Wat is uw reactie op het bericht «Verplichte rijhulpsystemen zitten ambulances in de weg: «Onnodige noodstop kan levensgevaarlijk zijn»»?1
Hoe reageert u op de kritiek op de verplichting van Advanced Driver Distraction Warning systemen voor ambulances?
Deelt u de analyse dat automatische rijhulpsystemen, die bijvoorbeeld automatisch remmen of bijsturen, ongeschikt zijn voor ambulances, omdat die in spoedgevallen juist vaak harder en op ongebruikelijke manieren moeten rijden? Zo ja, bent u bereid ervoor te zorgen dat deze systemen niet in ambulances worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe moeten ambulances omgaan met dit soort systemen in drukke verkeerssituaties, zoals in binnensteden, waar al snel automatisch kan worden ingegrepen wanneer er bijvoorbeeld voetgangers in de buurt zijn?
Heeft u signalen ontvangen dat er vergelijkbare problemen spelen bij andere hulpdiensten, zoals de brandweer en de politie? Zo ja, hoe wordt er daarbij omgegaan met dit soort systemen? Zo nee, bent u bereid om na te gaan in hoeverre dit daar ook speelt?
Bent u bereid om u in te zetten voor uitzonderingen voor ambulances als het gaat om verplichtingen voor dit soort systemen?
Bent u bereid om in gesprek te treden met ambulancepersoneel over welke problemen zij ervaren met verplichte waarschuwings- en rijhulpsystemen?
Hoe wordt Oekraïne op dit moment vanuit Nederland ondersteund als het gaat om medische middelen en -apparatuur?
Op welke manier worden medische middelen en -apparatuur, die niet (meer) gebruikt worden door ziekenhuizen of zorginstellingen, verzameld en aan Oekraïne gedoneerd?
Deelt u de mening dat Oekraïne, waar een tekort aan alle medische middelen en -apparatuur heerst, baat heeft bij het verkrijgen van medische spullen die niet meer gebruikt worden?
Deelt u de mening dat het zorginstellingen en ziekenhuizen helpt als er een centraal inzamelpunt is waar al deze spullen naartoe gestuurd kunnen worden? Zo ja, bent u bereid om dat op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit centraal gecoördineerde inzamelpunt in samenwerking met brancheorganisaties op te zetten om zo veel mogelijk medische middelen en -apparatuur naar Oekraïne te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen apart van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De berichten dat het zorgbuurthuis in Oss zorg bespaart, maar dat zorgverzekeraars en zorgkantoren niet meebetalen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten «Het «wonder van Oss» brengt geluk én fors minder zorgkosten, maar verzekeraars willen niet betalen»1 1) en «Waarom een tweede zorgbuurthuis na het succes van ’t Hageltje nog niet van de grond komt»2?
Hoe reageert u op het feit dat de bewoners van het zorgbuurthuis aantoonbaar gelukkiger en vitaler zijn, terwijl de zorgkosten er 30 procent lager liggen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is dat zorgverzekeraars weigeren mee te betalen aan een initiatief dat hen veel geld bespaart? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het ook zeer onlogisch is dat het zorgkantoor tot nu toe niet meebetaalt aan het zorgbuurthuis, terwijl dit aantoonbaar veel Wlz-kosten bespaart?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de zorgverzekeraars en het zorgkantoor om hen ertoe te bewegen om alsnog mee te gaan betalen aan het zorgbuurthuis, zodat dit kan worden bekostigd uit cofinanciering door het zorgkantoor, de zorgverzekeraars en gemeenten?
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van het amendement Dobbe3 over het oprichten van een team dat actief ondersteunt bij het opzetten van zorgbuurthuizen en vergelijkbare woonzorgvormen voor ouderen?
Wat gaat u doen met de uitkomsten van het Adviesrapport «Verkenning inzet ondersteuningsteam voor realisatie woonzorgconcepten»4, waaruit duidelijk de noodzaak van zo’n ondersteuningsteam bleek en concrete voorstellen worden gedaan voor de vormgeving en financiering hiervan?
Het bericht 'Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om' |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgverzekeraars draaien sectoroverstijgende betaaltitel de nek om»?1
Klopt het dat uit het jaarverslag van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over 2025 blijkt dat de sectoroverstijgende prestatie binnen de Zorgverzekeringswet er niet komt, omdat er geen draagvlak is voor een dergelijk generiek instrument onder zorgverzekeraars?
Deelt u de opvatting dat schotten tussen de zorgwetten samenwerking rond de patiënt in de weg zitten, en dat het wegnemen daarvan bijdraagt aan het leveren van passende zorg?
