| Ingediend | 3 juli 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 17 augustus 2026 (na 45 dagen) |
| Indieners | Kati Piri (PRO), Lisa Westerveld (PRO) |
| Beantwoord door | Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
| Onderwerpen | immigratie migratie en integratie organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z15703.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2681.html |
Ja.
Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de asielvergunning voor onbepaalde tijd komen te vervallen. Dat betekent niet dat daarmee geen perspectief op langdurig en stabiel verblijf meer bestaat. Daarvoor blijven er in beginsel verschillende wettelijke verblijfsroutes beschikbaar. Welke route van toepassing is, hangt af van de individuele omstandigheden en het voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden. Een mogelijke route is bijvoorbeeld doorstroom naar de status van EU-langdurig ingezetene.
Het kabinet heeft zich ingespannen voor deze groep door hen vrijwel direct na aankomst in Nederland in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij hebben daarmee voorrang gekregen op andere asielzoekers die vaak geruime tijd hebben moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag. Door deze versnelde vergunningverlening konden zij ook eerder uitstromen naar gemeenten en starten met het opbouwen van een leven in Nederland. Het niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit staat daar evenmin aan in de weg. Met een verblijfsvergunning hebben zij rechtmatig verblijf in Nederland en kunnen zij deelnemen aan de samenleving, bijvoorbeeld door te werken, onderwijs te volgen en een toekomst in Nederland op te bouwen.
Het kabinet heeft destijds op basis van objectiveerbare criteria besloten tot de overbrenging van deze afgebakende groep, omdat zij vanwege hun werkzaamheden voor Nederland mogelijk gevaar liepen op vervolging of ernstige schade door de Taliban. Het betrof een brede groep met een band met Nederland, waaronder ngo medewerkers van een ten laste van de BZ/BHOS-begroting gefinancierd project en personen die gewerkt hebben voor Defensie of een specifieke Nederlandse functionaris van EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Het ging dus niet enkel om lokaal personeel met een met een arbeidsovereenkomst met Nederland. Op die grond is aan hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De overbrenging maakt geen verschil voor de geldende verblijfsrechtelijke procedure. Ook voor deze groep geldt het wettelijke kader dat van toepassing is op alle personen die in Nederland bescherming aanvragen.
Nederland heeft voor deze groep voorts een bijzondere inspanning verricht door hen over te brengen naar Nederland. Daarnaast hebben zij, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voorrang gekregen bij de verlening van een asielvergunning.
Zie antwoord vraag 4.
Het kabinet deelt niet de veronderstelling dat na vijf jaar automatisch recht zou ontstaan op een permanente verblijfsvergunning. Vanwege hun werkzaamheden voor Nederland en de veiligheidsrisico’s in Afghanistan heeft Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid op zich genomen voor deze groep. Daarom zijn zij overgebracht en zijn hun asielaanvragen met voorrang behandeld.
De overbrenging naar Nederland laat echter onverlet dat betrokkenen de reguliere asielprocedure in Nederland doorlopen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van vraag 4 en vraag 5, is een permanent verblijfsrecht afhankelijk van de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden. Aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan geen automatisch recht op permanent verblijf na vijf jaar worden ontleend. Dit betekent echter niet dat betrokkenen na die periode Nederland moeten verlaten.
Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking.
Zie antwoord vraag 7.
Ik ben mij ervan bewust dat zekerheid over het verblijf in Nederland van belang kan zijn voor de positie van betrokkenen op de arbeidsmarkt. Met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan iemand legaal in Nederland werken, een arbeidsovereenkomst aangaan en een vast contract aangaan.
Voor het verkrijgen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen gelden wettelijke voorwaarden, waaronder een inkomenseis. Het voldoen aan deze voorwaarden wordt individueel beoordeeld en is afhankelijk van de persoonlijke situatie van de aanvrager.
Het Nederlandse asielstelsel is gebaseerd op het uitgangspunt dat voor iedereen die bescherming aanvraagt hetzelfde wettelijke kader geldt. Binnen dit kader zijn de asielaanvragen van deze groep met voorrang behandeld vanwege de bijzondere omstandigheden in Afghanistan en hun band met Nederland. Verder geldt dat er sprake is van voldoende verblijfs- en perspectiefmogelijkheden binnen het stelsel. Daarom zie ik zie ik geen aanleiding om voor deze groep een uitzonderingspositie te creëren.
De verantwoordelijkheid die ten aanzien van betrokkenen is genomen, heeft destijds geleid tot hun overbrenging naar Nederland en een prioritaire behandeling van hun asielaanvragen. Voor het nationaliteitsrecht geldt echter als uitgangspunt dat de voorwaarden voor naturalisatie op gelijke wijze worden toegepast. Een afzonderlijke uitzondering voor deze groep past niet goed binnen de systematiek van de Rijkswet op het Nederlanderschap en zou raken aan de rechtsgelijkheid ten opzichte van andere personen die naturalisatie aanvragen.
Hierbij deel ik u, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, mede dat de schriftelijke vragen van de leden Westerveld en Piri (beiden PRO), van uw Kamer aan de Minister van Asiel en Migratie over de situatie van Afghaanse evacués wat betreft het besluit over verblijfsvergunningen (ingezonden 3 juli 2026) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.