Gecorrigeerde temperatuurreeksen van het KNMI |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Klimaatcritici krijgen gelijk van KNMI: 7 extra hittegolven sinds 1900»1 en «KNMI publiceert verbeterde homogene temperatuurreeksen»?2
Ja.
Hoe reageert u op de correctie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat er tussen 1900 en 1950 niet zeven, maar veertien hittegolven zijn geweest – oftewel twee keer zoveel?
Het is een goede zaak dat het KNMI verbeterde homogene temperatuurreeksen heeft gepubliceerd3. Het is van belang accurate informatie te hebben en nieuwe inzichten hierin voortdurend mee te nemen. Deze nieuwe reeksen leveren voor de belangrijkste klimaatcijfers geen ander resultaat dan de eerder gepubliceerde reeksen. Sinds 1901 is de gemiddelde jaartemperatuur met ongeveer 2 graden gestegen.
Vooral op losse warme zomerdagen zijn er wel verschillen in de reeksen. Dit heeft ook invloed op het aantal getelde hittegolven. Deze tellingen zijn heel gevoelig voor kleine veranderingen en daarmee veel meer onzeker. Het aanpassen van de maximumtemperatuur op slechts één dag van 29,9 graden naar 30,0 graden of andersom, kan uitmaken of er een hittegolf wordt geteld.
In de ruwe metingen van De Bilt zijn sinds 1901 in totaal 46 hittegolven geteld. In de eerste homogene temperatuurreeksen uit 2016 waren dat er 32. In de verbeterde homogene temperatuurreeksen zijn het er 39. Ruim 40 procent van alle hittegolven is opgetreden na het jaar 2000. Daarmee is de klimaattrend hetzelfde: er komen tegenwoordig veel meer hittegolven voor.
Wat vindt u ervan dat klimaatcritici, zoals in dit geval stichting Clintel, jarenlang zijn weggezet als «klimaatontkenners», terwijl hun inhoudelijke kritiek nu juist correct blijkt te zijn?
Het KNMI heeft kennisgenomen van kritische publicaties in de wetenschappelijke literatuur (bijv. Dijkstra et al., 2022) op de eerste homogenisatie. De kritiek richtte zich op methodologische keuzes en de gevoeligheid van de uitkomsten daarvoor. Onderbouwde kritiekpunten en aanbevelingen zijn nauwgezet bestudeerd. In meerdere gevallen zijn deze geaccepteerd en overgenomen bij de ontwikkeling van een verbeterde, robuustere methodologie. Dat heeft daarmee mede geleid tot het resultaat van de verbeterde homogene temperatuurreeksen. De nieuwe uitkomsten sluiten meer aan bij de verwachtingen van critici, zoals Clintel, over het aantal hittegolven voor 1950. Ook de nieuwe temperatuurreeksen laten duidelijke en consistente klimaattrends zien. De homogenisatie zegt niets over de oorzaken van klimaatverandering, zoals menselijk invloed, die door klimaatsceptici wordt betwijfeld, afwezen of ontkend.
Hoe kan het dat het KNMI nu pas de temperatuurreeksen corrigeert, terwijl de discussie over het aantal hittegolven al vanaf 2016 loopt? Heeft het KNMI werkelijk tien jaar nodig gehad om dit te onderzoeken?
Het KNMI voert doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen en mogelijkheden om deze beter vergelijkbaar te maken met moderne metingen. Hierover zijn in de periode 2016–2026 wetenschappelijke publicaties verschenen in o.a. 2019, 2022, 2023 en 2026. Dit heeft uiteindelijk in samenhang geleid tot de verbeterde homogene temperatuurreeksen.
Is het mogelijk dat er meer fouten of onnauwkeurigheden in historische temperatuurreeksen zitten? Bent u ertoe bereid dit te (laten) onderzoeken?
Het vergelijkbaar maken van historische metingen met moderne metingen brengt altijd enige onzekerheid met zich mee. In het wetenschappelijk rapport dat het KNMI dit jaar heeft uitgebracht zijn deze onzekerheden inzichtelijk gemaakt. Het valt niet uit te sluiten dat toekomstig onderzoek ertoe leidt dat het vergelijkbaar maken van temperatuurreeksen nog nader verfijnd kan worden. Het KNMI voert zelf doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen, het kabinet ziet geen reden om dit verder te laten onderzoeken.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle genomen of voorgenomen klimaatmaatregelen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de oude, incorrecte temperatuurreeksen – en deze maatregelen vervolgens direct intrekken?
Het kabinet ziet geen aanleiding om een dergelijk overzicht van klimaatmaatregelen te maken omdat zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven de onderbouwing van die maatregelen niet door de correctie van de temperatuurreeksen verandert.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
Olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam |
|
Mikal Tseggai (PvdA), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De milieueffectrapportage van Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat in het Heracless plan in de MER uitgegaan is van een productievolume van 6,8 megaton (Mton) vloeibaar staal per jaar (deel B, p.9), terwijl in de Joint Letter of Intent (JLOI) wordt uitgegaan van een maximum productiecapaciteit van 5,83 Mton per jaar (AMVI advies, p.8)?
Welke afspraak gaat u maken met Tata Steel over de hoeveelheid vloeibaar staal die in de toekomst geproduceerd zal worden?
Waarom zou een vergunning worden aangevraagd, met de MER als basis, die meer productie aanneemt dan is afgesproken in de JLOI?
Als een vergunning aangevraagd wordt op basis van deze MER, welke juridische borging heeft u dan dat het productievolume beperkt zal worden tot 5,83 Mton/jaar? Welke instantie zal hierop handhaven?
Kan de gereduceerde productiecapaciteit van vloeibaar staal na de maatwerkafspraken in IJmuiden worden gecompenseerd door import van slabs van andere staalfabrieken? Wat is dan het effect van de wereldwijde CO2-uitstoot?