Kunt u toelichten hoe dit traject is verlopen sinds uw ambtsvoorgangers Helder en Dijkstra de NZa in 2024 vroegen de betaaltitel gereed te hebben voor de contractering van 2025, en of u of uw ministerie hierover met de NZa heeft gesproken?
Welke bezwaren leven er bij zorgverzekeraars, en welke daarvan zijn volgens u oplosbaar?
Hoe betrekt u bij het vervolg de brede steun voor zo'n betaaltitel onder zorgaanbieders en professionals, die eerder bleek uit een consultatie van de NZa?
Welke instrumenten blijven er over om hetzelfde doel te bereiken, namelijk zorg kunnen bekostigen over de grenzen van sectoren en zorgwetten heen, en kunnen bestaande mogelijkheden zoals de facultatieve prestatie of maatwerkafspraken in de contractering hierin voorzien?
Welke van die instrumenten gaat u inzetten, en op welke termijn?
Op welke manier wordt de sectoroverstijgende en domeinoverstijgende beweging geborgd in de wetgeving over passende zorg die u heeft aangekondigd, en bent u bereid daarin vast te leggen dat bekostiging over de schotten van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning heen mogelijk wordt?
Hoe wordt in die wetgeving geborgd dat succesvolle initiatieven voor sectoroverstijgende passende zorg ook echt worden opgeschaald in plaats van te blijven steken in pilots?
Wat betekent deze ontwikkeling voor uw eigen plannen en voor de afspraken die hierover met het veld zijn gemaakt, en ziet u kansen om sectoroverstijgende initiatieven samen met de NZa, het Zorginstituut, zorgverzekeraars en zorgaanbieders alsnog vlot te trekken?
Het toezicht op commercieel longevity-aanbod en de handhaving van de Wet op het bevolkingsonderzoek. |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over longevity-hype: gezond ouder worden begint niet bij een total body scan»?1
Hoeveel vergunningen op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek zijn op dit moment van kracht voor het verrichten van een total body scan?2
Op welke datum is de meest recente vergunning op grond van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek verleend voor een bevolkingsonderzoek dat niet van rijkswege wordt aangeboden?
Op welke wijze is de Wet op het bevolkingsonderzoek van toepassing op een in Nederland gedaan aanbod van een total body scan die in het buitenland wordt verricht?
In hoeveel gevallen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) sinds 1 januari 2020 aangifte gedaan of proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van Artikel 3, eerste lid, van de Wet op het bevolkingsonderzoek?
Indien deze gevallen niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, onder welke categorie worden zij dan wel geregistreerd?
Over welke aanwijzingsbevoegdheid beschikt u ten aanzien van het toezichtprogramma van de IGJ op preventief gezondheidsonderzoek?
Klopt het dat het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het bevolkingsonderzoek in verband met actuele ontwikkelingen op het terrein van preventief gezondheidsonderzoek op 24 januari 2025 is ingetrokken?3 4
Blijft in het vervangende wetsvoorstel de vergunningplicht voor preventief gezondheidsonderzoek naar kanker gehandhaafd?5
Op welke wettelijke grondslag kan de IGJ op dit moment optreden tegen een aanbieder die zonder de vereiste vergunning preventief gezondheidsonderzoek verricht?
Onder welk wettelijk kader valt het toezicht op het aanbieden van intraveneuze vitamine-infusen aan personen zonder medische indicatie?
Welke wettelijke eisen gelden op dit moment voor het commercieel aanbieden van een test die op basis van bloedwaarden de biologische leeftijd bepaalt?
Bent u bereid te borgen dat medisch-wetenschappelijk onderzoek dat reeds onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen valt, in het vervangende wetsvoorstel niet aan een aanvullende vergunningplicht wordt onderworpen?
Bent u bekend met het bericht «Aantal tandartsen van buiten EU is verdubbeld, terwijl studenten hier worden uitgeloot»?1
Hoeveel opleidingsplaatsen Tandheelkunde worden voor het studiejaar 2026–2027 door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bekostigd?
Hoeveel plaatsen hebben de opleidingen Tandheelkunde voor het studiejaar 2026–2027 in hun numerus fixus opgenomen?
Indien deze gegevens niet bij u beschikbaar zijn, bij welke partij zijn zij dan wel beschikbaar?
Wat bedragen de rijksuitgaven per bekostigde opleidingsplaats Tandheelkunde per studiejaar?
In welk jaar is een instroomadvies van het Capaciteitsorgaan voor de opleiding Tandheelkunde voor het laatst volledig opgevolgd?
