De uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536 |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfonden (GIP) in geschil 2024-0536?1
Ja. De zaak ging in kort om het volgende. Hierbij is de samenvatting in de uitspraak geschillencommissie GIP aangehouden.
Wat vindt het kabinet ervan dat de ouderdomspensioenuitkering van de indiener in deze zaak door het ABP is verlaagd, omdat verzoeker is gaan samenwonen?
Het kabinet spreekt zich niet uit over de juistheid of de onderbouwing van individuele uitspraken van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen. De Geschilleninstantie Pensioenfondsen functioneert onafhankelijk en volgt haar eigen procedurele en inhoudelijke afwegingen. Tegen de uitspraak van 10 februari 2026 is bovendien door ABP beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep. Het is aan deze onafhankelijke beroepsinstantie om de uitspraak verder te beoordelen. Gelet hierop en in het belang van een zorgvuldige behandeling van dit lopende beroep past het kabinet terughoudendheid in de beantwoording van uw vragen.
Welke juridische grondslag is er voor pensioenfondsen om pensioenuitkeringen te verlagen, enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde gaat samenwonen?
Zie antwoord op vraag 2.
In dit geschil ging het om een verlaging per 1 januari 2024 van het vóór 1 januari 1995 opgebouwde ouderdomspensioen omdat de verzoeker (in verband met samenwonen) vanaf 1 september 2022 het AOW-bedrag voor een gehuwde ontvangt.
ABP heeft zich op het standpunt gesteld dat het pensioenreglement leidend is. Het bevat(te) toen en nu de regel dat ABP het pensioen vermindert als een gepensioneerde is gaan samenwonen en dus een AOW voor samenwonenden geniet. De pensioenregeling bij ABP viel tot 1 januari 1996 onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Wet ABP). Op grond daarvan en van toepasselijke reglementen geldt bij een pensioenopbouw tot 1995 een onderscheid werd gemaakt tussen franchisebedragen, afhankelijk van de burgerlijke staat. In de uitkeringsfase werkt dit onderscheid door: het pensioen wordt vastgesteld met een correctiefactor en een gewijzigde franchise die aansluit bij de feitelijke AOW-situatie op het moment van uitbetaling. Per 1 januari 1995 zijn de aanspraken omgerekend naar het ABP-reglement. Deelnemers hebben een eindbeslissing gehad over de omrekening en konden kenbaar maken of ze het eens waren met de eindbeslissing. Destijds werd aangenomen dat iedereen de wet kende. ABP heeft ook gewezen op de toegezonden UPO’s die het verschil duidelijk maakte tussen gehuwd en alleenstaand.
In de uitspraak heeft de geschillencommissie GIP vooropgesteld dat voor het bepalen van de rechten van de deelnemer maatgevend is de tekst van het pensioenreglement dat geldt op het moment van de verlaging (in dit geval september 2022). De geschillencommissie heeft daarbij onder andere overgangsbepaling K1 van het pensioenreglement 2022 overwogen. Daarin is een bepaling opgenomen over omrekening van het tot 1 januari 1996 opgebouwde pensioen. De geschillencommissie heeft geconcludeerd dat de door ABP aangedragen grondslagen de toegepaste verlaging van ouderdomspensioen niet kunnen dragen.
Het ABP heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.
Deelt het kabinet de conclusie alsmede de onderbouwing van de conclusie van de uitspraak van de geschillencommissie? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt het kabinet de waarneming, dat er hoogstwaarschijnlijk meer personen zijn getroffen door de interpretatie van de regels door het ABP? Zijn er indicaties die erop wijzen dat pensioenverlagingen op deze grondslag vaker zijn voorgekomen?
In dit geschil is een voor 1 januari 1996 opgebouwd ouderdomspensioen verlaagd omdat de gepensioneerde na ingang van het ouderdomspensioen is gaan samenwonen. Het kabinet deelt de waarneming dat er hoogstwaarschijnlijk vergelijkbare gevallen zijn. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 heeft ABP beroep ingesteld tegen de uitspraak van de geschillencommissie GIP.
Is het aannemelijk dat ook andere pensioenfondsen pensioenverlagingen hebben doorgevoerd op basis van dezelfde (afgewezen) grondslag en interpretatie van regels?
De uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen heeft uitsluitend betrekking op de pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds ABP en op de toepassing daarvan in het voorliggende individuele geval. Pensioenfondsen beschikken ieder over een eigen pensioenregeling, met eigen bepalingen en systematiek. In hoeverre het aannemelijk is dat andere pensioenfondsen vergelijkbare bepalingen hanteren of op basis van eenzelfde interpretatie besluiten hebben genomen, is op dit moment niet in te schatten.
Is het mogelijk om te achterhalen hoeveel pensioendeelnemers precies zijn getroffen door pensioenverlagingen in dit verband?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5 zijn er hoogstwaarschijnlijk wel vergelijkbare gevallen. Het kabinet beschikt echter niet over cijfers. Een verlaging van opgebouwd ouderdomspensioen in vergelijkbare gevallen hoeft niet te betekenen dat deze verlaging ten onrechte heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de geschillencommissie GIP betrof een uitspraak in een individueel geval. ABP heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de geschillencommissie voor de deelnemers die met een vergelijkbare pensioenverlaging te maken hebben gehad?
Zie antwoord op vraag 7.
Wordt de uitspraak gecommuniceerd aan de deelnemers in kwestie en worden de verlagingen in dit verband dan automatisch en met terugwerkende kracht teruggedraaid of moeten zij zelf in actie komen? Kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord op vraag 7.
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Het bericht dat 3,3 miljard euro aan IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid is stopgezet |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Rechter dwarsboomt IT-aanbesteding rijksoverheid van € 3 mrd» (Financieel Dagblad, 9 maart 2026)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de uitspraak van de rechter in Den Haag, die stelt dat twee IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid ter waarde van 3,3 miljard euro gestaakt moeten worden?2
Ja.
Wat is uw reactie op de berichtgeving en de rechterlijke uitspraak?
De Staat werkt momenteel aan verduidelijking en, waar nodig, aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden, in lijn met het vonnis.
Mede omdat de zaak onder de rechter is, wordt niet in algemene zin ingegaan op de berichtgeving. Dat is anders ten aanzien van concrete vragen die de Kamer stelt.
Kunt u toelichten welke aanpassingen u gaat doorvoeren of al heeft doorgevoerd in de aanbestedingsvoorwaarden om aan de rechterlijke uitspraak te voldoen?
Nee, op dit moment nog niet. Het onderzoek naar de mogelijkheden om de aanbestedingsvoorwaarden te verduidelijken danwel aan te passen loopt nog.
Zouden de IT-aanbestedingen, indien ze doorgang vinden, de digitale autonomie van Nederland vergroten of verkleinen? Kunt u dit onderbouwen?
Op dit moment kan niet concreet worden gezegd of de aanbestedingen de digitale autonomie van Nederland vergroten danwel verkleinen. Echter, op de Europese Aanbesteding Programmatuur 2025 (EAP-2025) aanbestedingen waren en blijven de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. De ARBIT bevat ook voorwaarden die bijdragen aan digitale autonomie en soevereiniteit, zoals voorwaarden met betrekking tot exit, opzegging, ontbinding en informatieveiligheid.
Met de aanbestedingen wordt beoogd raamovereenkomsten te sluiten met daartoe geschikt bevonden resellers. Dat zijn resellers die zich aan de aanbestedingsvoorwaarden conformeren. De deelnemers doen binnen de raamovereenkomsten met de resellers nadere uitvragen voor de levering van specifieke producten. De impact op de digitale autonomie is vooral afhankelijk van de inhoud van deze nadere uitvragen.
Hoe houdt u de komende vier jaar de mogelijkheid om de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven via aanbestedingen te verkleinen conform de wens van de Tweede Kamer,3 nu u middels een raamovereenkomst de voorwaarden voor nieuwe inkoop jarenlang vastlegt?
Bij aanpassing van de aanbestedingsstrategie en -voorwaarden wordt, waar van toepassing en mogelijk, (nieuw) rijksbreed beleid geborgd, waaronder rijksbreed beleid inzake digitale autonomie en soevereiniteit.
Deelnemers moeten binnen hun inkoopvraagstukken borgen dat zij gericht besluiten nemen inzake de reductie van het risico op afhankelijkheid. Dat betekent dat zij bestaande producten vervangen door alternatieven die minder / geen risico op afhankelijkheid kennen. Voor nieuwe producten dienen zij voor hun nadere uitvragen binnen de raamovereenkomsten aanvullende eisen en voorwaarden op te nemen, passend bij de specifieke opdracht, om te borgen dat het risico op afhankelijkheid beheersbaar blijft.
Ziet u met de rechterlijke uitspraak en de noodzaak om de aanbestedingsvoorwaarden aan te passen ook de mogelijkheid om digitale autonomie zwaarder mee te wegen als criterium?
Deze vraag kan op dit moment nog niet worden beantwoord. De categorie Software Rijk onderzoekt nog of en zo ja, in welke mate de aanbestedingsvoorwaarden ten aanzien van digitale soevereiniteit en autonomie verder moeten worden aangepast.
Welke gevolgen heeft de rechterlijke uitspraak voor de twee IT-aanbestedingen ter waarde van 3,3 miljard euro? Kunt u een overzicht geven van lopende contracten waar deze uitspraak mogelijk ook gevolgen voor heeft?
Voor het antwoord op de eerste vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. De aanbestedingen zijn gestaakt. De Staat onderzoekt de noodzaak en mogelijkheden voor aanpassing of herziening van de aanbestedingsvoorwaarden en neemt op basis van de bevindingen een besluit inzake de vervolgaanpak. Ter overbrugging zijn de bestaande raamovereenkomsten verlengd, om te voorkomen dat de inkoop van standaardprogrammatuur tussentijds stilvalt.
De uitspraak van de rechter heeft gevolgen voor alle opdrachten (nadere overeenkomsten) die worden afgesloten onder de verlengde raamovereenkomsten van het Ministerie van Defensie en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De ministeries zijn hierover geïnformeerd.
Wat is het doel en de noodzaak van de twee IT-aanbestedingen? Welke diensten zouden precies ingekocht worden bij Microsoft en Oracle, en in welke ministeries en overheidsorganisaties zouden deze gebruikt worden?
Zoals toegelicht bij vraag 6 is het doel van de aanbestedingen om voor de inkoop van standaardprogrammatuur (zowel nieuwe, als uitbreidingen op bestaande software) een duidelijk en rechtmatig afsprakenkader te creëren. Deze aanbestedingen hebben niet specifiek betrekking op software van Microsoft of Oracle.
De noodzaak van de aanbestedingen is drieledig, namelijk:
Diensten die worden ingekocht zijn: de levering van standaardsoftware, onderhoud en support, helpdeskondersteuning, adviesdiensten, installatie en configuratie van standaardsoftware en trainingen en opleidingen.
De aanbestedingen worden uitgevoerd ten behoeve van het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De lijst met deelnemende organisaties staat onderaan de beantwoording van deze lijst met vragen en antwoorden.
Waarom vraagt u in de aanbesteding voor deze grote IT-projecten om «levering van standaardprogrammatuur van vendor Microsoft» in plaats van dat u de technische eisen uitvraagt van de software die u wil inkopen?4
Binnen de lopende raamovereenkomsten moet het voor deelnemers mogelijk zijn om, indien nodig, het aantal licenties voor het gebruik, onderhoud en/of beheer van deze programmatuur uit te kunnen breiden. Een uitvraag op basis van technische eisen kan leiden tot aanbod van een ander typen licenties, hetgeen praktisch niet wenselijk is en tot kostenverhoging kan leiden.
Wat bedoelt u met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft? Op welke toepassingen gaat dit, en waarom neemt u deze af via de tussenhandelaar?5
Met «gerelateerde open source toepassingen» aan de standaardprogrammatuur van Microsoft wordt de closed source- en open source, software bedoeld die softwareleveranciers gebruiken voor het leveren van hun software(diensten). Dat is ook van toepassing voor software(diensten) van Microsoft (Perceel6. Binnen deze aanbesteding is het leveren van open-source software(diensten) voorbehouden aan een ander Perceel, Perceel 2. Om te voorkomen dat dit voorbehoud ervoor zorgt dat de software van de softwareleverancier in Perceel 1 niet meer werkt, danwel wordt uitgesloten, omdat deze open source software bevat, is de uitzonderingsgrond toegevoegd dat ook software(diensten) met gerelateerde open source toepassingen in Perceel 1 kunnen worden aangeboden.
De Staat neemt deze oplossingen af via resellers omdat de Staat de software op deze wijze op basis van eenduidige voorwaarden (ARBIT) in kan kopen.
Hoe verhoudt het niet opnemen van technische eisen voor de af te nemen software zich tot artikel 2.75–2.77 van de Aanbestedingswet 2012, nu ook de term «of gelijkwaardig» (2.76, lid 4, subartikel b) ontbreekt?6
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (> 4.000) kunnen leveren. De concrete, technische eisen worden niet in de raamovereenkomst vastgelegd, maar pas bij elke afzonderlijke nadere offerteaanvraag van een deelnemer. Die offerteaanvraag kan:
Waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat, geldt die ook voor de betreffende nadere offerteaanvraag voor standaardprogrammatuur en bijbehorende dienstverlening. Dat kan bijvoorbeeld in de volgende situaties:
Samengevat: de technische specificaties worden per opdracht geformuleerd binnen het raamwerk, en waar de wet uitzonderingen of een lichter regime toelaat, wordt dat op die specifieke nadere offerteaanvraag toegepast.
Zijn de toepasselijke (verplichte of aanbevolen) standaarden van het Forum Standaardisatie uitgevraagd in deze aanbestedingen? Zo nee, waarom niet, en hoe verzekert u dan dat ook gegadigden naast Microsoft en Oracle aan de aanbesteding kunnen voldoen?
Ja, de standaarden van het Forum Standaardisatie zijn uitgevraagd.
Zijn de IT-aanbestedingen gericht op het inkopen van software of het vinden van softwareverkopers? Gaan deze aanbestedingen niet feitelijk over het aangaan van een licentieovereenkomst, waarbij het softwarebedrijf als rechthebbende eenzijdig de voorwaarden bepaalt?
De EAP-aanbestedingen zijn gericht op het contracteren van meerdere resellers (softwareverkopers) die binnen de raamovereenkomst in principe alle gangbare standaardprogrammatuur (>4.000 softwareproducten) kunnen leveren.
De deelnemers doen binnen de (rijksinkoopvoorwaarden van de) raamovereenkomst bij de gecontracteerde resellers nadere offerteaanvragen die leiden tot het aangaan van licentieovereenkomsten. De licentieovereenkomsten worden echter gesloten onder de voorwaarden van de Rijksoverheid en niet eenzijdig onder voorwaarden van de softwareleverancier.
Zijn Microsoft en Oracle de énige techbedrijven die kunnen voldoen aan de technische en operationele eisen die u stelt in de aanbesteding? Zo ja, bent u het dan met de indieners eens dat de aanbesteding toeschrijft naar Microsoft en Oracle?
Nee, niet alleen Microsoft of Oracle kunnen aan de aanbestedingseisen voldoen.
De EAP-aanbestedingen leiden tot raamovereenkomsten met meerdere resellers die in principe een zeer breed scala aan standaardprogrammatuur (meer dan 4.000 producten) kunnen leveren. De EAP2025-aanbestedingen schrijven daarom niet toe naar Microsoft of Oracle.
Wat bedoelt de Staat met de stelling dat «80 tot 85% van de offerteaanvragen een productgerichte offerteaanvraag [betreft]»? Kan er sprake zijn van een open aanbesteding als het merendeel van offertes om één specifiek product vraagt?
Met «80–85%» wordt gedoeld op het aandeel nadere offerteaanvragen dat productgericht is en middels minicompetities binnen de raamovereenkomsten wordt uitgevraagd. Het doen van productgerichte uitvragen binnen een raamovereenkomst is wettelijk toegestaan in die gevallen waar de Aanbestedingswet 2012 een lichter regime of een uitzondering toestaat. Zie ook de beantwoording op vraag 12.
De aanbesteding is open want deze heeft tot doel meerdere opdrachtnemers te contracteren die in staat zijn om de gevraagde standaard programmatuur te kunnen leveren.
Hoeveel van deze 80 tot 85% van deze productgerichte offerteaanvragen worden uiteindelijk bij Microsoft en Oracle afgenomen? Kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee, die informatie kan niet inzichtelijk worden gemaakt, omdat deze informatie niet centraal wordt geregistreerd.
Zorgen deze productgerichte offerteaanvragen ervoor dat het op voorhand vrijwel zeker is dat software van Microsoft en Oracle zal worden gekozen? Zo nee, waarom is er dan gekozen voor productgerichte offerteaanvragen? Zo ja, is het dan terecht om te stellen dat er sprake is van een vendor lock-in?
Nee, een productgerichte offerteaanvraag zorgt ervoor dat door één van de gecontracteerde resellers een specifiek product (standaardprogrammatuur) wordt uitgevraagd en geleverd. Dit kan Microsoft of Oracle betreffen, maar ook andere standaardprogrammatuur.
Voor een productgerichte uitvraag wordt gekozen, omdat er bijvoorbeeld sprake is van uitbreiding van de licenties van een oplossing die reeds in gebruik is. Zie ook de beantwoording van vraag 12.
Een productgerichte uitvraag betekent op zichzelf niet dat sprake is van een vendor lock-in.
Deelt u de analyse van de indiener dat deze mate van productgerichte offerteaanvragen een vendor lock-in van enkele grote techbedrijven in de hand speelt? Zo nee, kunt u onderbouwen dat dit niet het geval is?
Nee, de analyse wordt niet gedeeld.
In de vraag worden oorzaak en gevolg omgedraaid. Immers, het uitgangspunt is dat een deelnemer standaardprogrammatuur functioneel uitvraagt, tenzij op grond van de Aanbestedingswet 2012 voor de concrete opdracht een lichter regime of een uitzondering geldt. In dat geval kan de deelnemer een productgerichte uitvraag doen bij de gecontracteerde reseller.
Een vendor lock-in kan ontstaan ná ingebruikneming van de oplossing met de beste prijs-kwaliteitverhouding. In die situatie kan die afhankelijkheid een grond zijn om bij uitbreidingen of vernieuwing productgericht uit te (moeten) vragen.
Is software van Microsoft en Oracle de enige manier om uw dienstverlening te kunnen handhaven? Zo nee, waarom is dan gekozen voor de productgerichte offerteaanvragen?
Nee, software van Microsoft en Oracle is niet de enige manier om dienstverlening te kunnen handhaven. De vraag of een deelnemer zonder software van bijvoorbeeld Microsoft, Oracle of een andere fabrikant kan, wordt op deelnemer niveau vastgesteld.
Centraal inzicht in overwegingen die ten aanzien van besluitvorming over offerteaanvragen van individuele deelnemers ten grondslag ligt, ontbreekt; die gegevens zijn niet centraal bijgehouden en geregistreerd.
Is dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren, eerder toegepast bij IT-aanbestedingen van de Rijksoverheid, zoals gesteld wordt in de berichtgeving? Zijn er lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is?
Ja, dezelfde constructie met productgerichte offerteaanvragen, met sublicentiëring via tussenhandelaren is eerder toegepast bij uitgevoerde aanbestedingen voor raamovereenkomsten van de Rijksoverheid inzake de levering van standaardprogrammatuur.
Ja, er zijn lopende contracten waarbij dezelfde constructie van toepassing is.
Hoe verhouden deze productgerichte offerteaanvragen bij Microsoft en Oracle zich tot de Aanbestedingswet 2012, artikel 1.10a, in het bijzonder lid 2, namelijk het verbod om opdrachten te ontwerpen «met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen»?7
In dit kader kan worden verwezen naar het antwoord op vraag 18. Overigens zien productgerichte uitvragen niet alleen toe op Microsoft en Oracle. De gronden om productgericht uit te vragen, gelden in gelijke mate voor de softwareproducten (> 4.000) van alle vendors.
Bent u bekend met (in omvang) vergelijkbare aanbestedingen van ICT die op een soortgelijke manier, door het noemen van de merknaam, een of meer Europese leveranciers bevoordelen? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom is dit bij Amerikaanse bedrijven dan wel het geval?
Nee. In dit kader kan verder worden verwezen naar de beantwoording op vraag 10.
De aanbestedingen richten zich niet specifiek op de levering van producten van Amerikaansen vendors, maar op producten (> 4.000) die de deelnemers via de gecontracteerde resellers afnemen.
Kunt u alle relevante stukken die betrokken zijn bij de (voorbereiding van) deze twee IT-aanbestedingen aan de Kamer doen toekomen, inclusief risico-analyses en voorbereidende notities?
Ja, in de bijlagen treft u de relevante aanbestedingsstukken en nota’s van inlichtingen aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, en toezeggen dat u de IT-aanbestedingen niet doorzet totdat deze juridisch houdbaar zijn en de Kamer volledig is geïnformeerd?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Toegezegd wordt dat de aanbestedingen worden voortgezet nadat op basis van de resultaten van de in- en externe consultaties een besluit is genomen over de (mate van) aanpassing van de aanbestedingsvoorwaarden en de vervolgaanpak. De Kamer zal tegelijkertijd met de markt worden geïnformeerd op de wijze waarop de aanbesteding zal worden hervat.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Het bericht dat de Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt: 80 banen weg in Ter Apel» van RTV Noord?1
Wat is uw reactie op het feit dat deze 80 mensen ineens ontslagen worden? Begrijpt u dat het voor hen voelt als een klap in het gezicht?
Waarom is er dan niet voor gekozen om de 80 banen van de DISA in Ter Apel te laten doorvloeien naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Klopt het dat de foutmarge bij de screening onder de DISA is teruggebracht naar onder de 5 procent? Klopt het dan dat deze werknemers geschikt zijn voor dit werk en sneller aan de slag kunnen dan nieuw op te leiden werknemers?
Wat is de impact op Oost-Groningen dat er 80 banen verdwijnen? Wat is het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan Ter Apel?
Wat zijn de kosten van het zo snel optuigen en weer afschaffen van deze dienst?
Begrijpt u dat medewerkers spreken over weggegooid geld, omdat er 40 miljoen in een dienst is gestoken die na een jaar weer verdwijnt?
Kunt u specifiek reageren op de uitspraak van een van hen, die aangeeft: «Je tuigt met belastinggeld iets op en dan gooi je het in de prullenmand. Inclusief personeel»?
Hoeveel kosten had het gescheeld als de werknemers bij de dienst wel waren overgenomen door de IND?
Het bericht ‘Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ken het bericht. Ik begrijp de frustratie van bewoners heel goed. De situatie laat goed zien dat de versterking een complex, langdurig en ingrijpend proces is voor bewoners en omwonenden. Ook zie ik dat de verschillen in deze buurt leiden tot sociale onrust. Het is belangrijk om deze bewoners duidelijkheid te geven over de vervolgstappen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in één wijk, Westerdraai in Appingedam, 98 woningen worden gesloopt voor sloop/nieuwbouw, terwijl 52 woningen (nog) niet worden gesloopt?
Erkent u dat dit beleid leidt tot verschillen tussen bewoners binnen dezelfde wijk en daarmee bijdraagt aan de groeiende ongelijkheid onder gedupeerden?
Wanneer kunnen de 52 huishoudens die (nog) niet in aanmerking komen voor sloop/nieuwbouw duidelijkheid verwachten?
Hoe kijkt u aan tegen de onzekerheid die dit beleid oplevert voor bewoners van wie de woning (nog) niet wordt gesloopt?
Is het tegengaan van de steeds groeiende ongelijkheid ook prioriteit voor u?
Ja, het zoveel mogelijk verkleinen van verschillen heeft voor mij hoge prioriteit. Daarom zet ik de aanpak voort die door mijn ambtsvoorgangers is ingezet.
Zet u de ambitie van uw ambtsvoorganger voort om verschillen zoveel mogelijk te verkleinen?2
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt de gecreëerde ongelijkheid in de wijk Westerdraai in Appingedam zich tot maatregel 12, «Meer maatwerk om verschillen tegen te gaan», uit Nij Begun?3
Voor de aanpak van verschillen richt het kabinet zich op het creëren van een gelijkwaardige uitkomst voor alle bewoners in het gebied. Dit zoals ook geadviseerd door de commissie van Geel. Dat betekent voor deze bewoners dat ze een volledige vergoeding krijgen voor het isoleren en ventileren van de woning tot aan de isolatiestandaard.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat in buurten waar veel sloop-nieuwbouw plaatsvindt het kan zijn dat deze gelijkwaardige uitkomst onvoldoende tegemoet komt aan de verschillen in die buurt. Om vast te stellen of dit aan de orde is hebben de gemeenten en NCG de eerder genoemde routekaart ontwikkeld. Met het doorlopen van deze routekaart wordt, zoals aangegeven in maatregel 12 van Nij Begun, daar waar nodig maatwerk geboden om verschillen te verkleinen.
Bent u bereid extra budget beschikbaar te stellen zodat de hele wijk sloop/nieuwbouw krijgt conform maatregel 12 van Nij Begun, «Het kabinet stelt extra budget beschikbaar zodat de NCG bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw kan aanbieden op plekken waar verschillen tussen bewoners tot onbegrip en sociale spanningen hebben geleid»? Zo nee, waarom niet?
Voor het verkleinen van de onaanvaardbare verschillen in de versterking heeft het kabinet € 240 miljoen vrijgemaakt. Dit is bovenop de middelen voor het dempen van verschillen die als onderdeel van het bestuurlijke afspraken 2020 aan gemeenten beschikbaar is gesteld met hetzelfde doel, namelijk het verkleinen van verschillen in de regio. Met deze middelen kunnen we betekenisvolle stappen zetten in het verkleinen van verschillen. Indien er tekorten hierbij ontstaan dan gaat het Kabinet op zoek naar oplossingen.
Kunt u toelichten in hoeverre de regeringscommissaris ruimte heeft om zelfstandig keuzes te maken, en in welke mate is hij daarbij gebonden aan de coalitieafspraken die in Den Haag zijn gemaakt?
Op 13 maart is uw Kamer geïnformeerd over de profielschets voor de regeringscommissaris4. Daarin staat dat een duidelijke opdracht en mandaatverlening aan de regeringscommissaris essentieel is. Na aanstelling van de regeringscommissaris zal de opdracht worden opgesteld, zodat duidelijk is wat er van de regeringscommissaris wordt verwacht en binnen welke kaders hij of zij handelt. Daarom is het op dit moment te vroeg om al een uitspraak te doen over het mandaat van de regeringscommissaris. Wel kan ik zeggen dat de regeringscommissaris handelt onder mijn volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betekent dat de regeringscommissaris zich net als ik aan het regeerakkoord moet houden. Wel kan de regeringscommissaris gevraagd of ongevraagd advies uitbrengen. Dit advies kan mij aanleiding geven om binnen het Kabinet het gesprek aan te gaan, over wat er nodig is om dit advies uit te voeren.
Heeft de regeringscommissaris bijvoorbeeld het mandaat om te besluiten om de hele wijk Westerdraai sloop/nieuwbouw aan te bieden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire debat over de wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen?
Ja.
Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
Het bericht 'Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strenge regels arbeidsmigratie Vlaanderen zijn effectief»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Vlaanderen per 1 januari 2026 de regels voor gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen heeft aangescherpt, onder meer door de toegang voor laaggeschoolde arbeid te beperken en de lijst met beroepen voor een versnelde procedure te verkorten? Is dat een route die u ook voor Nederland wenselijk acht?
Lidstaten maken hun eigen afwegingen in het arbeidsmigratiebeleid dat gaat over werknemers van buiten de Europese Unie, afhankelijk van hun arbeidsmarkt, demografie en maatschappelijke context.
In Nederland geldt, op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav), dat voor alle beroepen waarvoor werkgevers een reguliere tewerkstellingsvergunning (twv) of een reguliere gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) willen aanvragen, eerst drie maanden gezocht moeten worden naar arbeidsaanbod op de Nederlandse en Europese arbeidsmarkt. Dit is onderdeel van de arbeidsmarkttoets die UWV uitvoert. Het nieuwe beleid in Vlaanderen rondom gecombineerde werk- en verblijfsvergunningen voor niet-EU-werknemers is, ook na aanscherping, soepeler dan in Nederland. Vlaanderen werkt met een beroepenlijst waarvoor een versnelde procedure geldt. Vlaanderen heeft sinds dit jaar het aantal beroepen op de beroepenlijst ingekort. Voor beroepen die niet op de lijst staan, geldt dat werkgevers eerst negen weken moeten zoeken naar arbeidsaanbod op de Belgische en Europese arbeidsmarkt. Het Nederlandse beleid is dus strenger dan het beleid dat Vlaanderen voert. Voor kennismigranten past Nederland wel uitnodigender beleid toe.
Verder is in deze context relevant dat in het Coalitieakkoord is aangekondigd dat Nederland een pilot zal starten van drie jaar voor een programma dat gericht is op het, onder strenge voorwaarden, actief en gericht naar Nederland halen van goed geschoolde krachten die hier toegevoegde waarde in vooraf afgebakende sectoren hebben. Onderdeel van deze voorwaarden zijn een salariseis en huisvestingseis en een maximale termijn van drie jaar.
Beschikt u over signalen dat aanscherping van toelatingsvoorwaarden voor arbeidsmigratie, zoals in Vlaanderen, kan bijdragen aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt?
Het doel van het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid in de Wet arbeid vreemdelingen is dat arbeidsmigratie aansluit op de concrete behoefte op de arbeidsmarkt en de hier geldende arbeidsvoorwaarden- en omstandigheden. Door de toepassing van een arbeidsmarkttoets conform de Wav kunnen werkgevers over de benodigde werknemers beschikken terwijl Nederlandse en Europese werknemers niet worden verdrongen. De toelatingsvoorwaarden dragen bij aan het terugdringen van misstanden, fraude en oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt. Zo toetst het UWV bij de aanvraag van een twv of gvva of de werkgever zich houdt aan de arbeidsvoorwaarden, zoals de betaling van marktconform loon, en of de werkgever de arbeidswetgeving eerder niet heeft overtreden. Als dit niet in orde is, wordt geen werkvergunning afgegeven.
Een kanttekening hierbij is dat op het moment dat de toelatingsvoorwaarden voor werknemers van buiten de Europese Unie strikt zijn, werkgevers op andere manieren proberen mensen van buiten de Europese Unie naar Nederland te halen. Een route hiervoor is via detachering vanuit andere EU lidstaten. Werkgevers hoeven dan geen werkvergunning aan te vragen waardoor UWV geen controle vooraf kan uitvoeren op de arbeidsvoorwaarden. Om die reden zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat werkgevers beter kunnen weten wat wel en niet is toegestaan en ook beter toezicht mogelijk is.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre in Nederland, mede in het licht van de krapte op de arbeidsmarkt, eerst zwaarder moet worden ingezet op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod voordat werkgevers werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken?
Het uitgangspunt van het Nederlandse beleid is reeds dat werkgevers eerst moeten inzetten op activering van het binnenlands en Europees arbeidsaanbod, voordat zij werknemers van buiten de Europese Unie kunnen aantrekken. Dit gebeurt door middel van de onder vraag 2 genoemde arbeidsmarkttoets. Hierbij toetst het UWV een aanvraag op de volgende drie punten: 1. De aanwezigheid van prioriteit genietend aanbod (Nederlanders, overige EU-burgers en derdelanders die mogen werken zonder werkvergunning); 2. tijdige melding van de vacature; 3. de wervingsinspanningen om prioriteitgenietend aanbod te vinden.
Bij laaggeschoolde arbeid concludeert UWV in de praktijk dat er in Nederland prioriteit genietend aanbod is, dus wordt geen werkvergunning afgegeven.
Hoe verhoudt de Vlaamse aanpak zich volgens u tot de Nederlandse inzet om grip te krijgen op arbeidsmigratie en misstanden tegen te gaan?
De Vlaamse aanpak lijkt met de aanpassing van de regelgeving iets meer in lijn te komen met de Nederlandse inzet. De Nederlandse inzet is op dit punt nog wel restrictiever.
Ziet u aanleiding om, mede naar aanleiding van de ervaringen in Vlaanderen, te bezien of de Nederlandse systematiek voor arbeidsmigratie van buiten de Europese Unie verder moet worden aangescherpt, juist waar het gaat om laagbetaald werk, huisvesting, registratie en de maatschappelijke draagkracht in regio’s en gemeenten?
Met de Wav voert Nederland reeds beleid welke mee ademt met de behoefte op de arbeidsmarkt. Alleen als een werkgever voor de aanvraag van een reguliere twv of gvva kan aantonen echt personeel nodig te hebben van buiten de EU, én als dat personeel niet reeds binnen Nederland en de EU beschikbaar is, is dit mogelijk. Voor laagbetaalde arbeid geldt dat er geen twv’s of gvva’s worden verstrekt, vanuit het uitgangspunt dat hiervoor prioriteitgenietend aanbod in Nederland en/of de EU aanwezig is. Het kabinet is zich goed bewust van de risico’s die er zijn op misstanden voor arbeidsmigranten in laagbetaalde arbeid. En ook van de druk op huisvesting, problemen rondom registratie, en het belang van maatschappelijke draagkracht in de regio’s en gemeenten.
Schimmelwoningen |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmel, scheuren en schaamte: huurders jarenlang in ongezonde woningen»?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht.
Zou u de omvang van het aantal meldingen van vocht- en schimmelproblematiek in huurwoningen in kaart willen brengen, in samenwerking met corporaties en gemeenten?
Ik onderschrijf het belang van een landelijk beeld van de omvang van vocht- en schimmelproblematiek in woningen. In dat kader wordt bij het driejaarlijkse WoON-onderzoek uitvraag gedaan naar vocht- en schimmelproblematiek. Huishoudens worden voor dit onderzoek gevraagd naar onderhoudskwaliteit van de woning en naar vocht- en schimmelproblematiek in de woning. Er worden geen vragen gesteld over de mate van de problematiek.
In 2024 gaf 20 procent van de huishoudens aan last te hebben van vocht en schimmel in de woning, vergeleken met 15 procent in 2021. Voor corporatiehuurders nam de vocht- en schimmelproblematiek volgens WoON2024 toe van 24% in 2021 naar 29% in 2024. In de private huur was er in deze periode een toename van 23% naar 31%.
Tegelijkertijd worden het aantal meldingen bij corporaties en gemeenten niet centraal geregistreerd. Ik heb met de VNG, Aedes en de Woonbond afgesproken dat zij bij hun achterban aandacht blijven vragen voor meldingsbereidheid van huurders, hierbij hoort ook het in kaart brengen van de meldingen op lokaal niveau. De oorzaken en de aard van de meldingen lopen zeer uiteen, landelijke conclusies trekken uit deze cijfers is moeilijk. In de lokale prestatieafspraken kunnen afspraken gemaakt worden over het in kaart brengen van de meldingen, lokale partijen (gemeente, huurdersorganisaties en verhuurders) hebben de problematiek, de oorzaken en een passende lokale aanpak het beste in beeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Beckerman (Kamerstuk 28 847, nr. 1325), waarin de regering wordt verzocht met spoed met een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen en dit uiterlijk in het najaar van 2025 aan de Kamer te presenteren?
Welke concrete stappen zijn sinds de aanneming van deze motie gezet om tot een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen?
Welke organisaties – zoals woningcorporaties, gemeenten, huurdersorganisaties en gezondheidsinstanties – zijn tot nu toe betrokken bij de uitwerking van dit actieplan?
Wanneer verwacht u het actieplan tegen schimmelwoningen daadwerkelijk aan de Kamer te kunnen presenteren?
Zou u inzicht willen geven in de manier waarop het Rijk momenteel regie neemt op de aanpak van schimmelproblematiek in woningen?
Welke concrete doelstellingen en resultaten wilt u met dit actieplan bereiken, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal woningen waarin schimmelproblematiek structureel wordt aangepakt?
Hoe reflecteert u op signalen dat huurders zich in dergelijke situaties soms niet serieus genomen voelen door verhuurders en instanties?
Ik herken het signaal dat huurders zich niet altijd serieus voelen genomen door verhuurders als het gaat om vocht- en schimmelmeldingen. Door middel van de aanpak zoals genoemd in de beantwoording van vraag 3 t/m 8 is de verwachting dat het vertrouwen van huurders zal toenemen. De afspraak met woningcorporaties is dat zij zich proactief zullen opstellen bij de aanpak vocht- en schimmel, ik roep Aedes, VNG en de Woonbond op om meer aandacht te besteden aan meldingsbereidheid en bij ernstige problematiek kan een onafhankelijk vocht- en schimmelexpert worden ingezet.
Hoe verhoudt de aanpak van schimmelproblematiek zich tot het Nationaal Isolatieprogramma, en op welke wijze wordt geborgd dat isolatiemaatregelen altijd gepaard gaan met adequate ventilatievoorzieningen?
Verduurzaming leidt vaak tot een beter te verwarmen woning en meer wooncomfort. Tegelijk moet ervoor worden gewaakt dat er geen vocht- en schimmelproblemen ontstaan, zoals wanneer er in een verduurzamingsplan onvoldoende aandacht is voor ventilatievoorzieningen of wanneer er nieuwe koudebruggen ontstaan. Daarom besteedt VRO in campagnes speciale aandacht aan ventileren in combinatie met isoleren en wordt in voorlichting bijvoorbeeld via verbeterjehuis.nl aandacht besteed aan een juiste manier van isoleren waarbij bouwfysische problemen worden voorkomen.
Hoe gaat u borgen dat de aanpak van schimmelwoningen daadwerkelijk prioriteit krijgt bij woningcorporaties en gemeenten?
Hoe wordt er op toegezien of corporaties en gemeenten lokaal afspraken maken over de aanpak van vocht- en schimmelproblematiek, zoals afgesproken in de Nationale Prestatieafspraken?
Hoe wordt geborgd dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zorgen voor voldoende voortgang op het gebied van schimmelaanpak?
Hoe gaat u bevorderen dat woningcorporaties beschikken over voldoende expertise om schimmelproblematiek snel en effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door inzet van specialistische kennis of onafhankelijke experts?
De inzet van vocht- en schimmelexperts vloeit voort uit de Nationale Prestatieafspraken tussen het Rijk, Aedes en de VNG. Voor de periode 2027 tot en met 2029 stelt het Rijk hiervoor jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar. Deze experts worden ingezet wanneer huurder en verhuurder (woningcorporatie) er samen niet uitkomen, nadat de corporatie al onderzoek heeft gedaan. De expert brengt vervolgens een onafhankelijk rapport uit met conclusies en aanbevelingen. Deze aanpak is gebaseerd op de succesvolle werkwijze van de gemeente Den Haag.
Het uitgangspunt blijft dat verhuurders verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van hun woningen, inclusief het oplossen van vocht- en schimmelproblemen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om de inzet van onafhankelijke experts te stimuleren en de urgentie van deze problematiek te benadrukken. Daarom kies ik voor een gerichte en uitvoerbare aanpak die aansluit bij bestaande lokale initiatieven en verantwoordelijkheden.
In deze aanpak dragen verhuurders 75% van de kosten voor een vocht- en schimmelonderzoek, terwijl het Rijk via een subsidie aan gemeenten de overige 25% voor zijn rekening neemt. De uitvoering vindt plaats op het niveau van woningmarktregio’s, waarbij centrumgemeenten een coördinerende rol hebben. Dit sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren en maakt regionaal maatwerk mogelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders goed geïnformeerd worden over hun rechten en mogelijkheden om schimmelproblematiek aan te kaarten, bijvoorbeeld via de Huurcommissie?
Wanneer bewoners van mening zijn dat de verhuurder te lang wacht met het aanpakken van vocht- en schimmelproblemen, beschikken zij over verschillende mogelijkheden om onderhoud af te dwingen. Huurders kunnen terecht bij de Huurcommissie, die in zulke gevallen een tijdelijke huurverlaging kan opleggen zolang gebreken niet zijn verholpen. Daarnaast kunnen alle huurders een procedure starten bij de kantonrechter om herstel af te dwingen. Bij ernstige klachten over de bouwtechnische staat van de woning kunnen huurders zich bovendien wenden tot het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Ik ga met de Woonbond en de Huurcommissie in gesprek of er meer duidelijkheid moet komen over de mogelijkheden die huurders hebben om vocht- en schimmelproblematiek aan te kaarten.
Hoe gaat u bevorderen dat huurders snel geholpen worden wanneer zij schimmelproblematiek melden bij hun verhuurder?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 3 t/m 8. Door middel van de afspraken uit de NPA verwacht ik een grote verbetering te zien bij woningcorporaties wat betreft en proactief oppakken van vocht- en schimmelproblematiek.
Het bericht dat Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, '40 miljoen in prullenbak' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Screeningsdienst asielzoekers stopt na ruim een jaar, «40 miljoen in prullenbak»»?1
Klopt het dat bij de oprichting van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) al duidelijk was dat deze dienst tijdelijk zou zijn en dat de taken per 12 juni 2026 in verband met het Europese Asiel- en Migratiepact door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zouden worden overgenomen? Zo ja, waarom is desondanks gekozen voor de oprichting van een aparte dienst?
Klopt het dat voor DISA een nieuw computersysteem is ontwikkeld dat circa 40 miljoen euro heeft gekost? Wat gebeurt er met dit systeem na opheffing van DISA en in hoeverre blijft dit systeem bruikbaar voor de IND?
Klopt het dat de 120 medewerkers van DISA niet overgaan naar de IND? Zo ja, waarom is daarvoor gekozen, en hoe voorkomt u dat de binnen DISA opgebouwde kennis en expertise op het gebied van identificatie en screening verloren gaan?
Hoe waarborgt u dat de overdracht van deze taken aan de IND niet leidt tot meer fouten, nieuwe achterstanden of extra druk op de IND, mede gelet op signalen dat DISA de foutmarge juist aanzienlijk zou hebben teruggebracht?
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Ik neem deze zorgen serieus en ik ben hierover in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders. Uiteraard onderschrijf ik daarbij het belang van voorzieningszekerheid en is het van het grootste belang dat Nederland genoeg gas en olie heeft om in de behoefte van onze huishoudens en bedrijven te voorzien, ook aangezien tijdens de transitie deze nog geruime tijd essentieel zijn.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
De methaanverordening bevat geen importbeperking, maar het valt niet uit te sluiten dat de gestelde rapportage- en onderzoeksverplichtingen een beperkend effect kunnen hebben. Dit risico wordt op Europees niveau aangekaart, aangezien de eisen die volgen uit de verordening en een eventuele oplossing dus ook op dat niveau gezocht moet worden.
Overigens kent de verordening een clausule die het risico op een aanbodtekort reeds zou kunnen mitigeren. De verordening bepaalt namelijk dat bevoegde instanties bepaalde sancties alleen kunnen opleggen bij overtreding van bepaalde artikelen, waaronder deze importverplichtingen, als die de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengen.2
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
De verordening kent een clausule die het risico op een aanbodtekort kan mitigeren, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven.
De verordening erkent verder dat de naleving van de verplichtingen uit deze verordening waarschijnlijk investeringen vereist. De verordening bepaalt echter ook dat de noodzakelijke kosten hiervoor geen disproportionele financiële last voor eindgebruikers en consumenten mogen meebrengen.3
De kosten van de verordening moeten daarbij worden afgewogen tegen de baten. Het recent gepubliceerde rapport, waar in vraag 1 naar wordt verwezen, laat de potentiële klimaatwinst zien die behaald kan worden door de inzet op methaanreductie wereldwijd, zolang de vraag naar olie, aardgas en steenkolen nodig blijft in de transitie naar schone energie. Methaan is één van de krachtigste broeikasgassen. De methaanverordening is één van de maatregelen van het Fit for 55-wetgevingspakket om de Europese reductiedoelstellingen van broeikasgasemissies in de energiesector tot stand te brengen.
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
De eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs volgen rechtstreeks uit de Europese verordening. Aanpassing van deze eisen is op nationaal niveau niet mogelijk. Voor het volledige antwoord op deze vraag verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Ik zet mij hier reeds voor in. De eisen zijn zoals hiervoor aangegeven opgenomen in de Europese methaanverordening en daar moet ook de oplossing in worden gezocht. Uw Kamer is op 18 februari jl. door mijn voorganger over de implementatie van de verordening en de aandachtspunten hierbij geïnformeerd4. Deze aandachtspunten zien ook op de monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen die per 1 januari 2027 ingaan. Nederland wijst in de gesprekken met de Europese Commissie voortdurend op knelpunten die worden ervaren bij de uitvoering van de verordening en zoekt daarbij samen met de Commissie ook naar praktische oplossingen. Een brede groep landen deelt deze zorgen. Het kabinet is hierover eveneens in gesprek met het bedrijfsleven en toezichthouders.
Eventuele aanpassing van de regelgeving is niet aan een lidstaat en dus ook niet aan het kabinet. Daarover moet de Europese Commissie zich een oordeel over vormen. Gezien de huidige situatie in het Midden-Oosten zijn de knelpunten die zich voordoen bij de implementatie van de methaanverordening nog urgenter geworden. Ik breng deze knelpunten daarom opnieuw onder de aandacht van de Commissie met de vraag om een oplossing die rekening houdt met de geuite zorgen en de recente ontwikkelingen.
De brief van meer dan honderd economen over de economische doelmatigheid van de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de open brief van meer dan honderd economen, waaronder ruim tachtig hoogleraren, gepubliceerd op ESB.nu, waarin zij de economische doelmatigheid en effectiviteit van de voorgestelde maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland ter discussie stellen?1 Hoe beoordeelt u de daarin geuite kritiek?
Herinnert uw zich uw antwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt dat een maatwerkafspraak de snelste weg is om klimaatwinst en gezondheidswinst voor omwonenden te behalen? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u aangeven waar de economen volgens u dan verkeerd redeneren?
Herinnert u zich uw anwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt geen aanleiding te zien de intentieverklaring te beëindigen en de onderhandelingen voort te zetten, onder meer omdat uitstel of afstel zou leiden tot het later of niet optreden van klimaatwinst en gezondheidswinst? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u gemotiveerd toelichten waarom?
Erkent u dat Tata Steel Nederland over de periode 2023–2025 gemiddeld circa 157 miljoen euro per jaar operationeel verlies heeft geleden en daarmee structureel onvoldoende winstgevend is? Zo nee, op basis van welke cijfers of analyses komt u tot een andere beoordeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat de voorgestelde eenmalige bijdrage van twee miljard euro zich ontwikkelt tot een open-eindverplichting, gezien de structureel zwakke financiële positie van Tata Steel Nederland?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat een Europese aanbesteding voor waterstofstaal economisch efficiënter is dan een nationale steunoperatie? Hoe kijkt u kabinet tegen een dergelijk Europees aanbestedingsproces, en bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat Tata Steel Nederland, gelet op het feit dat negentig procent van de staalproductie wordt geëxporteerd, geen wezenlijk verschil maakt voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie en daarmee geen cruciale schakel vormt in een innovatief ecosysteem? Zo nee, op welke onderbouwing baseert u een ander oordeel?
Hoe beoordeelt u de juridische kwetsbaarheid van de maatwerkafspraken, zowel wat betreft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid als de lopende juridische procedures rondom gezondheidsschade voor omwonenden, en kunt u daarbij ingaan op de stelling van de economen dat publieke middelen worden ingezet zonder het onderliggende gezondheidsprobleem op te lossen?
Hoe ziet u de voorgestelde maatwerkafspraken in het licht van het rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) dat stelt dat Nederland onvoldoende ruimte heeft om de huidige omvang van de energie-intensieve industrie in stand te houden, en het rapport-Wennink dat het kabinet oproept tot het maken van scherpe keuzes?
Gezien EU-ETS Tata Steel al tot CO2-neutraliteit vóór 2040 verplicht en de maatwerkafspraken sturen op 2045, kunt u aantonen dat de subsidie van twee miljard euro een transitie ondersteunt die aantoonbaar sneller of verder gaat dan waartoe Tata Steel al wettelijk verplicht is? Zo nee, hoe houdt deze staatssteun juridisch stand?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat de schaarse middelen die worden voorgesteld voor Tata Steel, waaronder technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en stikstofruimte, doelmatiger kunnen worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit per punt uiteenzetten?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat strategische autonomie behoud van staalproductie in Europa vereist, maar niet specifiek in Nederland? Deelt u deze redenering? Zo nee, op welke gronden meent u dat staalproductie specifiek in Nederland noodzakelijk is voor onze strategische autonomie?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat afzien van steun aan structureel verliesgevende bedrijven in een economie met schaarste geen politieke keuze maar een economische noodzaak is? Deelt u deze kwalificatie? Zo nee, op welke analyse baseert het de conclusie dat steun aan Tata Steel per saldo welvaartswinst oplevert?
Deelt u de mening dat een nationale steunoperatie Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel doorkruist? Zo ja, waarom kiest u hier toch voor in plaats van in te zetten op een Europese aanbesteding?
Gezien de nationale steunoperatie voor Tata Steel bijdraagt aan een Europese subsidierace waarbij lidstaten elkaar overbieden met publieke middelen, zoals Duitsland illustreert met zijn energieprijsplafond, erkent u dat deze wedloop per saldo duurder uitvalt voor Nederland dan wanneer het zou inzetten op Europese samenwerking en coördinatie?
Gezien de schaarse middelen die Nederland tot haar beschikking heeft en het essentiële belang van het steunen van de Nederlandse maakindustrie, erkent het kabinet dan dat de middelen die voor de maatwerkafspraken met Tata Steel worden gebruikt doelmatiger kunnen worden ingezet? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het debat over de maatwerkafspraken en/of binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving.
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Nee. Het kabinet heeft geen inzicht in de agenda van diplomaten van andere landen.
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Met het bestuur van ISN is in 2020 de afspraak gemaakt dat in de nieuwe organisatiestructuur de attaché Religieuze Zaken, of een andere vertegenwoordiger met diplomatieke of consulaire status, geen rol meer zal vervullen in het bestuur. Dit omdat deze structuur op zijn minst de schijn wekt van een ongewenste vermenging van politiek en religie. In het huidige bestuur van ISN zitten dan ook geen diplomatieke of consulaire functionarissen.
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geen subsidie verstrekt aan ISN.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen.
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In het geval van het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van KIS is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie zijn in het verleden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken afspraken gemaakt met de Turkse autoriteiten. Deze afspraken zijn door het Ministerie van SZW overgebracht aan en besproken met ISN.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden en te waarborgen. De Minister van Werk en Participatie heeft eerder aangegeven de samenwerking met ISN in deze context geen verstandige keuze te vinden.1 Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Zie het antwoord op vraag 4.
In zijn algemeenheid: het nieuwe kabinet werkt – zoals de Minister van Werk en Participatie eerder heeft aangegeven in de beantwoording op schriftelijke vragen over dit onderwerp – aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners.2
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Daar zie ik geen aanleiding toe. De AIVD, MIVD en de NCTV hebben reeds in 2025 het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren gepubliceerd.
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
Het staat Turkije vrij om een diasporabeleid richting de Turkse diasporagemeenschappen in Nederland te voeren, en in dit kader relaties te onderhouden met de Islamitische Stichting Nederland, mits dit binnen de grenzen van de Nederlandse rechtstaat blijft en het de participatie van individuen in onze samenleving niet in de weg staat. Het kabinet blijft alert op signalen van diasporabeleid vanuit derde landen dat de grenzen van de gestelde kaders overschrijdt. Mochten deze signalen er zijn, dan neemt het kabinet verdere stappen. Het kabinet heeft op dit moment geen indicatie dat de activiteiten van de religieus attaché deze kaders te buiten gaan.
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Henk Jumelet (CDA), Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Het kabinet deelt de analyse over het belang van een robuuste, betaalbare en onafhankelijke energievoorziening in Europa. Deze vermindert onze kwetsbaarheid voor prijsvolatiliteit en geopolitieke risico’s. Keuzes omtrent energie – en daarmee de keuze voor kernenergie in de energiemix – zijn een nationale bevoegdheid. Het kabinet verwelkomt dan ook het stevige signaal van Commissievoorzitter Von der Leyen dat de grotere rol erkent die kernenergie in de toekomst zal spelen in de energiemix, in Europese lidstaten waaronder Nederland, om zo een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese strategische doelstellingen.
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 16 juni 20252, werkt het kabinet aan het versterken van het nucleaire ecosysteem via kennisopbouw, netwerkontwikkeling en concrete activiteiten op drie samenhangende terreinen:
Op deze manier zorgt het kabinet ervoor dat kennis- en onderzoeksorganisaties, onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen aansluiten bij de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland (inclusief SMR’s) en waar mogelijk internationale mogelijkheden kunnen benutten, waaronder een rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten.
Ook de Europese Commissie is bezig met het vormgeven van de ondersteuning van innovatieve kerntechnologieën. Een voorbeeld hiervan is de genoemde € 200 miljoen aan garanties voor innovatieve nucleaire technologieën die onlangs door de Europese Commissie is aangekondigd en wordt toegevoegd aan het Europese InvestEU-fonds. Projecten kunnen hierop aanspraak maken via de Europese Investeringsbank; kleinere projecten in Nederland kunnen hierop via InvestNL aanspraak maken. Als onderdeel van het MMIP Kernenergie ondersteunt RVO Nederlandse partijen die SMR's willen ontwikkelen hierbij, zoals dat ook gebeurt bij het EU Innovatiefonds en andere EU-programma's.
Voor de zomer zal de Kamer nader per brief over de nationale aanpak voor de versterking van het nucleaire ecosysteem worden geïnformeerd.
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Nederland heeft een zorgvuldig doordacht kader voor de bouw en inpassing van kerncentrales. Dit kader is gericht op veiligheid, participatie en het waarborgen van een goede ruimtelijke inpassing en biedt ruimte voor innovatieve technologieën. De handreiking voor het Veilig Ontwerp en veilig Bedrijven van Kernreactoren (VOBK) is afgelopen jaar door de ANVS geactualiseerd, met als voornaamste stappen het beter harmoniseren met internationale richtlijnen en het toepasbaar maken op meer innovatieve technieken. Dit is behulpzaam voor SMR’s en internationale techniekleveranciers.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de aanpassingen van het EU staatssteunkader3 dat lidstaten meer ruimte geeft om nationale industrieën financieel te ondersteunen bij energie- en duurzaamheidsinvesteringen.
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Het kabinet is in contact met ontwikkelaars en partijen die geïnteresseerd zijn in de bouw van SMR's en heeft eerder in kaart gebracht wat zij nodig hebben voor verdere ontwikkeling. Naar aanleiding van deze gesprekken is het kabinet tot de conclusie gekomen dat ondersteuning op dit moment vooral gewenst is voor vroege haalbaarheidsstudies of vergunbaarheidsanalyses. Het kabinet zal met de SMR-strategie tot € 20 miljoen beschikbaar maken voor concrete initiatieven om hiermee de haalbaarheidsstudies en vergunbaarheidsanalyses te ondersteunen. Het kabinet is blijvend in gesprek met bedrijven en zal een marktconsultatie starten om inzicht te krijgen in de huidige status van initiatieven in Nederland om hiermee het financieringsinstrument (voor de genoemde € 20 miljoen) in te kunnen richten. Aanvullend verkent de marktconsultatie financieringsmogelijkheden voor latere fasen van private SMR-projecten, zoals bouw en exploitatie.
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Het kabinet heeft voortdurend de mogelijkheden voor versnelling voor ogen, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten die hiermee gemoeid zijn. In de voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie van mei en oktober4 jl. is ingegaan op versnellingsopties. Het kabinet zal u voor de zomer een volgende voortgangsbrief sturen.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de ontwikkeling van kernenergie en SMR's binnen de Europese Unie. Nederland heeft een actieve rol binnen de Nucleaire Alliantie en binnen de SMR Industriële Alliantie. Daarnaast heeft het kabinet bilateraal contact met verschillende landen in Europa om synergiën op te zoeken. Het kabinet blijft zich binnen en buiten de genoemde gremia inzetten voor het ondersteunen en versnellen van de uitrol van kernenergie.
Bent u bekend met het rapport ‘The Foreign Censorship Threat, Part II: Europe’s Decade-Long Campaign to Censor the Global Internet and how it harms American Speech in the United States’ van de Committee on the Judiciary van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin wordt ingegaan op het signaleren en/of «flaggen» van berichten op sociale media door overheden en Europese instellingen?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u bevestigen of, en zo ja op welke wijze, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of andere ministeries contact hebben gehad met de Europese Commissie over het signaleren, «flaggen» of laten verwijderen van berichten op sociale media?
Zoals uitgelegd in de Kamerbrief van 9 januari 2026 over de evaluatie Tweede Kamerverkiezing 28 oktober 2025 maakt het Ministerie van BZK het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.2 De Europese Commissie speelt hierin geen rol. Het ministerie heeft met de platformen van X, Meta, TikTok, Google en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden. Het Ministerie van BZK heeft geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door de Europese Commissie is aangewezen als zogenoemde «trusted flagger» onder de Digital Services Act? Zo ja, op basis van welke bevoegdheid of afspraak is deze rol aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekend?
Nee, de Europese Commissie heeft BZK niet aangewezen als «trusted flagger». Zoals reeds aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer is deze rol toebedeeld aan de ACM.3 BZK heeft een vrijwillige afspraak met enkele platformen, zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2. Dit noemen we de «verkiezingen flagger status».
Kunt u een overzicht geven van alle relevante informatie tussen Nederlandse ministeries en de Europese Commissie over het «flaggen», modereren of verwijderen van sociale-mediaberichten met betrekking tot de laatste Kamerverkiezingen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoeveel sociale-mediaberichten zijn door Nederlandse overheidsinstanties of via samenwerking met Europese instellingen gemarkeerd of «geflagged» bij sociale-mediaplatforms? Bij welke sociale-mediaplatforms zijn deze meldingen gedaan? Hoeveel van die «geflagde» berichten zijn daadwerkelijk door de betreffende sociale-mediaplatforms verwijderd, verborgen, gedeprioriteerd of anderszins beperkt in zichtbaarheid?
Zie de brief aan uw Kamer van 9 januari jl. van mijn ambtsvoorganger met als bijlage het rapport over de inzet van de verkiezingen flagger status.4 Zie ook mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer met een reactie op vragen van het lid Stöteler (PVV) over de inzet van de flagger status door BZK.5 Hierin is vermeld dat de flagger status tweemaal is ingezet bij de Tweede Kamerverkiezing in 2025. Eenmaal richting X en eenmaal richting Meta.
Op basis van welke criteria of richtlijnen werden berichten «geflagged» of gemeld bij sociale-mediaplatforms, en in hoeveel gevallen ging het bij de gemelde berichten om politieke uitingen, meningen of bijdragen aan het politieke debat?
In het rapport dat op 9 januari jl. met uw Kamer is gedeeld, is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen.6 Het Ministerie van BZK zet de verkiezingen flagger status met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over een verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie over hoe en waar te stemmen.
Bent u het eens dat het meer dan onwenselijk is dat overheden, Europese instellingen of door hen aangewezen organisaties invloed uitoefenen op de moderatie van politieke content op sociale media, met name in de aanloop naar verkiezingen?
Ik hecht aan een open publiek debat, waar politieke uitingen een essentieel onderdeel van zijn. Er wordt door BZK niet gemodereerd op politieke content, zoals vermeld in het antwoord op vraag 6. Wel vind ik het belangrijk, zoals aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer, dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen voor het beschermen van het publieke debat en het verkiezingsproces onder de Europese digitale wetgeving, en voert het kabinet daarover ook gesprekken met de platformen.7 Het kabinet steunt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Europese Commissie volledig in hun toezichthoudende taken.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting hét fundament van onze vrije samenleving is en moet blijven? Zo ja, hoe borgt u dat? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit blijkt onder meer uit de wijze waarop de Digital Services Act (DSA) is ingericht. Niets in de DSA verplicht platformen ertoe legale content te verwijderen, en overheden krijgen nadrukkelijk geen bevoegdheden om informatie te laten verwijderen.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Koningin Máxima aanwezig is bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib |
|
Gidi Markuszower (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Koningin Máxima op 31 maart 2026 aanwezig zal zijn bij de viering van het 70-jarig jubileum van Oxfam Novib in Den Haag?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Oxfam Novib Israël, een bondgenoot van Nederland, beschuldigt van «genocide», «apartheid» en een «bezettingsregime», en oproept tot een verbod op handel en investeringen?
Het kabinet is bekend met het standpunt van Oxfam Novib. Ngo’s maken zelfstandig keuzes over hun standpunten en publieke communicatie. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het is een democratische verworvenheid dat maatschappelijke organisaties zich kritisch mogen uitlaten over dergelijke kwesties, ook wanneer dat niet in lijn is met het standpunt van het kabinet.
Deelt u de mening dat deze ongefundeerde aantijgingen één-op-één Hamas-propaganda zijn en neerkomen op het delegitimeren van de Joodse staat?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met recente berichtgeving, waar eerder ook schriftelijke vragen over zijn gesteld2, waaruit blijkt dat de terroristische organisatie Hamas een «flinke vinger in de pap heeft» bij organisaties als Oxfam Novib?3
Ja, het kabinet is bekend met deze berichtgeving. Echter, er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van deze berichtgeving of het rapport van NGO Monitor waarin deze aantijgingen worden gedaan, steunt. Partnerorganisaties waar Nederland mee werkt zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen, die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat het Koninklijk Huis een jubileum bijwoont van een organisatie die antisemitische propaganda verspreidt, een bondgenoot delegitimeert en aan het koordje van Hamas loopt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3, maken ngo’s zelfstandig keuzes over hun standpunten en communicatie. Het kabinet heeft daarbij vertrouwen in de betrouwbaarheid en professionaliteit van onze partnerorganisaties. Dit geldt ook voor Oxfam Novib.
Hoe is het bezoek aan deze organisatie te rijmen met de toespraak van de Koning, die zich in 2024 rechtstreeks tot Joodse Nederlanders richtte met de woorden «blijf, wij horen samen», terwijl deze organisatie actief bijdraagt aan een klimaat waarin Joden ons land worden uitgejaagd?4
Dit bezoek staat volledig los van hetgeen Zijne Majesteit de Koning heeft gezegd in 2024. Die oproep geldt overigens nog steeds.
Bent u bereid met het Koninklijk Huis in gesprek te gaan om te voorkomen dat deze aanwezigheid bij het jubileum van Oxfam Novib doorgang vindt?
Het kabinet ziet hier geen enkele reden toe.
Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.