Sluiting Twentekanaal |
|
Renilde Huizenga (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.
Water grote rivieren |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u de toenemende watertekorten in Nederland beoordeelt en welke gevolgen u verwacht voor de landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, industrie en regionale economie?
Zoals gemeld in de droogtebrief van 16 juli jl.1 is sprake van een stevige droogteperiode en worden de effecten daarvan helaas steeds merkbaarder. Op dit moment ondervinden de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur, de industrie en regionale economie negatieve gevolgen van de droogte. De drinkwatervoorziening is nog geborgd.
Helaas zijn maatregelen, zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden nodig om de waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te waarborgen. De waterverdelingskeuzes volgen uit de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks uit Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is de rangorde van maatschappelijke belangen bij waterschaarste bepaald. De samenwerkende waterbeheerders doen er alles aan om de negatieve effecten die optreden zo veel mogelijk te mitigeren. Net als iedereen hoop ik op een spoedig herstel van de waterbalans in Nederland waardoor de verschillende getroffen sectoren weer regulier van water kunnen worden voorzien.
Bent u bekend met de zorgen van de waterschappen over de verdeling van het beschikbare Rijn- en Maaswater tussen de verschillende landen en bent u bereid zich in te zetten voor een rechtvaardigere verdeling van het water bij zowel droogte als hoogwater?
Ja, daarmee ben ik bekend. Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land binnenstroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en daarmee de bevoorrading van de eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Dit is vastgelegd in diverse verdragen. Het beeld dat de verdeling nu niet rechtvaardig zou zijn, herken ik niet.
Nederland is al lang actief om internationaal afspraken te maken binnen diverse intensieve samenwerkingsverbanden waaronder de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC) voor de hoofdstroom van de Rijn en de Maas. Deze Rijn- en Maascommissies gaan onder andere over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden. Binnen deze riviercommissies worden kennis en data uitgewisseld, waardoor betrouwbare voorspellingen gedaan kunnen worden en effecten van klimaatverandering op waterafvoeren worden ingeschat. Naast hoog water wordt binnen de ICBR en de IMC steeds gerichter samengewerkt aan laagwater.
Nederland is er sinds 2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren en daarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op de agenda te krijgen. In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het in beeld brengen van sociaaleconomische ontwikkelingen en handelingsperspectieven. Dit biedt de basis voor de aanpassing van de ICBR-klimaatadaptatiestrategie en nadere afspraken. Binnen de IMC is ook afgesproken om een gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis voor afspraken in het gehele stroomgebied. Voor de Maas zijn er reeds afspraken over waterverdeling tussen Vlaanderen en Nederland. Dit is vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies en maakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals de Europese Water Resilience Strategy. Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bereid om met de Rijn- en Maasstaten in overleg te treden om te komen tot nieuwe of aangepaste afspraken over de verdeling van het beschikbare rivierwater, zodat Nederland bij perioden van droogte niet onevenredig wordt benadeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten welke afwegingen momenteel worden gemaakt bij de verdeling van het Rijnwater over de Waal, de Neder-Rijn/Lek en de IJssel tijdens perioden van lage afvoer en hoe daarbij de belangen van landbouw, natuur, drinkwater, scheepvaart en het tegengaan van verzilting worden meegewogen?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders dan cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoor-ziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leverings-zekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Waar verzilting van invloed is op een van de belangen uit de verdringingsreeks, wordt dit dus volwaardig meegewogen in de waterverdelingskeuzes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat tijdens droogte een groot deel van het beschikbare zoetwater wordt ingezet voor het tegengaan van verzilting in West-Nederland, terwijl Noord-, Oost- en Zuid-Nederland hierdoor met watertekorten worden geconfronteerd?
Hoewel de geografische verdeling van water geen doel is bij waterschaarste, kan een waterverdelingskeuze op basis van de verdringingsreeks wel positief uitpakken voor de ene regio en negatief voor een andere regio. Maar dat is dan het resultaat van de inhoudelijke belangenafweging binnen deze wettelijke verdringingsreeks. De belangen van alle regio’s worden daarmee, zeker in de zwaarwegender categorieën 1–3, zo goed mogelijk beschermd.
Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden om tijdens perioden van lage rivierafvoer meer zoetwater in Nederland vast te houden, bijvoorbeeld door aanvullende stuwen, sluizen of andere waterbergende maatregelen, zodat Nederland beter bestand is tegen langdurige droogte?
Ja, hiertoe ben ik bereid. Het kabinet investeert actief in kennisontwikkeling gericht op het beter vasthouden van zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Daarbij wordt onderzoek gedaan naar een breed pakket aan maatregelen, zoals het optimaliseren van bestaande zoetwaterbuffers (bijvoorbeeld het IJsselmeer), het vergroten van de sponswerking van de bodem, ondergrondse zoetwateropslag en slimmer operationeel waterbeheer met behulp van de bestaande infrastructuur. Ook in het kader van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt onderzoek gedaan naar onder andere het verbeteren van de zoetwaterverdeling over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.02.Er zijn grote keuzes nodig over de indeling van ruimte. We moeten op meer plekken ruimte creëren waar water kan worden opgeslagen, zodat we daaruit kunnen putten in tijden van droogte. Ook moeten we op sommige plekken de grondwaterstanden verhogen. Dit gesprek voeren we in het kabinet, dat is belangrijk want het heeft consequenties voor het gebruik van onze ruimte en de richting daarvan.
Tegelijkertijd geldt dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd kan voorkomen dat watertekorten ontstaan, ook niet met aanvullende maatregelen. Daarom investeert het kabinet ook in regionaal praktijkonderzoek gericht op het vasthouden van grondwater zoals in projecten Proeftuin Zoet Water Zeeland, BodemUP 2.0 in Noord-Brabant en de ondergrondse zoetwateropslag bij Wolphaartsdijk. Ook in Europees verband wordt kennis ontwikkeld, zoals binnen het onderzoeksproject AGROMAR gericht op verantwoorde grondwateraanvulling. Daarnaast zijn er nog verschillende onderzoeken gericht op droogteadaptatie en het omgaan met verzilting.
Nieuwe, aanvullende plannen voor kennisontwikkeling worden momenteel voorbereid in het kader van het nieuwe Nationaal Water Programma (2028–2033) dat eind dit jaar in concept gereed is.
Welke concrete langetermijnmaatregelen bereidt u voor om de Nederlandse zoetwatervoorziening toekomstbestendig te maken en wordt daarbij ook gekeken naar grootschalige infrastructurele oplossingen, zoals extra stuw- en sluizencomplexen en andere maatregelen om meer rivierwater in Nederland vast te houden?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018 en 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Vanwege klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende3, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit Programma (zie ook vraag 6).
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Of deze maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre binnen het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma voldoende aandacht wordt besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland?
Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijk onderwerp in het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma. Hierin wordt voldoende aandacht besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland. Bijvoorbeeld via het onderzoeken van het stapsgewijs vergroten van de buffer in het IJsselmeer en Markermeer.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de voortgang van de internationale gesprekken met de Rijn- en Maasstaten over een eerlijkere verdeling van het beschikbare rivierwater en de aanvullende maatregelen die Nederland zelf wil treffen om de beschikbaarheid van zoetwater tijdens langdurige droogte te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe worden natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals klimaatbuffers, waterretentiegebieden en natuurlijke sponsgebieden, momenteel ingezet binnen het nationale beleid om droogte en zoetwatertekorten tegen te gaan?
In het hoofdwatersysteem is onze grootste buffer het IJsselmeer. Zoals deze zomer is gebleken, heeft deze buffer ervoor gezorgd dat de noordelijke regio een langere tijd minder effecten van de droogte heeft gevoeld. Voor zoetwaterbuffers buiten het hoofdwatersysteem is het Rijk niet aan zet. Hiervoor treffen de regio’s desgewenst zelf maatregelen. Het rijk wil regionale waterbeheerders, maar ook gemeenten, natuurbeheerder en agrariërs, stimuleren en faciliteren om de kansen voor het vergroten van de sponswerking van de bodem op een zorgvuldige manier te benutten.
Hoeveel natuurlijke zoetwaterbuffers worden in Nederland beheerd door natuurorganisaties, hoeveel zoet water kunnen deze gezamenlijk vasthouden en welke bijdrage leveren zij aan de nationale zoetwatervoorziening?
Het exacte aantal natuurlijke zoetwaterbuffers beheerd door natuurorganisaties in Nederland is lastig te bepalen. Het is een netwerk van zoetwaterbuffers en -zones dat door grond-, regen- en smeltwater, en de natuurlijke zoet-zout dynamiek wordt bepaald. De capaciteit van de buffers is hierdoor lastig vast te stellen. De effectieve capaciteit hangt sterk af van bodemtype, conditie en waterpeil. Op landelijke schaal kunnen natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals veengebieden, moerassen, natte bossen, uiterwaarden, retentiegebieden en andere klimaatbuffers fungeren als «natuurlijke sponzen», en zo zoetwater beter vasthouden (zie ook het antwoord vraag 10). De waterhuishouding in Nederland beweegt zich steeds meer van een afvoerstelsel naar een vasthoudstelsel. Natuurgebieden zijn hierin essentieel.
Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre water dat in deze natuurgebieden wordt vastgehouden ook daadwerkelijk beschikbaar blijft voor omliggende landbouwgebieden en andere maatschappelijke functies tijdens droge perioden?
Zoetwater dat is vastgehouden in natuurgebieden kan niet vanzelfsprekend beschikbaar worden gesteld voor landbouw of andere functies. Een deel van het vastgehouden water verdampt door de combinatie met hogere temperaturen. Een ander deel infiltreert naar de diepere ondergrond alwaar het door (drink)waterwinningen onttrokken grondwater aanvult. En een deel wordt gedraineerd door de naaste omgeving: veelal landbouwgebieden. Verdroging is een van de grootste drukfactoren voor de natuur, zoals de natuurdoelanalyses aangeven. Door droogte komt (kwetsbare) natuur nog verder onder druk te staan. De beschikbaarheid van water in tijden van een feitelijk watertekort voor de verschillende sectoren en maatschappelijke functies hangt af van prioritering volgens de verdringingsreeks, technische mogelijkheden (opties om het water te kunnen sturen) en kwaliteit van het water. Stabiliteit van waterkeringen, voorkomen van klink en zetting (in veen en hoogveen), en voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur bevinden zich in categorie 1 van de verdringingsreeks (zie ook antwoord vraag 4). Deze belangen krijgen voorrang bij de verdeling van het nog beschikbare zoetwater.
Hoe wordt voorkomen dat water langdurig wordt vastgehouden in afzonderlijke natuurgebieden, terwijl elders in dezelfde regio tekorten ontstaan voor landbouw, scheepvaart of drinkwatervoorziening?
Zoals bij vraag 4 eerder aangeven, bevindt natuur zich in categorie 4 en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur zich in categorie 1. Voldoende water van de juiste kwaliteit is noodzakelijk om ons hieraan te houden. Tegelijkertijd zorgt het vasthouden van water in natuurgebieden voor een buffer voor andere sectoren.
Ziet u mogelijkheden om bestaande natuurlijke zoetwaterbuffers nadrukkelijker onderdeel te maken van de landelijke zoetwaterstrategie, zodat zij niet alleen bijdragen aan natuurdoelen, maar ook aan de beschikbaarheid van zoet water voor landbouw, drinkwater, scheepvaart en economie?
De huidige zoetwaterbuffers zijn niet alleen ontwikkeld om aan de natuurdoelen te voldoen. Zij vervullen reeds een rol in de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, scheepvaart en economie. In tijden van watertekort worden deze zoetwaterbuffers ingezet aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks.
Het bericht ‘What 1.4 million women stand to lose in a Belgian warehouse’, The European Correspondent |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «What 1.4 million women stand to lose in a Belgian warehouse» gepubliceerd door The European Correspondent?1
Ja.
Hoe reflecteert u erop dat er voor 1,5 miljoen euro aan hulpgoederen in de vorm van anticonceptiemiddelen, waarmee meer dan een miljoen vrouwen in Afrika geholpen kunnen worden, verloren dreigt te gaan door de naderende houdbaarheidsdatum?
Het is zeer betreurenswaardig dat goederen bestemd voor de gezondheid van een groot aantal vrouwen en meisjes ongebruikt verloren dreigen te gaan.
Bent u van mening dat reproductieve rechten, waar toegang tot anticonceptiemiddelen onder valt, een belangrijk onderdeel is binnen ontwikkelingssamenwerking, met als doel dat mensen overal ter wereld toegang hebben tot anticonceptiemiddelen?
Ja. Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) zijn een van de prioriteiten binnen het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.
Welke stappen zou u ondernemen als deze goederen in Nederland opgeslagen zouden zijn?
Er liggen voor zover bekend geen goederen opgeslagen in Nederland.
Bent u bereid diplomatieke kanalen te benutten om bij de Verenigde Staten te markeren dat u hecht aan wereldwijde toegang tot anticonceptiemiddelen en te benadrukken dat deze een essentiële bijdrage leveren aan de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van miljoenen vrouwen en meisjes wereldwijd?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington. De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van SRGR en vrouwenrechten. Nederland zet zich actief in voor SRGR, inclusief toegang tot anticonceptiemiddelen, onder meer binnen multilaterale fora, in EU-verband en via SRGR-programmering.
Bent u bereid deze kanalen te benutten om opties te verkennen om de anticonceptiemiddelen alsnog beschikbaar te maken?
Zie vraag 7. Indien België om aanvullende ondersteuning vraagt, zal Nederland zich hiervoor inzetten.
Bent u bereid om België te vragen of en hoe zij ondersteund willen worden, bijvoorbeeld in EU-verband, in de diplomatieke inspanningen richting de VS met als doel de anticonceptiemiddelen alsnog in te kunnen zetten voor ontwikkelingssamenwerking?
Nederland heeft in de zomer van 2025 aangeboden de Belgische inspanningen richting de VS te ondersteunen. België heeft aangegeven Nederland te zullen benaderen indien dergelijke ondersteuning opportuun zou worden geacht.
Zo ja, bent u bereid om in EU-verband het gesprek aan te gaan naar aanleiding van de door België gevraagde ondersteuning, waarna opties hieromtrent uitgewerkt kunnen worden?
Zie vraag 7. Dit is niet van toepassing.
Bent u op de hoogte van eventuele hulpgoederen die aangeschaft zijn door de Verenigde Staten in het USAID-programma die door het stopzetten ervan momenteel zijn opgeslagen in Nederland, gezien de belangrijke rol die Nederland heeft binnen de wereldwijde logistiek?
Ik ben hier niet van op de hoogte. Uit een uitvraag bij partners lijkt dit niet het geval te zijn.
Zo ja, kunt u een overzicht geven van wat u reeds heeft gedaan met als doel het vrijwaren van deze hulpgoederen, of wat u nog voornemens bent te doen?
Dit is niet van toepassing, zie vraag 9.
Kunt u toezeggen dat u zich zal inzetten om mogelijke hulpgoederen die opgeslagen zijn en vastzitten in Nederland door het stopzetten van het USAID-programma in kaart te brengen en hier adequaat naar te handelen, en de Kamer hierover te informeren?
Dit is voor zover bekend, niet aan de orde.
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De digitale weerbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stroomnet kwetsbaar voor cyberaanval: «Geen kwestie van óf, maar wanneer»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van cybersecurity- en energiespecialisten dat de toenemende digitalisering van het elektriciteitssysteem, waaronder slimme netten, thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en andere verbonden apparaten, ook leidt tot een groter aanvalsoppervlak voor kwaadwillenden?
De ontwikkeling naar een meer decentrale energievoorziening maakt lokale opwek en opslag mogelijk en is onderdeel van een succesvolle energietransitie. Deze decentralisatie gaat gepaard met een digitaliseringsslag. Zo kunnen decentrale assets bijvoorbeeld op afstand een (beveiligings)update ontvangen of op afstand worden aangestuurd. Dit is onder meer noodzakelijk om de beveiliging van de assets up-to-date te houden en biedt kansen voor bijvoorbeeld een slimmer gebruik van het elektriciteitsnet. Naast deze voordelen brengt de digitalisering van het energiesysteem ook risico’s met zich mee.
Digitale verbindingen maken de toegang tot deze assets op afstand makkelijker waardoor deze verbindingen een aanvalsoppervlak kunnen vormen voor kwaadwillenden om decentrale assets te manipuleren. Daarom gelden voor (consumenten)apparatuur cybersecurity eisen op basis van wet- en regelgeving zoals de Radio Equipment Directive 3.3 en de Cyber Resilience Act. Om de digitale weerbaarheid van het energiesysteem verder te verhogen en risico’s te mitigeren, treft het kabinet daarnaast nog andere maatregelen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre wordt digitale weerbaarheid momenteel als randvoorwaarde meegenomen bij de uitvoering van de energietransitie en de uitbreiding van het elektriciteitsnet?