Bij welke jaarlijkse instroom in de opleiding Tandheelkunde wordt volgens het Capaciteitsplan 2027–2030 in 2043 evenwicht tussen vraag en aanbod bereikt?2
Over welke bevoegdheid beschikt u om het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde te verhogen?
Op welke datum ontvangt de Kamer het besluit over het instroomadvies van 386 opleidingsplaatsen Tandheelkunde?3
Klopt het dat het BIG-register vermeldt dat er voor 2026 geen plekken meer beschikbaar zijn voor de beroepsinhoudelijke toets voor tandartsen?4
Hoeveel tandartsen met een buiten de Europese Economische Ruimte behaald diploma zijn in 2025 in het BIG-register ingeschreven?
Hoeveel van de in 2025 ingeschreven tandartsen met een binnen de Europese Economische Ruimte (of in Zwitserland) behaald diploma hebben een beroepsinhoudelijke toets afgelegd?
Hoeveel aanvragen tot inschrijving als tandarts zijn in 2025 afgewezen of niet in behandeling genomen omdat niet aan de taaleis werd voldaan?
Op welk moment heeft Nederland in de Raad of bij de Europese Commissie gepleit voor de mogelijkheid om aan tandartsen met een in de Europese Economische Ruimte behaald diploma een beroepsinhoudelijke toets op te leggen?
Hoeveel personen met een buitenlands tandartsdiploma zonder BIG-registratie verrichten op dit moment in Nederlandse tandartspraktijken voorbehouden handelingen in opdracht als bedoeld in Artikel 35 van de Wet BIG?
Hoeveel meldingen over het onbevoegd verrichten van voorbehouden handelingen als bedoeld in Artikel 36 van de Wet BIG in de mondzorg heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in 2025 ontvangen?
Indien de meldingen, bedoeld in vraag 16, niet als afzonderlijke categorie worden geregistreerd, op welke wijze stelt de inspectie dan vast of het in Artikel 38 van de Wet BIG vereiste toezicht daadwerkelijk plaatsvindt?
Bent u bereid het aantal bekostigde opleidingsplaatsen Tandheelkunde met ingang van het studiejaar 2027–2028 in overeenstemming te brengen met het instroomadvies van 386 plaatsen?5
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Het verhoor van Fauci door de Amerikaanse Senaat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente verhoor van de heer Dr. Anthony Fauci door de Amerikaanse Senaat op woensdag 29 juli 2026?1
Ja.
Vindt u het wellicht opmerkelijk, misschien zelfs zorgelijk, dat Fauci, wereldwijd immers toonaangevend in de aanpak van de vermeende «coronapandemie», die bovendien over zichzelf heeft gezegd dat hij «De Wetenschap representeert», onder ede ineens geen enkele vraag (!) van de Amerikaanse Senaat over zijn aanpak van de coronapandemie wilde beantwoorden en zich – ondanks zijn preventieve presidentiële pardon – meer dan honderd keer heeft moeten beroepen op zijn zwijgrecht?
Het kabinet heeft onvoldoende inzicht in de modaliteiten van een verhoor van experts, zoals de heer Fauci, door de Amerikaanse Senaat en de mogelijke juridische gevolgen daarvan voor hemzelf bij het al dan niet beantwoorden van vragen om mij daarover een oordeel te kunnen vormen.
Bent u bekend met de «Fauci Dagboeken» die recent door senator Rand Paul zijn vrijgegeven en die laten zien dat Fauci privé heel andere opvattingen had dan hij in het publiek uitte over bijvoorbeeld de dodelijkheid van het coronavirus?2
Nee.
Bent u ervan op de hoogte dat, onder andere naar aanleiding van deze dagboeken, uw collega, de Amerikaanse Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Kennedy recent, tijdens een interview op Fox News, concludeerde, «Dat we nu weten dat hij [Fauci] over alles heeft gelogen»?3
Nee.
Bent u op de hoogte van dit fragment dat Fauci op 8 februari 2020 opschreef in zijn dagboek: «Tom Frieden called me this AM and we discussed various aspects of the outbreak. He and I are on the same page in thinking tht [sic] this is acting like a bad influenza in its transmissibility and that the denominator is much greater than 34,867 (above) making the case fatality rate (CFR) more like 0.2–0.3% rather than 2.0%.»?4
Nee.
Wat is volgens u op dit moment de beste schatting van de CFR van corona in 2020 in Nederland?
