De Marokkaanse rellen in Den Haag en Amsterdam. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gewelddadige rellen in Den Haag en Amsterdam na het verlies van Marokko in de finale van de Afrika Cup, waarbij auto’s in brand werden gestoken en politieagenten met zwaar vuurwerk werden bekogeld?1
Ja.
Zijn al deze Marokkaanse relschoppers opgepakt en worden zijn na een veroordeling gedenaturaliseerd en Nederland uitgezet?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en, waar mogelijk, verdachten aan te houden en te vervolgen. Over lopende opsporingsonderzoeken en individuele zaken kan geen nadere informatie worden verstrekt.
In algemene zin kan worden aangegeven dat Nederlanderschap als hoofdregel niet vanwege een strafrechtelijke veroordeling kan worden ontnomen. De uitzonderingen vormen de ernstige misdrijven opgesomd in artikel 14, tweede lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Naast een individuele afweging, is randvoorwaarde bovendien dat door intrekking geen staatloosheid ontstaat.
Deelt u de mening dat Marokkanen die zich zo verbonden voelen met Marokko, maar lekker in Rabat moeten gaan wonen en daar moeten gaan rellen? Kunt u dat deze week nog in de Schilderswijk gaan vertellen?
Het kabinet maakt geen onderscheid naar afkomst of nationaliteit bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Iedereen in Nederland heeft zich te houden aan de wet. De verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde ligt bij de lokale autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester en de politie. Het kabinet blijft, samen met gemeenten en ketenpartners, inzetten op het voorkomen en bestrijden van ordeverstoringen en op het versterken van sociale cohesie in wijken.
Kunt u bevestigen dat personen met een Marokkaanse migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken en in de uitkeringsafhankelijkheid? Zo ja, waarom wordt hier niet keihard tegen opgetreden?
CBS-cijfers laten zien dat het aandeel verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond hoger ligt dan onder de totale bevolking. De oververtegenwoordiging van personen met een Marokkaanse migratieachtergrond in verdachtenstatistieken betreft met name de tweede generatie. In absolute zin neemt het aantal verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond overigens al jaren af: van 74 per 1000 in 2005 naar 27 per 1000 in 20242. De daling doet zich voor onder zowel de eerste als de tweede generatie.
Uit onderzoek van de Risbo-Erasmus Universiteit uit 2023 blijkt tevens dat de oververtegenwoordiging van personen met een Marokkaanse migratieachtergrond in verdachtenstatistieken voor bijna de helft wordt verklaard door algemene factoren zoals het verschil in huishoudinkomen, opleidingsniveau en leeftijd en niet door de specifieke migratieachtergrond. Er is een ontwikkeling zichtbaar naar steeds meer evenredigheid in het aandeel verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond.3
De uitkeringsafhankelijkheid is met name hoog onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond van de eerste generatie. In 2024 is 18,1 procent van de eerste generatie afhankelijk van de bijstand. De bijstandsafhankelijkheid van de tweede generatie ligt met 4,7 procent net iets boven het totaal van de Nederlandse bevolking (3,3 procent).4
Statistieken laten zien dat in bepaalde groepen verschillen kunnen voorkomen, maar deze worden beïnvloed door diverse sociale, economische en historische factoren. Het is belangrijk om niet te generaliseren over een gehele bevolkingsgroep. Optreden tegen strafbare feiten gebeurt altijd individueel, proportioneel en binnen het kader van de wet. De overheid werkt continu aan integratie, preventie en handhaving, waarbij rechten en plichten voor iedereen gelden.
Bent u het ermee eens dat jarenlang openzetten van de grenzen en het massaal toelaten van migranten uit Marokko en andere niet-westerse landen heeft geleid tot de vorming van islamitische no-go zones?
In alle wijken en gemeenten in Nederland zijn de politie, justitie en andere overheidsinstanties toegankelijk, bevoegd en actief. De overheid baseert beleid om de veiligheid en de openbare orde te bevorderen op feitelijke analyse. Het wordt vormgegeven middels in integrale aanpak waarbij repressieve maatregelen hand in hand gaan met wijkgerichte handhaving en sociale interventies.
Bent u bereid om per direct een stop in te stellen voor nieuwe migranten uit Marokko en alle Marokkanen die de openbare orde verstoren of strafbare feiten plegen, na een veroordeling te denaturaliseren en uit Nederland te zetten?
Het Nederlandse migratiebeleid is gebaseerd op individuele beoordeling en rechtsstatelijkheid. Personen die de wet overtreden, worden vervolgd en bestraft binnen de wettelijke kaders. Collectieve maatregelen op basis van nationaliteit zijn niet toegestaan. Het kabinet blijft inzetten op een streng, rechtvaardig en handhaafbaar asiel- en migratiebeleid binnen de rechtsstatelijke kaders.
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor de beantwoording van deze Kamervragen is de gebruikelijke termijn gehanteerd, teneinde een zorgvuldige beantwoording te waarborgen.
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Het Rijksvastgoedbedrijf is als agentschap gebonden om te handelen binnen financiële kaders, waaronder een sluitende of budget-neutrale begroting. Dit betekent dat Rijksvastgoedbedrijf geen winstdoelstelling heeft. De term «zwarte cijfers» moet gelezen worden als geen verlies maken en/of tekort op de begroting toestaan. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf opdracht om binnen dit kader in te zetten op het realiseren van maatschappelijk meerwaarde.
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel uw opvatting dat rijksgronden geen handelswaar zijn. Het Rijk zet de rijksgronden voor de brede gebiedsontwikkeling van Valkenhorst in als publiek middel om maatschappelijke meerwaarde te realiseren, waaronder de bouw van betaalbare woningen.
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het Rijk heeft zich niet verzet tegen het bouwen van betaalbare woningen. De wensen en eisen van de gemeente ten aanzien van de programmering («de woningmix») en de financiële kaders en maatschappelijke doelstellingen van het Rijk waren uitgangspunt bij de toenmalige overleggen. Mijn voorganger heeft uw Kamer hier op 23 september 2022 (Kamerstuk 2022Z14057) over geïnformeerd.
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
De veronderstelling dat winst wordt gemaakt door Rijksvastgoedbedrijf met de grondexploitatie is onjuist. Het Rijksvastgoedbedrijf handelt als agentschap binnen het beleidskader dat de grondexploitatie financieel neutraal is. Dit impliceert dat er geen sprake is van een winstoogmerk voor het Rijksvastgoedbedrijf bij gebiedsontwikkeling.
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Zie antwoord op vraag 4.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een transparante verstandhouding met de gemeente Katwijk en heeft zodoende de financiële berekeningen van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst met de gemeente Katwijk gedeeld. In de beginfase van de gebiedsontwikkeling is de grondexploitatie zelfs gezamenlijk met de gemeente opgesteld. Destijds had de gemeente het voornemen om financieel te participeren in de grondexploitatie. Later heeft de gemeente de keuze gemaakt om over te stappen naar faciliterend grondbeleid voor Valkenhorst. Ook toen is het Rijksvastgoedbedrijf transparant gebleven en heeft zij inzage in de grondexploitatie van Valkenhorst gegeven. Ook is er nog steeds sprake van frequent constructief en open overleg tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Katwijk. Onderdeel van die bespreking betreft de kwalitatieve, kwantitatieve en financiële kaders van de gebiedsontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf verschaft daarbij, op basis van vertrouwelijkheid, inzage in de onderliggende (financiële) gegevens van de gebiedsontwikkeling.
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het proces om overeenstemming te bereiken tussen het Rijk, de provincie en de gemeente heeft destijds geruime tijd geduurd omdat verschillende eisen, wensen en uitgangspunten van genoemde partijen bij elkaar moesten worden gebracht. Resultaat van dit grondige proces is dat sinds 2020 er bestuurlijk afspraken en een samenwerkingsovereenkomst van kracht zijn, die door alle partijen worden gedragen.
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
De gemeente Katwijk heeft vele rijksbijdragen ontvangen van het Rijk. In de afgelopen jaren zijn omvangrijke investeringen gedaan door het Rijk (en de provincie) in infrastructurele maatregelen en versterking van de natuur. Het Rijk heeft investeringen gedaan aan de Rijnland-route ad 513 miljoen euro en aan de HOV corridor Zuid-Holland Noord ad 180 miljoen euro (waarvan 24 miljoen euro aan de buscorridor Leiden-Katwijk-Noordwijk). De gemeente ontvangt daarnaast op basis van wettelijk kostenverhaal circa 30 miljoen euro en een bijdrage van 20 miljoen euro als vergoeding van historische plankosten. Vanuit mijn ministerie is tevens een Woningbouw Impuls-subsidie van 6,9 miljoen euro verstrekt aan de gemeente om de financiële tekorten van fase 1 van gebiedsontwikkeling Valkenhorst te bekostigen.
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
De beide gemeenten dragen zelf financieel bij aan binnen- en bovenplanse plankosten, die niet-wettelijk verhaalbaar zijn op de grondeigenaar of ontwikkelaar. Gemeenten dragen zelf zorg voor de aanleg van gemeentelijke voorzieningen zoals sport en onderwijs. De bekostiging daarvan loopt via de gemeentelijke begrotingen. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Voor beide gebiedsontwikkelingen geldt dat het Rijk forse bijdragen heeft gedaan aan aanpalende investeringen op gebied van infrastructuur en een tekort op de gebiedsontwikkeling.
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt zelf voor het bouwrijp maken van Valkenhorst en draagt hiervan de kosten. De gemeente doet hiervoor geen investering (en hoeft dan ook niet te lenen).
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Nee, voor Valkenhorst worden naast sociale- en middensegment huurwoningen ook koopwoningen gebouwd tot aan de betaalbaarheidsgrens. In mijn Kamerbrief van 8 oktober 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 1381) heb ik aangegeven dat de betaalbaarheidsgrens in 2026 is vastgesteld op EUR 420.000 en dat deze koopwoningen betaalbaar zijn voor tweeverdieners met een inkomen van maximaal twee keer modaal.
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
De gemeente ontvangt rijksbijdragen zoals toegelicht bij beantwoording van 8. Bovendien geldt dat in de regio Holland-Rijnland, waar de gemeente Katwijk binnen valt, een regionale huisvestingsverordening van kracht is. De gemeente kan bovendien lokaal maatwerk toepassen met een gemeentelijke huisvestingsverordening. Op basis hiervan kan de woningcorporatie bij het toewijzen voorrang verlenen aan inwoners van de gemeente voor sociale huurwoningen in Valkenhorst.
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
In de Kamerbrief van 20 maart 2024 (Kamerstuk 32 847, nr. 1159) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek dat het Rijksvastgoedbedrijf in september 2023 heeft uitgevoerd naar de woningbouwmogelijkheden voor Valkenhorst. Het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» was toen al door de gemeenteraad vastgesteld en in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is onlangs onherroepelijk geworden.
De gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf zijn momenteel in overleg om kansen en mogelijkheden te verkennen om het eerder vastgestelde aandeel van betaalbare woningen (in het bestemmingsplan) verder te verhogen.
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Het Rijk heeft, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 8 en 9, bijgedragen aan diverse bovenplanse plankosten – zoals bijdrage aan infrastructuur en natuur – van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst. Het bijdragen aan maatschappelijke doelen is een vast onderdeel van de afstemming tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf over de verdere ontwikkeling van Valkenhorst. Dit overleg past ook binnen het beleid van Rijksvastgoedbedrijf om maatschappelijke meerwaarde te creëren bij gebiedsontwikkeling van Rijksgronden.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De verdeling van kosten en opbrengsten is tot stand gekomen binnen de wettelijke financiële- en juridische kaders, waarbinnen het Rijksvastgoedbedrijf moet handelen (zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1, 2 en 4). Binnen deze kaders zet het Rijk de rijksgronden in als publiek middel om maatschappelijke doelen te realiseren, waaronder betaalbare woningen. Ik zie geen aanleiding om de huidige verdeling van kosten en opbrengsten te heroverwegen, omdat deze in lijn is met de geldende afspraken met gemeente Katwijk en vigerende wetgeving. Wel blijft het Rijksvastgoedbedrijf met de gemeente Katwijk in gesprek over hoe het binnen het bestaande kader kan bijdragen aan meer betaalbaar wonen en (eventuele) andere publieke belangen.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Heijnen , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Ja.
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Als een aangever goederen wil in-, uit- of doorvoeren, moet hiervoor een aangifte worden gedaan bij de Douane. Hierbij moet een aangever ook de goederencode (zogenaamde GN-code) van het goed opgeven. Deze goederencodes worden op Europees niveau vastgesteld en geven aan welke invoer- of uitvoertarieven voor een bepaald goed gelden. In deze indeling bestaat echter geen afzonderlijke goederencode voor honden. Honden vallen onder de categorie «andere levende dieren». Hierdoor vallen honden voor de aangifte onder dezelfde GN-code als bijvoorbeeld katten.
Om het aantal uitgevoerde honden te bepalen is het derhalve niet voldoende om enkel naar deze goederencode te kijken. Om de vraag te beantwoorden, is daarom gekeken naar de tekstuele goederenomschrijving in de aangiften ten uitvoer binnen de categorie «andere levende dieren». In dit veld moet de exporteur een handelsbenaming opgeven ten aanzien van de uit te voeren goederen. Voor de invulling van de handelsbenaming bestaat geen verplichte of voorgeschreven vorm of systematiek. De omschrijving «hond» volstaat hiervoor, maar dit kan ook specifiek een hondenras zijn of een andere beschrijving. De hieronder genoemde aantallen zijn tot stand gekomen door in de aangiftegegevens met betrekking tot de uitvoer van levende dieren onder de bovengenoemde GN-code met een goederenomschrijving met daarin de termen «hond» of «honden» te kijken. Het daadwerkelijke aantal uitgevoerde honden kan daarom hoger liggen.
Het is voor de Douane niet mogelijk om, zonder strafrechtelijke vordering, data over uitvoeraangiften van meer dan vijf jaar terug op te leveren. Hieronder zijn daarom de aantallen aanvragen voor de uitvoer van honden naar Israël voor de periode 2021 tot en met 2025 opgenomen. Onderstaande uitgesplitste cijfers slaan op de aanvragen ten uitvoer per maand. Daarnaast is er per het totaal aantal honden aangegeven dat daadwerkelijk de EU uit is gegaan via Nederland.
Januari
11
Januari
2
Januari
7
Februari
7
Februari
16
Februari
8
Maart
8
Maart
0
Maart
9
April
2
April
1
April
0
Mei
6
Mei
14
Mei
8
Juni
16
Juni
2
Juni
0
Juli
5
Juli
0
Juli
1
Augustus
2
Augustus
14
Augustus
25
September
September
1
September
5
Oktober
9
Oktober
0
Oktober
0
November
4
November
18
November
4
December
13
December
1
December
14
Januari
0
Januari
10
Februari
12
Februari
8
Maart
11
Maart
1
April
10
April
15
Mei
2
Mei
5
Juni
6
Juni
0
Juli
5
Juli
4
Augustus
18
Augustus
0
September
13
September
7
Oktober
4
Oktober
0
November
14
November
3
December
3
December
0
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Op basis van de uitvoeraangiften is het voor de Douane niet altijd met zekerheid te bepalen of de aangever een particulier of een bedrijf of ander rechtspersoon is. Ook zijn er bijvoorbeeld logistiek dienstverleners die voor particulieren uitvoeraangiften doen. Op basis van de entiteit die de uitvoeraangifte heeft gedaan, kan daarom niet met zekerheid worden gesteld of honden die worden uitgevoerd uiteindelijk bestemd zijn van particulieren of bedrijven of andere rechtspersonen. De NVWA houdt dergelijke gegevens niet bij.
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
De Douane heeft geen veterinaire taak bij uitvoerzendingen van honden en houdt daarvan dus geen documenten of gegevens bij. In de taakbijlagen voor zowel niet-commercieel verkeer van Gezelschapsdieren als de commerciële veterinaire zendingen staat beschreven dat de Douane alleen bij binnenbrengen en/of invoer een controletaak heeft.
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Het is niet wettelijk verplicht om bij de uitvoer van honden naar Israël het doel van de dieren te registreren. Deze beoordeling vindt niet plaats. De huidige wet- en regelgeving met betrekking tot exportcontrole is vastgelegd in Europese wetgeving en gericht op goederen die onder specifieke controlelijsten vallen. Het kabinet heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de inzet om honden alsnog toe te voegen aan de controlelijst van de EU Dual-Use verordening. De uitkomst van deze gesprekken was dat de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Commissie geen mogelijkheid zien om honden aan te merken als dual-use «producten».
Er wordt op verzoek van de Kamer nog een verkenning uitgevoerd naar andere maatregelen om de uitvoer van honden te reguleren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft toegezegd uw Kamer hierover uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 te informeren.2
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Ik deel niet de veronderstelling dat een bedrijf door zichzelf op te heffen kan voorkomen dat onderzoek wordt verricht naar mogelijke misstanden.
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Vanuit het Programma Ondersteuning Buitenland Beleid (POBB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is er eenmalig financiële steun verleend met als doel het versterken van de havenbeveiliging en de samenwerking tussen de autoriteiten van Costa Rica en Nederland, om illegale drugshandel naar Nederland te verminderen. Het POBB richt zich op de financiering van activiteiten die de doelstellingen van het Nederlands buitenlandbeleid ondersteunen. De projecten dienen, direct of indirect, een bijdrage te leveren aan het behalen van de geopolitieke doelstellingen van dit beleid. Als onderdeel van het project «K9 Detection Dogs» heeft Four Winds K9 tien honden aangekocht met de financiële steun uit het POBB. De honden zijn vervolgens gedoneerd aan de drugspolitie van Costa Rica. Dit initiatief is in lijn met één van de prioriteiten van de Nederlandse samenwerking met Latijns-Amerika en de Caribische regio, namelijk het bestrijden van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Zie het antwoord op vraag 8.
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Zie het antwoord op vraag 8 en 9. Er zijn geen honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd door Nederland aan andere landen dan Costa Rica.
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
In het geval van Costa Rica heeft Nederland via het POBB-programma bijgedragen aan de aanschaf van honden ter ondersteuning van de operationele activiteiten van de drugspolitie. De ambassade ontvangt ook regelmatig terugkoppeling over de hoeveelheden drugs die de gedoneerde honden hebben onderschept. Er was geen reden tot het uitvoeren van een specifieke mensenrechten- en eindgebruikerscheck. Costa Rica is een gelijkgezind land, onder meer ten aanzien van mensenrechten en democratie.
