De situatie van Afghaanse evacués wat betreft het besluit over verblijfsvergunningen. |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de situatie van Afghaanse evacués die voor Nederland hebben gewerkt in Afghanistan die geen permanente verblijfsvergunning krijgen, zoals bijvoorbeeld beschreven in het NOS-artikel «Afghaanse tolken vragen uitzonderingspositie na besluit over verblijfsvergunning»?1
Ja.
Vindt u het terecht dat deze mensen, zonder wie Nederlanders in Afghanistan hun werk niet hadden kunnen doen en zelfs niet veilig waren geweest, nu geen permanente verblijfsvergunning krijgen terwijl zij veelal bijna vijf jaar hier zijn, aan de eisen voldoen maar nét buiten de boot vallen?
Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de asielvergunning voor onbepaalde tijd komen te vervallen. Dat betekent niet dat daarmee geen perspectief op langdurig en stabiel verblijf meer bestaat. Daarvoor blijven er in beginsel verschillende wettelijke verblijfsroutes beschikbaar. Welke route van toepassing is, hangt af van de individuele omstandigheden en het voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Een mogelijke route is bijvoorbeeld doorstroom naar de status van EU-langdurig ingezetene.
Bent u het eens met de stelling dat het schandalig is dat het deze mensen, zonder wie het Nederlandse militaire- en diplomatieke werk en politiewerk in Afghanistan onmogelijk was, zo moeilijk wordt gemaakt een nieuw leven op te bouwen in Nederland?
Het kabinet heeft zich ingespannen voor deze groep door hen vrijwel direct na aankomst in Nederland in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij hebben daarmee voorrang gekregen op andere asielzoekers die vaak geruime tijd hebben moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag. Door deze versnelde vergunningverlening konden zij ook eerder uitstromen naar gemeenten en starten met het opbouwen van een leven in Nederland. Het niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit staat daar evenmin aan in de weg. Met een verblijfsvergunning hebben zij rechtmatig verblijf in Nederland en kunnen zij deelnemen aan de samenleving, bijvoorbeeld door te werken, onderwijs te volgen en een toekomst in Nederland op te bouwen.
Bent u het eens met de stelling dat er bij deze groep geen sprake was van vluchten, maar dat deze mensen zijn geëvacueerd door Nederland zelf waardoor voor hen andere omstandigheden gelden?
Het kabinet heeft destijds op basis van objectiveerbare criteria besloten tot de overbrenging van deze afgebakende groep, omdat zij vanwege hun werkzaamheden voor Nederland mogelijk gevaar liepen op vervolging of ernstige schade door de Taliban. Het betrof een brede groep met een band met Nederland, waaronder ngo medewerkers van een ten laste van de BZ/BHOS-begroting gefinancierd project en personen die gewerkt hebben voor Defensie of een specifieke Nederlandse functionaris van EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Het ging dus niet enkel om lokaal personeel met een met een arbeidsovereenkomst met Nederland. Op die grond is aan hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De overbrenging maakt geen verschil voor de geldende verblijfsrechtelijke procedure. Ook voor deze groep geldt het wettelijke kader dat van toepassing is op alle personen die in Nederland bescherming aanvragen.
Nederland heeft voor deze groep voorts een bijzondere inspanning verricht door hen over te brengen naar Nederland. Daarnaast hebben zij, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voorrang gekregen bij de verlening van een asielvergunning.
Wat vindt u van het feit dat zij in de asielprocedure zijn geplaatst terwijl zij niet gevlucht zijn, maar door Nederland zijn geëvacueerd als lokaal personeel?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat de Nederlandse overheid een verplichting heeft tegenover deze Afghanen en zij nadrukkelijk de verwachting heeft gewekt dat er na vijf jaar recht zou zijn op een permanente vergunning?
Het kabinet deelt niet de veronderstelling dat na vijf jaar automatisch recht zou ontstaan op een permanente verblijfsvergunning. Vanwege hun werkzaamheden voor Nederland en de veiligheidsrisico’s in Afghanistan heeft Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid op zich genomen voor deze groep. Daarom zijn zij overgebracht en zijn hun asielaanvragen met voorrang behandeld.
De overbrenging naar Nederland laat echter onverlet dat betrokkenen de reguliere asielprocedure in Nederland doorlopen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van vraag 4 en vraag 5, is een permanent verblijfsrecht afhankelijk van de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden. Aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan geen automatisch recht op permanent verblijf na vijf jaar worden ontleend. Dit betekent echter niet dat betrokkenen na die periode Nederland moeten verlaten.
Kunt u zich voorstellen dat deze groep Afghanen zich onveilig voelt door het feit dat Nederland gesprekken voert met de Taliban – een regime dat mensenrechten met voeten treedt en Afghanen die voor NAVO-landen werkten hebben opgepakt, mishandeld en zelfs vermoord?
Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking.
Kunt u uitsluiten dat vertegenwoordigers van de Taliban officieel geaccrediteerd worden in Nederland. Zo nee, hoe weegt u het risico van repressie van en wraak op Afghaanse diaspora en vluchtelingen in ons land?
Zie antwoord vraag 7.
Realiseert u zich dat door een opeenstapeling van vergunningen voor bepaalde tijd in plaats van een permanente verblijfsvergunning de arbeidsmarktpositie van de Afghanen onzekerder wordt en het risico op vaste contracten en daarmee inkomenszekerheid uit zicht raakt? Beseft u zich dat hierdoor het voldoen aan de inkomenseis voor de EU-vergunning langdurig ingezetene wordt bemoeilijkt?
Ik ben mij ervan bewust dat zekerheid over het verblijf in Nederland van belang kan zijn voor de positie van betrokkenen op de arbeidsmarkt. Met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan iemand legaal in Nederland werken, een arbeidsovereenkomst aangaan en een vast contract aangaan.
Voor het verkrijgen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen gelden wettelijke voorwaarden, waaronder een inkomenseis. Het voldoen aan deze voorwaarden wordt individueel beoordeeld en is afhankelijk van de persoonlijke situatie van de aanvrager.
Bent u bereid voor deze specifieke groep een oplossing te vinden?
Het Nederlandse asielstelsel is gebaseerd op het uitgangspunt dat voor iedereen die bescherming aanvraagt hetzelfde wettelijke kader geldt. Binnen dit kader zijn de asielaanvragen van deze groep met voorrang behandeld vanwege de bijzondere omstandigheden in Afghanistan en hun band met Nederland. Verder geldt dat er sprake is van voldoende verblijfs- en perspectiefmogelijkheden binnen het stelsel. Daarom zie ik zie ik geen aanleiding om voor deze groep een uitzonderingspositie te creëren.
Bent u bereid in het wetvoorstel over hoe het verkrijgen van een Nederlandse nationaliteit in de toekomst vorm wordt gegeven rekening te houden met de specifieke belangen van deze groep waaraan Nederland een ereschuld heeft? Wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
De verantwoordelijkheid die ten aanzien van betrokkenen is genomen, heeft destijds geleid tot hun overbrenging naar Nederland en een prioritaire behandeling van hun asielaanvragen. Voor het nationaliteitsrecht geldt echter als uitgangspunt dat de voorwaarden voor naturalisatie op gelijke wijze worden toegepast. Een afzonderlijke uitzondering voor deze groep past niet goed binnen de systematiek van de Rijkswet op het Nederlanderschap en zou raken aan de rechtsgelijkheid ten opzichte van andere personen die naturalisatie aanvragen.
Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
Het bericht ‘OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: ‘Discriminatiezaken hebben prioriteit’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) naar aanleiding van de racistische uitingen richting spelers van het Nederlands elftal heeft aangegeven dat discriminatiezaken prioriteit hebben?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Hoe verhoudt de prioritering van het OM zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer dat jaarlijks duizenden ernstige misdrijven, waaronder High Impact Crimes, niet of niet tijdig worden opgepakt wegens capaciteitsgebrek?
Zoals ik in mijn reactie op het conceptrapport van de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) over prioritering in de opsporing heb toegelicht is de prioritering in de opsporing gelaagd, afhankelijk van meerdere factoren en bedoeld om doelen van rechtsstatelijke en maatschappelijke aard te dienen. Het maken van keuzes in de opsporing kent bij uitstek een veelheid aan dimensies, ook vanwege de aard van ons politiebestel. Naast landelijke criminaliteitsbeelden en fenomeenanalyses, spelen bijvoorbeeld ook regionale en lokale context een belangrijke rol. Prioritering in de opsporing is dan ook een doorlopend gesprek dat constante bijsturing vereist op nieuwe fenomenen.
De Aanwijzing voor de opsporing van het OM en het screenings- en selectiviteitskader geven belangrijke richting bij de prioritering. Zoals hierboven aangegeven speelt de lokale context een belangrijke rol. Keuzes in de opsporing worden onder andere gemaakt tegen de achtergrond van het criminele speelveld binnen het werkgebied van een team of het criminaliteitsbeeld van een district. Verder moet onder meer rekening worden gehouden met de per definitie schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit, de kansrijkheid en noodzaak van strafrechtelijk ingrijpen ten opzichte van andere interventies, de individuele belangen van verdachten en slachtoffers en de eventuele geschokte rechtsorde. Het OM dient een balans te vinden tussen het zorgdragen voor een reële en voldoende aanwezige strafrechtelijke handhaving en het gegeven dat niet elk individueel strafbaar feit tot een strafrechtelijke interventie kan leiden.
Dat specifiek het discriminatiebeleid is geprioriteerd bij het OM volgt uit de Aanwijzing discriminatie (2025A003). Daarin staat onder meer dat de politie in beginsel elke aangifte van discriminatie opneemt en dat er na elke aangifte een opsporingsonderzoek volgt. Discriminatie is in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen.2 De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in principe aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kan het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken, naast andere prioriteiten.
Kan het OM een overzicht verstrekken van delicten en zaakstromen die momenteel als prioriteit of topprioriteit worden aangemerkt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 over hoe de prioritering tot stand komt, geldt dat er verschillende bestuurlijke afspraken over de prioritering van criminaliteitsfenomenen zijn. Deze betrekt het OM bij de keuzes die het maakt in de prioritering. In het Bestuurlijk Ketenberaad hebben ketenorganisaties samen met het ministerie afgesproken dat er drie geprioriteerde zaakstromen zijn in de periode van 2022 tot en met 2027 op het gebied van doorlooptijden: jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit.
In het kader van de Veiligheidsagenda3 2023–2026 zijn er landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering van de politie vastgesteld op de volgende criminaliteitsfenomenen: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensenhandel en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik. In die Veiligheidsagenda is ook aangegeven dat deze keuzes niet afdoen aan dat de inzet van de politie op andere thema’s, zoals discriminatie. Eerder heb ik u geïnformeerd over dat besprekingen in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie hebben geleid tot breed draagvlak onder het OM, de regioburgemeesters en de politie voor vaststelling van de volgende thema’s in de Veiligheidsagenda 2027–2030: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties (met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel.4 Op dit moment wordt bij de uitwerking van deze thema’s focus aangebracht en worden concrete landelijke doelstellingen geformuleerd. Uw Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de nieuwe Veiligheidsagenda.
Naast deze bestuurlijk tussen ketenpartners vastgestelde prioriteiten zijn er binnen het strafvorderingsbeleid van het OM ook aandachtsgebieden die blijvend aandacht krijgen. Denk daarbij aan het beleid rondom Veilige Publieke Taak en de aanpak van (online) discriminatie. Bij dat type delicten krijgt de prioritering vorm door bijvoorbeeld het eisen van hogere straffen.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven vaak jarenlang de gevolgen van deze feiten ondervinden en dat de opsporing en vervolging van dergelijke feiten altijd tot de hoogste prioriteiten van politie en OM zouden moeten behoren?
Vanzelfsprekend heeft de opsporing en vervolging van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven grote aandacht van politie en OM. Dat betekent niet dat andere feiten, zoals de aanpak van ondermijning, online seksueel misbruik, etc. anders geprioriteerd dienen te worden. Het OM tracht daarbij steeds om de juiste zaken, in passende volumes en in verhouding tot het criminaliteitsbeeld te laten instromen en deze adequaat en voortvarend te vervolgen, om daarmee aan meer slachtoffers en verdachten sneller recht te doen.