De LCI richtlijn Covid5 meldt hierover dat in een studie gebaseerd op cijfers van december 2019 tot en met augustus 2020 wordt geschat dat de mondiale CFR in juli-augustus 2020 varieerde van 2,5 tot 4,1%, afhankelijk van de wijze van berekenen. Gebaseerd op cijfers uit Duitsland was deze in de periode van 6 juli t/m 6 september 2020 voor 35–59-jarigen 1%, voor 60–79-jarigen 2%, en voor 80-plussers 11%. De beste schatting is dat in Nederland in 2020 ongeveer dezelfde CFR aan de orde was.
Wat is volgens u de CFR van een (gemiddelde) seizoensgriep?
De LCI richtlijn influenza6 meldt hierover dat in een analyse van morbiditeit en mortaliteit door influenza onder personen in Nederland over de periode 2011–2020, de CFR werd geschat op 0,12% (95% BI 0,116–0,123%) voor alle leeftijden en alle typen influenzavirusinfecties.
Bent u (nog steeds) van mening dat Ivermectine en Hydroxychloroquine niet geschikt zijn en waren voor de (vroeg)behandeling van covidpatiënten?
De (vroeg)behandeling van COVID-19-patiënten is een zaak van behandelaren en experts. In de richtlijn7 wordt het gebruik van Ivermextine en Hydrocychloroquine expliciet afgeraden.
Is het correct dat de (experimentele) mRNA coronavaccins niet tot de (Europese) markt zouden kunnen zijn toegelaten als er een effectieve en toegelaten behandeling (bijvoorbeeld met Ivermectine) voor covid zou zijn geweest?
Nee.
Bent u (nog steeds) van mening dat de mRNA coronavaccins «veilig en effectief» zijn?
Een vaccin mag pas gebruikt worden als het is goedgekeurd. In Europa beoordeelt het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van geneesmiddelen, waaronder de (corona)vaccins. In Nederland is dit de taak van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Wat is de (beste schatting voor de) corona CFR voor gezonde kinderen onder de achttien jaar?
Uit een uitgebreide meta-analyse blijkt dat de CFR voor gezonde kinderen onder de achttien jaar van corona extreem laag is, ongeveer 0,02%.
Bent u (nog steeds) van mening dat de mRNA coronavaccins ook «veilig en effectief» zijn voor kinderen onder de achttien jaar?
Ja, voor die mRNA-coronavaccins die voor deze specifieke doelgroep zijn toegelaten, met inachtneming van de meest recente adviezen van de Gezondheidsraad hieromtrent.
Bent u bekend met het feit dat privécommunicatie laat zien dat de auteurs van het inmiddels beruchte «Proximal Origin» artikel – het artikel dat hét bewijs leverde dat de oorsprong van het coronavirus een zoönose zou zijn – daar privé helemaal niet zo zeker van waren, integendeel, van mening waren dat het heel goed zo zou kunnen zijn dat het virus in een laboratorium gecreëerd is?5
Nee.
Bent u bekend met het volgende fragment uit het dagboek van Fauci, 7 juni 2021: «On January 31st, 2020 I received a call from Jeremy Farrar who conferenced in Christian Andersen to tell me that Ed Holmes and Christian had seen a copy of the sequence of the virus and felt that there was a possibility that because of the unusual furin cleavage site that this could possibly have been a constructed virus. as indicated in my notes of January 31st and February 1st, 2020, since I am not an evolutionary biologist I called together by phone a group knowledgeable scientist together with Francis Collins and a few other people to discuss this. After a considerable amount of discussion about half of the people felt that this was possibly a constructed virus and the other half were convinced that this was a natural occurrence.»?6
Nee.
Bent u (nog steeds) van mening dat de oorsprong van het coronavirus hoogstwaarschijnlijk een zoönose is geweest?
De vraag naar de oorsprong van het SARS-COV-2-virus is een wetenschappelijke vraag. De WHO heeft deze vraag voorgelegd aan een onafhankelijke expertgroep van wetenschappers. Deze Scientific Advisory Group on Novel Pathogens (SAGO), die de origine van het SARS-Cov-2 virus heeft onderzocht, concludeerde in haar laatste rapport van 25 juni 2025 dat op basis van het beschikbare wetenschappelijke bewijs een zoönose het meest waarschijnlijk is. Hetzij overdracht van het virus direct vanuit vleermuizen of via besmetting van een ander zoogdier naar mensen toe.10 De expertgroep gaf aan dat er data ontbreken, maar dat er geen bewijs gevonden is van een andere overdracht van het virus.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Ja, het kabinet is daarmee bekend. Het kabinet heeft uiteraard begrip voor het ongeduld van zowel patiënten als behandelaars, en vindt ook dat doorlooptijden van vergoedingsprocedures niet langer dan nodig zouden moeten zijn. Tegelijk zijn de kosten van dit middel per behandeling € 131.847,06, en is het macrokostenbeslag € 15,7 miljoen in jaar 3 na introductie. Dergelijke uitgaven en kosten moeten wel verantwoord zijn, en dus in verhouding staan tot de gezondheidswinst die een behandeling met dit geneesmiddel oplevert. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de reden van Zorginstituut Nederland, dat de Minister van VWS onafhankelijk adviseert over de pakketwaardigheid van sluisgeneesmiddelen, om extra informatie te vragen voor een goed oordeel over de kosteneffectiviteit.