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Ja.
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft naar aanleiding van de motie-Teunissen d.d. 10 april 2025 gesproken met een viertal bedrijven, waaronder Four Winds K9. In dat gesprek zijn de activiteiten van dit bedrijf, en ook de samenwerking met Four Winds DiagNose UAE, aan de orde gekomen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Nederlandse toezichthouders hebben verder geen zicht in welke mate Four Winds K9 contact heeft met andere overheden. Four Winds K9 is door BZ gewezen op hun eigen verantwoordelijkheden inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals vastgelegd in de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze gesprekken.5 De gesprekken hebben geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek.
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het bericht ‘Vechtpartijen, vernielingen en vrouwen die worden lastiggevallen: reljeugd teistert treinreizigers in Zeeland’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat openbaar vervoer veilig moet zijn en dat iedereen te allen tijde zonder angst moeten kunnen reizen, vooral juist en vooral ook meisjes en vrouwen?1
Ja. Het gedrag van de betreffende Zeeuwse jongeren afgelopen periode was volstrekt onacceptabel. Ik vind het belangrijk dat het ov veilig is voor iedereen, zeker ook voor meisjes en vrouwen.
Deelt u de mening dat reizigers zich niet zouden moeten hoeven aanpassen aan het gedrag van een overlastgevende groep en dat NS-personeel het werk niet onder druk, met gevoel van onveiligheid moet hoeven uitvoeren?
Ja. Iedereen moet zich veilig voelen tijdens het reizen en werken in de trein, tram, metro of bus. Het personeel in het OV verdient daarbij steun bij de uitvoering van hun belangrijke en vaak moeilijke werk.
Sinds wanneer is deze overlast op het Zeeuwse spoor en stations ontstaan? Om hoeveel incidenten gaat het? Of is het beeld structureel?
Navraag bij NS leert dat op de Zeeuwse lijn en stations in januari t/m oktober 2024 circa 15 meldingen van overlast per maand geregistreerd zijn in treinen op het Zeeuwse spoor en op de Zeeuwse stations. Een piek in overlast is waar te nemen in november en december 2024. In november 2024 waren er 28 overlastmeldingen en in december 2024 waren dit er 29. Sinds dat moment is de overlast niet verder gegroeid, maar gemiddeld wel hoger dan de voorgaande jaren.
Sinds mei 2025 is de agressie tussen reizigers op de laatste treinen en het onveilige gevoel dat daarmee gepaard gaat toegenomen. Deze specifieke problematiek stak tijdelijk de kop op en is met extra inzet vanuit NS en de politie gericht aangepakt. Er wordt nauwgezet gemonitord.
In hoeverre neemt de problematiek toe, niet alleen in aantallen meldingen, maar ook in de ernst van het gedrag? En wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen incidentele verstoringen en structurele overlast door dezelfde groepen? Hoe is het beeld in de rest van het land?
Het gedrag van de groepen jongeren op het Zeeuwse spoor in de afgelopen periode was onacceptabel en afwijkend van het algemene beeld. Over het algemeen is er landelijk een stijging zichtbaar in het aantal overlast- en agressie-incidenten, maar het gedrag van deze groepen viel qua ernst duidelijk buiten het landelijke gemiddelde.
Ten aanzien van het beeld in de rest van het land geeft NS aan dat de afgelopen jaren een stijgende trend zichtbaar is in overlast, vandalisme en agressie op stations en in de trein. NS geeft hierbij aan dat diverse maatschappelijke problemen in de samenleving tot uiting komen in het OV, zoals de algemene verharding van de samenleving, een toename van onbegrepen gedrag en diverse andere overlastgevende doelgroepen invloed hebben op deze stijging.
In hoeverre zijn deze dadergroepen bij politie en NS in beeld? Wordt er gewerkt met een persoonsgerichte aanpak van veelplegers, bijvoorbeeld via vervoersverboden in het openbaar vervoer, gebiedsontzeggingen of andere interventies die verder gaan dan het steeds opnieuw reageren op incidenten? Welke rol nemen gemeenten in het proces?
NS heeft over de situatie in Zeeland nauw contact met de politie en brengt de problematiek onder de aandacht van de gemeente. De politie heeft de overlastgevers in beeld en zet zich actief in om de overlastgevers aan te pakken, waaronder het voeren van stopgesprekken. NS zet daarnaast extra NS-personeel in voor extra toezicht en past, waar nodig, reis- en verblijfsverboden toe.
In algemene zin hebben gemeenten de regie over de lokale aanpak op het terrein van zorg en veiligheid. De betrokken gemeenten in Zeeland zijn in contact met elkaar en willen dit probleem integraal aanpakken. De politie werkt daarbij samen met NS en gemeenten. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig worden maatregelen getroffen, zoals verscherpt toezichtacties of het opvangen van de laatste trein.
Hoe houdbaar is de goede tijdelijke maatregel om extra toezicht en het meereizen van politie voort te zetten?
De inzet van extra maatregelen, zoals de inzet van extra NS-personeel en het meereizen van de politie, zijn tijdelijke maatregelen gericht op het herstellen van de huidige situatie naar een acceptabel en veilig niveau. Deze inzet vraagt aanzienlijke capaciteit en gaat ten koste van de inzet elders, waardoor zij niet permanent houdbaar is.
NS geeft aan dat de tijdelijke maatregelen aantoonbaar positieve effecten hebben gehad en hebben bijgedragen aan het normaliseren van de situatie in Zeeland. Op dit moment wordt de situatie beheersbaar gehouden binnen bestaande maatregelen, aangevuld met monitoring om tijdig te kunnen bijsturen indien de situatie daartoe aanleiding geeft.
Welke structurele, voortdurende maatregelen ziet u om de sociale veiligheid ín de trein voor reizigers en personeel te verbeteren, aanvullend op maatregelen op stations?
Mensen moeten veilig kunnen reizen met het openbaar vervoer. Dat vereist gezamenlijke inzet van meerdere partijen. NS ontvangt vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) 12 miljoen euro subsidie voor de aanschaf van bodycams voor hoofdconducteurs, voortbouwend op de positieve resultaten van een eerdere pilot. De OV-sector neemt daarnaast doorlopend maatregelen. Zo zijn er in de afgelopen jaren camera’s geplaatst op stations, meer stations afgesloten met poortjes, werkt de sector met veel incidentendata voor de data gestuurde inzet van personeel én kunnen NS-reizigers in het hele land onveilige situaties in treinen en stations via Whatsapp melden.
In het coalitieakkoord staan ambities benoemd die betrekking hebben op het effectief handhaven en innen van boetes als gevolg van zwartrijden en de toegang tot registers voor OV-boa’s en gegevensuitwisseling. Het afgelopen jaar heeft het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan de toegang tot het Rijbewijzenregister voor OV-boa’s. Naar verwachting kunnen OV-boa’s medio 2026 gebruik maken van het Rijbewijzenregister. Daarnaast is gewerkt aan de verhoging van de boete voor het reizen zonder geldig vervoersbewijs om zwartrijden, en sociaal onveilige situaties die daardoor kunnen ontstaan, verder terug te dringen. De Minister voor Asiel en Migratie heeft eind vorig jaar aangegeven te werken aan het mogelijk maken van toegang voor boa’s in het openbaar vervoer tot de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). Hiervoor is een wetswijziging vereist die wordt voorbereid door het Ministerie van Asiel en Migratie, zo nodig in afstemming met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Hoe effectief is het recent geïntroduceerde noodnummer waarmee reizigers de conducteur kunnen bereiken bij bedreigende of vervelende situaties? In welke mate voelen conducteurs zich veilig genoeg om zelf in te grijpen wanneer zij bericht worden over een bedreigende of vervelende situatie? Hoe effectief is dit noodnummer en wat is de reizigerservaring hierop? Is dit noodnummer ook gebruikt bij deze overlastgevende situaties in Zeeland?
Sinds 2019 kunnen NS-reizigers via Whatsapp of SMS op laagdrempelige wijze contact opnemen met het meldnummer van NS voor overlast of een onveilige situatie. Dit is nadrukkelijk geen noodnummer. Bij spoedeisende hulp dient 112 gebeld te worden. Naar aanleiding van een toezegging tijdens het commissiedebat van 7 april 2025 wordt een onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van het meldnummer van NS, waarbij ook naar de reizigerservaring gekeken zal worden. Het eindrapport wordt in de eerste helft van dit jaar verwacht.
Hoofdconducteurs richten zich primair op het bieden van service en het controleren van vervoersbewijzen. Zij grijpen in beginsel niet zelfstandig in bij bedreigende situaties. Vanuit hun toezichthoudende rol kunnen zij wel personen aanspreken op het overtreden van huisregels of het verstoren van orde, rust en veiligheid en goede bedrijfsgang. Zij maken daarbij een eigen inschatting of een situatie de inzet van Veiligheid en Service of van de politie vereist of passend is. Indien dit het geval is, worden deze ingeschakeld.
Op basis van informatie van NS blijkt dat in 2024 via het meldnummer 4.308 meldingen van reizigers zijn geregistreerd, waarvan 33 betrekking hadden op situaties in Zeeland. In 2025 werden in totaal 67 meldingen op het NS-meldnummer geregistreerd in Zeeland. Het merendeel van de meldingen betreft overlast. De waargenomen stijging kan mede samenhangen met een hogere meldingsbereidheid en de wijze van registratie.
Overweegt u, of de NS, nog andere, aanvullende veiligheidsmaatregelen, bijvoorbeeld het implementeren van niet alleen een noodnummer maar ook een noodknop in de treincoupés? Kunt u de Kamer meenemen in mogelijkheden die u en de NS overwegen?
De NS heeft een breed scala aan veiligheidsmaatregelen getroffen. Zowel stations als treinen zijn veelal voorzien van noodknoppen met intercom, cameratoezicht en poortjes. Daarnaast wordt datagedreven en informatiegestuurd toezicht, controle en handhaving uitgevoerd, onder andere door cameraobservanten, hoofdconducteurs en boa’s Veiligheid & Service van NS. In geval van spoedeisende hulp worden de reguliere hulpdiensten ingeschakeld. Ik blijf in gesprek met NS over mogelijke aanvullende maatregelen om de veiligheid verder te versterken. Hierbij worden de effectiviteit en de haalbaarheid van deze maatregelen zorgvuldig afgewogen.
Zijn bij u nog andere effectieve voorbeelden bekend van maatregelen in het buitenland waar vergelijkbaar overlast in het openbaar vervoer is teruggedrongen? En vooral maatregelen die wij in Nederland nog niet toepassen? Zo ja, welke lessen kunnen daaruit worden getrokken voor Nederland?
Veel van de maatregelen die in het buitenland worden toegepast, zoals bodycams voor personeel, cameratoezicht als preventieve maatregel, laagdrempelige meldmogelijkheden via apps of sms en het gebruik maken van toegangspoortjes, worden in Nederland ook toegepast. Internationale voorbeelden laten zien dat zichtbare aanwezigheid, meldmogelijkheden en samenwerking tussen betrokken partijen bijdragen aan het vergroten van de sociale veiligheid in het OV. Waar passend wordt geleerd van ervaringen uit het buitenland binnen de Nederlandse wettelijke kaders. NS staat daarbij in contact met hun internationale collega’s om ervaringen en trends op het gebied van veiligheid uit te wisselen. Waar mogelijk worden lessen hieruit toegepast, rekening houdend met het feit dat regelgeving per land kan verschillen.
Hoe effectief blijken de camera's aan boord van de trein bij het registreren en opvolgen van de overlast? Zijn daar verbeteringen mogelijk en denkbaar? Wat is daarvoor nodig?
NS heeft laten weten dat camera’s aan boord van treinen vooral effectief zijn gebleken bij de opsporing en opvolging van strafbare feiten waarvoor aangifte wordt gedaan. Politie en Openbaar Ministerie maken hierbij waar mogelijk gebruik van beschikbaar beeldmateriaal.
Voor overlast kunnen de camera’s worden ingezet ter verificatie van meldingen, bijvoorbeeld via het meldnummer van NS. In een toenemend aantal treinen is het inmiddels ook mogelijk om live mee te kijken. Bij de aanschaf van nieuwe treinen en de revisie van bestaand materieel wordt rekening gehouden met deze functionaliteit, zodat camera’s effectiever kunnen bijdragen aan het registreren en opvolgen van overlast.
In welke mate kunnen slimme AI-camera's om, binnen de kaders van de AVG, onwenselijke gedragingen, vrij van persoonskenmerken, te detecteren, vast te leggen en te verwerken de oplossing zijn? Kan dat ook in de trein? Zijn deze camera's effectiever dan de huidige?
Slimme AI-camera’s kunnen het voor cameraobservanten mogelijk maken om beelden van het grote aantal camera’s effectiever te monitoren, doordat afwijkende situaties sneller worden gesignaleerd. Daarmee zijn deze camera’s effectiever dan de reguliere camera’s. Toepassing binnen de kaders van de AVG is mogelijk, maar vergt nog verdere, technische doorontwikkeling.
Vooral op stations lijken slimme AI-camera’s een kansrijke optie. In de trein is de toepassing minder haalbaar, omdat er onvoldoende fysieke ruimte is voor de benodigde hardware. Daarnaast kan het model niet direct op de camera of in de trein draaien, waardoor connectiviteit momenteel een beperkende factor vormt. Het gebruik van complexe modellen videostreams vereist bovendien hoogwaardige videostreams met minimale buffering en vertraging, wat ook een beperking vormt.
Deelt u de mening dat de pakkans aanmerkelijk verhogen preventief werkt? Wat is uw standpunt en – voor zover bekend – van de NS hierover?
Ja, ik deel de mening dat een hogere pakkans preventief kan werken. De verwachte pakkans kan mogelijk een factor zijn bij de beslissing om een strafbaar feit te plegen. Tegelijkertijd zijn er dadertypes waarvoor dit wellicht minder of geen effect heeft, bijvoorbeeld als gevolg van middelengebruik of een bepaalde geestestoestand. Ook NS stelt op basis van ervaring dat een hogere pakkans preventieve effecten kan hebben, zij het met de kanttekening dat dit niet voor alle daders even effectief zal zijn.
Indien cameratoezicht goed wordt ingezet, is er ruimte om raddraaiers en overlastgevers te herkennen en een (tijdelijk) reisverbod op te kunnen leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van informatie van NS blijkt dat de meeste directe verboden worden opgelegd aan de hand van heterdaadwaarnemingen. Cameratoezicht kan daarbij van dienst zijn, maar veelal gebeurt dit aan de hand van directe waarnemingen van NS-personeel of na een aanhouding door de politie.
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Ja.
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject, waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven, zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn onder meer beschreven:
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten. Je thuis moet een veilige plek zijn.
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie, het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente Amsterdam van 16 februari 20266.
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers over de situatie op Stek Oost.
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking. Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Hier heb ik geen informatie over.
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+), waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of € 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Ja, deze artikelen zijn ons bekend.
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Het kabinet is ermee bekend dat er verschillende standpunten bestaan ten aanzien van het gebruik van het vrij te laten bedrag (vtlb) voor het vaststellen van de afloscapaciteit in buitengerechtelijke schuldregelingen. Het gebruik van het vtlb heeft als mogelijke uitkomst het zogenoemde «nulaanbod» als er geen afloscapaciteit is. Een buitengerechtelijke schuldregeling komt vrijwillig tot stand tussen de schuldenaar en de schuldeisers, waarbij contractsvrijheid het uitgangspunt is. Vanwege de vrijwilligheid is er weinig in wetgeving vastgelegd over de wijze van uitvoering. Het is aan schuldenaren en schuldeisers om tot afspraken over het aflossen van de schuldenlast te komen. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van een schuldhulpverlener.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) is in artikel 4a, vijfde lid opgenomen dat tenminste de beslagvrije voet (bvv) in acht moet worden genomen in het plan van aanpak, waar een schuldregeling onderdeel van kan zijn. Het vtlb ligt in de meeste gevallen niet onder de bvv en het gebruik ervan is daarmee als zodanig niet onrechtmatig in het licht van artikel 4a, vijfde lid van de Wgs.
Het kabinet realiseert zich dat de memories van toelichting bij de Wgs (2012 en 2021) tegenstrijdige informatie bevatten ten aanzien van het gebruik van het vtlb en de bvv. Het kabinet is hierover in gesprek, ook met betrokken partijen uit de praktijk, om te bezien hoe deze onduidelijkheid weggenomen kan worden. We komen over de uitkomsten uiterlijk in het tweede deel van 2026 terug bij uw Kamer.
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
De branchevereniging NVVK vertegenwoordigt een groot deel van schuldhulpverlenende instanties in Nederland. Dit doet zij onder andere door het opstellen van standaarden voor de schuldhulpverlening waar haar leden zich aan verbinden en het maken van collectieve afspraken met (koepels van) schuldeisers. Het staat de branche vrij om, binnen de kaders van geldende wet- en regelgeving, invulling te geven aan werkwijzen met betrekking tot de schuldhulpverlening. Het is voor de schuldhulpverleningspraktijk wenselijk dat dat de NVVK haar leden een uniform kader biedt waardoor zowel schuldeisers, schuldenaren en schuldhulpverleners weten waar ze aan toe zijn.
Het is van belang dat een schuldenaar zich inspant om een zo groot mogelijk deel van de schuld af te lossen binnen de mogelijkheden van zijn persoonlijke financiële situatie. Het kabinet vindt het belangrijk dat niemand in een uitzichtloze schuldensituatie belandt. Het kabinet hecht er ook aan dat de kwaliteit van schuldhulpverlening wordt vergroot en de uitvoering meer wordt geüniformeerd. Daarom heeft het kabinet een basisdienstverlening schuldhulpverlening afgesproken met VNG, NVVK en Divosa.4 Daarnaast heeft de NVVK een keuzehulp5 ontwikkeld waarmee de schuldhulpverlener kan beoordelen wat het best passende instrument is voor de schuldeisers en schuldenaar. Hierin is vermeld dat als de verwachting bestaat dat gedurende de looptijd van 18 maanden de afloscapaciteit kan toenemen, niet gekozen wordt voor een saneringskrediet maar voor schuldbemiddeling.
