De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Misstanden bij You-Zorg Nederland en misbruik van mensen met een verstandelijke beperking |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorginstelling in Assen moet zorg deels staken. Eigenaar verdacht van verkrachting cliënt, zijn vrouw verzweeg geen diploma te hebben»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het feit dat opnieuw cliënten in een kwetsbare positie, mishandeld zijn door hun zorgaanbieder, laat zien dat het te makkelijk is om misbruik te maken van ons zorgsysteem?
Misbruik maken van mensen die afhankelijk zijn van zorg of ondersteuning is volstrekt onacceptabel. Juist mensen in een kwetsbare positie moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilige en goede zorg en ondersteuning ontvangen en dat publiek geld wordt besteed aan de zorg waarvoor het is bedoeld. Iedere situatie waarin dat vertrouwen wordt geschaad, is er één te veel. Daarom zet het kabinet in op een verdere versterking van de aanpak van zorgfraude en op maatregelen die voorkomen dat malafide aanbieders zich in de zorg kunnen vestigen of actief kunnen blijven (zie ook het antwoord op vraag 7).
Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of uw ministerie eerder signalen ontvangen over onveiligheid en gebrekkige zorg bij You-Zorg Noord? Zo ja, wanneer zijn deze signalen binnengekomen, wat was de aard van deze signalen en welke vervolgacties zijn ondernomen? Zijn er elders signalen binnengekomen? Zo ja, waar, wanneer en hoe zijn die opgepakt?
De Inspectie heeft sinds de oprichting van You-Zorg Noord signalen en meldingen ontvangen over You-Zorg Noord. De Inspectie mag volgens de wet geen uitspraken doen over de inhoud van signalen en meldingen. Sommige van die meldingen heeft de Inspectie eind 2025, na overleg met de politie en het Openbaar Ministerie, niet op de gebruikelijke wijze opgepakt. Dit deed de Inspectie om het gerechtelijk onderzoek ongehinderd doorgang te laten vinden. De andere meldingen waren voor de Inspectie aanleiding om in maart jl. een onderzoek te doen naar de kwaliteit en veiligheid van zorg binnen de organisatie als geheel. Dit onderzoek gaf aanleiding tot de aanwijzing die op 23 juni jl. is gepubliceerd. Het zorgkantoor heeft in 2025 1 melding ontvangen, waaraan opvolging is gegeven.
Hoe wordt geborgd dat alle cliënten van You-Zorg Noord zo snel mogelijk bij een andere zorgaanbieder terecht kunnen en hier ook passende zorg ontvangen?
De Inspectie heeft You-Zorg Noord zes weken de tijd gegeven voor de overdracht van cliënten. De zorgaanbieder is primair verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en een zorgvuldige overdracht. Deze overdracht dient te gebeuren in overleg met de cliënt, de cliëntvertegenwoordiger en het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft contact met de mentoren van de betreffende cliënten om te bespreken hoe zij hen zo goed mogelijk kan ondersteunen bij het zoeken naar een nieuwe zorgaanbieder. De Inspectie verwacht dat cliënten zorgvuldig worden overgedragen waardoor de zorgaanbieder rechtmatig kan stoppen met het verlenen van zorg aan de betreffende cliënten. Als het You-Zorg Noord niet lukt om alle cliënten binnen de gestelde termijn over te dragen, zal de Inspectie op basis van de voortgangsrapportages en contextinformatie bepalen welke vervolgstappen zij dan nodig vindt. De Inspectie kan dan vervolgmaatregelen nemen zoals een nieuwe (zwaardere) aanwijzing of een last onder dwangsom of bestuursdwang.
Is er direct passende nazorg en ondersteuning geregeld voor de cliënten en de familieleden van deze cliënten?
Ik vind het van het grootst belang dat cliënten en hun familie de juiste nazorg ontvangen. Nazorg bij seksueel geweld is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder. De Inspectie heeft You-Zorg Noord gevraagd de cliënten en hun cliëntvertegenwoordigers op een passende manier te informeren over de aanwijzing, zodat cliënten zo snel mogelijk passende (na)zorg kunnen ontvangen. In een situatie waarin sprake is van signalen van ernstig grensoverschrijdend gedrag en mogelijke betrokkenheid van iemand met een bepalende positie binnen de organisatie, kan echter niet zonder meer worden verwacht dat de nazorg volledig door diezelfde organisatie wordt ingericht. In die gevallen is het van belang dat cliënten en hun naasten toegang hebben tot onafhankelijke ondersteuning. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 heeft het zorgkantoor contact met (de mentoren van) de betreffende cliënten om hen hierover te informeren.
Is er ooit door de Inspectie, vertrouwenspersonen of een andere onafhankelijke instantie gesproken met de cliënten van You-Zorg in het kader van een reguliere kwaliteitscontrole of specifiek ter preventie van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag?
De Inspectie heeft tijdens het bezoek in maart jl. gesproken met meerdere cliënten. Omdat er een gerechtelijk onderzoek liep naar de ex-bestuurder, heeft de Inspectie tijdens dit bezoek geen vragen gesteld over (mogelijke gedragingen van) de ex-bestuurder. Het zorgkantoor legt periodiek huisbezoeken af bij cliënten met een pgb. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de kwaliteit van de zorg en in hoeverre de budgethouder/pgb beheerder in staat is om daarop toe te zien. Dat er sprake was van ondermaatse zorg en ondersteuning of ongewenst gedrag richting cliënten van You-zorg Noord is hierbij niet naar voren gekomen.
Bent u van mening dat er momenteel voldoende waarborgen zijn om te voorkomen dat zorgverleners zonder voldoende deskundigheid of met verkeerde bedoelingen (langdurig) toegang hebben tot kwetsbare cliënten? Zo ja, kunt u dit onderbouwen aan de hand van concrete data en argumenten? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u op korte en lange termijn nemen om dit te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zie ik dat kwaadwillenden de mazen van het zorgstelsel zoeken en misbruiken.
In mijn brief «Versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude» van 8 juni jl. (Kamerstukken II, 2025–2026, 28 828, nr. 163), heb ik beschreven hoe dit kabinet inzet op een stevig pakket maatregelen om zorgfraude en ondermijnende criminaliteit in de zorg harder aan te pakken. Dit gebeurt door malafide aanbieders nog strenger te toetsen bij de start. Nieuwe en herstartende zorgaanbieders worden strenger gecontroleerd, de inzet van de Wet Bibob wordt uitgebreid en toezicht- en opsporingsdiensten krijgen extra capaciteit om fraudeurs sneller op te sporen en aan te pakken en de samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en andere betrokken partijen wordt verder geïntensiveerd. Daarmee wil het kabinet voorkomen dat publiek zorggeld verdwijnt in plaats van dat het ten goede komt aan mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.
Met deze maatregelen wil het kabinet de weerbaarheid van het zorgstelsel vergroten, cliënten in een kwetsbare situatie beter beschermen en ervoor zorgen dat publiek geld terechtkomt waar het voor bedoeld is.
Welke concrete verbeteringen zijn er geweest na eerdere misstanden bij pgb-gefinancierde initiatieven, zoals bijvoorbeeld Aurora Borealis?
In de Kamerbrief over pgb-gefinancierde wooninitiatieven van juni 2024 (Kamerstukken II, 2023–2024, 25 657, nr. 360) en de antwoorden op de in vraag 9 bedoelde Kamervragen zijn verschillende maatregelen genoemd om de positie van bewoners van kleinschalige wooninitiatieven te verbeteren:
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de beloften die zijn gedaan in antwoord op mijn vragen uit oktober 20242 om het risico op misbruik in bij pgb-gefinancierde wooninitiatieven te verminderen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe vaak voert de IGJ momenteel risicogericht toezicht uit bij kleinschalige wooninitiatieven en zorgaanbieders waarbij de zorg grotendeels vanuit pgb’s wordt gefinancierd?
De Inspectie heeft in 2025 200 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Deze aanbieders bieden vaak zorg en ondersteuning vanuit verschillende sectoren zoals gehandicaptenzorg, ggz, jeugdzorg en ouderenzorg. Hieronder vallen ook wooninitiatieven die (gedeeltelijk) vanuit een pgb worden gefinancierd. De Inspectie houdt geen gegevens bij over hoeveel toezichtstrajecten er bij vanuit pgb gefinancierde zorgaanbieders lopen.
Waarom wordt er niet voor gekozen om onze moties uit te voeren die vragen om meer inspecteurs voor specifiek deze doelgroep en gespecialiseerde vertrouwenspersonen die proactief instellingen en wooninitiatieven voor mensen met een (meervoudige) en/of psychische problematiek beperking te bezoeken?
In eerdere correspondentie met uw Kamer, waaronder de voortgangrapportages van de Toekomstagenda3 en ondersteuning voor mensen met een beperking, is gerapporteerd op de uitvoering van bovengenoemde moties Westerveld. Mijn ambtsvoorgangers vermelden de uitvoering van de moties langs meerdere lijnen waaronder de ophoging van het aantal inspecteurs dat namens de Inspectie actief is in de gehandicaptenzorg.
In de eerste voortgangsrapportage van de Toekomstagenda heeft mijn ambtsvoorganger opgemerkt dat de nadruk bij deze motie voor de ophoging van het aantal inspecteurs ligt op toezicht en controle. Uit gevoerde gesprekken met veldpartijen blijkt dat zij het werk van gespecialiseerde vertrouwenspersonen beschouwen als sluitstuk en geen signalen ontvangen van een gebrek aan vertrouwenspersonen.
Een cultuur waarin men zich bewust is van de risico’s omtrent (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en waarbij grenzen bespreekbaar zijn is hierbij cruciaal. De afgelopen jaren heb ik samen met verschillende partijen gewerkt aan bewustwording en het bespreekbaar maken van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit wordt onder andere gedaan door de ontwikkeling van een nieuwe richtlijn: seksualiteit en intimiteit in de langdurige zorg4. Door de toepassing van de richtlijn kunnen zorgverleners beter aansluiten bij de behoeften van cliënten. Dit helpt goede herkenning van seksuele en intieme ongewenst gedrag en daar op een goede wijze mee om te gaan. Op dit moment ben ik in gesprek met partijen over het verspreiden van kennis over grensoverschrijdend gedrag en daar zal ik mij voor blijven inzetten.
Bent u van mening dat ons zorgstelsel voldoende waarborgen bevat om mensen met een (meervoudige) beperking die vaak niet zelf kunnen melden en afhankelijk zijn van hun zorgverleners, te beschermen? Zo nee, welke lessen trekt u uit deze afschuwelijke situatie?
Ik ben van mening dat ons zorgstelsel in de basis een dekkend stelsel van waarborgen biedt om mensen in een kwetsbare situatie die zorg en ondersteuning nodig hebben te beschermen. Omdat veiligheid geen statisch gegeven is, maar continue aandacht vraagt, blijf ik in nauw contact met de Inspectie, zorgkantoren, brancheorganisaties en belangenbehartigers om te bezien waar regelgeving en/of uitvoering verder aangescherpt kan worden om bescherming van kwetsbare zorgvragers te kunnen garanderen.
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Ik ben op de hoogte en heb hierover op 26 juni contact gehad met de IGJ.
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
De IGJ heeft aangegeven dat het programma IBZ vanaf de start in 2022 tijdelijk is ingericht om kennis, expertise en werkwijzen op te bouwen rond integere bedrijfsvoering, zorgfraude en zorgverwaarlozing. Het was vanaf het begin de bedoeling om deze kennis en werkwijzen vervolgens structureel te borgen in de organisatie. Er is volgens de IGJ dan ook geen sprake van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding.
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het past mij daarom niet om in die organisatorische keuzes te treden. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
De IGJ geeft aan dat veiligheid en kwaliteit van zorg leidend zijn en blijven voor het toezicht van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg.
De organisatorische wijziging rond IBZ is door de IGJ toegelicht als een stap om de opgebouwde kennis en werkwijzen structureel te borgen binnen het toezicht. De gedachte daarbij is dat signalen van zorgfraude, misleiding, niet-integere bedrijfsvoering en zorgverwaarlozing breder in de organisatie kunnen worden herkend, gewogen en opgepakt.
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Ja, ik deel de zorgen van de Kamer dat de aanpak van zorgfraude verstevigd moet worden. In mijn brief van 8 juni heb ik de Kamer geïnformeerd over een breed pakket aan maatregelen tegen zorgfraude. Bij de aanpak van zorgfraude zijn naast de IGJ vele partners betrokken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en de recherche zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Zorgfraude is een prioriteit van alle betrokken partners, ook van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico's voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Ik vind het belangrijk dat de IGJ hierbij multidisciplinair samenwerkt en dat de specialistische expertise behouden blijft. De IGJ heeft mij laten weten dat de binnen IBZ opgebouwde expertise behouden blijft en structureel wordt geborgd.
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
De IGJ heeft mij laten weten dat er geen sprake is van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding en zal nauw blijven samenwerken met de betrokken partners. Dit is in lijn met de brief van 8 juni die gaat over een versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude door alle betrokken ketenpartners, ieder vanuit de eigen wettelijke taak. Daarbij is juist multidisciplinaire samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en andere partners noodzakelijk.
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. De berichtgeving heeft mij wel verrast. Naar aanleiding van de uitzending, de motie, en de vragen die deze heeft opgeroepen, heb ik op 26 juni met de IGJ gesproken over de organisatorische wijzigingen rond IBZ en over de borging van kennis en expertise.
Het is niet aan mij om interne verhoudingen of professionele verschillen van inzicht binnen de IGJ te beoordelen. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en maakt eigen professionele en organisatorische afwegingen. Voor mij is van belang dat zorgfraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg en zorgverwaarlozing serieus worden opgepakt waar deze raken aan kwaliteit en veiligheid van zorg, en dat de daarvoor opgebouwde kennis en inzet behouden blijft. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder. De IGJ is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie en de wijze waarop zij haar toezicht uitvoert. De IGJ heeft mij laten weten dat zij de binnen IBZ opgebouwde kennis, expertise en werkwijzen structureel borgt in het toezicht.
Concreet gaat het volgens de IGJ om het borgen van expertise, taken, capaciteit, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling, de externe liaisonfunctie en de samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. De gedachte is dat deze kennis niet geïsoleerd blijft in een tijdelijk programma, maar breder beschikbaar wordt binnen het toezicht, zodat de samenhang in de werkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Ik heb er vertrouwen in dat de IGJ de kennis, expertise en taken die binnen het programma IBZ zijn opgebouwd, zorgvuldig borgt in het toezicht. In mijn gesprekken met de IGJ zal ik de voortgang hiervan volgen.
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
In de brief van 8 juni heeft het kabinet uiteengezet dat zorgfraude alleen effectief kan worden aangepakt door samenwerking tussen alle betrokken partijen. Malafide aanbieders maken gebruik van versnippering tussen domeinen, organisaties en bevoegdheden. Daarom zet het kabinet in op vernieuwende vormen van multidisciplinaire samenwerking, waarbij toezichthouders en opsporingsinstanties waar mogelijk gezamenlijk optrekken.
De ervaringen met het Multidisciplinair Operationeel Plan laten zien dat deze werkwijze kan bijdragen aan sneller en effectiever optreden bij complexe fraudesignalen. Het kabinet wil deze vorm van samenwerking structureler inzetten en verder versterken. Daarnaast wordt gewerkt aan betere gegevensdeling, meer fysieke controles bij nieuwe en herstartende aanbieders, aanscherping van toetredingseisen en extra capaciteit voor toezicht, opsporing en handhaving.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het is daarom niet aan mij om voorafgaand aan een interne organisatorische wijziging afzonderlijk aan uw Kamer te rapporteren over de precieze inrichting daarvan.
De IGJ heeft toegelicht dat de tijdelijke programmafase van IBZ wordt afgerond en dat de opgebouwde kennis, expertise, taken, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling en samenwerking met ketenpartners structureel worden ondergebracht in het toezicht.