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Daratumumab heeft voor de indicatie AL-amyloïdose op 21 juni 2021 een Europese marktregistratie verkregen. Verreweg de meeste tijd tussen de marktregistratie en een positief pakketadvies is de tijd die de leverancier heeft genomen voor indiening van het eerste vergoedingsdossier bij het Zorginstituut: ongeveer drie jaar. Daarnaast heeft de beoordeling langer geduurd dan gebruikelijk. De reden hiervan is dat er twee beoordelingen nodig zijn gebleken. Het tijdsverloop van de eerste beoordeling is als volgt.
Datum ontvangst dossier
4 juni 2024
Datum compleet dossier
22 juli 2024
Datum start consultatie
18 oktober 2024
Datum reactie leverancier consultatie
6 november 2024
Datum advies
16 januari 2025
Dat betekent dat de eerste beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 178 dagen heeft geduurd. Om dit in perspectief te plaatsen: het streven is om een beoordeling van intramurale geneesmiddelen binnen 120 dagen afgerond te hebben.2 Het Zorginstituut wijst er daarbij op dat de leverancier in dit geval tijdens de beoordeling tijd heeft aangevraagd voor het aanleveren van extra informatie (een zogeheten klokstop). Deze klokstop betrof 29 dagen, waarmee de netto beoordelingstijd uitkomt op 178–29=149 dagen.
Het Zorginstituut heeft in het advies van 16 januari 2025 geconcludeerd dat daratumumab in combinatie met cyclofosfamide bortezomib en dexamethason (Dara-CyBorD) voor de behandeling van AL-amyloïdose voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De aangeleverde informatie door de leverancier gaf echter onvoldoende inzicht of de prijs van Dara-CyBorD kosteneffectief was. Daarom luidde het advies van het Zorginstituut om Dara-CyBorD niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering.
Uiteindelijk heeft de leverancier een aanvraag voor een herbeoordeling gedaan. De herbeoordeling betrof enkel het farmaco-economisch dossier. Het tijdsverloop hiervan was als volgt.
Datum ontvangst dossier
18 september 2025
Datum compleet dossier
10 november 2025
Datum start consultatie
18 december 2025 (gerekend vanaf 1 januari i.v.m. Kerstvakantie)
Datum reactie leverancier consultatie
27 maart 2026
Datum advies
5 augustus 2026
Dat betekent dat de tweede beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 283 dagen heeft geduurd. In dit geval bedroeg de klokstop 85 dagen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Het Zorginstituut heeft in januari 2025 geconcludeerd dat Dara-CyBorD voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en dus effectief is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het geneesmiddel ook kosteneffectief is. Daartoe is informatie nodig over de verhouding tussen de gezondheidswinst en de kosten van het middel. In het eerste dossier was deze informatie onvoldoende. De herbeoordeling betrof enkel de beoordeling van de kosteneffectiviteit, dat het middel effectief is stond immers al vast. Het kabinet begrijpt nogmaals het ongeduld, en wijst er in dat verband op dat de leverancier de tijd tussen registratie en vergoeding had kunnen verkorten door eerder een dossier in te dienen en al bij de eerste beoordeling een model aan te leveren dat meer in lijn was met de studieresultaten.
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Het kabinet merkt ten eerste op dat Dara-CyBorD het leven van patiënten weliswaar kan verlengen, maar geen genezing brengt. Ten tijde van de eerste beoordeling was er nog geen klinisch relevant effect op de overleving aangetoond. De laatste publicatie over de effectiviteit van DaraCyBorD laat zien dat na 5 jaar ongeveer 10% minder patiënten overleden zijn ten opzichte van de vergelijkende behandeling.