Het is belangrijk om te benadrukken dat zowel het vtlb als de bvv niet hetzelfde zijn als het bestaansminimum. Wel zijn beide berekeningswijzen erop gericht om te borgen dat mensen met problematische schulden een minimumbedrag overhouden om van te leven en af te lossen.
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Het kabinet herkent de zorg dat het ontbreken van afloscapaciteit via de vtlb-berekening grote consequenties kan hebben voor schuldeisers. Het uitgangspunt bij het aflossen van schulden is wederkerigheid en draagkracht, waarbij er altijd ruimte moet zijn voor individuele gevallen waarbij blijkt dat niet kan worden afgelost. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat schuldenaren tijdens een schuldregeling voldoende financiële middelen overhouden om te voorzien in hun levensonderhoud. Dit uitgangspunt staat op gespannen voet met het belang van schuldeisers. Het is daarom belangrijk dat er kritisch wordt gekeken naar wat iemand kan afdragen. Los daarvan houdt het kabinet aandacht voor passende begeleiding en nazorg voor schuldenaren die zich melden voor schuldhulpverlening. Het doel van begeleiding en nazorg is om de financiële redzaamheid te versterken en te voorkomen dat mensen opnieuw in een situatie van problematische schulden terecht komen. Gemeenten kennen de wettelijke verplichting om nazorg te bieden. Op welke manier financiële begeleiding en nazorg kan worden geboden is uitgewerkt in de basisdienstverlening. In lijn met de motie Van Eijk (VVD) en Inge van Dijk (CDA)6 is opgenomen dat de nazorgperiode 12 maanden duurt. Hiermee blijft de inwoner nog in ieder geval 12 maanden na finale kwijting van de schulden in beeld, ook wanneer er sprake is geweest van een «nulaanbod».
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is in de Wgs opgenomen dat tenminste de beslagvrije voet in acht moet worden genomen, waarbij, zoals toegelicht in de memorie van toelichting op pagina 17, ten minste 5% van het inkomen gebruikt kan worden voor aflossing van schulden. In de memorie van toelichting staat ook dat het ophogen van de beslagvrije voet is toegestaan, het verminderen niet. Daarmee is het toepassen van het vrij te laten bedrag niet strijdig met de Wgs. De Wgs gaat over de gemeentelijke schuldhulpverlening in den brede, niet specifiek over schuldregelingen.
De Faillissementswet biedt de mogelijkheid om, bij het ontbreken van afloscapaciteit, de rechtbank direct om toegang tot de Wsnp te verzoeken, zonder daarvoor eerst een buitengerechtelijke poging te hebben gedaan. Het is daarmee voor schuldhulpverleners mogelijk om bij het ontbreken van afloscapaciteit toch een voorstel voor een buitengerechtelijke schuldregeling voor te leggen aan de schuldeisers of om namens de schuldenaar een verzoek tot toelating tot de Wsnp in te dienen. Juist doordat een buitengerechtelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen staat het hen vrij om de voorwaarden van de schuldregeling met elkaar af te stemmen. Wanneer partijen er onderling niet uitkomen, is er een mogelijkheid om een dwangakkoord aan te vragen. De rechter beoordeelt bij een dwangakkoord alleen of een schuldeiser op redelijke gronden heeft geweigerd. Dit wordt gedaan op basis van de door de schuldeiser aangedragen argumenten.
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
In december 2024 heeft de NVVK gepubliceerd dat uit dossieronderzoek blijkt dat er bij een derde van de dossiers geen aflossingscapaciteit is.7 Bij dit onderzoek is tevens gekeken naar de kenmerken van de schuldenaren die geen mogelijkheid hebben tot aflossing. Het betreft met name schuldenaren die leven van een uitkering (84%), de grootste groep is alleenstaand (57%) en in 23% betreft het een alleenstaande ouder met kind(eren). Dit dossieronderzoek is echter uitgevoerd onder een deel van de NVVK leden en betreft dus niet een volledige weergaven van alle leden. In de loop van het tweede kwartaal van 2026 zal de NVVK het jaarverslag van 2025 publiceren, hierin zullen recentere cijfers worden weergeven die betrekking hebben op alle leden. In afwachting van deze cijfers wordt nader onderzoek daarom op dit moment niet noodzakelijk geacht.
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Enkel het maandelijks aflossen van een deel van de totale schuldenlast leidt niet direct tot gedragsverandering. Begeleiding kan wel leiden tot een gedragsverandering. Daarom is begeleiding passend bij de situatie van de schuldenaar nodig. Middels de basisdienstverlening worden handvatten geboden voor het bieden van begeleiding en nazorg.
Uit recent onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam blijkt dat schuldeisers sinds de halvering van de aflosperiode per 1 juli 2023 niet minder akkoord gaan met schuldregelingen. In dit onderzoek was het lastig om de wijzigingen per 1 juli 2023 (halvering aflosperiode) en 1 juli 2024 (toepassen vtlb met mogelijk gevolg «nulaanbod») los van elkaar te zien. In het onderzoek gaven schuldeisers wel aan zorgen te hebben over de uitvoering van financiële begeleiding en nazorg voor mensen in een schuldregeling. Om terugval in schuldenproblematiek te voorkomen, is goede begeleiding en nazorg noodzakelijk. Voor grotere schuldeisers kan het financieel-administratief aantrekkelijker zijn om een schuld direct af te boeken in plaats van een relatief klein deel van de schuld, of niets, terug te ontvangen. Voor kleinere schuldeisers kan dit anders liggen, omdat de impact van het afboeken van een schuld voor hen groter is op de financiële situatie van het bedrijf. Dit beeld wordt ook ondersteund door de bevindingen die voortkomen uit het onderzoek dat heeft plaatsgevonden binnen de verkorting minnelijke schuldregelingen en Wet schuldsanering natuurlijke personen.8
Op dit moment achten wij onderzoek naar gedragsverandering in relatie tot terugval niet opportuun. Dit komt met name door het gebrek aan landelijke data over terugval. Door middel van het project Data Delen Armoede en Schulden (DDAS9) wordt data op een uniforme wijze vergaard, waardoor er meer inzicht komt in onder andere terugvalcijfers. De verwachting is dat in 2027 de eerste cijfers worden gepubliceerd. Op basis van deze gegevens zal ik bezien of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wij voeren regelmatig overleg met schuldeisers, schuldhulpverleners en mensen met schulden om de gewenste en ongewenste effecten van het beleid in de gaten te houden. Dit blijven we doen. In recent onderzoek dat door de Hogeschool van Amsterdam is uitgevoerd zijn de ervaringen van schuldeisers, schuldhulpverleners en schuldenaren opgehaald met betrekking tot de verkorting van het buitengerechtelijke traject.10 De onderzoekers gaven hierbij aan dat het moeilijk was om de verkorting geïsoleerd van de ontwikkelingen rond het toepassen van de vtlb-berekening te onderzoeken. Daarmee is in het onderzoek ook deels gekeken naar de ervaringen met het «nulaanbod». De conclusie van het onderzoek was dat er, na enige initiële weerstand, nu overwegend wordt meegewerkt aan schuldregelingen door schuldeisers. Wel gaven zowel schuldeisers als schuldhulpverleners aan zorgen te hebben over het risico op terugval nu de duur van schuldregelingen is verkort en er vaker sprake is van ontbrekende afloscapaciteit.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om voor schuldregelingen een herijking uit te voeren van het beleid. Het uitgangspunt is dat er sprake is van een buitengerechtelijke schuldregeling en deze vrijwillig tot stand komt tussen de schuldenaar en de schuldeisers waarbij contractsvrijheid het uitgangspunt is. Leidend hierin is dat tenminste de beslagvrije voet in acht moet worden genomen en dat daar enkel naar boven toe van mag worden afgeweken.
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Een schuldhulpverlener bepaalt, op basis van de situatie van de schuldenaar, welk instrument passend is voor het oplossen van de schuldenlast. Als de verwachting is dat er nog mogelijkheden zijn voor de schuldenaar om een (hoger) inkomen te vergaren gedurende de looptijd van de schuldregeling ligt een schuldregeling met een spaarprognose-aanbieding (schuldbemiddeling) meer voor de hand dan een saneringskrediet waarbij de schuld direct wordt afgeboekt en de schuldenaar een maandelijks (vast) bedrag terugbetaalt aan een gemeentelijke kredietbank. Als blijkt dat er geen aflossingsmogelijkheden zijn, dan kan de schuldhulpverlening een «nulaanbod» doen. Het staat een schuldhulpverlener vrij om, ook bij een «nulaanbod», een schuldbemiddelingstraject aan te bieden. De schuldregelaar motiveert zijn beslissing bij het aanbod aan de schuldeisers.
Bij alle vormen van schuldregelingen staat voorop dat het bieden van passende financiële begeleiding noodzakelijk is. Wanneer een inwoner zich meldt bij de gemeentelijke schuldhulpverlening wordt er naast een plan van aanpak ook een begeleidingsplan opgesteld. Hierin staat vermeld welke vorm van begeleiding de schuldenaar ontvangt en welke doelen behaald dienen te worden met die begeleiding. Dit alles heeft als doel om terugval in een schuldensituatie te voorkomen.
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Het past het kabinet niet om in te gaan op het rechterlijk oordeel in een individuele zaak. Het is aan de rechter om te oordelen of sprake is van onredelijke weigering van de schuldeiser(s). Wel blijft het kabinet de jurisprudentie over schuldregelen zonder afloscapaciteit op de voet volgen.
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Gelijk aan het antwoord op vraag 10, gaat het kabinet niet in op individuele gerechtelijke uitspraken.
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Het klopt dat in Wsnp-zaken wordt gerekend met het vrij te laten bedrag. Dit is op basis van de door Recofa (Rechters-commissaris Faillissementen en surseances van betaling) ontwikkelde methode. Dit past binnen het wettelijk kader van de Wsnp, waarbij artikel 295 van de Faillissementswet een grondslag kent voor het vtlb. Het vtlb bestaat uit de bvv en een door de Recofa vastgesteld nominaal bedrag. In het nominaal bedrag worden correcties opgenomen voor noodzakelijke en onvermijdelijke kosten waar de bvv geen rekening mee houdt. Het criterium daarbij is minimaal maar toereikend, zodat er enerzijds zoveel mogelijk gespaard wordt voor schuldeisers en er anderzijds geen nieuwe schulden hoeven te ontstaan tijdens de schuldregeling. Bij een negatieve correctie kan het nominaal bedrag op nihil uitkomen en is het vtlb gelijk aan de beslagvrije voet. De richtlijnen voor de nominale correcties zijn vastgelegd in het vtlb-rapport, dat halfjaarlijks wordt geactualiseerd. De wet laat het immers aan de rechter-commissaris om dit nominaal bedrag vast te stellen.
Aan het einde van een Wsnp-traject wordt pas bezien wat er daadwerkelijk gereserveerd kon worden gedurende de schuldregeling. De uitkomst van de berekening van het vtlb kan ertoe leiden dat er minder dan 5% van het inkomen wordt afgelost of zelfs helemaal niet kan worden afgelost. Hier staat tegenover dat de Wsnp diverse wettelijke waarborgen voor schuldeisers biedt, zoals een informatie- en inspanningsplicht voor de schuldenaar. Voldoet de schuldenaar daar niet aan, dan kan het Wsnp-traject worden beëindigd. Bovendien is er sprake van toezicht door de Wsnp-bewindvoerder en de rechter-commissaris. De rechtbank oordeelt aan het einde van het traject of de schuldenaar alle verplichtingen van de schuldsaneringsregeling (waaronder de afdracht aan de boedelrekening) is nagekomen en of de schuldenaar de schone lei krijgt.
Beleidsmatig gezien ziet het kabinet vooral voordelen in deze Recofa-richtlijnen. Deze zijn namelijk door gespecialiseerde rechters opgesteld, zijn relatief snel aan te passen en bieden ruimte aan rechters om in concrete gevallen maatwerk te bieden
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Wie schulden aangaat moet deze in beginsel terugbetalen. Een verhoging van het sociaal minimum leidt maar in beperkte mate tot meer afloscapaciteit. Op basis van de berekening van de beslagvrije voet is de aflossingsruimte ten minste 5 procent van het inkomen. Bij een verhoging van het sociaal minimum komt 5 procent van de verhoging ten goede aan de schuldeiser. Bij toepassing van het vtlb hangt dit van persoonlijke omstandigheden af of in die situatie meer aflossingscapaciteit overblijft. Zoals ook in het antwoord op vraag 3 vermeld, is het vtlb en de bvv niet hetzelfde als het bestaansminimum.
Het Dienstencentrum van de politie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Dienstencentrum van de politie en de rol die dit centrum vervult bij facilitaire dienstverlening, waaronder catering en inkoop?
Ja, ik ben bekend met het politiedienstencentrum (PDC). Bij het PDC komen alle takken van de bedrijfsvoering samen, zoals HRM, Communicatie, ICT, Verwerving, Facility Management en Financiën.
Kunt u een volledig en actueel overzicht geven van alle leveranciers waarmee het Dienstencentrum van de politie momenteel samenwerkt?
Een volledig en actueel overzicht van alle leveranciers waarmee het PDC
samenwerkt kent juridische en praktische beperkingen en brengt bovendien veiligheidsrisico’s met zich mee. Op onderdelen gaat het om gevoelige informatie. Openbaarmaking kan de kans op beveiligingsincidenten vergroten en strategische keuzes van politie ondermijnen. Dit geldt eveneens voor een volledig en actueel overzicht van alle lopende contracten die door het politiedienstencentrum zijn afgesloten.
Verwerving van producten, diensten en werken vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders, waarbij rekening moet worden gehouden met de deels vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten. Dit brengt wettelijke belemmeringen met zich mee bij het samenstellen van een volledig overzicht. Daar waar geen sprake is van vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten, zijn de leveranciers waar politie mee samenwerkt publiekelijk te vinden via het aanbestedingsplatform TenderNed.
Kunt u per leverancier aangeven:
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle lopende contracten die door of via het Dienstencentrum van de politie zijn afgesloten, inclusief einddata en eventuele verlengingsopties?
Zie antwoord op vraag 2. Een overzicht van alle lopende contracten is vanwege meerdere redenen niet deelbaar. Veel informatie is echter wel publiekelijk beschikbaar. Aangezien de vervolgvragen zich voornamelijk toespitsen op catering, ga ik daar nader op in. Wat betreft catering bij operationele inzet is een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Voor de bedrijfsrestaurants en banqueting is ook een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Wat betreft de onbemande catering is een raamovereenkomst met één partij gesloten. Tevens is er een landelijk contract voor warme dranken automaten. Op alle politielocaties is gratis koffie, thee en gekoeld water beschikbaar.
De raamovereenkomsten voor eten en drinken hebben doorgaans een contractduur van 4 jaar. Per 1 februari 2026 zijn de nieuwe raamovereenkomsten voor operationele catering ingegaan. De nieuwe overeenkomsten voor bedrijfsrestaurants en banqueting gaan in na definitieve gunning, in afwachting van de bezwaartermijn.1
Welke aanbestedingen zijn op dit moment lopende of recent afgerond door het Dienstencentrum van de politie, en welke financiële omvang vertegenwoordigen deze aanbestedingen?
De politie publiceert haar lopende en recent afgeronde aanbestedingen via TenderNed, daar waar het geen gevoelige informatie betreft. Via TenderNed wordt gecommuniceerd over de verschillende aanbestedingen en de fase van de betreffende aanbesteding. Ook geeft politie jaarlijks inzicht in het verwervingsportfolio, om bedrijven de gelegenheid te geven te anticiperen op verwachte aanbestedingen door de Politie, zo ook voor 2026.2 Momenteel lopende aanbestedingen zijn bijvoorbeeld bodycams en toebehoren, voertuig-ICT, tolkdiensten op afstand, motorlaarzen en de basispolitievoertuig personenbussen.
In het laatste kwartaal van 2025 heeft politie onder andere aanbestedingen afgerond op het gebied van levering vliegtuigbrandstoffen Texel (maximale waarde: € 750.000), catering operationele inzet (maximale waarde per perceel: € 5.900.000), sportmedisch onderzoek (maximale waarde: € 1.080.000) en interieurbeplanting (maximale waarde: € 4.800.000).
Op basis van welke criteria (prijs, kwaliteit, duurzaamheid, sociale voorwaarden) worden deze aanbestedingen beoordeeld?
De Aanbestedingswet-2012 kent drie gunningscriteria: de beste prijs-kwaliteitsverhouding, de laagste prijs en de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. De beoordelingscriteria verschillen per aanbesteding, afhankelijk van de aspecten waarop opdrachtnemers zich van elkaar kunnen onderscheiden. In iedere aanbesteding wordt het beoordelingskader, inclusief de (onderlinge) weging van de verschillende criteria, vooraf met geïnteresseerde opdrachtnemers gedeeld.
Voor de sector Facilitaire Services – waar de categorie eten en drinken deel van uitmaakt – hanteert politie criteria als doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid.
Klopt het dat politieagenten op politielocaties momenteel circa € 3,00 betalen voor een flesje spa/blauw en circa € 15,00 voor een lunchpakket? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen en welke contractuele afspraken hieraan ten grondslag liggen? Zo nee, hoe ziet dit er dan uit?
De genoemde bedragen zijn niet correct. Bij operationele inzet zijn lunchpakketten en flesjes water voor rekening van de werkgever. Hierbij gaat het om het standaard lunchpakket à € 5,57 of de luxe variant à € 7,81. Deze kosten worden niet doorbelast aan de medewerkers. Tijdens reguliere diensten hebben medewerkers de mogelijkheid om zelf een lunch mee te nemen. Hiervoor zijn koel- en opwarmmogelijkheden aanwezig.
Ook kan een medewerker gebruik maken van de bedrijfsrestaurants. In het bedrijfsrestaurant worden gevarieerde keuzes aangeboden, inclusief vegetarische en warme opties. Een lunchdeal van € 3,50 voor een volledige lunch is contractueel vastgelegd om betaalbaarheid voor medewerkers te garanderen. De prijs voor een flesje mineraalwater bedraagt € 1,30 in het bedrijfsrestaurant. Deze is ook beschikbaar in een vendingautomaat voor € 1,35. Zoals aangegeven bij vraag 4 is er tevens gratis gekoeld water beschikbaar.
Welke overwegingen hebben geleid tot het afsluiten van contracten met cateraars waarbij dergelijke prijzen worden gehanteerd voor basale consumpties?