Wat vindt u van «de ambitie van Tata Steel om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen» (deel B, p.9)? Hoe verhoudt zich dit met de JLOI waarin subsidie wordt gegeven voor CO2-reductie die voor 19% wordt behaald door het terugschroeven van de productiecapaciteit? Hoe garandeert u precies dat deze CO2-reductie permanent is?
Wat vindt u ervan dat zelfs in het meest gunstige geval «De DRI-fabriek kan ongeveer 80% aan waterstof gebruiken voor de reductie, verder aan te vullen met aardgas» (deel B, p.43), en er dus altijd nog 20% aardgas zal worden gebruikt? Hoe strookt dit met de ambitie van Nederland om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen?
Wat vindt u ervan dat Tata Steel in de MER aangeeft dat «Met Heracless gaat het aandeel schroot omhoog naar circa 28%», of 27% als de WSA-definitie wordt gebruikt (deel B, p.48), terwijl in de JLOI wordt afgesproken dat het aandeel schroot naar 30% gaat in 2030 (artikel 3.3.a)?
Welke juridische borging heeft dit kabinet om te zorgen dat het aandeel schroot daadwerkelijk tot tenminste 30% wordt verhoogd, als de vergunningsaanvraag gebaseerd wordt op de MER waarin 27% is aangegeven?
Hoe stroken deze berekeningen met elkaar:
Wat vindt u ervan dat ook de commissie MER (p.32)1 signaleert dat onduidelijk is hoe de CO2 emissiereductie is opgebouwd in de MER en hoe deze rijmt met de afspraken in de JLOI?
Wie is verantwoordelijk voor het vergelijken van de afspraken in de JLOI en de vergunningaanvraag (inclusief MER)? Hoe is dit tot nu toe gebeurd en wat wordt er gedaan met discrepanties tussen de twee documenten?
Hoe komt het dat volgens de MER de inzet van waterstof een extra CO2-reductie oplevert van ongeveer 1,1 miljoen ton ten opzichte van het gebruik van uitsluitend aardgas (deel E, p.6), terwijl volgens de JLOI de inzet van waterstof in plaats van biomethaan (chemisch identiek aan aardgas) leidt tot een extra uitstoot van 0,1 miljoen ton CO2 per jaar (AMVI, p.8)?
Hoe strookt de opmerking «Een GER maakt echter geen onderdeel uit van het MER of van de besluitvormingsprocedures voor Heracless» (deel D, p.3) met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid (waaronder het advies om een gezondheidseffectrapportage op te stellen) een harde voorwaarde moeten zijn voor maatwerkafspraken?
Aangezien de Staatssecretaris heeft gezegd dat er een gezondheidseffectrapportage (GER) zou kunnen worden opgesteld als de MER er is en de Kamer zo’n GER eist voordat afspraken worden gemaakt, wanneer wordt het gezondheidseffectrapportage naar de Kamer gestuurd?
Waarom bestaat er een discrepantie tussen het waterverbruik zoals beschreven in deel B (p.32: zeewater, brak oppervlaktewater, zout grondwater, zoet water in het referentiescenario respectievelijk 25%, 69%, 1%, 4%) en deel C (64%, 13%, 6%, 17%) van de MER? Kunt u in een tabel weergeven in absolute getallen en percentages hoeveel water jaarlijks wordt gebruikt per type?
Wat vindt u ervan dat Tata aangeeft dat de immissies van Kwik en Cadmium volgens de MER dalen (deel C, p.193), terwijl de emissies van diezelfde stoffen stijgen (detailstudie luchtkwaliteit, p.39 vs p.48), en dat dit zou zijn omdat de emissies gebaseerd zijn op garantiewaarden die «vertegenwoordigen doorgaans een bovengrens van de emissies die in de praktijk gehaald worden» (deel C, p.192)? Welke onderbouwing is er voor de daling in immissies, aangezien de detailstudie luchtkwaliteit alleen ingaat op de stijgende emissies?
Wat maakt u van de opmerking over EU ETS dat «Dit systeem dwingt bedrijven zo om hun CO2-uitstoot stap voor stap terug te brengen tot nul in 2057» (deel A, p.6)? Is het niet zo dat bedrijven onder EU Emissions Trading System (EU ETS) in 2040 al geen nieuwe rechten meer krijgen?
Hoe plaatst u de opmerking over de kooksgasfabriek 2 dat «Eventuele ontmanteling valt buiten beschouwing van dit MER» (deel B, p. 83)? Welke afspraken gaat u maken in de JLOI over ontmanteling van de Kooks- en Gasfabrieken 2 (KGF2) en Hoogoven 7?
Welke juridische borging heeft de Minister dat de ernstig verouderde, gifitige en lekkende kooksgasfabriek 2 ook echt definitief dicht zal gaan? Hoe kunt u garanderen dat hier niet, zoals bijvoorbeeld bij gaswinnnig in Groningen is gebeurd, steeds weer productie zal plaatsvinden omdat het op dat moment nodig wordt geacht?
Wat vindt u van de intentie van Tata Steel om toegenomen stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van de nieuwe fabrieken intern te salderen, omdat «de extra stikstofuitstoot van Heracless wordt gecompenseerd door vermindering van stikstof op andere plekken binnen het bedrijf» (deel E, p.56)? Hoe strookt dit met de uitspraak van de Raad van State dat intern salderen niet meer onvergund mogelijk is (graag een juridische onderbouwing)? Hoe kan Tata Steel hierop rekenen zonder dat de vergunningen uit «mandje 3» zijn aangevraagd voor de ingebruikname van nieuwe fabrieken?
Wat vindt u ervan dat «De opgeslagen hoeveelheden ertsen, kolen en andere stoffen veranderen niet significant.» (deel B, p.108)? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze opslagen significant te reduceren, vooral waar de opslag niet overdekt wordt, gezien de gigantische hoeveelheid verwaaiing van deze grondstoffen (100 miljoen kilo per jaar volgens deel B p.31)? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat de productie van kolengestookte Hoogoven 6 als gevolg van Heracless zou stijgen met 12% van 2,5 naar 2,8 Mton per jaar (deel B, p.109)?
Wat vindt u ervan dat van de 12 stoffen waarvoor nu een doel is afgesproken of in onderhandeling is in de JLOI (arseen, benzeen, benzo[a]pyreen, cadmium, chroom, chroom VI, dioxines, kwik, lood, mangaan, nikkel, vanadium), er maximaal 3 gehaald kunnen worden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond (lood, vanadium, mangaan)? Hoe strookt dit met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat het overnemen van alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid een harde voorwaarde moet zijn voor maatwerkafspraken?
Waarom stelt u een onafhankelijke Expertgroep in als u vervolgens driekwart van de adviezen die zij geven in de wind slaat?
Kunt u bevestigen dat u voor de stoffen waar nog geen afspraken over zijn gemaakt (Thallium, VOS, Polychloorbifenylen) zult inzetten op het behalen van de doelwaarden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid?
Wat vindt u ervan dat de Commissie voor de milieueffectrapportage constateert dat in het door Tata Steel ingediende MER «belangrijke cijfers en verklaringen» over processen en de impact op het milieu en de leefomgeving ontbreken?
Bent u het met de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage eens dat voor omwonenden het glashelder moet zijn of, en welke gezondheidswinst er precies is? Zo ja, hoe gaat u dat dan waarborgen dat er onafhankelijk in kaart wordt gebracht wat de gezondheidswinst is, voordat er eventueel afspraken worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?2
Wat vindt u van het feit dat de chief financial officer van Tata Steel Ltd. (TSL) (Indiase moedermaatschappij van Tata Steel IJmuiden) in een investor call onlangs sprak over veranderingen in beleid die zij als voorwaarden hebben gesteld aan de subsidie, waaronder nettarieven, elektriciteitskosten en een verbod op kolen3? Waarom zegt u in eerdere beantwoording dat «De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden»4 als zij letterlijk zeggen dat ze veranderingen in beleid als voorwaarde hebben gesteld? Welke beleidsveranderingen vraagt TSL precies en wat is uw reactie op elk daarvan?
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Tieman , Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het Sectorakkoord Gaswinning op Land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te kunnen spreken over de «hoe-vraag» (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties? Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan draagvlak omgaan?
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag. Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60–70% van de respondenten het gebruik van de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie». Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het Groningenveld – geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in die overweging meegenomen?
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het «Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie» en de «aanvullende afspraken voor gaswinning op land» zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is 55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het «Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte»3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid, gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen, gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas) zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek «Ketenemissies aardgasmix 2022–2023» dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6–7 (VS) en circa 4 (Qatar e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu-impact op aardgas verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas) steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie. In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners, in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden – is van grote meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de vergunninghouders die een activiteit willen uitvoeren. Om deze reden zijn in het akkoord aanvullende afspraken gemaakt onder meer over het betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor gaswinning in gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en de wijze waarop de omgeving betrokken wil worden. De vergunninghouder verwerkt de inbreng van de omgeving in een «betrokkenheidsplan» dat de vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de vergunningaanvraag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei overlegt.
Echter, het «voor-of-tegen» gaswinning zijn (de «of-vraag») is niet de vraag die voorligt bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits veilig en verantwoord – betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet. Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief technisch en economisch winbaar is?
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land8) volgt dat het winningsvolume uit kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt. Hiervan is op basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch winbaar. Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het verbruik van 2025?
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op jaarbasis. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land) volgt dat ongeveer 40% van het winningsvolume als technisch potentieel kan worden bezien. Dat komt neer op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een periode van zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de Noordzee, opschaling van duurzame energieprojecten en inspanningen tot het verder verlagen van het aardgasverbruik tot het zoveel mogelijk beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende decennia op weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer komt?
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de nieuwe planning van de herziening van de Mijnbouwwet9. In die brief worden de processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel aan de Kamer toegelicht.
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen, de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen, welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge van aardbevingen en/of bodemdalingen?
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet, meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie Mijnbouwschade (CM) ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in een overeenkomst met de staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen. Het uitgangspunt van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig, transparant, deskundig en onafhankelijk is.
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere gebieden uitgebreid en welke niet?
De maatregelen uit «Nij Begun» kunnen niet zonder meer allemaal worden overgenomen in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en gerelateerd aan de gaswinning uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade (CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit «Nij Begun» aanvullende verbeteringen doorgevoerd. Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen toe te schrijven is?
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders. Ook zou de invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen worden en daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27 maart 202510 aan de Kamer.
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
Het bericht dat Curaçao wordt gebruikt als doorvoerhaven voor Venezolaanse olie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat een tanker met Venezolaanse olie recent is aangemeerd bij Curaçao voor tijdelijke opslag, en zo ja, welke hoeveelheden zijn betrokken en in wiens opdracht gebeurt dit?1
Hoe beoordeelt u de uitspraak van premier Pisas dat deze ontwikkeling een «buitenkansje» is voor Curaçao?
Bent u vooraf geïnformeerd over de aankomst en opslag van Venezolaanse olie op Curaçao? Zo ja, wanneer en door wie?
Deelt u de mening dat de oliehandel via Curaçao het signaal afgeeft dat schendingen van internationaal recht door de illegale acties van de VS geen gevolgen hoeven te hebben zolang economische belangen spelen?
Hoe voorkomt u dat Nederlandse bedrijven economisch profiteren van een situatie die is ontstaan door illegale interventie van de VS in Venezuela?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao structureel wordt gepositioneerd als fossiele doorvoerhub? Acht het kabinet dit in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de EU-klimaatdoelstellingen? Zo nee, wat doet het kabinet om het structureel inbedden van een fossiele doorvoerhaven te voorkomen?
Bent u bereid om met Curaçao in gesprek te gaan over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag, en die niet het gevolg zijn van een illegale interventie door de VS? Zo ja, welke concrete stappen zijn daarvoor voorzien?
Acht u het wenselijk dat Curaçao zich profileert als doorvoerhaven voor fossiele olie, terwijl Nederland zich internationaal uitspreekt voor klimaatdoelen, afbouw van fossiele afhankelijkheid en het beperken van de macht van olie-exporterende staten?
Hoe verhoudt het faciliteren van de doorvoer en opslag van Venezolaanse olie via Curaçao zich tot het Nederlandse beleid om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en olie-exporterende staten te verminderen, en tot de inzet op strategische energie-onafhankelijkheid?
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.
De stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief voor grote elektriciteitsproducenten?1
Ja.
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten. Niettemin herkent het kabinet de in het artikel geschetste nadelen als mogelijke gevolgen van de invoering van een invoedingstarief.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en vroegtijdige uitgebruikname van bestaande productielocaties. Het speelveld voor Nederlandse producenten kan verslechteren en de import van elektriciteit kan daardoor relatief aantrekkelijk worden. De afhankelijkheid van buitenlandse productie kan daardoor groter worden. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve gevolgen zijn mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en ingroeipad, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze, negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten.
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Het netto-effect op de energierekening van afnemers is moeilijk vooraf in te schatten en hangt in grote mate af van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en ingroeipad van een eventueel invoedingstarief. Daarnaast zijn er eventuele, flankerende maatregelen die kunnen worden genomen om de nadelige effecten van een invoedingstarief te beperken. Daarnaast zal het effect ook verschillen, afhankelijk van het type aansluiting en het verbruiksprofiel van elke afnemer.
Uit de doorrekeningen van onderzoeksbureau Aurora (in opdracht van Energie Nederland) en CE Delft (in opdracht van de ACM) blijkt dat het invoedingstarief zich vertaalt in een hogere elektriciteitsprijs. Dit wordt ook bevestigd door een onafhankelijke studie van TenneT. De stijging van de (basislast) elektriciteitsprijs is echter lager dan de hoogte van het invoedingstarief. Zonder aanvullend beleid is de verwachting op basis van voorgenoemde studies dat hierdoor ca. 20 tot 50% procent van het invoedingstarief terugkomt in een hogere basislast elektriciteitsprijs. Ook is het de verwachting in deze studies dat de invoer van elektriciteit gaat toenemen. Het invoedingstarief kan daardoor het effect hebben dat producenten in Nederland minder investeren in nieuwe centrales en in het verlengen van de levensduur van bestaande centrales.
De bijdrage van producenten aan de netkosten zorgen ervoor dat de nettarieven voor afnemers op het elektriciteitsnet in beginsel lager vastgesteld kunnen worden. Op deze manier is het mogelijk dat afnemers erop vooruitgaan.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Deze verslechtering van de concurrentiepositie zou beperkt blijven wanneer de invoering van het invoedingstarief meer gekoppeld zou worden aan Europese ontwikkelingen of de situatie in onze buurlanden. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Een invoedingstarief is een tarief dat aangeslotenen moeten betalen om elektriciteit in te voeden op het net. Voor de infrastructuurgerelateerde kosten van het elektriciteitsnet geldt een Europees-wettelijk vastgelegd maximumtarief voor invoeders. Voor de systeemkosten (kosten voor inkoop congestie- en balanceringsdiensten en netverliezen) geldt geen Europese begrenzing.
De ACM is voornemens om het invoedingstarief op dit moment alleen uit te werken voor grootverbruikers. Dit zijn gebruikers met een aansluiting met een aansluitcapaciteit van meer dan 3 keer 80 Ampère, hier vallen onder andere onder wind op zee, kerncentrales, gascentrales, windparken en zonneparken. Voor kleinverbruikers wordt momenteel een nieuwe nettariefstructuur uitgewerkt en de ACM wil dit proces niet doorkruisen. Voor kleinschalige zon op dak, bijvoorbeeld op een woonhuis, gaat het invoedingstarief dus niet gelden.
De ACM heeft nog geen definitieve keuzes gemaakt over uitzonderingen. Het consultatiedocument van de ACM bespreekt de mogelijkheid van een uitzondering voor producenten op zee en voor bi-directionele gebruikers (waaronder batterij-opslag). De ACM heeft hier nog geen besluit over genomen.
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. In het Nederlands recht is dit geïmplementeerd in de Energiewet. De bevoegdheid voor de ACM om de tarieven en tariefreguleringsmethode vast te stellen is vastgelegd in artikel 3.106, eerste lid, in combinatie met artikel 3.107 van de Energiewet. Voorts moeten op grond van artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet tariefstructuren worden opgesteld die ingevolge artikel 3.119 in combinatie met de artikelen 3.120 en 3.121 van de Energiewet die goedkeuring moeten hebben van de ACM en de ACM kan daarvoor ook zelf voorstellen indienen als zij dat nodig acht. De Minister heeft hierbij geen rol en kan ook geen instructies geven aan de ACM gelet op de onafhankelijkheid van de ACM, zoals onder meer volgt uit de artikelen 9 en 10 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie? Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
De kwalitatieve aanname dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten resulteert in een hogere onrendabele top klopt. Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel dat dit tarief niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, welke het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren.
Zonder een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief is het niet mogelijk om de effecten en extra subsidiebehoefte goed uit te rekenen.
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Zoals hierboven aangegeven is geen duidelijkheid over de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode voor het invoedingstarief. De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Het kabinet kan op dit moment daarom niet uitsluiten of bevestigen dat aangeslotenen per saldo meer gaan betalen door de invoering van een invoedingstarief. Noch kan het kabinet vooruitlopen op eventuele compenserende maatregelen of een betrouwbare inschatting geven van de hoogte van een eventuele stijging.
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Dit is inderdaad een mogelijk gevolg van de invoering van een invoedingstarief, afhankelijk van de vormgeving van het tarief en ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. De Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkten zijn goed met elkaar geïntegreerd en een vervanging van Nederlandse door Duitse producenten in de merit order is mogelijk bij een voldoende hoog, Nederlands invoedingstarief. Indien Nederland een relatief hoog invoedingstarief zou invoeren en Duitsland niet, ontstaat er een ongelijk(er) speelveld tussen Nederlandse en Duitse elektriciteitsproducenten.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is het uiteindelijke effect op het prijsniveau en de systeemkosten zeer moeilijk in te schatten en afhankelijk van eventueel flankerend beleid en ontwikkelingen in het buitenland.
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Elk land heeft een eigen stelsel voor de nettarieven, in de EU-lidstaten gebaseerd op gezamenlijke Europese principes zoals «de gebruiker betaalt». De vormgeving en hoogte van de nettarieven is divers, niet altijd direct vergelijkbaar en bovendien in beweging. Op basis van een relatief recente studie van de Europese toezichthouder ACER naar de nettarieven in Europa en een onderzoek van Sia Partners, uitgevoerd in opdracht van de Belgische transmissiesysteembeheerder Elia uit 2023 is niettemin enige informatie beschikbaar over het invoedingstarief in de met Nederland verbonden lidstaten en derde landen.3
Sia heeft het «gewogen gemiddelde invoedingstarief» in kaart gebracht. Dit omvat uitsluitend gereguleerde nettariefcomponenten voor invoeding van elektriciteit.
Land
Gewogen gemiddeld invoedingstarief 2022 (€/MWh)
Nederland
0,02
Duitsland
0,00
België
0,62
Verenigd Koninkrijk
18,99
Noorwegen
2,50
Denemarken
0,55
Bij deze cijfers wordt het volgende opgemerkt:
Zoals uitgewerkt in de antwoorden op vraag 8 heeft het kabinet geen formele rol bij het vormgeven van de tariefregulering. In gesprek met de ACM heeft het kabinet de nadelige gevolgen die een invoedingstarief kan hebben op de energiemarkt benadrukt en haar verzocht daar zo veel mogelijk rekening mee te houden.
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet kan worden doorgezet?
Zoals blijkt uit het antwoord op vragen 8 en 12 staat het nationale wettelijk kader dit niet toe. Het Europese wettelijk kader biedt daar ook geen ruimte voor. De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. Daarbij mag de onafhankelijke nationale regulerende instantie geen instructies verlangen of ontvangen van regeringen of andere publieke of private partijen, waaronder ook de nationale wetgever. Dat heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal uitspraken in 2020 en 2021 nog eens bevestigd.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Illegale prijsafspraken Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel»?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat de Indiase mededingingsautoriteit (Competition Commission of India) heeft vastgesteld dat meerdere Indiase staalbedrijven, waaronder Tata Steel, zich schuldig hebben gemaakt aan illegale prijsafspraken?
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de mogelijke illegale prijsafspraken die zijn gemaakt door Indiase staalbedrijven waaronder Tata Steel?
Er is op dit moment nog weinig informatie bekend over de bevindingen van de Competition Commission of India (CCI), de omvang van de vermeende overtredingen en het mogelijke aandeel van Tata Steel India hierin. De tussentijdse rapportage van de CCI is niet gepubliceerd. Het is niet aan het kabinet om hier op dit moment op te reflecteren.
Hoe beoordeelt u het feit dat een bedrijf dat in India mogelijk wordt veroordeeld voor kartelvorming, in Nederland nog steeds kan rekenen op politieke steun, maatwerkafspraken en mogelijke staatssteun voor verduurzaming?
Op dit moment zijn er geen conclusies verbonden aan of (gerechtelijke) stappen ondernomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Het is ook niet aan het kabinet om een beoordeling te geven, maar op dergelijke onderwerpen is het aan de daarvoor ingestelde onafhankelijke instanties om gedegen onderzoek te doen en tot een oordeelsvorming te komen. Het kabinet kan en wil hier niet op vooruitlopen. Het Ministerie van KGG blijft de ontwikkelingen volgen.
De gesprekken met Tata Steel Nederland over een maatwerkafspraak hebben als doel om de leefomgeving en gezondheid van omwonenden in de IJmond te verbeteren en CO2-reductie te bewerkstelligen. Het behalen van die doelen is van belang voor de omwonenden en de maatschappij als geheel. Het kabinet werkt daarom toe naar een maatwerkafspraak omdat dit de snelste manier is om die doelen te behalen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Welke risico’s loopt de Nederlandse staat indien zij steun blijft geven aan Tata Steel terwijl het moederbedrijf mogelijk veroordeeld wordt voor illegale prijsafspraken?
Er zijn (nog) geen (gerechtelijke) stappen genomen naar aanleiding van de bevindingen van de CCI. Deze vraag gaat daarnaast uit van de aanname dat de staat nu al steun geeft aan het bedrijf in het kader van de maatwerkafspraken. Hier is geen sprake van. De staat overweegt Tata Steel Nederland steun te geven voor het verduurzamen van de staalproductie in de IJmond. Hiervoor dient eerst een definitieve maatwerkafspraak te worden ondertekend met daarin voldoende waarborgen om zeker te stellen dat de subsidie ook daadwerkelijk zorgt voor het behalen van de doelen. Het behalen van de doelen voor de verbetering van de gezondheid en het reduceren van de CO2-uitstoot is immers de reden dat we in dit traject met Tata Steel zitten. Het voornemen van de partijen is om uiterlijk eind september 2026 overeenstemming te bereiken over de definitieve maatwerkafspraak.
Had Tata Steel Nederland u op de hoogte gesteld van de ingestelde onderzoeken? Zo ja wanneer en wat hebben zij hierover vermeld?
TSN heeft het Ministerie van KGG feitelijk geïnformeerd na publicatie van het artikel dat het onderzoek loopt en aangegeven de verdere ontwikkelingen af te wachten. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven is er nog weinig informatie bekend.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn voor de maatwerkafspraken als Tata Steel Limited daadwerkelijk schuldig wordt bevonden aan illegale prijsafspraken? Zo niet, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op vragen 3, 4 en 5 is er nog geen maatwerkafspraak en de Indiase autoriteiten hebben nog geen juridische procedure opgestart of conclusies verbonden n.a.v. een afgerond onderzoek. Laat staan dat er een veroordeling heeft plaatsgevonden. Het kabinet kan daarom nu niet ingaan op de mogelijke consequenties bij een eventuele veroordeling.
In hoeverre is Tata Steel Nederland betrokken bij en/of op de hoogte van de illegale prijsafspraken die in India zijn gemaakt?
Hierover heeft het kabinet geen informatie.
Acht u in, in het licht van het onderzoek, Tata Steel nog steeds een betrouwbare partner van de Nederlandse overheid? Zo ja waarom?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf, net als ieder ander bedrijf, moet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Het is aan de bevoegde instanties om de naleving van wet- en regelgeving te controleren en waar zij dat nodig achten te besluiten om onderzoek te doen en eventuele vervolgstappen te nemen. Op dit moment is er nog geen definitieve conclusie en het is ook niet aan het kabinet om hier nu een oordeel over te vormen of op vooruit te lopen. De inzet in de maatwerkafspraak is om zo snel mogelijk tot verbetering van de leefomgeving en gezondheid van de omwonenden in de IJmond te komen en CO2-reductie te bewerkstelligen. Zoals ook in de beantwoording van vraag 4 aangegeven, is dat waar het kabinet op inzet, waarbij uiteindelijk ook een afweging moet worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Bent u van plan op basis van deze bevindingen de Joint Letter of Intent te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om de JLoI te beëindigen. De onderhandelingen worden voortgezet. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er immers toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Daarnaast is ook relevant dat het om een onderzoek gaat waar nog geen definitieve conclusie uit is gekomen. Het spreekt voor zich dat het Ministerie van KGG de ontwikkelingen zal blijven volgen. Uiteindelijk zal een afweging moeten worden gemaakt of het mogelijk en passend is om tot een maatwerkafspraak te komen.
Kunt de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over deze berichtgeving (Kamerstuk 2025Z227414) gaat het in dit nieuwsbericht over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten. Zie voor een verdere toelichting op dataveiligheid ook de antwoorden op vraag 7, 8 en 9 in Kamerstuk 2025Z22741.5
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Zoals toegelicht in het voorgaande antwoord gaat het hier over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet.
De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – deze component gegund middels een aanbesteding met openbare selectie. Het gevraagde feitenoverzicht is te vinden in het door de netbeheerders openbaar gepubliceerde aanbestedingsdocument. In het aanbestedingsdocument is opgenomen dat de verwachte aantallen voor deze meetmodule 7.933.740 eenheden zijn en de contractwaarde € 592.517.432 is. De totale opdracht zal worden geleverd door 2 leveranciers: 60% door Kaifa Technology Netherlands B.V. uit China en 40% door Sagemcom Energy & Telecom uit Frankrijk. De afzonderlijke netbeheerders zijn overeenkomsten aangegaan voor een initiële periode van acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met 3 keer 2 jaar. Het is aan de netbeheerders om te beslissen of zij gebruik maken van deze verlengingsoptie. Verdere details zijn te vinden in het aanbestedingsdocument dat is opgesteld door de netbeheerders.6
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
In de nieuwe generatie slimme meter zijn in de basis vijf separate componenten te onderscheiden die ieder apart worden ingekocht.
(1) Basis elektriciteit meetmodule (hardware). Deze inkoop is verlopen zoals beschreven in de beantwoording van deze Kamervragen en in Kamerstuk 2025Z227417.
(2) De gateway (hardware met een besturingssysteem). Voor dit onderdeel loopt op dit moment de aanbestedingsprocedure. Als eis is assemblage en productie van kritieke onderdelen in een GPA-land opgenomen.8
(3) De applicatielaag (software). Dit onderdeel is gegund aan een Nederlandse partij.
(4) De gasmeter (hardware). Dit onderdeel is gegund aan twee Europese leveranciers.
(5) De Public Key Infrastructure (encryptie). Bij dit onderdeel zijn vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen toegepast en het onderdeel wordt geleverd door een Nederlandse partij.
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Dat er mogelijk sprake kan zijn van (in)directe staatsinvloed is een van de redenen geweest waarom de netbeheerders een risicoanalyse hebben uitgevoerd. Hierbij is onder andere gekeken naar cyber- en energie leveringszekerheidsrisico’s, zoals beïnvloeding op afstand, ongeautoriseerde toegang tot meterdata, alsook naar productleveringszekerheidsrisico’s.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Om zo goed mogelijk te verifiëren of er eventueel sprake zou zijn van een inschrijving onder kostprijs, hebben de netbeheerders een uitvraag gedaan bij de Europese Commissie in het «Foreign Subsidies Regulation» mechanisme. Het Foreign Subsidies Regulation (FSR) is een EU-verordening die bedoeld is om oneerlijke concurrentie op de interne markt tegen te gaan wanneer bedrijven financiële steun krijgen van landen buiten de EU. Uit deze melding heeft de Europese Commissie geen belemmeringen waargenomen en gecommuniceerd aan de netbeheerders.
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in beantwoording van eerdere Kamervragen9 hebben de netbeheerders een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter.
De nieuwe generatie slimme meters is opgebouwd uit verschillende hard- en softwarecomponenten en voor ieder van deze componenten geldt een ander risicoprofiel. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274110, kent de elektriciteit meetmodule daardoor een laag risicoprofiel. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is. Het betreft mitigerende maatregelen ten aanzien van de energie- en productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Binnen de Aanpak Vitaal11 zijn door het kabinet processen binnen de energiesector aangemerkt als vitaal. Het betreft elektriciteit (transport, distributie en productie van elektriciteit op land en op zee) en gas (transport, distributie, productie, hervergassing en opslag van gas op land en op zee)12. Een vitaal proces is een proces waarvan uitval, verstoring of manipulatie tot dusdanig ernstige effecten kan leiden dat dit de nationale veiligheid kan schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken.
Binnen deze processen gelden de regionale netbeheerders als vitale aanbieders. De regionale netbeheerders Alliander, Enexis en Stedin verwerven gezamenlijk de nieuwe slimme meter. De netbeheerders hebben zelf de verantwoordelijkheid om de mate waarin een component kritiek is vast te stellen en daar ook rekening mee te houden bij hun verwervingstrategieën. De Minister van Klimaat en Groene Groei kan, indien nodig, de netbeheerders opdragen om maatregelen te treffen.
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
De audit rapporten zijn vertrouwelijk omdat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatten. De netbeheerders hebben contractueel vastgelegd deze concurrentiegevoelige informatie niet te delen.
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Bij de vervanging van de laatste analoge meters wordt dit jaar en volgend jaar nog de huidige (5e generatie) slimme meter aangeboden en nog niet de nieuwe meter, aangezien de bestaande voorraad naar verwachting strekt tot in het najaar van 2027. Consumenten kunnen de vervanging van een oude analoge meter met de Energiewet niet meer weigeren, maar er zijn wel twee alternatieven als iemand bezwaar heeft tegen het op afstand uitlezen van de meter. Zo kan de communicatiefunctionaliteit van de slimme meter op verzoek van de afnemer worden uitgezet. Ook kan worden gekozen voor een zogeheten digitale meter. Beide meten verbruik en invoeding apart. Als consumenten hiervoor kiezen, moeten ze net als nu wel de meterstanden zelf blijven doorgeven aan de energieleverancier.
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274113 is de slimme meter modulair ontworpen en is voor de afzonderlijke componenten een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Ja, Europese aanbieders hebben zich kunnen inschrijven voor deze aanbesteding. De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – dit onderdeel gegund middels een openbare aanbesteding. Er is geen restrictie geweest op deelname uit landen. Iedere aanbieder heeft kunnen inschrijven voor de selectiefase van de aanbesteding. Gekwalificeerde aanbieders konden in de gunningsfase van de aanbesteding een aanbieding doen.
Kandidaten kunnen niet openbaar gemaakt worden. Deze gegevens zijn bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. De gegunde leveranciers bestaan uit Kaifa Technology Netherlands B.V. en Sagemcom Energy & Telecom SAS. Dit is weergegeven op Tenderned.14
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274115 zijn betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA).16 In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Netbeheerders hebben op grond van de Energiewet de verplichting om de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
De netbeheerders kunnen via drie kaders producten of diensten aanschaffen. Deze kaders hebben ieder in meer of mindere mate mogelijkheden om de veiligheid van de producten en diensten en daarmee de nationale veiligheid te waarborgen.17 Er zijn veiligheidsmaatregelen mogelijk in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012), de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV) en er kan gebruik gemaakt worden van het inroepen van artikel 346 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.18
Om een veilige energietransitie te borgen, heeft het kabinet besloten de mogelijkheden voor de netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te nemen uit te breiden en te uniformeren. Er wordt tevens verkend in hoeverre harmonisatie van bevoegdheden op termijn mogelijk en wenselijk is, met het oog op een meer uniforme en uitvoerbare systematiek. De nieuwe Energiewet creëert onder artikel 3.18 de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om aanvullende eisen te stellen aan kritieke processen van de netbeheerders ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Hierdoor wordt het voor de netbeheerders gemakkelijker om gebruik te maken van de veiligheidsmaatregelen in de hierboven beschreven wettelijke kaders.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel in de onderliggende conceptwetgeving van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, te weten het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten en het Cyberbeveiligingsbesluit, een artikel opgenomen waarbij entiteiten verplicht kunnen worden om bepaalde producten of diensten van specifieke leveranciers niet te gebruiken. De desbetreffende vakminister kan een dergelijke bevoegdheid inzetten – in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid – indien dat noodzakelijk is om risico’s voor de nationale veiligheid te voorkomen, te beperken of te beheersen. De vakminister dient hiervoor een beoordelingskader te doorlopen en aan de hand daarvan te bepalen of er al dan niet sprake is van de noodzaak om de verplichting op te leggen.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
Zie antwoord vraag 16.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA), Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
De financiële dekking van fossiele subsidies en mogelijke klimaatrechtszaken uit het Klimaatfonds |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Argos-fragment van 6 december 2025 en het Argos-artikel van 24 oktober 2025 over het aanwenden van het Klimaatfonds voor fossiele subsidies en mogelijke dwangsommen uit klimaatzaken?1, 2
Ja.
Hoe kijkt u naar de juridische afdwingbaarheid van het klimaatdoel in 2030? Voorziet u mogelijke rechtszaken?
Het nationale 2030-doel van de Klimaatwet is niet rechtstreeks juridisch afdwingbaar. De Klimaatwet waarborgt politieke controle op de voortgang van het klimaatbeleid. Dit betekent dat het kabinet zich moet inspannen om de doelen uit de Klimaatwet te halen en het parlement het kabinet daarop kan aanspreken.
Op grond van rechtsbronnen, zoals het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), gelden klimaatverplichtingen waarover een rechter uitspraken kan doen. Dit gebeurde onder meer in het Urgenda-arrest.
In hoeverre worden noodmaatregelen in kaart gebracht en overwogen, voor het geval dat de rechterlijke macht oordeelt dat het huidige maatregelenpakket niet voldoende is om de klimaatdoelen te bereiken? Als dit het geval is, kunt u deze analyses met de Kamer delen?
In het recent verschenen rapport «Routes naar Realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» zijn opties in kaart gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstelling in 2030, die variëren in mate van impact. Dit rapport is op 2 december 2025 met de Tweede Kamer gedeeld.3
In hoeverre is overwogen om middelen uit het Klimaatfonds aan te wenden voor het betalen van dwangsommen die volgen uit mogelijke klimaatzaken?
Het kabinet heeft er niet voor gekozen om middelen uit het Klimaat- en energiefonds4 in te zetten voor het betalen van dwangsommen. De middelen uit het Klimaat- en energiefonds zijn op grond van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds bestemd voor maatregelen die bijdragen aan emissiereductie en aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening en samenleving. Het betalen van dwangsommen valt niet binnen dit doel. Bovendien zijn de middelen binnen het Klimaatfonds op dit moment vrijwel volledig bestemd voor klimaatmaatregelen via reserveringen en toekenningen onder voorwaarden, waardoor betaling van dwangsommen uit het Klimaatfonds ten koste zou gaan van emissiereductie die door deze maatregelen in 2030 zou worden gerealiseerd. Ten aanzien van toekomstige besteding uit het Klimaat- en energiefonds geldt in algemene zin dat deze aan een volgend kabinet is en dit kabinet geen toezegging kan doen over hoe zij deze middelen inzetten.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor het betalen van de dwangsommen wegens onvoldoende klimaatbeleid?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten welke maatregelen en bedragen er momenteel gereserveerd zijn in het Klimaatfonds voor fossiele subsidies?
Conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds dienen middelen uit het fonds uitgegeven te worden aan additionele maatregelen die bijdragen aan het behalen van de reductiedoelstellingen in de Klimaatwet, de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving en een rechtvaardige klimaattransitie. Dit is ook het uitgangspunt voor het huidige kabinet.
De middelen uit het fonds zijn bedoeld voor maatregelen binnen het klimaat- en energiedomein, waarbij de scope breder is dan puur CO2-reductie. Dit betekent dat niet enkel middelen worden ingezet op emissiereductie, maar ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. Het is belangrijk dat er draagvlak blijft voor klimaat- en energiebeleid en dat burgers en bedrijven niet worden geconfronteerd met (te) hoge energiekosten. Dit remt niet alleen de verduurzaming, bijvoorbeeld middels elektrificatie, maar draagt ook niet bij aan de ervaren rechtvaardigheid van de transitie. Om die reden heeft het kabinet in het voorjaar van 2025 ook middelen uit het Klimaat- en energiefonds beschikbaar gesteld die de energierekening voor huishoudens en bedrijven verlagen en tegelijkertijd een prikkel geven voor elektrificatie. Voor een exact verloop van de toevoegingen, onttrekkingen en uitgaven van het fonds verwijs ik u naar Hoofdstuk 2 van de Meerjarenprogramma’s Klimaatfonds van de afgelopen jaren.
Wat vindt u ervan dat er middelen uit het Klimaatfonds worden besteed aan activiteiten die de energietransitie en daarmee de maatregelen tegen klimaatverandering vertragen of zelfs tenietdoen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is om middelen uit het Klimaatfonds, die zijn bedoeld om broeikasgassen te reduceren en de klimaatdoelen te halen, in te zetten voor het tegenovergestelde (namelijk mogelijke dwangsommen voor het niet halen van de klimaatdoelen en het verstrekken van fossiele subsidies)?
Zie ook de antwoorden op vragen 4 & 5 en 6 & 7.
Het kabinet wil het Klimaat- en energiefonds, conform de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds, inzetten ten behoeve van de klimaat- en energietransitie.
Zoals ook in eerdere antwoorden aangegeven kijkt het kabinet bij de besteding van middelen uit het fonds niet enkel naar directe reductie van broeikasgasemissie, maar laat het ook andere belangen meetellen die de transitie vooruit helpen. In dit verband wordt ook ingezet op maatregelen die bijdragen aan draagvlak en rechtvaardigheid van het klimaat- en energiebeleid. Het gebruik van middelen uit het Klimaat- een energiefonds die hierop toezien acht het kabinet dan ook gerechtvaardigd. Het kabinet is niet voornemens deze maatregelen te herzien.
Bent u bereid dergelijke maatregelen uit het Klimaatfonds te herzien, met mogelijk als gevolg het schrappen hiervan, om ruimte te maken voor maatregelen ten behoeve van het doel van het Klimaatfonds?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u toezeggen dat het Klimaatfonds nu en in de toekomst niet aangewend zal worden voor beleid dat geen CO2 reduceert maar fossiel gebruik juist stimuleert?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van de KGG-begroting begin februari 2026?
Ja.