Desalniettemin begrijpt het kabinet dat de vraag gesteld kan worden in hoeverre gezondheidsverlies als gevolg van vertraagde toegang wordt meegewogen en zo ja, of dat dan moet opwegen tegen de gezondheidswinst die een snelle vergoeding van een geneesmiddel zou opleveren. Deze afweging wordt niet gemaakt. Wel is het zo dat het betalen van een niet-kosteneffectieve prijs, dat wil zeggen een prijs waarvoor we – op het geheel bezien – onvoldoende gezondheidswinst terugkrijgen, ook schade zou toebrengen, aan patiënten elders of in de toekomst. Omdat met dat geld, dat we nu eenmaal maar één keer kunnen uitgeven, elders meer gezondheid had kunnen worden gewonnen. Het kabinet wijst in dit verband op de studie die het onderzoeksbureau Equalis in 2023 in opdracht van het Zorginstituut heeft gedaan naar de sluis. Equalis stelt dat de sluis tot een netto gezondheidswinst leidt, ondanks het gezondheidsverlies als gevolg van een latere toelating.3 Tot slot hecht het kabinet eraan om te benadrukken dat de inzet van zowel de beoordelaars bij het Zorginstituut als de onderhandelaars bij het Ministerie van VWS erop gericht is om patiënten zo snel als mogelijk toegang te geven tot effectieve geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Het kabinet vindt uiteraard dat patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot een effectief middel, zoals in dit geval door het Zorginstituut is vastgesteld. Het kabinet zie ook dat ontwikkelingen zoals enerzijds steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, en anderzijds steeds meer onzekerheid over de (kosten)effectiviteit door beperktere data een uitdaging betekent voor het pakketbeheer. Dat is de reden dat het kabinet werkt aan een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG), waarover het kabinet uw Kamer regelmatig informeert.
Binnen dit stelsel is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. De kern van TSG is een betere risicobeheersing en een betere voorspelbaarheid over de te volgen procedure.
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Zoals bij vraag 2 bericht, heeft de Minister van VWS op 5 augustus 2026 het advies van het Zorginstituut ontvangen4. Het Zorginstituut adviseert dat een prijsonderhandeling nodig is voor pakkettoelating. Het kabinet hoopt nu zo snel mogelijk met de leverancier tot een prijsafspraak te komen zodat de behandeling kan instromen in het basispakket. Daar is alle tijd en inzet nu op gericht.
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Ja.
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
De verantwoordelijkheid voor de geplande reparatiewerkzaamheden ligt bij de N.V. Westerscheldetunnel, waarvan de provincie Zeeland volledig aandeelhouder is. Deze werkzaamheden zullen grote impact hebben op de bereikbaarheid van de regio, waaronder de bereikbaarheid van diverse voorzieningen zoals regionale zorginstellingen. De provincie Zeeland is zich hier terdege van bewust.
Om de gevolgen van de werkzaamheden voor de bereikbaarheid te beperken, heeft de provincie Zeeland, samen met de gemeenten Borsele en Terneuzen, de Veiligheidsregio Zeeland en de N.V. Westerscheldetunnel, een bereikbaarheidsplan opgesteld. Bij de totstandkoming van dit plan en de te nemen maatregelen voert de provincie Zeeland uitgebreide informatie- en stakeholdersgesprekken met de sector, waaronder ook de zorgsector. Ik heb er vertrouwen in dat de provincie hier samen met de omgeving op een zorgvuldige manier invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Het kabinet hecht groot belang aan de continuïteit en toegankelijkheid van de zorg in Zeeuws-Vlaanderen. Voor situaties waarin rechtmatig overheidshandelen leidt tot nadelige financiële gevolgen, bestaat een wettelijk kader voor nadeelcompensatie. Indien een verzoek wordt ingediend, is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan. Het is echter niet aan het kabinet om te beoordelen of in dit geval sprake is van onevenredige schade. In dit geval ligt die bevoegdheid bij gedeputeerde staten van Zeeland, omdat de gestelde schade voortvloeit uit provinciaal handelen in het kader van het beheer van de Westerscheldetunnel en de daarmee samenhangende bereikbaarheidsmaatregelen.
Bij die beoordeling wordt onder meer gekeken naar de aard en omvang van de schade, het causaal verband met het overheidshandelen, de mogelijkheden om de schade te beperken en de vraag in hoeverre de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke of ondernemersrisico. Provincie Zeeland beschikt hiervoor over een eigen Verordening nadeelcompensatie waarin is uitgewerkt hoe dergelijke verzoeken worden beoordeeld.
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Zoals hiervoor aangegeven ligt de verantwoordelijkheid voor de reparatiewerkzaamheden en het opstellen van het bereikbaarheidsplan bij respectievelijk de N.V. Westerscheldetunnel en de provincie Zeeland. Bij werkzaamheden is, via regioregie, nauwe afstemming tussen verschillende beheerders, om bereikbaarheid en doorstroming zo goed mogelijk te organiseren.
