Hogere CO₂-uitstoot door de export van Nederlandse elektriciteit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland exporteert voor miljard euro naar buren dankzij zonnepanelen en gascentrales»1?
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 voor het vierde jaar op rij netto-exporteur van elektriciteit was?
Ja. Dit blijkt uit de recent gepubliceerde Annual Market Update 2025 door TenneT.2
Klopt het dat de netto-export van elektriciteit in 2025 circa 14 TWh bedroeg en een waarde vertegenwoordigde van meer dan één miljard euro? Zo nee, welke cijfers hanteert het kabinet?
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van de in 2025 geëxporteerde elektriciteit is opgewekt met welke energiebron?
Nee, dat onderscheid is niet te maken.
Kunt u uitsplitsen hoe de kosten en baten van elektriciteitsexport zijn verdeeld over de verschillende stakeholders, waaronder netbeheerders, producenten, de industrie, huishoudens en de Staat? Kortom, wat is de totale (maatschappelijke) balans van de export van elektriciteit?
Nee, een dergelijke uitsplitsing en het geven van een totale (maatschappelijke) balans is niet mogelijk. Voor zover de elektriciteitsexport opwek uit gas- of kolencentrales zou betreffen, staan in de totale (maatschappelijke) balans voor de producent tegenover de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit, ook de kosten van de inkoop van gas of kolen voor die opwek en de kosten van de benodigde emissierechten. Die totale kosten worden bij export doorberekend aan de klanten in het buitenland.
Klopt het dat de toegenomen elektriciteitsexport niet alleen samenhangt met extra zonneproductie, maar juist ook met extra productie uit gascentrales en kolencentrales?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is het onderscheid naar energiebron van de export niet te maken. Wel weten we dat de toename van de gehele productie ten opzichte van 2024 bestaat uit opwekking via gascentrales (+4.7 TWh), zonne-energie (+3.7 TWh) en kolencentrales (+2.4 TWh).
Klopt het dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse stroomproductie is gestegen van circa 23 megaton naar circa 25 megaton? Zo ja, welk deel van deze stijging is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export?
Ja, dat klopt. De in het antwoord op vraag 2 genoemde Annual Market Update van TenneT verklaart de toename in CO2-uitstoot vooral door meer opwek uit kolen. Tegelijk is, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, het onderscheid naar energiebron van de geëxporteerde elektriciteit en daarmee naar CO2-uitstoot niet te maken. Het is daarmee niet duidelijk welk deel van de stijging in CO2-uitstoot is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export
Telt de CO2-uitstoot van in Nederland opgewekte elektriciteit die vervolgens wordt geëxporteerd volledig mee in de Nederlandse emissiecijfers en bij de Nederlandse klimaatdoelen?
Ja.
Acht u het wenselijk dat Nederland de CO2-uitstoot draagt van elektriciteitsproductie die uiteindelijk in het buitenland wordt verbruikt?
Dit is een inherent onderdeel van het Europese systeem en de wijze waarop de elektriciteitsmarkt is ingericht. Deze geïntegreerde elektriciteitsmarkt zorgt voor meer zekerheid op energievoorziening, lagere prijzen voor consumenten en bedrijven, en efficiënter gebruik van infrastructuur en investeringen. In dit geval kan het ook zorgen voor uiteindelijk minder CO2-uitstoot in Europa als geheel, omdat hierbij geldt dat de Nederlandse centrales over het algemeen minder uitstoten dan de inefficiëntere kolen- of gascentrales uit andere Europese landen.
Wie betaalt uiteindelijk de extra kosten van de CO2-uitstoot die ontstaat doordat Nederlandse gas- en kolencentrales elektriciteit produceren voor export naar het buitenland?
Alle gas- en kolencentrales in de EU betalen zelf voor hun CO2-uitstoot. Omdat gas- en kolencentrales dit doorberekenen in de prijs waartegen zij elektriciteit verkopen, betalen dus uiteindelijk de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de CO2 van de productie die wordt geëxporteerd.
Klopt het dat de gemiddelde Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen naar circa 87 euro per MWh, mede door hogere CO2-prijzen en hogere gasprijzen? Welk aandeel van deze prijsstijging is toe te rekenen aan CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit?
Ja, het klopt dat de Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen tot ca. 87 euro per MWh. Omdat de elektriciteitsprijzen in Nederland op een Europese elektriciteitsmarkt tot stand komen, zijn de CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit niet specifiek aan deze prijsstijging toe te rekenen. De CO2-prijs varieert door het jaar heen, maar was gemiddeld in 2025 € 74 per ton CO2. Deze gemiddelde CO2-prijs verhoogt de elektriciteitsprijs op de Europese elektriciteitsmarkt met circa € 30 per MWh als gascentrales de prijs zetten en met circa € 60 per ton als kolencentrales dit doen. Zoals in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, betalen de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de ETS-kosten van elektriciteit die wordt geëxporteerd naar hun land.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse huishoudens en bedrijven via hogere elektriciteitsprijzen, nettarieven, belastingen, heffingen of indirecte ETS-kosten meebetalen aan de productie van elektriciteit die naar het buitenland wordt geëxporteerd?
Via de SDE++ is subsidie beschikbaar voor de opwek van elektriciteit. Hier betalen Nederlandse gebruikers via belastingen aan mee. Een deel van deze elektriciteit kan ook worden geëxporteerd. Daartegenover staat dat Nederland op veel momenten ook stroom uit andere landen importeert die soms daar gesubsidieerd is. Het systeem werkt dus beide kanten op. Voor de ETS kosten op het gebruik van fossiele brandstoffen geldt dat die, zoals hierboven in het antwoord op vraag 10 is geschetst, worden doorberekend aan de gebruiker, waar die zich ook bevindt.
Kunt u inzichtelijk maken hoe de ETS-kosten bij elektriciteitsproductie voor export precies worden doorberekend?
Gas- en kolencentrales zullen de ETS-kosten meenemen bij de prijs waarvoor zij bereid zijn elektriciteit te verkopen. Bij verkoop op de beurs van de zogenoemde day ahead market weten deze producenten niet aan wie zij de elektriciteit verkopen en dus ook niet of de elektriciteit in Nederland of daarbuiten verbruikt wordt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De motie Veltman (Kamerstuk 36563, nr. 11) |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met motie-Veltman over het aanpassen van het Besluit capaciteitsverdeling om juridisch bindende kaderovereenkomsten mogelijk te maken die spoorvervoerders meerjarige zekerheid bieden, voor nationale én internationale treinverbindingen?1
Ja.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van deze motie? Welke concrete stappen zijn inmiddels gezet richting ProRail en wanneer verwacht u uitgewerkte voorstellen en een concreet tijdpad met de Kamer te kunnen delen?
ProRail heeft een onderzoek uitgevoerd waarin zij enkele aanbevelingen doet om juridisch bindende kaderovereenkomsten mogelijk te maken. Het onderzoeksrapport is half mei opgeleverd en 2 juni aan de Tweede Kamer verstuurd. ProRail is, zoals zij in het rapport stelt, reeds aan de slag gegaan met de uitkomsten van het rapport. IenW is in gesprek met ProRail over de vervolgstappen die samen gezet kunnen worden.
Welke mogelijkheden bestaan binnen de huidige Nederlandse regelgeving om spoorvervoerders meerjarige zekerheid te bieden over toegang tot capaciteit op het spoor? Acht u deze mogelijkheden toereikend voor investeringen in nationale én internationale treinverbindingen?
Er bestaan binnen de huidige Nederlandse wet- en regelgeving mogelijkheden om spoorvervoerders meerjarige zekerheid te bieden over toegang tot capaciteit op het spoor, voornamelijk voor internationaal personenvervoer. Het is echter aan geldverstrekkers om te beoordelen of de zekerheid over toegang tot capaciteit toereikend is voor investeringen. Ook bedrijfseconomische aspecten, vervoersprognoses of macro-economische omstandigheden kunnen meespelen bij het al dan niet doen van een investering.
Deelt u de opvatting dat meerjarige zekerheid over spoorcapaciteit van groot belang is voor investeringen in (inter)nationaal spoorvervoer, mede gezien de lange levertijden van nieuw treinmaterieel? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In hoeverre klopt het dat in andere Europese landen, waaronder Frankrijk, reeds wordt gewerkt met zogenoemde framework agreements of vergelijkbare meerjarige capaciteitsafspraken? Welke lessen kunnen daaruit worden getrokken voor Nederland?
Meerdere Europese infrastructuurbeheerders werken met framework agreements of meerjarige capaciteitsafspraken. Lessen die daaruit getrokken kunnen worden voor Nederland heeft ProRail in haar rapport opgenomen. In het algemeen geldt dat de karakteristieken van het Nederlandse spoornet ertoe leiden dat de Nederlandse situatie niet een-op-een te vergelijken is met een land als Spanje, Frankrijk of Duitsland. Desalniettemin kan geleerd worden van onder meer de manier waarop de kaderovereenkomsten vormgegeven worden en hoe de overeenkomsten in de markt worden gezet. Ook kan geleerd worden van de manier hoe wordt toegezien op de naleving van de overeenkomsten.
Hoe beoordeelt u het huidige systeem van capaciteitsverdeling als het gaat om het bieden van voldoende zekerheid aan nieuwe toetreders en private aanbieders van (inter)nationale treinverbindingen? Waar zitten volgens u de belangrijkste knelpunten?
ProRail doet in haar rapport enkele constateringen en aanbevelingen op het gebied van capaciteitsverdeling. Deze aanbevelingen worden meegenomen bij de implementatie van de verordening spoorweginfrastructuurcapaciteit en het opstellen van de nationale beleidssturing («strategic guidance») die onder die verordening aan ProRail kan worden gegeven.
In hoeverre kunnen kaderovereenkomsten bijdragen aan een beter gebruik van bestaande infrastructuur, waaronder de HSL-Zuid (hogesnelheidslijn), en aan het versterken van internationale treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten?
Kaderovereenkomsten kunnen op internationale verbindingen een positieve bijdrage leveren aan een beter gebruik van bestaande infrastructuur en het versterken van internationale treinverbindingen als alternatief voor korteafstandsvluchten.
Hoe verhoudt de ontwikkeling van kaderovereenkomsten zich tot de ambitie om ruimte te bieden aan innovatieve en nieuwe aanbieders op het spoor?
Kaderovereenkomsten zouden voor innovatieve en nieuwe aanbieders mogelijk een positieve bijdrage kunnen leveren in het verkrijgen van financiering en het afdekken van een deel van het bedrijfsrisico.
Deelt u de opvatting dat verdere Europese harmonisatie van capaciteitsverdeling kan bijdragen aan betrouwbaardere en eenvoudiger te organiseren internationale treinverbindingen? Welke inzet kiest Nederland hierin richting Europa?
Ja, die opvatting deel ik. In Europa pleit Nederland voor een harmonisering van wet- en regelgeving aangaande internationale kaderovereenkomsten. Dit gebeurt onder andere in de EU SERAF-werkgroep aangaande kaderovereenkomsten en in gesprekken met mijn buitenlandse collega’s. Ook wordt met de verordening capaciteitsmanagement de harmonisering van capaciteitsverdelingsregels beoogd. Hierover is de Kamer 2 juni per brief geïnformeerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Spoor van 3 juni 2026?
Ja.
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Onthullingen in Nieuws van de Dag betreffende de mogelijkheid bij de NPO om tv-fragmenten met Pim Fortuyn te blokkeren zodat deze niet uitgezonden kunnen worden. |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 waarin presentator Thomas van Groningen onthulde dat personen die figureren in tv-fragmenten met Pim Fortuyn, de mogelijkheid hebben om in het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid aan te geven dat voor hen pijnlijke passages niet uitgezonden mogen worden en dit dan ook niet gebeurt?
Ja.