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het artikel '17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis' |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis»?1
Bent u bekend met de situatie van bewoners in Doesburg die al geruime tijd wachten op toestemming om hun spouwmuren te isoleren in het kader van verduurzaming?
Deelt u de zorg dat bewoners die te goeder trouw willen verduurzamen, nu worden geconfronteerd met een onduidelijk en traag proces dat het draagvlak voor klimaatbeleid kan ondermijnen?
Hoe beoordeelt u het feit dat verduurzamingsmaatregelen zoals woningisolatie in de praktijk worden vertraagd of geblokkeerd door de vereisten rondom ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten, alsook door extra eisen van provincies?
In hoeverre acht u het wenselijk dat individuele bewoners en VvE’s geconfronteerd worden met hoge kosten en lange wachttijden, terwijl er reeds subsidies zijn toegekend voor verduurzaming? Heeft u inzage hoeveel subsidies zijn toegekend, maar niet door kunnen gaan door eerdergenoemde knelpunten?
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in Nederland momenteel nog geen goedgekeurd soortenmanagementplan (SMP) hebben en wat de gemiddelde doorlooptijd is van goedkeuring door provincies? Bent u van plan om met de provincie Gelderland hierover te spreken aangezien daar nog geen enkele SMP is goedgekeurd?
Bent u het eens dat de huidige interpretatie van soortenbescherming in de praktijk leidt tot een aanzienlijke vertraging van de nationale isolatie- en energiebesparingsdoelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in overleg met provincies te komen tot een landelijke versnellingsaanpak voor SMP’s, zodat gemeenten niet onnodig lang in onzekerheid blijven over vergunningverlening? En bent u bereid provincies aan te spreken op het stellen van aanvullende eisen en het vertragen van vergunningstraject? Welke instrumenten heeft u om hierop in te grijpen?
Hoe wordt geborgd dat de bescherming van beschermde diersoorten proportioneel blijft, zonder dat dit leidt tot feitelijke stilstand van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen?
In hoeverre acht u het onacceptabel dat woningeigenaren in gemeenten zonder soortenmanagementplan na een positieve eDNA-uitslag zijn aangewezen op een langdurig individueel provinciaal vergunningstraject?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Uit een eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt uit bijna 550 schouwverslagen van vrouwen die zijn overleden door suïcide, dat een significant deel van deze vrouwen ook zijn blootgesteld aan geweld. Deze eerste resultaten baren mij zorgen en zijn voor mij aanleiding om een driejarig vervolgonderzoek door de Universiteit Leiden mede te financieren, samen met de gemeenten Amsterdam en mogelijk ook Rotterdam. Ook ga ik in gesprek met de politie om te bezien hoe eventuele signalen van huiselijk geweld nu al – vooruitlopend op de uitkomsten van dit vervolgonderzoek – beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Ieder jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.800 mensen door suïcide, van wie ongeveer 1.200 mannen en 600 vrouwen.2 We weten ook dat huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland een groot probleem vormen. Naar schatting worden ongeveer 1,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder slachtoffer van huiselijk geweld.3 En dit huiselijk geweld kan leiden tot moord of doodslag, waarvan meestal vrouwen het slachtoffer zijn.4 Wat we nog niet goed weten is wat het verband is tussen suïcide, moord/doodslag en huiselijk geweld. Dit is tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht. We weten wel op basis van gesprekken met nabestaanden dat er slachtoffers zijn van huiselijk geweld die suïcide hebben gepleegd, om te ontsnappen aan hun uitzichtloze geweldssituatie of onder bedreiging door de geweldspleger. Ook zijn er zaken waarin de pleger van moord of doodslag het doet vóórkomen dat het slachtoffer suïcide heeft gepleegd. Maar hoe vaak dit alles in Nederland voorkomt is vooralsnog niet bekend. Hierdoor blijft dit verband tussen huiselijk geweld en (ogenschijnlijke) suïcide ook grotendeels onzichtbaar voor hulpverleners, forensisch artsen en de politie.
Met de financiering van het vervolgonderzoek kan het bestaande onderzoek worden opgeschaald naar landelijk niveau en kunnen de eerdere onderzoeksresultaten worden verrijkt met aanvullende data, waaronder die van de politie. Op basis van het vervolgonderzoek moet een scherper beeld komen van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides. Daarnaast kan dit onderzoek de basis vormen voor nieuwe richtlijnen, zodat hulpverleners, politie, forensisch artsen en pathologen signalen van suïcide als gevolg van huiselijk geweld beter kunnen herkennen. Zo kunnen zij beter inschatten of nader onderzoek nodig is in zaken waarin ogenschijnlijk sprake is van suïcide. Op basis daarvan kan onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of het in deze zaken daadwerkelijk om suïcide gaat of dat er mogelijk ook anderen betrokken zijn bij het overlijden van het slachtoffer en een strafrechtelijk onderzoek nodig is.
Deze beoogde praktijkverbetering is ook relevant in het licht van het Wetsvoorstel inzake de Wet bestemming van lichamen van overledenen (Wblo). Dit wetsvoorstel verduidelijkt onder andere de bevoegdheden van politie en geeft de forensisch arts meer bevoegdheden om na overlijden onderzoek te doen.
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Ja, op basis van het voornoemde eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en FARR en op basis van gesprekken met nabestaanden herken ik dat beeld. En ook in internationale wetenschappelijke literatuur wordt dit beeld bevestigd.5 De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is erop gericht om dit geweld te voorkomen, en als het plaatsvindt, om dit geweld te stoppen en verdere escalatie en dodelijk geweld (waaronder suïcide) te voorkomen. Daarbij is specifieke aandacht voor vormen van geweld die vaak minder zichtbaar zijn, zoals psychische mishandeling en dwingende controle. Het kabinet werkt aan verschillende maatregelen om de aanpak van deze vormen van geweld te versterken. Zo is op 29 juni 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht waarmee psychische mishandeling en dwingende controle strafbaar worden gesteld. Dit wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan een betere herkenning en aanpak van deze vormen van geweld en biedt, naast de bestaande mogelijkheden, een aanvullend strafrechtelijk instrument om slachtoffers beter te beschermen en plegers van geweld aan te pakken. Samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en met gemeenten en betrokken organisaties en experts werk ik aan het versterken van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik verwijs u onder meer naar de recente brief over de voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.6
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Nee, dit zal worden onderzocht door de Universiteit Leiden, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Bij suïcidepogingen komt de politie meestal niet ter plaatse; eventueel komen er wel hulpverleners bij. Met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal ik bespreken of en hoe hulpverleners die in deze gevallen betrokken worden een eventueel verband tussen huiselijk geweld en de suïcidepoging zouden kunnen herkennen en wat mogelijk is op het gebied van registratie. Bij overlijdens vermoedelijk als gevolg van suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 zal ik met de politie bespreken hoe eventuele signalen van huiselijk geweld beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken; ook registratie komt hierbij aan de orde.
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Na een ogenschijnlijke suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Bij dit onderzoek kijkt de politie ook naar de context, mede op basis van wat er over de overledene bekend is in de politiesystemen. De forensisch arts kan contact opnemen met betrokken zorgverleners om navraag te doen over het medisch dossier. Uit dit onderzoek kunnen signalen naar voren komen die aanleiding geven tot het doen van strafrechtelijk onderzoek.
Het bovengenoemde vervolgonderzoek beoogt beter zicht te krijgen op de genoemde aanwijzingen. Vooruitlopend daarop zal ik met de politie in overleg treden hoe signalen van huiselijk geweld beter en eerder kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Ja, ik ben bekend met het fenomeen staged suicide en dit komt voor in Nederland. Ik verwacht met bovengenoemd vervolgonderzoek van de Universiteit Leiden een scherper beeld hiervan te kunnen krijgen.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Met het wetsvoorstel met betrekking tot de verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld, in combinatie met beleidsmaatregelen zoals publiekscampagnes, deskundigheidsbevordering en verbetering van veiligheids- en risicotaxatie en dossiervorming, verwacht ik dat dwingende controle, psychische mishandeling en stalking beter strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Dit moet de betrokken organisaties extra handvatten bieden om deze vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen, zodat slachtoffers in veiligheid kunnen leven en zodat plegers hun schadelijke gedrag stoppen. Zodoende zou dit wetsvoorstel kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling kan leiden tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide.
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
In de vierde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die op 24 maart jl. door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met uw Kamer is gedeeld7 is niet specifiek aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als risicogroep. Wel is er een aantal projecten binnen deze agenda waar vaker mensen te vinden zullen zijn die verhoogd risico lopen op overlijden door suïcide, zo mogelijk ook in verband met huiselijk geweld. Dat zijn: Sumona (het programma «suïcidepreventie, monitoring en nazorg» voor mensen die een poging tot suïcide hebben ondernomen), Ter Plekke (een programma voor first responders) en Regio’s (project waarin samenwerkingspartners worden geholpen om regionale vangnetten te creëren voor specifieke groepen).
113 Zelfmoordpreventie zal als onderdeel van het in antwoord op vraag 2 genoemde onderzoek van de Universiteit Leiden een onderzoek uitvoeren met de werktitel «Verborgen fataal geweld: mechanismen onderliggend aan de link tussen huiselijk geweld en suïcide». De planning is dat dit onderzoek in het voorjaar van 2027 gereed is. De bevindingen zullen op dat moment ook met behulp van een factsheet worden gepubliceerd en beschikbaar worden voor hulpverleners.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Pieter Heerma (CDA), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Lisa Westerveld (GL), Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Wij herkennen dat het recht op onderwijs voor minderjarige asielzoekers onder druk staat en er nog steeds kinderen in de asiel(nood)opvang zijn bij wie de toeleiding naar het onderwijs niet goed verloopt. Dit is reden tot grote zorg en wij zoeken dan ook samen met ketenpartners naar mogelijkheden om deze situatie te verlichten.
Het COA probeert de toegang tot en continuïteit van het onderwijs van kinderen in de asielopvang te waarborgen door hen te plaatsen op locaties met voldoende passend onderwijsaanbod in de omgeving, maar dit lukt door de grote tekorten aan opvangplekken niet altijd. Verhuizingen leiden daardoor regelmatig tot schoolwisselingen en vertraging bij de start van het onderwijs. Om dan toch het onderwijs voor deze kinderen te organiseren, worden diverse maatregelen ingezet zoals de inzet van regiocoördinatoren van OCW om scholen en gemeenten te adviseren. Scholen werken onderling ook samen om deze kinderen onderwijs te geven, in een taalklas, internationale schakelklas of met extra taalondersteuning in een reguliere klas. In het uiterste geval kunnen gemeenten sinds 2023 een tijdelijke nieuwkomersvoorziening laten inrichten om zo meer kinderen (tijdig) toegang tot onderwijs te geven.
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Naar aanleiding van het rapport hebben wij op 25 juni 20262 een beleidsreactie aan uw Kamer gezonden. Graag zeggen wij in aanvulling daarop toe om komend najaar gezamenlijk met de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie voor Justitie en Veiligheid in gesprek te gaan over de aanbevelingen en oplossingsrichtingen.
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Ja.
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Daarvoor zien wij verschillende oorzaken. Tijdig en goed onderwijs voor minderjarige asielzoekers valt of staat met vroegtijdige afstemming en samenwerking. De toegang tot onderwijs en de organisatie van opvang zijn namelijk nauw met elkaar verweven, maar er zijn verschillende actoren en stelsel bij betrokken. Waar het COA verantwoordelijk is voor de opvang, begeleiding van minderjarige asielzoekers en een initiërende rol heeft in hun toeleiding naar school, organiseren gemeenten en provincies in overleg met scholen voldoende onderwijsplekken en dragen schoolbesturen zorg voor een goed onderwijsaanbod. Tijdige afstemming tussen COA, scholen, gemeenten en provincies is een randvoorwaarde om gezamenlijk aan deze maatschappelijke opgave te voldoen.
De beschikbaarheid en organisatie van onderwijs op lokaal en regionaal niveau spelen hierbij een belangrijke rol. Scholen in het reguliere en gespecialiseerde primair en voortgezet onderwijs geven bijvoorbeeld aan handelingsverlegen te zijn om leerlingen met een andere moedertaal en vaak zeer diverse en onderbroken onderwijsgeschiedenis goed les te geven. Scholen met weinig ervaring met nieuwkomers missen bijvoorbeeld deskundigheid op het gebied van Nederlands als tweede taal (NT2). Zeker in het voortgezet onderwijs gaan minderjarige asielzoekers -en andere nieuwkomers- daarom doorgaans één of twee jaar naar een internationale schakelklas (isk), waar veel expertise is op het gebied van NT2. Het aantal isk’s in Nederland is echter niet landelijk dekkend en relatief kostbaar. Ook zorgen constante schommelingen in het aantal nieuwkomersleerlingen ervoor dat scholen niet altijd het benodigde personeel duurzaam kunnen behouden. Bij een grotere en/of plotselinge leerlinginstroom moeten zij dan eerst nieuw bevoegd personeel werven.
COA probeert bij de plaatsing van kinderen zoveel mogelijk rekening te houden met de beschikbaarheid van onderwijs in de omgeving. Tegelijkertijd is het onder de huidige druk op de opvangcapaciteit niet altijd mogelijk om kinderen en jongeren te plaatsen en gedurende langere tijd te laten verblijven op een locatie waar het gewenste onderwijsaanbod direct beschikbaar is. Daar komt bij dat verhuisbewegingen van jeugdigen als gevolg hebben dat kinderen vaker snel van school moeten wisselen. Zeker als er groepen kinderen tegelijk verhuizen, hebben scholen soms even tijd nodig om het onderwijsaanbod op te schalen. Voor kinderen is de consequentie dan dat ze moeten wennen aan een andere school met andere lesmethoden, leraren en andere klasgenoten.
Tenslotte zien we dat binnen de groep minderjarige asielzoekers de groep alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv) extra kwetsbaar is. Deze amv hebben geen ouders of gezin in Nederland om hen te ondersteunen en krijgen een jeugdbeschermer van Nidos toegewezen. Bij verhuizingen naar een andere opvanglocatie verandert ook de regionale context waarin de jongere wordt begeleid en onderwijs wordt georganiseerd. Het kan daardoor extra complex zijn om de begeleiding, de beschikbaarheid van onderwijs en de start op een nieuwe school goed op elkaar af te stemmen. Dit vraagt om goede samenwerking tussen COA, Nidos, gemeenten en onderwijsinstellingen. De aanmelding door Nidos van kinderen op een school komt hierdoor niet altijd tijdig tot stand en ook het snel signaleren en aanpakken van bijvoorbeeld verzuim kan bij een verhuizing extra aandacht vragen.
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Wij erkennen dat de rechten van kinderen op tijdige toegang tot volwaardig onderwijs niet altijd voldoende kunnen worden nageleefd door de oorzaken zoals beschreven in het antwoord op vraag 4. Deze situatie heeft onze aandacht.
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Er is geen afzonderlijke, onafhankelijke juridische toets uitgevoerd of Nederland met het onderwijsaanbod aan kinderen in de noodopvang en reguliere opvang volledig voldoet aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Reden hiervoor is dat de kaders voor dit onderwijs niet afwijken van het onderwijs dat aan andere leerlingen wordt gegeven.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Voor de korte termijn bieden regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs scholen en gemeenten informatie en advies om de toegang voor nieuwkomersleerlingen onder wie minderjarige asielzoekers, te organiseren en waar nodig het onderwijsaanbod op te schalen. Er is sinds 2023 ook de mogelijkheid om in uiterste situaties een tijdelijke nieuwkomersvoorziening (hierna: tnv) te starten. Tot nu toe is dit in 20 gemeenten aan de orde geweest.