Waar zorginstellingen onevenredig nadelig financieel worden getroffen bestaan er wettelijke kaders voor nadeelcompensatie. Het is aan het verantwoordelijk orgaan, in dit geval de gedeputeerde staten van Zeeland, om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan.
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
Er vindt reeds overleg plaats tussen de provincie Zeeland en Rijkswaterstaat in het kader van de geplande reparatiewerkzaamheden aan de Westerscheldetunnel. Daarbij is Rijkswaterstaat uiteraard bereid om kennis en ervaring te delen. Vanuit het Ministerie van VWS is er contact geweest met ziekenhuis ZorgSaam.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel.
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
De VGO-onderzoekers hebben een schatting gemaakt van het aantal longontstekingen per jaar dat gerelateerd is aan wonen in de buurt van een geitenhouderij. Zij hebben hiervoor het geschatte verhoogde risico uit de studies VGO-II en VGO-III vermenigvuldigd met het aantal inwoners binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij. De schatting van 1.200 tot 6.600 extra longontstekingen per jaar kwam neer op 0,44% tot 2,44% van het jaarlijks aantal longontstekingen (270.000 per jaar). De cijfers in de Kamerbrief zijn vervolgens, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van VWS, berekend om een meer concreet beeld te geven bij de problematiek zoals geschetst in het VGO-III-onderzoek. Er was een wens om een vertaling te maken van de vele verschillende abstracte cijfers uit het rapport naar wat dit concreet betekent. Dit werd gedaan door deze percentages toe te passen op het aantal longontstekingen die bij het CBS geregistreerd werden als doodsoorzaak en het aantal ziekenhuisopnamen door longontsteking, gemiddeld over de laatste jaren.
Het geschatte aantal longontstekingen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan wonen nabij een geitenhouderij is door de Gezondheidsraad berekend met een preciezere schatting van het aantal omwonenden, en beperkt tot omwonenden binnen 1 kilometer van een geitenhouderij (in plaats van 2 kilometer). Dit aantal (841 gevallen van longontsteking per jaar) is vermenigvuldigd met de gemiddelde kans dat een longontsteking die door de huisarts wordt vastgesteld leidt tot ziekenhuisopname (2,3%) en sterfte (1%). Dit leverde lagere schattingen op ten opzichte van de schattingen in de Kamerbrief van 4 februari 2025.
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Ja. Bij de uitwerking van het maatregelenpakket is en wordt rekening gehouden met proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten. Het beeld dat met te grote stelligheid over wetenschappelijke inzichten zou zijn gecommuniceerd herkent het kabinet niet.
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Het kabinet gaat niet over de wijze waarop tijdens het VGO-III-onderzoek geuite wetenschappelijke kritiek is meegenomen en al dan niet van invloed is geweest op de rapportage. Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 20256, heeft de stuurgroep VGO begin 2020, bij wijze van extra intercollegiale toetsing, twee onafhankelijke wetenschappers gevraagd een review uit te voeren op het onderzoek. Hiervoor zijn twee onafhankelijke hoogleraren epidemiologie gevraagd zonder binding met het VGO-consortium. De stuurgroep heeft deze review op eigen initiatief laten uitvoeren, en heeft een terugkoppeling van de resultaten gestuurd naar de opdrachtgevers. De externe reviews zijn in april 2025 openbaargemaakt in het kader van een Woo-verzoek.7
Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd de bewijskracht voor het bestaan van een gezondheidseffect te beoordelen en hierover advies uit te brengen. De Gezondheidsraad heeft bij de totstandkoming van zijn adviezen uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had. In deeladvies I en II worden beperkingen en onzekerheden van de verschillende deelstudies uit het VGO-III onderzoek besproken.
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Zie hiervoor het antwoord op vragen 2 t/m 8.
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 juli jl.8, vraagt het kabinet provincies rekening te houden met de aangekondigde regelgeving en om bestaande moratoria te handhaven totdat de aangekondigde regelgeving van het Rijk in werking is getreden. In aanvulling hierop is het kabinet voornemens het gesprek met provincies aan te gaan om de mogelijkheden voor het aanpassen van de moratoria op de aangekondigde regelgeving te verkennen.
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Zie antwoord vraag 17.