Dergelijke prijzen zijn niet aan de orde. Bij het afsluiten van de cateringcontracten is rekening gehouden met prijs, kwaliteit en de gunningscriteria genoemd bij het antwoord op vraag 6 conform het vooraf gedeelde beoordelingskader. De contracten zijn gesloten als gevolg van een aanbestedingsprocedure binnen het geldende wettelijk kader.
Acht u deze prijsstelling passend voor medewerkers van de politie, gezien hun publieke taak en onregelmatige diensten?
De prijsstelling wordt door politie als passend beoordeeld, omdat de medewerkers gebruik kunnen maken van zelf meegenomen lunch, gebruik van het bedrijfsrestaurant, gebruik van de vendingautomaten en door de werkgever verstrekte lunch bij operationele inzet. De prijsstelling past binnen de kaders van de gevolgde aanbesteding. Bij de eisen en wensen in de aanbesteding is rekening gehouden met verschillende aspecten van goed werkgeverschap, zoals betaalbaarheid van producten voor politiemedewerkers en maatschappelijke doelen als duurzaamheid, circulariteit en het tegengaan van voedselverspilling.
In hoeverre is bij het afsluiten van deze contracten rekening gehouden met het principe van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel?
De principes van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel vormen de basis van de aanbesteding. Deze principes zijn tot uiting gebracht door te beoordelen op doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid. Goed om hierbij te vermelden is dat de gebruikerstevredenheid in 2025 een hoger cijfer heeft gehaald dan de contractueel vastgelegde doelstelling.
Zijn er binnen de huidige contracten mogelijkheden om andere prijsafspraken te maken, bijvoorbeeld door:
Door raamovereenkomsten te sluiten behaalt te politie volumekortingen, verduurzaming, ruimte voor innovatie en overige schaalvoordelen. In de bijbehorende aanbestedingen bestaat de ruimte om maximumprijzen te hanteren. Bij het sluiten van de overeenkomsten zijn door politie prijsafspraken gemaakt, waaronder de contractueel vastgelegde lunchdeal à € 3,50.
Ziet u mogelijkheden om efficiency-slagen te maken binnen de facilitaire dienstverlening van de politie, specifiek op het gebied van catering en inkoop? Zo nee, waarom niet?
Efficiëntie blijkt voor de facilitaire dienstverlening uit een zo optimaal mogelijke prijs-kwaliteit verhouding. Politie is doorlopend alert op het naleven van afspraken binnen de raamovereenkomst(en) of het – waar nodig – herijken van de raamovereenkomst(en).
Heeft het Dienstencentrum van de politie inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van cateringvoorzieningen voor de politieorganisatie?
Ja, het PDC heeft inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van de cateringvoorzieningen. Deze kosten vallen onder de dienst Facility Management, sector facilitaire services binnen het PDC, en zijn opgebouwd uit exploitatiekosten, materiaalverbruik, verstrekkingen van koffie, thee en water en overige kosten.
Hoe verhouden deze kosten zich tot vergelijkbare overheidsorganisaties of andere grote werkgevers binnen de (semi)publieke sector?
De politie geeft aan dat de aanbestedingscriteria vergelijkbaar zijn met die van andere overheidsorganisaties.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige contracten leiden tot onnodig hoge kosten voor politiepersoneel en of heronderhandeling of aanpassing wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. De huidige contracten zijn gesloten conform wettelijke kaders en richtlijnen. Politie heeft zelfstandig de van toepassing verklaarde eisen, wensen en beoordelingscriteria gesteld. Ik ben van mening dat de prijsstelling in de huidige contracten niet leidt tot onnodig hoge kosten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 12 blijft politie doorlopend alert op efficiënte inkoop. Een heronderhandeling is niet aan de orde.
Deelt u de opvatting dat het rekenen van hoge prijzen voor basisvoorzieningen, zoals eten en drinken tijdens diensttijd, moeilijk te rijmen is met goed werkgeverschap?
Goed werkgeverschap, waaronder betaalbaarheid van producten op politielocaties, is integraal meegenomen in de contracten en daarmee prijsstelling van cateringdienstverlening. Politie acht het belangrijk dat er keuzemogelijkheden zijn voor medewerkers. Daarbij gaat het om het zelf kunnen meenemen van lunch, gratis voorzieningen bij operationele inzet, de keuze voor een lunch in het bedrijfsrestaurant tegen een gereduceerd tarief of het gebruik van een vendingautomaat.
Hoe kijkt u, in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever, aan tegen de huidige situatie en welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf als Minister?
De politie handelt verantwoordelijk in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever. Goed werkgeverschap is integraal onderdeel van de contracten in de categorie eten en drinken. Ik heb vertrouwen in de wijze waarop de politie dit aanpakt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele maatregelen die u wilt nemen om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten te verbeteren?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. Binnen de contracten in de categorie eten en drinken is het verbeteren van betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten een continu proces. Het PDC gebruikt klankbordgroepen en herijking van contracten om te zorgen dat zij steeds passende faciliteiten aanbiedt.
Aangezien de prijsstelling in de huidige contracten niet tot onnodig hoge kosten leidt, zie ik geen noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen. Informatie over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen in algemene zin past binnen het reeds bestaande proces van begroting en jaarverantwoording.
Kunt u toezeggen dat bij toekomstige aanbestedingen explicieter wordt gestuurd op betaalbaarheid voor medewerkers en op doelmatige besteding van publieke middelen?
De betaalbaarheid is reeds onderdeel van de beoordeling bij aanbestedingen in de categorie eten en drinken. Een nog explicietere sturing op betaalbaarheid voor medewerkers is niet noodzakelijk. Doelmatige besteding van publieke middelen wordt integraal meegenomen bij alle aanbestedingen van politie.
Het bericht ‘Staking bij vrouwengevangenis Nieuwersluis om uitblijven loonsverhoging’ |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat medewerkers van de vrouwengevangenis in Nieuwersluis staken vanwege ontevredenheid over een achterblijvende loonsverhoging1? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht. Ik heb veel waardering voor het personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De medewerkers van DJI voeren een belangrijke taak uit en verdienen onze waardering en respect.
De nullijn geldt voor alle medewerkers bij de Rijksoverheid. Deze maatregel is door het kabinet genomen om zijn ambities waar te kunnen maken.
Wat vindt u van de kwalificatie van FNV dat het «Code zwart» is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)?
Het is inderdaad «code zwart». Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben diverse noodmaatregelen getroffen om de capaciteitsproblematiek aan te pakken. Ondanks deze noodmaatregelen blijft de bezetting in de reguliere gevangenis voor mannen boven de 99%. Tevens is er nog steeds een grote voorraad zelfmelders en arrestanten. De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de capaciteit bij DJI. De laatste voortgangsrapportage is verzonden op 2 december 2025.2
Kunt u aangeven hoe groot het huidige personeelstekort is in het gevangeniswezen? Kunt u een indicatie geven van de algemene tevredenheid van DJI-medewerkers over de omstandigheden waaronder zij hun werk moeten verrichten? En in hoeverre is het hanteren van de nullijn dienstbaar aan het werven van nieuwe DJI-collega’s?
DJI zet vol in op het werven van nieuwe medewerkers en dat is niet zonder resultaat. In 2025 zijn er 2.655 medewerkers ingestroomd bij DJI, terwijl 1.799 medewerkers uitgestroomd zijn. Dit betekent dat er in 2025 656 medewerkers extra zijn bijgekomen bij DJI. Dit laat onverlet dat er nog openstaande vacatures zijn en daardoor celcapaciteit niet inzetbaar is. Deze situatie benadrukt de noodzaak om onverminderd door te gaan met de inspanningen op het gebied van werven en behoud van medewerkers.
Tevredenheid van medewerkers ten aanzien van de verschillende aspecten van het werken binnen DJI wordt gemeten in onder andere het medewerkersonderzoek, dat tweejaarlijks wordt afgenomen onder alle DJI-medewerkers en de preventief medische onderzoeken. De omstandigheden waarin medewerkers hun werkzaamheden moeten verrichten worden niet specifiek uitgevraagd. Uit het medewerkersonderzoek volgt dat medewerkers relatief tevreden zijn ten aanzien van de aspecten vakmanschap en inhoud van het werk. De ervaren psychosociale arbeidsbelasting vormt een aandachtspunt. Op basis van de resultaten van dit onderzoek ontwikkelt DJI gerichte plannen ter verbetering.
DJI blijft onverminderd genoodzaakt tot intensieve werving op de arbeidsmarkt. Het succes hiervan is mede afhankelijk van de concurrentiepositie van DJI. Er zijn verschillende factoren die ervoor zorgen dat kandidaten willen werken voor DJI, salariëring is er daar een van. De nullijn kan daarmee van invloed zijn op de concurrentiepositie DJI. Bij de meest recent gehouden exit monitor was het salaris niet een van de voornaamste vertrekredenen voor executief personeel. De drie voornaamste vertrekreden voor executief personeel waren loopbaanontwikkelingsmogelijkheden, de inhoud van het werk en de cultuur in de organisatie. Een uitzondering hierop is het personeel dat binnen één jaar weer vertrekt. Voor personeel dat binnen een jaar weer bij DJI vertrekt, staat salariëring wel in de top drie van voornaamste vertrekredenen. DJI blijft zich inzetten om er voor te zorgen dat zij een aantrekkelijke werkgever blijft.
Bent u bereid om te bezien in hoeverre medewerkers van DJI, met het oog op de moeilijke omstandigheden waaronder zij hun zware werk moeten verrichten, kunnen worden uitgezonderd van de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om te onderzoeken of voor DJI-medewerkers een afzonderlijke CAO kan worden gesloten om te voorkomen dat de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn ertoe leidt dat het huidige personeelstekort bij DJI nóg groter wordt? Zo nee, waarom niet?
De medewerkers van DJI vallen onder de CAO Rijk. Ik ben gebonden aan de afspraken van het Regeerprogramma en aan de CAO en zie geen ruimte om af te wijken van de gemaakte afspraken. Deze afspraken gelden voor alle medewerkers bij de Rijksoverheid. Een uitzondering hierop voor enkel DJI acht ik onwenselijk. Wel heb ik er voor gezorgd dat het DJI-personeel in 2025 eenmalig een toelage van € 500 netto heeft ontvangen als blijk van waardering voor het werk dat al geruime tijd onder hoge druk wordt uitgevoerd.
Bent u bereid om deze vragen voorafgaand aan het komende commissiedebat over het Gevangeniswezen te beantwoorden?
Ja.
De Gazaraad van Trump |
|
Eric van der Burg (VVD), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Sarah Dobbe , Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede: «Ik sla weleens een maaltijd over»»?1
Ja.
Waren deze signalen bij u bekend?
Deze signalen waren bij mij niet bekend. Wel blijkt uit eerdere onderzoeken dat sommige studenten moeite hebben met rondkomen. Uit het Nibud Studentenonderzoek 2024 blijkt bijvoorbeeld dat ruim 20% van de mbo-studenten en 12% van de hbo-/wo-studenten betalingsachterstanden heeft. Ook gaf 9% van de hbo- en wo- studenten, 12% van de mbo bol-studenten en 10% van de mbo bbl-studenten aan veel moeite te hebben met rondkomen.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat steeds meer studenten de noodzaak voelen te kiezen tussen het betalen van collegegeld, zorgpremie, huur of de boodschappen?
Ja, we vinden het zorgelijk als studenten niet kunnen voorzien in de basale kosten voor studie en levensonderhoud. Alhoewel uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 naar voren komt dat studenten over het algemeen gemakkelijk rond kunnen komen en dat is verbeterd ten opzichte van eerdere jaren, blijkt ook uit andere onderzoeken dat er studenten zijn voor wie dat niet geldt.
Wat is uw reactie op het onderzoek van State of Youth NL waaruit blijkt dat niet alleen studenten, maar ruim 80 procent van de 12- tot 29-jarigen in het algemeen stress ervaart als gevolg van geldproblemen en bijna twee derde moeite heeft om rond te komen?
Dat er zo veel jongeren zijn die stress ervaren door geldproblemen is reden tot zorg. Het is belangrijk dat jongeren leren met geld om te gaan en te voorzien in hun onderhoud. Uit het onderzoek van State of Youth (wat breder is dan studenten) komt ook naar voren dat jongeren soms meer geld uitgeven dan ze van plan waren, omdat ze het moeilijk vinden om de druk te weerstaan om onnodige dingen te kopen en sociale activiteiten te ondernemen. Ook weten jongeren vaak niet waar ze hulp kunnen vinden bij geldzorgen.
Voor studenten geldt dat het voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud een gedeelde verantwoordelijkheid is van de student zelf, de ouders en de overheid. Studenten kunnen een bijbaan nemen, sparen of lenen en van ouders wordt ook een financiële bijdrage verwacht. Voor studenten van ouders met een minder toereikend inkomen is een aanvullende beurs beschikbaar. De overheid draagt bij met de basisbeurs en het studentenreisproduct.
Om jongeren financieel weerbaarder te maken, zet de overheid onder andere in op financiële educatie, mediacampagnes en laagdrempelige ondersteuning bij geldzorgen, in en buiten onderwijsinstellingen. In de Voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, staat hierover meer. Ook is het hebben en behouden van werk belangrijk. Het kabinet heeft besloten om vanaf 2027 het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar te verhogen.
Om jongeren die dat nodig hebben te begeleiden van school naar werk en bij het behoud van werk, is de wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk per 1 januari 2026 in werking getreden. En gemeenten kunnen maatwerk toepassen bij de re-integratie en inkomensondersteuning voor jongeren die in een kwetsbare positie zitten2.
Heeft u inzicht in hoeveel studenten genoodzaakt zijn zich te wenden tot reguliere voedselbanken omdat ze te weinig geld overhouden voor de boodschappen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Hoe ziet u dit nieuws in het licht van onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA), waaruit blijkt dat geldzorgen negatieve invloed op de studieresultaten en het privéleven van studenten hebben?2
Welzijn wordt, zowel positief als negatief, beïnvloed door veel verschillende factoren. Financiële stress kan inderdaad een negatieve invloed hebben op het welzijn van studenten blijkt uit onderzoek4. Dit is zorgelijk. Het is daarom belangrijk dat studenten leren op een verantwoordelijke wijze met geld om te gaan en dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen, bij hun onderwijsinstelling of daarbuiten (zie vraag 4 en 8).
Deelt u de zorgen over de onderzoeksresultaten van de HvA waaruit blijkt dat 22 procent van de studenten niet alleen geldzorgen heeft, maar ook nog eens achterstallige rekeningen waarvoor weer driekwart van de studenten geen betalingsregeling heeft getroffen? Heeft u in beeld hoe groot deze problemen onder studenten van andere instellingen zijn?
Het is zorgelijk dat zoveel studenten een betalingsachterstand hebben. We hebben geen cijfers per onderwijsinstelling, maar uit het Nibud Studentenonderzoek uit 2024 komt een vergelijkbaar beeld naar voren wat betreft het deel van de studenten dat een betalingsachterstand heeft. Het is daarom belangrijk dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen bij geldzorgen, zodat betalingsachterstanden worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kosteloos aanbieden van budgetcoaches voor financiële hulp en begeleiding geen extra kostenpost voor onderwijsinstellingen zou moeten zijn, zoals nu bij de HvA het geval is, maar voor alle studenten van alle instellingen toegankelijk moet zijn, zeker omdat dit het risico op financiële problemen later in het leven vermindert en voorkomt dat problemen verergeren?
Onderwijsinstellingen zijn niet verantwoordelijk voor het aanbieden van financiële hulp. Verantwoord met geld omgaan is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de student zelf. Instellingen kunnen wel problemen signaleren bij studenten en hen op de juiste manier verwijzen of laagdrempelige hulp bieden. Er zijn diverse gratis hulproutes beschikbaar, bij de gemeente, vrijwilligers, Geldfit (website, bellijn, whatsapp, chat, mail) en andere organisaties.
Daarnaast zijn er ook voorbeelden van onderwijsinstellingen die (bijvoorbeeld vanuit de subsidieregeling «Financiële educatie voor onderwijsinstellingen») de samenwerking hebben gezocht met hun lokale gemeente en op die manier budgetcoaches op school inzetten om financiële begeleiding aan studenten met geldzorgen te bieden.
Zijn er acties ondernomen naar aanleiding van de resultaten van Europees onderzoek dat in januari 2022 met de Kamer is gedeeld waaruit blijkt dat studenten eerder op zichzelf gaan wonen als hun ouders een krappe portemonnee hebben, en studenten op kamers weer vaker financiële zorgen dan thuiswoners hebben?34
Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen die de financiële situatie van uitwonende studenten hebben verbeterd. In studiejaar 2023–2024 is de basisbeurs opnieuw ingevoerd voor hbo- en wo-studenten, waarmee zowel
thuiswonende als uitwonende hbo- en wo-studenten een hogere bijdrage van de overheid ontvangen. Daarnaast is vanaf 1 januari 2026 de leeftijdsgrens voor de huurtoeslag verlaagd van 23 naar 21 jaar. Hierdoor komt een groter deel van de uitwonende studenten in aanmerking voor huurtoeslag. Deze maatregelen hebben de financiële situatie van uitwonende studenten flink verbeterd.
Deelt u de mening dat de financiële situatie van ouders geen invloed zou mogen hebben op de studieperiode van hun kinderen?
Studeren moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de financiële situatie van de ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om een financiële bijdrage te leveren, dan hebben studenten recht op een aanvullende beurs, naast de basisbeurs. Minderjarige mbo bol-studenten kunnen een tegemoetkoming krijgen uit het mbo-studentenfonds, als ze onvoldoende middelen hebben om lesmiddelen aan te schaffen.
Is een basisbeurs van 130,21 euro per maand voor thuiswonenden en 324,52 euro per maand voor uitwonenden wat u betreft voldoende om de kosten te dekken, zeker met de stijgende kosten voor huur- en levensonderhoud? Deelt u de mening dat een bijbaan dit verschil niet zomaar kan overbruggen?
