De toename van huiselijk geweld |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor het eerst sinds 2022 meer huiselijk geweld in het Westland» en soortgelijke berichten over een stijging van huiselijk geweld in onder meer Westland, Epe, Arnhem en Alphen aan den Rijn?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Erkent u dat dit geen incidenten zijn, maar een landelijke trend?
Ik herken het beeld dat het aantal meldingen en adviezen dat Veilig Thuis landelijk ontvangt een stijgende trend laat zien. Deze stijging is al enkele jaren zichtbaar. Het is belangrijk om bij deze cijfers een splitsing aan te brengen tussen het aantal adviesvragen en het aantal meldingen. De cijfers van beide categorieën stijgen namelijk niet evenredig: zo is het aantal meldingen in 2025 ten opzichte van 2024 met ongeveer 5% gestegen, terwijl het aantal adviesvragen in dezelfde periode met 16% is gestegen. Een vergelijkbaar verschil was ook in 2024 al zichtbaar ten opzichte van 2023. De snellere groei van het aantal adviesvragen lijkt te laten zien dat Veilig Thuis vaker al in een vroeg stadium wordt betrokken. Mensen zoeken sneller advies bij signalen of twijfel, nog voordat situaties escaleren. Daarbij nemen ook direct betrokkenen vaker zelf contact op met Veilig Thuis voor advies. Deze verschuiving naar de «voorkant» betekent dat Veilig Thuis steeds vaker en eerder meedenkt, adviseert en ondersteunt, zodat betrokkenen waar mogelijk zelf stappen kunnen zetten om de veiligheid te verbeteren en escalatie te voorkomen. Deze trend sluit aan bij de inzet die hierop is gepleegd, bijvoorbeeld met campagnes en het versterken van de adviesfunctie van Veilig Thuis. Een tweede belangrijke nuancering bij deze cijfers is dat de stijging in aantallen niet per definitie hoeft te betekenen dat huiselijk geweld vaker vóórkomt; deze cijfers lijken er vooral op te wijzen dat huiselijk geweld eerder en vaker in beeld komt. Dat is ook precies de inzet geweest van de diverse grootschalige publiekscampagnes van afgelopen jaren. Een causaal verband is hierbij niet te geven, maar de relatief sterker stijgende groei van het aantal adviesvragen ten opzichte van het aantal meldingen lijkt hier wel sterk op te wijzen.
Klopt het dat in ongeveer de helft van de gevallen sprake is van kindermishandeling?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat in de helft van de gevallen daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Het gaat hierbij om signalen en vermoedens en niet om vastgestelde kindermishandeling. Ongeveer de helft van alle meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis heeft betrekking op vermoedens van kindermishandeling. Dit percentage is de afgelopen jaren stabiel gebleven. De totale aantallen laten zien dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen toeneemt. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 kan dit duiden op een ontwikkeling waarbij signalen eerder worden opgepakt en Veilig Thuis vaker in een vroeg stadium wordt betrokken om mee te denken en te adviseren.
Klopt het dat ook ouderen (65+) steeds vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing binnen de huiselijke sfeer?
Op basis van de cijfers van Veilig Thuis kan niet worden vastgesteld dat ouderen (65+) vaker slachtoffer zijn van mishandeling en verwaarlozing. Wel is zichtbaar dat het aantal meldingen van huiselijk geweld in de brede zin is toegenomen. Ouderenmishandeling vormt daarin een relatief klein deel van het totaal en er zijn geen aanwijzingen dat dit aandeel sneller stijgt. De cijfers hebben betrekking op meldingen en adviezen en geven daarmee inzicht in hoeveel gevallen in beeld komen, niet in de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Hoe groot is het aandeel partner- en ex-partnergeweld in de meldingen bij Veilig Thuis?
Het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld bedroeg in 2025 53.485. Op een totaal van 136.325 meldingen, bedraagt het aantal meldingen van (ex-)partnergeweld daarmee 39 procent.
In hoeveel van de 25 Veilig Thuis-regio’s stijgen de cijfers momenteel?
Het aantal meldingen is in 2025 ten opzichte van 2024 in acht Veilig Thuis regio’s gedaald en in zeventien Veilig Thuis regio’s gestegen. Het aantal adviesvragen is in dezelfde periode in twee regio’s gedaald en in drieëntwintig regio’s gestegen.
Hoe verklaart u deze brede stijging bij kinderen, partners én ouderen ondanks jarenlang beleid?
Zoals toegelicht bij vraag 2 is er een verschil tussen de stijging in aantal meldingen en het aantal adviesvragen en dienen de cijfers met nuance te worden bezien. De stijging kan niet aan één specifieke oorzaak worden toegeschreven. Deze kan mogelijk samenhangen met verbeterde signalering, een grotere bereidheid van professionals en burgers om te melden en/of advies te vragen en een toegenomen bekendheid van Veilig Thuis, waardoor (zorgen rondom) huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en vaker in beeld komt. Direct betrokkenen nemen ook steeds vaker zelf contact op met Veilig Thuis als sprake is van onveiligheid. Daarnaast geldt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor een groot aantal professionals. Wanneer zij vermoedens hebben van onveiligheid, dienen zij de stappen van de meldcode te volgen. Contact met Veilig Thuis is daar onderdeel van. Wanneer vermoedens van onveiligheid eerder of beter worden herkend en volgens de meldcode wordt gehandeld, zullen professionals vaker contact opnemen met Veilig Thuis. De stijging is niet voor alle groepen en geweldsvormen in gelijke mate zichtbaar is, zo is bij ouderenmishandeling geen duidelijk stijgende trend waarneembaar.
Deelt u de conclusie dat de huidige aanpak tekortschiet?
De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vraagt continue aandacht. De afgelopen jaren zijn veel stappen gezet in de verbetering van deze aanpak, gericht op het voorkomen, eerder signaleren en zorgen voor duurzame veiligheid. Zo is bijvoorbeeld ingezet op het versterken van de advies- en meldfunctie en het verbeteren van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van Veilig Thuis, het vergroten van bewustwording, het versterken van deskundigheid van professionals, het verbeteren van risicotaxaties en het bieden van integrale hulp. Het is van belang deze inzet door te zetten en verdere verbeteringen te realiseren, samen met andere departementen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties.
Hoeveel meldingen krijgen geen tijdige opvolging door wachttijden of capaciteitstekorten?
Het is belangrijk dat bij gezinnen en huishoudens in een onveilige situatie zo snel mogelijk een goede inschatting wordt gemaakt van wat er aan de hand is. Vervolgens dienen zij zo snel mogelijk de juiste hulp en ondersteuning te krijgen. Op dit moment lukt dit niet in alle Veilig Thuis regio’s, mede door het grote aantal adviesvragen en meldingen dat zij ontvangen. Het exacte aantal meldingen dat op dit moment geen tijdige opvolging krijgt door wachttijden of capaciteitstekorten is niet goed weer te geven, onder andere als gevolg van regionale verschillen in uitvoering en registraties. Het is daarbij ook niet eenvoudig om deze wachttijden terug te dringen, onder meer vanwege de krappe arbeidsmarkt, de toename in complexiteit van de casuïstiek en de bredere uitdagingen in de keten, zoals wachttijden bij lokale hulpverleners die een soepele overdracht in de weg staan. In deze moeilijke omstandigheden zetten de professionals van Veilig Thuis en de hulpverlening zich in om hun ingewikkelde werk uit te voeren. Het is daarnaast belangrijk om te benadrukken dat ook als er sprake is van wachtlijsten, Veilig Thuis bij iedere melding direct toetst of er sprake is van een acuut onveilige situatie. Bij acuut gevaar of onveiligheid wordt altijd gehandeld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de uitvoering van de taken door Veilig Thuis.
Wat gaat u per direct doen om alle slachtoffers, kinderen, partners en ouderen beter te beschermen?
Zoals in de beantwoording van vraag 8 benadrukt, vraagt de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling continue aandacht en worden verbeterinitiatieven doorgezet. Zo wordt ingezet op preventieve maatregelen en het verbeteren van de vroegsignalering en de deskundigheid van professionals zodat huiselijk geweld eerder in beeld komt en betrokkenen tijdig kunnen worden ondersteund.
Daarnaast wordt met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming ingezet op het realiseren van verbeteringen in de kind- en gezinsbescherming. Het stelsel is complex georganiseerd, de problemen in gezinnen en huishoudens worden onvoldoende in samenhang opgepakt en volwassenen en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. Dit vraagt om een fundamenteel andere werkwijze bij het helpen en beschermen van volwassenen en kinderen als sprake is van onveiligheid. Er wordt toegewerkt naar integrale ondersteuning van gezinnen en huishoudens, met een centrale rol voor stevige lokale teams en een kwalitatief sterk Regionaal Veiligheidsteam. De proeftuinen van het Toekomstscenario laten zien dat de nieuwe manier van werken tot goede resultaten leidt. Op dit moment wordt samen met alle betrokken partnerorganisaties hard gewerkt aan de zogeheten veranderstrategie, waarin wordt beschreven aan welke inhoudelijke doelen en in welk tempo aan de gestelde ambities wordt gewerkt – passend bij de beschikbare financiële ruimte.
Daarnaast wordt voor het zomerreces een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld aangesteld. De Nationaal Coördinator gaat onder andere aan de slag met een Nationaal Actieplan Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld. De coördinator zal zich richten op het versterken van het netwerk, het signaleren van knelpunten in beleid en uitvoering en het verbeteren van de samenwerking. Ook kindermishandeling heeft hierin nadrukkelijk de aandacht. Met deze maatregelen wordt beoogd de bescherming van slachtoffers, kinderen, partners en ouderen te versterken.
Bent u bereid landelijke normen in te voeren voor sneller ingrijpen en maximale wachttijden?
Er gelden reeds landelijke normen waar Veilig Thuis-organisaties zich aan dienen te houden. Specifiek geldt de norm dat Veilig Thuis binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding een veiligheidsbeoordeling uitvoert en een besluit neemt over het vervolg. Indien uit de triage blijkt dat de dienst «Voorwaarden en Vervolg» van Veilig Thuis nodig is, moet deze dienst zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 10 weken na de veiligheidsbeoordeling zijn afgerond. Met inzet van deze dienst worden veiligheidsvoorwaarden opgesteld en vervolghulp ingezet. Dat deze normen niet altijd gehaald worden heeft zodoende niet te maken met het ontbreken van normen, maar voornamelijk met de eerder geschetste uitdagingen op het gebied van de arbeidsmarkt en het grote aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt. In deze context is Veilig Thuis ook altijd bezig de eigen werkwijzen tegen het licht te houden, te zoeken naar efficiëntere vormen van samenwerking en het innoveren van haar dienstverlening. Een voorbeeld hiervan is de verdere doorontwikkeling van de chatfunctie, bedoeld om het contact met Veilig Thuis en de daar beschikbare kennis en expertise vroegtijdig en laagdrempelig toegankelijk te maken.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Maatschappelijk domein van 28 mei aanstaande?
Ja.
Fraude bij inburgeringsexamens |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat fraude bij inburgeringsexamens directe consequenties moet hebben voor het verblijfsrecht van betrokkenen? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?1
Het plegen van fraude vind ik onacceptabel. Wanneer fraude wordt ontdekt bij het basisexamen inburgering buitenland (bib) wordt de aanvraag om de machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dan ook geweigerd.
Als er wordt ontdekt dat een examenkandidaat heeft gefraudeerd bij het afleggen van een inburgeringsexamen in Nederland op grond van de Wet inburgering 2021 (Wi2021), dan wordt de examenuitslag ongeldig verklaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als een examenkandidaat zich voordoet als een andere persoon, of als een kandidaat verboden hulpmiddelen zoals o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges meeneemt in de examenzaal. Dit kan er vervolgens toe leiden dat betrokkene niet in aanmerking komt voor een inburgeringsdiploma of, wanneer dit niet direct maar achteraf wordt ontdekt, dat een afgegeven inburgeringsdiploma wordt ingetrokken.
De intentie is om de verblijfsvergunning dan wel het Nederlanderschap niet te verlengen c.q. in te trekken. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt. Of daartoe kan worden overgegaan, hangt af van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Daarbij vindt steeds een zorgvuldige belangenafweging plaats. Onder andere het evenredigheidsbeginsel en de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, waaronder het recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven, worden hierin meegewogen.
Welke mogelijkheden bestaan er om reeds verleende verblijfsvergunningen of naturalisaties, die (mede) zijn gebaseerd op frauduleus verkregen inburgeringscertificaten, in te trekken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel personen hebben mogelijk ten onrechte een inburgeringscertificaat verkregen als gevolg van deze fraude, en wat betekent dit voor de betrouwbaarheid van het huidige systeem?
Als het gaat om het basisexamen inburgering buitenland dan zijn de controles naar aanleiding van de fraudezaken aangescherpt. Dergelijk misbruik is onacceptabel. Sinds ik uw Kamer op 24 april jl. heb geïnformeerd is er nog een vervalst slagingsbewijs van het bib ontdekt. Op dit moment zijn er dus acht gevallen van fraude bekend. De aanvraag van de mvv van deze acht personen is afgewezen. Door streng op te treden, zoals het doen van aangifte, wordt een duidelijk signaal afgegeven dat misbruik en fraude niet getolereerd worden. Er vinden nu extra controles plaats en er wordt strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen. Ik onderzoek daarnaast welke vervolgstappen nodig zijn om deze vorm van misbruik in de toekomst te voorkomen. Op deze manier blijft de betrouwbaarheid van het huidige systeem gewaarborgd.
Voor wat betreft de inburgeringsdiploma’s die zijn verkregen op basis van het slagen voor het inburgeringsexamen in Nederland, op grond van de Wi2021, is het volgende van belang. Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl. heb laten weten, heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) alle examens van het onderdeel spreekvaardigheid op niveau B1, die op 13 augustus 2025 zijn afgelegd, ongeldig verklaard. Dit heeft het CvTE besloten naar aanleiding van een signaal dat alle vragen uit het examen van die dag waren gedeeld in een Whatsapp-groep. Alle kandidaten die dit examen hadden gedaan, moeten dit examen dus nogmaals afleggen of hebben dit inmiddels gedaan. Om te voorkomen dat dit nogmaals gebeurt, is het aantal afnames per dag beperkt. Doordat er inmiddels extra examens zijn ontwikkeld, is het vanaf mei weer mogelijk om op meerdere momenten per dag verschillende examens af te nemen, zodat het onderling delen van examenopgaven geen zin meer heeft. Verder heeft het CvTE de Minister van OCW en mij laten weten, niet over indicaties te beschikken dat er structureel fraude wordt gepleegd. Na elke afname van een examen worden de resultaten hiervan gemonitord en de afgelopen periode zijn er geen signalen geweest van een (onverklaarbare) sterke stijging van het aantal geslaagden.
Als gevolg van de investeringen die de afgelopen periode zijn gedaan om de databanken met examenopgaven («itembanken») van de onderdelen van het inburgeringsexamen op niveau A2 en KNM, te vergroten, kunnen er nu veel meer verschillende examenversies worden samengesteld, Dat betekent dat het onderling delen van (omschrijvingen) van examenopgaven weinig tot geen nut meer heeft, omdat de kans dat iemand een eerder gedeelde opgave in zijn of haar examen krijgt zeer klein is. Overigens komt een inburgeraar pas in aanmerking voor een inburgeringsdiploma op grond van de Wi2021 indien hij of zij is geslaagd voor alle examenonderdelen van het inburgeringsexamen2 én zowel het Participatieverklaringstraject als de Module Arbeidsmarkt en Participatie succesvol heeft afgerond.
De organisaties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze examens (het CvTE en DUO) en ik, zijn en blijven alert op signalen van onregelmatigheden tijdens examens en zullen zo nodig ingrijpen als hiervan sprake is. Zoals ik in mijn eerdergenoemde brief van 24 april jl. heb aangegeven, ben ik voornemens om – wanneer de itembanken voor de A2-examens hiervoor groot genoeg zijn – deze op termijn openbaar te maken. Op die manier hebben alle kandidaten dezelfde mogelijkheden om te oefenen met het beschikbare materiaal en heeft het geen zin meer om opgaven onderling te delen. Fundamentele aanpassingen aan het examenstelsel acht ik daarom niet noodzakelijk.
Op welke wijze wordt structureel gecontroleerd op fraude bij examenafname in het buitenland, en bent u bereid deze controles aanzienlijk te intensiveren?
De afname van het basisexamen buitenland vindt plaats op een Nederlandse diplomatieke post of bij een externe dienstverlener in het buitenland. Voorafgaand aan het examen wordt de identiteit van de kandidaat vastgesteld en biometrie afgenomen. Ook wordt vooraf gecontroleerd op verboden items. In het geval dat een kandidaat niet meewerkt aan de controle, mag de kandidaat niet deelnemen aan het examen. Verder vindt continu toezicht plaats tijdens het examen. Er zijn geen signalen dat er gefraudeerd wordt bij de afname zelf. Er is dan ook geen noodzaak om de controles bij de afnames te intensiveren. De geconstateerde fraude heeft alleen betrekking op het vervalste slagingsbewijs en daar wordt nu strenger op gecontroleerd. Zie ook het antwoord op vragen 3/7, 6 en 8.
Welke rol spelen tussenpersonen, commerciële bureaus of opleidingsinstituten bij deze fraude, en welke maatregelen worden genomen om deze partijen aan te pakken of te verbieden?
Dat is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat de strafrechtelijke procedure hier meer inzicht in kan geven. Vervolgens zal bekeken worden welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de omvang en organisatie van deze fraudepraktijken, inclusief mogelijke netwerken die hierbij betrokken zijn?
De IND heeft aangifte gedaan in zeven zaken van fraude met het basisexamen inburgering buitenland. In overleg met de politie en het OM wordt bezien of ook in de achtste zaak aangifte wordt gedaan. Een strafrechtelijke procedure kan naar verwachting meer inzicht geven in deze fraudezaken. Daarnaast wordt op dit moment strenger gecontroleerd op de slagingsbewijzen.
In hoeverre acht u het huidige inburgeringsstelsel nog robuust genoeg om misbruik te voorkomen, en welke fundamentele aanpassingen acht u noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt overwogen om de afname van inburgeringsexamens in het buitenland (tijdelijk) op te schorten totdat de integriteit van het systeem kan worden gegarandeerd?
Jaarlijks worden 6000 tot 7000 bib examens succesvol afgelegd. Er zijn nu acht gevallen van fraude bekend met slagingsbewijzen van het basisexamen inburgering in het buitenland. Deze fraude is gepleegd bij het indienen van de mvv-aanvraag. Dit zijn acht gevallen teveel en daarom is het toezicht aangescherpt. Ik zie echter geen aanleiding om de afname van de examens op te schorten. Er zijn geen fraudezaken bekend met het afleggen van het basisexamen inburgering buitenland zelf. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 wordt er door ambassadepersoneel toezicht gehouden op de afname van de examens.
Hoe wordt samengewerkt met buitenlandse autoriteiten om fraude bij examenafname tegen te gaan en daders op te sporen?
Het tegengaan van fraude tijdens het basisexamen inburgering buitenland betreft een intern, Nederlands proces. Hiervoor wordt niet samengewerkt met buitenlandse autoriteiten.
Bent u bereid om aanvullende sancties in te voeren, zoals langdurige uitsluiting van het inburgeringstraject of boetes, voor personen die fraude plegen of faciliteren?