Klopt volgens u de bewering van Van Groningen dat het fragment waarin oud-politicus Marcel van Dam tegen Pim Fortuyn zegt dat hij een «buitengewoon minderwaardig mens» is, is geblokkeerd en dat dit het geval is met «heel veel van dit soort fragmenten» met Pim Fortuyn?
Nee, dat is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context, voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Deelt u de mening dat als dit fragment (of welk fragment dan ook) inderdaad op verzoek van Marcel van Dam (of van wie dan ook) niet meer mag worden uitgezonden, dit vanuit journalistiek oogpunt bijzonder ongewenst is?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor hergebruik kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke exceptie valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij een nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op de veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade bij de verstrekking van de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkade het materiaal en de metadata te bekijken blijven. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Meent u dat er een einde zou moeten komen aan de praktijk van een veto uitspreken over het uitzenden van tv-fragmenten, door personen die liever niet herinnerd worden aan een optreden in relatie tot Fortuyn of eventuele andere persoonlijkheden/onderwerpen, en zo ja, bent u bereid dit aan de orde te stellen bij de NPO?
Nee, naar mijn mening is geen sprake van dergelijke veto’s. Voor blokkeringen of licentiebeperkingen van materiaal dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
Ik vind het daarnaast van belang om nogmaals te benadrukken dat het percentage geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag is. Een besluit van de omroep als rechthebbende om geen licentie te verstrekken voor het hergebruik van materiaal wordt genomen na een zorgvuldige afweging tussen het belang van hergebruik en de overige relevante omstandigheden, zoals het belang van een betrokkene.
Zijn er volgens u situaties denkbaar waarbij een persoon met recht bezwaar zou kunnen maken tegen het herhalen van fragmenten die zich in het archief bevinden van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het hergebruik van materiaal beperkt kan worden op verschillende gronden.
Aangezien iedere Nederlander onvrijwillig meebetaalt aan de NPO, acht u het gepast om dan materiaal dat van ons allemaal is, te cureren, censureren, blokkeren of anderszins niet publiek beschikbaar te maken danwel houden?
Zoals ik onder antwoord 3 al heb aangegeven, streven omroepen ernaar om materiaal waarvan zij de rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Dit vinden zij passend gezien de publieke taak die zij uitvoeren. Dit uitgangspunt deel ik. Omroepen maken een zorgvuldige afweging bij het verstrekken van licenties. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Bovenstaande sluit niet uit dat er gronden kunnen zijn waarop omroepen besluiten om een licentie niet te verstrekken.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel fragmenten uit het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid op verzoek van betrokkenen zijn geblokkeerd, afgeschermd of anderszins beperkt in hergebruik, en in hoeveel gevallen dit politiek of maatschappelijk relevante uitzendingen betreft?
Nee. Beeld & Geluid beoordeelt niet of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kunnen maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zou uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het zoekportaal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Kunt u inzichtelijk maken welk orgaan binnen de NPO verantwoordelijk is voor dergelijke censuur en welke overwegingen en criteria gehanteerd worden bij het inwilligen van verzoeken tot moderatie dan wel censuur?
Ik deel niet de mening dat hier sprake is van censuur. Zoals ik eerder heb aangegeven, streven omroepen ernaar om fragmenten waarvan zij rechthebbende zijn, zo veel mogelijk vrij te geven. Zie het antwoord op vraag 3 voor de gronden en overwegingen die een rol spelen bij een besluit om een licentie voor hergebruik niet te verstrekken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en 2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze sancties zijn opgelegd?
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm in wet- en regelgeving?
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende therapeuten met zich meebrengt?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties, te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het 'Oranje Boekje' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer het zogenaamde «Oranje Boekje» met werkinstructies voor medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) toegestuurd krijgen (of in vertrouwen inzien)?
Ja. Het «Oranje Boekje» (21 maart 2025) is als bijlage bij dit antwoord gevoegd. In het «Oranje Boekje» zijn bepalingen in de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid en het Besluit coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid uitgewerkt in beleidsregels en instructies voor de uitvoering. Het doel van het Oranje Boekje is medewerkers van de NCTV een handreiking te bieden voor een juiste en consistente uitvoering van de bij wet vastgelegde coördinatietaak. Voorbeelden met betrekking tot het interne administratieve proces, alsmede voorbeelden van producten en taakvelden die inzicht geven in aandachtsgebieden van de NCTV worden in het belang van het goed functioneren van de Staat niet aan eenieder openbaar gemaakt. Deze passages kunnen door uw Kamer vertrouwelijk worden ingezien.
Het huidige bezoek van de minister aan Egypte. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke doelen heeft u gesteld aan uw bezoek aan Egypte?
Egypte is een belangrijke strategische partner voor Nederland in de regio. Mijn bezoek bood de gelegenheid voor verdieping van onze bilaterale relatie op thema’s als handel, migratiesamenwerking en humanitaire hulp.
Onderdeel van mijn bezoek was o.a. een succesvolle handelsmissie op tuin- en akkerbouw die bijdroeg aan kansen voor het Nederlands bedrijfsleven, maar ook als doel had nader inzicht te krijgen in de economische en maatschappelijke uitdagingen waar Egypte momenteel voor staat. Ook bood mijn bezoek de gelegenheid de samenwerking op het gebied van water verder te verdiepen, o.a. door betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven een impuls te geven. Nederland en Egypte vieren dit jaar 50 jaar watersamenwerking.
Mijn bezoek was ook een goede gelegenheid voor het bevestigen van de goede bilaterale migratiesamenwerking met Egypte als migratiepartnerland. Egypte is een belangrijk herkomst- en transitland voor migranten en vangt veel vluchtelingen op.
Een ander doel van dit bezoek was steun uitspreken voor de rol die Egypte speelt bij het leveren van humanitaire hulp aan Gaza. Ik heb ook de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza en het belang van humanitaire toegang benadrukt.
Spreekt u tijdens uw bezoek ook over de situatie van Soedanese en Palestijnse vluchtelingen waaronder medische evacuees en andere vluchtelingen die in Egypte verblijven? Zo ja, met welke insteek en doel?
Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende partijen gesproken over de situatie van vluchtelingen in Egypte. Egypte speelt een belangrijke rol bij de opvang van vluchtelingen uit de regio. Onderwerpen hierbij waren onder andere de impact van de recente ontwikkelingen in Soedan en het Midden-Oosten en de visie en verwachtingen van Egypte ten aanzien van de vluchtelingenrespons. Ik heb in die gesprekken ook de kwetsbare positie van vluchtelingen aan de orde gesteld. Tevens heb ik besproken hoe de Nederlandse inzet bijdraagt aan de situatie van vluchtelingen in Egypte, waar er momenteel nog uitdagingen liggen, en hoe we de samenwerking kunnen versterken. Een voorbeeld van deze Nederlandse inzet is het PROSPECTS partnerschap, dat beoogt onder meer Soedanese vluchtelingen en hun gastgemeenschappen in Egypte toegang te geven tot bescherming en basisdiensten zoals onderwijs. Daarnaast steunt Nederland Save the Children, dat in Egypte werkt aan de bescherming van kinderen van vluchtelingen en behandeling van ongeveer 600 patiënten, voornamelijk kinderen, uit Gaza. Deze patiënten en hun begeleiders krijgen medische behandeling in private klinieken, inclusief noodzakelijke nazorg voor psychosociale zorg, prothesen en fysiotherapie. Ik heb de Palestijnse medische evacuees uit Gaza en hun begeleiders gesproken om inzicht te krijgen in hun ervaringen.
Is aan u bevestigd dat er Palestijnse kinderen zijn die om medische redenen naar Egypte zijn geëvacueerd maar daar geen hoog-specialistische zorg kunnen ontvangen? Bent u voornemens extra hulp(inzet) voor deze kinderen en hun families beschikbaar te stellen, en indien dat niet in de mogelijk is, medische evacuatie naar Nederland als optie toe te voegen?
Tijdens mijn bezoek aan Egypte heb ik een beter eigen inzicht gekregen van de situatie van patiënten, waaronder kinderen, uit Gaza die voor een medische behandeling in Egypte verblijven. Duidelijk is dat Egypte een essentiële rol speelt in de medische hulpverlening aan patiënten uit Gaza. Van alle landen uit de regio vangt Egypte het grootste aantal medische evacuees uit Gaza op.
Nederland draagt middels diplomatieke inzet en een additionele bijdrage van EUR 25 miljoen bij aan de versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. Financiële middelen worden via onze vaste humanitaire partners, zoals de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, de Dutch Relief Alliance en VN-organisaties, ingezet ter ondersteuning van zowel de acute als structurele medische capaciteit in Gaza en de regio.
Samen met deze organisaties blijft het kabinet kijken welke stappen het verder kan nemen ter versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. De observaties tijdens mijn bezoek aan Egypte neem ik daarin mee. In lijn met mijn inbreng hierover tijdens het Commissiedebat Humanitaire Hulp van 9 april jl. is uw Kamer toegezegd dat in deze afweging de optie van een medische evacuatie van patiënten net buiten Gaza ook meegenomen kan worden.
Aangezien het een groep kwetsbare patiënten betreft, wil het kabinet deze afweging in alle zorgvuldigheid doen. U wordt hierover zo snel als mogelijk geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van de Verenigde Naties (VN) en verschillende humanitaire organisaties op de opvang en behandeling van vluchtelingen uit onder meer Soedan in Egypte? Zo ja, wat is uw reactie? Bent u het met ons eens dat opvang van vluchtelingen humaan moet zijn en hoe verhoudt zich dat tot deze kritiek?1
Ja. Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende organisaties gesproken over de opvang en behandeling van vluchtelingen in Egypte. Deze organisaties hebben hun zorgen met mij gedeeld. In mijn gesprekken met de Egyptische autoriteiten heb ik waardering uitgesproken voor het feit dat Egypte zoveel vluchtelingen langdurig opvangt. Daarbij heb ik echter ook opgeroepen tot een humane aanpak, met name waar het gaat om detentie of uitzetting van kinderen. De autoriteiten zegden toe naar schrijnende situaties, zoals het scheiden van gezinnen, te zullen kijken. Onze PROSPECTS partners zijn goed gepositioneerd om hierbij te ondersteunen, ondermeer bij de ontwikkeling van het Egyptische asielsysteem.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om de resterende miljarden uit het Europese financiële steunpakket voor Egypte pas vrij te geven als wordt toegezegd dat de rechten van Soedanese vluchtelingen zullen worden gerespecteerd?
Egypte ligt in een regio getekend door conflict en vangt al jaren heel veel vluchtelingen op, terwijl het land zelf vele uitdagingen kent. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de positie van vluchtelingen bij aanhoudende conflicten en toenemende noden. Nederland ondersteunt Egypte om het waardig opvangen van vluchtelingen mogelijk te maken door o.a. het PROSPECTS programma. Dit gaat gepaard met de verwachting dat Egypte vluchtelingen daadwerkelijk bescherming biedt.
Nederland benadrukt, zowel bilateraal als in multilateraal en EU verband, richting Egypte dat behandeling van migranten en vluchtelingen in lijn met internationaal recht en mensenrechten moet plaatsvinden. In lijn met motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3199) bepleit Nederland dat een deel van de EUR 200 miljoen onder het EU partnerschap die is gereserveerd voor migratiesamenwerking besteed moet worden aan de verbetering van bescherming en opvang van asielzoekers en vluchtelingen. Ook in de verdere uitwerking van het EU partnerschap met Egypte zal Nederland aandacht blijven vragen voor de meest kwetsbaren, zoals vluchtelingen.
Bent u het eens met de vraagstellers dat het onacceptabel is dat Egypte steun geeft aan de strijdende partijen in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Er zijn vele Soedanese én niet-Soedanese actoren betrokken, met uiteenlopende en vaak wisselende belangen.
Egypte heeft sterke historische, politieke, economische, militaire en maatschappelijke banden met Soedan. Vanwege deze banden vervult Egypte een sleutelpositie bij het vinden van een politieke oplossing voor het conflict in Soedan. Om die reden is Egypte ook onderdeel van de Quad. De Quad is een samenwerkingsverband tussen de Verenigde Staten, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte dat zich momenteel inspant om een staakt-het-vuren te bereiken. Nederland spreekt Egypte, net als andere landen in de regio, aan op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing, en benadrukt daarbij het belang van het naleven van internationaal recht en een staakt het vuren.
Bent u het met ons eens dat de oorlog in Soedan door steun van buitenaf in stand wordt gehouden of in ieder geval langer duurt en heviger is dan het zou zijn zonder steun van buitenaf?
Het kabinet deelt de zorg van de vragenstellers over de impact van buitenlandse steun op het verloop van het conflict in Soedan. Nederland spreekt met alle landen in de regio over de situatie in Soedan. In deze gesprekken brengt Nederland stelselmatig zorgen over de humanitaire situatie naar voren, benadrukt het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan in algemene zin, en onderstreept het de noodzaak van een staakt-het-vuren als eerste stap richting een politieke oplossing.
Daarnaast pleit Nederland binnen de Europese Unie voor een versterkte diplomatieke inzet richting relevante regionale actoren en multilaterale organisaties die betrokken zijn bij het conflict in Soedan (de VN, AU, IGAD en de League of Arab States).
Bent u bereid om tijdens uw bezoek Egypte op te roepen de steun aan de SAF te stoppen en om mee te helpen andere landen ook op te roepen de steun aan de RSF of de SAF te stoppen?
Ik heb tijdens mijn contacten met Egypte de crisis in Soedan en de noodzaak tot beëindiging van het geweld aan de orde gesteld. Egypte vervult, mede gezien zijn nauwe banden met Soedan, een belangrijke rol bij het bevorderen van een politieke oplossing voor het conflict en kan in Quad-verband een belangrijke bijdrage leveren aan het tot stand komen van een mogelijk staakt-het-vuren.
Nederland zal Egypte, evenals andere landen in de regio, blijven aanspreken op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing. Dat geldt voor alle vormen van steun die het conflict verlengen of verhevigen, aan zowel de RSF en gelieerde milities als de SAF.
Hoe zet u (handels)relaties met Egypte in om de druk op het stoppen van steun aan de strijdende partijen in Soedan op te voeren?
De goede bilaterale relatie met Egypte, onder andere op het gebied van handel en onze watersamenwerking, biedt de mogelijkheid in gesprekken ook zaken aan te kaarten waar de Nederlandse en Egyptische standpunten uiteenlopen.
Bent u bereid deze vragen met spoed en een voor een te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk en binnen de gestelde termijn beantwoord.
Het bericht ‘Pensioenfondsen lopen door ‘verkeerde beslissingen’ miljarden aan rendement mis: ‘Op een bepaald moment is het geen toeval meer’' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen lopen door «verkeerde beslissingen» miljarden aan rendement mis: «Op een bepaald moment is het geen toeval meer»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen te weinig terugkijken op hun beleggingsbeslissingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Pensioenfondsen toetsen jaarlijks vooraf of hun strategisch beleggingsbeleid nog in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers en gepensioneerden willen en kunnen nemen. Op deze manier zorgen pensioenfondsen ervoor dat het beleggingsbeleid in het belang van deelnemers en gepensioneerden wordt gevoerd. DNB houdt ook toezicht op deze jaarlijkse toetsing van het beleggingsbeleid. De uitkomst van het nagestreefde beleggingsbeleid kan achteraf mee- of tegenvallen door onverwachte ontwikkelingen op financiële markten. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen in hun jaarverslagen duidelijk zouden moeten opschrijven waarin is geïnvesteerd en wat dat wel of niet heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Pensioenfondsen geven reeds in hun jaarverslagen aan hoe het pensioenvermogen wordt belegd. Daarbij kan er in de jaarverslagen ook worden gevonden wat de beleggingsresultaten van de verschillende beleggingscategorieën zijn geweest.
Wat vindt u van het feit dat pensioen deelnemers zelf heel weinig te zeggen hebben over waar hun pensioengeld in wordt geïnvesteerd, en dus welke risico’s er met hun geld wordt genomen?
Het pensioenfondsbestuur belegt in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden en dient bij het bepalen van het beleid hun belangen zorgvuldig af te wegen. Over het beleid en de wijze waarop het beleid is uitgevoerd legt het pensioenfondsbestuur verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan, waar onder andere deelnemers zitting in hebben, beoordeelt het uitgevoerde beleid, waaronder het beleggingsbeleid, en de gemaakte beleidskeuzes voor de toekomst. Daarbij toetst het verantwoordingsorgaan of het pensioenfondsbestuur een evenwichtige afweging heeft gemaakt tussen de belangen van alle belanghebbenden.
Verder is een duidelijke en evenwichtige communicatie aan deelnemers van belang. Door transparant te zijn over het beleggingsbeleid, de gemaakte keuzes en de bijbehorende risico’s, kunnen deelnemers meer inzicht krijgen hoe hun pensioen wordt beheerd. In combinatie met de rol van het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben en invloed kunnen uitoefenen, draagt het ook bij aan een gecontroleerde uitvoering van het gevoerde beleid.
Bent u het eens dat pensioendeelnemers hier meer over zouden moeten kunnen meebeslissen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de vorige beantwoording is aangegeven nemen deelnemers via verantwoordingsorganen deel aan de besluitvorming binnen het pensioenfonds over het beleggingsbeleid.
Welke stappen neemt het kabinet om deze positie te verbeteren?
In de bestaande besluitvormingsprocessen van pensioenfondsen zijn verschillende checks and balances opgenomen om een evenwichtige belangenafweging te borgen. Om te bezien of de vertegenwoordiging door de belanghebbenden, waaronder deelnemers, in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen, wordt momenteel een onderzoek uitgezet. Over de bevindingen wordt uw Kamer naar verwachting in de eerste helft van 2027 geïnformeerd.2
Wat vindt u van de stelling dat sommige fondsen bij een risicovrije belegging vaak al beter af waren geweest?
Achteraf is het makkelijk te zien dat een bepaalde portefeuille een betere prestatie heeft geleverd dan een andere, maar vooraf is dit niet evident. Het is de vraag of een theoretisch portefeuille, zoals deze in het artikel wordt aangehaald, te vergelijken is met een portefeuille van een pensioenfonds. Pensioenfondsen houden onder andere rekening met de fluctuaties in de rentestand, waarvoor ze instrumenten in zetten ter afdekking van rentedalingen zoals rentederivaten. Fondsen boeken bij een stijgende rentestand een negatief rendement op deze instrumenten. Dit leidt tot een lager rendement op de totale portefeuille. Daarnaast belegt een fonds in verschillende beleggingscategorieën om risico te spreiden in omvang, tijd en geografisch. Dit maakt dat portefeuilles van pensioenfondsen minder goed vergelijkbaar zijn met een portefeuille die is samengesteld uit enkel risicovrije beleggingen, dan wel een mix van risicovrije beleggingen en liquide aandelen.
Wat vindt u van het in het artikel aangehaalde feit dat pensioenfondsen vaak grotere beleggingsrisico’s nemen dan nodig?
Pensioenfondsen dienen conform de wettelijke vereisten, te handelen in belang van deelnemers en gepensioneerden en moeten het beleggingsbeleid afstemmen op de risicohouding van deelnemers. Hierbij wordt rekening gehouden met het beleggingsrisico dat deelnemers willen en kunnen nemen. Om inzicht te hebben in het beleggingsrisico dat deelnemers willen nemen wordt een risicopreferentieonderzoek periodiek verricht door de pensioenfondsen en de AFM houdt hier toezicht op. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet hebben voldaan aan de wettelijke waarborgen.
Ziet u dit ook als het nemen van onnodig risico’s met pensioengeld van deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven houdt het fonds rekening met de risicohouding van deelnemers, waarbij DNB vervolgens toezicht houdt op het naleven van het prudent person-beginsel, wat inhoudt dat het beleggingsbeleid in het belang van de deelnemers wordt gevoerd.
Bij hoeveel pensioenfondsen heeft het nemen van een hoger beleggingsrisico de afgelopen vijf jaar ook echt een hoger pensioen opgeleverd? Bij hoeveel gevallen niet?
Er is geen openbare informatie beschikbaar voor alle pensioenfondsen in hoeverre ze meer beleggingsrisico vooraf hebben genomen de afgelopen vijf jaar en welk rendement deze verandering van beleggingsrisico hen achteraf heeft opgeleverd.
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd met pensioenfondsen over het nemen van onnodige risico’s? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Ik deel uw mening niet dat er door pensioenfondsen onnodig risico’s zijn genomen. Het risico dat fondsen nemen in hun beleggingsbeleid moet overeenkomen met de risicohouding van deelnemers, waarbij wordt gekeken naar welk risico ze willen, maar ook kunnen nemen. DNB houdt hierbij toezicht op dat fondsen het prudent person-beginsel hanteren. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet aan de wettelijke waarborgen hebben voldaan.
Bent u het eens dat pensioenbestuurders door pensioendeelnemers geconfronteerd zouden moeten kunnen worden over waar hun pensioengeld in is geïnvesteerd, welk rendement dat heeft opgeleverd en welke risico’s daarbij zijn genomen?
Pensioenfondsen leggen in de jaarverslagen verantwoording af over de resultaten die het gevoerde beleggingsbeleid heeft opgeleverd. DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het fonds zijn doorlopen en het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen (waarin deelnemers en werkgevers zitting hebben) in voldoende mate betrokken zijn in het beslissingsproces.3 Zo moet worden aangegeven en onderbouwd hoe met de verschillende inzichten van de verantwoordingsorganen is omgegaan.4
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd over het verhogen van de pensioen nu het rentepercentage weer stijgt? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Binnen de kaders van de Pensioenwet besluiten pensioenfondsbestuurders eigenstandig over de indexatie aan deelnemers en gepensioneerden. In dit besluit betrekken ze de evenwichtige belangenafweging voor alle deelnemers, het reglementair vastgelegde indexatiebeleid en de financiële positie van het fonds. DNB houdt toezicht op of het pensioenfonds zich aan de wettelijke kaders houdt. Onder het nieuwe stelsel wordt het voor fondsen makkelijker om de pensioenen te verhogen bij goede financiële resultaten, maar daarbij zal er ook een belangenafweging plaats moeten vinden voordat uitkeringen worden verhoogd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
De artikelen 'Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af' en 'Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af»1 en «Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de opstelling van de directeur van de Biënnale die stelt dat de Biënnale boven geopolitieke conflicten staat en dat kunst de dialoog op gang brengt?
Het kabinet gaat niet in op uitspraken van de directeur van een autonome culturele instelling. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de aanwezigheid van Rusland ten zeerste veroordeeld, net als vele andere Europese Ministers. Tegelijkertijd is het evenement benut om steun te betuigen aan Oekraïne.
Is over de aanwezigheid van het Koninklijk paar bij de opening een bewust besluit genomen waar u als Minister van Buitenlandse Zaken bij betrokken was? Zo ja, is kunt u toelichten wat uw afweging was om hiermee in te stemmen?
Er is afstemming geweest binnen het kabinet over de aanwezigheid van het Koninklijk Paar en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening van het Nederlandse paviljoen voorafgaand aan de opening, gezien het zestigste jubileum van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Er was geen Nederlandse delegatie aanwezig bij de algemene opening van de Biënnale.
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne. Zo hebben het Koninklijk Paar en de Minister een ontmoeting gehad met de Oekraïense Minister van cultuur.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is er ook geweest om dat te benadrukken.
Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd te blijven benadrukken dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het staatshoofd bij de opening van een evenement waar tegelijkertijd officiële, door het Kremlin gefinancierde kunst te zien is, onbedoeld een signaal van legitimering of normalisering van de Russische aanwezigheid kan afgeven?
Zoals eerder benoemd is deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen voor Nederland onaanvaardbaar. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, samen met 21 andere Europese cultuurministers en in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale en een verklaring ondertekend vanuit Oekraïne tegen de deelname van Rusland. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te voorkomen in overeenstemming met bestaand beleid. Uiteraard waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending vanzelfsprekend niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook heeft Nederland niet deel genomen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in haar openingsspeech van het Nederlands paviljoen ook nog expliciet aangegeven dat de Russische deelname aan de Biënnale voor Nederland onacceptabel is.
Hoe rijmt u de aanwezigheid van het staatshoofd met het Nederlandse beleid om Rusland internationaal zoveel mogelijk te isoleren zolang de agressieoorlog in Oekraïne voortduurt?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen, Oekraïne te ondersteunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren. Ook werd elk contact vermeden met de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl.
Als de Biënnale boven geopolitieke conflicten gaat, hoe rijmt u dat dan met de opstelling van de jury om geen prijzen toe te kennen aan landen die door het Internationaal Strafhof worden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de deelname van Rusland aan de Biënnale, een land dat een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, sinds 2022 om die reden is uitgesloten van deelname en nu deelneemt met een volledig door de Russische regering gefinancierde delegatie kunstenaars?
Zoals eerder benoemd is deelname vanuit Rusland aan internationale culturele evenementen onaanvaardbaar. Hierover heeft Nederland zich uitgesproken, zie hiervoor vraag 4.
Wat zegt u dit over hoe Italië kijkt naar de Russische oorlog in Oekraïne, aangezien ook bij de paralympics in Milaan opeens Russische sporters weer onder Russische vlag mochten deelnemen? Is dit onderwerp van gesprek met uw Italiaanse counterpart?
Italië is gastland van de Biënnale en afgelopen jaar van de Paralympics. Beide events worden georganiseerd door onafhankelijke organisaties, namelijk het bestuur van de Biënnale en het Internationaal Paralympisch Comité (IPC). De internationale sport en cultuursector opereren autonoom. Besluiten van internationale sportfederaties of cultuurinstellingen over deelname aan internationale evenementen zijn in beginsel aan hen, en die autonomie hebben wij te respecteren.
Italië heeft ook haar onvrede uitgesproken over deelname van Rusland aan de Biënnale en de paralympics en heeft het bestuur van de Biënnale en het IPC opgeroepen het besluit te herzien, in overeenstemming met andere landen en de Europese Commissie. Verder heeft zij ook aangegeven als gastland in gesprek te zijn met beide organisaties en na te gaan in hoeverre zij druk kunnen uitoefenen om tot herziening van besluit te komen. Over beide evenementen heeft Nederland in nauw contact gestaan met Europese partners inclusief Italië.
Deelt u de analyse dat in het huidige autocratische Rusland kunst en cultuur nooit losstaan van de staat, maar juist door het Kremlin worden ingezet als instrument voor (binnenlandse) propaganda en het normaliseren van een paria-status?
Het kabinet deelt de analyse dat het Kremlin kunst en cultuur actief inzet als instrument van de staat. Onder president Poetin is de ruimte voor onafhankelijke kunst en cultuur sterk ingeperkt en worden grote, door de staat gesteunde instellingen en projecten nadrukkelijk gebruikt voor binnenlandse propaganda, imperiale beeldvorming en het legitimeren van het huidige beleid.
Tegelijk is het belangrijk te onderstrepen dat niet alle Russische kunstenaars en culturele instellingen met het regime vereenzelvigd kunnen worden. Er zijn nog altijd onafhankelijke en kritische stemmen, zowel binnen Rusland als in de ballingschap. Onder grote druk en risico’s blijven zij hun werk voortzetten.
Deelt u de mening dat het toestaan van een officiële Russische delegatie ontmoedigend is voor de Oekraïense bevolking die vecht voor hun en onze vrijheid, omdat Rusland hiermee als een gelijkwaardige partner wordt behandeld?
Oekraïne heeft delegaties van andere landen actief verzocht om aanwezig te zijn bij de Biënnale, om een tegengeluid te geven aan de Russische deelname. Nederland heeft mede daarom ervoor gekozen om aanwezig te zijn en Oekraïne in hun oproep te steunen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het opschorten van Europese subsidies aan de Biënnale zolang een officiële Russische delegatie wordt toegelaten, in lijn met de eerdere waarschuwing van de Europese Commissie?
De Commissie heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van april aangegeven dat het besloten heeft om de EU-financiering aan de Biënnale stop te zetten. Zoals eerder benoemd betreurt Nederland de deelname van Rusland aan de Biënnale. Nederland heeft het bestuur van de Biënnale in EU-verband opgeroepen het besluit om Rusland toe te laten te herzien.
Het bericht 'Gifzones belemmeren bouw van tienduizenden woningen in zeker 40 gemeenten' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen op landbouwgrond en dat het aanhouden van een minimale afstand van 50 meter in de praktijk regelmatig leidt tot vertraging en het stikvallen van woningbouwprojecten?1
Het klopt dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones. Op basis van uitspraken van de (Afdeling bestuursrechtspraak van de) Raad van State wordt, voor nieuwe situaties, als vuistregel een spuitvrije zone van 50 meter aangehouden tussen agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies zoals woningen. Dit kan een belemmering zijn voor woningbouw omdat het inrichten van een spuitvrije zone bij een woningbouwproject of het opkopen of schadeloos stellen van agrarische bedrijven extra kosten met zich meebrengt.
Een kortere afstand dan 50 meter is mogelijk, maar vereist een deugdelijke en locatie specifieke motivering, aldus de Raad van State. Die motivering is vaak ingewikkeld omdat er niet veel wetenschappelijke inzichten zijn. Er is daarom door BZK en LVVN een onderzoek uitgezet bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Wageningen University & Research (WUR). Zij verkennen of het mogelijk is om een wetenschappelijk onderbouwd model te kunnen ontwikkelen voor de inrichting van een spuitzone. Begin juli 2026 verwacht ik de resultaten van deze RIVM/WUR-verkenning naar spuitzonering. Daar zal ik uw Kamer over informeren.
Kunt u een beeld geven van de schaal waarop woningbouw wordt geremd door de instelling van deze spuitvrije zones of door de onduidelijkheid die hierover ontstaat voor ontwikkelaars en woningzoekenden?
Het probleem speelt in heel Nederland daar waar woningbouwprojecten (deels) binnen 50 meter van agrarisch areaal liggen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt of kunnen worden gebruikt. Het IPO2 geeft aan dat dit vooral speelt in Groningen, Flevoland, Drenthe, Zeeland, Limburg en Gelderland.
De precieze schaal van het probleem voor het realiseren van woningbouw bij agrarische gronden is niet inzichtelijk. Met name voor kleinschalige woningbouw kan het problematisch zijn om hier een oplossing voor te vinden.
Klopt het dat gemeenten onder de Omgevingswet zorg dragen voor de gezondheid van hun inwoners en dat deze zorgplicht ook veelal wordt gezien als reden om spuitvrije zones in te stellen, of voor inwoners om gemeenten daartoe op te roepen?
De Omgevingswet verplicht gemeenten rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners bij onder andere het vaststellen van ruimtelijke plannen en het verlenen van omgevingsvergunningen. Daarbij maken gemeenten afwegingen op grond van het zoeken naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving.
Klopt het dat de stijging van de grondprijs en de diverse uitkoopregelingen ervoor zorgen dat er de laatste jaren meer intensieve teelt (zoals bollenteelt), met relatief veel middelengebruik, is gekomen en dat deze teelten (dus) ook vaker in de buurt van beoogde woningbouwlocaties zijn?
De meeste recente CBS cijfers laten geen duidelijke toename zien in het aantal hectare bollenteelt. Verder laten de landbouwtellingen nog geen trend zien waarbij grasland wordt omgezet naar bouwland. Tegelijkertijd is het van belang om mogelijke negatieve effecten van de stijgende grondprijzen en de diverse uitkoopregelingen zorgvuldig te blijven monitoren. Ik zal de ontwikkelingen op dit punt dan ook blijven volgen.
Herkent u het beeld dat ook boeren die geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen de huidige onduidelijkheid inzetten om te zorgen dat woningbouw niet naast hun perceel wordt gevestigd? Op welke schaal gebeurt dit?
Ja, het is inderdaad een risico dat telers woningbouw naast hun perceel willen voorkomen omdat boeren die naast hun grond woningen zouden krijgen, daar binnen de spuitvrije zone niet meer ongehinderd gewasbeschermingsmiddelen kunnen gebruiken. We hebben echter geen zicht of dit daadwerkelijk plaatsvindt.
Bent u bereid om, op basis van het onderzoek van het RIVM en de WUR naar risico’s en mogelijke richtlijnen, in gesprek te gaan met de VNG over duidelijke richtlijnen of een afwegingskader, zodat duidelijker en consistenter wordt omgegaan met afstanden tussen (bestaande en nieuwe) woningbouw en landbouwgrond, waarbij zowel gezondheid als woningbouwopgave geborgd zijn?
Momenteel wordt gewerkt aan het sluiten van bindende convenanten over gewasbeschermingsmiddelen, waarbij ook de VNG betrokken is. Voor de afspraken in het convenant zal ik de uitkomsten van het onderzoek van het RIVM en de WUR meenemen. Begin juli verwacht ik de resultaten van deze RIVM/WUR-verkenning naar spuitzonering. Daar zal ik de Kamer over informeren.
Kunt u zich voorstellen dat de huidige onduidelijkheid vanuit het Rijk op dit vlak en de vele zorgen die er (daardoor) bij omwonenden leven, er ook voor zorgen dat de vraag om spuitvrije zones toeneemt? Zo ja, bent u bereid in samenwerking met de VNG ook expliciet te kijken naar andere manieren waarop zorgen en onduidelijkheden rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan worden verholpen (te denken valt aan verplichtingen rond transparantie en communicatie bij gebruik)?
Zoals gezegd wordt ingezet op afspraken maken binnen het convenant over beperkende maatregelen in zones tussen landbouwpercelen en bebouwing. Ook kunnen andere maatregelen worden overwogen in het convenant, zoals een actieve meldplicht voor ondernemers om omwonenden tijdig te informeren over geplande gewasbehandelingen.
Daarnaast is in samenwerking met RVO de «Handreiking aanpak spuitvrije zone bij nieuwbouwprojecten» opgesteld. Deze helpt gemeenten door ze inzicht te verschaffen in verscheidene manieren waarop het een spuitvrije zone kan realiseren waardoor woningbouw sneller mogelijk wordt. Ook is het kennisdocument «Kennisdocument Omgaan met 50 meter spuitvrije zone bij nieuwbouw» gepubliceerd.
Bent u het eens dat de huidige urgente woningbouwopgave én maatschappelijke zorgen rond een gezonde leefomgeving vragen om een zorgvuldige afweging in de ruimtelijke ordening en dat ook dit wil zeggen dat niet iedere vorm van agrarisch grondgebruik overal kan? Op welke wijze kan dit worden meegenomen in de definitieve Nota Ruimte?
Woningbouwambities en gezondheidsbelang zijn beiden maatschappelijk urgent en verdienen beide zorgvuldige ruimtelijke ordening. Conform de Omgevingswet moet daarom gezocht worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. De Ontwerpnota Ruimte laat zien dat scherpe keuzes en een zorgvuldige, integrale belangenafweging noodzakelijk zijn.
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over concrete maatregelen om te voorkomen dat deze «spuitvrije zones» de woningbouwopgave verder vertragen?
De inzet is een convenant op hoofdlijnen te sluiten vóór de zomer en ná de zomer tot gedetailleerde afspraken te komen in deelconvenanten. Ik zal u voor de zomer informeren over het convenant op hoofdlijnen. Daarnaast verwachten we de eerste resultaten uit het onderzoek met WUR en het RIVM deze zomer.
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Ja. Ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Er vinden regelmatig gesprekken plaats tussen het Rijk, de genoemde gemeenten, en andere betrokken partijen over de verduurzaming van de gebouwde omgeving en de kansen en uitdagingen rondom de ontwikkeling van warmtenetten. Daarbij wordt in algemene zin ook over financieringsvraagstukken gesproken, echter is er geen formeel subsidieverzoek ingediend ter ondersteuning van het Amsterdamse transitiebeleid.
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
De inschatting van de gemeente gaat over de totale investeringsopgave voor warmtenetten in haar wijken tot 2050 op basis van het eerste concept-warmteprogramma. Dit bedrag omvat zowel rendabele investeringen die zichzelf terugverdienen en daarom geen subsidie nodig hebben, als investeringen met een onrendabele top waarvoor subsidie nodig is. De daadwerkelijke subsidie- en financieringsbehoefte van de gemeente is niet bekend, maar gezien het bovenstaande ga ik ervan uit dat een eventueel subsidieverzoek (flink) lager zal liggen dan het genoemde bedrag.
Er is tot 2030 nog ca. 900 miljoen euro beschikbaar voor de landelijke Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) regeling, waarmee minimaal 2,7 miljard euro aan onrendabele investeringen in warmtenetten gestimuleerd kan worden.
Daarnaast is er 174,5 miljoen euro beschikbaar voor de Garantieregeling Warmtenetten (GRW) en 224 miljoen euro toegekend en gereserveerd voor de Nationale Deelneming Warmte (NDW). Gezamenlijk ondersteunen de GRW en de NDW de financierbaarheid van warmtenetten doordat dit toegang tot vreemd vermogen biedt en minder publiek kapitaal nodig is om de investeringsopgave te financieren.
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
De middelen voor de WIS, de NDW en de GRW komen uit het Klimaatfonds op de KGG begroting. De WIS regeling wordt door de RVO uitgevoerd. De GRW regeling wordt momenteel nader uitgewerkt; er is nog geen uitvoerende partij aangewezen, maar gesprekken hierover lopen met de RVO. Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van Wet collectieve warmte is de NDW als zelfstandige beleidsdeelneming ondergebracht bij EBN.
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2025 de Actualisatie van de Startanalyse gepubliceerd. Dit is bedoeld als onafhankelijk startpunt voor gemeenten om inzicht te krijgen in de nationale meerkosten voor verschillende technische mogelijkheden om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Dit document fungeert daarmee als een onafhankelijke doorrekening van de nationale kosten van verschillende verduurzamingsopties op wijk- en buurtniveau. Onder andere op basis van deze onafhankelijke doorrekening zal de gemeente Amsterdam uiterlijk eind 2027 in haar warmteprogramma aankondigen welke keuzes gemaakt worden. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven in haar Warmteprogramma te sturen op de warmteoplossing met de laagste maatschappelijk kosten.2 Daarbij is het ook van belang om mee te wegen dat collectieve warmtesystemen kunnen voorkomen dat de druk op het elektriciteitsnet verder toeneemt en in sommige gevallen zelfs actief bijdragen aan het verminderen van netcongestie. De nationale kostenbesparing die collectieve warmtesystemen opleveren doordat er minder in de verzwaring van het elektriciteitsnet geïnvesteerd hoeft te worden kan oplopen tot ca. 1,6 miljard euro in 2040.3
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een nationale opgave die voortvloeit uit nationale en internationale klimaatdoelstellingen, zoals onder andere het Klimaatakkoord en het Verdrag van Parijs. Daarbij is afgesproken dat gemeenten een regierol vervullen in de lokale warmtetransitie in de wijk, omdat zij dichter bij de praktijk staan en een betere afweging kunnen maken voor iedere wijk wat de beste route naar klimaatneutraal is. Daarbij zijn vanuit het Rijk met onder andere de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (Wcw) kaders afgesproken waarbinnen gemeenten de regie kunnen voeren op de vormgeving van de lokale warmtetransitie. Onderdeel daarvan zijn afspraken om te sturen op de meest efficiënte verduurzamingsopties, zodat we de warmtetransitie tegen de laagste kosten voor zowel de lokale inwoners als de maatschappij realiseren. In het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam wordt ingezet op de verduurzamingsoptie met de laagste maatschappelijke kosten, echter leidt deze optie nog vaak niet tot lagere kosten voor de gebouweigenaar of de bewoner ten opzichte van het huidige fossiele alternatief. Dit geldt voor de meeste gemeenten, daarom draagt het Rijk met verschillende veelal generieke subsidie-instrumenten bij aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Subsidieverzoeken die voortvloeien uit gemeentelijk transitiebeleid worden getoetst aan de hand van de landelijke kaders en voorwaarden zoals die vastgelegd worden door het kabinet in subsidieregelingen.
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Ondanks dat de gemeente Amsterdam haar ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn heeft losgelaten, steun ik dergelijke lokale doelen ten zeerste wanneer ze bijdragen aan een efficiënte en effectieve transitie in de wijk. Hoewel het landelijk beleid gericht is op nationale doelen voor 2030 en 2050 staat het individuele gemeenten vrij om vanuit hun regierol een eigen tijdspad te kiezen dat binnen de nationale doelen past. Het kabinet gaat over de vormgeving van subsidieregelingen en voorziet in de toetsing op een doelmatige en doeltreffende inzet van beschikbare middelen. Indien de versnelde gemeentelijke aanpak daarbinnen past, dan is dit een efficiënte aanpak en bijdrage aan de nationale doelen.
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Het kabinet zet middelen in voor verduurzaming in heel Nederland. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillen tussen regio's, woningtypen en beschikbare warmteoplossingen. Het beleid is erop gericht alle huishoudens toegang te bieden tot betaalbare verduurzamingsopties, ongeacht woonplaats. Voor wat betreft de gemeente Amsterdam, hecht ik eraan nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave te komen.
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bestuurlijke keuzes om tot de beste verduurzamingsstrategie te komen, indien een gemeentelijk warmtebedrijf daar onderdeel van is dan is het ook aan de gemeente om dat te onderbouwen en daar zelf een gepaste financiële bijdrage aan te leveren. Omdat er met de Wcw gekozen is voor een transitie van een private naar een publieke warmtesector, onder andere om de publieke belangen van de aanleg van duurzame energie-infrastructuur te borgen, is het van belang om deze overgang te faciliteren zodat de warmtesector de benodigde opschaling kan realiseren. Daarom ziet het Rijk dit als een gedeelde verantwoordelijkheid met medeoverheden en eventueel andere partijen zoals netbeheerders en zijn verschillende maatregelen in gang gezet, zoals de NDW, de GRW en de verkenning van de overname van private warmtebedrijven.
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Gemeenten zijn verplicht om de maatschappelijke en eindgebruikerskosten van verschillende verduurzamingstechnieken in de wijk tegen elkaar af te wegen en een gedragen onderbouwing te bieden indien afgeweken wordt van het goedkoopste alternatief. Zo wordt juist gewaarborgd dat er een gelijk speelveld gerealiseerd wordt en verschillende warmtebronnen in de wijk met elkaar kunnen concurreren op basis van onder andere de kosten.
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Het kabinet onderschrijft het belang van een zorgvuldige afweging van alternatieven. Binnen het beleid voor de gebouwde omgeving is reeds voorzien dat gemeenten verschillende warmteopties vergelijken op basis van onder andere de kosten en onderbouwen voordat keuzes worden gemaakt. Dit is onderdeel van het warmteprogramma dat de gemeenten Amsterdam eind 2027 uiterlijk opstelt.
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
De gemeente presenteert uiterlijk eind 2027 het warmteprogramma met de verduurzamingsplannen voor de komende 10 jaar, waarbij gestuurd wordt op de meest efficiënte technieken voor iedere wijk. Dat betekent dat in sommige wijken geëlektrificeerd wordt en in andere wijken ingezet wordt op een warmtenet om de maatschappelijke kosten zo laag als mogelijk te houden. Omdat het Warmteprogramma iedere 5 jaar geactualiseerd wordt, worden toekomstige (kosten)ontwikkelingen meegenomen en kunnen keuzes aangepast worden waar nodig. Ook hier hecht ik eraan om nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt van de gemeente Amsterdam en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave te komen.
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Omdat ik geen inzage heb in de specifieke onderbouwing van het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam, noch in de verhouding tussen rendabele en niet rendabele investeringen, kan ik geen inschatting geven van de specifieke aannames en gevolgen voor Amsterdamse inwoners en de Nederlandse belastingbetaler.
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Ik heb geen inzage in de onderbouwing van dit bedrag van de gemeente Amsterdam en het is niet mijn rol maar die van de gemeenteraad om deze op waarde te schatten en hierop democratische controle uit te oefenen. Ik vertrouw erop dat het college en de gemeenteraad hun taken in dezen goed uitoefenen.
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Nee, er is geen formeel vastgelegd maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie. Maar voor individuele regelingen wordt in principe wel een maximumbedrag opgenomen. Het is niet eenduidig hoe dit in de praktijk uitwerkt per woning, aangezien sommige regeling een maximumbedrag per aansluiting of project kennen (bv. WIS) terwijl andere regelingen een maximale subsidie per energie-eenheid (SDE++), het type maatregel (ISDE) of het inkomen (Nationaal Warmtefonds). Zo is het maximumbedrag in de WIS regeling 7.000 euro per aansluiting, voor de subsidieregeling aardgasvrije woningen (SAH) was dat in de laatste openstellingsronde maximaal 6.000 euro en voor de ISDE is de maximale subsidie voor een warmtenetaansluiting 3.775 euro.
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
De volatiliteit op internationale energiemarkten is de afgelopen maanden aanzienlijk toegenomen als gevolg van geopolitieke spanningen. De hoge kosten voor energie waar we mee geconfronteerd worden onderstrepen de urgentie om onze maatschappij en economie weerbaarder te maken en onze afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen af te bouwen. Hoewel dergelijke infrastructuur komende winter nog geen verlichting zal bieden, is het van belang om nu wel deze ontwikkeling in gang te zetten en de komende decennia onze eigen lokale energiebronnen te bouwen en onze energievoorziening te diversifiëren.
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Het is op basis van de berichtgeving niet duidelijk welke steun en hoeveel de gemeente nodig heeft van het Rijk en in hoeverre eventuele toekomstige subsidieverzoeken passen binnen de landelijke subsidiekaders en beschikbare budgetten.
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
In het coalitieakkoord heeft het kabinet zich gecommitteerd aan behoedzaam begrotingsbeleid. Tevens stelt het akkoord dat het kabinet vol blijft inzetten op het realiseren van warmtenetten en bereid is om via een staatsdeelneming binnen de huidige financiële kaders private warmtebedrijven over te nemen en te participeren in nieuwe ontwikkelingen.
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Isolatiemaatregelen zijn ook van belang, maar met isolatie alleen kunnen we niet van het gas af. Daarom is het van belang om ook duurzame energieopwekking en installaties zoals warmtenetten te stimuleren. Daarnaast werken we ook aan het betaalbaar maken van warmte. De huidige tariefregulering koppelt de warmtetarieven aan de gastarieven, maar met de implementatie van de Wcw wordt toegewerkt naar kostengebaseerde tarieven waardoor warmteafnemers alleen nog betalen voor de kosten van het eigen warmtenet. Hierdoor zal in de toekomst een toename in de gasprijs niet terug te zien zijn in de kosten van afnemers van een duurzaam warmtenet. Hierdoor is het de verwachting dat in wijken waar een warmtenet de duurzame optie met de laagste maatschappelijke kosten is op termijn zal kunnen concurreren met het fossiele alternatief.
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Eventuele financiële ondersteuning aan het gemeentelijke transitiebeleid zal via de gebruikelijke procedures met uw Kamer gedeeld worden. In principe verloopt financiële ondersteuning door het Rijk via de openstelling van generieke subsidieregelingen met een specifiek doel en worden subsidieaanvragen getoetst aan de voorwaarden en criteria van de specifieke regeling om te waarborgen dat de beschikbare middelen op doelmatige en doeltreffende wijze besteed worden binnen de geldende nationale en Europese juridische (staatssteun)kaders. Een onafhankelijke audit van de doelmatigheid van het eerdere verduurzamingsbeleid van specifiek de gemeente Amsterdam is niet aan de orde, omdat de Wgiw vastlegt aan welke verplichtingen gemeenten moeten voldoen bij de planning en onderbouwing van het transitiebeleid. Daarmee heeft de gemeente de regie over de lokale beleidsafweging met betrekking tot de warmtetransitie en borgt de Wgiw de kwaliteit van het beleidsproces.
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Ja, ik ben bekend met het bericht in de Telegraaf van maandag 4 mei 2026. De weergave dat gedupeerde ouders eerst (grote delen van) het ontvangen bedrag terug moeten betalen, is onjuist.
Gedupeerde ouders die zorgen of vragen hadden over de met de Staat gesloten vaststellingsoverkomst (VSO) hebben hiervoor een verzoek ingediend bij het Ministerie van Financiën. Gedupeerde ouders hebben dit verzoek kunnen indienen zonder dat daarbij de voorwaarde werd gesteld dat eerst (delen van) het ontvangen bedrag moest worden terugbetaald.
Ik zie in deze herzieningsverzoeken geen aanleiding om na een door ouders vrijwillig gekozen en zorgvuldig ontwikkelde schaderoute (namelijk SGH), de VSO aan te passen.
Gedupeerde ouders die zich niet kunnen vinden in dit oordeel, hoewel ik dat betreur, kunnen zich wenden tot de civiele rechter. De civiele rechter toetst dan of een gedupeerde ouder kan bewijzen of sprake is van voldoende gronden om de VSO te herzien dan wel (gedeeltelijk) te vernietigen als gevolg van een beroep op de novumclausule. Eerder is met uw Kamer gedeeld2 dat als de rechter besluit dat een VSO nietig/vernietigd is, de uiterste consequentie is dat de VSO ongedaan wordt gemaakt en de ouder het ontvangen bedrag terug moet betalen.
Het Ministerie van Financiën heeft in de afgelopen weken circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen, waarbij onder andere een beroep wordt gedaan op de «novum-clausule». De meeste ouders hebben inmiddels een reactie ontvangen op hun verzoek tot herziening.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
Voor het antwoord op vraag 2 en 3 verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
Het klopt dat in de VSO’s een novumclausule is opgenomen. Op grond van deze clausule kunnen gedupeerde ouders die via de SGH een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, een verzoek indienen wanneer zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. Daarbij geldt dat sprake moet zijn van een zwaarwegend nieuw feit en/of omstandigheid, waardoor de uitkomst van de zaak wezenlijk anders zou zijn geweest. In dat geval kan een gedupeerde ouder de Staat verzoeken om in overleg te treden over de gesloten VSO. De novumclausule verplicht echter niet tot herziening van de VSO.
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
De datakluis is gevuld met ongestructureerde en ongesorteerde data. De datakluis is in de jaren 2019 en 2020 gevuld met data vanuit de zogenaamde Q-schijf. Voor de hoogte van de compensatie in de integrale beoordeling is de data in de datakluis niet relevant, de integrale beoordeling wordt immers gedaan op basis van gegevens uit applicaties en systemen van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Waarbij ook geldt dat daar waar gegevens ontbreken, uitgegaan wordt van het verhaal van de ouder.
Daarnaast geldt dat eventuele aanvullende compensatie is gebaseerd op gebeurtenissen in het leven van die ouder, bijvoorbeeld een echtscheiding, het verbreken van gezinsrelaties, het verlies van een baan. Al die ellende die mensen hebben moeten meemaken, zit niet in de systemen van de Belastingdienst, maar in het leven van die ouders. Dat is het ouderverhaal en dat zit dus niet in de documenten van de datakluis.
In de Kamerbrief3 van 15 april jl. heb ik al benadrukt dat het aantreffen van gegevens in de datakluis geen invloed heeft op eerder genomen besluiten waarin ouders als gedupeerde zijn aangemerkt. Mocht de datakluis desondanks informatie bevatten die in het voordeel is van de ouder, dan zal dit uiteraard betrokken worden in de besluitvorming.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Gedupeerde ouders kiezen zelf om hun aanvullende schade te laten vergoeden via de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Dit proces is door SGH speciaal ingericht voor ouders die zijn geraakt door de toeslagenaffaire.
Een onderdeel van de aanpak van SGH is het feitenrelaas. Dit feitenrelaas wordt samen met de ouder uitvoerig besproken en gecontroleerd op juistheid en volledigheid. Via het feitenrelaas heeft een gedupeerde ouder het volledige verhaal kunnen vertellen. Daarna heeft een onafhankelijke schadeanalist op basis van het uniforme forfaitaire schadekader een berekening van de schade gemaakt. Deze schadeberekening wordt vervolgens eveneens uitvoerig met de ouder besproken. Daarbij krijgt de ouder nadrukkelijk de gelegenheid om onjuistheden te signaleren en aanvullingen of correcties aan te brengen waar nodig.
Het gehele proces, van feitenrelaas tot schadeberekening, is derhalve uiterst zorgvuldig ingericht en bevat meerdere waarborgen en controlemomenten om de juistheid en volledigheid te borgen.
Het gemiddelde forfaitaire bedrag dat een ouder ontvangt via de SGH-route ligt op bijna € 73.000 (na saldering met IB, peildatum 31 augustus 2025).
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Ik deel deze opvatting niet. Ik sta achter het proces van SGH, waarbij de ouder stap voor stap wordt meegenomen in het opstellen van het feitenrelaas en de ouder op meerdere momenten de mogelijkheid heeft om aanvullingen of correcties aan te geven (zie ook antwoord 6). In de SGH-route staat het verhaal van de ouder centraal. Het doel is om er samen uit te komen en de gemaakte afspraken vast te leggen in een VSO, met erkenning en finale closure voor de ouder.
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld4 is de Staat jegens de gedupeerde ouders aansprakelijk om hun schade als gevolg van de onterechte terugvorderingen van de Belastingdienst te vergoeden. De wet Hersteloperatie Toeslagen bepaalt dat de schadecompensatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Er zijn schadeposten opgenomen in het uniforme forfaitaire schadekader die zien op de kinderen. In het schadekader is bijvoorbeeld een post opgenomen, zoals «verlies van gelijke kansen in het gezin» en een «ontoereikende waarborging levenstandaard kinderen». Eventuele directe schade van een kind wordt niet vergoed via de SGH-route of MijnHerstel die de ouder doorloopt.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor dit verlies.5 Mede naar aanleiding van ontvangen signalen, krijgen ouders in het nazorgtraject van de schadeherstelroute uitleg over hoe ze de schadevergoeding kunnen inzetten, bijvoorbeeld door bij te dragen aan het aflossen van een studieschuld van hun kind.
Om te erkennen dat ook kinderen binnen het gezin zijn geraakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is destijds samen met hen de kindregeling opgezet. De tegemoetkoming vanuit de kindregeling is inmiddels aan nagenoeg alle kinderen uitbetaald.6
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
De gedupeerde ouder kiest vrijwillig voor de SGH-route, om er samen met de Staat uit te komen. De SGH route is daar op ingericht. De ouder wordt gedurende het gehele proces geïnformeerd over hun rechtspositie.
Een gedupeerde ouder in de SGH-route ontvangt, na het optekenen van het feitenrelaas en de daaruit volgende schadeberekening (zie ook antwoord 6) een concept VSO. Hierbij zit een begeleidende brief met uitleg over de overeenkomst. Zo wordt uitgelegd dat de gedupeerde ouder zelf beslist of hij/zij de overeenkomst aan wil gaan, en ook wat het betekent als de ouder er voor kiest om de VSO te tekenen. Hierbij wordt ook uitgelegd dat de ouder en de Staat tekenen tegen finale kwijting. Ook wordt de ouder gewezen op de mogelijkheid van het inwinnen van onafhankelijk juridisch advies. Hiervoor is gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk.
We vragen de ouder om de conceptovereenkomst rustig te bekijken en daarna maakt de ouder de keuze voor het laten opstellen van een definitieve VSO. Vervolgens hebben ouders nog een bedenktermijn van zes weken, waarin zij kunnen besluiten de VSO wel of niet te tekenen.
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
In de SGH-route wordt niet onderhandeld met gedupeerde ouders over hun aanvullende schade. Op grond van het uniforme forfaitaire schadekader kunnen ouders hun schade aannemelijk maken waarna de Staat hen een aanbod doet.
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Het ministerie heeft tot nu toe circa 120 herzieningsverzoeken ontvangen. Nagenoeg alle ouders hebben hierop een reactie ontvangen. Waar het verzoek daar aanleiding toe gaf is, er een gesprek gevoerd met de ouder. Er zijn geen verzoeken gehonoreerd, omdat de Staat daarvoor in de verzoeken geen aanleiding ziet. De Staat houdt vast aan de gemaakte afspraken tegen finale kwijting. Als gedupeerde ouders zich niet kunnen vinden in de uitkomst dat de VSO niet wordt herzien, kunnen zij dit voorleggen aan de civiele rechter.
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Een gedupeerde ouder wordt actief geïnformeerd over welke omstandigheden mogelijk kunnen leiden tot een herziening. In de VSO en de begeleidende brief is dit opgenomen.
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Indien ouders een geschil over de VSO voorleggen aan de rechter, dan is het in Nederland de rechter die beslist of de VSO wordt aangetast dan wel wordt aangepast.
Zoals in het antwoord op vraag 1 reeds aangegeven, is de weergave in het artikel van de Telegraaf, dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde zou zijn, onjuist.
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Nee, want er is geen aanleiding voor aanpassing. Gedupeerde ouders hebben vrijwillig gekozen voor schaderoute van SGH. Aan hen wordt op basis van hun eigen verhaal een aanbod gedaan om te komen tot afronding van hun financiële herstel. Het doel is daarbij om er gezamenlijk uit te komen via een VSO.
Ouders die daarna menen dat er gronden zijn om de VSO te herzien kunnen zich wenden tot de civiele rechter.
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Op nagenoeg alle herzieningsverzoeken is inmiddels een reactie gegeven.
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Ja
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Ja
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Voor racisme en discriminatie is binnen Defensie geen plek. Ik betreur het feit dat deze militairen het gevoel hebben dat hun meldingen onvoldoende zijn opgepakt. Om beeld te krijgen bij de ervaringen, ben ik recentelijk in gesprek geweest met het Multicultureel Netwerk Defensie.
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
Elke medewerker moet zich veilig, gerespecteerd en gelijkwaardig kunnen voelen. Ik neem deze signalen dan ook heel serieus. Ik wil benadrukken dat racisme, discriminatie niet getolereerd worden binnen Defensie. Daarnaast is hierbij ook sprake van een wettelijk verbod, zoals opgenomen in onze Grondwet.
Ik herken en erken dat het voor komt voor dat medewerkers het lastig vinden om ongewenst gedrag te melden. Uit onderzoek blijkt dat medewerkers het lastig vinden om ongewenst gedrag te melden, vanwege angst op mogelijke gevolgen voor de eigen loopbaan of die van anderen als ook de twijfels over de wijze waarop een melding wordt behandeld.
Om deze twijfels of angst zo snel mogelijk bespreekbaar te maken en weg te nemen bij melders, beschikt Defensie over een uitgebreid netwerk van gekwalificeerde vertrouwenspersonen. Deze vertrouwenspersonen zijn voor alle defensiemedewerkers laagdrempelig en vrijblijvend benaderbaar en ondersteunen melders gedurende het gehele meldproces. Onze vertrouwenspersonen zijn opgeleid om melders een luisterend oor te bieden, kunnen het verloop van het meldproces toelichten en hen adviseren over hoe zij met de situatie willen omgaan. Hiernaast werkt Defensie aan het verder vereenvoudigen van het meldproces en het verzorgen van duidelijke communicatie hierover. Dit om twijfels over het verloop van het meldproces zoveel mogelijk weg te nemen en de drempel om te melden zo laag mogelijk te houden. Daarnaast is er een onafhankelijk meldpunt voor Defensie, het Meldpunt Integriteit Defensie (MID). Bij het MID kunnen alle defensiemedewerkers een melding doen, onafhankelijk van de lijn. Ook heeft Defensie een Commissie Ongewenst Gedrag (COG). De commissie bestaat uit onafhankelijke onderzoekers die verder verwijderd staan van de eenheid of afdeling waar het onderzoek plaatsvindt
We zetten specifiek in het licht van voorgaande specifiek in op het verhogen van culturele sensitiviteit bij medewerkers werkzaam in het meldproces en faciliteren een inclusief netwerk van vertrouwenspersonen. DO’n zorgen voor een zo divers mogelijke groep vertrouwenspersonen, waarbij in het bijzonder aandacht is voor ondervertegenwoordigde groepen zoals medewerkers met een bi culturele
achtergrond.
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
Van al het personeel, maar zeker leidinggevenden wordt verwacht dat zij optreden tegen dit soort gedrag. Zij zijn immers verantwoordelijk voor de sociale veiligheid op de werkvloer. Defensie tolereert geen normvervaging en glijdende schaal in gedragingen en of uitingen. Leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor een s veilige werkomgeving op de werkvloer en dienen mensen aan te spreken, het gesprek te faciliteren en zorgdragen voor een veilige werkomgeving en worden hierop beoordeeld in de beoordelingscyclus. Bij het niet naleven en oppakken van zwaarwegende signalen rondom sociale veiligheid, kan een leidinggevende aangesproken worden en worden in voorkomend geval verdere maatregelen getroffen. U kunt hier denken aan hantering tuchtrecht en integriteitsmeldingen.
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
In het integriteitsbeleid is beschreven wat de taak, rol en verantwoordelijkheid is van leidinggevenden op integriteit en sociale veiligheid, waaronder het bevorderen van een veilige werkomgeving. Het bespreken van hoe zij hier invulling aan geven werkt daarmee door in de functionerings- en beoordelingsgesprekken die gevoerd worden met leidinggevenden binnen Defensie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250 nr. 422).
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Elke defensiemedewerker kan bij de eigen leidinggevende terecht om een melding te doen. De medewerker kan zich hierbij laten bijstaan door een vertrouwenspersoon. De leidinggevende zet de melding door aan de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID). In het geval iemand geen melding wil of kan doen bij de eigen leidinggevende is het altijd mogelijk om een melding te doen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID). Het MID is een extern meldpunt, bemenst door medewerkers van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP). Het MID staat melders te woord, registreert de melding en zet deze, na toestemming van de melder, door aan de COID. Een integriteitsadviseur van de COID adviseert de melder en het bevoegd gezag over de verdere behandeling van de melding. Alle meldingen die via het MID of leidinggevenden binnenkomen worden geregistreerd in het registratiesysteem van de COID.
In de afgelopen vijf jaar heeft de COID 82 meldingen geregistreerd over mogelijke racistische incidenten binnen Defensie of uitingen op social media door Defensie medewerkers. Iedere melding wordt behandeld via de daarvoor geldende procedure; wanneer de telastlegging aannemelijk is, kunnen maatregelen variëren van berispingen, opgelegde functioneringstrajecten, ontslag of een cultuuronderzoek.
De meest toegepaste maatregel, op basis van een melding over racisme, is het voeren van één of meerdere bewustwordingsgesprekken. Tijdens een bewustwordingsgesprek wordt de betrokken medewerker geconfronteerd met de eigen gedragingen en de effecten die dit heeft op anderen en de beeldvorming over Defensie. Als de melder openstaat voor een gesprek met de beschuldigde kan dit onderdeel zijn van een bewustwordingsgesprek. Met deze maatregel probeert Defensie zoveel mogelijk rekening te houden met de belangen van alle betrokkenen, medewerkers verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun eigen gedrag, hiervan te leren en situaties op een zorgvuldige en rechtvaardige manier op te lossen.
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
Leidinggevenden vervullen hier een belangrijke rol en zijn een voorbeeldfunctie voor de medewerkers. Zoals in mijn antwoord op vraag 6 aangegeven zijn zij verantwoordelijk voor het zorgdragen voor een veilige werkomgeving. In onze Gedragsregels is vastgelegd dat wij elkaar aanspreken bij ongewenst gedrag. Wij spreken elkaar aan op ongewenst gedrag en medewerkers die hiervoor tevens de verantwoordelijkheid dragen, onder meer door het voeren van bewustwordingsgesprekken of het nemen van rechtspositionele maatregelen.
Elke defensiemedewerker die een melding doet heeft recht op bescherming tegen benadeling. Wanneer een melder toch benadeling ervaart kan dit kenbaar gemaakt worden in de lijn of bij een vertrouwenspersoon. In eerste instantie wordt de situatie dan met betrokkenen besproken en de leidinggevende, met als doel de situatie op te lossen en te de-escaleren. Indien nodig kan de leidinggevende maatregelen nemen om de benadeling te beëindigen en eventueel sancties te nemen.
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Ik vind het belangrijk dat elke defensiemedewerker een melding kan indienen, onafhankelijk van de lijn. Hiervoor is in 2020 het MID ingericht, dat extern bemenst wordt door medewerkers van het CAOP. Onderzoeken naar integriteitsschendingen of misstanden vinden ook onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaats. Deze worden door de COID uitgevoerd of, in voorkomend geval, door een externe onderzoekscommissie. De objectiviteit van de COID is gewaarborgd doordat zij buiten de hiërarchische lijn is geplaatst, direct onder de secretaris-generaal (als «Bijzondere Organisatie Eenheid»).
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Ja, die mening deel ik. Dit soort uitspraken zijn verschrikkelijk en volstrekt onacceptabel.
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Ik doe in het openbaar geen inhoudelijke uitspraken over de behandeling en het onderzoeken van individuele meldingen. Het integriteitsbeleid en de meld- en onderzoeksrichtlijnen eisen dat alle betrokkenen open en eerlijk informatie delen, ongeacht eventuele consequenties. Medewerkers die bij een onderzoek betrokken zijn, mogen geen uitspraken doen over mogelijke gevolgen; die liggen bij het bevoegd gezag. De onderzoeker en adviseur registreren de verkregen informatie zorgvuldig en doen een advies aan het bevoegd gezag, dat de uiteindelijke maatregelen neemt en hierover communiceert met de betrokkenen. Voor rechtspositionele beslissingen wordt het bevoegd gezag geadviseerd door de afdeling Rechtspositie.
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Er zijn reeds gesprekken gevoerd met betrokkenen en in één geval de klacht van de betrokkene laten onderzoeken door een Commissie Ongewenst Gedrag. Defensie heeft excuses aangeboden en passende rechtspositionele vervolgacties doorgevoerd. Ook zijn er in goed overleg aanvullende afspraken gemaakt.
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Uw Kamer is hier reeds meermaals over geïnformeerd, daarvoor verwijs ik u naar Kamerstuk 35 000 X, nr. 144; Kamerstuk 2023Z12558; Kamerstuk 2023D32725 en Kamerstuk 35000-X-76.
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Sinds het uitkomen van het artikel in 2023 zijn er op basis van (wetenschappelijk) onderzoek, (beleids-)evaluaties en interne en externe ontwikkelingen maatregelen genomen voor het optimaliseren van het meldproces en de omgang en bescherming van melders.
Zo zijn er maatregelen genomen om het meldlandschap binnen Defensie te vereenvoudigen en te verbeteren. Dit heeft onder andere geleid tot het bijscholen van vertrouwenspersonen in het ondersteunen bij arbeidsconflicten, het trainen van adviseurs en onderzoekers van de COID. Daarnaast worden de mogelijkheden onderzocht om het MID door te ontwikkelen naar een volwaardige externe commissie met meer mandaat en bevoegdheden.
Tevens heeft Defensie de Erasmus Universiteit de opdracht gegeven om de ervaringen binnen Defensie met het meldproces voor integriteitsschendingen te onderzoeken. De resultaten hierover worden binnenkort verwacht en worden gebruikt om de opzet, uitvoering en ondersteuning omtrent het meldproces te verbeteren. Ik zal uw Kamer informeren over de inzichten uit het onderzoek en eventuele maatregelen die wij op basis hiervan nemen.
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
De afgelopen 15 jaar zijn er veel onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie gepubliceerd en verzonden. Een overzicht genereren van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven vergt meer tijd. Om uw vraag goed en duidelijk te beantwoorden beperk ik mij voor nu tot de onderzoeken en Kamerbrieven van de afgelopen 15 jaar, die hebben geleid tot de meest betekenisvolle, Defensiebrede inzichten en verbeteringen.
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Defensie heeft in 2024 het «Beleidskader Diversiteit & Inclusie» uitgebracht. Dit beleidskader is naast wet- en regelgeving gebaseerd op een grote hoeveelheid (wetenschappelijke) inzichten van nationale en internationale organisaties. Hierbij gaat het onder meer om andere Nederlandse Ministeries, buitenlandse krijgsmachten, (inter)nationale universiteiten, TNO en de Sociaal Economische Raad. Tevens is Defensie actief lid van het Interdepartementaal Netwerk Aanpak Racisme (INAR), waar recent de beleids- en effectrapportage over de aanpak van discriminatie en racisme is besproken.
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In het hiervoor genoemde beleidskader Diversiteit & Inclusie zijn concrete maatregelen beschreven om racisme en discriminatie aan te pakken. Zo wordt in het kader van bewustwording jaarlijks de Internationale dag tegen racisme en discriminatie georganiseerd. Ook wordt in opleiden en trainen waar passend aandacht gegeven aan racisme en discriminatie, zowel in reguliere opleidingen als in specifieke trainingen. In het kader van «Breed werven en objectief selecteren» is er een handreiking ontwikkeld en worden pilot trainingen georganiseerd. Het inclusiebelevingsonderzoek van 2025, zorgt ervoor dat het uitvoeringsplan en de activiteiten verder aangescherpt kunnen worden. Hierin wordt mede geadviseerd door de interne Personeelsnetwerken, zoals Multicultureel Netwerk en Vrouw & Defensie. Daarnaast worden de Gedragscode en -regels geactualiseerd. Hierbij wordt onder andere het advies ingewonnen van het Multicultureel Netwerk Defensie. Het voornemen is om in de geactualiseerde Gedragscode (nog) explicieter op te nemen dat er binnen Defensie geen plek is voor discriminatie en racisme. Defensie voert tweejaarlijks een interne peiling uit omtrent de meldingsbereidheid van defensiemedewerkers. De afgelopen jaren hebben deze peilingen een meldingsbereidheid van meer dan 80% laten zien. De laatste peiling dateert uit 2024. In 2026 zal wederom een peiling worden uitgevoerd. Ik laat de uitkomsten opnemen in het Jaarverslag Integriteit Defensie over 2026.
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Er is contact tussen de Staatscommissie en Defensie geweest over het opnemen van de discriminatietoets als tool binnen de uitvoering van het Diversiteit & Inclusie beleid en anti-discriminatieprogramma’s. Defensie onderzoekt hoe de Discriminatietoets binnen Defensie kan worden ingezet.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
Ja. Dit zal ik doen via het Jaarverslag Integriteit Defensie.
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
De Google Spreadsheet waarnaar wordt verwezen is géén publicatie van het Ministerie van VWS, maar is door een X-gebruiker opgesteld op basis van een document dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) openbaar is gemaakt.2 Dit originele document bevat ook batchnummergegevens van coronavaccins.
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht.
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Het standpunt van het kabinet is dat de exclusiviteit van rechtsmacht van de vlaggenstaat op volle zee met zich mee brengt dat niet zonder (voorafgaande) toestemming van de vlaggenstaat handhavend kan worden opgetreden tegen vreemde (koopvaardijschepen en daarmee gelijkgestelde) schepen op volle zee. Het internationaal recht erkent enkele uitzonderingen hierop, die volgens het kabinet niet van toepassing waren op de huidige situatie. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Verder ligt in algemene zin de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de beperkte humanitaire toegang. In Gaza zijn tekorten aan vrijwel alles, van voedsel en water tot medische zorg en onderdak. Tegelijkertijd zien we dat de grensovergangen slechts zeer beperkt geopend zijn, en dat hulporganisaties zich geconfronteerd zien met restricties die hun operaties ernstig bemoeilijken.
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het kabinet zet zich in om de situatie in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever te verbeteren, en doet dit door een combinatie van druk en dialoog in zowel bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari 2026 onderstreept dat de ontwikkelingen in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. In de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd duidelijk dat er voor maatregelen, zoals het (gedeeltelijk) opschorten van het associatieakkoord, vooralsnog niet de benodigde meerderheid bestaat. Op 22 mei jl. heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inzet op dit vlak nogmaals benadrukt. Diverse moties indachtig blijft het kabinet toewerken naar draagvlak hiervoor.
Op gebied van humanitaire hulp in het bijzonder, blijft het kabinet er bij Israël op aandringen om professionele hulporganisaties, zoals de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s ongehinderde humanitaire toegang te verschaffen. Ook hier oefent Nederland druk uit op alle niveaus, zowel bilateraal als multilateraal. In dit kader blijft het kabinet zich ervoor inspannen dat Israël zijn herregistratieplicht voor internationale ngo’s niet implementeert. Zo heeft de Minister-President zijn gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moet openstellen voor humanitaire hulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit nogmaals benadrukt in het gesprek met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 15 april jl.
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Ja. De gesignaleerde invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland is zeer zorgelijk en onwenselijk.
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
De AIVD brengt jaarlijks een openbaar jaarverslag uit waarin verantwoording wordt afgelegd over de activiteiten in het jaar ervoor. Dit schrijft de Wiv 2017 eveneens voor. Dat signalen volgens berichtgeving al langer bekend zouden zijn, leidt er niet automatisch toe dat de AIVD hierover in het openbaar rapporteert. De AIVD heeft in de jaarverslagen van 2023, 2024 en 2025 melding gemaakt over onderzoek naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
De Kamervragen waar uw Kamer naar verwijst, betreffen vragen of er signalen zijn van financiële steun van buitenlandse donoren aan de acties van Pro-Palestijnse demonstranten in Nederland, bijvoorbeeld de acties van Samidoun Nederland.3 Daarop is destijds geantwoord dat deze signalen niet bekend zijn.
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Het kabinet kan geen uitspraken doen of er informatie via de geëigende kanalen van de AIVD is gedeeld, noch over de aard of het moment daarvan. Daarnaast doet de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen onderzoek naar personen en/of organisaties.
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan het kabinet geen uitspraken doen over welke informatie wanneer via de geëigende kanalen van de AIVD is verworven.
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
In algemene zin geldt dat indien er sprake is van signalen van ongewenste buitenlandse financiering, deze serieus worden genomen en waar nodig nader worden onderzocht door de bevoegde instanties. Het kabinet doet geen uitspraken over mogelijke individuele geldstromen, organisaties of landen indien dit betrekking heeft op lopende onderzoeken of inlichtingeninformatie.
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
Het kabinet heeft op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen 7 en 8 beschikt het kabinet momenteel niet over informatie waaruit dit blijkt. Het kabinet acht iedere vorm van antisemitisme, intimidatie en bedreiging onacceptabel.
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Het kabinet beziet voortdurend of de informatiepositie ten aanzien van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding voldoende aanleiding geeft om maatregelen te kunnen treffen of doeltreffend te kunnen handelen. Daarbij wordt nauw samengewerkt tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, opsporingsinstanties en lokale partners. Zoals in ieder veiligheidsdomein geldt dat de informatiepositie voortdurend in ontwikkeling is en aanpassing vraagt aan veranderende dreigingen en netwerken.
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, geldt in algemene zin dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Waar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten diensten concreet onderzoek naar doen worden in het openbaar geen uitspraken over gedaan. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat laatste kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Op basis van het dreigingsbeeld wordt voortdurend gekeken naar mogelijkheden om risico’s op ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of mitigeren.
Het kabinet is daarnaast in gesprek over mogelijkheden om de motie van Zanten ten uitvoer te brengen, met name in relatie tot de (ontbrekende) grondslag tot het doen van onderzoek naar personen of organisaties bij verschillende organisaties. Uw Kamer wordt hier zo spoedig mogelijk over geïnformeerd.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft Europese samenwerking in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering van belang. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger de EU Knowledge Hub on Prevention of Radicalisation, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten. Dit onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaar hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Universiteiten en hogescholen hebben de maatschappelijke opdracht om onderzoek te doen en onderwijs te geven. Zij zijn hierin afhankelijk van internationale samenwerking, deels van externe financiering naast de Rijksbijdrage en open kennisuitwisseling. Het kabinet onderkent dat dit kansen én risico’s met zich brengt. In bepaalde gevallen kunnen Nederlandse kennisinstellingen te maken krijgen met pogingen van statelijke en niet-statelijke actoren tot beïnvloeding van meningen en inmenging in publicaties, of worden pogingen gedaan wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksresultaten te censureren. Daarom zet het kabinet en de sector hoger onderwijs zich in voor versterking van kennisveiligheid, zoals toegelicht in diverse Kamerbrieven hierover.4 In de nieuwe Nationale Leidraad Kennisveiligheid wordt hier extra aandacht aan besteed.5 Instellingen die hier vragen over hebben kunnen terecht voor advies bij het Loket Kennisveiligheid.
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, geldt dat dreigingen tegen de sociale en politieke stabiliteit door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er signalen zijn van heimelijke beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren. Indien sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging wordt niet geschroomd op te treden. Voor een actueel overzicht en het voorgenomen beleid inzake ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding verwijs ik uw Kamer naar de meest recente Kamerbrieven over dit thema.6
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek gestart worden en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst, ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM ook een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)7, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s.8 De onderzoekers constateren echter ook dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status ook kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik, zoals aangegeven op het antwoord op vraag 12, momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
Graag verwijs ik uw Kamer naar het antwoord op vraag 12 voor een overzicht van de bestaande instrumenten ter voorkoming van ongewenste buitenlandse financiering. Daarbij heb ik toegezegd uw Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de voortgang met betrekking tot aanvullende instrumenten om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan.
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
De aanpak van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding heeft onverminderd prioriteit binnen het kabinet. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 wordt er momenteel bezien welke aanvullende instrumenten kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de voortgang hierover.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking ‘propaganda’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in The Guardian getiteld «Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking «propaganda»»?1
Ja.
Zijn er Nederlandse militairen aanwezig geweest bij deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom waren ze bij deze gesprekken? Wat brachten ze (eventueel) in namens Nederland?
Dergelijke gesprekken worden onder andere gevoerd met hooggeplaatste functionarissen binnen de NAVO, van wie een deel de Nederlandse nationaliteit kan hebben. Deze functionarissen schuiven aan vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en inhoudelijke expertise, en spreken niet namens Nederland.
Wat was het doel van deze gesprekken? Waarom heeft de NAVO deze gesprekken georganiseerd?
Om berichtgeving over de NAVO zo actueel mogelijk te houden, is het voor televisie- en filmproducenten interessant om meer te weten te komen over wat de NAVO doet en hoe de besluitvorming binnen de NAVO werkt.
Wie waren aanwezig bij deze gesprekken? Kan de Kamer de deelnemerslijst ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van de deelnemerslijst aangezien dit een NAVO-aangelegenheid betreft.
Kunnen de gespreksverslagen van deze bijeenkomst naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van gespreksverslagen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
In het artikel wordt gesteld dat deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten zouden hebben geresulteerd in «drie afzonderlijke projecten», kan de Kamer een beschrijving van deze drie projecten ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van een beschrijving van de drie projecten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Vindt u het wenselijk, gepast en logisch voor de NAVO om zich bezig te houden met het werk van televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom?
Het kabinet steunt de NAVO volmondig bij het publiekelijk communiceren over de doelstellingen en activiteiten van het bondgenootschap. Het kabinet acht het waardevol dat de NAVO zich binnen de daarvoor geldende kaders zo open en transparant mogelijk opstelt naar het publiek, de media en andere actoren in het publieke domein. De NAVO beschermt al sinds de oprichting de vrije en democratische samenleving, door de vrede en veiligheid binnen het gehele bondgenootschap te bewaken. In die vrije samenleving staat het geïnteresseerden vrij om met de NAVO in gesprek te gaan over de belangrijke uitdagingen die voor ons liggen, en staat het televisie- en filmproducenten vrij om de door de NAVO verschafte informatie naar eigen inzicht te gebruiken.
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Op 13 mei 2026 is een verzoek op grond van de Wet Open Overheid (WOO) van gelijke strekking ingediend. Bij dit verzoek is er om openbaarmaking van dezelfde documenten verzocht. Naar verwachting zal het besluit op dit WOO-verzoek in de zomer volgen, waarmee de informatie waar mogelijk openbaar zal zijn. Ik zal het besluit op het WOO-verzoek met uw Kamer delen.
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Het gevangeniswezen in Oekraïne betreft, wanneer het over de gevangenispopulatie gaat, een van de grotere systemen in Europa.3
Het gevangeniswezen van Oekraïne staat onder directe druk door de aanhoudende oorlog en de situatie in de door het conflict getroffen en/of risicovolle gebieden: van de 91 bestaande gevangenissen zijn er zeven door Rusland bezet, zijn er twee volledig verwoest en hebben er twaalf aanzienlijke schade opgelopen. Sinds 2022 heeft Oekraïne twaalf gevangenissen en ongeveer 4000 gevangenen moeten verplaatsen. Oekraïne heeft aangegeven dat er een groot tekort is aan materieel binnen het gevangeniswezen, waaronder transportcapaciteit voor gedetineerden. Oekraïne heeft via Europris – de Europese netwerkorganisatie voor het gevangeniswezen – een oproep gedaan om hulp van andere Europese landen op dit gebied. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zag hierop de mogelijkheid om twintig, in Nederland reeds afgeschreven, gedetineerden bussen te schenken. Deze gebruikte bussen helpen om transport van gedetineerden veilig en humaan te organiseren en het schenken daarvan past bij de steun van dit Kabinet aan Oekraïne.
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Ja.
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De bussen zijn overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen voor specifiek gebruik binnen detentie en transport van gedetineerden. Met deze bussen kan Oekraïne zorgdragen voor het veilig en humaan vervoeren van gedetineerden. De bussen zijn hiervoor ontwikkeld en met dit doel heeft Nederland de bussen geschonken. Nadat de bussen zijn overgedragen is Oekraïne de eigenaar geworden van de bussen.
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 5 aangegeven zijn de bussen overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne specifiek voor de inzet binnen detentie en het transport van gedetineerden zodat dit veilig en humaan kan plaatsvinden. Het Ministerie van Justitie van Oekraïne is daarmee verantwoordelijk voor de wijze waarop deze bussen ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen worden ingezet. De mobilisatie wordt in Oekraïne uitgevoerd door het Ministerie van defensie.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Zie antwoord vraag 6.