In het antwoord op vraag 4 gaf ik al aan dat de kosten van studie en levensonderhoud van studenten worden gedragen door de student, ouders en de overheid. Uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 bleek verder dat ongeveer 90% van de studenten aangeeft financieel (goed) rond te kunnen komen. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2024 in de Kamerbrief over de financiële positie van studenten7 – op basis van de voorbeeldbegrotingen8 van het Nibud voor uitwonende studenten – geconcludeerd dat deze studenten in principe over voldoende middelen beschikken om in de minimale kosten van studeren en levensonderhoud te voorzien. Daarbij is wel uitgegaan van de gemiddelde kamerhuur, dat studenten een bijbaan hebben en een bijdrage van de ouders of aanvullende beurs ontvangen. Voor studenten die niet werken of een veel hogere huur betalen kan het lastiger zijn om in die kosten te voorzien.
In 2026 zal het Nibud opnieuw een Studentenonderzoek uitvoeren en de voorbeeldbegrotingen aanpassen naar de huidige situatie. Dit onderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd. We blijven daarmee de financiële situatie van studenten monitoren.
Welke stappen onderneemt u of gaat u ondernemen om de geldstress onder jongeren en studenten naar beneden te brengen?
Zie het antwoord op vraag 4. De aanpak van geldzorgen van jongeren is onderdeel van het Nationaal Programma Armoede en Schulden. In de voortgangsrapportage over dat programma, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, wordt uw Kamer op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen.
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel «Grote drukte bij notariskantoren: meer akten met minder notarissen»1, waarin wordt beschreven dat de vraag naar notariële diensten sterk toeneemt terwijl het aantal notarissen achterblijft?
Ja.
Herkent u het geschetste beeld dat notariskantoren te maken hebben met structurele drukte en personeelstekorten, en welke gevolgen ziet u hiervan voor burgers en ondernemers die afhankelijk zijn van tijdige notariële dienstverlening?
Ja, dit beeld herken ik. Uit de praktijk herken ik signalen dat notariskantoren te maken hebben met toenemende drukte en personeelstekort. Ik wil benadrukken dat een aantal producten in het notariaat een sterke conjuncturele fluctuatie kennen. De voorzienbare gevolgen van de structurele drukte, in combinatie met personeelstekorten, zijn dat burgers en ondernemers te maken zullen krijgen met langere wachttijden. Recent is het WODC-onderzoek «Staat van het Notariaat II» uitgevoerd. Dit rapport bied ik in Q1 aan uw Kamer aan. Een inhoudelijke reactie hierop zal op een later moment aan uw Kamer worden aangeboden.
Welke risico’s ziet u voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van notariële diensten als deze ontwikkeling zich de komende jaren doorzet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zal het WODC-onderzoek naar de staat van het notariaat op korte termijn aan uw Kamer worden aangeboden. In dit rapport wordt gekeken naar de ontwikkelingen van het aanbod in de notariële dienstverlening. Op basis van deze informatie kan beter worden bezien in welke mate er sprake is van risico’s voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de notariële diensten. In algemene zin heb ik geen reden om aan te nemen dat de kern van de notariële dienstverlening en rechtszekerheid onder druk staat. Het is niet ondenkbaar dat, mede afhankelijk van de conjuncturele ontwikkelingen in het werkveld, de wachttijd in individuele gevallen op kan lopen. Dit kan met name gebeuren in verband met de eindejaarsdrukte die zich jaarlijks in de notariële praktijk voordoet. Ten aanzien van de betaalbaarheid van de notariële diensten, blijft de marktwerking leidend. Voor particulieren met een lage draagkracht bestaat tot slot ook de optie tot een wettelijke financiële tegemoetkoming.2
Deelt u de opvatting dat een verandering in de manier van werken binnen het notariaat noodzakelijk is en dat digitalisering daarbij een wezenlijk onderdeel van de oplossing kan zijn? Zo ja, hoe ziet u die rol van digitalisering concreet voor zich; zo niet, waarom niet?
Deze opvatting deel ik gedeeltelijk. Enerzijds dient het notariaat, net zoals iedere beroepsgroep, mee te gaan met het digitaliseren van werkprocessen. Anderzijds blijft de dienstverlening van het notariaat gericht op het bieden van rechtszekerheid en wordt de werkwijze grotendeels bepaald door regelgeving. Dat stelt hoge eisen aan de digitale systemen die het notariaat gebruikt, zodat mensen met vertrouwen hun zaken bij de notaris kunnen blijven regelen. Voor dossierbehandeling maken notariskantoren volop gebruik van de mogelijkheid digitaal gegevens te verifiëren («rechercheren») en digitaal gegevens uit te wisselen met onder meer het Kadaster en het Handelsregister. Tegelijkertijd blijft het ook belangrijk voor notariskantoren dat tijdens een persoonlijk gesprek met cliënten advies en uitleg wordt gegeven. Een persoonlijke afspraak vormt een drempel ter voorkoming van identiteitsfraude en stelt de notaris beter in staat de poortwachtersrol uit te voeren. Ook kan de notaris tijdens een fysieke afspraak de wilsbekwaamheid van cliënten beter beoordelen dan tijdens online contact.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat verdere vertraging in de digitalisering van het notariaat de drukte bij notariskantoren zal verergeren en de toegang tot het recht onder druk zet?
Digitalisering kan, indien dit de werkprocessen effectiever maakt, inderdaad bijdragen aan het verhogen van de arbeidsproductiviteit en dat kan de druk op notariskantoren doen afnemen. De wijze waarop notarissen dit doen verschilt door de ondernemerskeuzes die zij maken en hun kantoor vormgeven, naar gelang hun mogelijkheden, de behoefte van hun cliënten en de marktomstandigheden. Niet ieder kantoor hoeft op dezelfde wijze te digitaliseren. Zo blijft er een divers aanbod van notariële dienstverlening voor verschillende groepen cliënten.
Welke concrete stappen heeft u sinds de toezegging in april 2022 gedaan door toenmalig Minister Weerwind om het juridisch mogelijk te maken om meer typen notariële akten digitaal tot stand te laten komen?2
De afgelopen periode zijn met de KNB de wensen verkend op het gebied van digitalisering en is besproken welke lessen wij kunnen leren van de reeds opgedane ervaringen. Nu wordt verkend op welke wijze het aantal digitale akten uit te breiden is. In de beleidsreactie op het voormelde WODC-rapport zal nader worden ingegaan op de ambities die er ten aanzien van het notariaat zijn voor de komende jaren.
Kunt u toelichten welke typen notariële akten u op korte termijn geschikt acht voor digitaal passeren, en welke waarborgen daarbij noodzakelijk zijn voor identiteit, wilsbekwaamheid en rechtszekerheid?
Op dit moment kan die toelichting nog niet worden gegeven. Met het notariaat wordt zoals reeds aangegeven verkend voor welke soorten notariële akten het digitaal passeren geschikt zou zijn. Daarbij staat voorop, dat het notariaat kan blijven voldoen aan de hoge eisen die nu worden gesteld aan de rechtszekerheid, integriteit en betrouwbaarheid.
Dient er een voorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt te komen om digitaal passeren van (meer of alle) akten mogelijk te maken?
De akte van oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.) kan op grond van de wet al digitaal worden opgericht. Als uit voormeld beleidstraject blijkt dat het wenselijk is voor méér of alle soorten akten het digitaal passeren mogelijk te maken, is wijziging van de Wet op het notarisambt noodzakelijk. Daarnaast zal ook andere wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Wilt u de Kamer informeren over een concreet tijdpad waarbinnen verdere digitalisering van het notariaat wordt gefaciliteerd en geïmplementeerd?
Verdere digitalisering van het notariaat moet worden beschouwd in samenhang met de digitaliseringstrajecten van andere organisaties binnen het juridische domein en de implementatie van Europese regelgeving, met name de Digitaliseringsverordening en de verordening «eIDAS 2.0»4. Uw Kamer is door middel van de BNC-fiches hierover reeds geïnformeerd en wordt daarvan op de hoogte gehouden. Bij een beleidsreactie op het voornoemde WODC-rapport zal ook nader worden ingegaan op de ontwikkelingen in het notariaat. De aanbieding van deze reactie kan naar verwachting nog in het tweede kwartaal plaatsvinden.
Op welke wijze betrekt u notarissen, beroepsorganisaties en gebruikers van notariële diensten bij de uitwerking van deze digitaliseringsslag, zodat deze bijdraagt aan zowel verlichting van de werkdruk als behoud van kwaliteit en vertrouwen?
Uiteraard is er vanuit het ministerie regulier contact met de KNB als publiekrechtelijke beroepsorganisatie voor het notariaat. Hierin wordt onder meer stilgestaan bij de wensen voor verdere digitalisering en vormen de werkdruk en behoud van vertrouwen belangrijke aandachtspunten. Ook is er, zoals onder 9 vermeld, contact met meerdere organisaties in het juridische domein over digitalisering in het licht van kwaliteit en vertrouwen in het rechtsverkeer.
Het bericht dat Curaçao wordt gebruikt als doorvoerhaven voor Venezolaanse olie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat een tanker met Venezolaanse olie recent is aangemeerd bij Curaçao voor tijdelijke opslag, en zo ja, welke hoeveelheden zijn betrokken en in wiens opdracht gebeurt dit?1
Hoe beoordeelt u de uitspraak van premier Pisas dat deze ontwikkeling een «buitenkansje» is voor Curaçao?
Bent u vooraf geïnformeerd over de aankomst en opslag van Venezolaanse olie op Curaçao? Zo ja, wanneer en door wie?
Deelt u de mening dat de oliehandel via Curaçao het signaal afgeeft dat schendingen van internationaal recht door de illegale acties van de VS geen gevolgen hoeven te hebben zolang economische belangen spelen?
Hoe voorkomt u dat Nederlandse bedrijven economisch profiteren van een situatie die is ontstaan door illegale interventie van de VS in Venezuela?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao structureel wordt gepositioneerd als fossiele doorvoerhub? Acht het kabinet dit in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de EU-klimaatdoelstellingen? Zo nee, wat doet het kabinet om het structureel inbedden van een fossiele doorvoerhaven te voorkomen?
Bent u bereid om met Curaçao in gesprek te gaan over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag, en die niet het gevolg zijn van een illegale interventie door de VS? Zo ja, welke concrete stappen zijn daarvoor voorzien?
Acht u het wenselijk dat Curaçao zich profileert als doorvoerhaven voor fossiele olie, terwijl Nederland zich internationaal uitspreekt voor klimaatdoelen, afbouw van fossiele afhankelijkheid en het beperken van de macht van olie-exporterende staten?
Hoe verhoudt het faciliteren van de doorvoer en opslag van Venezolaanse olie via Curaçao zich tot het Nederlandse beleid om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en olie-exporterende staten te verminderen, en tot de inzet op strategische energie-onafhankelijkheid?
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Er zijn geen precieze cijfers over het aantal jongeren dat verslaafd is geraakt aan online gokken sinds 2021. In 2024 was 18% van het aantal mensen dat in behandeling is voor gokverslaving jonger dan 25 jaar.2 Dat vind ik zorgelijk. Jongeren, in het bijzonder minderjarigen, behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Daarom is mijn beleidsinzet er in het bijzonder op gericht om jongeren beter te beschermen tegen de risico’s van gokken.
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uitgesloten dat de legalisering, naast andere factoren zoals toegankelijkheid van online diensten, heeft bijgedragen aan de normalisering van online gokken. Het is bekend dat er in de afgelopen jaren meer jongeren, waaronder minderjarigen, online zijn gaan gokken.3 Om dit tegen te gaan zetten de Kansspelautoriteit (Ksa) en ik in op voorlichting over de risico’s van online gokken en het tegengaan van normalisering van deelname aan risicovolle kansspelen.
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Denormalisatie is een complex proces waarbij onder andere de sociale omgeving een belangrijke rol speelt.4 Bewustwordingsactiviteiten kunnen eraan bijdragen om jongeren en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van sportweddenschappen en hen te laten nadenken of deelname aan deze kansspelen verstandig is. Met dit doel heeft de Ksa bijvoorbeeld al een campagne opgezet vanuit het Verslavingspreventiefonds rondom de sportzomer in 2024. In 2026 zet de Ksa via het Verslavingspreventiefonds opnieuw in op bewustwordingscampagnes. Ook worden bestaande campagnes, bijvoorbeeld de campagne om aandacht te vragen voor de Gokstop, verder uitgebreid. Daarnaast heeft de Ksa in september 2025 het consumentenplatform OpenOverGokken gelanceerd, een platform waar verschillende doelgroepen terechtkunnen voor informatie over gokken én voor informatie over hulp bij problemen door gokken. Begin van dit jaar is de publiekscampagne van OperOverGokken begonnen. Deze activiteiten maken ook onderdeel uit van de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade die op dit moment in ontwikkeling is. Preventie ten aanzien van minderjarigen en jongvolwassenen vind ik daarbij van bijzonder groot belang. Voetbalclub Roda JC heeft, in samenwerking met de Ksa, het initiatief genomen voor de campagne «Wat kost je winst»?. De club vraagt daarmee aandacht voor het feit dat jongeren het steeds normaler vinden deel te nemen aan sportweddenschappen en de gevolgen daarvan. Eenmalig speelden de spelers met «min-rugnummers».5 Ik juich dit initiatief van harte toe.
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de KNVB geen formele verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen en tegengaan van gokverslaving onder jonge jongens kan zij hier als maatschappelijke organisatie wel een rol in spelen, bijvoorbeeld in de keuze om al dan niet een overeenkomst aan te gaan met een kansspelaanbieder. In dat kader merk ik op dat sportsponsoring door loterijen toegestaan is. Tegelijkertijd betekent het feit dat iets volgens de wet mag, niet dat die wettelijke ruimte moet
worden benut. Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen zie ik geen aanleiding om hier een gesprek met de KNVB over te voeren.6
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven is normalisatie van online gokken een complex proces waarbij de sociale omgeving een belangrijke factor is. Reclame speelt ook een rol. Als het gaat om reclame in de online omgeving moet daarnaast in aanmerking worden genomen dat deze op dit moment voor een groot deel bestaat uit reclame voor illegaal aanbod. Dan gaat het om reclame via social media zoals Facebook of TikTok onder andere door influencers. Het bestrijden van dat soort ongewenste reclames wordt niet geraakt door de maatregelen in het reguleren van de reclame voor het legale aanbod. Hiervoor is meer inzet op handhaving van illegaal aanbod nodig. Bij de afweging hoe verstrekkend een reclameverbod voor vergunde online kansspelen moet zijn moet hiermee rekening worden gehouden.
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
De inzet van rolmodellen, zoals influencers, bij reclame voor vergunde online kansspelen is verboden. De Ksa heeft in dat kader recentelijk een aanbieder aangesproken.7 Reclame door influencers voor illegaal aanbod is uiteraard ook verboden. De Ksa houdt toezicht en treedt op tegen overtredingen. De Ksa heeft eerder influencers die reclame maakten voor een illegale kansspelaanbieder een last onder dwangsom opgelegd.8 In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar extra richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
De Ksa treedt op in het geval dat een vergunde kansspelaanbieder niet voldoet aan de strenge eisen voor leeftijdsverificatie. In gevallen dat de leeftijdsverificatie omzeild wordt bij legale aanbieders gebeurt dit echter vaak via accounts van volwassen kennissen, familie en vrienden. Bij het illegale aanbod kan de leeftijdsverificatie volledig ontbreken of niet voldoende worden gedaan. Daarom vind ik het belangrijk om juist ook in te zetten de aanpak van illegaal aanbod en op denormalisatie van online gokken bij minderjarigen, zodat zij überhaupt niet online willen gaan gokken.
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Cijfers over het aantal mensen dat kampt met specifiek een online gokverslaving zijn er niet. Het aantal mensen in behandeling voor gokverslaving is opgenomen in de Kerncijfers verslavingszorg 2015–2024.9 Na een daling tussen 2018 en 2022 neemt sinds 2023 het aandeel en het aantal personen in de verslavingszorg met als primaire problematiek gokken toe. In 2024 waren 2700 personen in behandeling voor gokproblematiek. Dat deze cijfers zijn gestegen kan verschillende oorzaken hebben. Het is bekend dat het aantal spelers sinds 2021 is toegenomen. Sinds 2021 is er ook meer aandacht voor gokproblematiek en hulp en ondersteuning daarbij.
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Zie antwoord vraag 10.
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
De inzet op bescherming tegen de risico’s van gokken is een speerpunt van mijn beleid. In mijn antwoord op vraag 4 ben ik in gegaan op de inzet om jongeren bewuster te maken van de risico’s van gokken en de beschikbare hulp en ondersteuning.
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Ik vind dat preventieprogramma’s voor online gokken op scholen effectief kunnen zijn. Tegelijkertijd is wel van belang dat dit met zorgvuldigheid wordt vormgegeven om jongeren niet op ideeën te brengen of af te schrikken om hulp te zoeken. Daarom moet naast de jongere zelf ook de omgeving van de jongere worden betrokken bij preventieprogramma’s. Via het Verslavingspreventiefonds dat de Ksa beheert wordt reeds het programma Helder op school uitgebreid met het thema gokken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.
Het lot van de Jezidi’s |
|
Lisa Westerveld (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Beter op straat in Nederland dan terug naar Irak» – nieuw landenbeleid doet de hoop van jezidi’s op asiel vervliegen»?1
Ja.
Bent u het eens met Houman Oliaei, de Amerikaanse antropoloog die in het artikel bewijs aanlevert dat «Irak voor de jezidi’s geen veilige haven is om naar terug te keren»? Zo nee, waarom niet?
Op 27 mei 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Irak. In deze brief is ook ingegaan op de positie van Jezidi's. Op 7 november 2025 is het thematisch ambtsbericht over Irak gepubliceerd. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt niet dat de situatie voor Jezidi’s met het oog op vervolging is veranderd. Voor het kabinet is er op grond van het thematisch ambtsbericht dan ook geen aanleiding om het huidige beleid aan te passen.
Is het kabinet nog dezelfde mening toegedaan als voormalig Minister van Justitie en Veiligheid Yesilgöz «dat er voldoende feiten zijn vastgesteld om te kunnen stellen dat IS zich hoogstwaarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan genocide»?2 Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt nog steeds dezelfde mening en zet zich juist daarom in voor het tegengaan van straffeloosheid van misdrijven begaan door IS-strijders. De Kamer is reeds geïnformeerd over deze inzet in een Kamerbrief (Kamerstuk 27 925, nr. 1016).