In het ontwerp van het energiesysteem houdt het kabinet rekening met digitale risico’s. Zo worden cybersecurityeisen gesteld aan digitale systemen van energiepartijen en wordt kritieke (digitale) energie-infrastructuur geïdentificeerd en weerbaarder gemaakt. Een concreet voorbeeld is het meenemen van (digitale) weerbaarheid als voorwaarde bij de vergunningsverleningsinstrumenten van nieuwe windparken op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht en zijn vervolgens veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen op basis van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA).2
Ook voor bestaande energie-infrastructuur gelden strenge eisen en is er toezicht om de digitale weerbaarheid te verhogen. Met de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) op 15 augustus jl. is het bestaande wettelijke cybersecuritykader voor energie-infrastructuur versterkt en worden energiebedrijven verplicht om zorg te dragen voor de beveiliging van hun (digitale) systemen om hun bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Aanvullend op de Cbw geldt de Netcode voor Cybersecurity Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 (NCCS) ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet om de veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd; de NCCS wordt volledig van kracht per 2028.
Het kabinet werkt doorlopend aan het verder versterken van de weerbaarheid van het energiesysteem. Zo is er in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) aandacht voor een (digitaal) weerbaar energiesysteem om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie te kunnen waarborgen. Het geactualiseerde NPE wordt met Prinsjesdag aan de Kamer verstuurd. Een verdere toelichting op de kansen en risico’s van de digitalisering van het energiesysteem, inclusief een uitwerking van benodigde acties, is opgenomen in de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem (ADE)3.
Kunt u aangeven welke risicoanalyses zijn uitgevoerd naar de cybersecurity van decentrale energiebronnen, zoals thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en energiebeheersystemen, en welke conclusies daaruit zijn getrokken?
Het Ministerie van EZK werkt samen met andere overheidsorganisaties, netbeheerders, energiebedrijven en onderzoeksinstellingen om zoveel mogelijk kennis en inzichten te verzamelen over de risico’s in het decentrale energiesysteem. Uit deze analyses komen kwetsbaarheden naar voren die worden vertaald naar beleid en wet- en regelgeving. Een voorbeeld is het rapport van Energy Innovation NL (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de cyberveiligheid van zonnepanelen.4 Een conclusie uit dit rapport is dat het verhogen van de digitale weerbaarheid van decentrale energie assets een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle spelers in de keten waarbij samenwerking essentieel is. Om uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op digitale weerbaarheid, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 en 3, werkt het kabinet samen met verschillende energiebedrijven en brancheverenigingen. Daarnaast stimuleert het kabinet de ontwikkeling van sectorale Information Sharing and Analyses Centers (ISACs), zoals de ISAC voor de zonne-energiesector. Het doel van een ISAC is om de digitale weerbaarheid te vergroten binnen een sector via vertrouwelijke informatie-uitwisseling over dreigingen en incidenten en het delen van handelingsperspectief en gedeelde lessen. Daarnaast bevordert het kabinet samenwerkingsinitiatieven zoals het sectorpact «Weerbaar Energiesysteem» van Energie Nederland en Netbeheer Nederland.
Het kabinet zet verschillende stappen om cybersecurity via wet- en regelgeving te versterken, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 3. Daarnaast voeren sectorpartijen zelf risicoanalyses uit en nemen zij indien nodig passende maatregelen om risico’s te mitigeren. Zo worden bijvoorbeeld bij grote aanbestedingen door de netbeheerders risicoanalyses gemaakt en passende maatregelen genomen.5 De Cbw en NCCS verplichten bedrijven om een risicoanalyse uit te voeren en rekening te houden met risico’s in hun toeleveringsketen en bij het verwerven, ontwikkelen of onderhouden van (digitale) producten en diensten in hun netwerk- en informatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de Europese energie-infrastructuur steeds vaker doelwit is van cyberaanvallen? In hoeverre spelen achterstallige modernisering van systemen, verouderde technologie en tekortschietende basisbeveiliging daarbij een rol? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het Cybersecurity Beeld Nederland 2025 is aangegeven, blijven alle vitale sectoren een aantrekkelijk doelwit voor kwaadwillende actoren. De digitalisering van het energiesysteem zorgt voor een nauwere verwevenheid tussen het digitale en fysieke energiesysteem. Zo wordt verouderde operationele technologie (OT) vaker gekoppeld aan slimme informatietechnologie (IT)-systemen. Het nemen van passende beheersmaatregelen om risico’s van mogelijk verouderde OT te mitigeren, zoals netwerksegmentatie, wordt met de Cbw en NCCS wettelijk verankerd. Energiepartijen dienen op grond van de Cbw en NCCS in hun IT- en OT-architectuur rekening te houden met deze risico’s en passende en evenredige maatregelen te nemen, ook voor de beveiliging van OT. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de energiesector vanuit deze verplichtingen in de Cbw en NCCS. Het National Cyber Security Center (NCSC) deelt daarnaast diverse kennis- en informatieproducten met de energiesector, onder meer vanuit samenwerking met Europese partners, over basisbeveiliging voor digitale weerbaarheid en over risicomanagement van verouderde OT-systemen.
Op welke wijze werken de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Economische Zaken en Klimaat samen om ervoor te zorgen dat investeringen in de energietransitie gepaard gaan met investeringen in digitale veiligheid?
Investeringen in de energietransitie gaan onlosmakelijk gepaard met investeringen in digitale veiligheid omdat slimme energienetten en hernieuwbare bronnen sterk afhankelijk zijn van digitale aansturing. Binnen het Ministerie van EZK wordt het onderwerp van digitale weerbaarheid en energie (security) daarom integraal opgepakt.
Worden er regelmatig gezamenlijke crisisoefeningen gehouden waarbij zowel een fysieke verstoring van het elektriciteitsnet als een cyberaanval wordt gesimuleerd? Zo ja, welke lessen zijn daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?
Ja, op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau vinden regelmatig crisisoefeningen over stroomuitval plaats. Het betreft wisselende scenario’s, variërend van fysieke verstoringen, cyberaanvallen en een combinatie daarvan. Daarnaast wordt er deelgenomen aan PENTA6 oefeningen, waarbij de Europese verordening voor risicoparaatheid in de elektriciteitssector centraal staat. In het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) zijn daarnaast afspraken gemaakt om regelmatig gezamenlijk of per organisatie te oefenen. De Algemene Rekenkamer heeft mede op basis van bovengenoemde crisisoefeningen recent geconstateerd dat het Ministerie van EZK en TenneT goede maatregelen hebben getroffen om crises op het hoogspanningsnet te voorkomen en dat zij goed zijn voorbereid op mogelijke storingen.7
Een vast onderdeel van een crisisoefening is een evaluatie door de betrokken organisaties. Uit de evaluaties van de crisisoefeningen van de afgelopen jaren zijn verschillende lessen getrokken met betrekking tot de crisisstructuur en werkprocessen. Zo kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Rijksoverheid in crisissituaties beter kan afspreken welke informatie wanneer wordt gedeeld en dat sommige plannen te abstract zijn. Deze lessen worden meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit, dat naar verwachting begin 2027 met de Kamer zal worden gedeeld.
Deelt u de opvatting dat een succesvolle energietransitie alleen mogelijk is wanneer burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat het energiesysteem digitaal veilig en weerbaar is? Zo ja, welke aanvullende stappen bent u bereid te zetten om dit vertrouwen te versterken?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Daarom werkt het kabinet aan het digitaal veilig en weerbaar houden van het energiesysteem, zoals beschreven in de beantwoording bij de vorige vragen. Aanvullend worden in opdracht van het Ministerie van EZK Nederlandse Technische Afspraken (NTA's) ontwikkeld door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) voor het slim en interoperabel maken van netintensieve apparaten. Dit voorziet dat laadpalen, zonne-omvormers, thuisbatterijen, warmtepompen en overkoepelend de Home Energy Management Systemen (HEMS) als aansturend systeem slim ingesteld kunnen worden en met elkaar kunnen communiceren. Deze afspraken worden opgesteld volgens Europese cybersecuritystandaarden, zodat eindgebruikers kunnen rekenen op een veilige aansturing.8
Welke gevolgen heeft de toenemende cyberveiligheidsopgave voor de huidige opgave rond de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet? Worden aanvullende eisen aan digitale veiligheid meegenomen in de planning, uitvoering en kosten van deze uitbreidingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om alle risico’s volledig uit te sluiten. Tegen deze achtergrond zet het kabinet in op het zoveel mogelijk minimaliseren van risico’s via een risico gebaseerde aanpak die de weerbaarheid effectief en efficiënt verhoogt. Dit betekent dat wordt gekeken naar de doelmatigheid, proportionaliteit en evenredigheid van maatregelen. Voor toekomstige energie-infrastructuur geldt dat maatregelen ten behoeve van (digitale) weerbaarheid het meest effectief en het meest kostenefficiënt zijn wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. In het vormgeven van ruimtelijk beleid en het fysieke ontwerp van het energiesysteem wordt het aspect (digitale) weerbaarheid ook meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem gaat dit bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes zullen worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief hierover zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en de digitale weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur?
Aankomende Prinsjesdag wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd over het toekomstige energiesysteem, onder andere middels het geactualiseerde NPE en de kabinetsreactie op het Energy Innovation NL rapport «Autonoom en Veilig». Hierin wordt de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en digitale weerbaarheid nader toegelicht.
Kunt u de vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
In uw antwoord op vraag 2 van de schriftelijke vragen van Boomsma en Nanninga over gesprekken met de Moslim Studenten Associatie (MSA)1 verwijst u naar de Nationale Moslimstudenten Enquête om te staven dat «veel moslimstudenten zich vaak niet thuis voelen op hun instelling» en deze peiling is gedaan in 2023/2024 op initiatief van en in samenwerking met de MSA en de moskeekoepel Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR) onder supervisie en eindredactie van een voormalig gemeenteraadslid bij NIDA, een voormalige islamitische partij (2013–2022) en beweging, waarvan verschillende leden functies hebben in organisaties van de Moslimbroederschap in Nederland2, zoals het «islamitisch kennis- en dawah-centrum» De Middenweg in Rotterdam.3 Meent u dat de ideologische achtergrond in het islamitische activisme van de personen onder wiens supervisie dit onderzoek is gedaan van belang is om de bevindingen te duiden en beoordelen? Zo nee, waarom niet?
In vraag 2 van de set schriftelijke vragen waar de leden Boomsma en Nanninga aan refereren, vroegen de leden Boomsma en Nanninga wat de klachten van moslimstudenten zijn. Daarop heb ik onder andere geantwoord dat moslimstudenten zélf aangeven, op basis van een eigen enquête onder hun achterban, dat thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Dit onderzoek duid en beoordeel ik dan ook op die manier: dat het een weergave is van de ervaringen van moslimstudenten zelf. Onderzoek moet mijns inziens altijd in de context worden bezien waarin het gedaan is. Dat is niet uniek aan deze casus.
De Nationale Moslimstudenten Enquête concludeert dat Nederlandse onderwijsinstellingen nog te weinig inclusief zijn vanwege de beperkte beschikbaarheid van ruimten voor gebed en wassing, halal eetvoorzieningen of les- en examenroosters die rekening houden met islamitische feestdagen. Deelt u die conclusie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belangrijk dat ons onderwijs een inclusieve en toegankelijke omgeving is voor alle studenten: een omgeving waarin elke student zich veilig en thuis voelt en wordt gezien, gehoord en ondersteund. We weten bovendien dat thuisgevoel van invloed kan zijn op studiesucces. In het Landelijk Kader Studentenwelzijn (2023–2030) is «sense of belonging» dan ook genoemd als één van de belangrijke pijlers. Via het Kader worden instellingen opgeroepen om passende faciliteiten te bieden voor studenten die bijdragen aan een inclusief studieklimaat. Het is en blijft aan onderwijsinstellingen zelf om te zorgen voor een omgeving waar studenten zo optimaal mogelijk kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, en op welke manier onderwijsinstellingen hier invulling aan geven.
Vindt u de beschikbaarheid van ruimten voor gebed, wassing, halal eetvoorzieningen of les- en examenroosters die rekening houden met islamitische feestdagen een taak of verantwoordelijkheid van een openbare en/of door de overheid gefinancierde universiteit of hogeschool in Nederland? Zo ja, waarom? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Op de vraag wat u vindt van de bevindingen van onder andere de Franse sociologe en kenner van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler dat Forum of European Muslim Youth and Student Organisations (FEMYSO) en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA vooral zijn bedacht «om een hier geboren islamitische elite op te leiden die als missie heeft om een Europa te vormen dat sharia compatible» is en dat FEMYSO «hiertoe druk uitoefent op Europese instellingen terwijl het tegelijk profiteert van de subsidies van dezelfde instellingen», gaf u aan dat u niet bekend bent met dat onderzoek.4 Bent u bereid hier alsnog kennis van te nemen? Zo nee, waarom niet?
Hier is kennis van genomen.
Bent u bekend met het Franse overheidsrapport Frères musulmans et islamisme politique en France5 dat werd opgesteld door een groep hoge ambtenaren in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, en in mei 2025 is verschenen? Zo nee, bent u bereid hier kennis van te nemen?
Hier is kennis van genomen.
Op pagina 31 van dit rapport staat over FEMYSO bijvoorbeeld dat de organisatie wordt beschouwd als de «jongerentak van de CEM» en functioneert als «opleidingsstructuur voor de vorming van kaderleden voor de beweging met een hoog potentieel», waarbij het rapport de Council of European Muslims (CEM) beschrijft als de belangrijkste door de Broederschap opgerichte Europese koepelorganisatie en een centrale structuur van de Europese «broederistische» beweging. Heeft u hier kennis van genomen en bent u bereid dat te doen? Kunt u uw antwoord toelichten? Hoe beoordeelt u de bevindingen van dit rapport?
Hier is kennis van genomen. Vooropgesteld moet worden dat organisaties internationaal kunnen verschillen in zowel structuur, omvang als activiteiten. Met deze reden kunnen de bevindingen van een buitenlands rapport niet worden gerelateerd aan de situatie in Nederland. Als Minister van OCW is het niet aan mij om te oordelen over de bevindingen van dit rapport en/of eventuele opvolging te geven hieraan.
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de verschillende experts6 en inlichtingendiensten – zie bijvoorbeeld een rapport van maart 2026 van het Belgische Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten7 – die FEMYSO omschrijven als een onderdeel van het «hechte netwerk van verenigingen en organisaties dat de Moslimbroederschap heeft opgebouwd»? Zo nee, bent u bereid hier alsnog kennis van te nemen?
Hier is kennis van genomen.
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen; kunt u aangeven welke maatregelen zijn genomen naar aanleiding van dit onderzoek, of om andere redenen, met betrekking tot de invloed die de Moslimbroederschap of gelieerde organisaties proberen uit te oefenen? Ziet u aanleiding om zelf ook maatregelen te nemen?
Het rapport heeft geleid tot de aankondiging van President Macron om de regering te vragen de bestaande wetgeving aan te scherpen met sancties waaronder een uitbreiding van de mogelijkheden om over te gaan tot ontbinding van donatiefondsen, de gedwongen overdracht van de activa van een ontbonden vereniging, en het bevriezen van activa. Er is tot op heden nog geen wetsvoorstel ingediend.
Tevens heeft het Franse parlement op 22 januari jl. een resolutie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om de Moslimbroederschap aan te merken als terroristische organisatie op de EU-sanctielijst. De resolutie is niet onomstreden. Over eventuele lopende sanctietrajecten worden vanwege de vertrouwelijkheid en effectiviteit geen uitspraken gedaan. In algemene zin is een organisatie van rechtswege in Nederland verboden indien deze organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst is geplaatst (artikel 2:20, vierde lid BW en artikel 10:123 BW indien het een buitenlandse corporatie betreft). Plaatsing op de EU-sanctielijst terrorisme is aan strenge voorwaarden verbonden en unanimiteit onder EU-lidstaten is vereist.
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen, die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en de daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.8 Deze motie valt binnen de portefeuille van de Minister van Justitie en Veiligheid. Het verbieden van organisaties volgt in Nederland een civielrechtelijke procedure: de civiele rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden verklaren en ontbinden (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Er wordt momenteel bezien of en met welke concrete gronden uitvoering kan worden gegeven aan de motie.
Op welke manier wordt in Nederland gemonitord of en in welke mate de Moslimbroederschap of gelieerde en/of vergelijkbare organisaties hier activiteiten ontplooien?
Het kabinet blijft onverminderd oog houden voor zorgen over antidemocratische boodschappen of processen die ondermijnend kunnen zijn aan de democratische rechtsorde. Wanneer sprake is van strafbare feiten, zoals aanzetten tot haat, discriminatie, opruiing, intimidatie of vandalisme, dan is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast kan de AIVD op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek doen naar personen of organisaties, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
De Nederlandse expert op het gebied van islamisme Carel Brendel heeft erop gewezen dat de Council of European Muslims, die tot 2022 Federation of Islamic Organisations Europe (FIOE) heette en die volgens onder andere de AIVD de Europese koepelorganisatie is van de Moslimbroederschap8, FEMYSO zèlf ook heeft betiteld als een eigen instelling9. Hoe beoordeelt u dit? Ziet u nog steeds geen reden om aan te nemen dat deze banden bestaan of om dit nader te bekijken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hier is kennis van genomen. Zie ook het antwoord onder vraag 9.
MSA ontving in juni jongstleden Altaf Husain, een vooraanstaande Amerikaanse moslimbroeder en voormalig voorzitter van de Muslim Student Association in de Verenigde Staten. Husain was betrokken bij de oprichting van MSA Nederland en is een regelmatig terugkerende spreker die waarschuwt tegen wat hij beschrijft als de gevaren van assimilatie10. Ziet u dit bezoek als een aanwijzing van mogelijke banden met de Moslimbroederschap dan wel gelieerde organisaties?
Organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun activiteiten en kunnen deze vrijelijk organiseren binnen de daarvoor bestaande wet- en regelgeving. Het kabinet laat zich verder niet uit over eventuele interpretaties van een dergelijk bezoek. Zie ook het antwoord onder vraag 9.
De bosbranden in Frankrijk, Spanje en Italië de vraag om hulp |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Frankrijk de Europese Unie om hulp heeft gevraagd bij de bestrijding van de natuurbranden en dat ook Spanje en delen van Italië te maken hebben met ernstige natuurbranden?
Ja.
Hebben Frankrijk, Spanje of Italië inmiddels een verzoek om internationale of Europese bijstand gedaan? Zo ja, welke verzoeken zijn gedaan en welke rol speelt Nederland daarin?
Frankrijk en Spanje hebben een beroep gedaan op het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming (Union Civil Protection Mechanism; UCPM). Frankrijk activeerde het mechanisme op 23 juli 2026 en verzocht om ondersteuning vanuit de lucht bij de bestrijding van natuurbranden. Spanje activeerde het mechanisme op 24 juli 2026 en verzocht om ondersteuning op de grond en vanuit de lucht. Italië had ten tijde van de berichtgeving nog geen beroep gedaan op UCPM.
Het Nationaal Crisiscentrum (NCC), onderdeel van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, fungeert als Single-Point-of-Contactvoor het Europese Emergency Response Coordination Centre (ERCC). Via het ERCC ontvangt het NCC alle bijstandsaanvragen die voortkomen uit het UCPM en coördineert de beoordeling daarvan met de betrokken Nederlandse partners. Naar aanleiding van de verzoeken van Frankrijk en Spanje heeft Nederland geen aanvullende capaciteit aangeboden. Vanwege het verhoogde natuurbrandrisico in Nederland moest voldoende specialistische capaciteit beschikbaar blijven voor de nationale paraatheid.
Is Nederland bereid om, indien daarom wordt verzocht, bij te dragen aan de bestrijding van de natuurbranden in Frankrijk, Spanje of Italië? Zo ja, welke inzet kan Nederland daarbij leveren?
Ja, Nederland is bereid vanuit Europese solidariteit via het UCPM, bij te dragen aan de bestrijding van natuurbranden in het buitenland, wanneer de omstandigheden dat toelaten. Ieder verzoek wordt beoordeeld naar welke capaciteit wordt gevraagd, of het beschikbare personeel en materieel geschikt en veilig inzetbaar zijn, wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse paraatheid en hoelang de inzet naar verwachting zal duren.
Verder zijn Italië, Frankrijk of Spanje betrokken als host-country bij het Europese pre-positioning programme. Tijdens dit programma hebben brandweerdiensten uit andere Europese lidstaten de mogelijkheid hun personeel ervaring op te laten doen in respectievelijk Italië, Frankrijk of Spanje ten behoeve van de natuurbrandbestrijding.
Los van het eerdergenoemde Spaanse bijstandsverzoek zijn er dit jaar in totaal veertig Nederlandse brandweermensen ingezet in Catalonië in verband met het pre-positioning programme. Tijdens deze internationale trainingsmissie draaide Nederlandse brandweermensen mee met hun Spaanse collega’s. Daarbij ondersteunde zij de lokale natuurbrandbestrijding en deden tegelijkertijd kennis en ervaring op die ook in Nederland kan worden benut.
Heeft het kabinet hierover inmiddels contact met de betrokken landen of met de Europese Unie? Zo ja, wat is de stand van zaken?
Nederland staat voortdurend via het NCC in nauw contact met het ERCC over de ontwikkeling van natuurbranden, bijstandsverzoeken en de door lidstaten aangeboden capaciteit. Via deze Europese structuur vindt ook de afstemming met de betrokken landen plaats.
Deze verzoeken van Frankrijk en Spanje zijn met de relevante Nederlandse partners beoordeeld. Als bovengenoemd kon Nederland ten aanzien van deze bijstandsverzoeken geen aanvullende capaciteit aanbieden, omdat vanwege het verhoogde natuurbrandrisico voldoende specialistisch personeel en materieel beschikbaar moest blijven voor de nationale paraatheid.
Beschikt Nederland op dit moment over voldoende capaciteit om, indien nodig, bijstand te verlenen aan andere Europese landen zonder dat dit ten koste gaat van de nationale paraatheid?
Nee, Nederland beschikt niet het hele jaar door over voldoende specialistische capaciteit voor natuurbrandbestrijding om andere Europese landen bijstand te kunnen verlenen. Dit was ook het geval ten tijde van de bijstandsaanvragen uit Spanje en Frankrijk. Vanwege het verhoogde natuurbrandrisico moest voldoende personeel en materieel beschikbaar blijven voor de bestrijding van mogelijke natuurbranden in Nederland. Dit betekent niet dat Nederland in algemene zin over onvoldoende brandweercapaciteit beschikte ten tijde van de bijstandsaanvragen. De beperking betreft specifiek de specialistische capaciteit die nodig was voor de bestrijding van binnenlandse natuurbranden.
Daarnaast zijn de Nederlandse specialistische natuurbrandteams niet volledig ingericht volgens de richtlijnen die gelden voor bestrijdingsmodules binnen het UCPM. Hierdoor sluiten de samenstelling, werkwijze en uitrusting van deze teams nog niet optimaal aan op die van andere Europese landen. Dit beperkt de snelheid en effectiviteit waarmee Nederland dergelijke teams internationaal kan aanbieden en inzetten. De landelijk en internationaal inzetbare specialistische capaciteit en het verbeteren van de aansluiting op de Europese richtlijnen zijn daarom belangrijke aandachtspunten.
In hoeverre is Nederland, mede gelet op de steeds grotere risico's op natuurbranden in Europa, beter voorbereid op een periode van aanhoudende droogte en natuurbranden dan enkele jaren geleden? Welke maatregelen zijn daarvoor genomen?
Het risico op natuurbranden neemt in Europa toe, ook in Nederland. Door hogere temperaturen en langdurige droogte kunnen natuurbranden vaker ontstaan, zich sneller verspreiden en moeilijker te bestrijden zijn. De recente natuurbranden in onder meer Spanje, Frankrijk en Griekenland onderstrepen deze ontwikkeling, evenals de natuurbranden die dit voorjaar in Nederland hebben plaatsgevonden en recent in Limburg. Het kabinet neemt deze risico’s zeer serieus en zet zich in om de weerbaarheid van Nederland tegen natuurbranden te vergroten. In dit verband verwijs ik naar de brief die de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) afgelopen mei mede namens mij aan de Tweede Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 30 821, nr. 336). Zo wordt er geïnvesteerd in risicobeperkende maatregelen, wordt gewerkt aan de verankering van risicobeheersing in de Omgevingswet en het oprichten van een nationaal centrum voor natuurbrandbeheersing.
Afgelopen jaar is het Landelijk Crisisplan Natuurbranden vastgesteld (Kamerstuk 30 821, nr. 277). Dit plan verduidelijkt de verantwoordelijkheden, samenwerking en opschalingsstructuren bij grootschalige natuurbranden. Er wordt ook gekeken naar de operationele voorbereiding op de bestrijding van grootschalige natuurbranden. Het scenario van meerdere gelijktijdige natuurbranden maakt deel uit van het landelijk risicoprofiel en het landelijk dekkingsplan voor de brandweerzorg waaraan wordt gewerkt. De bestuurlijke besluitvorming over het landelijke dekkingsplan vindt later dit jaar plaats. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de bovenregionale samenwerking, de beschikbaarheid en inzetbaarheid van specialistische teams en het gezamenlijk opleiden, trainen en oefenen.
Zoals uit het antwoord op de vorige vraag blijkt, kent de specialistische capaciteit nog beperkingen wanneer gelijktijdig een verhoogd natuurbrandrisico in Nederland en in het buitenland bestaat. Deze aspecten worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de Nederlandse natuurbrandbestrijding. De inzet is erop gericht Nederland beter in staat te stellen meerdere grootschalige natuurbranden effectief te bestrijden en, wanneer de omstandigheden dat toelaten, bijstand aan andere Europese landen te verlenen.
Het vrijgeven van CBS-data aan migratieonderzoeker dr. Jan van de Beek |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit artikel?1
Ja.
Deelt u de mening dat de microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet toebehoort aan het CBS of aan universiteiten, maar aan de Nederlandse belastingbetaler, die deze data via zijn belastinggeld heeft gefinancierd en met zijn persoonsgegevens heeft gevuld? Zo nee, van wie is die data dan wel volgens u?
Nee, het CBS verzamelt, verwerkt en beheert deze gegevens in het kader van zijn wettelijke taak en stelt microdata uitsluitend onder strikte voorwaarden beschikbaar voor statistische en wetenschappelijke doeleinden, met inachtneming van de geheimhoudingsplicht en de geldende privacywetgeving. De data zelf hebben in strikte zin geen eigenaar, het CBS is wel de eigenaar van de database. Aangezien het gaat om (gepseudonimiseerde) data op individueel niveau, moet grote zorgvuldigheid worden betracht ten aanzien van toegang tot en gebruik van de data.
Is het waar dat een compleet gefinancierd vervolgonderzoek van dr. Jan van de Beek op De grenzeloze verzorgingsstaat stilligt, enkel en alleen omdat geen enkele universiteit bereid is als gastheer te fungeren voor toegang tot CBS-microdata? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Dat kan ik niet beoordelen omdat ik geen inzicht heb in de overwegingen van universiteiten om al dan niet met dr. Jan van de Beek samen te werken of om in het kader van een specifiek onderzoek een aanvraag te doen voor toegang tot CBS-microdata. Universiteiten zijn autonoom in het bepalen van hun onderzoeksagenda en in de keuze met welke onderzoekers en onderzoeken zij willen samenwerken. Niet alleen universiteiten, maar ook andere erkende onderzoeksinstellingen kunnen onder voorwaarden toegang krijgen tot CBS-microdata. Dat een universiteit niet als gastheer wil optreden, betekent daarom niet zonder meer dat onderzoek met CBS-microdata onmogelijk is. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Erkent u dat het onaanvaardbaar is dat universiteiten via het gastheerschap feitelijk een vetorecht hebben over welk migratieonderzoek wel en niet mag plaatsvinden met data van het Nederlandse volk? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een vetorecht van universiteiten over de vraag welk migratieonderzoek, of ander onderzoek, wel of niet kan plaatsvinden met CBS-microdata. De microdata die het CBS verzamelt, verwerkt en beheert om aan zijn wettelijke taak te voldoen zijn data op individueel niveau. Het is van groot belang dat hier zorgvuldig mee wordt om gegaan. Daarom zijn deze data in beginsel niet toegankelijk. Onder strikte voorwaarden die de zorgvuldigheid en rechtmatigheid van omgaan met deze data en dus de bescherming van persoonsgegevens waarborgt (zie ook het antwoord op vraag 5) kan microdata wel beschikbaar gesteld worden voor statistisch en wetenschappelijk onderzoek. Het CBS is verantwoordelijk voor de toegang tot de microdata. Universiteiten bepalen dus niet of onderzoekers toegang krijgen tot CBS-microdata; zij bepalen uitsluitend of zij zelf bij een bepaald onderzoek betrokken willen zijn of daarvoor als organisatie een aanvraag willen doen. Niet alleen universiteiten komen in aanmerking voor een machtiging om met microdata te werken, ook andere erkende onderzoeksinstellingen die voldoen aan de strikte voorwaarden maken hier gebruik van.
Bent u bereid onmiddellijk te bewerkstelligen dat dr. Van de Beek deze data krijgt, desnoods buiten de universiteiten om, en dit vervolgonderzoek zonder verdere vertraging kan starten? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bevoegd. De Wet op het Centraal bureau voor de statistiek (hierna: de Wet CBS) bepaalt dat de directeur-generaal van de statistiek (hierna: DG CBS) op verzoek, ten behoeve van statistisch of wetenschappelijk onderzoek een verzameling gegevens uitsluitend kan verstrekken (of daartoe toegang verlenen) aan in de Wet CBS genoemde organisaties en instellingen, zoals universiteiten, maar ook andere organisaties en instellingen. De Wet CBS maakt toegang tot deze data niet mogelijk voor natuurlijke personen. Een verzoek wordt alleen ingewilligd als de verzoekende instelling of organisatie naar het oordeel van de DG CBS voldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de verzameling van gegevens voor andere doeleinden wordt gebruikt dan statistisch of wetenschappelijk onderzoek. De DG CBS heeft in aanvulling op de Wet CBS bepaalde voorwaarden gesteld aan de toegang tot microdata en heeft deze neergelegd in de Beleidsregel toegang instellingen tot microdata CBS2.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Bent u bekend met het artikel en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het rijden met een ongeldig rijbewijs is onacceptabel. Wie ondanks een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel toch blijft rijden, brengt de verkeersveiligheid in gevaar, houdt zicht niet aan een opgelegde straf en pleegt een strafbaar feit waar een gevangenisstraf voor opgelegd kan worden. Het is goed om te zien dat de politie hier intensief op handhaaft. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak die succesvol blijkt. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. Hierdoor wordt de pakkans vergroot.
Erkent u dat een straf die door duizenden bestuurders eenvoudig wordt genegeerd, blijkbaar aantoont dat het gezag in Nederland tot onder het nulpunt is gedaald en dat het tijd is om over te stappen op een zerotolerancebeleid als het gaat om recidivisten ten aanzien van de verkeersveiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat bestuurders die met een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel door blijven rijden, stevig aangepakt moeten worden. Daarom neem ik met het Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed ook aanvullende maatregelen voor deze doelgroep.2 Het wetsvoorstel regelt onder meer dat ten aanzien van mensen die een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid schenden, vervangende hechtenis kan worden toegepast. Zo kan er snel worden ingegrepen als iemand toch achter het stuur wordt aangetroffen, zonder dat er eerst een vervolging voor het rijden met een ontzegging van de rijbevoegdheid plaats moet vinden.
Ook regelt het wetsvoorstel dat de ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar verklaard kan worden. Hiermee kan een opgelegde rijontzegging direct ten uitvoer worden gelegd en geldt deze bijvoorbeeld dus ook al lopende een eventueel hoger beroep.
Daarnaast geeft het wetsvoorstel de strafrechter de bevoegdheid om bij een ontzegging van de rijbevoegdheid het rijbewijs ook ongeldig te verklaren voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven voor de resterende duur van de geldigheid. Dat betekent dat het rijbewijs definitief ongeldig wordt en dat iemand pas na afloop van de duur van de rijontzegging een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen moet iemand opnieuw zijn rijvaardigheid en rijgeschiktheid aantonen. Ik meen dat er hiermee een stevig pakket ligt om notoire verkeersovertreders die achter het stuur blijven stappen af te schrikken en aan te pakken.
Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling. Graag ga ik in het kader van die behandeling verder met uw Kamer in gesprek over deze aanvullende maatregelen.
Kunt u inschatten hoeveel personen hun rijontzegging jaarlijks negeren en in de auto stappen, gezien de politie jaarlijks 10.000 gevallen per jaar betrapt en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat het echte cijfer vele manen hoger ligt?
Er is geen zicht op het aantal mensen dat rijdt met een rijontzegging maar hiervoor niet wordt gepakt. Ik beschik wel de instroomcijfers van zaken bij het OM voor artikel 9 WVW1994, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Jaar
Instroom bij het OM van artikel 9 WVW 1994 zaken
2021
8.177
2022
9.941
2023
10.404
2024
8.182
2025
8.869
Hoeveel van de betreffende bestuurders zijn in de afgelopen vijf jaar twee, drie of meer keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid? Wat is het hoogste aantal overtredingen dat in deze periode bij één persoon is geconstateerd?
In de afgelopen vijf jaar zijn over deze periode opgeteld 5177 personen twee keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid, 2107 personen drie keer, 1124 personen vier keer en 1320 personen vijf keer en meer. De bestuurder die het vaakst is betrapt op het rijden zonder geldige rijbevoegdheid is 36 keer gepakt.
Hoe vaak is een persoon, waarvan het rijbewijs al afgepakt was, betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak had zo’n verkeersongeval een dodelijk slachtoffer?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen een bestuurder waarvan het rijbewijs ongeldig was, betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak daarbij sprake was van een dodelijk slachtoffer, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel kan uit de cijfers gehaald worden hoeveel unieke personen voor een artikel 9 WVW 1994 (rijden zonder geldig rijbewijs) delict in combinatie met een artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken ongeval) delict zijn vervolgd. Het gaat in totaal om 239 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat bij een ongeval meerdere bestuurders betrokken kunnen zijn en schuld kunnen hebben en ook kunnen de delicten los van elkaar gepleegd zijn.
Deelt u de mening dat het niet langer uit te leggen is dat de verkeersveiligheid herhaaldelijk in het geding komt door mensen die een opgelegde sanctie negeren en dat feitelijk moet worden overgegaan naar onmiddellijk hechtenis als sprake is van een rijverbod? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op de verkeersveiligheid acht ik het inderdaad van belang dat personen die (herhaaldelijk) een rijontzegging negeren, zo snel mogelijk van de weg gehaald kunnen worden. Daarom wordt met het in het antwoord op vraag 2 al genoemde Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed voorgesteld dat ten aanzien van deze bestuurders vervangende hechtenis kan worden toegepast.
Acht u de maatregelen uit het wetsvoorstel Verbetering aanpak rijden onder invloed afdoende, of zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om veelplegers die ondanks een rijontzegging of ongeldig verklaard rijbewijs blijven rijden effectief uit het verkeer te weren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u zelf?
Met het wetsvoorstel worden belangrijke stappen gezet om deze groep bestuurders effectiever aan te pakken. In dit verband noem ik nogmaals in het bijzonder de vervangende hechtenis. Niet alleen maakt dit snel optreden mogelijk, de verwachting is ook dat van de vervangende hechtenis een grotere afschrikwekkende werking uitgaat dan van het huidige beleid waarbij er eerst een aparte vervolging voor het schenden van de rijontzegging dient plaats te vinden. Daarnaast is de aanpak van de politie met behulp van ANPR-camera’s, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, erg effectief. Momenteel wordt ook nog gewerkt aan de ontwikkeling van een bredere veelplegersaanpak, die ziet op alle verkeersovertredingen en niet specifiek het schenden van een rijontzegging. Uw Kamer wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Bent u bereid wettelijk te regelen dat bij herhaald rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt, het voertuig in beginsel altijd in beslag wordt genomen en, waar mogelijk, verbeurd wordt verklaard? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp en deel de wens om hard op te treden tegen veelplegers die blijven rijden terwijl hun rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt. De inbeslagname van een voertuig is al mogelijk en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de ernst van de gedraging. De bevoegdheid om te beslissen over de inbeslagname ligt bij het openbaar ministerie en de rechter. Verbeurdverklaring kan door de rechter worden opgelegd als bijkomende straf wanneer het voertuig is gebruikt om het strafbare feit te plegen. Met het oog op het belang van de rechtelijke straftoemetingsvrijheid, acht ik het echter van belang dat niet wettelijk wordt voorgeschreven dat de inbeslagname en verbeurdverklaring altijd moet plaatsvinden in geval van recidive. Het is van belang dat de rechter de omstandigheden van het geval en de proportionaliteit van een dergelijke straf kan afwegen. Bovendien kan het zo zijn dat het voertuig niet in bezit zijn van de overtreder. Tot slot zal een dergelijke regeling hardnekkige overtreders helaas niet tegenhouden om in een ander voertuig te blijven rijden. Vervangende hechtenis, zoals voorgesteld met voornoemd wetsvoorstel, is in die gevallen naar verwachting effectiever.
Het bericht ‘Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: 'Schokkend'’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: «Schokkend»»?1
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Bovendien lopen de lezingen van partijen over het verloop van de zitting uiteen. Ik kan de gang van zaken tijdens de zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare (VEC). Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Wat vindt u van de uitgesproken dreiging tijdens de zitting om locaties te sluiten al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 was er vanuit het Ministerie van VWS niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
In hoeverre bedreigt dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Het is aan de rechter om onafhankelijk en onpartijdig uitspraak te doen. Het is niet aan mij om vooruit te lopen op de beoordeling door de rechter of om mij uit te spreken over de mogelijke invloed van uitlatingen van partijen op een lopende gerechtelijke procedure.
Ik ga ervan uit dat alle betrokken partijen de onafhankelijkheid van de rechtspraak respecteren en de uitspraak van de rechter zullen afwachten en respecteren.
Erkent u dat dit een voorbeeld is van slecht bestuur waar de continuïteit van zorg van kinderen, en respect voor de rechtspraak, overduidelijk niet voorop staat? Welke gevolgen verbindt u daaraan?
Ik begrijp de zorgen die aan deze vraag ten grondslag liggen. Tegelijkertijd is het niet aan mij om op basis van berichtgeving en stellingen die onderdeel zijn van een lopende gerechtelijke procedure een oordeel te geven over het bestuur van een private zorgaanbieder.
Wel geldt voor mij onverkort dat de belangen van de kinderen en de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van hun zorg voorop moeten staan. VEC is als zorgaanbieder verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg. Ik spreek VEC en alle andere betrokken partijen hierop aan en blijf de ontwikkelingen nauwlettend volgen.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en beschikt over verschillende wettelijke handhavingsinstrumenten wanneer de kwaliteit of veiligheid daartoe aanleiding geeft. De beoordeling of en wanneer deze instrumenten moeten worden ingezet, is aan de IGJ. De recente bevindingen van de IGJ die betrekking hebben op de locaties Waalre en Rijswijk zijn daarbij onderdeel van haar toezicht.
Herinnert u zich de uitspraak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in hun rapport van 20 mei jl. dat zij «beperkt vertrouwen [heeft] in de verbeterkracht van de organisatie en het urgentiebesef van de bestuurder»?2 Deelt u de analyse dat deze verbeterkracht nog steeds nergens te vinden is bij het huidige bestuur?
Ja, ik ben bekend met het rapport en de daarin opgenomen bevindingen van de IGJ. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en heeft daarbij ook aandacht voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor goede zorg.
Het is niet aan mij om een zelfstandig oordeel te geven over de verbeterkracht van het bestuur van VEC. De IGJ heeft als toezichthouder een eigenstandige verantwoordelijkheid om de kwaliteit en veiligheid van de zorg te beoordelen en, waar nodig, handhavend op te treden. De IGJ heeft in juni een aanwijzing opgelegd aan VEC (locaties Waalre en Vleuten) nadat uit het toezicht bleek dat er risico’s waren voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Recent heeft de IGJ opnieuw een rapport uitgebracht met daarin ontwikkelingen uit het toezicht voor de locaties Wezep en Rijswijk. Ik blijf in nauw contact met de IGJ over ontwikkelingen uit het toezicht.
Is de dreiging van sluiting van de overige locaties voordat voor alle kinderen een passende plek is gevonden aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Berichtgeving over een mogelijke eerdere sluiting is op zichzelf geen grond om het bestuur van een private zorgaanbieder over te nemen. De wettelijke mogelijkheden voor ingrijpen in het bestuur van een zorgaanbieder zijn aan specifieke voorwaarden gebonden. Artikel 29 biedt de mogelijkheid voor de IGJ om een last onder bestuursdwang op te leggen indien een eerder door haar opgelegde aanwijzing of bevel niet wordt nageleefd. Dat is nu niet aan de orde. De IGJ houdt doorlopend toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg bij VEC. Hierbij ziet zij er onder andere op toe dat de overdracht van cliënten zorgvuldig plaatsvindt.
Mijn inzet is er op dit moment primair op gericht om te voorkomen dat de zorgcontinuïteit voor de betrokken kinderen in gevaar komt. Voor de resterende locaties Wezep en Rijswijk heeft VEC aangegeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Ik zie er nauwlettend op toe dat deze toezegging wordt nagekomen en dat voor ieder kind tijdig passende zorg beschikbaar blijft.
Is de uitgesproken dreiging door Villa ExpertCare om locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. In het geval het gerechtshof besluit het verzoek van de cliëntenraad te honoreren, beïnvloedt dat de rol van de IGJ zoals hierboven uitgelegd niet.
Wat gaat u anders doen dan voorheen om te voorkomen dat de overige twee locaties gaan sluiten, aangezien uw inzet tot nu toe niet heeft kunnen voorkomen dat er twee locaties zijn gesloten?
VEC heeft besloten de zorgverlening op haar locaties te beëindigen. Het is niet aan de overheid om een private zorgaanbieder te dwingen zorg te blijven aanbieden. Mijn inzet is daarom, samen met de andere betrokken partijen, steeds gericht geweest op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor ieder kind.
Sinds mijn eerdere berichtgeving is de inzet verder geïntensiveerd. Zo is een onafhankelijk intermediair aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid daarvan te versterken. Ook blijf ik in nauw contact met de betrokken zorgverzekeraars, zorgkantoren, de IGJ en de NZa om de ontwikkelingen te volgen en waar nodig partijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Voor de twee resterende locaties heeft VEC aangegeven deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
Gezien de urgentie en dreigende sluiting, bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De IGJ heeft mij laten weten dat er op dit moment geen sprake is van een acute situatie of dreigende sluiting van de resterende locaties, omdat de kwaliteit en veiligheid van de zorg op de locaties Wezep en Rijswijk op dit moment voldoende zijn geborgd. Wel heeft de IGJ voor locatie Wezep om een verbeterplan gevraagd, wat onder meer ziet op het beter borgen van voldoende personele inzet, het tijdig informeren en betrekken van cliëntvertegenwoordigers en betrokken professionals bij de planning, roosters en het vinden van een passend zorgalternatief, en het structureel uitvoeren en vastleggen van teamoverleggen. De IGJ heeft daarbij aangegeven dat dit geen reden is tot ingrijpen en dat zij de voortgang van de verbetermaatregelen nauwlettend volgt. Daarnaast heeft VEC aangegeven deze locaties in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Om die reden worden deze Kamervragen beantwoord binnen de gebruikelijke termijnen.
Bent u bekend met de berichtgeving van Omroep Zeeland en de brandbrief van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers over de circa dertig Zeeuwse brandweervrijwilligers die door de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 in ernstige financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke problemen dreigen te komen?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid hierdoor persoonlijk financieel nadeel kunnen ondervinden?
Ja, het is onwenselijk dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid hier persoonlijk financieel nadeel door ondervinden. Het gaat in deze gevallen om brandweervrijwilligers die in dienst zijn van een Nederlandse Veiligheidsregio in de grensstreek en daarnaast in dienst zijn bij een werkgever in België. Dat mensen bereid zijn zich in te zetten voor de vrijwillige brandweer is een groot goed. Zij zijn essentieel voor de brandweerzorg in Nederland. Daarom werk ik aan oplossingen op zowel de korte als de lange termijn. Met betrekking tot veel van de brandweerlieden die nu bekend zijn bij de SVB is inmiddels gelukkig gebleken dat zij op basis van de huidige regelgeving al sociaal onderworpen kunnen blijven in België (waar hun hoofdwerkgever gevestigd is). Daarnaast wordt met België gekeken of in meer gevallen de wetgeving van de hoofdwerkgever van toepassing kan blijven, wanneer er wordt gestart met een klein dienstverband bij de vrijwillige brandweer in de andere lidstaat.
Het feit dat zij brandweervrijwilliger in Nederland en daarnaast werknemer in België zijn, hoeft geen persoonlijk financieel nadeel te betekenen. Het is daarbij van belang dat vanaf het begin van de werkzaamheden voor de brandweer nagegaan wordt in welk land de brandweervrijwilliger sociaal verzekerd is en waar de betrokkene en zijn werkgever(s) premies moeten afdragen. Iedereen die gaat werken in twee of meer (lid)staten is namelijk op basis van Verordening 883/2004 verplicht om dat te melden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of in dit geval een Belgisch bevoegd orgaan. Zo kunnen hun werkgevers direct afdragen in het juiste stelsel en wordt voorkomen dat achteraf premie teruggevraagd moet worden in het ene land, en alsnog moet worden betaald in het andere land. Hiermee worden hoge na- en terugbetalingen voorkomen. Op het moment dat pas later gemeld wordt dat iemand in meerdere landen werkt, kan het zijn dat achteraf blijkt dat iemand niet onder het socialezekerheidsstelsel valt van het land waar premies zijn afgedragen. Daarom zet ik ook in op betere communicatie richting deze doelgroep.
U heeft inmiddels aangegeven2 dat Nederland en België verkennen of een structurele kaderuitzondering op grond van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 mogelijk en wenselijk is en dat deze verkenning naar verwachting ten minste een half jaar zal duren. Welke concrete stappen worden in deze periode gezet, welke planning is hiervoor afgesproken en wanneer verwacht u een definitief besluit?
Op basis van Verordening 883/2004 is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. Twee lidstaten kunnen op grond van artikel 16 van deze verordening gezamenlijk besluiten om in een individueel geval af te wijken van de aanwijsregels. Dit kan wanneer de aanwijsregels in een bepaald individueel geval zouden leiden tot onwenselijke uitkomst die niet in lijn is met de geest van de verordening.
Samen met België ben ik aan het verkennen of we een kaderovereenkomst kunnen sluiten om het voor meer brandweervrijwilligers mogelijk te maken om in België te werken zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel. Bij een kaderovereenkomst spreken lidstaten met elkaar af onder welke voorwaarden zij een verzoek voor een uitzonderingsovereenkomst altijd accepteren. Een kaderovereenkomst wordt afgesloten voor een groep mensen en geeft deze groep dus op voorhand zekerheid over het toe te passen socialezekerheidsstelsel als ze een aanvraag indienen om een artikel 16-overeenkomst te sluiten.
Bij deze verkenning zoek ik daarom naar een oplossing in de geest van Verordening 883/2004 om af te wijken van de aanwijsregels, waarbij de uitvoering voor de SVB zo min mogelijk verzwaard wordt. Dat doe ik omdat ik begrip heb voor deze doelgroep en het belangrijk vind dat mensen zich in willen zetten voor de vrijwillige brandweer. Maar iedere uitzondering op de hoofdregels maakt de uitvoering voor de SVB moeilijker, waarbij de internationale dienstverlening al complex en arbeidsintensief is en er juist bekeken wordt hoe we dit kunnen vereenvoudigen.3
Ik verwacht dat dit proces minimaal een half jaar in beslag zal nemen. Voor het afsluiten van een kaderovereenkomst ben ik uiteraard afhankelijk van de bereidheid en medewerking van alle betrokken partijen.
Klopt het dat deze Europese regelgeving oorspronkelijk bedoeld is om grensoverschrijdend werken te vergemakkelijken? Hoe verhoudt dat doel zich volgens u tot de huidige situatie, waarin vrijwilligers juist worden ontmoedigd zich in te zetten voor de openbare veiligheid?
Het doel van Verordening 883/2004 is coördinatie van de verschillende nationale socialezekerheidsstelsels. Onder andere door te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Dit doel wordt ook gehaald. Deze regels zijn echter in de praktijk dusdanig toegepast dat dit negatieve effecten heeft op de mate waarin mensen zich beschikbaar willen stellen voor functies in de openbare veiligheid. Dit is ongewenst, zowel vanuit persoonlijk alsook vanuit maatschappelijk perspectief. Veiligheid en brandweerzorg in het bijzonder zijn immers ook grensoverschrijdend georganiseerd.
De in de verordening neergelegde zogenaamde «aanwijsregels» schrijven voor welk nationaal socialezekerheidsstelsel van toepassing is. Uitgangspunt is dat iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd is, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. De hoofdregel is dat personen verzekerd zijn in het land waar ze werken. Voor werken in meerdere landen geldt voor ambtenaren de aanwijsregel dat zij verzekerd zijn in het land waar ze voor werken. In dat land worden eventuele premies afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Wanneer iemand twee banen in verschillende lidstaten heeft, moet één van beide werkgevers voldoen aan de verplichtingen in de andere lidstaat (waaronder bijvoorbeeld premiebetaling). In het geval van de brandweervrijwilliger bepaalt de verordening dat de Belgische werkgever in het Nederlandse stelsel premies afdraagt (in plaats van dat de Veiligheidsregio moet voldoen aan de verplichtingen van het Belgische stelsel). Dit komt omdat de brandweervrijwilligers zijn aangemerkt als ambtenaren.
De Belgische werkgevers weigeren in voorkomende gevallen premies af te dragen in Nederland.
Hierdoor ontstaan er de volgende problemen:
Welke bewindspersoon voert op dit dossier de regie richting de Belgische autoriteiten en op welke wijze werken de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Justitie en Veiligheid (JenV) en Financiën hierin samen?
Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb ik de bevoegdheid om voor groepen personen met andere lidstaten een kaderovereenkomst te sluiten op grond van artikel 16 van Verordening 883/2004. Waar nodig, sta ik bij dit dossier in contact met mijn collega’s van Justitie en Veiligheid, Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, samen met Veiligheidsregio Zeeland een tijdelijke voorziening te treffen waardoor betrokken vrijwilligers geen financieel, fiscaal of sociaalzekerheidsrechtelijk nadeel ondervinden? Geldt deze tijdelijke voorziening dan ook voor de ongeveer dertig vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering inmiddels is verlopen, of uitsluitend voor de twee à drie vrijwilligers waarvan een lopende uitzondering binnenkort afloopt?
Met de verkenning naar de kaderovereenkomst zet ik mij in voor een structurele oplossing die voor de toekomst regelt dat brandweervrijwilligers die ook in België werken tot 25 procent van hun werktijd of inkomen werkzaamheden voor de vrijwillige brandweer kunnen verrichten zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke sociale zekerheidsstelsel.
Bij de SVB zijn op dit moment 16 gevallen bekend.
In het verleden zijn door middel van artikel 16-overeenkomsten ten onrechte uitzonderingen gemaakt op de aanwijsregels voor structurele situaties. Voor deze gevallen werkt de SVB mee aan een laatste artikel 16-overeenkomst voor een periode van twee jaar, vanwege het gewekte vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel. Het gaat hierbij om bestaande overeenkomsten die in 2026 aflopen. Tot nu toe zijn voor 2 mensen artikel 16-overeenkomsten op deze basis verlengd. Na twee jaar kan met zekerheid gesteld worden dat de verkenning is afgerond en is er duidelijkheid over het wel of niet bestaan van een structurele oplossing. Betrokkenen hebben dan voldoende tijd gehad daarop te anticiperen.
De SVB onderzoekt ook voor brandweervrijwilligers of sprake is van marginale werkzaamheden. Als de vrijwillige werkzaamheden als marginaal worden beschouwd (minder dan of gelijk aan 5% van arbeidstijd/inkomen), worden ze niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Dit zal betekenen dat de brandweervrijwilligers in België verzekerd zijn en hun situatie niet hersteld hoeft te worden. Dit geldt in ieder geval voor 7 van de gevallen die bij de SVB bekend zijn.
Van de 16 bij de SVB bekende gevallen blijven 12 brandweervrijwilligers de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving vallen. Voor de overige 4 geldt dat nog wordt onderzocht of ze aan het Nederlandse- of aan het Belgische socialezekerheidsstelsel onderworpen moeten worden.
Als geen sprake is van marginale werkzaamheden, dan kan regularisatie een oplossing zijn. Dit houdt in dat als de Nederlandse wetgeving van toepassing moet zijn in plaats van de Belgische, dat dit per toekomende datum wordt toegepast. Vanaf het moment dat de situatie bekend is, moet in het Nederlandse stelsel worden afgedragen, maar van na- en terugbetalingen is dan geen sprake.
Voor de nieuwe gevallen geldt dat de brandweervrijwilligers zich moeten melden bij de SVB zodat de toepasselijke wetgeving kan worden vastgesteld. Nieuwe aanvragen zullen worden beoordeeld volgens het reguliere beleid van de SVB. Als dit gebeurt voordat de vrijwilligerswerkzaamheden starten, kan het probleem van hoge na- en terugbetalingen worden voorkomen.
U geeft aan dat bestaande uitzonderingen die binnenkort aflopen voorlopig worden gecontinueerd. Waarom geldt deze oplossing niet voor de vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering inmiddels al is verlopen?
Bij vraag 6 is toegelicht waarom in bepaalde gevallen de uitzonderingen worden verlengd en is toegelicht welke andere oplossing passend is voor overige brandweervrijwilligers met een Belgische werkgever.
Bent u bereid samen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), Veiligheidsregio Zeeland en vertegenwoordigers van de betrokken vrijwilligers een versnelde procedure in te richten voor de circa dertig getroffen vrijwilligers?
Zoals aangegeven onder vraag 6 werk ik aan passende oplossingen voor brandweervrijwilligers met een Belgische werkgever.
Hoe beoordeelt u de positie van vrijwilligers die inmiddels een Nederlandse A1-verklaring hebben ontvangen en daartegen bezwaar moeten maken?
Als de vrijwilligers geen bezwaar maken, wordt ervan uitgegaan dat ze het eens zijn met het besluit dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het is niet per definitie onwenselijk of nadelig om in Nederland verzekerd te zijn en dus premies te betalen. De oorzaak van het probleem ligt er veelal in dat de Belgische werkgever geen premies in Nederland wil afdragen, waardoor de brandweervrijwilliger bezwaar moet aantekenen tegen de vaststelling van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat het Nederlands socialezekerheidsstelsel gunstiger is voor de brandweervrijwilligers. Deze problematiek heeft een arbeidsrechtelijk aspect.
Van de groep die in bezwaar is gegaan en die vervolgens meer informatie heeft aangeleverd dan bij de initiële aanvraag, is bij het merendeel van de gevallen de uitkomst dat de Nederlandse A1-verklaring weer zal worden ingetrokken en de Belgische wetgeving van toepassing blijft (zie vraag 6).
Heeft het bezwaar tegen een A1-verklaring een opschortende werking? Zo nee, hoe voorkomt u dat vrijwilligers tijdens de bezwaarprocedure al met financiële of fiscale gevolgen worden geconfronteerd?
Juridisch gezien is er een verschil tussen de A1-verklaring en het besluit van de SVB tot afgifte van de A1-verklaring. Het bezwaar tegen het besluit heeft niet automatisch een opschortende werking. De SVB houdt de beslissing op het bezwaar aan voor de duur van de verkenning met België over de kaderovereenkomst. De belanghebbende kan zich na het indienen van bezwaar tegen de afgifte van de A1-verklaring melden bij de inspecteur van de Belastingdienst met het verzoek voor een individuele afspraak over uitstel tot er duidelijkheid is over de A1-verklaring. De SVB kan de belanghebbende daarin ondersteunen.
De A1-verklaringen die zijn afgegeven, waarvan inmiddels duidelijk is dat er sprake is van marginale activiteiten zullen worden ingetrokken (zie voorgaande vragen).
Financiële gevolgen ontstaan op dit moment overigens ook door terugbetalingen aan België. Zoals aangegeven bij vraag 6 zoek ik naar een passende oplossing voor betrokken brandweervrijwilligers. Bij deze oplossing houd ik rekening met de gevolgen aan zowel de Nederlandse als de Belgische kant.
Hoe beoordeelt u de gevolgen die deze problematiek heeft voor Belgische werkgevers van deze vrijwilligers? Acht u het wenselijk dat werkgevers worden geconfronteerd met administratieve lasten en onzekerheid doordat werknemers zich vrijwillig inzetten voor de Nederlandse brandweer?
Het doel van Verordening 883/2004 is onder andere om te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Op basis van deze regels is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. In dat land worden eventuele premies afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Het is inherent aan dit systeem dat werkgevers die iemand in dienst hebben, die ook werkt in een andere lidstaat soms moeten voldoen aan de verplichtingen die volgen uit het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat. Werkgevers mogen de verplichting niet weigeren om premies in een ander land te betalen, of werknemers discrimineren omdat zij in een andere lidstaat sociaal verzekerd zijn. Dit is essentieel voor het functioneren van de vrije markt en voor het bevorderen van het vrije verkeer van werknemers. Dit komt voor bij alle werknemers die een Nederlandse en een Belgische werkgever hebben en is dus niet voorbehouden aan die gevallen waarbij mensen zich inzetten voor de Nederlandse brandweer.
Nederlandse brandweervrijwilligers die in België werkzaam zijn als werknemer, hebben door hun status als ambtenaar te maken met een wisseling van sociale zekerheidsstelsel op het moment dat zij in dienst treden als brandweervrijwilliger. Om deze reden verken ik samen met België een structurele oplossing middels een kaderovereenkomst.
Klopt het dat Veiligheidsregio Zeeland sommige vrijwilligers heeft geadviseerd hun vrijwilligersfunctie neer te leggen om verdere financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke problemen te voorkomen? Hoe beoordeelt u het dat mensen zich genoodzaakt voelen hun inzet voor de brandweer te beëindigen vanwege de gevolgen van deze regelgeving?
Het klopt dat de veiligheidsregio Zeeland (VRZ) de brandweervrijwilligers die grensarbeider zijn en die geen Belgische A1-verklaring hebben, hebben geadviseerd om tijdelijk, met ingang van 1 juli 2026, met administratief ontslag te gaan. 10 van de 24 gedupeerde brandweervrijwilligers hebben inmiddels om dit ontslag gevraagd. Zij hebben daarbij de garantie gekregen om terug bij VRZ in dienst te komen op het moment dat voor grensarbeiders is geregeld dat zij in het land waar hun hoofdwerkgever gezeteld is, voor hen de sociale zekerheid in dat land van toepassing is.
Zoals hierboven aangegeven geldt dat van de 16 bij de SVB bekende gevallen 12 brandweervrijwilligers de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving blijven vallen. Deze personen kunnen dus in ieder geval weer aan de slag zonder dat dit invloed heeft op hun sociale zekerheidspositie.
Ook wanneer de Nederlandse wetgeving van toepassing zou worden lost dit ontslag het probleem dat ziet op het verleden niet op. Voor de na- en terugbetalingen moet nog steeds iets geregeld worden, zie voor de oplossing hiervoor vraag 6. Het primaire probleem zou zich niet hebben voorgedaan als de Belgische werkgever zich vanaf begin af aan had gehouden aan de Nederlandse en Europese regelgeving.
Bent u bekend met het feit dat inmiddels vrijwilligers hun functie hebben neergelegd én dat de brandweerposten Westdorpe en Koewacht onder andere bij een grote brand in een paardenstal in Clinge niet konden uitrukken vanwege een tekort aan beschikbare vrijwilligers? Hoe beoordeelt u dit voor de brandweerzorg en de openbare veiligheid?
Dit is bekend en uiteraard ongewenst. Het is goed om hierbij te realiseren dat onderbezetting van een brandweerpost vaker voorkomt en diverse redenen kan hebben. Wanneer een post onderbezet is, wordt een omliggende post gealarmeerd zodat de hulpverlening doorgang kan vinden. Hierdoor zal de opkomsttijd echter toenemen. Daarnaast draagt de grensoverschrijdende samenwerking met België (inzet van Belgische brandweerposten in Nederland) eraan bij dat in delen van Zeeuws-Vlaanderen de snelst mogelijke hulpverlening mogelijk is.
Recent deed zich in Clinge inderdaad een incident voor waarbij de posten Koewacht en Westdorpe niet konden uitrukken vanwege onderbezetting. Hierbij ging het om de zesde en zevende tankautospuit in de opschalingsvolgorde en niet meer om het eerste, levensreddende optreden. Verder zijn er tot nu toe geen incidenten bekend waarbij brandweerposten niet konden uitrukken als gevolg van de grensproblematiek. De VRZ doet er dan ook alles aan om de repressieve inzetbaarheid en beschikbaarheid binnen Zeeland op peil te hebben en te houden.
Welke gevolgen verwacht u dat deze problematiek heeft voor het werven en behouden van brandweervrijwilligers in grensregio's als hiervoor niet op zeer korte termijn een oplossing wordt gevonden? Waarom heeft deze problematiek, ondanks dat zij al geruime tijd bekend is, nog niet geleid tot een structurele oplossing?
Indien er niet op korte termijn een oplossing gevonden wordt, zal de beschikbaarheid van vrijwilligers verder afnemen en zullen enkele mensen mogelijk definitief afscheid nemen van de vrijwillige brandweer. Dit acht ik zoals gezegd ongewenst en daarom zet ik me in voor het vinden van zowel een tijdelijke als een structurele oplossing.
Ongeacht de tijdelijke en structurele oplossing is het bij het werven van brandweervrijwilligers van belang dat nieuwe brandweervrijwilligers goed voorgelicht worden over hun situatie wanneer zij ook werken in België. De veiligheidsregio kan hierin ondersteunen. Hierdoor kan gezorgd worden dat direct in het juiste land premies afgedragen worden en wordt voorkomen dat achteraf uit het ene land premies teruggevraagd moeten worden en in het andere land alsnog betaald moeten worden. De SVB kan vaststellen in welk land iemand verzekerd is, als de brandweervrijwilliger in Nederland woont. Als de brandweervrijwilliger in België woont, dan wordt dit vastgesteld door de RSZ of de RSVZ. Hiermee kunnen de gevolgen omtrent het werven en behouden van brandweervrijwilligers worden beperkt.
Er is nog geen structurele oplossing voor deze problematiek, omdat het tijd kost alle relevante aspecten goed in kaart te brengen. Er moet onderbouwd worden waarom een structurele uitzondering voor brandweervrijwilligers gerechtvaardigd is, met een duidelijke afbakening die deze groep onderscheid van andere werkenden die uitzonderingen op de aanwijsregels willen aanvragen. Verder moet duidelijk zijn hoe groot de groep is die tegen deze problemen aanloopt en wat hun situatie is, om ervoor te zorgen dat de structurele oplossing daadwerkelijk een uitkomst voor deze vrijwilligers biedt. Zo is bijvoorbeeld uit het onderzoek naar marginale werkzaamheden, zoals genoemd in vraag 6, al gebleken dat de werkzaamheden van bepaalde vrijwilligers marginaal zijn, waardoor zij in België sociaal verzekerd zijn. Daarnaast moet de dekking per groep bepaald worden om te voorkomen dat vrijwilligers onverzekerd achter blijven. Dit vraagt nadere analyses van het Nederlandse en Belgische stelsel.
Wanneer is het Rijk voor het eerst op de hoogte gebracht van deze problematiek? Welke acties zijn sindsdien ondernomen en waarom heeft dit nog niet tot een oplossing geleid?
Eind 2024 is toenmalig Minister van Hijum benaderd door mijn Belgische collega. Op dat moment leek dit zich alleen aan Belgische zijde van de grens voor te doen bij casussen met Belgische brandweerlieden.
Naar aanleiding van deze signalen is een analyse gemaakt van de situatie en de mogelijke gevolgen4. De betrokken bewindspersonen aan beide zijden van de grens, zijn op de hoogte gebracht van de analyse en de achterliggende problematiek.
In oktober 2025 werd duidelijk dat dit ook in brede zin voor Nederlandse brandweervrijwilligers speelde. Eind 2025 is ook begonnen met het verkennen van een overeenkomst met België om deze groep te onderwerpen aan de sociale zekerheidswetgeving van de lidstaat waar zij hun hoofdarbeidsverband hebben in plaats van aan de lidstaat waar zij als overheidsvrijwilliger werken.
In januari jl. is mijn voorganger geïnformeerd dat enkele brandweervrijwilligers een uitzonderingsovereenkomst hadden die binnenkort zou aflopen. Zie hierboven bij de beantwoording van vraag 6 voor de reden waarom er in bepaalde gevallen nog voor maximaal 2 jaar een artikel 16-overeenkomst is gesloten om onder het Belgische stelsel te vallen. Eind juni j.l. informeerde de SVB mijn medewerkers dat sindsdien 10 nieuwe verzoeken voor uitzonderingsovereenkomsten zijn ingediend.
Bent u bereid de Tweede Kamer op zeer korte termijn te informeren over de omvang van deze problematiek, de voortgang van de gesprekken met België en de concrete maatregelen die worden getroffen?
Met de beantwoording van deze vragen heb ik u geïnformeerd over de gevallen die op dit moment bij de SVB bekend zijn van brandweervrijwilligers die ook een Belgische werkgever hebben en bezwaar hebben aangetekend tegen de beslissing dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is.
Daarnaast zal de SVB de aanvragen van brandweervrijwilligers voor het verlengen van reeds bestaande uitzonderingsovereenkomsten toekennen totdat de verkenning tussen Nederland en België is afgerond en zoek ik naar een tussenoplossing voor de groep waarvoor dit niet van toepassing is.
Na de zomer verwacht ik de gesprekken over een kaderovereenkomst met België verder voort te zetten. Ik zal de Kamer informeren als deze verkenning is afgerond.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een structurele aanpassing van de coördinatieregels, zodat een beperkte vrijwilligersfunctie bij een publieke veiligheidsorganisatie niet langer automatisch leidt tot disproportionele gevolgen voor de sociale zekerheidspositie uit het hoofdberoep?
Bij de Europese Commissie en in andere lidstaten zal ik onder de aandacht brengen dat relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep leidt tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving. Ik zal nagaan of er voldoende steun is op Europees niveau voor een aanpassing van de coördinatieregels, en indien dat het geval is, zal ik mij hiervoor inzetten.
Kunt u toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger uiteindelijk persoonlijk de financiële rekening hoeft te betalen voor een systeemprobleem dat voortvloeit uit Europese regelgeving en de uitvoering daarvan? Zo ja: hoe gaat u de individuele brandweervrijwilligers ondersteunen die op dit moment problemen ondervinden? Zo nee: waarom niet en wat kunt u wel toezeggen?
Zoals toegelicht bij vraag 4 coördineert Verordening 883/2004 de socialezekerheidsstelsels. De verordening harmoniseert de stelsels niet en er kunnen daardoor financiële voor- of nadelen voor betrokkenen bestaan wanneer zij grensoverschrijdend werken. Onderdeel van deze coördinatieregels is het beginsel dat iemand onderworpen is aan de wetgeving van één enkele lidstaat. Wanneer iemand werkt voor twee werkgevers betekent dit dat één van beide werkgevers zich moet conformeren aan de wetgeving van een andere lidstaat. Wel kan de vraag worden gesteld of relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep al zou moeten leiden tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.
Omdat deze regels op dit moment specifiek lijken te knellen met betrekking tot de vrijwillige brandweer en aan de Belgisch-Nederlandse grens verken ik nu eerst een kaderovereenkomst met onze Belgische collega’s. Ook zeg ik toe op zoek te gaan naar een passende oplossing voor brandweervrijwilligers die nu geen uitzonderingsovereenkomst hebben.
Kunt u daarnaast toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger persoonlijk financieel nadeel zal ondervinden zolang Nederland en België nog werken aan een structurele oplossing? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 18.
Oxfam Novib |
|
Mona Keijzer , Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitlatingen van Oxfam Novib waarin wordt gesteld dat bepaalde moties of voorstellen van politieke partijen en Kamerleden racistisch zouden zijn?
Klopt het dat Oxfam Novib de afgelopen jaren subsidies, bijdragen en/of opdrachten heeft ontvangen van de rijksoverheid?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib sinds 2020 heeft ontvangen van het Rijk?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle directe en indirecte financiële bijdragen die Oxfam Novib verwacht te gaan ontvangen tot 2030 van het Rijk?
Welke voorwaarden gelden voor organisaties die overheidssubsidies ontvangen ten aanzien van lobbyactiviteiten, publieke campagnes en politieke beïnvloeding?
Acht u het wenselijk dat een door de overheid gesubsidieerde organisatie democratisch gekozen volksvertegenwoordigers publiekelijk associeert met racisme?
Deelt u de opvatting dat politieke meningsverschillen in een democratische rechtsstaat niet lichtvaardig als racistisch dienen te worden bestempeld?
Bent u van mening dat organisaties die met belastinggeld worden ondersteund een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met kwalificaties richting Kamerleden en politieke partijen?
Kunt u toelichten wat de corebusiness van Oxfam Novib was ten tijde van de oprichting van de organisatie en in hoeverre de huidige activiteiten nog aansluiten bij het oorspronkelijke doel waarvoor zij is opgericht?
Hoe beoordeelt u het feit dat Oxfam Novib zich niet beperkt tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, maar ook actief campagne voert rond politieke thema's zoals klimaatbeleid, vermogensverdeling en het Israëlisch-Palestijnse conflict?
Deelt u de mening dat belastinggeld primair bedoeld is voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp, en niet voor activistische campagnes gericht op het beïnvloeden van het Nederlandse politieke debat?
Hoe rechtvaardigt u dat organisaties die aanzienlijke publieke middelen ontvangen deze positie gebruiken om gekozen volksvertegenwoordigers en hun voorstellen in verband te brengen met racisme, terwijl zij geacht worden bij te dragen aan een open democratisch debat?
Hoe beoordeelt u het risico dat overheidssubsidies worden gebruikt om via maatschappelijke organisaties draagvlak te creëren voor politieke opvattingen en beleidsdoelen die u zelf voorstaat?
Deelt u de mening dat publiek geld hier absoluut niet voor bedoeld is en dat het de democratische rechtsstaat ondermijnt?
Het bericht 'Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies' |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de genoemde verpachtingsregeling zorgt voor een machtspositie voor terrein beherende organisaties, waarbij ten koste van andere welwillende boeren, de overheid bepaalde bedrijfsconstructies bevoordeelt? Indien nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Landbouwgronden worden door diverse grondeigenaren verpacht, zoals door terreinbeherende organisaties en overheden, maar ook door voormalige melkveehouders of akkerbouwers, landgoedeigenaren, verzekeringsmaatschappijen, kerken en andere (particuliere) eigenaren van landbouwgronden.
De voorwaarden waaraan door overheden voldaan moet worden bij het uitgeven van pachtgrond is in de jurisprudentie verder vormgegeven. Uit het Didam I-arrest (2021) volgt dat overheden objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten opstellen voor het selecteren van een nieuwe pachter in een openbare inschrijving. Particuliere verpachters zoals Natuurmonumenten en andere particuliere natuurbeheerders zijn niet gebonden aan de Didam I voorwaarden en hebben meer vrijheid in het bepalen op welke wijze zij hun gronden uitgeven.
Staatsbosbeheer is als overheidsorganisatie bij het verpachten van grond wel gebonden aan de Didam-I voorwaarden. Staatsbosbeheer hanteert onder andere criteria op het gebied van afstand, kennis en opleiding, certificaten, ervaring met agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) of met particulier natuurbeheer (SNL) en het meedoen aan ecoactiviteiten, omdat ze beheer van natuurpercelen over willen laten aan agrariërs die hier ervaring mee hebben en het ook in hun eigen bedrijfsvoering willen toepassen.
Klopt het beeld dat door de gunning van pachtrechten aan specifieke boeren (biologisch, extensief, et cetera) in gebieden aangrenzend aan Natura 2000-gebieden er de facto een subsidieregeling voor deze boeren is gecreëerd in plaats van een maatregel om doorsnee boeren te compenseren voor geleden derving van inkomsten door overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Dat beeld klopt niet. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2 is de regelgeving rond gunning van pacht voor overheden strenger dan voor andere organisaties en particulieren. Zowel overheden als andere organisaties vragen een marktconforme pachtprijs gekoppeld aan de beheervereisten op de natuurpercelen en er is dus geen sprake van een verkapte subsidie. Alleen de gunning zal door overheden via openbare inschrijving en zo nodig een puntensysteem worden vormgegeven. Bij Staatsbosbeheer zijn de criteria voor pacht van natuurpercelen mede gerelateerd aan de ervaring met natuurinclusieve landbouw.
Deelt u de mening dat de subsidie is vastgesteld voor de inkomstenderving van een gemiddeld bedrijf van 121 melkkoeien op 60 hectare, maar in de praktijk dus uitgekeerd wordt aan boeren die door hun bedrijfskeuzes die inkomstenderving niet kennen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de berekening van de WUR voor de vergoedingen in de subsidieregeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden is gebaseerd op een gemiddeld melkveehouderijbedrijf in de zone rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het gemiddelde bedrijf heeft 2 melkkoeien per hectare en berekend is dat bij 150 kg N/ha in productie- en bemestingsvolume dit teruggaat naar gemiddeld 1 melkkoe per hectare en bij 100 kg N/ha naar gemiddeld 0,7 melkkoe per hectare.
Ook biologische bedrijven kunnen gederfde inkomsten per hectare hebben doordat zij een stap zetten van gemiddeld 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha, maar de inkomstenderving per hectare is minder dan voor een gangbare boer. Een deel van de aanvragers is inderdaad biologisch. Bij de Natura 2000 overgangsgebieden ging het om ca. 55% van de aanvragers bij de eerste openstelling. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de beantwoording van de vragen van de SGP.2 Na deze beantwoording heeft een aanscherping plaatsgevonden en zijn ook minimale reductievereisten opgenomen voor productie- en bemestingsvolume per hectare.
Deelt u de mening dat het beeld over de goede inkomens van deze zogenaamde «voorbeeldboeren' zwaar is vertroebeld door de grote hoeveelheid (verkapte) subsidie die zij door overheidskeuzes ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. In 2025 waren er 544 biologische melkveehouderijbedrijven (ca. 4,1%). Ongeveer een vijfde daarvan doet mee met de eerste openstelling van de regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden. Daarnaast is subsidie via verpachten niet aan de orde, zie het antwoord bij vraag 2.
Deze regeling is tijdelijk (t/m 2028). Het is een bewuste keuze dat ook koplopers, zoals biologische bedrijven, in een samenwerkingsverband mee kunnen doen. De inschatting vooraf was dat koplopers de trekker zullen zijn van de samenwerkingsverbanden en daarin anderen ook meenemen.
Kunt u aangeven welk doel de subsidie «Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-overgangegebieden. Categorie 3: Extensivering in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden» exact dient? Bent u van mening dat dit doel daadwerkelijk wordt behaald en is er geen sprake is van vertroebeling van het subsidiedoel?
Het doel bij stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is de reductie van de veldemissies van ammoniak door extensivering van melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en daarmee de biodiversiteit in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden te versterken. Door de extensievere bedrijfsvoering komt er meer ruimte op de percelen en op het bedrijf voor meer en zwaardere pakketten agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
De rangschikking van de samenwerkingsverbanden hangt onder andere af van:
De monitoring van de effecten van deze regeling zal zich hier dan ook op richten. De verwachting is dat de doelen gehaald gaan worden, omdat alle deelnemende bedrijven een reductie bereiken in de veldemissies ammoniak en ongeveer de helft van de bedrijven van gangbare naar extensieve bedrijfsvoering omschakelen.
Wat is uw reactie op de analyse van Stichting Agri Facts over uw reactie dat «Bij het opstellen van de regeling is bewust gekozen voor openstelling in de overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, omdat juist daar de opgave voor extensivering het grootst is. Van boeren in de nabijheid van Natura 2000-gebieden wordt de komende jaren juist meer gevraagd dan van andere agrariërs. De regeling biedt daarom geen voordeel, maar is bedoeld om deze extra opgave te ondersteunen en de overgang naar een meer extensieve bedrijfsvoering mogelijk te maken»? Indien de analyse in uw ogen niet juist is, kunt u dit dan specifiek toelichten?
De analyse is deels juist, maar het was een bewuste keuze, zoals al in antwoord 5 is toegelicht. Ongeveer de helft van de deelnemers in de Natura 2000 overgangsgebieden is biologisch. Ook zij moeten nog een stap zetten van 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha. Dat is minder gederfde inkomsten per hectare dan voor gangbare boeren. De biologische en gangbare boeren werken in de samenwerkingsverbanden juist samen om hun kennis en ervaring met extensieve landbouw te delen.
Welke maatregelen gaat u nemen om deze onterechte bevoordeling van deze «voorbeeldboeren' ten opzichte van gemiddelde boeren op te heffen?
De subsidie is gericht op samenwerkingsverbanden waarin zowel koplopers als gangbare boeren kunnen zitten. Het is een bewust keuze geweest om koplopers aan deze tijdelijke regeling te laten deelnemen. De regeling is bij de tweede tranche al aangepast door op bedrijfsniveau ook minimale reductievereisten op te nemen. Er is nu geen aanleiding om de vergoedingensystematiek aan te passen.
Welke (verdere) maatregelen gaat u nemen om de achtergestelde marktpositie van boeren die verder van een Natura 2000-gebied hun bedrijf uitbaten te vereffenen met de marktpositie van de genoemde voorbeeldboeren?
Pacht is geen subsidie, want er wordt een marktconforme pachtprijs gevraagd, passend bij de beperkingen in het gebruik van de grond die worden gesteld. De gunning bij verpachten van natuurpercelen is aan de verpachter. Ik zal daarom geen verdere maatregelen nemen.
Wilt u deze vragen beantwoorden minimaal één dag voor aanvang van het commissiedebat ontwerpNatuurplan op 3 september aanstaande?
Ja.
Hamas dat zich als een parasiet voedt aan en misbruik maakt van internationale hulpverlening |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Hamas in toenemende mate burgers terroriseert, voedseldistributieplaatsen aanvalt en smokkelwaar verstopt tussen hulpgoederen?1
Het kabinet is bekend met het bericht dat humanitaire operaties in Jabalia in Noord-Gaza recentelijk gewelddadig zijn verstoord. De plaatsvervangend VN-coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces, Ramiz Alakbarov, veroordeelde deze acties die volgens Alakbarov door Hamas zouden zijn uitgevoerd.
Wat zegt het u dat nu zelfs de Verenigde Naties (VN) niet meer spreekt van geïsoleerde incidenten, maar van een steeds gevaarlijker patroon van intimidatie, geweld en obstructie?2
Hulporganisaties werken in Gaza al geruime tijd in een buitengewoon complexe en gevaarlijke context. De aanwezigheid van Hamas en andere gewapende groepen en criminele bendes vormt hierin een van de vele uitdagingen in het bieden van veilige, ordentelijke distributie van hulp. Het kabinet vindt dit zorgwekkend. Om de grote humanitaire noden in Gaza te lenigen, roept het kabinet op tot veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang voor alle professionele humanitaire organisaties tot en binnen Gaza. Hulp mag niet worden gebruikt als drukmiddel noch worden aangewend voor ondersteuning van terroristische groeperingen. Zie ook het antwoord op vragen 3,4,5 en 6.
Erkent u dat deze onacceptabele en illegale handelwijze de terroristen van Hamas een enorme hoeveelheid geld en goederen oplevert, zoals wordt gesteld?
Het kabinet koestert geen illusies over de intenties en het optreden van Hamas. De terroristische organisatie mag geen rol spelen in de toekomst van de Gazastrook, en moet de wapens neerleggen. Daarnaast blijft het kabinet inzetten op sancties tegen Hamas en de Palestinian Islamic Jihad.
De context in Gaza is bijzonder complex voor noodhulporganisaties. Het kabinet staat in nauw contact met de professionele humanitaire partners over de distributie van hulp en de uitdagingen hierbij. Het kabinet is bekend met signalen dat Hamas een kwalijke rol speelt wat betreft de catastrofale humanitaire situatie in Gaza en dat de organisatie de voedseldistributie verstoort. Zo spreekt Alakbarov in zijn statement van intimidatie, geweld en belemmering, waaronder smokkelpogingen en het doelbewust aanvallen en misbruiken van humanitaire operaties.
Robuuste due dilligence procedures moeten ervoor waken dat Nederlands geld niet ten goede komt aan terroristische organisaties. Hoewel deze geen volledige garanties bieden helpen ze wel om risico’s te minimaliseren. Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Het kabinet hanteert een zero-tolerance for inaction beleid ten aanzien van misbruik van financiële middelen. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het kabinet daartegen op. Het kabinet informeert de Kamer altijd via de geëigende procedures over malversaties en ontvreemding van hulp.
Bijna alle Palestijnen in Gaza zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Zonder humanitaire hulp zouden 1,9 miljoen mensen in Gaza te maken krijgen met ernstige voedselnood. Het kabinet gaat deze hulp niet stopzetten.
Deelt u de conclusie dat Hamas zich als een parasiet voedt aan internationale hulp, de macht van Hamas daardoor weer toeneemt en deze situatie zeer onwenselijk is?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de Nederlandse hulp aan de Palestijnse gebieden direct te stoppen, omdat Hamas en ander tuig er enorm – en in toenemende mate – van profiteert?
Zie antwoord vraag 3.
Indien u daartoe niet bereid bent, kunt u dan in ieder geval uitleggen waarom u het acceptabel vindt dat Hamas parasiteert op internationale hulp en op onze belastingcenten?
Zie antwoord vraag 3.
Hamas-terreurinfrastructuur en aanslagplannen in Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Investigation: Hamas planned massive October 7th attacks across Europe» en het onderliggende onderzoek van de Neue Zürcher Zeitung «Die Hamas nimmt den Westen ins Visier – und plante wohl einen zweiten 7. Oktober in Europa»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat, zoals gesteld door de Duitse Generalbundesanwalt Jens Rommel, Hamas sinds 2019 een Europa-breed netwerk heeft opgebouwd van verborgen wapenopslagplaatsen, smokkelroutes en slapende terreurcellen, met als doel een aanslagengolf rond 7 oktober 2025, de tweede jaardag van het bloedbad van 7 oktober 2023? Beschikken de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten over eigenstandige informatie hierover, en is de Kamer hierover ooit geïnformeerd?
In het openbaar kunnen geen uitspraken worden gedaan over de inlichtingenpositie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In het jaarverslag van 2025 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aangegeven dat het onderzoek doet naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.3 De AIVD heeft twee handelingsvormen onderkend van Hamas in Europa. Ten eerste is in Europa al jaren een «politiek» netwerk actief dat financiële steun voor Hamas verwerft en zich in Europa bezighoudt met activisme, lobby- en andere beïnvloedingswerkzaamheden. De tweede handelingsvorm is aan het licht gekomen via een aantal aanhoudingen in Europa: aan Hamas te relateren personen waren – op aansturing van Hamas-leden in Libanon – betrokken bij het (ver)bergen en (ver)plaatsen van vuurwapens en munitie. De AIVD schrijft in het jaarverslag over 2025 dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.4 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. Deze strafrechtelijke onderzoeken lopen nog. Over eventuele aanhoudingen in het buitenland en de aldaar lopende strafrechtelijke onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat er in de afgelopen periode arrestaties zijn verricht in Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland en Cyprus, waarbij onder meer wapens (waaronder een AK-47, dertien pistolen en meer dan negenhonderd kogels), explosieven en een claimvideo voor een aanslag zijn aangetroffen, gericht tegen Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen, en dat Wenen daarbij als logistiek knooppunt fungeerde? Deelt u de conclusie van de Duitse autoriteiten dat dit een zelfstandige, operationele Hamas-infrastructuur op Europese bodem betreft, los van het conflict in Gaza en Israël?
Zie antwoord vraag 2.
Is bij u bekend of vergelijkbare voorbereidingshandelingen, trainingsroutes (bijvoorbeeld via Maleisië, zoals in het onderzoek beschreven) of financieringsstromen richting Hamas zich hebben voorgedaan met een raakvlak met Nederland, Nederlandse ingezetenen of in Nederland gevestigde organisaties? Kunt u dit, voor zover de veiligheid dit toelaat, toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een deel van de aangehouden en veroordeelde personen de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit of over een Schengen-verblijfsvergunning beschikt, waardoor zij zich ongehinderd binnen het Schengengebied konden verplaatsen? Deelt u de opvatting dat dit een fundamenteel veiligheidslek in het vrije verkeer binnen Schengen blootlegt, en dat dit gevolgen moet hebben voor het verblijfsrecht en de bewegingsvrijheid van personen met een vastgesteld Hamas-profiel?
Het kabinet kan niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures. Het al dan niet delen van informatie over deze zaken is aan de bevoegde autoriteiten van de in het artikel genoemde landen.
Nederland en de Europese Unie (EU) werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren, en daarmee ook belangen, zoals het vrije verkeer van personen, te waarborgen.
Wanneer er sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een (onherroepelijke) veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet de betrokkene Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat deze onthullingen aantonen dat de dreiging van Hamas nooit beperkt is geweest tot Israël, maar zich, zoals de onderzoeken stellen, ook richt op Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Europa, en dat eerdere geruststellingen daarover, ook vanuit Nederland en de EU, achterhaald zijn gebleken?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2,3 en 4 geeft de AIVD in het jaarverslag van 2025 aan dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.5 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. De veiligheidsdiensten blijven de ontwikkelingen nauwgezet volgen en betrekken nieuwe informatie voortdurend bij hun dreigingsanalyses.
In het recent Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van de NCTV is aangegeven dat het dreigingsniveau op niveau 4 van de 5 blijft staan.6 Dat betekent dat er een reële kans is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Bij het vaststellen van het dreigingsniveau wordt niet alleen gekeken naar de activiteiten van Hamas maar ook naar de brede jihadistische geweldsdreiging, de terroristische dreiging vanuit rechts-extremisten, anti-institutioneel extremisten en (online) radicaliseringsprocessen in Nederland. In het meest recente DTN is aangegeven dat een daadwerkelijke koerswijziging van (facties binnen) Hamas de dreiging tegen vooral Joodse en Israëlische doelwitten in Europa zal verhogen. Joodse en Israëlische instellingen blijven, waar nodig, onderwerp van specifieke aandacht en beveiligingsmaatregelen.7 Er is op dit moment geen aanleiding tot een afzonderlijke aanpassing van het dreigingsniveau.
Is naar aanleiding van deze onthullingen een aanpassing van het nationale dreigingsbeeld (dreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)) overwogen of doorgevoerd, specifiek voor Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Nederland, zoals in het onderzoek wordt gesteld? Zo nee, waarom niet, gelet op het feit dat vergelijkbare cellen zijn aangetroffen in meerdere ons omringende landen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete maatregelen zijn op dit moment van kracht om synagogen, Joodse scholen, gemeenschapscentra, Israëlische diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen én bredere westerse instellingen en publieke voorzieningen in Nederland te beschermen tegen een vergelijkbaar scenario als in Griekenland, Oostenrijk en Duitsland is blootgelegd? Acht u deze maatregelen, in het licht van dit onderzoek, nog toereikend?
Vanwege veiligheidsoverwegingen doe ik in het openbaar nooit uitspraken over beveiligingsmaatregelen die worden getroffen. Wel kan ik uw Kamer verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. De betrokken veiligheidsdiensten en bevoegde gezagen beoordelen voortdurend of de getroffen maatregelen toereikend zijn en passen deze waar nodig aan.
Bent u bereid op korte termijn een aanvullende, specifieke dreigingsanalyse te laten uitvoeren door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de NCTV naar Hamas-gerelateerde netwerken, slapercellen en wapenopslag in Nederland, en de Kamer hierover te informeren
De AIVD onderzoekt, zoals in het jaarverslag van 2025 gemeld, de dreiging van Hamas tegen onze nationale veiligheid. Vanzelfsprekend kunnen in de openbaarheid geen uitspraken worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de NCTV niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Is bekend, of bent u bereid te laten onderzoeken, via welke immigratie- of asielroute de in het onderzoek genoemde en vergelijkbare Hamas-gelieerde personen in Nederland en Europa voet aan de grond hebben gekregen, bijvoorbeeld via asielprocedures, gezinshereniging, arbeids- of studievergunningen? Kunt u de Kamer hierover informeren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kan het kabinet niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures.
Binnen de verschillende verblijfsprocedures bestaan maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Het kabinet onderstreept tevens het belang van de inzet aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Alle lidstaten zijn verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen. Het recent in werking getreden EU-migratiepact is daarbij een belangrijke stap om meer grip te krijgen over wie er naar Europa komt. Met de nieuwe screeningverordening, die onderdeel is van het pact, moet de identiteit van onderdanen van niet-EU-landen die aan screening worden onderworpen snel worden vastgesteld, net als eventuele veiligheidsrisico's.
In een wereld waarin de ontwikkelingen op zowel het gebied van dreigingen voor de nationale veiligheid als migratie elkaar in hoog tempo opvolgen is het noodzakelijk om voortdurend te monitoren of de procedures en bevoegdheden van dit systeem nog aansluiten op actuele ontwikkelingen en waar nodig verbeteringen door te voeren. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen.8 Het kabinet verwijst daarnaast naar de aanbiedingsbrief bij het rapport Migration-related Terrorism: Trends, Challenges and Policy Implication waarin nader wordt ingegaan op de het onderkennen van signalen van radicalisering of mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure.9
Is bekend via welke route, met welke documenten en via welke buitengrens de betrokken personen het Schengengebied zijn binnengekomen, en welke controles daarbij gefaald hebben? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse en Europese buitengrensbewaking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid maatregelen te treffen om personen met een vastgesteld Hamas-profiel die zich in Nederland bevinden, het land en waar mogelijk het Schengengebied te laten verlaten, via intrekking van verblijfsrecht, uitzetting en een inreisverbod? Zo ja, op welke termijn?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kunnen een veroordeling voor een misdrijf of het vormen van een gevaar voor de nationale veiligheid gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Wanneer een dergelijke vreemdeling niet (meer) in het bezit is van een verblijfsrecht wordt in beginsel een terugkeerbesluit opgelegd en wordt – met inachtneming van internationale verplichtingen – ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer. Daarbij wordt in de regel ook een inreisverbod opgelegd.
Bent u bereid, samen met de Europese partners, te bevorderen dat nieuwe Hamas-gelieerde personen niet langer via asiel-, migratie- of andere routes toegang krijgen tot Nederland en het Schengengebied, bijvoorbeeld door verscherpte screening, gedeelde risicoprofielen en strengere buitengrenscontroles? Welke concrete stappen onderneemt u hierin?
Het kabinet zet zich onverminderd in om iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid, waaronder terrorisme en extremisme, tegen te gaan. Onze democratische rechtsorde en nationale veiligheid is een groot goed, en bescherming daarvan vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Ondanks de strenge procedure en inspanningen van de ketenpartners kan nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, omdat personen zich mogelijk kunnen onttrekken aan het zicht van de autoriteiten en omdat eventuele risico’s die van een persoon uitgaan niet altijd op voorhand bekend zijn. Zoals toegelicht bij de vragen 5, 10 en 11 zijn de nodige samenwerking en maatregelen reeds aanwezig. Daarnaast wordt voortdurend gemonitord of de procedures en bevoegdheden binnen het systeem nog aansluiten bij de actuele ontwikkelingen. Waar nodig worden deze aangepast en verbeterd.
Bent u bereid de garantie te geven dat onder de huidige en toekomstige grote asielinstroom naar Nederland geen personen binnenkomen die gelieerd zijn aan Hamas of andere terroristische organisaties? Zo nee, kunt u toelichten waarom een dergelijke garantie niet te geven is, en welke aanvullende screening, achtergrondcontroles en informatie-uitwisseling met buitenlandse diensten u bereid bent in te voeren om dit risico zo dicht mogelijk bij nul te brengen? Indien blijkt dat dit – het risico drastisch reduceren – niet mogelijk is, bent u dan niet Russisch roulette met Nederlandse mensenlevens aan het spelen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid een concreet plan van aanpak naar de Kamer te sturen waarin wordt uiteengezet hoe (a) de fysieke beveiliging van Joodse, Israëlische en andere westerse instellingen in Nederland wordt versterkt, (b) grensoverschrijdende smokkel van wapens en explosieven richting Nederland wordt tegengegaan, (c) de monitoring van Hamas-gelieerde netwerken, werving en financieringsstromen in Nederland wordt geïntensiveerd, en (d) personen met een vastgesteld Hamas-profiel sneller kunnen worden aangehouden, hun verblijfsrecht kunnen verliezen of de toegang tot Nederland kan worden ontzegd? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer dit plan verwachten?
Het kabinet werkt reeds langs meerdere sporen aan de bestrijding van extremisme en terrorisme. Uw Kamer wordt over deze aanpak met verschillende producten geïnformeerd, zoals onder andere de Contraterrorismestrategie 2022–2026. Ten aanzien van de monitoring van dreigingen publiceert de NCTV halfjaarlijks het DTN en de AIVD jaarlijks het Jaarverslag. Ten aanzien van de beveiliging van instellingen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8. Daarnaast verwijs ik naar de beantwoording onder vraag 5 en 12 waarin de consequenties voor verblijf en het weigeren van toegang uiteen zijn gezet.
Bent u bereid te onderzoeken of het Nederlanderschap van personen met een vastgesteld Hamas-profiel kan worden ingetrokken op grond van bestaande terrorismewetgeving, en zo nodig met aanvullende wetgeving te komen om dit te vergemakkelijken?
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap reeds in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan op grond van artikel 14, tweede lid Rijkswet op het Nederlanderschap bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per casus wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. De intrekking van het Nederlanderschap gaat in de meeste gevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod door de IND. Hierna dient de persoon Nederland te verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat werving en financiering voor Hamas in Nederland, via stichtingen, verenigingen of onlineplatforms, met voorrang strafrechtelijk moet worden onderzocht en aangepakt? Welke concrete stappen onderneemt u op dit vlak, en bent u bereid de Kamer hierover periodiek te informeren?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek worden gestart en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst. Ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)10, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s. De onderzoekers constateren dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Bent u bereid om, samen met de Duitse Generalbundesanwalt en andere betrokken Europese partners, te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van Hamas-infrastructuur in Europa, inclusief gedeelde inlichtingen, gezamenlijke opsporingsteams en een gedeelde lijst van geïdentificeerde slapercellen en risicopersonen? Zo ja, op welke termijn en langs welke kanalen (Europol, Eurojust, bilateraal) wilt u dit vormgeven?
Hamas is een terroristische organisatie waar hard tegen moet worden opgetreden, zowel nationaal als internationaal. Zo staat Hamas op de EU sanctielijst terrorisme. Daarnaast is binnen deze sanctielijst sinds 19 januari 2024 een specifiek kader voor beperkende maatregelen opgezet, zodat EU-personen of entiteiten die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) ondersteunen, faciliteren of mogelijk maken, ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Internationale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen betrokken ketenpartners is van belang. Op operationeel niveau vindt nauwe samenwerking plaats tussen veiligheidspartners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ten behoeve van de kwaliteit van de beantwoording zijn de antwoorden op een aantal vragen geclusterd.
Het artikel 'Woningbouw blijft op slot ondanks stikstofingreep kabinet: Nieuwe steden zullen er niet komen' |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Woningbouw blijft op slot ondanks stikstofingreep kabinet: Nieuwe steden zullen er niet komen»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de aangekondigde stikstofmaatregelen voorlopig nauwelijks extra woningbouwprojecten zullen losmaken omdat de rekenkundige ondergrens niet wordt verhoogd?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. is het landelijke pakket aan maatregelen voor natuurherstel gepresenteerd. Dit pakket wordt juridisch geborgd en is gericht op het stapsgewijs en per gebied op gang brengen van vergunningverlening. Op die manier kan ook weer op juridisch houdbare wijze extra woningbouw gerealiseerd worden.
Daarnaast voert het kabinet zo snel mogelijk een juridisch houdbare, wetenschappelijke onderbouwde rekenkundige ondergrens in. Activiteiten met een beperkte stikstofneerslag hebben dan vaak geen vergunning meer nodig voor het onderdeel stikstof. Om tot een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens te komen, is nog een aantal stappen nodig. De invoering is nu uiterlijk eind 2027 voorzien.
Bent u op de hoogte van een notitie van het Economisch Instituut voor de Bouw waarin staat dat 96 procent van de woningbouwprojecten doorgang kan vinden bij een rekenkundige ondergrens van één mol? Hoe beoordeelt u deze analyse?2
Het rapport van het Economisch Instituut voor de Bouw (hierna: EIB) uit juli 2025 geeft een overzicht van de effecten van het invoeren van een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar op de vergunningverlening voor nieuwbouwwoningen. Mede daarom spant het kabinet zich in om uiterlijk eind 2027 een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren.
Ik wil daarbij wel opmerken dat het rapport nog uitgaat van een rekenkundige ondergrens van 1,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat alle projecten met een bijdrage van (voor afronding) 0,9949… mol/ha/jaar of minder onder de ondergrens vallen. Destijds was dit een logische aanname. In oktober 2025 heeft prof. Petersen zijn expertoordeel echter verduidelijkt.3 Sindsdien stuurt het kabinet aan op een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar, waarbij alle projecten met een bijdrage van (voor afronding) 0,49… mol/ha/jaar of minder onder de ondergrens vallen. Hierdoor zal het effect van de rekenkundige ondergrens op de woningbouw minder groot zijn dan het EIB veronderstelt.
Ook zie ik dat in het rapport kritiek wordt geuit op de Raad van State en wordt gesteld dat de invoering van een rekenkundige ondergrens ecologisch veilig en wetenschappelijk verantwoord is. In zijn analyse gaat het EIB echter voorbij aan de betekenis van Europese wetgeving, in het bijzonder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Hoewel het EIB terecht stelt dat de VHR geen specifieke rekenkundige ondergrens voor stikstofdeposities voorschrijft en de noodzaak benadrukt van een maatschappelijke belangenafweging, ontbreekt in zijn analyse aandacht voor de verplichting van de Nederlandse Staat de nodige maatregelen te treffen voor de instandhouding van de natuur en voor passende maatregelen om verslechtering van de natuur te voorkomen of tegen te gaan (artikel 6, eerste en tweede lid, Habitatrichtlijn). Met het pakket dat is gepresenteerd in de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw»4 geef ik onder andere invulling aan de verplichtingen uit de VHR.
Hoeveel woningbouwprojecten en hoeveel woningen zouden volgens de meest recente berekeningen van het kabinet eerder gerealiseerd kunnen worden indien de rekenkundige ondergrens op korte termijn wordt verhoogd naar één mol?
Als gevolg van de invoering van de rekenkundige ondergrens zullen de uitdagingen rondom stikstof voor woningbouwprojecten in veel gevallen worden opgelost, mits de invoering van de rekenkundige ondergrens op een juridisch houdbare manier gebeurt. Net als alle andere sectoren is de woningbouw niet gebaat bij een rekenkundige ondergrens die juridisch geen standhoudt. Zorgvuldigheid is daarom geboden.
Heeft u een overzicht van woningbouwlocaties die door de voorgenomen aanscherping van de stikstofaanpak alsnog vertraging oplopen of niet door kunnen gaan? Zo ja, kunt u deze in een bijlage aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen voegen?
Het kabinet heeft een ambitieus samenhangend pakket gepresenteerd waarmee Nederland op juridisch geborgde wijze gefaseerd van het stikstofslot kan gaan. Ook Bouwend Nederland onderschrijft dit standpunt van het kabinet.5 Het kabinet heeft geen signalen ontvangen die dit standpunt tegenspreken.
Bent u bekend met signalen van gemeenten dat woningbouwlocaties nabij Natura 2000-gebieden door de aangekondigde maatregelen extra risico lopen op vertraging of afstel? Zo ja, welke signalen heeft u ontvangen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, heb ik dergelijke signalen van specifieke woningbouwplannen niet ontvangen, ook niet specifiek voor de zones. Woningbouwprojecten nabij Natura2000-gebieden blijven ruimtelijk mogelijk, uiteraard mits wordt voldaan aan de geldende regelgeving.
Het samenhangende pakket van het kabinet zorgt daarnaast dat vergunningverlening stapsgewijs weer mogelijk wordt. Het invoeren van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens zal aanvullende mogelijkheden bieden voor een groot deel van de woningbouwprojecten.
Deelt u de zorg dat Nederland dreigt te belanden in een situatie waarin niet langer politieke keuzes, maar juridisering en steeds strengere interpretaties van regelgeving leidend worden voor de volkshuisvesting? Zo nee, waarom niet?
Nee, die zorg deel ik niet. Bestaande regelgeving is binnen de kaders van de Nederlandse democratische rechtstaat tot stand gekomen. De rechter toetst besluiten van de overheid aan deze regels. Op die manier borgt de rechtsstaat de bescherming tegen willekeur en dat de overheid zich aan haar eigen wetten en internationale verdragen houdt.
Hoe verhoudt het uitstellen van de verhoging van de rekenkundige ondergrens zich tot de ambitie om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen? Acht u de ambitie na de recente kritiek nog steeds haalbaar?3
Zoals ik in eerdere antwoorden heb aangegeven, heeft het kabinet een ambitieus pakket gepresenteerd waarmee enerzijds gefaseerd vergunningverlening opnieuw mogelijk wordt en anderzijds zo snel mogelijk een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens ingevoerd kan worden. Ik verwacht dat dit een positieve bijdrage levert aan het realiseren van 100.000 woningen per jaar.
Erkent u dat er een verschil is tussen de rekenkundige ondergrens (in Aerius) en een drempelwaarde? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de rekenkundige ondergrens in aerius dat en wat weerhoudt u er dan van deze zo snel mogelijk te verhogen?
Ja, er is een wezenlijk verschil tussen de rekenkundige ondergrens en een drempelwaarde. Een rekenkundige ondergrens ziet op de wetenschappelijke limitatie van het model, terwijl een drempelwaarde aangeeft wat politiek/beleidsmatig toelaatbaar wordt geacht. Zoals in mijn eerdere beantwoording aangegeven, vindt het kabinet het van belang dat de invoering van een rekenkundige ondergrens op een juridisch houdbare manier gebeurt. Daarvoor zijn in ieder geval eerst nog voldoende beheersmaatregelen nodig, zoals ook geadviseerd door professoren Backes en Petersen.7 Als de beheersmaatregelen eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes.
Klopt het dat u verwacht dat pas na aanvullende jurisprudentie meer duidelijkheid ontstaat over de juridische houdbaarheid van een hogere ondergrens? Zo ja, waarom bent u die mening toegedaan? En hoe verhoudt dit zich tot Duitsland?
De grootste zekerheid over de juridische houdbaarheid van de rekenkundige ondergrens komt uit het volledig doorlopen van een juridische procedure waar de ondergrens onderdeel van is. Juridische zekerheid is maximaal als de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State de toepassing van de rekenkundige ondergrens als zodanig accepteert.
Het kabinet is echter overtuigd van de voorliggende onderbouwing en wil daarom zo snel mogelijk overgaan tot invoering van de rekenkundige ondergrens, ook als een dergelijke uitspraak van de Afdeling nog niet is gegeven. Zoals eerder aangegeven is er nog wel een aantal andere stappen nodig voordat de rekenkundige ondergrens houdbaar kan worden ingevoerd. Tegelijk wordt ook nog geprobeerd een geschikte procedure te vinden om de rekenkundige ondergrens snel juridisch te laten toetsen.
Bent u bereid om nog dit jaar met voorstellen te komen om de rekenkundige ondergrens te verhogen, zodat Programma Aanpak Stisktof (PAS)-melders kunnen worden gelegaliseerd en woningbouwprojecten niet langer onnodig op stikstof vastlopen?
Zoals aangekondigd in mijn brief van 26 juni jl. is het kabinet voornemens om zo snel mogelijk, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren. Parallel ben ik met een pakket aan maatregelen gekomen voor onder andere natuurherstel en is het Programma Maatwerkaanpak PAS-melder vastgesteld. Momenteel wordt een spoedwet opgesteld met daarbij een programma van maatregelen, waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden afgewezen. Deze stappen samen zullen onder meer PAS-melders en de woningbouw helpen.
In hoeverre is het uitblijven van een verhoging van de rekenkundige ondergrens een politieke keuze van het kabinet zelf en niet een rechtstreeks gevolg van Europese regelgeving? Mocht het een rechtstreeks gevolg van Europese regelgeving zijn kunt u dan de uitspraak van de hoogste Duitse bestuursrechter die de grens van 21 mol per hectare per jaar recent opnieuw bekrachtigd heeft, weerleggen?
Het kabinet kiest ervoor om de rekenkundige ondergrens op een zorgvuldige manier in te voeren. Voor de Nederlandse situatie acht het kabinet het, op basis van wetenschappelijke adviezen, noodzakelijk om eerst voldoende beheersmaatregelen te nemen, voordat overgegaan kan worden op invoering van de rekenkundige ondergrens. Daar wordt op dit moment samen met de provincies met voorrang aan gewerkt.
De Duitse context en systematiek voor natuurvergunningverlening is anders dan de Nederlandse. Er kunnen daarom niet zonder meer parallellen getrokken worden. Bij de onderbouwing van de rekenkundige ondergrens zoals die nu voorligt, zijn de Duitse ervaringen wel betrokken.
Klopt het dat Artikel 2, lid 3 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) lidstaten oproept om bij het stikstofbeleid rekening te houden met economische, sociale en culturele en lokale belangen? Zo ja, waarom houdt u hier geen rekening mee en maakt het boeren en woningbouw kapot?
Artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn schrijft voor dat bij het nemen van maatregelen rekening gehouden dient te worden met economische, sociale en culturele vereisten en lokale bijzonderheden. Dit geldt als een algemene richtlijn voor het nationale beleid, maar is niet bedoeld niet om specifieke, dwingende voorschriften voor de lidstaten uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn (onder meer het treffen van de nodige instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen om verslechtering van de natuur te voorkomen) opzij te kunnen schuiven.
Het kabinet is zich bewust van de grote belangen van de woningbouw en de agrarische sector. Juist om te voorkomen dat de vergunningverlening volledig op slot gaat, heeft het kabinet in juni een pakket aan stikstof-reducerende maatregelen aangekondigd in de vorm van een samenhangend pakket met het doel om enerzijds de vergunningverlening voor (onder meer de) boeren en de bouw los te trekken en anderzijds om de natuur te herstellen.
Welk concreet risico acht u groter: een juridische procedure of het jarenlang uitblijven van tienduizenden woningen voor starters, gezinnen en ouderen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn reactie op vraag 8, verwacht ik dat dit ambitieuze pakket een positieve bijdrage levert aan de ambitie van de realisatie van 100.000 woningen per jaar. Om deze woningen daadwerkelijk te realiseren is wel een juridische houdbare vergunning noodzakelijk. Verder benadruk ik dat in onze democratische rechtstaat de toegang tot de rechter open moet staan. Juridische procedures zijn een belangrijk onderdeel van de rechtstaat.
Kunt u toezeggen om in een bijlage bij deze schriftelijke vragen uitvoerig in te gaan op de juridische en politieke redenen waarom de rekenkundige ondergrens op dit moment niet kan worden verhoogd inclusief een weerlegging van de casus voor een ondergrens van één mol per hectare per jaar voor stikstofdeposities en een verdediging van het advies van de Raad van State (Kamerstuk 35 0334, nr. 393) (Kamerstuk 35 334, nr. 399)?4
In de beantwoording van een aantal vragen hierboven ben ik reeds ingegaan op de planning en noodzakelijke tussenstappen tot invoering van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens.
Daarnaast verwijs ik naar onder meer de kamerbrief «Voortgang op de wetswijziging alternatief voor de KDW en de rekenkundige ondergrens»9 waarin mijn voorganger is ingegaan op de destijds nog te nemen stappen. Deze stappen zijn onder meer opgepakt via de adviesvraag die is gedaan naar prof. Backes en prof. Petersen10. Deze reflectie is een belangrijke reden dat het kabinet eerst beheersmaatregelen ontwikkelt, voordat de rekenkundige ondergrens wordt ingevoerd.
Tot slot verwijs ik naar de kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Hierin presenteert het kabinet een samenhangende aanpak aan stikstof-reducerende maatregelen, waarin de rekenkundige ondergrens een belangrijke rol speelt. Om over te kunnen gaan op invoering van de rekenkundige ondergrens zijn echter nog een aantal stappen te zetten. Deze worden in de komende tijd uitgewerkt, samen met provincies en andere medeoverheden. Het kabinet vertrouwt erop dat daarmee de rekenkundige ondergrens op een zorgvuldige manier uiterlijk het vierde kwartaal van 2027 kan worden ingevoerd, of spoediger indien mogelijk. Hiervoor onderzoeken we ook de snellere route van directe implementatie in de provinciale omgevingsverordening.
Klopt het dat u tijdens het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof aangaf dat de aangekondigde zoneringsaanpak niet ziet op woningbouwvergunningen maar op emissiereductie bij landbouw en industrie? Kunt u toezeggen dat deze zonering nooit onderdeel wordt van de vergunningverlening voor woningbouwprojecten? Indien u dat niet kunt, betekent dit dan dat u verkeerde info tijdens het debat gegeven heeft?
In dit debat heb ik aangegeven dat de Rijksinstructieregels voor de zoneringsaanpak niet toezien op woningbouw. De samenhangende aanpak van het hele pakket, waaronder de zonering, moet er juist toe leiden dat er weer meer ruimte komt voor onder meer woningbouw. In zoverre wil ik juist wel dat de aanpak onderdeel wordt van de natuurvergunningverlening van (woningbouw)projecten. Niet als beperking, maar als onderbouwing zodat het woningbouwproject kan doorgaan omdat er voldoende maatregelen worden genomen voor natuurbehoud. Ik merk daarbij op dat voor elk project een concrete toets moet worden verricht aan de geldende wet- en regelgeving, waaronder op het gebied van natuurbescherming.
Kunt u tevens uitsluiten dat provincies, gemeenten, omgevingsdiensten of rechters deze zones in de praktijk zullen betrekken bij vergunningverlening voor woningbouw?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 16 wil ik dat de aanpak onderdeel wordt van de onderbouwing dat onder andere woningbouwprojecten weer doorgang kunnen vinden. De beoordeling van nieuwe projectaanvragen, bijvoorbeeld voor woningbouw, blijft daarbij aan het betreffende bevoegd gezag.
Kunt u toezeggen om deze vragen binnen drie weken te beantwoorden?
Vanwege het reces is deze termijn helaas niet gehaald.
‘Eerste islamitische basisschool in Groningen bereidt zich voor op opening: geen Sinterklaas, wel Suikerfeest’ |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Wanneer wordt u eindelijk wakker en erkent u dat de opening van een islamitische basisschool in Groningen, waar de Koran en de Soenna uitdrukkelijk als grondslag en leidraad gelden, opnieuw bijdraagt aan de islamisering van het Nederlands onderwijs, gefinancierd met Nederlands belastinggeld?1
Op de website laat Stichting NOOR, het schoolbestuur van de nieuwe islamitische basisschool in Groningen, weten dat de Koran en Soenna de pilaren vormen van het doen en laten. Dit mag, zolang het schoolbestuur zich tegelijkertijd houdt aan alle relevante wettelijke eisen, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs. Dat betekent onder andere dat een school onder leerlingen kennis en respect bevordert van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging.
Wat vindt u ervan dat deze islamitische basisschool in Groningen openlijk verklaart dat de Koran en de Soenna richtinggevend zijn voor het onderwijs en bent u het ermee eens dat dit een pure haatideologie is, vol met geweld, vrouwenhaat en jodenhaat en een regelrechte oorlogsverklaring aan onze Nederlandse vrijheid en identiteit?
Nee, dat ben ik niet met uw leden eens. Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Kunt u garanderen dat leerlingen daar niet worden geconfronteerd met opvattingen over vrouwen, Joden, homoseksuelen, geloofsafvalligen en ongelovigen die haaks staan op de Nederlandse vrijheden en de democratische rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
In Nederland hebben we de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder andere van scholen vraagt dat hun onderwijs in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Scholen mogen geen opvattingen uitdragen die haaks staan op onze democratische rechtsstaat. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven.
Deelt u de mening dat het krankzinnig is dat we met Nederlands belastinggeld een school financieren, waarin de barbaarse Koran en de leer van Mohammed de basis vormen, terwijl diezelfde teksten oproepen tot onderwerping, jihad en de vernietiging van onze Westerse beschaving? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van islamitische basisscholen, zoals van alle scholen, dat ze leerlingen onderwijzen in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wet naleven. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit.
Waarom staat u toe dat de Koran en de Soenna als leidraad dienen op een basisschool bekostigd door de overheid en hoe voorkomt u dat kinderen worden geïndoctrineerd met de barbaarse totalitaire, middeleeuwse ideologie die haaks staat op alles waar Nederland voor staat?
Zie mijn antwoorden op vraag 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat deze school geen Sinterklaas en Kerstmis viert, maar wel het Suikerfeest en hoe duidelijk moet het nog voor u worden voordat u erkent dat hier geen sprake is van integratie, maar het creëren en versterken van een islamitische parallelle samenleving?
Welke feestdagen op school worden gevierd, mogen scholen zelf bepalen. Voor alle scholen geldt de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, onder meer in godsdienst en levensovertuiging. Leerlingen moeten in contact worden gebracht met gebruiken en perspectieven van buiten de eigen traditie om te voorkomen dat parallelle samenlevingen ontstaan. De inspectie ziet erop toe dat scholen en besturen de wettelijke burgerschapsopdracht naleven.
Bent u bereid alles in het werk te stellen om te voorkomen dat deze school aan het nieuwe schooljaar begint? Zo nee, waarom niet?
Nee, hiertoe ben ik niet bereid. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt, onder meer, de vrijheid om scholen te stichten, ook met een eigen religieuze of levensbeschouwelijke grondslag. Deze vrijheid komt aan iedereen toe,
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria, waaronder ook een kwaliteitstoets door de inspectie op de deugdelijkheidseisen. Daaronder valt bijvoorbeeld de eis dat school moet kunnen voldoen aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Bij iedere nieuwe school voert de inspectie al in het eerste jaar na de start van de school een volledig kwaliteitsonderzoek uit. Daarin controleert de inspectie of de school, behalve op papier, ook in de praktijk aan alle wettelijke eisen voldoet.