De effectiviteit en handhaafbaarheid van contact- en locatieverboden, met name in digitale context |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat slachtoffers, ondanks een opgelegd contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarde of beschermingsmaatregel (artikel 38v Wetboek van Strafrecht), toch digitaal worden belaagd via bijvoorbeeld sociale media dan wel whatsapp?
Ja.
Beschikt u over cijfers over de mate waarin contact- en locatieverboden digitaal worden overtreden, en welke gevolgen dit heeft voor de veiligheid en gemoedsrust van slachtoffers?
Nee, zowel de politie als de reclassering beschikken niet over deze cijfers. De reclassering heeft wel inzicht in het aantal overtredingen van contact- en locatieverboden, maar daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen fysieke en digitale overtredingen. Wij realiseren ons dat als een contact- of locatieverbod wordt overtreden dit ingrijpend kan zijn voor slachtoffers. Het kan invloed hebben op het gevoel van veiligheid en privacy en slachtoffers kunnen zich beperkt voelen in hun vrijheid en veiligheid. Het is van belang om altijd melding te maken bij de politie bij overtreding van het contact- of locatieverbod. Op deze wijze kan worden bezien of en welke verdere maatregelen genomen kunnen worden. De politie heeft bevoegdheden om op te treden.
Klopt het dat de politie in dergelijke gevallen vaak geen bevoegdheid heeft om te onderzoeken wie achter een anoniem of vals nummer of social media account zit, ook als het aannemelijk is dat dit nummer dan wel account wordt gebruikt om het contactverbod te omzeilen?
De opsporingsambtenaar en de officier van justitie hebben bevoegdheden om te onderzoeken wie achter een digitaal account zit. Wanneer de overtreding van het opgelegde verbod tevens een (verdenking van een) nieuw strafbaar feit oplevert – bijvoorbeeld stalking (artikel 285b Wetboek van Strafrecht) – dan kan in voorkomende gevallen een bevel tot verstrekking van gegevens worden gericht aan een aanbieder van een communicatiedienst op grond van artikel 126n (verkeers- en locatiegegevens), artikel 126na, eerste lid (identificerende gegevens) of artikel 126ng (andersoortige gegevens) van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Indien de overtreding van het verbod geen nieuw strafbaar feit oplevert, dan kan artikel 6:3:14, vijfde lid, Sv een grondslag bieden om gegevens op te vragen. Deze bepaling geeft de officier van justitie de bevoegdheid om – indien dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor het toezicht op de naleving van een opgelegd verbod – tot eenieder een vordering te richten om inlichtingen te verstrekken. Indien een slachtoffer bijvoorbeeld wordt benaderd door een digitaal account en er aanwijzingen zijn dat dit account wordt gebruikt door degene aan wie in relatie tot het slachtoffer een contactverbod is opgelegd, dan kan het opvragen van gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van dat contactverbod.
Zo ja, deelt u de mening dat dit de werking en bescherming van contact- en locatieverboden ernstig ondermijnt, omdat digitale communicatie een steeds groter aandeel heeft in belaging en intimidatie? Zo nee, welke bevoegdheid heeft de politie dan wel om dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het risico op secundaire victimisatie wanneer een slachtoffer keer op keer opnieuw aangifte moet doen, zonder dat duidelijk is of de overtreding van het verbod effectief kan worden onderzocht en gehandhaafd?
In geval van een herhaalde overtreding van een locatie- of contactverbod kan na een eerste aangifte bij de politie, worden volstaan met een melding van iedere overtreding. Zoals in het antwoord op vraag 2 is opgemerkt blijft het van belang om steeds melding bij de politie te doen zodat bij voldoende bewijs een nieuw strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Wij beseffen dat dit voor slachtoffers belastend kan zijn. Daarom kunnenslachtoffers die dit wensen gebruik maken van de gratis hulp en ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland (SHN). Indien meer gespecialiseerde hulp nodig is, wordt een slachtoffer door SHN doorverwezen naar gespecialiseerde instanties. Ook hebben slachtoffers van stalking recht op een gratis slachtofferadvocaat. Daarnaast kunnen slachtoffers gebruikmaken van het meldpunt Helpwanted van de stichting Offlimits.
Naar aanleiding van aanbevelingen van de Inspectie Justitie en Veiligheid zijn ontwikkelingen op het gebied van beter contact met en ondersteuning voor slachtoffers van (ex-)partnerstalking in gang gezet. Bij de politie wordt ingezet op het goed organiseren van interne casusregie: elk basisteam moet minimaal twee casusregisseurs stalking hebben die bij gemiddelde en hoog risico stalkingscasuïstiek regie voeren. Daarbij hoort ook het zicht houden op overtredingen van (online) locatie-en gebiedsverboden. Ook wordt breder dan alleen bij de politie ingezet op een beter contact met en begeleiding van slachtoffers van (ex-)partnerstalking, omdat dit niet enkel een verantwoordelijkheid van de politie is. Dit gebeurt verder met betrokken organisaties zoals het Openbaar Ministerie, Veilig Thuis en SHN samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid Welzijn en Sport. Bij dit verbetertraject wordt onder meer ook de expertise vanuit de advocatuur benut.
Welke mogelijkheden bestaan er voor slachtoffers om bij overtreding van een contact- of locatieverbod via digitale kanalen effectieve bescherming af te dwingen?
Een contactverbod omvat elke vorm van contact. Dit betekent dat ook digitaal contact niet is toegestaan als een contact- of locatieverbod is opgelegd. Het CJIB zet opgelegde contact- en locatieverboden uit bij de reclassering indien de veroordeelde een enkelband opgelegd heeft gekregen of de politie als er geen enkelband is opgelegd. Bij het overtreden van het contactverbod is het van belang dat het slachtoffer bij de politie melding doet van overtreding van het contact of locatieverbod. Door de politie moet dan worden geconstateerd dat sprake is van een overtreding door de veroordeelde. Daarnaast kan het slachtoffer bij de website en de social media-platforms waar het contact is ontstaan melding maken van de cyberstalker. Het is zaak de stalker overal te blokkeren. Op www.helpwanted.nl/onderwerpen/cyberstalking staan handleidingen per social-mediaplatform. Ook staan op de site van SHN veel tips ter beveiliging en bescherming bij stalking. Het slachtoffer dient zoveel als mogelijk screenshots en bewijs te verzamelen van hoe de cyberstalker te werk gaat. Tevens is op de site van de politie (Brochures over stalking | politie.nl) een brochure beschikbaar wat een slachtoffer bij stalking kan doen en welke online veiligheidsmaatregelen er getroffen kunnen worden. Deze brochure is in diverse talen beschikbaar.
Acht u het nodig dat wetgeving of de uitvoering daarvan moet worden aangepast, zodat opsporingsinstanties wanneer er sprake is van een opgelegd verbod door de strafrechter, wel de mogelijkheid krijgen om in dit soort zaken de herkomst van digitale accounts te achterhalen? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De politie ervaart in de praktijk soms een gebrek aan bevoegdheden of mogelijkheden om te komen tot inzet daarvan, met name als er gebruik wordt gemaakt van anonieme social media-accounts of onbekende telefoonnummers. Het is belangrijk dat opgelegde verboden gehandhaafd worden en dat het daarvoor in voorkomende gevallen van belang kan zijn dat de herkomst van digitale accounts kan worden achterhaald. Daarom zal de Minister van Justitie en Veiligheid de komende periode in afstemming met de betrokken organisaties verkennen of de hiervoor beschreven bevoegdheden daarvoor volstaan of dat aanvullende beleidsmatige of wetgevende maatregelen nodig zijn.
Wat kunnen de politie en het Openbaar Ministerie (OM) nog meer doen om digitale contact- en locatieverboden beter te handhaven? Bent u bereid hierover met de politie en het OM in overleg te treden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke verantwoordelijkheid hebben de sociale mediaplatforms om dit probleem te adresseren en slachtoffers daadwerkelijk te beschermen? Nemen de social mediaplatforms deze verantwoordelijkheid serieus genoeg? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe gaat u er voor zorgen dat zij die verantwoordelijkheid serieuzer gaan nemen?
Sociale mediaplatforms zijn verplicht om te acteren op grond van de Digital Services Act zodra zij weet hebben van cyberstalking. Daarom is het verstandig om naast aangifte bij de politie, die vooral belast is met het optreden na schending van een contactverbod, ook een melding te doen bij de relevante online platformen in geval van cyberstalking. De Autoriteit Consument en Markt is primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Digital Services Act in Nederland. De grootste online platformen vallen onder het toezicht van de Europese Commissie. Mogelijke interventies die de platformen kunnen doen zijn het account van het slachtoffer onbereikbaar maken voor de dader of het schorsen van het account van de dader. Het slachtoffer kan zelf een account van een dader blokkeren zodat berichten van de dader niet meer bij het slachtoffer aan kunnen komen. Daarnaast kan een slachtoffer zijn of haar account afschermen zodat de dader niet via een nieuw account contact kan leggen. Dit kan door het eigen account op «privé» of «alleen voor vrienden/contacten» te zetten.
Onveilige plekken voor vrouwen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer en het Algemeen Dagblad waaruit blijkt dat meldingen en aangiftes van vrouwen over onveilige plekken vaak zonder opvolging blijven?1
Ja.
Wat is uw verklaring voor het feit dat slechts een minderheid van de meldingen en aangiftes leidt tot actie door politie of gemeente?
Het is van groot belang dat meldingen en aangiftes bij de politie of gemeenten over onveilige situaties of plekken adequate opvolging krijgen. Afhankelijk van de aard van de onveiligheid kunnen mensen zich melden bij de gemeente, als het gaat om de inrichting van openbare plekken, of de politie, als het gaat om veiligheidsincidenten. Zowel gemeenten als politie nemen dit uiterst serieus. Ik herken me dan ook niet in het beeld dat gemeenten en politie weinig opvolging geven aan meldingen of aangiften. Alle meldingen en aangiften worden bewaard en waar mogelijk zal er een terugkoppeling worden gegeven. Er zijn echter verschillende verklaringen waarom niet alle meldingen en aangiftes leiden tot directe actie.
Verschillende (grote) gemeenten geven prioriteit aan de veiligheid in de openbare ruimte. Meldingen die bij de gemeente worden gedaan over een onveilige inrichting van de openbare ruimte leiden niet altijd automatisch tot aanpassing van de openbare ruimte. Per situatie beziet de gemeente welke maatregelen passend en haalbaar zijn. Hoewel niet iedere melding direct leidt tot aanpassingen, tellen alle meldingen mee en worden er soms naar verloop van tijd, als er meer meldingen binnenkomen, alsnog maatregelen genomen. Helaas wordt de veiligheid(sbeleving) niet altijd op iedere plek significant beter door maatregelen in de omgeving of door meer (sociaal) toezicht. Daarnaast is het niet altijd mogelijk om contact te zoeken met de melder of naderhand een terugkoppeling te geven, bijvoorbeeld als een melding weinig informatie bevat en/of anoniem is.
Als vrouwen, of wie dan ook, een veiligheidsincident bij de politie melden en er sprake is van een strafbaar feit dan kan hiervan altijd aangifte worden gedaan. De keuze is aan het slachtoffer. Voor het starten van een opsporingsonderzoek door de politie is het van belang dat hiervoor voldoende aanknopingspunten zijn. Bovendien speelt bij de opvolging van een aangifte ook een rol dat opsporingscapaciteit beperkt is, wat het noodzakelijk maakt om keuzes te maken in welke onderzoeken door de politie worden opgepakt. Deze keuze wordt onderbouwd gemaakt door de officier van justitie, als bevoegd gezag over de opsporing.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat meldingen en aangiftes van vrouwen structureel serieuzer en sneller worden opgepakt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, nemen gemeenten en de politie meldingen over de onveiligheid van vrouwen, of wie dan ook, uiterst serieus. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) brengt samen met enkele gemeenten in kaart wat eventuele knelpunten zijn die gemeenten ervaren bij de aanpak van dit thema. Daarbij onderzoeken zij ook hoe de VNG gemeenten het beste kan ondersteunen bij het verbeteren van signalering, opvolging en samenwerking met politie en ketenpartners. Het signaal dat meldingen van vrouwen niet altijd adequaat worden opgevolgd, wordt nadrukkelijk meegenomen mee in deze inventarisatie.
Als het gaat om meldingen van seksuele misdrijven is door de politie de afgelopen jaren flink ingezet op het verbeteren van de manier waarop zij omgaat met slachtoffers. De politie is daardoor steeds meer en beter in staat om te kijken naar de behoefte van een slachtoffer. Die behoefte ligt niet altijd in het strafrecht, maar kan ook liggen in een vorm van hulpverlening of bijvoorbeeld herstel. Door nauwe samenwerking met ketenpartners is de politie beter in staat sneller een passende interventie in te schakelen, die beter aan de behoefte van een slachtoffer voldoet; ook als strafrecht geen optie blijkt te zijn. Als er aangifte wordt gedaan van een seksueel misdrijf zullen de politie en het Openbaar Ministerie (OM) deze aangifte samen beoordelen aan de hand van een sturingsmodel, waarbij op basis van vaststaande criteria zaken geprioriteerd worden. Verder wordt er door de organisaties in de strafrechtketen gewerkt aan het verkorten van de doorlooptijden in zedenzaken. Voor de politie geldt dat de doorlooptijd van aangifte bij de politie tot inzending van het strafdossier bij het OM in 2024 gelijk is gebleven, terwijl de instroom van zedenzaken in dat jaar met 8% is toegenomen ten opzichte van het voorgaande jaar. Over de doorlooptijden in de strafrechtketen wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsbrief over de strafrechtketen en de bijbehorende factsheet.2
Tot slot wordt er momenteel gewerkt aan de implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn (EU) 2024/1385). Hiermee wordt het mogelijk dat vrouwen (ook) laagdrempelig online een aangifte kunnen doen van (huiselijk) geweld en hier geen fysieke afspraak voor hoeft te worden gemaakt. De wetgeving hierover wordt op 1 juli 2027 van kracht. Ik verwijs u graag ook naar het antwoord op vraag 8.
Hoe komt het dat vrouwen bij de gemeente nog minder vaak een terugkoppeling ontvangen dan bij de politie?
Zoals hierboven beschreven, zal de VNG dit onderzoeken, waarbij ook in kaart wordt gebracht hoe gemeenten hierin ondersteund kunnen worden. Iedere gemeente heeft haar eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de inrichting van de openbare ruimte en het veilig maken en houden hiervan. Het is essentieel dat alle gemeenten zich inzetten voor een serieuze behandeling van meldingen over onveilige openbare ruimte en passende maatregelen nemen binnen deze verantwoordelijkheden.
Bent u bereid samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten na te gaan hoe door alle gemeenten dit verbeterd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben de VNG erkentelijk dat zij bereid is een rol te spelen in de aanpak hiervan. We zullen samen optrekken om, waar nodig, de opvolging van meldingen te verbeteren.
Deelt u de mening dat het argument dat maatregelen om plekken veiliger te maken «te duur» zijn, niet opweegt tegen het feit dat vrouwen zich onveilig voelen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is onwenselijk dat financiële overwegingen zwaarder wegen dan de noodzaak om vrouwen zich veilig te laten voelen en zijn in publieke ruimtes. Door op een goede manier te investeren in de publieke ruimte kan dit ook kosten op de lange termijn voorkomen. Ook de concept-nota Ruimte van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening benoemt dat de publieke ruimte sociaal veilig en toegankelijk dient te zijn, juist ook voor kwetsbare groepen.
De inrichting van de openbare ruimte is de taak van gemeenten. Het is daarmee aan de gemeenten om deze afweging te maken. Ik zet me op verschillende manieren in om kennis hierover te delen en gemeenten te stimuleren actief aan de slag te gaan met de veilige inrichting van de openbare ruimte. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Wat is het tekort nu en het verwachte tekort aan capaciteit bij de politie om meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan wel zedendelicten tijdig en goed te behandelen? Welke acties worden hiertoe genomen?
De teams seksuele misdrijven zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven.3 Op 31 augustus 2025 is de formatie van deze teams 710 fte en de bezetting 664 fte. Daarmee is er sprake van een onderbezetting van 46 fte.
De afgelopen jaren is de formatie van deze teams flink uitgebreid. Hoewel het is gelukt om extra capaciteit voor de teams seksuele misdrijven te werven, zie ik dat het onder andere door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt momenteel een grote uitdaging is om de bezetting op peil te houden. In het halfjaarbericht politie wordt uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd over de capaciteit van de teams seksuele misdrijven en de maatregelen om de werkvoorraden op het terrein van zedenzaken terug te dringen.
Zijn of worden er extra middelen vrij gemaakt om gemeenten te ondersteunen bij de aanpak van onveilige plekken die vrouwen zelf hebben aangegeven? Zo ja hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Er wordt op verschillende manieren ingezet op de aanpak van onveilige plekken. Deze acties worden voortgezet en waar nodig en mogelijk geïntensiveerd.
De inzet voor de aanpak van onveilige plekken gebeurt veelal langs principes van Crime Prevention Through Environmental Design (CPTED, in het Nederlands ook bekend als Veilig Ontwerp en Beheer). CPTED is een vorm van situationele preventie die zich richt op het ontwerpen en beheren van de fysieke omgeving op zo’n manier dat het crimineel gedrag ontmoedigt en veiligheid(sgevoelens) bevordert. Dit wordt bereikt door op de juiste manier gebruik te maken van bijvoorbeeld elementen als verlichting, zichtlijnen, natuurlijke surveillance, toegankelijkheid en eigenaarschap.
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid heeft de Veiligheidseffectrapportage (VER) ontwikkelt. Dit is een procesinstrument voor het toepassen van de CPTED-principes. Daarnaast is het CCV beschikbaar om vanuit hun expertise mee te denken over vraagstukken op dit thema en zijn zij ook beschikbaar om de VER of quickscan, een verkorte versie van de VER, uit te voeren.
Daarnaast biedt de onderzoeksgroep CPTED bij Inholland waardevolle ondersteuning en expertise op dit gebied, gefinancierd door het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij richten zich op het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis op dit gebied. Ze onderzoeken hoe fysieke en sociale omgevingen veiliger, leefbaarder en duurzamer kunnen worden ingericht en passen deze kennis toe in verschillende gemeenten, waaronder NPLV-gebieden, in Nederland. Ook delen zij de kennis breder door het schrijven van artikelen en het organiseren van een inspiratiebijeenkomst. Er wordt momenteel ook, in samenwerking met NPLV, gekeken naar het opzetten van een leerkring over CPTED.