Bent u bekend met het feit dat de genocide in 2014 geen geïsoleerd incident was maar dat geweld tegen Jezidi's een terugkerend fenomeen is en dat de bescherming van de Jezidi's in Irak nauwelijks verbeterd is? Erkent u dat erkenning van dit feit een voorwaarde is om dit in de toekomst te voorkomen?
Het kabinet is bekend met de kwetsbare positie van minderheden en ontheemden in Irak, waaronder ook Jezidi’s, en erkent in het verleden vaker te maken hebben gehad met vervolging, met als dieptepunt de systematische aanvallen van IS-strijders tegen de Jezidi-bevolking in 2014. Het kabinet zet middelen in om bij te dragen aan de positie van de Jezidi’s. Ook kaart Nederland dit aan bij de Iraakse autoriteiten, zowel in bilateraal als multilateraal verband.
Is het kabinet nog steeds van mening «dat Jezidi’s in Irak in een kwetsbare positie verkeren»?3 Kunt u toelichten wat deze kwetsbare positie inhoudt?
Het kabinet erkent de kwetsbare positie van Jezidi’s. Veel Jezidi’s zijn nog niet teruggekeerd naar Sinjar, en verblijven in kampen in de Koerdistan Regio Irak. In de ontheemdenkampen zijn de leefomstandigheden moeilijk en zijn basisvoorzieningen beperkt aanwezig. Tegelijkertijd garandeert de Iraakse Grondwet de vrijheid van religie van alle erkende religieuze groepen in Irak, waaronder ook Jezidi’s. De regering van demissionair premier Al-Sudani pleit consistent voor inclusiviteit en non-discriminatie. Ook heeft de regering maatregelen genomen om de positie van Jezidi’s te verbeteren, zoals de goedkeuring van de Yazidi Survivors’ Law en het wettelijk erkennen van landrechten van Jezidi’s in Sinjar. De implementatie van dit beleid vergt tijd. Nederland blijft zich inzetten voor inclusiviteit, non-discriminatie, bescherming en toekomstperspectief van alle minderheidsgroeperingen in Irak.
Ten slotte staat een kwetsbare positie echter niet per definitie gelijk aan vervolging en er is, zoals in antwoord op vraag 2 ook aangegeven, geen informatie dat Jezidi’s op dit moment in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging in Irak.
Bent u van mening dat de VS een cruciale rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen onder Koerdisch gezag en in de wederopbouw van Sinjar?
De hoofdverantwoordelijkheid voor de ontheemdenkampen ligt bij de Iraakse regering. Het kabinet deelt de mening dat de VS met andere donoren, waaronder Nederland, een belangrijke rol speelde in de toegang tot basisvoorzieningen in de ontheemdenkampen en in de wederopbouw van Sinjar.
Deelt u de mening dat het wegvallen van de Amerikaanse steun sinds het aantreden van president Trump de kwetsbare positie van Jezidi’s in Irak nog verder heeft verslechterd? Zo nee, waarom niet?
Het wegvallen van de Amerikaanse steun zet druk op de financiering van de ontheemdenkampen en de daar aangeboden basisvoorzieningen. Het is op dit moment voor het kabinet niet mogelijk om te beoordelen wat de precieze impact is op de positie van Jezidi’s in de ontheemdenkampen.
Bent u bekend met het gebrek aan publieke diensten die beschikbaar zijn voor mensen in Sinjar, inclusief een groot gebrek aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma's als gevolg van de genocide?
Het kabinet is hiermee bekend. Juist daarom steunt het kabinet al meerdere jaren een divers aantal programma’s waarin ook aandacht wordt besteed aan mentale gezondheidszorg voor mensen met trauma’s, waaronder in Sinjar. Deze richten zich bijvoorbeeld door het bieden van psychosociale hulp op het rehabiliteren en re-integreren van vrouwen en kinderen, die slachtoffer zijn geworden van IS. Een voorbeeld is de steun aan Norwegian People’s Aid, gericht op onder meer traumaverwerking en het leveren van psychosociale steun aan onder andere de Jezidi-gemeenschap. In de afgelopen rapportageperiode van dit programma ontvingen 419 vrouwen geestelijke gezondheidszorg. Stigma’s rondom het onderwerp mentale gezondheidszorg zorgen er tegelijkertijd voor dat zelfs wanneer er hulp wordt aangeboden, dit niet altijd wordt aangenomen.
Bent u bekend met het gebrek aan humanitaire hulp en ontwikkelingsgelden om publieke voorzieningen te versterken?
Het gebrek aan beschikbare publieke diensten is een probleem in meerdere gebieden in Irak. In onze diplomatieke contacten vraagt Nederland aandacht bij de Iraakse autoriteiten om de situatie te verbeteren en financiële middelen hiervoor vrij te maken.
Bent u het eens met de constatering van het Thematisch ambtsbericht Irak uit november 2025 dat «88 procent van de binnenlands ontheemden die terugkeerden naar Sinjar onder zware leefomstandigheden» leeft?4 Zo nee, waarom niet?
Ja, ambtsberichten betreffen een feitelijke, neutrale en objectieve weergave van de bevindingen gedurende onderzochte periode.
Bent u het eens met de constatering van datzelfde ambtsbericht dat het terugtrekken van verschillende (internationale) humanitaire hulporganisaties resulteerde in «een gebrek aan basisvoorzieningen, gebrek aan medische zorg, gebrek aan psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen»?
Ja, ambtsberichten betreffen een feitelijke, neutrale en objectieve weergave van de bevindingen gedurende onderzochte periode.
Bent u bekend met het feit dat de Irakese overheid afgelopen mei 19.000 gevangenen, waaronder voormalige leden van IS, heeft vrijgelaten na de aanname van een nieuwe Amnestiewet?5
Het kabinet is bekend met de amendementen op de amnestiewet die afgelopen jaar in Irak zijn aangenomen. De geamendeerde wet biedt kansen op een nieuw proces voor personen die op basis van antiterrorismewetgeving zijn veroordeeld, maar waarbij twijfels zijn over de kwaliteit van het bewijs. Tegelijkertijd speelden er ook zorgen dat de versoepeling ertoe zou kunnen leiden dat (aan IS-geaffilieerde) veroordeelden onterecht vrijkomen. Om die zorgen te adresseren, zijn in de amnestiewet beperkingen opgenomen voor wie deze wet zou gelden, waaronder personen gelinkt aan terroristische misdrijven. Sinds de aanname van de geamendeerde amnestiewet zijn er 41.364 personen6 vrijgelaten uit de gevangenis na het doorlopen van een rehabilitatieprogramma; het is het kabinet echter niet bekend dat zich hieronder ook personen bevinden die veroordeeld waren voor IS-gerelateerde misdrijven.
Ziet u risico’s voor Jezidi’s in Irak na de vrijlating van deze voormalige leden van IS? Zo nee, waarom niet?
De eventuele vrijlating van voormalige leden van IS brengt voor iedereen grotere veiligheidsrisico’s met zich mee, zo ook voor Jezidi’s in Irak. Het kabinet zal dit gezien de huidige ontwikkelingen nauw blijven monitoren en staat hierover in contact met de Iraakse autoriteiten.
Vindt u dat, alles meewegende, de positie van Jezidi’s in Irak dit jaar is verbeterd of verslechterd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet kan op dit moment geen uitsluitend oordeel vellen over of de positie van Jezidi’s is verbeterd of verslechterd. Het kabinet houdt nauw contact met organisaties die belangen van Jezidi’s behartigen en blijft de situatie van minderheden, waaronder Jezidi’s, nauwlettend monitoren.
Wat vindt u van de stelling van de UNHCR, die stelt dat leden van religieuze en etnische minderheidsgroepen uit betwiste gebieden als Sinjar waarschijnlijk internationale bescherming behoeven en oproept hen niet naar hun oorspronkelijke woongebieden terug te sturen?6
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd over het landgebonden asielbeleid voor Irak en de positie van Jezidi's. Er is geen informatie dat Jezidi’s in het algemeen te vrezen hebben voor vervolging, zie ook antwoord 4. Er is voor nu geen reden om daarvan af te wijken.
Gezien al het bovenstaande, deelt u de mening dat in het Nederlandse asielbeleid de beschermingsbehoefte van de Jezidi 's moet worden onderkend en hierbij in aanmerking moet worden genomen dat er in de regel geen sprake is van een redelijk vestigingsalternatief in Irak en dat de Koerdische Autonome Regio niet als «normale woon-en verblijfplaats» geldt voor binnenlands ontheemden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 15. Het binnenlands beschermingsalternatief en de normale woon- en verblijfplaats worden op individuele basis beoordeeld en er is voor nu geen reden om daarvan af te wijken. Nu de wijziging van het landgebonden beleid voor Irak in het algemeen en de Jezidi’s in het bijzonder onderwerp is van hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, kan ik hier op dit moment niet verder op ingaan.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Alle vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Misbruik door turboliquidaties |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op»1, «Fiscus loopt in tien jaar ruim € 1,5 mrd mis door spoorloze ondernemers en plof-bv’s»2 en «Fraude en turboliquidaties in Nederland»3?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Deelt u de analyse dat turboliquidaties in Nederland steeds vaker worden misbruikt om tijd te kopen en verantwoordelijkheid te laten verdampen, waardoor schuldeisers met lege handen achterblijven?
Ik deel deze analyse niet. Waar het jaarlijks aantal turboliquidaties in 2019–2021 circa 40.000 bedroeg en in 2022 zelfs bijna 50.000, is dit aantal in 2024 gedaald tot een totaal van 33.000. Deze daling lijkt verband te houden met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidaties op 15 november 2023.4 Niet bekend is bij hoeveel turboliquidaties sprake is geweest van misbruik. Daarom is ook niet vast te stellen of misbruik is toe- of afgenomen, hoewel uit de praktijk bekend is dat misbruik plaatsvindt.
Hoe komt het volgens u dat inmiddels bijna 80 procent van de ondernemingen, die worden beëindigd, worden opgeheven via een turboliquidatie?
Niet kan worden gezegd dat 80% van de ondernemingen wordt beëindigd door de turboliquidatie. Ten eerste bestaan ondernemingen in verschillende rechtsvormen: met rechtspersoonlijkheid (zoals BV’s en stichtingen) of zonder rechtspersoonlijkheid (zoals eenmanszaken en vof’s). De turboliquidatie kan uitsluitend worden toegepast op rechtspersonen. De groep Nederlandse rechtspersonen is dus kleiner dan de groep Nederlandse ondernemingen. Het WODC-rapport over de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie, dat afgelopen zomer naar Uw Kamer is gestuurd, bevat een data-analyse hierover (hoofdstuk 6). Hieruit volgt, dat de afgelopen vijf jaar tussen de 77% en 86% van alle bedrijfsbeëindigingen van rechtspersonen door een turboliquidatie plaatsvindt. Op de vraag waarom zo’n groot aantal bedrijfsbeëindigingen door de turboliquidatie plaatsvindt, is daarom geen eenduidig antwoord te geven.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de relatieve snelheid en eenvoud waarmee de turboliquidatie kan worden toegepast een reden is waarom het instrument in de praktijk graag wordt gebruikt. De keerzijde zijn de zorgen over misbruik van de regeling, met name als er schulden achterblijven. Zoals vermeld in reactie op vraag 2, is bekend dat de regeling wordt misbruikt, maar is de omvang van dit misbruik lastig vast te stellen.
Klopt de inschatting dat de Belastingdienst de afgelopen tien jaar naar schatting 1,5 miljard euro aan inkomsten is misgelopen door ondernemers die veelal spoorloos verdwijnen na turboliquidaties? Waarom is er vanuit het kabinet niet veel meer actie ondernomen om dit tegen te gaan?
De Belastingdienst herkent de inschatting van 1,5 miljard over de afgelopen tien jaar aan misgelopen inkomsten niet.
In het (tussentijdse) onderzoeksrapport van 21 september 2021 van de Belastingdienst, dat op 11 augustus 2025 door middel van een Woo-verzoek openbaar gemaakt is,5 zijn cijfers opgenomen met betrekking tot openstaande bedragen bij de Belastingdienst ten tijde van bedrijfsbeëindigingen over de jaren 2016 tot en met 2019. Van de circa 1.9 miljard euro aan totale openstaande schuld, zag circa 525 miljoen op de turboliquidatie. De omstandigheid dat een schuld openstaat betekent niet dat sprake is van misbruik of fraude. Ook betekent dit niet dat de schuld bij een andere vorm van bedrijfsbeëindiging wel was voldaan.
Dit betekent overigens niet dat er in het geheel geen maatregelen zijn getroffen. Met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is de transparantie van de regeling vergroot en de rechtsbescherming van schuldeisers verbeterd. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Bestuurders kunnen een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld. Van dergelijke benadeling kan sprake zijn in gevallen van frauduleus handelen.6
Kunt u de interne analyses van de Belastingdienst met de Kamer delen waaruit blijkt dat ruim tweeduizend ondernemers hun bedrijf ophieven, terwijl zij nog voor enkele honderden miljoenen euro’s aan panden, boten of ander bezit hadden?
Deze interne analyses maken onderdeel uit van een onderzoek dat op eigen initiatief door de Belastingdienst is uitgevoerd. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is.7 De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor de wetgeving op het gebied van turboliquidaties. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane is verantwoordelijk voor de Belastingdienst en de gevolgen die turboliquidaties hebben voor de taken op het gebeid van heffen en innen. Vanuit die rol wordt het rapport van de Belastingdienst binnenkort ook met uw Kamer gedeeld door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Wat is er precies gebeurd met het onderzoek dat het ministerie in 2019 is gestart naar de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Waarom is dit nog niet voltooid en wanneer kan de Kamer de onderzoeksresultaten verwachten?
Door een omissie is dit rapport eerder niet openbaar gemaakt. Zie verder graag het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat misbruikers in Duitsland minder snel ongeschonden wegkomen, doordat zij eerder persoonlijke aansprakelijkheid riskeren? Wat kunnen wij hier in Nederland van leren? Zijn er andere landen die ook een «turboliquidatie»-procedure kennen, en zo ja, hoe gaan die landen om met het in de bovengenoemde artikelen geschetste risico op fraude en misbruik?
Duitsland kent een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen. Deze regel beoogt schuldeisers te beschermen tegen benadeling, maar of dit ook wordt gezien als een effectieve prikkel tegen misbruik is mij niet bekend. Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen is onderdeel van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).8 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.9 In de uiteindelijke versie van de richtlijn is een meer flexibele benadering opgenomen, mede dankzij de Nederlandse inzet.10 Tijdens de implementatie van de richtlijn zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Mij is niet bekend in hoeverre instrumenten in andere landen voor eenvoudige bedrijfsbeëindigingen overeenkomen met de turboliquidatie. Naar aanleiding van deze vraag zal ik mij hier nader op gaan oriënteren. De uitkomsten van deze oriëntatie zal ik betrekken bij het opstellen van de permanente regeling, die ik verwacht bij Uw Kamer in te dienen in de eerste helft van 2027.
Deelt u de analyse dat aanscherping van de wet onvermijdelijk is? Bijvoorbeeld voor automatische signalering van herhaald gebruik of zwaardere aansprakelijkheid bij recidive en sancties die echt afschrikken. Welke stappen gaat u zetten om misbruik tegen te gaan?
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft op 12 augustus 2025 een WODC-onderzoek naar de vraag of en zo ja in hoeverre de doelen van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie in de praktijk worden gerealiseerd aan uw Kamer aangeboden.11 In de begeleidende brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het gaat uiteindelijk om het vinden van een juiste balans tussen het faciliteren van relatief laagdrempelige bedrijfsbeëindiging en het aanbrengen van waarborgen om misbruik zoveel mogelijk te voorkomen. Het streven is om Uw Kamer in het tweede kwartaal van dit jaar te voorzien van een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek.
Hoe komt het volgens u dat informatie van de Kamer van Koophandel waar de Belastingdienst van afhankelijk is vaak niet klopt, zoals het FD schrijft? Wat gaat u doen om te zorgen dat deze informatie in de toekomst wel betrouwbaar is?
Het handelsregister is een registratie van de verplichte opgave van gegevens door de daartoe bevoegde natuurlijke personen die bij een rechtspersoon betrokken zijn (art. 19, lid 1 Handelsregisterwet 2007). Hierbij bestaat het risico dat gegevens onjuist of verouderd zijn. De KvK stimuleert ondernemers daarom door middel van campagnes om hun gegevens te controleren en actueel te houden. De KvK heeft verder de bevoegdheid om een gegeven te onderzoeken (art. 34, lid 1 Handelsregisterwet 2007) en te beslissen over wijziging van dat gegeven (art. 34, lid 2 Handelsregisterwet 2007). Voor bestuursorganen geldt bovendien een terugmeldplicht richting de Kamer van Koophandel (KvK) bij gerede twijfel over de juistheid van een authentiek gegeven in het handelsregister of het ontbreken daarvan.
In de bijlage bij de Halfjaarbrief aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit van 19 december 2025 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd dat hij samen met het Ministerie van EZ kijkt naar de verschillende mogelijkheden om de poortwachtersrol van de KvK te versterken.12 Daarnaast zal er vanuit het Ministerie van EZ op korte termijn een voorstel tot wijziging van de Handelsregisterwet in consultatie gaan, waarin onder andere de mogelijkheid voor de KvK tot het delen van signalen wordt vastgelegd. Ook wordt de wettelijke grondslag voor de registratie en publicatie van de verschillende bestaande bestuursverboden geharmoniseerd. Een bestuursverbod leidt altijd tot weigering van nieuwe inschrijvingen voor de duur van het verbod.
Onderschrijft u de conclusie van het WODC in haar onderzoek naar de werking van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie voor rechtspersonen, namelijk dat effectievere handhaving noodzakelijk is om misbruik te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u de handhaving verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens met de in het FD aangehaalde experts die stellen dat het huidige budget van de Belastingdienst om specifiek misbruik van turboliquidaties te onderzoeken een fractie is van wat nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit budget te verhogen?