Bent u bereid in overleg met het OM te bezien of High Impact Crimes expliciet als topprioriteit kunnen worden aangemerkt binnen de bestaande capaciteitsverdeling?
High Impact Crimes is een verzamelnaam voor delicten als geweldsmisdrijven, woninginbraak, overvallen en straatroof. De Aanwijzing voor de opsporing, dat beleid van het OM is, bepaalt dat het uitgangspunt in High Impact Crimes is dat in principe altijd een opsporingsonderzoek dient te worden ingesteld waarbij beslissingen door de politie altijd in afstemming met het OM dienen te worden genomen. Ik meen dat hiermee in het beleid van het OM voldoende prioriteit aan deze zaken wordt gegeven en zie geen aanleiding om hier aanvullend over met het OM in gesprek te gaan.
Hoe weegt u de inzet van schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit tussen online discriminatiezaken enerzijds en ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven anderzijds?
Zoals in vraag 2 toegelicht is discriminatie in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen. De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in beginsel aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kunnen de politie en het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken.
Kunt u garanderen dat de inzet van politie- en OM-capaciteit voor het opsporen en vervolgen van de racistische uitingen richting de Oranjespelers niet ten koste gaat van de aanpak van ernstige misdrijven, zoals gewelds-, zeden- en andere High Impact Crimes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het behoud van bestaande studentenhuizen |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groningse studenten luiden noodklok bij gemeenteraad: «Laat studentenhuizen bestaan»»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in een tijd van grote kamernood niet alleen nieuwe studentenwoningen moeten worden gebouwd, maar ook bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden moeten blijven?
Het is van belang dat verkamerde studentenhuizen behouden blijven, waar deze in lijn met onder andere de Wet goed verhuurderschap, bouwregelgeving en als nodig met een vergunning worden verhuurd. Een groot deel van de studentenwoningen wordt verhuurd door particuliere verhuurders. Het staat een verhuurder vrij om te kopen en verkopen wanneer zij willen. Om te zorgen voor voldoende studentenwoningen, is het van belang om verhuurders te stimuleren om de woningen niet te verkopen. Recente kabinetten hebben dit onder meer gestimuleerd door de puntprijs in het Woningwaarderingsstelsel Onzelfstandig (WWSO) met 25 procent te verhogen en door de studiefinanciering opnieuw in te voeren, zodat huurders meer financiële ruimte hebben.
Herkent u dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door de combinatie van gemeentelijk verkameringsbeleid, vergunningplichten voor kamerverhuur en een strikte uitleg van het begrip «één huishouden»?
Dit kan inderdaad gebeuren, maar de precieze uitwerking hangt af van het gemeentelijk woonbeleid. In veel gemeenten geldt een vergunningsplicht als het aankomt op het verhuren aan meerdere huishoudens, bijvoorbeeld via verkamering. Het staat een gemeente vrij om bewoning door meerdere huishoudens in één woning toe te staan, al dan niet via een vergunning. Zij maakt daarin lokaal een afweging, bijvoorbeeld door het overwegen van de leefbaarheid. Het kan natuurlijk zijn dat een verhuurder een woning verkamerd heeft zonder daar een vergunning voor te hebben. In dat geval kan een situatie ontstaan waarin deze vergunning alsnog wordt verleend door de gemeente, of de verhuurder de illegaal verkamerde situatie ongedaan moet maken. In dat laatste geval kan bijvoorbeeld een studentenhuis verdwijnen.
Het begrip «één huishouden» lijkt te verwijzen naar de verduidelijkte begripsbepaling van een zelfstandige woning in de zin van het woningwaarderingsstelsel (WWS), zoals vastgelegd in het Besluit huurprijzen woonruimte. Dit begrip is verduidelijkt omdat in de praktijk friendscontracten onterecht als manier gezien werden om geen verkameringsvergunning aan te hoeven vragen, waarbij ook de huurprijsbescherming van huurders ontweken werd. Zo werd verondersteld dat door één of twee «hoofdhuurders» aan te wijzen en aan hen de hele woning te verhuren, mocht worden gerekend met het WWS zelfstandig. De hoofdhuurders wezen dan vervolgens onderhuurders aan die dikwijls niet ingeschreven stonden in de gemeente. Omdat het hierbij vaak om grotere woningen ging, was de woning al snel geliberaliseerd waarmee de verhuurder niet gebonden was aan een maximaal redelijke huurprijs. De hele verhuurconstructie werd hierbij opgehangen aan de twee «hoofdhuurders» waarmee verondersteld werd dat het om één huishouden ging.
Mijn ambtsvoorganger heeft daarom verduidelijkt dat om een woning volgens het WWS zelfstandig te mogen beprijzen, er bij drie of meer bewoners sprake moet zijn van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. De definitie van «duurzaam gemeenschappelijk huishouden» is daarin geen gegeven, maar jurisprudentie geeft een basis voor de uitleg van dit begrip. Studenten voldoen in de regel niet aan dit begrip. Zij mogen nog steeds via friendscontracten huren, maar daarop dient aangegeven te worden welke persoon welk deel van de woning huurt tegen welke prijs. De huurprijs moet bepaald worden via het WWS onzelfstandig.
Hoe beoordeelt u dat een studentenhuis waar bewoners al meerdere jaren via een gezamenlijke woonvorm samenleven, verantwoordelijkheid nemen voor beheer en leefbaarheid en volgens hen geen overlast veroorzaken, toch kan worden aangemerkt als onvergunde kamerverhuur?
Deze twee zaken kunnen naast elkaar bestaan. Het is aan gemeenten om hun beleid vorm te geven. In het geval dat er sprake is van een vergunningplicht, er geen vergunning is afgegeven en er ook geen zicht is op legalisatie, dan geldt er in principe een handhavingsplicht voor het bevoegd gezag. Ik kan geen oordeel geven over individuele gevallen.
Vindt u het wenselijk dat regels die bedoeld zijn om overlast, druk op wijken en slecht verhuurderschap tegen te gaan, in de praktijk ook goed functionerende studentenhuizen kunnen raken?
Dat vind ik niet wenselijk. Mijn inzet is daarom in algemene zin dat gemeenten woningdelen vaker dan nu het geval is toestaan en pragmatisch omgaan met de overweging om (alsnog) een vergunning te verlenen. Ik zie in de praktijk dat gemeenten dit al doen, bijvoorbeeld als er al lange tijd sprake is van verkamering en de leefbaarheid in de wijk niet onder druk staat. Het is van belang dat gemeenten lokaal en van geval tot geval een eigen afweging maken.
Welke ruimte hebben gemeenten om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur enerzijds en bestaande studentenhuizen, waar aantoonaar geen of weinig sprake is van overlast, onveiligheid of slecht verhuurderschap?
Gemeenten maken per geval een afweging of nieuwe verkamering wenselijk is of bestaande kamerverhuur voldoet aan de regels. Waar dat wenselijk en passend is en verder wordt voldaan aan de regels, roep ik gemeenten op pragmatisch met bestaande situaties om te gaan. Kamerverhuur kan problematisch zijn als niet wordt voldaan aan de lokale en landelijke regelgeving. Zo moet, indien vereist, een vergunning aanwezig zijn, voldaan worden aan bouwregelgeving en landelijke regels zoals de wet Goed verhuurderschap.
Bent u bereid te onderzoeken of gemeenten aanvullende ruimte nodig hebben om bestaande studentenhuizen vaker te kunnen behouden of legaliseren, bijvoorbeeld via maatwerk?
Gemeenten beschikken momenteel al over voldoende instrumentarium om een afweging te maken in het al dan niet toestaan en legaliseren van kamerverhuur binnen de bestaande voorraad. Mij zijn geen signalen bekend die wijzen op het tegendeel. In de beantwoording van vraag 6 heb ik al aangegeven welke mogelijkheden gemeenten hebben. Daaronder valt de mogelijkheid voor gemeenten om bij het gebruik van een (omzettings-)vergunning, binnen het vergunningsverleningsproces, te bepalen of de locatie en woonruimte geschikt is voor kamerverhuur aan één of meerdere personen. Via de Landelijke Aanpak Beter Benutten stimuleer ik gemeenten een dergelijke stap te zetten. Ik wil er namelijk voor zorgen dat alle gemeenten aandacht schenken aan de regels voor kamerverhuur, met als uitgangspunt dat dit wordt toegestaan waar dat passend is. Onlangs heb ik uw Kamer over de voortgang van deze aanpak geïnformeerd.
Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren om bij bestaande studentenhuizen eerst te kijken naar legalisatie en maatwerk, voordat wordt overgegaan tot beëindiging van bewoning?
Gemeenten hebben de vrijheid om lokaal regels op te stellen rondom kamerverhuur en daarmee ook om de lokale regels te wijzigen en maatwerk toe te passen. Zij maken per geval een eigen afweging. Dit is passend, omdat zij dan de lokale situatie kunnen meewegen in het besluit. Ik vind het niet wenselijk om hier Rijksbreed op te sturen. In de beantwoording van vraag 6 heb ik al aangegeven dat gemeenten de beschikking hebben over verschillende instrumenten. Via de landelijke aanpak Beter Benutten stimuleer ik gemeenten om kamerverhuur vaker mogelijk te maken waar dat passend is. Daarnaast werkt het kabinet aan het voorstel om gemeenten te stimuleren om meer een «ja, mits»-benadering toe te passen. In de praktijk zie ik dat gemeenten niet van de ene op de andere dag overgaan tot beëindiging van bewoning, maar dat zij hier in het belang van de bewoners pragmatisch mee omgaan.
Bent u bereid samen met studentensteden, studentenorganisaties, corporaties en particuliere verhuurders te werken aan een «ja, mits»-benadering, waarbij goede studentenhuizen behouden blijven en nieuwe initiatieven worden aangejaagd, terwijl gericht wordt opgetreden tegen overlast, onveiligheid en slecht verhuurderschap?
De lijn van het kabinet is dat er gewerkt wordt aan een «ja, mits»-benadering. Hierbij wordt afgestapt van een vergunningstelsel, maar mogen verhuurders als zij voldoen aan de regels starten met kamerverhuur zonder tussenkomst van de gemeente. Binnen het Landelijk Platform Studentenhuisvesting is hier al aandacht voor, onder andere naar aanleiding van een onderzoek van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) naar verkameringsbeleid in de vijftien grootste studentensteden en hun beleid rondom studentenkamers. Ik zie gelukkig dat steeds meer gemeenten hun regels over woningdelen, splitsen en kamerverhuur aan het versoepelen zijn waar dat passend is, wat kansen biedt voor onder andere studenten.
De gevolgen van het onderhoud van wegen en bruggen voor doelgroepenvervoer. |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het probleem dat door de sluiting van de Papendrechtsebrug (N3) vanwege onderhoud het doelgroepenvervoer (Wet Maatschappelijke Ondersteuning-, jeugdhulp- en leerlingenvervoer) tussen Papendrecht, Sliedrecht en Dordrecht negen maanden lang moet omrijden via de A15 en A16, wat leidt tot meer arbeids- en benzinekosten voor het doelgroepenvervoer?
Ja. De renovatie van de brug heeft impact op alle gebruikers van de brug in het gebied.
Bij wie ligt de verantwoordelijkheid om de hogere kosten voor het doelgroepenvervoer vanwege (langdurig) onderhoud aan wegen en bruggen te dragen? Is dat bij de vervoerders, bij de gemeenten, bij de schoolbesturen of bij Rijkswaterstaat?
Bij werkzaamheden door Rijkswaterstaat ligt de verantwoordelijkheid voor de hogere kosten bij de weggebruikers. Hogere uitvoeringskosten door omleidingen behoren doorgaans tot het ondernemersrisico van de vervoerder. Zij kunnen bij de werkzaamheden rondom de Papendrechtsebrug een beroep doen op de nadeelcompensatieregeling, waarbij door een onafhankelijke commissie zal worden getoetst of het nadeel zo groot is dat compensatie gerechtvaardigd is.
Wordt doelgroepenvervoer als onderdeel van de «witte kolom» gezien die over de noodbrug bij de Papendrechtsebrug mag? Zo nee, waarom niet en vindt u dat dat in het belang van de doelgroepen wel zou moeten?