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Zoals aangekondigd in de verdiepingsbijlage (hoofdlijn 1) bij de Kamerbrief van 26 juni jl.9 onderzoekt het kabinet hoe de proportionaliteit van het invoeren van productierechten voor de geitensector vanuit de doelen voor het stikstofbeleid onderbouwd kan worden. Het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Daarnaast is in artikel 2.3a van de Wet dieren bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. Voor het bepalen van deze maatregelen zal gebruik worden gemaakt van beschikbare kennis over dierenwelzijn en diergezondheid, zoals bijvoorbeeld uit de rapporten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA).
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Het kabinet deelt de opvatting dat beperkingen op de vergunningverlening gevolgen kunnen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van geitenhouders. Veel bedrijfsaanpassingen in de provincies met een moratorium zijn moeilijk of worden niet vergund. Daar staat tegenover dat nieuwe bedrijven de markt moeilijk kunnen betreden, waardoor de bestaande bedrijven de markt bedienen. Het kabinet acht het niet opportuun om, indien dit al mogelijk zou zijn, te bepalen wat de netto economische gevolgen voor geitenhouders zijn van de door provincies ingestelde moratoria of van publieke beeldvorming over de sector. Belangrijker is dat er nu duidelijkheid komt, voor de sector en voor omwonenden.
Bij de besluitvorming is oog voor proportionaliteit van de maatregelen, onder andere in relatie tot het toekomstperspectief voor de sector. Het kabinet acht de impact aanvaardbaar. Uit de economische impactanalyse10 blijkt dat het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter zou leiden tot minder waardeverlies voor de sector, vergeleken met de huidige situatie met de moratoria in 9 van de 12 provincies. Voor het economische effect voor een individuele geitenhouder maakt het veel verschil of het geitenbedrijf binnen of buiten de afstandsnorm valt. Na invoeren van de afstandsnorm zouden de concurrentieposities kunnen gaan verschuiven, in het voordeel van geitenhouderijen die niet worden beperkt door deze norm.
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Zie antwoord vraag 20.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Ja.
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Het is het kabinet bekend dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg onder druk staat, hoewel er landelijk gezien meer huisartsen dan ooit zijn. Tegelijkertijd zijn er regionale verschillen in problematiek en tekorten. Enschede is een voorbeeld van een plek waar zich een regionaal tekort aan huisartsenzorg voordoet. Zo is na het faillissement van Co-Med in 2024 de huisartsenpraktijk THOEN tijdelijk operationeel geweest. Huisartsen uit andere praktijken met ruimte in hun agenda draaiden extra diensten in deze praktijk. Het harde werk van huisartsen, zorgverzekeraar Menzis en de gemeenten heeft er in die periode voor gezorgd dat toegang tot huisartsenzorg gewaarborgd was voor mensen zonder huisarts. Omdat het niet meer haalbaar was om diensten te vullen is deze tijdelijke praktijk gestopt. De huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten gaan door met het vinden van oplossingen zoals het gebruik maken van digitale huisartsenzorg voor iedereen die geen vaste huisarts heeft.
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere (Zvw-)verzekerde in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, ongeacht afkomst. Huisartsen mogen bij de inschrijving van patiënten geen ongegrond onderscheid maken tussen verschillende patiëntengroepen. Het zijn van statushouder is geen gegronde reden om met voorrang in te schrijven bij een huisarts. VWS heeft ook geen signalen ontvangen dat dit gebeurt.
Huisartsen bepalen zelf op basis van eigen capaciteit of hun praktijk open of dicht is voor nieuwe inschrijvingen. Als huisartsenpraktijken ruimte hebben voor nieuwe patiënten, geven zij soms voorrang aan patiënten die nog geen huisarts hebben boven patiënten die willen wisselen van huisarts.
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
VWS heeft geen signalen dat statushouders en nareizigers met voorrang worden ingeschreven bij huisartsenpraktijken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft deze signalen evenmin.
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werkt de huisartsenzorg niet met een wachtlijst zoals gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) of in de medisch specialistische zorg (MSZ). Patiënten kunnen zich inschrijven bij een huisartsenpraktijk waarbij de praktijkhouder bepaalt of er plek is om iemand aan te nemen. Als er sprake is van een patiëntenstop kan een huisarts besluiten een patiënt toch in te schrijven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van bijzondere medische omstandigheden, gezinsuitbreiding of wanneer de continuïteit van zorg dit noodzakelijk maakt.2 Dergelijke afwegingen zijn zorginhoudelijk van aard en gelden ongeacht afkomst, nationaliteit of verblijfsstatus.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt nauw samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om te zorgen dat iedereen in Nederland toegang heeft tot een huisarts in de buurt. In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft het kabinet met betrokken partijen afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te vergroten en te borgen. Daarover is het kabinet doorlopend in gesprek met deze partijen.