Bij de invoering van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is de strafrechtelijke handhaving van de verantwoordingsverplichting belegd bij het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst (BEH). Sinds 1 januari 2026 wordt deze taak uitgevoerd door de nieuwe Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI), onderdeel van het Ministerie van Financiën. Vanwege de tijdelijke aard van de wet en de snelheid waarmee implementatie werd verlangd, is voor de maatregelen en de handhaving ervan zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande juridische kaders en de bestaande praktijk. Om die reden is de handhaving van de verantwoordingsverplichting bij turboliquidatie ingepast in de bestaande handhavingspraktijk voor jaarverslaggevingsverplichtingen. De geschatte kosten van de tijdelijke handhavingstaak bij turboliquidatie, waar het budget op is gebaseerd, moeten tegen deze achtergrond worden bezien. Zoals in de memorie van toelichting bij de tijdelijke wet staat vermeld, werden deze geschat op ongeveer 60.000 euro incidenteel voor aanpassing ICT en ongeveer 0,1 mln. euro per jaar voor tijdelijke personele versterking. Deze kosten zijn voldaan uit het budget dat uit de COVID steun- en herstelpakketten beschikbaar is gesteld voor de tijdelijke wet. Dit budget was naar zijn aard tijdelijk, omdat de verwachte effecten van COVID-19 ook tijdelijk zijn. De duur van de wet, twee jaar, was daaraan verbonden. Om de tijdelijke wet te kunnen verlengen per 15 november 2025, is financiering beschikbaar gevonden uit het COVID steun- en herstelpakketten budget dat beschikbaar is gesteld voor de tijdelijke wet. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet tot 15 november 2027 zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien. In het wetgevingstraject om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren, zal het budget voor de uitvoering van deze wet worden betrokken. Het is niet wenselijk om hierop vooruit te lopen met een verhoging van het budget.
Waarom is het mogelijk voor een turboliquidatie te kiezen als er sprake is van schulden? Is het wat u betreft een optie om turboliquidaties alleen nog mogelijk te maken voor volledige lege rechtspersonen, dat wil zeggen zonder bezittingen én zonder schulden? Zo nee, waarom niet?
De turboliquidatieregeling biedt ruimte aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Als turboliquidatie uitsluitend zonder schulden mogelijk zou zijn, dan zou dat meebrengen dat rechtspersonen met schulden altijd in faillissement afgewikkeld moeten worden. Wanneer er niets van waarde te verdelen is, heeft een faillissement niet altijd meerwaarde. Op grond van jurisprudentie moeten bestuurders van rechtspersonen die (vrijwel) geen baten hebben, daarom de turboliquidatie toepassen als zij de rechtspersoon willen beëindigen en niet een faillissementsaanvraag indienen. Meerwaarde is er bijvoorbeeld wel als schuldeisers vermoeden dat er sprake is geweest van onrechtmatig of frauduleus handelen van de bestuurders, als gevolg waarvan zij zijn benadeeld. De curator behartigt de belangen van de gezamenlijke schuldeisers en is erop toegerust de informatie te vergaren die nodig is om dergelijke vermoedens van onregelmatigheden nader te onderzoeken.
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 8, zet ik voor de permanente regeling in op het vinden van een goede balans tussen relatief laagdrempelige bedrijfsbeëindiging en het aanbrengen van voldoende waarborgen om misbruik zoveel mogelijk te voorkomen. Ik houd alle opties nog open om dat doel te bereiken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Fiscaliteit?
Ja, we beantwoorden de vragen voor het genoemde commissiedebat. Voor de bevoegdheidsverdeling op dit dossier verwijs ik u graag naar de beantwoording van vraag 5 en wijs ik verder op het geplande commissiedebat Belastingdienst op 13 maart 2026, mocht u nog nadere vragen willen stellen over de specifieke verantwoordelijkheid van de Belastingdienst en de gevolgen die turboliquidaties hebben voor de taken op het gebied van heffen en innen.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Laat ik voorop stellen dat het onacceptabel is dat drugs in gevangenissen terecht komt. De invoer van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. Voor het verhandelen of het bezit van drugs gelden dezelfde strafrechtelijke normen als buiten de gevangenis. Voor het gevangenispersoneel maar ook voor gedetineerden zelf brengt het veiligheidsrisico’s met zich mee wanneer dit in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) voorkomt. Daarom hanteert DJI een zerotolerancebeleid en wordt er stevig opgetreden.
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
DJI werkt hard om contrabande, waaronder drugs, te voorkomen.
Met een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
Ondanks deze controles komt er drugs de gevangenissen in. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit, controles van de post en gedetecteerde drones.
Mede daarom is de aanpak om contrabande tegen te gaan geïntensiveerd en is er momenteel een taskforce actief om contrabande in PI’s verder tegen te gaan. De taskforce volgt op een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian2. Bij een zestal PI’s worden minimaal zes maanden lang geïntensiveerde controles toegepast. De Kamer wordt overeenkomstig de motie hierover uiterlijk september 2026 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Ik deel de mening dat het problematisch is wanneer drugs voorkomen in PI’s. De invoer en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar, en heeft bij constatering altijd consequenties. Tevens levert het veiligheidsrisico’s op als het gaat om de gezondheid van gedetineerden en medewerkers, en beïnvloeding van gedrag in negatieve zin. Wanneer drugsgebruik voorkomt, en dit herleidbaar is naar een gedetineerde, beslist de vestigingsdirecteur welke disciplinaire straf wordt opgelegd. In regimes waar het toetsingskader promoveren en degraderen geldt, wordt de gedetineerde gedegradeerd naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd. Wanneer drugsinvoer herleidbaar is naar een bezoeker of «invoerder», wordt aangifte gedaan wat kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Dit geldt ook voor bezit.
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
Binnen de Penitentiaire Inrichtingen is verslavingszorg beschikbaar. Het medisch personeel bestaat uit BIG-geregistreerde professionals met kennis van verslavingszorg. Indien de zorgvraag het aanbod van een PI overstijgt kan forensische zorg worden ingezet. Dit is aanvullende ambulante zorg, die wordt ingekocht bij forensische zorgaanbieders, met het doel de kans op terugval in drugsgebruik en hiermee gepaard gaand crimineel handelen te verkleinen. Ook is er aandacht voor scholing voor met name de psychologen binnen PI’s. Tevens zijn er trainingen beschikbaar voor de medewerkers van de inrichtingen via het online leerportaal op het gebied van verslaving.
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Aangetroffen contrabande, waaronder drugs, worden jaarlijks door DJI gepubliceerd.3 Verder worden er steekproefsgewijs urinecontroles uitgevoerd bij justitiabelen. DJI ontvangt de uitslagen van deze urinecontroles van het laboratorium die de controles uitvoert. Verder wordt er momenteel geen gericht onderzoek gedaan naar drugsgebruik- en invoer in Nederlandse gevangenissen. Ik bekijk of en wat de mogelijkheden zijn om drugsgebruik- en invoer in gevangenissen beter in kaart te brengen en wat daarvan de toegevoegde waarde is.
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Ontwikkelingen op de drugsmarkt volgen elkaar snel op en het opsporen van nieuwe psychoactieve stoffen (zoals synthetische cannabinoïden)
is moeilijk. De meeste van deze synthetische drugs worden namelijk niet gedetecteerd door bijvoorbeeld urinecontroles. Daarom investeert DJI in aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. De afgelopen jaren is in meerdere inrichtingen geëxperimenteerd met nieuwe detectietechnologie voor sporenanalyse van verdachte materialen. De eerste resultaten zijn positief. Op basis daarvan schaalt DJI gefaseerd op: inrichtingen kunnen verdachte monsters centraal laten analyseren bij daartoe ingerichte testlocaties.
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
In 2024 zijn er in het gevangeniswezen en vreemdelingenbewaring 3.155 beschikkingen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs, in 2025 ging het om 3.548 beschikkingen.
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 8 volgen de ontwikkelingen op de drugsmarkt elkaar snel op en is en blijft het lastig om synthetische drugs op te sporen, maar investeert DJI daarom in op aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. Dit is nog steeds een grote uitdaging. Voor de vraag over onderzoek verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Op Europees niveau is er vanuit de European Union Drugs Agency (EUDA) al langere tijd aandacht voor de monitoring en behandeling van drugs in gevangenissen. Vanuit Nederland is er nog ruimte voor verbetering als het gaat om monitoring en de aanpak van drugsgebruik in detentie. Van andere landen valt dan ook zeker nog te leren. Er wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de aanpak en zorg rondom drugs te verbeteren in PI’s Voorbeelden en ervaringen uit andere landen worden hierin meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn |
|
Waarom weigert u de aangenomen motie Dobbe1 uit te voeren, waarmee een tweederde meerderheid van de Kamer u verzocht om «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?
Ik begrijp en deel de urgentie die aan deze motie ten grondslag ligt. De uitvoering van moties wordt door het kabinet serieus genomen. Ik heb ervoor gekozen om, binnen het arbeidsmarktbeleid voor zorg en welzijn, een andere route te bewandelen die aansluit bij de beschikbare middelen en eerder gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Op basis daarvan is samen met het veld een landelijke inzet voorbereid gericht op loopbaanoriëntatie en zichtbaarheid van zorg en welzijn. Zie ook de beantwoording van de vragen hierna.
Waarom bent u niet bereid om een wervingscampagne op te zetten voor de zorg, terwijl de personeelstekorten in de zorg één van de grootste problemen in Nederland is?
Ik deel de analyse dat de personeelstekorten in zorg en welzijn urgent zijn. Tegelijkertijd vergt effectieve werving in deze sector een aanpak die recht doet aan de grote diversiteit van beroepen, het regionale karakter van de arbeidsmarkt en de decentrale organisatie van werkgevers. Er is daarom samen met sociale partners gewerkt aan een gerichte inzet die zich richt op instroom, behoud en herintrede, op een manier die duurzaam, uitvoerbaar en realistisch is. De uitvoering van deze inzet is momenteel in voorbereiding en sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren binnen de sector.
Erkent u dat het feit dat uw ministerie niet rechtstreeks de werkgever is van zorgverleners het niet onmogelijk maakt om een wervingscampagne op te zetten?2
Dat erken ik. Tegelijkertijd acht ik het van belang om bij de opzet van landelijke wervingsinspanningen goed aan te sluiten bij de autonomie en verantwoordelijkheid van werkgevers en sectorale organisaties. Individuele werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor de werving van voldoende personeel. Ik zie dat zorg- en welzijnsinstellingen op lokaal en regionaal niveau grote inspanning leveren op dit vlak. Het is mijn rol om hen daar op landelijk niveau, in overleg met sociale partners en andere betrokken partijen, zo goed mogelijk bij te ondersteunen. Om die reden is ervoor gekozen om in nauwe samenwerking met betrokken partijen toe te werken naar een initiatief dat zowel landelijk herkenbaar als regionaal toepasbaar is.
Deelt u de mening dat het wel of niet opzetten van een wervingscampagne voor de zorg, terwijl er ook in andere sectoren personeelstekorten zijn, een politieke keuze is die een ruime meerderheid van de Kamer al heeft gemaakt? Zo ja, waarom maakt u deze weging dan eigenhandig opnieuw?
Het kabinet weegt aangenomen moties zorgvuldig en voert deze in beginsel uit. Tegelijkertijd is er sprake van een bredere arbeidsmarktdynamiek: ook in andere (semi-)publieke sectoren zijn personeelstekorten. Dat vraagt om doordachte keuzes in communicatie en werving. Mijn ministerie staat daarom, gecoördineerd door het Ministerie van SZW, in nauw contact met andere departementen als het gaat om afstemming en samenwerking tussen sectoren om de arbeidsmarkttekorten in Nederland het hoofd te bieden. Een landelijke wervingscampagne voor de sector zorg en welzijn past niet in de lijn die eerder kabinetsbreed is afgesproken, noch is deze wens financieel en uitvoeringstechnisch haalbaar.
De brede oproep van de Kamer om werk te maken van de instroom in de sector zorg en welzijn neem ik serieus en heb ik daarom nadrukkelijk meegenomen in de gesprekken die ik hierover voer met het veld. Zoals eerder toegezegd in de stand van zaken brief voor het kerstreces3, breng ik uw Kamer op de hoogte van de uitkomst van deze gesprekken.
Er is brede steun vanuit het veld om meerjarig te investeren in het voortzetten en integreren van bestaande loopbaaninstrumenten. Dit is afgesproken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De betrokken partijen hebben recent ingestemd met het reserveren van 4,6 miljoen euro per jaar voor dit doel. Hiermee wordt nog dit jaar een landelijk loopbaanplatform gelanceerd waarop studiekiezers, studenten, werkenden, zij-instromers en herintreders terecht kunnen voor betrouwbare informatie en persoonlijk advies om een volgende loopbaanstap te zetten richting zorg en welzijn. De lancering van dit platform gaat gepaard met landelijke publiekscommunicatie om zoveel mogelijk mensen uit de doelgroep te bereiken. Deze keuze heb ik niet opnieuw of eenzijdig gemaakt, maar in overleg met sociale partners en AZWA-partijen voorbereid. Daarbij is het doel van de motie overeind gebleven: meer mensen enthousiasmeren voor werken in zorg en welzijn. Het middel om tot dit doel te komen is aangepast aan wat uitvoerbaar is binnen de huidige financiële en organisatorische ruimte.
Vindt u ook niet dat het ondemocratisch is om als dubbeldemissionair Minister, namens een coalitie die rust op 17% van de Kamer, een heel duidelijke, simpele en uitvoerbare wens van 101 Kamerleden naast u neer te leggen?
De demissionaire status van het kabinet doet niets af aan het uitgangspunt dat moties van de Kamer serieus worden genomen en in beginsel worden uitgevoerd. Dat geldt ook in dit geval. Zoals eerder aangegeven, is het financieel en uitvoeringstechnisch niet haalbaar om op korte termijn een grootschalige wervingscampagne op te zetten. Ik deel daarom niet de opvatting dat dit een heel simpele en op korte termijn uitvoerbare wens is.
De opzet en uitvoering van een grootschalige wervingscampagne zoals bij Defensie kost tientallen miljoenen euro’s per jaar4. Het amendement van het lid Van Zanten over middelen beschikbaar stellen voor een publiekscampagne werken in de zorg is tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar verworpen5. Met de hoogte van deze eenmalige middelen was het bovendien ook niet mogelijk geweest om een grootschalige wervingscampagne succesvol op te zetten en uit te voeren. Een overheidscampagne vergt immers, afhankelijk van de beschikbare input, de kennisbasis en de mate waarin doel, doelgroep en boodschap vooraf scherp zijn, vaak een aanzienlijke voorbereidingstijd. Zeker wanneer het gaat om het ontwikkelen van een nieuwe campagne (en niet het herhalen van bestaande uitingen) wordt in de praktijk vaak uitgegaan van een voorbereiding in de orde van grootte van grofweg acht tot twaalf maanden; in sommige gevallen kan dit ook richting een jaar of langer lopen (onder meer door onderzoek, conceptontwikkeling, inkoop/aanbesteding, productie, toetsing en bestuurlijke afstemming). Daarbij is het nog maar de vraag of de voorgenomen wervingscampagne voldoende bijdraagt aan het beleidsdoel en of de investering zich daarmee laat rechtvaardigen. Om die reden kies ik voor een ander middel dan een overheidscampagne. Ik verwacht daarmee recht te doen aan de geest van de motie én aan de uitvoeringspraktijk in het veld.
Wat betekent een aangenomen motie voor u? Is dat enkel een suggestie die u alleen uitvoert als u het er toevallig mee eens bent? Of bent u ook bereid om voorstellen uit te voeren waar u zelf niet achter staat, als de Kamer u daartoe oproept?
Een aangenomen motie beschouw ik als een opdracht aan het kabinet, die ik serieus neem. Tegelijkertijd vraagt elke motie om nadere interpretatie in de context van de uitvoerbaarheid, juridische kaders en betrokkenheid van partijen. Dat betekent dat de precieze vorm van uitvoering soms wordt ingevuld in overleg met het veld, zodat maatregelen niet alleen wenselijk maar ook werkbaar zijn. Dat is hier ook het geval.
Bent u bereid om alsnog een wervingscampagne op te zetten voor de zorg?
Ik ben bereid en reeds doende om, in samenwerking met sociale partners en AZWA-partijen, toe te werken naar een landelijke inzet die gericht is op het versterken van de zichtbaarheid van zorg en welzijn als aantrekkelijke loopbaankeuze. Kern van deze inzet is de ontwikkeling van een breed loopbaanplatform, dat mensen ondersteunt bij het oriënteren op, instromen in en doorgroeien binnen zorg en welzijn. Daarmee draagt het niet alleen bij aan instroom, maar ook aan behoud en herintrede, precies de plekken waar de personeelsopgave het meest knelt. Dit landelijke loopbaanplatform betreft bovendien een unieke samenwerking waarin alle branches binnen de sector zijn aangesloten; van zorg tot welzijn. Op die manier ontstaat voor het eerst een gezamenlijke basis met betrouwbare informatie voor iedereen die (weer) in de sector wil werken.
Een landelijke wervingscampagne op de schaal van Defensie is op dit moment niet haalbaar, gezien de voorbereidingstijd, uitvoeringscomplexiteit en financiële impact die kan oplopen tot tientallen miljoenen euro’s per jaar. De gekozen route is beter uitvoerbaar binnen de beschikbare middelen, beter passend bij de structuur van de sector, en naar verwachting effectiever doordat zij gedragen wordt door het veld. De voortgang van deze inzet zal actief worden gemonitord, zodat indien nodig kan worden bijgestuurd.
Ik zal uw Kamer vanzelfsprekend op de hoogte houden van de vorderingen van het nieuwe loopbaanplatform. Ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak, hoewel anders van vorm dan in de motie verzocht, recht doet aan de kern: méér mensen enthousiasmeren en behouden voor het werk in zorg en welzijn.
Berichten op sociale media over het vrijlaten van jihadistische strijders uit voorheen door de SDF bewaakte detentiefaciliteiten |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten op sociale media dat door de recente transitie in Syrië en de verschuivende gezagsverhoudingen in het noordoosten van het land, jihadistische strijders uit voorheen door de Syrian Democratic Forces (SDF) bewaakte detentiefaciliteiten zijn vrijgelaten of ontsnapt?1
Ja, het kabinet is bekend met deze zorgelijke berichten. De situatie in noordoost-Syrië is in de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest, waarbij ook veel onjuiste informatie online is gedeeld. Zekerheid over aantallen en verantwoordelijkheid kan in dit stadium niet gegeven worden. Er circuleren verschillende berichten dat er aan IS-gelieerde personen in Syrië zijn ontsnapt en ook weer, deels, zouden zijn opgepakt.
