Het met hulp van de Nederlandse overheid overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 42 Palestijnen uit Gaza met actieve hulp van de Nederlandse overheid naar Nederland zijn overgebracht1?
Waarom acht u het uw taak om Palestijnen uit Gaza naar Nederland te halen, terwijl Nederland al kampt met een ongekende asiel- en migratiecrisis?
Wie heeft aangedrongen op het overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland? Welke non-gouvernementele organisaties (ngo), universiteiten, actiegroepen, ambtenaren, internationale organisaties en andere belanghebbenden hebben hierbij een rol gespeeld en welke kosten zijn er gemaakt?
Waarom staat u het toe dat complete gezinnen meekomen terwijl de verleende visa bedoeld zijn voor studie of werk van individuele personen?
Binnen welke termijn moeten de eerste Palestijnen Nederland weer verlaten? Welke concrete maatregelen worden genomen als zij weigeren terug te keren?
Welke harde garanties bestaan er dat alle 42 Palestijnen Nederland daadwerkelijk verlaten zodra hun visum eindigt?
Kunt u garanderen dat geen van deze Palestijnen na afloop van hun visum een asielaanvraag zal indienen om alsnog permanent verblijf in Nederland af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het binnenhalen van personen uit een door Hamas bestuurd gebied enorme veiligheidsrisico’s met zich kan brengen? Zo ja, waarom brengt u Nederlanders bewust in gevaar door onze grens open te zetten voor personen uit Gaza?
Zijn alle Palestijnen individueel en uitgebreid gescreend op veiligheidsrisico’s, radicalisering, banden met terroristische organisaties, extremistische activiteiten en identiteitsfraude? Hoeveel van deze personen beschikken niet over volledige of verifieerbare identiteitsdocumenten?
Bent u bereid per direct te stoppen met het actief faciliteren van de komst van Palestijnen naar Nederland en ook geen nieuwe visa meer te verstrekken aan personen uit Gaza? Zo nee, waarom niet?
Wilt u al deze Palestijnen samen met alle andere Palestijnen die in Nederland verblijven direct naar Jordanië sturen, de enige echte legitieme Palestijnse Staat en het verzet vanuit het Hashemitische Koninkrijk de prullenbak in gooien? Zo nee, waarom niet?
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet inderdaad dat herhaaldelijk sprake is van situaties waarin medisch en humanitair personeel dat toestroomt na een aanval wordt getroffen door een vervolgaanval. Aanvallen waarbij hulpverleners worden getroffen verontrusten het kabinet altijd, en dit geldt des te meer voor vervolgaanvallen, waarbij het risico aanzienlijk toeneemt dat hulpverleners worden getroffen. Het kabinet kent ook de cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie over het hoge aantal zorgverleners dat is omgekomen in Libanon sinds de start van het conflict op 2 maart. De impact van de geweldsescalatie tussen Israël en Hezbollah op hulpverleners en medische faciliteiten, en daarmee op de gehele hulpverlening, in Libanon is zorgwekkend.
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht genieten ziekenhuizen, medisch personeel en ambulances een speciale, beschermde status. Het doelbewust aanvallen van medische gebouwen, transporten of medisch personeel die herkenbaar zijn en hun neutrale taak uitvoeren, is een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht. Onder het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof is het opzettelijk aanvallen van medische gebouwen, medische eenheden en transporten gecategoriseerd als een oorlogsmisdrijf. De bescherming onder het humanitair oorlogsrecht vervalt alleen als een medische entiteit buiten haar humanitaire taak wordt gebruikt om handelingen te verrichten die schadelijk zijn voor de vijand.
Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten en veroordeelt dan ook doelbewuste aanvallen op hulpverleners en medische faciliteiten. Tegelijkertijd kan in complexe conflictsituaties niet altijd worden vastgesteld wat de precieze omstandigheden zijn. Het kabinet dringt aan op transparant en onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten om dergelijk onderzoek te doen. In dat kader steunt Nederland de komende vier jaar het Nationale Comité voor het Humanitair Oorlogsrecht (National International Humanitarian Law Committee) van Libanon met een financiële bijdrage, zodat dit onderzoek kan doen naar mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht.
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Zoals bekend in uw Kamer waren in mei 2025 de humanitaire situatie in de Gazastrook, de situatie op de Westelijke Jordaanoever, en de Israëlische positie die wezen op de herbezetting van (delen van) de Gazastrook, Syrië en Libanon reden om de EU Hoge Vertegenwoordiger (HV) Kallas te verzoeken om een evaluatie van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord. Naar aanleiding van de conclusie van de HV en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het Associatieakkoord heeft Nederland zich in EU-verband ingezet voor concrete EU-maatregelen. Het beoogde doel van de Nederlandse inzet voor maatregelen was de druk op te voeren en Israël van koers te doen veranderen. Hiervoor blijkt tot op heden te weinig draagvlak onder lidstaten. Niettemin blijft de kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord erop gericht om voldoende steun te vergaren voor EU-maatregelen.2
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderstreept dat militair optreden alleen binnen de kaders van het internationaal recht mag plaatsvinden. Dat betekent dat het humanitair oorlogsrecht, alsook het recht voor het gebruik van geweld door staten, door alle partijen moet worden gerespecteerd. Daar waar dat niet gebeurt of lijkt te gebeuren, spreekt het kabinet zich uit, voor en achter de schermen. Zoals uw Kamer bekend wijst het kabinet de Israëlische regering op zijn internationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder de bescherming van burgers, hulpverleners en medische faciliteiten.
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Het kabinet zet zich – met partners en naar vermogen – in om de situatie in Israël, de Palestijnse Gebieden en de bredere regio te de-escaleren en te verbeteren. Het kabinet benut daarvoor de goede relaties die Nederland heeft met zowel Israël als de Palestijnse Autoriteit, en staat in nauw en intensief contact met landen in de regio, o.a. om regionale spanningen te verlagen en humanitaire hulp te bieden. Zowel voor als achter de schermen is het kabinet actief om invloed uit te oefenen. Het kabinet brengt zorgen over het optreden van Israël in Libanon consistent op bij de autoriteiten.
Zoals bekend in uw Kamer is naast dialoog ook het opvoeren van druk een belangrijk onderdeel van de diplomatieke inspanningen, o.a. om gedragsverandering van Israël te realiseren Die inzet gaat door. Daarom zet het kabinet zich in EU-verband in om de draagvlak voor EU-maatregelen te vergroten
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 4.
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Zie beantwoording vraag 6.
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Ja
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Alle scholen hebben hun onderwijs in te richten in overeenstemming met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen, onder meer, die kaders creëert de vrijheid van onderwijs (Artikel 23 van de Grondwet) het recht om scholen te stichten, met (onder voorwaarden) volledige overheidsbekostiging, en om hun onderwijs verder vorm te geven. Dat kunnen scholen op openbare of bijzondere grondslag zijn. De vrijheid van onderwijs zorgt voor meer keuzevrijheid voor ouders en leerlingen om een school te kiezen die bij hen past. Dat leidt tot een zekere mate van onderwijssegregatie. De overheid formuleert, vanuit doelmatigheidsoverwegingen, de lat waaraan elke nieuwe school moet voldoen.
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria. Een belangrijk onderdeel hiervan is het advies van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) over de te verwachten onderwijskwaliteit. Initiatieven voor nieuwe scholen moeten bijvoorbeeld aannemelijk maken dat zij het burgerschapsonderwijs op deugdelijke wijze gaan inrichten. Zo moet het onderwijs zich onder andere herkenbaar richten op de bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Alleen als aan de in de wet genoemde criteria om in aanmerking te komen voor bekostiging wordt voldaan, kan de nieuwe school haar deuren openen.
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Ja, die mening deel ik. Mede daarom geldt voor scholen de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid.
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit Artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan. Maar die ruimte is niet onbegrensd, en hoeft daardoor niet in de weg te staan van de maatschappelijke functie die scholen hebben: ongeacht hun grondslag hebben scholen zich te houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. In de stichtingsaanvraag moeten scholen al aantoonbaar maken dat ze zich hieraan gaan houden.
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Omdat de zogenoemde segregatie-analyses slechts zijn gebaseerd op de periode augustus 2023 tot oktober 2024, geven de onderzoekers aan dat ze alleen rapporteren over eerste indicaties van effecten. Voor het basisonderwijs wijzen die in sommige gevallen op een homogenere leerlingpopulatie op scholen die onder de wet MRvNS zijn gesticht. De onderzoekers geven tegelijkertijd aan dat de stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs, die samenhangt met de komst van nieuwe scholen, zeer beperkt is en enkel op een lokaal schaalniveau zichtbaar is. De volgende evaluatie (2026–2030) zal meer informatie opleveren over het effect van nieuwe scholen op onderwijssegregatie. De resultaten van de evaluatie zullen begin 2031 openbaar worden gemaakt en met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
In het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken hoeft een homogene leerlingenpopulatie niet automatisch een probleem te zijn, mits scholen ervoor zorgen dat leerlingen ondanks de homogene populatie in aanraking komen met verschillende achtergronden en denkbeelden. Dit is een plicht die alle scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben.
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Het klopt dat er jaarlijks meer scholen worden gesticht dan voor invoering van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. Gemiddeld tussen de 30 en 35 per jaar (op een totaal van circa 7.500 scholen in Nederland), inclusief verzelfstandigingen en splitsingen van bestaande dislocaties, tegenover gemiddeld 18 per jaar onder de oude procedure. Het aantal nieuwe scholen per jaar blijft daarmee binnen de verwachte bandbreedte van 20 tot 50 per jaar. Islamitische scholen vormen met circa 30 tot 35% de grootste categorie binnen de nieuw gestichte basisscholen.
Uit belangstellingsmetingen blijkt behoefte aan islamitisch onderwijs, zeker in de grote steden. Onder de oude stichtingsprocedure was het moeilijker een islamitische school te stichten, omdat de wensen van ouders toen geen directe rol speelden.
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
De belangstellingsmeting stelt ouders in staat zich uit te spreken over hun onderwijswensen. Voor alle scholen geldt dat kwaliteit van groot belang is. In hoeverre nieuwe scholen daaraan bijdragen, is nog niet duidelijk. Nieuwe scholen drukken daarnaast extra op tekorten in onderwijshuisvesting en personeel, met name in (grote) steden. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik verken welke mogelijkheden daartoe zijn.
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Het eventuele segregerende effect van een nieuwe school is geen onderdeel waar in de stichtingsprocedure op wordt getoetst. Wel is burgerschap een toetsingscriterium. Er is aanvullend inzicht nodig op het effect. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Voor mij staat voorop dat elk kind goed onderwijs krijgt, ongeacht de grondslag van de school. Daarbij is naast taal en rekenen ook burgerschap van groot belang, dat leerlingen kennis en respect bijbrengt van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en hen de sociale en maatschappelijke competenties bijbrengt die hen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, Nederlandse samenleving.
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Ja, dat klopt. In mijn brief van 2 juli 2026 is uw Kamer geïnformeerd over actuele stand van zaken van de herziening van de stichtingsprocedure. Ik wil in eerste instantie inzetten op het Wetsvoorstel praktische verbeteringen stichtingsprocedure en het beter positioneren van het gesprek in de regio met gemeenten en schoolbesturen. Aan uw Kamer is toegezegd dat het wetsvoorstel voor het einde van dit kalenderjaar naar de Raad van State wordt gestuurd.
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Het oprichten van nieuwe scholen met overheidsbekostiging een grondrecht. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dit grondrecht kan door de overheid alleen met uniforme bekostigingscriteria (zoals een belangstellingsmeting of stichtingsnormen) op rijksniveau (niet decentraal) worden begrensd. Dat kan betekenen dat een nieuwe school een meer gesegregeerde populatie aantrekt en dat sommigen zullen vinden dat het onderwijsaanbod minder evenwichtig wordt. Daarnaast zien we dat de stichtingsvrijheid in sommige gevallen schuurt met de beschikbare huisvesting en het beschikbare onderwijspersoneel binnen een gemeente. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik ga breed verkennen welke mogelijkheden daartoe zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
In mijn brief van 2 juli 2026 ben ik ingegaan op het toekennen van een (mede)beslissende rol aan gemeenten en op uw motie hierover. De hoofdlijn is dat een (mede)beslissende rol toekennen aan gemeenten in strijd lijkt te zijn met Artikel 23 van de Grondwet.
De obstakels bij integratie voor de buitenlandse partners van Nederlanders |
|
Wimar Bolhuis (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Nederlanders die een liefdesrelatie hebben met een niet-EU-inwoner en aan de inkomenseisen voldoen, de mogelijkheid zouden moeten hebben om samen met hun geliefde een leven op te bouwen in Nederland, waarbij de niet-Nederlandse partner zo snel mogelijk zou moeten kunnen inburgeren?
Ja, wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat praktische obstakels die de vlotte inburgering van deze liefdespartners in de weg staan, zo veel mogelijk vermeden en opgeheven moeten worden?
In zijn algemeenheid wel. Dat wil zeggen: voor zover andere belangen dan die van de betrokken liefdespartners daardoor niet onevenredig geschaad worden. Het gaat dan onder meer om het belang van de Nederlandse samenleving dat de vreemdeling die naar Nederland komt al een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving heeft (Wet inburgering buitenland) en dat van tevoren al is getoetst of hij aan de toelatingsvoorwaarden voldoet (mvv-vereiste).