Doelgroepenvervoer maakt geen onderdeel uit van de witte kolom. De noodbrug waaraan u refereert in het geval van de Papendrechtsebrug betreft het fietspad op de Baanhoekbrug (een spoorbrug) dat beschikbaar wordt gemaakt als calamiteitenroute voor prioritaire doelgroepen. Dat zijn de nood- en hulpdiensten en de spoed-/acute zorgvervoersbewegingen (denk aan verloskundigen en specialisten van het ziekenhuis). Tijdens de afsluiting van de Papendrechtsebrug is het fietspad op de Baanhoekbrug niet beschikbaar voor fietsers.
In overleg met de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid, de voor het project ingestelde zorgtafel en de drie omliggende gemeenten is besloten dat de overgebleven capaciteit aan vervoersbewegingen over de calamiteitenroute van de Baanhoekfietsbrug gebruikt zal worden voor leerlingenvervoer passend onderwijs en (jeugd)hulpverlening. Dit is naar schatting zo’n 40% van het huidige totaal dagelijkse doelgroepenvervoer. Afspraken over het gebruik van de brug binnen en buiten de spitsblokken wordt verder uitgewerkt in de taskforce Doelgroepenvervoer Drechtsteden. In overleg met ouders, scholen en de vervoerders wordt door de gemeenten besloten wie over de brug kan rijden en voor wie een andere oplossing gevonden kan worden.
Speelt dit probleem ook op andere plekken in het land? Zo ja, hoe groot is dit probleem en wat zijn de totale kosten die hiermee gemoeid zijn?
Bij werk aan de infrastructuur past Rijkswaterstaat de methodiek slim plannen, slim bouwen, slim reizen toe. Met slim reizen wordt ingezet op alternatieve reismogelijkheden voor de reiziger. Dat betekent wel dat de reiziger doorgaans meer reistijd heeft. De omvang van extra kosten voor de reiziger wordt niet bijgehouden.
In de voorbereidingen van de werkzaamheden wordt zo snel mogelijk in overleg getreden met bestuurlijke partners en belanghebbenden om waar mogelijk rekening te houden met de specifieke problematiek van verschillende doelgroepen.
Vindt u dat Rijkswaterstaat bij langdurig onderhoud standaard rekening zou moeten houden met de gevolgen voor het doelgroepenvervoer en voorafgaand aan het begin van het onderhoud een plan moet hebben waarmee de gevolgen voor het doelgroepenvervoer worden geminimaliseerd? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat doet Rijkswaterstaat ook in de verschillende fasen van de voorbereiding van het project, waarbij vele belanghebbenden, op de weg, de vaarwegen en in de omgeving oplossingen nodig hebben voor hun mobiliteit. Helaas heeft niet alleen Rijkswaterstaat, maar ook veel andere infrabeheerders veel projecten tegelijkertijd in uitvoering in dichtbevolkte gebieden, waardoor het aantal alternatieve routes en oplossingen vaak beperkt is. In de uitvoering past Rijkswaterstaat een pakket hindermaatregelen toe waarbij het doel is de hinder zoveel mogelijk te beperken tegen proportionele kosten.
Welke opties ziet het kabinet voor een oplossing waarbij het doelgroepenvervoer niet voor hogere kosten komt te staan vanwege grote omleidingen bij afsluitingen wegens onderhoud? Ziet het kabinet mogelijkheden voor compensatie?
Als gevolg van de werkzaamheden en projecten aan de infrastructuur zullen gebruikers onvermijdelijk te maken krijgen met hinder en extra kosten. Met de inzet van de instrumenten uit de Hinderaanpak1 probeert Rijkswaterstaat de hinder zoveel als mogelijk te beperken binnen de daarvoor beschikbare budgetten. Zie voor compensatie verder het antwoord onder vraag 2.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het bericht dat de Gezondheidsraad wil dat de overheid alcoholgebruik verder ontmoedigt en denormaliseert |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gaat alcohol het roken achterna? Gezondheidsraad wil dat overheid ingrijpt» van de NOS en het advies van de Gezondheidsraad dat alcoholgebruik verder moet worden ontmoedigd en «minder normaal» moet worden gemaakt?
Ja.
Deelt u de mening dat er een principieel verschil bestaat tussen het informeren van burgers over gezondheidsrisico’s enerzijds en het actief sturen, ontmoedigen en denormaliseren van legaal gedrag van volwassen burgers anderzijds?
Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen en de gezonde keuze makkelijker maken. Het drinken van alcohol brengt risico’s met zich mee voor het individu en ook voor de samenleving. Denk aan ziektes en ook aan verzuim, geweld, ongevallen en letsel. We betalen hier als samenleving een prijs voor. Het is daarmee niet alleen een individueel probleem. Daarom gelden er regels voor de verstrekking van alcohol via de Alcoholwet, regels voor alcoholreclames en wordt accijns geheven op alcoholhoudende drank. Daarbij is het een belangrijke taak van de overheid mensen over de risico’s van alcohol te informeren en ervoor te zorgen dat er goede zorg is voor mensen met alcoholproblematiek.
Waar ligt volgens u de grens tussen volksgezondheidsbeleid en staatsbemoeienis met de persoonlijke levenssfeer van volwassen Nederlanders?
Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken. De overheid zorgt voor wet- en regelgeving, ondersteuning en goede voorlichting, zodat mensen een weloverwogen en geïnformeerde keuze kunnen maken.
Erkent u dat alcoholgebruik, net als bijvoorbeeld suikerconsumptie, vleesconsumptie, autorijden, wintersport, zonnen, festivals, vuurwerk, barbecueën of andere vormen van levensgenot, nooit volledig risicovrij is, maar dat dit op zichzelf nog geen vrijbrief vormt voor steeds verdergaande overheidsinmenging?
Alcoholgebruik is net als veel andere gebruiken nooit risicovrij. Alcoholgebruik heeft gevolgen voor zowel de gezondheid als de veiligheid in de samenleving. Daarom is er wet en regelgeving, ondersteuning en goede voorlichting, zodat mensen een weloverwogen en geïnformeerde keuze kunnen maken.
Deelt u de zorgen dat in het preventiebeleid steeds vaker een beleidscultuur ontstaat waarin niet langer uitsluitend excessen of misstanden worden bestreden, maar waarin de overheid normaal, legaal en maatschappelijk ingebed gedrag van burgers actief probeert te ontmoedigen?
Het gaat hier gegeven de gevolgen (verzuim, geweld, ongevallen, ziektelast) om een maatschappelijk probleem. Gelet op deze gevolgen van alcoholgebruik voor de samenleving ligt het voor de hand om alcoholgebruik te ontmoedigen. De keuze om wel of niet te drinken, is aan mensen zelf.
Bent u van mening dat het de taak van de overheid is om alcoholgebruik als zodanig «minder normaal» te maken? Zo ja, op basis van welke democratische opdracht meent u dat de overheid het mandaat heeft om diepgewortelde sociale gebruiken en culturele tradities te denormaliseren?
Het is een taak van de overheid de volksgezondheid te beschermen. Het drinken van alcohol vergroot het risico op chronische ziekten en heeft gevolgen voor de samenleving. Het kabinet vindt het daarom van belang mensen over de gevolgen van alcoholgebruik te informeren.
Hoe verhoudt het pleidooi om alcoholgebruik te denormaliseren zich tot de eigen verantwoordelijkheid van volwassen burgers?
Het geven van voorlichting over de gevolgen van alcoholgebruik is belangrijk. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van mensen zelf om wel of niet te kiezen voor alcoholhoudende drank.
Acht u het wenselijk dat de overheid zich ontwikkelt tot een instantie die niet alleen waarschuwt voor gezondheidsrisico’s, maar ook actief bepaalt welke vormen van ontspanning, genot en sociaal gedrag maatschappelijk nog als normaal mogen gelden?
Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen. Het drinken van alcohol brengt risico’s met zich mee voor het individu en ook voor de samenleving. Dit rechtvaardigt regelgeving en beleid om alcoholgebruik te ontmoedigen en een omgeving te realiseren die de gezonde keuze makkelijker maakt. Uiteindelijk maken mensen hun eigen afweging ten aanzien van het drinken van alcohol.
Kunt u garanderen dat het kabinet geen beleid zal voeren dat erop gericht is om gematigd alcoholgebruik door volwassenen maatschappelijk te stigmatiseren?
Uiteindelijk zijn volwassen mensen vrij om hun eigen afwegingen te maken. Het stigmatiseren van matig gebruik of anderszins bepalen welke vormen van gedrag normaal zijn, is niet aan de orde.
Kunt u aangeven of het kabinet voornemens is om de aanbevelingen van de Gezondheidsraad over te nemen, zoals het duurder maken van alcohol, het beperken van verkooppunten, het beperken van reclame, neutrale verpakkingen of gezondheidswaarschuwingen?
Het kabinet is het advies van de Gezondheidsraad aan het bestuderen en komt dit najaar met een reactie.
Kunt u per genoemde maatregel aangeven welke concrete beleidsopties het kabinet overweegt, welke maatregelen het kabinet uitsluit en op welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat «niet risicovrij» iets anders is dan «onaanvaardbaar», en dat vrijwel geen enkele menselijke activiteit volledig risicovrij is – aangezien de Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is voor alcoholgebruik en dat ook één glas per dag risicovol is?
Alcoholgebruik heeft gevolgen voor zowel de volksgezondheid als de veiligheid in de samenleving. Daarom gelden er ook duidelijke regels en normen bijvoorbeeld voor alcohol in het verkeer of alcohol drinken door minderjarigen. Het kabinet maakt Nederland verkeersveiliger voor de voetganger, de fietser en de automobilist. Het dikke-ik gedrag in het verkeer pakken we aan door strenger te handhaven en in te zetten op gedragsverandering. Het kabinet voert een zerotolerancebeleid voor alcohol in het verkeer conform het coalitieakkoord [1] en hanteert als norm geen alcohol voor minderjarigen.
Bent u bereid in toekomstige communicatie over alcoholgebruik helder onderscheid te maken tussen zwaar of problematisch alcoholgebruik enerzijds en incidenteel of gematigd alcoholgebruik door volwassenen anderzijds?
De gevolgen van alcoholgebruik gelden voor iedereen; zowel voor het individu als voor de maatschappij. De Gezondheidsraad stelt dat er geen veilige ondergrens is. Het is daarom van belang om iedereen te informeren over de gevolgen van alcoholgebruik en een gezonde keuze makkelijker te maken.
Acht u het proportioneel om maatregelen te nemen die alle volwassen Nederlanders raken, terwijl de grootste maatschappelijke problemen samenhangen met problematisch gebruik, verkeersdeelname onder invloed, geweld, verslaving of overmatig drinken?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat het Nationaal Preventieakkoord zich oorspronkelijk vooral richtte op problematisch alcoholgebruik? Zo ja, erkent u dat het huidige advies van de Gezondheidsraad een verschuiving betekent van het bestrijden van problematisch gebruik naar het ontmoedigen van alcoholgebruik als zodanig?
De inzet op alcohol maakt onderdeel uit van de preventiestrategie. Deze strategie werkt toe naar de gezondste generatie ooit en kijkt per omgeving hoe deze gezonder kan en wat daarvoor nodig is. De doelen van het Nationaal Preventieakkoord worden in deze strategie doorgezet. Voor alcohol betekent dit het terugdringen van alcoholgebruik onder jongeren en zwangeren, het terugdringen van overmatig en zwaar alcoholgebruik en het vergroten van de kennis over en de bewustwording van de schadelijkheid van alcohol en het eigen drinkgedrag. Het advies van de Gezondheidsraad ondersteunt de ambitie om toe te werken naar de gezondste generatie ooit. In het najaar wordt u geïnformeerd over de voortgang van deze strategie en volgt de reactie van het kabinet op het advies van de Gezondheidsraad.
Deelt u de mening dat beleid tegen problematisch alcoholgebruik iets wezenlijk anders is dan beleid dat erop gericht is om alcoholgebruik in brede zin uit het normale maatschappelijke leven terug te dringen?