Het Ministerie van OCW werkt aan een wetgevingstraject om het onderwijs aan nieuwkomers (nog) beter te organiseren. Daarbij wordt ook gekeken naar de toegankelijkheid en organiseerbaarheid van het onderwijs voor nieuwkomers en naar mogelijkheden voor méér samenwerking tussen scholen en met andere actoren. Deze en overige maatregelen staan benoemd in de brief «Een betere start voor kinderen met Nederlands als tweede taal» die de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie uw Kamer in juni 2025 heeft toegestuurd.3
De uitvoerbaarheid van het onderwijs op lokaal en regionaal niveau blijft echter ook afhankelijk van de plaatsing en verblijfsduur van kinderen in asielopvanglocaties. JenV en COA werken er samen met andere betrokken ketenpartners hard aan om de situatie in de opvang voor kinderen te verbeteren, zowel door alle inspanningen om noodopvang af te bouwen en het aantal verhuizingen terug te brengen, als ook door maatregelen te nemen om de toegang tot onderwijs te waarborgen. Zo vraagt COA bij bestuurlijke afspraken met gemeenten aandacht voor de toegang tot onderwijs en zijn er werkinstructies voor opvanglocaties opgesteld zodat de werkwijze rond toegang tot onderwijs helder is. Ook de Nationale Opvangorganisatie (NOO) is vanuit JenV betrokken bij het signaleren van knelpunten op het gebied van onderwijs en staat in contact met OCW.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Dat kan alleen door een rechter worden vastgesteld door de specifieke feiten te beoordelen.
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Dit is niet bekend. Er is geen wachtlijst speciaal voor asielzoekerskinderen. Ook hebben COA, Nidos, J&V en OCW geen cijfers beschikbaar over hoeveel kinderen verblijvend in de (nood)opvang niet naar school gaan.
Het COA heeft voor het tweede opeenvolgende jaar een inventarisatie gedaan naar de leef- en verblijfomstandigheden van kinderen en amv op de COA-locatie, waaronder de toegang tot onderwijs. Hierdoor is er beter inzicht verkregen in de locaties waar knelpunten worden ervaren en het aantal kinderen die hierdoor wordt geraakt. Dit is vervolgens in nauwe samenwerking met OCW opgepakt. Ook zijn er recent signalen dat de problematiek het laatste jaar is afgenomen ten opzichte van enkele jaren geleden.
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Deze gegevens zijn niet bekend. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Ja, dat komt voor. Indien een van de regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs van OCW, de Inspectie van het Onderwijs, COA of Nidos een signaal ontvangt dat dit aan de orde is, gaat deze in gesprek met de betreffende gemeente of school om te stimuleren dat alsnog zo spoedig mogelijk in onderwijs wordt voorzien.
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
Deze capaciteit verschilt per regio en ook per onderwijssector. Zo zijn er in het primair onderwijs veel meer nieuwkomers die meteen naar een reguliere school gaan, of waar een reguliere school een taalklas start, dan in het voortgezet onderwijs. Er zijn daarmee veel basisscholen die nieuwkomers onderwijs geven. In het voortgezet onderwijs is dat nauwelijks het geval: daar worden nieuwkomersleerlingen in de regel naar een internationale schakelklas (isk) verwezen. De isk’s zijn verspreid over het hele land. De opvanglocaties zijn niet altijd in de buurt van de isk’s.
Omdat de bezetting en duur van opvanglocaties kunnen fluctueren, het opvanglandschap regelmatig verandert en kinderen vaak verhuizen, is er geen betrouwbare inschatting van de benodigde of de beschikbare onderwijscapaciteit specifiek voor nieuwkomersleerlingen.
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Capaciteitsproblemen spelen met name bij (soms seizoensgebonden) noodopvang voor grote groepen leerplichtigen waarvoor snel onderwijs georganiseerd moet worden voor een relatief korte periode. Ook bij verhuisbewegingen van meerdere minderjarigen naar een andere opvanglocatie waar zij meteen weer onderwijs moeten kunnen volgen, zoals we vaker zien bij groepen amv, vraagt het veel van scholen en gemeenten om het onderwijsaanbod, zowel personeel als onderwijshuisvesting, snel op te schalen. Zie verder ook het antwoord op vraag 12.
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
De Staat van Migratie 2026 is onlangs gepubliceerd, zie migratiecijfers.nl/publicaties. In paragraaf 4.3.2.1 wordt ingegaan op de verhuisbewegingen van minderjarige kinderen die onderdeel zijn van een gezin en van amv. In deze paragraaf staan tabellen over het aantal verhuisbewegingen van kinderen binnen COA-locaties en separaat van amv naar reden van verhuizing en het gemiddeld aantal verhuisbewegingen per kind. Ook wordt gerapporteerd over het totaal aantal verhuisbewegingen en de gemiddelde verblijfsduur bij uitstroom. Verhuisbewegingen in noodopvanglocaties zijn in deze cijfers meegenomen. Een verblijf korter dan 30 dagen wordt niet meegeteld als verhuisbeweging, omdat de school dan -gemiddeld genomen- nog niet gestart is.
Er is geen informatie over gemiste onderwijstijd die verloren is gegaan vanwege verhuizingen. Het plaatsingsbeleid is erop gericht om kinderen en amv zo min mogelijk in noodopvang te plaatsen en het streven is om het aantal verhuisbewegingen te minimaliseren.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Wij vinden het onwenselijk dat kinderen regelmatig moeten verhuizen en daardoor onderwijs missen, van school moeten wisselen en steeds nieuwe sociale contacten moeten opbouwen. Stabiliteit is van groot belang voor hun ontwikkeling en welzijn.
Zolang de druk op de opvangcapaciteit hoog blijft, kunnen verhuizingen niet altijd worden voorkomen. En, zoals eerder genoemd, hebben die verhuizingen en de kortdurende opvanglocaties direct effect op de mate waarin het onderwijs tijdig en goed georganiseerd kan worden. Het kabinet werkt daarom samen met het COA aan een stabieler opvanglandschap door de reguliere opvangcapaciteit uit te breiden, onder meer via de uitvoering van de Spreidingswet. Daarnaast werken het kabinet, gemeenten, scholen, het COA en DUO aan een betere continuïteit van onderwijs, onder meer door de gegevensuitwisseling tussen onderwijs en opvang te verbeteren wanneer kinderen verhuizen. Zodra de opvangcapaciteit dit toelaat, heeft het hoge prioriteit om kinderen uitsluitend te plaatsen op locaties waar toegang tot onderwijs geborgd is en waar zij langere tijd kunnen verblijven. Daarbij is voor de stabiliteit in het leven van kinderen in de opvang niet alleen voldoende en duurzame opvangcapaciteit van belang, maar een goed functionerende asielketen. Snelle procedures en tijdige doorstroom naar huisvesting dragen bij aan het verminderen van de druk op de opvangcapaciteit en bieden kinderen meer stabiliteit en continuïteit.
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Het beperken van verhuisbewegingen blijft leidend, maar dit is onder de huidige omstandigheden nog niet structureel te realiseren. Met de uitvoering van de Spreidingswet, waaronder de inzet van interbestuurlijk toezicht, wordt gewerkt aan het vergroten van het aandeel reguliere, duurzame opvanglocaties en het verminderen van de afhankelijkheid van noodopvang. Dat is noodzakelijk om het aantal verhuisbewegingen van kinderen daadwerkelijk en duurzaam te kunnen beperken. Daarnaast blijft ook een tijdige doorstroom van vergunninghouders naar gemeentelijke huisvesting van groot belang. Momenteel verblijven er nog veel kinderen met een verblijfsvergunning in de COA-opvang, terwijl huisvesting in gemeenten hen meer stabiliteit en perspectief biedt. Een goede doorstroom vermindert de druk op de opvangcapaciteit, beperkt zo de noodzaak tot verhuisbewegingen, geeft kinderen de kans om te participeren in de gemeenschap waar ze ook wonen en draagt bij aan het welzijn en de ontwikkeling van kinderen.
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Minderjarigen hebben recht op onderwijs ongeacht waar zij verblijven en ongeacht hun verblijfsstatus en zij kunnen -als zij voor hun 18e jaar met een opleiding zijn gestart- deze opleiding ook afmaken. Wel kan het zo zijn dat voor een jongere die bijna 18 jaar is, een isk niet meer de meest geschikte onderwijsplaatsing is. Een jongere volgt dan in de regel immers onderwijs met kinderen die (veel) jonger zijn en gebruikt lesmaterialen bedoeld voor jongere leerlingen. Ook stroomt een meerderjarige leerling na één of twee jaar isk niet meer door naar het voortgezet onderwijs. Afhankelijk van verschillende factoren is er de mogelijkheid om te starten in het mbo of in het vavo.
Als OCW signalen ontvangt dat leerlingen van 17 jaar geen toegang krijgen tot onderwijs in verband met hun leeftijd, dan gaan de regiocoördinatoren van het ministerie met de betreffende school of mbo-instelling en gemeente in gesprek om te zoeken naar een passende oplossing.
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Om deze jongeren te laten meedoen, is het wenselijk dat het onderwijs goed aansluit op hun mogelijkheden en motivatie. Juist omdat voor oudere leerlingen het toekomstperspectief kan verschillen, is het wenselijk dat in goed overleg met leerling en ouders of voogd wordt besproken welk onderwijs wordt gevolgd en waar naartoe wordt gewerkt. In het wetsvoorstel onderwijs aan nieuwkomers, waarover u in september een brief met de eerste contouren ontvangt, zal ook aandacht zijn voor een gedifferentieerd aanbod voor deze doelgroep.
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Wettelijk bestaat deze mogelijkheid al en ook de herschikte Opvangrichtlijn4 stelt dat asielzoekers niet uit het onderwijs mogen worden geweerd omdat zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Er zijn weinig signalen dat dit op isk’s niet wordt nageleefd. Waar nodig, komen wij ook komend schooljaar in actie als er signalen binnenkomen dat dit niet gebeurt.
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Schoolbesturen en gemeenten voeren tenminste jaarlijks overleg over de invulling van het onderwijs aan nieuwkomers. Dat biedt een startpunt om gezamenlijk afspraken te maken over de benodigde onderwijscapaciteit en eventuele regionale samenwerking. Daarbij is het wenselijk om eerst te verkennen wat er binnen de bestaande onderwijscapaciteit en personeel mogelijk is, waarbij bijvoorbeeld de bestaande aanpak voor personele tekorten kan worden gevolgd. Voor kinderen en jongeren die extra onderwijsondersteuning en/of zorg en jeugdhulp nodig hebben, kan het samenwerkingsverband passend onderwijs meedenken over een passend arrangement.
Biedt dit onvoldoende oplossing, dan kan de regio in overleg met de regiocoördinator nieuwkomersonderwijs van het Ministerie van OCW onderzoeken of een aanvraag voor een tijdelijke nieuwkomersvoorziening passend is. In een tijdelijke nieuwkomersvoorziening kan een schoolbestuur afwijken van de eisen aan onderwijsinhoud en -personeel om op deze wijze het onderwijs sneller op te kunnen schalen in het belang van de leerlingen.
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
De aanpak van de personele tekorten in het onderwijs aan nieuwkomers loopt mee in de brede aanpak van de tekorten, zoals de subsidieregeling voor zij-instromers en de aanpak via de onderwijsregio’s. Uit de tekortmeting vo van 2025 blijkt dat het tekort aan docenten op isk’s (internationale schakelklassen) vergelijkbaar is met die van het overige reguliere onderwijs, namelijk 3,5% op isk’s t.o.v. 3,3% in het reguliere vo5. In het po ligt het tekort in taalklassen lager dan in reguliere klassen6. Bij deze cijfers moet opgemerkt worden dat er binnen het nieuwkomersonderwijs grote fluctuaties bestaan door het op- en afschalen van opvanglocaties, ook gedurende een schooljaar en dat daarmee de zoektocht naar onderwijspersoneel een uitdaging is die inherent is aan de verhuisbewegingen in de asielketen.
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Momenteel is geen sprake van wijdverspreide wachtlijsten voor het onderwijs aan nieuwkomers, maar kunnen kinderen niet altijd direct in het onderwijs terecht na een verhuizing naar een andere opvanglocatie. Zoals in de antwoorden op vragen 1, 4, 12 en 13 is toegelicht, hangen de knelpunten voor het verzorgen van onderwijs aan nieuwkomersleerlingen o.a. samen met de vele verhuisbewegingen van kinderen in de asielketen en schommelingen in de leerlinginstroom. Bij de scholen die wel te maken hebben met personele tekorten, is bovendien lang niet altijd een gebrek aan financiering het probleem. Er zijn dan bijvoorbeeld geen bevoegde, geschikte kandidaten voor een vacature of er is een tekort aan onderwijshuisvesting.
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 22.
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Het kabinet onderschrijft dat goede afstemming tussen de verschillende partijen nodig is om de toegang tot onderwijs voor kinderen in de asielopvang zo goed mogelijk te borgen. Daarbij is het van belang dat de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen worden gerespecteerd: gemeenten en onderwijsbesturen zijn verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs, terwijl het COA verantwoordelijk is voor de opvang en bij de plaatsing van kinderen waar mogelijk rekening houdt met de beschikbaarheid van onderwijs.
OCW, JenV, en VWS werken daarom aan een interdepartementale routekaart waarin de verschillende verantwoordelijkheden, signaleringslijnen en mogelijke interventies beter met elkaar worden verbonden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Ja, ik ben op de hoogte van deze berichtgeving.
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Via de berichtgeving ben ik daarvan op de hoogte gebracht.
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Ik kan uit één casus geen algemene conclusie trekken over hoe knellend regelgeving is in Nederland. De voorliggende casus heeft betrekking op een specifieke situatie, waarbij lokale regels in een behoorlijk uitzonderlijke grenssituatie aan de zijde van het buurland anders uitpakken.
Ik vind wel dat we kritisch moeten kijken naar het wegnemen van knellende regels om de woningbouw te versnellen. Daarom ga ik aan de slag met vereenvoudiging van regels, de uitwerking van de kabinetsreactie STOER en met nieuwe voorstellen binnen de Vereenvoudigingsopgave voor de fysieke leefomgeving. Deze regels zullen onder andere landen in de jaarlijkse Vereenvoudigingswet. Op 10 juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van STOER en de vereenvoudigingsopgave.2
Daarnaast wil ik dat het splitsen, delen en optoppen van woningen in meer gevallen door gemeenten wordt gefaciliteerd en dat belemmeringen worden weggenomen. Verschillende gemeentes zijn hier al mee bezig, maar ik zie ook dat initiatiefnemers nog vaak tegen onnodige belemmeringen aanlopen. Met de VNG werk ik in de komende periode uit hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen. Ik heb uw Kamer daarover recent geïnformeerd.3
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Bouw- en gebruiksregels in omgevingsplannen zijn van groot belang voor het borgen van de leefbaarheid van woongebieden. Ter illustratie, naast woningen moet in stedelijke gebieden doorgaans ook ruimte zijn voor een supermarkt, een school of een voetbalveld. Daarvoor dienen functiebestemmingen. Daarnaast, bijvoorbeeld ter bescherming van de identiteit van een dorpskern, kan het wenselijk zijn dat er maximale bouwhoogtes gelden. Dergelijke planregels zijn dus van belang.
Tegelijkertijd zie ik dat regelgeving soms onnodig belemmerend kan uitpakken. Bij vraag 3 heb ik toegelicht dat ik inzet op het wegnemen van belemmeringen. Dit doe ik onder andere doormiddel van STOER en de vereenvoudigingsopgave fysieke leefomgeving.
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Ik wil dat gemeenten voldoende ruimte bieden voor het aantal woningen dat een gemeente moet bouwen. Met provincies en gemeenten maak ik daarover afspraken in de geactualiseerde woondeals. In de Wet versterking regie volkshuisvesting hebben provincies de wettelijke taak om te zorgen voor voldoende woningbouwlocaties. Als in een gemeente die bouwlocaties achterblijven door knellende regels verwacht ik van de provincies dat zij daarin hun verantwoordelijkheid nemen. Eerst door bestuurlijk overleg, maar waar nodig door het nemen van een instructiebesluit. Zo nodig kan ik de provincie ook daartoe instrueren.
Binnen de grenzen van de wet en gemaakte afspraken, is de taak om ruimtelijke regels te stellen en ook te zorgen voor ruimte voor andere voorzieningen. Dat kan betekenen dat gemeenten op een bepaalde locatie geen nieuwe woningen toestaan, bijvoorbeeld omdat de gemeente op die plek voorzieningen willen creëren, zoals een zwembad of andere noodzakelijke sportfaciliteiten
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Het beeld dat procedures een vertragende werking kunnen hebben op woningbouw herken ik. Op een aantal manieren wil ik zorgen voor versnelling.
Zo is op 1 juli 2026 is de Wet versterking regie volkshuisvesting inwerking getreden. Deze wet zorgt op verschillende manieren dat procedures om te komen tot onherroepelijke vergunningen ten behoeve van woningbouw worden versneld. Deze wet regelt dat beroep bij woningbouw én energie-infrastructuur aanzienlijk wordt versneld door versnelde behandeling en altijd één gang naar de rechter. De versnelling van bezwaar- en beroepsprocedures maakt ook onderdeel uit van (de actieagenda van) STOER. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Met het Programma Uitvoeringskracht zet ik daarnaast in op versterking van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten. Op die manier kunnen vergunningaanvragen sneller worden behandeld.
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Waar het om gaat is dat we met meer tempo jaarlijks 100.000 woningen bouwen. De stapeling van regels zit daarbij soms in de weg. Dat was ook een van de aanleidingen voor het project STOER. In het kader van STOER en de Vereenvoudigingsopgave fysieke leefomgeving besteed ik daarom ook aandacht aan de stapeling van regels. Met het vereenvoudigen, schrappen en beter uitleggen van regels wil ik dit samen met de betrokken partners in de keten, andere departementen, medeoverheden, corporaties en marktpartijen oplossen. Daarnaast wordt bij Beter Benutten ook aandacht besteed aan de stapeling van regels. Zo kijk ik voor splitsen en woningdelen niet alleen naar omgevingsplannen, maar juist ook naar huisvestingsverordeningen.
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Uitgangspunt is dat ruimtelijke regels primair lokaal worden gesteld omdat iedere locatie weer anders is. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat een wooninitiatief voor hoogbouw niet passend is in een kleine kern in het landelijk gebied, maar wel binnen het stedelijk gebied van een naburige gemeente.
Tegelijkertijd waak ik ervoor dat overheden geen bovenwettelijke eisen stellen of woningbouw onnodig belemmeren. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Vergunningplichten voor splitsen en verkamering kunnen zeker een rem zetten op het beter benutten van de bestaande bebouwing, omdat ze een drempel zijn voor initiatiefnemers. Daarom wil belemmeringen waar mogelijk wegnemen. Bij vraag 4 heb ik dit toegelicht.
Tot slot, het samenvoegen van woningen is in veel gemeenten vergunningplichtig op grond van de Huisvestingswet omdat samenvoeging leidt tot minder woningen. De lokale bevoegdheid om dit vergunningplichtig te maken, wil ik dus behouden.
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
De meeste rijksregels die een inperking kunnen geven aan de lokale ruimte voor woningbouw staan in het in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Bkl stelt onder meer regels over geluid op woningen, de bescherming van de luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geur en nog vele andere onderwerpen. Deze regels zijn gesteld om waarborgen te bieden voor de gezondheid en veiligheid maar ook voor het waarborgen van het nationaal belang. Bijvoorbeeld voldoende ruimte voor de luchthaven Schiphol, rijkswegen of voor defensie. Daarnaast gaat het ook om rijksregels in Omgevingswet, de andere amvb’s op grond van de Omgevingswet, de Huisvestingswet en andere wetten en amvb’s.
Deze rijksregels waren voorheen verbrokkeld over tientallen wetten en ongeveer 120 voornamelijk sectorale AMvB’s die in de afgelopen decennia veelvuldig zijn gewijzigd. Bijvoorbeeld de Wet bodembescherming, de Wabo, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en het Barro. Deze regels zijn veelvuldig gewijzigd waarbij het niet bij alle hervormingen te is duiden of deze ook een belemmerend effect hebben gehad op de woningbouw. Het is dan ook niet doenlijk om een dergelijk overzicht te verstrekken. Wel verwijs ik u naar de jaarverslagen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en naar de Beleidsdoorlichting artikel 3 Woningmarkt 2015–2021 opgesteld door SEO economisch onderzoek.
Verder heb ik op rijksniveau de rol als coördinerend bewindspersoon in het integrale fysieke domein. Vanuit die coördinerende rol vraag ik bij overleggen met andere departementen nadrukkelijk aandacht voor de gevolgen van wijzigingen in regelgeving en beleid op onder meer de woningbouw. Verder werk ik samen met mijn collega-bewindspersonen aan de Nota Ruimte. In deze nota maakt het kabinet keuzes ten aanzien van de fysieke leefomgeving, als onderdeel van een brede integrale afweging. Ook bij het opstellen van de Nota Ruimte heb ik aandacht voor de goede ruimtelijke inpassing van de woningbouwopgave, bijvoorbeeld door het aanwijzen van nationaal grootschalige woningbouwlocaties waar het Rijk prioriteit geeft aan het realiseren van woningen.
Het uitgangspunt is dat lokale, provinciale en rijksregels niet onnodig belemmerend zijn. Daarom ben en blijf ik bezig met het wegnemen van belemmeringen. In de antwoorden op de vragen 3, 6 en 7 heb ik dat toegelicht.
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Bij vraag 3 heb ik toegelicht welke maatregelen ik neem om de bestaande voorraad beter te benutten onder andere ten aanzien van splitsen. Ook heb ik toegelicht dat via de woondeals afspraken met gemeenten en provincies zijn gemaakt over het toevoegen van woningen. Daarnaast zal het (nog inwerking te treden) Besluit versterking regie volkshuisvesting de mogelijkheden vereenvoudigen om als familielid of mantelzorger te wonen in een bijgebouw of aanbouw.
Verder bekijk ik continu welke belemmeringen weg kunnen worden genomen om woningen toe te voegen. Dit moet op een zorgvuldige wijze gebeuren, waarbij de gevolgen altijd eerst goed in kaart dienen te worden gebracht.
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 3, 5, 6 en 7. Daarin heb ik ook aangegeven dat daar waar dat nodig is, ik mijn verantwoordelijk zal nemen om bij te sturen. Waar nodig kan dat ook zijn in de vorm van instructieregels of een instructiebesluit.
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Ja, het kabinet is op de hoogte van de situatie.
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Ja, het brengt voor aanstaande ouders onzekerheid teweeg om te horen dat eerder toegezegde kraamzorg toch niet beschikbaar is. Het kabinet vindt dergelijke situaties zeer onwenselijk en vindt het van belang dat elke kraamvrouw die dat wil in ieder geval het minimum van 24 uur ontvangt.
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het betreffende kraamzorg samenwerkingsverband (KSV) komt naar voren dat de capaciteitsproblemen bij De Kraamvogel in Utrecht zijn ontstaan in de periode tussen de aanmelding van deze zwangeren en het moment dat de organisatie de zorg heeft teruggegeven. Op dat moment bleek dat De Kraamvogel niet alle zorg kon leveren zoals eerder toegezegd aan de zwangeren. Zij hebben dit vervolgens laat met de ketenpartners besproken. Partijen in de regio zijn direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is ook gelukt door middel van centraal wachtlijstbeheer, actieve bemiddeling binnen en buiten de regio, inzet van zelfstandige kraamverzorgenden, de inzet van het door het KSV georganiseerde kraamhotel in het St. Antonius en aanvullende digitale zorg.
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zeer onwenselijk dat eerder toegezegde zorg op een dergelijke korte termijn niet geleverd wordt. Na het ontstaan van de problematiek hebben zorgverzekeraars, het KSV, kraamzorgorganisaties, verloskundigen en ziekenhuizen direct geschakeld om zo snel mogelijk alternatieve kraamzorg voor de getroffen zwangeren te organiseren. Dit is ook gelukt, waarvoor complimenten. Dit laat zien hoe belangrijk integrale samenwerking is om capaciteitsproblemen het hoofd te bieden en tijdig maatregelen te treffen wanneer dit nodig is.
De branche heeft een normenkader opgesteld dat kraamzorgaanbieders en KSV’s helpt om beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten en ervoor te zorgen dat iedere cliënt tenminste de minimaal noodzakelijke kraamzorg ontvangt. De schaarste aan personeel vraagt om betere samenwerking en regionale afstemming op KSV-niveau. Binnen het transformatieplan van de sector wordt daarom gewerkt aan het versterken van de positie van KSV’s. Hierdoor wordt de regionale samenwerking tussen kraamzorgorganisaties verbeterd. Het helpt onder andere bij het regionaal in kaart brengen van vraag en aanbod en om het aanbod eerlijk te verdelen. Op 7 juli heeft met Bo geboortezorg een gesprek plaatsgevonden onder andere over de ondersteuning van de implementatie van dit basiskader. De komende tijd zal het kabinet verkennen op welke wijze deze implementatie ondersteund kan worden.
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
De toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg is de verantwoordelijkheid van kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien hierop toe. Wanneer een zorgorganisatie eerdere toezeggingen niet kan nakomen, bijvoorbeeld als gevolg van personeelskrapte, is het belangrijk dat een cliënt snel alsnog terecht kan bij een andere aanbieder. Om dit mogelijk te maken verwacht de IGJ van aanbieders dat zij actief op regionaal niveau samenwerken om de capaciteit in een regio beter te verdelen en pieken op te vangen.
Ook de zorgverzekeraar heeft vanuit diens zorgplicht een verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te bevorderen. Daarnaast verwacht de NZa dat een kraamzorgaanbieder zo spoedig mogelijk meldt bij de zorgverzekeraar, dat zij toegezegde zorg niet kan nakomen. Dergelijke afspraken zijn doorgaans ook contractueel vastgelegd tussen zorgaanbieder en -verzekeraar. Het is vervolgens aan de zorgverzekeraar om, indien nodig, te zorgen dat zwangeren bemiddeld worden naar andere kraamzorgaanbieders. Als verzekerden niet de zorg hebben gekregen waar zij recht op hebben, dan spreekt de NZa de zorgverzekeraar daarop aan.
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
In de specifieke situatie in Utrecht zijn de partijen in de regio direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is, zoals eerder aangegeven, ook gelukt.
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afspraken gemaakt over krapteregio’s, zoals Zuid-Limburg, om ervoor te zorgen dat alle cliënten in ieder geval worden voorzien van het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn, dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd. Dit gebeurt aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraar(s) opstellen.
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kwetsbare gezinnen krijgen binnen de geboortezorg extra aandacht. Of sprake is van kwetsbaarheid wordt in de eerste plaats beoordeeld door zorgverleners en kraamzorgaanbieders tijdens de intake en zorgverlening. In situaties van schaarste werken kraamzorgaanbieders, het KSV en zorgverzekeraars samen om beschikbare capaciteit zo in te zetten dat passende zorg beschikbaar blijft. In Utrecht biedt het gezamenlijk opgerichte kraamhotel een belangrijke oplossing voor kwetsbare gezinnen. Daar kunnen gezinnen direct na de bevalling verblijven en kraamzorg ontvangen. Hierdoor ontstaat tijd om aanvullende zorg thuis te organiseren. Het hotel wordt bovendien veel gebruikt door gezinnen die extra begeleiding of observatie nodig hebben.
De IGJ ziet in haar toezicht dat het capaciteitsprobleem kraamzorggezinnen in een kwetsbare situatie in verhouding harder treft. Zwangeren in een kwetsbare situatie melden zich bijvoorbeeld vaker laat bij een kraamzorgaanbieder en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de kraamzorg vaak hard nodig hebben. Zij zijn soms minder goed in staat om de weg naar de zorg te vinden. De IGJ vraagt in haar publicatie van maart 20262, kraamzorgaanbieders, beleidsmakers en inkopers om bij het verdelen van de beschikbare capaciteit goed te letten op zwangeren die zich in een kwetsbare positie bevinden.
Voor de langere termijn werkt de sector aan een aantal grote landelijke transities die moeten leiden naar meer passende zorg, zoals de implementatie van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM) en digitale zorg. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de verdeling van schaarse capaciteit via een capaciteitsdashboard, partuspools, en ontwikkeling van een KSV-kader en het versterken van de instroom en behoud van zorgprofessionals.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Uit navraag bij zowel de NZa als ZN komt het volgende beeld naar voren. Zodra zorgverzekeraars op de hoogte werden gesteld van de situatie in Utrecht, hebben zij contact onderhouden met De Kraamvogel en met de coördinator binnen het KSV. Met de coördinator is afgestemd hoe de zwangeren die niet langer terecht kunnen bij De Kraamvogel bemiddeld kunnen worden, zodat zij alsnog kraamzorg kunnen ontvangen. Deze zwangeren ontvangen thuis zorg van andere kraamzorgaanbieders of in het kraamhotel van het KSV in het St. Antonius ziekenhuis.
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Het uitgangspunt is dat de inzet van deze voorzieningen niet mag leiden tot drempels om noodzakelijke kraamzorg te ontvangen. Zorgverzekeraars vergoeden de zorg en het verblijf van de kraamvrouw in het kraamhotel, behoudens de kosten die men ook zou hebben bij reguliere kraamzorg thuis. Voor eventuele overige kosten zoals parkeerkosten, maaltijden of kosten voor verblijf van de partner, bestaan geen landelijke afspraken over vergoeding of compensatie. In enkele regio's zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt.
De gebruikelijke wettelijke eigen bijdrage voor kraamzorg blijft van toepassing. In een kraamhotel worden meer uren geleverd, daardoor valt deze bijdrage hoger uit. Veel verzekerden krijgen deze eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit hun aanvullende verzekering. In Utrecht neemt de gemeente voor de kwetsbare groep een deel van de kosten op zich. Eventuele individuele vragen of knelpunten kunnen met de eigen zorgverzekeraar worden besproken.
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Het uitgangspunt is dat gezinnen minimaal 24 uur passende kraamzorg ontvangen. Het KSV heeft laten weten dat gezinnen die geen gebruik willen maken van het kraamhotel op de centrale wachtlijst blijven staan. Middels bemiddeling wordt actief gezocht naar beschikbare capaciteit bij kraamzorgorganisaties en zelfstandige kraamverzorgenden binnen en buiten de regio. Daarnaast kan digitale ondersteuning worden ingezet.
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Arbeidsmarktkrapte in de kraamzorg is een landelijk vraagstuk en de problemen hieromtrent spelen in meerdere regio’s. Door Bo geboortezorg wordt een overzicht3 bijgehouden welke KSV regio’s te maken hebben met code rood. ZN geeft aan dat de situatie zoals die in Utrecht uitzonderlijk is. Zij zijn bekend met één andere situatie, waarbij cliënten uiteindelijk tijdig door een andere aanbieder zijn overgenomen.
Bij de IGJ zijn naar aanleiding van berichtgeving vanuit de Kraamvogel enkele signalen ontvangen. Dit betroffen signalen met betrekking tot het niet kunnen leveren van de kraamzorg en het plaatsen van de kraamvrouwen op de wachtlijst van de betreffende regio’s. Er zijn dit jaar geen meldingen van calamiteiten, zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), binnengekomen over de regio Utrecht met betrekking tot kraamzorg. Er zijn ook geen andere signalen bekend bij de IGJ dat zwangeren worden uitgeschreven en het verzoek krijgen om zich aan te melden voor de regionale wachtlijst. Ook bij de NZa zijn geen andere signalen bekend.
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en ZN afspraken gemaakt over krapteregio’s om ervoor te zorgen dat alle cliënten worden voorzien van in ieder geval het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraars opstellen. Interventies die regionaal worden ingezet zijn actieve wachtlijstbemiddeling, het (tijdelijk) opzetten van een kraamhotel, het opzetten van een centrale partuspool en extra regionaal opleiden.
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Het kabinet is ervan overtuigd dat met de gemaakte afspraken de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingezet en ieder die dat wil voorzien wordt van de noodzakelijke kraamzorg thuis of bijvoorbeeld in een kraamhotel. De wijze waarop de verschillende partijen in Utrecht hun rol gepakt hebben om alle zwangeren alsnog te voorzien van kraamzorg is daar een goed voorbeeld van. Het kabinet is van mening dat goede samenwerking daarbij onontbeerlijk is.
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Regionale verschillen in beschikbaarheid van personeel vragen om regionale oplossingen. Regio’s met (verwachte) krapte bepalen in afstemming met de zorgverzekeraars welke interventies nodig zijn om de toegankelijkheid te kunnen borgen.
De NZa stimuleert verzekeraars om, samen met regionale partijen, ook te zoeken naar oplossingen buiten de eigen regio. De NZa ziet er op toe dat de verdeling van de schaarse capaciteit proactief wordt aangestuurd door verzekeraars. Daarnaast is het toezicht van de NZa erop gericht dat zorgverzekeraars samen met veldpartijen tot een toekomstgerichte aanpak komen. Dat is gerealiseerd met de visie en versnellingsagenda van ZN en Bo Geboortezorg. De daadwerkelijke effectuering van deze plannen heeft tijd nodig.
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding in de kraamzorg zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa stelt kostendekkende maximumtarieven vast op basis van regulier kostprijsonderzoek. In de kraamzorg zijn er maximumtarieven, met ruimte voor aanvullende afspraken via max-max tarieven (10%) en de Toeslag integrale geboortezorg binnen de kraamzorg (10%). Recent heeft de NZa weer kostprijsonderzoek uitgevoerd. De daaruit volgende nieuwe tarieven zijn per 1 januari 2026 ingegaan.
Het Ministerie van VWS stelt daarnaast ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova), zodat werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen afsluiten. Het is aan sociale partners om passende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de vergoeding en inrichting van wachtdiensten in de cao.
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Op 2 juni jl.5 is de Kamer geïnformeerd over het arbeidsmarktbeleid en opleidingen van de zorgsector. De motie van mevrouw Vliegenthart (PRO)6 die de regering verzoekt te verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moet worden aangemerkt, is in die brief afgedaan.
Het uitgangspunt bij een oproepdienst is dat arbeidstijd begint op het moment van een oproep. Tot en na die tijd, en bij het uitblijven van een oproep, is er sprake van rusttijd. Een belangrijke nuance hierbij is dat oproepdiensten werknemers niet te veel mogen beperken in het vrij invullen van hun tijd, zo blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Rijksoverheid.nl bevat informatie over consignatie (oproepdienst)7. Op Rijksoverheid.nl ontbrak de nuance vanuit de EU-jurisprudentie. Daarom is dit aangepast. Dat verduidelijkt het onderscheid tussen arbeidstijd en rusttijd bij oproepdiensten.
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Het kabinet erkent dat de capaciteitsproblematiek in de kraamzorg weerbarstig is, maar benadrukt ook dat de transitie tijd en gezamenlijke inzet vraagt. De sleutel is passende kraamzorg. De brancheorganisatie Bo geboortezorg en ZN zetten zich al enige tijd in om de problemen op de korte, middellange en lange termijn het hoofd te bieden om de beschikbare capaciteit zo passend mogelijk te verdelen. Hiervoor hebben zij in het verleden convenanten afgesloten en een visie en versnellingsagenda opgesteld. Dit heeft verder vorm gekregen in het transformatieplan toekomstbestendige kraamzorg waar ook transformatiemiddelen voor zijn toegekend. Dit plan richt zich onder meer op het behouden en opleiden van personeel en passende kraamzorg. De kabinetsinzet voor de kraamzorg is eerder met de Kamer gedeeld8 waarin het kabinet specifiek aandacht heeft voor versnelling op passende kraamzorg, instroom en behoud van kraamverzorgenden en twee vervolgonderzoeken. De komende periode staan meerdere gesprekken gepland met de sector om hier blijvend aandacht voor te vragen en de ondersteuning vanuit het kabinet nader te concretiseren.
Voor de korte termijn trekken zorgverzekeraars gezamenlijk met Bo geboortezorg op om knelpunten in de toegankelijkheid van kraamzorg vroegtijdig te signaleren en waar nodig maatregelen te treffen in de regio’s waar dit speelt. Daarbij wordt samengewerkt met kraamzorgaanbieders, VSV’s en andere betrokken partijen om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Zoals eerder aangegeven zijn acties in gang gezet om de transitie in de kraamzorg vorm te geven. Deze acties vragen tijd en gezamenlijke inzet. Voor de uitvoering van de moties hebben al gesprekken plaatsgevonden met onder andere de brancheorganisatie, ZN en opleidingspartijen. Na de zomer zal ook een gesprek met de initiatiefnemers van het Manifest plaatsvinden. Begin 2027 wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.
Het bericht dat de Verenigde Staten ASML beschuldigen van de verkoop van EUV-technologie aan China |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van Bloomberg dat Amerikaanse regeringsfunctionarissen zorgen zouden hebben geuit over de mogelijke aanwezigheid van EUV-technologie in China ondanks geldende exportbeperkingen?1
Ja.
Kunt u toelichten of het kabinet voorafgaand aan deze berichtgeving bekend was met deze specifieke beschuldigingen?
Heeft de Amerikaanse regering concrete informatie, bewijs of nadere onderbouwing met Nederland gedeeld?
Is er bij het kabinet op dit moment enige aanleiding om te veronderstellen dat de genoemde beschuldigingen onderbouwd zouden kunnen zijn?
Hoe beoordeelt het kabinet de verklaring van ASML dat het bedrijf zich volledig inzet voor naleving van alle toepasselijke regelgeving en eerdere geruchten over niet-naleving reeds heeft weersproken?
Het kabinet heeft goed en regelmatig contact met bedrijven in de halfgeleidersector. In die relatie is er voortdurend aandacht voor de naleving van exportcontroleregels.
Het kabinet gaat in het openbaar niet in op individuele bedrijven en gaat dus ook in het openbaar geen inhoudelijke beoordeling geven van specifieke uitspraken of verklaringen.
Deelt het kabinet de opvatting dat bij berichtgeving over een strategisch Nederlands bedrijf als ASML grote zorgvuldigheid past, gelet op de positie van het bedrijf, en het belang van vertrouwen in zowel Nederlandse exportcontrole als de bredere trans-Atlantische samenwerking?
Ja.
Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland open moet staan voor signalen van internationale partners, maar dat Nederlandse exportcontroles niet mogen worden gestuurd door onbewezen aantijgingen of buitenlandse druk?
Ja.
Hoe bewaakt het kabinet in gesprekken met internationale partners dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen feitelijke nalevingskwesties en bredere beleidsdiscussies over exportrestricties richting China?
Zie het antwoord op vraag 2,3 en 4.
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Ja.
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Bij de start van de projectprocedure voor de nieuwbouw van de kerncentrales was het uitgangspunt van het kabinet om de locatie Eemshaven niet mee te nemen in de onderzoeken, omdat het voornemen was om de Eemshaven als waarborgingsgebied te schrappen. Het schrappen van Eemshaven als waarborgingsgebied volgt uit aangenomen moties van de Kamer3 4 en is per 1 juli 2026 doorgevoerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het vorige kabinet heeft de Kamer op 11 februari 20255 geïnformeerd over dat het meenemen van de Eemshaven in de projectprocedure nodig was om tot een houdbaar projectbesluit te komen. In de Kamerbrief van 19 juni jl.6 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig was. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Tegelijkertijd vraagt de nu door TenneT aangeleverde informatie om het wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien. Waarbij de eventuele inpassing van de kerncentrales in Zeeland complex is en waarbij voor de bouw van een kerncentrale in de Eemshaven geen draagvlak is.
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Zie het antwoord op vraag 2 voor duiding over de Kamerbrief van 19 juni jl. en hoe dit zich verhoudt tot de moties uit de Kamer.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Ja, deze uitspraak is mij bekend en komt overeen met wat bestuurders uit Groningen in gesprekken met mij hebben gedeeld. Ik begrijp dat de boodschap die uit de locatieonderzoeken volgt, dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het meest geschikt lijken, impact heeft op de betrokkenen. Over deze uitkomsten en de impact van de boodschap ben ik in gesprek met bestuurders en andere betrokkenen in de regio's. Zoals ook in de voorgaande antwoorden staat toegelicht zal het kabinet later dit jaar de voorkeur voor een locatie uitspreken en is er op dit moment nog geen sprake van besluitvorming over een voorkeurslocatie.
De locaties in Eemshaven zijn onderdeel geworden van de projectprocedure om de besluitvorming over een definitieve locatie, vanuit het oogpunt van beoordeling van verschillende locaties en alternatieven, zorgvuldig te laten verlopen. In het Voornemen en voorstel voor Participatie is uiteengezet hoe locaties in principe overal in Nederland mogelijk zijn. Op basis van beleidskeuzes uit het verleden waren op dat moment in ieder geval Maasvlakte I en het Sloegebied (Borssele/Vlissingen) in beeld voor het onderzoek. Eemshaven was op dat moment niet in beeld. Het publiek heeft gereageerd op dit VenP, waaruit ook 39 extra te onderzoeken gebieden en locaties uit voort zijn gekomen. Daarin is de Eemshaven ook meermaals genoemd als alternatief. Uit de beoordeling op objectieve gronden kwam de Eemshaven als redelijk alternatief naar voren.
Naar aanleiding van deze bevindingen is, na consultatie van bestuurders in Groningen, aan de landsadvocaat gevraagd of er een mogelijkheid was om Eemshaven toch uit te sluiten van het onderzoek. Op basis van het advies van de landsadvocaat heeft het kabinet begin 2025 geconcludeerd dat het niet mogelijk is Eemshaven uit te sluiten van de projectprocedure en tegelijkertijd te komen tot een juridisch houdbaar besluit over de locatie.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
TenneT stelt dat in Zeeland aanvullende maatregelen nodig zijn voor inpassing van kernenergie en dat zonder integraal en sturend beleid realisatie van nieuwe kernenergie in Zeeland niet reëel is. Een van de opties die TenneT schetst is afschakelen van windenergie, maar dat is niet de enige optie die TenneT schetst.
Uit de analyse van TenneT blijkt dat er een sterke toename nodig is van de elektriciteitsvraag in Zeeland, als gevolg van het sterk groeiende productieaanbod in dat gebied van zowel wind-op-zee als mogelijk kernenergie. Deze elektriciteitsvraag is lokaal nodig, omdat de transportcapaciteit uit Zeeland uit de analyses van TenneT te beperkt is om alle productie van Zeeland naar andere gebieden te transporteren.
Zoals uit het TenneT rapport blijkt, geldt dat deze sterke toename in met name flexibele elektriciteitsvraag ten opzichte van de huidige vraag in alle scenario’s noodzakelijk is, ook in scenario’s zonder kernenergie. Deze noodzakelijke toename geldt ook niet alleen in Zeeland, maar in meerdere kustregio’s.
Daarom wordt in de voorbereiding van de besluitvorming rondom inpassing van kernenergie in breder opzicht verkend hoe de elektriciteitsvraag in Nederland zich sneller kan ontwikkelen dan het huidige tempo. De mate waarin dit mogelijk is, welk beleid en middelen hiervoor vereist zijn, en hoe dit samenhangt met andere productiemiddelen in Zeeland neem ik mee in de verdere afweging. Ook hier vraagt de door TenneT aangeleverde informatie dus om het uitwerken en wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien.
In de actualisatie van het NPE, dat op Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet in meer detail in op de verwachte vraag- en aanbodontwikkeling richting 2040. De ontwikkeling van nieuwe kerncentrales moet zoals aangegeven passen bij de toekomstige vraag naar elektriciteit en bijdragen aan een systeemefficiënte en robuust aanbodportfolio. In de actualisatie van het NPE en in de verdere NPE-cyclus schetst het kabinet richting 2029 de rol van kernenergie in de bredere context van het hele energiesysteem en de daarin verwachte vraagontwikkeling naar elektriciteit (zowel in volume als in mate van flexibiliteit) om op basis daarvan stapsgewijs besluiten te kunnen nemen over de bouw van aanvullende kerncentrales en aanvullend productievermogen in de breedte.
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Zoals in het voorgaande antwoord is beschreven, adviseert TenneT vanwege de grenzen van de maakbaarheid van het elektriciteitsnet om vraag en aanbod bij elkaar te ontwikkelen. Zo zijn er geen of zo min mogelijk additionele uitbreidingen, ten opzichte van wat al gepland is, nodig.
Voor Zeeland wordt nu onderzocht of het haalbaar is additionele elektriciteitsvraag in Zeeland te realiseren, bovenop de vraaggroei uit de scenario's waar TenneT vanuit is gegaan. Het is nog onzeker of dit voldoende zal zijn om het verwachte transportknelpunt in het net op te lossen. Ook is het onzeker of het noodzakelijk is om aanbod te verminderen, om balans te krijgen tussen aanbod, vraag en transport. Uit de analyse van TenneT blijkt dat voor inpassing er maatregelen nodig zijn om kernenergie in te passen, maar blijkt ook dat zonder inpassing van kernenergie er ook maatregelen voor deze balans nodig zijn. Of potentiële aanvullende vraagontwikkeling, transportuitbreiding of aanbodvermindering en bijbehorende maatschappelijke waarde in balans is bij de maatschappelijke meerkosten, zal in het vervolgproces rondom de locatiekeuze worden vormgegeven.
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Voor nieuwbouw van de twee kerncentrales wordt de projectprocedure gevolgd. De eerstvolgende stap in de projectprocedure is het aanwijzen van een locatie voor de bouw. De Kamerbrief van 19 juni jl. vormt hierin een tussenstap en informeert de Kamer, de medeoverheden en andere betrokken over de onderzoeksresultaten. Uit deze resultaten blijkt dat alleen de locaties Eemshaven en Terneuzen in beeld blijven als mogelijke voorkeurslocatie. Doordat deze informatie met de brief van 19 juni openbaar is geworden, is daarmee het risico op grondspeculatie en kavelsplitsing op deze locaties toegenomen. Het voorkeursrecht is een instrument om dit risico te mitigeren. Om deze reden heb ik de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verzocht om op beide locaties een voorkeursrecht te vestigen. Vestiging van het voorkeursrecht betekent niet dat er al een besluit is genomen over de locatie.
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
In de Kamerbrief van 19 juni jl licht het kabinet toe welke drie locaties nog in aanmerking komen als voorkeurslocatie voor de bouw van twee kerncentrales. In deze brief staat verder toegelicht hoe belemmerende factoren bij vijf locaties dusdanig optellen dat het kabinet deze niet als voorkeurslocatie zal aanmerken. De overgebleven drie locaties vragen nadere uitwerking. Voor de locatie in Terneuzen zal ik, zoals ook beschreven in mijn antwoord op vraag 7, de komende periode onderzoeken de benodigde en verwachte ontwikkeling van de lokale energievraag onderzoeken.
Voor Eemshaven ga ik bestuurlijk het gesprek aan over de uitkomsten van de locatiestudies. De aanvullende informatie weegt het kabinet mee bij het selecteren van een voorkeurslocatie voor de bouw van de kerncentrales later dit jaar. Dit wordt vervolgens uitgewerkt in een ontwerp Voorkeursbeslissing in de eerste helft van 2027.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Nee, doordat afstemming over de antwoorden nodig was, is het niet gelukt deze vragen voorafgaand aan het Commissiedebat Kernenergie te beantwoorden.
Strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat per 1 juli 2026 in China een wet in werking treedt die kritiek op de regering strafbaar stelt?1
Ja.
Is het juist dat ook personen die buiten China kritiek op de Chinese regering uiten daardoor strafbaar zijn en bij aankomst in China daarom gearresteerd kunnen worden?
Het is niet aan het kabinet om buitenlandse wetten te interpreteren of voorspellingen te doen over de toekomstige handhaving daarvan. Het is wel mijn verantwoordelijkheid om op basis van wetteksten en daadwerkelijke implementatie mogelijke effecten op Nederlandse burgers te monitoren en dat zal ik ten aanzien van deze wet ook doen. In dat kader baart artikel 63 zorgen. Daarin staat dat ook organisaties en individuele burgers buiten China juridisch vervolgd kunnen worden voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving.
Indien de vorige vraag door u niet ontkennend beantwoord kan worden, wat gaat u dan doen om Nederlanders die naar China willen gaan te waarschuwen dat zij het risico lopen in China gearresteerd te worden als zij eerder kritiek op de Chinese regering hebben geuit?
Op dit moment geeft het reisadvies China al aan dat het strafbaar kan zijn om online berichten te plaatsen of te delen, die kritisch zijn over China of de Chinese overheid. Er staat dat dit ook kan gelden voor berichten die Nederlandse burgers voor aankomst in China hebben geplaatst, gedeeld of gesteund. Het ministerie beoordeelt doorlopend of reisadviezen moeten worden aangepast en zal dat ook ten aanzien van de invoering en handhaving van deze wet doen.
Heeft de bedoelde wet terugwerkende kracht voor daden die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet?
Ik kan geen voorspellingen doen over de toekomstige implementatie en handhaving van de wet. Een terugwerkende kracht is niet terug te vinden in de tekst van de wet, maar het valt niet uit te sluiten dat de mogelijkheid voor juridische vervolging per 1 juli voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid ook geldt voor feiten van voor die datum. Bovendien is in bepaalde regio’s van China al (lokale) wet-en regelgeving van kracht die ziet op het bevorderen van etnische eenheid.
Is in die wet duidelijk omschreven wat wordt verstaan onder kritiek op de Chinese regering?
Nee. De wet beoogt immers geen strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering als zodanig, maar de mogelijkheid van juridische vervolging voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid.
Klopt het dat daaronder ook wordt verstaan het uiten van gedachten die in strijd zijn met de Chinese claim dat Taiwan en inwoners van Taiwan onderdeel zijn of moeten zijn van de Volksrepubliek China?
Indien het ontkennen van Chinese etnische eenheid, die zich volgens deze wet ook expliciet uitstrekt tot Taiwan, door de Chinese autoriteiten als ondermijnend in de zin van deze wet wordt aangemerkt, zou dat op basis van deze wet tot juridische vervolging kunnen leiden.
Wilt u deze vragen voor 30 juni beantwoorden?
Vanwege zorgvuldigheid in de beantwoording heb ik deze termijn niet gehaald, maar de reguliere beantwoordingstermijn aangehouden.
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Ja.
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Het is belangrijk dat iedereen in Nederland die kan werken actief moet deelnemen en bijdragen aan onze samenleving. Veel mensen willen niet aan de kant staan, maar graag meedoen. Ondanks de hoge arbeidsparticipatie zijn er nog altijd mensen niet aan het werk, terwijl zij wel zouden kunnen of willen werken.1 Dit geldt ook voor nieuwkomers voor wie het vinden en behouden van een baan niet vanzelfsprekend is. Werken is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook in het belang van deze mensen zelf: het geeft voldoening, eigenwaarde en vergroot de zelfredzaamheid. Daarnaast stelt werk hen in staat een bijdrage te leveren aan de kosten van de opvang en het bevordert de integratie en latere arbeidsdeelname, terwijl het de afhankelijkheid van sociale voorzieningen in een later stadium verkleint en tekorten op de arbeidsmarkt vermindert. Langdurig aan de zijlijn staan bereikt het tegenovergestelde en zorgt voor een langere bijstandsafhankelijkheid dan nodig. Het is dus in het belang van onze samenleving, arbeidsmarkt en de mensen zelf om asielzoekers en statushouders eerder en sneller aan het werk te helpen.
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Ja. De asielopvang dient primair om asielzoekers onderdak en basisvoorzieningen te bieden gedurende de behandeling van hun asielverzoek door de IND en in de periode dat zij een verblijfsvergunning hebben gekregen en in afwachting zijn van huisvesting. Als het asielverzoek wordt afgewezen dient de asielzoeker de asielopvang te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee is de opvang dus nadrukkelijk geen structureel arbeidsmarktinstrument.
Tegelijkertijd laat het Europese kader, de Opvangrichtlijn, zien dat arbeidsdeelname van asielzoekers niet volledig losstaat van het opvangsysteem. Lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers met een grote kans op inwilliging van het asielverzoek zo vroeg mogelijk toegang tot de arbeidsmarkt te geven. Bovendien geldt als norm dat deze asielzoekers zo snel mogelijk, maar uiterlijk zes maanden na registratie van hun aanvraag, mogen werken. Vanuit dat perspectief is het met oog op de onder antwoord 2 genoemde voordelen waardevol om asielzoekers waar mogelijk te laten werken.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden in de asielprocedure aan het werk mogen. Zij krijgen vanaf het begin hulp en bemiddeling naar werk om sneller te kunnen integreren én bij te kunnen dragen aan de kosten van de opvang. Asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd hebben, ook overeenkomstig de Europese regels uit de herschikte Opvangrichtlijn, geen recht om te werken. Daarnaast wil het kabinet direct aan het begin van de asielprocedure starten met taalles voor asielzoekers met een kansrijke asielaanvraag. Deze plannen worden verder uitgewerkt in de Taskforce Asiel en Migratie.
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Asielaanvragen van asielzoekers met een kansrijke aanvraag stroomden voor de inwerkingtreding van het Europees Migratiepact op 12 juni 2026 in spoor 4 in. Spoor 4 omvatte dus alle vreemdelingen die geen Dublinclaimant zijn (spoor 1) en niet afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst en ook geen bescherming elders in de EU genieten (spoor 2). In aanvulling op de doelgroepen die voorheen werden aangeduid als sporen 1 en 2 worden nu ook alle nationaliteiten met een gemiddeld EU inwilligingspercentage van minder dan 20% toegevoegd aan de doelgroep «kansarm», terwijl een aantal van deze «kansarme» nationaliteiten, zoals Moldavië en Algerije, tot 12 juni 2026 onder spoor 4 werden behandeld, omdat deze niet voldeden aan de voorwaarden voor afhandeling in spoor 1 en 2.
In onderstaande tabellen is de afdoening weergegeven van zowel eerste als opvolgende aanvragen waarop in spoor 4 is beslist. Bij de tabel wordt opgemerkt dat een aanvraag in een eerder jaar kan zijn ingediend dan het jaar waarin op de aanvraag is beslist. Gegevens van voor 2013 zijn vanwege technische redenen niet beschikbaar.
2013
9.580
4.800
50%
2014
17.150
12.000
70%
2015
21.850
16.790
77%
2016
25.610
19.700
77%
2017
11.510
6.000
52%
2018
6.510
3.170
49%
2019
8.100
4.510
56%
2020
11.270
8.480
75%
2021
15.810
11.740
74%
2022
17.150
14.500
85%
2023
18.570
14.020
76%
2024
22.610
15.620
69%
2025
17.060
7.170
42%
2026 (tot 12 juni)
9.450
2.340
25%
2013
3.200
1.120
35%
2014
2.490
840
34%
2015
1.730
510
30%
2016
1.620
420
26%
2017
2.100
430
20%
2018
2.410
360
15%
2019
3.680
350
9%
2020
1.540
190
12%
2021
1.350
300
22%
2022
1.510
680
45%
2023
1.490
480
32%
2024
1.790
350
19%
2025
2.080
270
13%
2026 (tot 12 juni)
880
60
7%
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie speelt geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Uit onderzoek van Regioplan2 naar Nederlandse rechtspraak over privéleven opgebouwd tijdens onrechtmatig of onzeker verblijf zijn geen uitspraken naar voren gekomen waarin een arbeidsrelatie of sociale banden als een bijzondere omstandigheid wordt gezien op grond waarvan een verblijfsvergunning zou moeten worden verleend. Een arbeidsrelatie geldt niet als bijzondere omstandigheid op basis waarvan een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM zou moeten worden ingewilligd.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Zie antwoord op vraag 7.
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Het onderhavige kabinetsplan heeft als doel om asielzoekers en statushouders die in Nederland verblijven sneller aan het werk te helpen. Dit voorstel strekt niet tot het wijzigen van voorwaarden voor toelating tot Nederland of de Nederlandse arbeidsmarkt. De asielaanvraag van asielzoekers van wie de kans klein is dat hun asielverzoek wordt ingewilligd, wordt versneld behandeld. Daarbij geldt dat voor een aantal categorieën asielzoekers binnen die versnelde procedure de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Ook voor asielzoekers met een overdrachtsbesluit is de toegang tot de arbeidsmarkt uitgesloten.
In Nederland mogen asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten na zes maanden betaald werk verrichten. Er ligt een voorstel om deze wachttermijn te verkorten naar drie maanden. Dit sluit aan bij ons omringende lidstaten. Onder andere Duitsland en Oostenrijk hebben ook een wachttermijn van drie maanden. België en Luxemburg hanteren een wachttermijn van vier maanden.
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het migratieproces van asielmigranten. In 2023 publiceerde het Verwey-Jonker Instituut een wetenschappelijk WODC-onderzoek naar de wijze waarop asielmigranten een bestemmingsland «kiezen», waaruit geen eenduidige conclusie kon worden getrokken, maar waaruit wel blijkt dat met name andere factoren dan arbeidsmogelijkheden, namelijk op het gebied van veiligheid en sociale netwerken, een rol kunnen spelen bij de komst van asielzoekers naar het land van bestemming.3 Tegen die achtergrond en het feit dat het Nederlandse beleid aansluit bij dat van omringende landen verwacht het kabinet niet dat het onderhavige plan ervoor zal zorgen dat dit Nederland aantrekkelijker maakt voor het doen van een asielaanvraag dan ons omringende lidstaten.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Het kabinet zet erop in dat iedereen in Nederland mee kan doen en wil het arbeidspotentieel van mensen die reeds in Nederland zijn zoveel mogelijk benutten. In dat kader maakt het kabinet zich ook hard om asielmigranten sneller naar werk te begeleiden. Dit draagt bij aan hun integratie en participatie in de samenleving en op de arbeidsmarkt als zij voor een langere termijn in Nederland verblijven. Dat helpt om de druk op de arbeidsmarkt te verlichten, zeker als de nieuwkomers werk vinden in de cruciale opgaven uit de Talentstrategie. En dit kan tevens een bijdrage leveren aan het verminderen van de noodzaak om arbeidskrachten uit het buitenland aan te trekken, hetgeen in lijn is met het advies voor gematigde bevolkingsgroei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Het klopt dat de arbeidsmarktkrapte afgelopen jaar licht is afgenomen. Desondanks is er nog steeds sprake van een krappe arbeidsmarkt. Tabel 3 geeft de vacaturegraad, het aantal openstaande vacature per duizend banen, per sector in de afgelopen 10 jaar weer.4 De vacaturegraad is het afgelopen jaar in de meeste sectoren gedaald. Op de lange termijn is te zien dat de vacaturegraad voor alle sectoren nog steeds hoger ligt dan 10 jaar geleden.
Kijkend naar de langere termijn voorspelt de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 dat, mede door demografische ontwikkelingen, de arbeidsmarkt op lange termijn krap zal blijven. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) geeft inzicht in waar de toekomstige knelpunten op de arbeidsmarkt zich bevinden via de berekening van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep.5 Deze indicator is te vertalen als de mate waarin een toekomstige baanopening voor een beroep gevuld kan worden door nieuw arbeidsaanbod met een daarvoor geschikte opleiding, maar is niet direct te vertalen naar tekorten in aantallen banen. De indicator baseert zich op historische patronen en verwachte economische ontwikkelingen, maar kan geen rekening houden met beleidsaanpassingen en gedragsaanpassingen op de arbeidsmarkt als gevolg van de verwachte knelpunten.
De ontwikkeling van de arbeidsmarkt is van veel factoren afhankelijk, zoals conjunctuur, de vraag naar bepaalde producten maar ook de geopolitieke situatie en laat zich hierdoor lastig voorspellen. Zo is het bijvoorbeeld nog onzeker wat de economische impact van de inval in Iran zal zijn op de arbeidsmarkt. Het CPB onderzocht dit en verwacht dat de werkloosheid stijgt naar tussen de 4,5 en 4,9 procent in 2027 aan de hand van verschillende scenario’s.6
De instroom van 75.000 extra werknemers kan bijdragen aan het verlichten van gerichte tekorten. Deze werknemers zullen in Nederland echter ook producten en diensten consumeren, wat zorgt voor extra vraag naar arbeid. Dit verkleint het verminderende effect op de arbeidsmarktkrapte.
20
24
29
33
26
30
51
49
46
44
41
12
16
19
26
20
23
35
31
32
33
33
18
24
34
38
30
35
56
53
52
55
51
24
27
33
38
27
33
60
53
48
46
44
20
20
24
27
23
28
43
43
41
40
39
14
18
21
24
23
24
36
40
40
36
35
20
22
24
25
29
29
71
53
45
36
26
17
21
27
31
24
27
46
44
42
42
40
27
28
25
34
42
35
69
65
57
52
35
16
24
36
28
23
23
54
48
50
48
54
20
32
50
59
42
54
76
72
72
81
74
21
28
33
39
29
32
64
57
51
49
48
15
20
28
35
22
26
48
45
41
39
33
35
42
48
55
23
44
112
77
66
63
60
52
53
64
68
52
64
91
69
60
55
52
28
32
43
44
34
36
53
50
44
44
32
16
19
31
31
21
24
52
45
42
35
35
35
37
43
46
36
45
70
64
58
54
51
12
12
15
17
15
17
28
30
29
30
29
14
18
23
25
28
29
37
43
48
36
31
8
9
10
13
11
12
19
21
22
17
16
17
22
24
27
27
27
42
45
45
45
44
16
23
20
32
23
27
51
47
37
39
34
22
23
29
29
20
28
47
57
52
50
44
Voorlopige cijfers
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
De vergrijzende bevolking leidt tot een structurele krapte op de arbeidsmarkt, waardoor veel vacatures onvervuld blijven. Met name in sectoren als het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en de woningbouwsector is sprake van een toenemende vraag. Tegen deze achtergrond leidt de instroom van nieuwkomers over het algemeen niet tot verdringing van Nederlandse werknemers, maar vormt deze juist een aanvulling op de arbeidsmarkt.
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Het kabinet wil de samenleving en economie versterken door randvoorwaarden voor toekomstige welvaart op orde te brengen. Doel is dat de economie gemiddeld 1,5% per jaar blijft groeien. Om deze doelstelling te behalen is essentieel de arbeidsproductiviteit te verhogen en innovatie aan te jagen. We zullen namelijk meer werk met relatief minder mensen moeten doen. Dat komt omdat de vraag naar mensen zeer waarschijnlijk harder groeit dan het aantal mensen dat beschikbaar is. Onder andere door vergrijzing, maar ook door een mismatch tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden. Maar de concurrentie om talent is internationaal hoog, vooral om technisch en digitaal talent. Tegelijkertijd laat het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 zien dat een vermindering van alle vormen van migratie nodig is. Tegen deze achtergrond werkt het kabinet aan een Talentstrategie om schaars talent op te leiden en te begeleiden naar een aantal cruciale opgaven waar Nederland voor staat.
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Er wordt geen statistiek bijgehouden over de aansluiting van werkervaring of diploma’s uit het land van herkomst op tekortsectoren. Ook over de richtingen waarin statushouders in Nederland hun diploma’s behalen, is geen statistiek voorhanden. Dat betreft zowel de afstudeerrichting van hier behaalde diploma’s in het reguliere onderwijs, als deelname aan zij- en voorschakeltrajecten voor statushouders, waar door tekortsectoren in wordt geïnvesteerd.
Op basis van beschikbare data over formele diploma’s (CBS Dashboard Wet Inburgering, CBS Dashboard Asiel en Integratie), is de schatting in de orde van grootte van minimaal 25 à 30% van de statushouders vanaf 18 jaar een in Nederland erkend diploma heeft om op mbo-niveau of hoger aan het werk te kunnen Dit percentage is gebaseerd op de volgende data:
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Niet iedere nieuwkomer zal direct beschikken over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd. Tegelijkertijd geldt dat een deel van de nieuwkomers relevante werkervaring of een opleiding uit het land van herkomst heeft, waardoor met gerichte ondersteuning doorstroom naar werk in deze sectoren mogelijk is.
Dit vraagt om investeringen in het leren van de Nederlandse vaktaal en het ontwikkelen van basisvaardigheden via praktijkgerichte scholing. Werken in deze sectoren vereist vaak een toereikend niveau van de Nederlandse taal en voldoende beroepsvaardigheden.
Via een voorschakeltraject, gevolgd door een (leer)baan, kunnen nieuwkomers doorgroeien naar werk op niveau. Om deze ontwikkeling te ondersteunen, verken ik de mogelijkheden om tussen arbeidsmarktregio’s en tekortsectoren afspraken te maken over de inzet van voorschakeltrajecten en praktijkgerichte scholing voor (instap)functies binnen de Ontwikkelpaden. Hier zet ik ook op in via de landelijke werkgeversdeals.
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
In hoeverre de instroom van 75.000 extra werknemers effect heeft op de gestelde factoren is onzeker. Dit hangt af van het beroep, de sector, de baanduur en andere kenmerken. Wel heeft het CPB vorig jaar geconcludeerd dat de effecten van arbeidsmigratie op lonen en baankansen van ingezetenen tot nu toe over het algemeen beperkt lijken.8 Dat heeft ermee te maken dat arbeidsmigranten veelal werk verrichten dat bestaande arbeid aanvult in plaats van deze te vervangen, ook omdat ingezetenen naar andere banen en functies bewegen.
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
In de aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers is geen sprake van een flexibilisering van de inburgeringseisen. Het streefniveau blijft immers taalniveau B1. Ook de andere verplichte onderdelen (KNM, MAP, PVT) blijven in stand.
De aanpak Werk en Meedoen ziet wel toe op flexibilisering van de manier waarop de inburgeraar aan de inburgeringseisen kan voldoen. Zo verkent de Minister van Werk en Participatie de mogelijkheden om meer tijd te creëren voor werkende inburgeraars om aan hun inburgeringsplicht te voldoen. Ook het inburgeringsaanbod dient flexibeler te worden, zodat inburgeraars hun inburgeringslessen beter kunnen combineren met werk. Hierbij denk ik aan het uitbreiden van het lesaanbod in het weekend en de avonduren, online onderwijs, duale trajecten (bijvoorbeeld startbanen), vier dagen werk en één dag taalles of (non-formeel) taalonderwijs organiseren op de werkvloer. De kwaliteit van de inburgering komt dus niet in het geding, want de uitgangspunten van de wet veranderen niet.
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Ik vind dat het spreken van de Nederlandse taal op de werkvloer het uitgangspunt moet zijn. Dat is voor de beroepen waar asielmigranten in terecht komen niet anders dan voor andere doelgroepen. Voor de overgrote meerderheid van de Nederlandse bedrijven is Nederlands ook nog steeds de primaire interne voertaal. Het aandeel bedrijven met Engels als primaire interne voertaal ligt rond de 10–15%. 36% van de werknemers werkt op een werkplek waar meer dan één taal wordt gesproken. In die meertalige werkomgevingen is Engels na Nederlands de meest gebruikte taal (23%).9
Het combineren van klassikale taallessen met werken in een Nederlandstalige context zorgt ervoor dat de taal sneller wordt geleerd. Een veel gebruikte werkvorm hiervoor zijn duale trajecten. Gemeenten zorgen in de uitvoering van de Wet inburgering 2021 voor een aanbod van participatie-activiteiten. Deze schrijft bovendien voor dat deze activiteiten plaatsvinden in een Nederlandstalige omgeving.
Daarnaast zet ik via het plan van aanpak Werk en Meedoen Nieuwkomers ook in op het leren van de Nederlandse taal op de werkvloer. Ik ga afspraken maken met werkgevers, waarin ik nadrukkelijk de wens zal meenemen dat asielmigranten in een Nederlandstalige context behoren te werken. Daarnaast ondersteun ik initiatieven zoals van Stichting Het Begint met Taal, die werkgevers kunnen ondersteunen middels het opleiden van taalbuddies op de werkvloer.
Verder is om werkgevers te ondersteunen bij het aannemen en begeleiden van statushouders, de subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) ingericht. Deze regeling helpt werkgevers bij het overbruggen van taal- en cultuurverschillen op de werkvloer. In 2025 is in totaal € 2,8 miljoen aan subsidie verstrekt. Uit de evaluatie van het eerste tijdvak (2024) door Regioplan, opgenomen in de bijlage, blijkt dat werkgevers tevreden zijn over de regeling. Het vermindert de drempel om statushouders aan te nemen.
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Ja. Dit is staand beleid en wordt «kansrijke koppeling» genoemd. Binnen de kansrijke koppeling wordt expliciet gekeken naar factoren die de kans op snelle participatie en integratie vergroten, waaronder werk, opleiding, of de aanwezigheid van een sociaal netwerk. Als een statushouder al werk heeft, is het uitgangspunt dat bij de koppeling met een gemeente zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de regio waar die arbeid wordt verricht, zodat werk kan worden behouden en voortgezet. Deze kansrijke koppeling kan in 80% van de gevallen worden gevolgd. De koppelingssystematiek als zodanig is samen met medeoverheden vastgesteld.
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Zoals onder vraag 21 toegelicht, spelen arbeidsmarktoverwegingen een rol bij de huisvesting van statushouders, maar het is niet de enige of doorslaggevende factor. Binnen de koppeling wordt breder ook gekeken naar andere factoren zoals kwetsbaarheid of opleiding. Arbeid is dus één van de elementen die meewegen bij de plaatsing van statushouders bij gemeenten, met als doel hun integratie en participatie te bevorderen.
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
De inzet van arbeidsmarktoverwegingen bij de koppeling van statushouders aan gemeenten en vervolgens de huisvesting van deze groep staat niet op gespannen voet met het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming. Economische belangen spelen geen enkele rol bij de beoordeling van een asielverzoek om internationale bescherming. Ook de asielopvang en de daaropvolgende huisvesting van statushouders vloeien primair voort uit diezelfde humanitaire bescherming en de daaruit voortvloeiende wettelijke rechten.
Zoals onder vraag 3 toegelicht, is het tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken dat binnen die kaders het wél van grote maatschappelijke waarde is om voor asielzoekers die een goede kans hebben op inwilliging van hun asielaanvraag en voor statushouders, zo goed mogelijk aansluiting te vinden met werk en participatie. Wanneer statushouders sneller en beter kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, versterkt dat hun zelfredzaamheid en integratie. Bovendien is de samenleving als geheel gebaat bij een goede benutting van talent en arbeidspotentieel, zeker in een context van arbeidsmarktkrapte.
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Op dit moment zijn er nog geen separate middelen voor het plan van aanpak Werk en Meedoen gereserveerd. Zodra ik hier meer over weet, informeer ik uw Kamer hierover. De inzet op vergroting van de arbeidsdeelname van nieuwkomers kent, naast relatief beperkte kosten, ook potentieel grote maatschappelijke baten. Dit betreft bijvoorbeeld directe inverdieneffecten via de inkomstenbelasting, REBA-inkomsten en lagere uitkeringslasten. Acties met financiële gevolgen zullen worden vormgegeven binnen de financiële kaders van het coalitieakkoord. Daarbij zullen we ook aandacht hebben voor de (financiële) opbrengsten van het plan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht dat het natuurvriendelijk inrichten van oevers goedkoper is dan wegvangen voor de aanpak van uitheemse rivierkreeftensoorten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning, waaruit blijkt dat het natuurvriendelijker inrichten van oevers op de lange termijn veel goedkoper is dan het wegvangen van uitheemse rivierkreeftensoorten?1
Ja.
Deelt u de mening dat inzetten op een instrument als wegvangen (doden), dat € 475 per m2 kost, een slechtere besteding is van belastinggeld dan inzetten op een oplossing van € 320–€ 360 per m2 (natuurvriendelijke oevers), zeker als deze goedkopere oplossing een effectieve en zogenaamde no-regret maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Om uitheemse rivierkreeften effectief te kunnen beheersen is het vaak nodig om verschillende maatregelen aanvullend op elkaar in te zetten. Een effectieve en kostenefficiënte beheersingsaanpak is daarbij afhankelijk van verschillende factoren zoals de locatie, de soort rivierkreeft en type watersysteem. Natuurvriendelijke oevers kunnen een belangrijk deel uitmaken van zo'n beheersingsaanpak. Tegelijk is het niet overal mogelijk om natuurvriendelijke oevers aan te leggen, onder andere door ruimtegebrek. Om de uitheemse rivierkreeften effectief te beheersen is het vaak nodig om aanvullend aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers ook andere maatregelen in te zetten, waaronder het wegvangen van uitheemse rivierkreeften om de initiële populatie terug te dringen. Nadelen van wegvangen zijn dat dit inderdaad kostbaar is, vaker herhaald dient te worden, niet op grote schaal uitvoerbaar is en ook ongewenste neveneffecten kan hebben zoals bijvangst. Dit is waarom het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften is opgesteld2. Dit afwegingskader helpt waterbeheerders (waterschappen, provincies en gemeenten) per situatie te bepalen welke (combinatie van) maatregelen effectief en kostenefficiënt is.
Gelet op het feit dat een eerste indicatie van hoogheemraadschap Rijnland laat zien dat voor het «beheersmatig wegvangen» van rivierkreeften een bedrag nodig is van zo’n 20 tot 25 miljoen euro per jaar, wat landelijk neer zou komen op ongeveer 400 tot 500 miljoen euro per jaar; deelt u de mening dat dit heel veel geld is voor een oplossing die niet structureel is, aangezien rivierkreeften gelijk zullen terugkeren zodra het wegvangen stopt? Zo nee, waarom niet?2
Een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften is sterk locatieafhankelijk en dit moet per waterschap bepaald worden. Het wegvangen van uitheemse rivierkreeften is een kostbare maatregel, maar zoals hierboven toegelicht kan dit soms wel nodig zijn om een omslag te bewerkstelligen. Wegvangen dient niet gezien te worden als eigenstandige maatregel, maar als steunmaatregel binnen een bredere beheersingsaanpak. Daarmee is het één van de maatregelen die noodzakelijk kan zijn in een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften. Afhankelijk van de locatie en de staat van de natuur in dat gebied kan wegvangen een passende maatregel zijn. Er zijn ook goed ontwikkelde natuurgebieden die last hebben van uitheemse rivierkreeften. Het is maatwerk per gebied om te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn. Wegvangen in grote open watersystemen met veel uitwisseling met omliggende wateren is daarbij meestal niet heel effectief.
Kunt u beamen dat het onderhoud van natuurvriendelijke oevers in het algemeen goedkoper is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers, zoals blijkt uit het onderzoek?
Het onderzoek doet deze uitspraak over onderhoudskosten over oevers van wateren waar sprake is van een overmatige aanwezigheid van rode Amerikaanse rivierkreeften. In zijn algemeenheid kan niet gesteld worden dat onderhoud van natuurlijkvriendelijke oevers goedkoper (of duurder) is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers. Hierbij zijn diverse factoren van invloed, waaronder het type watergang en het gebruik ervan.
Is het niet bij een beperkt budget de meest financieel verantwoordelijke beslissing om zo veel mogelijk in te zetten op het natuurvriendelijk maken van oevers? Zo nee, waarom niet?
Waterbeheerders van een gebied kunnen zelf inschatten welke maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften zij noodzakelijk achten en welke financiële middelen zij daarvoor inzetten. Voor waterschappen geldt hierbij dat zij de inkomsten uit de watersysteemheffing mogen gebruiken voor het nemen van maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften als anders het behalen van KRW-doelen in gevaar zou komen. Het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften helpt waterbeheerders deze inschatting te maken.
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat het creëren van natuurvriendelijke oevers in Leiden heeft gezorgd voor een afname van 17 keer het aantal rivierkreeften aldaar [KI5]? Welke lessen trekt u hieruit voor uw beleid? Gaat u naar aanleiding hiervan uw beleid nog aanscherpen en zo ja, op welke punten?
Dit past in het beeld dat de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers, op locaties waar dit mogelijk is, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het terugdringen van de aantallen uitheemse rivierkreeften. Voor een verdere toelichting op de kabinetslijn ten aanzien van de aanpak van de uitheemse rivierkreeft verwijs ik naar de kabinetsbrief die onlangs aan uw Kamer is toegezonden (Kamerstuk 2026Z15808). Hierin wordt ook op het onderzoek van Hoogheemraadschap van Rijnland ingegaan.
Bent u ermee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat ook in de omliggende gebieden van de pilot met natuurvriendelijke oevers een vermindering van rivierkreeften te zien was? Neemt u dit uitstralende effect ook mee in het afwegingskader Aanpak invasieve exoten? Zo nee, waarom niet?
Het desbetreffende onderzoek laat inderdaad ook in de omliggende gebieden een vermindering van uitheemse rivierkreeften zien. Dat is hoopgevend. Tegelijk wijst het onderzoek erop dat de bevindingen met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Binnen het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften (OBUR) werken we met verschillende partijen aan een onderzoeksagenda. LVVN heeft recent een meerjarige subsidie van 400.000,- euro aan Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) verleend voor aanvullend onderzoek om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van Hoogheemraadschap van Rijnland, worden ook gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen.
Bent u het eens met het onderzoek van OBN Natuurkennis dat, naast natuurvriendelijke oevers, andere ecologische maatregelen die robuuste watersystemen versterken toegepast moeten worden om onze natuur te herstellen en te komen tot een gezonde balans?3 Zo nee, waarom niet?
Ja, hier zijn wij het mee eens.
Kunt u beamen dat het creëren van natuurvriendelijke oevers ook een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit en daarmee bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water?
Ja, dat kunnen wij beamen.
Kunt u beamen dat hiermee sprake is van een win-win situatie: invasieve exoten worden aangepakt, de natuur wordt versterkt, natuurdoelen komen dichterbij, water wordt schoner en gezonder en de kosten op lange termijn liggen vele malen lager? Zo nee, waarom niet?
Natuurvriendelijke oevers kunnen vaak een win-win situatie zijn. De effectiviteit van beheersingsmaatregelen is echter sterk afhankelijk van de locatie en de specifieke situatie. Daarom zet het kabinet in op een brede beheersingsaanpak.
Bent u bereid de uitkomsten en berekeningen uit dit het eindrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning te verwerken in het landelijk aanvalsplan invasieve exoten en het bijbehorende afwegingskader, in lijn met de aangenomen motie-Kostić?4 Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van deze adviesbureaus, worden gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is al in januari van dit jaar aan uw Kamer aangeboden. Dit aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid op hoofdlijnen en de bijlagen 6, 7 en 9 bevatten de specifieke landelijke afspraken (doelstelling) per invasieve exoot van de Europese Unielijst. Het aanvalsplan beschrijft niet in detail welke specifieke maatregelen voor deze (meer dan 114) verschillende invasieve exoten kunnen worden getroffen. Maatregelen zijn ook continu in ontwikkeling en kunnen door de tijd heen veranderen op basis van nieuwe inzichten. Documentatie hierover is zeer omvangrijk en via diverse kanalen en netwerken beschikbaar voor waterbeheerders, terreinbeherende organisaties en andere partijen.
Kunt u deze vragen één voor één voor het komende commissiedebat Water beantwoorden?
Gezien de korte termijn tussen de indiening van de vragen en het commissiedebat Water is het niet gelukt om de vragen te beantwoorden voor het Commissiedebat.
Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen door het bericht van Hackedemia.nl.
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat persoonsgegevens op een veilige en rechtmatige manier worden verwerkt. Mensen die contact zoeken met 113 zitten in een bijzonder kwetsbare positie en moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Om dergelijke medische gegevens te beschermen is de NEN 7510 norm (informatiebeveiliging in de zorg) verplicht gesteld voor alle zorgaanbieders. Stichting 113 Zelfmoordpreventie werkt in overeenstemming met deze norm.
Het onderzoek uit het artikel van Hackemedia heeft uitgewezen dat Stichting 113 niet op de voorgeschreven manier gegevens verwerkte. Uit de update van hetzelfde artikel blijkt dat Stichting 113 Zelfmoordpreventie op een manier heeft gereageerd die door de onderzoekers als adequaat wordt aangeduid, en de onderzoekers bedanken Stichting 113 Zelfmoordpreventie voor de voortvarendheid in oppakken van de bevindingen van de onderzoekers.
Daarnaast heeft Stichting 113 laten weten dat de bevindingen van Hackedemia uitsluitend toezagen op de wijze waarop technische gegevens, waaronder cookiegegevens, werden verwerkt bij het bezoek aan de website van Stichting 113. Deze gegevens kunnen inderdaad worden aangemerkt als persoonsgegevens. De bevindingen hadden echter geen betrekking op de inhoudelijke behandeling van hulpvragen of op de vertrouwelijkheid van contacten tussen hulpzoekers en Stichting 113. Er zijn geen aanwijzingen dat chatgesprekken, telefonische contacten of andere vormen van hulpverlening zijn gecompromitteerd of voor onbevoegden toegankelijk zijn geweest. Dergelijke inhoudelijke hulpverleningsgegevens worden niet gedeeld met derden.
Voor zover Hackedemia de verwerking van persoonsgegevens door Stichting 113 heeft onderzocht, beperkte dat onderzoek zich tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van het gebruik van de website en niet tot de kern van de hulpverlening door Stichting 113. De bevindingen van Hackedemia zijn volgens Stichting 113 desondanks uiterst serieus genomen.
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Het gebruik van dergelijke techniek is onderworpen aan regels die hoofdzakelijk in de telecommunicatiewet zijn opgenomen. Het toezicht op de naleving van deze regels is belegd bij onafhankelijke toezichthouders. Een overzicht waar en in welke mate dit probleem verder voorkomt is niet bekend bij het kabinet. Het kabinet onderschrijft echter het belang ervan om deze problematiek onder de aandacht te brengen bij de relevante toezichthouders en zal dan ook de bevindingen van de onderzoeker bij hen onder de aandacht brengen.
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Met haar reactie op het trackingonderzoek van Hackedemia heeft Stichting 113 Zelfmoordpreventie op dat punt onmiskenbaar een stap gezet om het vertrouwen te bevorderen.
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Met de stelling is het kabinet het eens. Wat betreft de controlelijst stelt het kabinet vast dat deze is toegesneden op een concreet onderzoek. Het kabinet onderschrijft uiteraard het belang dat wettelijke kaders worden nageleefd. Op welke manier dat wordt geborgd, is in de eerste plaats aan verwerkingsverantwoordelijken zelf. De beoordeling daarvan is aan de onafhankelijke toezichthouders.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
Het is aan de zorgorganisaties zelf om te voldoen aan de geldende wet -en regelgeving. Toezicht op de naleving en de handhaving van deze geldende normen liggen bij de Autoriteit Persoonsgegevens en Autoriteit Consument en Markt.
Om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen is de NEN 7510 norm verplicht gesteld in de wet. Daarmee zijn er – bovenop de regels die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Telecommunicatiewet stellen – al regels om privacy schendingen in de zorgsector te voorkomen.
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Annette Raijer (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. In de verdere beantwoording ga ik voor zover mogelijk nader op de gebeurtenissen in, maar wat in algemene zin in ieder geval geldt is dat het nooit de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
De politie heeft laten weten dat zij bekend zijn met het incident. Op basis van de bevindingen ter plaatse herkent de politie het beeld dat wordt geschetst echter niet als zodanig. Wel zijn er uitlatingen gedaan die de agenten ter plaatse noopten de desbetreffende personen daarop aan te spreken.
Zowel de politie als het Openbaar Ministerie (OM) hebben laten weten dat er tot op heden geen aangiftes zijn gedaan naar aanleiding van de gebeurtenissen. Er loopt op dit moment geen strafrechtelijk onderzoek. Mocht dat op enig moment toch aan de orde zijn, dan is de beoordeling van specifieke gedragingen op mogelijke strafbaarheid in eerste instantie aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. Ik zal dan ook niet verder in dit specifieke geval treden.
Wel geldt in algemene zin, zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, dat het absoluut niet de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij het uitoefenen van hun vrijheid van meningsuiting of hun vrijheid van vereniging. Natuurlijk hoort bij onze democratische rechtsstaat ook dat er ruimte moet zijn voor het laten horen van tegengeluid, maar dat mag nooit gepaard gaan met intimidatie, laat staan strafbare handelingen.
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Het is binnen onze democratische rechtsorde van belang dat eenieder zijn vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging kan uitoefenen, ongeacht politieke of ideologische inhoud – zolang dat uiteraard de grenzen van het strafbare niet overschrijdt. Dat politieke of ideologische meningen tegenreacties kunnen en mogen oproepen is evenzeer onderdeel van onze democratische rechtsorde: voor het uiten van die tegenreactie en een andere mening moet ook ruimte zijn. Ook hiervoor geldt echter dat de grenzen van het strafbare niet overschreden mogen worden: voor intimidatie of geweld is geen plek. Dat dit kan schuren of botsen is bekend; incidenten uitsluiten is onmogelijk. Wanneer daarbij verstoring van de openbare orde ontstaat is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Als er sprake is van strafbare feiten, kan door de politie onder gezag van de officier van justitie worden opgetreden.
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft geen (wettelijke) grondslag om onderzoek te doen naar organisaties of personen en zal derhalve groeperingen of individuen niet in kaart brengen. De NCTV stelt wel het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) op, waarin het actuele dreigingsniveau, trends, achtergronden en de aard van de dreiging worden beschreven. Zoals beschreven in het DTN van juni 2026 is over het algemeen de geweldsdreiging die uitgaat van de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen.2
Bij wetsovertredingen, zoals bedreigingen of geweld, kan de politie onder bevoegd gezag van het OM optreden. Op het moment dat gedragingen de lat van extremisme of terrorisme halen, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering, waar gemeenten regievoerder zijn. Personen worden opgenomen in deze aanpak aan de hand van objectieve criteria die omschreven staan in de wet. Deze criteria zijn ideologieneutraal en gaan over radicalisering en extremisme, niet over activisme. Het bespreken van personen in deze aanpak vindt plaats op lokaal niveau. Het kabinet heeft dus geen inzicht in hoeveel personen er besproken worden in de persoonsgerichte aanpak of welk gedachtegoed zij aanhangen.
Het gevraagde overzicht van incidenten in de afgelopen vijf jaar is door de politie en het OM niet te genereren, omdat er in de systemen van beide organisaties geen specifieke classificering is met betrekking tot linksextremisme.
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Het stelsel rond legaal wapenbezit is in opzet stringent en legt aan (aanstaande) verlofhouders verplichtingen op. De Wet wapens en munitie (WWM) gaat er immers vanuit dat legaal wapenbezit en -gebruik risico’s voor anderen en de openbare orde en veiligheid met zich brengen en het veiligheidsgevoel van burgers kunnen aantasten. Om die reden zijn wapens dan ook bij uitgangspunt wettelijk verboden voor alle burgers. Zoals verankerd in de WWM, staat de overheid een vergunning voor een wapen alleen toe wanneer er sprake is van een redelijk belang en wanneer er geen vrees voor misbruik bestaat; dat laatste is één van de belangrijkste weigeringsgronden. Deze waarborgen worden in de praktijk vormgegeven via vergunningplichten, antecedenten- en betrouwbaarheidstoetsen, eisen aan veilige opslag en periodieke herbeoordelingen.
De stringente uitgangspunten van de wet zijn in de praktijk niet op alle onderdelen goed uitgewerkt. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft in 2011 gesignaleerd dat de toepassing van de criteria «redelijk belang» en «vrees voor misbruik» uiteenloopt en dat onvoldoende helder is welke feiten en omstandigheden bij die beoordeling zwaarder moeten wegen. Daarnaast zijn er zwakke plekken in stelsel en uitvoering benoemd en blijkt dat het stelsel in de praktijk als ontoegankelijk wordt ervaren. In 2022 is de e-screener opgeschort en is het WM32-formulier tijdelijk ingevoerd om de psychische gesteldheid te toetsen. Deze werkwijze is gebaseerd op zelfverklaring en referenten en heeft wel waarde heeft maar is geen toereikend instrument is voor het toetsen van de fysieke en psychische gesteldheid.2 In 2024 ontving uw kamer het verslag van kennistafels die zich hadden gebogen over suggesties voor een definitieve oplossing.3 Deze bevindingen worden meegenomen in de nadere uitwerking van de toetsen voor fysieke en psychische gesteldheid.
Kortom: ik erken dat verlofhouders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften; die noodzakelijk zijn gelet op het uitgangspunt «wettelijk verboden voor alle burgers». Tegelijk constateer ik dat dit stelsel op onderdelen onvolledig, ineffectief, onduidelijk of juridisch ontoereikend is. Daarom werk ik aan verduidelijking en versterking van de toepassing van «redelijk belang» en «vrees voor misbruik», aan meer uniformiteit in de beoordeling, aan een robuustere toetsing van de fysieke en psychische geschiktheid die verder gaat dan zelfverklaring, en aan verbetering van de gebruikte instrumenten. Zo blijft de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van burgers leidend en wordt deze in de praktijk beter geborgd.
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Dit is geen kwestie van óf-óf. De aanpak van illegaal wapenbezit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
Ik zet in op de aanpak van illegale wapens. Per 1 juli 2026 is de maximumgevangenisstraf voor onder meer het in strijd met de wet vervaardigen of voorhanden hebben van illegale wapens verdubbeld van 4 naar 8 jaar4. Politie en OM zetten hier hard op in: tijdens een recente landelijke actiedag zijn tientallen vuurwapens aangetroffen en 14 verdachten aangehouden. Daarnaast wordt gericht geïnvesteerd in preventie, onder meer via een educatief pakket op scholen over «life skills» zoals conflicthantering (Voel je veilig), om de weerbaarheid van jongeren te vergroten en wapenbezit te voorkomen.
Het stelsel voor legaal wapenbezit zoals uitgewerkt in de Wet wapens en munitie is een ander vraagstuk. In Nederland geldt een verbod op wapenbezit, via vergunningen kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt voor een beperkt aantal gerechtvaardigde toepassingen. Als overheid hebben we de verantwoordelijkheid om die uitzonderingen zó in te richten dat toepassingen daadwerkelijk gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en om te zorgen voor eisen en voorschriften die het risico op misbruik beperken. De verplichtingen voor verlofhouders zijn noodzakelijke waarborgen om de openbare orde en veiligheid te beschermen.
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om alleen vergunningen te verlenen aan personen indien toereikende eisen en voorschriften worden gesteld aan de aanvrager of houder van een vergunning en getoetst wordt of aan de eisen en voorschriften wordt voldaan. De overheid dient ook te voorzien in controle en toezicht op de personen en na te gaan of zij zich houden aan de eisen en voorschriften van de vergunning.
De aanpassingen voor nieuw beleid en wetgeving zijn erop gericht om heldere en eenduidige eisen en voorschriften te stellen aan aanvragers en houders van een wapenvergunning. Deze eisen en voorschriften zijn veelal een uitwerking van de uitgangspunten van de huidige wet- en regelgeving. Zo dient een aanvrager of houder van een wapenvergunning te worden getoetst op risicofactoren waaronder de psychische gesteldheid met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen, zoals voorgeschreven in de Circulaire wapens en munitie.
In aanloop naar nieuwe wetgeving wordt tussentijds gekeken naar, waar dat mogelijk is, het verlichten van de administratieve druk, digitalisering van het administratieve aanvraagproces wat ook voor de aanvragers en houders druk wegneemt, en het verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsdiensten. Het is de taak van de overheid om te bepalen wat een zinvolle en gerechtvaardigde toepassing is voor wapens door burgers en in welke gevallen we dus een uitzondering op het wapenverbod voor burgers willen toestaan. De lastenverzwaring voor uitvoeringsdiensten zal zo veel mogelijk worden beperkt door het opstellen van helder beleid op gerechtvaardigde toepassingen van de betrokken ministeries.
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Het door de overheid verlenen van een wapenvergunning is een uitzondering op het algemene wapenverbod voor burgers. In de toekomst zal dit alleen gebeuren indien een psychologisch onderzoek bij aanvragers en houders is afgenomen. De overheid heeft immers een actieve plicht om ervoor te zorgen dat er enkel vergunningen worden verleend aan mensen die daar psychisch gezien op een verantwoorde manier mee om kunnen gaan. Steeds meer Europese landen stellen dergelijke psychologische onderzoeken verplicht aan aanvragers en houders van vergunningen.
Net als mijn voorganger, hanteer ik het uitgangspunt dat de overheid geen wapenvergunningen dient te verlenen aan personen met risicofactoren en dat hiertoe een psychologisch onderzoek moet worden doorlopen om vast te stellen of bij personen al dan niet indicaties van een risico aanwezig zijn.5 Het belang van de samenleving gaat altijd boven de aanvrager of houder van een wapenvergunning.
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Zoals toegelicht bij het antwoord bij vraag 3 is dit geen kwestie van óf-óf. De aanpak van criminaliteit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en uitlegbaar beleid te maken bij het toestaan van uitzonderingen op het algemene verbod op wapens voor burgers. Dit betekent dat de beoogde toepassingen van de wapens gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en dat er toereikende eisen en voorschriften worden gesteld die het risico op misbruik beperken.
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
In mijn brief van 17 juni jl. zijn de contouren van de nieuwe wet omschreven die de oorspronkelijke fundamenten van de wet beogen te herstellen en die de uitzonderingen op het verbod strikt, uitlegbaar en navolgbaar beogen te begrenzen. Zoals uit de Kamerbrief blijkt, gaat het over een stelselwijziging die invloed heeft op de uitgangspunten en de opbouw van de wet. De maatregelen in de stelselwijziging adresseren onder meer: het ontbreken van een toereikend instrument voor psychische beoordeling en het ontbreken van eisen aan fysieke geschiktheid; het (tegenwettelijk) neerleggen van de feitelijke beslissingsbevoegdheid bij verenigingen; ontbreken van verankerde bekwaamheidseisen (m.u.v. jacht); risico’s van thuisbewaring en transport; onvoldoende zicht en traceerbaarheid van munitie, en verhoging van gevaarzetting van wapens door technologische ontwikkelingen (zoals zware luchtdrukwapens); inconsistente regelgeving en gegevensuitwisseling; niet-kostendekkende uitvoering en wisselende kwaliteit bij uitvoeringsdiensten.
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 17 juni jl. beschrijf ik de noodzaak van nieuw beleid en wetgeving en een stelselherziening om de genoemde tekortkomingen te adresseren. Hierbij wordt zorgvuldig gewerkt: maatregelen worden uitgewerkt met uitvoeringstoetsen op proportionaliteit en haalbaarheid, en waar mogelijk worden knelpunten die geen wetswijziging vergen eerder aangepakt. Daarmee wordt zowel handhaving versterkt als regelgeving verbeterd.
Tevens staat in mijn brief van 17 juni jl. opgenomen dat het uitgangspunt voor wetgeving is dat degene die profijt heeft van de vergunning, de kosten die de overheid maakt voor de vergunningverlening, controle en toezicht dient te vergoeden. Eerder heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat een kostendekkend stelsel gewenst is, zodat de financiële lasten niet bij de overheid liggen.6 Momenteel inventariseert een extern onderzoeksbureau de totale kosten van het stelsel en wordt er een onderbouwd kostprijsmodel ontwikkeld ten behoeve van het innen van onkostenvergoedingen.