Acht u het wenselijk dat liefdespartners van Nederlanders honderden euro’s kwijt zijn louter en alleen aan de reiskosten om het basisexamen inburgering in het buitenland te kunnen afleggen?
Het is van belang dat alle examens op een betrouwbare, veilige en objectieve wijze worden afgenomen. Dit is alleen mogelijk op een diplomatieke Nederlandse post in het buitenland. Gezien het beperkte aantal locaties van deze posten kan het zijn dat personen hiervoor moeten reizen. Dat brengt kosten met zich mee: de onwenselijkheid van kosten die de vreemdeling moet maken weegt echter niet op tegen het borgen van de objectiviteit en betrouwbaarheid van het examen.
Is het mogelijk om buitenlandse partners van Nederlanders het basisexamen inburgering in het buitenland digitaal van op afstand te laten afleggen wanneer er geen examenfaciliteit in hun stad of dorp beschikbaar is? Zo nee, wat is ervoor nodig om dat wel mogelijk te maken?
Het is op dit moment technisch en organisatorisch niet mogelijk om het basisexamen inburgering buitenland digitaal af te leggen, anders dan op een diplomatieke post. Zoals gezegd kan alleen op deze manier gecontroleerd worden op fraude.
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het basisexamen inburgering in het buitenland? En wat is de gemiddelde doorlooptijd van de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf?
Als het gaat om het basisexamen dan verschilt het per diplomatieke post wanneer iemand daar terecht kan voor het afleggen van een examen. In principe kan iemand binnen enkele maanden examen doen, uitzonderingen daargelaten. Examens worden door de aanvrager vaak verder van tevoren aangevraagd zodat diegene zich hier nog op voor kan bereiden.
De gemiddelde doorlooptijd van de mvv-procedure voor gezinshereniging/-vorming bedroeg in 2025 83 dagen.
Kan de termijn van acht weken waarover DUO beschikt om de examenuitslag bekend te maken, ingekort worden? Zo ja, met hoeveel weken? Zo nee, wat precies staat een inkorting in de weg?
Nee. De termijn van maximaal acht weken heeft te maken met het examenonderdeel Spreekvaardigheid. Dit onderdeel wordt nagekeken door menselijke beoordelaars, waarbij elke beoordelaar in principe maar 2 opgaven mag beoordelen, om te komen tot een uitslag met een hoge betrouwbaarheid. Dit proces vergt al snel 4 á 5 weken, dat is op dit moment ook de gemiddelde beoordelingstermijn. Om ook uitschieters op te kunnen vangen is de maximale termijn op 8 weken gesteld.
Hoe verhoudt de lange duurtijd van de combinatie van het basisexamen inburgering in het buitenland plus de procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf zich tot het recht op gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), wanneer aan alle inkomens- en huisvestingseisen wordt voldaan, en wanneer de wachttijd in de praktijk samenvalt met perioden waarin echtgenoten elkaar door visumtellingen niet eens fysiek mogen ontmoeten?
Een lidstaat heeft de taak om zorgvuldig te toetsen of aan al de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2003/86) geeft lidstaten daarvoor maximaal negen maanden de tijd. In Nederland is de wettelijke beslistermijn voor gezinshereniging maximaal 90 dagen en bij statushouders negen maanden. Hier wordt aan voldaan. Van schending van artikel 8 van de EVRM is dus geen sprake.
Een fysieke ontmoeting tussen echtgenoten is mogelijk buiten Nederland. Vreemdelingen die visumvrij (voor kort verblijf) zijn kunnen dit ook in Nederland doen (gedurende de vrije termijn). Bij visumplichtige vreemdelingen ligt dat genuanceerder. Bij de beoordeling van de aanvraag van een visum kort verblijf wordt door Buitenlandse Zaken in overweging genomen of er een duidelijk en concreet motief is om tijdens de lopende mvv-procedure naar NL te reizen, of de reden legitiem en goed onderbouwd is, en of het verblijfsdoel van de mvv-aanvraag relevant is voor de beoordeling van de aanvraag om het visum kort verblijf.
Is het mogelijk bij het inplannen van het basisexamen inburgering in het buitenland al het proces voor een machtiging tot voorlopig verblijf op te starten, zodat deze processen parallel lopen en mensen dus niet onnodig lang hoeven te wachten? Zo nee, wat concreet staat dat in de weg?
Nee, dat is niet mogelijk. Een geslaagd basisexamen inburgering buitenland is noodzakelijk voor de mvv-aanvraag. Zonder dit document is er sprake van een incomplete aanvraag. Voor de IND is het inefficiënt en onwenselijk om een niet-complete aanvraag toch te behandelen en vervolgens te wachten tot het ontbrekende diploma wordt overgelegd. De IND moet dan twee keer de aanvraag behandelen. Bovendien bestaat het risico dat het diploma nooit wordt overgelegd omdat het niet is gehaald.
Op welke objectieve gronden zijn partners uit Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea of Zwitserland vrijgesteld van het basisexamen buitenland, terwijl partners uit andere landen deze eis wel krijgen opgelegd? Is dit onderscheid nog te rechtvaardigen?
Op grond van buitenlands-politieke en economische redenen zijn bovengenoemde landen vrijgesteld van het basisexamen buitenland. Nederland vindt het wenselijk dat burgers van deze landen op een snellere en eenvoudiger wijze toelating tot Nederland kunnen krijgen. Het kabinet meent dat genoemde redenen een voldoende rechtvaardigingsgrond is voor het onderscheid dat gemaakt wordt in het mvv-vereiste, conform de EU-richtlijn gezinshereniging (EG 2002/86).1
Overigens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen over precies deze kwestie gesteld aan het Hof van Justitie van de EU (C-394–25, Volta).
Overweegt u de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland uit te breiden naar andere landen wanneer het gaat om de liefdespartners van Nederlanders? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet overweegt geen uitbreiding van de vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland.
Het kabinet hecht eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben, voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven.
Is het kabinet bereid te onderzoeken of inburgering in Nederland zelf, onder begeleiding van de Nederlandse echtgenoot en familie, een gelijkwaardig of beter alternatief kan zijn voor het examen in het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit voorstel wordt als niet wenselijk gezien. Zoals geantwoord op vraag 10 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de wet inburgering buitenland, hecht het kabinet eraan dat gezinsmigranten, die mvv-plichtig zijn, een zekere kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving hebben voordat zij naar Nederland komen om hier te verblijven. Het voorgestelde alternatief is daarmee strijdig.
Hoe weegt het kabinet de mentale en relationele schade van maandenlange gedwongen scheiding mee in de proportionaliteitstoets? Welke maatregelen zal het kabinet nemen om een vlottere inreis en integratie van liefdespartners van Nederlanders te garanderen om dit soort mentale en relationele schade te voorkomen?
Het kabinet onderkent dat langdurige scheiding van partners mentale en relationele impact kan hebben. Tegelijkertijd moeten toelatingsprocedures objectief, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Omdat de mate van mentale en relationele impact per persoon sterk kan verschillen en niet op een objectieve manier vast te stellen is, kan dit geen afzonderlijk criterium zijn binnen de toelatingsprocedure.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Gesprekken die zijn gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesprek Taliban en EU afgelopen, ook Nederland zat aan tafel»?1
Ja
Erkent u dat er ook Nederlandse ambtenaren bij de gesprekken zaten die zijn gevoerd met de Taliban in Brussel?
Ja
Zo ja, hoe kan het dat u tijdens het commissiedebat JBZ-Raad van 27 mei beweerde dat Nederlandse ambtenaren niet betrokken zijn bij de gesprekken?
Er was op dat moment nog geen sprake van een concrete uitnodiging aan de lidstaten.
Wanneer is het besluit genomen om ambtenaren van Nederland te laten deelnemen aan de gesprekken met de Taliban in Brussel? Wie waren er betrokken bij dit besluit?
Dit besluit werd op vrijdag 19 juni genomen door de Minister van Asiel en Migratie, in goed overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken.
Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd?
Het gaat om een operationeel gesprek. EU-lidstaten, inclusief Nederland, hebben een week voorafgaand aan het gesprek de uitnodiging ontvangen voor dit gesprek in Brussel. Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Dit gesprek was hier onderdeel van. Naar aanleiding van deze uitnodiging is besloten dat een Nederlandse ambtenaar op werkniveau het gesprek zou bijwonen.
Is er over de deelname van een ambtenaar van het Ministerie van Asiel en Migratie aan het overleg advies ingewonnen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe luidde het advies?
Ja, het besluit is in goed overleg genomen. Deze inzet is in lijn met onze huidige positie ten aanzien van contact met de de facto autoriteiten.
Erkent u dat deze gesprekken een stap zijn richting de normalisering van het Taliban-regime en dat zij met deze gesprekken een podium hebben gekregen in het hart van onze Europese democratie? Zo nee, waarom niet?
Nee, het was een operationeel gesprek en het normaliseren van de relatie met het Taliban-regime is niet aan de orde.
Waarom zorgt u ervoor dat Nederland door Nederlandse ambtenaren te sturen bijdraagt aan het normaliseren van het wrede Taliban-regime?
Nederland erkent de Taliban niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Het gesprek in Brussel past in dit kader.
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat het gesprek met de Taliban in Brussel «waanzin» is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het betrof een operationeel gesprek. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van het Afghaanse volk.
Bent u het eens met Europarlementariër Raquel García Hermida-van der Walle, wiens Instagrampost hierover een like van premier Jetten kreeg, dat we onze geloofwaardigheid over mensenrechten volledig verliezen als we de Taliban voor een kopje thee in Brussel uitnodigen? Zo nee, waarom niet?
Dit betrof een operationeel gesprek. Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor mensenrechten in Afghanistan. Dat doet Nederland via onder andere met steun aan VN organisaties en steun aan lokale mensenrechteninitiatieven. Ook blijft Nederland zich uitspreken tegen mensenrechtenschendingen door de de facto autoriteiten in Afghanistan, zowel in EU- als in VN-verband.
Is er sprake van eenheid van kabinetsbeleid, als ambtenaren van één ministerie deelnemen aan het gesprek met de Taliban, terwijl de premier zich op Instagram in felle bewoordingen uitlaat tegen het gesprek met de Taliban?
Ja
Vertegenwoordigt de Taliban volgens u het Afghaanse volk? Zo nee, waarom kiest u ervoor om ambtenaren wel met hen in gesprek te laten gaan en hen samen met vertegenwoordigers van de Europese Commissie en 14 andere EU-landen te verwelkomen in Brussel?
Nee. Nederland erkent de Taliban niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. De Taliban zijn immers de feitelijke machthebbers in Afghanistan op dit moment. Het gesprek in Brussel past in dit kader.
Erkent u dat de gesprekken die zijn gevoerd met de delegatie van de Taliban een meerwaarde hadden voor het regime? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze precies en vindt u dat de mogelijkheid om Afghanen misschien terug te kunnen sturen waard?
De reden voor de de facto autoriteiten om deze gesprekken aan te gaan is ons niet bekend.
Wat is er precies besproken tijdens de gesprekken? Kunt u op korte termijn een verslag aan de Kamer doen toekomen?
De operationele stappen van een mogelijke terugkeerprocedure zijn besproken. Het gaat om een operationeel gesprek, hiervan wordt zoals gebruikelijk geen afschrift gestuurd naar de Tweede Kamer.
Sluit Nederland uit dat officiële vertegenwoordigers van het Taliban-regime in Nederland geaccrediteerd worden? Zo nee, waarom niet?
Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van het Afghaanse volk. Erkenning is ook niet aan de orde.
Wat zijn de eisen die de Taliban hebben neergelegd in ruil voor het terugsturen van uitgeprocedeerde Afghanen?
Het gaat om een operationeel gesprek over de stappen in een mogelijke terugkeerprocedure, hiervan wordt zoals gebruikelijk geen afschrift gestuurd naar de Tweede Kamer.
Is er gesproken over de veiligheid van deze mensen? Zo ja, wat is hierover besproken? Zo nee, waarom niet?
De operationele stappen van een mogelijke terugkeerprocedure zijn besproken.
Is er gesproken over de mensenrechtensituatie in Afghanistan, en met name de situatie van vrouwen en meisjes die in Afghanistan onderdrukt worden? Zo ja, wat is er besproken, zo nee, waarom niet?
Onderwerp van gesprek waren de operationele stappen van een mogelijke terugkeerprocedure.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de start van het zomerreces beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het opheffen van het gespecialiseerde IGJ-team voor de aanpak van zorgfraude |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Team dat zorgfraude onderzoekt opgeheven bij Inspectie, terwijl regulier toezicht signalen niet oppakt: «Inspecteurs worden misleid door malafide zorgaanbieders»»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het speciale team Integere Bedrijfsvoering en Zorgverwaarlozing (IBZ) wordt opgeheven?
Ik ben op de hoogte en heb hierover op 26 juni contact gehad met de IGJ.
Wat is volgens u de verklaring voor het opheffen van dit team?
De IGJ heeft aangegeven dat het programma IBZ vanaf de start in 2022 tijdelijk is ingericht om kennis, expertise en werkwijzen op te bouwen rond integere bedrijfsvoering, zorgfraude en zorgverwaarlozing. Het was vanaf het begin de bedoeling om deze kennis en werkwijzen vervolgens structureel te borgen in de organisatie. Er is volgens de IGJ dan ook geen sprake van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding.
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het past mij daarom niet om in die organisatorische keuzes te treden. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Hebben overwegingen rond de veiligheid van de zorg invloed gehad op dit besluit? Zo ja, op welke manier?