Het «Nieuw handboek Veilig Ontwerp en Beheer» is recentelijk uitgebracht, dat richtlijnen, handvatten en goede praktijkvoorbeelden bevat voor het veilig inrichten en beheren van de openbare ruimte. Het handboek is gericht op gemeenteambtenaren ruimtelijke ordening, stedelijk beheer en openbare orde en veiligheid, maar ook architecten, stedenbouwkundigen, woningcorporaties en studenten en docenten.
Met het programma Veilige Steden (looptijd 2023–2026) ondersteunt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 25 gemeenten met kennis en financiële middelen. Deze gemeenten zetten zich bij uitstek in voor het verbeteren van de veiligheid van de openbare ruimte en bij het uitgaan. Binnen het programma zijn er enkele steden, die daarbij expliciet aandacht hebben voor het ontwerp en de inrichting van de buitenruimte. Dit komt voort uit de bewustwording dat vrouwen andere ervaringen hebben als het gaat om veiligheid. Kennisdeling over onderzoek en projecten over dit thema worden gedeeld via de website van Veilige Steden. De effecten van het programma Veilige Steden worden geëvalueerd, de resultaten zijn in het voorjaar van 2026 beschikbaar.
Ook binnen Regio Deals en via het Volkshuisvestingsfonds is aandacht besteed aan veilige openbare ruimten, waarbij middelen vanuit de Regio Deals of het genoemde fonds zijn ingezet om specifieke gebieden leefbaarder en veiliger te maken.
Ik ben me ervan bewust dat hiermee momenteel niet alle gemeenten worden bereikt. Ik zal samen met de andere betrokken ministeries en met bovengenoemde partners verkennen waar we verdere kennisdeling kunnen bevorderen en bereik en impact kunnen vergroten.
Welke maatregelen acht u passend om onveilige plekken veiliger te maken?
Het is belangrijk om te erkennen dat de passende maatregelen sterk afhankelijk zijn van de specifieke situatie en locatie. Wat werkt in de ene omgeving, kan minder effectief zijn in een andere. Een gedetailleerde analyse van de plaatselijke omstandigheden is essentieel, om daar de inrichting van de openbare ruimte op aan te passen. De gemeente is hier primair verantwoordelijk voor. Er zijn verschillende instrumenten die kunnen helpen met de analyse en de mogelijke maatregelen, zoals het «Nieuw Handboek Veilig Ontwerp en Beheer» en de VER.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten met vrouwen en buurtbewoners betrokken worden bij maatregelen om onveilige plekkenveiliger te maken?
Veel gemeenten betrekken inwoners al actief via bijvoorbeeld buurtschouwen met bewoners en vertegenwoordigers van specifieke doelgroepen, waaronder vrouwen en jongeren. Dergelijke participatieve werkwijzen sluiten aan bij de bredere inzet op Veilige Steden, waarbij gemeenten, politie, maatschappelijke partners en bewoners gezamenlijk werken aan het signaleren en aanpakken van onveilige situaties in de openbare ruimte. Ik zal dit samen met de andere betrokken ministeries en partners blijvend stimuleren.
Bent u bereid jaarlijks te rapporteren over hoe er met deze meldingen wordt omgegaan, hoe daar opvolging aan is gegeven en welke effecten dat op de veiligheidsbeleving van vrouwen heeft?
Ik zal uw Kamer via verschillende wegen op de hoogte houden van de voortgang van de verschillende trajecten. In het halfjaarbericht politie wordt uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd over de capaciteit van de teams seksuele misdrijven en de maatregelen om de werkvoorraden op het terrein van zedenzaken terug te dringen. Over de doorlooptijden in de strafrechtketen wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsbrief over de strafrechtketen.
Ook wordt tweejaarlijks de Veiligheidsmonitor gehouden. De Veiligheidsmonitor is een groot bevolkingsonderzoek naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit. Hierin is ook aandacht voor de veiligheid(sgevoelens) van vrouwen. In maart 2026 komt de nieuwe Veiligheidsmonitor uit, waarna uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Het bericht ‘Palestijnse journalist Mustafa Ayash aangehouden op Schiphol’ |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD), Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse journalist Mustafa Ayash aangehouden op Schiphol»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat Nederland in beginsel geen enkele medewerking dient te verlenen aan het uitleveren van journalisten tenzij er onomstotelijk bewijs is voor een ernstig misdrijf, gezien het risico dat niet alleen de persoonlijke vrijheid van de individu in kwestie, maar ook de persvrijheid ermee ingeperkt wordt?
Over eventuele lopende overleveringsverzoeken kan ik geen uitspraken doen.
In algemene zin kan ik het volgende opmerken.
Voor landen binnen de EU is overlevering van toepassing. In het Europees Aanhoudingsbevel (EAB) is daarover geregeld dat personen via een meer eenvoudige procedure kunnen worden overgeleverd van de ene EU-lidstaat aan de andere. Volgens het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB) moet op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning elk Europees aanhoudingsbevel overeenkomstig de bepalingen van het kaderbesluit ten uitvoer worden gelegd. De tenuitvoerlegging van een EAB mag echter niet tot gevolg hebben dat fundamentele rechten worden geschonden.
Het Kaderbesluit EAB laat enige ruimte open om uitvoering van een EAB te schorsen en de overlevering te weigeren wanneer er sprake is van een ernstige en voortdurende schending van de grondrechten door een lidstaat. Het Kaderbesluit EAB is in Nederland geïmplementeerd in de Overleveringswet. Gronden voor weigering zijn opgenomen in Afdeling 1 van Hoofdstuk II van de Overleveringswet. Hierin staan gronden waarop een overlevering dient te worden geweigerd, alsook gronden waarop een overlevering kan worden geweigerd.
De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam beoordeelt en bepaalt in elk individueel geval of de overlevering dient te worden geweigerd. Overlevering kan alleen worden geweigerd als daar in het individuele geval gronden voor bestaan. Het EAB wordt dan, met inachtneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, inhoudelijk door de IRK getoetst overeenkomstig de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Bij de beoordeling van artikel 11 van de Overleveringswet wordt door de IRK de «tweestappentoets» uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie toegepast, waarbij de overleveringsrechter eerst moet nagaan of er systeemproblemen ten aanzien van fundamentele rechten bestaan in een uitvaardigende lidstaat en, zo ja, of in het individuele geval een risico op schending van een grondrecht bestaat.
Overlevering gebeurt volgens het Kaderbesluit EAB, onder de algemene voorwaarde dat een opgeëiste persoon niet zal worden doorgeleverd aan een derde land zonder toestemming van het uitvoerende land (in dit geval Nederland).
Weet u of er een kans bestaat dat de betreffende Palestijnse journalist ook aan Israël uitgeleverd kan worden?
Zie antwoord vraag 2.
Zou het voor u acceptabel zijn dat een Palestijnse journalist aan Israël wordt uitgeleverd, wetende dat Israël een ongekend hoog aantal journalisten heeft vermoord en gevangengezet sinds 7 oktober 2023?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er uitzonderingsgronden binnen het systeem van de European Arrest Warrant om niet mee te werken aan uitleveringen? Zo ja, welke en zijn die uitzonderingsgronden overwogen door Nederland in de huidige zaak betreffende de Palestijnse journalist?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de kritiek van de advocate van de Palestijnse journalist die erop wijst dat Israël vaker humanitaire hulpverlening koppelt aan vermeende financiering van terrorisme?
Het kabinet is niet bekend met deze specifieke uitspraak. In het algemeen is het belangrijk dat humanitaire hulp geleverd kan worden in humanitaire crisissituaties, waaronder in de Palestijnse Gebieden. Hier dienen alle partijen zich voor in te spannen, waarbij plausibele aantijgingen van partijdigheid of oneigenlijk gebruik van hulpmiddelen uiteraard altijd goed moeten worden onderzocht.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse journalisten in het Westen vaker aan hebben gegeven het slachtoffer te zijn geworden van lastercampagnes die vanuit Israël wordt aangestuurd?
Het kabinet kan deze aantijgingen van lastercampagnes niet eigenstandig verifiëren. Dat laat onverlet dat journalisten hun essentiële werk altijd in veiligheid en vrijheid moeten kunnen uitvoeren. Nederland vraagt hier consequent aandacht voor – ook bij Israël.
Wat doet de regering om te verzekeren dat de persvrijheid in Nederland geborgd blijft voor alle journalisten, en in het bijzonder journalisten van Palestijnse komaf die een duidelijk doelwit zijn geworden van Israël?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt financiële ondersteuning aan PersVeilig. PersVeilig versterkt de positie van journalisten tegen geweld en agressie op straat, op sociale media en tegen juridische claims. Journalisten die in Nederland te maken krijgen met vormen van intimidatie kunnen zich tot PersVeilig wenden.
Zijn er sinds 7 oktober ook mensen door de Koninklijke Marechaussee vastgehouden op verdenking van betrokkenheid bij internationale misdrijven die gepleegd zouden zijn door Israël?
De Koninklijke Marechaussee heeft, na raadpleging van de systemen en informatie van de betrokken afdelingen (peildatum 3 oktober 2025), geen aanwijzingen aangetroffen dat er sinds 7 oktober 2023 personen door de Marechaussee zijn vastgehouden op verdenking van betrokkenheid bij internationale misdrijven door Israël.
Zijn er uitleveringsverzoeken bij Nederland gedaan voor individuen die van betrokkenheid bij internationale misdrijven worden verdacht die gepleegd zouden zijn door Israël? Zo ja, hoe heeft Nederland daarop gereageerd?
Over individuele zaken kan ik geen uitspraken doen. In algemene zin merk ik op dat Nederland slechts personen kan uitleveren in geval van (een verdenking) van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het plegen van (internationale) misdrijven. Verzoeken om uitlevering ter zake van internationale misdrijven worden – evenals uitleveringsverzoeken voor commune delicten – zorgvuldig behandeld volgens de kaders van de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven.
De ratificatie van het VN-oceaanverdrag (BBNJ-overeenkomst) |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Rummenie , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Nederland het VN-Oceaanverdrag, dat in maart 2023 door een historische meerderheid van VN-lidstaten is aangenomen, nog altijd niet heeft geratificeerd, terwijl inmiddels 90 landen dit wel hebben gedaan en nog slechts tien ratificaties ontbreken voor de inwerkingtreding?
Deze berichten zijn bekend. Inmiddels is het vereiste aantal van 60 aanvaardingen bereikt voor inwerkingtreding van de op 19 juni 2023 te New York tot stand gekomen «Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht» (Biodiversity Beyond National Jurisdiction; hierna: BBNJ-overeenkomst), waardoor deze op 17 januari 2026 in werking zal treden. Op het moment van sturen van deze brief is de BBNJ-overeenkomst door 74 landen en de Europese Unie (EU) aanvaard.1
Veel van de landen die de BBNJ-overeenkomst al hebben aanvaard, hoeven pas na de aanvaarding uitvoeringswetgeving op te stellen. Dat betekent in praktische zin dat niet ieder land dat een overeenkomst aanvaardt ook al klaar is om invulling te geven aan de doelen van de betreffende overeenkomst. In Nederland moet deze uitvoeringswetgeving gereed zijn vóór de aanvaarding om meteen klaar te zijn voor de effectieve uitvoering. Momenteel wordt hard gewerkt om de uitvoeringswetgeving zo snel mogelijk af te ronden zoals toegelicht in de Kamerbrief Voortgang goedkeuringstraject BBNJ-overeenkomst van 16 juli jl.2
Erkent u dat het uitblijven van ratificatie afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van Nederland als voorvechter van biodiversiteit en marien natuurherstel, zeker nu het verdrag de bescherming van 30 procent van de oceanen in 2030 mogelijk moet maken?
Nee. Nederland hecht veel waarde aan de BBNJ-overeenkomst en was mede daarom sinds de start van de onderhandelingen in 2004 nauw betrokken bij deze overeenkomst. Ook na afronding van de onderhandelingen blijft Nederland actief bijdragen aan de internationale processen die de effectieve implementatie van de overeenkomst voorbereiden.
Tegelijkertijd draagt Nederland ook bij aan de effectieve implementatie van diverse verdragen die toezien op bescherming en herstel van het mariene milieu en de mariene biodiversiteit. Bijvoorbeeld het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD)3, de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren4, de Arctische Raad, en het Londenverdrag en -protocol.5
Ook blijft Nederland bijdragen aan het realiseren van het doel om uiterlijk in 2030 ten minste 30 procent van de zeeën en oceaan te beschermen («30-by-30»-doel). De nadere invulling die Nederland geeft aan het Kunming Montreal Global Biodiversity Framework (KM GBF) van de CBD, waaronder dit doel, staat in het eerste Nationaal Biodiversiteit Strategie & Actieplan Nederland 2025–2030, dat op 25 maart jl. naar de Tweede Kamer is gezonden.6 Voor de zeegebieden binnen de nationale rechtsmacht van Nederland wordt deze doelstelling gehaald.
Hoe beoordeelt u de constatering van mariene wetenschappers en maatschappelijke organisaties dat vertraging van ratificatie de uitvoering van de afgesproken beschermingsdoelen bemoeilijkt en daarmee het voortbestaan van kwetsbare ecosystemen zoals koraalriffen, walvissen en diepzeenatuur verder in gevaar brengt?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, staat het aanvaarden van een overeenkomst niet gelijk aan het effectief (kunnen) uitvoeren daarvan. De overeenkomst moet voor de uitvoering ook effectief en zorgvuldig worden geïmplementeerd, waarvoor nationale regels en procedures nodig zijn. In sommige landen kan een overeenkomst direct aanvaard worden en hoeven pas daarna nationale regels en procedures opgesteld te worden. In Nederland moet de uitvoeringswetgeving gereed zijn voordat een overeenkomst kan worden aanvaard. Dat is aan de voorkant een langer proces, maar het betekent in het geval van de BBNJ-overeenkomst ook dat Nederland op het moment van aanvaarding direct klaar is voor de effectieve uitvoering ervan. Verder zet Nederland zich al lange tijd in voor een gezond marien milieu en mariene biodiversiteit en zal dit blijven doen, zie ook het antwoord bij vraag 2.
Kunt u aangeven welke stappen Nederland concreet heeft gezet om de eigen mariene bescherming in lijn te brengen met de doelen van het VN-Oceaanverdrag en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework?
In 2024 heeft Nederland het convenant met «The Ocean Cleanup» herzien om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de BBNJ-overeenkomst.7 In dat convenant zijn de afspraken over het doen van milieueffectbeoordelingen voor de activiteiten die The Ocean Cleanup uitvoert in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht aangepast en voor zover mogelijk in lijn gebracht met de bepalingen van de BBNJ-overeenkomst.
Daarnaast is één van de doelen van de BBNJ-overeenkomst het versterken van samenwerking tussen organisaties en raamwerken die mandaten hebben op de oceaan. Nederland roept daarom op in onder andere de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA), de OSPAR8-commissie, de CBD en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) tot samenwerking tussen de organisaties met mandaten die zien op de oceaan en zeeën.
Daarnaast streeft Nederland ernaar om nationaal en regionaal, bijvoorbeeld middels het OSPAR-verdrag, maatregelen te nemen die onder andere in lijn zijn met de BBNJ-overeenkomst en het KM GBF. Voorbeelden zijn het aanwijzen van mariene beschermde gebieden en het nemen van andere beschermings-maatregelen en het uitvoeren van monitoring en onderzoeken onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, OSPAR en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 wordt het «30-by-30»-doel van het KM GBF voor de zeegebieden binnen de nationale rechtsmacht van Nederland gehaald.
Zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland, streeft Nederland, in lijn met het KM GBF, ook in Caribisch Nederland ernaar om tenminste 30% van de gehele Exclusieve Economische Zone (EEZ) en terrestrische gebieden te beschermen, herstellen en beheren.
Deelt u de analyse dat het niet geloofwaardig is als Nederland in 2026 deelneemt aan de geplande VN-Oceaantop, terwijl het verdrag nog altijd niet door ons land is geratificeerd? Zo nee, waarom niet?
Die analyse wordt niet gedeeld. De eerste Vergadering van de Verdragspartijen (COP) van de BBNJ-overeenkomst vindt mogelijk in 2026 of begin 2027 plaats. Nederland zal aan de eerste BBNJ COP deelnemen, omdat het voortzetten van onze deelname in lijn is met de eerdere betrokkenheid bij de BBNJ-overeenkomst. Momenteel neemt Nederland deel aan het internationale proces dat deze COP voorbereidt, onder meer om ervoor te zorgen dat de afspraken over implementatie ambitieus zijn en tegelijk voor Nederland uitvoerbaar blijven. Dat is in het belang van onze maritieme industrie en onze onderzoeksinstituten die – na inwerkingtreding van de BBNJ-overeenkomst voor het Europese en het Caribische deel van Nederland – zich daaraan moeten houden. Bovendien kan Nederland ook invloedrijk zijn in de internationale uitvoering. Omdat Nederland al langere tijd vrij gedetailleerd bezig is met de ontwikkeling van de nationale uitvoeringswetgeving, kijken andere landen naar ons land als voorbeeld hoe de BBNJ-overeenkomst te implementeren.
Bent u bereid het VN-Oceaanverdrag nog dit jaar voor te leggen aan de Tweede Kamer, zodat Nederland uiterlijk begin 2026 de ratificatie heeft voltooid en een geloofwaardige bijdrage levert aan het realiseren van 30 procent oceaanbescherming in 2030? Zo nee, waarom niet?
Dit is praktisch niet mogelijk, vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen van de wetgevingsprocedure staan. Voor de parlementaire goedkeuringsprocedure van de BBNJ-overeenkomst bestaan de goedkeuringsstukken in ieder geval uit de Rijkswet tot goedkeuring van het verdrag en de benodigde uitvoeringswetgeving. Momenteel loopt de interdepartementale ambtelijke voorbereiding van de regelgeving, waarin de uitvoeringswetgeving wordt opgesteld en met de uitvoeringsorganisaties wordt gesproken over de daadwerkelijke uitvoering van de BBNJ-overeenkomst voor Nederland. Na afronding van de interdepartementale voorbereiding worden de wetgevingsprocedures voor respectievelijk de goedkeuringswet en uitvoeringswetgeving gevolgd.9 Vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen in deze procedures staan, is de verwachting dat de goedkeuringsstukken op zijn vroegst eind 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden kunnen worden.
Kunt u toezeggen dat Nederland, in de tussentijd dat het verdrag nog niet in werking is getreden, geen enkel besluit zal nemen of steunen dat diepzeemijnbouw, grootschalige visserij of andere schadelijke activiteiten in internationale wateren faciliteert?