De gevolgen van alcoholgebruik zijn er zowel voor het individu als voor de samenleving als geheel. Het kabinet werkt met de preventiestrategie toe naar de gezondste generatie ooit. Het kabinet wil ervoor zorgen dat dat de omgeving mensen in staat stelt om gezonde keuzes te maken.
Bent u bereid om in uw reactie op het advies expliciet in te gaan op de gevolgen voor horeca, slijterijen, supermarkten, brouwerijen, wijnhandelaren, evenementen, sportverenigingen en lokale gemeenschappen?
Indien het kabinet maatregelen neemt, dan is een zorgvuldige afweging van belangen en gevolgen (economisch, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving etc) onderdeel van het proces.
Is onderzocht wat de economische gevolgen zijn van hogere accijnzen, verkoopbeperkingen, reclameverboden of neutrale verpakkingen voor Nederlandse ondernemers? Zo nee, bent u bereid dit eerst te laten onderzoeken voordat nieuwe maatregelen worden overwogen?
In het kader van het Nationaal Preventie Akkoord is voor diverse maatregelen (accijnsverhoging, verkoopbeperkingen en reclameverbod) onderzocht wat de economische gevolgen zijn (o.a. Ministerie van Financiën 2024, SEO 2020, RIVM 2018). Zie verder antwoord 17.
Bent u bereid om bij iedere voorgenomen maatregel niet alleen gezondheidseffecten, maar ook effecten op vrijheid, ondernemerschap, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving en sociale cultuur in kaart te brengen?
Indien het kabinet maatregelen neemt, dan is een zorgvuldige afweging van belangen en gevolgen (economisch, regeldruk, uitvoerbaarheid, handhaving etc) onderdeel van het proces.
Erkent u dat prijsverhogingen via accijnzen relatief zwaar kunnen neerslaan bij mensen met lagere inkomens, terwijl het gedragseffect onzeker kan zijn?
Het verhogen van de accijns op alcohol is een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen, mits de accijnsverhoging zo substantieel is dat deze leidt tot een merkbare prijsverhoging en tegelijkertijd niet dermate groot is dat het leidt tot ongewenste grenseffecten.1 Een forse verhoging van de alcoholaccijns kan inderdaad effect hebben op de koopkracht en zal mensen met lagere inkomens naar verwachting meer raken, omdat zij een groter deel van hun inkomen uitgeven aan boodschappen. Mensen met een hoger inkomen drinken echter vaker alcohol dan mensen met een lager inkomen. Tegelijkertijd drinken mensen met een laag inkomen vaker overmatig of zwaar en is de te verwachten gezondheidswinst bij die groep dan ook het grootst.2 3 Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad.
Bent u bereid om af te zien van verdere accijnsverhogingen op alcohol zolang niet overtuigend is aangetoond dat zulke verhogingen daadwerkelijk leiden tot minder problematisch gebruik in plaats van vooral tot lastenverzwaring, grenseffecten en ontwijkgedrag?
Zoals hierboven aangegeven is het verhogen van de accijns op alcohol een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen. In Nederland is het overmatig en zwaar drinken tussen 2014 en 2025 significant gedaald. De meest recente accijnsverhoging van 8,4% uit januari 2024 heeft in zeer beperkte mate tot extra grenseffecten geleid.4 De voorlaatste accijnsverhoging is van 2014. Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad.
Hoe voorkomt u dat verdere alcoholaccijnzen leiden tot meer aankopen over de grens, illegale handel of thuisproductie?
De meest recente accijnsverhoging van 8,4% uit januari 2024 heeft in zeer beperkte mate tot extra grenseffecten geleid.5 Zie verder antwoord 20 en 21.
Acht u het wenselijk dat alcohol mogelijk alleen nog via slijterijen verkrijgbaar zou zijn? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de vrijheid van ondernemers en consumenten?
Het kabinet is het advies van de Gezondheidsraad aan het bestuderen en komt dit najaar met een reactie.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet voornemens is alcohol uit supermarkten te weren?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet neutrale verpakkingen voor alcoholische dranken wil invoeren, vergelijkbaar met tabaksproducten?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u uitsluiten dat het kabinet gezondheidswaarschuwingen op alcoholverpakkingen wil invoeren die vergelijkbaar zijn met waarschuwingen op tabaksproducten?
Zie antwoord vraag 23.
Deelt u de mening dat alcohol cultureel, sociaal en historisch een andere plaats inneemt dan tabak, en dat het daarom onwenselijk is om alcoholbeleid simpelweg langs dezelfde lijn als tabaksbeleid te ontwikkelen?
Voor zowel tabak als voor alcohol geldt dat er geen veilige ondergrens is en dat gebruik ervan het risico verhoogt op diverse ziekten en aandoeningen. Voor je gezondheid is het dus beter om niet te roken en niet te drinken. Dat het drinken van alcohol voor veel mensen ook een sociale waarde heeft, doet hieraan niets af. Het is de taak van de overheid om mensen goed te informeren en om ongezonde keuzes te ontmoedigen door regels te stellen aan de verstrekking van alcohol, aan reclame voor alcohol en door het instellen van accijns op alcoholhoudende drank. Mensen maken uiteindelijk zelf hun eigen keuzes als het gaat om roken, drinken of voeding. Goede betrouwbare informatie leidt tot een weloverwogen keuze.
Welke andere producten of gedragingen zouden volgens dezelfde redenering van «geen veilige ondergrens» in aanmerking komen voor denormalisering door de overheid?
Voor zowel tabak, alcohol en natuurlijk drugs geldt dat al deze middelen verslavend en risicovol zijn en dat gebruik ervan vanuit het perspectief van de volksgezondheid ontmoedigd wordt. Het kabinet wil een gezonde leefstijl voor iedereen dichterbij brengen. Mensen worden geholpen met een gezonde leefstijl, door ondersteunende programma’s en goede voorlichting. Daarnaast is het ook nodig om ongezonde keuzes te ontmoedigen door duidelijke normen te stellen via afspraken en regelgeving die ook gehandhaafd wordt. Daarbij is het belangrijk om al op jonge leeftijd te beginnen – jong geleerd is immers oud gedaan. Daarom zien we toe op de leeftijdsgrens van 18 voor verkoop van alcohol en versterken we de norm van NIX18.
Als de redenering is dat ieder gezondheidsrisico een reden kan zijn voor ontmoediging, welke principiële begrenzing hanteert het kabinet dan nog om te voorkomen dat steeds meer vormen van normaal leven onder preventiebeleid worden gebracht?
Een samenleving die gezond, fit en veerkrachtig is, dat is waar dit kabinet voor staat. Met de preventiestrategie is de scope van het preventiebeleid vanuit het perspectief van de volksgezondheid afgebakend tot 11 thema’s: bewegen, overgewicht, voeding, roken, drugsgebruik, problematisch alcoholgebruik, vaccinaties, schermgebruik en sociale media, seksuele gezondheid, gehoorschade en zongebruik.
Deelt u de mening dat volksgezondheid belangrijk is, maar niet het enige hoogste doel van de staat kan zijn, omdat vrijheid, verantwoordelijkheid, traditie, gemeenschapsleven en levensvreugde óók publieke waarden zijn?
Het kabinet beoogt de volksgezondheid te beschermen en hecht in de aanpak aan een gezonde balans tussen ondersteunen, voorlichten en normstellen én individuele vrijheid en verantwoordelijkheid.
Bent u bereid om in de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad niet alleen een medische en preventieve afweging te maken, maar ook een principiële afweging over vrijheid, proportionaliteit en de rol van de overheid in het privéleven van burgers?
Zoals eerder aangegeven, bestudeert het kabinet op dit moment het advies en komt het kabinet dit najaar met een reactie. Het is een taak van de overheid de volksgezondheid te beschermen, waarbij mensen uiteindelijk zelf een keuze maken om wel of niet te drinken.
Kunt u toezeggen dat de Kamer geen maatregelenpakket ontvangt waarin alcoholbeleid via een technocratische gezondheidslogica wordt doorgevoerd zonder expliciet politiek debat over de vraag of de overheid zich überhaupt met dit soort keuzes van volwassen burgers moet bemoeien?
Het kabinet komt dit najaar met een reactie op het advies van de Gezondheidsraad. Zie ook antwoord 31.
Bent u bereid om afstand te nemen van het uitgangspunt dat alles wat ongezond kan zijn door de overheid moet worden ontmoedigd?
Als een product zoals alcohol, een duidelijk risico betekent voor de zowel gezondheid als voor de maatschappij, dan is het een taak van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en mensen te informeren over de risico’s van dit product.
Kunt u bevestigen dat volwassen Nederlanders uiteindelijk zelf verantwoordelijk blijven voor de vraag of zij bij een diner, verjaardag, bruiloft, voetbalwedstrijd, dorpsfeest, festival of vrijdagmiddagborrel een glas alcohol willen drinken?
Individuele keuzevrijheid en individuele verantwoordelijkheid zijn een groot goed: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken in hun keuze om wel of niet te drinken. Een onafhankelijk goed onderbouwd advies, zoals dat van de Gezondheidsraad, vergroot deze keuzevrijheid en verantwoordelijkheid van mensen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóórdat het kabinet een inhoudelijke reactie op het advies van de Gezondheidsraad aan de Kamer stuurt?
Ja, waar mogelijk zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
De zorgen rondom de Data Privacy Framework tussen de EU en de VS |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof in de zaak Trump v. Slaughteren het bericht van privacywaakhond noyb hierover?1 2
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en de inhoudelijke analyse van noyb, die stelt dat de uitspraak de onafhankelijkheid van Amerikaanse toezichthouders aantast en dit grote gevolgen kan hebben voor de Data Privacy Framework tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten?
De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof van 29 juni 2026 in
De Commissie heeft in de context van de meest recente raadswerkgroep gegevensbescherming d.d. 6 juli jl. lidstaten geïnformeerd en aangegeven de impact van de beslissing van Hooggerechtshof te onderzoeken, en ziet dat in dit verband ook een brede evaluatie van het functioneren van de VS-rechtssysteem nodig is. Tegelijkertijd benadrukt de Commissie daarbij dat het adequaatheidsbesluit tot nader order van kracht blijft. Indien de Commissie zou besluiten over te gaan tot (gedeeltelijke) intrekking, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Heeft u vertrouwen in de houdbaarheid van de Data Privacy Framework in het licht van de uitspraak in de zaak Trump v. Slaughter?
Het is aan de Commissie om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, actuele ontwikkelingen te wegen in het licht van het adequaatheidsbesluit en de houdbaarheid daarvan. Zij is daartoe niet alleen bevoegd, maar ook bij uitstek toegerust. Ik vind het niet verstandig vooruitlopend op de bevindingen van de Commissie zelfstandig een oordeel te vormen. Als zou blijken dat structurele doorgiften onder het DPF niet langer een met het EU recht vergelijkbaar beschermingsniveau bieden, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling het adequaatheidsbesluit (gedeeltelijk) schorsen, wijzigen of intrekken. Dit is een besluit van de Commissie dat in het op artikel 93 AVG gebaseerde comitologie comité met de lidstaten, waaronder Nederland, wordt besproken. Uw Kamer wordt daarover geïnformeerd.
Deelt u onze zorgen dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de rechtmatige data-uitwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten? Wat zouden die gevolgen volgens u kunnen zijn?
Het is vanzelfsprekend van groot belang dat doorgiften van persoonsgegevens aan derde landen in overeenstemming met de AVG plaatsvinden. De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zien daar op toe. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, beoordeelt de Commissie de implicaties van de uitspraak van het Hooggerechtshof van de VS in het kader van haar verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten. Als de Commissie het besluit (gedeeltelijk) zou intrekken of schorsen, dan zouden voor doorgiften niet langer op het DPF kunnen worden gebaseerd. Doorgiften zouden dan plaats moeten vinden op basis van andere AVG-instrumenten, zoals mogelijk model contractbepalingen (SCC), bindende bedrijfsvoorschriften (BCR)4 of, bij uitzondering, de uitzonderingen van artikel 49 AVG.
Bent u bereid de gevolgen van de uitspraak te bespreken in Europees verband met oog op mogelijke juridische stappen die de Data Privacy Framework ongeldig kunnen maken?3
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3, ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling of het DPF en de vraag of het adequaatheidsbesluit al dan niet gedeeltelijk dient te worden ingetrokken primair bij de Commissie. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2, volgt Nederland de ontwikkelingen op de voet.