De IGJ geeft aan dat veiligheid en kwaliteit van zorg leidend zijn en blijven voor het toezicht van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van zorg.
De organisatorische wijziging rond IBZ is door de IGJ toegelicht als een stap om de opgebouwde kennis en werkwijzen structureel te borgen binnen het toezicht. De gedachte daarbij is dat signalen van zorgfraude, misleiding, niet-integere bedrijfsvoering en zorgverwaarlozing breder in de organisatie kunnen worden herkend, gewogen en opgepakt.
Deelt u de zorg dat de aanpak van zorgfraude in de praktijk nog altijd tekortschiet en dat juist daarom specialistische expertise binnen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) noodzakelijk blijft?
Ja, ik deel de zorgen van de Kamer dat de aanpak van zorgfraude verstevigd moet worden. In mijn brief van 8 juni heb ik de Kamer geïnformeerd over een breed pakket aan maatregelen tegen zorgfraude. Bij de aanpak van zorgfraude zijn naast de IGJ vele partners betrokken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en de recherche zorgfraude van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Zorgfraude is een prioriteit van alle betrokken partners, ook van de IGJ. De IGJ treedt op wanneer fraude, ondermijnende criminaliteit of niet-integere bedrijfsvoering leidt tot ernstige en concrete risico's voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Ik vind het belangrijk dat de IGJ hierbij multidisciplinair samenwerkt en dat de specialistische expertise behouden blijft. De IGJ heeft mij laten weten dat de binnen IBZ opgebouwde expertise behouden blijft en structureel wordt geborgd.
Acht u het uitlegbaar dat juist dit gespecialiseerde team voor de aanpak van zorgfraude wordt opgeheven, terwijl u in juni nog een plan presenteerde waarin wordt ingezet op multidisciplinaire teams om zorgfraude beter te bestrijden? Kunt u hier een toelichting op geven?
De IGJ heeft mij laten weten dat er geen sprake is van afbouw of van een inhoudelijke koerswijziging, maar van een andere organisatorische inbedding en zal nauw blijven samenwerken met de betrokken partners. Dit is in lijn met de brief van 8 juni die gaat over een versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude door alle betrokken ketenpartners, ieder vanuit de eigen wettelijke taak. Daarbij is juist multidisciplinaire samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren en andere partners noodzakelijk.
Was u op de hoogte van de interne spanningen binnen de IGJ over de aanpak van zorgfraude en het verschil van inzicht tussen het reguliere toezicht en het gespecialiseerde IBZ-team?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. De berichtgeving heeft mij wel verrast. Naar aanleiding van de uitzending, de motie, en de vragen die deze heeft opgeroepen, heb ik op 26 juni met de IGJ gesproken over de organisatorische wijzigingen rond IBZ en over de borging van kennis en expertise.
Het is niet aan mij om interne verhoudingen of professionele verschillen van inzicht binnen de IGJ te beoordelen. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en maakt eigen professionele en organisatorische afwegingen. Voor mij is van belang dat zorgfraude, ondermijnende criminaliteit in de zorg en zorgverwaarlozing serieus worden opgepakt waar deze raken aan kwaliteit en veiligheid van zorg, en dat de daarvoor opgebouwde kennis en inzet behouden blijft. De IGJ heeft benadrukt dat zorgfraude een prioriteit blijft en dat de opgebouwde kennis en expertise behouden blijven.
Is er volgens u een verband tussen deze spanningen binnen de IGJ en het opheffen van het IBZ-team?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat er binnen de IGJ zorgen zijn geuit over verlies van expertise over de aanpak van zorgfraude door het verdwijnen van dit gespecialiseerde team?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe bent u van plan deze kennis over zorgfraude te borgen binnen de IGJ? Kunt u dat toelichten?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder. De IGJ is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar organisatie en de wijze waarop zij haar toezicht uitvoert. De IGJ heeft mij laten weten dat zij de binnen IBZ opgebouwde kennis, expertise en werkwijzen structureel borgt in het toezicht.
Concreet gaat het volgens de IGJ om het borgen van expertise, taken, capaciteit, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling, de externe liaisonfunctie en de samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. De gedachte is dat deze kennis niet geïsoleerd blijft in een tijdelijk programma, maar breder beschikbaar wordt binnen het toezicht, zodat de samenhang in de werkzaamheden kan worden gerealiseerd.
Ik heb er vertrouwen in dat de IGJ de kennis, expertise en taken die binnen het programma IBZ zijn opgebouwd, zorgvuldig borgt in het toezicht. In mijn gesprekken met de IGJ zal ik de voortgang hiervan volgen.
Wat bent u concreet van plan met de in uw plan aangekondigde multidisciplinaire teams voor de aanpak van zorgfraude?
In de brief van 8 juni heeft het kabinet uiteengezet dat zorgfraude alleen effectief kan worden aangepakt door samenwerking tussen alle betrokken partijen. Malafide aanbieders maken gebruik van versnippering tussen domeinen, organisaties en bevoegdheden. Daarom zet het kabinet in op vernieuwende vormen van multidisciplinaire samenwerking, waarbij toezichthouders en opsporingsinstanties waar mogelijk gezamenlijk optrekken.
De ervaringen met het Multidisciplinair Operationeel Plan laten zien dat deze werkwijze kan bijdragen aan sneller en effectiever optreden bij complexe fraudesignalen. Het kabinet wil deze vorm van samenwerking structureler inzetten en verder versterken. Daarnaast wordt gewerkt aan betere gegevensdeling, meer fysieke controles bij nieuwe en herstartende aanbieders, aanscherping van toetredingseisen en extra capaciteit voor toezicht, opsporing en handhaving.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn en voor de opheffing van het IBZ-team te informeren over hoe de specialistische kennis wordt geborgd?
De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht en bepaalt zelf hoe zij haar organisatie inricht. Het is daarom niet aan mij om voorafgaand aan een interne organisatorische wijziging afzonderlijk aan uw Kamer te rapporteren over de precieze inrichting daarvan.
De IGJ heeft toegelicht dat de tijdelijke programmafase van IBZ wordt afgerond en dat de opgebouwde kennis, expertise, taken, werkprocessen, multidisciplinaire casusbeoordeling en samenwerking met ketenpartners structureel worden ondergebracht in het toezicht.
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Het artikel '17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis' |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «17.000 euro subsidie, maar isoleren mag niet: Marieke, Marcel en buren anderhalf jaar in de wacht door vleermuis»?1
Bent u bekend met de situatie van bewoners in Doesburg die al geruime tijd wachten op toestemming om hun spouwmuren te isoleren in het kader van verduurzaming?
Deelt u de zorg dat bewoners die te goeder trouw willen verduurzamen, nu worden geconfronteerd met een onduidelijk en traag proces dat het draagvlak voor klimaatbeleid kan ondermijnen?
Hoe beoordeelt u het feit dat verduurzamingsmaatregelen zoals woningisolatie in de praktijk worden vertraagd of geblokkeerd door de vereisten rondom ecologisch onderzoek naar beschermde diersoorten, alsook door extra eisen van provincies?
In hoeverre acht u het wenselijk dat individuele bewoners en VvE’s geconfronteerd worden met hoge kosten en lange wachttijden, terwijl er reeds subsidies zijn toegekend voor verduurzaming? Heeft u inzage hoeveel subsidies zijn toegekend, maar niet door kunnen gaan door eerdergenoemde knelpunten?
Kunt u toelichten hoeveel gemeenten in Nederland momenteel nog geen goedgekeurd soortenmanagementplan (SMP) hebben en wat de gemiddelde doorlooptijd is van goedkeuring door provincies? Bent u van plan om met de provincie Gelderland hierover te spreken aangezien daar nog geen enkele SMP is goedgekeurd?
Bent u het eens dat de huidige interpretatie van soortenbescherming in de praktijk leidt tot een aanzienlijke vertraging van de nationale isolatie- en energiebesparingsdoelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid in overleg met provincies te komen tot een landelijke versnellingsaanpak voor SMP’s, zodat gemeenten niet onnodig lang in onzekerheid blijven over vergunningverlening? En bent u bereid provincies aan te spreken op het stellen van aanvullende eisen en het vertragen van vergunningstraject? Welke instrumenten heeft u om hierop in te grijpen?
Hoe wordt geborgd dat de bescherming van beschermde diersoorten proportioneel blijft, zonder dat dit leidt tot feitelijke stilstand van verduurzamingsmaatregelen in bestaande woningen?
In hoeverre acht u het onacceptabel dat woningeigenaren in gemeenten zonder soortenmanagementplan na een positieve eDNA-uitslag zijn aangewezen op een langdurig individueel provinciaal vergunningstraject?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Uit een eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt uit bijna 550 schouwverslagen van vrouwen die zijn overleden door suïcide, dat een significant deel van deze vrouwen ook zijn blootgesteld aan geweld. Deze eerste resultaten baren mij zorgen en zijn voor mij aanleiding om een driejarig vervolgonderzoek door de Universiteit Leiden mede te financieren, samen met de gemeenten Amsterdam en mogelijk ook Rotterdam. Ook ga ik in gesprek met de politie om te bezien hoe eventuele signalen van huiselijk geweld nu al – vooruitlopend op de uitkomsten van dit vervolgonderzoek – beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Ieder jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.800 mensen door suïcide, van wie ongeveer 1.200 mannen en 600 vrouwen.2 We weten ook dat huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland een groot probleem vormen. Naar schatting worden ongeveer 1,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder slachtoffer van huiselijk geweld.3 En dit huiselijk geweld kan leiden tot moord of doodslag, waarvan meestal vrouwen het slachtoffer zijn.4 Wat we nog niet goed weten is wat het verband is tussen suïcide, moord/doodslag en huiselijk geweld. Dit is tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht. We weten wel op basis van gesprekken met nabestaanden dat er slachtoffers zijn van huiselijk geweld die suïcide hebben gepleegd, om te ontsnappen aan hun uitzichtloze geweldssituatie of onder bedreiging door de geweldspleger. Ook zijn er zaken waarin de pleger van moord of doodslag het doet vóórkomen dat het slachtoffer suïcide heeft gepleegd. Maar hoe vaak dit alles in Nederland voorkomt is vooralsnog niet bekend. Hierdoor blijft dit verband tussen huiselijk geweld en (ogenschijnlijke) suïcide ook grotendeels onzichtbaar voor hulpverleners, forensisch artsen en de politie.
Met de financiering van het vervolgonderzoek kan het bestaande onderzoek worden opgeschaald naar landelijk niveau en kunnen de eerdere onderzoeksresultaten worden verrijkt met aanvullende data, waaronder die van de politie. Op basis van het vervolgonderzoek moet een scherper beeld komen van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides. Daarnaast kan dit onderzoek de basis vormen voor nieuwe richtlijnen, zodat hulpverleners, politie, forensisch artsen en pathologen signalen van suïcide als gevolg van huiselijk geweld beter kunnen herkennen. Zo kunnen zij beter inschatten of nader onderzoek nodig is in zaken waarin ogenschijnlijk sprake is van suïcide. Op basis daarvan kan onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of het in deze zaken daadwerkelijk om suïcide gaat of dat er mogelijk ook anderen betrokken zijn bij het overlijden van het slachtoffer en een strafrechtelijk onderzoek nodig is.
Deze beoogde praktijkverbetering is ook relevant in het licht van het Wetsvoorstel inzake de Wet bestemming van lichamen van overledenen (Wblo). Dit wetsvoorstel verduidelijkt onder andere de bevoegdheden van politie en geeft de forensisch arts meer bevoegdheden om na overlijden onderzoek te doen.
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Ja, op basis van het voornoemde eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en FARR en op basis van gesprekken met nabestaanden herken ik dat beeld. En ook in internationale wetenschappelijke literatuur wordt dit beeld bevestigd.5 De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is erop gericht om dit geweld te voorkomen, en als het plaatsvindt, om dit geweld te stoppen en verdere escalatie en dodelijk geweld (waaronder suïcide) te voorkomen. Daarbij is specifieke aandacht voor vormen van geweld die vaak minder zichtbaar zijn, zoals psychische mishandeling en dwingende controle. Het kabinet werkt aan verschillende maatregelen om de aanpak van deze vormen van geweld te versterken. Zo is op 29 juni 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht waarmee psychische mishandeling en dwingende controle strafbaar worden gesteld. Dit wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan een betere herkenning en aanpak van deze vormen van geweld en biedt, naast de bestaande mogelijkheden, een aanvullend strafrechtelijk instrument om slachtoffers beter te beschermen en plegers van geweld aan te pakken. Samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en met gemeenten en betrokken organisaties en experts werk ik aan het versterken van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik verwijs u onder meer naar de recente brief over de voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.6
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Nee, dit zal worden onderzocht door de Universiteit Leiden, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Bij suïcidepogingen komt de politie meestal niet ter plaatse; eventueel komen er wel hulpverleners bij. Met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal ik bespreken of en hoe hulpverleners die in deze gevallen betrokken worden een eventueel verband tussen huiselijk geweld en de suïcidepoging zouden kunnen herkennen en wat mogelijk is op het gebied van registratie. Bij overlijdens vermoedelijk als gevolg van suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 zal ik met de politie bespreken hoe eventuele signalen van huiselijk geweld beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken; ook registratie komt hierbij aan de orde.
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Na een ogenschijnlijke suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Bij dit onderzoek kijkt de politie ook naar de context, mede op basis van wat er over de overledene bekend is in de politiesystemen. De forensisch arts kan contact opnemen met betrokken zorgverleners om navraag te doen over het medisch dossier. Uit dit onderzoek kunnen signalen naar voren komen die aanleiding geven tot het doen van strafrechtelijk onderzoek.
Het bovengenoemde vervolgonderzoek beoogt beter zicht te krijgen op de genoemde aanwijzingen. Vooruitlopend daarop zal ik met de politie in overleg treden hoe signalen van huiselijk geweld beter en eerder kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Ja, ik ben bekend met het fenomeen staged suicide en dit komt voor in Nederland. Ik verwacht met bovengenoemd vervolgonderzoek van de Universiteit Leiden een scherper beeld hiervan te kunnen krijgen.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Met het wetsvoorstel met betrekking tot de verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld, in combinatie met beleidsmaatregelen zoals publiekscampagnes, deskundigheidsbevordering en verbetering van veiligheids- en risicotaxatie en dossiervorming, verwacht ik dat dwingende controle, psychische mishandeling en stalking beter strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Dit moet de betrokken organisaties extra handvatten bieden om deze vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen, zodat slachtoffers in veiligheid kunnen leven en zodat plegers hun schadelijke gedrag stoppen. Zodoende zou dit wetsvoorstel kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling kan leiden tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide.
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
In de vierde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die op 24 maart jl. door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met uw Kamer is gedeeld7 is niet specifiek aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als risicogroep. Wel is er een aantal projecten binnen deze agenda waar vaker mensen te vinden zullen zijn die verhoogd risico lopen op overlijden door suïcide, zo mogelijk ook in verband met huiselijk geweld. Dat zijn: Sumona (het programma «suïcidepreventie, monitoring en nazorg» voor mensen die een poging tot suïcide hebben ondernomen), Ter Plekke (een programma voor first responders) en Regio’s (project waarin samenwerkingspartners worden geholpen om regionale vangnetten te creëren voor specifieke groepen).
113 Zelfmoordpreventie zal als onderdeel van het in antwoord op vraag 2 genoemde onderzoek van de Universiteit Leiden een onderzoek uitvoeren met de werktitel «Verborgen fataal geweld: mechanismen onderliggend aan de link tussen huiselijk geweld en suïcide». De planning is dat dit onderzoek in het voorjaar van 2027 gereed is. De bevindingen zullen op dat moment ook met behulp van een factsheet worden gepubliceerd en beschikbaar worden voor hulpverleners.
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
Ja.
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Soevereiniteit is een belangrijk aandachtspunt wanneer sprake is van afhankelijkheid van een leverancier.
Om digitale soevereiniteit te waarborgen hanteert het Ministerie van Defensie een tweesporenbeleid2. Het primaire spoor richt zich op de realisatie van een Europees AI-Decision Support System (DSS), waarbij juridische soevereiniteit, open standaarden en datasoevereiniteit belangrijke uitgangspunten zijn. Om te voorkomen dat de Krijgsmacht operationele risico’s loopt op zowel tactische als strategische gebied en om de operationele continuïteit, flexibiliteit en interoperabiliteit o.a. binnen NAVO te borgen, voorziet het tweede spoor in de tijdelijke toepassing van Palantir totdat het door Spoor 1 ontwikkelde Europese AI-DSS operationeel is.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Wat betreft de toepassing van Palantir bij de politie moet worden benadrukt dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. De data binnen «de Raffinaderij» blijft strikt binnen het domein van de politie en wordt niet met de leverancier gedeeld. Het gaat hierbij alleen om politiedata. De analysesoftware wordt volledig door een eigen team van de politie beheerd en gehost in eigen rekencentra. De thema’s waarop de analyses uit «de Raffinaderij» worden ingezet zijn zeer belangrijk en hebben grote maatschappelijke impact, namelijk bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen. Met voorgenoemde werkwijze is het gebruik van Palantir door de politie van veel waarborgen voorzien.
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie is in contact met o.a. Frankrijk om tot een gezamenlijke ontwikkelagenda voor een Europees AI-DSS te komen.
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Specifiek voor het Ministerie van Defensie geldt dat er op dit moment een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven wordt uitgevoerd.
Vanuit het oogpunt van continuïteit en verhoging van de weerbaarheid is de politie met betrekking tot het totale palet van IT-dienstverlening reeds actief bezig met initiatieven die gericht zijn op het vergroten van de digitale autonomie.3 Er worden stappen gezet om technologieën te ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften door op zoek te gaan naar robuuste alternatieve oplossingen voor bestaande systemen, zodat de politie altijd kan beschikken over de best mogelijke tools. Deze zoektocht is essentieel om de operationele flexibiliteit en veiligheid te waarborgen in een steeds veranderende digitale omgeving. Het ontwikkelen en implementeren van dergelijke alternatieven is een complex proces dat tijd, financiële middelen en specialistische kennis vraagt en moet passen binnen de kaders van bijvoorbeeld privacy, proportionaliteit en beschikbare financiën. De politie weegt voortdurend de risico’s die verbonden zijn aan het gebruikt van IT-systemen.
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Zoals reeds in antwoord 4 gesteld, zijn zowel het Ministerie van Defensie als de politie actief bezig met het verkennen van alternatieven.
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Dat kan niet in zijn algemeenheid zo gesteld worden. Dit is afhankelijk van de use case en de gevraagde functionaliteiten.
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Zoals reeds in antwoord 4 en 5 gesteld werken bijvoorbeeld het Ministerie van Defensie en de politie aan een onderzoek naar mogelijke technologische alternatieven die tegemoetkomen aan het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s).
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Ja, het kabinet is van mening dat een sterke AI-industrie van strategisch belang is om de digitale soevereiniteit, weerbaarheid, het innovatievermogen en economische concurrentiekracht van Europa te versterken. Om deze reden zet het kabinet zich in Europees verband in voor de ontwikkeling van een concurrerend Europees AI-ecosysteem. Daarbij wordt onder meer ingezet op investeringen in AI-onderzoek en innovatie, versterking van de Europese reken- en data-infrastructuur en ondersteuning voor startups en scale-ups, zoals geschetst in het Europese AI Continent Actieplan.4 Nationaal werkt het kabinet via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. AI speelt een toenemende rol in uiteenlopende capaciteiten waar het Ministerie van Defensie nu en in de toekomst over moet beschikken. Het Nederlandse voortzettingsecosysteem dat we hiervoor opbouwen via het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie voorziet daarom ook in op te bouwen Nederlandse en Europese AI-capaciteiten. Ook kunnen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), de Nationale Investeringsinstelling (NII) en de Defensie Innovatie en Opschalingsautoriteit (DIOA) bijdragen aan het versterken van het AI-ecosysteem. Eerder is via het Nationaal Groeifonds in AI-programma’s geïnvesteerd (o.a. AiNed en NOLAI), evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Zoals toegelicht in de brief aan uw Kamer op 31 maart jl.5, heeft het kabinet er voor gekozen om niet mee te doen met een gezamenlijke Europese publieke aanbesteding van rekencapaciteit bij nog te selecteren AI-gigafabrieken. AI-gigafabrieken kunnen vanwege hun commerciële oriëntatie in beginsel volledig privaat gefinancierd worden. De achterliggende inhoudelijke overwegingen zoals genoemd in de brief en de budgettaire situatie hebben samen geleid tot de afweging om geen publieke financiële verplichting aan te gaan in deze gezamenlijke Europese aanbesteding. Ambitieuze private initiatieven en investeringen in AI-infrastructuur die het Nederlandse en Europese AI-ecosysteem versterken worden door het kabinet aangemoedigd. Voor het kabinet ligt voornamelijk een taak om de randvoorwaarden te versterken.
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Zoals in het wetgevingsoverleg over de Jaarverslagen en Slotwetten 2025 van de Ministeries EZ, BZK en JenV voor zover het onderwerpen betreft die zien op digitalisering is toegezegd, krijgt uw Kamer binnenkort een brief over de inzet op digitale ambities, met prioritering en de benodigde keuzes.6 Die brief komt na Prinsjesdag.
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Het kabinet kiest ervoor om gericht in te zetten op het afbouwen van de zogenaamde risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s). Het schetsen van concrete tijdspaden is daarbij niet realistisch, onder meer vanwege de snelle technologische ontwikkelingen. Bovendien wordt er niet in het openbaar gecommuniceerd over RSA’s. Het kabinet acht het afbouwen van een afhankelijkheid als voldoende als het geen RSA meer is. Dit is het geval wanneer het risico van een waardeketenverstoring niet meer als hoog wordt ingeschat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het recht op onderwijs voor kinderen in de opvang |
|
Wimar Bolhuis (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de constatering van de Inspectie van het Onderwijs dat er de afgelopen jaren geen verbetering is gekomen voor de eerder geïdentificeerde problemen rond het onderwijs voor kinderen in de noodopvang?1
Bent u ingegaan op het verzoek van de Inspectie van het Onderwijs om met hen in gesprek te gaan over de al jarenlang gesignaleerde problematiek in de noodopvang en hun aanbevelingen? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, gaat u dit doen en op welke termijn?
Bent u het ermee eens dat continuïteit van de schoolloopbaan, ook als jongeren meerderjarig worden, van groot belang is voor een ononderbroken ontwikkeling en het voltooien van de schoolloopbaan – voor de jongere, de samenleving en de economie?
Hoe komt het dat de ononderbroken toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang nog steeds niet goed is geregeld, ondanks dat de Inspectie al jaren aan de bel trekt?
Bent u het ermee eens dat hiermee de rechten van kinderen zoals onder meer beschreven in het Internationale Kinderrechtenverdrag, specifiek artikel 6 op ontwikkeling, worden geschonden en hoe verenigt u deze problematiek met de Leerplichtwet?
Is het door een onafhankelijke partij – niet zijnde de overheid –, zoals de Landsadvocaat, juridisch getoetst of Nederland wel of niet aan het Internationale Kinderrechtenverdrag voldoet inzake het onderwijs aan kinderen uit de noodopvang of de reguliere opvang? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de toegang te waarborgen voor alle kinderen?
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Hoeveel kinderen tussen de 5 en 18 jaar in de noodopvang en de reguliere opvang staan momenteel op de wachtlijst voor onderwijs, uitgesplitst naar onderwijssector?
Hoeveel kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang moesten in 2025 langer dan de de wettelijke termijn van 3 maanden wachten om naar onderwijs geleid te worden?
Klopt het dat het voorkomt dat deze termijn van 3 maanden bij iedere nieuwe verhuizing opnieuw als norm gehanteerd wordt, ondanks dat de termijn officieel slechts eenmalig geldt voor kinderen en jongeren die net in Nederland zijn aangekomen? Zo ja, bij hoeveel kinderen bleek dit in de afgelopen 3 jaar het geval?
Hoe groot is momenteel het capaciteitstekort over heel Nederland om kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang ononderbroken onderwijs te kunnen bieden?
In welke regio’s is er sprake van een capaciteitstekort om onderwijs te voorzien voor alle in die regio gevestigde kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang?
Heeft u zicht op hoe vaak kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang verhuizen en hoeveel onderwijstijd ze daardoor verliezen? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit aantal verhuizingen en de daardoor verloren onderwijstijd in kaart brengen?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang door frequente verhuizingen onderwijstijd missen en steeds een nieuwe school en nieuwe leerlingen moeten leren kennen?
Hoe staat het met de uitvoering van de ambitie uit het regeerakkoord om ervoor te zorgen dat kinderen niet continu verhuisd worden en welke acties zijn er al ondernomen? Welke acties gaat u ondernemen om dat continu verhuizen te voorkomen?
Klopt het dat kinderen in de noodopvang die over enkele maanden 18 worden, niet meer toegelaten worden tot onderwijsvoorzieningen voor kinderen in de noodopvang en blijven de bewuste kinderen daardoor langer op de wachtlijst? Hoe zit dit voor kinderen in de reguliere opvang?
Welke oplossingen voorziet u om te garanderen dat ieder kind toegang tot onderwijs krijgt, ook als ze binnen enkele maanden 18 worden?
Overweegt u daarbij meer flexibiliteit te voorzien waardoor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang in het jaar dat ze 18 worden het leerjaar kunnen afmaken, ook nadat ze meerderjarig zijn geworden? Zo niet, waarom niet?
Welke mogelijkheden ziet u om de capaciteit van onderwijs voor kinderen in de noodopvang of in de reguliere opvang op te schalen zodat er geen wachtlijsten meer zijn en welke van die mogelijkheden zult u benutten en welke niet? En waarom die keuze?
Welke acties gaat u ondernemen om tekorten aan gekwalificeerde docenten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang op te lossen?
Hoeveel bijkomende financiering zou er nodig zijn om alle wachtlijsten voor onderwijs voor kinderen in de noodopvang en in de reguliere opvang weg te werken?
Kunt u dat budget vrijmaken? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de verantwoordelijkheden over het garanderen van toegang tot onderwijs voor kinderen in noodopvang over vele partijen versnipperd is, wat zal u doen om meer coördinatie te garanderen? Zal het Rijk hier meer regie op pakken?2
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Ja.
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Bij de start van de projectprocedure voor de nieuwbouw van de kerncentrales was het uitgangspunt van het kabinet om de locatie Eemshaven niet mee te nemen in de onderzoeken, omdat het voornemen was om de Eemshaven als waarborgingsgebied te schrappen. Het schrappen van Eemshaven als waarborgingsgebied volgt uit aangenomen moties van de Kamer3 4 en is per 1 juli 2026 doorgevoerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het vorige kabinet heeft de Kamer op 11 februari 20255 geïnformeerd over dat het meenemen van de Eemshaven in de projectprocedure nodig was om tot een houdbaar projectbesluit te komen. In de Kamerbrief van 19 juni jl.6 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig was. Uit de uitgevoerde locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien. Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt, zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland. Tegelijkertijd vraagt de nu door TenneT aangeleverde informatie om het wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien. Waarbij de eventuele inpassing van de kerncentrales in Zeeland complex is en waarbij voor de bouw van een kerncentrale in de Eemshaven geen draagvlak is.
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Zie het antwoord op vraag 2 voor duiding over de Kamerbrief van 19 juni jl. en hoe dit zich verhoudt tot de moties uit de Kamer.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Ja, deze uitspraak is mij bekend en komt overeen met wat bestuurders uit Groningen in gesprekken met mij hebben gedeeld. Ik begrijp dat de boodschap die uit de locatieonderzoeken volgt, dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het meest geschikt lijken, impact heeft op de betrokkenen. Over deze uitkomsten en de impact van de boodschap ben ik in gesprek met bestuurders en andere betrokkenen in de regio's. Zoals ook in de voorgaande antwoorden staat toegelicht zal het kabinet later dit jaar de voorkeur voor een locatie uitspreken en is er op dit moment nog geen sprake van besluitvorming over een voorkeurslocatie.
De locaties in Eemshaven zijn onderdeel geworden van de projectprocedure om de besluitvorming over een definitieve locatie, vanuit het oogpunt van beoordeling van verschillende locaties en alternatieven, zorgvuldig te laten verlopen. In het Voornemen en voorstel voor Participatie is uiteengezet hoe locaties in principe overal in Nederland mogelijk zijn. Op basis van beleidskeuzes uit het verleden waren op dat moment in ieder geval Maasvlakte I en het Sloegebied (Borssele/Vlissingen) in beeld voor het onderzoek. Eemshaven was op dat moment niet in beeld. Het publiek heeft gereageerd op dit VenP, waaruit ook 39 extra te onderzoeken gebieden en locaties uit voort zijn gekomen. Daarin is de Eemshaven ook meermaals genoemd als alternatief. Uit de beoordeling op objectieve gronden kwam de Eemshaven als redelijk alternatief naar voren.
Naar aanleiding van deze bevindingen is, na consultatie van bestuurders in Groningen, aan de landsadvocaat gevraagd of er een mogelijkheid was om Eemshaven toch uit te sluiten van het onderzoek. Op basis van het advies van de landsadvocaat heeft het kabinet begin 2025 geconcludeerd dat het niet mogelijk is Eemshaven uit te sluiten van de projectprocedure en tegelijkertijd te komen tot een juridisch houdbaar besluit over de locatie.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
TenneT stelt dat in Zeeland aanvullende maatregelen nodig zijn voor inpassing van kernenergie en dat zonder integraal en sturend beleid realisatie van nieuwe kernenergie in Zeeland niet reëel is. Een van de opties die TenneT schetst is afschakelen van windenergie, maar dat is niet de enige optie die TenneT schetst.
Uit de analyse van TenneT blijkt dat er een sterke toename nodig is van de elektriciteitsvraag in Zeeland, als gevolg van het sterk groeiende productieaanbod in dat gebied van zowel wind-op-zee als mogelijk kernenergie. Deze elektriciteitsvraag is lokaal nodig, omdat de transportcapaciteit uit Zeeland uit de analyses van TenneT te beperkt is om alle productie van Zeeland naar andere gebieden te transporteren.
Zoals uit het TenneT rapport blijkt, geldt dat deze sterke toename in met name flexibele elektriciteitsvraag ten opzichte van de huidige vraag in alle scenario’s noodzakelijk is, ook in scenario’s zonder kernenergie. Deze noodzakelijke toename geldt ook niet alleen in Zeeland, maar in meerdere kustregio’s.
Daarom wordt in de voorbereiding van de besluitvorming rondom inpassing van kernenergie in breder opzicht verkend hoe de elektriciteitsvraag in Nederland zich sneller kan ontwikkelen dan het huidige tempo. De mate waarin dit mogelijk is, welk beleid en middelen hiervoor vereist zijn, en hoe dit samenhangt met andere productiemiddelen in Zeeland neem ik mee in de verdere afweging. Ook hier vraagt de door TenneT aangeleverde informatie dus om het uitwerken en wegen van de dilemma’s die daaruit voortvloeien.
In de actualisatie van het NPE, dat op Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet in meer detail in op de verwachte vraag- en aanbodontwikkeling richting 2040. De ontwikkeling van nieuwe kerncentrales moet zoals aangegeven passen bij de toekomstige vraag naar elektriciteit en bijdragen aan een systeemefficiënte en robuust aanbodportfolio. In de actualisatie van het NPE en in de verdere NPE-cyclus schetst het kabinet richting 2029 de rol van kernenergie in de bredere context van het hele energiesysteem en de daarin verwachte vraagontwikkeling naar elektriciteit (zowel in volume als in mate van flexibiliteit) om op basis daarvan stapsgewijs besluiten te kunnen nemen over de bouw van aanvullende kerncentrales en aanvullend productievermogen in de breedte.
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Zoals in het voorgaande antwoord is beschreven, adviseert TenneT vanwege de grenzen van de maakbaarheid van het elektriciteitsnet om vraag en aanbod bij elkaar te ontwikkelen. Zo zijn er geen of zo min mogelijk additionele uitbreidingen, ten opzichte van wat al gepland is, nodig.
Voor Zeeland wordt nu onderzocht of het haalbaar is additionele elektriciteitsvraag in Zeeland te realiseren, bovenop de vraaggroei uit de scenario's waar TenneT vanuit is gegaan. Het is nog onzeker of dit voldoende zal zijn om het verwachte transportknelpunt in het net op te lossen. Ook is het onzeker of het noodzakelijk is om aanbod te verminderen, om balans te krijgen tussen aanbod, vraag en transport. Uit de analyse van TenneT blijkt dat voor inpassing er maatregelen nodig zijn om kernenergie in te passen, maar blijkt ook dat zonder inpassing van kernenergie er ook maatregelen voor deze balans nodig zijn. Of potentiële aanvullende vraagontwikkeling, transportuitbreiding of aanbodvermindering en bijbehorende maatschappelijke waarde in balans is bij de maatschappelijke meerkosten, zal in het vervolgproces rondom de locatiekeuze worden vormgegeven.
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Voor nieuwbouw van de twee kerncentrales wordt de projectprocedure gevolgd. De eerstvolgende stap in de projectprocedure is het aanwijzen van een locatie voor de bouw. De Kamerbrief van 19 juni jl. vormt hierin een tussenstap en informeert de Kamer, de medeoverheden en andere betrokken over de onderzoeksresultaten. Uit deze resultaten blijkt dat alleen de locaties Eemshaven en Terneuzen in beeld blijven als mogelijke voorkeurslocatie. Doordat deze informatie met de brief van 19 juni openbaar is geworden, is daarmee het risico op grondspeculatie en kavelsplitsing op deze locaties toegenomen. Het voorkeursrecht is een instrument om dit risico te mitigeren. Om deze reden heb ik de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verzocht om op beide locaties een voorkeursrecht te vestigen. Vestiging van het voorkeursrecht betekent niet dat er al een besluit is genomen over de locatie.
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
In de Kamerbrief van 19 juni jl licht het kabinet toe welke drie locaties nog in aanmerking komen als voorkeurslocatie voor de bouw van twee kerncentrales. In deze brief staat verder toegelicht hoe belemmerende factoren bij vijf locaties dusdanig optellen dat het kabinet deze niet als voorkeurslocatie zal aanmerken. De overgebleven drie locaties vragen nadere uitwerking. Voor de locatie in Terneuzen zal ik, zoals ook beschreven in mijn antwoord op vraag 7, de komende periode onderzoeken de benodigde en verwachte ontwikkeling van de lokale energievraag onderzoeken.
Voor Eemshaven ga ik bestuurlijk het gesprek aan over de uitkomsten van de locatiestudies. De aanvullende informatie weegt het kabinet mee bij het selecteren van een voorkeurslocatie voor de bouw van de kerncentrales later dit jaar. Dit wordt vervolgens uitgewerkt in een ontwerp Voorkeursbeslissing in de eerste helft van 2027.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Nee, doordat afstemming over de antwoorden nodig was, is het niet gelukt deze vragen voorafgaand aan het Commissiedebat Kernenergie te beantwoorden.
Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Ja, ik ben op de hoogte van deze berichtgeving.
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Via de berichtgeving ben ik daarvan op de hoogte gebracht.
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Ik kan uit één casus geen algemene conclusie trekken over hoe knellend regelgeving is in Nederland. De voorliggende casus heeft betrekking op een specifieke situatie, waarbij lokale regels in een behoorlijk uitzonderlijke grenssituatie aan de zijde van het buurland anders uitpakken.
Ik vind wel dat we kritisch moeten kijken naar het wegnemen van knellende regels om de woningbouw te versnellen. Daarom ga ik aan de slag met vereenvoudiging van regels, de uitwerking van de kabinetsreactie STOER en met nieuwe voorstellen binnen de Vereenvoudigingsopgave voor de fysieke leefomgeving. Deze regels zullen onder andere landen in de jaarlijkse Vereenvoudigingswet. Op 10 juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van STOER en de vereenvoudigingsopgave.2
Daarnaast wil ik dat het splitsen, delen en optoppen van woningen in meer gevallen door gemeenten wordt gefaciliteerd en dat belemmeringen worden weggenomen. Verschillende gemeentes zijn hier al mee bezig, maar ik zie ook dat initiatiefnemers nog vaak tegen onnodige belemmeringen aanlopen. Met de VNG werk ik in de komende periode uit hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen. Ik heb uw Kamer daarover recent geïnformeerd.3
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Bouw- en gebruiksregels in omgevingsplannen zijn van groot belang voor het borgen van de leefbaarheid van woongebieden. Ter illustratie, naast woningen moet in stedelijke gebieden doorgaans ook ruimte zijn voor een supermarkt, een school of een voetbalveld. Daarvoor dienen functiebestemmingen. Daarnaast, bijvoorbeeld ter bescherming van de identiteit van een dorpskern, kan het wenselijk zijn dat er maximale bouwhoogtes gelden. Dergelijke planregels zijn dus van belang.
Tegelijkertijd zie ik dat regelgeving soms onnodig belemmerend kan uitpakken. Bij vraag 3 heb ik toegelicht dat ik inzet op het wegnemen van belemmeringen. Dit doe ik onder andere doormiddel van STOER en de vereenvoudigingsopgave fysieke leefomgeving.
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Ik wil dat gemeenten voldoende ruimte bieden voor het aantal woningen dat een gemeente moet bouwen. Met provincies en gemeenten maak ik daarover afspraken in de geactualiseerde woondeals. In de Wet versterking regie volkshuisvesting hebben provincies de wettelijke taak om te zorgen voor voldoende woningbouwlocaties. Als in een gemeente die bouwlocaties achterblijven door knellende regels verwacht ik van de provincies dat zij daarin hun verantwoordelijkheid nemen. Eerst door bestuurlijk overleg, maar waar nodig door het nemen van een instructiebesluit. Zo nodig kan ik de provincie ook daartoe instrueren.
Binnen de grenzen van de wet en gemaakte afspraken, is de taak om ruimtelijke regels te stellen en ook te zorgen voor ruimte voor andere voorzieningen. Dat kan betekenen dat gemeenten op een bepaalde locatie geen nieuwe woningen toestaan, bijvoorbeeld omdat de gemeente op die plek voorzieningen willen creëren, zoals een zwembad of andere noodzakelijke sportfaciliteiten
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Het beeld dat procedures een vertragende werking kunnen hebben op woningbouw herken ik. Op een aantal manieren wil ik zorgen voor versnelling.
Zo is op 1 juli 2026 is de Wet versterking regie volkshuisvesting inwerking getreden. Deze wet zorgt op verschillende manieren dat procedures om te komen tot onherroepelijke vergunningen ten behoeve van woningbouw worden versneld. Deze wet regelt dat beroep bij woningbouw én energie-infrastructuur aanzienlijk wordt versneld door versnelde behandeling en altijd één gang naar de rechter. De versnelling van bezwaar- en beroepsprocedures maakt ook onderdeel uit van (de actieagenda van) STOER. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Met het Programma Uitvoeringskracht zet ik daarnaast in op versterking van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten. Op die manier kunnen vergunningaanvragen sneller worden behandeld.
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Waar het om gaat is dat we met meer tempo jaarlijks 100.000 woningen bouwen. De stapeling van regels zit daarbij soms in de weg. Dat was ook een van de aanleidingen voor het project STOER. In het kader van STOER en de Vereenvoudigingsopgave fysieke leefomgeving besteed ik daarom ook aandacht aan de stapeling van regels. Met het vereenvoudigen, schrappen en beter uitleggen van regels wil ik dit samen met de betrokken partners in de keten, andere departementen, medeoverheden, corporaties en marktpartijen oplossen. Daarnaast wordt bij Beter Benutten ook aandacht besteed aan de stapeling van regels. Zo kijk ik voor splitsen en woningdelen niet alleen naar omgevingsplannen, maar juist ook naar huisvestingsverordeningen.
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Uitgangspunt is dat ruimtelijke regels primair lokaal worden gesteld omdat iedere locatie weer anders is. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat een wooninitiatief voor hoogbouw niet passend is in een kleine kern in het landelijk gebied, maar wel binnen het stedelijk gebied van een naburige gemeente.
Tegelijkertijd waak ik ervoor dat overheden geen bovenwettelijke eisen stellen of woningbouw onnodig belemmeren. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Vergunningplichten voor splitsen en verkamering kunnen zeker een rem zetten op het beter benutten van de bestaande bebouwing, omdat ze een drempel zijn voor initiatiefnemers. Daarom wil belemmeringen waar mogelijk wegnemen. Bij vraag 4 heb ik dit toegelicht.
Tot slot, het samenvoegen van woningen is in veel gemeenten vergunningplichtig op grond van de Huisvestingswet omdat samenvoeging leidt tot minder woningen. De lokale bevoegdheid om dit vergunningplichtig te maken, wil ik dus behouden.
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
De meeste rijksregels die een inperking kunnen geven aan de lokale ruimte voor woningbouw staan in het in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Bkl stelt onder meer regels over geluid op woningen, de bescherming van de luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geur en nog vele andere onderwerpen. Deze regels zijn gesteld om waarborgen te bieden voor de gezondheid en veiligheid maar ook voor het waarborgen van het nationaal belang. Bijvoorbeeld voldoende ruimte voor de luchthaven Schiphol, rijkswegen of voor defensie. Daarnaast gaat het ook om rijksregels in Omgevingswet, de andere amvb’s op grond van de Omgevingswet, de Huisvestingswet en andere wetten en amvb’s.
Deze rijksregels waren voorheen verbrokkeld over tientallen wetten en ongeveer 120 voornamelijk sectorale AMvB’s die in de afgelopen decennia veelvuldig zijn gewijzigd. Bijvoorbeeld de Wet bodembescherming, de Wabo, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit en het Barro. Deze regels zijn veelvuldig gewijzigd waarbij het niet bij alle hervormingen te is duiden of deze ook een belemmerend effect hebben gehad op de woningbouw. Het is dan ook niet doenlijk om een dergelijk overzicht te verstrekken. Wel verwijs ik u naar de jaarverslagen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en naar de Beleidsdoorlichting artikel 3 Woningmarkt 2015–2021 opgesteld door SEO economisch onderzoek.
Verder heb ik op rijksniveau de rol als coördinerend bewindspersoon in het integrale fysieke domein. Vanuit die coördinerende rol vraag ik bij overleggen met andere departementen nadrukkelijk aandacht voor de gevolgen van wijzigingen in regelgeving en beleid op onder meer de woningbouw. Verder werk ik samen met mijn collega-bewindspersonen aan de Nota Ruimte. In deze nota maakt het kabinet keuzes ten aanzien van de fysieke leefomgeving, als onderdeel van een brede integrale afweging. Ook bij het opstellen van de Nota Ruimte heb ik aandacht voor de goede ruimtelijke inpassing van de woningbouwopgave, bijvoorbeeld door het aanwijzen van nationaal grootschalige woningbouwlocaties waar het Rijk prioriteit geeft aan het realiseren van woningen.
Het uitgangspunt is dat lokale, provinciale en rijksregels niet onnodig belemmerend zijn. Daarom ben en blijf ik bezig met het wegnemen van belemmeringen. In de antwoorden op de vragen 3, 6 en 7 heb ik dat toegelicht.
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Bij vraag 3 heb ik toegelicht welke maatregelen ik neem om de bestaande voorraad beter te benutten onder andere ten aanzien van splitsen. Ook heb ik toegelicht dat via de woondeals afspraken met gemeenten en provincies zijn gemaakt over het toevoegen van woningen. Daarnaast zal het (nog inwerking te treden) Besluit versterking regie volkshuisvesting de mogelijkheden vereenvoudigen om als familielid of mantelzorger te wonen in een bijgebouw of aanbouw.
Verder bekijk ik continu welke belemmeringen weg kunnen worden genomen om woningen toe te voegen. Dit moet op een zorgvuldige wijze gebeuren, waarbij de gevolgen altijd eerst goed in kaart dienen te worden gebracht.
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 3, 5, 6 en 7. Daarin heb ik ook aangegeven dat daar waar dat nodig is, ik mijn verantwoordelijk zal nemen om bij te sturen. Waar nodig kan dat ook zijn in de vorm van instructieregels of een instructiebesluit.
Strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat per 1 juli 2026 in China een wet in werking treedt die kritiek op de regering strafbaar stelt?1
Ja.
Is het juist dat ook personen die buiten China kritiek op de Chinese regering uiten daardoor strafbaar zijn en bij aankomst in China daarom gearresteerd kunnen worden?
Het is niet aan het kabinet om buitenlandse wetten te interpreteren of voorspellingen te doen over de toekomstige handhaving daarvan. Het is wel mijn verantwoordelijkheid om op basis van wetteksten en daadwerkelijke implementatie mogelijke effecten op Nederlandse burgers te monitoren en dat zal ik ten aanzien van deze wet ook doen. In dat kader baart artikel 63 zorgen. Daarin staat dat ook organisaties en individuele burgers buiten China juridisch vervolgd kunnen worden voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving.
Indien de vorige vraag door u niet ontkennend beantwoord kan worden, wat gaat u dan doen om Nederlanders die naar China willen gaan te waarschuwen dat zij het risico lopen in China gearresteerd te worden als zij eerder kritiek op de Chinese regering hebben geuit?
Op dit moment geeft het reisadvies China al aan dat het strafbaar kan zijn om online berichten te plaatsen of te delen, die kritisch zijn over China of de Chinese overheid. Er staat dat dit ook kan gelden voor berichten die Nederlandse burgers voor aankomst in China hebben geplaatst, gedeeld of gesteund. Het ministerie beoordeelt doorlopend of reisadviezen moeten worden aangepast en zal dat ook ten aanzien van de invoering en handhaving van deze wet doen.
Heeft de bedoelde wet terugwerkende kracht voor daden die gepleegd zijn vóór de inwerkingtreding van die wet?
Ik kan geen voorspellingen doen over de toekomstige implementatie en handhaving van de wet. Een terugwerkende kracht is niet terug te vinden in de tekst van de wet, maar het valt niet uit te sluiten dat de mogelijkheid voor juridische vervolging per 1 juli voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid ook geldt voor feiten van voor die datum. Bovendien is in bepaalde regio’s van China al (lokale) wet-en regelgeving van kracht die ziet op het bevorderen van etnische eenheid.
Is in die wet duidelijk omschreven wat wordt verstaan onder kritiek op de Chinese regering?
Nee. De wet beoogt immers geen strafbaarstelling van kritiek op de Chinese regering als zodanig, maar de mogelijkheid van juridische vervolging voor het ondermijnen van de Chinese etnische eenheid.
Klopt het dat daaronder ook wordt verstaan het uiten van gedachten die in strijd zijn met de Chinese claim dat Taiwan en inwoners van Taiwan onderdeel zijn of moeten zijn van de Volksrepubliek China?
Indien het ontkennen van Chinese etnische eenheid, die zich volgens deze wet ook expliciet uitstrekt tot Taiwan, door de Chinese autoriteiten als ondermijnend in de zin van deze wet wordt aangemerkt, zou dat op basis van deze wet tot juridische vervolging kunnen leiden.
Wilt u deze vragen voor 30 juni beantwoorden?
Vanwege zorgvuldigheid in de beantwoording heb ik deze termijn niet gehaald, maar de reguliere beantwoordingstermijn aangehouden.
Het bericht dat de Verenigde Staten ASML beschuldigen van de verkoop van EUV-technologie aan China |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van Bloomberg dat Amerikaanse regeringsfunctionarissen zorgen zouden hebben geuit over de mogelijke aanwezigheid van EUV-technologie in China ondanks geldende exportbeperkingen?1
Ja.
Kunt u toelichten of het kabinet voorafgaand aan deze berichtgeving bekend was met deze specifieke beschuldigingen?
Heeft de Amerikaanse regering concrete informatie, bewijs of nadere onderbouwing met Nederland gedeeld?
Is er bij het kabinet op dit moment enige aanleiding om te veronderstellen dat de genoemde beschuldigingen onderbouwd zouden kunnen zijn?
Hoe beoordeelt het kabinet de verklaring van ASML dat het bedrijf zich volledig inzet voor naleving van alle toepasselijke regelgeving en eerdere geruchten over niet-naleving reeds heeft weersproken?
Het kabinet heeft goed en regelmatig contact met bedrijven in de halfgeleidersector. In die relatie is er voortdurend aandacht voor de naleving van exportcontroleregels.
Het kabinet gaat in het openbaar niet in op individuele bedrijven en gaat dus ook in het openbaar geen inhoudelijke beoordeling geven van specifieke uitspraken of verklaringen.
Deelt het kabinet de opvatting dat bij berichtgeving over een strategisch Nederlands bedrijf als ASML grote zorgvuldigheid past, gelet op de positie van het bedrijf, en het belang van vertrouwen in zowel Nederlandse exportcontrole als de bredere trans-Atlantische samenwerking?
Ja.
Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland open moet staan voor signalen van internationale partners, maar dat Nederlandse exportcontroles niet mogen worden gestuurd door onbewezen aantijgingen of buitenlandse druk?
Ja.
Hoe bewaakt het kabinet in gesprekken met internationale partners dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen feitelijke nalevingskwesties en bredere beleidsdiscussies over exportrestricties richting China?
Zie het antwoord op vraag 2,3 en 4.
Bent u op de hoogte van de situatie in Utrecht en Zuid-Limburg waarbij hoogzwangere vrouwen hun eerder toegezegde kraamzorg alsnog verliezen?1
Ja, het kabinet is op de hoogte van de situatie.
Kunt u zich voorstellen welke onzekerheid dit teweeg brengt bij zwangere vrouwen?
Ja, het brengt voor aanstaande ouders onzekerheid teweeg om te horen dat eerder toegezegde kraamzorg toch niet beschikbaar is. Het kabinet vindt dergelijke situaties zeer onwenselijk en vindt het van belang dat elke kraamvrouw die dat wil in ieder geval het minimum van 24 uur ontvangt.
Hoe kan het gebeuren dat vrouwen zo kort voor de bevalling te horen krijgen dat reeds toegezegde kraamhulp toch niet beschikbaar is?
Uit navraag bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het betreffende kraamzorg samenwerkingsverband (KSV) komt naar voren dat de capaciteitsproblemen bij De Kraamvogel in Utrecht zijn ontstaan in de periode tussen de aanmelding van deze zwangeren en het moment dat de organisatie de zorg heeft teruggegeven. Op dat moment bleek dat De Kraamvogel niet alle zorg kon leveren zoals eerder toegezegd aan de zwangeren. Zij hebben dit vervolgens laat met de ketenpartners besproken. Partijen in de regio zijn direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is ook gelukt door middel van centraal wachtlijstbeheer, actieve bemiddeling binnen en buiten de regio, inzet van zelfstandige kraamverzorgenden, de inzet van het door het KSV georganiseerde kraamhotel in het St. Antonius en aanvullende digitale zorg.
Bent u het ermee eens dat een dergelijke gang van zaken onaanvaardbaar is en vanaf nu voorkomen moet worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zeer onwenselijk dat eerder toegezegde zorg op een dergelijke korte termijn niet geleverd wordt. Na het ontstaan van de problematiek hebben zorgverzekeraars, het KSV, kraamzorgorganisaties, verloskundigen en ziekenhuizen direct geschakeld om zo snel mogelijk alternatieve kraamzorg voor de getroffen zwangeren te organiseren. Dit is ook gelukt, waarvoor complimenten. Dit laat zien hoe belangrijk integrale samenwerking is om capaciteitsproblemen het hoofd te bieden en tijdig maatregelen te treffen wanneer dit nodig is.
De branche heeft een normenkader opgesteld dat kraamzorgaanbieders en KSV’s helpt om beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten en ervoor te zorgen dat iedere cliënt tenminste de minimaal noodzakelijke kraamzorg ontvangt. De schaarste aan personeel vraagt om betere samenwerking en regionale afstemming op KSV-niveau. Binnen het transformatieplan van de sector wordt daarom gewerkt aan het versterken van de positie van KSV’s. Hierdoor wordt de regionale samenwerking tussen kraamzorgorganisaties verbeterd. Het helpt onder andere bij het regionaal in kaart brengen van vraag en aanbod en om het aanbod eerlijk te verdelen. Op 7 juli heeft met Bo geboortezorg een gesprek plaatsgevonden onder andere over de ondersteuning van de implementatie van dit basiskader. De komende tijd zal het kabinet verkennen op welke wijze deze implementatie ondersteund kan worden.
Welke verantwoordelijkheid hebben kraamzorgorganisaties wanneer zij eerder toegezegde zorg niet meer kunnen leveren?
De toegankelijkheid, kwaliteit en continuïteit van zorg is de verantwoordelijkheid van kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars. De NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien hierop toe. Wanneer een zorgorganisatie eerdere toezeggingen niet kan nakomen, bijvoorbeeld als gevolg van personeelskrapte, is het belangrijk dat een cliënt snel alsnog terecht kan bij een andere aanbieder. Om dit mogelijk te maken verwacht de IGJ van aanbieders dat zij actief op regionaal niveau samenwerken om de capaciteit in een regio beter te verdelen en pieken op te vangen.
Ook de zorgverzekeraar heeft vanuit diens zorgplicht een verantwoordelijkheid om regionale samenwerking te bevorderen. Daarnaast verwacht de NZa dat een kraamzorgaanbieder zo spoedig mogelijk meldt bij de zorgverzekeraar, dat zij toegezegde zorg niet kan nakomen. Dergelijke afspraken zijn doorgaans ook contractueel vastgelegd tussen zorgaanbieder en -verzekeraar. Het is vervolgens aan de zorgverzekeraar om, indien nodig, te zorgen dat zwangeren bemiddeld worden naar andere kraamzorgaanbieders. Als verzekerden niet de zorg hebben gekregen waar zij recht op hebben, dan spreekt de NZa de zorgverzekeraar daarop aan.
Hoe wordt voorkomen dat door deze gang van zaken de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor moeder en kind in gevaar komen?
In de specifieke situatie in Utrecht zijn de partijen in de regio direct aan de slag gegaan om alternatieve kraamzorg voor deze zwangeren te realiseren. Dat is, zoals eerder aangegeven, ook gelukt.
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afspraken gemaakt over krapteregio’s, zoals Zuid-Limburg, om ervoor te zorgen dat alle cliënten in ieder geval worden voorzien van het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn, dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd. Dit gebeurt aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraar(s) opstellen.
Kunt u in het bijzonder toelichten wat er wordt gedaan om te voorkomen dat juist kwetsbare vrouwen en gezinnen de komende zomer geen toegang hebben tot kraamzorg?
Kwetsbare gezinnen krijgen binnen de geboortezorg extra aandacht. Of sprake is van kwetsbaarheid wordt in de eerste plaats beoordeeld door zorgverleners en kraamzorgaanbieders tijdens de intake en zorgverlening. In situaties van schaarste werken kraamzorgaanbieders, het KSV en zorgverzekeraars samen om beschikbare capaciteit zo in te zetten dat passende zorg beschikbaar blijft. In Utrecht biedt het gezamenlijk opgerichte kraamhotel een belangrijke oplossing voor kwetsbare gezinnen. Daar kunnen gezinnen direct na de bevalling verblijven en kraamzorg ontvangen. Hierdoor ontstaat tijd om aanvullende zorg thuis te organiseren. Het hotel wordt bovendien veel gebruikt door gezinnen die extra begeleiding of observatie nodig hebben.
De IGJ ziet in haar toezicht dat het capaciteitsprobleem kraamzorggezinnen in een kwetsbare situatie in verhouding harder treft. Zwangeren in een kwetsbare situatie melden zich bijvoorbeeld vaker laat bij een kraamzorgaanbieder en komen dan op de wachtlijst, terwijl juist zij de kraamzorg vaak hard nodig hebben. Zij zijn soms minder goed in staat om de weg naar de zorg te vinden. De IGJ vraagt in haar publicatie van maart 20262, kraamzorgaanbieders, beleidsmakers en inkopers om bij het verdelen van de beschikbare capaciteit goed te letten op zwangeren die zich in een kwetsbare positie bevinden.
Voor de langere termijn werkt de sector aan een aantal grote landelijke transities die moeten leiden naar meer passende zorg, zoals de implementatie van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM) en digitale zorg. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de verdeling van schaarse capaciteit via een capaciteitsdashboard, partuspools, en ontwikkeling van een KSV-kader en het versterken van de instroom en behoud van zorgprofessionals.
Kunt u aangeven hoe zorgverzekeraars hun zorgplicht in deze situatie hebben ingevuld?
Uit navraag bij zowel de NZa als ZN komt het volgende beeld naar voren. Zodra zorgverzekeraars op de hoogte werden gesteld van de situatie in Utrecht, hebben zij contact onderhouden met De Kraamvogel en met de coördinator binnen het KSV. Met de coördinator is afgestemd hoe de zwangeren die niet langer terecht kunnen bij De Kraamvogel bemiddeld kunnen worden, zodat zij alsnog kraamzorg kunnen ontvangen. Deze zwangeren ontvangen thuis zorg van andere kraamzorgaanbieders of in het kraamhotel van het KSV in het St. Antonius ziekenhuis.
Kunt u garanderen dat vrouwen die op deze manier noodgedwongen in een kraamhotel terecht komen niet met extra kosten (voor bijvoorbeeld vervoer of verblijf) te maken krijgen? Als dit onverhoopt wel het geval is, worden deze gezinnen hiervoor gecompenseerd door de zorgaanbieder of de verzekeraar?
Het uitgangspunt is dat de inzet van deze voorzieningen niet mag leiden tot drempels om noodzakelijke kraamzorg te ontvangen. Zorgverzekeraars vergoeden de zorg en het verblijf van de kraamvrouw in het kraamhotel, behoudens de kosten die men ook zou hebben bij reguliere kraamzorg thuis. Voor eventuele overige kosten zoals parkeerkosten, maaltijden of kosten voor verblijf van de partner, bestaan geen landelijke afspraken over vergoeding of compensatie. In enkele regio's zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt.
De gebruikelijke wettelijke eigen bijdrage voor kraamzorg blijft van toepassing. In een kraamhotel worden meer uren geleverd, daardoor valt deze bijdrage hoger uit. Veel verzekerden krijgen deze eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk vergoed vanuit hun aanvullende verzekering. In Utrecht neemt de gemeente voor de kwetsbare groep een deel van de kosten op zich. Eventuele individuele vragen of knelpunten kunnen met de eigen zorgverzekeraar worden besproken.
Welke ondersteuning krijgen gezinnen die geen gebruik kunnen of willen maken van een kraamhotel?
Het uitgangspunt is dat gezinnen minimaal 24 uur passende kraamzorg ontvangen. Het KSV heeft laten weten dat gezinnen die geen gebruik willen maken van het kraamhotel op de centrale wachtlijst blijven staan. Middels bemiddeling wordt actief gezocht naar beschikbare capaciteit bij kraamzorgorganisaties en zelfstandige kraamverzorgenden binnen en buiten de regio. Daarnaast kan digitale ondersteuning worden ingezet.
Zijn bij u signalen bekend dat dit ook in andere regio’s speelt?
Arbeidsmarktkrapte in de kraamzorg is een landelijk vraagstuk en de problemen hieromtrent spelen in meerdere regio’s. Door Bo geboortezorg wordt een overzicht3 bijgehouden welke KSV regio’s te maken hebben met code rood. ZN geeft aan dat de situatie zoals die in Utrecht uitzonderlijk is. Zij zijn bekend met één andere situatie, waarbij cliënten uiteindelijk tijdig door een andere aanbieder zijn overgenomen.
Bij de IGJ zijn naar aanleiding van berichtgeving vanuit de Kraamvogel enkele signalen ontvangen. Dit betroffen signalen met betrekking tot het niet kunnen leveren van de kraamzorg en het plaatsen van de kraamvrouwen op de wachtlijst van de betreffende regio’s. Er zijn dit jaar geen meldingen van calamiteiten, zoals bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), binnengekomen over de regio Utrecht met betrekking tot kraamzorg. Er zijn ook geen andere signalen bekend bij de IGJ dat zwangeren worden uitgeschreven en het verzoek krijgen om zich aan te melden voor de regionale wachtlijst. Ook bij de NZa zijn geen andere signalen bekend.
Kunt u toelichten welke (regionale) afspraken er zijn gemaakt om te garanderen dat elke vrouw de kraamzorg krijgt waar zij gewoon recht op heeft?
Op landelijk niveau hebben Bo geboortezorg en ZN afspraken gemaakt over krapteregio’s om ervoor te zorgen dat alle cliënten worden voorzien van in ieder geval het minimum aantal uur. Als in regio’s met (verwachte) krapte extra regionale inzet en/of interventies nodig zijn dan kunnen deze worden ingezet en bekostigd aan de hand van een regioplan dat regionale partijen in overleg met preferente zorgverzekeraars opstellen. Interventies die regionaal worden ingezet zijn actieve wachtlijstbemiddeling, het (tijdelijk) opzetten van een kraamhotel, het opzetten van een centrale partuspool en extra regionaal opleiden.
Bieden deze afspraken naar uw overtuiging voldoende zekerheid voor vrouwen?
Het kabinet is ervan overtuigd dat met de gemaakte afspraken de beschikbare capaciteit zo efficiënt mogelijk wordt ingezet en ieder die dat wil voorzien wordt van de noodzakelijke kraamzorg thuis of bijvoorbeeld in een kraamhotel. De wijze waarop de verschillende partijen in Utrecht hun rol gepakt hebben om alle zwangeren alsnog te voorzien van kraamzorg is daar een goed voorbeeld van. Het kabinet is van mening dat goede samenwerking daarbij onontbeerlijk is.
Hoe wordt de regionale ongelijkheid aangepakt nu sommige delen van Nederland blijkbaar met méér tekorten kampen dan andere?
Regionale verschillen in beschikbaarheid van personeel vragen om regionale oplossingen. Regio’s met (verwachte) krapte bepalen in afstemming met de zorgverzekeraars welke interventies nodig zijn om de toegankelijkheid te kunnen borgen.
De NZa stimuleert verzekeraars om, samen met regionale partijen, ook te zoeken naar oplossingen buiten de eigen regio. De NZa ziet er op toe dat de verdeling van de schaarse capaciteit proactief wordt aangestuurd door verzekeraars. Daarnaast is het toezicht van de NZa erop gericht dat zorgverzekeraars samen met veldpartijen tot een toekomstgerichte aanpak komen. Dat is gerealiseerd met de visie en versnellingsagenda van ZN en Bo Geboortezorg. De daadwerkelijke effectuering van deze plannen heeft tijd nodig.
Bent u bereid om op korte termijn extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor verbetering van arbeidsvoorwaarden in de kraamzorg, waaronder salaris en wachttijden?
Wat betreft kostendekkende tarieven, salaris en wachtdienstvergoeding in de kraamzorg zijn de rollen en verantwoordelijkheden helder. De NZa stelt kostendekkende maximumtarieven vast op basis van regulier kostprijsonderzoek. In de kraamzorg zijn er maximumtarieven, met ruimte voor aanvullende afspraken via max-max tarieven (10%) en de Toeslag integrale geboortezorg binnen de kraamzorg (10%). Recent heeft de NZa weer kostprijsonderzoek uitgevoerd. De daaruit volgende nieuwe tarieven zijn per 1 januari 2026 ingegaan.
Het Ministerie van VWS stelt daarnaast ieder jaar extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar, via de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova), zodat werkgevers binnen de zorg marktconforme cao’s kunnen afsluiten. Het is aan sociale partners om passende afspraken te maken, bijvoorbeeld over de vergoeding en inrichting van wachtdiensten in de cao.
Kunt u inmiddels verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moeten worden aangemerkt en dienovereenkomstig beloond moeten worden?2
Op 2 juni jl.5 is de Kamer geïnformeerd over het arbeidsmarktbeleid en opleidingen van de zorgsector. De motie van mevrouw Vliegenthart (PRO)6 die de regering verzoekt te verduidelijken of wachtdiensten van kraamverzorgenden als arbeidstijd of als rusttijd moet worden aangemerkt, is in die brief afgedaan.
Het uitgangspunt bij een oproepdienst is dat arbeidstijd begint op het moment van een oproep. Tot en na die tijd, en bij het uitblijven van een oproep, is er sprake van rusttijd. Een belangrijke nuance hierbij is dat oproepdiensten werknemers niet te veel mogen beperken in het vrij invullen van hun tijd, zo blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Rijksoverheid.nl bevat informatie over consignatie (oproepdienst)7. Op Rijksoverheid.nl ontbrak de nuance vanuit de EU-jurisprudentie. Daarom is dit aangepast. Dat verduidelijkt het onderscheid tussen arbeidstijd en rusttijd bij oproepdiensten.
Waarom ontbreekt er nog steeds een serieuze aanpak van de crisis in de kraamzorg, gezien het feit dat kraamverzorgenden en de Tweede Kamer hier kéér op kéér toe hebben opgeroepen? Kunt u inzichtelijk maken wat u hebt gedaan met alle eerdere aanbevelingen om de noodsituatie in de kraamzorg snel aan te pakken, van begin tot eind, van opleiding tot vergoedingen voor reizen en wachten?
Het kabinet erkent dat de capaciteitsproblematiek in de kraamzorg weerbarstig is, maar benadrukt ook dat de transitie tijd en gezamenlijke inzet vraagt. De sleutel is passende kraamzorg. De brancheorganisatie Bo geboortezorg en ZN zetten zich al enige tijd in om de problemen op de korte, middellange en lange termijn het hoofd te bieden om de beschikbare capaciteit zo passend mogelijk te verdelen. Hiervoor hebben zij in het verleden convenanten afgesloten en een visie en versnellingsagenda opgesteld. Dit heeft verder vorm gekregen in het transformatieplan toekomstbestendige kraamzorg waar ook transformatiemiddelen voor zijn toegekend. Dit plan richt zich onder meer op het behouden en opleiden van personeel en passende kraamzorg. De kabinetsinzet voor de kraamzorg is eerder met de Kamer gedeeld8 waarin het kabinet specifiek aandacht heeft voor versnelling op passende kraamzorg, instroom en behoud van kraamverzorgenden en twee vervolgonderzoeken. De komende periode staan meerdere gesprekken gepland met de sector om hier blijvend aandacht voor te vragen en de ondersteuning vanuit het kabinet nader te concretiseren.
Voor de korte termijn trekken zorgverzekeraars gezamenlijk met Bo geboortezorg op om knelpunten in de toegankelijkheid van kraamzorg vroegtijdig te signaleren en waar nodig maatregelen te treffen in de regio’s waar dit speelt. Daarbij wordt samengewerkt met kraamzorgaanbieders, VSV’s en andere betrokken partijen om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de moties Dijk/Dobbe3, Bikker c.s.4, Dobbe/Van Dijk5, Van Dijk c.s.6, Coenradie7 en Van Meetelen/Van Dijk8? Ziet u in dat uw aanpak tot nu toe niet voldoet aan de oproepen van de Tweede Kamer?
Zoals eerder aangegeven zijn acties in gang gezet om de transitie in de kraamzorg vorm te geven. Deze acties vragen tijd en gezamenlijke inzet. Voor de uitvoering van de moties hebben al gesprekken plaatsgevonden met onder andere de brancheorganisatie, ZN en opleidingspartijen. Na de zomer zal ook een gesprek met de initiatiefnemers van het Manifest plaatsvinden. Begin 2027 wordt de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken.
Het kabinetsplan om 75.000 asielzoekers aan werk te helpen |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet als doelstelling heeft om ervoor te zorgen dat in december 2030 75.000 meer statushouders en asielzoekers aan het werk zijn dan nu het geval is?
Waarom acht het kabinet het een kerntaak van de Nederlandse overheid om 75.000 statushouders en asielzoekers aan werk te helpen?
Deelt het kabinet de opvatting dat asielopvang in beginsel tijdelijk van aard is en niet bedoeld is als instrument voor arbeidsmarktbeleid?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Klopt het dat het kabinet expliciet wil investeren in asielzoekers die nog in procedure zijn, maar volgens het kabinet een redelijke kans maken op een verblijfsvergunning?
Hoeveel asielzoekers die in het verleden als kansrijk werden aangemerkt, hebben uiteindelijk geen verblijfsvergunning gekregen? Graag een overzicht vanaf 2010.
Kan het kabinet uitsluiten dat het vroegtijdig begeleiden van asielzoekers naar werk, scholing en integratie de druk vergroot om uiteindelijk een verblijfsvergunning te verlenen?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet het risico dat werkgevers, gemeenten of maatschappelijke organisaties zich in toekomstige procedures op het standpunt zullen stellen dat een asielzoeker inmiddels dusdanig is geïntegreerd dat terugkeer onwenselijk is?
Kan het kabinet uitsluiten dat dit beleid een extra aanzuigende werking heeft op personen die primair economische motieven hebben om via de asielroute toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verkrijgen?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet zet in op het aanpakken van arbeidsmarkttekorten door asielmigranten sneller naar werk te begeleiden maar tegelijkertijd constateert het kabinet dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing vormt voor krapte op de arbeidsmarkt; hoe beoordeelt u deze spanning?
Bent u zich bewust van signalen dat de vraag op de arbeidsmarkt in verschillende sectoren afneemt en zijn er prognoses beschikbaar over de wijze waarop de arbeidsmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke gevolgen de instroom van 75.000 extra werknemers daarop zal hebben?
Wat is volgens het kabinet het effect van deze instroom op de arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers?
Bent u het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit, innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan een voortdurende uitbreiding van het arbeidsaanbod door migratie?
Hoeveel procent van de huidige statushouders beschikt volgens het kabinet over relevante werkervaring en/of een opleiding die aansluit op tekortsectoren zoals de bouw, techniek of zorg?
Hoe ziet u in dat licht de instroom van 75.000 extra werknemers, terwijl een groot deel van deze groep naar verwachting niet beschikt over de kwalificaties die in de grootste tekortsectoren worden gevraagd?
Kunt u reflecteren op de gevolgen die een instroom van 75.000 extra werknemers in met name lager- en middelbaar geschoolde arbeid kan hebben voor lonen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsmarktkansen van Nederlandse werknemers die momenteel in deze sectoren werkzaam zijn?
Hoe kunnen de inburgeringseisen worden geflexibiliseerd zonder dat de kwaliteit van de inburgering onder druk komt te staan?
U schrijft dat de werkvloer een geschikte plek is om de Nederlandse taal te leren maar tegelijkertijd zien wij dat binnen steeds meer sectoren het Nederlands juist wordt verdrongen door het Engels; waarom verwacht u dat dit bij asielmigranten anders zal verlopen en hoe gaat hij waarborgen dat het Nederlands daadwerkelijk de voertaal blijft?
Klopt het dat het kabinet streeft naar huisvesting van werkende statushouders in de regio waar zij werkzaam zijn?
Betekent dit dat arbeidsmarktoverwegingen een rol gaan spelen bij de verdeling van statushouders over gemeenten?
Indien het antwoord op vraag 22 bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot het uitgangspunt dat asielopvang en huisvesting primair voortvloeien uit humanitaire bescherming en niet uit economische belangen?
Hoeveel belastinggeld verwacht het kabinet de komende vier jaar uit te geven aan de uitvoering van de aanpak Werk en Meedoen voor statushouders en asielzoekers?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht dat het natuurvriendelijk inrichten van oevers goedkoper is dan wegvangen voor de aanpak van uitheemse rivierkreeftensoorten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning, waaruit blijkt dat het natuurvriendelijker inrichten van oevers op de lange termijn veel goedkoper is dan het wegvangen van uitheemse rivierkreeftensoorten?1
Ja.
Deelt u de mening dat inzetten op een instrument als wegvangen (doden), dat € 475 per m2 kost, een slechtere besteding is van belastinggeld dan inzetten op een oplossing van € 320–€ 360 per m2 (natuurvriendelijke oevers), zeker als deze goedkopere oplossing een effectieve en zogenaamde no-regret maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Om uitheemse rivierkreeften effectief te kunnen beheersen is het vaak nodig om verschillende maatregelen aanvullend op elkaar in te zetten. Een effectieve en kostenefficiënte beheersingsaanpak is daarbij afhankelijk van verschillende factoren zoals de locatie, de soort rivierkreeft en type watersysteem. Natuurvriendelijke oevers kunnen een belangrijk deel uitmaken van zo'n beheersingsaanpak. Tegelijk is het niet overal mogelijk om natuurvriendelijke oevers aan te leggen, onder andere door ruimtegebrek. Om de uitheemse rivierkreeften effectief te beheersen is het vaak nodig om aanvullend aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers ook andere maatregelen in te zetten, waaronder het wegvangen van uitheemse rivierkreeften om de initiële populatie terug te dringen. Nadelen van wegvangen zijn dat dit inderdaad kostbaar is, vaker herhaald dient te worden, niet op grote schaal uitvoerbaar is en ook ongewenste neveneffecten kan hebben zoals bijvangst. Dit is waarom het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften is opgesteld2. Dit afwegingskader helpt waterbeheerders (waterschappen, provincies en gemeenten) per situatie te bepalen welke (combinatie van) maatregelen effectief en kostenefficiënt is.
Gelet op het feit dat een eerste indicatie van hoogheemraadschap Rijnland laat zien dat voor het «beheersmatig wegvangen» van rivierkreeften een bedrag nodig is van zo’n 20 tot 25 miljoen euro per jaar, wat landelijk neer zou komen op ongeveer 400 tot 500 miljoen euro per jaar; deelt u de mening dat dit heel veel geld is voor een oplossing die niet structureel is, aangezien rivierkreeften gelijk zullen terugkeren zodra het wegvangen stopt? Zo nee, waarom niet?2
Een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften is sterk locatieafhankelijk en dit moet per waterschap bepaald worden. Het wegvangen van uitheemse rivierkreeften is een kostbare maatregel, maar zoals hierboven toegelicht kan dit soms wel nodig zijn om een omslag te bewerkstelligen. Wegvangen dient niet gezien te worden als eigenstandige maatregel, maar als steunmaatregel binnen een bredere beheersingsaanpak. Daarmee is het één van de maatregelen die noodzakelijk kan zijn in een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften. Afhankelijk van de locatie en de staat van de natuur in dat gebied kan wegvangen een passende maatregel zijn. Er zijn ook goed ontwikkelde natuurgebieden die last hebben van uitheemse rivierkreeften. Het is maatwerk per gebied om te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn. Wegvangen in grote open watersystemen met veel uitwisseling met omliggende wateren is daarbij meestal niet heel effectief.
Kunt u beamen dat het onderhoud van natuurvriendelijke oevers in het algemeen goedkoper is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers, zoals blijkt uit het onderzoek?
Het onderzoek doet deze uitspraak over onderhoudskosten over oevers van wateren waar sprake is van een overmatige aanwezigheid van rode Amerikaanse rivierkreeften. In zijn algemeenheid kan niet gesteld worden dat onderhoud van natuurlijkvriendelijke oevers goedkoper (of duurder) is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers. Hierbij zijn diverse factoren van invloed, waaronder het type watergang en het gebruik ervan.
Is het niet bij een beperkt budget de meest financieel verantwoordelijke beslissing om zo veel mogelijk in te zetten op het natuurvriendelijk maken van oevers? Zo nee, waarom niet?
Waterbeheerders van een gebied kunnen zelf inschatten welke maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften zij noodzakelijk achten en welke financiële middelen zij daarvoor inzetten. Voor waterschappen geldt hierbij dat zij de inkomsten uit de watersysteemheffing mogen gebruiken voor het nemen van maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften als anders het behalen van KRW-doelen in gevaar zou komen. Het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften helpt waterbeheerders deze inschatting te maken.
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat het creëren van natuurvriendelijke oevers in Leiden heeft gezorgd voor een afname van 17 keer het aantal rivierkreeften aldaar [KI5]? Welke lessen trekt u hieruit voor uw beleid? Gaat u naar aanleiding hiervan uw beleid nog aanscherpen en zo ja, op welke punten?
Dit past in het beeld dat de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers, op locaties waar dit mogelijk is, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het terugdringen van de aantallen uitheemse rivierkreeften. Voor een verdere toelichting op de kabinetslijn ten aanzien van de aanpak van de uitheemse rivierkreeft verwijs ik naar de kabinetsbrief die onlangs aan uw Kamer is toegezonden (Kamerstuk 2026Z15808). Hierin wordt ook op het onderzoek van Hoogheemraadschap van Rijnland ingegaan.
Bent u ermee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat ook in de omliggende gebieden van de pilot met natuurvriendelijke oevers een vermindering van rivierkreeften te zien was? Neemt u dit uitstralende effect ook mee in het afwegingskader Aanpak invasieve exoten? Zo nee, waarom niet?
Het desbetreffende onderzoek laat inderdaad ook in de omliggende gebieden een vermindering van uitheemse rivierkreeften zien. Dat is hoopgevend. Tegelijk wijst het onderzoek erop dat de bevindingen met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Binnen het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften (OBUR) werken we met verschillende partijen aan een onderzoeksagenda. LVVN heeft recent een meerjarige subsidie van 400.000,- euro aan Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) verleend voor aanvullend onderzoek om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van Hoogheemraadschap van Rijnland, worden ook gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen.
Bent u het eens met het onderzoek van OBN Natuurkennis dat, naast natuurvriendelijke oevers, andere ecologische maatregelen die robuuste watersystemen versterken toegepast moeten worden om onze natuur te herstellen en te komen tot een gezonde balans?3 Zo nee, waarom niet?
Ja, hier zijn wij het mee eens.
Kunt u beamen dat het creëren van natuurvriendelijke oevers ook een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit en daarmee bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water?
Ja, dat kunnen wij beamen.
Kunt u beamen dat hiermee sprake is van een win-win situatie: invasieve exoten worden aangepakt, de natuur wordt versterkt, natuurdoelen komen dichterbij, water wordt schoner en gezonder en de kosten op lange termijn liggen vele malen lager? Zo nee, waarom niet?
Natuurvriendelijke oevers kunnen vaak een win-win situatie zijn. De effectiviteit van beheersingsmaatregelen is echter sterk afhankelijk van de locatie en de specifieke situatie. Daarom zet het kabinet in op een brede beheersingsaanpak.
Bent u bereid de uitkomsten en berekeningen uit dit het eindrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning te verwerken in het landelijk aanvalsplan invasieve exoten en het bijbehorende afwegingskader, in lijn met de aangenomen motie-Kostić?4 Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van deze adviesbureaus, worden gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is al in januari van dit jaar aan uw Kamer aangeboden. Dit aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid op hoofdlijnen en de bijlagen 6, 7 en 9 bevatten de specifieke landelijke afspraken (doelstelling) per invasieve exoot van de Europese Unielijst. Het aanvalsplan beschrijft niet in detail welke specifieke maatregelen voor deze (meer dan 114) verschillende invasieve exoten kunnen worden getroffen. Maatregelen zijn ook continu in ontwikkeling en kunnen door de tijd heen veranderen op basis van nieuwe inzichten. Documentatie hierover is zeer omvangrijk en via diverse kanalen en netwerken beschikbaar voor waterbeheerders, terreinbeherende organisaties en andere partijen.
Kunt u deze vragen één voor één voor het komende commissiedebat Water beantwoorden?
Gezien de korte termijn tussen de indiening van de vragen en het commissiedebat Water is het niet gelukt om de vragen te beantwoorden voor het Commissiedebat.