Als het gaat om de fraude die gepleegd is met het basisexamen inburgering buitenland dan is aangifte gedaan tegen zeven personen. Naast de weigering van een mvv zal een strafrechtelijke procedure moeten uitwijzen welke consequenties aan de fraude verbonden kunnen worden.
Hoewel kandidaten die een inburgeringsexamen op grond van de Wi2021 afleggen een geheimhoudingsverklaring ondertekenen, is het onderling delen van herinneringen aan examenopgaven niet strafbaar en kunnen personen die dat doen hiervoor niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dit is anders als het gaat om ge(foto)kopieerde examenopgaven. In een dergelijk geval kan hier wel tegen opgetreden worden. Hier wordt overigens streng op gecontroleerd: zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is het voor kandidaten namelijk verboden om o.a. telefoons, camera’s, zonnebrillen en horloges mee te nemen in de examenzaal. Er zijn dan ook geen signalen dat het kopiëren van examenopgaven gebeurt.
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De versnelde verzwakking van de Atlantische omloopstroming (AMOC) |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek gepubliceerd op 16 april 2026 in Science Advances1, waaruit blijkt dat de Atlantic Meridional Overturning Circulation (AMOC) sneller verzwakt dan gemiddelde klimaatmodellen voorspelden en mogelijk al rond het midden van deze eeuw een kantelpunt bereikt, en wat is uw appreciatie van deze bevindingen?2
Welke gevolgen heeft het nieuwe inzicht dat de AMOC voor het einde van deze eeuw met meer dan 50% kan vertragen, mede door de versnelde smelting van het Groenlandse landijs, voor de ambitie en urgentie van het Nederlandse klimaatbeleid, en bent u bereid het klimaatbeleid hierop aan te scherpen?
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de tijd voor halve maatregelen voorbij is en dat de bevindingen over de AMOC dwingen tot een fundamentele versnelling van de klimaattransitie, en zo ja, welke concrete beleidsmaatregelen overweegt u op korte termijn te nemen die verder gaan dan het bestaande beleid?
Wordt het risico dat een ineenstorting van de AMOC zichzelf versterkt doordat opgeslagen koolstof vrijkomt uit de oceaan en zo de opwarming verder versnelt, meegenomen in de klimaatrisicoscenario’s van het ministerie, en zo niet, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Bent u bereid om de gevolgen van een mogelijke AMOC-ineenstorting voor de Nederlandse economie, voedselvoorziening en het waterbeheer systematisch in kaart te brengen?
Zijn de huidige Nederlandse waterkeringen en overstromingsscenario’s gebaseerd op actuele AMOC-risicomodellen, en zo niet, wanneer worden deze geactualiseerd?
Beschikt u over voldoende capaciteit en middelen om de gevolgen van AMOC-verzwakking voor Nederland structureel te monitoren en door te vertalen naar beleidsrelevante scenario’s?
Worden de nieuwste AMOC-scenario’s, waarbij wetenschappers stellen dat het kantelpunt mogelijk al rond het midden van deze eeuw bereikt wordt, actief meegenomen in langetermijnbeslissingen over infrastructuur, ruimtelijke ordening en waterveiligheid, en zo ja, op welke wijze?
Bent u bereid in Europees verband het gevaar van een ineenstorting van de AMOC aan te kaarten en het klimaatbeleid hierop aan te scherpen, en zo nee, waarom niet?
Op welke wijze integreert u de klimaatrechtvaardigheidsaspecten van een mogelijke AMOC-ineenstorting, die ernstige gevolgen heeft voor landbouw, voedselzekerheid en zeespiegelstijging in Afrika en de Amerika’s in regio’s die nauwelijks bijdragen aan de uitstoot die dit veroorzaakt, in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat de routekaart van COP30-gastland Brazilië geen verwijzing naar fossiele brandstoffen bevat, mede vanwege de invloed van lobbyisten uit de industrie, en welke concrete stappen onderneemt Nederland om bij COP30 alsnog een ambitieuze afbouw van fossiele brandstoffen op de agenda te krijgen?
Nadeelcompensatie voor de pulsvisserij |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraken van de Raad van State van 22 april 2026 over pulsvisserij en de gevolgen van het Europese Unie (EU)-verbod (ECLI:NL:RVS:2026:2040) (ECLI:NL:RVS:2026:2036) (ECLI:NL:RVS:2026:2038)?
Ja.
Hoe beoordeelt u het oordeel dat bij het intrekken van vergunningen voor pulsvisserij onvoldoende expliciet rekening is gehouden met de financiële gevolgen voor de betrokken vissers?
Ik betreur het feit dat de pulskorvisserij verboden is. Daarom zet ik me actief in voor het verhogen van het draagvlak voor deze bewezen duurzame visserijtechniek om deze hopelijk in de toekomst weer toegestaan te krijgen.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft geconcludeerd dat mijn ambtsvoorganger niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van het Europese pulsverbod. Eventuele financiële gevolgen konden er niet toe leiden dat de vergunningen toch in stand bleven. Daarom was ook het oordeel van de ABRvS dat niet is gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel door bij de besluiten, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. In een geval als dit mag een bestuursorgaan beslissen om over de financiële gevolgen een nader besluit te nemen.
Klopt het dat vissers reeds eerder verzoeken tot nadeelcompensatie hebben ingediend die (deels) zijn afgewezen of nog niet zijn afgehandeld? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Dat klopt. Eerdere verzoeken om nadeelcompensatie zijn afgewezen. Destijds stond de rechtmatigheid van de intrekkingen nog niet definitief vast en was de schade onvoldoende onderbouwd. Gelet op de uitspraak van de ABRvS zal ik alle betrokken vissers in de gelegenheid stellen om (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen.
Erkent u dat het verbod op pulsvisserij, voortvloeiend uit EU-regelgeving, heeft geleid tot substantiële economische schade voor Nederlandse vissers?
Ik betreur de misgelopen opbrengsten evenals de impact op het milieu als gevolg van het pulsverbod. Gebruik van het pulstuig leidde tot een significante vermindering in het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot. Het droeg daarmee bij aan een goed verdienmodel, een verduurzaming van de sector en reduceerde de impact op de zeebodem. Daarom zet ik mij ervoor in dat op termijn pulsvisserij weer mag plaatsvinden binnen het kader van de Europese regelgeving.
Welke criteria hanteert u momenteel bij de beoordeling van aanvragen voor nadeelcompensatie in deze sector?
Aan het verlenen van nadeelcompensatie zijn strikte voorwaarden verbonden. Deze zijn opgenomen in artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht en in de jurisprudentie over nadeelcompensatie. In het geval van de pulsvisserij acht ik de kans klein dat aan de voorwaarden voor nadeelcompensatie wordt voldaan.
Uit wetenschappelijk onderzoek1 blijkt dat de investeringen in pulstuig binnen twee tot drie jaar terugverdiend kunnen worden (afhankelijk van het vaartuig). Betrokken vissers hebben gemiddeld acht tot tien jaar gebruik kunnen maken van het pulstuig. Zij hebben de investeringen dus naar verwachting terugverdiend.
Daarnaast is het voor nadeelcompensatie noodzakelijk dat een besluit van een Nederlands bestuursorgaan de schade heeft veroorzaakt. In dit geval heeft de ABRvS geoordeeld dat de Minister niet anders kon dan de pulsvergunning intrekken als gevolg van de nieuwe Europese verordening die pulsvisserij verbood. De schadeoorzaak is dus niet zozeer het intrekken van de pulsvergunning, maar het Europese pulsverbod. Daarom verwacht ik niet verplicht te zijn om nadeelcompensatie te betalen.
Op welke termijn kunnen getroffen vissers duidelijkheid verwachten over hun individuele aanvragen voor schadevergoeding of nadeelcompensatie?
Ik zal (de gemachtigden van) de betrokken vissers benaderen met de vraag of zij (nogmaals) een verzoek tot nadeelcompensatie willen indienen. Ik zal met hen dan een termijn afspreken waarbinnen zij stukken kunnen aanleveren. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beoordeelt op basis van die stukken en geldend recht of de verzoeken gehonoreerd moeten worden. Mocht uit de aangedragen informatie blijken dat de beoordeling van de aanvragen ingewikkelder is dan nu voorzien, zal ik overwegen een adviescommissie in te stellen die hierover kan adviseren. Ik streef ernaar om binnen de daarvoor geldende beslistermijnen op de verzoeken om nadeelcompensatie te beslissen.
Aanvragen voor schadevergoeding lijken mij niet aan de orde nu de ABRvS heeft geoordeeld dat de besluiten tot intrekking van de pulsvergunningen rechtmatig genomen zijn. Alleen bij onrechtmatige besluitvorming zouden vissers in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding.
Hoe voorkomt u dat langdurige juridische procedures en onzekerheid leiden tot faillissementen of onomkeerbare schade bij de getroffen visserijbedrijven?
Ik zet mij ervoor in om de ingediende nadeelcompensatieverzoeken zorgvuldig en voortvarend te beoordelen en zal de uitkomsten van deze beoordeling zo snel mogelijk met de indieners delen.
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de visserijsector en de getroffen vissers om te komen tot een collectieve en rechtvaardige compensatieregeling?
In eerste instantie zal ik de ingediende nadeelcompensatieverzoeken door RVO laten beoordelen. Mocht er uit deze beoordeling volgen dat nadeelcompensatie op zijn plaats is dan zal ik hiervoor een passende compensatie geven. Indien dit een groot aantal vergelijkbare gevallen betreft, zal ik een beleidsregel opstellen op grond waarvan de compensatie wordt berekend. Ik zie geen ruimte om de betrokken vissers te compenseren anders of meer dan met een eventuele verplichte nadeelcompensatie.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun gezinnen hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Bent u bereid om ook de immateriële schade die deze vissers en hun bemanningsleden hebben geleden door de jarenlange onzekerheid waarin zij hebben verkeerd mee te nemen?
Ik begrijp dat het verbod voor veel vissers een hard gelag is geweest. Het staat alle betrokkenen vrij een claim op nadeelcompensatie in te dienen. Men kan daarbij uitleggen hoe het intrekken van de pulsvergunning tot schade heeft geleid. Hierbij moet ik wel benadrukken dat het niet aannemelijk is dat nadeelcompensatie wordt toegekend.
Pensioenfondsen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in vastrentende waarden zoals staatsobligaties?
Er zijn geen openbare gegevens beschikbaar waarin een opsplitsing van rendement naar beleggingscategorie wordt gegeven. Hierdoor kan het gemiddelde rendement van alle pensioenfondsen in de afgelopen 30 jaar op hun investeringen in vastrentende waarden niet worden weergegeven. Het jaarlijks rendement op vastrentende waarden dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van de pensioenfondsen. Dit is openbare informatie.
Hoeveel procent rendement hebben pensioenfondsen de afgelopen dertig jaar gemiddeld (ongeveer) behaald op hun investeringen in aandelen?
Voor mijn reactie verwijs ik terug naar mijn antwoord op vraag 2. Het jaarlijks rendement op aandelen dat individuele pensioenfondsen hebben behaald, kan worden teruggevonden in de jaarverslagen van pensioenfondsen. Voor het totaal rendement van de 5 grootste pensioenfondsen voor de hun gehele beleggingsportefeuille in de periode 2014 -2025 verwijs ik u naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van het ABP-pensioenfonds?
Op basis van de jaarverslagen van het ABP is over de laatste 30 jaar de «Compound Annual Growth Rate» van het rendement 6% per jaar geweest.1
Wat was het (gemiddeld) rendement de afgelopen dertig jaar van de AEX-index?
Ik begrijp dat het in eerste instantie logisch lijkt om rendementen van pensioenfondsen te vergelijken met de ontwikkeling van de AEX-index. Maar een pensioenfonds heeft als doel om deelnemers bij pensionering een zo hoog mogelijk stabiel levenslang pensioenuitkering te bieden. De rentestand is belangrijk om het pensioenvermogen te kunnen omrekenen in een uitkeringenstroom. Daarom houden pensioenfondsen naast het beleggingsrisico ook rekening met het renterisico. Om het beleggingsrisico te beheersen, worden beleggingen geografisch gespreid over diverse liquide en niet-liquide investeringscategorieën om zo te profiteren van de voordelen van diversificatie. Voor het beheersen van het renterisico kunnen pensioenfondsen een portefeuille met rentederivaten aanhouden. Een AEX-index bestaat geheel uit liquide aandelen uit Nederland, waardoor een vergelijking met een gediversifieerde portefeuille met renteafdekking niet passend is. Voor verdere informatie over het beleggingsbeleid van pensioenfondsen en hun prestaties verwijs ik naar de brief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen».
Hoeveel procent (ongeveer) van de totale beleggingsportefeuille is een pensioenfonds zoals het ABP, op basis van wet- en regelgeving, verplicht te investeren in vastrentende waarden zoals staatsobligaties (en mag dus niet in aandelen geïnvesteerd worden)?
In Nederland kennen we niet een wettelijke verplichting om in vastrentende waarden zoals staatsobligaties te investeren. Welk deel van de beleggingsportefeuille wordt geïnvesteerd in vastrentende waarden is een onderdeel van het strategische beleggingsbeleid. Het strategisch beleggingsbeleid wordt vastgesteld op basis van de risicohouding van de deelnemers. De risicohouding weerspiegelt het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen nemen. Pensioenfondsen moeten in hun beleggingsbeleid rekening houden met het prudent person-beginsel wat inhoud dat zij handelen in het belang van hun deelnemers en gepensioneerden. DNB houdt toezicht op de vaststelling en uitvoering van het beleggingsbeleid en dat het beleggingsbeleid in lijn is met het prudent person-beginsel.
Het bericht ‘AIVD: IS-aanhangers en rechts-extremisten steeds jonger’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AIVD: IS-aanhangers en rechts-extremisten steeds jonger»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de bevinding dat radicalisering steeds vaker plaatsvindt onder jongeren en kinderen? Zijn de huidige beleidsinstrumenten om radicalisering te voorkomen volgens u voldoende toegesneden op minderjarigen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om deze groep beter te bereiken?
Radicalisering op jonge leeftijd is een groeiende zorg die ons allen aangaat. De afgelopen jaren zijn meer jongeren, soms op zeer jonge leeftijd, aangehouden voor het voorbereiden van een aanslag of vanwege andere misdrijven met een terroristisch oogmerk. De Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AVID) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) waarschuwen al langere tijd voor de snelle (online) radicalisering waarin steeds meer jongeren verstrikt raken.2 Ook het Openbaar Ministerie (OM) en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hebben hun zorgen geuit over het aantal en de jonge leeftijd waarop jongeren verdacht worden van bovengenoemde strafbare feiten.3 Jongeren bevinden zich in een fase waarin zij zoeken naar identiteit, betekenis en persoonlijke waarden, wat hen ontvankelijker kan maken voor ideologieën die sterke, duidelijke antwoorden bieden op complexe vragen. Wanneer er bij jongeren – naast de identiteitsontwikkeling in hun jeugd – ook persoonlijke problematiek speelt, maakt dit deze jongeren makkelijker beïnvloedbaar en vatbaar voor geweld en extremisme.
Nederland heeft een gevestigde robuuste (lokale) aanpak op het tegengaan van radicalisering, extremisme en terrorisme. Deze aanpak is ideologie onafhankelijk en in principe toepasbaar op iedere doelgroep en leeftijd. Gezien de actuele ontwikkelingen van een groeiende groep radicaliserende jongeren, heeft de NCTV samen met ketenpartners het beleid ten aanzien van jongeren getoetst, met als doel te bepalen of onderdelen doorontwikkeling behoeven. In samenwerking met ketenpartners is geconstateerd dat de (lokale) aanpak op minderjarigen toepasbaar is en dat keten breed aanscherpingen en intensiveringen nodig zijn, zoals een betere bewustwording voor het onderwerp radicalisering bij jeugdprofessionals en de (online) signaleringsstructuur.
Een van de aanscherpingen betreft de versterking van de aandacht voor preventie. Daarom gaat mijn departement gezamenlijk met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in gesprek met het veld en jongeren zelf over het verder verbeteren van de preventieve inzet, onder meer middels een bijeenkomst dit najaar met experts uit de verschillende domeinen, zoals het sociaal-, onderwijs- en het veiligheidsdomein.
Extra inzet op de ontwikkeling van kennis – over radicalisering bij jongeren en de risico’s voor hen – is van groot belang bij professionals: van jongerenwerkers en docenten, tot jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR) biedt hiervoor de trainingen, workshops en presentaties aan, zoals de training voor zorg-, jeugd- en welzijnsprofessionals en de vaardigheidstraining «Omgaan met extreme idealen».
In hoeverre beschikken gemeenten, scholen, jeugdzorginstellingen en wijkteams over de expertise en capaciteit om signalen van radicalisering onder jongeren vroegtijdig te herkennen en adequaat op te volgen? Hoe kunnen we deze organisaties beter betrekken bij het signaleren en voorkomen van radicalisering?
De partners uit het veiligheids-, sociaal-, zorg- en onderwijsdomein werken samen aan het signaleren en voorkomen van radicalisering binnen de lokale aanpak. In deze lokale aanpak radicalisering, waar gemeenten regie op voeren, wordt daarom doorlopend aandacht besteed aan en geïnvesteerd in de capaciteit van lokale professionals om tijdig signalen van radicalisering te herkennen en hiernaar te kunnen handelen. Het signaleren van deze radicalisering kent evenwel uitdagingen, zoals een beperkt online zicht van lokale professionals of de complexiteit bij het inschatten of sprake is van grootspraak of daadwerkelijke geweldsbereidheid onder jongeren. Ook kan het radicaliseringsproces bij jongeren razendsnel verlopen. Dit kan het lastig maken om tijdig en effectief in te grijpen.
Sinds 2015 worden gemeenten financieel ondersteund met Versterkingsgelden voor hun aanpak. Met deze gelden worden ook lokale professionals getraind om hun kennis en vaardigheden in het tegengaan van radicalisering en extremisme te vergroten. Daarnaast kunnen gemeenten voor advies en ondersteuning terecht bij hun lokaal adviseur van de NCTV en worden lokale professionals ondersteund door hulpverlenende organisaties, bijvoorbeeld met het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) en de gemeente. In aanvulling op de doorlopende inzet, worden dit jaar ook bijeenkomsten in een pilotregio georganiseerd, speciaal voor professionals uit het jeugddomein. Hierbij wordt extra inzet gepleegd op een groep jeugdprofessionals, welke nog niet betrokken zijn in de (lokale) aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme. Bijvoorbeeld door extra informatie te verstrekken over de dreiging, de rol van de professional in de aanpak en het handelingsperspectief dat zij hebben. Door op lokaal niveau deze professionals kennis te laten maken met de aanpak, hen samen te brengen, en kennis te vergroten, zullen nieuwe samenwerkingen tot stand komen tussen de partners binnen het preventieve veld en/of de persoonsgerichte aanpak. Het kabinet zet voortdurend in op het vergroten en versterken van het signalerende netwerk, overeenkomstig het coalitieakkoord, waarin is opgenomen dat de aanpak op radicalisering – en dus ook de lokale aanpak – wordt versterkt. Hier zijn aanvullende middelen voor vrijgemaakt. Momenteel wordt bekeken op welke wijze deze middelen het effectiefst bijdragen aan het versterken van de aanpak.
De toenemende rol van de online leefwereld in het radicaliseringsproces van jongeren is opvallend en heeft ook gevolgen voor de preventieve partners in het lokaal domein. Het Ministerie van SZW zet zich daarom via lokale overheden en (jeugd)professionals in op het vergroten van bewustwording, kennis en vaardigheden, handelingsperspectief en samenwerking op de preventie van (online) radicalisering onder jongeren met specifieke aandacht voor het structureel betrekken van het online domein bij lokale preventie.4
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen en beleidstrajecten op dit moment lopen om online radicalisering tegen te gaan, specifiek gericht op sociale media, gamingplatforms en online chatgroepen? Zijn er al resultaten bekend, bijvoorbeeld van de re-direct methode, die u met de Kamer kan delen?
Online platformen hebben de verantwoordelijkheid hun gebruikers te beschermen en illegale content te modereren. Ik spreek met platformen over de online dreiging, mijn zorgen over online radicalisering, extremisme en terrorisme en om de platformen normerend aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Dit jaar is gestart met de doorontwikkeling van deze dialoog. Ik ben voornemens de dialoog uit te breiden, naar (bijvoorbeeld) de AI-sector en in het najaar een bijeenkomst te organiseren met de in Nederland door jongeren meest gebruikte sociale media-en gamingplatformen om mogelijkheden voor betere samenwerking te verkennen, ter bestrijding van online radicalisering, extremisme en terrorisme.
Voor een overzicht van maatregelen en beleidstrajecten om online radicalisering tegen te gaan, verwijs ik uw Kamer naar de voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online (VAO) inzake extremisme en terrorisme, die recent is verzonden aan uw Kamer.5
Kunt u aangeven of u aanvullende maatregelen overweegt om online radicalisering en de verspreiding van extremistisch gedachtegoed tegen te gaan, in bijzonder op het gebied van contentmoderatie, toezicht op online platforms en afspraken met onder andere social mediabedrijven?
Op dit moment wordt wetgeving geëvalueerd die relevant is voor de bestrijding van online radicalisering, extremisme en terrorisme. Dit biedt mogelijkheden om daar waar noodzakelijk aanscherpingen aan te brengen. In de recent verzonden Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online kan uw Kamer nadere informatie vinden over de relevante wetgeving die wordt geëvalueerd.6
Met de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en de Digital Services Act (DSA) beschikt de Europese Unie over concrete instrumenten om bepaalde illegale online inhoud aan te pakken. De handhaving van de TOI-verordening is in Nederland belegd bij de ATKM, en het toezicht op in Nederland gevestigde platformen binnen de reikwijdte van de DSA bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Het toezicht op Very Large Online Platforms (VLOPs) onder de DSA ligt primair bij de Europese Commissie.
In aanvulling op de aandacht voor de mogelijke inzet van verwijderverzoeken in de evaluatie van de Uitvoeringswet TOI, loopt een beleidsverkenning naar dit instrument als aanvulling op verwijderbevelen vanuit de ATKM. Er is sprake van een toename van (gewelddadig) extremistisch content waarbij duiding van het terroristisch karakter moeizaam is en daarom niet altijd binnen de reikwijdte van de ATKM valt. Op dit moment worden de juridische en operationele mogelijkheden en implicaties van aanvullende mogelijkheden om deze content te laten verwijderen in kaart gebracht. Ik streef ernaar uw Kamer dit najaar te informeren middels de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online.
Kunt u uiteenzetten of er best practices uit andere (Europese) landen zijn geïnventariseerd ten aanzien van het tegengaan van online radicalisering? Welke van deze maatregelen acht u kansrijk voor toepassing in Nederland of bent u bereid nader te onderzoeken?
Nederland heeft samen met Frankrijk het co-voorzitterschap van de Project Based Collaboration (PBC) online. Het PBC is onderdeel van de EU Knowledge Hub met een focus op de preventie van online radicalisering, specifiek gericht op de radicalisering van jongeren. Het afgelopen jaar is waardevolle informatie opgehaald. Het komende jaar zullen drie aanvullende sessies georganiseerd worden waarin het opstellen van strategieën gericht op innovatie, verantwoordelijkheid van platformen, en vroeg signalering mechanismes aan bod komen. In het kader van dit PBC worden trends, ontwikkelingen en «best practices» van de verschillende lidstaten uitgewisseld. Eind 2026 levert de Europese Commissie een stappenplan op dat EU-lidstaten kan helpen in het opzetten van een effectieve strategie tegen online extremisme en terrorisme.
Aanvullend contact buiten de EU vindt ook plaats. Zo worden regelmatig ervaringen gewisseld met Australië. Het uitwisselen van deze «best practices», werkt ondersteunend aan de doorontwikkeling van initiatieven zoals de ReDirect-methode. Ook worden internationale contacten benut om te spreken over onderwerpen die terugkomen in het coalitieakkoord, zoals een minimumleeftijd voor sociale media en levert het interessante informatie op ten behoeve van een verkenning naar een aanvullende maatregel als een zorgplicht.
Kunt u aangeven in hoeverre Nederland samen met andere Europese landen optrekt bij het toezicht op digitale platforms en de handhaving van contentmoderatie als het gaat om de aanpak extremistische content? Welke trajecten lopen er binnen de Europese Unie die kunnen bijdragen aan een effectieve aanpak van online radicalisering?
In het tegengaan van online extremisme en terrorisme is internationale samenwerking essentieel. Het internet overstijgt iedere landsgrens. Voor een effectieve bestrijding is een krachtig geluid en eensgezind optreden vanuit in ieder geval de Europese Unie (EU), en bij voorkeur ook andere landen, noodzakelijk. Nederland zet voortdurend actief in op het stimuleren van samenwerking op Europees en Internationaal niveau. Graag verwijs ik uw Kamer voor meer informatie hierover naar de recent verstuurde Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online.
Kunt u reageren op de bevinding van de AIVD dat bewindspersonen, deurwaarders, journalisten, rechters en lokale bestuurders in toenemende mate bedreigingen ontvangen uit de anti-institutionele hoek, met als gevolg dat zij hun functie soms willen neerleggen? Kunt u uiteenzetten welke ondersteuning wordt geboden aan deze hoeders van de democratie?
Bedreigingen aan het adres van (lokale) bestuurders zijn onacceptabel, uit welke hoek deze ook komen. In april heb ik mij uitgesproken over bedreigingen richting het openbaar bestuur en die boodschap wil ik graag herhalen. Verschillen van mening horen bij de democratie; agressie, bedreiging en intimidatie niet. De berichten over toenemende mate van bedreigingen vind ik dan ook zorgelijk. Ter ondersteuning van het lokale bestuur zijn er vanuit het programma Weerbaar bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) verschillende voorzieningen beschikbaar, zoals een veiligheidsscan voor lokale bestuurders en bewustwordingssessies van het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur (OTWB). Bij meer dan 170 gemeenten heeft een bewustwordingssessie plaatsgevonden, waarbij de nadruk ligt op weerbaarheid. Ook biedt het OTWB een hulplijn aan die 24/7 bereikbaar is voor alle politieke ambtsdragers om praktische adviezen te geven. Daarnaast draagt BZK bij aan de financiering van trainingen van het ROR. Het ROR biedt trainingen aan ambtenaren en bestuurders van decentrale overheden om de omgang met anti-institutionele tendensen te verbeteren en de weerbaarheid van instituties tegen anti-institutionele tendensen te vergroten. Ook verleent de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS), in opdracht van BZK, ondersteuning aan gemeenten bij een aanpak op anti-institutionele tendensen. Hiertoe organiseert de ESS kennis- en leerbijeenkomsten voor gemeenten en professionals uit het sociaal domein in verschillende regio’s in het land om de bewustwording, kennis en netwerkvorming op anti-institutionele tendensen te versterken.
Kunt u reflecteren op de bevinding dat minderjarigen soms worden ingezet voor spionageactiviteiten in opdracht van Rusland zonder dat zij zich hiervan bewust zijn? Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Paternotte over een brede bewustwordingscampagne via social media over de risico's van digitale spionage en buitenlandse wervingspogingen (Kamerstuk 30 821, nr. 308)?
Ik vind het volstrekt onacceptabel als jongeren gerekruteerd worden, door Rusland of andere statelijke actoren, om voor hen acties uit te voeren. De bevindingen hierover van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zoals ook aangegeven in het recente jaarverslag 2025 van de AIVD, neem ik zeer serieus. Het kabinet maakt zich dan ook hard voor het verhogen van de weerbaarheid van jongeren.
Momenteel werkt het kabinet aan een brede bewustwordingscampagne gericht op jongeren over de risico’s van digitale spionage en buitenlandse wervingspogingen, conform de motie Paternotte. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken hoe deze boodschap kan aansluiten bij bestaande campagnes gericht op jongeren en hun omgeving over de gevaren van het online domein, en deze kan versterken. Uw Kamer wordt op een nader moment over de exacte uitvoering geïnformeerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat over terrorisme/extremisme op 27 mei 2026?
Ja.
Het versoepelen van regels voor zonnepanelen en laadpalen |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat het Britse Ministerie van Energie op 21 april 2026 met een plan is gekomen om naar aanleiding van de Iranoorlog het opwekken van hernieuwbare energie te stimuleren door het vereenvoudigen van de regels rond het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen, inclusief laadpalen voor mensen zonder oprit?1
Ja.
Kunt u een overzicht bieden van de regels die in Nederland van kracht zijn bij het installeren van respectievelijk zonnepanelen, warmtepompen, laadpalen op opritten en laadpalen van mensen zonder een oprit?
De regels voor het plaatsen van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen zijn deels landelijk en deels lokaal vastgelegd. De landelijke regels zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (verder: Bbl) en hebben betrekking op onder meer de veiligheid van de betreffende bouwwerken. De lokale regels zijn vastgelegd in het gemeentelijk omgevingsplan en gaan met name over het uiterlijk en de plaatsing. Met name bij de plaatsing van zonnepanelen spelen ook de regels en mogelijk een vergunningplicht in het kader van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Naast de inhoudelijke regels geldt ook in een aantal gevallen een vergunningplicht voor het mogen plaatsen van de bouwwerken. Op hoofdlijn geldt voor de vergunningplicht het volgende:
Wat is de rationale achter elk van die regels?
De reden voor het opnemen van technische en ruimtelijk regels is primair gelegen in respectievelijk de veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid wat betreft het Bbl en de kwaliteit van de leefomgeving in het kader van het gemeentelijke omgevingsplan. Indien sprake is van een vergunningplicht in het kader van natuurbescherming of erfgoed, berust deze doorgaans op de noodzaak om voorafgaand aan de plaatsing van de betreffende bouwwerken een individuele afweging te maken. In veel gevallen is de plaatsing dan niet verboden maar onder specifieke voorwaarden toegestaan.
Specifiek voor het installeren van laadinfrastructuur biedt het Bbl eisen om de uitrol te versnellen en de aanleg van laadinfrastructuur efficiënter in te richten. Daarnaast hebben gemeenten beleidsvrijheid om zelf de afweging te kunnen maken of het plaatsen van laadpalen bij bewoners zonder oprit gewenst is.
Welke van die regels overweegt u te schrappen of te wijzigen om de installatie van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen makkelijker te maken voor burgers?
Wat betreft de landelijke regels zijn er niet of nauwelijks belemmeringen bij het installeren van zonnepanelen, warmtepompen en laadpalen. Alleen bij plaatsing van warmtepompen speelt in een aantal gevallen de vergunningplicht. Bij de uitwerking van het kabinetsvoornemen voor de normering van (hybride) warmtepompen, zal het kabinet bezien of en op welke wijze de ruimtelijke regels voor vergunningsvrij plaatsen kunnen worden aangepast zodat ook hier geen belemmering ontstaat. Het Nationaal Kennisplatform Laadinfrastructuur publiceert voor de zomer een handreiking voor gemeenten over de keuzen die zij kunnen maken ten aanzien van laadpalen van bewoners zonder oprit, ook wel Verlengd Private Aansluitingen (VPA’s) genoemd. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft met de medeoverheden in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur in kaart gebracht wat de voor- en nadelen van VPA’s zijn en hoe daar beleid op kan worden gevoerd. Gemeenten hebben de bevoegdheid en de lokale informatie die nodig is om hier passend beleid op te voeren.
Bent u reeds de uitvoerbaarheid van de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 15 (het uitbreiden van laadinfrastructuur) aan het verkennen?2 Zo ja, tegen wanneer verwacht u de Kamer daarover te kunnen informeren?
Ja. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat informeert de Kamer hierover voor de zomer in de Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden.
Bent u bereid budget vrij te maken voor de in categorie 3 van het instrumentarium energieschok opgenomen punt 16 (verlaging en harmonisatie tarief publiek laden elektrische auto’s)? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In het huidige energiepakket is deze maatregel niet opgenomen. Komende tijd werkt IenW deze maatregel verder uit ter voorbereiding op toekomstige besluitvorming over nieuwe maatregelen.
Bent u er zich van bewust dat, gezien externe laadpasaanbieders (e-Mobility Service Providers) vaak hun eigen roamingtarieven en marges hanteren, het kan voorkomen dat gebruikers via deze laadpassen een hoger tarief betalen om te laden, ook al is de laadpaal in kwestie op een lager tarief ingesteld? Wat kunt u doen om de transparantie naar gebruikers hierin te verbeteren?
Ja, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is zich hiervan bewust. Laadpasaanbieders kunnen een opslag rekenen voor hun diensten. Ook in dit geval moet de laadprijs transparant zijn. Zo borgen we dat gebruikers een bewuste keuze kunnen maken en bevorderen we gezonde marktwerking. Zij onderneemt verschillende acties op prijstransparantie waarover zij u voor de zomer in de kamerbrief laadinfrastructuur zal informeren.
Bent u bereid om de uitrol van bi-directioneel laden te versnellen? Zo ja, hoe?
Ja, de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat informeert de Kamer hierover voor de zomer in de Nationale Routekaart Bidirectioneel Laden.
Bent u bereid om consumenten meer zeggenschap of in elk geval inzicht te geven over snel of langzaam laden?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat vindt het belangrijk dat consumenten inzicht en zeggenschap hebben over snel of langzaam laden. In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan de klantreis van slim laden waarin wordt uitgewerkt wat elektrische rijders kunnen verwachten en hoe marktpartijen hier invulling aan geven.
Het bericht 'Huurverhoging valt bewoners van grootste flat van Nederland rauw op het dak' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de inwoners van de L-flat, de grootste flat van Nederland, en de Geroflat in Zeist te maken krijgen met een huurverhoging?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de mensen die in deze flats wonen al maanden niet de volledige beschikking hebben tot hun balkons, omdat deze onveilig zijn en daarom ondersteund worden door metalen palen?
Ik ben bekend met de berichtgeving dat de mensen die in deze flats wonen al maanden niet de volledige beschikking hebben over hun balkons, omdat deze onveilig zouden kunnen zijn en daarom ondersteund worden door metalen palen.
Vooropgesteld vind ik het van belang dat huurders volledig en op een veilige manier over hun woning kunnen beschikken; daarvoor betalen zij immers de huur. In de bouwregelgeving en ook de huurregelgeving zijn hiervoor dan ook diverse waarborgen opgenomen. Voor deze waarborgen verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 3, 4 en 5.
Heeft het ministerie meegekeken op de veiligheid van de balkons en de tijdelijke oplossing? Is er bij deze specifieke flat onderzoek gedaan nadat eind 2015 een onderzoeksplicht is ingesteld door toenmalig Minister Blok voor eigenaren van galerijflats met balkons? Wat is er na dit onderzoek gedaan? Ziet de Minister reden om nu weer een soortgelijke actie te ondernemen?
De verantwoordelijk voor de veiligheid van de balkons en tijdelijke oplossing is aan de gebouweigenaar en het toezicht hierop is belegd bij de gemeente. Het ministerie heeft daarbij geen rol. Dit geldt ook voor de uitvoering van de eerdere onderzoeksplicht bij galerijflats2. Of deze onderzoeksplicht is uitgevoerd bij de specifieke flat en wat er na dit onderzoek is gedaan is ter beoordeling van de gemeente. Daarnaast geldt altijd een algemene zorgplicht voor de gebouweigenaar om de balkons blijvend te laten voldoen aan de veiligheidseisen. Ik zie daarom geen reden voor een nieuwe wettelijke onderzoeksplicht.
Begrijpt u dat het voor huurders niet duidelijk is wanneer er sprake zal zijn van een duurzame oplossing en dit mogelijk nog jaren op zich laat wachten? Wat vindt u ervan dat huurders mogelijk jarenlang in onzekerheid zitten? Ziet de Minister mogelijkheden om de werkzaamheden te versnellen?
Ik vind het van belang dat huurders duidelijkheid hebben over de ernst van de huidige situatie en in hoeverre deze een beletsel kan zijn om op veilige of normale wijze gebruik te maken van het gehuurde. In eerste instantie is het aan de verhuurder om deze duidelijkheid te bieden en om indien nodig werkzaamheden te versnellen. Vervolgens voorziet de regelgeving in taken bij de gemeente, de huurcommissie en de rechter. Het ministerie heeft geen wettelijke mogelijkheden om te interveniëren in deze specifieke kwestie.
Daarmee zie ik de volgende drie mogelijkheden voor een huurder om werkzaamheden te laten versnellen. In de eerste plaats kunnen huurders zich tot de gemeente wenden met het verzoek tot handhaving van de bouwregelgeving inzake de balkons. In de tweede plaats hebben de huurders de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wenden inzake de huurprijs. De Huurcommissie of rechter kan vervolgens tot het oordeel komen dat de gebreken zodanig ernstig zijn, dat zij een huurverlaging rechtvaardigen. In het algemeen stimuleert een dergelijk oordeel een verhuurder de nodige werkzaamheden uit te laten voeren; tot die tijd blijft namelijk de huurverlaging van kracht. In de derde plaats kunnen huurders zich tot de rechter wenden zodat de rechter de verhuurder verplicht om de nodige werkzaamheden uit te laten voeren. Bij een spoedeisend belang kan dat leiden tot een procedure bij de rechter in kort geding.
Bent u het eens dat het niet eerlijk is dat mensen die betalen voor een woning mét balkon, maar hier geen volledig gebruik van kunnen maken, ook nog eens een huurverhoging krijgen? Zo nee, snapt u ten minste dat dit gevoelens van oneerlijkheid oproept bij de bewoners? Wat zijn de mogelijkheden voor compensatie in dit soort gevallen?
Ik begrijp dat mensen die een woning huren met gebreken en een huurverhoging krijgen, dat als oneerlijk ervaren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 hebben huurders de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wenden inzake de huurprijs. Indien de Huurcommissie in een uitspraak gebreken heeft geconstateerd, kan een voorstel tot huurverhoging wettelijk niet leiden tot huurverhoging. Met het op 21 april 2026 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie3 wordt deze regel ook van toepassing verklaard op huurverhogingen op grond van een beding in de overeenkomst4. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, kunnen huurders zich ook tot de rechter wenden zodat die de verhuurder verplicht om de nodige werkzaamheden uit te laten voeren. Huurders kunnen bij de rechter ook een schadevergoeding eisen.
Klopt het dat de huurders van woningcorporatie Woongroen die vallen onder een collectief energiecontract binnenkort ook nog eens te maken krijgen met een naheffing in verband met de gestegen energieprijzen?
Het ministerie heeft geen rol inzake individuele situaties waarbij verhuurders van woonruimten collectieve energie leveren aan hun huurders. Hierbij geldt dat de verhuurder de levering van energie in rekening kan brengen via de servicekosten. De wettelijke regeling voorziet erin dat een verhuurder voor de servicekosten een maandelijks voorschotbedrag in rekening kan brengen. Voorts voorziet de wettelijke regeling erin, dat een verhuurder uiterlijk zes maanden na het einde van elk kalenderjaar een afrekening verzorgt op basis van de reëel gemaakte kosten.
Deze afrekening kan leiden tot de conclusie dat de huurder een bedrag terug moet ontvangen of nog een extra bedrag moet betalen. Hieraan kunnen verschillende oorzaken aan ten grondslag liggen, zoals een lager of hoger verbruik, of ook gestegen energieprijzen. De huurder die het niet eens is met een afrekening heeft de mogelijkheid zich tot de Huurcommissie of rechter te wensen. Het op 21 april 2026 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel toekomstbestendige Huurcommissie5 maakt dat de Huurcommissie een gebruiksvriendelijk formulier kan opstellen waarmee verhuurders de betalingsverplichting inzake de servicekosten van de huurder specificeren. Dit draagt bij aan een voor huurder en verhuurder meer begrijpelijke en voorzienbare procedure bij de Huurcommissie.
Heeft u gesprekken gevoerd met bewoners of de corporatie? Zo nee, bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 is het aan de gemeente om te beoordelen of zij over moeten gaan tot handhaving. Zoals aangegeven in mijn antwoorden op vraag 4 en 5 kunnen huurders zich wenden tot de huurcommissie en rechter. Het ligt dan ook niet in de rede dat ik treed in de verantwoordelijkheid van de gemeente, de huurcommissie of de rechter door op korte termijn in overleg te gaan met de bewoners of de corporatie.
Wat kunt u in overleg of samenwerking met de woningcorporatie Woongroen en de gemeente Zeist doen om deze bewoners tegemoet te komen en duidelijkheid te geven?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de Woningbouwopgave?
Ja.
Het artikel 'UvA student sails with flotilla to Gaza: 'We are preparing for the worst'' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UvA student sails with flotilla to Gaza: «We are preparing for the worst»»?1
Ja.
Kunt u aangeven of u het wenselijk vindt dat docenten studenten aanmoedigen om dergelijke gevaarlijke reizen naar onder andere Gaza te ondernemen? Zo nee, welke maatregelen gaat u hierop ondernemen?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele casuïstiek.
In algemene zin is het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Gazastrook rood. Dat betekent dat het advies is aan Nederlanders: wat uw situatie ook is, reis hier niet heen, het is er te gevaarlijk. Ook waarschuwt het ministerie in het reisadvies dat de Nederlandse vertegenwoordiging niet kan helpen als Nederlanders in de Gazastrook in de problemen komen. Het reisadvies is helder, het is onverstandig dit te negeren.
Kunt u bevestigen dat studenten alleen recht hebben op studiefinanciering wanneer zij hun studie daadwerkelijk volgen en niet door eigen toedoen of vrijwillige uitstapjes bewust studievertraging veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor een aanspraak op studiefinanciering is het niet vereist dat iemand daadwerkelijk de studie volgt. Ook vervalt hun aanspraak niet op het moment dat zij door eigen toedoen bewust studievertraging veroorzaken. De aanspraak op studiefinanciering is verbonden aan de inschrijving bij een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering, en daarnaast aan het voldoen aan de overige leeftijds- en nationaliteitseisen. Daarbij is wel het aantal maanden prestatiebeurs dat een student kan ontvangen gemaximeerd. Bij studievertraging kan een student gedurende de opleiding dus in de leenfase terecht komen en geen recht meer hebben op een prestatiebeurs. Wanneer de student niet binnen de diplomatermijn een diploma haalt, wordt de prestatiebeurs bovendien niet omgezet in een gift. Het is aan de student zelf om tegen deze achtergrond keuzes te maken om ingeschreven te blijven staan of de studie (tijdelijk) te stoppen.
Kunt u bewerkstelligen dat studenten die deelnemen aan extremistische activiteiten hun recht op studiefinanciering verliezen en bovendien worden geschorst of van hun onderwijsinstelling worden verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Waar het gaat om studiefinanciering vervalt de aanspraak alleen als is vastgesteld dat de student een uitreiziger is.2 Daarvan is sprake als uit een melding van bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijkt dat er een gegronde reden bestaat dat de student zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie.3 Op basis daarvan kan ik als Minister van OCW besluiten de aanspraak op studiefinanciering te laten vervallen.
Waar het gaat om schorsing of verwijdering van een student van de onderwijsinstelling, heb ik als Minister van OCW daartoe geen mogelijkheden. Die bevoegdheid ligt bij het bestuur van de onderwijsinstellingen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Wanneer een student de huisregels overtreedt en een veilige leer- en/of werkomgeving voor studenten en/of medewerkers schaadt, kan het instellingsbestuur die student voor maximaal een jaar de toegang tot de gebouwen en terreinen ontzeggen of de inschrijving voor eenzelfde periode beëindigen. Wanneer een student de huisregels overtreedt, ernstige overlast heeft veroorzaakt en ook na waarschuwingen daarmee niet is gestopt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.4 Een instellingsbestuur neemt een dergelijk besluit niet lichtvaardig en de impact is groot, mede ook tegen het licht van het recht op onderwijs. Daarom wordt tegen dit soort besluiten vaak in beroep gegaan bij een rechter. Uit de rechtspraak blijkt het belang van een gedegen belangenweging en proces, voordat tot zo’n beslissing kan worden overgegaan. Een schorsing moet evenredig zijn aan de mate waarin de huisregels zijn overtreden. Daarbij moet waar mogelijk de onderwijsvoortgang niet onevenredig worden belemmerd als gevolg van een maatregel. Ook moet eerst gekeken worden of op andere manieren het gedrag kan worden gewijzigd. Als dit na aanhoudende pogingen niet lukt, kan een student definitief worden uitgeschreven.
Welke maatregelen wil u nemen om vroegtijdige radicalisering in het onderwijs, vooral de breed geaccepteerde linkse radicalisatie, aan te pakken om deze situaties in de toekomst te voorkomen?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van breed geaccepteerde linkse radicalisatie in het onderwijs.
Het werkbezoek aan Marokko |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?[1]
Ja.
Heeft u bij uw werkbezoek aan Marokko bij uw ambtsgenoot aangedrongen te stoppen met de spionage en intimidatie van Marokkaanse Nederlanders in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse overheid is alert op ongewenste buitenlandse inmenging van andere landen in Nederland. Wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van statelijke inmenging, worden landen hier consequent op aangesproken. Het staat andere landen, ook Marokko, vrij om banden te onderhouden met mensen met de Marokkaanse nationaliteit die in Nederland wonen. Voor alle landen geldt: mits dit geschiedt op basis van vrijwilligheid en binnen de grenzen van onze rechtsstaat. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Ook in de goede en open relatie met Marokko.
Heeft u uw ambtsgenoot aangesproken op de arrestatie van meer dan vijfduizend mensen die vorig jaar demonstreerden tegen corruptie en de staat van de gezondheidszorg in Marokko? Zo nee, waarom niet?
Ik heb tijdens mijn bezoek een breed scala aan onderwerpen besproken met mijn ambtsgenoot. De demonstraties en arrestaties waar u naar verwijst zijn bij dit eerste bezoek niet aan bod gekomen. Recht op demonstratie en vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed, en worden ook in gesprekken met Marokkaanse autoriteiten besproken.
Heeft u gepoogd om het mensenrechtenvraagstuk expliciet in de gezamenlijke verklaring op te nemen? Zo nee, waarom niet?
We hebben met Marokko een open en gelijkwaardige dialoog waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen. Tijdens het bezoek van Minister Bourita aan Nederland in december 2025 is daarnaast afgesproken een informele bilaterale mensenrechtendialoog op te zetten. Dit voornemen is expliciet opgenomen in de gezamenlijke verklaring van het bezoek van december jl. Opnieuw vastleggen was daarom niet nodig in onze optiek. Met Marokko werken we aan het laten plaatsvinden van de informele bilaterale mensenrechtendialoog in Nederland later dit jaar.
Heeft u bij dit werkbezoek, in lijn met de breed aangenomen motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407), de druk op de Marokkaanse regering opgevoerd om Nasser Zefzafi en andere politieke gevangenen vrij te laten? Zo ja, op welke manier heeft u dat tijdens dit werkbezoek gedaan? Zo nee, waarom niet? Op welke manier bent u dan wel voornemens om de motie uit te voeren?
In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3265) informeerde ik u over de manier waarop uitvoering is gegeven aan de motie Piri en Dobbe (Kamerstuk 32 735, nr. 407). De Nederlandse zorg over politieke gevangenen, zoals de heer Zefzafi, is op hoogambtelijk niveau uitgesproken. Nederland zal zich hier sterk voor blijven maken.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden? [1] EW Magazine, 25 maart 2026, «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland» (https://www.ewmagazine.nl/buitenland/article/2026/03/lange-arm-marokko-intimidatie-activisten-nederland-109409w/)
Ja.
Generieke vrijstelling tewerkstellingsvergunning (TWV) voor de zeevisserij |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de commerciële zeevisserij, in tegenstelling tot de koopvaardij en zeegaande waterbouw, geen gebruik kan maken van de generieke vrijstelling van de tewerkstellingsvergunning (TWV) zoals opgenomen in het Besluit uitvoering Wav 2022?
Ja.
Hoe beoordeelt u het verschil in behandeling tussen de zeevisserij en andere maritieme sectoren, terwijl zij vergelijkbare arbeid op zee verrichten?
De aard van de andere genoemde maritieme sectoren en de zeevisserij is niet volledig vergelijkbaar. De aard van deze maritieme sectoren is het vervoer van goederen en mensen of het uitvoeren van infrastructurele projecten, waarbij er over het algemeen minder aanknopingspunten zijn met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt. In dergelijke gevallen ligt een vrijstelling meer voor de hand, gelet op één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen, namelijk de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Daar waar er meer aanknopingspunten zijn, bijvoorbeeld bij zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland, is een TWV wel vereist. De zeevisserij heeft tot doel het vangen en verwerken van vis, waarbij de zeevisserijschepen voor een groot deel een Nederlandse haven uitvaren en regelmatig terugkeren naar de haven voor het aanlanden van vis. In deze sector zijn er dus over het algemeen meer aanknopingspunten met Nederland en de Nederlandse arbeidsmarkt.
Deelt u de mening dat dit onderscheid leidt tot een structureel zwaardere toegangsdrempel tot arbeidskrachten van buiten de Europese Unie (EU) voor de zeevisserij?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is één van doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen de bescherming van de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt en daarmee de belangen van de Nederlandse/EU werknemers. Werkgevers moeten dus eerst kijken of er Nederlands/Europees arbeidsaanbod is voordat zij kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen.
Dit sluit aan bij de huidige bredere arbeidsmarktkrapte aanpak van het kabinet en het principe van gerichte arbeidsmigratie die zich richt op hoogproductieve sectoren en maatschappelijke uitdagingen. Dit zorgt voor prikkels bij werkgevers om, in plaats van naar arbeidsaanbod buiten de EU te kijken, arbeidstekorten eerst binnenlands in te vullen, arbeidsvoorwaarden- en arbeidsomstandigheden te verbeteren of arbeidsbesparende innovaties door te voeren.
In tegenstelling tot de andere maritieme sectoren, moeten eigenaren van zeevissersschepen een TWV (bij werkzaamheden korter dan drie maanden) of een GVVA (bij werkzaamheden langer dan drie maanden) aanvragen indien zij een werknemer met een nationaliteit van buiten de EU aannemen. UWV beoordeelt deze aanvragen aan de hand van een aantal voorwaarden, waaronder:
De toegangsdrempel voor arbeidskrachten van buiten de EU is daarmee voor de zeevisserij niet hoger dan voor zeeschepen die worden gebruikt als werktuig voor weg of waterbouw binnen Nederland. De reden hiervoor is hierboven beschreven.
Bent u bekend met signalen uit de sector dat aanvragen voor TWV's voor vissers regelmatig worden ontmoedigd of afgewezen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en wat is uw reactie daarop?
Ik heb dit nagevraagd bij het UWV. Het UWV herkent deze signalen niet. Uit de cijfers van het UWV blijkt dat het merendeel van de aanvragen positief is beoordeeld. Het UWV heeft hierbij gekeken naar afgegeven werkvergunningen op basis van twee regelingen:
Voor een tewerkstellingsvergunning voor de zeevisserij zijn er in:
Voor een GVVA voor de functie van:
Hoe verhoudt deze ongelijke behandeling zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid?
De regulering van de toegang tot de arbeidsmarkt behoort niet tot één van de doelen van het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Conform artikel 79, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is het aan de lidstaten om te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen zij toelaten om daar arbeid te verrichten.
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot het aanvragen van een TWV bijdraagt aan bemanningstekorten in de Nederlandse zeevisserijsector?
De TWV-aanvraag via de Wav bevat een toets op de aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod in Nederland en in de EU. Doel hiervan is dat bedrijven eerst kijken naar Nederlands/Europees arbeidsaanbod alvorens te kijken naar arbeidsmigranten uit derde landen. TWV’s zorgen hiermee voor prikkels bij werkgevers om arbeidstekorten eerst binnenlands (of Europees) op te lossen, bijvoorbeeld door arbeidsomstandigheden en -voorwaarden te verbeteren (of arbeidsbesparende innovaties door te voeren). Dit sluit daarmee aan bij de bredere aanpak van arbeidsmarktkrapte. Wanneer prioriteit genietend aanbod niet beschikbaar is, is het bij arbeidstekorten mogelijk om een TWV te krijgen. De huidige regelgeving rond de aanvraag van TWV’s is daarmee geen oorzaak van arbeidsmarktkrapte. Dat blijkt ook uit de cijfers vanuit het UWV (zie antwoord op vraag 4).
Erkent u dat de instroom in maritieme opleidingen en het aantal beschikbare Nederlandse en EU-werknemers voor zeevisserij structureel afneemt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De instroom en uitstroom van studenten in het maritiem onderwijs wordt jaarlijks gemonitord. De afgelopen periode was er sprake van een lichte afname van 1,7% van het aantal aanmeldingen. Dat past helaas in de neerwaartse trend van de instroom van studenten in het maritiem onderwijs. Wel was er sprake van een lichte toename van het aantal behaalde diploma’s van 3,7%. In eerste instantie geldt dat werkgevers zelf verantwoordelijk zijn voor de arbeidsvoorwaarden en – omstandigheden in de sector, zodat een sector aantrekkelijk blijft voor werknemers. Arbeidsmigratie kan bijdragen aan tijdelijke verlichting van tekorten.
Om de sector te promoten en het tij te keren wordt wel door diverse partijen gewerkt aan verschillende initiatieven. Behoud van Nederlandse gekwalificeerde zeevarenden, inclusief vissers, is van belang om de maritieme kennis, kunde en infrastructuur in Nederland te behouden. Dat vraagt inspanningen van reders, sociale partners en het maritiem onderwijs. Zo is er sprake van een nieuwe sectorbrede imagocampagne «Mpowered», en projecten als GaTochVaren! In het kader van NederlandMaritiemLand wordt uitvoering gegeven aan de Human Capital Agenda.
De visserijsector werkt tevens samen met de overheid om nieuwe aanwas van arbeidskrachten in de sector te krijgen. De sector werkt samen met SZW aan de totstandkoming van het Ontwikkelpad visserij. Wanneer dit gereed is vraagt de sector officiële erkenning door de Minister van SZW. Dan kunnen opleidingen in het Ontwikkelpad in aanmerking komen voor de SLIM-Scholingssubsidie. De SLIM-Scholingssubsidie is een tijdelijke regeling voor werkgevers om opleidingen te subsidiëren uit onder meer het Ontwikkelpad visserij om instroom, doorstroom en overstappen naar deze branche te stimuleren.
Vanuit de overheid wordt bijgedragen door o.a. de modernisering van de regelgeving voor de bemanningen; met aandacht voor opleiding en training van zeevarenden, meer ruimte voor herintreders en zij-instromers, en een betere uitwisseling van zeevarenden tussen de deelsectoren. Tevens wordt in overleg met sectorpartijen gewerkt aan een oplossing om ervoor te zorgen dat zeevarenden uit de lidstaten aanvullend kunnen worden opgeleid zodat zij aan boord van Nederlandse vissersvaartuigen kunnen worden ingezet. Tevens wordt de huidige overeenkomst met België over de wederzijdse erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen van vissers op onderdelen uitgebreid met als doel te komen tot meer uitwisseling van personeel.
Deelt u de analyse dat het voor de zeevisserij noodzakelijk is om – net als andere maritieme sectoren personeel van buiten de EU te kunnen aantrekken om operationeel te blijven?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord p[vraag 7. Naast de acties voor het behoud van de Nederlandse zeevarenden wordt met name gekeken naar opties om personeel afkomstig uit de EU in te kunnen zetten.
Waarom is er destijds voor gekozen om zeevissersschepen expliciet uit te sluiten van de schepelingendienst-vrijstelling?
In het Besluit uitvoering Wet buitenlandse arbeidskrachten van 1979 staat een vrijstelling voor de zeevaart, maar niet voor de zeevisserij. De nota van toelichting van dit besluit geeft geen expliciete toelichting over het uitsluiten van zeevissersschepen. De beslissing om de zeevisserij niet uit te sluiten van de tewerkstellingsplicht is in lijn met de rationale van de Wav zoals beschreven in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken of de zeevisserij onder voorwaarden kan worden opgenomen in de generieke vrijstelling van de TWV, vergelijkbaar met de koopvaardij en waterbouw?
Ik ben bezig om met de verschillende stakeholders te kijken naar de vraag van de sector. Het arbeidsmigratiebeleid valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van SZW. Bij dit vraagstuk zijn verder verschillende ministeries, zoals bijvoorbeeld het Ministerie van IenW, de sociale partners in de sector, ILT, UWV en de NLA betrokken. Ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheden. Dit vraagstuk vergt een zorgvuldige afweging van verschillende belangen, waarbij ook naar andere mogelijke en bestaande oplossingen voor het bemanningstekort in deze sector zal worden gekeken, zoals beschreven in vraag 6 en 7. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst van deze afwegingen.
Hoe beoordeelt u het voorstel om deze vrijstelling te koppelen aan registratie in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen (NRV) om handhaafbaarheid te waarborgen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 10 wil ik niet vooruitlopen op de uitkomst van het nagaan van de verschillende mogelijkheden voor oplossingen van het bemanningstekort in de visserij. Ik kan dit voorstel daarom op dit moment (nog) niet beoordelen.
Ziet u mogelijkheden om via het NRV een duidelijke en controleerbare afbakening te creëren van de doelgroep voor een eventuele vrijstelling?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden bij de vragen 10 en 11. Ook deze vraag zal ik niet kunnen beantwoorden voor de eerder beschreven afwegingen zijn gemaakt.
Welke risico’s ziet u bij het invoeren van een dergelijke vrijstelling en hoe kunnen deze volgens u worden ondervangen?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 10 heb aangegeven ben ik bezig met dit vraagstuk. Daarin zullen we ook de risico’s van een mogelijke vrijstelling onderzoeken.
Bent u bereid om, in overleg met de sector en uitvoeringsorganisaties zoals UWV en de Nederlansdse Arbeidsinspectie (NLA), te komen tot een voorstel voor gelijkschakeling van maritieme sectoren op dit punt?
Ik ben bezig om de vraag van de sector te bezien samen met de andere betrokkenen, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 10. Deze vraag vergt een zorgvuldige afweging, waarbij onder andere de hierboven genoemde initiatieven van de sector en overheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid een onderdeel zijn. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over mogelijke beleidsaanpassingen of vervolgstappen?
Ik wil de Kamer na de zomer verder informeren. Een nadere invulling is onder meer afhankelijk van de capaciteit die hiervoor beschikbaar is bij betrokken stakeholders.
Het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het NRC over het AI-model Mythos dat mogelijk in handen is gevallen van onbevoegden?1
Ja.
Deelt u de analyse dat ongecontroleerde verspreiding van geavanceerde AI-modellen risico’s kan vergroten op cyberaanvallen, geautomatiseerde fraude en andere schadelijke toepassingen? Zo ja, welke risico’s acht u het meest urgent? Zo nee, waarom niet?
Het is goed om te benadrukken dat de risico’s niet voortkomen uit één specifiek geavanceerd AI-model. Geavanceerde capaciteiten zijn niet enkel meer voorbehouden aan gesloten, zogeheten «frontier-only» modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen steeds dichterbij dergelijke geavanceerde capaciteiten. Zo laat gelekte broncode van Anthropic’s Claude Code product zien dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen.
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Eén van de risico’s die het kabinet ziet, is dat geavanceerde AI-modellen onder andere kunnen worden ingezet om technische kwetsbaarheden in software op te sporen. Dit kan dankzij dergelijke AI-modellen in veel kortere tijd en op grotere schaal worden gedaan dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt uitgebuit significant worden verkort.
Ook zijn geavanceerde AI-modellen tot dusver afkomstig van commerciële bedrijven en veelal afkomstig uit niet-Europese landen waar andere wet- en regelgeving geldt dan in de EU. Dat kan ertoe leiden dat (a) er weinig tot geen inzicht bestaat in de onderliggende systemen en software van dergelijke systemen en (b) die systemen niet voldoen aan Europese wet- en regelgeving. Het (verder) integreren van AI-modellen in Nederlandse digitale (kern)processen, waarbij de AI-modellen op infrastructuur van niet-Europese aanbieders draait, kan leiden tot toenemende afhankelijkheid.
Ook draaien veel geavanceerde AI-modellen op niet-Europese cloudinfrastructuur. Integratie in Nederlandse digitale processen vergroot daarmee de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Aanbieders kunnen toegang tot specifieke modellen beperken, updates kunnen de uitkomsten veranderen zonder dat de afnemer dat in de hand heeft, en de rekenkracht voor geavanceerde AI is geconcentreerd bij een klein aantal niet-Europese partijen.
Welke rol spelen geavanceerde AI-modellen op dit moment in het dreigingsbeeld? Welke gevolgen heeft de uitrol van Mythos, binnen afzienbare tijd ook aan het grotere publiek, voor dit dreigingsbeeld?
Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld. Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Zo kan AI worden ingezet om kwetsbaarheden op te sporen, code te ontwikkelen, phishing te personaliseren of grote hoeveelheden data te verwerken. Dit kan ervoor zorgen dat actoren sneller en op grotere schaal cyberaanvallen kunnen uitvoeren. Anderzijds kunnen AI-modellen worden ingezet ter verdediging. Zo kan AI worden ingezet voor detectie van afwijkend netwerkverkeer, het geautomatiseerd controleren van systemen of het reageren op incidenten. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De mogelijke risico's zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 gelden voor de bredere trend waarbinnen dergelijke geavanceerde AI-systemen breder beschikbaar worden, waaronder de uitrol van Mythos.
Bent u van mening dat overheden toegang moeten krijgen tot Mythos zodat zij het kunnen gebruiken om preventief kwetsbaarheden op te sporen en te dichten? Kan dit op een veilige en verantwoorde manier?
Het kabinet bepleit terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie. Drie overwegingen liggen hieraan ten grondslag.
In de eerste plaats laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden. Het verschil tussen frontiermodellen en minder geavanceerde modellen is mogelijk minder groot dan de berichtgeving rond grote modelaankondigingen suggereert. In de tweede plaats zijn er nu aanbieders, van modellen zoals Mythos, die de toegang en voorwaarden bepalen. Toegang via dergelijke constructies kan daarmee ook de afhankelijkheid van die (niet-Europese) partijen vergroten. In de derde plaats kan preventieve kwetsbaarheidsdetectie via AI veilig en verantwoord worden ingericht, mits losgekoppeld van één specifieke leverancier. Het is afhankelijk van de specifieke omstandigheden, voorwaarden en afhankelijkheden en telkens een brede weging in welke mate toegang noodzakelijk is.
Hoe bereidt u overheidsorganisaties voor op de cyberveiligheidsrisico’s die gepaard gaan met de uitrol van Mythos? Kunt u uiteenzetten welke acties u neemt om de veiligheid van persoonsgegevens van burgers en de ICT-processen van de overheid te garanderen?
Het beschermen van persoonsgegevens van burgers en het waarborgen van de veiligheid van systemen van de overheid vraagt voortdurende aandacht. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 komen de risico’s die van invloed zijn op het waarborgen hiervan niet voort uit één specifiek geavanceerd AI-model zoals Mythos. Om die reden is het noodzakelijk dat overheidsorganisaties rekening houden met bredere ontwikkelingen die mogelijke risico’s zijn voor de bescherming van persoonsgegevens of de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen.
Voor de bescherming van persoonsgegevens geldt dat dit wordt geregeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De AVG kent onder meer de verplichting tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging bij de verwerkingen van persoonsgegevens. Daarbij geldt dat een beoordeling van het passende beveiligingsniveau moet worden uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met de risico’s met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Voorafgaand aan een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens, die waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, moet voorts een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd worden om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Daarbij moet onder meer worden beoordeeld welke maatregelen getroffen worden om de risico’s aan te pakken, waaronder veiligheidsmaatregelen en een mechanisme om de bescherming van persoonsgegevens te garanderen. Ook volgt uit de AVG de verplichting om voor het verrichten van verwerkingen van persoonsgegevens uitsluitend gebruik te maken van andere partijen die namens de overheid persoonsgegevens verwerken als verwerkers, indien zij voldoende garanties bieden met betrekking tot het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen, zodat aan de (andere) verplichtingen op grond van de AVG wordt voldaan. Op de naleving van verplichtingen uit de AVG houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht.
Vanuit de AI-verordening gelden bovendien regels voor de ontwikkeling en het gebruik van AI-systemen, ook aan de cyberveiligheid van hoog-risico systemen. Bovendien kent de AI-verordening de verplichting tot uitvoering van een Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) bij hoog-risico AI-systemen, om impact van deze systemen op fundamentele rechten van de mens te beoordelen. In de Kamerbrief van 20 april heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit u geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.2
Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet, waarin de Europese NIS2-richtlijn zal worden geïmplementeerd, gelden op grond van die wet verplichtingen voor de in die wet genoemde organisaties met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen. Het voorstel voor deze wet ligt op dit moment ter behandeling voor bij de Eerste Kamer. Deze wet zal gaan gelden voor organisaties uit verschillende sectoren, waaronder ook de overheid. Onderdeel van deze wet zal een zorgplicht zijn die inhoudt dat organisaties die onder de wet vallen verplicht zijn tot het nemen van passende en evenredige, technische, operationele en organisatorische maatregelen, om de risico’s met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Daarbij geldt dat organisaties maatregelen moeten nemen die zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico’s die voor hun organisatie gelden. Deze risico’s kunnen voor die organisaties als gevolg van onder meer veranderende dreigingen of nieuwe technologieën wijzigen, waardoor zij aanvullende maatregelen zullen moeten nemen. Deze zorgplicht wordt in het Cyberbeveiligingsbesluit, de algemene maatregel van bestuur onder de Cyberbeveiligingswet, en in ministeriële regelingen van de voor de sectoren verantwoordelijke vakministers, nader uitgewerkt.
De maatregelen die organisaties, die onder de Cyberbeveiligingswet vallen, moeten nemen betreffen onder meer beleid over risicoanalyses en incidentenbehandeling en de beveiliging van de toeleveringsketen. Krachtens het Cyberbeveiligingsbesluit geldt als maatregel onder meer ook dat organisaties bij attenderingen op voor hun relevante kwetsbaarheden of, dreigingen en beveiligingsadviezen door relevante partijen zoals CSIRTs, moeten beoordelen of op basis hiervan aanpassingen of aanvullingen nodig zijn op hun maatregelen (art. 17 Cbb). Daarnaast is voor overheidsorganisaties die onder de Cbw vallen, voorzien dat in de regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als maatregel, die zij in het kader van de zorgplicht moeten nemen, komt te gelden dat zij de normen en overheidsmaatregelen in de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO2), het reeds bestaande normenkader voor informatiebeveiliging bij de overheid, toepassen. Op de naleving van de verplichtingen in de Cyberbeveiligingswet en de daar onderliggende regelgeving wordt toezicht gehouden. Voor overheidsorganisaties zal de Rijksinspectie voor Digitale infrastructuur (RDI) als toezichthouder optreden.
Terugkomend in bovengenoemde wet- en regelgeving is dat gegevensbescherming en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen een continue en cyclisch proces is. Organisaties dienen voortdurend te toetsen of bestaande maatregelen nog steeds voldoende zijn om risico’s te beheersen. Ook risico’s als gevolg van het bestaan van AI-modellen, waaronder Mythos, zullen onderdeel zijn van deze continue risico-inschatting door organisaties.
Welke rol zou een onafhankelijke AI-raad, zoals voorgesteld in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1403), kunnen spelen om de veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI te monitoren en af te dekken? Hoe wordt deze motie nu uitgevoerd?
Het kabinet onderschrijft het belang van het monitoren en beheersen van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en deelt de opvatting dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Mede naar aanleiding van de aangenomen motie over een onafhankelijke AI-raad3, ingediend op 29 september 2025, is gekeken naar een passende structuur om hier invulling aan te geven.
Zoals eerder aan de Kamer gemeld4, werd in eerste instantie bezien welke rol de NDS-raad hierin kon vervullen. Nu besloten is om de oprichting van de raad niet te formaliseren5, worden alternatieve invullingen verkend. Zo loopt er tot september 2026 onder andere een interdepartementale verkenning, uitgevoerd door de Digitale Doetank, naar de inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Safety Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI.
Heeft u voldoende zicht op de risico’s van model leakage, model theft en ongeautoriseerde verspreiding van geavanceerde AI-systemen in Nederland en Europa? Zo ja, hoe wordt dit inzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Aanbieders van bepaalde AI-systemen, zoals systemen met een hoog risico en AI-modellen voor algemene doeleinden, inclusief modellen met een systeemrisico, moeten op grond van de Europese AI-verordening bepaalde informatie over deze systemen openbaar maken. De regels voor AI-modellen voor algemene doeleinden en die met een systeemrisico zijn op 2 augustus 2025 in werking getreden. Voor krachtige AI-modellen met systeemrisico’s gelden volgens deze verordening aanvullende verplichtingen om deze risico’s in kaart te brengen. Hierdoor hebben lidstaten en de Europese Commissie meer zicht op deze risico’s. De AI-verordening kent hiervoor een toezichtstelsel, waarbij zowel nationale toezichthouders als de Europese Commissie nauwlettend toezicht houden op deze risico’s. Zo kunnen zij hoog-risico AI-systemen die niet aan de verplichtingen voldoen van de markt halen. Daarnaast vindt er kennisuitwisseling plaats tussen (nationale) toezichthouders, de Europese Commissie en experts uit de lidstaten binnen de door de AI-verordening opgerichte Comité voor Artificiële Intelligentie (European AI Board).
Hoe beoordeelt u de toereikendheid van bestaande beveiligingsnormen en toezichtmechanismen voor ontwikkelaars en beheerders van krachtige AI-modellen, mede in relatie tot de implementatie van de AI-verordening?
De Europese AI-verordening stelt regels aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor dit soort modellen met systeemrisico’s, deze regels zijn op 2 augustus 2025 in werking getreden. Hier vallen de meest krachtige AI-modellen onder. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Daarnaast moeten zij ernstige incidenten en mogelijk corrigerende maatregelen bijhouden. Het toezicht op al deze modellen is Europees centraal belegd bij de Europese Commissie. Daarnaast kunnen aanbieders aansluiten bij de Europese General-Purpose AI Code of Practice die op 10 juli 2025 is gepubliceerd. Deze vrijwillige praktijkcode bevat onder andere informatie over hoe aanbieders kunnen voldoen aan de beveiligingsnormen uit de AI-verordening. Het kabinet is positief over deze vereisten en stimuleert aanbieders om zich aan te sluiten bij de praktijkcode. Het is nog niet mogelijk een sluitend oordeel te vellen over de effectiviteit van deze eisen. Samen met de Europese Commissie en andere lidstaten houden we de werking van deze vereisten nauwlettend in de gaten en dragen we bij aan de evaluaties hiervan.
Welke kansen ziet u om via veilige ontwikkeling en deployment van AI de digitale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld voor cyberdetectie, opsporing en publieke dienstverlening?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u in deze casus aanleiding om in Europees verband te pleiten voor versterkte samenwerking rond monitoring van toegangsbeheer, auditing en incidentrespons? Zo ja, op welke wijze?
Organisaties zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun eigen digitale weerbaarheid en daarmee onder meer ook voor het voorkomen en detecteren van cyberincidenten. De recente ontwikkelingen rondom AI benadrukken nogmaals het belang van het versterken van de digitale weerbaarheid van organisaties en de samenwerking daartoe bij digitale dreigingen, kwetsbaarheden en incidenten. In Nederland zijn er verschillende organisaties, zoals CSIRTS, die organisaties kunnen ondersteunen door het geven van adviezen en handelingsperspectieven, het verstrekken van informatie over dreigingen en incidenten en het assisteren bij incidentmanagement.
In het geval van grensoverschrijdende incidenten coördineert het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), vanuit de Nederlandse overheid, de samenwerking met internationale(cyber) partners en werkt daartoe intensief samen met die partijen in onder meer het Europese CSIRT-netwerk. Binnen dit netwerk kunnen CSIRTs snel en effectief operationele informatie met elkaar uitwisselen met ondersteuning door het European Network and Information Security Agency (ENISA). Bovendien wordt binnen dit netwerk en diverse andere EU-samenwerkingsverbanden (zoals de NIS Cooperation Group en het CyCLONe-netwerk) aandacht besteed aan de invloed van de ontwikkeling van AI-modellen op cybersecurity.
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van meer transparantieverplichtingen voor aanbieders van geavanceerde AI-systemen over beveiligingsmaatregelen, incidenten en misbruikrisico’s?
Zoals ook opgenomen in het antwoord op vraag 8 is het nog te vroeg om aanvullende eisen op te stellen. De verplichtingen vanuit de AI-verordening zijn immers pas recent van kracht geworden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en in ieder geval vóór het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026?
Aangezien niet alle benodigde informatie op tijd was ontvangen is het niet gelukt de beantwoording met uw Kamer te delen voor het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026.
Het gebrek aan psychische hulp voor kinderen in de vrouwenopvang |
|
Marijke Synhaeve (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nauwelijks psychische hulp voor kinderen in vrouwenopvang, scholen springen bij»?1
Ja.
Erkent u dat deze kinderen vaak zeer getraumatiseerd zijn, en wanneer zij niet de juiste zorg krijgen, deze trauma's doorwerken in alle levensterreinen van deze kinderen en dat zij hier hun hele toekomst last van kunnen houden?
Kinderen die heftige dingen hebben meegemaakt kunnen getraumatiseerd zijn. Het is inderdaad zo dat de impact van een trauma zowel korte- als lange termijn gevolgen kan hebben. Het is belangrijk dat kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang toegang hebben tot zorg als dat nodig is.
Kunt u reflecteren op welke concrete verbeteringen de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd zijn voor kinderen in de vrouwenopvang in termen van bescherming, toegang tot passende ondersteuning en zorg, en continuïteit in hun ontwikkeling, als gevolg van het rapport van burgemeester Lenferink, vanuit zijn aanjagersrol op dit traject?2
Het rapport van Lenferink heeft geleid tot een keerpunt in de wijze waarop kinderen in de vrouwenopvang worden benaderd. Waar zij voorheen veelal werden beschouwd als meekomende gezinsleden van hun moeder, maakt Lenferink inzichtelijk dat kinderen zelfstandige slachtoffers zijn van huiselijk geweld, met eigen rechten en een eigen hulpvraag. Op basis van het rapport is in 2019 het normenkader «Kinderen in de opvang» opgesteld. Dit normenkader is later opgegaan in het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» en gaat over alle cliënten in de vrouwenopvang, dus ook kinderen. Dit normenkader omschrijft de standaarden waar de opvanginstelling aan moet voldoen om het «Keurmerk Veiligheid in de Vrouwenopvang» te mogen voeren.
De veiligheid van kinderen wordt op basis van het normenkader niet langer uitsluitend indirect benaderd via de ouder, maar expliciet en systematisch beoordeeld. Hulpverleners brengen per kind de risico’s in kaart en treffen maatregelen om zowel de veiligheid te waarborgen.
De inzet is dat kinderen doorgaans een eigen hulpverleningsplan en begeleiding ontvangen die aansluit bij hun specifieke behoeften. Deze ontwikkeling heeft geleid tot een meer systematische en doelgerichte inzet van hulp, wat bijdraagt aan het herstel en welzijn van kinderen. Kanttekening hierbij is dat, waar het nieuwsbericht ook aan refereert, in de praktijk deze hulpverlening voor kinderen niet altijd tijdig op gang komt.
Het normenkader «Veiligheid in de Vrouwenopvang» vervult in deze ontwikkeling een cruciale rol. Het rapport van Lenferink beschrijft de noodzakelijke veranderingen en het normenkader heeft deze inzichten vertaald naar concrete, toetsbare normen voor de praktijk.
Dit laat onverlet dat in de praktijk de hulpverlening voor kinderen niet altijd goed op gang komt. Dit vind ik niet wenselijk. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen om de samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat knelpunten in de intergemeentelijke samenwerking worden voorkomen en de hulpverlening aan kinderen waar nodig goed op gang komt. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag in hoeverre de kwaliteitsverbeteringen die beoogd zijn met deze instrumenten, waaronder de inzet van een aanjager en het werken met normenkaders, in praktijk daadwerkelijk afdwingbaar zijn, zowel richting gemeenten als richting opvangorganisaties?
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet verplicht om veilige opvang te bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het keurmerk is een middel om veiligheid te concretiseren. Het normenkader is niet wettelijk afdwingbaar. Wel kunnen gemeenten bij de inkoop aan de opvanginstelling de eis stellen om het normenkader te hanteren. Het normenkader kan daarmee leiden tot een kwaliteitsverbetering. Maar gemeenten zijn vrij om hierin andere keuzes te maken.
Hoe beoordeelt u de huidige juridische positie van kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, en acht u deze positie voldoende beschermd om te waarborgen dat kinderen daadwerkelijk als zelfstandige dragers van rechten worden behandeld en aanspraak kunnen maken op zorg?
Kinderen die in Nederland verblijven kunnen aanspraak maken op jeugdhulp als zij dat nodig hebben. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Dat geldt ook voor kinderen die verblijven in de vrouwenopvang of in de maatschappelijke opvang. Juist voor deze kwetsbare groep kinderen is het belangrijk dat passende jeugdhulp wordt ingezet. Mede naar aanleiding van de motie Van den Hil (Kamerstuk 29 325, nr. 185) heb ik met verschillende partijen waaronder VNG, Valente en Jeugdzorg Nederland onderzocht waar de knelpunten zitten. Gebleken is dat knelpunten zich voordoen op de intergemeentelijke samenwerking. Daarom ben ik met de VNG in gesprek over maatregelen om deze samenwerking tussen gemeenten te verbeteren, zodat deze kinderen passende hulp ontvangen. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Erkent u dat veel van deze kinderen professionele zorg nodig hebben, die niet geboden kan worden door het onderwijs, en hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen deze zorg ook daadwerkelijk krijgen?
Het klopt dat een deel van deze kinderen jeugdzorg nodig heeft. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk. Zoals ik in antwoord op vraag 5 heb aangegeven, doen zich soms knelpunten in de intergemeentelijke samenwerking voor. Ik ben met de VNG in gesprek om dit te verbeteren.
Kunt u uiteenzetten onder welke wettelijke regelingen en financieringsstromen de kindgerichte zorg wordt betaald die plaatsvindt binnen de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, waarbij gedacht kan worden aan ondersteuning bij onderwijs en pedagogische begeleiding, en kloppen de signalen dat hier geen structureel, herkenbaar budget per kind voor beschikbaar is?
Passende zorg voor kinderen binnen de vrouwenopvang en maatschappelijk opvang valt binnen het kader van de Jeugdwet. In de Jeugdwet is geregeld dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en inkoop van jeugdzorg. Gemeenten krijgen hiervoor middelen uit het Gemeentefonds. Deze generieke manier van financieren via het gemeentefonds betekent inderdaad dat hiervoor geen structureel budget per kind te identificeren is. Wat nodig is varieert ook per kind.
Binnen het onderwijs hebben scholen een zorgplicht voor alle kinderen en zorgt het samenwerkingsverband passend onderwijs er, samen met de aangesloten schoolbesturen, voor dat er voor alle kinderen en jongeren zo passend mogelijk onderwijs en ondersteuning is. Ook voor kinderen in de vrouwenopvang of maatschappelijke opvang. Naast deze (extra) onderwijsondersteuning, is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp. Daarnaast kunnen ook brugfunctionarissen3, de jeugdgezondheidszorg en professionals van lokale teams kinderen (en ouders) ondersteunen. Het is daarom van belang dat onderwijs en gemeenten goede afspraken maken over de samenhangende inzet van onderwijsondersteuning en jeugdhulp.
Zou u kunnen toelichten door wie specialistische zorg buiten de opvang voor deze kinderen, zoals jeugd-GGZ en overige jeugdhulp, wordt gefinancierd?
De financiering van jeugdzorg is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten krijgen hiervoor middelen van de Rijksoverheid via het Gemeentefonds.
Erkent u dat het naar elkaar wijzen van gemeenten in de praktijk kan leiden tot vertraging of uitstel van noodzakelijke zorg?
Het klopt dat het naar elkaar wijzen van gemeenten kan leiden tot vertraging of uitstel van de noodzakelijk zorg. Ik vind dit niet wenselijk. Op dit moment wordt in samenwerking met de VNG gekeken op welke wijze de intergemeentelijke samenwerking verbeterd kan worden. Ik informeer u hier nader over in de Voortgangsbrief Jeugd die u voor de zomer ontvangt.
Zijn er signalen bekend dat kinderen en/of vrouwen in de vrouwenopvang psychische zorg mijden, met het gevaar dat hun ouders of partner via de zorgverzekering kan achterhalen waar zij geplaatst zijn, zoals eerder al aangekaart is op gebied van medische zorg via motie Synhaeve c.s.?3
Ik heb recentelijk geen signalen ontvangen dat slachtoffers van huiselijk geweld zorg mijden uit angst dat ouders of partners via de zorgverzekeraar hun gegevens kunnen achterhalen. Naar aanleiding van de motie heeft overleg plaatsgevonden met Valente en Zorgverzekeraars Nederland om de bestaande regelingen voor gegevensafscherming van kwetsbare personen in kaart te brengen. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling die ik voornemens ben voor het zomerreces te versturen.
Bent u bekend met het bericht «Ervaringen ingezetenencriterium»?1
Ja.
Hoe kan het dat ondanks het i-criterium, welke sinds 1 januari 2013 deel uitmaakt van de Opiumwet en gemeentes verplicht dit in het lokale beleid op te nemen, er nog steeds gemeentes zijn die deze plicht verzaken?
Op 1 januari 2013 werd het landelijk ingezetenencriterium (i-criterium) ingevoerd door opneming daarvan in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie (OM).
Het lokale bestuur stelt het lokale coffeeshopbeleid vast en voert daarop de regie. Burgemeesters zijn niet verplicht het landelijk i-criterium over te nemen in hun beleid en erop te handhaven, maar veel gemeenten hebben dit wel gedaan. Indien dit wordt opgenomen in het lokale beleid, kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Daarnaast kan het OM strafrechtelijk handhaven bij overtreding van dit criterium. Een verplichting daartoe bestaat niet: op grond van het opportuniteitsbeginsel komt het OM beleidsvrijheid toe om te bepalen welke zaak wordt opgepakt en welke niet.
De lokale driehoek (burgemeester, OM en politie) vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de handhaving. De gedachte hierbij is dat de uitvoering van het beleid lokaal maatwerk dient te zijn, zodat er aansluiting is met de dagelijkse praktijk in de betreffende gemeente. Afstemming over lokaal maatwerk vindt tevens plaats in de lokale driehoek. In afstemming met het OM en politie, en in lijn met het lokale coffeeshop- en/of veiligheidsbeleid, beslist de burgemeester dus over het wel of niet opnemen van het i-criterium in het lokale beleid en de prioriteit die hieraan al dan niet moet worden gegeven.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat gemeentes die het i-criterium wel in hun lokale beleid hebben opgenomen dit niet handhaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Nee, ik vind dat niet onacceptabel of een vorm van ondermijning van de rechtsstaat. De prioritering van de handhaving op het i-criterium wordt bepaald binnen de lokale driehoek. Deze partijen hebben immers het beste zicht op de veiligheid in de gemeente en welke inzet daarvoor nodig is. Het blijkt bovendien dat handhaving van het criterium in de ene gemeente een heel ander effect kan hebben dan in de andere gemeente. Handhaving van het criterium kan bijvoorbeeld ook voor meer overlast zorgen. Om die reden vind ik het passend, en zeker geen vorm van ondermijning, dat de afweging of het I-criterium wordt gehandhaafd op lokaal niveau wordt bezien.
Is het gedogen van eerdergenoemd gedrag door gemeentes geen vorm van ondermijning van de rechtsstaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Als de overheid zich al niet houdt aan wet- en regelgeving, wat verwacht u dan van de burger? Is dit geen fout voorbeeld?
Nee, ik vind dit geen verkeerd voorbeeld. Er is immers geen sprake van overtreding van de wet- en regelgeving door de overheid, maar juist van een fijnmazige afweging wanneer wel of niet wordt gehandhaafd op deze specifieke regel. Daarmee wordt recht gedaan aan de uiteenlopende effecten die handhaving van dit criterium in de concrete, lokale praktijk kan hebben.
Wekt het niet uitvoeren en handhaven van het i-criterium het wiettoerisme, met de bijbehorende overlast, niet in de hand?
Zoals blijkt uit het onderzoek van Breuer&Intraval wordt in 25 gemeenten (24%) het i-criterium met lage prioriteit gehandhaafd.2 Het is niet onderzocht of het beperkt of niet handhaven op het i-criterium leidt tot meer drugstoerisme en/of overlast. Uit het onderzoek blijkt wel dat deze gemeenten geen actief toezicht houden, omdat (problematisch) drugstoerisme juist ontbreekt. Handhaving vindt in deze gemeenten meestal plaats bij signalen van overlast.
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het OM doen onderzoek naar de website en daar kan ik niet op vooruitlopen.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Opsporingsdiensten beschikken over verschillende bevoegdheden om beheerders en gebruikers van dergelijke platforms op te sporen, waaronder digitale opsporingsbevoegdheden op grond van het Wetboek van Strafvordering. Zo kunnen de politie en het OM in het kader van de opsporing zich via bevelen en vorderingen richten tot aanbieders van communicatiediensten. In het geval een aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal voor de inzet hiervan een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Voor zover de genoemde platforms kwalificeren als aanbieder van communicatiediensten en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen.2 Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen.
Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiseringstechnieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), kan de officier van justitie aan een aanbieder het bevel richten om de content ontoegankelijk te (laten) maken op grond van artikel 125p Sv.
In aanvulling op bovenstaande strafrechtelijke mogelijkheden, gelden op grond van de Digitaledienstenverordening (DSA) diverse publiekrechtelijke zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
De politie geeft in algemene zin aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». Wanneer er bij de politie een melding wordt gedaan van een dergelijke situatie, kan dit op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten worden geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen. Hierdoor kunnen er geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie heeft ontvangen.
De politie zal onderzoek verrichten wanneer melding of aangifte wordt gedaan van een dergelijke situatie. De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich te allen tijde kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, worden deze meldingen op verschillende wijzen en onder verschillende strafbare feiten geregistreerd en vastgelegd in de politiesystemen en kunnen hierdoor geen eenduidige cijfers uit de systemen worden gehaald van het aantal meldingen dat de politie van dergelijke situaties heeft ontvangen.
Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich altijd melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
De hulplijn van Offlimits heeft geen meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Het delen van tips in groepchats om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie kan strafbaar zijn, maar dat hangt af van de concrete inhoud en context. Het verschaffen van generieke informatie over slaapmedicatie is op zichzelf niet strafbaar. Strafbaarheid ontstaat wanneer degene die de tips heeft gedeeld zowel opzet heeft gehad op het uiteindelijke misdrijf dat is gepleegd (het drogeren van iemand en eventueel daarna seksueel misbruiken) als op de hulpverlening of samenwerking daartoe door het geven van tips. Relevante strafrechtelijke grondslagen zijn onder meer deelneming aan en/of voorbereiding van (zware) mishandeling (artikel 300 en 304 Sr). Indien tips worden gegeven hoe je iemand kan drogeren met slaapmedicatie om die persoon vervolgens seksueel te misbruiken, kan sprake zijn van deelneming aan en/of voorbereiding van gekwalificeerde opzetaanranding (artikel 241 lid 2) of gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243 lid 2). Uit artikel 244 Sr blijkt namelijk dat bij een persoon in ieder geval de wil tot seksuele handelingen ontbreekt indien diegene in een staat van bewusteloosheid verkeert (bijvoorbeeld door vaste slaap of door het gebruik van verdovende middelen).3
Gerichte handhaving is in de praktijk echter complex. Besloten groepchats op diensten als Signal of WhatsApp zijn end-to-end versleuteld; de politie en het OM hebben daartoe geen toegang, en een gerichte rechterlijke machtiging en medewerking van de aanbieder levert in de regel niets op. Hoewel in Nederland telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht zijn om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering,4 geldt deze verplichting niet voor nummeronafhankelijke communicatiediensten zoals WhatsApp of Signal. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De DSA biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. De DSA legt hostingdiensten en online platforms wel de verplichting op om meldingen over illegale content op hun diensten tijdig te beoordelen en verwerken (zie ook het antwoord op vraag 3). Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn daarvan echter uitdrukkelijk uitgesloten.
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Naarmate instructies over hoe iemand kan worden gedrogeerd en vervolgens seksueel misbruikt concreter en specifieker worden gedeeld, kan sprake zijn van strafbare betrokkenheid bij seksuele misdrijven, bijvoorbeeld in de vorm van medeplichtigheid of uitlokking als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Op grond van de Wet seksuele misdrijven (WSM), die op 1 juli 2024 in werking is getreden, zijn diverse seksuele gedragingen en vormen van facilitering daarvan strafbaar gesteld of aangescherpt. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan daarnaast sprake zijn van strafbare voorbereiding of deelname aan een crimineel samenwerkingsverband.
De normstelling die hiervan uitgaat, dient hand in hand te gaan met handhaving tegen strafbare feiten en illegale online content waarbij seksueel geweld centraal staat. In het antwoord op vraag 3 licht ik de strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden toe ten aanzien van de beheerders en de gebruikers hiervan.
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3, kan bij verdenking van bepaalde strafbare feiten en onder specifieke voorwaarden informatie over gebruikers worden gevorderd bij aanbieders van communicatiediensten. Indien een communicatiedienst buiten Nederland is gevestigd, dient de officier van justitie een verzoek om rechtshulp te doen aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten.
Voor zover de aanbieder van een communicatiedienst kwalificeert als tussenhandeldienst onder de DSA, schrijft artikel 10 DSA voor dat de ontvangende tussenhandeldienst van een vordering zo spoedig mogelijk terugkoppelt op welke wijze en binnen welke termijn daaraan gevolg wordt gegeven. Toch is de reikwijdte van de DSA voor deze diensten maar beperkt. Zo kwalificeert WhatsApp voor wat betreft de aangeboden functie «kanalen» als online platform onder de DSA, maar is deze dienst voor privéberichten – veruit het grootste en belangrijkste onderdeel van het platform – uitdrukkelijk uitgezonderd van de verplichtingen onder de DSA.
Er bestaat geen algemene identificatieplicht voor internetgebruikers waardoor het internet een zekere mate van anonimiteit biedt. De online privacy die daarmee samenhangt, vervult ook een belangrijke functie. Zij stelt bijvoorbeeld klokkenluiders in staat om misstanden aan het licht te brengen en biedt onderzoeksjournalisten de ruimte om veilig hun werk kunnen doen. De in het strafrecht geregelde bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn bedoeld om, waar dat noodzakelijk is, anonimiteit op te heffen ten behoeve van opsporing en vervolging.
Daar waar het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik tegen specifiek kinderen betreft, wordt sinds 1 juli 2024 bestuursrechtelijk opgetreden middels de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Deze wet regelt onder meer de bevoegdheid voor de opgerichte Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) om aanbieders van communicatiediensten gevestigd in Nederland te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen en bestuursrechtelijk te handhaven wanneer zij dat niet doen.
Het strafrecht vormt het sluitstuk van de aanpak. De aanpak van online seksueel kindermisbruik is een van de prioriteiten in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook in de volgende Veiligheidsagenda (2027–2030) een van de geprioriteerde thema’s zijn. In de Veiligheidsagenda zijn landelijke beleidsdoelstellingen voor de politie vastgesteld.
Voorts vindt op Europees niveau tweeledige inzet plaats door middel van de herziening van de CSA-Richtlijn (Richtlijn betreffende de aanpak van seksueel kindermisbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en materiaal van seksueel misbruik van kinderen) en de CSAM-Verordening (Verordening betreffende voorschriften ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik).
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Nederland werkt bij de bestrijding van grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit nauw samen met andere Europese lidstaten en Europese instellingen. Ook bij dit fenomeen staat de politie in nauwe verbinding met Europol, Interpol en andere internationale samenwerkingspartners. Omdat dit type criminaliteit zich vaak over landsgrenzen heen afspeelt, wordt in Europees verband samengewerkt op het gebied van opsporing, vervolging en het tegengaan van de verspreiding van strafbaar materiaal online.
Als individuele lidstaat kan Nederland inzetten op een sterke nationale aanpak, waaronder het versterken van de opsporingscapaciteit, het verbeteren van de samenwerking tussen publieke en private partijen en het stimuleren van meldingsbereidheid. Ook blijft Nederland investeren in preventie en het beschermen van slachtoffers.
Tegelijkertijd is een effectieve aanpak in belangrijke mate afhankelijk van samenwerking in Europees en internationaal verband. Er zijn verschillende Europese en internationale instrumenten waarin aandacht is voor de aanpak van online seksueel (kinder)misbruik met onder andere harmonisatie van wet- en regelgeving, verbetering van grensoverschrijdende gegevensuitwisseling en versterking van de rol van Europese agentschappen. Denk hierbij aan verdragen zoals het Verdrag inzake cybercriminaliteit (ook bekend als het Boedapestverdrag) en het Verdrag inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (verdrag van Lanzarote) van de Raad van Europa of de EU-richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, waarin ook aandacht is voor cybergeweld. Daarnaast wordt op dit moment op EU-niveau specifiek voor de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik over twee instrumenten onderhandeld: een richtlijn inzake de bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie en een verordening inzake materiaal van seksueel misbruik van kinderen. Nederland blijft zich daarom inzetten voor een gezamenlijke Europese aanpak waarin opsporing, preventie en verantwoordelijkheid ook van online dienstverleners centraal staan.
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Artikel 15 van de DSA verplicht tussenhandeldiensten jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Hostingdiensten rapporteren daarin over categorieën illegale online content. Uit deze rapportages valt niet af te leiden hoeveel meldingen specifiek betrekking hebben op de problematiek rondom verkrachtingsacademies. Wel vermeldt bijvoorbeeld het meest recente transparantierapport van Telegram,5 voor zover het de onderdelen van de dienst betreft die als online platform onder de DSA kwalificeren, hoeveel verwijder- en informatieverzoeken zijn gedaan en in hoeveel gevallen Telegram tegen illegale pornografische content heeft opgetreden.
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Het bestaan van deze groepen op Telegram vind ik uiteraard verschrikkelijk, temeer daar de ervaringen met Telegram wisselend en tot dusver veelal moeizaam zijn. Uit berichtgeving van CNN bleek wel dat tijdens het journalistieke onderzoek een uitgelichte groepschat door Telegram is verwijderd. In een verklaring na publicatie heeft Telegram aangegeven dat content die aanzet tot seksueel geweld in strijd is met de algemene voorwaarden en wordt verwijderd zodra dergelijke content wordt ontdekt.
Het kabinet wijst partijen als Telegram voortdurend op hun verantwoordelijkheid, mede met behulp van wetgevende instrumenten zoals de Verordening terroristische online-inhoud (hierna: TCO-verordening) en de DSA. Over de Verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik wordt nog onderhandeld. Deze drie verordeningen leggen tussenhandeldiensten meer (zorgvuldigheids)verplichtingen op, onder meer met betrekking tot illegale online content.
Verder kijk ik met belangstelling naar bredere ontwikkelingen op het gebied van toezicht- en handhaving. Zo onderzoekt het OM of en in hoeverre Telegram meewerkt aan bevelen tot het ontoegankelijk maken van content op basis van rechterlijke machtigingen. Het onderzoek beslaat een breed scala aan verdenkingen van strafbare feiten, zoals de online handel in drugs en wapens, terreur en online materiaal van seksueel kindermisbruik. Afhankelijk van hoe het OM de uitkomsten van het onderzoek beoordeelt, worden vervolgacties overwogen.
Hiernaast volg ik de werkzaamheden van de Belgische toezichthouder voor zowel de TCO-verordening als de DSA, aangezien Telegram in België zijn wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen. De Belgische toezichthouder heeft eerder bekendgemaakt dat in 2024,6 gelet op het grote aantal Telegram-gebruikers en het aantal tegen Telegram uitgevaardigde bevelen, een onderzoek is gestart naar de naleving door Telegram van de TCO-verordening. Dit onderzoek liep in 2025 nog door. De uitkomsten en eventuele vervolgstappen volg ik met interesse.
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
In 2027 moeten zowel de nationale evaluatie van de Uitvoeringswet DSA als de Europese evaluatie van de DSA worden opgeleverd, daarbij wordt onder andere gekeken naar de werking, waaronder de doeltreffendheid, van deze instrumenten in de praktijk. Mijn ministerie zal een actieve bijdrage leveren aan deze evaluaties.
Daarnaast is de Kamer eerder over de aanpak van malafide hostingpartijen geïnformeerd.7 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders genomen die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Binnen de aanpak tegen bad hosting, worden de mogelijkheden voor een verplicht KYC-beleid voor de hostingsector momenteel nader onderzocht Door een verplicht KYC-beleid voor de hostingsector kunnen de verantwoordelijke (klanten van) dienstverleners sneller worden achterhaald, dan wel sneller aansprakelijk worden gesteld bij het niet voldoen aan een bevel of vordering. Het offline halen van platforms die vanuit het buitenland worden gehost blijft een uitdaging. De resellersproblematiek, een constructie waarbij hostingdiensten worden doorverhuurd of doorverkocht aan tussenpartijen, speelt hierbij een grote rol. Door de resellersconstructie is er minder zicht op malafide activiteiten van klanten van hostingdiensten en kan een klant of gebruiker makkelijker anoniem blijven. Het wettelijk verplichten van een KYC-beleid voor de hostingsector helpt ook bij het tegengaan van de resellersproblematiek.
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Het tegengaan van malafide (klanten van) hostingaanbieders is van groot belang en samenwerking op Europees en internationaal niveau is daarvoor onmisbaar. Daar zal mijn ministerie zich voor inzetten. Vanuit de aanpak tegen bad hosting worden daarom gesprekken gevoerd om de urgentie voor een aanpak tegen bad hosting op Europees niveau te vergroten. Onlangs is bij de non-paper over de Europese Tech Sovereignty Package van EZK aandacht gevraagd voor regelgeving om misbruik van diensten op digitale infrastructuur tegen te gaan.8
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de DSA werkt de ACM vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten.
De ACM heeft in dit kader contact opgenomen met andere Europese toezichthouders om te achterhalen of voor deze partij een andere toezichthouder momenteel bevoegd is. Indien dit niet het geval is, zal de ACM besluiten om een onderzoek in gang te zetten. Ook kan de onderliggende webhostingdienst mogelijk worden aangesproken op grond van de DSA. Dit hangt af van hoe beide partijen om zijn gegaan met pogingen om illegale inhoud offline te halen.
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
De veiligheid van supporters op het WK-voetbal in de Verenigde Staten, Mexico en Canada |
|
Kati Piri (PvdA), Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe weegt u de waarschuwing van Amnesty International dat het WK 2026 ernstige mensenrechtenrisico’s met zich meebrengt?1
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen en volgt de ontwikkelingen in de betrokken landen onder andere via rapportages van onze ambassades en maatschappelijke organisaties.
Hoe kijkt u tegen het gegeven aan dat de FIFA en de Amerikaanse autoriteiten nog geen enkele garantie hebben geboden dat fans veilig zullen zijn voor etnisch profileren, willekeurige invallen of onwettige detentie en uitzetting?
De Amerikaanse regering heeft benadrukt supporters uit alle landen te verwelkomen om hun teams aan te moedigen. Daarnaast heeft de FIFA een mensenrechtenbeleid vastgesteld, gebaseerd op de VN-richtlijnen voor bedrijfsleven en mensenrechten, dat oproept tot het respecteren en bevorderen van alle internationaal erkende mensenrechten, inclusief bescherming tegen discriminatie, willekeurige detentie en uitzetting. Op basis hiervan stelt het kabinet dat er voldoende basis is voor een veilig bezoek door Nederlandse supporters aan het WK.
Wat is uw inschatting ten aanzien van de risico’s voor Nederlandse voetbalsupporters in de Verenigde Staten, gezien vraag 2?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken adviseert Nederlanders over reizen naar de Verenigde Staten via het reisadvies. De kleurcode van het reisadvies voor de Verenigde Staten is groen. Dat betekent dat Nederlanders daarheen kunnen reizen en dat hen wordt geadviseerd de veiligheidsrisico’s te lezen. Het kabinet raadt Nederlandse supporters zich goed voor te bereiden op hun reis door het reisadvies te raadplegen.
Baart het u zorgen dat de waarnemend directeur van de US Immigration and Customs Enforcement (ICE) heeft gesteld dat ICE een «key part» gaat spelen bij het veiligheidsapparaat rondom het WK?2 Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop de gastlanden de veiligheid van het WK en zijn bezoekers waarborgen, is primair een interne aangelegenheid van die landen. Het kabinet gaat ervan uit dat Nederlanders die de geldende regels en procedures voor inreis en verblijf in de Verenigde Staten, Canada en Mexico, volgen, het WK zonder problemen kunnen bijwonen.
Hoe wordt de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters geborgd gezien de willekeurige arrestaties, etnisch profileren door o.a. ICE en de onwettige detenties en uitzetting?
Zie het antwoord op vraag 4.
Ziet u ook een rol voor uzelf weggelegd om de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters te borgen? Zo ja, op welke wijze?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt voor alle landen reisadviezen op om reizigers te informeren over de risico’s die zij tijdens een verblijf kunnen lopen. Reizigers worden aangemoedigd deze adviezen ter harte te nemen bij hun besluitvorming en voorbereiding op een reis.
Eenmaal in het land zijn de lokale autoriteiten verantwoordelijk voor de veiligheid; dit is een soevereine bevoegdheid. In geval van een incident kunnen Nederlandse burgers een beroep doen op consulaire bijstand van de Nederlandse ambassade ter plaatse. In geval van een crisis zal de ambassade consulaire bijstand verlenen en samenwerken met de lokale autoriteiten. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen in het land blijft daarbij bij de autoriteiten van dat land berusten.
Heeft u contact met Amerikaanse autoriteiten over de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters tijdens het WK 2026? Zo ja, wat komt er uit die gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Er zijn doorlopend contacten met de Amerikaanse autoriteiten over de voorbereidingen op het WK 2026. Consulaire aangelegenheden, zoals de veiligheid van supporters, zijn daarbij ook onderwerp van gesprek. Op basis van deze gesprekken constateert het kabinet dat de Amerikaanse autoriteiten zich met zorg voorbereiden op het aanstaande WK. Daarnaast heeft de Amerikaanse regering benadrukt supporters uit alle landen te verwelkomen om hun teams aan te moedigen.
Bent u bekend met het aflopen van de consultatieperiode voor de voorgestelde wijziging van de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning, waardoor reizigers o.a. worden verplicht hun sociale mediaprofielen te registreren?3
De consultatieperiode is op 9 februari jl. verstreken en de Amerikaanse autoriteiten verwerken momenteel de ontvangen feedback. Er is nog geen definitief besluit genomen en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel wordt geïmplementeerd. Het kabinet volgt de ontwikkelingen rond de Amerikaanse inreisregels en zal Nederlandse reizigers bij relevante wijzigingen informeren via het reisadvies.
Wat is het resultaat van deze consultatie geweest? Wordt de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning aangescherpt?
Zie het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is dat er een inreisverbod voor burgers uit 19 landen is ingesteld waaronder de vier deelnemende landen Haïti, Iran, Ivoorkust en Senegal, en dat bezoekers uit Algerije, Kaapverdië en Tunesië tot 15.000 dollar moeten betalen om een reisvergunning te krijgen?
Het instellen van inreisregels is een nationale aangelegenheid. Het is niet aan het kabinet om een oordeel te vellen over de rechtvaardigheid van deze maatregelen.
Wilt u zich inzetten om de toegang tot het WK 2026 voor alle supporters, inclusief die uit andere landen, zo goed mogelijk te waarborgen, ook in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB)?
Nederland volgt de voorbereidingen op het WK 2026 nauwlettend, onder meer via de betrokken Nederlandse vertegenwoordigingen in de Verenigde Staten, Mexico en Canada, en voeren hierover gesprek met de organiserende landen en de FIFA. Daarbij zet het kabinet zich in voor een zo veilig en positief mogelijk verloop van het toernooi voor de supporters van het Nederlands elftal en van Curaçao. Waar relevant wordt daarbij samengewerkt met de Nederlandse voetbalbond KNVB en de Curaçaose voetbalbond FFK.
Deelt u de mening dat het eerlijk zou zijn als voetbalsupporters gecompenseerd worden door de Amerikaanse autoriteiten als zij om vage en ongegronde redenen ofwel door kritiek op de regering-Trump worden geweigerd bij de grens, terwijl ze al veel geld hebben uitgegeven voor het bezoeken van het WK? Zo ja, op welke wijze gaat u hier tractie aan geven? Zo nee, waarom niet?
De toelating tot de Verenigde Staten, inclusief de gronden voor weigering, is een nationale bevoegdheid van de Amerikaanse autoriteiten. Dit is wereldwijd gebruikelijk en geldt ook voor Nederland. Er is geen rol voor de Nederlandse overheid bij het aanvragen of bevorderen van schadeclaims in geval van weigering van toegang tot een ander land.
Hoe kijkt u aan tegen het hoge geweldsniveau in Mexico aan, in het bijzonder in en rondom speelstad Guadalajara?
Geweld in Mexico wordt in belangrijke mate gedreven door georganiseerde misdaad en kartel gerelateerd geweld. Drugsbendes zijn vooral actief in gebieden met kleurcode oranje, maar kan ook in gebieden met kleurcode geel voorkomen, zoals in en rond Guadalajara. De Mexicaanse autoriteiten treffen in aanloop naar het WK 2026 aanvullende veiligheidsmaatregelen om risico’s te beperken. Het Nederlands elftal noch het elftal van Curaçao zal in Guadalajara spelen indien zij doorgaan na de groepsfase.
Hoe schat u de veiligheidsrisico’s voor voetbalsupporters in Mexico in? Bent u in gesprek met Mexicaanse autoriteiten om de veiligheid van supporters te waarborgen?
Hoewel de algemene veiligheidssituatie in delen van Mexico onderwerp van aandacht blijft, verwachten de Mexicaanse autoriteiten dat de risico’s voor voetbalsupporters tijdens het WK beheersbaar zijn. Buitenlanders zijn in principe geen doelwit van de georganiseerde misdaad, al kunnen zij onbedoeld betrokken raken bij geweld. De Mexicaanse autoriteiten hebben aangegeven uitgebreide maatregelen te treffen om de veiligheid te waarborgen, waaronder extra inzet van veiligheidspersoneel en crowd control rond stadions en fanzones.
Nederland volgt de voorbereidingen op het WK 2026, onder meer via de betrokken post in Mexico. Daarbij is ook aandacht voor de veiligheidssituatie en de maatregelen van de Mexicaanse autoriteiten. Relevante informatie wordt, waar nodig, verwerkt in het reisadvies voor Mexico.
Wat wordt de precieze rol van de Taskforce WK 2026?
De Taskforce WK 2026 is een samenwerkingsverband van de Rijksoverheid, veiligheidspartners en de KNVB. De Taskforce heeft tot doel in geval van een crisis rondom het WK de Nederlandse inzet te coördineren, onder meer door consulaire dienstverlening te ondersteunen en de samenwerking tussen betrokken partijen te faciliteren. De KNVB richt zich daarnaast ook op de organisatie van en ondersteuning rond een zo positief mogelijke beleving voor Nederlandse supporters.
Op welke wijze gaat de Taskforce WK 2026 de veiligheid van Nederlandse supporters waarborgen?
De veiligheid van Nederlandse supporters is primair de verantwoordelijkheid van de lokale autoriteiten in de gastlanden. Tijdens het WK staan de Nederlandse ambassades en consulaten in contact met Nederlanders die zich hebben geregistreerd bij de Informatieservice van Buitenlandse Zaken. Via deze registratie kunnen zij, waar nodig, worden voorzien van informatie en veiligheidsaanbevelingen. Daartoe staan de Ambassades en consulaten in nauw contact met de hiervoor genoemde lokale autoriteiten. Ook kunnen Nederlanders consulaire hulp vragen in geval van nood. Er zullen consulaire teams aanwezig zijn in de speelsteden van Nederland en Curaçao.
Het bericht 'Privacy toezichthouders vragen Europese Commissie Israëlische registratieplicht voor hulpverleners te toetsen' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Autoriteit Persoonsgegevens over de problemen met de Israëlische registratieplicht voor hulpverleners?1
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) meldt op haar website dat Europese gegevensbeschermingstoezichthouders willen dat de Europese Commissie (EC) zich buigt over de registratieplicht die de Israëlische overheid oplegt aan internationale ngo’s die werken in Palestijnse gebieden.2 Het kabinet onderschrijft dat de verantwoordelijkheid voor adequaatheidsbesluiten ligt bij de EC.
In 2011 oordeelde de EC, destijds onder de geldende gegevensbeschermingsrichtlijn3, dat Israël een passend beschermingsniveau waarborgt voor persoonsgegevens die vanuit de EU worden doorgegeven.4 Met de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 25 mei 2018 bleven de adequaatheidsbesluiten die onder de gegevensbeschermingsrichtlijn waren vastgesteld, van kracht. Tegelijkertijd heeft de AVG verduidelijkt dat adequaatheidsbesluiten «levende instrumenten» zijn, en bepaald dat de EC verantwoordelijk is voor het houden van doorlopend toezicht op mogelijke ontwikkelingen die afbreuk kunnen doen aan het vereiste beschermingsniveau.5 De eerste evaluatie van de adequaatheidsbesluiten die onder de richtlijn zijn genomen door de EC is afgerond op 15 januari 2024, daarbij is ook het adequaatheidsbesluit van Israël onder de loep genomen. De EC stelde in het verslag van die evaluatie aan de EP en de Raad vast dat Israël nog altijd een passend beschermingsniveau waarborgt en dat voor doorgifte, die onder de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit vallen, naar Israël geen aanvullende waarborgen nodig zijn.6 Daarnaast schrijft artikel 97 AVG voor dat adequaatheidsbesluiten in elk geval iedere vier jaar dienen te worden geëvalueerd door de commissie.7 In het geval ontwikkelingen in een land of gebied met een passend beschermingsniveau een negatieve invloed zouden hebben op het vastgestelde beschermingsniveau, kan de EC gebruik maken van haar bevoegdheden op grond van artikel 45, lid 5, AVG om een adequaatheidsbesluit op te schorten, te wijzigen of in te trekken. De EC betrekt bij haar beoordeling alle relevante ontwikkelingen, zo nodig ook de in de vraag genoemde registratieplicht.
Bij het maken van een beoordeling over de adequaatheidsbesluiten betrekt de EC alle relevante ontwikkelingen. Of in het geval van de herregistratiewet sprake is van een ontwikkeling die strijdig is met het adequaatheidsbesluit is dan ook aan de EC om te beoordelen. In elk geval heeft het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), mede dankzij de AP, middels een brief de EC aangeboden om samen op trekken waar dat past.
Ten aanzien van de Israëlische herregistratiewet in huidige vorm heeft het kabinet veelvuldig zorgen geuit, waaronder in de reeds gepubliceerde gedeelde verklaring. Het Israëlische Constitutioneel Hof heeft op 19 mei definitief uitspraak gedaan over de zaak die 17 hulporganisaties samen met de koepelorganisatie voor internationale ngo’s werkzaam in de Palestijnse gebieden (AIDA) hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht. Deze valt overwegend slecht uit voor de hulporganisaties. Het Hof verzoekt de organisaties om voor 21 juni alsnog aan de vereisten voor herregistratie te voldoen. De organisaties zullen echter ook in deze periode niet in staat zijn om aan de Israëlische eisen te voldoen, omdat hun inhoudelijke bezwaren niet zijn veranderd en zij gevoelige persoonsbestanden nog steeds niet kunnen delen. Het kabinet blijft Israël oproepen de wet in deze vorm niet te implementeren. Hierbij wijst Nederland op het belang van veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang voor humanitaire hulp.
Deelt u de mening van de Autoriteit Persoonsgegevens over de gevaren van Israëlische registratieplicht voor hulpverleners? Zo nee, waarom niet?
Volgens de AP lijkt de Israëlische overheid de uit de registratieplicht verkregen informatie te gebruiken voor screening en profilering. Op basis van de informatie die de AP van hulporganisaties heeft ontvangen, verwacht de AP dat de gegevensdeling onrechtmatig is en dat de doorgifte kan leiden tot serieuze veiligheidsrisico’s voor de hulpverleners en hun families ter plaatse.8 Het kabinet hecht veel belang aan de veiligheid van hulpverleners (zie antwoord vraag 6).
De vraag die centraal staat in de brief van de EDPB aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath, is of deze uitvraag van data door Israël op gespannen voet staat met het adequaatheidsbesluit.9 Nederland ziet dat de EC doorlopend toezicht houdt op ontwikkelingen in Israël die mogelijk gevolgen hebben voor het functioneren van een adequaatheidsbesluit (artikel 45 AVG). Nederland volgt de ontwikkelingen nauwlettend.
Bent u bereid om, als Nederland danwel multilateraal, aan te dringen bij de Europese Commissie om zich hier over te buigen en over uit te spreken?
Nederland heeft de afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten zorgen over registratiewet aangekaart. Ook in internationaal verband, spreekt Nederland zich hierover uit. Nederland heeft recentelijk, met 20 gelijkgezinde landen en Eurocommissaris Lahbib, een publieke verklaring gepubliceerd waarin zorgen worden geuit over de restrictieve maatregelen die humanitaire hulp in Gaza en de Westelijke Jordaanoever ernstig beperken. Met het statement wordt Israël opgeroepen om onmiddellijk veilige en ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza te faciliteren en specifiek de herregistratiewetgeving voor internationale ngo’s, één van de restrictieve maatregelen die ook humanitaire partners van Nederland raakt, niet in de praktijk te brengen.
Tot op heden is er nog geen reactie geweest vanuit de EC op de brief van de EDPB. Nederland zal de EC wijzen op de positie van de EDPB.
Op welke juridische gronden is deze registratieplicht gebouwd, gezien de hulporganisaties al geregistreerd zijn bij de Palestijnse Autoriteit, waar ook het werk zich centreert?
Het betreft een richtlijn van het Israëlische Ministerie van Diasporazaken en Bestrijding van Antisemitisme onder Israëlisch recht, die ziet op de registratie van hulporganisaties die werken met de Palestijnse bevolking.
In de definitieve uitspraak van het Israëlische Constitutioneel Hof over de zaak die 17 hulporganisaties samen met AIDA hadden aangespannen tegen de Israëlische overheid over de herregistratieplicht, bevestigt het Hof de bevoegdheid van Israël om in het kader van veiligheid operationele beperkingen op te werpen aan hulporganisaties. Het Hof stelt tegelijkertijd dat Israël niet de bevoegdheid heeft om de hulporganisaties uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever te weigeren, omdat deze gebieden onder het gezag en de rechtsmacht van de Palestijnse Autoriteiten vallen (het gaat hierbij niet in op hoe de uitspraak geldt in het door Israël geannexeerde Oost-Jeruzalem).
Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking tot het vraagstuk of de Israëlische registratieplicht valt binnen de reikwijdte van het adequaatheidsbesluit?
Voor een adequaatheidsbesluit moet volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) worden beoordeeld of een derde land het niveau van gegevensbescherming biedt dat in wezen gelijkwaardig is aan dat binnen de Europese Unie.10 Zoals wordt uiteengezet in de brief van de EDPB,11 het samenwerkingsverband van Europese toezichthouders waarin ook de AP zitting heeft, roept de Israëlische herregistratieplicht voor hulporganisaties verschillende vragen op waaraan ook in een adequaatheidsbesluit dient te worden getoetst. Zo dient de proportionaliteit, noodzakelijkheid en transparantie van de verwerkingsactiviteiten te worden gewaarborgd. Ook is vereist dat voor dergelijke verwerkingen een geldige rechtsgrondslag bestaat als bedoeld in artikel 6 AVG, en dient te worden verzekerd dat betrokkenen hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Mede in het licht van deze genoemde vereisten uit de AVG, stelt de EDPB in haar brief aan Eurocommissarissen Lahbib en Mcgrath de vraag of de herregistratieplicht in lijn is met het adequaatheidsbesluit.12 Het is in de eerste plaats aan de Europese Commissie om op deze brief te reageren.
Deelt u de mening van de vraagstellers en het rapport van AIV & CAVV dat humanitaire hulp in conflictgebieden beschermd moet worden door zowel stille diplomatie als openlijke uitspraken? Zo ja, hoe gaat u hier aan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Humanitaire toegang en veiligheid van humanitaire hulpverleners moeten ook in conflictgebieden beschermd worden. Het kabinet heeft het AIV en CAVV advies over geweld tegen hulpverleners verwelkomd omdat het cruciaal is manieren te vinden om het in vele conflicten toenemende geweld tegen hulpverleners te keren. In de reactie op het AIV en CAVV advies heeft het kabinet uiteengezet langs welke verschillende sporen het dit soort geweld, evenals straffeloosheid van schendingen van het humanitair oorlogsrecht wil tegengaan.
Is de conclusie terecht dat hulporganisaties zich in een onmogelijke spagaat bevinden, waarin ze enerzijds zich moeten houden aan Europese privacyregels, maar anderzijds zich niet kunnen veroorloven om mensen die afhankelijke zijn humanitaire hulp in de steek te laten? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet begrijpt dat in de huidige situatie hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden – ook vanwege de situatie in verband met de herregistratieplicht in de vorm die nu wordt beoogd – buitengewoon complex is. Ook maakt het kabinet zich ernstig zorgen over de gevolgen van de recente uitspraak van het Israëlische Constitutionele Hof op het werk van de organisaties, welke naar verwachting overwegend negatief zullen zijn. Nederland blijft Israël dan ook oproepen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, volledige en onvoorwaardelijke humanitaire toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. Het kabinet blijft zich ervoor inzetten dat Israël de herregistratieplicht, in de huidige vorm, van tafel haalt.
Welke humanitaire consequenties voorziet u als deze organisaties hun werk daadwerkelijk moeten stopzetten in bezet Palestijns Gebied?
Het humanitaire werk van de internationale hulporganisaties die werken in Palestijnse gebieden is onmisbaar. Gezien bijna de gehele populatie van Gaza afhankelijk is van humanitaire hulp, zullen de consequenties, indien de hulporganisaties hun werk zouden moeten staken, verstrekkend zijn. De VN heeft vastgesteld dat de hulporganisaties o.a. verantwoordelijk zijn voor 42% van alle water- en sanitaire installaties, 60% van de beschikbare veldhospitalen beheren of ondersteunen en meer dan 75% van alle ontmijningsinspanningen leveren. Ze spelen verder een sleutelrol in het onderwijs en de ondersteuning van ondervoede kinderen.
Op welke wetenschappelijke basis wordt de flyshoot-methode momenteel beoordeeld als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van ecosysteembeheer en acht u die onderbouwing voldoende, gezien de schaal waarop deze methode inmiddels wordt toegepast?1
Om de visbestanden en het ecosysteem waar deze zich in bevinden te beschermen, zijn regels en beleid op Europees niveau vastgelegd in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB streeft duurzaam gebruik van visserij en aquacultuur na om bijvoorbeeld overbevissing te voorkomen. De flyshoot, ook wel «Schotse zegen» genoemd, is een door de Europese Unie (hierna: EU) erkende visserijtechniek die binnen de kaders van het GVB valt. Het GVB streeft ecologische, economische en sociale duurzaamheid na.
Het vissen met de flyshoot-methode gebeurt door Nederlandse vissers seizoensmatig op de Noordzee en in Het Kanaal. De schaal waarop deze methode wordt toegepast, is begrensd in het Kanaal en de Noordzee. Het totale aantal Nederlandse schepen dat gebruik mag maken van de flyshoot-techniek in het Kanaal is beperkt tot 24. Daarnaast worden de visserijen in het Kanaal beheerd door middel van een visserij-inspanningsregeling op basis van KW-dagen. KW-dagen staat voor de periode of het aantal zeedagen (kW-dagen) dat er gevist mag worden. Op de Noordzee is flyshoot begrensd in (delen van) beschermde gebieden waar een verbod op bodemberoerende visserij geldt (momenteel gaat het om 7,2% van de Nederlandse Noordzee).
Deelt u de analyse dat flyshoot in zijn geïndustrialiseerde Nederlandse vorm met zware kabels en hoog motorvermogen wezenlijk verschilt van de oorspronkelijke, kleinschalige Deense snurrevaad-methode en wat betekent dat voor de ecologische beoordeling?
De flyshoot (afgekort SSC) is een andere techniek dan de Deense Zegen (afgekort SDN) en verschilt daarmee per definitie. De flyshoot wordt uitgevoerd met een motorvermogen dat ongeveer 1/3 minder is dan de boomkorvisserij waardoor de methode eerder een «gemiddeld motorvermogen» inzet bij de visserijactiviteit dan een «hoog motorvermogen» in vergelijking met de totale Nederlandse kottervisserij. Er zijn geen Nederlands gevlagde vissers actief met een Deense Zegen waardoor een vergelijking qua ecologische beoordeling op nationaal niveau geen meerwaarde heeft. Een eerdere internationale analyse over de verschillende bodemimpact tussen visserijtechnieken laat zien dat de impact van de beroering (dieper dan 2cm) per oppervlak bij flyshootvisserij fors minder is dan bij de conventionele boomkor.2
Hoe reflecteert u op de visserij die volgens het artikel niet mee willen werken aan het onderzoek van 4,8 miljoen euro naar de ecologische impact van flyshoot vissen?
Verschillende vertegenwoordigers van de visserij zijn betrokken geweest in het proces rondom de aanvraag vanuit de Nederlandse Wetenschapsagenda: «Kennis over onbeschermde soorten voor duurzaam visserijbeleid». De raad van bestuur van NWO heeft op 10 juni jl. een besluit genomen over de aanvraag. Tot het besluit gecommuniceerd is, kan niet aangenomen worden dat het project doorgang vindt en of de visserij deelneemt.
Herkent u zich in de analyse dat het risico op overbevissing toeneemt door het uitblijven van onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen?
De suggestie dat onderzoek, dataverzameling en beheermaatregelen uitblijven herken ik niet. Er vindt onderzoek plaats naar de hoeveelheid vis die door de Europese visserijvloot wordt bevist vanuit de Datacollectie verordening, in Nederland uitgewerkt in de Wettelijke Onderzoektaken (WOT-05 Visserijonderzoek). Deze dataverzameling vindt ook plaats in de Schotse zegenvisserij en de doelsoorten van deze visserij worden in surveys zoals de International Bottom Trawl Survey (IBTS) bemonsterd. Er bestaan daardoor ook ICES-vangstadviezen voor verschillende doelsoorten die bevist worden in «flyshootvisserij». Als de informatie beschikbaar is kan er per vissoort beoordeeld worden of de visserijdruk hoger is dan de maximale duurzame opbrengst (MSY). Wanneer de visserijdruk langdurig boven MSY plaatsvindt neemt het risico op overbevissing toe.
Ik herken mij wel in een analyse dat de informatiedichtheid voor de verschillende soorten in Schotse zegenvisserij lager is dan bijvoorbeeld voor de soorten tong of schol en dat aanvullend onderzoek nodig is. Hiervoor heb ik via de Nederlandse Wetenschapsorganisatie een onderzoekscall uitgezet om meer kennis te verwerven over onbeschermde soorten. Dit ishet onderzoek dat in het artikel wordt aangehaald. Ik blijf mij inzetten voor het vergroten en versterken van onze kennisbasis, zodat de visserij ecologisch duurzamer kan opereren.
Tot slot worden er beheermaatregelen genomen ter bescherming van niet-gequoteerde soorten die door de flyshoot-visserij worden gevangen. Zo heeft Nederland in 2021 op verzoek van onze visserijsector het initiatief genomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis. In de visserij op inktvis was het tot vorig jaar oktober toegestaan met kuilen met een maaswijdte van minimaal 40 mm te vissen. Nu geldt er een minimale maaswijdte van 80 mm. Het vergroten van de maaswijdte draagt bij aan het verminderen van vangst van kleinere inktvisexemplaren en bijvangst van andere soorten.
Welk instrumentarium heeft u om deelname aan het onderzoek alsnog te bevorderen? Kunt u toezeggen dat instrumentarium in te zetten?
De beoordeling van het voorstel heeft nog niet plaatsgevonden. Van aanvullende inzet is daarom op dit moment geen sprake. De aanname dat de visserijsector ten algemene niet mee wil werken aan wetenschappelijk onderzoek is in mijn ogen niet juist. Zo zijn verschillende vissers betrokken bij verschillende onderzoeken, zoals het onderzoek naar de FloMo, Fully Documented Fisheries of andere onderzoeken zoals in de garnalenvisserij.
Hoe wordt de bijvangst van niet-doelsoorten bij flyshoot-schepen momenteel gemonitord en acht u die monitoring toereikend voor soorten waarvoor geen quota bestaan?
Vanuit de Europese controleverordening2 moeten alle vissers met een vaartuiglengte van 12 meter of meer tijdens de visreis hun (bij)vangsten en mogelijke discards registreren in het elektronisch logboek. De Nederlandse flyshoot-vaartuigen vallen binnen deze doelgroep. De verplichting geldt voor zowel gequoteerde als niet gequoteerde soorten. Bij de aanlanding wordt de totale omvang van de vangsten bepaald door een officiële weging. De resultaten van deze weging worden gebruikt voor het bepalen van de quotumbenutting.
De logboekgegevens worden door de NVWA geverifieerd door middel van kruiscontroles met het resultaat van de weging. Op basis van de controleverordening is een tolerantiewaarde toegestaan waarbij een overschrijding kan leiden tot een ernstige inbreuk en de toekenning van punten. Deze kruiscontrole stimuleert de correcte registratie in het elektronisch logboek. Naast de administratieve kruiscontroles ziet de NVWA door middel van risico-gebaseerde fysieke controles toe op de weging van visserijproducten en de tolerantiewaarden. Op basis van de herziene controleverordening zal het toezicht op de vangsten die onder de aanlandplicht vallen vanaf 10 januari 2028 voor een deel van de Nederlandse vloot worden aangevuld met sensor- en cameratoezicht (REM/CCTV). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) monitort op wekelijkse basis de nationale benutting van de Nederlandse visquota. De monitoring voor soorten waar geen quota voor bestaat acht ik daarmee toereikend.
Hoe verhoudt het huidige vergunningenbeleid voor flyshoot zich tot de verplichting om te handelen op basis van het voorzorgsprincipe uit het Gemeenschappelijk Visserijbeleid? Bent u voornemens dit beleid aan te passen?
Nederland kent geen specifiek vergunningenbeleid voor de flyshootvisserij. Vissers die met flyshoot willen vissen moeten beschikken over een vismachtiging voor de vistuigcategorie TR, waartoe ook de flyshootvisserij behoort. Het aantal vismachtigingen dat voor de vistuigcategorie TR kan worden afgegeven is begrensd en gereguleerd via het meerjarenplan Noordzee en de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Vissers die deze visserij willen uitoefenen in het Kanaal moeten bovendien beschikken over een zogenaamde «kanaalvergunning». De afgifte van deze vismachtiging is primair gereguleerd via het meerjarenplan Westelijke wateren en verordening (EG) nr. 1954/2003 waarin het beheer van de visserijinspanning is gereguleerd. Het aantal kanaalvergunningen dat Nederland verstrekt is begrensd tot maximaal 24. Daarmee blijft Nederland binnen het Europees bepaalde visserijinspanningsniveau. Ik ben op dit moment niet voornemens om dit beleid aan te passen.
Kunt u in Europees verband pleiten voor uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen voor visserijmethoden met een vergelijkbare vangstkracht als de huidige Nederlandse flyshoot?
Op dit moment gelden er op basis van de Europese controleverordening al uniforme transparantie-eisen en monitoringsverplichtingen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Welke andere concrete stappen gaat u nemen om overbevissing te voorkomen, te voorkomen dat we een herhaling krijgen van de situatie waar Nederland eerder mee te maken had omtrent de pulsvisserij en welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat de relatie met onze buurlanden constructief blijft?
Het behouden van gezonde vispopulaties is belangrijk voor de biodiversiteit en het functioneren van het mariene ecosysteem. Daarnaast zijn gezonde bestanden van belang voor vissers die nu én in de toekomst hun boterham willen verdienen. Om die reden ben ik in gesprek met de visserijsector over de toenemende interesse van Nederlandse vissers in niet-gequoteerde soorten en in het bijzonder over de relatie met buurlanden in het Kanaal.
Verder lopen er op dit moment verkennende gesprekken om te kijken naar het huidige beheer van ongequoteerde soorten. Deze gesprekken worden gevoerd door de Europese Commissie met het Verenigd Koningrijk, omdat deze bestanden doorgaans gedeeld beheerd worden. Zo wordt er gewerkt aan het bouwen van een goede wetenschappelijke kennis van diverse bestanden en zal vervolgens in kaart worden gebracht welke beheermogelijkheden er mogelijk zijn om overbevissing te voorkomen.
Ik zie geen overeenkomst of verband met de pulsvisserij.
In welke mate zorgt flyshoot-vissen voor bodemberoering in vergelijking met conventionele boomkor- en pulsvisserij?
Flyshoot-vissen heeft een andere vorm van bodemcontact dan de conventionele boomkor (met wekkerkettingen) of de pulskor. Flyshoot-vissen kan plaatsvinden over een groter oppervlak per trek dan een conventionele boomkor en beïnvloedt daardoor qua oppervlak meer van de bodem. De impact van de beroering per oppervlak is echter fors minder, omdat de bodempenetratie van flyshoot-vissen minder is dan bij de conventionele boomkor. Een eerdere analyse over de verschillende bodemimpact tussen vistuigtypen geeft dit ook aan (zie antwoord vraag 2).
Wat is de klimaatimpact van bodemberoering door de vormen van visserij in voorgaande vraag en in hoeverre wordt die impact meegenomen in de klimaatscenario’s en uitstootcijfers van deze sector?
De potentiële CO2-emissies van bodemberoering zijn onderzocht als deel van het bredere onderzoek naar CO2 uitstoot van de visserijsector. De Kamer is hierover geïnformeerd op 2 april jl. (Kamerstuk 32 813/29 675, nr. 1557).
Welke stappen zet u om de ecologische en klimaatimpact van bodemberoerende visserij te beperken?
Het kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige en duurzame visserijsector.
Hiervoor wordt relevant onderzoek gefinancierd en stelt het kabinet regelmatig innovatieregelingen open. Ook zet het kabinet zich in voor de legalisering van beproefde duurzamere innovaties zoals de pulskor en het versimpelen van de wet- en regelgeving voor de introductie van nieuwe innovaties. Deze inzet is onder meer uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Visie op Voedsel uit Zee en Grote Wateren, waarin concrete acties zijn opgenomen die bijdragen aan de verduurzaming, innovatie en toekomstbestendigheid van de visserijsector. Voor deze inzet heeft het kabinet meerdere middelen en instrumenten beschikbaar, zoals toegelicht in vraag 15.
Anderzijds streef ik ernaar om in 2030 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in beschermd natuurgebieden zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord. Dit draagt bij aan het verminderen van de ecologische impact en komt voort uit wettelijke verplichtingen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Kaderrichtlijn Mariene Strategie en Natuurherstelverordening.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen de reeds aangekondigde «energie-efficiëntieregeling visserij» van 25 miljoen euro zal bekostigen (Kamerstuk 36 933, nr. 1)?
Zoals in de Kamerbrieven «Acties weerbaarheid energieschok» en «Energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten» (Kamerstuk 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795) aangegeven, zal het kabinet eind september een energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoor wordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden wie er in aanmerking komt, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe deze middelen verdeeld worden. Over de details van de regeling zal ik de Kamer op een later moment informeren.
Wordt bij de toekenning van de verduurzamingssubsidie onderscheid gemaakt tussen investeringen die de vangstkracht verhogen en investeringen die de milieu-impact per gevangen kilo vis verlagen? Zo ja, hoe?
De komende maanden zal deze regeling nader worden vorm gegeven en zal bezien worden welke investeringen subsidiabel zijn. Het verhogen van de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen is uitgesloten onder de verordening die gebruikt wordt voor deze regeling, de visserijvrijstellingsverordening. Over de details van de regeling zal ik uw Kamer op een later moment informeren.
Kunt u bevestigen dat het ministerie in de periode 2025–2029 80 miljoen euro apart heeft gezet voor de verduurzaming van de vloot, bovenop eerdere middelen uit het klimaatfonds?
Voor het bevorderen van verduurzaming van de visserijsector heeft het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur verschillende middelen en instrumenten beschikbaar.
Zo is er o.a. in 2022 199 miljoen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar gesteld voor de aanpassing en verdere verduurzaming van de visserij. Een deel van deze middelen is reeds ingezet voor subsidieregelingen, onderzoek en het Visserij Ontwikkel Plan (VOP).
Onder het kabinet Schoof 1 is er bij het Hoofdlijnenakkoord € 4,5 miljoen voor 2025 en onder het regeerprogramma € 50 miljoen voor de periode 2026–2033 beschikbaar gesteld om de visserij te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een toekomstbestendige vloot. Deze middelen zullen deels worden ingezet voor verduurzaming.
Zoals al aan de Tweede Kamer gemeld (Kamerstuk, 36 933, nr. 1 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795), zal ik eind september 2026 een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen, waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.
Hoeveel procent van de kotters en andere vissersschepen verwacht u dat met deze nieuwe 25 miljoen euro bovenop de reeds gereserveerde 80 miljoen euro te kunnen verduurzamen?
Dit percentage is nog niet bekend. Het aantal vissersvaartuigen dat verduurzaamd zou kunnen worden onder de energie-efficiëntieregeling (€ 25 miljoen) is onder meer afhankelijk van het aantal aanvragen voor steun van de regeling, welke investeringen er onder de regeling subsidiabel zijn en hoe de middelen verdeeld worden.
Hoe wordt voorkomen dat deze middelen ten goede komen aan methoden die de visstand verder onder druk zetten?
Het kabinet hecht aan een toekomstbestendige visserij die vist binnen de draagkracht van het ecosysteem. Daarom is het belangrijk dat de regeling niet ten goede komt aan methoden die de visstand verder onder druk zetten. Dit wordt gewaarborgd in de regeling zelf, ook vanwege de voorwaarden uit het steunkader, waaronder het feit dat het niet-naleven van het GVB betekent dat men niet in aanmerking komt voor subsidie.
Is de Staatssecretaris bereid de subsidiecriteria zo in te richten dat vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode voorrang of een toeslag krijgen?
Met deze subsidieregeling wil ik mij voornamelijk richten op het verminderen van brandstofverbruik in de visserijsector. Ik wil iedere visser gelijke kansen bieden om hun vissersvaartuig te verduurzamen. Een voorrangspositie voor vissers die meewerken aan wetenschappelijk onderzoek naar de impact van hun vangstmethode draagt hier niet aan bij.
Welke ruimte ziet u om de verduurzamingssubsidies specifiek te benutten voor de overgang naar kleinschaligere en meer selectieve vismethoden, zoals handlijnvisserij en passieve visserij, als alternatief voor opschaling van de flyshoot?
Zoals ook te lezen is in de «Visie voedsel uit zee en grote wateren» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) streef ik naar een flexibele, innovatieve en ook diverse visserijsector. Het doel van deze energie-efficiëntieregeling is het brandstofverbruik van de visserijsector naar beneden te brengen. De overgang naar kleinschalige en meer selectieve vismethoden is niet de focus van deze regeling. Het stimuleren van innovatie, waaronder selectieve vangststechnieken, wordt ondersteund door andere regelingen, namelijk de innovatieregelingen voor de visserij.