Is Nederland voorbereid op een scenario waar de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard? Welke maatregelen kunt u nemen om hier op voor te bereiden, zoals ook uiteengezet door uw voorganger?4
Na het ongeldig verklaren van het DPF kunnen doorgiften niet langer op het DPF berusten. Welke gevolgen dit voor Nederland heeft, hangt af van de desbetreffende sector en de verwerkingen van persoonsgegevens die daarbinnen plaatsvindt. Een algemeen antwoord valt hierop dan ook niet te geven.
Zonder adequaatheidsbesluit zal elke verwerkingsverantwoordelijke een doorgifte van persoonsgegevens aan een (gecertificeerde) partij in de VS op een ander doorgifte-instrument uit de AVG moeten kunnen baseren. Hierbij kan gedacht worden aan SCC, BCR of aan de uitzonderingen zoals benoemd in artikel 49 AVG.
Verwerkingsverantwoordelijken kunnen voorzorgsmaatregelen treffen om te voorkomen dat een eventuele ongeldigverklaring van het DPF ertoe leidt dat de doorgifte van persoonsgegevens moet worden gestaakt. Een geheel of gedeeltelijke intrekking of ongeldigverklaring van het DPF hoeft niet te betekenen dat Amerikaanse clouddienstverleners niet meer gebruikt kunnen worden. Wel is het voor clouddiensten die gegevens in de VS opslaan of verwerken, of waarbij een Amerikaanse partij rechtstreeks toegang heeft tot gegevens, in ieder geval nodig om een passende oplossing te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door data te hosten in Europese datacenters van dezelfde aanbieder en/of de rechtstreekse toegang door Amerikaanse partijen te beperken of, als dat niet mogelijk is, met aanvullende technische maatregelen zoals sterke encryptie of het inrichten van autonome voorzieningen.
Voor de rijksdienst geldt op basis van het cloudbeleid dat opslag en verwerking van gegevens in principe binnen de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland plaatsvinden.7 Gebruik buiten deze landen kan alleen met een formele uitzondering, onderbouwd met een goede reden, een risicoanalyse en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Voor bestaand cloudgebruik is bovendien een exitplan verplicht dat rekening houdt met het wegvallen van een voorziening en dus verder reikt dan alleen het hiervoor beschreven scenario. Dit exitplan kan ook worden ingezet als een verwerking om andere redenen niet kan worden voortgezet. Onderdeel hiervan is dat organisaties zelf een actueel overzicht bijhouden van alle gebruikte clouddiensten.
Als de Data Privacy Framework ongeldig wordt verklaard, welke autoriteit moet dan toezien op de (on)rechtmatige uitwisseling van data met Amerikaanse partijen? Kunt u deze autoriteit vragen om advies om dit scenario samen uit te werken?
De nationale toezichthouders voor gegevensbescherming blijven bevoegd; in Nederland is dat de AP. Zij houden toezicht op verwerkingsverantwoordelijken en verwerkers, inclusief internationale doorgiften. Coördinatie tussen toezichthouders verloopt in EU-verband via de EDPB. De Commissie gaat over het adequaatheidsbesluit zelf, niet over individuele handhaving.
Als het DPF ongeldig zou worden verklaard, zou dat betekenen dat de bepalingen uit de AVG voor doorgifte aan derde landen waarvoor geen adequaatheidsbesluit geldt, opnieuw van toepassing worden. De AP heeft voor dergelijke situaties uitgebreide informatie op haar website staan.8 Mocht het zo ver komen, dan ben ik bereid de AP te vragen of zij een gedeelte daarvan specifiek zouden willen toespitsen op de VS. Als het adequaatheidsbesluit zou komen te vervallen, blijft te allen tijde de verwerkingsverantwoordelijke zelf verantwoordelijk voor naleving van de normen uit de AVG, ook bij doorgifte aan derde landen.
Zijn er scenario’s denkbaar waarin aanvullende maatregelen niet volstaan en data niet meer rechtmatig met Amerikaanse partijen gedeeld kan worden? Welke implicaties heeft dat?
Ja. Als aanvullende maatregelen niet volstaan, rest uitsluitend een incidentele doorgifte op basis van een toepasselijke bepaling in artikel 49 AVG (zoals expliciete geïnformeerde toestemming, noodzaak voor een overeenkomst met de betrokkene, zwaarwegend algemeen belang, rechtsvorderingen, vitale belangen of openbaar register). Deze uitzonderingsbepalingen zijn uitzonderlijk, niet bedoeld voor structurele of grootschalige stromen, en vereisen strikte proportionaliteit, transparantie en volledige documentatie. Past geen derogatie voor de specifieke doorgifte, dan is de doorgifte niet toegestaan.
Deelt u de mening dat de enige zekere maatregel om onrechtmatige data-uitwisseling met de Verenigde Staten te voorkomen is om veel minder afhankelijk te worden van Amerikaanse techbedrijven?
Nee. Minder afhankelijk worden van Amerikaanse leveranciers kan risico’s verkleinen, maar is niet de enige mogelijke maatregel. Rechtmatige doorgifte kan ook worden geborgd met doorgifte instrumenten onder de AVG, zoals SCC of BCR. Als die combinatie de risico’s niet voldoende wegneemt, is doorgifte niet toegestaan en moet deze worden beëindigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis' |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis?»1
Herkent u het beeld dat de komende decennia sprake zal zijn van een grote overdracht van vermogen via erfenissen?
Deelt u de analyse dat de hoge stijging van de huizenprijzen ertoe heeft geleid dat huishoudens met een koopwoning een grote vermogensgroei hebben doorgemaakt terwijl huurders hiervan nauwelijks hebben geprofiteerd?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de toegankelijkheid van de koopwoningmarkt zal beïnvloeden?
Welke verwachtingen heeft u over de effecten van deze vermogensoverdrachten op de vermogensongelijkheid tussen huishoudens en generaties?
In hoeverre verwacht u dat de toekomstige erfenissen de kansenongelijkheid tussen mensen met en zonder vermogende ouders zullen vergroten?
Kunt u toelichten welke onderzoeken en beleidsopties er liggen om de negatieve effecten van de toekomstige erfenissen op kansengelijkheid en vermogensongelijkheid te beperken?
Bent u bereid de verschillende beleidsopties in kaart te brengen? En kunt u hierbij ook kijken naar fiscale stimulansen om erfenissen eerder in het leven in te zetten, bijvoorbeeld bij het aflossen van studieschuld?
Hoeveel jaar moet een alleenstaande met een modaal inkomen wiens ouders een huurwoning hadden, werken om netto het bedrag te verdienen dat een alleenstaande wiens ouders een koopwoning nalaten aan erfenis ontvangt?
Bent u van mening dat werken moet lonen? Zo ja, hoe verhoudt deze opvatting zich tot de verwachting dat geërfd vermogen voor een groeiende groep Nederlanders bepalender wordt voor hun financiële positie dan inkomen uit arbeid?
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de verkorting van opleidingen heeft geleid tot een beperktere ervaringsopbouw van militairen, waardoor relatief jonge en onervaren militairen sneller onder verzwarende oorlogsnabootsende omstandigheden moeten oefenen terwijl zij daarvoor nog onvoldoende ervaring hebben opgebouwd, met als gevolg dat de veiligheid tijdens oefeningen onder druk komt te staan?1
Allereerst willen we benoemen dat de twee dodelijke ongevallen tijdens militaire oefeningen in 2025 ons diep hebben geraakt. Elk slachtoffer is er één teveel. Defensie blijft er alles aan doen om ongevallen te voorkomen.
Onze beoordeling van de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid uit het rapport «Oefenen in balans» en de maatregelen die hieruit volgen hebben wij, zoals toegezegd, verwoord in de beleidsreactie op dit rapport. Deze reactie hebben wij gelijktijdig met de antwoorden op deze vragen aan uw Kamer verzonden.
Op welke wijze zijn de gevolgen van het verkorten van de Algemene Militaire Opleiding van 18 naar 10 weken voor de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen vooraf beoordeeld? Kunt u de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?2
Wij beantwoorden deze vraag in samenloop met vraag 4.
Bent u bereid de verkorting van de Algemene Militaire Opleiding te heroverwegen of op te schorten totdat objectief is vastgesteld dat deze geen afbreuk doet aan de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dan dat Defensie vasthoudt aan deze verkorting, terwijl de Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeert dat de beperkte ervaringsopbouw de veiligheid tijdens oefeningen onder druk zet en ook vanuit de praktijk is gewaarschuwd voor de gevolgen van de verkorte opleiding?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke initiële opleidingen, functieopleidingen of andere militaire opleidingen zijn in de afgelopen vijf jaar eveneens verkort? Kunt u per opleiding aangeven met hoeveel weken of dagen de opleidingsduur is verkort, wat daarvan de reden was, welke gevolgen vooraf zijn voorzien voor de kwaliteit van de opleiding, de ervaringsopbouw en de veiligheid van militairen, en de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?
Het opleidingslandschap in Defensie is voortdurend in beweging. Nieuwe opleidingen worden ontwikkeld, verouderde of overbodige opleidingen worden gestopt. Mede als gevolg van evaluaties worden opleidingen aangepast. Naast aanpassingen op de inhoud van een opleiding kan dit ook gevolgen hebben voor de duur van de opleiding. Defensie houdt geen centrale database van alle opleidingen bij. Defensie kent veel opleidingen, zo kent alleen het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) al meer dan 1300 verschillende opleidingen. Het is daarom niet mogelijk exact aan te geven welke opleidingen de afgelopen vijf jaar zijn verkort en wat hiervan de achterliggende redenen en gevolgen waren. Wel kunnen wij in algemene zin toelichten hoe opleidingen worden ontwikkeld en aangepast.
Nieuwe opleidingen worden via een eenduidig opgedragen systematiek ontwikkeld en uitgevoerd, waarbij voor elke opleiding eerst vastgesteld wordt wat het doel van de opleiding is, welke eisen daarbij behaald moeten worden en hoe de kwaliteit en veiligheid van de opleiding geborgd wordt. Door ontwikkelingen als de groeiopgave, nieuwe instroomsporen, nieuwe wapensystemen, lessen uit Oekraïne en de focus op hoofdtaak 1 worden opleidingen voortdurend aangepast. Bij wijzigingen van opleidingen voert Defensie een analyse uit op de impact van de wijziging van een opleiding. Hierbij wordt ook gekeken naar kwaliteits- en veiligheidsaspecten.
De aanpassingen aan opleidingen kunnen leiden tot een verkorting, maar ook een verandering of verlenging van de opleiding. Wij zetten erop in dat de mensen minder tijd doorbrengen in het opleidingsinstituut en meer tijd in de praktijk doorbrengen bij een eenheid. Een voorbeeld hiervan is de aanpassing van een tweetal initiële opleidingen binnen CLAS. Zo is voor de Algemene Militaire Opleiding (AMO – 18 weken, bedoeld voor manschappen) een volledig nieuwe Basisopleiding Koninklijke Landmacht (BOKL – 10 weken) in de plaats gekomen. Daarnaast is de Initiële Vorming Onderofficieren (IVO) in hoge mate modulair gemaakt, waardoor de duur verschilt van 2 tot 42 weken afhankelijk van de loopbaan, kennis en ervaring van de leerling. Beide aanpassingen maken niet alleen meer instroom mogelijk, maar faciliteren ook meer diverse instroomsporen.
Deelt u de opvatting dat het realiseren van de personeelsgroei bij Defensie nooit belangrijker mag zijn dan het opleiden van goed voorbereide, ervaren en veilig inzetbare militairen? Zo ja, welke concrete aanvullende maatregelen gaat u, naast de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, nemen om de kwaliteit van de opleidingen, de ervaringsopbouw en de veiligheid van nieuwe militairen structureel te versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
Antwoorden op vragen inzake het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op basis van welke concrete, meetbare indicatoren u de POH-GGZ dan wél als succesvol beschouwt? En op welk moment zou u wél tot herziening overgaan?1
Kunt u toelichten hoe uw constatering dat de POH-GGZ heeft bijgedragen aan «het creëren van meer behandelaanbod» en dat dit een beleidsdoel was, zich verhoudt tot uw stelling dat uit de toename van circa 500.000 gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat een nieuwe groep zorggebruikers is ontstaan? Betekent dit dat u bewust heeft ingezet op het vergroten van de zorgvraag (induced demand)? Zo ja, op basis van welk wetenschappelijk bewijs acht u dat medisch en maatschappelijk verantwoord? Zo nee, hoe verklaart u dan de sterke toename van het aantal gebruikers zonder afname van het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz?
Waarom weegt u cross-sectioneel praktijkonderzoek zwaarder dan longitudinale populatie-data? Welk type bewijs zou volgens u doorslaggevend zijn om de uitbreiding terug te draaien?
Waarom acht u een onafhankelijke, integrale kosten-batenanalyse (inclusief alternatieve inzet van die middelen in specialistische GGZ) op dit moment «niet aan de orde»? Welke minimale bewijslast hanteert u eigenlijk voordat honderden miljoenen euro’s per jaar als verantwoord worden beschouwd?
Bestaat er volgens u eigenlijk enig empirisch scenario waarin u de grootschalige inzet van POH-GGZ wél zou terugschroeven?
Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Ja, op dit moment is het beeld dat er in veel gevallen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de benodigde huisvesting voor arbeidsmigranten bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, zoals distributiecentra.
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Het is niet precies bekend welk deel van de extra werkgelegenheid die voortkomt uit nieuwe distributiecentra wordt ingevuld door arbeidsmigranten. CBS-data laten wel zien dat ongeveer een kwart van de arbeidsmigranten uit de EU in de sector handel, vervoer en horeca werkzaam is2, en dat ruim een derde van de arbeidsmigranten die in de uitzendsector werken te werk gesteld wordt in de logistieke sector.3
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers. Uit gesprekken die onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voert met gemeenten ontstaat het beeld dat sommige gemeenten de handreiking effectrapportage toepassen om inzicht te krijgen in de effecten op de huisvestingsbehoefte, maar dat dit nog niet structureel in de werkwijze van alle gemeenten is verankerd. Ik heb doorlopend contact met de VNG om de ontwikkelingen op dit gebied bij gemeenten te monitoren.
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Gemeenten maken afwegingen rondom distributiecentra op basis van de lokale situatie. Ik vind het belangrijk dat zij hierbij structureel aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten en ondernemers zouden hierover samen het gesprek moeten voeren en tot oplossingen moeten komen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages wil zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn, voordat extra werknemers worden aangetrokken. Dit beleidsvoornemen wordt op dit moment uitgewerkt. Het kabinet zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ook hulpmiddelen van de VNG kunnen ondersteunen bij dit gesprek, bijvoorbeeld de handreiking «Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid». Deze handreiking is in mei 2024 ontwikkeld door de VNG in samenwerking met verschillende ministeries in navolging van een van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. De handreiking kan gemeenten helpen om zo vroeg mogelijk zicht te hebben op de gebruiker van een locatie, de werkgelegenheidseffecten en daaraan gekoppelde effecten op huisvesting. De VNG stimuleert gemeenten om deze handreiking te gebruiken, maar heeft geen zicht op welke gemeenten deze handreiking daadwerkelijk toepassen. Het is voorstelbaar dat de implementatie van een dergelijke nieuwe werkwijze tijd kost. De VNG werkt op dit moment aan de doorontwikkeling van deze handreiking naar een bredere werkwijze voor wonen en werken voor gemeenten. Ook ondersteunen zij de komende periode een aantal gemeenten intensiever bij het tot stand komen van integraal beleid en uitvoering omtrent arbeidsmigratie, waar de implementatie van de handreiking effectrapportage onderdeel van is.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven zal het kabinet uw Kamer in het najaar informeren over het beleidsvoornemen uit het coalitieakkoord dat ervoor moet zorgen dat met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages de huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid beter op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken. Hierbij zal ook worden gereageerd op de aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak.
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel passende huurcontracten is op 2 juli jl. in internetconsultatie gebracht. Partijen hebben tot en met 28 augustus de tijd om op het voorstel te reageren. Voorgesteld wordt de uitzondering voor korte-duur-verhuur (short-stay) te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten (en andere huurders) een passende huurovereenkomst met huur(prijs)bescherming krijgen als zij ergens langer dan 30 nachten verblijven. Onderdeel van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat arbeidsmigranten een tijdelijk huurcontract kunnen krijgen en dat er bij huisvesting op het eigen terrein van de werkgever een doelgroepencontract kan worden afgegeven. In beide gevallen is er sprake van huur(prijs)bescherming, maar geldt er een einddatum of mogelijkheid tot beëindiging, aansluitend bij de vaak tijdelijke situatie van arbeidsmigranten.
In een toekomstige situatie waarin de Wet passende huurcontracten van kracht is, betekent dit dat arbeidsmigranten die in genoemde accommodaties voor een periode langer dan 30 nachten verblijven, huur(prijs)bescherming hebben. Gemeenten zien op basis van de Wet goed verhuurderschap toe op het naleven van de huur(prijs)bescherming. De publiekrechtelijke functie van een gebouw of locatie heeft geen invloed op de huurbescherming. Het wetsvoorstel verandert dan ook niets aan de publiekrechtelijke functie van een locatie; het is aan de gemeente om in het omgevingsplan te bepalen of op een locatie huisvesting is toegestaan.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Bent u bekend met het bericht dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft geoordeeld dat de AIVD en MIVD niet zorgvuldig zijn omgegaan met verzamelde persoonsgegevens? (Kamerstuk 36 263, nr. 50)
Ja.
Onderschrijft u dat juist van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD), gelet op de aard en gevoeligheid van de gegevens die zij verwerken, mag worden verwacht dat zij de wettelijke waarborgen voor gegevensverwerking strikt naleven? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd door de CTIVD, zijn bulkdatasets van groot belang voor de goede taakuitvoering van de wettelijke taken van de diensten. Tegelijkertijd is duidelijk dat het gebruik van bulkdatasets een aanzienlijke privacyinbreuk kan meebrengen. Wij onderschrijven vanzelfsprekend de noodzaak van het bestaan van voldoende waarborgen rondom de verwerking van bulkdatasets, alsook een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan. In het algemeen geldt dat deze waarborgen worden nageleefd, maar, zoals de CTIVD heeft geconstateerd, valt er winst te behalen in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Het verbeteren van het beheer van bulkdatasets staat hoog op de agenda van de diensten. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het CTIVD-onderzoek hebben de diensten reeds diverse verbetermaatregelen genomen om tegemoet te komen aan de geconstateerde knelpunten (zie het gebundelde antwoord op vraag 4, 5, 8 en 15). De komende tijd zetten de diensten de implementatie van deze verbetermaatregelen voort. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij daarnaast ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke concrete tekortkomingen heeft de CTIVD vastgesteld in de wijze waarop de AIVD en MIVD-persoonsgegevens verwerken, bewaren en toegankelijk maken?
Een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD is te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Voor het volledige overzicht van de bevindingen en aanbevelingen verwijzen wij u naar het rapport van de CTIVD.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze tekortkomingen zijn ontstaan, terwijl de diensten beschikken over uitgebreide interne controlemechanismen en extern toezicht?
Wij constateren dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit met zich meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. Voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het onderzoek hebben de diensten zelfstandig verschillende risico’s en kwetsbaarheden geïdentificeerd ten aanzien van (de verwerking van) bulkdatasets. In verschillende gevallen hebben deze risico’s daadwerkelijk geleid tot compliance-incidenten, die voorafgaand aan en tijdens het onderzoek aan de CTIVD zijn gemeld. Naar aanleiding van deze incidenten hebben de diensten direct maatregelen getroffen om dergelijke incidenten te detecteren, mitigeren en in de toekomst te voorkomen, dan wel het risico dat dit soort incidenten zich voordoen aanzienlijk te verkleinen. Het betreft hier maatregelen op het gebied van autorisatiebeheer en toegangsmanagement, alsook maatregelen die zien op het vergroten van het bewustzijn bij medewerkers rondom het belang van compliant werken. De eerste belangrijke stappen zijn zodoende al gezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat structurele maatregelen nodig zijn. In dat kader verwelkomen wij de bevindingen van de CTIVD, die de urgentie van het onderwerp onderstrepen en oplossingsrichtingen aandragen voor de toekomst waar de diensten vanzelfsprekend voortvarend aan blijven werken. Zoals reeds genoemd is een groot deel van de bevindingen en aanbevelingen van de CTIVD te herleiden naar tekortkomingen in het technisch beheer van bulkdatasets, het bijbehorend datamanagement en de (interne) controle op wie toegang heeft (gehad) tot welke data. Met een aantal van de aanbevelingen uit het rapport zijn de diensten al aan de slag gegaan. Zo werken de diensten aan een applicatie voor toestemmingsverzoeken, waarmee de mogelijkheid om gegevens te raadplegen op geautomatiseerde wijze wordt gekoppeld aan de looptijd van het toestemmingsverzoek en de bijbehorende autorisaties. Daarnaast zullen de AIVD en de MIVD de interne logging van systemen uitbreiden om incidenten waarin autorisatiebeheer een rol speelt in de toekomst zo veel mogelijk te kunnen voorkomen, sneller te kunnen detecteren en beter te kunnen mitigeren. Dit draagt bij aan compliant werken. Wij onderstrepen evenwel dat de benodigde technische verbetermaatregelen aanpassingen vergen, bijvoorbeeld in de IT-systemen, die tijd en capaciteit kosten. De realisatie van deze structurele verbeteringen zal daarom een substantiële en consistente inspanning vergen. De diensten zullen de CTIVD periodiek op de hoogte houden van de ontwikkelingen en vorderingen op dit gebied.
Tot slot, zullen wij in aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X ook nadrukkelijk aandacht vragen voor de geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Zijn de geconstateerde tekortkomingen het gevolg van onvoldoende capaciteit, onvoldoende deskundigheid, tekortschietende sturing of een andere oorzaak? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft de CTIVD eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd? Zo ja, welke aanbevelingen zijn destijds gedaan en waarom hebben deze kennelijk niet voorkomen dat de huidige situatie is ontstaan?
De CTIVD heeft eerder vergelijkbare tekortkomingen gesignaleerd. In toezichtrapporten nr. 70 en 71 over de verwerking van passagiersgegevens van luchtvaartmaatschappijen en het verzamelen van bulkdatasets met de hackbevoegdheid en de verdere verwerking daarvan heeft de CTIVD ook aandacht gevraagd voor de naleving van de waarborgen voor de verdere verwerking van bulkdatasets. Naar aanleiding van deze rapporten hebben onze ambtsvoorgangers de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 geïntroduceerd, met daarin aanvullende waarborgen en maatregelen die meer recht doen aan de bescherming van fundamentele rechten van burgers en de operationele waarde van bulkdatasets voor de diensten. De CTIVD stelt nu vast dat in de uitvoering en (technische) implementatie van die waarborgen nog winst valt te behalen. Wij herkennen ons in dat beeld en zetten het reeds ingezette verbetertraject de komende tijd voort (zie het antwoord op vraag 4-5-8-15).
Is naar uw oordeel sprake van tekortschietende uitvoering van bestaande wettelijke regels, of acht u de huidige wettelijke kaders onvoldoende duidelijk, vaag, uitvoerbaar of te strict? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wiv 2017 kent geen speciale regels voor het gebruik van bulkgegevens, met uitzondering van de bulkgegevens die worden verzameld met de inzet van onderzoeksopdrachtgerichte (OOG) interceptie. In de praktijk heeft dat geleid tot onduidelijkheden en een onoverzichtelijk stelsel voor de verdere verwerking van bulkgegevens. Mede naar aanleiding van toezichtrapporten van de CTIVD is de Tijdelijke regeling verdere verwerking bulkdatasets Wiv 2017 opgesteld. De CTIVD heeft geconstateerd dat het huidig wettelijk kader in beginsel voldoende waarborgen biedt, maar dat winst te behalen valt in de uitvoering en (technische) implementatie van deze waarborgen. Wij onderschrijven deze constatering. Tegelijkertijd stellen wij vast dat zowel de versnippering van het datalandschap als van het stelsel van waarborgen voor de verwerking van bulkdatasets, mede gelet op de administratieve druk die dit meebrengt, het risico op menselijke fouten vergroot. In aanloop naar het nieuwe wetsvoorstel van de Wiv 202X zullen wij nadrukkelijk aandacht vragen voor deze en andere geconstateerde knelpunten rondom de verwerking van bulkdatasets.
Welke organisatorische en technische maatregelen zijn inmiddels getroffen om ervoor te zorgen dat wettelijke waarborgen, waaronder autorisatiebeheer, bewaartermijnen en interne controles, structureel worden nageleefd?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer zijn de geconstateerde tekortkomingen voor het eerst ontstaan en sinds wanneer was u hiervan op de hoogte?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe wordt periodiek gecontroleerd of deze maatregelen daadwerkelijk functioneren en hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd, voor zover de staatsveiligheid zich daar niet tegen verzet?
De diensten hebben sinds april 2023 een compliance-meldingssysteem. Dit wordt doorlopend geprofessionaliseerd. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het vergroten van het compliance-bewustzijn binnen de diensten om compliance incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en daar waar onverhoopt toch iets misgaat deze incidenten vroegtijdig te detecteren en te mitigeren. Met de CTIVD is in 2023 overeengekomen dat naast het systeemtoezicht van de CTIVD, door de diensten een intern compliance-managementsysteem zou worden ingericht, waar een intern inschalingsmodel voor compliance-incidenten deel van uitmaakt. De diensten en de CTIVD hebben hiervoor gezamenlijk een incidentenprotocol opgesteld waarin is opgenomen hoe moet worden omgegaan met compliance-incidenten en wie wanneer daarover geïnformeerd dient te worden. De CTIVD houdt regulier toezicht op het compliance-meldingssysteem en kan hierover, indien aangewezen, rapporteren. Het ligt niet voor de hand, gelet op het efficiënt functioneren van het interne compliance-managementsysteem, dat wij uw Kamer, anders dan via de openbare jaarverslagen of de daarvoor geëigende kanalen, informeren over compliance-incidenten.
Wordt bij de ontwikkeling of aanbesteding van nieuwe informatiesystemen standaard getoetst of wettelijke bewaartermijnen, autorisaties en logging automatisch worden afgedwongen?
Gezien de specifieke aard van onze werkzaamheden worden veel informatiesystemen in het operationele domein door de diensten zelf ontwikkeld. Hierbij worden wettelijke vereisten zoals bewaartermijnen en autorisaties en functionele eisen zoals logging, integraal onderdeel gemaakt van het ontwikkelproces. Autorisatiebeheer en logging zijn essentieel voor de operationele veiligheid, betrouwbaarheid, beschikbaarheid en vertrouwelijkheid van de data van de diensten. Deze vormen derhalve vanzelfsprekend een belangrijke leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe informatiesystemen.
Bent u van oordeel dat de huidige systemen van de AIVD en MIVD zodanig zijn ingericht dat wettelijke waarborgen technisch worden afgedwongen («security by design» en «privacy by design»)? Zo nee, waarom niet?
Hoewel niet alle waarborgen volledig technisch te automatiseren zijn, zijn er adequate controles aanwezig om de naleving ervan te waarborgen. Het waarborgen van security – en privacy by design is een continu proces van optimalisatie en onderdeel van de ICT-architectuur. De aanbevelingen uit het CTIVD-rapport worden gebruikt voor de verdere aanscherping van processen en ICT-architectuur. Daarnaast biedt de in voorbereiding zijnde nieuwe Wiv 202X, waarvan de contouren reeds zijn geschetst, een verbeterd en essentieel kader om de ondersteuning van het inlichtingenproces op het gebied van rechtmatigheid en technische borging verder te professionaliseren en te optimaliseren waarbij tegelijkertijd geen afbreuk wordt gedaan aan de operationele slagkracht van beide diensten.
Kunt u uitsluiten dat vergelijkbare tekortkomingen zich ook voordoen bij andere overheidsorganisaties die grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens verwerken? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het verzamelen van bulkinformatie is uniek voor de AIVD en de MIVD. Als hiervoor verantwoordelijke Ministers informeren we u in deze antwoorden hoe we het beheer van deze bulkdatasets de komende tijd verder gaan versterken. In algemene zin doen alle overheidsinstanties altijd hun best om persoonsgegevens die onder hun verantwoordelijkheid vallen zo goed mogelijk te beheren. Dat zich daarbij tekortkomingen kunnen voordoen, kan helaas nooit helemaal worden uitgesloten. Ook daar zijn toezichthoudende instanties die daar op permanente basis onderzoek naar doen. In voorkomend geval kan de verantwoordelijke Minister besluiten tot een aanvullend onderzoek.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van gevoelige persoonsgegevens in de eerste plaats afhankelijk is van een zorgvuldige uitvoering van wettelijke waarborgen, goed ingerichte processen en deugdelijk toezicht, ongeacht de herkomst van de gebruikte technologie of leveranciers? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven de noodzaak van het hebben van voldoende waarborgen en een zorgvuldige implementatie en naleving daarvan, ongeacht technologie of leverancier. Deze waarborgen zijn nodig om recht te doen aan de bescherming van de fundamentele rechten van burgers.
Welke lessen trekt u uit deze bevindingen om te voorkomen dat vergelijkbare tekortkomingen zich in de toekomst opnieuw voordoen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 6 en 9 en 4, 5, 8,en 15 zijn gezamenlijk beantwoord. De overige vragen zijn separaat beantwoord.
Nederlandse staatsburgers in dienst van het Israëlische leger en mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Investico waaruit blijkt dat ten minste 645 Nederlandse paspoorthouders in het Israëlische leger (IDF) dienen, en dat meer dan twintig Nederlanders sinds oktober 2023 naar Israël zijn afgereisd om dienst te nemen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat, gegeven het optreden van het IDF in Gaza – dat uw ministerie meermaals heeft gekwalificeerd als in strijd met het internationaal humanitair oorlogsrecht – én de aanwezigheid van honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF, Nederlanders mogelijk betrokken zijn geweest bij het plegen van oorlogsmisdrijven? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat Nederlanders, waar dan ook ter wereld, bijdragen aan internationale misdrijven is altijd een punt van aandacht. Daarom heeft Nederland ook rechtsmacht over internationale misdrijven die door Nederlanders in het buitenland worden gepleegd.
Deelt u de juridische opvatting dat voor de kwalificatie en de ernst van eventueel door Nederlanders gepleegde oorlogsmisdrijven geen relevant onderscheid bestaat op basis van het verband waarin deze zijn gepleegd, en dat de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de organisatie in kwestie derhalve niet relevant is? Zo nee, op welke rechtsgrond maakt u dat onderscheid?
Ja. Het internationaal recht maakt alleen een relevant juridisch onderscheid tussen oorlogsmisdrijven begaan in een internationaal gewapend conflict en die begaan in een niet-internationaal gewapend conflict. Voor de ernst of strafbaarheid maakt het niet uit tot welke strijdende partij de verdachte behoort; de Wet internationale misdrijven maakt in de strafbaarstellingen geen onderscheid naar zijde van het conflict en ook de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de partij in kwestie is juridisch niet relevant.
Deelt u de opvatting dat áls Nederlandse staatsburgers betrokken zijn bij het plegen van oorlogsmisdrijven – in het IDF of in enig ander verband – het onwenselijk is dat dit straffeloos passeert, en dat daarbij geen onderscheid gemaakt mag worden op grond van de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voorop gesteld moet worden dat het kabinet vindt dat het internationaal recht door eenieder moet worden nageleefd en dat straffeloosheid voor internationale misdrijven onaanvaardbaar is, ongeacht het verband waarin deze worden gepleegd en ongeacht de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt. De bestrijding van straffeloosheid voor internationale misdrijven middels het strafrecht is al jaren een speerpunt van het kabinet. Dit omvat nadrukkelijk ook gevallen waarbij Nederlanders als (mogelijke) verdachten in beeld komen. Het is daarbij telkens aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van voldoende bewijs van mogelijke individuele strafbare betrokkenheid bij internationale misdrijven en of opsporing en (vervolgens) vervolging opportuun is.
Erkent u dat Nederland op grond van de Wet Internationale Misdrijven verplicht is mogelijke oorlogsmisdrijven door Nederlandse staatsburgers te onderzoeken en zo nodig te vervolgen, ongeacht waar en in wiens dienst deze zijn gepleegd? Zo nee, waarom niet?
De Wet internationale misdrijven verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op Nederlanders die buiten Nederland internationale misdrijven plegen. Daarmee kunnen mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders worden opgespoord en vervolgd, ongeacht de locatie of in wiens dienst zij zijn gepleegd. Daarnaast vloeien uit verschillende internationale verdragen bepaalde verplichtingen voort waar het gaat om onderzoek naar personen die zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven. Dit schept echter geen onvoorwaardelijke plicht om in elk individueel geval tot opsporing en vervolging over te gaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om per geval te beoordelen of sprake is van mogelijk individueel strafbaar handelen, of er voldoende aanknopingspunten zijn voor strafrechtelijk onderzoek en, zo ja, of opsporing en vervolging opportuun zijn. Hierbij handelt het Openbaar Ministerie binnen de geldende wettelijke en verdragsrechtelijke kaders en met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel.
Kunt u, nu het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft bevestigd dat mediaberichtgeving kan gelden als aanleiding voor onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven,2 uitleggen op welke grond de uitgebreide nationale en internationale berichtgeving over het optreden van het IDF in Gaza én de gerapporteerde aanwezigheid van enkele honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF nog niet heeft geleid tot een proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse staatsburgers bij oorlogsmisdaden?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Zie het antwoord op vraag 5.
In zijn algemeenheid kan daarnaast het volgende worden opgemerkt. Zoals ook is opgenomen in de meest recente Rapportage internationale misdrijven3, is het niet ongebruikelijk dat in het belang van het onderzoek aan het instellen van strafrechtelijk onderzoek in geval van internationale misdrijven geen ruchtbaarheid wordt gegeven. De opsporing van internationale misdrijven is complex en kan tijdrovend zijn, en vaak kan pas brede bekendheid worden gegeven aan een strafrechtelijk onderzoek als er voldoende bewijs voorhanden is om over te gaan tot aanhouding en strafvervolging.
Bent u bereid om, ook in afstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, een extra inspanning te leveren om mogelijke betrokkenheid van individuele Nederlanders bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Zuid-Libanon beter in beeld te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, nu de Israëlische krijgsmacht heeft geweigerd informatie te verstrekken over Nederlandse staatsburgers die in het IDF dienen of hebben gediend,3 deze weigering aan de orde te stellen in bilateraal diplomatiek overleg met Israël en aan te dringen op alsnog verstrekking van die informatie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet merkt op dat dienstneming in de IDF door Nederlanders op zichzelf geen strafbaar feit is.
De vijfde Ministerial Conference on Feminist Foreign Policy |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Waarom heeft Nederland, ondanks aanwezigheid bij de vijfde Ministerial Conference on Feminist Foreign Policy, in tegenstelling tot andere landen de politieke verklaring niet ondertekend?1
Dit kabinet zet zich, in lijn met de beleidsbrief buitenlandse zaken, internationaal actief in voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Het niet-ondertekenen van deze verklaring doet geen afbreuk aan deze inzet. Anders dan de Franse FFP-verklaring uit 2025, die Nederland wel heeft ondertekend, bestrijkt deze verklaring een breder terrein dan uitsluitend vrouwenrechten en gendergelijkheid. Vanwege deze brede insteek – waaronder elementen op het gebied van financiële hervormingen – heeft Nederland een zorgvuldige afweging gemaakt en besloten niet te ondertekenen. Daarnaast werden de onderhandelingen tot op het laatste moment gevoerd en was er onvoldoende tijd om de knelpunten in de tekst op betreffende beleidsterreinen tijdig en gedegen af te stemmen. Nederland stond hierin niet alleen: zo hebben onder andere Duitsland en Zweden, eveneens aanwezig bij de conferentie, de verklaring ook niet ondertekend.
Deelt u de opvatting dat de inhoud van de verklaring aansluit bij de Nederlandse inzet op gendergelijkheid en buitenlandbeleid? Zo nee, op welke punten wijkt de inhoud van de verklaring af van het Nederlandse beleid?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de verklaring niet verplicht tot bijvoorbeeld het overnemen van terminologie maar wel een sterk internationaal signaal zou afgeven, mede gezien het feit dat Nederland eerder zelf de tweede conferentie hierover heeft georganiseerd? Kunt u hier een toelichting op geven?
Ik onderschrijf het belang van een krachtig internationaal signaal, en dit kabinet zet zich daar nadrukkelijk voor in. Dit aspect is meegenomen in de brede afweging om wel of niet te ondertekenen. Tegelijkertijd hebben de onder vraag 1 genoemde argumenten zwaarder gewogen. Dat neemt niet weg dat de inzet van dit kabinet voor vrouwenrechten en gendergelijkheid onverminderd groot blijft. Deze inzet reikt verder dan het ondertekenen van verklaringen alleen.
Deelt u de mening dat als de inhoud van de verklaring aansluit bij het beleid dat Nederland voert en de waarden die Nederland uitdraagt het goed zou zijn om alsnog aan te sluiten bij de verklaring? Waarom wel of niet? Wat zou er voor nodig zijn om dit wel te doen?
De afweging tot ondertekening van de verklaring is gemaakt op basis van een appreciatie van de tekst als geheel. Hoewel de verklaring onderdelen bevat die beleidsmatig in lijn zijn met de inzet van dit kabinet op vrouwenrechten en gendergelijkheid, is de insteek inhoudelijk veel breder. Daarmee raakt het aan andere beleidsterreinen. Nederland heeft daarom, na zorgvuldige afweging, besloten niet te ondertekenen. Tekstuele wijzigingen zijn in dit stadium niet meer mogelijk.
Deelt u de mening dat het alsnog ondertekenen van de verklaring in lijn is met de aangenomen motie-Kröger (Kamerstuk 36 945 XVII, nr. 9) over het internationaal positioneren van Nederland als voorvechter van vrouwenrechten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal, in lijn met deze motie en de ambities van de beleidsbrief buitenlandse zaken, zich internationaal positioneren als voorvechter van vrouwenrechten. Dit gebeurt via zowel diplomatieke als financiële inzet. Conform de motie zal Nederland – waar passend – gezamenlijke verklaringen steunen. Gezien de brede insteek van de betreffende verklaring blijft de inhoudelijke appreciatie echter onveranderd.
Welke rol ziet u voor Nederland in toekomstige conferenties over feministisch buitenlands beleid?
Hoewel Nederland geen feministisch buitenlands beleid meer voert, blijven we – indien uitgenodigd – actief deelnemen aan conferenties op dit terrein. Zo nam de ambassadeur Vrouwenrechten en Gendergelijkheid dit jaar deel aan het afsluitende panel van de vijfde conferentie over feministisch buitenland beleid in Madrid.
Door de IND uitbetaalde dwangsommen |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de IND in 2025 circa 79 miljoen euro aan dwangsommen heeft uitbetaald, tegenover circa 36,8 miljoen euro in 2024 (waarvan circa 27,8 miljoen euro rechterlijke dwangsommen)? Zo nee, wat zijn de juiste bedragen?
Ja.
Wat is het totaalbedrag aan door de IND uitbetaalde dwangsommen in 2026 tot en met de meest recente peildatum, inclusief vermelding van die peildatum?
In de periode januari tot en met juli 2026 heeft de IND ca. € 99,– miljoen aan dwangsommen uitgekeerd (peildatum 7 augustus 2026).
Wat is uw actuele raming van het totaal uit te betalen dwangsommen over heel 2026, en op welke aannames (instroom, voorraad, doorlooptijden) is die raming gebaseerd?
In de periode januari tot en met juli 2026 heeft de IND ca. € 99,– miljoen aan dwangsommen uitgekeerd. De vraag hoe dit zich in de rest van het jaar gaat ontwikkelen is afhankelijk van vele factoren, dus laat zich moeilijk beantwoorden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:
Wat is de gemiddelde hoogte van de bedragen die per vreemdeling zijn uitgekeerd? Hoe vaak worden bedragen uitgekeerd hoger dan 3.000 euro?
Het gemiddelde per vreemdeling is afhankelijk van of de vreemdeling wel of geen (opvolgende) «beroep niet tijdig beslissen (BNTB)» indient en wat de rechter in de individuele zaak aan dwangsom oplegt.
Voor wat betreft de zaken waarin de IND nog een bestuurlijke dwangsom moet uitbetalen, bedraagt dit € 1.442,– per zaak. Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de rechter de vrijheid om te bepalen hoe hoog de dwangsommen zijn, maar volgt daarbij normaliter de beleidslijnen1 die binnen de rechtspraak zijn afgesproken waarbij de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:
Wanneer na een eerdere BNTB-uitspraak nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgende BNTB indienen bij de rechtbank. Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend BNTB kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum gebonden.
858
3.652
6.368
5.442
Wat is tot op heden het hoogste totaalbedrag aan dwangsommen dat aan één vreemdeling is uitbetaald, opgebouwd uit opeenvolgende procedures?
Sinds 2024 tot aan peildatum 11 mei 2026 hebben 143.190 personen een BNTB ingediend. Daarvan zijn 16.570 personen twee keer of meer in het gelijkgesteld door de rechter.
In 2026 (peildatum 29 juli 2026) heeft de IND in totaal 46 keer een totale dwangsom opgelegd gekregen van meer dan € 80.000,–. In 9 gevallen was de dwangsom hoger dan € 100.000,–. In beginsel betaalt de IND dwangsommen uit na het besluit op de aanvraag. Er zijn drie groepen zaken: in een deel van de zaken hebben de dwangsommen het maximaal opgelegde bedrag aan dwangsommen bereikt en zijn deze al uitbetaald, in een ander deel van de zaken hebben de dwangsommen gedeeltelijk het maximaal opgelegde bedrag bereikt en zijn deze al uitbetaald en tot slot is in een deel van de zaken de aanvraag nog in behandeling en zullen de dwangsommen nog uitbetaald moeten worden.
Op welke datum verwacht u dat het door de Tweede Kamer aangenomen amendement van het lid Diederik van Dijk c.s. (Kamerstuk 35 501, nr. 13) tot afschaffing van de rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken in werking treedt, en welk bedrag aan dwangsommen verwacht u tussen nu en die datum, mede gelet op mogelijk overgangsrecht voor reeds lopende niet-tijdig-beslissen-beroepen, nog te moeten uitbetalen?
Het wetsvoorstel is op dit moment aanhangig bij de Eerste Kamer en de datum voor plenaire behandeling is nog niet bekend. Om die reden kan geen uitspraak gedaan worden over een verwacht bedrag aan uit te betalen dwangsommen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en één-voor-één beantwoorden?
Ja.
Een antisemitische en geweldverheerlijkende haatdemonstratie in Utrecht |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden1 2 3 van een «demonstratie» in Utrecht waarbij personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun uniform de rol speelden van Israëlische militairen die gevangenen mishandelden en martelden en daarmee een antisemitisch bloedsprookje opvoerden? Deelt u de mening dat deze «demonstratie» niets anders was dan een antisemitische haatmanifestatie? Zo nee, hoe kwalificeert u deze «demonstratie» dan wel?
Ja, ik ben bekend met de beelden, maar kan als Minister niet oordelen over de strafbaarheid van gedragingen tijdens demonstraties. De beoordeling of uitingen of gedragingen een strafbaar of discriminerend karakter hebben, is aan de daartoe bevoegde instanties. Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk aan de rechter om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir aspect onderdeel uitmaakt van het delict.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat voorbijgangers, waaronder kinderen, ongevraagd en zonder enige waarschuwing werden geconfronteerd met deze gewelddadige en antisemitische opvoering, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat sprake was van een demonstratie? Zo nee, waarom niet?
Binnen de wettelijke kaders bestaat veel ruimte voor verschillende vormen van demonstraties, zolang deze vreedzaam verlopen. Het plegen van of aanzetten tot haat, geweld, intimidatie of discriminatie hoort daar niet bij. De beoordeling of in een specifiek geval sprake is van een strafbaar feit, is primair aan het OM en, indien een zaak aan de rechter wordt voorgelegd, uiteindelijk aan de rechter.
Was deze «demonstratie» in deze vorm vooraf aangemeld bij de burgemeester? Zo ja, is daarbij gemeld dat de demonstratie een antisemitisch karakter zou hebben en dat daarbij door personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun uniform militair geweld, mishandelingen en martelingen zouden worden uitgebeeld, welke voorwaarden zijn aan deze demonstratie verbonden en bent u van mening dat aan die voorwaarden is voldaan of dat naar zijn oordeel had moeten worden ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Utrecht heeft aangegeven dat er geen kennisgeving van deze demonstratie is gedaan en dat er anderszins ook geen contact is geweest met de organisatie over deze demonstratie.
Is onderzocht of het dragen van militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen en andere herkenningstekens, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat sprake was van een demonstratie, in strijd is met de Nederlandse wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of er in een individueel geval sprake is van een strafbaar feit. Het OM heeft mij laten weten dat er geen aangiften zijn gedaan naar aanleiding van dit incident en dat het mede daarom op dit moment geen aanleiding ziet om een onderzoek in te stellen naar de (strafbaarheid van eventuele) gedragingen.
In het algemeen geldt dat het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst of afbeelding of het roepen van leuzen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een uitingsdelict kan opleveren. Daarbij kan gedacht worden aan onder meer groepsbelediging, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en belediging. Als wordt aangespoord tot geweld, kan sprake zijn van opruiing. Voor de zomer is het wetsvoorstel dat terrorismeverheerlijking en openbare steunbetuigingen aan terroristische organisaties strafbaar stelt, ingediend bij Uw Kamer. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de (voorgenomen) strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten vrij algemeen omschreven. Deze systematiek zorgt ervoor dat per geval maatwerk kan en moet worden geleverd, waarbij het van de precieze omstandigheden van het geval afhangt of de desbetreffende uiting een strafbare uiting oplevert. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de uiting op zichzelf, maar ook hoe deze in de omstandigheden van het geval moet worden begrepen, bijvoorbeeld in het kader van een demonstratie. Ook is relevant of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van het strafbare feit.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dergelijke antisemitische en geweldverheerlijkende haatmanifestaties zich opnieuw in de Nederlandse openbare ruimte kunnen voordoen?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Demonstraties mogen echter nooit een vrijbrief zijn voor (het aanzetten tot of verheerlijken van) haat, discriminatie of geweld.
De door Defensie georganiseerde Keti Koti-deugbijeenkomsten |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst in het Wereldmuseum Amsterdam?1 Hoeveel belastinggeld heeft deze bijeenkomst in totaal gekost? Kunt u dit uitsplitsen naar onder meer de kosten voor de locatie, catering, organisatie, de vergoedingen aan de dagvoorzitter(s), sprekers en artiesten, alsmede de personele inzet van Defensie, waaronder het aantal betrokken medewerkers en de daaraan bestede diensturen?
Klopt het dat de Staatssecretaris van Defensie aanwezig was bij deze Keti Koti-bijeenkomst? Zo ja, had de Staatssecretaris echt niets beters te doen dan aanwezig te zijn bij deze deugbijeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Bij welke andere Keti Koti-herdenkingen, -vieringen, -diners, -lezingen, -dialogen of andere activiteiten is Defensie dit jaar betrokken geweest, dan wel heeft Defensie deze georganiseerd of financieel of organisatorisch ondersteund? Kunt u per activiteit aangeven wat de financiële kosten waren, hoeveel defensiepersoneel en diensturen hiervoor zijn ingezet en welke externe personen of organisaties hiervoor zijn betaald?
Deelt u de mening dat Defensie zich in een tijd van (hybride) oorlogsdreiging, grote personeelstekorten, materieeltekorten en achterstallig onderhoud moet richten op de verdediging van Nederland in plaats van op deugbijeenkomsten over diversiteit, inclusie en kolonialisme? Bent u bereid te stoppen met het organiseren en faciliteren van dergelijke deugbijeenkomsten? Zo nee, waarom niet?