Volgens het internationaal recht dient Nederland als ondertekenaar van de BBNJ-overeenkomst zich te onthouden van handelingen die het voorwerp en het doel van de BBNJ-overeenkomst zouden ontnemen.
Nederland handelt in internationale gremia met mandaten op de oceaan en zeeën in lijn met deze verplichting, maar het is belangrijk om te benadrukken dat de BBNJ-overeenkomst ook na inwerkingtreding niet in de plaats zal treden van al bestaande bevoegde autoriteiten, zoals het beheer van visserijactiviteiten, scheepvaart en diepzeemijnbouw. Deze activiteiten blijven onder de bevoegdheid van respectievelijk bestaande regionale visserijbeheerorganisaties, de IMO en de ISA. Daarbij is en blijft Nederland gebonden aan de bestaande internationale wet- en regelgeving die geldt voor de visserij, diepzeemijnbouw en scheepvaart.
Beschietingen door de Libische kustwacht op NGO schepen in de Middellandse Zee |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beschietingen van het schip Sea-Watch 5 op 26 september jl. en de Ocean Viking op 24 augustus jl.?1
Ja.
Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de betreffende schepen onder vuur zijn genomen, dat deze aanvallen ogenschijnlijk door de Libische kustwacht zijn gepleegd, dat deze aanvallen plaatsvonden op internationale wateren en dat onder de bemanning van de getroffen schepen ook Nederlandse staatsburgers waren?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze incidenten in de Middellandse Zee. Het kabinet beschikt niet over geverifieerde en bevestigde informatie dat de beschietingen werden gepleegd door de Libische kustwacht, en beschikt daarnaast niet over informatie dat zich onder de bemanning van de getroffen schepen zich ook Nederlandse staatsburgers bevonden. Voor zover bekend hebben zich geen Nederlandse staatsburgers aangemeld voor consulaire bijstand.
Veroordeelt u deze beschietingen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt geweld tegen burgers, waaronder hulpverleners, altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli dan ook bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Welke acties heeft u sinds 24 augustus jl. ondernomen om Nederlandse staatsburgers en humanitaire hulpverleners op de Middellandse Zee te beschermen?
Sinds 24 augustus zijn geen verzoeken binnengekomen voor consulaire bijstand of dergelijke van Nederlandse staatsburgers op de Middellandse Zee. Het kabinet volgt de situatie en vraagt waar opportuun om aandacht voor het waarborgen van veiligheid van hulpverleners in het algemeen en Nederlanders in het bijzonder (zie ook vraag 3).
In welke mate zijn de acties van deze Libische kustwacht volgens u gefaciliteerd door Europese gelden en tot in welke mate zijn ze aangemoedigd door Europees beleid?
De Libische kustwacht ontvangt sinds 2017 ondersteuning via Europese fondsen in het kader van het programma Support to Integrated Border and Migration Management in Libya (SIBMMIL). Deze steun is bedoeld om de zoek- en reddingscapaciteit van de Libische autoriteiten te verbeteren, mensenlevens op zee te redden, irreguliere migratie te beperken en mensensmokkel tegen te gaan. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Het is voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen of de beschietingen door de Libische kustwacht werden gedaan, en als dat wel zo zou zijn is het voor het kabinet ook niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij ngo-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese middelen. Wel laat dit soort incidenten opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met strikte voorwaarden en controlemechanismen. Nederland pleit dan ook consistent voor adequate monitorings- en evaluatiemechanismen in EU-financiering. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden.
Hoe beoordeelt u de rol van Nederland in het mogelijk maken, faciliteren of zelfs aanmoedigen van mensenrechtenschendingen en het niet naleven van internationale zeerecht-standaarden door Libische kustwacht en de Libische regering als geheel?
Nederland heeft de bescherming van migranten als rode draad in het beleid inclusief het naleven van internationale zeerechtstandaarden en Nederland zal betrokken partijen blijven aanspreken op het monitoren van de uitvoering van programma’s op een manier die strookt met de universeel geldende mensenrechten, alsmede de internationale standaarden van het zeerecht. Zie ook het antwoord bij vraag 5.
Hoe verzekeren u en uw Europese collega’s dat de EU-financiering voor de Libische kustwacht niet leidt tot schendingen van het internationaalrecht?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Welke specifieke maatregelen bent u bereid te nemen om de veiligheid van Nederlandse burgers en humanitaire hulpverleners op internationale wateren te beschermen tegen geweldsincidenten?
Het kabinet hecht waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners.2
Nederland neemt op voorhand geen specifieke maatregelen om burgers en hulpverleners op internationale wateren te beschermen, maar blijft wel aandacht vragen voor het respecteren van internationaal recht, waaronder de mensenrechten. Hulpverleners mogen nooit het doelwit zijn van geweld, ook niet wanneer zij zich in internationale wateren bevinden.
Bent u voornemens om respectievelijk uw Libische, Italiaanse en andere Europese collega’s aan te spreken op deze beschietingen door de Libische kustwacht? Zo ja, met welke lezing van de gebeurtenissen en concrete voorstellen bent u van plan dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Voor het kabinet is het terugdringen van irreguliere migratie een prioriteit. Het is daarom goed dat de EU een actieve bijdrage levert aan het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit van de kustwacht, ook om verlies van levens op zee te voorkomen. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert en, indien nodig, de misdaden bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Bent u bereid om te pleiten voor opschorting van de Europese steun aan de Libische kustwacht, zolang de Libische autoriteiten geen concrete maatregelen nemen om deze beschietingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals verwoord in het antwoord op vraag 5 steunt Nederland de EU-inzet om Libisch grensmanagement te versterken en om doden op zee te voorkomen door SAR-capaciteit te verbeteren. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en EU-verband opgeroepen.
De beschietingen van humanitaire reddingsschepen door de Libische kustwacht en de Nederlandse/Europese verantwoordelijkheid. |
|
Marieke Koekkoek (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat de Libische kustwacht op 24 augustus 2025 in internationale wateren gedurende circa 15–20 minuten met scherp heeft geschoten op het reddingsschip Ocean Viking van SOS Méditerranée, terwijl er tientallen geredde mensen en bemanning aan boord waren, met aanzienlijke schade maar zonder fysieke gewonden?1 Zo ja, hoe duidt u dit incident?
Ik heb kennisgenomen van dit incident. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie hierover. Het kabinet veroordeelt geweld tegen hulpverleners altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken, de daders straffen en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Klopt het dat kort daarna opnieuw een humanitair reddingsschip, de Sea-Watch 5, onder vuur is genomen door een Libische patrouilleboot vlak na een redding, terwijl er tientallen mensen waren gered? Wat is uw reactie hierop?
Ook dit incident is bekend bij het kabinet. Zie verder antwoord bij vraag 1.
Wat doet Nederland concreet om het internationaal humanitair recht te beschermen in Europa en langs de Europese buitengrenzen, inclusief – maar niet beperkt tot – de Middellandse Zee, waar dit soort incidenten zich voordoen?
Nederland zet zich actief in voor de bescherming van het internationaal recht en de mensenrechten langs de Europese buitengrenzen, waaronder de Middellandse Zee. Dit wordt door het Kabinet ook bij samenwerking met de landen rondom de buitengrenzen onder de aandacht gebracht.
Het kabinet hecht tevens waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en aan de CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners. In dit advies worden de AIV en de CAVV gevraagd welke diplomatieke, juridische, financiële en eventueel andere instrumenten Nederland kan inzetten om de straffeloosheid voor geweldpleging tegen hulpverleners te bestrijden.2
Kunt u bevestigen of er bij deze incidenten Nederlandse burgers aan boord waren (als bemanningslid, vrijwilliger of waarnemer)? Wat heeft de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan om hun veiligheid te beschermen, en welk plan ligt er klaar om bescherming te bieden bij eventuele toekomstige situaties of om te voorkomen dat deze zich voordoen?
Het kabinet heeft geen bericht ontvangen dat Nederlandse staatsburgers aan boord van deze schepen waren tijdens deze incidenten.
Bij consulaire hulpverzoeken van Nederlanders in het buitenland bekijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar gelang de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
Hoe beoordeelt u dit soort aanvallen juridisch in het licht van het internationaal zeerecht en de plicht tot redding op zee, mede gezien dat de Ocean Viking in internationale wateren opereerde? Welke (strafrechtelijke of diplomatieke) stappen acht u passend richting betrokken autoriteiten?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over het incident. In algemene zin onderschrijft het kabinet dat het tegengaan van verlies van levens op zee en de internationaalrechtelijke plicht om mensenlevens op zee te redden te allen tijde de uitgangspunten blijven.
Dit incident is daarom zorgelijk. Om die reden, en zoals genoemd in antwoord op vraag 1, heeft de Nederlandse ambassade in Tripoli de autoriteiten opgeroepen tot een gedegen onderzoek, bestraffing van de daders en het nemen van gepaste maatregelen.
Hoe kijkt Nederland naar de financiering voor de Europese Unie (EU) en internationale erkenning van de Libische kustwacht, terwijl die herhaaldelijk heeft gefaald om conform de internationale standaard voor zeeredding te handelen, met verlies van mensenlevens en nu ook een directe aanval op hulpverleners tot gevolg?
De steun van de Europese Commissie is gericht op het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit en capaciteit op het gebied van grensbeheer van de Libische kustwacht. Deze EU-inzet in Libië heeft tot doel verlies van levens op zee te voorkomen, irreguliere migratie naar de EU te verminderen en mensensmokkel- en handel aan te pakken. De steun is daarnaast onderdeel van de bredere Europese inzet in Libië en op de Centraal Mediterrane Route om migratie in goede banen te leiden. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Libië heeft een eigen kustwacht en is verantwoordelijk voor het uitvoeren en coördineren van reddingsoperaties in de eigen Search and Rescue (SAR) zones. Naast dat niet met zekerheid is vastgesteld dat de Libische kustwacht de beschietingen heeft gedaan, is het voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij NGO-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese steun. SAR-operaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de Libische autoriteiten, die autonoom handelen. Dit gaat echter gepaard met risico’s. Dit soort incidenten laat dan ook opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen. Nederland pleit hier consequent voor. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden. Het kabinet blijft er ook op aandringen dat de EU-samenwerking met de Libische kustwacht periodiek wordt geëvalueerd.
Welke informatie heeft Nederland ontvangen via EU-kanalen (Europese Commissie/Frontex) over de toedracht van de beschietingen, en hoe beoordeelt u de reactie van de Europese Commissie dat zij eerst de reactie van de Libische autoriteiten afwacht? Acht u die houding voldoende, gelet op de ernst?
Nederland staat in voortdurend contact met de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden in zowel Tripoli als in Brussel. De incidenten zijn besproken. De woordvoerder van de Commissie veroordeelde het incident eerder en gaf aan dat er contact is opgenomen met de Libische autoriteiten om een onderzoek uit te voeren. Tevens zijn er door het Europees parlement vragen gesteld aan de Raad van de Europese Unie over het voorval.
Welke inzet pleit Nederland in de Raad (JBZ/RBZ) voor een onafhankelijk en transparant onderzoek naar beide incidenten (Ocean Viking en Sea-Watch 5), inclusief de keten van verantwoordelijkheid aan Libische en Europese zijde, en voor mogelijke consequenties, zoals herziening van steun, sancties of restricties op overdracht van materieel?
Nederland heeft zowel zelfstandig als in EU-verband het belang van een gedegen onderzoek benadrukt in gesprekken met de Libische autoriteiten.
Bent u bereid om – in afwachting van structurele EU-maatregelen – nationaal te bevorderen dat Nederlandse publieke middelen niet bijdragen aan steun die kan leiden tot schendingen van mensenrechten en het zeerecht door actoren in Libië en dit ook actief uit te dragen richting partnerlanden?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en in EU-verband opgeroepen. Tegelijkertijd zal er naar het oordeel van het kabinet niets verbeteren als de EU zich terugtrekt uit de samenwerking met Libië. De inzet van de EU en lidstaten is er (mede) op gericht de activiteiten van de kustwacht op het gebied van mensenrechten te verbeteren. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Het is vanDeze incidenten onderstrepen belang om voortdurend te blijven monitoren. Daarnaast is het noodzakelijk om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Hoe beoordeelt u de operationele gevolgen van deze aanvallen voor de reddingscapaciteit in het centrale Middellandse Zeegebied (zoals schepen die tijdelijk in haven blijven of missies afgelasten)? Welke maatregelen kan Nederland (bilateraal of via EU/International Maritime Organization) ondersteunen om te waarborgen dat levensreddende operaties veilig kunnen doorgaan?
Zie ook antwoord op vraag 5.
De operationele gevolgen van deze aanvallen zijn op dit moment nog niet bekend. Nederland zal het SAR systeem evenals de conventies die betrekking hebben op SAR en SOLAS bij de relevante landen en instanties onder de aandacht blijven brengen.
Is Nederland bereid in EU-kader te pleiten voor duidelijke rode lijnen (bijvoorbeeld het verbod op het gebruik van vuurwapens tegen civiele reddingsschepen) met concrete consequenties voor samenwerking met de Libische kustwacht wanneer die lijnen worden overschreden?
Het kabinet wil irreguliere migratie naar Nederland en Europa terugdringen. Het kabinet pleit daarom ook binnen de EU voor een stevige aanpak. De bescherming van migranten op migratieroutes loopt in dat kader als een rode draad door de inzet om uitbuiting, misbruik en mishandeling van migranten te voorkomen. Het gebruik van geweld tegen civiele reddingsschepen is onaanvaardbaar. Het kabinet zal hier ook in de toekomst aandacht voor vragen, in EU-verband en bilateraal richting de Libische autoriteiten.
Welke stappen zet Nederland, samen met partnerstaten, om de criminalisering en bestuurlijke detentie van NGO-reddingsschepen door nationale autoriteiten (zoals Italië) tegen te gaan en de vrijheid van humanitaire hulp op zee te beschermen conform internationaal recht?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert, de daders bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Het kabinet waardeert de inzet van NGO’s om mensen in nood op zee te redden. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat de activiteiten van private schepen, die in SAR-zones drenkelingen aan boord nemen, criminele activiteiten van mensensmokkelaars die mensenlevens op het spel zetten juist in stand houden. Dit is een delicate balans waarbij er volgens het kabinet oog moet zijn voor beide aspecten.
Bent u bereid de Kamer te rapporteren over: (a) eventuele Nederlandse betrokkenheid (burgers/organisaties) bij de getroffen schepen; (b) uw diplomatieke contacten met de Europese Commissie, Italië en de Libische autoriteiten; (c) de stand van juridische stappen (bijvoorbeeld onderzoeken door Italiaanse autoriteiten); en (d) uw inzet voor structurele veiligheidsprotocollen voor civiele reddingsschepen in internationale wateren?
Daar waar beschikbaar en mogelijk, zal ik op verzoek van de Kamer nadere informatie over deze incidenten verstrekken.
Het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’ |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken»1 en het artikel «Al is de leugen nog zo snel ...»2?
Ja.
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Klopt het dat de mogelijkheden tot «belastingoptimalisatie» al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box 3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Beleid rond inclusiviteit op hogescholen |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Moes |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat onderwijsinstellingen uit zichzelf traditionele en cultureel diep verankerde religieuze feestdagen hernoemen of schrappen in het kader van inclusiviteit?
Ik vind het belangrijk dat onderwijsinstellingen zich bewust zijn van wat er leeft in de maatschappij en bij hun studenten en medewerkers. Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf hun onderwijs, interne inclusiviteitsbeleid en onderwijskalenders vorm te geven.
Vanwege deze institutionele autonomie heeft het Ministerie van OCW geen beleid op hoe hbo- en wo-instellingen feestdagen moeten noemen. De Rijksoverheid communiceert jaarlijks wanneer er officiële feestdagen zijn (waaronder Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Kerstmis) en wanneer er schoolvakanties zijn in het funderend onderwijs. Die feestdagen benoemen wij en dat blijven wij ook doen. Hiernaast roept het kabinet in de Strategie Bestrijding Antisemitisme (2024)1 onder andere onderwijsinstellingen op om naast christelijke dagen ook met andere religieuze dagen, zoals Joodse en Islamitische feestdagen meer rekening te houden. De wijze waarop hbo- en wo-instellingen dit invullen en hun jaarkalenders inrichten is uiteindelijk aan hen.
Bent u het eens dat dit de noodzaak tot het ontwikkelen naar een inclusieve samenleving ondergraaft omdat het burgers niet meer stimuleert om via dialoog en samenwerking elkaar religieuzes tradities te leren kennen?
Ik vind het zeer wenselijk dat op de onderwijsinstelling het gesprek wordt gevoerd over identiteit en (religieuze) tradities en hoe deze in ere worden gehouden. Ook het gesprek omtrent het vieren van feestdagen hoort hier bij. In de dialoog kan de medezeggenschap een rol spelen. Het is echter niet aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om te oordelen over de uitkomst van dit gesprek en het beleid van de instelling dat hieruit voortvloeit.
Kunt u, naar aanleiding van het nieuws van het schrappen van de benamingen van christelijke feestdagen door de HU, uiteenzetten welke rol u voor uzelf ziet als stelselverantwoordelijke en welke rol bij de instellingen zelf ligt als het gaat om beleid rondom inclusiviteit?
Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf het onderwijs vorm te geven, inclusief bijbehorend inclusiviteitsbeleid. Bij mij ligt de taak om ervoor te zorgen dat er ruimte, aandacht en middelen zijn waarmee instellingen aan die verantwoordelijkheid invulling kunnen geven en waarbij er ruimte is voor pluriformiteit en onderlinge (veilige) dialoog.
Op welke manier zet u zich in zodat elke student zich veilig voelt binnen het hoger onderwijs, ongeacht bijvoorbeeld geslacht, afkomst, geaardheid, beperking of levensovertuiging?
De onderwijsinstellingen dragen zorg voor een (sociaal) veilige leer- en werkomgeving waar eenieder zich vrij kan uiten, zich thuis voelt en kan ontwikkelen. Als Minister stimuleer en help ik de instellingen om de sociale veiligheid van hun studenten en medewerkers te bevorderen. Dit doe ik middels de integrale aanpak sociale veiligheid, die samen met het veld is opgesteld en bestaat uit verschillende maatregelen. Zo loopt er momenteel een landelijk programma waarmee universiteiten, hogescholen, medewerker-, promovendi- en studentenorganisaties worden gestimuleerd om samen te werken bij het vergroten van sociale veiligheid. Voor het landelijk programma sociale veiligheid is gedurende 2024–2027 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar gesteld. Daarnaast ontvangen instellingen tot en met 2031 jaarlijks € 4 miljoen voor uitvoering van afspraken over sociale veiligheid uit het bestuursakkoord. Verder werk ik aan de ontwikkeling van een wetsvoorstel zorgplicht veiligheid in het vervolgonderwijs, die ook voorziet in versterking van het toezicht op veiligheidsbeleid van instellingen. Daarnaast heb ik een onderzoek naar klacht- en meldprocedures laten uitvoeren; mijn beleidsreactie ontvangt uw Kamer in november.
Erkent u dat inclusiviteitsbeleid een intrinsieke spanning in zich heeft en beleid dat door de ene student verwelkomt, door een andere student als «exclusief» kan worden ervaren?
Inclusie gaat in de kern om het creëren van een omgeving waar een verscheidenheid aan identiteiten, culturen, perspectieven worden verwelkomd, benut, erkend en gewaardeerd. Het is mijn stellige overtuiging dat dit mogelijk moet zijn zonder dat dit ertoe leidt dat anderen worden buitengesloten.
Bent u het eens dat de invulling van inclusiviteitsbeleid van onderwijsinstellingen al snel raakt aan de vrijheid van onderwijs, juist vanwege de identiteitscomponent en bent u het eens dat onderwijsinstellingen, binnen wet- en regelgeving, een zeer grote mate van vrijheid hebben hoe ze dit beleid invullen?
Colleges van bestuur gaan, binnen wet- en regelgeving, zelf over het beleid ten aanzien van hun instelling, inclusief het beleid ten aanzien van inclusiviteit. Ik hecht grote waarde aan het feit dat onderwijsinstellingen die vrijheid hebben.
In hoeverre kunnen instellingen in het (hoger) onderwijs via bijvoorbeeld een cao gebonden worden aan bepaald inclusiviteitsbeleid? Kunnen ze bijvoorbeeld worden verplicht tot het inwisselbaar maken van feestdagen, het opstellen van een bepaalde jaarkalender of het aanpassen van de naam van een feestdag?
Uit de wet volgt niet welke feestdagen iemand vrij is. Werkgevers en werknemers, of een vertegenwoordiging daarvan, kunnen in een cao afspraken maken over welke feestdagen gedurende het kalenderjaar een vrije dag zijn. Ook kan daarbij de mogelijkheid voor personeel om een feestdag te ruilen worden vastgelegd. Als partijen daarbij een bepaalde jaarkalender willen opstellen of de naam van een feestdag aan willen passen, dan kan dat binnen het cao recht. De cao wordt afgesloten door (een vertegenwoordiging van) werkgevers en werknemers. Cao-afspraken zijn bindend voor de instellingen die onder de werkingssfeer van die cao vallen.
Kunt u garanderen dat dit hoort bij de autonomie die een individuele onderwijsinstelling heeft? Zo nee, waarom niet?
Instellingen worden bij de cao-onderhandelingen vertegenwoordigd door de werkgeversverenigingen. Individuele instellingen hebben inspraak op de cao-inzet van deze verenigingen. Ook vindt er een achterbanraadpleging plaats na het afsluiten van een cao-akkoord. Via deze systematiek hebben instellingen invloed op de cao. Wanneer afspraken in de cao worden opgenomen zijn deze bindend.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over hoe zij inclusiviteit vormgeven en daarbij expliciet aandacht te vragen voor het behoud van ruimte voor religieuze en culturele tradities, waaronder christelijke feestdagen?
Ja, dit onderwerp is belangrijk in het kader van het welzijn, thuisgevoel en de sociale veiligheid van studenten en medewerkers op hun onderwijsinstelling. Over deze onderwerpen heb ik regelmatig gesprekken met het veld. Ik zal dit onderwerp blijven meenemen in mijn gesprekken met onderwijsinstellingen.
Het bericht ‘Opvarenden Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvarenden activistenvloot Global Sumud Flotilla melden nachtelijke aanvallen van Israël, Italië stuurt fregat»?1
Ja.
Heeft u inmiddels eigenstandige informatie over de aanvallen op de Global Sumud Flotilla? Zo neen, waarom nog niet?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de precieze aard en toedracht van de gerapporteerde aanvallen.
Kunt u de Israëlische aanvallen op de Global Sumud Flotilla bevestigen en in de meest krachtige termen veroordelen? Zo neen, waarom niet?
Nee.
Bent u het met ons eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Humanitaire hulp moet onmiddellijk en aanzienlijk worden opgeschaald en moet alle mensen in nood kunnen bereiken in de gehele Gazastrook. Professionele en gemandateerde hulporganisaties moeten voldoende humanitaire toegang krijgen over land. Nederland blijft dit benadrukken richting de Israëlische autoriteiten.
Tegelijkertijd was de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla hoopte af te leveren symbolisch van aard. Voor verlichting moeten professionele, gemandateerde hulporganisaties structurele en ongehinderde toegang krijgen voor de invoer en distributie van hulpgoederen. Inmiddels is volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) van de VN de toegang voor humanitaire hulp sinds het staakt-het-vuren van 10 oktober jl. iets verbeterd. Nederland blijft aandringen om veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot de hele Gazastrook te faciliteren.
Heeft u contact gelegd met de Global Sumud Flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Ja, het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meermaals contact met de Nederlandse opvarenden en hun familie gehad, alsook met de organisatie die de Nederlandse deelname aan de Flotilla coördineerde.
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de Global Sumud Flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten destijds geïnformeerd over de aanwezigheid van Nederlandse staatsburgers op de schepen van de Flotilla en het
Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten meermaals verzocht de veiligheid van de schepen en hun opvarenden te waarborgen.
Daarnaast heeft het kabinet destijds aan Spanje en Italië verzocht om, via hun fregatten die zich op afstand van de Flotilla bevonden voor het leveren van bijstand aan hun burgers en andere deelnemers van de Flotilla, ook eventuele bijstand te bieden aan Nederlandse opvarenden in geval van nood.
Sinds de onderschepping van de schepen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten op 1 en 2 oktober jl. heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers.
Het kabinet is in afwachting van een onderbouwing van Israël over de rechtsbasis van het onderscheppen van de schepen, waarom het heeft verzocht. Het is op dit moment niet aan de orde om sancties in te stellen tegen Israël naar aanleiding van de onderschepping van de schepen van de Flotilla.
Heeft u een plan klaarliggen om de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers te helpen indien zij worden aangevallen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het Bureau InformatieDiensten Nederland |
|
Ilse Saris (CDA), Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Bureau InformatieDiensten Nederland (BIDN), voorheen het Inlichtingenbureau (IB)?1
ja
Zijn de statuten die gepaard gaan met de naamswijziging van het Inlichtingenbureau naar het Bureau InformatieDiensten Nederland reeds gedeeld met de Tweede Kamer? Zo nee, bent u bereid dit per ommegaande alsnog te doen?
De voorgenomen statutenwijziging van stichting Inlichtingenbureau, waarbij ook de naamswijziging in Bureau Inlichtingendiensten Nederland (BIDN) wordt geformaliseerd, is in voorbereiding. Na advisering over dit voornemen door de Toetsingscommissie Verzelfstandigingen van het Ministerie van Financiën en de Algemene Rekenkamer neemt het kabinet hierover een besluit, dat naar verwachting voor het eind van dit jaar zal worden voorgehangen bij de Eerste en de Tweede Kamer. Deze voorhangprocedure is niet verplicht bij een statutenwijziging van een bestaande stichting, maar wel in lijn met kabinetsbeleid en ook conform een eerdere toezegging aan Uw Kamer. In het vervolg van de beantwoording ga ik in op de huidige situatie. Over de toekomstige situatie wordt u geïnformeerd als het besluit wordt voorgehangen.
Kunt u bevestigen dat het IB/BIDN op dit moment geen wettelijke basis heeft voor bepaalde taken, zoals het faciliteren van het berichtenverkeer tussen gemeenten en zorgaanbieders, de systemen voor vroegtijdige schoolverlaters en de rekentool van de belastingvrije voet?
De taken van BIDN zijn veelal wettelijk vastgelegd. Waar dit nog niet het geval is, werkt BIDN in de rol van verwerker volgens de AVG. Dat betekent dat deze werkzaamheden worden uitgevoerd in opdracht van overheidsinstanties, zoals ministeries, gemeenten en waterschappen.
Op welke wijze gaat het takenpakket van het IB/BIDN in zijn totaliteit wettelijk worden verankerd? Met welk specifiek wetsvoorstel bent u voornemens dit te realiseren?
In vraag 3 is reeds ingegaan op de wettelijke basis voor taken van BIDN. Er is in aanvulling hierop geen specifiek wetsvoorstel in voorbereiding.
Hoe houdt de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) op dit moment toezicht op het IB/BIDN?
Op grond van artikel 37 van de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI) is de NLA belast met het stelseltoezicht op UWV en de Sociale Verzekeringsbank. De NLA houdt op dit moment geen toezicht op BIDN. Het toezicht op de gegevensverwerking ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u bevestigen dat het BIDN op dit moment niet onder het toezicht van de Nationale ombudsman en de Wet Open Overheid (WOO) valt? Zo ja, hoe wenselijk is dat wat u betreft?
BIDN valt niet rechtstreeks onder de Wet open overheid (Woo). In de Kamerbrief van 25 september 20232 is aangegeven hoe hiermee wordt omgegaan. BIDN werkt met informatie en gegevens die berusten bij bestuursorganen, zoals het Ministerie van SZW, andere departementen of gemeenten. Documenten van of over BIDN kunnen daarom worden opgevraagd door een Woo-verzoek in te dienen bij een van de genoemde bestuursorganen. In de praktijk werkt BIDN mee aan dergelijke Woo-verzoeken, waarmee informatie over BIDN, en voorheen het IB, beschikbaar is.
Geldt naar uw inschatting de onschuldpresumptie nog in hoe het BIDN uitvoering geeft aan het verrichten van haar taken en met name de schaal waarop dit gebeurt? Zo ja, waarom?
BIDN levert informatiediensten aan gemeenten op basis van een wettelijke taak, zoals omschreven in de artikelen 1 van de Wet SUWI en 5.24 van het Besluit SUWI. De werkzaamheden van het BIDN zijn in lijn met deze regelgeving intermediair en ondersteunend aan de uitvoering van gemeentelijke regelgeving. Daarbij is aan het BIDN geen opsporingsbevoegdheid toegekend. Het BIDN zorgt er slechts voor dat een bevoegde – dat wil zeggen daartoe geautoriseerde – gemeenteambtenaar inzicht krijgt in relevante gegevens van mensen die recht hebben op bijvoorbeeld kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Als die gegevens aanleiding geven tot verder onderzoek, dan wordt dat bepaald door de gemeenteambtenaar.
Herkent u het beeld dat gemeenten verschillend omgaan met de signalen van het bureau, waarbij dat varieert van het uitnodigen van de uitkeringsgerechtigde voor een gesprek tot het direct tijdelijk stopzetten van de uitkering?
BIDN levert informatiediensten aan gemeenten. Hoe gemeenten met deze informatie omgaan is aan de gemeenten, uiteraard binnen de grenzen van de geldende wet- en regelgeving.
Bent u bereid om wetgeving voor te bereiden om het BIDN om te vormen tot een zelfstandig bestuursorgaan (vergelijkbaar met het UWV of SVB), om de transparantie en democratische controle te vergroten en het toezicht en klachtenprocedures beter te borgen? Zo nee, waarom niet?
Hiervoor verwijs ik u naar het nog voor te hangen besluit.
Bent u bekend met de publiekscampagne «Waar Ben Je» waarbij omstanders en potentiële slachtoffers zich kunnen melden bij de 24/7 chatlijn van Veilig Thuis?
Ja.
Bent u het eens dat deze campagne ontzettend goed is en dat het van groot belang is dat meisjes en vrouwen en omstanders die bellen voor hulp bij signalen van femicide, ook echt goed en direct geholpen worden?
ook van belang dat wanneer iemand aan de bel trekt, direct de juiste hulp en ondersteuning geboden wordt. Bij Veilig Thuis kan iedereen terecht voor advies of voor het doen van een melding. Veilig Thuis beschikt over veel expertise en deskundigheid om mee te denken over specifieke situaties. Bij acute onveiligheid is het van belang dat de politie wordt ingeschakeld.
Op welke wijze wordt gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan naar aanleiding van de campagne of sinds het live gaan van de campagne «Waar Ben Je» en hoe deze worden opgepakt? Bent u bereid de Kamer periodiek over de ontwikkeling van meldingen te informeren?
Er wordt niet landelijk gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan specifiek naar aanleiding van de campagne. Wel geven individuele Veilig Thuis organisaties aan dat er sprake lijkt te zijn van een toename in het aantal telefoontjes en chatberichten dat zij ontvangen, al kan niet met zekerheid worden gesteld dat dit een direct gevolg is van de campagne. Wel kan gezegd worden dat het online platform van Veilig Thuis 4 dagen voor de lancering van de campagne in werking is getreden. Van dit platform wordt, uiteraard anoniem en onherleidbaar, bijgehouden welke bezoekersaantallen het platform bezoeken. Daarnaast wordt ook het aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt altijd nauwgezet geregistreerd en via de reguliere wijze twee maal per jaar bekend gemaakt via het CBS. Wanneer er vanaf de start van de campagne een toename te zien is, kan dat wijzen op een gevolg van de campagne.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen er momenteel voor kiezen om richting Veilig Thuis te communiceren de 24/7 chatfunctie gedeeltelijk, of zelfs helemaal uit te zetten?
Op dit moment bestaat er nog geen 24/7 chatfunctie bij Veilig Thuis. Het verbeteren van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van Veilig Thuis is belangrijk. Om deze reden wordt vanuit het Landelijk Netwerk Veilig Thuis momenteel hard gewerkt om de mogelijkheden voor een 24/7 chatfunctie en de daarbij benodigde randvoorwaarden uit te werken. Wel is er nu, door de komst van het recent gelanceerde digitale platform op www.veiligthuis.nl, een online hulpmiddel waar mensen met behulp van AI snel geholpen worden de juiste informatie te vinden. Dit platform is 24/7 bereikbaar en telefonisch is Veilig Thuis dat ook.
Aanvullend heb ik inderdaad signalen gekregen dat diverse Veilig Thuis organisaties moeite hebben de huidige chatfunctie te bemensen, waardoor in sommige gemeenten de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis is, samen met de VNG en met mij, hard aan het werk om hier een landelijke oplossing voor de realiseren.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen ervoor kiezen om geen 24/7 beschikbaarheid te hebben bij Veilig Thuis en daardoor Politie en Veilig Thuis niet op ieder moment van de dag samen kunnen optrekken in acute situaties?
Ik herken dat beeld niet. Het klopt dat Veilig Thuis niet 24/7 bereikbaar is via de chat, zie ook het antwoord op vraag 4. Wel heeft Veilig Thuis de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Op dit vlak is er geen beleidsvrijheid voor gemeenten om hier van af te wijken. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat Veilig Thuis daarmee in acute situaties altijd bereikbaar en beschikbaar is, ook om met de politie op te trekken wanneer de situatie daar om vraagt.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de 24/7 chatfunctie van Veilig Thuis ook werkelijk 24/7 bereikbaar is en waar niet?
Zoals al aangegeven is er op dit moment nog geen 24/7 chatfunctie, maar is de chat veelal tussen 9 en 17 bereikbaar. Voor zover bij mij bekend zijn er op dit moment enkele regio’s waar de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. De redenen daarvoor zijn wisselend. Zo zijn er gemeenten die in deze regio’s hebben aangegeven dat de chat daar onvoldoende werd gebruikt en er zodoende voor is gekozen om de capaciteit in plaats daarvan in te zetten om meldingen op te pakken. Bij andere regio’s gaat het om specifieke momenten waarop er geen bemensing is. Veilig Thuis organisaties maken onderling, waar mogelijk, afspraken om een achtervang in te richten zodat chatberichten eventueel door een Veilig Thuis uit een andere regio beantwoord kunnen worden.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de beschikbaarheid van Veilig Thuis 24 uur per dag geldt?
Er is momenteel nog geen enkele gemeente waar Veilig Thuis 24/7 per chatfunctie bereikbaar is. Hier wordt landelijk aan gewerkt om dit z.s.m. te realiseren. Wel zijn alle Veilig Thuis organisaties 24/7 telefonisch bereikbaar.
Is het kabinet bereid te inventariseren wat het zou betekenen als de wettelijke taak van Veilig Thuis wordt uitgebreid naar 24 uur beschikbaarheid voor acute hulpvragen rond veiligheid? Zo ja, heeft u hier nog iets nodig vanuit de Kamer? Zo niet, waarom niet?
Veilig Thuis heeft nu al de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Het is aan Veilig Thuis om bij deze hulpvragen een inschatting te maken van de directe onveiligheid en te bepalen wat er nodig is om directe onveiligheid op te heffen en structurele veiligheid te realiseren. Belangrijk blijft om te noemen dat Veilig Thuis zelf geen hulpverlening biedt: Veilig Thuis kijkt waar de specifieke zorgen over gaan, welke hulpverlening nodig is en verwijst vervolgens door. De taak van Veilig Thuis richt zich specifiek op huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik zie geen reden om dat te veranderen. Uiteraard helpt Veilig Thuis mensen die bellen over andere veiligheidsvraagstukken de juiste plek te vinden voor die signalen.
Kunt u gelet op de urgentie van de beschikbaarheid van hulp, deze set schriftelijk binnen vier weken beantwoorden?
Ja.
De ontwikkelingen omtrent opschorten van asielaanvragen, de inbreukprocedure en de belemmeringen van ngo’s in Griekenland |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat 109 ngo’s in Griekenland gezamenlijk hebben opgeroepen tot intrekking van deze maatregel en tot optreden van de Europese Commissie?
Het kabinet heeft kennis genomen van de oproep gericht aan Griekenland en de Europese Commissie. In algemene zin toont de oproep aan dat de ontwikkelingen in Griekenland, sterk leven onder maatschappelijke organisaties in Griekenland. Het is verder aan Griekenland en aan de Commissie om hier opvolging in.
Bent u bereid om, samen met andere lidstaten of zelfstandig, bij de Europese Commissie aan te dringen op een spoed juridische analyse van de verenigbaarheid van de Griekse maatregelen met het EU-recht, dit mede in licht van de uitspraken van het Europees Hof?