Kunt u bevestigen of de instabiliteit tijdens de machtswisseling in Damascus direct heeft bijgedragen aan een beveiligingsvacuüm in de regio's waar IS-gevangenen werden vastgehouden? Hoe beoordeelt u de risico's hiervan voor de nationale veiligheid van Nederland en de Europese Unie (EU)?
De machtswisseling in Damascus zelf, die zich in december 2024 voltrok, lijkt niet direct van invloed te zijn geweest op de huidige veiligheidssituatie in noordoost-Syrië. Wel is het zo dat de situatie direct wordt beïnvloed door de recente conflicten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) rond de integratie van laatstgenoemde in de Syrische staat. Bij gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in de afgelopen periode is sprake geweest van een zorgelijke veiligheidssituatie, met name in de kampen en detentiecentra waar zich voormalig ISIS-strijders en hun familieleden bevinden. Bemoedigend in het kader van een stabilisering van de situatie is de – op 30 januari jl. overeengekomen – overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF; onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren.
Daar het kabinet zich al langer zorgen maakt over de veiligheidssituatie in Syrië en de mogelijke impact daarvan op de Europese en nationale veiligheid, is onder andere vorig jaar EUR 7 miljoen extra vrijgemaakt om repatriëring en re-integratie van Iraakse terugkeerders in Irak mogelijk te maken. Hiermee wordt de druk op de kampen verlicht.
Met alle betrokken nationale- en internationale partners houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen kan treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op dit punt zijn ook alle nationale- en internationale partners alert en staan met elkaar in contact.
Hoe weegt u de algemene hervormingsagenda van de regering onder Ahmad al-Sharaa? Ziet u op dit moment voldoende bewijs dat Damascus een koers vaart die leidt tot duurzame vrede en een inclusieve samenleving, als voorwaarde voor verdere normalisatie?
In het afgelopen jaar heeft de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda gepresenteerd die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden, zowel ten tijde van het Assad-regime als daarna. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zullen worden.
Dit zijn belangrijke eerste stappen, waarbij het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. Het kabinet spreekt de overgangsregering dan ook consequent aan op haar verantwoordelijkheden op deze gebieden. In EU-verband benadrukt het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder,2 dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat zodoende sprake is van voorwaardelijke steun.3
Wat is uw visie op het proces waarbij de SDF worden geïntegreerd in de nationale defensiestructuren? Deelt u de zorg dat deze «absorptie» niet mag leiden tot de ontmanteling van de seculiere waarden en de unieke operationele expertise van de SDF?
Het kabinet volgt dit proces op de voet. De recentelijke gevechten tussen het Syrische leger en de SDF laten zien dat dit een onvoorspelbaar en complex proces is. In algemene zin kan integratie van de SDF in het Syrische leger bijdragen aan een grotere stabiliteit en meer vertrouwen in het Syrische veiligheidsapparaat bij de Syrische bevolking. Een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtsstatelijke garanties voor alle Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, blijft het uitgangspunt van het kabinet.
In hoeverre is er volgens uw informatie sprake van druk vanuit Turkije om de Koerdische autonomie binnen de nieuwe Syrische staatsstructuur volledig te beëindigen? Hoe streeft Nederland diplomatiek naar een balans tussen de veiligheidsbelangen van een NAVO-bondgenoot en de bescherming van de Koerdische bondgenoten?
Turkije is geen voorstander van Koerdische autonomie binnen de Syrische staatsstructuur en heeft zich uitgesproken voor integratie van alle groepen en individuen in deze structuur.
Zoals genoemd bij de beantwoording van vraag vier, blijft een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtstatelijke garantie voor de Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, het uitgangspunt voor dit kabinet. Deze boodschap draagt het kabinet ook uit, inclusief in contacten met de Turkse autoriteiten.
Op welke wijze monitort de Nederlandse regering de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten en de bescherming van religieuze en etnische minderheden zoals de Koerden, Alawieten en Druzen ter plaatse, en in hoeverre is de mate van verdere diplomatieke erkenning van de Al-Sharaa regering afhankelijk van de institutionele borging van deze rechten?
Het kabinet monitort de naleving van mensenrechten in Syrië nauwgezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld via onze steun aan het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Daarnaast zet Nederland via het beleidskader FOCUS en het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» gericht in op de bescherming van religieuze en etnische minderheden, waaronder Koerden, Alawieten en Druzen.
Kunt u toelichten in hoeverre de recente ontwikkelingen, zoals de druk op de SDF-structuren en de berichten over de onveiligheid in IS-detentiefaciliteiten, zich verhouden tot het besluit om EU-sancties te versoepelen? Is deze versoepeling volgens u gestoeld op de verwachting van verdere hervormingen, en op welke wijze wordt geborgd dat deze verlichting niet contraproductief werkt voor de veiligheid van minderheden?
Het kabinet heeft, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, aangezien economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid. Daar zijn alle Syrische gemeenschappen bij gebaat. Tegelijkertijd hebben wij ons binnen de EU juist hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken van deze misdaden te treffen, en niet de bredere Syrische bevolking of economie. Daarnaast zet het kabinet zich in de EU in voor voorwaardelijke steun aan Syrië, waarbij concrete stappen van de Syrische overgangsregering worden verwacht ten aanzien van de huidige politieke transitie en de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen. Recentelijk heeft het kabinet hier wederom in EU-verband aandacht voor gevraagd, in lijn met de motie Stoffer/Ceder.4
Kunt u toelichten hoe de toezegging van het Europese steunpakket van 700 miljoen euro voor Syrië zich verhoudt tot de actuele ontwikkelingen op de grond, zoals de druk op de Koerdische zelfbeschikking en de positie van minderheden, en op welke wijze wordt concreet toegezien op de besteding van deze middelen om te borgen dat deze niet bijdragen aan de verdere marginalisering van deze groepen?
De voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hebben begin 2026 een financieel steunpakket toegezegd van ongeveer 620 miljoen euro voor 2026 en 2027, als onderdeel van het verder versterken van de betrekkingen tussen de EU en Syrië. Dit steunpakket is primair gericht op humanitaire hulp, herstel en stabilisatie, en is vormgegeven met oog voor de positie van kwetsbare groepen, waaronder etnische- en religieuze minderheden.
De EU volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet en betrekt deze bij de geleidelijke en voorwaardelijke inzet van steun. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet recentelijk het belang van deze voorwaardelijkheid benadrukt, waarbij is aangegeven dat mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties zouden moeten hebben.
Daarbij geldt dat de besteding van EU-middelen onderworpen is aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen, waaronder risicobeoordelingen, rapportageverplichtingen en onafhankelijke monitoring. De financiering loopt daarbij tot op heden uitsluitend via VN-organisaties, internationale organisaties en Ngo’s, en dus niet via Syrische overgangsregering. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat EU-steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op harde voorwaarden voor de uitbetaling van de resterende tranches van het steunpakket, specifiek gekoppeld aan de veiligheid en politieke vertegenwoordiging van minderheidsgroepen?
Zie antwoord vraag 8.
Onder welke voorwaarden ziet u Syrië op de lange termijn als een volwaardige partner voor vrede in het Midden-Oosten, en op welke wijze borgt u dat verdere normalisatie van de betrekkingen gelijke pas houdt met de voortgang op het gebied van de rechten van minderheden?
Duurzame voortuitgang op het gebied van veiligheid, inclusiviteit, rechtsstatelijkheid en mensenrechten, waaronder de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, zijn cruciale elementen die onze relatie ten aanzien van de Syrische overgangsregering definiëren en ook richting de toekomst verder zullen bepalen. Op basis van concrete acties op deze gebieden kunnen de betrekkingen met de Syrische overgangsregering gefaseerd – en voorwaardelijk – plaatsvinden, waarbij dit proces steeds afhankelijk zal zijn van concrete en verifieerbare stappen op deze terreinen. Het kabinet volgt dit nauwgezet door voortdurende monitoring en nauwe afstemming met internationale partners en organisaties.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Felix Klos (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
De invloed van de suikertaks op sportsupplementbedrijven zoals XXL Nutrition en de gevolgen voor het Nederlandse ondernemersklimaat. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van Nieuws van de Dag waarin wordt gesteld dat de suikertaks ertoe leidt dat het bedrijf XXL Nutrition overweegt om naar het buitenland te verhuizen vanwege de toenemende regeldruk?1
Ja. Voorafgaand aan de verdere beantwoording wil ik u meegeven dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures niet op individuele gevallen kan ingaan.
Acht u het wenselijk dat steeds meer bedrijven overwegen om Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk?
Nee, ik acht het in beginsel niet wenselijk dat bedrijven overwegen Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk. Uit de meest recente Monitor Ondernemingsklimaat3 blijkt dat het aandeel bedrijven dat overweegt te vertrekken vergelijkbaar hoog is met voorgaande jaren. Wel laten de bevindingen zien dat de plannen van deze bedrijven om daadwerkelijk stappen te zetten concreter en serieuzer worden. Dat acht ik een zorgelijke ontwikkeling.
Het kabinet hecht groot belang aan een gunstig ondernemingsklimaat met optimale randvoorwaarden, want dat is cruciaal voor het succes en groei van bedrijven. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen. Het kabinet zet zich daarom in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vermindering regeldruk, beschikbaarheid van talent of netcongestie. Belangrijk daarbij is dat we met elkaar de urgentie van een sterk ondernemingsklimaat blijven onderkennen en de aanpak van al deze randvoorwaarden hoog op de politieke agenda houden.
In het geval van XXL Nutrition moet suikertaks worden betaald over eiwit- en maaltijdshakes, omdat deze door de overheid worden aangemerkt als «limonade»; bent u het ermee eens dat een eiwitshake – en ook een maaltijdshake – niet gelijk te stellen zijn aan limonade of frisdrank?
De in het bericht genoemde «suikertaks» betreft de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, opgenomen in de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Dit is een belasting op alcoholvrije dranken (in vaste of vloeibare vorm) met een vlak tarief van € 26,13 per hectoliter, ongeacht het suikergehalte van de drank. Op dit moment kennen wij in Nederland geen belasting of heffing op basis van het suikergehalte van een drank. Er is dan ook geen sprake van een «suikertaks».
Onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken worden kort gezegd gearomatiseerde alcoholvrije dranken belast die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.4 Mineraalwater en zuivel- en sojadranken zijn van de verbruiksbelasting uitgezonderd.5 Ook alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat waarvan door aanlenging (bijvoorbeeld met water) alcoholvrije drank kan worden gemaakt, vallen onder de verbruiksbelasting. Eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden gedronken als gearomatiseerde alcoholvrije drank zoals hierboven bedoeld, zijn daarom met verbruiksbelasting belast. Dat over dit soort producten verbruiksbelasting is verschuldigd, is al het geval sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993.6
In de wet wordt dit soort dranken inderdaad gedefinieerd als limonade. In het taalgebruik wordt onder het begrip limonade echter veelal verstaan «verkoelende drank van water, suiker en vruchtensap». In de praktijk zijn er daarom verschillende alcoholvrije dranken die niet bekendstaan als limonade, maar wel onder de definitie van limonade vallen zoals opgenomen in de WVAD. Dit geldt bijvoorbeeld voor alcoholvrij bier, havermelk en, afhankelijk van de samenstelling van de drank, mogelijk ook voor bepaalde maaltijdshakes. Het kabinet is zich bewust van het feit dat het voornoemde kan zorgen voor onduidelijkheden. Mede om die reden heeft het kabinet in het Belastingplan 2026 aangekondigd dat het begrip limonade per 2027 wordt vervangen door «overige alcoholvrije drank».7 Het gaat hierbij om een verduidelijkende, tekstuele aanpassing zonder inhoudelijke gevolgen. Dat gearomatiseerde eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden geconsumeerd als alcoholvrije drank («kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken») worden belast met verbruiksbelasting, verandert hiermee niet. Dit beoogt het kabinet ook niet.
Indien het antwoord op vraag 3 ja luidt, acht u het dan niet rechtvaardiger om eiwit- en maaltijdshakes uit te zonderen van de suikertaks?
Volgens de definitie van de wet zijn eiwit- of maaltijdshakes die zijn bedoeld om gearomatiseerde alcoholvrije dranken te maken die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, belast met verbruiksbelasting. Zoals eerder opgemerkt is dit al sinds 1993 het geval.8 Dit is geen onbedoeld gevolg van de wet.
Op basis van welke juridische basis wordt een eiwitshake momenteel aangemerkt als «limonade» voor de toepassing van de suikertaks?
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3 betreft dit artikel 9, eerste lid van de Wet verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Ook in vaste vorm of als concentraat vallen deze dranken onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zie hiervoor artikel 9, tweede lid, WVAD.
Acht u het wenselijk dat producten die primair bedoeld zijn voor sport en gezondheid onder dezelfde fiscale categorie vallen als frisdrank?
In zijn algemeenheid geldt het advies om water te drinken voor de vochtbehoefte tijdens en na het sporten. Wat betreft producten zoals eiwit- en maaltijdshakes geldt dat deze geen onderdeel uitmaken van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze producten een uitzonderingspositie te geven.
Kunt u inzichtelijk maken of de invoering van de suikertaks daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad op het gezonder maken van de bevolking?
De huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken heeft een vlak tarief ongeacht het suikergehalte van de drank. De belasting heeft dus in zijn algemeenheid geen beoogd effect van het gezonder maken van de bevolking.
Wel wordt momenteel nagedacht over een mogelijke omzetting van de huidige verbruiksbelasting met één vlak tarief voor alle belaste alcoholvrije dranken naar een belasting op basis van het suikergehalte van de drank.9 De beoogde omzetting heeft wel een gezondheidsdoel, namelijk het verminderen van de suikerconsumptie via alcoholvrije dranken. Zoals toegezegd bij de behandeling van de het Pakket Belastingplan 2026 informeert het kabinet uw Kamer medio februari over de te maken keuzes met betrekking tot deze omzetting. De uiteindelijke keuze of wordt overgegaan tot de omzetting laat ik aan een nieuw kabinet of aan uw Kamer.
In hoeverre acht u deze interpretatie in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel, gezien de onduidelijkheid voor ondernemers?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen. Wat betreft terminologie en de producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.10 Het kabinet acht dit dus ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Kunt u aangeven welke extra administratieve lasten de suikertaks met zich meebrengt voor middelgrote en grote producenten van voedingssupplementen?
Op basis van de WVAD geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen de ondernemer een vergunning «Inrichting voor verbruiksbelastinggoederen» (IVV) moet hebben aangevraagd bij de inspecteur. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, geeft de inspecteur deze vergunning af. De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die verschuldigd is of kan worden (het belastingbelang). Voor goederen die zijn uitgezonderd van de verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist.
Producenten van bijvoorbeeld voedingssupplementen die zijn belast met verbruiksbelasting dienen ook aangifte verbruiksbelasting te doen. Vergunninghouders IVV doen periodieke aangifte (maandaangifte).
Bent u het ermee eens dat de suikertaks in de praktijk vooral een middel is gebleken om meer belastinginkomsten te genereren, in plaats van een effectief instrument voor de volksgezondheid?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7, kent de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken primair geen gezondheidsdoelstelling. Er is op dit moment geen sprake van een suikertaks maar van een gelijke belasting van alle belaste alcoholvrije dranken (€ 26,13 per hectoliter).
Hoe rijmt u de suikertaks met uw beleid om oneerlijke concurrentie voor Nederlandse bedrijven tegen te gaan, aangezien diverse andere landen geen suikertaks kennen?
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is een nationale (verbruiks)belasting. Deze belasting is niet op Europees niveau geharmoniseerd zoals de accijns en btw. Buiten de accijns en btw kunnen EU-lidstaten andere indirecte belastingen heffen. De keuze om dergelijke nationale belastingen wel of niet te hanteren, betreft een nationale aangelegenheid waarbij EU-lidstaten verschillende keuzes kunnen maken. Zo heeft Nederland een verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, maar Duitsland niet. Duitsland heeft bijvoorbeeld wel een belasting op koffie, die Nederland niet heeft.
In het genoemde voorbeeld overweegt XXL Nutrition een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de daar ervaren grotere ondernemingsvrijheid; hoe gaat u zorgen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat in Nederland, zodat bedrijven als XXL Nutrition niet vertrekken of juist terugkeren?
Zie antwoord 2
U heeft op 15 december 2025 aangekondigd om vóór de zomer van 2026, 500 regels te willen schrappen die het ondernemen bemoeilijken; valt de suikertaks hier ook onder?2
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken maakt geen deel uit van de eerste 218 regels die ik voor de kerst naar uw Kamer heb gestuurd. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken ligt primair op het terrein het Ministerie van Financiën.
Volgens het item van Nieuws van de Dag zijn tot op heden slechts zeven van de beoogde 500 regels aangepast; hoe verklaart u deze beperkte voortgang?
Dat tot op heden niet alle beoogde 500 regels zijn aangepast, komt doordat de met deze aanpassingen samenhangende wetstrajecten de nodige zorgvuldigheid vereisen en daarmee tijd vergen. Voor 27 van deze regels is de voortgang van regeldrukvermindering wel al beschreven, en de teller laat daarnaast zien dat 191 regels door het kabinet in behandeling zijn genomen om de daarmee samenhangende regeldruk te verminderen. Hiermee is sprake van duidelijke voortgang binnen de nieuwe 500-regel aanpak.12
Hoe bent u concreet van plan om uw doelstelling – het schrappen van 500 regels vóór de zomer van 2026 – alsnog te realiseren?
Doordat het hele kabinet zich heeft gecommitteerd aan de target van 500 regels, hebben we na een paar maanden al de eerste 218 bestaande regels kunnen identificeren waar we regeldruk gaan verminderen. De komende maanden zal het hele kabinet hard blijven doorwerken aan het schrappen en administratief luwer maken van de regels die reeds in kaart zijn gebracht, en het in kaart brengen van meer regels om het target van 500 regels voor de zomer te halen.
Op welke wijze kan deze fractie u ondersteunen bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen, zodat ondernemen in Nederland weer aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven behouden blijven voor Nederland?
Het verminderen en voorkomen van regeldruk is een opgave voor het hele kabinet. Veel regels waar ondernemers last van hebben, liggen op het terrein van mijn collega’s in het kabinet. Kamerleden kunnen in alle commissies van uw Kamer aandacht blijven geven aan dit thema. Hiermee ondersteunt de Kamer het kabinet bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen.