is van belang dat wij binnenkort de uitkomsten van het onderzoek van SEO naar de belonings- en financieringssystematiek van bewindvoerders verwachten. De uitkomsten van dat onderzoek willen wij bezien in samenhang met de plannen ter uitwerking van het coalitieakkoord om strengere kwaliteitseisen te stellen aan bewindvoerders. Wij hebben op 4 oktober 2022 uw Kamer hierover bericht. Nadat de resultaten van het SEO-onderzoek bekend zijn zullen wij uw Kamer nader berichten.
De escalatie van het vogelgriepvirus en nieuwe besmettingen onder zoogdieren |
|
Leonie Vestering (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Kuipers |
|
|
|
|
Maakt u zich ook grote zorgen nu het vogelgriepvirus rondgaat in de twee meest pluimveedichte gebieden van Nederland: de Gelderse Vallei en Noord-Limburg? Zo nee, waarom niet?1, 2
Het virus is aangetroffen in pluimveebedrijven in twee pluimveedichte gebieden, in Gelderland en in Noord-Brabant. Een uitbraak in een dergelijk gebied heeft grote gevolgen en de kans dat het virus daar verder verspreidt is groot. Daar maak ik mij inderdaad zorgen om. Al eerder dit jaar zijn uitbraken geweest in deze twee gebieden. Besmette wilde vogels zijn de vermoedelijke bron van besmetting geweest. In de Gelderse Vallei is er naar alle waarschijnlijkheid in enkele gevallen tussenbedrijfstransmissie opgetreden, in Noord Brabant lijkt dat tot op heden niet het geval te zijn geweest. Ook de laatste uitbraak in Lunteren lijkt niet tot tussenbedrijfstransmissie te hebben geleid. De uitbraken daar zijn zorgelijk vanwege de hoge pluimveedichtheid, maar de NVWA heeft tot nu toe de uitbraken effectief bestreden.
Baalt u er nu ook van dat uw voorgangers al sinds de evaluatie van de grote vogelgriepuitbraken in 2003 adviezen van wetenschappers om de pluimveedichtheid aan te pakken hebben genegeerd? Wat gaat u hieraan doen?
De huidige vogelgriep situatie is niet houdbaar. Zoals tijdens het commissiedebat op 13 oktober is aangegeven, moet er een oplossing komen om met preventief ruimen te kunnen stoppen. Met het oog daarop wordt samen met de sector gekeken hoe we de pluimveedichtheid in bepaalde gebieden kunnen verlagen zodat dit soort situaties in de toekomst niet meer voor hoeven te komen.
Welke preventieve maatregelen gaat u daarnaast op korte termijn nemen?
Zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 11 oktober jl. (Kamerstuk 28 807, nr. 269) zijn er op korte termijn eenvoudigweg geen nieuwe, eenvoudig uitvoerbare maatregelen die substantieel bijdragen aan het voorkomen van besmettingen. De komende maanden werken we daarom aan een Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Daarbij zetten wij onder andere in op versnelling van het vaccinatietraject en verdere versterking van de bioveiligheid met een verplicht bioveiligheidsplan voor alle pluimveebedrijven.
Snapt u dat veel mensen zijn geschrokken van het nieuws dat bij een vogelgriepbesmetting bij één bedrijf in Heythuisen het ongekende aantal van 300.000 kippen is vergast? Zo nee, waarom niet?
Iedere uitbraak is er één teveel. Ook ik vind het verschrikkelijk dat er in Heythuysen zoveel kippen moesten worden gedood.
Kunt u beschrijven hoe het vergassen en verzamelen («rapen») van 300.000 leghennen eruitziet? Hoeveel mensen zijn hierbij in totaal ingezet? Hoe lang duurt het voordat alle dieren in de stal dood zijn? Klopt het dat leghennen vaak hoger kunnen klimmen en weg kunnen kruipen, waardoor het totale proces langer duurt? Hoeveel gas wordt hierbij gebruikt?
De vergassing wordt als volgt uitgevoerd. Alle openingen waar CO2 uit kan stromen worden zoveel mogelijk gedicht. Ventilatiekanalen worden als laatste afgedicht waarna het verwarmd CO2-gas in de stal wordt gebracht. Het aanwezige pluimvee raakt bij een concentratie van 20% CO2 in 10 minuten bedwelmd. Het CO2-percentage wordt vervolgens opgebouwd tot 45% en een bepaalde tijd op deze concentratie gehouden. Er zijn geen aanwijzingen dat de kippen wegkruipen. Na deze periode wordt gecontroleerd of al het pluimvee gedood is, waarna de stal wordt gelucht (CO2 vrijmaken). Afhankelijk van het type stal, de afmetingen ervan, de aanwezigheid van gangpaden etc. worden de kadavers handmatig met kruiwagens, of met behulp van elektrische kruiwagens of groter materieel uit de stallen gehaald en afgevoerd naar Rendac. Iedere stal is anders maar voor een gemiddelde grondstal is ca. 7.500 kg CO2 nodig.
Klopt het dat het vergassen van dit soort bizarre aantallen dieren de snelheid van de virusbestrijding kan vertragen, onder meer vanwege de beschikbaarheid van personeel en de leveringsproblemen van CO₂?3
Het bedrijf had drie stallen en in één van de stallen was de infectie aangetroffen. Per stal zaten er wel een groot aantal kippen maar het doden van kippen in een stal neemt niet per se meer tijd in beslag. Wel is het zo dat naarmate er meer stallen zijn het meer tijd kost. Ook de tijd nodig voor het ruimen van kadavers neemt toe met de grootte van het bedrijf.
Zoals ik ook in mijn brief van 11 oktober jl. (Kamerstuk 28 807, nr. 269) heb aangegeven, verken ik de mogelijkheden om de tijdige levering van CO2-gas te verzekeren. Bij deze gesprekken is mij duidelijk geworden dat er momenteel geen absoluut tekort aan CO2 is, maar dat er wel uitdagingen bestaan in de logistieke keten. Deze hebben te maken met het feit dat vogelgriepbesmettingen onvoorspelbaar zijn en niet altijd eenvoudig passen in de planning van gas-leverende bedrijven. Daarnaast is sprake van beperkte capaciteit aan vrachtwagens en chauffeurs met de juiste papieren, een probleem wat ook breder in andere sectoren speelt. Ik onderzoek daarom nu een aantal mogelijkheden om deze logistiek te borgen.
Kunt u bevestigen dat vertraging van de virusbestrijding betekent dat het risico groter wordt dat het virus zich verder kan verspreiden?
Dat hangt af van de situatie. Zolang nog besmette levende dieren in een stal zitten treedt virusvermeerdering in de dieren op. Dan is een stal in feite nog besmettelijk voor dieren in de omgeving. Zodra de dieren dood zijn, kan virus zich niet meer repliceren en neemt de hoeveelheid virus in de loop van de tijd af. Dat betekent ook dat hoe langer het duurt voor een besmetting wordt opgemerkt en hoe langer het duurt eer besmette dieren zijn gedood, hoe groter de kans is op verspreiding. Hoe langer het duurt eer dieren gedood zijn hoe groter de kans op verspreiding. Tot nu toe konden alle besmette stallen binnen 48 uur geruimd worden.
Kunt u bevestigen dat in het afgelopen jaar bij pluimveebedrijven in Blija, Hierden en Grootschermer honderdduizenden kippen en eenden zijn vergast vanwege vogelgriepuitbraken, waarna de stallen opnieuw zijn gevuld en enkele maanden later opnieuw een vogelgriepbesmetting werd ontdekt en opnieuw alle dieren zijn vergast? Kunt u bevestigen dat in het afgelopen jaar ook een bedrijf in Lutjegast is besmet waarna alle dieren zijn vergast, terwijl dit bedrijf een jaar eerder ook kampte met vogelgriep?4, 5, 6, 7
Ja. Daarover is de Tweede Kamer geregeld geïnformeerd. Er zijn inderdaad enkele bedrijven geweest waar een tweede besmetting is opgetreden. De bedrijven zijn bezocht en er waren geen wezenlijke tekortkomingen in de bioveiligheid van de bedrijven vastgesteld. We zullen hieraan in onze intensiveringsaanpak wel aandacht aan besteden.
Bij hoeveel bedrijven is in de afgelopen vijf jaar twee keer (of vaker) vogelgriep geconstateerd? Bij hoeveel bedrijven zijn in de afgelopen vijf jaar preventief alle dieren vergast, terwijl zij in dezelfde tijd (al dan niet preventief) al eerder waren «geruimd»?
Sinds 2016 is op 13 bedrijven meer dan één keer vogelgriep geconstateerd en om die reden dus vaker geruimd.
Wanneer bent u geïnformeerd over het nieuws dat het vogelgriepvirus in Spanje is overgesprongen naar een nertsenfokkerij, waarna 52.000 nertsen vroegtijdig zijn gedood?8
Ik ben daarover geïnformeerd op het moment dat het door de Spaanse autoriteiten in het nieuws is gebracht, onder andere via Promed, het informatiesysteem Program for Monitoring Emerging Diseases van de International Society for Infectious Diseases.
Kunt u bevestigen dat nertsen zeer gevoelig zijn voor besmetting met griepvirussen, zowel humane griepvirussen als vogelgriepvirussen en varkensgriepvirussen, dat nerts-op-nerts besmetting eenvoudiger mogelijk is en dat nertsen kunnen fungeren als «mengvaten» die de genetische uitwisseling tussen influenzavirussen van verschillende gastheersoorten vergemakkelijken?
Uit onderzoek blijkt dat nertsen gevoelig zijn voor circulerende influenzavirussen in vogels en mensen. Hoe eenvoudig nerts op nerts besmetting mogelijk is hangt echter af van de omstandigheden waaronder de nerts leeft. Het risico van adaptatie van vogelgriepvirus naar zoogdiertransmissie in nerts, is wel reëel zoals we eerder met geïnfecteerde bunzings hebben gezien maar bij mijn weten is nog nooit vastgesteld dat een reassortant van nerts/marterachtigen in mens is terecht gekomen.
Erkent u dat we in coronatijd hebben kunnen zien hoe makkelijk een virus tussen mensen en nertsen heen en weer kan springen?
De nertsen zijn besmet geraakt door mensen. Er is op zeer geringe schaal infectie opgetreden van mensen door nertsen. Daarover is de Tweede Kamer geregeld geïnformeerd.
Hoe houdt u zicht op de gevaren voor de volksgezondheid die uit deze besmettingen voortkomen?
Uitbraken van infectieziekten, of er nu sprake is van mens op mens overdracht of overdracht van dier op mens, worden in diverse gremia en overlegstructuren gemonitord. In Nederland worden de humane gegevens verzameld door de GGD’en en het RIVM; gegevens vanuit de veehouderij worden verzameld door de NVWA (Nederlandse Voedsel en Waren autoriteit) en de GD (Gezondheidsdienst voor Dieren); gegevens vanuit wilde dierpopulaties komen van het DWHC (Dutch Wildlife Health Centre); informatie over vectoren komt van het CMV (Centrum Monitoring Vectoren), gegevens bij gezelschapsdieren worden door de Faculteit Diergeneeskunde bijgehouden en ook voor infectieziekten bij paarden is een systeem opgezet.
Deze data en ook signalen uit de Europese Unie, Europa en andere landen in de wereld vormen de basis voor het maandelijkse Signaleringsoverleg-zoönosen (SO-Z). Ook als er geen concrete dreiging is, komt het SO-Z elke maand bijeen. Huisartsen, GGD-en, ziekenhuizen etc. zijn verplicht uitbraken van specifieke infectieziekten te melden bij het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM.
In het SO-Z beoordelen deskundigen uit zowel de humane als de veterinaire sector op gestructureerde wijze voornoemde signalen van mogelijk zoönotische aard afkomstig uit verschillende sectoren en dierreservoirs en wordt ook bekeken of er vervolgstappen nodig zijn. Uiteraard komt het overleg sneller en vaker bijeen als daar aanleiding voor is. Door het SO-Z kan een signaal doorverwezen worden naar een Responsteam-Zoönosen of zelfs naar een OMT-Z. Signalen worden op die manier adequaat opgevolgd waarbij er tijdig wordt opgeschaald.
Deze risicoanalysestructuur is er zowel in crisistijd als in tijden waarin er geen uitbraak is. Door de regelmaat waarmee overleg plaatsvindt ontstaat geoefendheid en onderling vertrouwen, raakt men beter ingespeeld op elkaar en meer vertrouwd met de taken en verantwoordelijkheden van de diverse deelnemers.
Deze werkwijze leidt ertoe dat in Nederland snelle uitwisseling van signalen en informatie is tussen het medische en veterinaire domein. Indien nodig kan er snel worden opgeschaald. Bij een uitbraak van een zoönose heeft de Minister van VWS de leiding en coördineert de besluitvorming. De beide Ministers, van VWS en LNV, besluiten in goed onderling overleg en behouden daarbij hun eigen beleidsverantwoordelijkheid, waarbij voor hen in alle gevallen de volksgezondheid voorop staat. De uitbraak van SARS-CoV-2 bij nertsen was de eerste keer dat de gehele structuur, tot aan een OMT-Z en besluitvorming door de Ministers, werd doorlopen. Uit de evaluatie (december 2021) is gebleken dat dit proces in het algemeen goed is gegaan.
Ziet u in dit nieuws aanleiding om in Europa (nogmaals) te pleiten voor een Europees verbod op de nertsenfokkerij? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de Europese Commissie al opgeroepen de mogelijkheden te onderzoeken van een permanente beëindiging van de pelsdierhouderij in de EU.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
We zetten ons altijd in de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De veiligheid van het knooppunt Empel |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er, op de plek van het noodlottige ongeluk, voor het ongeval van Sanne en Hebe al meerdere ongelukken gebeurden?1
Ja, hier ben ik mee bekend. Verkeersongevallen met een dodelijke afloop zoals het ongeval waarbij Sanne en Hebe zijn omgekomen, zijn helaas nog steeds een harde realiteit op ons wegennet en dat betreur ik zeer. Het persoonlijk leed dat door dodelijke ongevallen wordt aangericht, is niet in woorden uit te drukken.
In de verbindingsboog bij knooppunt Empel, de plek van het noodlottige ongeval, vonden de afgelopen 4 jaar gemiddeld 8 ongevallen per jaar plaats. Het ongeval met Sanne en Hebe is het eerste ongeval in de afgelopen 10 jaar in de verbindingsboog bij knooppunt Empel waarbij een dodelijke afloop is te betreuren.
Welke maatregelen zijn er genomen in de bocht van het knooppunt Empel, waar de A59 en de A2 samenkomen, nadat er sinds de aanleg in 2009 meerdere ongelukken gebeurden en zeker twee keer eerder automobilisten in het water belandden? Graag een gedetailleerd antwoord hoe geprobeerd is om nieuwe ongelukken- en daarmee nieuwe slachtoffers te voorkomen.
Bij de aanleg van het knooppunt Empel in 2009 heeft Rijkswaterstaat (RWS) borden geplaatst die waarschuwen voor een bocht, gecombineerd met een adviessnelheid van 90 km/u. Verder staan er zogenoemde bochtschildborden in de bocht om de weggebruiker te attenderen op de verkeerssituatie ter plaatse. In 2021 is door RWS aan de rechterzijde van de weg (de andere kant van waar de auto is aangetroffen) een extra geleiderail geplaatst. Dit is gedaan om het risico dat voertuigen de geleiderail kunnen oprijden, en daarmee naast de weg belanden, te verkleinen.
Naast het plaatsen van de extra geleiderail aan de rechterzijde van de weg zijn er sinds de aanleg in 2009 geen aanvullende maatregelen getroffen voor de verkeersveiligheid op het knooppunt Empel.
De betreffende verbindingsboog in knooppunt Empel komt in de jaarlijkse uitgevoerde analyse «Veilig over Rijkswegen» niet naar voren als een locatie met een verhoogde ongevallenconcentratie2. Deze analyse wordt gebruikt om binnen het impulsprogramma Meer Veilig3 een prioritering te maken om met de beschikbare middelen het grootste aantal verkeersslachtoffers te voorkomen. De beschikbare middelen van Meer Veilig bieden niet de ruimte om alle locaties langs het hoofdwegennet aan te pakken. De verbindingsboog in knooppunt Empel maakt daarom geen deel uit van het programma Meer Veilig.
Verder geldt dat dit weggedeelte voldoet aan de benodigde breedte van de obstakelvrije zone van 10 meter. Deze breedte is gebaseerd op onderzoekresultaten4, waaruit blijkt dat bij een maximumsnelheid van 90 à 100 km/u 80 à 90 procent van de uit de koers geraakte voertuigen niet verder dan 10 meter de berm indringt. Als er in dat geval binnen 10 meter vanaf de rijbaan een obstakel (zoals een boom of watergang) aanwezig is, moet deze worden verwijderd. Indien dat niet mogelijk is, dient het obstakel te worden afgeschermd met een geleiderail. RWS heeft deze inzichten opgenomen in de ontwerprichtlijnen voor nieuwbouw en groot reconstructie5. Voor de situatie op de A59, waar het noodlottige ongeval heeft plaatsgevonden, geldt dat de ontwerpsnelheid 90 km/u bedraagt en dat de afstand tot de watergang 18 tot 20 meter is. Daarom is hier tijdens de aanleg geen geleiderail geplaatst.
Tegelijkertijd worden de betreffende ontwerprichtlijnen door de jaren heen herzien aan de hand van de meest recente inzichten op gebied van verkeersveiligheid. Voor het weggedeelte waar het ongeval heeft plaatsgevonden zou, volgens de huidige ontwerprichtlijn6, de reeds aanwezige geleiderail doorgetrokken moeten worden bij nieuwbouw of grootschalig reconstructie, omdat de afstand naar de eerstvolgende geleiderail minder dan 200 meter bedraagt. Dit heeft als doel te voorkomen dat een uit de koers geraakt voertuig achter de geleiderail langs kan rijden en zo alsnog in aanrijding kan komen met een afgeschermd obstakel.
Aanscherpingen in de richtlijnen kunnen echter niet altijd direct worden doorgevoerd op alle bestaande situaties7. Het is niet uitvoerbaar om bij elke aanpassing van de norm het volledige wegennet direct naar de meest recente inzichten om te bouwen. Voor bestaande situaties geldt daarom dat maatregelen worden doorgevoerd bij de eerstvolgende nieuwbouw of grootschalige reconstructie. Uiteraard kan bij een onveilige situatie de afweging worden gemaakt voor snellere aanpassing, bijvoorbeeld in het kader van het impulsprogramma Meer Veilig.
De doortrekking van de geleiderail langs de verbindingsboog in het knooppunt Empel heeft nog niet plaatsgevonden, omdat het knooppunt sinds 2009 niet onderhevig is geweest aan een grootschalige reconstructie en, zoals eerder aangegeven, deze locatie evenmin bij het programma Meer Veilig naar voren is gekomen als locatie met verhoogde ongevallenconcentratie.
Heeft u de bereidheid om het knooppunt na het noodlottige onderzoek op verkeersveiligheid te onderzoeken, onder andere waarom daar een vangrail ontbreekt? Zo ja, wilt u de Kamer over de uitkomsten informeren? Zo neen, waarom niet?
Gezien de impact van dodelijke ongevallen is het altijd van belang om lessen te trekken die de kans op dergelijke noodlottige ongelukken kunnen verkleinen. Na afloop van een dodelijk ongeval analyseert RWS daarom altijd de rol van de infrastructuur bij het ontstaan en de invloed van de infrastructuur op de afloop van een ongeval. Deze kennis wordt betrokken bij het actualiseren van richtlijnen en het prioriteren van maatregelen binnen de daarvoor beschikbare middelen.
De politie doet nog onderzoek naar de oorzaak en omstandigheden van het incident. Mocht uit het lopende politieonderzoek en/of de ongevalsanalyse van RWS nieuwe informatie komen met betrekking tot de rol van de weginrichting bij het ongeval, zal hier uiteraard opvolging aan gegeven worden. In dat geval zal uw Kamer geïnformeerd worden.
Het artikel dat de inlichtingendiensten AIVD en MIVD journalisten ronselen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van een artikel in de NRC waaruit blijkt dat de inlichtingendiensten AIVD en MIVD journalisten ronselen?1
Ja.
Het artikel spreekt hoofdzakelijk over het ronselen van journalisten in het buitenland, kunt u bevestigen of er wellicht ook journalisten geronseld zijn of geronseld worden door de AIVD of MIVD in Nederland?
Allereerst neem ik nadrukkelijk afstand van het woord «ronselen». Deze term suggereert misleiding, dwang en/of onvrijwilligheid. Hiervan is geen sprake in de samenwerking van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) met hun bronnen.
De AIVD en de MIVD hebben op basis van artikel 39 van de Wiv 2017 de wettelijke bevoegdheid om bij de uitvoering van hun taak dan wel ter ondersteuning van een goede taakuitvoering zich voor het verzamelen van gegevens te wenden tot bestuursorganen, ambtenaren en iedereen die geacht
wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken. De diensten kunnen zich op basis van deze bevoegdheid in beginsel tot een ieder wenden, dus ook journalisten. Het voldoen aan een dergelijk verzoek geschiedt altijd op basis van vrijwilligheid. Overigens kunnen ook journalisten zelf de AIVD of de MIVD benaderen om informatie waarover zij beschikken te delen.
In het openbaar kan ik niet ingaan op de bronnen en werkwijze van de AIVD en de MIVD. Op de taakuitvoering van de diensten wordt toezicht uitgeoefend door de CTIVD.
Worden er wellicht ook journalisten die (hoofdzakelijk) berichten over binnenlandse aangelegenheden benaderd door de AIVD of MIVD? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, heeft de AIVD of MIVD formeel de bevoegdheid journalisten die werkzaam zijn in Nederland en (voornamelijk) berichten over binnenlandse aangelegenheden te ronselen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de AIVD of MIVD formeel de bevoegdheid Nederlandse journalisten te betalen voor het leveren van diensten (zoals het plaatsen van een door de AIVD of MIVD gewenst artikel)?
Betaling voor het plaatsen van een artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde. Als de diensten iets publiekelijk agenderen doen ze dat door een publicatie zoals het openbare jaarverslag.
In algemene zin geldt dat als iemand bron is van de AIVD of MIVD er sprake kan zijn van een financiële vergoeding. Voorop staat steeds dat de samenwerking vrijwillig is. Bij het spreken met bronnen streven de diensten er altijd naar de bron niet financieel of op een andere manier afhankelijk te maken.
Heeft de AIVD of MIVD de bevoegdheid Nederlandse journalisten informatie te verstrekken (bijvoorbeeld voor het schrijven van een artikel)?
De AIVD en MIVD hebben de mogelijkheid om desgevraagd informatie te verstrekken aan journalisten. Journalisten benaderen de diensten geregeld met verzoeken om een achtergrondgesprek of een interview. Waar dit mogelijk is willigen beide diensten dergelijke verzoeken in. Overigens verstrekken de diensten in achtergrondgesprekken of interviews aan journalisten geen staatsgeheime informatie.
Heeft de AIVD of MIVD de bevoegdheid in ruil voor informatie van een journalist een wederdienst van welke aard (uitgezonderd een onkostenvergoeding) dan ook (informatie, geld, beloning in natura, et cetera) aan die journalist te geven?
Zoals toegelicht bij vraag 5 kan er sprake zijn van een financiële vergoeding als iemand bron is van de AIVD of de MIVD. Het betreft hier altijd een vrijwillige samenwerking. Journalistieke onafhankelijkheid is essentieel voor een goed functionerende democratische rechtsorde.
Kunt u exact aangeven wat uw definitie is van «piekbelaster», gezien het feit dat in de afgelopen jaren verschillende definities van «piekbelaster» werden gehanteerd, zoals bijvoorbeeld: overschrijding van de grenswaarde van twee mol per hectare per jaar, een relatief hoge totale vracht op één natuurgebied, een relatief hoge totale vracht op de landelijke natuur en soms wordt gesproken over de hoogste emissies in plaats van de deposities, oftewel de gekozen uitgangspunten en rekenmethode bepalen de uitkomst?1
Bij brief van 14 oktober 20222 heb ik de Tweede Kamer aangegeven dat de aanpak piekbelasters vraagt om een zorgvuldige definitie van de bedrijven waar het om gaat. Mede met het oog op deze zorgvuldigheid wil ik u, voor de nadere omschrijving van piekbelasters en de te hanteren rekenmethodiek, verwijzen naar de brief «Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging Porthosuitspraak» die op vrijdag 25 november aan de Tweede Kamer is gestuurd.
Kunt u daarbij precies aangeven hoe deze wordt berekend?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de keuze in uitgangspunten en rekenmethode bepalend zijn voor wie als piekbelaster wordt aangemerkt?
Uitgangspunten en rekenmethodiek zijn van belang voor de vraag of iemand wel of geen piekbelaster is. Voor een nadere invulling verwijs ik naar voornoemde brief.
Klopt het dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de inhoudelijke analyses heeft gemaakt voor het memo «Concept-analyse mogelijk effect piekbelasters, 30-9-'22» dat gebruikt is voor het rapport van Johan Remkes, op verzoek van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit?2
Nee, dat klopt niet. Deze memo is opgesteld door mijn departement, in samenwerking met het Ministerie van Financiën. Een deel van de conclusies is wel gebaseerd op eerdere analyses door het RIVM. Ook heeft het RIVM op basis van eigen berekeningen een verificatie uitgevoerd op de ordegrootte-effecten uit de memo.
In dit memo zijn twee nieuwe definities van piekbelaster geformuleerd, wie heeft deze twee definities geformuleerd?
De in de memo gehanteerde uitgangspunten zijn bedoeld om een indicatieve bandbreedte te geven van wat een bepaald aantal piekbelasters bijdraagt aan de stikstofdepositie. Het is niet bedoeld als definitief selectiecriterium of vastgestelde definitie voor piekbelasters. Ik streef ernaar de Tweede Kamer uiterlijk in januari 2023 te informeren over keuzes rondom criteria voor onder andere de in voornoemde brief genoemde plusregeling (LBV+).
Is dit een politieke keuze of een wetenschappelijk onderbouwde keuze?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is voor deze twee definities gekozen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven hoe groot de onzekerheid is in de berekende piekbelasting die één piekbelaster veroorzaakt?
Een exact en eenduidig getal voor de onzekerheid is niet te geven. Aangezien de bijdrage van één bedrijf wordt berekend binnen het toepassingsbereik van de rekenmodellen en de resultaten zijn gegeven in totale depositievracht, is de onzekerheid relatief beperkt.
De uitgevoerde analyse is bedoeld om de ordegrootte-effecten van een aanpak piekbelasters in beeld te brengen. In geval van uitvoering van het verplichtende traject van de aanpak piekbelasters zal altijd zorgvuldig getoetst worden aan de feitelijke situatie.
Kunt u dit specifiek voor één boerderij, die piekbelasting veroorzaakt op één Natura 2000-gebied aangeven?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat deze onzekerheid groter wordt, naarmate de emissie hoger is?
Er is volgens het RIVM geen vaste relatie tussen de onzekerheid van de berekening en de grootte van de emissie.
De onzekerheid van de berekening is onder andere afhankelijk van de afstand van de bron tot een specifiek hexagoon en het type natuur dat op die locatie aanwezig is. Er kan daarom geen exact getal gegeven worden.
Voor de (her)uitgifte van stikstofruimte voor nieuwe projecten is de depositie per relevant hexagoon maatgevend, wanneer één piekbelaster op één hexagoon een berekende stikstofbelasting veroorzaakt van 20 mol per hectare per jaar (een realistisch getal), hoe groot is dan de onzekerheid in dit berekende getal?
Zie antwoord vraag 10.
Wanneer de emissies van deze piekbelaster worden teruggebracht naar nul, berekent AERIUS 20 mol per hectare per jaar minder depositie op het relevante hexagoon, zou de «stikstofwinst» gezien de forse onzekerheid ook veel minder kunnen zijn dan 20 mol per hectare per jaar, bijvoorbeeld maar 10 mol per hectare per jaar of zelfs nul?
Onzekerheden zijn inherent aan modelberekeningen en zullen bij deze methodiek dus altijd blijven bestaan. Er is geen algemene absolute onzekerheid te verbinden aan depositierekeningen op individuele hectares.
Wel werkt het RIVM continu aan de doorontwikkeling van de modellen om de onzekerheden zo veel mogelijk te beperken.
Of kan het veel meer zijn dan 20 mol per hectare per jaar?
Zie antwoord vraag 12.
Klopt het dat voor inname van stikstof (het terugbrengen van de stikstofuitstoot van piekbelasters naar bijna nul) gerekend wordt op het detailniveau van hexagonen? Met andere woorden, wordt per hexagoon de stikstofafname bepaald? Zo ja, waarom is het nodig om op hexagoonniveau te rekenen?
In de memo (waar vraag 4 naar verwijst) is voor de analyse gekeken naar de totale depositievracht per natuurgebied. Dit is de berekende depositie op alle relevante hectares binnen een natuurgebied bij elkaar opgeteld. Het te hanteren detailniveau is een beleidskeuze die nog moet worden gemaakt. Waar het gaat om criteria voor afbakening van de doelgroep van de LBV+ streef ik ernaar de Tweede Kamer uiterlijk in januari 2023 te informeren.
Klopt het dat bij heruitgifte van de stikstofruimte voor nieuwe projecten gekeken wordt op het detailniveau van hexagonen? Zo ja, kan AERRIUS dergelijke berekeningen op hexagoonniveau met voldoende zekerheid maken?
Voor de uiteindelijke en eventuele her-uitgifte van de stikstofdepositie aan PAS-melders is een berekening op hectare-niveau vereist.
Het is bij toestemmingverlening een juridisch vereiste om uit te sluiten dat een project significante negatieve effecten op de beschermde natuur heeft. Dit vraagt om berekeningen op gedetailleerd niveau, omdat de KDW en de totale depositie per locatie verschilt.
Bent u het eens dat de studie «Rebuttal On RIVM's Critique Of Briggs et al. AERIUS/OPS Model Performance» laat zien dat de onzekerheid van AERIUS groter is, naarmate de emissiebron groter is? Zo nee, uit welke studie blijkt het tegendeel?3
Het RIVM heeft op zijn website5 uitgebreid gereageerd op deze kritiek op het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS).
Het is goed om te zien dat hierover een wetenschappelijk dialoog gevoerd wordt. Dit helpt bij de continue doorontwikkeling van de modellen. Voorlopig is de algemene wetenschappelijke consensus dat OPS geschikt is voor het berekenen van stikstofdepositie.
Ik zie daarom geen aanleiding om de gehanteerde rekenmethodiek te herzien.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de AERIUS-berekeningen op piekbelaster-niveau (uitgaande van één onderneming bij één natuurgebied), die relatief grote onzekerheden kennen, niet gaan leiden tot nóg meer rechtszaken, gezien het feit dat het aantal rechtszaken hand over hand toeneemt omdat er, kort samengevat, onvoldoende wordt gegarandeerd dat het beleid werkt en daardoor te grote onzekerheden debet zijn aan die rechtszaken?
De gehanteerde rekenmethodiek wordt continu doorontwikkeld en is daarmee gebaseerd op de meest actuele wetenschappelijke consensus. Onzekerheden zijn inherent aan het uitvoeren van modelberekeningen. Daarom kan de onzekerheid nooit volledig naar nul worden gebracht.
Onderzoek naar financiële transacties van/naar Stichting Open Nederland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers , Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bestaan en hebt u kennisgenomen van de inhoud van een onderzoeksrapport van het Financieel Recherche Bureau Interludium met betrekking tot onderzoek naar financiële transacties van/naar Stichting Open Nederland (SON)?
Ja.
Zo nee, waarom valt in een persbericht van de opdrachtgever te lezen dat in ieder geval het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de rapportage van het onderzoekbureau zou hebben ontvangen en dus op de hoogte is gebracht? Kunt u bevestigen of ontkrachten dat de rapportage aan dit departement is voorgelegd, aan welke personen specifiek? Waarom hebben deze personen de Kamer daarover dan niet geïnformeerd en waarom is door het departement niet op de rapportage gereageerd?
Het is onduidelijk naar welk persbericht wordt gerefereerd. Wat klopt is dat het rapport van Interludium ter kennisneming is toegestuurd aan VWS. Gezien de overduidelijk onbetrouwbare (en smadelijke) uitlatingen in het rapport zijn er geen verdere stappen gezet.
Hebben de journalisten die volgens bovengenoemd persbericht en volgens een recente reconstructie van NOS/Nieuwsuur ook op de hoogte zijn gebracht van dit onderzoek, hierover contact opgenomen met (bewinds)personen binnen het kabinet, of heeft het kabinet hierover zelf contact gezocht met de pers? Zo ja, kunt u delen wat met de pers is besproken en waarom de Kamer hierover niet is geïnformeerd?
Nee, NOS en Nieuwsuur hebben hierover geen contact opgenomen met het Ministerie van VWS of Financiën. September 2022 heeft het NRC contact opgenomen met VWS. Hierbij is gevraagd of het klopt dat VWS een onderzoek heeft laten uitvoeren door Hoffmann recherche naar de beweringen in de media over Jaap van Dissel. VWS heeft hier op geantwoord: Nee, dat is niet het geval. Deze, ongefundeerde, berichten in de media over Jaap van Dissel zijn voor ons geen aanleiding om nader onderzoek in te stellen. Wij hebben wel aan Hoffmann recherche gevraagd om onderzoek te doen naar beweringen die een partij op verschillende manieren richting de overheid heeft geuit. Wij hechten weinig waarde aan die beweringen, maar omdat de uitingen vasthoudend waren willen wij een onafhankelijke partij daar uitspraak over laten doen zodat deze, onafhankelijke, partij aantoont dat er geen grond is voor deze beweringen. Deze beweringen zijn niet onderbouwd en hebben geen enkele waarde, maar zijn wel vervelend voor betrokkenen. Vanuit VWS is geen contact gezocht met de pers over het rapport van Interludium.
Klopt het dat het recherchebureau beschikt over een vergunning die is afgegeven door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en dat de overheid en/of daaraan gelieerde organen zelf in het verleden gebruik hebben gemaakt van de diensten van dit recherchebureau? Zo ja, kunt u verklaren waarom u de onderzoeken naar SON onbetrouwbaar acht?
Via https://www.justis.nl/sites/default/files/2022–09/Lijst vergunninghouders Wpbr per 12 augustus 2022_0.pdf is een lijst te vinden met alle vergunninghouders. In deze lijst staat dat Interludium B.V. in Apeldoorn een vergunning heeft. Justis houdt niet bij wie er gebruik maken van de diensten van recherchebureaus.
Als u wel op de hoogte was van het bestaan van deze rapportage en de aantijgingen met betrekking tot financiële transacties naar/van SON, wanneer bent u hiervan dan op de hoogte gesteld en waarom heeft u de Kamer hierover niet geïnformeerd en is er geen opheldering gegeven over de al dan niet onjuiste/oneigenlijke bevindingen in dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Als u op de hoogte was van het bestaan van deze rapportage, was u dan ook op de hoogte van het onderzoek toen dat werd uitgevoerd? Zo ja, waarom heeft u de Kamer hierover destijds niet geïnformeerd en, indien het onderzoek onrechtmatig plaatsvond, geen (juridische) stappen ondernomen om dit onderzoek te stoppen?
Nee, wij waren niet op de hoogte van het onderzoek dat is uitgevoerd door Interludium op het moment dat dit onderzoek werd uitgevoerd.
Indien het onderzoek op verkeerde informatie is gebaseerd, heeft u dan enig idee waar deze informatie vandaan komt, wie deze heeft verspreid en waarom? Kunt u ontkrachten dat de in de rapportages beschreven mogelijk verdachte overboekingen naar/van SON zijn gedaan? Of kunt u, indien deze transacties wel hebben plaatsgevonden maar rechtmatig waren, gespecificeerd verantwoorden met welk doel deze overboekingen zijn gedaan, wie daarbij betrokken waren en waarom, en deze informatie aan de Kamer doen toekomen?
Omdat het rapport van Interludium hardnekkig bleef rondwaren is vanuit VWS uiteindelijk een onderzoek gestart met als doel de informatie uit het door Financieel Recherche Bureau Interludium opgeleverde rapport te onderzoeken op feitelijke (on)juistheid. Uit dit onderzoek dat in opdracht van VWS is gestart, is gebleken dat het rapport van Interludium niet betrouwbaar is en dat er geen enkel bewijs is dat de transacties beschreven in het rapport van Interludium hebben plaatsgevonden. In afwachting van mogelijke juridische procedures en maatregelen kan het in opdracht van VWS opgeleverde onderzoeksrapport nu niet openbaar worden gemaakt.
Indien u (tot voor kort) niet op de hoogte was van deze onderzoeken en de daaruit voortgekomen bevindingen, kunt u dan verklaren waarom er voor de opdrachtgever aanleiding was om onderzoek te laten doen naar SON en hoe reflecteert u op de bevindingen uit het onderzoek, nu u hier kennis van genomen heeft? Gaat u (juridische) stappen ondernemen tegen het onderzoeksbureau en/of de opdrachtgever van het onderzoek, voor het verspreiden van lasterlijke informatie?
Zie antwoord vraag 7.
Aangezien in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van de Groep Van Haga aangaande Stichting Open Nederland wordt aangegeven dat SON werkt in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en dat het ministerie inzicht heeft in de financiële administratie van SON, kunt u bevestigen of ontkrachten dat de in het onderzoek genoemde Belgische ING-bankrekeningen van SON inderdaad bestaan (hebben) en zo ja, of deze rekeningen in samenspraak en/of met medeweten van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en/of Financiën werden geopend? Kunt u aangeven waarom SON bankrekeningen in België nodig heeft/had en waarom er geen verantwoording met betrekking tot de geldstromen naar en van deze rekeningen is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Geldt voor overboekingen van SON het zogenaamde «vier ogen principe», waarbij betalingen geautoriseerd en goedgekeurd moeten worden door minimaal twee personen? Wordt dit technisch door de banken gefaciliteerd en zo niet, hoe waarborgt SON de controle op de betalingen?
Binnen SON geldt zowel voor het betaalbaar stellen van de facturen als voor de daadwerkelijke betaling van facturen het vier-ogen principe. De bank faciliteert het betalingsproces technisch.
Als SON inderdaad over deze Belgische ING-rekeningen heeft beschikt, klopt het dat deze rekeningen op 24 oktober 2021 zijn gesloten en dat de resterende gelden zijn teruggestort naar de oorspronkelijke financieringsbron? Zo ja, waarom is dit gebeurd en waarnaar zijn de resterende gelden teruggeboekt?
Zie antwoord op vraag 7, 8 en 9.
Klopt de constatering uit het onderzoek dat na de eerste financieringstranche van het Ministerie van Financiën aan SON voor Testen voor Toegang ook een bedrag van een miljoen euro werd overgemaakt voor een «administrative fee»? Zo ja, kunt u specificeren waar dit precies voor bedoeld was?
Nee, dat klopt niet.
Klopt het dat na het ontvangen van financiering van het Ministerie van Financiën voor Testen voor Toegang onder andere 50 miljoen euro werd overgemaakt naar Medical Services Corp op Anguilla, maar dat dit bedrijf door SON nooit is openbaargemaakt als testaanbieder? Zo ja, welk doel diende dit geld en waarom is gekozen voor het inzetten van dit bedrijf?
Nee, dat klopt niet.
Klopt het dat de onderzoeksrapportage op 28 maart 2022 aangetekend verstuurd is naar de Minister van Financiën en per mail naar de woordvoerder met een begeleidend schrijven, waarin wordt gevraagd om opheldering over de financiële gang van zaken met betrekking tot SON en de betrokkenheid van verschillende ministeries hierbij?
Het Ministerie van Financiën heeft de brief d.d. 28 maart 2022 van U-Diagnostics met een deel van het rapport ontvangen via het partijbureau van D66. Aangezien de brief was gericht aan het partijbureau t.a.v. de Minister als partijleider, is de brief terug overgedragen aan het partijbureau.
Als de Minister van Financiën en/of haar woordvoerder bovengenoemde correspondentie inderdaad hebben ontvangen, waarom is de Kamer hier dan nooit over geïnformeerd en is de ontvangen documentatie niet gedeeld? Indien zij deze correspondentie niet hebben ontvangen, waren zij dan wel op de hoogte van het circuleren van deze correspondentie en zo ja, waarom is de Kamer daarover niet geïnformeerd?
Er was geen reden om deze informatie te delen met uw Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 2, 7, 8, 9 en 14.
Klopt het dat het onderzoeksrapport al geruime tijd bij verschillende ministeries en bewindspersonen ligt? Zo ja, waarom is de Kamer hierover dan nooit geïnformeerd en waarom zijn de bevindingen van het rapport niet uitgelegd en/of ontkracht?
Ik verwijs hier naar de antwoorden op vraag 2, 7, 8 en 9.
Bent u voornemens het Openbaar Ministerie een onderzoek te laten instellen naar deze kwestie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat dat onderzoek van start en kunt u de Kamer op de hoogte houden van de voortgang en resultaten hiervan?
De stand van zaken overbrengingen van personen uit Afghanistan |
|
Kati Piri (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Salima Belhaj (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de deadline van 1 november die genoemd wordt in de laatste kamerbrief slechts geldt voor personen die beschikken over een paspoort en die niet ingaan op het aanbod voor overbrenging naar Nederland?1
Ja, de deadline van 1 november geldt alleen voor mensen met een paspoort die al eerder een aanbod voor overbrenging hebben geweigerd. Deze mensen hebben hierover in september een mail ontvangen. Van de 28 mensen waarvoor dit geldt, zijn vier mensen niet op het aanbod ingegaan. Deze vier mensen behouden het recht om naar Nederland te komen, maar moeten dit vanaf 1 november 2022 zelf organiseren en bekostigen.
Kunt u bevestigen dat voor resterende personen die in aanmerking komen voor overbrenging en die hiervan gebruik willen maken maar dit door omstandigheden buiten hun schuld niet kunnen (zoals gebrek aan geld, ontbreken van de juiste documenten of het feit dat het eerder niet is gelukt om af te reizen naar een buurland van Afghanistan), de deadline van 1 november niet geldt en dat u hun overbrenging zal blijven faciliteren?
Dat kan ik bevestigen. De situatie van deze mensen blijven we uiteraard volgen. Wanneer de mogelijkheid zich voordoet zullen zij alsnog worden overgebracht. Voor deze groep is vooralsnog geen deadline gesteld.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk voor 1 november beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Ook poging schadeafhandeling ouders toeslagenaffaire te versnellen vertraagd’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verloopt volgens u de pilot met vaststellingsovereenkomsten (vso’s) met 15 gedupeerde ouders?1
In deze pilot is meer gelijkwaardigheid en eigen regie de bedoeling. Dat betekent dat de ouders die deelnemen die regie ook moeten kunnen pakken en de tijd moeten kunnen nemen die nodig is. Er wordt getest met een alternatieve route buiten het reguliere herstelproces van UHT. Daarvan waren alle deelnemers zich vooraf bewust; ook dat een pilot enige flexibiliteit vraagt, omdat mogelijke hindernissen niet van tevoren zichtbaar zijn. Eind oktober zijn de eerste 2 concept-schadeoverzichten aangeleverd en begin november het 3de concept-schadeoverzicht. De verwachting is dat op zeer korte termijn nog minimaal 2 concept-schadeoverzichten zullen worden aangeleverd.
De voortgang en de uitkomst van de pilot worden beoordeeld op drie criteria, te weten: 1) ervaring van regie bij de ouder, 2) oudertevredenheid en 3) efficiëntie of snelheid waarbij het voorkomen bezwaar en beroep het streven is. Op het derde criterium sorteerde de Volkskrant vast voor dat de pilot vertraagd zou zijn, terwijl het juist belangrijk is dat de ouder samen met zijn/haar advocaat het tempo bepaalt. Op dit moment zijn 12 van de 15 ouders bezig met hun advocaat om een schadeoverzicht op te stellen, waarbij de deelnemers worden aangemoedigd om ook concepten aan te leveren, zodat samen bekeken kan worden welke informatie nog ontbreekt of dat het overzicht reeds voldoende houvast biedt voor vaststelling van de compensatie. Inmiddels is met alle ouders minstens één tussentijds evaluatiegesprek gevoerd waaruit blijkt dat ouders tevreden zijn over bijvoorbeeld de informatieavond en de kennismakingsgesprekken.
Waarom is het niet mogelijk gebleken deze vso’s binnen acht tot tien weken vast te stellen, hoewel dit toch wel een flinke periode is?
De praktijktest is op 29 juni jl. gestart met een informatieavond voor ouders en hun advocaten. De timing vlak voor de zomervakantie maakte de planning voor de kennismakingsgesprekken uitdagend. Uiteindelijk hebben tussen eind juli en begin oktober alle kennismakingsgesprekken plaatsgevonden.
Rekenend vanaf eind juli zijn de ouders nu ongeveer 9 weken bezig met het opstellen van een schadeoverzicht. Via de landsadvocaat en ook via evaluatiegesprekken met ouders hebben we opgevangen dat het opstellen van het schadeoverzicht meer tijd vraagt om het zorgvuldig te kunnen doen en dat nemen we mee in de evaluatie. Het is zeker niet de bedoeling dat dit proces door ouders als bureaucratisch wordt ervaren. Het is wel zo dat er voor sommige schadeposten onderbouwing nodig is, maar de advocaat van de ouder wordt aangemoedigd om in gesprek te gaan over de stukken die missen of over wat lastig te achterhalen is. Het proces rond het verzamelen van bewijsstukken en hoe bureaucratisch dat wordt ervaren zal ook een belangrijk aandachtspunt worden in de evaluatie.
Wat is de inschatting van tijd die wel nodig is om tot een vso te komen?
Een definitieve uitspraak over de tijd die nodig is, kan pas bij het evalueren van de pilot worden gedaan. Uw Kamer zal over de evaluatie worden geïnformeerd zodra enkele ouders succesvol overeenstemming hebben bereikt over de compensatie. Het is belangrijk dat ouders de tijd krijgen om tot een schadeoverzicht te komen zonder tijdsdruk. Op dit moment zijn 3 concept-schadeoverzichten aangeleverd en de landsadvocaat streeft ernaar om na ontvangst van een concept-schadeoverzicht binnen een termijn van 3 weken te antwoorden.
Hoeveel overleggen hebben gemiddeld tussen ouders en advocaat en landsadvocaat plaatsgevonden om te komen tot een vso en hoelang duurden zulke gesprekken gemiddeld?
Zoals eerder al aangegeven zijn 12 van de 15 ouders nog bezig om samen met hun advocaat het schadeoverzicht op te stellen. Pas tijdens de evaluatie van de pilot kan onder elkaar worden gezet hoe vaak er contact is geweest tussen de advocaat van de ouder en de landsadvocaat. Tot nu toe is het contact als volgt verlopen: 14 ouders hebben een intakegesprek gehad waar zowel hun eigen advocaat als de landsadvocaat aanwezig was en daarnaast een persoonlijk zaakbehandelaar en een pilotteamlid. Dit gesprek was bedoeld als kennismakingsgesprek en was niet bedoeld om al inhoudelijke zaken te bespreken. Op verzoek van de 15e ouder heeft er één kennismakingsgesprek plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de landsadvocaat.
Na de kennismakingsgesprekken is er gemiddeld elke drie weken een contactmoment geweest met de advocaten, om te vragen naar de voortgang en om eventuele vragen te beantwoorden. In de 6 casussen waarbij ouders nog een integrale beoordeling moesten doorlopen is vaker contact geweest, bijvoorbeeld omdat een compensatievoorstel nog moest worden toegelicht of omdat er verschillen van inzicht waren over de integrale beoordeling.
Moesten ouders voor de vso hun schade bewijzen of aannemelijk maken?
Aan de ouders wordt niet gevraagd om de complete schade onomstotelijk te bewijzen door middel van bewijsstukken. Per schadepost wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is van schade als gevolg het stopzetten en/of terugvorderen van kinderopvangtoeslag en in welke omvang. Daarbij is oog voor alle door de ouder genoemde persoonlijke omstandigheden. In dat verband wordt voor immateriële schade hetzelfde beoordelingskader gehanteerd als de Commissie Werkelijke Schade (CWS) hanteert bij het opstellen van haar adviezen. Wanneer documenten ter onderbouwing van de schade lastig te vergaren zijn, zal geprobeerd worden in overleg met de advocaat van de ouder om tot een praktische oplossing te komen.
Hoe kijkt u naar het zware proces van weer alle bonnetjes en bewijzen aan moeten leveren door de ouders?
Zoals hiervoor is toegelicht, wordt aan de ouders niet gevraagd om al hun schade onomstotelijk te bewijzen door middel van bewijsstukken. Wanneer documenten ter onderbouwing van de schade lastig te vergaren zijn, zal in overleg met de advocaat van de ouder worden geprobeerd om tot een praktische oplossing te komen.
Het krantenartikel in de Volkskrant schrijft dat ouders het verzamelen van bewijsstukken ten behoeve van het opstellen van een schadeoverzicht door hun advocaat als zwaar ervaren. Dat signaal wordt natuurlijk serieus genomen. In het gehele proces zijn meerdere evaluatiemomenten ingebouwd en het is noodzakelijk om alles naast elkaar te leggen en te leren van wat er goed gaat en wat er beter kan.
Is het bij sommigen van de 15 gedupeerde ouders wel gelukt tot een vso te komen met de eigen advocaat en landsadvocaat?
Op het moment van publiceren van het artikel in de Volkskrant waren alle 15 ouders nog met hun advocaat de schadeoverzichten aan het voorbereiden. Op het moment van beantwoording van deze vragen zijn 3 concept-schadeoverzichten aangeleverd. Een schadeoverzicht is de opening om tot overeenstemming te komen over de omvang van de schade van de betrokken ouder.
Wanneer doet de overheid naar verwachting uitspraak over de vso’s?
Voor 12 van de 15 ouders is nog geen concept-schadeoverzicht ontvangen en is het nog aan de ouder om samen met de advocaat het tempo te bepalen. Ook zijn er vooraf met de advocaten geen afspraken gemaakt over termijnen, juist om de regie bij de ouder te laten. De landsadvocaat moedigt de advocaten wel aan zo snel mogelijk concepten te delen, zodat het gesprek kan starten.
Worden bedragen en onderbouwing geanonimiseerd inzichtelijk gemaakt voor andere gedupeerden?
De deelnemers aan de praktijktest zijn vermoedelijk bekend bij een grotere groep gedupeerden. Het is niet uit te sluiten dat elementen uit het verhaal of de geschiedenis van de deelnemers ook bekend zijn. Wij zijn daarom terughoudend om informatie te delen. Het aantal deelnemers is zo klein dat ondanks anonimiseren van een onderbouwing met bedragen dit toch herleidbaar kan zijn naar het individu. We kijken of dit in een later stadium en bij grotere aantallen eventueel wel mogelijk is.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat over de 12e voortgangsrapportage?
Ja.
Bijlage artikel Volkskrant 20 okt 2022
Proef om afhandeling schade toeslagenouders te versnellen loopt flinke vertraging op
Het is teleurstellend voor de selectie van vijftien toeslagenouders die hoopten dat hun schade inmiddels zou zijn afgehandeld. De proef met de vaststellingsovereenkomst, een methode die de schadeafhandeling van gedupeerden van de toeslagenaffaire moet versnellen, loopt flinke vertraging op.
De vijftien geselecteerde gedupeerden kregen eind juni te horen dat hun schade binnen acht tot tien weken met een vaststellingsovereenkomst (vso) zou worden afgehandeld. Maar die termijn blijkt niet haalbaar. Tot het begin van deze maand was van nog niet een van hen de schade vastgesteld, laat staan dat er een overeenkomst is gesloten met de landsadvocaat.
Deelnemers aan de proef met wie de Volkskrant contact heeft, spreken van een slepend en slopend proces – zij willen niet met hun naam in de krant uit vrees hun eigen procedure te benadelen. Twee van hen hebben overwogen het bijltje erbij neer te gooien. «Het is pijnlijk dat ons weer iets is voorgespiegeld dat niet wordt waargemaakt.»
Onder meer de Nationale ombudsman adviseerde eerder dit jaar om vaststellingsovereenkomsten in te zetten om de hersteloperatie voor de toeslagenouders weer vlot te trekken. Het afhandelen van de schade van door de toeslagenaffaire gedupeerde ouders via de eerder opgetuigde methode was namelijk vastgelopen.
Hoge verwachtingen
Mensen die denken dat de Belastingdienst hen ten onrechte van fraude heeft beticht met kinderopvangtoeslag en door de terugvorderingen schade hebben opgelopen, ondergaan eerst een lichte toets of zij inderdaad slachtoffer zijn. Dat gaat vlot, inmiddels hebben ruim 27 duizend erkende gedupeerden het bedrag van 30 duizend euro ontvangen. Maar op de daaropvolgende integrale beoordeling van hun situatie en een eventuele behandeling van hun zaak door de Commissie Werkelijke Schade moeten veel gedupeerden jaren wachten.
Daarom is het Ministerie van Financiën in juni de proef begonnen met de vaststellingsovereenkomst, om toeslagenouders de kans te geven op een snellere schadeafhandeling. De verwachtingen zijn hoog. Lukt het bij deze vijftien ouders, dan kunnen meer gedupeerden ermee worden geholpen, is het idee.
De bedoeling is dat een letselschadeadvocaat aan de hand van het verhaal van de gedupeerde een schadebedrag bepaalt. Met dat bedrag gaat het slachtoffer naar de landsadvocaat, die de overheid vertegenwoordigt, om tot een overeenstemming te komen. Als de ouder en de overheid het eens zijn geworden over het financiële herstelbedrag, sluiten de twee partijen een zogeheten vaststellingsovereenkomst – een rechtsgeldige overeenkomst die ook vaak wordt toegepast bij ontslagzaken of de afhandeling van de letselschade bij een verkeersongeluk.
De voor dit proces ingeschatte tijd van acht tot tien weken blijkt nu niet realistisch. In de zomervakantieperiode was het lastig afspraken maken. Daarna kwamen de advocaten erachter dat het «zorgvuldige en emotionele proces» om een schadebedrag vast te stellen soms tijdrovender is dan verwacht, schrijven zij in een nieuwsbrief aan de gedupeerden.
Stevig onderbouwen
Een deelnemer vertelt dat ze al weken bezig is met het aanleveren van bankafschriften en andere bewijsstukken. Om aan te tonen dat haar gebit is verwoest door tandenknarsen door stress van de toeslagenaffaire, moest ze bijvoorbeeld een verklaring van de tandarts opvragen. «Ik had gehoopt dat we voor zo’n vaststellingsovereenkomst in een relaxte setting met de schade-expert en de landsadvocaat een gesprek over de schade zouden voeren, desnoods wil ik een geheimhoudingsverklaring tekenen», zegt ze. «Maar in plaats daarvoor wordt het net zo’n bureaucratisch proces als de al bestaande afhandelingsprocedure. Er gaat veel geld naar dure advocaten, die hier veel tijd aan kwijt zijn, en ik kan het nog steeds niet afsluiten.»
Een andere deelnemer zegt dat het ook in hun eigen belang is om met de letselschadeadvocaat de tijd te nemen om een stevig onderbouwd schadeverhaal op te stellen. Want het spannendste van de proef moet nog komen: hoe gaat de overheid reageren op de voorgestelde schadebedragen? Daarna komt de vraag of dit proces handzaam genoeg is om toe te passen op de duizenden gedupeerden die nog wachten op hun schadeafhandeling.
Het Ministerie van Financiën verwijst voor commentaar naar de volgende voortgangsrapportage over de hersteloperatie van de toeslagenaffaire, die vrijdag verschijnt. De deelnemers hopen dat er snel schot in de zaak komt. «Ik had me erop ingesteld dat ik er nu klaar mee zou zijn en door zou kunnen met mijn leven», zegt een van hen.
Het bericht ’Straatje erbij in elk dorp oplossing woningcrisis’ |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Straatje erbij in elk dorp oplossing woningcrisis»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Kunt u uiteenzetten of u de conclusie van de directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), «Als elk dorp er een straatje bijbouwt, kunnen we in Nederland in een paar jaar tijd 300.000 woningen bouwen», wel of niet onderschrijft?
EIB doet voorstellen om ook te kijken naar bouwmogelijkheden aan de randen van gemeenten. Om twee redenen vind ik het van belang om te kijken naar deze locaties. Allereerst om overal kansrijke locaties te ontwikkelen om de bouwambitie van 900.000 woningen tot en met 2030 te halen: binnenstedelijk én buitenstedelijk. Ook bouwen aan de randen van gemeenten hoort daar dus bij. Ten tweede is bouwen aan de randen van gemeenten belangrijk vanuit het oogpunt van leefbaarheid, vooral in kleine kernen met weinig mogelijkheden om in het bestaand bebouwd gebied te bouwen.
Kunt u toelichten hoeveel van de woningen aan de randen van gemeenten, genoemd in het artikel, zijn opgenomen in de afspraken die met de provincies zijn gemaakt op 13 oktober jongstleden?
Onderdeel van de provinciale afspraken is onder meer het aantal te bouwen woningen per provincie, en de daarvoor benodigde plancapaciteit. De doorvertaling naar locaties vindt plaats in de regionale woondeals. Daarom is op basis van de provinciale afspraken geen doorrekening te maken van het aantal woningen aan randen van gemeenten. Ik zet er bij de woondeals op in dat meer focus komt te liggen op kansrijke locaties, zowel door binnenstedelijk als door buitenstedelijk te bouwen.
ABF raamt dat 35 à 40% van de huidige woningbouwplannen buiten bestaand bebouwd gebied ligt. Daarnaast zie ik dat de door EIB aangedragen locaties voor Noord-Holland Noord naar schatting al voor 75% onderdeel zijn van de plancapaciteit. 2
Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen het voorstel van de EIB in relatie tot het creëren van meer zekerheid voor het bouwen van grote aantallen woningen, mede gelet op het feit dat de afgelopen jaren tot 40 procent van de binnenstedelijke bouwplannen is afgevallen door complexiteit?
Ik zie dit voorstel als een ondersteuning van mijn beleid. Om de grote woningnood het hoofd te kunnen bieden zullen we vol moeten inzetten op de realisatie van alle kansrijke woningbouwlocaties. Om te zorgen voor voldoende zekerheid voor wat betreft bouwlocaties, is onderdeel van mijn bestuurlijke afspraken met provincies en gemeenten dat zij zorgen voor ruim voldoende bouwlocaties in de plannen. Afgesproken is 130% plancapaciteit ten opzichte van de netto woningbouwopgave. Die 130% plancapaciteit moet ook op peil blijven, zodat er voldoende plannen beschikbaar blijven als plannen vertragen of vervallen. Ik wil dat in de woondeals marktpartijen en corporaties daar een bijdrage aan kunnen leveren door te signaleren wanneer plannen vertragen, of door reservelocaties aan te dragen, voor het geval dat er locaties vertragen of afvallen.
Hoe kijkt u aan tegen de verwachting dat binnenstedelijk bouwen alleen maar moeilijker wordt door de complexiteit, stijgende bouwkosten en ambtenarentekorten in combinatie met de wensen voor betaalbare woningen en bereikbaarheid?
Ik zie dat woningbouw inderdaad ingewikkelder wordt vanwege deze omstandigheden maar ook stikstof, gebrek aan menskracht in de bouw en veranderende marktomstandigheden. Ik verwacht dat dit niet alleen het geval zal zijn bij binnenstedelijke locaties. Zo kan er bij buitenstedelijke ontwikkelingen ook sprake zijn complexiteit vanwege een samenhang van ruimtelijke opgaven zoals het water- en bodemsysteem, de ligging in de nabijheid van natuurgebieden, of de nabijheid van windparken. Daarom is mijn inzet gericht op versnelling van de woningbouw, op locaties die snel te realiseren zijn: grote en kleinere locaties, in de stad én aan de randen van gemeenten.
Klopt de daling van 67 procent naar 34 procent van het aantal «harde» plannen uit het onderzoek van het EIB? Zo ja, welke verklaring heeft u voor deze daling? Zo nee, kunt u uiteenzetten waarom dit percentage niet klopt?
Dit klopt niet. Zowel de harde als zachte plancapaciteit is gestegen, alleen de zachte sneller dan de harde capaciteit. Uit de inventarisatie plancapaciteit voorjaar 2022 (meetperiode 2022–2030), blijkt dat in vergelijking met de vorige meting in voorjaar 2021 (meetperiode 2021–2029) de totale plancapaciteit is gestegen van 961.000 naar 1.033.900. Doordat de totale plancapaciteit harder is gegroeid dan de harde plancapaciteit, is het percentage harde plancapaciteit gedaald van 35% naar 33%.3 Er is dus geen daling van 67% naar 34%. In absolute aantallen is de harde plancapaciteit toegenomen, van 335.100 naar 344.900.
Plannen worden vaak pas in het laatste stadium van het voorbereidingstraject hard gemaakt. Daarom is vooral de harde plancapaciteit voor de korte termijn belangrijk. Voor de periode tot en met 2025 is het aantal harde plannen 89% van het totaal aantal benodigde plannen voor die periode. Daarnaast is het van belang om te zorgen voor 130% plancapaciteit, zoals hiervoor uiteengezet (zie vraag 4).
Kunt u toelichten wat de stand van zaken is met betrekking tot de bouw en de locaties van de 85.000 flexwoningen? Klopt het dat voor deze woningen naar locaties wordt gekeken waar de bouw van woonwijken gepland staat, zoals het artikel stelt? Zo ja, kunnen deze locaties tijdig beschikbaar komen voor permanente bouw?
Vanwege de toestroom van ontheemden uit Oekraïne en de nodige huisvesting van statushouders is de ambitie om 37.500 flex- en transformatiewoningen eind 2024 gerealiseerd te hebben. Ik werk er, samen met gemeenten, corporaties en de bouw, hard aan om dit waar te maken. Ik merk bij hen veel enthousiasme, dat ook uitmondt in de vele plannen die zijn ingediend. De grote uitdaging waar wij met elkaar voor staan is om nu snel te komen tot realisatie van deze plannen. Voor deze 37.500 wordt nu versneld gekeken naar locaties, onder andere met behulp van de Taskforce Versnelling Tijdelijke Huisvesting en met de maatregelen zoals benoemd in de kamerbrief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de voortgang van de afspraken over de aanpak van de opvangcrisis.4 Begin volgend jaar zal ik u informeren over de realisatie van het aantal flexwoningen in 2022.
De locaties waarnaar wordt gekeken, kunnen locaties zijn die nu geen bestemming wonen hebben, maar tijdelijk kunnen worden benut. Dat kunnen toekomstige woningbouwlocaties zijn. Met de bouw van flexwoningen kan al gestart worden met de gebiedsontwikkeling met het oog op placemaking of in het kader van adaptieve/geleidelijke gebiedsontwikkeling. Het is dus niet zo dat door de bouw van flexwoningen, de bouw van permanente woningen vertraagd of tegengegaan. Een mooi voorbeeld is de ontwikkeling van de Noordoosthoek in de Groote Wielen in Den Bosch. 5 Een groot deel van de woningen blijft hier maximaal 15 jaar staan. Bewoners krijgen in die gevallen een huurcontract tot de einddatum van de tijdelijke omgevingsvergunning. Binnen 7 tot 15 jaar verhuist een deel van de woonerven naar andere plekken in de Noordoosthoek of elders in de stad. Bewoners kunnen meeverhuizen als ze willen. Met deze nieuwe manier van gebiedsontwikkeling verandert het woongebied geleidelijk en is er geen harde scheiding meer tussen tijdelijke en permanente bebouwing. Ook kan een gemeente er voor kiezen dat de flexwoningen uiteindelijk wel permanent blijven staan, mits dat volgens de geldende regelgeving ook kan. Vele flexwoningen voldoen aan het bouwbesluit permanente bouw en hebben daarmee ook de kwaliteit die nodig is om ze permanent te maken.
Deelt u de mening dat er kansen liggen om snel op te schalen met buitenstedelijk bouwen, met name aan de randen van gemeenten, omdat daar de ruimte is en de infrastructuur en voorzieningen al aanwezig zijn?
Ik ben van mening dat er zowel kansen liggen aan de randen van gemeenten als op binnenstedelijke locaties. Het verschilt van locatie tot locatie of de benodigde infrastructuur en voorzieningen aan de randen van gemeenten al aanwezig zijn. Ik vind het van belang dat we alle kansrijke locaties benutten. Ik wil dus ook buitenstedelijke locaties benutten zonder daarbij afbreuk te doen aan de uitgangspunten rondom zuinig ruimtegebruik en de bescherming van belangen zoals landschap en natuur.
Heeft u een compleet overzicht van alle gemeenten die graag aan de randen van de gemeenten willen bouwen?
Nee, over een dergelijk overzicht beschik ik niet. Bij de totstandkoming en uitvoering van de woondeals wil ik graag dat kansrijke locaties in beeld komen, ook om te zorgen voor voldoende locaties als andere locaties vertragen of afvallen. Dat kunnen dus ook locaties aan de randen van gemeenten zijn.
Wilt u, in aanvulling op vraag 9, onderzoeken hoeveel woningen aan de randen van de gemeenten zouden kunnen worden gebouwd, maar die nu niet naar boven zijn gekomen in de afspraken met de provincies van 13 oktober jongstleden, vanwege het toepassen van de ladder van duurzame verstedelijking?
Bij brief van 26 oktober heb ik uw Kamer gemeld dat ik de ladder voor duurzame verstedelijking momenteel laat evalueren.6 In het kader van de evaluatie worden gesprekken met gemeenten, provincies, bouwondernemingen, projectontwikkelaars en hun marktorganisaties gevoerd om zo een beter en vollediger beeld te krijgen van de knelpunten die zij bij toepassing van de ladder ervaren en welke oplossingen daarvoor kunnen worden gevonden. In dat kader zal met de betrokken partijen worden bezien in hoeverre de ladder het bouwen aan de rand van een gemeente/kern bemoeilijkt. Deze evaluatie verwacht ik in het eerste kwartaal 2023. Daarnaast wil ik dat belemmeringen voor de realisatie van kansrijke locaties aan de randen van gemeenten worden besproken bij de uitvoering van woondeals.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Het artikel ‘Populaire kinderopvang bij de boer gehinderd door starre regels’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Populaire kinderopvang bij de boer gehinderd door starre regels»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, gezien de nijpende personeelstekorten, agrarische kinderopvang een waardevolle toevoeging is voor de kinderopvangsector in zijn geheel? Zo nee, waarom niet?
De Minister van SZW deelt de mening dat agrarische kinderopvang als een mooie vorm van kinderopvang gezien kan worden, waarin kinderen al op jonge leeftijd in aanraking komen met de natuur en kennismaken met de agrarische sector. Naast de meerwaarde voor de ontwikkeling van kinderen zijn dit soort innovatieve vormen van kinderopvang in deze tijd van arbeidsmarktkrapte een goede toevoeging aan de kinderopvangsector in zijn geheel. Het is uiteraard wel van belang dat de kinderopvang veilig en van hoge kwaliteit is en dus voldoet aan de kwaliteitseisen die vanuit de Wet kinderopvang worden gesteld.
Bent u al in contact met boeren en Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) over belemmerende regelgeving rondom kinderopvang om te bezien hoe knelpunten weggenomen kunnen worden? Zo ja, wat is de uitkomst van dit contact? Zo nee, hoe zouden deze knelpunten kunnen worden weggenomen om zo de deze regelgeving te vergemakkelijken?
Ja, we zijn in contact met LTO over de belemmerende regelgeving. Veel van de belemmeringen liggen op gemeentelijk niveau in relatie tot (verschillen in) vergunningverlening. We zijn dan ook in overleg met de VNG om te kijken hoe we deze belemmeringen waar mogelijk kunnen wegnemen. Een toename van de agrarische kinderopvang leidt immers enerzijds tot een groter aanbod van kinderopvangplekken waar nu in veel regio’s sprake is van wachtlijsten en anderzijds tot mogelijkheden om het verdienmodel van de agrarische ondernemers te verbreden.
Bent u bereid om, naar aanleiding van gesprekken met boeren en LTO, inzichtelijk te maken welke regelgeving op dit moment belemmerend werkt bij het opzetten van agrarische kinderopvang en de Kamer daarover de informeren? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
LTO en de Verenigde Agrarische Kinderopvang (VAK) hebben een aantal belemmeringen aangedragen in een notitie «Belemmerende wet- en regelgeving agrarische kinderopvang». Dit ziet op belemmeringen zowel bij de opzet van een kinderopvanglocatie als in de situatie dat de neventak groter wordt dan de hoofdtak. Deze belemmeringen aangekaart door LTO en de VAK lijken vooral op gemeentelijk niveau te liggen en deze kunnen dus ook per gemeente verschillen waardoor er niet één lijst is met knelpunten voor alle agrarische opvanglocaties die ik met uw Kamer kan delen. Aan de hand van de aangedragen knelpunten zijn zowel LNV als SZW met de betrokken partijen (en ook VNG) in gesprek gegaan. Met hen wordt bekeken of er nog meer belemmeringen of knelpunten worden ervaren en hoe we deze belemmeringen kunnen wegnemen, zodat deze belemmeringen een groei van de agrarische kinderopvang niet in de weg staan.
Hoe beschouwt u het knelpunt dat de neventak kinderopvang voor de boer vaak niet groter mag worden dan de hoofdtak, de agrarische activiteiten en bent u het eens dat er een transitie mogelijk gemaakt moet worden waarbij de boer zelf de keuze kan maken om meer in te zetten op kinderopvang, zonder dat deze nevenactiviteit verboden wordt wanneer het groter wordt dan de landbouwtak?
Het kan zijn dat in sommige gemeenten de vergunning voor een agrarische kinderopvang gekoppeld is aan het uitoefenen van een actief agrarisch bedrijf, en dat daarbij een specifiek omzetpercentage is opgenomen. Eén van de redenen hiervoor is mogelijk de wens tot behoud van de agrarische hoofdfunctie van een gebied. Gemeenten kunnen die koppeling heroverwegen. VNG is gevraagd om te inventariseren hoe dat nu bij verschillende gemeenten geregeld is en we gaan hierover verder in gesprek, ook om te kijken of dat mogelijk in de toekomst tot belemmeringen kan leiden wanneer boeren in transitie zich gaan oriënteren op het verbreden van het verdienmodel met bijvoorbeeld agrarische kinderopvang.
Klopt het dat fijnstof vanuit de overheid als een belemmering wordt gezien om een agrarische kinderopvanginstelling op te zetten en geldt deze fijnstofnorm ook voor stedelijke kinderopvanginstellingen en in hoeveel gevallen wordt deze overschreden? Zo ja, kunt u uiteenzetten waarom er verschillende normen worden gehanteerd en hoe deze verschillen weg kunnen worden genomen?
Een goede gezondheidssituatie is belangrijk op een plek waar veel jonge kinderen komen, zoals een kinderopvanglocatie. Vanuit het Besluit gevoelige bestemmingen worden er voor het waarborgen van een goede luchtkwaliteit regels gesteld ten aanzien van de afstand van een kinderopvanglocatie tot een rijksweg of provinciale weg. Op gemeentelijk niveau kunnen nadere regels worden gesteld rondom luchtkwaliteit die bijvoorbeeld mee kunnen worden gewogen bij het bestemmingsplan. Gemeenten kunnen een afweging maken van welke nadere regels zij willen stellen die passend is in hun context. De lokale regelgeving kan daarom per gemeente verschillen. Hierover kunnen we in gesprek met VNG. Aan de hand daarvan kunnen best practices worden gedeeld. Al zal het voor een deel afhankelijk zijn van in welke gemeenten een opvanglocatie is gevestigd.
Klopt het dat er momenteel nog geen standaardprocedures bestaan voor het opzetten van agrarische kinderopvanginstellingen en dat het hierdoor langer duurt om een dergelijke instelling op te richten? Zo ja, bent u bereid om te bezien of er zo’n standaardprocedure kan komen en wat daarvoor nodig is, welke belemmering ziet u? Zo nee, welke standaardprocedures zijn er op dit moment en in welke mate worden deze procedures nu gevolgd en helpen deze bij het opzetten van opvanginstellingen?
Er is een standaardprocedure voor het starten van een kinderopvang. Voor het starten van een kinderopvang dient aan een aantal voorwaarden te worden gedaan, waaronder het hebben van een VOG en het aansluiten bij een Geschillencommissie Kinderopvang. Ook moet aan de lokale regelgeving worden voldaan, zoals het bestemmingsplan en regels m.b.t. veiligheid (bijv. brandveiligheid). Indien hieraan is voldaan, kan er een aanvraag tot exploitatie bij de gemeente worden gedaan. Hiervoor zijn standaardformulieren beschikbaar. De gemeente beoordeelt of aan alle voorwaarden is voldaan. Onderdeel van deze procedure is een onderzoek door de toezichthouder (GGD). In dit onderzoek wordt beoordeeld of de kinderopvang redelijkerwijs zal gaan voldoen aan de kwaliteitseisen die in de Wet kinderopvang zijn opgenomen. Nadat het rapport van de toezichthouder is vastgesteld, neemt de gemeente een besluit op de aanvraag tot exploitatie. Bij een positief besluit wordt de kinderopvang geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Vanaf dat moment kan er gestart worden met de kinderopvang.
Deze procedure geldt voor alle kinderopvangorganisaties, dus ook voor de agrarische kinderopvang, en is standaard voor iedere gemeente. Wel zal bij iedere aanvraag ook gekeken worden naar de lokale omstandigheden, waarbij bijvoorbeeld rekening gehouden dient te worden met het bestemmingsplan of de verkeerssituatie bij de betreffende locatie. We gaan ervan uit dat gemeenten er alert op zijn geen onnodige belemmeringen voor kinderopvang op te werpen. Er zijn daarnaast geen specifieke standaardprocedures voor het opzetten van agrarische kinderopvang, al heeft bijvoorbeeld de Verenigde Agrarische Kinderopvang het doel om ondernemers te begeleiden bij het starten van een agrarische kinderopvang.
Bent u het eens dat knelpunten in de huidige wet- en regelgeving op het gebied van agrarische kinderopvang aangepakt moeten worden om zo agrarische kinderopvang in algemene zin meer te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
We zien agrarische kinderopvang als een kans om enerzijds het aanbod van kinderopvangplekken te vergroten en anderzijds mogelijkheden voor agrarische ondernemers om hun verdienmodel te verbreden. We gaan daarom verder in gesprek met LTO, Verenigde Agrarische Kinderopvang (VAK) en VNG over de eventuele knelpunten, de gevolgen daarvan en wat er voor nodig is om deze aan te pakken om zo agrarische kinderopvang te stimuleren en te voorkomen dat de mogelijkheden hiervoor onnodig worden beperkt. De actualisering van de «Handreiking Multifunctionele Landbouw en Ruimtelijke Ordening» is daarbij een eerste stap.
Hoe beziet u de opvatting dat agrarische kinderopvang een mogelijkheid kan zijn om het verdienmodel van boeren te verbeteren die hun bedrijf willen extensiveren of omschakelen en bent u het eens dat we het vrijwillig omzetten van de bedrijfsvoering moeten stimuleren?
De Minister van LNV ziet multifunctionele landbouw (MFL), waaronder agrarische kinderopvang, als één van de mogelijkheden om het verdienmodel van de boer te verbeteren, ook in relatie tot de extensivering en omschakeling die de komende tijd noodzakelijk zal zijn. Deze vorm van landbouw zal echter niet voor elke boer een aanvullende inkomstenbron kunnen bieden, omdat de vraag vanuit de markt voldoende moet zijn en een dergelijke nevenactiviteit niet bij elke ondernemer zal passen.
Gezien deze mogelijkheid om het verdienmodel van de boer te verbeteren wil de Minister van LNV de multifunctionele landbouw, waaronder kinderopvang, de komende tijd stimuleren en daarmee een geleidelijke groei van deze sector faciliteren. De Minister van LNV is in gesprek over het position paper over Multifunctionele landbouw dat LTO recent heeft uitgebracht, over de belangrijkste uitdagingen voor de ontwikkeling van MFL-activiteiten. In overleg met de partijen in het Platform MFL wordt de komende tijd bezien hoe multifunctionele landbouw verder gestimuleerd kan worden, en welke middelen daarvoor nodig zijn.
Bent u bereid om in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) informatievoorziening richting gemeenten over agrarische kinderopvang op te zetten, zodat onbekend niet langer onbemind maakt bij de vergunningverlening? Zo nee, waarom niet?
Ja, daartoe zijn wij bereid. De Minister van LNV heeft hierover contact gelegd met de VNG en op dit moment wordt er aan een voorstel gewerkt om de «Handreiking Multifunctionele Landbouw en Ruimtelijke Ordening» uit 2011 te actualiseren. De informatie uit deze handreiking kan door gemeenten worden toegepast bij gemeentelijke beleidsafwegingen en bij het maken van plannen op het terrein van ruimtelijke ordening, economie en milieu op het gebied van multifunctionele landbouw.
Bent u bereid om een coulanceregeling te treffen, zodat de aangekondigde versoepelingen per 2024 rondom personeelseisen om het personeelstekort tegen te gaan al per 2023 van kracht worden om zo de opvangsector te stimuleren en hoe denkt u deze versoepelingen dan te versnellen? Zo nee, waarom niet?
Een coulanceregeling vraagt om op voorhand aan te geven aan welke kwaliteitseisen niet voldaan hoeft te worden. De toezichthouder hoeft ten aanzien van die eisen dan geen overtreding te noteren en er hoeft geen handhaving plaats te vinden. Dit is op grond van de huidige Wet Kinderopvang niet mogelijk. In november vorig jaar heeft het Ministerie van SZW met de branchepartijen en de toezichtpartijen afgesproken dat:
Of de toezichthouder hier gebruik van kan maken, hangt steeds af van de specifieke omstandigheden en van de casuïstiek. Het is in alle situaties van belang dat de opvang veilig en verantwoord is.
Daarnaast wordt in het kader van het herijkingstraject kwaliteitseisen kinderopvang toegewerkt naar aanpassingen in de kwaliteitseisen, waar dit mogelijk en wenselijk is, waarbij werkdruk een aandachtspunt is. De Minister van SZW vindt het belangrijk om daarin zorgvuldige afwegingen maken. Enerzijds verkennen we welke aanpassingen mogelijk zijn in de kwaliteitseisen en anderzijds geldt dat de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang gewaarborgd moet blijven. Dit laat onverlet dat – zoals aangegeven in antwoord 7, we van gemeenten verwachten dat zij er alert op zijn geen onnodige belemmeringen voor kinderopvang op te werpen.
Kunt u deze vragen uiterlijk één week voor het geplande commissiedebat Kinderopvang op 16 november aanstaande beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de antwoorden voor het commissiedebat te versturen, omdat de afstemming met de verschillende partijen meer tijd vergde.
Het bericht ‘Verduurzaming van koopwoningen komt bij gedeeld huizenbezit slecht van de grond’ |
|
Jaco Geurts (CDA), Silvio Erkens (VVD), Peter de Groot (VVD), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verduurzaming van koopwoningen komt bij gedeeld huizenbezit slecht van de grond»?1
Ja
Hoe vaak komen deze problemen voor? Kunt u bevestigen of de cijfers, genoemd in het artikel, kloppen?
Deze cijfers zijn afkomstig uit een onderzoek in opdracht van de Vereniging Eigen Huis (VEH) onder appartementseigenaren wonend in (zeer) kleine VvE's.2 Ruigrok NetPanels heeft het kwantitatieve onderzoek uitgevoerd via een online consumentenpanel van Panelclix en Dynata. In totaal hebben 1.073 appartementseigenaren een online vragenlijst ingevuld, waarvan 412 appartementseigenaren wonend in een zeer kleine VvE.
De genoemde conclusies in dit onderzoek zijn geformuleerd na aanvullend verkennend kwalitatief onderzoek middels 2 groepsgesprekken met in totaal 12 deelnemers. Ik vind het fijn dat VEH dit kwantitatieve onderzoek met aansluitend een verkennend kwalitatief onderzoek heeft uitgevoerd. Deze uitkomsten komen overeen met het verkennend kwalitatief gedragsonderzoek dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zelf heeft uitgevoerd onder kleine VvE’s.3
Het is ingewikkeld om onderzoek te doen naar (zeer) kleine VvE's, omdat kleine VvE’s moeilijker te bereiken zijn. Daarmee is er een minder compleet beeld van de totale doelgroep. De uitkomsten van het onderzoek in opdracht van VEH leveren wat meer inzichten op, maar het is ook voor VEH lastig gebleken om een kwantitatief onderzoek naar kleine VvE’s te laten doen onder een grotere representatieve groep. De resultaten uit het onderzoek voor (zeer) kleine VvE’s moeten met voorzichtigheid worden gebruikt, omdat het een vertekend beeld geeft door de beperkte resultaten vanuit inactieve kleine VvE’s.
Deelt u de mening dat het een onwenselijke ontwikkeling is als woningeigenaren, die hun woning willen verduurzamen, nu niet hun huis kunnen verduurzamen, omdat de instemming van de vereniging van eigenaren (VvE) uitblijft?
Ik deel de mening dat de verduurzaming van VvE-gebouwen specifieke aandacht verdient. Ongeveer 20% van het totale aantal woningen is onderdeel van een VvE. Zoals ik uw Kamer in mijn brief van 23 december 2022 heb toegelicht, ondervinden appartementseigenaren en VvE’s door het gezamenlijke eigendom verschillende uitdagingen bij de verduurzaming van het gebouw.4 Op 5 september jl. heb ik u daarom de uitgewerkte Versnellingsagenda verduurzaming gebouwen in beheer van Verenigingen van Eigenaars (VvE-versnellingsagenda verduurzaming) toegezonden. In de bijbehorende Kamerbrief is een samenvatting van de VvE-versnellingsagenda verduurzaming opgenomen.5
De kern van de VvE-versnellingsagenda verduurzaming betreft een combinatie van verschillende onderdelen, waaronder het aanpassen van de besluitvormingsregels voor verduurzamingsmaatregelen en het informeren en ontzorgen van VvE’s en appartementseigenaren. Door de VvE-versnellingsagenda verduurzaming wordt het voor appartementseigenaren en VvE-bestuur makkelijker om het VvE-gebouw integraal te verduurzamen.
In het antwoord op vraag 5 geef ik nader aan wat de verschillende onderdelen van de VvE-versnellingsagenda verduurzaming inhouden.
Heeft u enkele succesverhalen om inzichtelijk te maken hoe VvE's wel gezamenlijk met huiseigenaren optrekken in de verduurzaming? Zo ja, kunt u hier lessen uit trekken om toe te passen in situaties waar VvE's er niet uitkomen?
Een les die getrokken kan worden uit verschillende succesverhalen is dat verduurzaming van het VvE-gebouw het beste kan worden uitgevoerd door planmatig onderhoudsmaatregelen te combineren met verduurzamingsmaatregelen (integrale aanpak). Ook blijkt uit deze succesverhalen dat het loont om als VvE-bestuur tijd te investeren in het benaderen van appartementseigenaren afzonderlijk, bijvoorbeeld omdat niet alle eigenaars de Nederlandse taal beheersen. Door de individuele benadering worden appartementseigenaren zich ook bewust van hun eigen rol bij het duurzaam onderhoud van het gebouw en daardoor ontstaat het vertrouwen om gezamenlijk het gebouw te verduurzamen. Deze individuele aanpak komt gemakkelijker tot stand wanneer een procesbegeleider het VvE-bestuur bij het organiseren van draagvlak ondersteunt.
VvE’s die al hebben gekozen voor zo’n integrale aanpak, kunnen andere VvE’s inspireren. Enkele van deze koplopers worden al op de websites van RVO6, het Warmtefonds7 en de Duurzame Huizen Route8 als goede voorbeelden genoemd. Sinds september 2023 is het voor steeds meer VvE-bestuurders en appartementseigenaren mogelijk om via de Duurzame Huizen Route ervaringen te delen over het verduurzamen van het gebouw.
Hoe kunnen VvE's, gezien hun belangrijke taak ten aanzien van het gemeenschappelijk gebouwbeheer, zo worden ingericht of geholpen dat het geheel of gedeeltelijk verduurzamen van gedeeld bezit toch mogelijk wordt?
De VvE-versnellingsagenda verduurzaming omvat verschillende onderdelen.
De besluitvormingsregels voor verduurzamingsmaatregelen worden aangepast door het quorum (aanwezigheidsvereiste) af te schaffen en een gewone meerderheid (50%+1) te hanteren voor verduurzamingsmaatregelen. Andere mogelijke oplossingen worden nader onderzocht, zoals het vereenvoudigen van de splitsingsakteregels en het invoeren van een integraal verduurzamingsplan voor alle VvE’s. Daarnaast is het onderzoek naar de verbreding van het wetsvoorstel notificatieregeling oplaadpunten VvE’s relevant. Dit wordt verder toegelicht in het antwoord op vraag 8.
Vanuit de VvE-versnellingsagenda verduurzaming ondersteunen de gemeenten via een VvE-verduurzamingsloket en/of procesbegeleiders de appartementseigenaren en VvE-bestuurders bij het verduurzamen van het VvE-gebouw. Bovendien zal vanaf eind 2023 de VvE-pagina op verbeterjehuis.nl stapsgewijs verbeterd worden. Hierdoor zullen appartementseigenaren zich meer bewust worden van hun eigen rol bij het duurzaam onderhouden van het gebouw. Ik zie hier ook een rol weggelegd voor de partijen in de koop- en leveringsketen. Ik onderzoek hiervoor op welke wijze aspirant-kopers van een appartement door bijvoorbeeld hun notaris, makelaar en hypotheekadviseur beter over de rechten en plichten van een appartementseigenaar kunnen worden geïnformeerd.
VvE’s worden vanaf januari 2024 door de uitbreiding van de subsidieregeling voor VvE’s (SVVE) verder geholpen met de verduurzaming van het VvE-gebouw. Zo worden voor monumenten de minimale isolatiewaarden verlaagd, zodat deze beter aansluiten op de aard van het gebouw. En naast subsidie voor procesbegeleiding kan een VvE voortaan ook subsidie aanvragen voor verschillende onderzoeken die nodig zijn voor het besluit voor het verduurzamen van het gebouw. Er kan bijvoorbeeld subsidie worden aangevraagd voor een asbestonderzoek of flora- en faunaonderzoek. Een VvE kan naast de SVVE ook gemeentelijke subsidies aanvragen en deze subsidies «stapelen».
Naast de subsidies is ook de mogelijkheid voor het lenen van geld verbeterd. Vanaf 26 april jl. is de rente van de VvE-Energiebespaarlening van het Warmtefonds met 1,5% verlaagd. De huidige rente ligt op 2,6%.9 Het Warmtefonds werkt daarnaast aan een regeling voor appartementseigenaren zonder leenruimte. Hierdoor zullen appartementseigenaren vanuit financieel oogpunt minder snel tegen het VvE-besluit voor verduurzamingsmaatregelen en de VvE-Energiebespaarlening stemmen.
Welke stimuleringsmaatregelen heeft u om het toch voor VvE's aantrekkelijker te maken om (collectieve) verduurzamingsmaatregelen te nemen?
Appartementseigenaren worden meer bewust gemaakt van hun eigen rol bij het verduurzamen en onderhouden van het gebouw. Dit najaar zal de verbetering van de VvE-pagina op Verbeterjehuis.nl starten. In 2024 wordt een begin gemaakt met een landelijk VvE-verduurzamingsloket. Omdat het belangrijk is voor VvE’s om lokaal te worden ondersteund bij het verduurzamingsproces, zullen gemeenten die deze lokale ondersteuning aan VvE’s willen bieden hierbij worden geholpen door het landelijke VvE-verduurzamingsloket. Zo zullen er informatie, deskundig advies en cursussen beschikbaar worden gesteld. Wanneer dit niet lokaal wordt aangeboden kunnen appartementseigenaren en VvE-bestuurders via het landelijke VvE-verduurzamingsloket toegang krijgen tot informatie en deskundig advies.
In mijn antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven dat vanaf januari 2024 de subsidieregeling voor VvE’s (SVVE) wordt uitgebreid. Zo worden voor monumenten de minimale isolatiewaarden verlaagd, zodat deze beter aansluiten op de aard van het gebouw. En naast subsidie voor procesbegeleiding kan een VvE ook subsidie aanvragen voor verschillende onderzoeken die nodig zijn voor het besluit voor het verduurzamen van het gebouw. Bijvoorbeeld een asbestonderzoek of flora- en faunaonderzoek. Een VvE kan naast de SVVE ook gemeentelijke subsidies aanvragen en deze subsidies «stapelen». De SVVE biedt VvE’s subsidie voor het verduurzamen van het hele VvE-gebouw: subsidie voor energieadvies, een duurzaam meerjarenonderhoudsplan, procesbegeleiding, isolatiemaatregelen en warmtepompen, centrale aansluitingen op warmtenetten en zonneboilers. Voor één isolatiemaatregel kan voor ongeveer 15% subsidie worden aangevraagd. Voor twee of meer maatregelen blijft de subsidie ongeveer 30%.
Vanaf 13 november 2023 is er ook een nieuwe subsidieregeling: procesondersteuning voor opschaling renovatieprojecten (SPOR). Een VvE kan subsidie voor procesbegeleiding aanvragen via óf de SPOR, óf de SVVE.
Verschillende gebouweigenaren kunnen als samenwerkingsverband SPOR-subsidie voor procesbegeleiding aanvragen bij hun gebundelde renovatieproject. Dit kunnen bijvoorbeeld twee verschillende VvE’s zijn of één VvE en een aantal andere gebouweigenaren.
Minimaal even belangrijk als subsidie is goede financiering voor VvE’s, zodat zij verduurzamingsmaatregelen kunnen uitvoeren zonder er eerst jaren voor te sparen. Het Warmtefonds biedt steeds meer VvE’s financiering. Sinds 1 december 2022 ook voor kleine VvE’s met minder dan 8 appartementen, met een «vangnet» voor individuele appartementseigenaren in de VvE die de financiering later toch niet blijken te kunnen dragen. De VvE-Energiebespaarlening is ook aan te vragen door VvE’s met commerciële ruimten, waarbij minimaal de helft van de VvE als woonruimte in gebruik dient te zijn.
In mijn antwoord van vraag 5 heb ik aangegeven dat vanaf 26 april jl. de rente van de VvE-Energiebespaarlening van het Warmtefonds met 1,5% is verlaagd.
Het Warmtefonds werkt daarnaast aan een regeling voor appartementseigenaren zonder leenruimte. Ik verken momenteel samen met het Warmtefonds en de VvE-praktijk welke mogelijkheden er zijn om de VvE-financiering bij het Warmtefonds verder te verbeteren.
Hoe kunnen woningeigenaren worden geholpen bij situaties waarbij de VvE de verduurzamingsmaatregelen blokkeert?
Appartementseigenaren kunnen worden geholpen door het inschakelen van een procesbegeleider. Zoals reeds toegelicht in vraag 4 helpt het inzetten van een procesbegeleider bij het gehele verduurzamingsproces en het creëren van meer draagvlak. Voor procesbegeleiding kan een aanvraag worden gedaan via de SVVE-subsidie, en deze mogelijkheden worden per 1 januari 2024 uitgebreid.
Er kunnen verschillende persoonlijke redenen zijn voor een appartementseigenaar om niet met verduurzamingsmaatregelen te willen instemmen. Bij de vraag hoe een appartementseigenaar aankijkt tegen het treffen van verduurzamingsmaatregelen, kan bijvoorbeeld een rol spelen of de appartementseigenaar zelf in het VvE-gebouw woont of het appartement verhuurt, of in welke levensfase of financiële situatie de appartementseigenaar zich bevindt.
Ik wil appartementseigenaren helpen zich meer bewust te worden van hun verantwoordelijkheden in hun VvE en de rol die zij op zich kunnen nemen bij een verduurzamingstraject. Sinds september 2023 is het voor steeds meer VvE-bestuurders en appartementseigenaren mogelijk om via de Duurzame Huizen Route ervaringen te delen over het verduurzamen van het gebouw. Ook zal dit najaar de verbeteringsslag van de VvE-pagina op verbeterjehuis.nl starten. Daarnaast zal in 2024 een begin worden gemaakt met een landelijk VvE-verduurzamingsloket.
Gemeenten zullen worden ondersteund bij het opzetten van een lokale ondersteuning aan VvE’s. Hierbij worden gemeenten geholpen door het landelijke VvE-verduurzamingsloket. Aan gemeenten worden informatie, deskundig advies en cursussen beschikbaar gesteld. Wanneer ondersteuning aan VvE’s niet lokaal wordt aangeboden, kunnen appartementseigenaren en VvE-bestuurders toegang krijgen tot informatie, deskundig advies via het landelijk VvE-verduurzamingsloket.
Om het nemen van een gezamenlijk besluit te vergemakkelijken, is van belang dat iedere eigenaar het belang ziet van een te nemen besluit of tenminste erop kan vertrouwen dat het besluit zijn belangen niet onevenredig schaadt. Daarom onderzoek ik wat individuele appartementseigenaren motiveert en hen helpt om eerder in te stemmen met de verduurzamingsmaatregelen van het VvE-gebouw.
Is het wat u betreft wenselijk en mogelijk om niet-zichtbare verduurzamingsmaatregelen (bijvoorbeeld het plaatsen van dubbel glas) altijd toe te staan zonder toestemming van de VvE? Bent u bereid om een lijst met deze maatregelen op te stellen?
Op grond van het wetsvoorstel notificatieregeling oplaadpunten VvE’s kan een appartementseigenaar volstaan met een notificatie (kennisgeving) aan het VvE-bestuur bij het plaatsen van een oplaadpunt, wanneer wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Het wetsvoorstel is van 12 juli 2021 tot 6 september 2021 in internetconsultatie geweest10 en is tot nu toe niet verder gebracht naar aanleiding van de ontvangen internetconsultatiereacties en de te onderzoeken noodzaak tot verbreding van het wetsvoorstel vanwege de aangescherpte klimaatdoelen in het coalitieakkoord van december 2021. De notificatieregeling zal overigens worden meegenomen in een groter wetsvoorstel dat naar verwachting in werking treedt in 2026. Dit wetsvoorstel waarin ook de besluitvormingsregels en het afschaffen van het quorum worden genoemd, is gepresenteerd in de VvE-versnellingsagenda verduurzaming.
Ik vind het van belang dat individuele appartementseigenaren die graag willen verduurzamen hierin niet tegengehouden worden door een VvE die zelf niet de regie neemt in het duurzaam onderhouden van het gebouw. Daarom onderzoek ik of ik de appartementseigenaren die willen verduurzamen kan helpen door de notificatieregeling voor oplaadpunten te verbreden naar meerdere verduurzamingsmaatregelen. Welke verduurzamingsmaatregelen onder de notificatieregeling kunnen vallen, wordt nader onderzocht. Het gaat hierbij om verduurzamingsmaatregelen die nauw verbonden zijn aan het appartement zelf, zoals het vervangen van enkel glas door isolatieglas. In dit kader wil ik benadrukken dat het de voorkeur verdient dat het VvE-gebouw integraal verduurzaamd wordt, en niet per appartement.
Kunt u aangeven op welke wijze er wordt gewerkt aan een langetermijn oplossing voor de problemen met trage verduurzaming bij gedeeld huizenbezit?
Een lange termijn oplossing is vooral gericht op het ontzorgen van appartementseigenaren en VvE’s en middels een wetswijziging waarin de besluitvormingsregels voor verduurzamingsmaatregelen worden vergemakkelijkt en waarin de notificatieregeling wordt meegenomen. In het kader van de VvE-versnellingsagenda verduurzaming onderzoek ik allereerst wat individuele appartementseigenaren motiveert en kan helpen om eerder in te stemmen met de verduurzamingsmaatregelen van het VvE-gebouw. Appartementseigenaren worden meer bewust gemaakt van hun eigen rol bij het verduurzamen en onderhouden van het gebouw.
In 2024 zal een start gemaakt worden met een landelijk VvE-verduurzamingsloket. Gemeenten zullen worden ondersteund bij het opzetten van een lokale ondersteuning aan VvE’s via dit loket. Aan gemeenten worden informatie, deskundig advies en cursussen beschikbaar gesteld. Wanneer ondersteuning aan VvE’s niet lokaal wordt aangeboden kunnen appartementseigenaren en VvE-bestuurders toegang krijgen tot informatie, deskundig advies bij het landelijk VvE-verduurzamingsloket.
Daarnaast werk ik aan een wetsvoorstel om de besluitvormingsregels voor verduurzamingsmaatregelen aan te passen door het quorum (aanwezigheidsvereiste) af te schaffen en een gewone meerderheid (50%+1) te hanteren voor verduurzamingsmaatregelen. Andere mogelijke oplossingen worden momenteel onderzocht, zoals het invoeren van een integraal verduurzamingsplan voor alle VvE’s.
Ziet u bijvoorbeeld mogelijkheden om tot wetgeving te komen waarin wordt bepaald dat de VvE te allen tijde bevoegd is op het gebied van duurzaamheid, zoals door sommige experts wordt geopperd?2 Wat zouden de voor- en nadelen zijn van een dergelijke optie?
Ik ben niet voornemens wetgeving met die strekking te gaan voorbereiden. Wanneer verduurzamingsmaatregelen worden genomen, kan dit betekenen dat er wijzigingen worden aangebracht in de bestaande kostenverdeling tussen de appartementseigenaren en in de verdeling van de gemeenschappelijke- en privédelen van het gebouw. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de aanleg van nieuwe collectieve installaties en bijbehorende leidingen die zowel door gemeenschappelijke delen als privédelen gaan. Het te allen tijde bevoegd maken van de VvE bij verduurzamingsmaatregelen zou daarom kunnen betekenen dat ingegrepen wordt in het eigendomsrecht van individuele appartementseigenaren, zonder dat zij daar zelf invloed op hebben. Maar met de acties aangekondigd in de VvE-versnellingsagenda ga ik VvE’s helpen eenvoudiger te kunnen verduurzamen, waarbij ik alle belangen in het oog houd. Voor een weergave van de verschillende onderdelen van de agenda verwijs ik graag naar het antwoord op vraag 5.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Het bericht ‘Poland Will Lease MQ-9A Reapers To Fill The UAV Capability Gap’ |
|
Peter Valstar (VVD) |
|
Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Poland Will Lease MQ-9A Reapers To Fill The UAV Capability Gap» en daarin specifiek de uitspraak «The Dutch MoD was willing to procure extra MQ-9A Block 5s, but the acquisition process was delayed»?1
Ja.
Klopt het dat de verwerving van de vier extra MQ-9 Reapers type A vertraagd is?
De verwerving van vier additionele MQ-9A toestellen is niet vertraagd.
Is dat door toedoen van het Nederlandse Ministerie van Defensie of de leverancier?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom bent u er niet in geslaagd de bestelling voor eind augustus te plaatsen terwijl de Tweede Kamer met een spoedbehandeling twee maanden eerder al akkoord gaf?
Door de spoedige behandeling van de Incidentele Suppletoire Begroting (Kamerstuk 26 488, nr. 468 van 24 juni 2022), heeft Defensie kunnen zekerstellen dat zij vier extra toestellen van het type A zal verkrijgen. Type A had voor Defensie de voorkeur, omdat dit type sneller geleverd kon worden en omdat een ander type negatieve gevolgen zou hebben voor de operatie, instandhouding en opleiding. Daarnaast wilde Defensie de financiële verplichtingen tegen de condities van 2022 aangaan. Dat bleek helaas niet mogelijk. De Amerikaanse overheid heeft de mogelijkheid gegeven de vier MQ9-toestellen via Foreign Military Sales te bestellen, maar daarvoor moet de Amerikaanse overheid opnieuw in gesprek met de leverancier. Nederland kan het contract nu in 2023 tekenen. Dat levert voor de levering van de toestellen geen vertraging op.
Waarom heeft u de Kamer niet middels het Defensie Projecten Overzicht geïnformeerd?
Aangezien er geen sprake is van vertraging in het verwervingstraject, is dit niet gemeld in het Defensie Projecten Overzicht.
Klopt het dat de luchtmacht nu mogelijk de A-variant misloopt, alsnog voor de B-variant moet gaan en dus met twee verschillende varianten dient te werken?
Nee, dit klopt niet. De leverancier heeft bevestigd dat Nederland de A-variant ontvangt.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Personeel/Materieel op 7 november 2022?
Ja.
Het bericht ‘Openbaar Ministerie wil tien mensen vervolgen voor verstrekking 'Middel X'’ |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21), Harry Bevers (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Maarten Hijink (SP), Caroline van der Plas (BBB), Anne Kuik (CDA), Liane den Haan (GOUD), Mirjam Bikker (CU) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Openbaar Ministerie wil tien mensen vervolgen voor verstrekking «Middel X»»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op Kamervragen over eerdere berichten omtrent Coöperatie Laatste Wil (CLW) waarin u aangaf de overtuiging te delen dat de overheid is geroepen om kwetsbare mensen te beschermen?2
Ja.
Welke reflectie heeft u in dat licht op het bericht dat leden van CLW bijeenkomsten hielden waar omheen Middel X werd verstrekt en dat twee leden daadwerkelijk worden verdacht van verstrekken van het middel?
Zoals aangegeven in antwoord op de Kamervragen waarnaar u verwijst deel ik de overtuiging dat de overheid geroepen is om mensen in een kwetsbare positie te beschermen. Het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) heeft dan ook strafrechtelijk onderzoek gedaan nadat de strafrechtelijke verdenking is ontstaan dat rondom de zogenaamde huiskamerbijeenkomsten het Middel X werd verstrekt. Het OM heeft bekend gemaakt dat het voornemens is om tien personen te vervolgen die hierbij betrokken zouden zijn. Voordat die beslissing definitief wordt genomen, worden door de rechter-commissaris met het oog op de opsporing, mogelijk aanvullende onderzoekshandelingen verricht. Ik wil niet vooruitlopen op het oordeel van de rechter.
Kunt u aangeven wat de uitkomst is van het overleg met de industrie over aanpassing van de afspraken aangaande de verkoop van middel X? Vindt u dat daarmee voldoende veiligheid wordt geboden?
De op 26 juni 2019 ondertekende code «Signalering van risico’s op suïcide met behulp van chemische stoffen» bevat een aantal afspraken met de chemiebranche om de verkoop aan particulieren van stoffen waarvan vastgesteld is dat zij mogelijk bij suïcide gebruikt worden te monitoren, en om kennis over deze stoffen met elkaar te delen in een overleg.3 Voor de stoffen waarvan tot nu toe het beeld is ontstaan dat deze geschikt zouden zijn voor suïcide, de zogenaamde Middel X-stoffen, is door de betrokken partijen zelfstandig besloten deze niet meer aan particulieren te leveren.
Sinds het ondertekenen van de code zijn de deelnemers verschillende keren bij elkaar geweest. Daarbij is steeds gebleken dat naast de al bekende stoffen geen andere nieuwe stoffen op grote schaal gebruikt worden. Mede daarom is tijdens de bijeenkomst in december 2021 besloten dat het Ministerie van VWS in 2022 bilateraal contact zou onderhouden met de bij de code betrokken partijen. Ook uit deze contacten zijn geen nieuwe signalen gekomen die aanleiding zouden kunnen geven tot aanpassing of verdere aanscherping van de eerder gemaakte afspraken. Het streven is dat betrokken partijen in het eerste kwartaal van 2023 opnieuw bijeen zullen komen. Daarnaast wordt de code in 2023 geëvalueerd.
Ik ben mij ervan bewust dat de maatregelen die zijn getroffen om de levering van stoffen die gebruikt kunnen worden voor suïcide te reguleren en daarmee een drempel op te werpen voor de beschikbaarheid van deze stoffen voor particulieren niet kunnen voorkomen dat mensen met suïcidale gedachten worstelen. Dit beleid staat dan ook niet op zichzelf en deze inzet moet in samenhang worden gezien met de inzet van VWS op het gebied van suïcidepreventie.
Welke aanvullende mogelijkheden heeft u inmiddels verkend na de antwoorden die u gaf op schriftelijke vragen van de leden Thielen (VVD) en Van Wijngaarden (VVD) en ziet u in het licht van de huidige ontwikkelingen niet alsnog mogelijkheid om het gebruik van deze stoffen voor gebruik bij suïcide te verbieden?3
Op 3 september 2018 heeft de toenmalig Minister van VWS in een brief toegelicht dat uit een verkenning naar stoffen die gebruikt kunnen worden voor suïcide, is gebleken dat regulering via juridische maatregelen, zoals het verbieden van stoffen of het verbieden van verkoop van de stoffen aan particulieren, ingewikkeld is en bovendien beperkt effectief. Eventuele juridische maatregelen om de beschikbaarheid van dergelijke stoffen voor suïcide te beperken vragen om nieuwe wetgeving die waarschijnlijk in strijd zou zijn met geldende Europese regelgeving.
Daarnaast laat nadere beschouwing zien dat nieuwe wetgeving wel eens contraproductief zou kunnen zijn voor het voorkomen van suïcides door deze stoffen om de volgende redenen:5 juridische maatregelen geven bekendheid aan stoffen,6 een uitputtende lijst met stoffen die gebruikt kunnen worden voor suïcide en daarom via wetgeving worden gereguleerd, is niet mogelijk,7 regulering van de verkoop aan particulieren is disproportioneel, omdat dit gevolgen heeft voor de wel wenselijke bestaande toepassingen,8 het vraagt grote handhavingsinspanningen, inclusief een verregaande documentatieplicht voor de leveranciers,9 met een wetgevingstraject is het lastiger om ook in de toekomst snel beperkingen te realiseren voor het geval later van andere stoffen het beeld ontstaat dat deze gebruikt kunnen worden voor suïcide.10
Aangezien bovenstaande argumenten nog steeds gelden, ziet mijn ambtgenoot van VWS ook nu geen reden om tot juridische maatregelen over te gaan om deze stoffen of de verkoop daarvan aan particulieren te verbieden of te reguleren.
In antwoord op de vragen van Kamerleden Tielen en Van Wijngaarden heeft mijn ambtsgenoot van VWS aangegeven dat het Ministerie van VWS in gesprek blijft met veldpartijen om te verkennen of en zo ja, welke aanvullende mogelijkheden er zijn om het gebruik van deze stoffen voor suïcide te voorkomen. Zoals bij vraag 4 is aangegeven heeft het Ministerie van VWS de afgelopen periode dan ook bilateraal overleg gevoerd met betrokken partijen en is het streven dat partijen in het eerste kwartaal van 2023 opnieuw bijeen zullen komen.
Daarnaast zal op korte termijn feitelijke en neutrale informatie over Middel X beschikbaar komen op www.rijksoverheid.nl, bijvoorbeeld over het verloop na inname en wat te doen bij een vermoeden dat iemand het middel in huis heeft.
Bent u bereid over te gaan tot een onderzoek naar de achtergrond van slachtoffers van middel X, zeker ook in het licht van de reeds bekende verhalen van jonge slachtoffers met psychische nood en/of een lichtverstandelijke beperking en de zorg die de overheid hen wenst te bieden?4
Artsen kunnen het Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC) consulteren bij misbruik van chemische stoffen voor een suïcidepoging. Artsen zijn echter niet verplicht tot consultatie. Het NVIC registreert het aantal bij hen bekende zelfmoordpogingen met chemische stoffen en gevallen met fatale afloop per leeftijdscategorie. Cijfers van het NVIC schetsen het beeld dat het aantal zelfmoordpogingen door inname van chemische stoffen zelden voorkomt bij jongeren. In de periode januari 2014 t/m begin november 2022 zijn onder jongeren tot en met 29 jaar negentien gevallen bekend bij het NVIC. Het NVIC heeft geen aanvullende informatie over de achtergrond van de slachtoffers.
Bij 113 Zelfmoordpreventie is op dit moment niet méér bekend over de slachtoffers van Middel X dan de cijfers die het NVIC hierover geeft. 113 Zelfmoordpreventie gaat er echter vanuit dat de cijfers van het NVIC zeer waarschijnlijk een onderschatting zijn, omdat veel casussen waarbij de arts weet hoe te handelen of waarbij geen behandeling meer mogelijk is, waarschijnlijk niet gemeld worden bij het NVIC. Om in beeld te krijgen hoeveel mensen jaarlijks overlijden door inname van Middel X, hebben 113 Zelfmoordpreventie en GGD Amsterdam samen een onderzoek geïnitieerd. Door middel van dossieronderzoek worden kenmerken van alle gevallen van overlijden na inname van Middel X zoals bekend bij forensisch artsen geanonimiseerd in kaart gebracht. Het gaat dan om kenmerken als leeftijd en geslacht van de slachtoffers. Daarnaast wordt gekeken of het lijkschouwverslag informatie bevat over psychiatrische voorgeschiedenis en terminale ziekte van de slachtoffers. In hoeverre dergelijke informatie inderdaad in het lijkschouwverslag te vinden zal zijn, zal duidelijk zijn op het moment dat het onderzoek is afgerond. De resultaten van dit onderzoek worden in 2023 verwacht.
Bent u bereid om met spoed te bezien of extra hulp en voorlichting noodzakelijk is, bijvoorbeeld via stichting 113, om te voorkomen dat er alsnog meer slachtoffers vallen? Welke hulp wordt er aan familie geboden?
Zoals in antwoord op vraag 5 is aangegeven, zal op korte termijn feitelijke en neutrale informatie over Middel X beschikbaar komen op www.rijksoverheid.nl, bijvoorbeeld over het verloop na inname en wat te doen bij vermoeden dat iemand het middel in huis heeft. Daar zal tevens worden verwezen naar 113 Zelfmoordpreventie.
113 Zelfmoordpreventie heeft in 2021–2022 onderzoek gedaan naar de ervaringen met en behoeften aan hulp/zorg onder nabestaanden van mensen die door suïcide zijn overleden. Belangrijke conclusies van het onderzoek zijn a) de meerderheid van de nabestaanden heeft in de periode direct na overlijden hulp of steun gemist; b) bijna de helft van de nabestaanden ervoer problemen in de periode na de uitvaart, met name bij de terugkeer naar werk/school; c) de meerderheid van de nabestaanden geeft aan dat zij begeleiding/hulp na zelfdoding erg zinvol zouden vinden, met name in de vorm van een overzicht van alle ondersteuningsbronnen (83%), en in de vorm van een vaste begeleider voor zowel praktische als emotionele problemen in het eerste jaar na de zelfdoding (72%). Naar aanleiding van dit onderzoek is een brochure gemaakt voor nabestaanden van zelfdoding, waarin overzichtelijk wordt weergegeven waar nabestaanden terecht kunnen voor ondersteuning. De brochure wordt digitaal en gedrukt verspreid in samenwerking met partners in het veld. Daarnaast zijn in de derde Landelijke Agenda Suïcidepreventie middelen gereserveerd ter verbetering van de zorg aan nabestaanden van mensen die door suïcide zijn overleden.
Deelt u het diep onbevredigende gevoel dat aan eerdere onderzoeken naar CLW en haar leden geen strafrechtelijk gevolg kon worden gegeven omdat weliswaar sprake leek te zijn van het verschaffen van middelen voor zelfdoding, maar nog geen casus bekend was waar zelfdoding volgde, en dat het erop lijkt dat pas tot vervolging kon worden overgaan na het daadwerkelijk overlijden van jonge mensen als gevolg van gebruik van middel X? Zo ja, welke gevolgen moet dat volgens u hebben?
Omdat het strafrechtelijk onderzoek naar een tiental personen gelieerd aan CLW nog loopt kan ik geen uitspraken doen over deze individuele strafzaak en over het gevoel dat ik daarbij heb. Zolang de strafzaak loopt past het mij evenmin om een oordeel te geven over het huidige wettelijke kader. Dit neemt niet weg dat de strafzaak, na afloop daarvan, aanleiding kan geven om dit kader onder de loep te nemen.
In vervolg op vraag 7, welke mogelijkheden zou de overheid hebben om meer preventief op te treden, zowel publiek-, privaat- als strafrechtelijk? Met welke wettelijke grondslag?
In het licht van het antwoord op vraag 5 blijft het beleid van het Ministerie van VWS gericht op de maatregelen die zijn getroffen om de levering van stoffen die gebruikt kunnen worden voor suïcide te reguleren. Daarmee wordt een drempel opgeworpen voor de beschikbaarheid van deze stoffen voor particulieren. Het is wetenschappelijk bewezen dat het opwerpen van drempels bij suïcide effectief is.12 Daarnaast wordt door VWS met de landelijke agenda suïcidepreventie, samen met partners binnen en buiten de zorg, gewerkt aan het verminderen van suïcidepogingen en suïcides.
Ten aanzien van de preventieve werking van het strafrecht merk ik het volgende op. Door een vervolging in te stellen draagt het OM onder meer bij aan de preventieve werking die is beoogd met het strafbaar stellen van bepaalde gedragingen. Met de vervolging van een verdachte wordt tot uitdrukking gebracht dat een bepaalde gedraging niet door de beugel kan en dat de verdachte daarover verantwoording moet afleggen bij de strafrechter.
Bent u bereid te onderzoeken of artikel 294 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht aangevuld kan worden zodat op een eerder moment vervolging mogelijk is indien in beroepsmatig, georganiseerd kader een gewoonte wordt gemaakt van het behulpzaam zijn bij – of het verschaffen van middelen tot – zelfdoding?
Voor zover u met het begrip «georganiseerd kader» het samenwerkingsverband van twee of meer personen bedoelt, wijs ik erop dat de deelname aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, al strafbaar is gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij geldt dat de misdrijven nog niet gepleegd hoeven te zijn. Evenmin hoeft het te gaan om telkens dezelfde misdrijven. Of er sprake is van deelneming aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Uitbreiding van de strafbaarstelling in artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht lijkt op dit punt dan ook overbodig te zijn. Voor zover u doelt op het enkele individu dat beroepsmatig anderen behulpzaam is bij hulp bij zelfdoding of daartoe de middelen verschaft verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
De internationale aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit en criminele geldstromen |
|
Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met criminoloog Fijnaut, «De meest voor de hand liggende oplossingen tegen de drugsindustrie worden niet ingezet. Raadselachtig»?1
Ik ben bekend met het interview met criminoloog Fijnaut en heb hierna ook op eigen initiatief een gesprek gevoerd met professor Fijnaut op 29 september jl.
Onderschrijft u zijn pleidooi voor meer samenwerking tussen Nederland en België in de bestrijding van drugscriminaliteit?
Ik sta zeker achter zijn pleidooi voor meer samenwerking tussen Nederland en België. Ik ben ervan overtuigd dat een nauwe samenwerking nodig is om drugscriminaliteit te bestrijden. Om die reden ben ik intensief in gesprek met mijn Belgische collega’s, de Belgische Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en Noordzee, om op alle niveaus de samenwerking te verstevigen. Criminelen trekken zich niets aan van landsgrenzen en dus moeten landen een gezamenlijk front vormen tegen illegale drugssmokkel. Dit doe ik niet alleen met België, ik zet tevens in op het verstevigen van de samenwerking met andere landen, zowel in Europa als daarbuiten. Specifiek met België heeft de Nederlandse Douane bijvoorbeeld een samenwerkingsovereenkomst met de Belgische Douane op basis waarvan onder meer informatie-uitwisseling plaatsvindt over drugssmokkel. De samenwerking zal op korte termijn verder worden geïntensiveerd door het plaatsen van een operationeel risico-analist van de Nederlandse Douane bij de Belgische Douane. Een ander terrein waarbij Nederland en België al nauw samenwerken betreft de ontwikkeling van Artificial Intelligence als het gaat om de analyse van scanbeelden van containers, zodat veel makkelijker en sneller opgemerkt kan worden of er sprake is van bijvoorbeeld de aanwezigheid van cocaïne.
Hoe kijkt u aan tegen de suggestie van Fijnaut om een gemeenschappelijk politie- en douanecentrum op het grensgebied van Nederland en België op te richten? Kunt u de eventuele belemmeringen voor en de voordelen van een centrum schetsen?
Het is belangrijk dat de organisaties die verantwoordelijk zijn voor opsporing, vervolging en handhaving in staat zijn hun werkzaamheden ook op grensoverschrijdend vlak te vervullen en ik wil daarbij inspelen op hun behoeften. Het heeft de voorkeur van de operationele ketenpartners om bestaande waardevolle vormen van samenwerking waar nodig te verbeteren en te intensiveren, in plaats van een nieuwe vorm te introduceren met risico’s voor duplicatie in werkzaamheden, informatiedeling en extra inzet van personele capaciteit en aanvullende kosten.
Er gebeurt veel op het gebied van internationale samenwerking in de grensregio en om die samenwerking te ondersteunen zijn structuren en voorzieningen reeds aanwezig. Bij deze bestaande internationale samenwerkingsstructuren moet gedacht worden aan de volgende bilaterale activiteiten: de aanwezigheid van liaisons in beide landen, nauwe samenwerking tussen politie-eenheden in de grensregio’s met hun Belgische collega’s, evenals goede structurele samenwerking tussen de Koninklijke Marechaussee met hun Belgische en Duitse partners en de intensievere samenwerking in en tussen de havens van beide landen ook op handhaving en opsporing. Ook trekt de Nederlandse Douane samen op met de Belgische Douane in de aanpak van georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Zo is er een gezamenlijk reis geweest naar Zuid-Amerika, en is er een nauwe samenwerking tussen de liaisons en worden gezamenlijke acties uitgevoerd met behulp van de inzet van een analist in Antwerpen. Verder is er sprake van samenwerking binnen de volgende internationale verbanden: de hechte bilaterale en Europese samenwerking tussen douaneautoriteiten in de douane-unie én de Benelux- en Hazeldonk-samenwerkingsstructuren, inclusief de mogelijkheden die het nog in werking te treden Benelux politieverdrag zal bieden. Ook de intensieve samenwerking tussen beide landen in EU-verband, via het zogenoemde EMPACT-instrument, zorgt ervoor dat multidisciplinair grote opsporingsonderzoeken en controleacties worden uitgevoerd, ondersteund door EU-agentschappen zoals Europol en Eurojust. Beide landen maken via landendesks integraal deel uit van deze agentschappen. Ook maken de samenwerkingen in INTERPOL-verband deel uit van de reeks intensieve samenwerkingsverbanden.
Gelet op de bijzondere geografische situatie van Limburg is bovendien sprake van de samenwerkingsstructuur EPICC tussen België, Duitsland en Nederland. Nederlandse bijdragen aan EPICC- werkzaamheden vinden plaats via het Nederlandse Internationale Rechtshulpcentrum Limburg. Vanuit de Nederlandse politie wordt ook bijgedragen aan de potentiële doorontwikkelingsmogelijkheden van het EPICC. Samen met de operationele partners blijven we dus kijken naar hoe de bestaande samenwerking verder kan worden versterkt.
Kunt u tevens ingaan op de suggestie om een joint investigations teams (JIT) op te richten? Leent de aanpak van (bepaalde zaken binnen) de georganiseerde drugscriminaliteit zich volgens u voor het oprichten van een JIT?
Op basis van EU-wetgeving en die van de Raad van Europa kunnen zogenoemde Joint Investigation Teams (JIT’s) worden opgericht met als doel de samenwerking tussen autoriteiten te bevorderen wanneer onderzoeken in landen lopen. Deze teams, waarin de informatiedeling en samenwerking op basis van een gezamenlijk vastgesteld kader wordt vergemakkelijkt, zijn nuttig en belangrijk. Het gebruik van dit instrument onderschrijf ik van harte en vindt in de praktijk veel plaats.
De oprichting van en uitvoering door de teams wordt ondersteund door de nationale JIT-experts en kan voorts ook (financieel) ondersteund worden door Europol en Eurojust. Al jaren neemt Nederland deel aan Joint Investigation Teams met verschillende landen en in opsporingsonderzoeken gericht tegen criminele fenomenen. Zo zijn de grote onderzoeken waar Nederland aan deelneemt in verband met de onderschepping van versleutelde berichten van criminelen bij Sky ECC en Encrochat opgezet met behulp van een JIT. Voor onderzoeken verbonden aan Encrochat is een JIT opgericht door Nederland, België en Frankrijk. Ook operatie Pollino in 2018, gericht op de Italiaanse maffiaorganisatie Ndrangheta, vloeide voort uit een Joint Investigation Team, waarin Nederland, Italië, Duitsland, België en Luxemburg samenwerkten.2 In 2021 ondersteunde Eurojust 21 JIT’s waaraan Nederland deelnam.
De samenwerking binnen JIT’s is dus een belangrijk instrument in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Het is echter niet het enige instrument. Daarom is belangrijk dat elke situatie afzonderlijk bekeken wordt en het OM als gezag eigenstandig een afweging maakt of een JIT meerwaarde kan bieden. In die afweging wordt ook rekening gehouden dat andere samenwerkingsmogelijkheden en instrumenten beschikbaar zijn.
Kunt u nader toelichten hoe de samenwerking tussen Nederland en België in het project Fortius in de haven van Antwerpen functioneert?
Het project Fortius, een samenwerkingsverband tussen de Belgische en Nederlandse diensten, is specifiek gericht op het tegengaan van drugssmokkel die via de Antwerpse haven Nederland binnenkomt. Vanuit dit project is er een Quick Response Unit gestart, die een goede start heeft gemaakt met verschillende aanhoudingen en cocaïnevangsten. Dit succes is te danken aan de goede samenwerking tussen de Nederlandse autoriteiten met de Belgische; het Federaal Parket, de Federaal Gerechtelijke Politie Antwerpen en de Belgische Douane. Door de nauwe samenwerking binnen het project is het mogelijk om sneller informatie uit te wisselen, wat leidt tot een vergroot zicht op en inzicht in criminele organisatiestructuren. De samenwerking tussen de politie en de bijzondere opsporingsdiensten levert bovendien een breder palet aan interventiemogelijkheden op. Daarom ben ik blij met de komst van dit samenwerkingsproject en zie ik uit naar de verdere resultaten.
Kunt u toelichten of de vier doelstellingen die u formuleert in de «Toekomstagenda internationaal offensief tegen georganiseerde criminaliteit» ook gekoppeld worden aan meetbare indicatoren, en zo ja welke?2
Zoals uiteengezet in de Najaarsbrief georganiseerde criminaliteit die in de eerste week van november naar uw Kamer is gestuurd, wordt uw Kamer in 2023 nader geïnformeerd over de beoogde prestaties, beleidsinstrumenten, financiële gevolgen, doelmatigheid en doeltreffendheid van de investeringen die worden gedaan met de coalitieakkoordgelden. Dit is conform de werkwijze zoals vastgesteld in artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet (CW3.1). Deze prestaties worden voor de internationale aanpak gekoppeld aan de doelstellingen van de Toekomstagenda Internationaal Offensief.
Kunt u toelichten hoe het staat met het voornemen om het netwerk van liaison officers uit te breiden?
Vanuit de op Prinsjesdag 2021 vrijgekomen middelen worden er in verschillende landen in de wereld liaison officers (LO’s) geplaatst. Doel van deze plaatsingen is het versterken van de (gezamenlijke) informatie- en samenwerkingspositie in en met andere landen. Bij de plaatsing van LO’s wordt afgewogen in welke landen een dergelijke plaatsing naar verwachting het meeste effect sorteert en wordt ook gekeken hoe LO’s van verschillende organisaties elkaar kunnen helpen en versterken. Het gaat in Latijns-Amerika bijvoorbeeld om de plaatsing van een LO van de politie met als taakaccent haven en LO’s van de Kustwacht CARIB en Koninklijke Marechaussee (KMar). De Douane zal met aan haar toegekende gelden een aantal liaisons voor specifieke transitlanden gaan werven, zoals Panama. Ook in Suriname, Curaçao en Washington is plaatsing van Douane-liaisons voorzien. Tot slot breidt het Openbaar Ministerie (OM) eveneens haar magistratennetwerk uit in verschillende landen.
Overigens wordt er niet alleen ingezet op uitbreiding van het netwerk van liaisons, maar ook op uitbreiding van de juridische basis om gemakkelijker en sneller informatie uit te wisselen tussen Nederland en de autoriteiten in de regio. Onder meer de Douane voert in dat kader gesprekken met haar collega-diensten in meerdere landen in Latijns Amerika. Daarnaast wordt er ook gekeken naar mogelijkheden om meer aan training en opleiding te doen van de betreffende douanediensten.
Kunt u toelichten hoe het staat met het voornemen om vanuit Caribisch Nederland de operationele samenwerking met de maritieme autoriteiten in Colombia te versterken?
Er wordt op verschillende niveaus gesproken tussen de Colombiaanse autoriteiten en Defensie/Kustwacht Caribisch gebied om invulling te geven aan het voornemen om de samenwerking met betrekking tot maritieme drugsbestrijding voor het gehele Caribische deel van het Koninkrijk te verstevigen. In de zomer heeft de Commandant Zeemacht Caribisch gebied, tevens Directeur Kustwacht Caribisch gebied, een werkbezoek gebracht aan Cartagena (Colombia), waarbij een protocol voor informatie-uitwisseling en operationele samenwerking is getekend. Op werkniveau wordt geïnventariseerd wat de wederzijdse behoeften zijn op het gebied van analyse en informatiedeling en welke capaciteiten daarin kunnen voorzien.
Deelt u de analyse van Fijnaut dat de uitgangspunten er zijn «voor een serieus Europees gesprek over legalisering» van cannabis in de Europese Unie (EU)? Bent u bereid zich binnen de EU in te spannen voor de legalisering van cannabis?
Ik stel een beleid voor dat gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten. Gedurende het experiment gesloten coffeeshopketen wordt daarom wetenschappelijk onderzocht of een gesloten coffeeshopketen kan worden gerealiseerd en wat de effecten zijn op de openbare orde, veiligheid, overlast en volksgezondheid. Het is goed om over deze zaken en over het juridisch kader, de mogelijkheden en onmogelijkheden daarvan, serieus in gesprek te zijn met partners in de EU, maar het zou voorbarig zijn om al conclusies te trekken voordat deze inzichten geïnventariseerd en breed gesteund zijn.
Deelt u de mening dat naast de directe aanpak van drugscriminaliteit middels de aanpak van drugssmokkel, deze criminelen alleen effectief kunnen worden bestreden als we ook achter hun geld aan gaan?
Ja, die mening deel ik. Ons land is helaas een cruciale spil in de wereldwijde drugshandel. Dat waar we op andere momenten zo trots op zijn, onze open economie en onze uitstekende (digitale) infrastructuur, werkt hier fors tegen ons. Want ook criminelen maken hier dankbaar misbruik van. Het is daarom van belang de cruciale rol van Nederland op het wereldtoneel als drugshandels- en productieland te verstoren en doorbreken. Als er minder kan worden verdiend, wordt misdaad minder aantrekkelijk. Financieel gewin is immers hét onderliggende motief van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Het crimineel verdienmodel zie ik dan ook als een essentieel aanknopingspunt voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Mijn doel is om het criminele verdienmodel te verstoren en criminele geldstromen terug te dringen. Want geld vormt, naast de aantrekkingskracht, ook het machtsmiddel van criminelen.
Wat is de stand van zaken van het wetsvoorstel versterking aanpak ondermijnende criminaliteit? Kunt u in het bijzonder ingaan op de regeling non conviction based confiscation (NCBC), waarmee de mogelijkheden om criminele goederen te confisqueren verbreed moeten worden?
Het conceptwetsvoorstel versterking aanpak ondermijnende criminaliteit II wordt binnenkort voor advies voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Daarnaast is een wettelijke regeling voor «non conviction based confiscation» (wetsvoorstel confiscatie criminele goederen) in voorbereiding. Dit betreft een civielrechtelijke procedure voor de confiscatie van waardevolle goederen met een criminele herkomst. Het doel is deze goederen uit de maatschappij te halen, zodat deze niet (meer) kunnen worden ingezet voor het plegen van nieuwe strafbare feiten en misdaad, ook als er geen verdachte voor een specifiek strafbaar feit wordt veroordeeld. Ook dit wetsvoorstel wordt binnenkort voor advies voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State.
Kunt u bevestigen dat er voldoende capaciteit beschikbaar is bij de politie en het Openbaar Ministerie om straks uitvoering te geven aan de NCBC-wetgeving?
Voor de dekking van de geraamde uitvoeringskosten die zijn verbonden aan de implementatie en uitvoering van de procedure NCBC zijn reeds financiële middelen beschikbaar gesteld uit de € 25 mln. voor de aanpak van criminele geldstromen. Deze middelen maken onderdeel uit van de Ondermijningsmiddelen die bij Ontwerpbegroting 2022 (Prinsjesdag 2021) door het kabinet structureel beschikbaar zijn gesteld. Hiermee is geborgd dat er voldoende financiële middelen zijn voor de capaciteit bij onder meer het Openbaar Ministerie die benodigd is voor de uitvoering van de NCBC-wetgeving. In de voorbereiding van de implementatie zal aandacht worden besteed aan het tijdig gereed hebben van de personele capaciteitsuitbreidingen bij de betrokken organisaties, mede in samenhang met de krapte op de arbeidsmarkt en de eventueel noodzakelijke opleidingen voorafgaand aan de operationele inzetbaarheid.
Welke maatregelen neemt u om het zicht te vergoten op crimineel vermogen dat buiten de formele financiële sector blijft en meteen verdwijnt in het criminele betalingsverkeer? Wie heeft de regie over de bestrijding van witwassen van crimineel vermogen dat is vergaard middels drugssmokkel? Hoe verschilt dat van een situatie waarin een deel van het vermogen in Nederland en een deel in België is vergaard of zich bevindt?
Uw Kamer is onlangs in de technische briefing geïnformeerd over de aanpak van criminele geldstromen. Een van de uitdagingen die daar belicht is, is dat criminele geldstromen steeds meer buiten het legale financiële stelsel blijven en meteen verdwijnen in het criminele betalingsverkeer. Daarom is het – naast het voorkomen van witwassen – van belang om meer zicht te krijgen op ondergronds bankieren en het terug te dringen. Om dit te bereiken, werken op zowel internationaal, landelijk als op regionaal en lokaal niveau verschillende (overheids-)partijen samen om het fenomeen ondergronds bankieren aan te pakken. De Politie (meer specifiek de Dienst Landelijke Recherche) en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie hebben binnen de Taskforce Underground Banking een systeemaanpak ontwikkeld voor het bestrijden van de meest ondermijnende criminele ondergronds bankiersnetwerken. Ook de Serious Crime Taskforce, de Fintell Alliance en de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIECs) zijn actief op dit thema.
Daarnaast is het voorkomen en bestrijden van ondergronds bankieren benoemd als één van de vervolgacties in de beleidsagenda aanpak witwassen. Deze vervolgacties worden de komende periode met verschillende publieke en private partners uitgewerkt.4 Omdat het criminele betalingsverkeer bij uitstek een internationaal fenomeen is, vraagt Nederland op internationaal en Europees niveau aandacht voor dit onderwerp en is ons land nauw betrokken bij internationale en Europese initiatieven die als doel hebben de kennis over en het optreden tegen ondergronds bankieren te versterken. Gebleken is dat er ook binnen Nederland behoefte is aan meer inzicht in het fenomeen ondergronds bankieren en hoe symptomen hiervan herkend kunnen worden. Het WODC verricht daarom onderzoek hiernaar.5
Het blijft daarnaast van belang om ervoor te zorgen dat crimineel vermogen ons legale financiële stelsel niet kan vervuilen en niet kan worden witgewassen. Voor een effectieve aanpak van witwassen van crimineel vermogen zet het kabinet zowel in op het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen als op het bestrijden van witwassen. Hierbij benadruk ik dat het voorkomen en bestrijden van witwassen een gezamenlijke opgave is van zowel kabinet als publieke en private partijen. Bij de aanpak van witwassen zijn dan ook verschillende partijen betrokken, ieder met hun eigen taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Er is daarbij geen sprake van één regiehouder, samenwerking tussen partijen (publiek-publiek, publiek-privaat en privaat-privaat) blijft van cruciaal belang om de effectiviteit van de aanpak van witwassen verder te verbeteren. Dit is neergelegd in de hiervoor genoemde beleidsagenda aanpak witwassen, die de Minister van Financiën en ik op 13 september jl. aan uw Kamer hebben toegestuurd.
Voorgaande geldt op nationaal, en ook op internationaal niveau. In het geval dat het crimineel vermogen deels in Nederland en België is vergaard of zich daar bevindt, wordt samengewerkt tussen de betrokken autoriteiten. Ook is het bestrijden van het witwassen van crimineel vermogen onderdeel van de coalitie van Europese landen in de strijd tegen zware en georganiseerde misdaad, waar Nederland en België beide deel van uitmaken.6
Erkent u dat het herkennen van financiële geldstromen van criminelen van belang is om drugssmokkel te bestrijden? Hoeveel signalen van witwassen zijn in 2021 opgepakt door de Financial Intelligence Unit (FIU) en hoeveel daarvan leidde tot een verdenking van drugssmokkel? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal signalen van financiële instellingen dat naar de FIU is gestuurd?
Een goede informatiepositie over de met de drugsproductie en drugshandel samenhangende criminele financiële geldstromen is van cruciaal belang in de aanpak ervan.
Als een transactie aanleiding geeft om te veronderstellen dat deze verband kan houden met witwassen, de onderliggende delicten, waaronder drugsgerelateerde misdrijven, of het financieren van terrorisme, moet de transactie worden gemeld bij de FIU-Nederland. FIU-Nederland analyseert de ontvangen ongebruikelijke transacties en verklaart deze ongebruikelijke transacties al dan niet verdacht. De verdacht verklaarde transacties worden door de FIU-Nederland gebundeld in dossiers en ter beschikking gesteld aan de (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In 2021 zijn ruim 1,2 miljoen ongebruikelijke transacties gemeld door meldingsplichtige instellingen. De FIU-Nederland verklaarde in 2021 96.676 transacties verdacht, gebundeld in 18.238 dossiers, die allemaal ter beschikking zijn gesteld aan de (bijzondere) opsporingsdiensten.7 De verdacht verklaarde transacties in 2021 kunnen ook betrekking hebben op gemelde ongebruikelijke transacties uit voorgaande jaren.
Indien uit eigen analyse door de FIU-Nederland blijkt dat er een verband is met een onderliggend delict, dan kent FIU-Nederland delictsvormen toe aan haar dossiers. Zo heeft FIU-Nederland in 2021 aan 223 dossiers (2.940 transacties) een delictsvorm in relatie tot drugscriminaliteit toegekend. Hierbij wordt door de FIU-Nederland opgemerkt dat de toekenning van een delictsvorm niet uitsluit dat ook andere dossiers raakvlakken hebben met drugscriminaliteit.
Om beter zicht te krijgen op het gebruik en de bruikbaarheid van door de FIU-Nederland verdacht verklaarde transacties binnen de opsporing is een verbetertraject gestart door FIU-Nederland, FIOD, politie en OM. Dit zal ook resulteren in een betere terugkoppeling aan meldingsplichtige instellingen, oftewel het vergroten van de feedbackloop van publieke naar private partijen.
Bent u bereid ook op vlak internationale politiesamenwerking te intensiveren, om de kans te vergroten verdachten transacties op te merken en deze sneller gevolg te geven? Kan Nederland een leidende rol nemen in het vormen van dergelijke internationale allianties?
Internationale samenwerking is van cruciaal belang bij het herkennen van financiële geldstromen en de aanpak van georganiseerde, ondermijnende (drugs)criminaliteit. Nederland neemt reeds een leidende rol in het vormen van internationale allianties om de aanpak van criminele geldstromen verder te versterken. Een voorbeeld hiervan is de coalitie die gesloten is met België, Frankrijk, Spanje, Duitsland en Italië om samen op te trekken in de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit. Het verstoren van criminele verdienmodellen is een essentieel onderdeel van het actieplan dat als onderdeel van deze coalitie is vastgesteld.
Een ander voorbeeld van nauwe internationale samenwerking is de samenwerking tussen FIU’s wereldwijd binnen de mondiale Egmont Group of FIU’s en het Europese FIU.net, waarin FIU-Nederland een leidende rol speelt. FIU-Nederland deelt spontaan en op verzoek informatie binnen dit internationale FIU-netwerk. Ook worden gezamenlijke initiatieven opgepakt binnen de Egmont Group of FIU’s en het EU FIU Platform. De Egmont Group biedt FIU’s een veilig platform voor het uitwisselen van expertise en financiële inlichtingen om witwassen, daaraan gerelateerde gronddelicten (waaronder drugscriminaliteit) en terrorisme financiering te bestrijden.
Als ongebruikelijke transacties bij de FIU-Nederland worden gemeld door meldingsplichtige instellingen dan is het aan het hoofd van de FIU-Nederland om deze na nadere analyse al dan niet verdacht te verklaren. De verdacht verklaarde transacties worden, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 14, door de FIU-Nederland aan diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten verstrekt die vervolgens, afhankelijk van de zaak, samenwerking kunnen zoeken met hun buitenlandse partners.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermenging van criminele gelden met de legale economie, als onderdeel van het weerbare openbaar bestuur, samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zou moeten worden opgepakt? Zo, nee, waarom niet? Zo, ja, hoe gaat u dit vorm geven?
Het voorkomen van deze ondermijnende vermenging raakt veel domeinen binnen onze maatschappij die om tegenwicht vanuit een kabinetsbrede inzet vragen. Daarom slaan we als kabinet nadrukkelijk de handen ineen. Om vermenging tussen onder- en bovenwereld tegen te gaan, is gezamenlijke versterking van de weerbaarheid van private en publieke sectoren nodig, waaronder die van het openbaar bestuur. Samenwerking met andere ministeries vindt in verschillende vormen plaats, zoals in de Ministeriële Commissie Aanpak Ondermijning (MCAO), waaraan ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties deelneemt. In de Najaarsbrief bent u geïnformeerd over de kabinetsbrede aanpak en het werkprogramma dat daarbij hoort.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het commissiedebat Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van 10 november a.s. beantwoorden?
Ik beantwoord deze vragen nominaal binnen de gebruikelijke termijnen.