Het is primair aan de Europese Commissie om te beoordelen of Griekenland met de maatregelen het EU-recht schendt, en hier indien nodig tegen op te treden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Hoe beoordeelt u de bevelen van het Europees Hof? Ziet u hierin aanleiding om de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving inzake de asielopschorting ter discussie te stellen, zowel zelfstandig als in EU-verband?
Ik begrijp dat u verwijst naar de voorlopige maatregelen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waar individuen klachten kunnen indienen over de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorlopige maatregelen zijn dringende maatregelen die in uitzonderlijke omstandigheden, na onderzoek van alle relevante informatie, worden toegepast wanneer het EHRM meent dat de betrokkene anders zal worden blootgesteld aan een dreigend risico op onherstelbare schade en wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk is in het belang van de partijen of voor het goede verloop van de procedure. Over dergelijke maatregelen wordt beslist in het kader van een procedure voor het EHRM, zonder vooruit te lopen op latere beslissingen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de zaak in kwestie. Voorlopige maatregelen worden niet gemotiveerd, dus de reden voor het opleggen van de voorlopige maatregel is niet bekend. Deze voorlopige maatregelen zeggen daarom nog niets over de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving.
Kunt u aangeven op welke manier bilateraal Nederlandse ondersteuning in Griekenland op uniebrede steun van de Europese Unie aan Griekenland mogelijk bijdraagt aan het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor zover bekend draagt bilaterale Nederlandse steun hier niet aan bij. Nederlandse bilaterale steun aan Griekenland richt zich op de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, via onder andere het MERIMNA III-project onder auspiciën van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) op het eiland Lesbos en het versterken van het Griekse voogdijprogramma voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Kunt u aangeven op welke manier Europese agentschappen zoals de European Union Agency for Asylum (EUAA) en Frontex mogelijk betrokken zijn bij het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor EUAA geldt dat zij sinds 2011 actief zijn in Griekenland en operationele ondersteuning verlenen. Voor zover bekend is in het meest recente operationele plan vastgesteld dat EUAA ondersteuning biedt op het vlak van de verwerking van asielaanvragen en het bieden van opvang in lijn met het GEAS. Het mandaat van EUAA strekt dus niet tot vreemdelingenbewaring. In hun operationele ondersteuning mogen zij dan ook geen taken uitvoeren die zien op inbewaringstelling. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Ook Frontex biedt ondersteuning aan Griekenlandop het gebied van grensbeheer en terugkeer. Frontex heeft hierbij geen rol in de inbewaringstelling bij asielaanvragen. Frontexpersoneel verwijst personen die een asielaanvraag indienen door naar de nationale autoriteiten. De afweging tot inbewaringstelling valt onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende lidstaat. De operationele inzet van Frontex wordt doorlopend gemonitord. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Kunt u toezeggen de Kamer regelmatig te informeren over de situatie van asielzoekers in Griekenland, en daarbij ook inzicht te geven in de inzet van de Nederlandse overheid, zowel zelfstandig als in EU-verband, om verbeteringen te bewerkstelligen?
Indien daar aanleiding toe bestaat, zal ik uw Kamer informeren, via de reguliere route van de geannoteerde agenda of het verslag van de JBZ-Raad.
Bent u op de hoogte van de stand van zaken in procedure INF(2022)2156, die de Europese Commissie in januari 2023 is gestart tegen Griekenland wegens het onvolledig transponeren van de Opvangrichtlijn (2013/33/EU), mede gezien rapporten (CPT-comité, VN-Mensenrechtencomité, Artsen zonder Grenzen, EHRM) over onmenselijke behandeling en erbarmelijke omstandigheden in gesloten centra op de Griekse eilanden?
Daar ben ik van op de hoogte. Vooralsnog is enkel bekend dat de Commissie op 26 januari 2023 een aanmaningsbrief aan Griekenland heeft gestuurd wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de richtlijn tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Richtlijn 2013/33/EU).1
Heeft u gesproken met uw Griekse collega over procedure INF(2022)2156? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
In mijn gesprekken met collega-bewindspersonen van andere lidstaten, de Commissie en tijdens besprekingen van de Raad, komen de brede bilaterale en EU-agenda aan de orde. Daarbij wordt van geval tot geval bezien of het opportuun is om aandachtspunten, zoals door het voormalige Lid Koekoek aangedragen, op te brengen.
Tijdens een ontmoeting met mijn Griekse collega en marge van de JBZ-Raad van 13 en 14 oktober 2025 in Luxemburg heb ik in het kader van de implementatie van het Asiel- en Migratiepact en het solidariteitsmechanisme benadrukt dat het van belang is voor Nederland dat lidstaten hun verplichtingen in het kader van Dublin nakomen. Daarvoor is het essentieel dat er adequate opvang beschikbaar is in lijn met de verplichtingen zoals vastgelegd in de opvangrichtlijn. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Heeft u procedure INF(2022)2156 besproken binnen de Europese Raad en met de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid uw Griekse ambtsgenoot aan te spreken over de niet proportionele beperkingen die worden opgelegd aan organisaties die essentiële hulp verlenen aan vluchtelingen en migranten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid de Europese Commissie op te roepen het Griekse registratiekader voor ngo’s volledig en spoedig te evalueren op verenigbaarheid met het EU-recht en internationale normen en wetgeving?
In het jaarlijkse rechtstaatrapport heeft de Commissie in het landenhoofdstuk over Griekenland aandacht besteed aan de registratievereisten voor NGO’s2. Tijdens de Raad Algemene Zaken vinden op basis van dit rapport landenspecifieke rechtsstaatdialogen plaats3. Nederland treedt in Benelux-verband op en bevraagt lidstaten daarin over ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat, en wisselt ook best practices uit. Deze dialoog biedt een goede gelegenheid om op Europees niveau over zorgwekkende ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat te spreken. Het kabinet vindt het preventief en structureel monitoren van de rechtsstaat in de Unie van groot belang, zodat in een vroeg stadium rechtsstatelijke problemen in de Unie kunnen worden geïdentificeerd, besproken en gezamenlijk tot oplossingen wordt gekomen.
Het bedrijf Pluspetrol |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eindverklaring van het OECD National Contact Point (NCP) over het bedrijf Pluspetrol die op 3 september is gepubliceerd?1
Ja.
Klopt het dat Pluspetrol een Argentijns bedrijf is met tien brievenbusmaatschappijen in Nederland?2 Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Pluspetrol activiteiten in Nederland heeft.
Heeft Pluspetrol in het verleden geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten zoals subsidies, bilaterale investeringsverdragen, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen? Is deze steun openbaar? Zo nee, waarom niet?
Pluspetrol heeft in het verleden niet geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten. Conform internationale afspraken3 investeert de Nederlandse overheid niet langer of verleent geen financiering of actieve ondersteuning met handelsbevordering instrumenten, zoals missies, met betrekking tot de fossiele energiesector in het buitenland. In specifieke gevallen kan hierop een uitzondering worden gemaakt als energieleveringszekerheid voor Nederland of Europa in het geding is.
Bent u van mening dat Pluspetrol, na het zeer kritische oordeel van het NCP, nog steeds recht heeft op Nederlandse handelsfaciliteiten, zoals subsidies, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen, indien zij hierom verzoeken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? En welke maatregelen gaat u dan treffen?
Pluspetrol kan geen aanspraak maken op het handelsinstrumentarium vanwege de in het antwoord op vraag 3 benoemde afspraken over de uitfasering van de ondersteuning voor de fossiele energiesector. In principe kan aan Pluspetrol geen toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen worden ontzegd. Wel kunnen er bij aanbestedingen ten aanzien van mensenrechten eisen worden gesteld waaraan bedrijven moeten voldoen.
In algemene zin verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat ze de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) toepassen.4
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het bedrijf Pluspetrol meer dan 3.200 vervuilde locaties heeft achtergelaten in Peru? Heeft u kennisgenomen van het feit dat Pluspetrol weigert voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen om de vervuilde locaties in Peru te saneren? Deelt u de analyse dat de financiele stromen van Pluspetrol via vennootschappen zonder reële economische activiteit in onder andere Nederland, verborgen blijven? Zo nee, kunt u dan op basis van publiek toegankelijke data aangeven hoeveel belasting de Nederlandse entiteiten van Pluspetrol de afgelopen 15 jaar aan de Nederlandse Belastingdienst hebben betaald?
Ik heb kennisgenomen van de bevindingen van de Eindverklaring van het NCP. Niet alle financiële stromen van bedrijven zijn openbaar. Het is op dit moment niet mogelijk om op basis van openbare data aan te geven hoeveel belasting bepaalde bedrijven in Nederland hebben betaald. Er worden echter relevante stappen gezet op het gebied van transparantie over de belastingafdracht van grote bedrijven. Met ingang van het boekjaar dat begint op of na 22 juni 2024 zijn multinationals in de EU met een totale geconsolideerde omzet van minstens € 750 miljoen jaarlijks verplicht om in het handelsregister onder meer openbaar te maken hoe veel winstbelasting zij betalen in de landen waarin ze actief zijn (de zogenaamde openbare country-by-country reporting, CbCR). Ook grote dochtermaatschappijen in de EU-lidstaten, waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd, zijn verplicht openbaar te maken hoe veel winstbelasting het hele concern in elke EU-lidstaat en in de landen daarbuiten betaalt.
Heeft de NCP-uitspraak consequenties voor eventuele afspraken met de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties?
De Belastingdienst is het op basis van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet toegestaan in te gaan op individuele fiscale dossiers. In algemene zin kan wel het volgende worden opgemerkt.
Een belanghebbende kan verzoeken om vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf. Dit geldt zowel voor burgers als bedrijven. Zo kun je als belastingplichtige vooraf zekerheid krijgen over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit doet de Belastingdienst binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie. Een ruling zorgt dus voor zekerheid vooraf over de uitleg van de wet. De uitleg van fiscale wet- en regelgeving voor belastingplichtigen is echter altijd gelijk, met of zonder ruling. Zekerheid vooraf vervult niet alleen een waardevolle functie voor belastingplichtigen, maar ook een belangrijke functie in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst zal onder andere echter geen zekerheid vooraf geven als het besparen van belasting de enige of doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) waarover zekerheid vooraf wordt gevraagd of wanneer de (rechts)handeling(en) buiten het beoogde fiscale voordeel geen of weinig reële, praktische betekenis heeft (hebben).
Bent u bekend met de observatie van het NCP dat het vanwege een gebrek aan capaciteit en informatie niet in staat was om de belastingontwijking door Pluspetrol te beoordelen? Bent u van mening dat bedrijven en de overheid meer gegevens en informatie moeten verstrekken over de activiteiten van bedrijven als Pluspetrol? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u hiertoe?
Ik ben bekend met de observaties van het NCP. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zullen grote multinationals meer transparantie moeten betrachten over hun belastingafdracht onder de openbare country-by-country reporting regels. Daarin wordt dus een stap gezet naar meer transparantie. Het kabinet ziet niet de mogelijkheid om vanuit de overheid meer informatie openbaar te maken over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht. Naast het beschermen van de privacy dient de fiscale geheimhouding het belang van de staat. De fiscale geheimhouding draagt namelijk bij aan de compliance, en daarmee de belastingheffing. Hierover heeft de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane uw Kamer op 21 juli 2025 geïnformeerd.5 Het kabinet verwijst u graag naar die brief voor de afwegingen die hebben geleid tot deze conclusie. Uw Kamer heeft de motie-Stultiens6 aangenomen om opties in kaart te brengen voor het vergroten van transparantie over belastingen door bedrijven en de overheid. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane zal voor de plenaire behandeling van het Belastingplan 2026 inhoudelijk reageren op deze motie.
Klopt het dat het aantal bedrijven dat de OECD Guidelines heeft erkend, op 35% staat?3 Klopt het dat het streven is om dit percentage naar 90% te brengen? Vallen bedrijven die hier gevestigd zijn als brievenbusfirma, zoals Pluspetrol, onder deze meting? Zo nee, waarom niet? Gaat dit veranderen naar aanleiding van het NCP oordeel, dat stelt dat ook deze bedrijven aan de OECD Guidelines moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
In 2013 is de doelstelling geformuleerd dat 90% van de grote Nederlandse bedrijven in 2023 de OESO-richtlijnen expliciet zou onderschrijven als referentiekader voor hun internationale activiteiten. Bij de eindmeting in 2023 bleek dat 41% van deze bedrijven de OESO-richtlijnen en/of UN Guiding Principles on Business and Human Rights onderschreef.8 De onderzoeksgroep betrof in Nederland gevestigde bedrijven die binnen de destijds beoogde reikwijdte van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) vielen en waarvoor relevante data beschikbaar was. In het BHOS-jaarverslag 2023 (Kamerstuknummer 36560-XVII-1) is toegelicht dat dit de laatste keer was dat de voortgang op de 90%-doelstelling is gemonitord. Dit met het oog op aanstaande IMVO-wetgeving die het voor een deel van het bedrijfsleven verplicht maakt gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
Het Advies Informatievoorziening Infectieziektebestrijding (IV-IZB) |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat was de aanleiding voor u en uw ministerie om het Adviescollege ICT-toetsing te verzoeken om een onderzoek uit te voeren naar het programma Informatievoorziening Infectieziektebestrijding (IV-IZB)? Had u op dat moment al signalen dat de doelen niet behaald zouden worden?
De aanleiding voor het verzoek aan het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) was dat ministeries verplicht zijn om alle voorgenomen ICT-projecten van meer dan vijf miljoen euro bij AcICT aan te melden. Voorafgaand daaraan is het programma meermaals extern getoetst, via twee gateway reviews en een CIO-oordeel. Aanbevelingen hieruit zijn overgenomen en geïmplementeerd. In de voortgangsbrieven Pandemische Paraatheid die op 29 juni 2023 en op 26 oktober 2023 met uw Kamer zijn gedeeld, heb ik reeds aangegeven dat mijn ministerie voornemens was (in de loop van 2024) een externe toets door AcICT uit te laten voeren.1
Sinds wanneer is bekend op uw departement dat er problemen zijn met de samenhang en de regie van dit project?
Begin september 2025 heb ik het definitieve advies van AcICT ontvangen waarin deze conclusies worden getrokken.
Klopt het dat grote ICT-projecten zoals bij pandemische paraatheid op tijd bij het Adviescollege ICT-toetsing moeten worden aangemeld, gezien eerdere ICT-debacles die gepaard gingen met grootschalige verkwisting van publiek geld?
Ja, grote ICT-projecten worden door ministeries verplicht bij AcICT aangemeld voor toetsing, voordat onomkeerbare stappen worden gezet. Daarmee is door de rijksoverheid een controle ingebouwd om de risico’s van grote ICT-projecten te beperken en de slaagkans van dergelijke projecten te vergroten. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, heeft mijn ministerie dat ook gedaan.
Wanneer is het ICT-programma begonnen en wanneer is het aangemeld bij het Adviescollege ICT-toetsing? Klopt het dat daar meer dan anderhalf jaar tussen zat? Klopt het dat dit project vanwege zijn omvang (186,9 miljoen euro) tot één van de zeer grote IT-projecten behoort met bijbehorend groot risico?
Het IV-programma is in 2023 gestart en VWS was voornemens in de zomer 2024 het programma te laten toetsen door AcICT. In het licht van de bezuinigingen op structurele middelen voor beheer en onderhoud in het Hoofdlijnenakkoord van 2024 heeft AcICT medio augustus 2024 besloten om een voorgenomen toets op het programma uit te stellen naar een later moment. Het klopt dat dit programma op dit moment tot één van de grote IT-projecten van de rijksoverheid behoort.2
Klopt het dat er al 44 miljoen euro is uitgegeven en het project nu stop wordt gezet? Wat is er met deze 44 miljoen euro gerealiseerd?
Het klopt dat er tot nu toe 44 miljoen euro is uitgegeven, zoals AcICT in zijn advies schrijft. Daarmee zijn sinds de start van het programma in 2023 verschillende zaken bereikt en opgeleverd, onder andere:
Het programma wordt in zijn huidige vorm gestopt, in lijn met het advies van AcICT. Ik breng eerst de randvoorwaarden op orde en voer een aantal fundamentele wijzigingen door in de programmaopzet, -aansturing en -uitvoering, om vervolgens een herstart te kunnen maken in fases. Voor de herstart wordt voortgebouwd op de reeds gerealiseerde zaken die hierboven worden genoemd en die noodzakelijk zijn om het nieuwe programma te voltooien.
Waarom zijn er vooraf geen duidelijke afspraken gemaakt over het eigenaarschap van, de verantwoordelijkheid voor, en de besturing van de toekomstige informatievoorziening over data, processen, intellectueel eigendom en beheer? Bent u het met de adviesraad eens dat vanuit u en uw ministerie te weinig regie is genomen op dit project en zo ja, hoe komt dit?
Elk van de betrokken organisaties is eigenaar van de eigen informatievoorziening en blijft verantwoordelijk voor ordentelijke verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens via de vigerende kaders zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Voor de sturing van het programma is reeds een governance ingericht onder leiding van een landelijke stuurgroep, die wordt voorgezeten door VWS. Deze afspraken zijn onveranderd. De afspraken over beheer van het IV-landschap en alle daaraan verwante vraagstukken kunnen verder worden uitgewerkt nadat een landelijke beheerorganisatie (LBO) is geselecteerd, naar verwachting dit najaar. Ik ben het met AcICT eens dat het programma beter te beheersen zal zijn als het gefaseerd wordt uitgevoerd. VWS zal daarom de regie op het programma na de herstart versterken door eerst de basis die nodig is voor de reguliere infectieziektenbestrijding op orde te brengen en daarna pas de grootschalige pandemische functies te bouwen.
Hoe reflecteren het RIVM en GGD-GHOR op de constateringen in het rapport, op het gebrek aan samenhang in de projecten en kunt u hen verzoeken hun reflectie zo snel mogelijk met de Kamer te delen?
Beide organisaties hebben aangegeven zich te herkennen in de constateringen in het adviesrapport, en hebben deze aangegrepen om te komen tot een inhoudelijke én financiële herijking van hun deel in het programma. Mede op basis hiervan heb ik besloten het programma in z’n huidige vorm te stoppen (conform het advies van AcICT) en een herstart te maken waarin randvoorwaarden verder op orde zijn gebracht, de focus eerst gelegd wordt op het op orde brengen van de basis (fase 1) en vervolgens de grootschalige pandemische functies worden toegevoegd (fase 2). Beide organisaties geven tegelijk aan blij te zijn dat nut en noodzaak voor de maatschappelijke opgave nogmaals wordt bevestigd in het adviesrapport van AcICT.
Kunt u duiden hoe de onderzoekers in het rapport tot de conclusies zijn gekomen dat «de eisen aan pandemische paraatheid van de LFI geen concrete en meetbare invulling [hebben]» en «de bijdrage van ieder van de deelprojecten aan de doelstellingen is onvoldoende expliciet gemaakt»?
AcICT is van mening dat doelstellingen van het programma nog onvoldoende duidelijk zijn. Het baseert zich daarbij op interviews en stukken en maakt daarin een eigen afweging. Ik maak dankbaar gebruik van de feitelijke constateringen en adviezen om de slaagkans van het programma te vergroten. Zo constateren de onderzoekers bijvoorbeeld terecht dat de eisen voor een aantal LFI-voorzieningen nog onvoldoende zijn uitgewerkt. Dit was ook in het programma bekend en werd tot dan toe niet als groot risico beschouwd dat het einddoel en planning in gevaar zou brengen. Het advies van AcICT onderstreept echter de urgentie om op korte termijn deze eisen gereed te hebben en daarvoor zijn inmiddels de nodige acties genomen.
Kunt u uitleggen waarom herformuleren van de doelen voor het IV-IZB programma geen onderdeel uit lijken te maken van het op orde brengen van de randvoorwaarden? Hoe voorkomen we dat dit opnieuw mis gaat?
In mijn bestuurlijke reactie kondig ik aan dat het ministerie de uitvoerende partijen onder strakkere regie beter gaat aansturen. Onderdeel daarvan is ook het specifiek, meetbaar, actiegericht, realistisch en tijdsgebonden (SMART) herformuleren van de doelstellingen. Door fasering tegelijk met verbetering van periodieke rapportages, kwaliteitsmanagement en financiële verantwoording verwacht ik dat mijn departement beter in staat is om regie te voeren op de uitvoering van het programma.
Wat maakt dat u het ondanks de inschatting in het rapport dat uw ministerie enkele jaren nodig zal hebben voor het invullen van de randvoorwaarden, mogelijk acht nog dit najaar fase 1 te kunnen herstarten?
Ik ben voornemens om een aantal randvoorwaarden (structurele financiering, selecteren landelijke beheerorganisatie (LBO) en strakkere regie vanuit het ministerie) dit najaar op orde te brengen. Daarmee acht ik een herstart op korte termijn mogelijk. Juridische aspecten breng ik gedurende de looptijd van het programma op orde. Daarmee voorkom ik dat de uitvoering van het programma onnodig grote vertraging oploopt, gezien de doorlooptijd van een gemiddeld wetstraject. Dat de wetgeving nog niet is afgerond staat het realiseren van informatievoorzieningen namelijk niet in de weg, omdat het niet leidt tot andere technologische keuzes voor ondersteuning van gegevensuitwisseling en het ook noodzakelijk is om voortgang te behouden op dat vlak. Zo zijn de aanpassingen van de Wet Publieke Gezondheid (2de en 3de tranche) al enige tijd in voorbereiding. Daarnaast werk ik aan wet- en regelgeving om de centrale beheertaak van de informatievoorziening (LBO) te beleggen bij het aangewezen agentschap en het verplichte gebruik van die voorziening door alle GGD’en. Vanzelfsprekend geldt dat aanvaarding door het parlement van de voorgestelde wet- en regelgeving en inwerkingtreding daarvan essentieel zijn voor het daadwerkelijke centrale beheer van de informatievoorziening door het agentschap.
Met de recente datadiefstal bij bevolkingsonderzoek Nederland nog in gedachten, welke extra maatregelen bent u voornemens te treffen om toekomstige patiëntdata die binnen het IV-IZB verzameld zal worden, extra te beschermen?
De informatievoorzieningen in dit nieuwe IV-landschap moeten voldoen aan de strengste Rijkskaders voor cyberveiligheid, zoals opgelegd door de Europese NIS2-verordening (in Nederland geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet) en het Rijkscloudbeleid. Ook door de landelijke beheerorganisatie voor de GGD’en worden deze kaders gevolgd.
Hoe komt het dat er vooral aandacht is voor de koude fase en weinig op de warme fase? Hoe reflecteert u hier op?
Functies die nodig zijn tijdens de reguliere infectieziektebestrijding (koude fase) zijn ook in opgeschaalde vorm nodig ten tijde van een pandemie (warme fase). Zonder een solide basis is opschalen in crisistijd niet mogelijk. Daarom maak ik nu, in lijn met het AcICT advies, de keuze om eerst de basis op orde te brengen voor de reguliere infectieziektebestrijding en daar vervolgens de grootschalige pandemische functies aan toe te voegen. Op die manier wordt een IV-landschap gerealiseerd dat klaar is voor dagelijks gebruik in de infectieziektebestrijding, én klaar is voor opschaling wanneer dat aan de orde is vanwege een grootschalige (pandemische) uitbraak. Daarmee blijft het IV-landschap in lijn met een fundamentele ontwerpkeuze die ik op 31 januari 2023 met uw Kamer heb gedeeld als antwoord op vragen naar aanleiding van een schriftelijke overleg: «Maak voor de reguliere infectieziektebestrijding een informatievoorziening die geschikt is voor opgeschaald gebruik».3
Hoe ziet u deze tekortkomingen in het licht van het belang van maatschappelijke weerbaarheid en opschalingsvermogen, zowel fysiek als digitaal, in tijden van crisis? Hoe krijgt Nederland zo snel mogelijk robuuste IT-infrastructuur voor noodsituaties zoals een pandemie of een andere volksgezondheidscrisis?
Het Programma IV IZB zorgt voor (door)ontwikkelen van de informatievoorziening voor de reguliere infectieziektebestrijding die ook geschikt is voor opgeschaald gebruik en draagt daarmee bij aan de weerbaarheid van Nederland ten tijde van noodsituaties als een pandemie. Door de nodige aanpassingen te doen in het programma, zoals fasering en financiële herijking, en daarna op korte termijn een herstart te maken, krijgt Nederland zo snel mogelijk de benodigde IT-infrastructuur in de publieke kern van infectieziektebestrijding.
Kunt u toezeggen dat u de Kamer duidelijk informeert over hoe dit project zal worden voortgezet alvorens onomkeerbare stappen te nemen?
In het verleden is uw Kamer op gezette tijden geïnformeerd over de voortgang van het beleidsprogramma Pandemische Paraatheid, waarvan dit IV-programma een vast onderdeel is. Ik zal uw Kamer uiteraard op de hoogte blijven houden van de voortgang.
De brandbrief van burgemeesters over de wolf en over wolven uitrusten met zenders. |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Herkent u de signalen uit de brandbrief dat de angst en maatschappelijke onrust toenemen doordat wolven vaker nabij mensen, bebouwing en huisdieren worden gesignaleerd?1
Ik ben me zeer bewust van de toenemende angst en maatschappelijke onrust. Daarom zet ik me samen met provincies en gemeenten met de grootste urgentie in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen bij incidenten mogelijk te maken.
Deelt u de opvatting dat het uitrusten van wolven met zenders noodzakelijk is om beter inzicht te krijgen in hun gedrag en verplaatsingen in een klein en dichtbevolkt land als Nederland, en dat dit direct kan bijdragen aan veiligheid en risicobeheersing?
Ik vind het zenderen van wolven van groot belang om meer inzicht te krijgen in het gedrag van probleemwolven. De gegevens uit zenderonderzoek kunnen behulpzaam zijn bij het opstellen van beleid om incidenten met wolven te beperken.
Bent u bereid te bevorderen dat in het vervolgonderzoek álle bekende roedels in Nederland worden bezenderd, zodat er een landelijk dekkend en meerjarig beeld ontstaat van verplaatsingen, incidenten en risico’s?
Ik ga er op inzetten om wolven via zenders beter te monitoren in Nederland. Om een bruikbaar beeld van het gedrag van wolven in alle territoria in Nederland te krijgen, wordt door de deskundigen aangegeven dat idealiter in elk roedel ten minste een van de territoriale ouderdieren wordt gezenderd. Er bestaan grote individuele verschillen tussen dieren voor wat betreft hun gedrag, maar ouderdieren kunnen in de regel wel een goede indicatie geven. Deze dieren zijn de permanente gebruikers van dit territorium en hun gedrag is veelal exemplarisch voor het gedrag van alle dieren in hun roedel.
Welke juridische voorwaarden gelden momenteel voor zenderonderzoek bij wolven? Klopt het dat hiervoor een ontheffing onder artikel 16 van de Habitatrichtlijn is vereist, en hoe beoordeelt u de toepasbaarheid daarvan in de Nederlandse situatie?
Wanneer een wolf wordt gevangen, daarna verdoofd en vervolgens onder verdoving een halsbandzender wordt omgehangen, is er sprake van een dierproef. 2Zenderonderzoek zal daarom moeten voldoen aan de vereisten uit de Wet op de dierproeven (Wod). Dat betekent dat een instelling een algemene vergunning dient te hebben om proefdieronderzoek te mogen doen (instellingsvergunning). Tevens dient voor het specifieke zenderonderzoek een projectvergunning aangevraagd te worden bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).
Naast de verplichtingen van de Wod zal voor het vangen en verdoven van wolven ook moeten worden voldaan aan de voorwaarden van de Habitatrichtlijn. Hiervoor is een vergunning nodig van de provincie(s) waar het zenderen plaatsvindt of – wanneer onderzoek wordt uitgevoerd op terreinen van het Ministerie van Defensie of op het Kroondomein – een vergunning van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze vergunningplicht geldt zodra de bij beide Kamers voorgehangen AMvB van kracht wordt.3 Tot die tijd geldt de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaraan bij maatwerkvoorschrift verder invulling kan worden gegeven.
In de vergunning – als straks de vergunningplicht van kracht is geworden – zal ook moeten worden aangegeven welke vangmethode gebruikt kan worden. Tot de invoering van de vergunningplicht kunnen in een maatwerkvoorschrift op dit punt beperkingen worden gesteld.
Een verdovingsgeweer is de gebruikelijke vangmethode. Deze methode is echter alleen bruikbaar wanneer de wolf zich op een afstand bevindt die korter is dan circa 30 meter. Aangezien de natuurlijke verstoringsafstand van een wolf zo’n 100 meter is, is veelal ook een manier nodig om dicht bij een wolf te kunnen komen. Kastvallen zijn voor wolven minder geschikt, omdat de dieren deze in de regel vermijden. Het gebruik van vallen met een niet-selectieve werking of van andere niet-selectieve middelen of vangmethode is op grond van artikel 15 van de Habitatrichtlijn in beginsel verboden. Gebruik daarvan vergt een aanvullende omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit dan wel maatwerkvoorschriften van de betreffende provincie(s) of – wanneer onderzoek wordt uitgevoerd op terreinen van het Ministerie van Defensie of op het Kroondomein, van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Daarbij moet toepassing worden gegeven aan het beoordelingskader van artikel 16 van de Habitatrichtlijn.
Daarnaast heeft de EU een verbod ingesteld op het gebruik van wildklemmen voor het vangen van wilde dieren (Verordening 3254/91/EEG). Dit verbod is neergelegd in artikel 11.72, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt in principe ook voor het gebruikvan pootklemmen voor het vangen van wolven. Volgens de Europese Commissie4 kan evenwel bij uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek of monitoring van diersoorten – waaronder zenderen kan worden begrepen – het gebruik van pootklemmen worden toegestaan, in het licht van de doelstelling van Verordening 3254/91/EEG om de instandhouding van diersoorten te verbeteren. De pootklem kan dus niet worden gebruikt om dieren te vangen met als doel om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden.
Hoeveel ontheffingen voor zenderonderzoek zijn in Nederland de afgelopen jaren verleend en uitgevoerd, en hoe verhoudt dit zich tot de praktijk in andere lidstaten, zoals Duitsland en Finland, waar structureel zenderprogramma’s bestaan?
Wageningen University & Research (WUR) beschikt sinds 7 september 2021 over een onherroepelijke onderzoeksontheffing, verleend door de provincie Gelderland voor het vangen en zenderen van onder andere zoogdieren. Wolven vallen hier ook onder. Medio oktober heeft WUR gebruik gemaakt van deze ontheffing en voor het eerst een wolf in het Nationaal Park de Hoge Veluwe voorzien van een zender voor onderzoek. Daarnaast beschikt de Zoogdiervereniging sinds 1 juni 2023 over een vergelijkbare onherroepelijke onderzoeksontheffing, verleend door de provincie Gelderland.
De provincie Utrecht heeft onlangs via maatwerkvoorschriften toestemming gegeven voor het zenderen van wolven in hun provincie. Er is in deze provincie nog geen wolf voorzien van een zender.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, is het aan de provincies of RVO om structurele zenderprogramma’s door middel van vergunningen of maatwerkvoorschriften mogelijk te maken.
Hoe gaat u borgen dat de gegevens uit zenderonderzoek niet alleen voor ecologische doeleinden worden benut, maar ook actief beschikbaar komen voor provincies, gemeenten en burgemeesters die verantwoordelijk zijn voor openbare orde en veiligheid?
Gegevens uit wetenschappelijk zenderonderzoek zijn in de regel openbaar beschikbaar. Ik ga ervan uit dat hierover afspraken worden gemaakt binnen de onderzoeksplannen. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, kan het gebruik van pootklemmen voor het vangen van wolven voor zenderonderzoek op grond van EU regels alleen worden toegestaan als het doel is om de instandhouding te verbeteren en niet om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden in het kader van openbare orde en veiligheid.
Is het mogelijk, en zo ja op welke termijn, om aan de hand van bestaande, lopende en nieuwe onderzoeken, te komen tot een landelijk dekkend Soorten Management Plan (SMP) voor de wolf, zodat provincies en gemeenten in de vergunningverlening ook handelingsperspectief krijgen met een (wetenschappelijke) onderbouwing?
Een Soorten Management Plan (SMP) kan worden gebruikt als basis voor een gebiedsvergunning voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna (flora- en fauna-activiteiten). Provincies zijn in de regel het bevoegd gezag voor het afgeven van een dergelijke gebiedsvergunning, waarbij iedere provincie in beginsel alleen bevoegd is voor het verlenen van een gebiedsvergunning voor handelingen die plaatsvinden binnen de eigen provinciegrenzen. Het opstellen van één landelijk dekkend SMP voor de wolf zal waarschijnlijk onvoldoende gedetailleerde gebiedspecifieke informatie bieden om te kunnen gebruiken als basis voor verschillende gebiedsvergunningen in meerdere provincies. Het ligt daarom meer voor de hand om, indien SMP’s inderdaad als kansrijke oplossingsrichting worden gezien, specifiek op provincies toegesneden provinciale SMP’s te maken op grond waarvan provincies gebiedsvergunningen kunnen verlenen. De provincies zijn samen met mijn ministerie aan het verkennen welke juridisch houdbare mogelijkheden er zijn om sneller een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te kunnen verlenen voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van de wolf. Daarbinnen is ook de vraag meegenomen of het opstellen van een SMP (één landelijk dekkend of meerdere op provincies toegesneden SMP’s), met daaraan gekoppeld het verlenen van een gebiedsvergunning, als één van de oplossingsrichtingen verkend kan worden. Of dit ook daadwerkelijk zal leiden tot een beter handelingsperspectief voor vergunningverlening door provincies (of gemeenten) is op dit moment nog niet te zeggen.
Acht u het denkbaar dat zenderdata kunnen worden gebruikt om in Europees verband beleidsruimte te onderbouwen voor maatwerk, zoals het verjagen van wolven of andere maatregelen om de risico’s verder te beheersen, nu Wageningen University & Reseaerch (WUR) concludeert dat Nederland niet zelfstandig een gunstige staat van instandhouding van de wolf kan bereiken? In navolging op eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Flach (SGP) van 23 september 2025.
Voor het onderbouwen van beleid zijn gegevens uit zenderonderzoek zeer nuttig. Ook om meer duidelijkheid te krijgen over de staat van instandhouding van wolven in Nederland. De conclusies uit het onderzoek van WUR zijn voor mij niet voldoende. Er is hier namelijk enkel door een ecologische bril naar één puzzelstukje van een voor mij veel grotere puzzel heeft gekeken. Daarom laat ik een aanvullend onderzoek uitvoeren door een andere internationale deskundige onderzoekspartij. Ik heb de betrokken onderzoekspartij gevraagd om in dit nieuwe onderzoek de specifieke situatie voor Nederland als klein en dichtbevolkt land te betrekken en dus juist ook andere relevante perspectieven zoals socio-economische overwegingen en fysieke veiligheid hier expliciet in mee te nemen.
De Ontwerp-Nota Ruimte |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
De Minister stelt in de Ontwerp-Nota Ruimte dat «iedere regio telt»; hoe wordt dat concreet geborgd, nu de nadruk in de Ontwerp-Nota Ruimte vooral op metropoolregio’s en grote steden ligt?
Hoe zorgt u ervoor dat woningbouw en ruimtegebruik niet worden gedicteerd door marktbelangen (projectontwikkelaars, beleggers), maar primair door publieke waarden als betaalbaarheid, leefbaarheid en strategische autonomie?
Deelt u de mening dat er duidelijke keuzes gemaakt moeten worden voor wat Nederland voor economie wil zijn? Waarom ontbreekt in de Ontwerp-Nota Ruimte een normerend kader dat bijvoorbeeld uitsluit dat Nederland zich verder specialiseert in distributiecentra en datacenters, in plaats van in innovatieve maakindustrie of kennisintensieve sectoren?
Hoe borgt u dat mensen zien dat keuzes rechtvaardig en uitlegbaar zijn? Op welke manier wordt transparant gemaakt wat er niet meer kan, en waarom?
Waarom kiest u voor open einden en ontwikkelpaden in plaats van voor harde beslissingen tot 2050, terwijl burgers en gemeenten juist behoefte hebben aan duidelijkheid?
Kunt u bevestigen dat de ambitie uit de woondeals en de Ontwerp-Nota Ruimte is om 1 miljoen woningen te realiseren tot en met 2034?
Kunt u exact aangeven welke locaties deze 1 miljoen woningen opleveren, uitgesplitst in grootschalige gebieden, regionale locaties en kleinschalige binnenstedelijke verdichting?
Hoeveel van deze 1 miljoen woningen zijn concreet gealloceerd aan grootschalige locaties die in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn opgenomen, en hoeveel zijn afhankelijk van kleinschalige binnenstedelijke verdichting?
Hoeveel woningen uit de woondeals zijn niet terug te vinden in de Ontwerp-Nota Ruimte? Welke risico’s brengt dat met zich mee voor de haalbaarheid van de nationale doelstelling?
Hoeveel woningen worden volgens u tot 2034 gerealiseerd op: a) nieuwe uitleglocaties, b) transformatielocaties (bijvoorbeeld bedrijventerreinen), c) binnenstedelijke verdichting?
Hoeveel woningen verwacht u dat er in de periode 2035–2050 worden gebouwd? Kunt u dit uitsplitsen in scenario’s, mede in relatie tot de rapportage van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen?
Wanneer zullen de eerste woningen in de vier nieuwe nationale grootschalige locaties (Apeldoorn, Helmond, Alkmaar, Hengelo/Enschede) worden opgeleverd en hoeveel daarvan zullen tot 2034 opgeleverd worden?
Welke garanties heeft u dat de fasering van de 17 nationale grootschalige NOVEX-gebieden daadwerkelijk tot de beoogde 400.000 woningen tot 2030 leidt?
Welke concrete saneringsopgaven (bodem, vervuilde terreinen, oude stortplaatsen) moeten worden opgelost voordat woningbouw op de aangewezen locaties kan starten?
U stelt dat voor alle ruimtevraagstukken samen drie keer het grondoppervlak van Nederland nodig zou zijn. Welke concrete keuzes zijn daarom niet in de Concept-Nota Ruimte opgenomen; wat doen we dus niet?
Waarom sluit u geen sectoren uit, zoals datacenters, distributiecentra of grootschalige slachterijen, terwijl dit forse claims legt op de beschikbare ruimte?
Op welke locaties is woningbouw bewust niet mogelijk verklaard vanwege waterveiligheid, bodemgesteldheid of andere fysieke beperkingen?
Welke economische functies krijgen volgens de Ontwerp-Nota Ruimte voorrang, en welke functies worden achtergesteld of beperkt?
Hoe beoordeelt u het verschil in benadering: mijn fractie kiest voor expliciete begrenzing van economische activiteiten (geen grote datacenters/distributie/slachterijen), de Ontwerp-Nota Ruimte kiest voor clustering maar sluit deze functies juist niet uit?
Welke ruimte wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte expliciet gereserveerd voor de borging van voedselzekerheid in Nederland?
Hoe verhoudt de landbouwtransitie (gericht op verduurzaming en natuurinclusief) zich tot het waarborgen van voldoende productiecapaciteit voor de Nederlandse autonome voedselzekerheid?
Welke ruimteclaims zijn gereserveerd voor energiezekerheid (opslag, infrastructuur, kernenergie, hernieuwbaar) en zijn deze ruimteclaims prioritair?
Op welke manier is rekening gehouden met de ruimtebehoefte van Defensie (NPRD – Nationaal Programma Ruimte voor Defensie), en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwplannen?
Hoe worden conflicten opgelost wanneer de ruimteclaims voor energie, defensie en woningbouw elkaar overlappen in dezelfde regio?
Op welke wijze heeft u het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen meegenomen in de Ontwerp-Nota Ruimte?
Kunt u toelichten hoe het voorkeursscenario van de Staatscommissie (met een lagere migratie en meer grip op bevolkingsgroei) zich vertaalt in de woningbouwopgave tot 2050?
Waarom zijn er in de Concept-Nota Ruimte geen harde bouwcijfers na 2034 opgenomen, terwijl we nu al weten dat de demografische druk doorloopt tot 2050 en verder?
Hoe borgt de Minister dat de regionale verschillen in demografie (krimpgebieden versus groeiregio’s) voldoende worden meegenomen in de ruimtelijke keuzes?
In hoeverre zijn de demografische ramingen van het CBS en PBL (hoge migratiescenario’s) bepalend geweest voor de gekozen ontwikkelpaden?
In hoeverre is de Ontwerp-Nota Ruimte beperkt of gestuurd door Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, Natura 2000-verplichtingen en klimaatdoelstellingen (Fit for 55)?
Hoeveel van de keuzes in de Ontwerp-Nota Ruimte zijn ingegeven door Europees recht en hoeveel door nationale beleidskeuzes?
Waar ziet de u de meeste spanning tussen Europese verplichtingen en de Nederlandse woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u de kritiek dat Europese milieudoelen ««verstikkend»« werken voor nationale keuzes in ruimtegebruik, en deelt u de analyse dat dit de bouwopgave vertraagt?
Hoe borgt u dat Nederland voldoende ruimte houdt voor strategische autonomie (energie, defensie, voedsel) binnen de kaders van Europese wetgeving?
Wanneer ontvangt de Kamer een concreet uitvoeringsplan bij de Ontwerp-Nota Ruimte met duidelijkheid over verantwoordelijkheden, instrumenten, tijdslijnen en monitoring?
Hoe voorkomt u dat de Ontwerp-Nota Ruimte net als eerdere nationale plannen blijft steken in ambities zonder tanden, doordat concrete afspraken ontbreken?
Hoe wordt gezorgd dat de capaciteit bij gemeenten, provincies en uitvoeringsorganisaties voldoende is om de ruimtelijke keuzes daadwerkelijk uit te voeren?
Hoeveel geld is er tot 2034 en daarna tot 2050 nodig en daadwerkelijk beschikbaar (reality check) om de gekozen woningbouwlocaties, infrastructuur, natuur- en energieopgaven echt te realiseren?
Hoe beoordeelt u de haalbaarheid van de ruimtelijke keuzes, als er geen duidelijkheid is over budget, kostenverdeling tussen Rijk, regio’s en gemeenten, en dekking in de rijksbegroting?
Hoe gaat u om met de faalkosten van beleid (vertragingen, juridische procedures, mislukte plannen) en is hiervoor een reservering gemaakt?
Hoe garandeert u dat keuzes die in de Ontwerp-Nota Ruimte worden gemaakt niet leiden tot structureel hogere kosten voor burgers (bijvoorbeeld via hogere grondprijzen, woonlasten of energieprijzen)?
Hoe verhoudt de Ontwerp-Nota Ruimte zich tot de adviezen van de Raad van State over de noodzaak tot keuzes en prioritering in het ruimtegebruik?
Hoe borgt u dat burgers betrokken worden bij keuzes die hun leefomgeving fundamenteel veranderen?
Hoe wordt voorkomen dat de Ontwerp-Nota Ruimte een papieren werkelijkheid blijft en dat de feitelijke beslissingen versnipperd en inconsistent zijn?
Hoe gaat u om met de kritiek dat de Ontwerp-Nota Ruimte vooral een optelsom van claims is, zonder helder rangordekader (welke claims zwaarder wegen dan andere)?
De gelekte brief waarin Tata Steel 685 miljoen euro moet betalen vanwege trage verduurzaming |
|
Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Tata Steel Nederland (TSN) de komende jaren honderden miljoenen extra kwijt zal zijn aan het kopen van emissierechten, in totaal € 685 miljoen in 2030?1
Ja.
Erkent u dat dit geen onverwachte tegenvaller is, maar een volledig voorzienbare consequentie van de ETS-systematiek waarin de gratis rechten gebaseerd zijn op historische productievolumes? Zo nee, waarom niet?
De hoeveelheid gratis rechten is inderdaad onder andere gebaseerd op historische productievolumes, maar bijvoorbeeld ook op de Europese benchmark en op de langere termijn ook op de implementatie van de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Voor TSN speelt mee dat de werkzaamheden aan Hoogoven 6 begin 2024 zijn uitgelopen waardoor er minder staal is geproduceerd. Dit lagere productievolume heeft geresulteerd in minder gratis rechten. Deze consequentie was van tevoren bekend en daarom ook in de bedrijfsvoering meegenomen.
Deelt u de mening dat het doel van het ETS-systeem is om vervuilers financieel te prikkelen sneller te verduurzamen, en dat het huidige systeem in die zin «werkt» doordat TSN nu met forse kosten wordt geconfronteerd? Hoe rijmt u dit met het beleid om tegelijkertijd via subsidies de financiële prikkels van het ETS-systeem deels teniet te doen?
Het EU ETS is een marktinstrument waarmee de Europese Unie de uitstoot van broeikasgassen kosteneffectief wil verminderen. De handel in emissierechten is de handel in emissieruimte: het recht om een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten. Het aantal beschikbare rechten is beperkt en gaat ook nog eens elk jaar omlaag. Bedrijven, zoals TSN, ontvangen gratis rechten én kunnen handelen in rechten. De prijs voor een emissierecht, de CO2-prijs, wordt bepaald door vraag en aanbod. Dat maakt emissiehandel een marktinstrument om klimaatverandering tegen te gaan.
Het kabinet hecht aan het belang van een verduurzaamde industrie in Nederland. Het Nederlandse beleid ten aanzien van de verduurzaming van de industrie bestaat uit verschillende instrumenten. Zo zijn er beprijzende instrumenten, zoals EU ETS, waardoor bedrijven moeten gaan betalen voor hun CO2-uitstoot. Ook zijn er stimulerende instrumenten gericht op de opbouw van deze duurzame industrie en het behoud van de industrie. Te denken valt aan de ontwikkeling van innovatieve technologieën, ondersteund door bijvoorbeeld de maatwerkaanpak, NIKI, SDE++ en DEI+. Deze instrumenten subsidiëren (een deel van) de onrendabele top van een investering, dus enkel het deel dat nodig is om de business case sluitend te krijgen. De maatwerkaanpak richt zich op bovenwettelijke maatregelen, dus meer of sneller verduurzamen dan de wet vraagt. Dit geldt dus ook voor de maatwerkafspraak met TSN.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van emeritus hoogleraar Sweder van Wijnbergen in het artikel dat subsidie aan Tata Steel de bedoeling van het ETS-systeem ondermijnt?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 vermeld, bestaat het Nederlandse beleid uit een combinatie van instrumenten om verduurzaming te realiseren. Alle bedrijven die onder het EU ETS systeem vallen, kunnen ook aanspraak maken op de stimulerende instrumenten, niet alleen TSN. Daarbij is het ETS een Europees systeem. Ook andere Europese staalfabrieken die onder het ETS systeem vallen worden ondersteund bij hun verduurzamingsopgave.
Was u voor het verschijnen van dit artikel op de hoogte van deze additionele kosten, waarvan het bedrijf zelf in elk geval sinds februari 2024 weet (de datum van het interne document)? Zo ja, heeft u dit meegewogen in de onderhandelingen over maatwerksubsidie? Zo nee, in hoeverre verandert dit uw inzet bij de onderhandelingen?
In de business case voor de maatwerkafspraak wordt gekeken naar meest actuele prognoses van kosten en opbrengsten, in dit geval cijfers en prognoses uit 2025. Dit geldt dus ook voor de CO2 kosten.
Heeft TSN de afgelopen jaren een voorziening aangelegd voor de gratis emissierechten die zij door lagere productie «te veel» ontvingen? Zo ja, wat is de omvang van deze voorziening en hoe wordt deze ingezet? Zo nee, acht u dit prudent ondernemingsbeleid?
Vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid kunnen geen uitspraken worden gedaan over specifieke cijfers of, in dit geval, voorzieningen. Het kabinet wil benadrukken dat de CO2 kosten en de maatregelen die TSN in verband daarmee getroffen heeft integraal zijn meegenomen in de business case die onderdeel is van de maatwerkgesprekken.
Hoe schat u de concurrentiepositie van Tata Steel in nu ze de komende jaren 685 miljoen euro extra kosten kunnen verwachten, zelfs ten opzichte van concurrenten binnen Europa? Ziet u nog een toekomst waarin Tata Steel op eigen kracht kan concurreren, of is dit bedrijf structureel afhankelijk geworden van staatssteun?
Zie het antwoord op vraag 6 wat betreft de bedrijfsvertrouwelijkheid van deze cijfers en het integraal meenemen van de CO2 kosten in de business case en het antwoord op vraag 5 dat we bij de maatwerkafspraak met TSN kijken naar de cijfers en prognoses van 2025. Op basis van die business case ziet het kabinet zeker een toekomst waarin TSN op eigen kracht kan opereren. Ook de Europese Commissie toetst hierop aangezien er onder het relevante staatssteunkader geen staatssteun mag worden gegeven aan een bedrijf in financiële moeilijkheden. Voordat er een subsidie kan worden gegeven is ook akkoord van de Europese Commissie nodig.
Hoe weegt u dat Tata zelf aangeeft dat het «Groen Staal-plan» onder druk komt te staan als er een verbod komt op de verwerking van giftige staalslakken2, terwijl deze ETS rechten financieel een veel grotere tegenvaller kunnen zijn? Wat zegt dit over de kwetsbaarheid van Tata’s plannen?
TSN opereert in een internationale context. Voor het bedrijf is het daarom van belang om stabiliteit in het overheidsbeleid te hebben en vergelijkbare concurrentievoorwaarden met omringende landen. EU-beleid en nationaal beleid hebben impact op de business case van een bedrijf, zo ook beleid omtrent ETS en staalslakken. Het Groen Staal-plan vergt een grote investering van het bedrijf en het moederbedrijf. Het is dus niet meer dan logisch dat het bedrijf mogelijke risico’s ten aanzien van de business case zorgvuldig in kaart brengt. De weging van de verschillende risico’s en het uiteindelijk wel/niet doen van de investering is aan het bedrijf.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste actuele en potentiële financiële risico’s voor TSN, waaronder in elk geval: een mogelijk verbod op de verwerking van staalslakken, het tekort aan gratis ETS-rechten, de invoerheffingen op staal in de VS3 en de werkzaamheden naar aanleiding van de aanzegging tot intrekken van de vergunning van Kooksgasfabriek 2?
Zoals ook in het antwoord op de vorige vraag zijn er externe factoren die impact hebben op de business case van Tata Steel. In de financiële modellen wordt gewerkt met prognoses. Deze prognoses worden getoetst en gevalideerd door de staat en een externe financiële adviseur. De uiteindelijke risico inschatting en afweging van de verschillende factoren is aan het bedrijf.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de wijze waarop deze financiële risico’s worden betrokken in de lopende gesprekken over mogelijke steunmaatregelen of maatwerkafspraken met TSN?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen.
Hoe beoordeelt u of het verstrekken van substantiële subsidies aan Tata Steel in lijn is met prudent financieel bestuur, gezien de vele vooraanstaande economen4 5 die ons waarschuwen dat dit een zeer onverstandige vorm van staatssteun is?
Zoals al eerder in de beantwoording aangegeven, bestaat het Nederlandse verduurzamingsbeleid uit een mix van instrumenten en wordt er door de staat en de Europese Commissie getoetst op de haalbaarheid van de business case aangezien er onder het relevante staatssteunkader geen steun mag worden verstrekt aan een onderneming in financiële moeilijkheden. Voor de staat is het essentieel dat de subsidie voor het behalen van de beoogde doelen wordt gebruikt: verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Er zullen dan ook strenge voorwaarden aan de eventuele subsidie verbonden zijn. Zo wordt de subsidie in tranches uitgekeerd, bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen. Indien de doelen niet worden behaald kan de staat de subsidie terugvorderen of boetes opleggen. Daarnaast zullen er clawback-mechanismes komen om oversubsidiëring te voorkomen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei, zodat de Kamer deze informatie kan betrekken bij de beoordeling van de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Ja.
De teloorgang van de iconische fietsenfabriek Batavus in Heerenveen en nieuwe kansen voor de maakindustrie |
|
Ilse Saris (CDA), Wytske de Pater-Postma (CDA), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht in de Volkskrant: «Terwijl Batavus vertrekt naar Hongarije, haalt Ebike4Delivery de productie terug uit Polen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van Accell Group om na de overname door Kohlberg Kravis Roberts & Co. (KKR) de productie van Batavus-fietsen te verplaatsen van Heerenveen naar Hongarije, met een verlies van 160 banen tot gevolg?
Het is altijd pijnlijk wanneer banen verloren gaan bij een onderneming die zo lang met de regio is verbonden. Accell Group gaf op 26 augustus 2025 aan dat deze maatregel onderdeel is van een breder Transformation Programme, gericht op vereenvoudiging, efficiëntie, flexibiliteit en kwaliteitsverbetering. De productie in Heerenveen wordt uiterlijk eind eerste kwartaal 2026 overgeheveld naar bestaande locaties in Hongarije en Dijon (Frankrijk), waardoor circa 160 productiefuncties vervallen. In Heerenveen blijft een organisatie van ongeveer 100 medewerkers actief – vooral ingenieurs en ondersteunend personeel – binnen een nieuw kantoor dat een rol krijgt als strategisch centrum voor ontwerp en engineering binnen de One Accell-structuur.
Voor de betrokken medewerkers is een sociaal plan opgesteld, dat gefaseerd wordt uitgevoerd met inachtneming van het advies van de ondernemingsraad en de geldende wet- en regelgeving.
Deelt u het oordeel dat Batavus – ooit een familiebedrijf dat stond voor kwaliteit, continuïteit en goed werkgeverschap – door private equity is gereduceerd tot louter een merk?
Batavus is één van de merken binnen Accell Group, dat meerdere fietsmerken voert zoals Sparta en KOGA. De eigendom en strategische keuzes liggen bij het bedrijf zelf. Het staat ondernemingen vrij om hun merk- en productiestrategie binnen de wettelijke kaders in te richten. De overheid doet geen uitspraak over de waardering van bedrijfsmodellen of investeerdersvormen.
In hoeverre speelt mee dat private equity-bedrijven zoals KKR vooral gericht zijn op kostenreductie en een snelle exit binnen enkele jaren, en minder op duurzame waardecreatie?
Private equity is één van de bestaande vormen van ondernemingsfinanciering. De strategieën van private-equityfondsen lopen uiteen: sommige richten zich op herstructurering, andere op langetermijnontwikkeling en innovatie. Over de motieven of strategische keuzes van individuele investeerders kan ik geen uitspraken doen. Belangrijk is dat ondernemingen binnen de geldende wet- en regelgeving opereren en dat strategische beslissingen over productielocaties en bedrijfsvoering uiteindelijk aan het bedrijf zelf zijn.
Herkent u het feit dat de overheveling van de productie, net als de eerdere verplaatsing van de productie van Vredestein-banden uit Enschede, mede het gevolg is van de Hongaarse industriepolitiek die buitenlandse investeringen en verplaatsingen naar het land actief bevordert?
Nee, dat herken ik niet. Accell heeft in haar verklaring geen verwijzing gemaakt naar Hongaarse industriepolitiek of investeringsmaatregelen. Volgens het bedrijf is de beslissing onderdeel van een bredere strategische herstructurering gericht op vereenvoudiging en efficiëntie.
Heeft het besluit van Accell Group mede te maken met het feit dat Hongarije op basis van EU-regels meer ruimte heeft om staatssteun te geven aan maakbedrijven?
Nee, dat herken ik niet. Accell heeft in haar verklaring geen verwijzing gemaakt naar de ruimte die Hongarije heeft om staatssteun te verlenen. Volgens het bedrijf is de beslissing onderdeel van een bredere strategische herstructurering gericht op vereenvoudiging en efficiëntie.
Staat u, gezien de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in Friesland, in contact met lokale bestuurders en Accell Group, en heeft u geprobeerd om deze verplaatsing van de productie tegen te houden?
Er is geen direct contact geweest met Accell Group over dit besluit. Het betreft een ondernemingsbeslissing van het bedrijf zelf, waarin de overheid geen formele rol heeft en die niet kan worden tegengehouden.
Deelt u de mening dat de maakindustrie in Nederland gekoesterd moet worden, zeker als het gaat om een typisch Nederlands product zoals de fiets?
Ja. De maakindustrie levert een belangrijke bijdrage aan onze economie, innovatie en werkgelegenheid. Daarom zet het kabinet in op het versterken van een concurrerende, duurzame en toekomstgerichte industrie.
Hoe voorkomt u dat zich opnieuw situaties voordoen zoals bij Batavus en eerder bij Vredestein, waar productie en werkgelegenheid naar lage lonenlanden zoals Hongarije verdwijnen?
Binnen de Europese interne markt kunnen ondernemingen vrij bepalen waar zij hun productie onderbrengen. Dat is een belangrijk fundament van onze open economie. Deze vrijheid zorgt niet alleen voor concurrentie en innovatie, maar maakt ook dat bedrijven zich vestigen op plekken waar de omstandigheden het gunstigst zijn. Nederland profiteert daarvan omdat dit ook aanleiding kan zijn voor bedrijven om hier juist activiteiten op te bouwen of uit te breiden. In dit geval heeft Accell zelf aangegeven dat de verplaatsing onderdeel is van een strategische keuze om de organisatie te vereenvoudigen en de efficiëntie en kwaliteit te verbeteren. Het kabinet kan dergelijke besluiten van individuele bedrijven niet voorkomen.
Wat kan geleerd worden van bedrijven als Ebike4Delivery (Nijmegen) en Van Raam (Varsseveld), die er bewust voor kiezen de productie van fietsen in Nederland te houden of zelfs naar ons land terug te brengen?
De redenen waarom bedrijven besluiten om productie te verplaatsen of juist in Nederland te houden, kunnen sterk verschillen. Het is daarom niet altijd zinvol om individuele situaties met elkaar te vergelijken.
Het kabinet is altijd trots op bedrijven die ervoor kiezen om in Nederland te ondernemen en hier te blijven produceren, zoals Ebike4Delivery en Van Raam. Deze ondernemingen leveren een bijdrage aan werkgelegenheid, innovatie en de kracht van onze maakindustrie.
Bent u bereid een nationaal innovatieprogramma «Fabriek van de toekomst» te starten, gericht op slimme en schone productietechnieken, zodat bedrijven productie weer meer in eigen hand nemen of houden?
Er loopt in Nederland al veel om fabrieken van de toekomst vorm te geven. Zo werken bedrijven en kennisinstellingen samen in onder andere Smart Industry aan digitalisering, robotica en slimme productietechnieken. Ook via het Nationaal Groeifonds worden grote innovatieprogramma’s gesteund die bijdragen aan moderne en duurzame productie. Daarnaast zijn er regelingen die bedrijven helpen om schoner en slimmer te produceren. Met deze programma’s wordt de kern van een «Fabriek van de Toekomst» al ondersteund. Daarom is een nieuw nationaal programma op dit moment niet aan de orde.
Het bericht ‘Ministerie 'trekt steun in' voor wereldwijd klimaatcentrum in Rotterdam’ |
|
Marieke Koekkoek (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie «trekt steun in» voor wereldwijd klimaatcentrum in Rotterdam»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid de financiële steun aan het Global Centre on Adaptation (GCA) in Rotterdam beëindigt? Zo ja, welke overwegingen lagen ten grondslag aan dit besluit?
De financiering aan het GCA vanuit de Rijksoverheid betreft uitsluitend projectfinanciering. Het huidige project dat door het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gefinancierd loopt in lijn met het gesloten contract op 31 mei 2026 af. Het wordt dus niet vroegtijdig beëindigd of stop gezet. GCA is eerder dit jaar op de hoogte gesteld van de einddatum van deze financiering. Het GCA kan opnieuw een subsidieverzoek indienen. De financiering vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) was bedoeld om de stichting GCA op te zetten. Deze financiering liep in 2024 af.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de jarenlange inspanningen van het kabinet om het GCA juist in Nederland te vestigen?
Vanzelfsprekend zou het jammer zijn als het hoofdkantoor van GCA zou verhuizen. Maar het GCA is een onafhankelijke stichting en besluit hier zelf over.
Hoe beoordeelt u de kritiek van voormalig VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon dat Nederland hiermee zijn internationale voortrekkersrol op het gebied van onderzoek naar klimaatadaptatie verliest?
De voormalig VN secretaris-generaal Ban Ki-Moon is een belangrijk voorvechter van de inzet op klimaatadaptatie en hij is nauw betrokken bij het centrum. Het staat hem vrij om stevig te pleiten voor behoud van het centrum in Rotterdam. Nederland blijft een internationale voortrekker op het gebied van klimaatadaptatie door de kennis en kunde die op dit terrein beschikbaar is. Ook is Nederland een belangrijke financier van adaptatie. Zestig procent van de Nederlandse klimaatfinanciering betreft adaptatie.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met het «nieuwe beleid» rond klimaatfinanciering en waarom dit zou betekenen dat financiering van het GCA «niet langer logisch» is?
In de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp die de Kamer op 20 februari jongstleden is toegegaan, is aangekondigd dat we de beschikbare klimaatfinanciering zullen focussen op de grote klimaatfondsen zoals het Green Climate Fund en geen regionale klimaatfondsen meer zullen ondersteunen. Dit betreft onder andere het Africa Adaptation Acceleration Program waar GCA technisch ondersteuning aan geeft. Doorgaan met technische ondersteuning is niet logisch als het fonds zelf niet meer wordt ondersteund door Nederland.
Klopt het dat Noorwegen, Canada en Denemarken bereid zijn hun steun te vergroten en dat het GCA nu overweegt Rotterdam te verlaten als Nederland zich terugtrekt? Hoe weegt u de mogelijke vertrekplannen van het centrum uit Nederland?
De genoemde donoren Noorwegen, Canada en Denemarken hebben een eigen relatie met het GCA. Nederland heeft geen zicht op de voorziene financiering vanuit deze donoren. We hebben kennisgenomen van de afwegingen van het GCA omtrent de vestiging in Rotterdam. Zoals aangegeven zou Nederland het jammer vinden als het GCA besluit te vertrekken, maar als zelfstandige stichting besluiten zij hier zelf over.
Welke gevolgen kan het vertrek van het GCA hebben voor de Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven (zoals Deltares, TU Delft en Wageningen Universiteit) die samenwerken met het centrum?
De stichting GCA heeft wereldwijd een omzet van 21,7 miljoen EUR dus de directe economische impact is beperkt. Het GCA houdt zich niet bezig met implementatie en projecten in Nederland. Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen zijn wereldwijd actief op het gebied van klimaatadaptatie en water. Betrokkenheid van Nederlandse partijen bij klimaatadaptatie wereldwijd verandert niet.
Hoe schat u de economische impact in van een mogelijk vertrek, gezien de verwachte miljardeninvesteringen wereldwijd in klimaatadaptatieprojecten en de expertise die Nederland daarin kan leveren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe past dit besluit bij de internationale afspraken en toezeggingen van Nederland op het gebied van klimaatadaptatie en ontwikkelingssamenwerking, met name richting kwetsbare landen?
Deze afspraken en toezeggingen blijven ongewijzigd. Nederland blijft een internationale voortrekker op het gebied van klimaatadaptatie. In 2024 was 60% van de Nederlandse publieke klimaatfinanciering gericht op adaptatie. Hierbij ligt de nadruk op de minst ontwikkelde landen. Nederland houdt zich aan het Parijs akkoord en aan de Glasgow wens om financiering van klimaatadaptatie te verdubbelen in de periode van 2019 tot 2025.
Bent u bereid het besluit om de steun in te trekken te heroverwegen, mede gezien de reputatieschade die Nederland internationaal kan oplopen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie eerdere antwoorden. Er is geen sprake van het intrekken van steun.
De uitzending van Radar op 23 september 2025 over de gevolgen van het gebruik van lachgas en de handhaving van het lachgasverbod |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Radar op 23 september 2025 over de gevolgen van het gebruik van lachgas en de handhaving van het lachgasverbod?
Ja.
Bent u op de hoogte van de toenemende druk op de zorginstellingen door lachgasverslavingen, en hoe schrijnend de situaties zijn die artsen en behandelcentra signaleren?
Er zijn bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen signalen bekend dat de druk op zorginstellingen door lachgasverslavingen op dit moment toeneemt. Dat neemt niet weg dat verslavingsartsen en andere zorgprofessionals in individuele gevallen mensen in behandeling kunnen hebben met een zware lachgasverslaving en/of ernstige lichamelijke klachten. Landelijke cijfers van het Trimbos-instituut laten zien dat het recreatieve gebruik van lachgas sinds 2020 afneemt. Onder uitgaande jongeren is het laatste-jaar-gebruik afgenomen van 35% in 2020 tot 15% in 2023.1
Wel is er een kleine groep mensen bij wie het gebruik in de loop van de tijd problematisch is geworden. Het duurt vaak een aantal jaren voordat mensen hulp zoeken en voordat dit vervolgens zichtbaar wordt in de behandelcijfers. Uit de kerncijfers verslavingszorg van het LADIS2 blijkt dan ook dat er de afgelopen jaren een stijging was van het aantal mensen in behandeling voor lachgasverslaving: van 20 personen in 2020 tot 190 in 2024. Dit zijn op het totaal aantal cliënten in de verslavingszorg zeer beperkte aantallen, maar de problematiek binnen deze groep kan wel ernstig en schrijnend zijn. Het gaat vaak om jongeren en jongvolwassenen die kampen met bredere problemen op het gebied van gezondheid, onderwijs, schulden of huisvesting.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de zorg beter toe te rusten voor de behandeling van mensen met een lachgasverslaving, en hoe wordt voorkomen dat de druk op verslavingszorg en ziekenhuizen verder oploopt?
De verslavingszorginstellingen en medisch professionals zijn over het algemeen goed toegerust om deze cliënten te behandelen. Er is de afgelopen jaren door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport veel geïnvesteerd in kennisdeling en handvatten, onder meer via de landelijke Handreiking Lachgas van Verslavingskunde Nederland3 en verschillende factsheets voor professionals van het Trimbos-Instituut. Voor de behandeling van acute en chronische toxiciteit van lachgas kunnen medisch professionals gebruik maken van de expertise van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC).
Volgens signalen van verslavingszorginstellingen komen sommige jongeren met verslavingsproblematiek niet of te laat in zorg. Het is belangrijk dat huisartsen, jongerenwerkers en andere medisch en maatschappelijk professionals signalen van problematisch gebruik in een vroeg stadium oppikken en de jongere doorverwijzen naar passende hulp en zorg. Daarnaast is het van belang dat preventie gericht is op de specifieke doelgroepen. Het zijn met name jongeren- en preventiewerkers die in contact komen met de doelgroep. Voor deze professionals zijn materialen en handvatten beschikbaar. Het Trimbos-instituut heeft een handreiking ontwikkeld voor gemeenten, handhavers en preventieprofessionals gericht op de aanpak van de verkoop en het gebruik van lachgas.4
Deelt u de zorg dat de huidige wetgeving, die sinds 1 juli 2023 wordt gehandhaafd, in de praktijk niet overal effectief genoeg werkt? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken hoe de handhaafbaarheid verbeterd kan worden?
Op basis van de uitvoeringstoets van de politie is er structureel 14 miljoen euro per jaar toegekend ten behoeve van de handhaving van het lachgasverbod. In 2023 heeft de politie 68.000 lachgascilinders in beslag genomen, in 2024 waren dat er 66.000. Tot september 2025 zijn ongeveer 35.000 lachgascilinders door de politie in beslag genomen. De daling in het aantal in beslag genomen cilinders is in lijn met de aanhoudende afname van het gebruik van lachgas. Er zijn geen signalen dat de handhaafbaarheid van het verbod in het geding is.
Acht u het mogelijk en wenselijk om te werken met een omgekeerde bewijslast, zodat bij het aantreffen van lachgas de verdachte moet aantonen dat dit niet voor recreatief gebruik bestemd is? Zo nee, waarom niet?
Het is niet wenselijk om met een omgekeerde bewijslast te werken, aangezien dit niet binnen de uitgangspunten van het strafrecht past. Voor de Opiumwet geldt dat een stof verboden is, tenzij er sprake is van een ontheffing. Omdat lachgas diverse legale toepassingen heeft en het kabinet die wil blijven toestaan, is er voor gekozen deze oorspronkelijke toepassingen uit te zonderen van het verbod. Om handvatten te bieden voor de grijze gebieden zijn in de memorie van toelichting gebruiksvoorschriften opgenomen. Zo staat hier onder andere in beschreven dat de uitzondering voor het gebruik van lachgas als voedingsadditief alleen geldt voor ampullen (max. 10 stuks) en niet voor cilinders. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat een verdachte kan beweren dat hij de cilinder (met 2kg inhoud) voor het maken van slagroom gaat gebruiken. Ter illustratie: met 10 ampullen kun je ongeveer 5 liter slagroom maken.
Kan bij strafrechtelijke beoordeling worden uitgegaan van het verpakkingsgewicht van een cilinder (zoals op de fles vermeld staat), in plaats van het moeilijk vast te stellen nettogewicht van de resterende inhoud? Zo nee, bent u bereid om het verpakkingsgewicht hierin leidend te laten zijn?
De Richtlijn Opiumwet softdrugs van het OM gaat inderdaad uit van het nettogewicht aan lachgas dat wordt aangetroffen. De inhoud, het gewicht, is vast te stellen door het terragewicht dat op de cilinders is vermeld af te trekken van het bruto gewicht van de cilinder als die op een weegschaal wordt gewogen. Ik zie geen aanleiding om het verpakkingsgewicht in plaats van het nettogewicht leidend te laten zijn.
Hoeveel personen zijn er sinds de invoering van het verbod daadwerkelijk vervolgd op grond van het lachgasverbod, uitgesplitst naar kleine gebruikershoeveelheden en grote cilinders/tanks?
Sinds 1 oktober 2024 wordt in de OM-systemen geregistreerd op de maatschappelijke classificatie «lachgas». Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen kleine gebruikershoeveelheden en grote cilinders/tanks. Bij het OM zijn 1801 lachgaszaken geregistreerd. In 750 zaken is besloten om de zaak aan de rechter voor te leggen en in 479 zaken is een OM-strafbeschikking opgelegd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de registratie van zaken bij het OM tussen 17 juli 2025 en 25 september 2025 op basis van noodprocessen is verricht.
Daardoor zijn administratieve achterstanden ontstaan in de verwerking in de ICT-systemen. De cijfers geven daardoor geen volledig beeld.
Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om online illegale verkoop van lachgas tegen te gaan, nu blijkt dat online koop enorm simpel is?
Uit gesprekken met betrokken partijen, zoals het OM en de politie, blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen zoals wapens, namaakartikelen, geroofde kunst en antiek. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van het darkweb voor de koop en verkoop van drugs, het gebruik van veelal versleutelde social media communicatie en schaarste in capaciteit bij de opsporingsdiensten. Tussenhandeldiensten op het openbare internet dienen, zodra ze er weet van hebben, een melding over illegale inhoud te beoordelen en daarop te acteren volgens de Digital Services Act (DSA). Doen ze dat niet, dan kan daartegen opgetreden worden. Voor grote online platformen en zoekmachines is de Europese Commissie de handhaver; voor kleinere in Nederland gebaseerde tussenhandeldiensten is dat de Autoriteit Consument en Markt. Indien er een indicatie is dat een platform niet voldoet aan de vereisten van de DSA, kan daartegen worden opgetreden.
Ook wordt de internationale samenwerking opgezocht met andere landen om problemen met jurisdictie te ondervangen en elkaars ervaringen te delen. Verder wordt er gekeken naar de mogelijkheid tot publiek-private samenwerking, onder andere op Europees niveau met internetproviders om zo de uitdagingen – van de online verkoop van verboden middelen – gezamenlijk te adresseren.
Het kabinet investeert in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Worden op dit moment websites die lachgas aanbieden, direct offline gehaald? Welke rol ziet u hierin voor sociale mediaplatforms zoals Telegram en TikTok?
Het verkopen van drugs, waaronder lachgas, is strafbaar op grond van de Opiumwet, ook als dit via het internet gebeurt. Hier kan dus strafrechtelijk tegen worden opgetreden en dat gebeurt ook. Zo is het inmiddels op veel websites waar lachgas wordt aangeboden niet meer mogelijk om als inwoner van Nederland lachgas te bestellen. Bij sommige sites is bovendien alleen verzending mogelijk naar landen waar geen verbod geldt. Daarnaast is het ook verboden onder artikel 3b van de Opiumwet om de verkoop van middelen middels openbaarmaking te bevorderen.
Indien aangetoond kan worden dat sociale media medeplichtig zijn aan deze handel kan daartegen worden opgetreden.
Dan moet er echter wel opzet van de sociale media bij de handel of openbaarmaking aangetoond kunnen worden.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met andere Europese lidstaten om de problematiek van lachgas, inclusief de smokkel en verschillen in regelgeving, op de Europese agenda te zetten, zodat lidstaten gezamenlijk optrekken en illegale handel beter kan worden tegengegaan?
Jazeker. Nederland heeft namelijk veel belang bij het invoeren van een Europees lachgasverbod, aangezien we last hebben van de import vanuit landen waar nog geen verbod geldt. Cilinders kunnen aan de grens niet in beslag worden genomen op grond van de Opiumwet wanneer het lachgas een eindbestemming heeft in een land zonder lachgasverbod. In de praktijk zien we dat de cilinders via andere landen alsnog weer terug naar Nederland komen. Met een Europees verbod kunnen we gezamenlijk optreden om de illegale handel in lachgas een halt toe te roepen. Dat is de reden dat Nederland dit in meerdere Europese gremia nadrukkelijk onder de aandacht brengt, zoals in de Raadswerkgroep die zich bezighoudt met Drugs (Horizontal Working Party on Drugs, HDG).